Nieuwe erfpachtvoorwaarden van de gemeente Amsterdam: |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het voorstel van de gemeente Amsterdam voor nieuwe erfpachtvoorwaarden?
Ja, ik heb kennis genomen van het «Voorstel voor nieuwe Amsterdamse erfpachtvoorwaarden», zoals op 22 mei 2013 vrijgegeven voor consultatie door het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Welke grenzen en kaders gelden er volgens u aan de voorwaarden die gemeenten kunnen stellen omtrent gemeentelijke erfpacht?
Gemeenten zijn te allen tijde gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zo ver zij privaatrechtelijk handelen gelden in aanvulling hierop ook de hiervoor gebruikelijke vereisten van het Burgerlijk Wetboek (zie de artikelen 6:2 en 6:248). Dit houdt in dat juist vanwege de grote mate van contractvrijheid die partijen genieten, verwacht mag worden dat men op grond van de normen van redelijkheid en billijkheid over en weer rekening houdt met elkaars gerechtvaardigde belangen, zie hiervoor ook mijn eerder beantwoorde vragen over particuliere erfpacht, TK 2012–2013, nr. 2464.1
Deelt u de mening dat het ongewenst is wanneer gemeentelijke erfpacht niet alleen wordt ingezet als sturingsinstrument van het ruimtelijk ordeningsbeleid, maar ook als een financieel product ten behoeve van de inkomsten van gemeenten?
Het inzetten van het instrument van gemeentelijke erfpacht is al heel lang primair een afweging voor de lokale politiek. Zo heeft Amsterdam reeds sinds de invoering van het erfpachtstelsel in 1896 als oogmerk gehad dat «de waardestijging naar de gemeente, als vertegenwoordiger van die bevolking, zou moeten toevloeien (...). Deze erfpachtrechten zouden een looptijd hebben van vijfenzeventig jaar, waarna de gemeente de gestegen grondwaarde kan verzilveren (...)»2. Daarnaast gold dat de gemeente hiermee invloed wilde uitoefenen op het gebruik van de grond. Dit laatste motief speelde vooral in een tijd dat het hele publiekrechtelijk instrumentarium, zoals het door u genoemde ruimtelijke ordeningsbeleid, nog geen vorm had gekregen. Beide elementen worden ook in het huidige voorstel expliciet genoemd als argumenten waarom Amsterdam blijft vasthouden aan erfpacht (zie paragraaf 1 van eerdergenoemd voorstel).
Los hiervan vind ik in algemene zin wel, zoals al eerder aangegeven (zie bijvoorbeeld TK-brief 2012–2013, 27 924, nr. 57), dat waar mogelijk kopers de keuze zouden moeten hebben tussen verwerving van een woning in volle eigendom dan wel in erfpacht. Hetgeen niet weg neemt dat de wijze van gronduitgifte een verantwoordelijkheid is van het lokale bestuur, dat hierover betreffende afweging moet maken.
Welke waarborgen zijn er dat gemeentelijke regels omtrent erfpacht geen oneigenlijke invloed hebben op de mogelijkheden tot hypothecaire financiering dan wel de mogelijkheid tot adequate waardebepaling van een woning? Op welke wijze en door wie worden deze waarborgen nu getoetst?
De «waarborg» voor de mogelijkheden tot hypothecaire financiering bestaat uit de onder antwoord 2 vermelde grenzen en kaders. Voor de waardebepaling geldt in Amsterdam van oudsher een deskundigenprocedure. Mijn ambtsvoorganger is in de antwoorden op Kamervragen in 2012 op de tot nu toe geldende Amsterdamse procedure voor waardebepaling ingegaan (TK 2011–2012, nr. 2521, 15 mei 2012). In het voorstel voor de nieuwe Amsterdamse erfpachtvoorwaarden is opgenomen dat bij woningen de canon voortaan niet meer af te kopen is voor tijdvakken en de canon aangepast wordt op basis van de overeengekomen transactieprijs voor de woning (i.c. «het erfpachtrecht») aan de hand van de (vooraf vastgestelde) residuele waardemethodiek. De deskundigenprocedure is dan, in dit stadium, niet nodig. Het doel van het voorstel is de transparantie en voorspelbaarheid van de canon(herziening) te verbeteren. Tevens verwacht het college dat hierdoor in de praktijk de hypothecaire financiering van woningen met erfpacht wordt vereenvoudigd. De gemeente Amsterdam is hier overigens over in gesprek met de banken. Het is aan de gemeenteraad om deze argumenten van het college mee te wegen in de besluitvorming.
Bestaat er naar uw oordeel een grens waarna erfpachtvoorwaarden niet meer kunnen worden beschouwd als een zuiver privaatrechtelijke aangelegenheid, maar er sprake is van een vorm van lastenverzwaring voor woningbezitters in de vorm van (overdrachts) belasting of andersoortige heffing op eigen woningen?
Het staat elke eigenaar van grond vrij deze grond al dan niet te verkopen, te bezwaren of te (erf)verpachten. En het staat iedere gegadigde vrij om deze grond te kopen of te (erf)pachten. Erfverpachter en erfpachter sluiten een gewone privaatrechtelijke overeenkomst, binnen de kaders van het Burgerlijk Wetboek.
Voor zover u hierbij doelt op de canonaanpassing van bestaande erfpachtcontracten, is van belang dat het collegevoorstel is om in de nieuwe erfpachtvoorwaarden uit te gaan van de transactieprijs en via de residuele grondwaardemethode (waarvan de formule nog wordt uitgewerkt door het college) te komen tot de waarde van de grond van desbetreffende woning. Aannemende dat hierdoor de grondwaarde in principe een reële afspiegeling zal vormen van de marktwaarde, zorgt dit kernonderdeel van de systeemaanpassing niet voor een (impliciete) gemeentelijke lastenverzwaring. Daarnaast wordt in het collegevoorstel uitgegaan van een jaarlijkse indexering met de inflatie van de canon. Dit kan (bij ongeïndexeerde contracten) wel leiden tot een verzwaring van de lasten voor woningbezitters in vergelijking tot de huidige systematiek.
Hoe verhouden zich de voorwaarden van erfpacht die gemeenten kunnen stellen tot artikel 17 van het Handvest Grondrechten (recht op eigendom)? Hoe verhouden zich deze voorwaarden tot het vertrouwensbeginsel in geval van wijziging van de voorwaarden met het oog op de gevolgen voor de koopprijs van een woning bij overgang naar een nieuw stelsel?
Artikel 17 van het Handvest Grondrechten van de Europese Unie heeft, met een gemoderniseerde formulering, dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het door laatstgenoemde gewaarborgde recht en de toegestane beperkingen daarop mogen niet worden overschreden. Artikel 1 EP geeft in het bijzonder aan dat de bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten, «dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren». Het is aan het lokaal bestuur zich bij zijn besluitvorming te vergewissen van de verhouding tussen het Handvest, het vertrouwensbeginsel en de toepasselijkheid hiervan bij een wijziging van voorwaarden.
Bent u van mening dat van een gemeentelijke overheid als monopolist van het verpachten van grond voor woningen bijzondere verantwoordelijkheid mag worden verwacht waar het gaat om voorspelbaarheid, zorgvuldigheid, redelijkheid en billijkheid van het erfpachtbeleid? Zo ja, op welke wijze en door wie wordt dit momenteel geborgd?
De bijzondere verantwoordelijkheid van de gemeente is toegelicht in de beantwoording van vraag 2. Het is aan de lokale democratie (in dit specifieke geval het college van B&W van Amsterdam in samenspraak met de Amsterdamse gemeenteraad) om er voor te zorgen en er op toe te zien dat hier goede invulling aan wordt gegeven. Zij zorgt dus voor deze borging. In het kader van de zorgvuldigheid heeft het college van B&W in de voorbereiding voor het nieuwe erfpachtbeleid om die reden allereerst (zoals men zelf aangeeft) uitgebreid overleg gevoerd met stakeholders en het voorstel nu voor consultatie voorgelegd aan belanghebbenden. Vervolgens zullen de nieuwe Algemene Bepalingen onderwerp zijn van een inspraakprocedure. Tenslotte is dit geborgd doordat de rechter bij een conflict over het door de gemeente gevoerde erfpachtbeleid en de daarop gebaseerde erfpachtvoorwaarden, deze aspecten in zijn uitspraak zal meewegen.
Het bericht ‘resistente schimmel verspreidt zich’ |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de publicatie in het medische vakblad Clinical Infectious Diseases over de resistente aspergillusschimmel?1
Ja.
Is u bekend dat de aspergillusschimmel ontstaat door gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen schimmels in de leefomgeving?
De resistentie bij schimmels is gericht tegen de klasse van azolen, de belangrijkste groep antischimmelmiddelen die gebruikt wordt bij de behandeling van schimmelziekten bij de mens. Deze azolen worden ook toegepast als werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen, cosmetica en biociden. Biociden zijn verschillende typen producten zoals ontsmettingsmiddelen, conserveringsmiddelen en plaagbestrijdingsmiddelen.
De mate waarin het gebruik van azolen bij bovengenoemde toepassingen bijdraagt aan de resistentieproblematiek bij de mens is nog onbekend, maar mogelijk is hier sprake van een oorzakelijk verband.
Wat is uw opvatting over het feit dat deze nieuwe schimmel moeilijk te bestrijden zou zijn?
De schimmel Aspergillus fumigatus kan verschillende ziekten veroorzaken bij de mens, zoals longontsteking. Dit is al lang algemeen bekend. Als schimmels resistent zijn worden mensen niet vaker of ernstiger ziek, maar compliceert dit de behandeling waardoor het uiteindelijke verloop van de ziekte ernstiger kan zijn. Ook dit is eerder beschreven.
In het betreffende artikel is gekeken naar het vóórkomen van Aspergillus in het leefmilieu en bij patiënten. Hierbij is specifiek gekeken naar resistentie van deze schimmels tegen azolen. De problematiek beperkt zich tot bepaalde risicogroepen. Voor deze risicogroepen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Welke maatregelen bent u desondanks bereid te nemen om verdere verspreiding van deze resistente schimmel te voorkomen?
Op 15 oktober 2010 heeft er een deskundigenberaad plaatsgevonden bij het RIVM over resistente schimmels. De aanleiding vormde de zorgen over een mogelijke toename van resistentie bij schimmels waardoor behandeling wordt gecompliceerd. Eén van de adviezen van het deskundigenberaad was het opzetten van een referentielaboratorium voor invasieve aspergillose zodat het inzicht in de omvang van de problematiek in Nederland verbeterd wordt. Door de deskundigen werd het UMC St Radboud aangewezen als kandidaat voor het opzetten van een referentielaboratorium. Ik heb dit advies overgenomen en in 2011 is het referentielaboratorium gestart. Het referentielaboratorium geeft inzicht in het vóórkomen van ziekten veroorzaakt door schimmels en resistentie bij schimmels bij patiënten.
Het ministerie van I&M heeft daarnaast een onderzoek lopen bij Royal HaskoningDHV met als doel inzicht te krijgen in de vraag of biociden een rol spelen bij de resistentie van schimmels tegen azolen. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan andere producten waar azolen in zitten, zoals gewasbeschermingsmiddelen en cosmetica. Dit rapport wordt deze zomer verwacht.
Welke concrete risico’s voor de volksgezondheid zijn er door de verspreiding van aspergillusschimmel in woonhuizen en woonwijken?
Het risico voor de volksgezondheid beperkt zich tot bepaalde risicogroepen die in verhoogde mate vatbaar zijn voor infecties, zoals patiënten met chronische longziekten en patiënten met sterk verminderde weerstand zoals patiënten die voor leukemie worden behandeld of een orgaantransplantatie hebben ondergaan. Het optreden van een ernstig ziektebeeld door Aspergillus is dus zeer zeldzaam. De behandeling van deze ernstig zieke mensen wordt gecompliceerd als deze schimmel ook nog resistent is. Gezonde mensen kunnen de resistente schimmel bij zich dragen maar worden er niet ernstig ziek van.
