De veiligheidssituatie in Irak |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Marit Maij (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u de meest recent informatie die u op dit moment beschikbaar heeft over de veiligheidssituatie in bepaalde delen van Irak, met name in de regio in en rondom Bagdad en het noorden daarvan, gelet op de eerdere vragen over de actuele veiligheidssituatie in Irak?1
De veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Irak lijkt sinds april 2013 te verslechteren ten gevolge van oplopende sektarische spanningen tussen de Sjiitische en Soennitische bevolkingsgroepen. In mijn antwoord op vraag 2 zal ik dit nader toelichten. Naar mijn opvatting kan echter uit de beschikbare informatie niet worden opgemaakt dat de situatie in Irak zo ernstig is dat terugkeer naar dat land een schending van artikel 3 EVRM oplevert. Verder wijs ik u nog op een achttal zeer recent door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gewezen arresten (o.a. arrest van 27 juni 2013, no. 66523/10). In deze arresten concludeert het Hof dat de actuele situatie in Irak niet dusdanig is dat een asielzoeker bij terugkeer naar Irak louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Deze uitspraken hebben naar mijn oordeel des te meer belang nu het Hof de te behandelen zaken ex nunc heeft beoordeeld en ten gevolge in de uitspraken rekening heeft gehouden met de periode tot aan het moment van de uitspraak.
Hoeveel ernstige geweldsincidenten zijn er dit jaar geweest in die gebieden? Is bij benadering bekend hoeveel doden en gewonden daarbij zijn gevallen? Hoe verhouden deze cijfers zich tot die over de jaren 2011 en 2012?
Volgens cijfers van de United Nations Assistance Mission to Iraq (UNAMI) zijn er in Irak in de maanden april, mei en juni respectievelijk 595, 963 en 685 burgerdoden gevallen. Dit duidt op een geweldstoename ten opzichte van de voorgaande periode. Dit geldt met name voor de regio Bagdad, maar ook in de andere delen van Centraal- en Zuid Irak is het aantal geweldsincidenten toegenomen. De veiligheidssituatie in de drie provincies formeel onder bestuur van de Kurdistan Regional Government (Dohuk, Erbil, Sulaimaniya) is in de afgelopen periode stabiel gebleven, en zelfs verbeterd!
In het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat naar verwachting in het najaar zal verschijnen, zal in detail worden ingegaan op de veiligheidssituatie in Irak.
Op welk moment is de veiligheidssituatie in delen van Irak dusdanig verslechterd dat het instellen van het vertrekmoratorium noodzakelijk zou zijn?
Deze vraag is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Het voeren van een vertrekmoratorium is overigens binnen het stelsel van de wet niet de meest geëigende stap bij een verslechterende veiligheidssituatie. Bij een wijzigende veiligheidssituatie, die aanleiding vormt voor een beleidsaanpassing, is primair een wijziging van het geldende toelatingsbeleid aangewezen. Op basis van de specifieke ontwikkelingen zal moeten worden bezien of, en zo ja welke beleidsmaatregelen zijn geïndiceerd.
De resolutie van de Parlementaire Assemblee van de OVSE over water en veiligheid |
|
Ybeltje Berckmoes-Duindam (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de resolutie die is aangenomen door de Parlementaire Assemblee (PA) van de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) in Istanbul van 29-06 tot 03-07, om watermanagement en veiligheid als prioriteit voor de OVSE in 2014 te benoemen?1
Ja.
Deelt u de mening dat watermanagement en veiligheid sterk met elkaar verbonden zijn en een belangrijke focus dienen te zijn binnen het buitenland- en veiligheidsbeleid?
Zoals vermeld in onder meer de Kamerbrief over de Internationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 33 694, nr. 1 d.d. 21 juni 2013) wordt de concurrentie om natuurlijke hulpbronnen, waaronder water, een steeds grotere factor in de internationale betrekkingen. Waterschaarste en -kwaliteit leiden vaak tot intensievere samenwerkingsrelaties tussen landen, maar de strijd om water kan ook leiden tot instabiliteit en zelfs conflict. Bovenstroomse landen kunnen bijvoorbeeld unilaterale maatregelen nemen die gevolgen hebben voor de landen stroomafwaarts. Binnen de OVSE-regio spelen spanningen rond de toegang tot rivierwater bijvoorbeeld in Centraal-Azië, en daarbuiten onder meer in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Azië.
De technische en diplomatieke uitdagingen voor grensoverschrijdend watermanagement nemen door deze ontwikkelingen snel toe. Nederland kan bijdragen aan oplossingen door de aanwezige kennis bij Nederlandse bedrijven en instituten, de ondersteuning bij verbeterd waterbeheer in het kader van ontwikkelingssamenwerking (water is een speerpunt) en in het kader van diplomatie en internationaal recht.
Het afgelopen jaar is Nederland een actieve speler geworden op het gebied van waterdiplomatie tussen landen. In maart vond in Den Haag de officiële viering van Wereld Water Dag plaats. In april werd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een internationaal seminar gehouden over de verhouding tussen de twee wereldwijde waterverdragen die binnenkort beide in werking treden. Voorts is Nederland voorzitter van enkele internationale bijeenkomsten en informele overlegorganen over waterdiplomatie. Nederland speelt ook een actieve rol ten aanzien van waterdiplomatie binnen de EU, en zet zich in voor agendering hiervan op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken. In november vindt in het Vredespaleis een bijeenkomst plaats over Waterveiligheid en Vrede.
De OVSE is een van de multilaterale fora die al jaren betrokken is bij grensoverschrijdende waterkwesties. Daarbij wordt vaak nauw samengewerkt met UNECE, waarbij de OVSE het politieke platform biedt en UNECE de technische en juridische kennis kan inbrengen. Deze OVSE betrokkenheid werd onder meer vervat in de Maastricht strategie voor de Tweede Dimensie (2003) en het Rapport over de Toekomstige Oriëntatie van deze dimensie (2009), die beide onder Nederlands voorzitterschap tot stand kwamen. Wanneer in januari 2014 de concrete plannen van Zwitserland voor de OVSE bekend zullen worden, zal Nederland deze plannen beoordelen in het licht van hun veiligheids- en grensoverschrijdende gehalte, en de meerwaarde die de OVSE bij de uitvoering kan hebben.
Hoe gaat u, gelet op het feit dat de focus op watermanagement binnen de OVSE PA aansluit bij kwaliteiten en belangen van het Nederlandse economische en buitenlandse beleid, deze agenda ten bate van zowel de OVSE-agenda als die van Nederland inzetten? Kunt u aangeven op welke wijze watermanagement en veiligheid nu al onderdeel uitmaken van het Nederlandse buitenlandbeleid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om tijdens de eerstvolgende ministeriële bijeenkomst van de OVSE in de geest van de aangenomen resolutie aan te dringen op het geven van prioriteit aan het onderwerp watermanagement en veiligheid bij de OVSE in 2014?
Ik ben voornemens om reeds voorafgaande aan de Ministeriële Raad van de OVSE in december watermanagement te bespreken met mijn Zwitserse collega. In dit gesprek zal ook het werkplan aan de orde komen, dat Zwitserland en Servië gezamenlijk hebben opgesteld voor hun voorzitterschappen in de periode 2014–2015. Ten aanzien van de economische en ecologische dimensies van veiligheid is in dit werkplan opgenomen dat zij zich willen concentreren op onder meer duurzaam watermanagement.
Het bericht dat boeren in 2012 nog steeds veel antibiotica gebruikten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Boeren zweren nog bij antibiotica»?1
Ja. Het bericht is mede gebaseerd op het rapport over het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren dat de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) op 8 juli 2013 heeft uitgebracht. De minister van VWS en ik hebben dit rapport op 29 augustus jl. met onze reactie aan uw Kamer gezonden.
Hoe beoordeelt u het feit dat het aantal boeren, dat op grote schaal antibiotica gebruikt, vorig jaar nauwelijks is gedaald vergeleken met 2011 en hoe waardeert u deze gegevens in relatie tot de ambitie om in 2015 70% minder antibiotica te gebruiken ten opzichte van 2009?
Uit de analyse van de SDa blijkt dat het gebruik van antibiotica op vleeskalver-, varkens-, en vleeskuikenbedrijven in 2012 ten opzichte van 2011 met circa 15% is afgenomen. De gerealiseerde afname in 2012 strookt met de ambitie om in 2015 70% minder antibiotica te gebruiken dan in 2009. De signalering van de SDa dat de totale spreiding in het gebruik tussen bedrijven in de varkens- en kalversector nog vergelijkbaar is met die in 2011 is daarmee niet in tegenspraak. Het betekent wel dat het aandeel van de bedrijven die structureel veel antibiotica gebruiken in die sectoren min of meer stabiel is gebleven. Ik ben het met de SDa eens dat sectoren zich met name moeten inzetten om het gebruik in deze categorie van veelgebruikers terug te dringen. Het is primair aan de sectoren en dierenartsen om daaraan te werken. De sectoren hebben begin 2013 verbetertrajecten voor structurele veelgebruikers opgesteld. Deze zijn vastgelegd in de private kwaliteitssystemen van de sectoren. Veelgebruikende veehouders moeten een aanvullend bedrijfsgezondheidsplan opstellen om het gebruik in ieder geval te reduceren tot onder de actiewaarde. Deze aanpak moet bijdragen aan een daling van het aandeel structurele veelgebruikers en verdere daling van het totale gebruik.
De NVWA krijgt de gegevens van de structurele veelgebruikers van de sectoren en zal deze gebruiken in het kader van het risicogebaseerde toezicht.
Wat is volgens u de reden dat na de eerste forse en succesvolle inspanningen voor 50% reductie van het antibioticagebruik het verder terugbrengen van het antibioticagebruik moeizamer verloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt bij de registratie van het antibioticagebruik ook gekeken naar de toepassing en de periode dat een middel werkzaam is? Anders gezegd: is de doelstelling alleen kwantitatief of ook kwalitatief?
Op basis van de geregistreerde gegevens wordt voor elke veehouderijbedrijf het aantal dierdagdoseringen per dierjaar berekend. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de periode dat een middel werkzaam is. Een middel dat langer werkzaam is, leidt tot een langere blootstelling en daarmee tot meer dierdagdoseringen.
Bij de registratie en de analyse daarvan wordt ook naar kwalitatieve aspecten gekeken, zoals de wijze van toediening en het gebruik van eerste-, tweede- en derdekeusmiddelen per bedrijfstype.
Hoe beoordeelt u het aanhoudende gebruik van fluorochinolonen bij vleeskuikens en vleeskalveren?
Uit de SDa rapportage blijkt dat het gebruik van fluoroquinolonen in 2012 bij vleeskuikens, blankvleeskalveren, rosé startkalveren en rosé afmestkalveren gedaald is. Niettemin dient het gebruik van deze middelen verder beperkt te worden. Fluoroquinolonen zijn in de medio 2012 aangepaste formularia aangemerkt als derdekeusmiddelen. Dit betekent dat deze middelen alleen mogen worden ingezet als op basis van bacteriologisch onderzoek en een gevoeligheidsbepaling is aangetoond dat er geen alternatieven zijn. Sinds januari 2013 is deze gevoeligheidsbepaling wettelijk verplicht.
Wanneer bent u van plan de Kamer te berichten over uw gesprekken met de kalversector over het verder terugdringen van het antibioticagebruik conform uw toezegging in het plenaire debat over het Verslag van het algemeen overleg Dierziekten en antibioticagebruik veehouderij d.d. 11 april 2013?
In het kader van de uitwerking van de UDD-maatregel heb ik met de kalversector en andere sectoren afgesproken dat ze concrete en effectieve preventieve maatregelen nemen om de diergezondheid te verbeteren, waardoor minder inzet van antibiotica nodig is. Ik heb u hierover bij brief van 4 juli 2013 geïnformeerd. De kalversector zal een pakket van structurele maatregelen uitvoeren om de gezondheid en weerstand van de kalveren bij aankomst op het kalverbedrijf te verbeteren. Deze maatregelen zullen worden vastgelegd in private kwaliteitssystemen. Daarnaast zal de kalversector in overleg met de melkveesector een plan van aanpak opstellen om ervoor te zorgen dat de kalveren in goede conditie op het kalverbedrijf aankomen. Dit plan moet gereed zijn op 1 januari 2014.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te zorgen dat het aantal en het percentage veelgebruikers (gebruikers op het actieniveau) het komende jaar substantieel zal dalen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de discrepantie tussen hoeveelheden verkochte en gebruikte antibiotica voor dieren en in hoeverre is deze discrepantie volgens u te verklaren door het illegale gebruik van antibiotica?
De SDa constateert dat in er in 2012 meer antibiotica in de veehouderij zijn gebruikt dan er op basis van de cijfers van de FIDIN (Fabrikanten en Importeurs van Diergeneesmiddelen in Nederland) zijn verkocht. De SDa zal nader onderzoek uitvoeren naar de reden hiervan. Zijn noemt onder andere het interen op eerder opgebouwde voorraden door dierenartspraktijken als een mogelijke oorzaak.
Kunt u aangeven welke typen antibiotica het meest worden aangetroffen bij controles op illegaal gebruik?
Op basis van de opsporings- en toezichtbevindingen in de afgelopen twee jaar kan niet worden geconstateerd dat er één of enkele typen antibiotica zijn die opvallend vaker worden aangetroffen dan andere.
Is er een verband tussen de daling van het antibioticagebruik in de pluimveesector en het gebruik van illegaal verkregen en niet geregistreerde antibiotica, zoals in het artikel gesuggereerd wordt?
Ik heb geen indicatie dat er een verband is tussen daling van het antibioticumgebruik in de pluimveesector en eventueel illegaal gebruik van antibiotica. Mogelijke illegale praktijken onttrekken zich per definitie aan het zicht. Zie ook mijn antwoord op vragen van het lid Thieme over illegaal gebruik van antibiotica in de veehouderij (AH TK 2012–2013, 1273).
Kunt u aangeven wat de totale omvang van het illegale gebruik van antibiotica in de pluimveesector is?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat illegaal gebruik van antibiotica negatief uitwerkt op het imago van de sector als geheel? Welke maatregelen treft u om het illegale gebruik terug te dringen?
Ja. In de brief van 5 april 2013 (TK 29 683, nr. 156) is aangegeven hoe het kabinet mogelijk illegale handel aanpakt. De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA is voortdurend gericht op het opsporen van illegale antibioticahandel. Sinds 2011 wordt per jaar 1 miljoen euro extra besteed aan opsporing en toezicht op het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Een effectievere aanpak van illegale handel is mogelijk geworden doordat het bezit van grondstoffen voor diergeneesmiddelen (inclusief antibiotica) vanaf januari 2013 niet meer is toegestaan zonder vergunning. Importeurs, fabrikanten en distributeurs van werkzame stoffen moeten zijn opgenomen in het Register grondstoffen van diergeneesmiddelen. Veehouders mogen geen grondstoffen voorhanden hebben. Wanneer nu grondstoffen worden aangetroffen, wordt getoetst of men in het register voorkomt. Daarbij is complexe strafrechtelijke bewijsvoering die moet aantonen dat er sprake is van bezit van een grondstof die daadwerkelijk wordt gebruikt als diergeneesmiddel niet meer nodig.
De inperking van de internetvrijheid in Singapore |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS «zeer bezorgd» over internetregels Singapore»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat Singaporese nieuwssites met minstens 50.00 bezoekers een licentie van de overheid moeten hebben? Bent u van mening dat dit de digitale vrijheid in Singapore ernstig kan inperken? Kunt u uw mening toelichten?
Op 28 mei jl. maakte de Singaporese «Media Development Authority» (MDA) bekend dat nieuws-websites die aan bepaalde criteria voldoen per 1 juni 2013 een aparte vergunning nodig hebben. Het gaat om websites die gemiddeld tenminste één nieuwsbericht per week over Singapore plaatsen en een gemiddeld bereik hebben van minimaal 50.000 bezoekers. De MDA heeft tien websites geïdentificeerd die aan de genoemde criteria voldoen. De Singaporese regering beoogt met deze stap de regelgeving voor online nieuws-websites meer in lijn te brengen met die voor «traditionele nieuwsplatforms» (kranten, TV). Voor deze «traditionele» media werden al individuele vergunningen afgegeven.
Het vereiste van een licentie kan op gespannen voet komen te staan met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit omvat het recht om zonder tussenkomst een mening toegedaan te zijn en de vrijheid om onafhankelijke informatie te zoeken, ontvangen en te delen.
Hoe oordeelt u over het feit dat websites met een licentie binnen 24 uur artikelen moeten verwijderen als de mediawaakhond in Singapore daar opdracht toe geeft? Welke gevolgen verwacht u dat dit zal hebben voor de persvrijheid in Singapore?
De inhoudelijke normen waar deze sites aan moeten voldoen zijn niet veranderd. Deze sites zijn – net als voorheen – verplicht om inhoud, die niet aan de door de MDA gestelde normen voldoen, binnen 24 uur te verwijderen. Het verwijderen van inhoud op verzoek is een vorm van censuur. Het is onduidelijk wat er onder gewraakt materiaal wordt geschaard en welke waarborgen er bestaan om misbruik van deze gronden te voorkomen. In dat opzicht zal deze nieuwe wijze van vergunningverlening vermoedelijk op zichzelf geen grote verandering in de mate van persvrijheid teweeg brengen in Singapore.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de mensenrechtensituatie in Singapore en voor Nederlanders in Singapore?
De impact van de nieuwe regelgeving is beperkt. De inhoudelijke normering waaraan de geselecteerde websites moeten voldoen is niet veranderd.
De aankondiging heeft tot onrust geleid in de «online community» in Singapore, omdat gevreesd wordt voor mogelijke uitbreiding van de lijst van nieuws-sites in de toekomst. De Singaporese overheid heeft aangegeven dat «blogs» niet onder de regelgeving zullen vallen en dat kritiek op de overheid geen reden vormt om tot een verzoek tot verwijdering van inhoud over te gaan.
Bent u bereid stappen, eventueel op Europees niveau, te nemen om de vrijheid van meningsuiting en in het bijzonder de internetvrijheid in Singapore te waarborgen? Zo ja, welke stappen bent u bereid in deze te nemen en op welke termijn?
De aankondiging is binnen de EU uitgebreid besproken.
Gezien de beperkte impact van deze specifieke aankondiging ligt een stap richting de Singaporese overheid op dit moment niet voor de hand. De Nederlandse ambassade in Singapore zal dit dossier wel nauwlettend blijven volgen, ook in overleg met EU-partners.
De grondrechtensituatie in Hongarije |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het verslag-Tavares over de grondrechtensituatie in Hongarije, dat op 3 juli jl. door het Europees Parlement is aangenomen?1
Ja.
Deelt u de teleurstelling van het Europees Parlement over het feit dat «de Europese Raad de enige politieke instelling van de EU is die zich niet heeft uitgesproken, terwijl de Commissie, het Parlement, de Raad van Europa, de OVSE en zelfs de regering van de VS hun bezorgdheid hebben geuit over de situatie in Hongarije»?
Het is goed dat het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad van Europa de rechtsstaatontwikkelingen in zo Hongarije nauwgezet volgen. Deze internationale druk van m.n. de Europese Commissie en de Raad van Europa (waaronder de Venetië Commissie) heeft er eerder toe geleid dat Hongaarse wetgeving werd aangepast.
De merites van de aanpak van de Europese Commissie en de Venetië Commissie ligt in hun onafhankelijke en technische beoordeling van de situatie in Hongarije (respectievelijk bezien vanuit de Europese verdragen en de waarden van de Raad van Europa) – evenals de Hongaarse bereidheid met hen in dialoog te gaan en waar nodig wetten aan te passen. Ook nu heeft de Hongaarse regering gezegd tegemoet te komen aan de zorgen van de Europese Commissie en Venetië Commissie. Nederland verwacht dit ook van Hongarije.
Het kabinet is tevreden met de wijze waarop de Europese Commissie en de Venetië Commissie deze dialoog voeren en Hongarije weten te overtuigen aanpassingen door te voeren. De internationale kritiek op de wetgevingsprocessen is de Hongaarse regering reeds goed bekend, en de zorgen worden ook geregeld besproken door verschillende Europese lidstaten met Hongarije zelf. Ook Nederland heeft, zowel bij monde van de minister-president bij zijn Hongaarse ambtsgenoot als van de minister van Buitenlandse Zaken bij zijn ambtsgenoot, de situatie aan de orde gesteld.
Bent u bereid te bevorderen dat de voorzitter van de Europese Raad voldoet aan het verzoek om het Europees Parlement op de hoogte te brengen van zijn beoordeling van de situatie in Hongarije?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te bevorderen dat de grondrechtensituatie in Hongarije op de eerstkomende bijeenkomst van de Europese Raad wordt geagendeerd, opdat voorzitter Van Rompuy kan voldoen aan het verzoek van het Europees Parlement?
Zie antwoord vraag 2.
Zult u zich inzetten voor het inwilligen van het verzoek van het Europees Parlement om een «artikel 2-trialoog» in het leven te roepen, waarbij de Europese Commissie en de Raad elk een vertegenwoordiger aanwijzen teneinde er, met de rapporteur en schaduwrapporteurs van het parlement, gezamenlijk op toe te zien dat de Hongaarse autoriteiten de aanbevelingen uit het verslag-Tavares (alsmede die van de Venetiëcommissie) ten uitvoer leggen?
In een Europese waardengemeenschap moeten we elkaar kunnen aanspreken op naleving van die waarden. Dat doet Nederland ook. Wat betreft de Hongaarse rechtsstaatontwikkelingen vervullen de Europese Commissie en de Raad van Europa hierbij momenteel een goede en constructieve rol.
Daarnaast zet het kabinet zich in voor de ontwikkeling van een aanvullend rechtsstaatelijkheidsmechanisme binnen de EU, zoals onlangs wederom besproken in de Raad Algemene Zaken. De aanbevelingen in de EP-resolutie naar aanleiding van het rapport Tavares voor een structureel monitoringsmechanisme («Kopenhagen-commissie») en een ad hoc mechanisme in geval van acute problemen op dit terrein («artikel 2 Noodagenda») sluiten hier goed bij aan. Het kabinet is evenwel geen voorstander van de ontwikkeling van mechanismen die specifiek gericht zijn op afzonderlijke lidstaten, zoals de voorgestelde «artikel 2-trialoog» voor Hongarije, omdat het aanvullend mechanisme op gelijke wijze op alle lidstaten toegepast moet kunnen worden indien daarvoor aanleiding zou zijn.
Deelt u de inschatting dat zo'n artikel 2-trialoog helpt voorkomen dat de politieke instellingen van de Europese Unie zich achter elkaar verschuilen bij het aanspreken van de Hongaarse regering op de ondermijning van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten, en het in werking zetten van de procedure van artikel 7, lid 1 van het EU-verdrag kan vergemakkelijken?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u beoordelen of de pogingen van de Europese Volkspartij (EVP) om de regering-Orbán via partijpolitieke contacten tot groter respect voor Europese waarden te bewegen, al resultaat hebben gesorteerd?