De consumptie van ‘Schipholganzen’ |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vergaste Schipholganzen worden opgegeten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we op een verantwoorde wijze moeten omgaan met de vele duizenden ganzen die helaas worden vergast en dat het onverantwoord is om deze ganzen af te voeren naar de destructor? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Klopt het gestelde in het artikel dat de ganzen die in de omgeving van Schiphol worden gevangen en vervolgens vergast, in principe bestemd zijn voor poeliers en voedselbanken?
Alle ganzen die door de uitvoerder worden gevangen en gedood worden ter beschikking gesteld van een poelier. Sinds 2012 worden de ganzen die gevangen worden in het belang van de vliegveiligheid ter plaatse gedood met CO2. Een poelier haalt ze op de vangplek op. Deze stelt al enige jaren uit eigener beweging een deel ter beschikking aan de voedselbank. De overige ganzen worden ook verwerkt en verkocht aan horecaondernemers.
Is het gestelde in het artikel waar dat in de ontheffingen/machtigingen die de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht hebben verleend om de dieren te doden, staat dat de ganzen moeten worden benut? Zo nee, wat staat er dan in de ontheffingen? Zo ja, welke concrete benuttingsvoorschriften zijn opgenomen in de ontheffingen?
In het contract met de uitvoerder is opgenomen dat een zo groot mogelijk deel van de ganzen in de voedselketen terecht dient te komen.
De teksten van de ontheffingen van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht zijn te vinden op de websites van genoemde provincies.
Kunt u aangeven waar de gevangen en vergaste «Schipholganzen» tot nu toe naar toe worden gebracht en hoeveel procent van de ganzen de voedselketen in gaan?
De ganzen worden op de vangplek gedood en opgehaald door de poelier. Alle ganzen gaan de voedselketen in. Alle volwassen ganzen worden voor menselijke consumptie gebruikt en verkocht aan de horeca of geschonken aan de voedselbank. Van de jonge ganzen wordt een deel gebruikt voor dierlijke consumptie. Dit jaar is 63% van het totaal aantal gevangen ganzen de menselijke voedselketen ingegaan. De overige (jonge) ganzen worden gebruikt voor diervoeding.
Bent u bereid om in overleg te gaan met de provincies en uitvoerders van het Ganzenakkoord om te zorgen dat ook alle ganzen die vanaf 2013 in het kader van het Ganzenakkoord worden gedood, de voedselketen ingaan? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om ganzenvlees op de positieflijst voor duurzame inkoop door overheden te plaatsen?
De criteria voor de inkoop van catering door overheden zijn recentelijk (november 2012) herzien in nauwe samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
De herziening van de criteria moet cateraars stimuleren om duurzamere, waaronder diervriendelijkere, producten op te nemen in het assortiment. De cateraar blijft, in overeenstemming met het Advies Duurzaam Inkopen van VNO-NCW e.a., vrij in zijn keuze hoe hij zijn assortiment inricht.
Bent u bereid om de consumptie van ganzenvlees in te brengen in uw overleg met de sector over voedselverspilling?
Mijn inzet is er op gericht om de gedode ganzen zo veel mogelijk voor menselijke consumptie te bestemmen dan wel een andere hoogwaardige bestemming te geven. Van voedselverspilling is hier overigens, gelet op de definitie van de Monitor Voedselverspilling (TK 31 532, nr. 115), geen sprake, want het betreft wilde ganzen die niet bedoeld waren voor menselijke consumptie.
Een mogelijk ongeoorloofde subsidiëring en staatssteun bij de verkoop van Syntus aan Keoli |
|
Sander de Rouwe (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onlangs uitgekomen jaarverslag van de NS? Bent u op de hoogte van de mededeling in dat jaarverslag (bladzijde 78) dat NS € 11 miljoen verlies heeft geleden op een transactie?
Ja.
Wat is de achtergrond van dit verlies? Betekent dit verlies dat er door NS een bedrag is meegegeven aan de kopende partij Keolis?
Syntus was verlieslatend en dreigde op een faillissement af te stevenen. De € 11 mln was een afboeking op een lening die als verloren was te beschouwen en op de waarde van de deelneming. Overdracht van Syntus aan Keolis was aantrekkelijker voor NS dan een (mogelijk) faillissement, beter voor de belangen van de werknemers en beter voor de belangen van de concessieverstrekkende decentrale overheden; het zorgde voor continuïteit bij de uitvoering van de concessieovereenkomsten.
Heeft dit verlies er wellicht mee te maken dat de koper, Keolis, met Syntus een bedrijf met een negatieve exploitatie heeft gekocht en dat Keolis de transactie alleen wilde accepteren wanneer de verkopende partij een bedrag ter dekking hiervan mee geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Indien deze verliezen ten koste gaan van de winsten respectievelijk dividenduitkeringen van NS, is de Staat (als enig aandeelhouder van NS) dan uiteindelijk de partij die opdraait voor die verliezen?
Indien er sprake is van verliezen gaat dit ten koste van de rendementen die de NS maakt, hetgeen mogelijk doorwerkt in de dividenden. Laatste is afhankelijk van de vermogensstructuur. Het alternatief, een faillissement, had tot eenzelfde verlies geleid maar was onaantrekkelijker geweest voor stakeholders als aanbestedende overheden en werknemers.
Bent u bereid te onderzoeken of bij deze transactie geen ongeoorloofde staatssteun dan wel verliescompensatie is verleend?
Bij deze transactie was geen sprake van verliescompensatie danwel staatssteun, de Staat is immers geen partij in deze transactie. Het betrof hier een beslissing van de NS. De keuze was failleren van Syntus met de daaraan verbonden kosten en met verlies van werkgelegenheid en onderbreking van de dienstverlening versus afboeken van negatieve waarde en verkopen met als voordeel behoud van werkgelegenheid en continuïteit van dienstverlening. Er is geen sprake van concurrentievervalsing: Syntus is immers verkocht aan een met NS concurrerende vervoerspartij.
In hoeverre is er door, weliswaar indirecte, inzet van Rijksmiddelen om verliezen te compenseren sprake van concurrentievervalsing ten opzichte van de andere private vervoerders?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat er 280.000 potentiele stageplaatsen onbenut blijven |
|
Loes Ypma (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de landelijke onderwijsadministratie van scholen voor voortgezet onderwijs BRIN1 «van geen kanten deugt», zoals het Haarlems Dagblad het kwalificeert?2
Nee, dat beeld herken ik niet.
Deze brede conclusie in het artikel baseert de journalist op een enkele casus waarbij het enige verschil tussen BRIN en werkelijkheid bestaat uit de naam die de school voert in het maatschappelijk verkeer en die in de registratie. De Inspectie van het Onderwijs heeft het bevoegd gezag van deze school hierop aangesproken. Er is door de journalist geen hoor en wederhoor gepleegd met de onderwijsinspectie.
Schoolbesturen dragen de verantwoordelijkheid voor een juiste registratie en dienen onjuistheden of veranderingen van hun gegevens tijdig te melden. Soms veranderen scholen hun naam of adres en geven dat niet of laat door aan DUO. Hierdoor kan het gebeuren dat BRIN niet op elk moment 100% overeenkomt met de werkelijkheid. Daar wordt echter wel naar gestreefd. Bij elke wijziging krijgt het bevoegd gezag een terugmelding van de registratie in BRIN met het verzoek te reageren als de gegevens niet kloppen. De Inspectie besteedt in haar toezicht aandacht aan de correctheid van de geregistreerde gegevens. Onjuiste registratie kan namelijk gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bekostiging. Ook doet de instellingsaccountant jaarlijks onderzoek naar de licenties van de school. Als er afwijkingen zijn, dan volgt een uitzonderingsrapportage.
Kunnen scholen nevenvestigingen naar believen veranderen in hoofdvestigingen en zo de strenge procedures van het RPO3 ontwijken?
Nee.
De eerste vestiging van een school wordt de hoofdvestiging genoemd (artikel 65 WVO). Vervolgens kan er aan een school een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging worden toegevoegd. Zo bestaat een school (BRIN-nummer) uit meerdere vestigingen. Een nieuwe nevenvestiging kan worden opgericht als men daar overeenstemming over bereikt met alle schoolbesturen die in een RPO samenwerken. Het argument hiervoor is dat oprichting van een nevenvestiging gevolgen kan hebben voor de leerlingstromen in de stad (en dus voor het leerlingpotentieel van de andere scholen). Als men in het RPO overeenstemming bereikt, is er geen toestemming van de minister meer nodig. Daarnaast kan een nevenvestiging ontstaan door fusie van twee zelfstandige scholen; dan wordt automatisch één school de hoofdvestiging en de andere de nevenvestiging.
Voor het opheffen/sluiten van vestigingen is geen overeenstemming in het RPO of toestemming van de minister of gemeente nodig. Schoolbesturen kunnen te allen tijde zelf besluiten of zij een vestiging sluiten omdat bijvoorbeeld de inschrijvingen zodanig teruglopen dat de kwaliteit van onderwijs niet meer gegarandeerd kan worden. Overigens, als er op een BRIN-nummer minder leerlingen worden ingeschreven dan de opheffingsnorm dan wordt de bekostiging van overheidswege beëindigd.
Als een nevenvestiging wordt gesloten dan verandert er niets aan de hoofdvestiging en blijft deze gewoon bestaan. Als een bevoegd gezag besluit de hoofdvestiging te willen sluiten dan zal als gevolg van de administratieve registratie, ook de nevenvestiging worden gesloten. In het specifieke geval van sluiting van het Teylercollege zou dan ook de Paulus Mavo, geregistreerd als nevenvestiging van deze school door een fusie in het verleden, haar deuren moeten sluiten. Het bevoegd gezag heeft aangegeven alleen de vestiging van Teylercollege te willen sluiten en niets te willen veranderen aan de licenties op de nevenvestiging (met andere woorden: er wordt geen onderwijsaanbod verplaatst). Daarom is in het belang van de zittende leerlingen op de Paulus Mavo besloten de nevenvestiging Paulus Mavo in stand te laten en zodoende wordt deze automatisch aangemerkt als hoofdvestiging. Er verandert als zodanig niets aan deze vestiging; het toegestane onderwijsaanbod blijft gelijk en de leerlingstromen veranderen niet. Derhalve zou het bureaucratisch en onlogisch zijn om voor deze verandering overeenstemming te eisen in het RPO.
In mijn beleidsreactie op de evaluatie voorzieningenplanning kondig ik aan deze omissie in de wet, namelijk «wat gebeurt er als de hoofdvestiging gesloten wordt en de nevenvestiging niet», te repareren. Mijn beleidsreactie zult u binnenkort ontvangen.
Hoe zit met de geldigheid van diploma’s die enkel op naam staan van een school (Teyler College) die anders luidt dan de naam die is geregistreerd in BRIN (Linnaeus College Haarlem)?
Diploma’s zijn een hoeksteen van ons maatschappelijk bestel. Zij vormen de ingang tot het vervolgonderwijs of bepaalde beroepen. Het civiel effect van een diploma en het belang van de leerlingen verzetten zich ertegen om de desbetreffende diploma’s «ongeldig» te verklaren. Alleen zeer zwaarwegende redenen kunnen aanleiding vormen om een diploma achteraf ongeldig te verklaren. Dit dient dan overigens te gebeuren door degene die het diploma uitreikt: de directeur van de school.
Een onjuiste naamsvermelding van de school op het diploma rechtvaardigt niet, naar mijn oordeel, het achteraf ongeldig verklaren van diploma’s. Wel heeft de Inspectie het bevoegd gezag en de schoolleiding van de desbetreffende school inmiddels gewezen op de relevantie van het naleven van de Regeling modellen diploma’s v.w.o.-h.a.v.o.-v.m.b.o. De school heeft toegezegd voor volgende jaren de naam van het BRIN te vermelden. Middels de nieuwsbrief voortgezet onderwijs zal ik ook de andere scholen wijzen op het belang van naleving van deze regeling.
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de echte wereld van de scholen zo kan verschillen van de wereld van scholen zoals deze geregistreerd staan en dat scholen moeten functioneren zonder eigen BRIN-nummer?
Echte wereld versus registratie
Zie het antwoord op vraag 1.
Scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer
Er moeten geen scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer.
Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2 bestaan sommige scholen uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen. Zo’n school is als bekostigingseenheid voorzien van één BRIN-nummer en elke vestiging heeft een sub-BRIN-nummer. Sommige nevenvestigingen zijn echter in het verleden nevenvestiging geworden als gevolg van een fusie tussen twee zelfstandige scholen met ieder een eigen BRIN-nummer. Na de fusie resteert dan één bekostigingseenheid, dus één BRIN-nummer.
Het is mogelijk om nevenvestigingen (weer) te verzelfstandigen en van een eigen BRIN-nummer te voorzien. Dan is er ofwel sprake van
Het bericht ‘Barrières terug van weggeweest. Nederlandse technologiebedrijven krijgen zelfs binnen EU met belemmeringen te maken’ |
|
Jan Vos (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Barrières terug van weggeweest. Nederlandse technologiebedrijven krijgen zelfs binnen EU met belemmeringen te maken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de conclusie uit het onderzoek van werkgeversorganisatie FME-CWM onder 612 technologiebedrijven, dat moeizame douaneprocedures, interne regels en afwijkende standaardeisen voor producten in EU-lidstaten steeds vaker de kop opsteken, een slechte ontwikkeling is? Zo nee, waarom niet?
Een optimaal werkende Europese interne markt, waarbij er sprake is van een level playing field voor alle betrokken partijen, is voor Nederland van groot belang. Als regels en procedures de goede werking van de interne markt voor producten belemmeren is dat geen goede ontwikkeling.
In het onderzoek van FME-CWM wordt een aantal belemmeringen gesignaleerd voor het internationaal zakendoen. Deze belemmeringen zijn niet nader gespecificeerd en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen belemmeringen binnen en buiten de EU. De douanebelemmeringen waaraan wordt gerefereerd hebben vooral betrekking op exportbestemmingen buiten Europa, met name Brazilië, Rusland, India en China (de zogenoemde BRIC-landen). Die landen voeren al jaren de lijst van «barrièrelanden» aan, zeker als het om «moeizame douaneprocedures» gaat. Deels lijken de gesignaleerde belemmeringen ook de Europese interne markt te betreffen. Ik ga graag in overleg met FME-CWM om de gesignaleerde problemen nader te duiden, zodat ik deze eventueel mee kan nemen in lopende trajecten in EU-verband om de werking van de interne markt voor industrieproducten te verbeteren (zie antwoord op vraag 4).
Deelt u de mening dat het stellen van specifieke eisen aan technologische producten om de eigen markt te beschermen verdere versterking van de Europese interne markt in de weg staat en dat dit een onwenselijke ontwikkeling is?
Het stellen van additionele eisen aan producten om de eigen markt te beschermen belemmert het vrije verkeer van goederen op de Europese interne markt. Een ontwikkeling in die richting is onwenselijk en zal ik altijd krachtig van de hand wijzen. Alleen op basis van dwingende redenen van algemeen belang zijn beperkende maatregelen geoorloofd («rule of reason»), bijvoorbeeld in het geval van risico voor de volksgezondheid of het milieu. Dit moet uiteraard uitzondering zijn, geen regel.
Indien een lidstaat redenen heeft om voor een product aanvullende technische vereisten in te stellen, dan geldt er op grond van richtlijn 98/34/EG een notificatieplicht. Een lidstaat dient de aanvullende vereisten voor het product, met opgaaf van reden, te melden aan de Europese Commissie. De Commissie stelt de overige lidstaten op de hoogte die samen met de Commissie de mogelijkheid hebben om op de technische voorschriften te reageren.
Bent u bereid om de obstructies die technologiebedrijven ondervinden binnen de EU, zoals moeizame douaneprocedures, interne regels en afwijkende standaardeisen, op een zo kort mogelijke termijn in Europees verband ter sprake te brengen?
Nederland en de Europese Commissie zijn zich door signalen uit de industrie bewust van het feit dat, ondanks dat de markt voor industriële producten een succesvol deel van de Europese interne markt is, deze markt nog steeds belemmeringen kent. De Commissie komt daarom, onder andere op basis van de uitkomsten van een publieke consultatie, dit jaar nog met een strategisch initiatief om de kwaliteit van wetgeving voor de interne markt voor industriële producten en de consistente toepassing daarvan te verbeteren en resterende belemmeringen aan te pakken. Ik zal na overleg met FME-CWM bezien in hoeverre de door hen gesignaleerde belemmeringen, voor zover zij een relatie hebben met de Europese interne markt, voldoende in dit initiatief van de Commissie worden meegenomen.
Tevens werkt Nederland constructief aan de lopende onderhandelingen over de voorstellen onder het Single Market Act I- en het Single Market Act II-pakket, die beide beogen de interne werking van de interne markt te optimaliseren. Een van de onderdelen is het productveiligheid- en markttoezichtpakket dat onder andere als doel heeft voor bedrijven een gelijk speelveld te garanderen en de productveiligheid te verbeteren.
FME-CWM heeft laten weten dat de «moeizame douaneprocedures» betrekking hebben op de export naar landen buiten de EU (met name de BRIC-landen) en niet op afzet van goederen in andere EU-lidstaten. Binnen de EU bestaan geen douaneprocedurele belemmeringen voor goederen die binnen de EU op de markt zijn gebracht (vrij verkeer van goederen). Tussen de EU-landen onderling is geen sprake van douanecontroles aan de grens. Verder zorgen instrumenten als de gemeenschappelijke douanewetgeving ervoor dat de douaneautoriteiten van de lidstaten dezelfde normen toepassen.
Op welke wijze kunt u de Nederlandse exporterende technologiebedrijven ondersteunen bij de internationale handelsbelemmeringen die zij ondervinden, ten eerste binnen en ten tweede buiten de EU-lidstaten?
Veel Nederlandse ondernemers en kennisinstellingen zijn actief in het buitenland en buitenlandse bedrijven investeren in de Nederlandse economie. Handel, investeringen en technologische samenwerking zorgen voor groei en werkgelegenheid.
Binnen de EU ziet de Nederlandse overheid er bij de totstandkoming van regelgeving op toe dat regelgeving zo lastenarm mogelijk wordt vormgegeven en dat het level playing field door nieuwe regelgeving niet nadelig wordt beïnvloed. Bij individuele handelsbelemmeringen die zich binnen de EU voordoen kunnen bedrijven een klacht indienen bij Solvit. Solvit is een Europees netwerk dat zich inzet voor burgers en bedrijven die problemen ondervinden door de verkeerde toepassing van het Europees recht door een autoriteit in een andere EU-lidstaat. Ook worden bedrijven in het internationaal zakendoen ondersteund door Antwoord voor Bedrijven, dat ondernemingen wegwijs maakt in regels, vergunningen en subsidies.
Voor het wegnemen van handelsbelemmeringen buiten de EU vindt overleg plaats tussen lidstaten en derde landen, gezamenlijk maar ook bilateraal. Het overleg tussen lidstaten is onder meer gericht op de inzet en ontwikkelingen in WTO-kader, maar ook gericht op bilaterale onderhandelingen. In WTO-kader is de laatste jaren weinig vooruitgang geweest in de Doharondebesprekingen over verdergaande handelsliberalisering. Momenteel is de inzet om eind dit jaar enkele deelakkoorden (onder andere handelsfacilitatie) af te ronden. Voor oneerlijke concurrentie op een buitenlandse markt kunnen bedrijven en kennisinstellingen zich richten tot het Meldpunt Handelsbelemmeringen: www.rijksoverheid.nl/meldpunthandelsbelemmeringen
Naast bilaterale interventies worden in EU-verband in het kader van de markttoegangsstrategie handelsbelemmeringen opgebracht bij overheden van derde landen. Nederland agendeert daartoe, in het EU-overleg ter plekke en in Brussel, handelsbelemmeringen waarmee onze bedrijven te maken hebben. Dit kan resulteren in gezamenlijke interventies van de Nederlandse en EU-delegatie. De Europese Commissie werkt ook aan het wegwerken van handelsbelemmeringen. Onder andere worden er handelsverdragen voorbereid met de Verenigde Staten en Japan.
De Nederlandse overheid zet zich in het buitenland daarnaast via het postennet (onder meer de innovatie-attaché»s) in voor de belangen van de Nederlandse economie. Zij doet dit door deuren te openen voor onze bedrijven en kennisinstellingen. De economische verhoudingen in de wereld veranderen, onder meer door opkomende markten zoals Brazilië, India en China. In deze landen speelt de overheid vaak nog een doorslaggevende rol in het dagelijkse economische leven. Dat betekent dat de Nederlandse diplomatie zich vooral richt op die landen waar de Nederlandse overheid het verschil kan maken voor de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat doet Nederland door gericht contact te zoeken met de collega-overheden in het buitenland over bijvoorbeeld markttoegang, en belemmerende wet- en regelgeving. Ook kunnen Nederlandse diplomaten de lokale context en regelgeving duiden, bemiddelen en helpen bij het zoeken van partners door hun netwerk in te zetten. Daarnaast gaan technologiebedrijven en kennisinstellingen ook mee met missies, en kunnen zij op die manier bij overheden en (staats)bedrijven op een hoog niveau binnenkomen.
Heeft u de «gebruikers» van het postennet, waaronder de Nederlandse exporterende technologiebedrijven, betrokken bij modernisering van de diplomatie? Zo ja, welke partijen zijn hiervoor geraadpleegd? Zo nee, waarom niet?
Ja. In het traject met betrekking tot de modernisering van de diplomatie inclusief de totstandkoming van de brief «Voor Nederland wereldwijd», die vrijdag 28 juni 2013 is toegezonden aan de Tweede Kamer, heeft consultatie plaatsgevonden met stakeholders van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij gaat het om vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de reiswereld, NGO’s, overheden, media, wetenschappelijke organisaties en kennisinstituten. De consultaties geschiedden zowel plenair als op individuele basis.
Welke rol kunnen de diplomatieke posten vervullen bij het slechten van de handelsbarrières die Nederlandse bedrijven ondervinden bij het betreden van handelslanden zoals Brazilië, India, Rusland en China?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes dat tot ergernis en tot verwarring leidt |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes tot ergernis en tot verwarring leidt?
Het is mij bekend dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes soms aanleiding geeft tot discussie. Voor verwarring is geen aanleiding. De beschikking en de acceptgiro vermelden duidelijk het te betalen bedrag inclusief de administratiekosten.
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Sector kanton Rechtbank Zeeland-West-Brabant (LJN: CA0211)?
Ja.
Deelt u het oordeel van de kantonrechter dat in deze zaak buiten alle proporties incassomaatregelen zijn toegepast, en dat om 6 euro te innen ten behoeve van de Staat der Nederlanden?
Het past mij als Minister van Veiligheid en Justitie niet om een oordeel te hebben over de uitspraak van een kantonrechter in een individuele zaak.
Deelt u de mening dat het in rekening brengen van administratiekosten alsmede het toepassen van buitenproportionele incassomaatregelen het maatschappelijk draagvlak voor verkeersboetes ondermijnt?
Op 1 juli 20091 is een aantal bepalingen in werking getreden waarbij de wettelijke basis is gevormd om naast de administratieve sanctie administratiekosten te innen. Het Gerechtshof Leeuwarden, de hoogste beroepsinstantie in dit soort zaken, heeft in meerdere arresten geoordeeld dat het in rekening brengen van administratiekosten rechtmatig is en niet strijdig met nationale of internationale regelgeving2. Ik zie dan ook niet in waarom het maatschappelijk draagvlak hierdoor zou worden ondermijnd. Datzelfde geldt voor de toegepaste incassomaatregelen. Bij het geloofwaardig handhaven van de verkeersregels hoort immers dat de gevolgen van het overtreden van deze regels worden geëffectueerd.