Nee, maar acties van de EVP in die richting worden uiteraard ondersteund.
Het bericht dat Irak nog altijd niet meewerkt aan het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de Iraakse autoriteiten duidelijk gemaakt dat hun tegenwerking bij het terugnemen van uit te zetten Irakezen meer dan schandalig is, gelet op het feit dat Nederland Irak in het verleden op grote schaal heeft gesteund bij de wederopbouw, waarbij Nederlandse militairen zijn gesneuveld en waarbij bijvoorbeeld voor honderden miljoenen euro’s aan schuldenverlichting is verleend? Zo neen, waarom niet?1
Tijdens mijn korte bezoek aan Irak heb ik de autoriteiten gewezen op hun internationale verplichtingen om Irakezen terug te nemen die niet (langer) in Nederland mogen blijven. Daarbij heb ik aangegeven dat Nederland grote inspanningen heeft geleverd bij de wederopbouw van Irak en jarenlang vele Irakezen heeft opgevangen en in onze samenleving heeft opgenomen. Inmiddels verblijven circa 50.000 Irakezen legaal in Nederland. Tevens heb ik duidelijk gemaakt dat het voor de geloofwaardigheid van het Nederlandse migratiebeleid van belang is dat Irakezen die geen verblijfsvergunning ontvangen daadwerkelijk terugkeren naar Irak. Voor de Nederlandse regering is vrijwillige terugkeer daarbij het uitgangspunt, waarvoor Nederland ondersteuning aanbiedt.
Mijn Iraakse gesprekspartners toonden veel respect voor de inspanningen die Nederland ten behoeve van Irak heeft gedaan. Zij voegden daaraan toe dat Irak echter nog altijd in wederopbouw is en tevens kampt met ruim 1,5 miljoen ontheemden binnen Irak en de directe buurlanden. De terugkeer en herhuisvesting van deze Irakezen wordt door Irak vooralsnog belangrijker geacht dan het voldoen aan het verzoek van een derde land tot terugname van Iraakse burgers in het kader van een niet-vrijwillig vertrek uit dit derde land. Irak werkt wel mee aan vrijwillige terugkeer en is ook bereid dat te ondersteunen.
Dit Iraakse standpunt deel ik niet. Ik heb dit mijn Iraakse gesprekspartners ook duidelijk laten weten. Afgesproken is samen met Irak een werkgroep in te stellen om concrete oplossingen voor de terugkeerproblematiek uit te werken. Omdat naast Nederland, ook andere landen met dezelfde problematiek kampen, heb ik voorgesteld deze landen daarbij te betrekken.
Is het door uw ambtsvoorganger toegezegde bedrag van 5,5 miljoen euro dat aan Irak beschikbaar zou worden gesteld om de terugkeer en opvang van uitgeprocedeerde Iraakse asielzoekers te faciliteren al uitbetaald aan de Iraakse autoriteiten? Zo ja, bent u bereid dit bedrag onmiddellijk terug te vorderen? Zo neen, bent u bereid er voor te zorgen dat er geen cent van dit bedrag aan Irak wordt uitgekeerd zolang men blijft weigeren mee te werken aan terugkeer van de eigen onderdanen?
Mijn ambtsvoorganger heeft destijds aangegeven dat de Nederlandse regering bereid is Irak te ondersteunen bij de opvang en reïntegratie van Irakezen die Nederland moeten verlaten en te helpen met het vinden van een oplossing voor het probleem van de vele binnenlandse ontheemden. Hiervoor was een substantieel bedrag van 5,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. Duidelijk is dat er sprake moet zijn van uit Nederland naar Irak teruggekeerde Irakezen om het bedrag te kunnen bestemmen. Vooralsnog lijkt Irak echter niet te willen voldoen aan de op Irak rustende internationale verplichting om op verzoek van Nederland Iraakse staatsburgers terug te nemen. Dat geld is nog steeds beschikbaar.
Welke vormen van hulp (economisch, militair of anderszins) ontvangt Irak momenteel van Nederland? Bent u bereid elke vorm van Nederlandse hulpverlening aan Irak per ommegaande op te schorten tot het moment waarop volledige medewerking aan de terugkeer van eigen onderdanen wordt verleend? Zo ja, kunt u specificeren welke hulpverlening wordt gestopt en hoeveel geld dit betreft? Zo neen, welke maatregelen of sancties gaat u dan treffen om er voor te zorgen dat gedwongen terugkeer naar Irak mogelijk wordt?
Het opschorten van hulpverlening aan Irak is niet aan de orde. Irak ontvangt geen economische of militaire hulp. Nederland ondersteunt via NGO’s en internationale organisaties de mensenrechtensituatie van bevolkingsgroepen die het in Irak moeilijk hebben: etnische, religieuze en seksuele minderheden (LHBT). Tevens wordt bijgedragen aan ontmijning in de Koerdische regio. Opschorting van deze programma’s zou maatschappelijk kwetsbare groepen onevenredig treffen.
Naast terugkeer en mensenrechten is economische diplomatie speerpunt van het Nederlandse beleid richting Irak. Hierbij gaat het om actieve ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven door de Nederlandse ambassade in Bagdad en het liaisonkantoor in Erbil. De Iraakse overheid werkt hard aan de wederopbouw van Irak en investeert hiertoe veel fondsen in voor Nederland belangrijke sectoren, zoals landbouw, infrastructuur, watersector, gezondheidszorg, olie- en gassector en onderwijs. Irak betaalt deze grootschalige investeringen zelf uit de (groeiende) olieopbrengsten. Irak kende in 2012 een economische groei van 8,5%. Voor de periode 2013–2017 wordt gemiddeld 9% groei per jaar verwacht. De Iraakse investeringsbegroting is 20% van het Bruto Nationaal Product (BNP), d.w.z. 46 miljard US$ in 2013.
Het voorgaande neemt niet weg dat ik mij blijf inzetten om te bewerkstellingen dat Irak de op soevereine staten rustende verplichting om op verzoek van een derde staat eigen staatsburgers terug te nemen, zal nakomen.
De besteding van hulpgelden voor Srebrenica |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van KRO-Brandpunt van 7 juli jl.?1
Ja.
Is het waar dat er nog steeds honderden vluchtelingen in noodwoningen in Tuzla wachten op een huis in Srebrenica?
In Tuzla verblijven nog altijd 1.367 families (4.070 personen) in zogenaamde collective centers en andere alternatieve accommodatie. Volgens het voor vluchtelingenzaken verantwoordelijke Ministerie van de Federatie Bosnië en Herzegovina zijn 398 families afkomstig uit de gemeente Srebrenica. Formeel willen al deze personen terugkeren. Dit is ook een vereiste om in aanmerking te komen voor de status van displaced person, die toegang geeft tot bepaalde (basis-) voorzieningen als medische zorg. In de praktijk echter wil of kan lang niet iedereen terugkeren. De redenen hiervoor zijn onder andere: (i) trauma; (ii) het feit dat oudere vluchtelingen uit afgelegen dorpjes daar niet meer kunnen leven door gebrek aan voorzieningen als winkels; (iii) het feit dat jongere generaties een (school-) leven elders hebben, een gebrek aan arbeidsmogelijkheden hebben of geen rechten op bezittingen waarnaar zij kunnen terugkeren. In 2012 waren er volgens het Ministerie 278 aanvragen voor terugkeer naar Srebrenica, maar geen daarvan uit de collective centers.
Klopt de uitspraak van burgemeester Durakovic van Srebrenica, dat sinds de wederopbouw jaarlijks gemiddeld maar 10 huizen zijn bijgebouwd? Indien ja, kunt u aangeven waarom zo weinig woningen zijn gerealiseerd?
De Nederlandse bijdrage aan de wederopbouw werd vanwege de politieke situatie in Bosnië-Herzegovina pas vanaf 2002 mogelijk en omvatte naast de gemeente Srebrenica ook de aangrenzende gemeenten Bratunac, Milici en Zvornik. Met Nederlandse assistentie zijn sinds 2002 in die gemeenten ruim 2000 woningen gebouwd of hersteld.
Is het waar dat Nederland sinds 1995 120 miljoen euro steun heeft verleend aan Srebrenica? Kunt u aangeven hoeveel daarvan was bedoeld voor wederopbouwactiviteiten?
Sinds 1995 heeft Nederland in Bosnië-Herzegovina voor circa 120 miljoen aan projecten uit laten voeren die geheel of gedeeltelijk aan Srebrenica zijn gerelateerd. Deze assistentie valt uiteen in de volgende categorieën: opsporing en identificatie van vermiste personen; institutionele capaciteit op staatsniveau in Bosnië en Herzegovina voor de vervolging van oorlogsmisdadigers; psycho-sociale steun voor slachtoffers en nabestaanden; duurzame terugkeer (huisvesting, werkgelegenheid en integratie); economische ontwikkeling en bestuurlijke capaciteit; versterking maatschappelijk middenveld met speciale aandacht voor jongeren; en herdenking en herinnering.
Aan wederopbouwprojecten in Srebrenica, Bratunac en Milici (de gemeenten met de grootste aantallen slachtoffers bij de genocide van juli 1995) en in mindere mate in aangrenzende gemeenten als Zvornik, is ongeveer 52 miljoen euro besteed. Het gaat daarbij onder andere om herstel van woningen; infrastructuur (zoals elektriciteitskabels, waterleidingen en wegen); steun voor economische ontwikkeling en het scheppen van banen; en capaciteitsversterking van de gemeenten, private sector en het maatschappelijk middenveld.
Kunt u aangeven waarom de geprojecteerde jaarlijkse uitgaven aan het programma voor de Srebrenica regio, zoals staat in het «goedkeuringsmemorandum 2011 – Sarajevo – algemeen beleidskader», achterblijven bij de beschikbare 5 miljoen euro? Hoe verhoudt deze onderuitputting zich tot het naar voren halen van gelden voor het Srebrenica Regional Recovery Programma voor 2013 naar 2012?
In het goedkeuringsmemorandum van begin 2011 ging de departementsleiding akkoord met het verzoek van de Nederlandse ambassade in Sarajevo om in 2012 5 miljoen euro beschikbaar te blijven stellen aan Srebrenica. Jaarplannen en goedkeuringsmemoranda bevatten een meerjarige doorkijk, maar gaan in principe slechts over het komende kalenderjaar.
De uitgaven (in euro’s) aan Srebrenica in de afgelopen jaren waren als volgt:
2005
8,6 miljoen
2006
7,3 miljoen
2007
6,5 miljoen
2008
7,6 miljoen
2009
5,0 miljoen
2010
5,0 miljoen
2011
4,3 miljoen
2012
5,0 miljoen
In sommige jaren zijn de uitgaven aan Srebrenica hoger uitgevallen dan 5 miljoen euro omdat Nederland toen nog een omvangrijk Ontwikkelingssamenwerkingsprogramma had in Bosnië-Herzegovina, dat ook Srebrenica ten goede kwam. Dit programma is in 2011 geheel uitgefaseerd.
In 2011 zijn de uitgaven aan Srebrenica lager uitgevallen dan 5 miljoen euro. In dat jaar heeft de Nederlandse ambassade niet genoeg voorstellen voor projecten in Srebrenica ontvangen waarvan de kwaliteit en een efficiënte inzet van middelen gewaarborgd zouden zijn.
Is bekend hoeveel van het beschikbare geld voor Srebrenica daadwerkelijk is besteed aan de beoogde doelen en hoeveel is opgegaan aan vaste lasten van de partnerorganisaties?
Het beschikbare geld is daadwerkelijk besteed aan de onder antwoord 4 genoemde doelen. Om het geld zo efficiënt mogelijk te besteden en misbruik te voorkomen werkt Nederland uitsluitend samen met betrouwbare partnerorganisaties. Veelal zijn dat buitenlandse c.q. internationale organisaties met een vestiging in Bosnië-Herzegovina. Het toezicht dat Nederland via deze organisaties kan uitoefenen op een correcte besteding van de middelen en de expertise die via deze organisaties kan worden overgedragen wegen ruimschoots op tegen de kosten die gemoeid zijn met de «overhead» (5 tot 7%) en andere vaste lasten van deze organisaties, zoals personeelskosten van de technische assistentie.
Hoe wordt toegezien op de correcte en effectieve besteding van het geld voor Srebrenica?
De ambassade in Sarajevo is verantwoordelijk voor de selectie en monitoring van projecten. Hiervoor hanteert de ambassade dezelfde procedures als andere Nederlandse ambassades die OS-geld in beheer hebben. De ambassadestaf onderhoudt intensief contact met de partnerorganisaties en ziet daarbij nauw toe op de budgetten en financiële rapportages. Bij projectbedragen boven 1 miljoen euro per jaar wordt jaarlijks een externe audit van de partnerorganisatie uitgevoerd.
De partnerorganisaties zien op hun beurt toe op eventuele werkzaamheden door derden als onderaannemers. Bij infrastructurele werken worden bijvoorbeeld controles op meerdere niveaus toegepast voor de beoordeling van offertes, om het risico van zowel «externe» als «interne» corruptie te beperken. In de door Nederland gefinancierde projecten wordt daarnaast veel aandacht besteed aan de selectie van begunstigden op basis van objectieve criteria. Daar waar de Bosnische autoriteiten op basis van het Dayton-verdrag een leidende rol hebben in dit proces is het externe toezicht zo goed mogelijk vormgegeven. Jarenlang gebeurde dit door plaatselijk gevestigde task forces onder auspiciën van het Kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger. Ook lokale ngo’s en nabestaandenorganisaties zijn soms bij deze toetsing betrokken.
Ten slotte hebben de ambassadeur en zijn medewerkers geregeld contact met lokale ambtsdragers, projectbegunstigden, nabestaandenorganisaties en de lokale vertegenwoordigers van organisaties als het Kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger en de OVSE.
Heeft de ambassade in Sarajevo signalen ontvangen van corruptie bij de besteding van hulpgelden in Srebrenica? Zo ja, hoe is daarop gereageerd?
De ambassade in Sarajevo is bekend met het bestaan van geruchten dat de buitenlandse, inclusief Nederlandse, hulpgelden niet goed worden besteed. In contacten met overheidsinstanties en met de nabestaandenorganisaties wordt aangegeven dat Nederland iedere gespecificeerde fraudemelding zal onderzoeken. Zij worden aangemoedigd eventuele problemen bij de ambassade te melden. Dergelijke specifieke meldingen zijn niet ontvangen.
Klachten die wel zijn ontvangen, veelal van Bosniaakse (= Moslim-) organisaties, hadden vrijwel altijd betrekking op de perceptie dat niet de juiste personen of bevolkingsgroepen profiteerden van de hulp. De ambassade heeft hier, gezien de politiek gevoelige context, veel aandacht aan besteed. De uitvoerende organisaties hebben er alles aan gedaan om openheid te geven over de toegepaste criteria en hebben in sommige gevallen de klagende organisaties nauwer betrokken bij het proces (uiteraard zonder de criteria te wijzigen).
Is het waar dat de directeur van de lokale afdeling van CARE International is ontslagen? Zo ja, kunt u aangeven wat de reden was van zijn vertrek en of er een relatie is met vermeende corruptie?
Uit informatie die wij kregen van CARE is gebleken dat de directeur van de vestiging van CARE International in Sarajevo niet is ontslagen. Uit navraag is gebleken dat de burgemeester van Srebrenica in de uitzending van Brandpunt verwijst naar een medewerker van CARE die een project in Srebrenica coördineerde. De leiding van CARE heeft de betrokkenheid van deze medewerker bij dat project in 2008 beëindigd. Hieraan lagen geen verdenkingen van corruptie ten grondslag. Het laatste Nederlandse project met CARE in Srebrenica eindigde overigens in 2008.
Wat is uw oordeel over de effectiviteit van de besteding van het geld dat Nederland de afgelopen jaren voor Srebrenica beschikbaar heeft gesteld?
Ik ben van mening dat de Nederlandse assistentie aan Srebrenica in de afgelopen jaren overwegend effectief is geweest en heeft bijgedragen aan de vooraf geformuleerde doelstellingen. Dat geldt niet voor alle verstrekte assistentie. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de activiteiten plaatsvinden in een weerbarstige context, waarin naast de verwoestingen van de oorlog en de verloren afzetmarkt als gevolg van het uiteenvallen van Joegoslavië ook de aanhoudende politieke crisis in Bosnië-Herzegovina een rol speelt.
Mede dankzij de Nederlandse assistentie is bijna 90% van de slachtoffers van de genocide van 1995 geïdentificeerd, zijn belangrijke verantwoordelijken vervolgd en veroordeeld voor hun aandeel in de wreedheden van de oorlog, zijn woningen en infrastructurele voorzieningen gebouwd of hersteld, zijn honderden banen gecreëerd en huishoudens aan stabiele inkomens geholpen, is psycho-sociale zorg verleend aan overlevenden, is bijgedragen aan het herdenkingscentrum te Potocari en is de capaciteit versterkt van zowel lokale ngo’s, de particuliere sector als de lokale autoriteiten. Met dit alles is de terugkeer van vele ontheemden gefaciliteerd. Om veel redenen, die verband houden met de moeizame lokale context, is dit proces van terugkeer lang niet compleet en is de Srebrenica tot de dag van vandaag een sterk verdeelde gemeente langs «etnische» lijnen. Toch steekt de economische ontwikkeling in Srebrenica en nabije omgeving, mede dankzij de Nederlandse assistentie, positief af tegen die in sommige naburige steden en dorpen.
Mededeling op site SVB dat na 2015 een eenmalige uitkering zoals een afkoopsom kan leiden tot intrekking van partnertoeslag AOW |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom meldt de site van de SVB het volgende: «Krijgt uw partner op of na 1 januari 2015 eenmalig een uitkering zoals een afkoopsom? En is de uitkering zo hoog dat de toeslag wordt stopgezet? Dan vervalt uw toeslag vanaf dat moment voor altijd. Dit geldt ook als het inkomen van uw partner gedurende 1 maand hoger is doordat uw partner die maand bijvoorbeeld extra uren heeft gewerkt.»?1
Het desbetreffende bericht op de site van de SVB staat los van het wetsvoorstel «Wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde het recht op partnertoeslag van de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk te maken van het gezamenlijk inkomen van die pensioengerechtigde en diens echtgenoot» (33 687), hierna te noemen: wetsvoorstel wijziging partnertoeslag. Het bericht heeft te maken met artikel 8, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet. Dit lid is met ingang van 1 januari 2013 ingevoegd bij de Wet vereenvoudiging regelingen SVB. Zie ter toelichting de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 2011/12, 33 318, nr. 3, p. 20 en 21). In het bedoelde tweede lid wordt geregeld dat na 1 januari 2015 als gevolg van een wijziging van het inkomen van de jongere echtgenoot geen recht op partnertoeslag meer kan ontstaan. Bij dit wetsvoorstel is niet expliciet ingegaan op de gevolgen van incidentele inkomstenstijgingen. Het bericht op de SVB-site was in die zin voorbarig. In het door de Tweede Kamer uitgebrachte verslag op het wetsvoorstel wijziging partnertoeslag zijn ook vragen gesteld over incidentele inkomens. Ik kom bij de beantwoording op dit punt terug. Het desbetreffende bericht is inmiddels op de site van de SVB aangepast.
Is het waar dat voornoemde aankondiging voorbarig is omdat de Tweede Kamer het wetsvoorstel dat dit moet bewerkstelligen nog moet behandelen?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u de SVB verzoeken om het bericht aan te passen en te vermelden dat het een door de regering voorgenomen wijziging is? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht in Duitse media dat Afghaanse diplomaten niet terugkeren naar Afghanistan |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Abzug aus Afghanistan: Rette sich, wer kann», waaruit blijkt dat een significant aantal Afghaanse diplomaten in Duitsland niet terugkeert naar Afghanistan?1
Ik heb kennis genomen van het bericht dat in voorkomende gevallen diplomaten in het land waar ze werkzaam zijn asiel aanvragen.
Kunt u reageren op de genoemde cijfers? Is er een trend waarneembaar van gekwalificeerde Afghaanse vertegenwoordigers die niet terugkeren?
Vooralsnog beschik ikzelf, noch de IND, over duidelijke aanwijzingen dat hier sprake is van een trend.
Is bekend hoeveel Afghaanse vertegenwoordigers in Nederland asiel hebben aangevraagd of onvindbaar waren toen ze moesten terugkeren?
Door de IND wordt de professie van een asielaanvrager niet in de systemen geregistreerd. De door u gevraagde cijfers kunnen daarom niet automatisch gegenereerd worden uit de systemen van de IND. Ook wordt niet centraal geregistreerd hoeveel personen met de door u genoemde achtergronden onvindbaar zijn na werkbezoeken.
Indien een Afghaanse overheidsvertegenwoordiger of een Afghaanse burger, die een werkbezoek aan Nederland brengt, Nederland niet op de geplande datum verlaat en dit bij het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gemeld, dan worden de IND en de lokale politie geïnformeerd. Andersom informeert de IND het ministerie van Buitenlandse Zaken indien een hoge Afghaanse vertegenwoordiger in Nederland asiel aanvraagt.
Is bekend hoeveel Afghanen die werkbezoeken hebben gebracht aan Nederland asiel hebben aangevraagd of onvindbaar waren toen ze moesten terugkeren?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier gaan Nederland en de Europese Unie met dit vraagstuk om?
Er is geen specifiek Europees beleid voor dit vraagstuk. Visumaanvragen worden getoetst aan de EU/Schengenregelgeving, een belangrijke component die wordt getoetst, is of de tijdige terugkeer van de visumaanvrager voldoende is gewaarborgd. Niettemin is er geen wettelijke grondslag om een visumhouder het indienen van een asielverzoek te onthouden.
Onduidelijke regels omtrent identificatieplicht voor zzp’ers |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op vragen van de leden Mei Li Vos en Recourt over identiteitsfraude door slecht bewaarde paspoortkopieën?1
Ja.
Bent u bekend met de onduidelijkheden onder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) over identificatieplicht bij het aannemen van een opdracht?
Klachten over onduidelijkheden en tegenstrijdige adviezen over de vermeende identificatieplicht zijn mij niet bekend. Zzp’ers zijn niet verplicht zich te identificeren bij het aannemen van opdrachten. Deze verplichting ontstaat pas als de opdrachtgever ervoor kiest om van de opdrachtnemer een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) te verlangen.
Bent u op de hoogte van de klachten van zzp’ers over de tegenstrijdige adviezen die de Belastingdienst, het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) en sommige zzp-organisaties verstrekken over identificatie? Wat is uw reactie daarop?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe dient een zzp’er die alleen digitaal communiceert met de opdrachtgever zich te identificeren?