Bent u bereid het in rekening brengen van administratiekosten te betrekken bij de door u toegezegde evaluatie van het boetesysteem?
Nee. De administratiekosten maken immers geen onderdeel uit van de boete, maar zijn een gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze om de kosten die met de inning van een boete zijn gemoeid door te berekenen aan degene aan wie de sanctie is opgelegd. Het past daarom niet om in een evaluatie van het boetesysteem de administratiekosten te betrekken.
Kennis onder jongeren over de Verklaring Omtrent het Gedrag |
|
Alexander Pechtold (D66), Magda Berndsen (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het profielwerkstuk «De Verklaring Omtrent het Gedrag»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in dit profielwerkstuk wordt geschetst, namelijk dat veel jongeren zich niet bewust zijn van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en jongeren die eerder een delict pleegden onaangenaam verrast worden wanneer zij door een weigering van de VOG een stage of baan mislopen?
Ja, het beeld dat in het werkstuk wordt geschetst herkennen wij. Veel jeugdigen zijn zich niet bewust van de gevolgen die een weigering van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kan hebben.
De dienst Justis, van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) behandelt iedere VOG-aanvraag uiterst zorgvuldig. Daarbij wordt het risico op een inbreuk op integriteit voor de samenleving afgewogen tegen het belang van de resocialisatie van de individuele aanvrager. Wij vinden dat dit huidige beoordelingskader voldoende ruimte biedt om recht te doen aan de belangen van jeugdigen. In 2012 is 0,48% van de VOG-aanvragen door jeugdigen tot 23 jaar de VOG geweigerd. Van de 134.481 aanvragen door jeugdigen zijn er uiteindelijk 650 afgewezen.
Er is dus sprake van een beperkte groep jongeren waarvan de VOG-aanvraag werd afgewezen. Omdat wij het belang van een stage of baan groot achten, en daarvoor in de praktijk vaak een VOG nodig is, is tijdens de laatste begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie besloten de terugkijktermijn bij VOG-aanvragen van adolescenten te verkorten van vier naar twee jaar.2 Voorwaarde is dat de aanvrager ten tijde van de VOG-aanvraag maximaal 22 jaar oud is. Deze gewijzigde terugkijktermijn geldt voor alle delicten met uitzondering van zedendelicten en ernstige geweldsdelicten.
Deelt u de mening dat dit zou kunnen worden voorkomen wanneer jongeren op de hoogte zouden zijn van het bestaan van de VOG en de gevolgen die een weigering hiervan kan hebben voor een toekomstige studie, stage of baan? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven het belang van voorlichting op maat aan de jongeren over het bestaan van de VOG en de gevolgen die een weigering hiervan kan hebben voor een toekomstige studie, stage of baan. Daarom worden de volgende concrete stappen ondernomen om voorlichting over de VOG te verbeteren. De staatssecretaris van OCW heeft aan het Centrum School en Veiligheid (CSV) gevraagd om aandacht te gaan besteden aan de VOG voor jeugdigen.3 Daarnaast wordt er een nieuwsbrief opgesteld, waarin informatie wordt gegeven over de VOG en de gevolgen van een VOG-weigering worden uitgewerkt. Deze zal aan de jongerenorganisaties (LAKS, Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs) en de sectororganisaties (PO-Raad, VO-raad en de MBO Raad) voor publicatie worden aangeboden.
Aanvullend hierop gaat de Dienst Justis onderzoeken, onder meer met behulp van sociale media, op welke wijze voorlichtingsmateriaal nog meer kan worden toegesneden op de doelgroep. Ook heeft de Dienst Justis reeds de jongeren die het onderzoek hebben verricht op bezoek gehad om te bespreken op welke wijze jongeren het best voorgelicht kunnen worden. De voorlichtingsactiviteiten van OCW en de Dienst Justis zullen op elkaar worden afgestemd.
Wat is uw reactie op de resultaten van de enquête die de makers van dit werkstuk hebben afgenomen bij 635 leerlingen op diverse scholen, namelijk dat:
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat meer kennis over de VOG een preventieve werking kan hebben en zo criminaliteit kan voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat jongeren beter voorgelicht moeten worden over het bestaan van de VOG? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat jongeren zich beter bewust worden van de VOG en de gevolgen van een weigering van de VOG?
Zie antwoord vraag 3.
Het regime in vreemdelingendetentie |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgnomen van de uitzending van «De vijfde dag» van 19 juni 2013?
Ja.
Welke mogelijkheden hebben vreemdelingen een klacht in te dienen tegen de wijze waarop zij behandeld worden in detentie?
Ingeslotenen die gedetineerd zijn op grond van artikel 6 en 59 van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen zich op grond van artikel 14 van het Reglement Regime Grenslogies, respectievelijk artikel 60 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw), beklagen over door en namens de directeur van de inrichting genomen beslissingen. Eerste aanspreekpunt voor een ingeslotene die zich wil beklagen, is de maandcommissaris van de Commissie van Toezicht van de betreffende inrichting. De maandcommissaris adviseert de ingeslotene om al dan niet een formele klacht in te dienen, of voor bemiddeling te kiezen. Indien de ingeslotene besluit tot het indienen van een formele klacht, dan kan dit bij de beklagcommissie. Deze commissie behandelt de klacht tijdens een hoorzitting. Zowel de ingesloten, als de inrichtingsdirecteur, wordt op dat moment in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op de klacht. De ingeslotene kan zich hierbij bovendien laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon. De beklagcommissie doet vervolgens uitspraak, met als uitkomst een gegrond-, ongegrond- of niet-ontvankelijkheidsverklaring.
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kan de ingeslotene die klaagt op grond van de Pbw beroep instellen bij de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming. Indien een klacht gegrond wordt verklaard, wordt de betreffende beslissing teruggedraaid of, indien dit niet mogelijk is, een schadevergoeding uitgekeerd.
Kunt u over de afgelopen vijf jaar, per jaar en per instelling, aangeven hoeveel klachten er zijn ingediend door vreemdelingen over het regime binnen de vreemdelingendetentie en de grensdetentie?
De capaciteit voor vreemdelingenbewaring is de afgelopen vijf jaar gehuisvest in verschillende inrichtingen. Een aantal van deze inrichtingen is inmiddels gesloten, voorts is er capaciteit afgebouwd en is oude capaciteit vervangen door nieuwbouw. In de bijlage1 bij deze antwoorden vindt u een tabel waarin per inrichting, per jaar, over de afgelopen vijf jaar, wordt aangegeven hoeveel klachten er in totaal zijn ingediend, hoeveel van deze klachten gegrond zijn verklaard en wat de gemiddelde bezetting was. In de laatste kolom wordt uitgesplitst hoeveel klachten gegrond zijn verklaard per 100 bezette plaatsen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat DC Rotterdam pas in 2012 open is gegaan. DC Noord Holland is niet herbenoemd maar wordt in deze tabel gevormd door de locaties Zaandam en Oude Meer, die thans zijn overgegaan in het nieuwe Justitieel Complex Schiphol (JCS). De ontbrekende getallen ten aanzien van 2011 voor DC Alphen, zijn te verklaren door de tijdelijke sluiting in dat jaar. In het algemeen kan worden gesteld dat het aantal ingediende klachten met een dalende lijn is afgenomen van 1214 in 2008 tot 599 in 2012. Ook het aantal klachten dat gegrond is verklaard is, evenredig aan de dalende instroom van het totale aantal klachten, gedaald van 30 in 2008 tot 13 in 2012. Dit dient uiteraard te worden afgezet tegen de gemiddelde bezetting. Het gemiddelde aantal gegronde klachten per 100 bezette plaatsen is afgenomen van 2 naar 1 klacht.
Uit de jaarverslagen van de verschillende Commissies van Toezicht blijkt dat het grootste deel van de klachten wordt afgehandeld door de maandcommissaris. Klachten waarin de maandcommissaris bemiddelt gaan meestal over de kwaliteit en kwantiteit van maaltijden, de prijzen en het assortiment in de inrichtingswinkel en uitval van onderdelen van het dagprogramma. De klachten die formeel en door middel van het klachtenformulier of de zogenoemde klaagschriftprocedure worden ingediend bij de beklagcommissie, zien met name op het activiteitenprogramma, het contact met de buitenwereld, zak- en kleedgeld, vermissing van persoonlijke goederen en plaatsing in een afzonderings- of strafcel. Daarnaast vormen verbouwingen, overplaatsingen of andere veranderingen in het standaard regime aanleiding om een klacht in te dienen.
Hoeveel van deze klachten zijn uiteindelijk gegrond verklaard? Kunt u deze cijfers toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Welke effecten zal het voorgenomen wetsvoorstel waarmee de vreemdelingenbewaring een eigen bestuursrechtelijk regime krijgt, hebben voor de klachtenprocedure?
In het nieuwe wetsontwerp zal de rechtsbescherming van ingesloten vreemdelingen uiteraard een plaats krijgen. De klachtenprocedure is hét instrument om te waarborgen dat de detentiecentra de rechten van ingeslotenen respecteren en faciliteren. Hoe de klachtenprocedure er precies uit komt te zien, is op dit moment nog niet te zeggen. In het nieuwe bestuursrechtelijke kader zal wat betreft rechtsbescherming als het gaat om de omstandigheden in bewaring in ieder geval rekening worden gehouden met de specifieke situatie van vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden. Daarbij komt dat het klachtrecht altijd zal moeten worden toegespitst op de bijzondere situatie van een gesloten setting en daarnaast moet aansluiten bij de speciale relatie die er in detentie is tussen overheid en ingeslotene.
Verschillende berichten over het bestuur op Bonaire |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving van de afgelopen maanden over de moeizame verhoudingen tussen de gezaghebber van Bonaire, de gedeputeerden en de Rijksvertegenwoordiger?1
Ja, de berichtgeving is mij bekend. Daarmee is niet per definitie gezegd dat alle berichtgeving de feiten adequaat weergeven. Daarom laat ik mij frequent door mijn ambtelijke ondersteuning en door de Rijksvertegenwoordiger informeren over de ontwikkelingen.
Is het waar dat er begin dit jaar een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen de gezaghebber en de coalitiepartijen omdat de gezaghebber integriteit in de publieke sector hoog op haar prioriteitenlijst had gezet?2
Zie het antwoord op vraag 1: het is en blijft lastig om met exacte zekerheid uitspraken te doen over motieven van de betrokkenen in Bonaire.
Heeft het feit dat de directie Toezicht en Handhaving door het bestuurscollege uit de portefeuille van de gezaghebber is gehaald, te maken met de strijd voor integriteit door de gezaghebber? Zo ja, hoe kwalificeert u dit? Zo nee, wat is dan de reden geweest om dit deel uit de portefeuille van de gezaghebber te halen?
De portefeuilleverdeling binnen het bestuurscollege is bij uitstek een politieke afweging. Na aantreden stelt het college zijn eigen portefeuilleverdeling vast (met vervangingsregeling). De gezaghebber maakt deel uit van het college en kan, naast zijn wettelijke taken (onder andere artikel 174, 175 en 176 WolBES), met collegeportefeuilles worden belast. Het staat het bestuurscollege vrij om wijzigingen aan te brengen in een eerder vastgestelde portefeuilleverdeling, uiteraard met uitzondering van de wettelijke taken van de gezaghebber.
In hoeverre was de Rijksvertegenwoordiger bij deze kwestie betrokken en hoe heeft hij zich opgesteld?
Op 31 mei jl. heeft de gezaghebber de Rijksvertegenwoordiger schriftelijk geïnformeerd over het besluit van het bestuurscollege.
Kunt u de Tweede Kamer informeren over de voortgang en de voorlopige resultaten van het project om integriteit in de publieke sector van Bonaire te bevorderen, waarvoor de Nederlandse regering – via het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) – in januari steun gaf aan de gezaghebber?3
De projectkerngroep is recent gestart met haar werkzaamheden en zal in december 2013 een adviesrapport uitbrengen aan de gezaghebber van Bonaire.