De identiteit van een persoon kan door de opdrachtgever slechts worden vastgesteld als de opdrachtnemer fysiek aanwezig is, zodat de opdrachtgever kan controleren of persoon en identiteitsbewijs met elkaar overeenkomen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Op welke wijze dient het document waarmee de zzp’er zich identificeert door de opdrachtgever behandeld te worden?
Indien de opdrachtgever een kopie vraagt teneinde vrijwaring van mogelijke inhoudingsplicht voor de loonheffingen te verkrijgen, heeft deze opdrachtgever een wettelijke plicht om deze kopie gedurende zeven jaren te bewaren. Aard en nummer van het identiteitsbewijs dienen bij deze kopie te worden bewaard.
Hoe wordt de privacy van de opdrachtnemer (zzp’er) die vanuit huis werkt beschermd? Bent u bereid de zzp’ers en opdrachtgevers én alle betreffende organisaties eenduidige richtlijnen omtrent identificatie door opdrachtnemers (zzp’ers) te verschaffen zodat onduidelijkheden over identificatie tot het verleden behoren? Zo nee, waarom niet?
In het handelsregister staat van elke onderneming het (zaken)adres geregistreerd, alsmede het adres van degene(n) aan wie de onderneming toebehoort: een of meer natuurlijke persoon/personen, dan wel een rechtspersoon. Openbaarheid van dit gegeven -via een uittreksel uit het handelsregister- is nodig om bijvoorbeeld een verhaalsactie te kunnen instellen tegen de eigenaar van de onderneming. Bij zogeheten adresbestanden wordt door de KvK uitsluitend het zakelijk adres van een onderneming verstrekt. Soms valt dat zakelijk adres samen met het woonadres van de eigenaar. Die keuze is vol aan de eigenaar; hij kan ook -om zijn privacy te beschermen- besluiten het bedrijf op een ander adres te vestigen. In dat geval is het woonadres alleen via een uittreksel te traceren, hetgeen een zekere drempel opwerpt. Het woonadres van de bestuurder van een rechtspersoon (bijvoorbeeld de dga van een BV, een rechtsvorm die ook veelvuldig door zzp’ers wordt gebruikt) kan op grond van de wet slechts worden ingezien door bestuursorganen alsmede advocaten, notarissen en deurwaarders. In situaties van concrete dreiging kan ook het woonadres van een natuurlijk persoon (eenmanszaak) door de KvK worden afgeschermd; het kan dan alleen worden ingezien door de hierboven genoemden.
Om fraude met kopieën van identiteitsdocumenten te voorkomen en de regels te verduidelijken heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) reeds richtsnoeren opgesteld voor het overnemen van persoonsgegevens en het kopiëren en scannen van identiteitsdocumenten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft van 15 januari tot en met 31 maart 2013 een publiekscampagne gevoerd. Het doel was enerzijds om alle burgers te informeren over de risico’s van het afgeven van een kopie van een identiteitsbewijs, anderzijds om maatregelen aan te reiken om fraude met identiteitsdocumenten te verminderen. Een maatregel is dat burgers doel en datum op een kopie schrijven. Daarmee kan misbruik bij een andere organisatie of op een andere datum worden voorkomen. In de beantwoording van de in vraag 1 genoemde Kamervragen van 9 oktober 2012 is aangegeven dat zzp’ers wordt aangeraden dit ook te doen.
De deelname van Sam Rainsy aan de Cambodjaanse verkiezingen |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cambodia's Sam Rainsy to return for election» en de nog altijd voortdurende ballingschap van Sam Rainsy als gevolg van zijn politieke vervolging?1
Ja.2
Bent u bekend met de uitspraken van het Europees Parlement, het Congres van de Verenigde Staten en verschillende mensenrechtenorganisaties inzake de verhinderde deelname aan de Cambodjaanse politiek van Sam Rainsy? Zo ja, hoe beoordeelt u deze?
Ja. Het is zorgelijk dat de vrijheid van meningsuiting onder druk staat. Ook NL heeft de Cambodjaanse overheid meerdere malen, in VN- en EU-verband, hierop aangesproken. In EU-verband vinden regelmatig demarches plaats over de mensenrechtensituatie in Cambodja. NL ondersteunde onlangs de verlenging van het mandaat van de VN Speciale Rapporteur voor Cambodja, m.n. voor monitoring van mensenrechten ontwikkelingen rond de parlementsverkiezingen van 28 juli in Cambodja.
Deelt u de mening dat uit de akkoorden van Parijs verplichtingen voortkomen die op dit moment onvoldoende worden nageleefd, bijvoorbeeld waar het gaat om zijn vrijheid van meningsuiting en zijn mogelijkheid om deel te nemen aan de verkiezingen?
Met het uitschrijven van verkiezingen waaraan ook de oppositie zal kunnen deelnemen, voldoet Cambodja aan o.m. artikel 12 van de Agreement on a comprehensive political settlement of the Cambodia conflict (onderdeel van de 1991 Paris Peace Agreements): «the Cambodian people shall have the right to determine their own political future through the free and fair election of a constituent assembly [...]». De aanbevelingen van de Speciale Rapporteur behelzen o.m. het vinden van een politieke oplossing die het Rainsy mogelijk maakt als oppositieleider een rol te spelen in de Cambodjaanse politiek.
Bent u bereid om u in te zetten voor het intrekken van de aanklachten tegen Sam Rainsy en het herstel van zijn parlementaire immuniteit? Bent u tevens bereid om u in te zetten voor de deelname van Sam Rainsy aan de Cambodjaanse verkiezingen van 28 juli? Zo ja, op welke manier bent u van plan invulling aan die inzet te geven?
Nederland heeft zich aangesloten bij het EU-standpunt over de verkiezingen in Cambodja, waarin de EU pleit voor transparante en geloofwaardige verkiezingen. Eerder is door de EU aan de National Election Commission technische assistentie aangeboden, die van grote waarde blijkt te zijn in de organisatie van de verkiezingen. In tegenstelling tot in 2008 stuurt de EU ditmaal geen waarnemersmissie naar de verkiezingen in juli.
De Cambodjaanse koning heeft op 14 juli Sam Rainsy op verzoek van premier Hun Sen gratie verleend. Sam Rainsy zal naar verwachting nog voor de verkiezingsdatum van 28 juli terugkeren naar Cambodja.
Het artikel ‘Gemeenten mikpunt van Russische spionage’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten mikpunt van Russische spionage»?1
Ja.
Is het waar dat Nederlandse gemeenten mikpunt zijn van spionageactiviteiten door buitenlandse inlichtingendiensten?
Ja, zoals ook in het Jaarverslag 2012 van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) (Kamerstuk 30 977, nr. 52) vermeld staat, zijn Nederlandse overheidsorganisaties doelwit van inlichtingenactiviteiten van buitenlandse mogendheden. In de Kwetsbaarheidsanalyse spionage (Kamerstuk 30 821, nr. 11) wordt informatie uit gegevensbestanden van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) als voorbeeld genoemd van databestanden die op de belangstelling van buitenlandse inlichtingendiensten kunnen rekenen.
Deelt u de mening van het plaatsvervangend hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) dat ambtenaren zich onvoldoende realiseren dat ze interessante informatie voor buitenlandse geheime diensten in huis hebben?
Ja, het blijkt dat ambtenaren zich niet altijd bewust zijn van het feit dat zij, omdat zij bijvoorbeeld toegang hebben tot bepaalde vertrouwelijke informatie, mogelijk een interessant doelwit voor buitenlandse inlichtingendiensten zijn.
Op welke wijze wordt bij de inrichting van de basisregistratie personen rekening gehouden met de door de AIVD gesignaleerde kwetsbaarheid van de gemeentelijke basisadministratie Persoonsgegevens (GBA)?
Voor de inrichting van de basisregistratie personen (BRP) is de beveiliging van gegevens een belangrijk uitgangspunt. Het betreft immers persoonsgegevens. De door de AIVD gemaakte analyses vormen voor het programma «mGBA» een belangrijke bron om de inmiddels voorgenomen maatregelen te toetsen op hun effectiviteit en robuustheid.
Zijn lokale bestuurders zich voldoende bewust van de noodzaak van informatiebeveiliging? Op welke wijze bevordert u dat bewustzijn?
Om het bewustzijn en de kennis over informatieveiligheid bij bestuurders en topmanagers in het openbaar bestuur te verbeteren en te borgen, heb ik de taskforce Bestuur en informatieveiligheid dienstverlening ingericht (Kamerstuk 26 643, nr. 269). Deze taskforce staat de ministeries, uitvoeringsorganisaties, gemeenten, provincies en waterschappen bij bij het verbeteren van hun bewustzijn van informatieveiligheid. De wijze waarop dit bereikt wordt, is door het maken van afspraken met de verschillende overheidslagen, in het kader van een verplichtende zelfregulering voor informatieveiligheid.
Welke maatregelen neemt u om zowel ambtenaren als politiek verantwoordelijke bestuurders te waarschuwen voor de risico’s van spionage?
De AIVD publiceert over spionage om de bewustwording te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn de brochures «Spionage in Nederland» en «Digitale Spionage» en de Jaarverslagen van de Dienst. Daarnaast heeft de AIVD bijvoorbeeld bijgedragen aan het Cyber Securitybeeld Nederland 3, dat de minister van Veiligheid en Justitie op 3 juli jl. aan uw Kamer heeft aangeboden. Ook heeft de AIVD, samen met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), de Handleiding Kwetsbaarheidsanalyse Spionage en een bijbehorende e-learning module ontwikkeld. Deze handleiding bevat een stappenplan voor organisaties om zelf een analyse te maken van de kwetsbaarheid voor spionage. Deze Handleiding kan ook door gemeenten gebruikt worden. Tot slot geeft de AIVD voorlichting aan overheden, bedrijfsleven en kennis- en onderwijsinstellingen over de risico's van spionage en de mogelijkheden om de weerbaarheid te vergroten en verzorgt op verzoek awareness-presentaties.
Het bericht dat het Slotervaartziekenhuis in grote financiële problemen verkeert |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat het Slotervaartziekenhuis in grote financiële problemen verkeert?1
Ik begrijp dat belanghebbenden zich zorgen maken over de financiële situatie van het ziekenhuis. Ik heb op het moment geen signalen dat er acute financiële problemen zijn bij het Slotervaartziekenhuis. In het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 worden enkele risico’s onderkend met betrekking tot de continuïteit van het ziekenhuis. Echter, het jaarverslag vermeldt ook een aantal acties welke ondernomen is ter beheersing van die risico’s, op basis waarvan het ziekenhuis concludeert dat de continuïteit van de organisatie is geborgd en dat de activiteiten in de nabije toekomst kunnen worden voortgezet2. Met de specifieke gegevens aangaande de financiële situatie ben ik niet bekend. Het is aan het ziekenhuis en aan de ING Bank zelf om antwoord te geven op deze vragen. Mij gaat het er om dat de continuïteit van cruciale zorg in het betreffende gebied geborgd is. Ik heb op dit moment geen signalen dat er een risico is voor de continuïteit van zorg. Omdat het Slotervaartziekenhuis niet onmisbaar is om cruciale zorg te borgen, is er voor mij geen rol bij een eventueel faillissement.