Wat vindt u van het feit dat bestuurders op Bonaire, waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt, gewoon in functie blijven?
Mij zijn geen gegevens bekend omtrent verschillen in gewoonte dienaangaande tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland. Op grond van artikel 39 van de WolBES gelden voor gedeputeerden de vereisten voor het lidmaatschap van de eilandsraad (men moet Nederlander zijn, ingezetene van het openbaar lichaam, minimaal achttien jaar zijn en niet uitgesloten van het kiesrecht). Soortgelijke eisen gelden in Europees Nederland ook ten aanzien van wethouders. Zolang aan deze eisen wordt voldaan is er geen wettelijke belemmering voor de vervulling van de functie van gedeputeerde.
Bestaan er verschillen tussen de BES-eilanden en Europees Nederland, naar regel of gewoonte, bijvoorbeeld ten aanzien van het in functie blijven van bestuurders tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat een integer bestuur een belangrijke voorwaarde is voor het aanpakken van de vele andere problemen op de BES-eilanden? Bent u van mening dat op de BES-eilanden dezelfde normen moeten gelden op het gebied van integriteit als in Europees Nederland? Zo nee, waarom niet? Welke stappen heeft u inmiddels ondernomen om de integriteit van bestuur op de BES-eilanden te verhogen?
Ja.
De inzet van BIOS is een stap die ik heb ondernomen en waarbij het eerste initiatief bij de gezaghebber lag. Een ander voorbeeld is dat in de WolBES is opgenomen dat de eilandsraad gedragcodes vaststelt voor gedeputeerden, gezaghebbers en eilandsraadleden. Dit is inmiddels gebeurd op St. Eustatius en Bonaire.
Waarom kiest u er – ondanks de problemen die spelen op Bonaire – bij uw reis naar het Caribisch deel van het Koninkrijk niet voor om een bezoek te brengen aan Bonaire?4
Ik heb eind januari van dit jaar een bezoek gebracht aan Bonaire, Saba en St. Eustatius. Vervolgens heb ik de besturen van alle drie de eilanden ontmoet in maart tijdens de Caribisch Nederland (CN) week. Ook zullen wij elkaar weer ontmoeten tijdens de komende CN week die in oktober zal plaatsvinden. In de tussentijd heb ikzelf evenals mijn ambtenaren regelmatig contact met alle besturen, inclusief op Bonaire, over de gang van zaken. Ik ben dus voldoende op de hoogte van wat er speelt op de eilanden.
Schriftelijke vragen van het lid Thieme met betrekking tot de opgehangen ezels op Bonaire |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de beelden van Donkey Sanctuary Bonaire over opgehangen wilde ezels in Rincon?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het staat met het beheerplan verwilderde ezels dat het Openbaar Lichaam Bonaire reeds geruime tijd in ontwikkeling heeft?
Het Openbaar Lichaam werkt momenteel aan een acceptabele en duurzame oplossing voor de loslopende ezels. Op dit moment is nog niet bekend op welke termijn het beheerplan gepresenteerd kan worden.
Bent u bereid het bestuur van het Openbaar Lichaam Bonaire te vragen of en op welke wijze het bereid is wreedheden en misstanden met ezels, zoals gemeld door Donkey Sanctuary Bonaire, te onderzoeken en te bestrijden?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen over het welzijn van ezels op Sint-Eustatius van 17 april jl. is het waarborgen van het welzijn van dieren een verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Uit berichten blijkt overigens dat het hier niet gaat om ezels maar uit geiten, waarop de veterinaire wetgeving van toepassing is.
Het bericht ‘Drinken tijdens zwangerschap kan gewoon’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Kees van der Staaij (SGP), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Drinken tijdens zwangerschap kan gewoon»?1
Ja.
Waarop zijn de uitkomsten van het onderzoek gebaseerd?
Het betreft een Brits onderzoek waarbij kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap matig dronken, een beter evenwicht (op een evenwichtsbalk) bleken te hebben in vergelijking met kinderen waarvan de moeder niet dronk tijdens de zwangerschap. De onderzoekers concluderen dat er geen aanwijzing is dat matig alcoholgebruik leidt tot een slechtere prestatie op een evenwichtsbalk (die het gevolg kan zijn van neurologische ontwikkelingsachterstand). De onderzoekers vinden dat niet geconcludeerd mag worden dat matig drinken goed is omdat het tot betere prestaties leidt, want dat is zeer waarschijnlijk aan andere factoren te wijten.
Deelt u de mening dat het beste advies blijft om helemaal geen alcohol te drinken tijdens de zwangerschap?
Het standpunt van de overheid is nog altijd dat het het beste is het drinken van alcohol te vermijden wanneer je zwanger wilt worden, zwanger bent of borstvoeding geeft. Uit genoemd onderzoek kan niet worden afgeleid dat alcoholgebruik tijdens zwangerschap onschadelijk is. Het standpunt wordt gecommuniceerd via sites als alcoholinfo.nl van het Trimbos-instituut en alcoholenzwangerschap.nl van STAP en de site van het Voedingscentrum. Het RIVM heeft in samenwerking met NVOG, KNOV, NHG, VVAH en het Erfocentrum de folder Zwanger! ontwikkeld2 waarin deze zgn. nulnorm ook wordt gecommuniceerd.
Hetzelfde geldt voor de recent door het Trimbos-instituut en STAP ontwikkelde folder «Wat je moet weten over alcohol en roken voor, tijdens en na de zwangerschap3 en de RIVM website www.strakszwangerworden.nl4.
Is het advies van de Gezondheidsraad uit 2005 waarin staat dat het beter is om helemaal geen alcohol te drinken tijdens de zwangerschap nog steeds actueel en geldend?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt de conclusie van het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP)2 dat met name huisartsen en gynaecologen zwangere vrouwen vaak niet adviseren om geen alcohol te drinken tijdens de zwangerschap? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) zelfs helemaal geen richtlijn heeft over alcoholgebruik tijdens zwangerschap?
De richtlijnen van de beroepsgroepen huisartsen, verloskundigen en gynaecologen besteden duidelijk aandacht aan het onderwerp zwangerschap en alcohol7. Deze drie beroepsgroepen zijn ook belangrijke partners geweest in het ontwikkelen van de website www.strakszwangerworden.nl die zich specifiek richt op het geven van advies aan (aanstaande) zwangeren. De boodschap in zowel de richtlijnen als in de publieksinformatie is dat beroepsgroepen moeten adviseren om het gebruik van alcohol in de zwangerschap te vermijden. Ik zal de rapportage van STAP onder de aandacht brengen van deze beroepsgroepen en hen vragen om binnen hun beroepsgroep aandacht te besteden aan het naleven van de richtlijn op dit aspect.
Overigens is in opdracht van het Partnership Vroegsignalering Alcohol8 – dat van mij subsidie ontvangt – onlangs een e-learning module voor verloskundigen (in opleiding) ontwikkeld, gericht op het verbeteren van vroegsignalering en het bespreekbaar maken van alcoholgebruik bij zwangere vrouwen door verloskundigen. De e-learning module is geaccrediteerd door de KNOV.
Klopt de conclusie van het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP)3 dat er onvoldoende kennis bij zorgverleners is over de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik bij zwangerschap?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier kan u ertoe bijdragen dat alle beroepsgroepen hierover een eenduidige richtlijn gaan hanteren en dat de kennis bij de zorgverleners wordt vergroot? Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) en de beroepsvereniging van gynaecologen (NVOG)?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze worden vrouwen die zwanger willen worden en zwanger zijn op het belang van een gezonde leefstijl gewezen (o.a. de gevaren van roken en het belang van een evenwichtig voedingspatroon)?
Wat vindt u van het idee om een waarschuwingslogo op alcoholhoudende dranken op te nemen voor de verdere bewustwording bij zwangere vrouwen?
Momenteel ben ik in overleg met de sectoren bier, gedistilleerd en wijn, die hebben aangegeven mee te willen werken aan vrijwillige invoering van een zwangerschapslogo op alcoholische dranken.
Deze sectoren hebben mij eind juni geïnformeerd over de haalbaarheid van het opnemen van een zwangerschapslogo op de etiketten van alcoholhoudende drank, op vrijwillige basis. Deze zomer ben ik daar nog met hen over in gesprek. Ik hoop na de zomer met hen tot overeenstemming te komen over hoe de sector de invoering van het logo gaat realiseren en zal u vervolgens hierover informeren.
Bent u bereid de Kamer te informeren over het rapport van de sector over het waarschuwingslogo dat in juni zou verschijnen? Kan dit vergezeld worden van een kabinetsreactie?
Zie antwoord vraag 9.
Het CJIB, Marnix State te Leeuwarden |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het gebouw van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) in de Marnix State in Leeuwarden?1
Ja. Overigens zijn de foto’s die op de website van GeenStijl zijn gepubliceerd en waarnaar wordt verwezen van het interieur van het pand Wester State, in plaats van het pand Marnix State. Het gebouw Wester State betreft een in 2011 nieuw opgeleverd pand.
Deelt u het oordeel dat het kantoor van het CJIB in de Marnix State aan de buitenkant enigszins sober en functioneel oogt en dat het binnen wel anders is?
Een oordeel over de uitstraling van een gebouw in relatie tot het interieur blijft subjectief. Dit laat ik aan ieders beoordeling. Wat voor mij van belang is dat de kosten passen binnen de (rijksbreed) geldende normen. Dit is het geval ten aanzien van het CJIB. Bij de beantwoording van de vragen 4 en 5 licht ik dit nader toe. Overigens merk ik op dat de prijzen die genoemd worden op de website van GeenStijl niet overeenkomen met de daadwerkelijke kosten die het CJIB hiervoor heeft gemaakt. Deze kosten liggen gemiddeld 50% lager dan de genoemde prijzen.
Klopt het dat de inrichting van Marnix State (in gebruik genomen in 2002) onlangs geheel vernieuwd is?
In 2007 is gestart met de nieuwbouw van Wester State met het oog op onder meer ontwikkelingen rondom rijksincassobureau en kilometerbeprijzing. Inmiddels is duidelijk dat deze laatste ontwikkeling zich niet meer voordoet. Wel blijft het CJIB zich doorontwikkelen tot de dienstverlener op het gebied van inning en incasso voor de rijksoverheid. Daarnaast krijgt het CJIB een belangrijke rol in de informatievoorziening in de executieketen. Binnen het CJIB wordt daartoe op dit moment het Administratie- en Informatiecentrum Executie opgericht. Dit betekent dat alle strafrechtelijke beslissingen in Nederland via dit centrum zullen worden gecoördineerd, wat tot een uitbreiding van taken voor het CJIB leidt.
Ten aanzien van de inrichting van Marnix State merk ik op dat deze niet geheel vernieuwd is. Wel heeft een herindeling van het gebouw plaatsgevonden met als doel een efficiëntere werkwijze met minder kantoorruimte per persoon. Bij deze herindeling is overwegend gebruik gemaakt van bestaand kantoormeubilair.
Welke kosten waren hiermee gemoeid?
De kosten voor het meubilair en werkplekken in Wester State bedragen circa € 1,7 mln. Ook hierbij is deels gebruik gemaakt van bestaand meubilair. In 2009 is besloten het gebouw Westerstate specifiek in te richten om efficiënter te werken met minder kantoorruimte per persoon. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst en de aanwijzing van Leeuwarden als rijkskantorenstad wordt toegewerkt naar geconcentreerde huisvesting van de kantoorlocaties van het CJIB. Uitgangspunt hierbij is een meer efficiënte benutting van de kantoorruimte bij het CJIB. Op dit moment wordt reeds door meerdere overheidsinstanties, waaronder JustID en de belastingdienst, reeds gebruik gemaakt van de kantoorruimte van het CJIB. De specifieke inrichting van Wester State maakt dat daarmee rijksbreed besparingen kunnen worden gerealiseerd.
Hoe verhouden deze kosten zich tot de noodzakelijke bezuinigingen, ook op het gebied van Veiligheid en Justitie?
Zoals gezegd vind ik het van belang dat de kosten passen binnen de (rijksbreed) geldende normen. Ten aanzien hiervan merk ik op dat de kosten van Wester State getoetst zijn aan de door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normering voor de berekening van de gemiddelde kostprijs per werkplek. Hieruit blijkt dat de kosten voor Wester State aansluiten bij deze normering en rond het gemiddelde liggen van andere overheidsinstellingen.
De inzet van chemicaliën tegen betogers in Turkije |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gouverneur Istanbul: chemicaliën ingezet tegen betogers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het politieoptreden tegen demonstranten in Istanbul buitenproportioneel is en dat de inzet van chemicaliën door de politie onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de zorgen van de Nederlandse regering hierover uit te spreken tegenover de vertegenwoordiger van de Turkse regering?
Ik betreur het buitensporige geweld dat is gebruikt tegen demonstranten, zoals bij de ontruiming van het Taksimplein en het Gezi park in het weekend van 15 en 16 juni. Ik heb deze zorgen gedeeld met mijn Turkse collega, Minister Davutoğlu. Minister Davutoğlu heeft toegezegd een onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen.
Vindt u dat de recente gebeurtenissen in Turkije gevolgen moeten hebben voor de betrekkingen tussen Nederland en Turkije? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Het onderhouden van goede betrekkingen schept ruimte om wederzijds zorgen te uiten over zaken waar Nederland en Turkije andere inzichten hebben.
Kindermishandeling op een koranschool |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Imam tekent protocol kindermishandeling niet»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom de aangifte van kindermishandeling op de Tilburgse koranschool niet tot een strafzaak komt?
Het OM heeft de aangifte beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat deze te weinig aanknopingspunten biedt voor een nader strafrechtelijk onderzoek.
Kunt u aangeven hoeveel aangiften wegens kindermishandeling er zijn gedaan tegen islamitische instellingen sinds 2009 en hoeveel van die aangiften uiteindelijk hebben geleid tot een strafzaak?
In de registratiesystemen van de politie en het Openbaar Ministerie worden zaken waarbij sprake is van kindermishandeling niet uitgesplitst naar soorten instellingen. Om deze reden kan de vraag niet worden beantwoord.
Deelt u de visie dat de weigering een protocol tegen kindermishandeling te tekenen uitdrukking geeft aan de islamitische minachting van de moskee voor de kinderen en de gemeente? Zo neen, hoe duidt u dit dan?
Ik vind het belangrijk dat kinderen een veilig pedagogisch klimaat wordt geboden. Ik onderschrijf daarom het initiatief van de gemeente Tilburg om een duidelijk signaal af te geven tegen kindermishandeling door het opstellen van een protocol, waarin wordt aangegeven hoe een veilig pedagogisch klimaat vorm en inhoud kan krijgen. De invulling van de wijze waarop een pedagogisch veilige omgeving wordt gecreëerd bij vrijwillige organisaties zoals een koranschool, blijft evenwel primair de verantwoordelijkheid van de betreffende organisatie en de ouders. Uiteraard blijft onverkort gelden dat kindermishandeling strafbaar is. Als kindermishandeling kan worden aangetoond zal er tegen worden opgetreden. Zie ook antwoord 6.
Kunt u aangeven in hoeverre u het wenselijk vindt dat er überhaupt instellingen in Nederland bestaan die een ideologie van vrouwenhaat, antisemitisme, homofobie en geweld overdragen?
Vrouwonvriendelijke uitingen en uitingen van antisemitisme, homofobie en geweld horen niet thuis in de Nederlandse samenleving en die keur ik ten zeerste af. Iedereen in Nederland moet zich aan de wet houden. Waar dit niet gebeurt, is het aan de lokale bevoegde instanties om de betreffende instellingen hierop aan te spreken.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen, bij voorbeeld alle koranscholen sluiten en moskeeën waar tot geweld wordt opgeroepen dicht gooien?
Iedereen die in Nederland woont, dient zich aan de regels te houden en elke vorm van (het oproepen tot) geweld is verboden. Degenen die zich schuldig maken aan het uitdelen van lijfstraffen kunnen strafrechtelijk, al dan niet ambtshalve (afhankelijk van de kwalificatie van het feit), worden vervolgd. Het is aan het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te vervolgen en aan de rechter om daar een oordeel over te vellen.
Sluiting van een instelling is mogelijk als dit voor openbare orde noodzakelijk is, onder de voorwaarden gesteld in artikel 2:20, eerste lid, BW. Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel.
De besteding van EU-geld aan Egypte |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «EU cooperation with Egypt in the field of governance» van de Europese Rekenkamer»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat «een gebrek aan begrotingstransparantie, een ondoeltreffende controlefunctie en wijdverbreide corruptie»2 in Egypte ervoor hebben gezorgd dat niemand weet hoe deze gelden zijn besteed? Klopt het dat het hier gaat om circa 1 miljard Euro?
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 20 juni jl. wordt in het rapport van de Europese Rekenkamer een aantal ernstige tekortkomingen geconstateerd. Nederland onderkent de moeilijke omstandigheden in Egypte. Ook in een moeilijke omgeving dient echter de effectiviteit van steun voorop te staan. Het kabinet is het in de kern eens met de aanbevelingen die de Rekenkamer doet om de effectiviteit van steun te vergroten. Het kabinet ziet deze als ondersteuning van zijn beleid, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid3. Overigens is een aantal van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer door de Commissie en EDEO al opgepakt na september 2012.
De Europese Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het effect van EU-steun op de verbetering van de kwaliteit van het bestuur in Egypte. Het in de media genoemde bedrag van EUR 1 mld. betreft de totale EU-begrotingsenvelop EU-steun die voor Egypte werd uitgetrokken onder Categorie IV van de EU-begroting (Extern Beleid) in de periode 2007–2013 terwijl de steekproef van de Europese Rekenkamer een financiële omvang van 140 miljoen euro heeft4. De Europese Rekenkamer doet alleen uitspraken over deze steekproef.
De Europese Rekenkamer heeft gekeken naar het effect van bovengenoemde EUR 140 mln. op de verbetering van het bestuur in Egypte – niet naar het effect dat sectorale begrotingssteun bijvoorbeeld heeft gehad in de sectoren transport, onderwijs, gezondheidszorg – het primaire doel van deze steun. De Rekenkamer concludeert op basis van haar onderzoek dat, in het algemeen, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) niet in staat zijn geweest deze EU-steun zo aan te wenden dat hierdoor het bestuur in Egypte is verbeterd. Dat deze steun niet doeltreffend is besteed is een zorgwekkende vaststelling waarop het kabinet HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) heb aangesproken.
Is het waar dat deze EU-gelden nog altijd rechtstreeks aan de Egyptische autoriteiten werden overgemaakt, terwijl de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) op de hoogte waren van deze problemen? Kunt u aangeven waarom geen ingrijpende maatregelen zijn genomen terwijl er duidelijk een gebrek aan voortgang en transparantie over de besteding van de gelden te bespeuren viel?
Na de omwenteling van 2011 in Egypte moest de relatie met de nieuwe machthebbers opnieuw worden geënt en samenwerking van de grond worden getild. Dat is een moeizaam proces gebleken. De situatie in Egypte is, getuige de meest recente gebeurtenissen, nog steeds instabiel. Tegelijkertijd is het kabinet helder over het belang van het welslagen van de transitie in Egypte, het grootste land in de Arabische regio met een onmiskenbare regionale uitstraling. Dat de EU deze transitie naar een democratische samenleving wilde steunen, kon en kan rekenen op Nederlandse instemming.
Transitie is een proces van lange adem, dat met ups-and-downs gepaard gaat. In zijn meest recente appreciatie van het Europese nabuurschapsbeleid stelt het kabinet dan ook dat «niet elk obstakel in het hervormingsproces consequenties moet hebben voor de steun die de EU biedt. Less for less als keerzijde van more for more moet overeind blijven, maar het kabinet wil geen «stop and go» beleid dat afhangt van incidenten of onvoldoende voortgang op losse onderdelen van de hervormingen. Conditionaliteit is niet bedoeld om gemaakte voortgang ongedaan te maken of een land te isoleren, maar om een structurele gedragswijziging tot stand te brengen. Conditionaliteit moet dan ook zorgvuldig en afgewogen worden ingezet»5. Dat de situatie in Egypte weerbarstig was en resultaten achterbleven bij de doelstellingen mag bekend zijn geweest, consequenties in de zin van less for less werden daaraan – ten tijde van de rapportageperiode van de Europese Rekenkamer – nog niet verbonden. Het kabinet steunde deze lijn.
Sinds eind 2012 wordt overigens EU-steun aan Egypte, bij gebrek aan voortgang, aangehouden. Het betreft EUR 90 mln. aan toegezegde SPRING-middelen en EUR 110 mln. aan steun vanuit het nabuurschapsinstrument.
Onderschrijft u de conclusie van het rapport dat de negatieve houding van de Egyptische autoriteiten ertoe heeft geleid dat ook de EU-maatregelen ter bevordering van mensenrechten en democratie hebben gefaald? Onderschrijft u tevens de conclusie dat de Commissie en EDEO hebben verzuimd om gebruik te maken van de financiële en politieke drukmiddelen die ze tot hun beschikking hadden? Deelt u de mening dat niet alleen de Egyptische autoriteiten maar ook de Commissie en EDEO hier in ernstige mate laakbaar hebben gehandeld?
De Commissie en EDEO weerspreken sommige conclusies van de Europese Rekenkamer en wijzen er op dat de Rekenkamer onvoldoende oog heeft gehad voor de lokale politieke context waarin steun werd verleend en de inspanningen die de EU zich heeft getroost door de jaren heen om een dialoog met de Egyptische overheid op te zetten en samenwerking in gang te zetten juist op heikele onderwerpen als bestuur, democratisering en mensenrechten, inclusief de positie van vrouwen en minderheden. De omstandigheden in Egypte zijn inderdaad bijzonder weerbarstig en de medewerking van de Egyptische autoriteiten bleef dikwijls achterwege. De EU-inzet op bestuur, democratisering en mensenrechten werd door Nederland zeker gesteund. Wel had de EU sterker kunnen aangeven welke conditionaliteiten aan de verlening van steun zijn verbonden, op basis van heldere indicatoren en in lijn met het more for more beginsel dat ten grondslag ligt aan het in 2011 herziene nabuurschapsbeleid van de Unie. Nederland heeft hierom ook meermalen verzocht, zoals ook met uw Kamer werd besproken.6
In het afgelopen jaar is de EU dit ook steeds meer gaan doen – zie ook de recente Kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid inclusief de voortgangsrapportage over Egypte die hierin is opgenomen.7 Op 20 juni jl. presenteerde de Commissie, op basis van de voortgangsrapportages voor de Zuidelijke naburen, de verdeling van SPRING-middelen voor het jaar 2013. Aan Egypte werden, bij uitblijven van hervormingen, nog geen SPRING-middelen toegekend voor 2013. Dat is in lijn met more for more of, in dit geval, less for less.
Hoe verhoudt de handelwijze van de Commissie en EDEO zich tot het principe «less for less, more for more»?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u de conclusie van het rapport dat de Europese diensten te weinig aandacht hebben besteed aan de rechten van vrouwen en minderheden terwijl hier een dringende behoefte voor bestond gezien de groeiende intolerantie in Egypte?