Is het waar dat de ING Bank het kredietplafond van het Slotervaartziekenhuis van 52 naar 28 miljoen euro heeft verlaagd? Wat betekent dit voor de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt het kredietlimiet van 28 miljoen euro elk kwartaal met 1 miljoen euro te verminderen? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt een debetrente van 3,85 procent boven de gebruikelijke maandrente in rekening te brengen? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt de rekening courant te blokkeren? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot is de kans dat de direct opeisbare lening van 21 miljoen euro wordt opgeëist door de erven Schram? Is het voortbestaan van het Slotervaartziekenhuis in dat geval in direct gevaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 meldt over deze lening het volgende: het bestuur van het Slotervaartziekenhuis heeft ervoor gezorgd dat de lening van € 26 mln. naar € 21 mln. is afgenomen onder een aandelenemissie aan Delta Onroerend Goed (Delta). Met Delta is overeengekomen dat haar vordering in de komende vijf jaar niet zal worden opgeëist. Mij is geen andere informatie bekend. Ik heb op dit moment dus geen reden om aan te nemen dat de lening zou worden opgeëist voor het einde van deze periode.
Hoe is de liquiditeitspositie van het Slotervaartziekenhuis op dit moment? Heeft het Slotervaartziekenhuis nog voldoende liquide middelen om de salarissen te blijven betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik hierboven aangaf heb ik geen signalen ontvangen dat er op dit moment acute financiële problemen zijn bij het Slotervaartziekenhuis. Ik ben niet verantwoordelijk voor de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis, bovendien beschik ik niet over deze informatie.
Kunt u een uitgebreide beschrijving geven van de actuele stand van zaken wat betreft de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het wenselijk dat een ziekenhuis ten onder dreigt te gaan door getouwtrek tussen verschillende eigenaren? Zijn de patiënten van het Slotervaartziekenhuis daar volgens u bij gediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik betreur het dat er onduidelijkheid is over wie de eigenaar van het Slotervaartziekenhuis precies is. Onder de huidige wetgeving is niet openbaar wie de aandeelhouders van een besloten vennootschap (zoals het Slotervaartziekenhuis) zijn, tenzij er slechts één aandeelhouder is. Dit kabinet wil daar verandering in brengen. De minister van Veiligheid en Justitie (V&J) heeft wetgeving in voorbereiding die strekt tot de instelling van een centraal aandeelhoudersregister. Dit register biedt de mogelijkheid eenvoudig vast te stellen wie de aandeelhouders zijn en welke aandelen (in welke rechtspersonen) bepaalde personen hebben.3
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat zij zorg ontvangen die voldoet aan de daarvoor geldende eisen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft dan ook direct nadat er onduidelijkheid ontstond over de situatie bij het Slotervaartziekenhuis, de naleving van de wetgeving en normen op het gebied van governance onderzocht. De weerslag van dit onderzoek vindt u bijgevoegd.4 Ik heb op het moment geen aanwijzingen dat de kwaliteit niet voldoende zou zijn of dat het ziekenhuis, in terminologie van de vragensteller, «ten onder zou gaan».
Mocht het ziekenhuis onverhoopt in surseance raken of failliet gaan dan ziet de IGZ erop toe dat de veiligheid en kwaliteit van de zorg daardoor niet in gevaar komt. De verzekeraars zijn verantwoordelijk voor het garanderen van continuïteit van zorg voor hun verzekerden. De NZa controleert of de zorgverzekeraars hun zorgplicht voldoende naleven.
Deelt u de indruk dat het in de bestuurskamer van het Slotervaartziekenhuis enkel nog over financiële belangen gaat terwijl het daar eigenlijk over het bieden van goede zorg zou moeten gaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben niet bekend met de onderwerpen waar de raad van bestuur over spreekt. De raad van toezicht van het Slotervaartziekenhuis heeft tot taak toezicht te houden op het besturen door de raad van bestuur en de raad van bestuur waar nodig aan te spreken.
De IGZ houdt toezicht of kwalitatief goede zorg wordt geleverd en of wordt voldaan aan de governanceregelgeving. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat hier niet aan wordt voldaan.
Hoeveel geld heeft de voormalig bestuursvoorzitter van het Slotervaartziekenhuis onttrokken aan het Slotervaartziekenhuis?2
Het Slotervaartziekenhuis is zelf verantwoordelijk voor een goed financieel beheer. De raad van bestuur is eindverantwoordelijk voor en belast met het besturen van de zorgorganisatie. Dit houdt onder meer in dat de bestuurders verantwoordelijk zijn voor het beheersen van de risico’s verbonden aan de activiteiten van de zorgorganisatie en voor de financiering van de zorgorganisatie. De raad van toezicht houdt hier toezicht op. Het is dan ook aan het ziekenhuis zelf om antwoord te geven op deze vragen. Overigens meldt het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 voor de voormalig bestuursvoorzitter een reservering voor de verwachte kosten voor het brutoinkomen van € 330.000,-.
Indien het ziekenhuis van mening is dat er onrechtmatige betalingen zijn gedaan aan de voormalig bestuursvoorzitter of aan andere partijen kunnen zij hiervoor een juridische procedure starten.
Kunt u een overzicht geven van de inkomsten van de voormalig bestuursvoorzitter? Is hierbij sprake geweest van fraude? Zo ja, wat gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat er privéuitgaven zijn gedaan met de creditcard van het ziekenhuis? Zo ja, om welke bedragen gaat het? Is dit naar uw oordeel de juiste manier om met geld om te gaan dat bedoeld is voor zorg?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat 68 verkeersboetes die de voormalige bestuursvoorzitter kreeg, betaald zijn door het Slotervaartziekenhuis? Om welke bedragen gaat het? Is dit naar uw oordeel de juiste manier om met geld om te gaan dat bedoeld is voor zorg?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat u begin februari 2013 contact heeft gehad met mevrouw Erbudak? Zo ja, waar heeft u met haar over gesproken?3
Hoewel ik in 2013 geen contact heb gehad met mevrouw Erbudak of andere bestuurders van het Slotervaartziekenhuis, had dit zomaar wel gekund. Het behoort immers tot mijn taak als minister van Volksgezondheid om contacten te onderhouden met diverse partijen in het zorgveld om op de hoogte te blijven van wat er speelt. Ik heb derhalve in 2013 wel contact gehad met vele bestuurders van andere ziekenhuizen.
Heeft u dit jaar vaker contact gehad met mevrouw Erbudak of andere bestuurders van het Slotervaartziekenhuis? Zo ja, wanneer en wat was de inhoud van dat contact?
Zie antwoord vraag 15.
Kunt u een overzicht geven van alle contacten die er dit jaar zijn geweest tussen uw ministerie en het Slotervaartziekenhuis? Wat was de aard en inhoud van die contacten?
Er is begin februari ambtelijk contact geweest tussen het ministerie en mevrouw Erbudak. Mevrouw Erbudak heeft daarbij het ministerie geïnformeerd over de stand van zaken van de contractonderhandelingen met Achmea. Ook na februari is nog enkele malen ambtelijk contact geweest over de stand van zaken. Het ministerie is in dezelfde periode ook door Achmea geïnformeerd over de stand van zaken.
Hoe groot is het risico dat het Slotervaartziekenhuis na het Ruwaard van Putten ziekenhuis het volgende ziekenhuis is dat failliet gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Slotervaartziekenhuis is zelf verantwoordelijk voor de eigen bedrijfsvoering en stelt in het jaarverslag over 2012 dat het de risico’s in voldoende mate beheerst. Het is dan ook niet aan mij om dat risico anders in te schatten. Ik kan mij voorstellen dat de verzekeraar de financiële positie van het ziekenhuis goed in de gaten houdt in het kader van haar zorgplicht. Ik ben verantwoordelijk voor het waarborgen van de continuïteit van cruciale zorg, wanneer een verzekeraar niet aan zijn zorgplicht kan voldoen. Omdat het Slotervaartziekenhuis niet onmisbaar is om cruciale zorg te borgen, is er voor mij geen rol bij een eventueel faillissement.
Hoe aantrekkelijk is het voor investeerders om te investeren in ziekenhuizen, nu zorgverzekeraars ziekenhuizen steeds meer de duimschroeven aandraaien? Verwacht u dat deze houding van zorgverzekeraars tot meer faillissementen van ziekenhuizen zal leiden? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Ik verwacht dat zorgaanbieders investeringskeuzes vooraf goed doordenken. Daar hoort bij dat zij voorafgaand aan een investering een goede business case opstellen, dit in nauw overleg met de zorgverzekeraars. Een goede business case zal ook door investeerders worden verlangd alvorens zij overgaan tot investeren. Op deze manier kunnen financiële risico’s worden ondervangen en kansen op faillissement worden verkleind.
De zorgverzekeraar zal in de onderhandelingen met de zorgaanbieder een goede balans moeten vinden tussen kwaliteitsverbetering en efficiëntie aan de ene kant en continuïteit van zorg voor zijn verzekerden aan de andere kant. Wanneer een zorgaanbieder kwalitatief slechte zorg levert of te duur is, kan een zorgverzekeraar besluiten om bij die zorgaanbieder geen zorg in te kopen. Desalniettemin is een faillissement niet in het belang van een zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars hebben immers de zorg die door ziekenhuizen wordt geleverd nodig om aan hun zorgplicht te voldoen. Daarnaast raken verzekeraars ook eventueel gegeven bevoorschottingen kwijt bij een faillissement en moeten zij op korte termijn met andere aanbieders afspraken maken om aan hun wettelijke zorgplicht te voldoen. Zowel zorgverzekeraars als investeerders als zorgaanbieders hebben dus een belang dat een zorgaanbieder niet in financiële problemen geraakt.
Heeft u lering getrokken uit het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis? Bent u van plan nu vroegtijdig in te grijpen om een faillissement te voorkomen? Zo ja, wat bent u van plan te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Hoewel ik het faillissement van het Ruwaard van Puttenziekenhuis betreur voor het personeel, zie ik geen aanleiding om mijn beleid te wijzigen. De continuïteit van zorg is voor mij het uitgangspunt, niet de continuïteit van de zorgaanbieder. Het voorkomen van faillissementen van zorgaanbieders door het leveren van steun houdt geen pas met de verantwoordelijkheden van zorginstellingen zelf en zou juist leiden tot verdere stijging van de kosten. Door te allen tijde garant te staan voor het voortbestaan van een aanbieder, zijn meer financiële middelen nodig die door burgers moeten worden opgebracht. Steun aan zorgaanbieders stimuleert hen (en andere stakeholders zoals zorgverzekeraars en financiers) immers niet om hun keuzes goed te overwegen. Mijn verantwoordelijkheid is beperkt tot het waarborgen van continuïteit van cruciale zorg, wanneer een zorgverzekeraar niet aan zijn zorgplicht kan voldoen. Het Slotervaartziekenhuis is niet onmisbaar om de continuïteit van cruciale zorg te waarborgen, aangezien er in de regio Amsterdam verschillende andere algemene en academische ziekenhuizen voorhanden zijn.
Gaat u het Slotervaartziekenhuis gebruiken als voorbeeld om uw voorstel om winstuitkeringen door ziekenhuizen mogelijk te maken te promoten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat het wetsvoorstel om winstuitkeringen mogelijk te maken van invloed zal zijn op de kans dat de recente gebeurtenissen bij het Slotervaartziekenhuis bij meer aanbieders van medisch-specialistische zorg zullen plaatsvinden. Dit gezien het feit dat de gebeurtenissen bij het Slotervaart geen betrekking hadden op het uitkeren van winst, maar op de contractering van zorg en een daarmee gepaard gaan verschil van mening over het te voeren beleid tussen de eigenaren. Het wetsvoorstel om winstuitkeringen door ziekenhuizen mogelijk te maken ligt momenteel in de Tweede Kamer en heeft dus nog geen kracht van wet. Het wetsvoorstel stelt bovendien juist strenge voorwaarden aan aanbieders van medisch-specialistische zorg die winst willen uitkeren (en dus ook aan investeerders). Met deze voorwaarden ten aanzien van de kwaliteit en de financiële positie van aanbieders van medisch-specialistische zorg ga ik mogelijke risico’s juist tegen die het aantrekken van privaat kapitaal in de medisch-specialistische zorg met zich mee zou kunnen brengen. Ik zie het wetsvoorstel derhalve als een substantiële verbetering van de huidige praktijk.