Nederland heeft er bij HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) bij verschillende gelegenheden op aangedrongen met prioriteit te kijken naar de positie van vrouwen (conform de motie Bonis-Sjoerdsma) en minderheden in Egypte, omdat deze in Egypte steeds zorgelijker werd. In een brief van 3 februari 2012 stelden Ashton en Füle overigens al dat «respect voor mensenrechten» één van de criteria is waaraan voortgang in Zuidelijke nabuurschapslanden wordt afgemeten. Afschaffing doodstraf, godsdienstvrijheid, non-discriminatie op basis van gender of seksuele geaardheid, non-discriminatie van minderheden, kinderrechten, afschaffing van marteling en mensonterende straffen werden met name genoemd. In dezelfde brief zeiden Ashton en Füle ook dat bijzondere aandacht werd geschonken aan vrouwenrechten, juist omdat vrouwen zo’n grote rol hebben gespeeld bij de omwenteling. Deze brief is ter informatie van de Kamer bijgevoegd.8
Deelt u de mening dat de Commissie en EDEO nalatig hebben gehandeld en daarmee zeer onzorgvuldig zijn omgegaan met het belastinggeld van Europese burgers? Zo nee, waarom? Zo ja, welke consequenties hebben deze bevindingen voor Commissie en EDEO? Gaat u bijvoorbeeld bij de EU-antifraudedienst OLAF aandringen op nader (strafrechtelijk) onderzoek?
Het kabinet vindt het ernstig dat (in ieder geval een deel van) de steun die EU heeft verleend aan Egypte, niet evident heeft bijgedragen aan een verbetering van het bestuur in dat land. In zijn algemeenheid geldt dat de EU in staat moet zijn inzicht te geven in de resultaten die zijn bewerkstelligd met behulp van Europese steun. Anders kan niet worden vastgesteld of het verlenen van deze steun zinvol is geweest – en dat is de EU inderdaad aan Europese belastingbetalers verplicht. De verantwoordelijkheid voor handhaving van conditionaliteiten ligt in de eerste plaats bij de Europese Commissie, die Nederland zal aanmoedigen om meer werk te maken van het stellen van duidelijkere voorwaarden en de handhaving daarvan. Het loket OLAF komt pas aan de orde indien er sprake is van «suspected fraude». Het onderzoek van de Europese Rekenkamer was daar niet op gericht en bevat geen uitspraken over fraude.
Welke mogelijkheden ziet u om EU-geld aan Egypte terug te vorderen? Welke gelden worden er op dit moment nog aan Egypte overgemaakt? Bent u bereid om aan te dringen op een bevriezing van alle EU-gelden aan Egypte? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt EU-steun aan Egypte aangehouden. Het gaat om de SPRING-middelen die in 2012 aan Egypte beschikbaar werden gesteld (EUR 90 mln.) en een bedrag van EUR 110 mln. uit het nabuurschapsinstrument voor Egypte. Deze middelen zijn aan Egypte toegezegd met instemming van lidstaten, maar worden in het licht van de omstandigheden in Egypte niet uitbetaald totdat aan een aantal voorwaarden is voldaan. De belangrijkste daarvan is het aangaan van een lening met het IMF. Hiertoe dient de Egyptische regering een ingrijpend pakket aan hervormingen aan te nemen.
Heeft het bovengenoemde rapport consequenties voor de bilaterale betrekkingen met Egypte conform het uitgangspunt «less for less, more for more»? Zo nee, waarom niet?
Het rapport van de Europese Rekenkamer heeft geen consequenties voor de bilaterale betrekkingen met Egypte. Bij de bilaterale transitiesteun vanuit het Matra-zuid programma vindt geen overdracht van middelen plaats, maar gaat het om overdracht van kennis in de vorm van enerzijds training van ambtenaren en diplomaten en anderzijds kleinschalige samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Egyptische overheidsinstellingen. Het risico van onjuiste besteding van middelen is daardoor te verwaarlozen. Concrete samenwerkingsprojecten zijn nog niet van start gegaan. Mogelijkheden daartoe zijn wel geïdentificeerd, maar de verdere voorbereiding wordt in het licht van de recente ontwikkelingen in Egypte voorlopig uitgesteld.
Het bericht dat een Spaanse vruchtbaarheidskliniek Nederlandse paren met een kinderwens werft voor een vruchtbaarheidsbehandeling met anonieme eiceldonatie in Spanje |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending waaruit blijkt dat de Spaanse vruchtbaarheidskliniek «IVF Spain» is begonnen met het werven van Nederlandse paren met een kinderwens voor anonieme eiceldonatie?1
Ja.
Is het waar dat de kliniek een steunpunt heeft opgericht in Nederland en voorlichtingsbijeenkomsten organiseert in hotels? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De vruchtbaarheidskliniek IVF Spain heeft inderdaad een steunpunt in Nederland. Op 8 juni 2013 heeft dit steunpunt voor het eerst een informatiebijeenkomst georganiseerd. Deze bijeenkomst werd georganiseerd in samenwerking met patiëntenvereniging Freya. IVF Spain voert in Spanje uiteindelijk de verschillende vruchtbaarheidsbehandelingen uit. Het steunpunt in Nederland verstrekt alleen informatie over mogelijke behandelingen in de kliniek in Spanje. Er is dus geen sprake van een vruchtbaarheidskliniek van IVF Spain in Nederland.
Het hebben van een steunpunt in Nederland dat informatie verstrekt, is niet verboden. Dit betekent echter niet dat ik de activiteiten van het steunpunt onderschrijf, zeker omdat in dit geval reclame wordt gemaakt en informatie wordt verstrekt over activiteiten die in Nederland anders gereguleerd of zelfs verboden zijn.
Wat is uw mening over de werkwijze van deze vruchtbaarheidskliniek in Nederland? Is ook in Nederland sprake van een kliniek?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat deze kliniek aan Nederlandse wensouders de Recombine test – een genetische test die screent op 181 erfelijke aandoeningen – aanbiedt? Zo ja, wat vindt u ervan dat door deze kliniek deze genetische test als «marketingmiddel» wordt gebruikt, en als «commercieel product» aan wensouders wordt aangeboden? Bent u bekend met Nederlandse klinieken die dergelijke commerciële dragerschapstesten aanbieden?
Het is mij bekend dat IVF Spain tijdens haar eerste informatiebijeenkomst in Nederland heeft gesproken over de Recombine test. In de uitzending van Nieuwsuur is te zien dat deze wordt aangeboden vanaf € 400,–.
In Nederland is dragerschapsscreening mogelijk voor aanstaande ouders op het moment dat er een indicatie is voor een ernstige erfelijke aandoening in de familie. Daarnaast is deze screening ook mogelijk voor groepen waarvan bekend is dat bepaalde ziekten veel voorkomen. Zo is er dragerschapsscreening mogelijk voor mensen uit Volendam en voor bepaalde allochtone groepen op sikkelcelziekte. Bovendien kunnen paren die dit graag willen en bereid zijn hier zelf voor te betalen, zich laten screenen op dragerschap van cystic fibrose.
Ik deel de mening van het Erfocentrum dat er niet lichtzinnig moet worden omgegaan met genetisch testen en de hieruit verkregen informatie. We moeten voorkomen dat dragerschapsscreening een idee van absolute zekerheid geeft op het voorkomen van ernstige aandoeningen. Twee tot drie procent van de kinderen wordt geboren met een min of meer ernstige aandoening. Tachtig procent van deze drie procent had niet van te voren kunnen worden opgespoord. Dragerschapsscreening biedt dus lang niet altijd zekerheid en het is van groot belang dat wensouders zich hiervan bewust zijn. Ik zal dit ook zeker meenemen in mijn toegezegde visie over het verantwoord introduceren van deze nieuwe screeningsmogelijkheden.
Deelt u de mening dat door het aanbieden van deze dragerschapstest aan wensouders een schijnzekerheid wordt geboden, en dat zij hiermee misleid worden? Welke mogelijkheden zijn er om deze praktijken een halt toe te roepen? Welke gevolgen heeft de uitslag van deze genetische test voor wensouders?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van de bezwaren van het Erfocentrum ten aanzien van de genetische test die de Spaanse vruchtbaarheidskliniek commercieel aanbiedt aan Nederlandse wensouders om ei- en zaadcellen te screenen op erfelijke aandoeningen? Welke kosten zijn er verbonden aan deze test in Spanje?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening van de Gezondheidsraad dat betere en objectieve informatie over nut en noodzaak van (commerciële) screening van belang is, opdat burgers verantwoord kunnen beslissen? Zo ja, bent u dan ook van mening dat de overheid hierin een belangrijke voorlichtingsrol heeft, en het Erfocentrum in deze behoefte kan voorzien? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief «vroegopsporing en gezondheidsrisico’s» (PG/OGZ 3105018) van 1 maart 2012 heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind dat mensen over de voor -en nadelen van screening geïnformeerd zijn en een eigen keuze kunnen maken. De rijksoverheid heeft hierbij ook belangrijke taken die ik in de nota «Gezondheid dichtbij» heb beschreven. Daarnaast heb ik de Gezondheidsraad gevraagd mij advies uit te brengen over de kwaliteitseisen die aan «health checks» gesteld moeten worden. Dit advies ontvang ik eind 2013.
Tijdens het AO medische ethiek op 30 mei heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over de overheidstaken rond voorlichting over erfelijke aandoeningen. Hier zal ik dus op terugkomen.
Op welke onderdelen is de werkwijze van deze kliniek in strijd met de Nederlandse wet- en regelgeving? Mogen Nederlandse gynaecologen samenwerken met deze kliniek door vrouwen voor te bereiden en te begeleiden op hun behandeling in Spanje?
Voor zover mij bekend is de enige activiteit die de Spaanse IVF-kliniek in Nederland verricht het verstrekken van voorlichting over de dienstverlening door deze kliniek in Spanje, met het oog op het werven van eventuele belangstellenden in Nederland. Het in Nederland aanprijzen van vruchtbaarheidsbehandelingen die uitgevoerd worden in een buiten Nederland gevestigde kliniek of het bemiddelen daarbij is volgens de Nederlandse wetgeving toegestaan.
Gynaecologen die in Nederland meewerken aan de voorbereiding op en de begeleiding van cliënten op een behandeling in Spanje werken niet conform de uitgangspunten van de beroepsgroep. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) stelt zich zeer terughoudend op ten opzichte van samenwerking met IVF Spain. Ik vind deze terughoudendheid van de gynaecologen verstandig.
Deelt u de mening dat de vruchtbaarheidsbehandeling met anonieme eiceldonoren uit Spanje op gespannen voet staat met het afstammingsrecht, zoals dat in Nederland geldt? Zo ja, bent u bereid deze problematiek in Europees verband aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Vruchtbaarheidsbehandelingen met anonieme eiceldonoren zijn in Nederland niet toegelaten. Het kabinet is van mening dat bij de vraag of iets op Europees niveau geregeld moet worden het leidende motto is: «Europees wat Europees moet, nationaal wat nationaal kan.» Medisch-ethische vraagstukken zijn bij uitstek nationale aangelegenheden. In lijn daarmee acht ik het op Europees niveau aan de orde stellen van deze kwestie geen juiste weg.
Is het waar dat er per jaar honderd Nederlandse vrouwen naar het buitenland reizen voor eiceldonatie? Zo ja, welke redenen liggen daaraan te grondslag? Is het waar dat er in Nederland een wachtlijst is van tenminste 200 tot 300 personen voor eiceldonatie? Op welke manier kunt u er voor zorgen dat deze wachtlijst voor eiceldonatie gaat dalen?
Ik ben ervan op de hoogte dat Nederlandse vrouwen naar het buitenland reizen voor eiceldonatie. Precieze aantallen zijn echter niet bekend. Uit het rapport Evaluatie Embryowet en Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (ZonMw, september 2012) blijkt dat Nederlandse vrouwen naar het buitenland gaan vanwege de beperkte beschikbaarheid van eicellen in Nederland of als men gebruik wilt maken van een anonieme donor.
Hoeveel vrouwen in Nederland op een wachtlijst staan voor eiceldonatie is niet bekend. Eveneens is niet bekend om welke verzoeken het precies gaat. De uitzending van Nieuwsuur laat bijvoorbeeld een vrouw van 47 jaar zien, met drie kinderen, die nog een vierde kind wil.
In de eerder genoemde ZonMw evaluatie wordt aan klinieken de aanbeveling gedaan meer inspanningen te verrichten om nieuwe eicel- en zaadceldonoren te vinden. In mijn standpunt op de evaluatie van de Embryowet en de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting kom ik hierop terug.
Bent u ervan op de hoogte dat eiceldonatie aan Nederlandse wensouders in andere landen vaak leidt tot het terugplaatsen van meerdere embryo’s, en dat daarmee grote risico’s ontstaan ten aanzien van het krijgen van meerlingen, vroeggeboortes en complicaties? Zo ja, welke psychische, maatschappelijke en financiële gevolgen heeft dit, zowel voor de wensmoeder als voor de samenleving in zijn geheel?
Het is bekend dat er bij IVF behandelingen in het buitenland vaker meerdere embryo’s worden teruggeplaatst. Een meerling zwangerschap geeft een grote kans op complicaties en vroeggeboorten. De eventuele medische behandeling van zowel de moeder als de meerling, wordt vergoed vanuit het basispakket.
Is het waar dat patiëntenvereniging Freya wordt gesponsord door de Spaanse kliniek «IVF Spain»? Zo ja, welke (nadelige) gevolgen heeft deze sponsoring voor objectieve en adequate voorlichting aan wensouders met vruchtbaarheidsproblemen in Nederland?
In de Nieuwsuur uitzending geeft Freya aan dat zij wordt gesponsord door IVF Spain voor een bedrag van € 12.500,- per jaar. De patiëntenkoepel NPCF heeft in 2005 een gedragscode Fondsenwerving ontwikkeld voor patiëntenorganisaties om de onafhankelijkheid en transparantie wat betreft subsidie en financiering te waarborgen.
Veel wensouders krijgen via patiëntenorganisatie Freya informatie over vruchtbaarheidsbehandelingen. Analoog aan het beleid rondom health checks is het kunnen maken van een goed geïnformeerde keus van groot belang, ook als de uiteindelijke behandeling niet in Nederland plaatsvindt. In mijn ogen dient Freya er dan ook voor te zorgen dat hun patiënten keuzes kunnen maken op basis van juiste en adequate informatie. De Gezondheidsraad is gevraagd naar een advies over health checks en hierin is ook gevraagd naar reclame in relatie tot dergelijke checks. Als uit het advies van de Gezondheidsraad iets komt dat van invloed is op bovenstaande casus dan zal dit zeker worden meegenomen.
Het bericht ‘EU-miljard voor Egypte verdween in zwart gat’ |
|
Han ten Broeke (VVD), Mark Verheijen (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-miljard voor Egypte verdween in zwart gat»?1
Ja.
Wat is de reactie van het kabinet op het rapport van de Europese Rekenkamer?
De Rekenkamer concludeert op basis van een steekproef met een financiële omvang van 140 miljoen euro dat, in het algemeen, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) niet in staat zijn geweest deze EU-steun zo aan te wenden dat hierdoor het bestuur in Egypte is verbeterd. Dat deze steun niet doeltreffend is besteed is een zorgwekkende vaststelling waarop Nederland HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) heeft aangesproken.
Zoals ook aangegeven in de brief van 20 juni jl. wordt in het rapport van de Europese Rekenkamer een aantal ernstige tekortkomingen geconstateerd. Nederland onderkent de moeilijke omstandigheden in Egypte. Ook in een moeilijke omgeving dient echter de effectiviteit van steun voorop te staan. Het kabinet is het in de kern eens met de aanbevelingen die de Rekenkamer doet om de effectiviteit van steun te vergroten. Het kabinet ziet deze als ondersteuning van zijn beleid, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid2.
Overigens is een aantal van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer door de Commissie en EDEO al opgepakt na september 2012.
Deelt u de mening dat deze zaak elk draagvlak voor de EU verder ondermijnt?
Ja.
Bent u van plan om dit in Europa aan de kaak te stellen en zo ja, in welk gremium?
Tijdens de afgelopen Raad Buitenlandse Zaken (24 juni jl.) is het rapport van de Europese Rekenkamer besproken. Zie ook het verslag van deze Raad voor een reactie van de EU en overige lidstaten op het rapport3. Nederland heeft ingebracht dat dit kritische rapport nog eens de noodzaak bevestigt van het stellen van duidelijkere voorwaarden aan de besteding van fondsen voor de Arabische regio, en dat naast more for more ook less for less moet worden toegepast.
De uitvoering van de samenwerking met Egypte zal in Raadskader verder worden besproken. In het relevante beheerscomité voor het nabuurschapsinstrument waarin lidstaten zijn vertegenwoordigd, kondigde de Commissie op 20 juni jl. de verdeling van SPRING-middelen voor de Zuidelijke nabuurschapslanden aan voor 2013. Aan Egypte werden, gezien het uitblijven van hervormingen voor 2013, nog geen SPRING-gelden toegekend.
Is het een optie lopende steunoperaties in Egypte op te schorten zolang de besteding van EU-gelden onduidelijk is?
Op dit moment wordt EU-steun aan Egypte aangehouden. Het gaat om de SPRING-middelen die in 2012 aan Egypte beschikbaar werden gesteld (EUR 90 mln.) en een bedrag van EUR 110 mln. uit het nabuurschapsinstrument voor Egypte. Deze middelen zijn aan Egypte toegezegd (de EUR 110 mln. maakt deel uit van het totaalbedrag van EUR 1 mld. voor de periode 2007–2013) met instemming van lidstaten, maar worden in het licht van de omstandigheden in Egypte niet uitbetaald totdat aan een aantal voorwaarden is voldaan. De belangrijkste daarvan is het aangaan van een lening met het IMF. Hiertoe dient de Egyptische regering een ingrijpend pakket aan hervormingen aan te nemen. Het kabinet zal, ook in de nieuw ontstane situatie in Egypte, waarvan nog moet worden afgewacht hoe deze zich verder ontwikkelt, blijven aandringen op het scherp stellen van voorwaarden, aan de hand van heldere indicatoren, voor de verlening van Europese steun.
Wat betreft het verstrekken van EU-begrotingssteun aan Egypte is het kabinet het geheel eens met de Europese Rekenkamer dat de opportuniteit van deze hulpmodaliteit tegen het licht moet worden gehouden. De EU merkt hierover zelf op dat sinds 2011 geen nieuwe begrotingssteun aan Egypte in gang is gezet en dat het herziene en striktere beleid dat de EU voert ten aanzien van EU-begrotingssteun4 zonder meer ook op Egypte van toepassing is. Nederland zal scherp toezien op de wijze waarop de EU uitvoering geeft aan dit beleid. Nederland is voorstander van het besteden van een groter deel van de EU-steun via maatschappelijke organisaties – dit is ook de inzet van het herziene nabuurschapsbeleid van de Unie.
Deelt u de opvatting van de Europese Rekenkamer dat dergelijke hulp meer conform reddingsoperaties binnen de eurozone dient plaats te vinden?
Bovenstaande «opvatting» wordt door de Europese Rekenkamer niet genoemd in haar rapport, maar betreft een uitspraak van Rekenkamerlid Karel Pinxter in het in vraag 1 genoemde Volkskrant artikel. Reddingsoperaties binnen de eurozone zijn van een andere orde en hebben een ander karakter dan Europese steun die in het kader van ontwikkelingssamenwerking aan derde landen wordt verleend. Overigens is de Europese steun aan derde landen ook aan strikte condities gebonden. Naleving van deze condities heeft de doorlopende aandacht van het kabinet – niet alleen in het geval van Egypte. Verbeterde resultaatmeting is in dit opzicht zonder meer van belang, ook met oog op het in vraag 3 genoemde draagvlak voor Europese steun.
Wat betekent dit in de toekomst voor steunoperaties in gebieden buiten de EU? Op welke manier zal het kabinet toezicht houden op het stellen van meetbare doelen, ook in relatie tot de «more for more» en «less for less» benadering?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven bij welk type hulp er geld is zoekgeraakt? Kunt u aangeven of er ook Nederlands ontwikkelingsgeld verkeerd is besteed in Egypte?
Voor details over de audit van de Europese Rekenkamer en het type steun dat is onderzocht wordt verwezen naar Annex II van het rapport. Bij de bilaterale transitiesteun vanuit het Matra-zuid programma vindt geen overdracht van middelen plaats, maar gaat het om overdracht van kennis in de vorm van enerzijds training van ambtenaren en diplomaten en anderzijds kleinschalige samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Egyptische overheidsinstellingen. Het risico van onjuiste besteding van middelen is daardoor te verwaarlozen.
Het Gelderse paard |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is rond het veiligstellen van de toekomst van het Nederlandse paardenras, het Gelders paard, en de uitvoering van de unaniem aangenomen motie Ormel/Snijder-Hazelhoff (februari 2008)?1
Mede naar aanleiding van de motie Ormel/Snijder-Hazelhoff (TK 28 286, nr. 113) zijn er diverse acties ondernomen voor het behoud van het Gelders paard. Daarbij zijn diverse gesprekken gevoerd met onder andere het Koninklijk Warmbloed Paard Nederland (KWPN) en de Gelderlander Paard Associatie. In financiële zin is er onderzoek gesteund, alsmede de Stichting Zeldzame Huisdierrassen. Bij Wageningen Universiteit is het onderzoek naar de genetische diversiteit binnen het Gelders paard en de genetische afstand tot de KWPN rijpaarden afgerond. Daarnaast is de Gelderlander Paard Associatie door het productschap en mijn ministerie geïnformeerd welke mogelijkheden er zijn binnen de fokkerijregelgeving.
Het is nu aan de betrokken partijen zelf om vervolgstappen te ondernemen.
Is uw standpunt nog steeds dat «het huidige fokbeleid niet voldoende garantie biedt om de raskenmerken van het Gelderse paard op lange termijn te behouden», zoals u aangaf in uw brief van 26 februari 2010? Zo neen, waarom niet?
Binnen het KWPN worden Gelderse paarden geselecteerd op basis van onder andere exterieur, karakter en veelzijdige prestaties, zodat deze kenmerken worden behouden. Wel is er binnen de fokkerij van het Gelders paard de mogelijkheid om «nieuw bloed» in te voeren, waardoor genetisch gezien de diversiteit groter wordt. Het bepalen van de selectiecriteria en fokdoelen is een private aangelegenheid van de stamboeken, in dit geval het KWPN.
Deelt u de mening dat afschaffing van het vereiste van Gelders bloed voor het Gelders paard ongewenst is?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen om tot een duurzaam behoud van het Gelders paard te komen? Welke rol speelt de genoemde motie in dat beleid?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat verpleegkundigen vrezen voor hun baan |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat verpleegkundigen zich onzeker voelen over hun baan?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is toegenomen? Zijn er mogelijk nog andere redenen voor deze stijging, naast de eventuele effecten van bezuinigingen?
Het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is licht gestegen. Het percentage werkzoekenden op het totaal aantal werkzame verpleegkundigen is gestegen met ca 0,3% procentpunt. Fluctuaties van een dergelijke omvang zijn de afgelopen 10 jaar vaker voorgekomen. Mogelijke oorzaken voor een stijging van deze omvang zijn lastig te duiden.
Hoe staat het met het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen in de zorg? Zijn daar ook ontwikkelingen in gunstige/ongunstige zin in te vermelden?
We hebben geen data voorhanden over het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen. Het CBS heeft wel data over de vacaturegraad (het aantal vacatures op 1.000 banen) voor alle beroepen in de gezondheids- en welzijnzorg. De vacaturegraad is gedaald van 15 in 2011 naar 13 in 2012.
Spelen er op de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen ook matchingsproblemen? Zo ja, wat kun u daaraan doen?
Op dit moment hebben we geen signalen ontvangen over mogelijke matchingsproblemen voor verpleegkundigen op de arbeidsmarkt. We hebben verschillende zorg- en onderwijspartijen gevraagd of zij knelpunten ervaren in de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de zorg. Na de zomer gaan we bekijken of deze inventarisatie aanleiding geeft om hier gezamenlijk actie op te ondernemen.