Herkeuring van jonggehandicapten |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het getuigen van een betrouwbare staatssecretaris wanneer u in januari van dit jaar met trots verkondigt dat jonggehandicapten niet massaal aan een herkeuring zullen worden onderworpen om nog geen vijf maanden later het tegenovergestelde te doen?1 2
De beoordeling op arbeidsvermogen van het zittend bestand van de Wajong en de overdracht van mensen met arbeidsvermogen naar gemeenten is opgenomen in het sociaal akkoord3. Samen met sociale partners is het kabinet tot een pakket gekomen waar ik achter sta. De meerwaarde van het sociaal akkoord is dat de sociale partners zich nu ook hebben verbonden aan de doelstelling om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Werkgevers stellen zich (oplopend tot 2026) garant voor 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen en voor mensen met een arbeidsbeperking die minimaal het wettelijk minimumloon kunnen verdienen door gebruik te maken van een voorziening gericht op persoonlijke ondersteuning op de werkplek. Daarnaast stelt de overheid zich garant voor 25.000 extra banen voor deze groep. De afspraken uit het sociaal akkoord verbreden het draagvlak voor de Participatiewet en daarmee het draagvlak om meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. Dat doel heeft altijd voorop gestaan.
Is al bekend hoe de herkeuringen eruit zullen zien? Zo ja, hoe en wat? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u nu al spreekt over aantallen wajongers die na herkeuring in de bijstand zullen belanden of het recht op uitkering volledig verliezen vanwege partnertoets en/of gezinsbijstand?3 4 5
Zoals ik in mijn brief van 27 juni7 heb gemeld, zullen de Wajongers, conform het sociaal akkoord, worden beoordeeld op arbeidsvermogen. Hoe beoordeling van het zittend bestand van de Wajong precies zal worden vormgegeven wordt nog nader uitgewerkt. De aantallen die ik in de media heb genoemd, komen voort uit ramingen die zijn gemaakt op basis van gegevens van het UWV. Ook het moment waarop mensen overgaan naar gemeenten wordt nader uitgewerkt in overleg met VNG, UWV en sociale partners. Het is voor de mensen die het betreft van belang dat deze overgang zorgvuldig zal plaatsvinden.
Hoe kan het dat u vorige week sprak over 190.000 wajongers die in de bijstand zullen belanden na herkeuring en in de Nieuwsuur uitzending van 6 juli 2013 spreekt over 130.000 wajongers? Goochelt u met wajongers of hoe zit het anders?6 7 8
Volgens de ramingen zijn er aan het eind van 2014 ongeveer 240.000 Wajongers. De inschatting is dat 100.000 hiervan geen arbeidsvermogen hebben. Zij behouden hun Wajong-uitkering.
Waarom spreekt u wel in de media over aantallen wajongers die na herkeuring in de bijstand zullen belanden maar heeft u verzuimd dit in de brief aan de Tweede Kamer te melden?9
Conform mijn eerdere toezegging aan de Tweede Kamer heb ik u in mijn brief van 27 juni op hoofdlijnen geïnformeerd over de vormgeving van de Participatiewet na het sociaal akkoord.
Gelet op het feit dat in de media verschillende aantallen circuleerden en om onnodige onrust voor de mensen die het betreft te voorkomen, heb ik besloten om inzicht te geven in de ramingen van het UWV.
De bereikbaarheid van de jachthaven van Schiermonnikoog |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de afnemende bereikbaarheid van de jachthaven van Schiermonnikoog omdat de jachthaven dit jaar niet wordt uitgebaggerd?
Ja. Ik heb vernomen dat de gemeente Schiermonnikoog in 2012 heeft besloten om in 2013 de jachthaven niet uit te baggeren.
Klopt het dat het vanwege nieuwe Natura 2000-regelgeving niet langer mogelijk is om het slib dat loskomt bij het uitbaggeren van de vaargeul in deze jachthaven, direct naast deze jachthaven te storten en te gebruiken voor kweldervorming?
Enkele jaren na aanleg van de jachthaven begin jaren negentig is de gemeente wegens onvoldoende capaciteit van het baggerdepot begonnen om zonder vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet de onderhoudsbagger te storten op het wad ten oosten van de jachthaven. Dit was ook toen al een activiteit die had moeten worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet. In de loop van jaren heeft dit geleid tot een voortschrijdende aantasting en verruiging van het ter plaatse aanwezige beschermde habitattype (waarvoor een behoudsdoelstelling geldt).
In 2007 is door het toenmalige ministerie van LNV aan de gemeente verzocht om wegens deze voortschrijdende aantasting een betere oplossing te vinden voor het verspreiden van de onderhoudsbagger uit de jachthaven.
De gemeente heeft desondanks in 2009 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet aangevraagd voor het verspreiden van baggerspecie wederom ten oosten van de jachthaven onder de vermelding dat naar verwachting hierdoor langs de waddendijk een kwelder zou ontstaan. Hierbij was nog geen nader onderzoek gedaan op grond waarvan natuurlijke kwelderontwikkeling verwacht mocht worden. Na overleg met de gemeente over het ontbreken van de voor de beoordeling benodigde informatie is de gemeente in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie alsnog in te dienen. Omdat de gemeente hiervan geen gebruik heeft gemaakt is de aangevraagde vergunning in 2010 geweigerd.
Bent u er bekend mee dat de betrokken natuurpartijen vinden dat het slib uit deze jachthaven wel voor kweldervorming kan worden gebruikt, omdat deze jachthaven schoon slib heeft en heel kleinschalig en bijzonder is? Wat vindt u van de mening van deze natuurpartijen?
Ja, ik ben hiermee bekend. Ook in het kader van het programma «Naar een Rijke Waddenzee» wordt deze mogelijkheid verkend. De milieuhygiënische kwaliteit van het beschikbare baggerslib is echter slechts één van de aspecten die relevant zijn voor de beoordeling of kweldervorming realiseerbaar is. Naar overige relevante aspecten heeft nog onvoldoende nader onderzoek plaatsgevonden.
Zijn er maatregelen te treffen om de afvoer van slib naar de daarvoor gebruikelijke plek in de nabijheid van de haven alsnog mogelijk te maken?
Tot vorig jaar heeft de gemeente gebruik kunnen maken van het bestaande baggerdepot. Dat depot zit bijna vol. De gemeente heeft een verkennend gesprek gevoerd met Rijkswaterstaat over de mogelijkheid om de onderhoudsbagger via het toekomstig onderhoudscontract van Rijkswaterstaat te laten afvoeren naar een verspreidingslocatie voor baggerspecie in de Waddenzee. In het najaar ontstaat hierover meer duidelijkheid.
De toekomst van de collectie van het Geldmuseum in Utrecht |
|
Mona Keijzer (CDA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om met elkaar een eenduidige visie te formuleren met betrekking tot de toekomst van de collectie van het Geldmuseum in Utrecht en die aan de Kamer te zenden?
Ja. De eigenaren van de verschillende deelcollecties van het Geldmuseum, te weten de Nederlandsche Bank, het ministerie van Financiën en het ministerie van OCW, zijn daarover reeds in gesprek. De Kamer wordt hierover te zijner tijd nader geïnformeerd.
Kunt u in ieder geval aangeven waarom het ministerie van Financiën de relatie met het Geldmuseum in mei 2013 onverwacht heeft opgezegd en op welke manier het sluiten van de deuren van het Geldmuseum een noodzakelijke besparing oplevert?
Nadat in 2012 bekend werd dat het ministerie van OCW zijn subsidie aan het Geldmuseum per 2013 zou verminderen, heeft het ministerie van Financiën met een aanvullende bijdrage het mede mogelijk gemaakt om het museum in 2013 open te houden. Hierdoor werd tijd gewonnen om op een gepaste wijze met het Geldmuseum de toekomstmogelijkheden te onderzoeken. Uit het onderzoek heeft het ministerie van Financiën geconcludeerd dat de continuïteit van het Geldmuseum niet meer is gegarandeerd, waarna besloten is de subsidierelatie te beëindigen. Het Geldmuseum zag zich daardoor genoodzaakt te sluiten per 1 november 2013. Reeds vanaf de aanvang van het onderzoek was voor alle partijen duidelijk dat dit een mogelijke uitkomst zou kunnen zijn. Over de hoogte van de op termijn te realiseren besparingen kunnen echter nog geen uitspraken gedaan worden, omdat toekomstige opslag en beheer van de collectie, alsmede de kosten hiervan, nog nader worden onderzocht. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.
Wat zijn de kosten van het beheer van de collectie van het Geldmuseum als geheel en waaruit worden die in de toekomst gedekt?
Uit het jaarverslag over 2012 van het Geldmuseum blijkt dat de beheer- en behoudsactiviteit van de collectie als geheel ongeveer 630.000 euro kost. Waaruit de kosten van het toekomstige beheer worden gedekt is afhankelijk van wat er met de collectie gaat gebeuren. Dat is nu nog niet bekend, maar zal te zijner tijd met de Tweede Kamer worden gedeeld.
Waarom is er niet voor gekozen om het plan van de door het ministerie van Financiën in het leven geroepen werkgroep over de toekomst van het Geldmuseum uit te voeren?
De door het ministerie van Financiën in het leven geroepen werkgroep heeft eind 2012 en begin 2013 verschillende toekomstopties voor het Geldmuseum onderzocht. Zelfs in het uiteindelijke advies van de werkgroep zou het museum genoodzaakt zijn de deuren te sluiten. Het voorstel van de werkgroep was om te kijken naar de mogelijkheid om een nieuw, bij DNB onder te brengen, financieel educatief centrum op te zetten, met inzet van expertise en middelen van het Geldmuseum, alsmede van andere relevante partijen. Van deze optie is afgezien omdat het gepaard zou gaan met hoge investeringskosten (additionele verbouwingskosten bij DNB werden geschat op € 4 miljoen), waardoor de financiers van het Geldmuseum wederom geconfronteerd werden met een financieringsvraagstuk. Alternatief was om op zoek te gaan naar mogelijke andere medefinanciers, maar aan de haalbaarheid van een sluitende begroting werd sterk getwijfeld.
Wat gaat er gebeuren met de collectie van het Geldmuseum? Wordt die verdeeld over de drie eigenaren of bij elkaar in een depot bewaard? Bent u verantwoordelijk voor de collectie als geheel of voor een bepaald deel? Hoe gaat u de collectie beschermen?
Iedere eigenaar is verantwoordelijk voor zijn deel van de collectie. De minister van OCW heeft collectiebeleid geformuleerd, onder andere over bescherming van collectie. Zie daarvoor de Museumbrief «Samen werken, Samen Sterker» van 10 juni 2013.1 Voor de overige deelantwoorden op vraag 5 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Wat gaat er gebeuren met het gebouw en de functie van de Rijksmunt?
De Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) is eigenaar van het gebouw aan de Leidseweg 90 in Utrecht. Het Geldmuseum huurt een gedeelte van het gebouw van KNM. Het ministerie van Financiën heeft als aandeelhouder aan KNM gevraagd om verschillende alternatieven voor de huisvesting van de onderneming te onderzoeken. Vooralsnog betekent sluiting van het Geldmuseum dat KNM op zoek gaat naar een nieuwe huurder. De sluiting van het Geldmuseum heeft geen invloed op de functie van KNM.
FRAGO 242 |
|
Jasper van Dijk (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen dat de achtereenvolgende Nederlandse detachementscommandanten die opereerden onder het commando van het Britse hoofdkwartier MND-SE niet bekend waren met FRAGO 242?1
Ja.
Kunt u aangeven of FRAGO 242, anders dan bij de detachementscommandanten, wel bekend was bij het Nederlandse contingentscommando bij het Britse regionale hoofdkwartier MND-SE, waaronder Stabilisation Force Iraq (SFIR) viel?
Voor de beantwoording van de eerdere vragen zijn de archieven van de detachementscommandanten, de contigentscommandando’s en de directie operaties van het ministerie van Defensie onderzocht en is met personeel gesproken dat destijds betrokken was bij de uitvoering van de missie. FRAGO 242 of verwijzingen hiernaar zijn hierbij niet aangetroffen.
Het rentebesluit van de ECB |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente nog lange tijd laag zal houden?1
Ja.
Welke invloed heeft dit besluit van de ECB op de hoogte van hypotheekrenteaftrek in Nederland? Kunt u dit toelichten?
Een lage rente van de ECB kan zich doorvertalen in een lagere rente die een aanbieder van hypotheken betaalt voor het financieren van diverse portefeuilles. Indien met deze rente de hypotheekportefeuille wordt gefinancierd, kan dit zich doorvertalen in een lagere hypotheekrente en daarmee een lagere hypotheekrenteaftrek. Aanbieders gebruiken echter ook andere, langer lopende, financiering en deposito’s om de hypotheekportefeuille mee te financieren. Het is aan aanbieders zelf om te bepalen of en zo ja in welke mate zij het eventuele voordeel van lage financieringskosten doorberekenen middels een lagere hypotheekrente. Daarnaast zijn andere variabelen van invloed op de hoogte van de hypotheekrente. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) benoemt in haar studie «Concurrentie op de hypotheekmarkt» van 18 april 2013 de financieringsopslag, hypotheekspecifieke risico-opslagen en een opslag voor operationele kosten.2 Verder kunnen de totale omvang van de hypotheekportefeuille op de balans, strategische doelstellingen en concurrentie afwegingen van invloed zijn op het prijsbeleid van aanbieders. Een gezonde en goed werkende hypotheekmarkt vergroot de kans dat middels concurrentie druk op de prijzen ontstaat. Dit onderwerp heeft dan ook mijn continue aandacht en die van mijn collega’s van Economische Zaken en voor Wonen en Rijksdienst.
De ACM heeft aangegeven dat capaciteitsrestricties en een gebrek aan toetreding de belangrijkste redenen zijn waarom de marges op Nederlandse hypotheken de afgelopen jaren zijn gestegen. Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om deze belemmeringen weg te nemen. Naast het gegeven dat de afgelopen jaren duidelijk is geworden dat banken met lage kapitaalratio’s kwetsbaar zijn en dat banken hun kapitaalpositie dienen te versterken, is de hoge Nederlandse hypotheekschuld een belangrijke oorzaak van de capaciteitsrestricties die aanbieders ervaren. Met de recente maatregelen op de hypotheekmarkt wordt de groei van de hypotheekschuld afgeremd en worden de risico’s voor de consument en de aanbieder verkleind.3 Dat kan de financierbaarheid van de Nederlandse hypotheekportefeuilles vereenvoudigen wat kan resulteren in een drukkend effect op de hoogte van de rente. Bovendien maken deze maatregelen het eenvoudiger voor buitenlandse toetreders om de Nederlandse markt te betreden wat de concurrentie op de hypotheekmarkt kan vergroten.
Daarnaast zijn met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit Financiële Markten 2013, verschillende maatregelen van kracht geworden die de werking van de hypotheekmarkt verbeteren en de positie van de consument versterken.4
Bovendien is de ACM een studie gestart naar mogelijkheden voor verbetering van de marktwerking in de bancaire sector, waaronder de hypotheekmarkt. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de toetredingsmogelijkheden op de markt. Op korte termijn zal ik de Tweede Kamer tevens de visie op de Nederlandse bancaire sector toesturen waarbij ook zal worden stilgestaan bij de concurrentie in de bancaire sector.
Bent u bereid om met de banken in overleg te treden om te bespreken hoe zij, mede gelet op dit ECB-besluit, de hypotheekrente naar beneden kunnen en gaan brengen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
De “guidelines on the promotion and protection of freedom of religion or beliefs” |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u kennisgenomen van de «guidelines on the promotion and protection of freedom of religion or beliefs», aangenomen op de Raad Buitenlandse Zaken van 24 juni jl, waarin precies beschreven wordt wat de EU verstaat onder vrijheid van godsdienst en hoe zij die toepast in haar beleid naar andere landen met zeer precieze richtlijnen onder andere op het gebied van gewetensbezwaren en een zeer beperkte uitleg van de wijze waarop mensen hun godsdienst in groepsverband mogen belijden als recht?
Deze richtsnoeren zijn besproken in de Raadswerkgroep Mensenrechten (COHOM).
Wat is de reden dat noch de geannoteerde agenda van 14 juni, noch het verslag van 27 juni ook maar één woord aandacht schonk aan het voorgenomen en het genomen besluit?
De richtsnoeren zijn tijdens de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 24 juni jl. niet inhoudelijk besproken. Zij vormen een uitwerking van de mensenrechtenstrategie die werd aangenomen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 juni 2012. De positie van Nederland is voorafgaand aan deze Raadsbijeenkomst met uw Kamer afgestemd. Zoals tijdens het AO godsdienstvrijheid van 15 mei jl. aan uw Kamer toegezegd, wordt uw Kamer per brief over de aanname van deze richtsnoeren geïnformeerd. Dit geldt ook voor de richtsnoeren over de rechten van LHBT-personen. In het overleg van 15 mei jl. heb ik u geïnformeerd dat de richtsnoeren over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarschijnlijk bij de RBZ in juni zouden worden aangenomen.
Herinnert u zich dat de fracties van CU, SGP en CDA u een initiatiefnota godsdienstvrijheid aangeboden hebben in het debat over godsdienstvrijheid op 15 mei jl. en dat u daarin zei: «Als de mensenrechtenbrief in de Kamer besproken is, ga ik proberen daar ook in Europees verband meer steun voor te krijgen. Dan zal ik ook navraag doen naar de strategie. In dat kader zal ik een en ander aan de Kamer terugkoppelen.»?
Ja. Ik heb toegezegd te zullen proberen in Europees verband steun te krijgen voor de mensenrechtenbrief – nadat die in de Kamer is besproken – en daarbij ook navraag te doen naar de stand van de uitvoering van de EU-strategie mensenrechten. De aanname van deze richtsnoeren, maar vooral de uitwerking ervan, is deel van de uitvoering van die EU-strategie.
Heeft u, nu deze richtlijnen besproken werden voordat de mensenrechtennota in de Kamer besproken is, het idee om ook in Europees verband een ranglijst van vervolgde religieuze minderheden en godsdienstvrijheid besproken? Zo ja, hoe was de reactie en zo nee, wanneer zult u dat wel doen?
Nee. Zoals toegezegd aan de Kamer zal ik de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, als onderdeel van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, in EU-verband bespreken nadat de mensenrechtennota in de Kamer is besproken.
Deelt u de mening dat het zeer gepast geweest zou zijn als u van tevoren gemeld zou hebben dat deze richtlijnen, die gelden voor het buitenlands beleid van de Unie en opgesteld waren in het Europees Parlement en daar goedgekeurd, ter besluitvorming voorlagen in de Europese Raad en dat u dan het Nederlandse parlement in staat gesteld zou hebben zich hier een mening over te vormen?
Tijdens het AO godsdienstvrijheid is de Kamer geïnformeerd dat de RBZ de richtsnoeren waarschijnlijk in juni zou aannemen. Het document is niet opgesteld in het Europees Parlement, maar door de Raadswerkgroep Mensenrechten, en vastgesteld door de Raad. Het Europees Parlement heeft wel aanbevelingen gedaan aan de Raad. De richtsnoeren vormen een publiek document waarover de Kamer zich uiteraard een mening kan vormen.
Op welke wijze gaat u het Nederlandse parlement in staat stellen zich een oordeel te vormen over deze richtlijnen en die mee te laten wegen in de besluitvorming?
Zie antwoord vraag 5.
Staat het Nederlandse parlement nu voor een voldongen feit bij het besluit over aanname van deze richtlijnen over godsdienstvrijheid?
De richtsnoeren vormen deel van de uitvoering van de met uw Kamer besproken Mensenrechtenstrategie van de EU. Zij helpen EU-delegaties en ambassades van lidstaten – waaronder Nederlandse vertegenwoordigingen – het EU-mensenrechtenbeleid uit te voeren. Op basis van hun terugkoppeling zal te zijner tijd evaluatie van de richtsnoeren plaatsvinden. Uiteraard zijn ook de meningen van onder andere het Europees Parlement, nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld over de uitvoering van dit beleid van belang.
De inkrimping dienstregeling veerdienst Vlieland en Terschelling |
|
Aukje de Vries (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brandbrief Terschelling naar minister over veerbootkwestie»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel in de Harlinger Courant.
Wat is uw reactie op de brandbrief van de gemeenteraad van Terschelling, die volgens het artikel ook naar het ministerie van Infrastructuur en Milieu gestuurd is?
Ik neem de situatie heel serieus. Inmiddels heb ik een gesprek gevoerd met de waarnemend burgemeesters en verantwoordelijke wethouders van Terschelling en Vlieland. We hebben daarbij gevoelens uitgewisseld en in gezamenlijkheid gekeken naar lijnen die op korte termijn kunnen worden uitgezet en mogelijke oplossingen. Later deze zomer zullen we daarop terugkomen.
In hoeverre vindt u het acceptabel dat in de komende winter honderden afvaarten van de veerboot en sneldienst worden geschrapt, met ingrijpende gevolgen voor de eilanders, toeristen en het bedrijfsleven op de eilanden (op bijvoorbeeld Vlieland mogelijk nog maar twee gewone afvaarten per dag)? Hoe past dit bij de lijn die u uiteengezet heeft in antwoorden op eerdere vragen over de dienstregeling?2 In hoeverre mogen de opbrengsten en verliezen van de eilanden onderling met elkaar verrekend worden op deze wijze?
Zie het ook antwoord op vraag 2. Ik heb met de bestuurders van Terschelling en Vlieland afgesproken op korte termijn samen een aantal mogelijkheden nader te onderzoeken. Later deze zomer zullen wij hierop terugkomen.
Wat is de uitkomst van de externe toetsing van de cijfers van Doeksen die op basis van het ODC (Openbare Dienst Contract) nodig zijn om de dienstregeling eventueel aan te kunnen passen? Tot welke conclusie leidt dit bij het ministerie voor Infrastructuur en Milieu en/of Rijkswaterstaat (die onderdeel uitmaakt van de zogenaamde Commissie Bootdiensten)?
Er is inmiddels een externe toetsing uitgevoerd. De rapportage is nog niet afgerond. De conclusies zal ik betrekken bij de uitwerking van mogelijkheden.
Vindt u het belangrijk dat er transparantie is als het gaat om de exploitatie van Doeksen? Is daadwerkelijk inzichtelijk hoe de winst en verliesstromen lopen ten aanzien van het vervoer naar de eilanden binnen alle BV’s die er zijn? In hoeverre is er in de cijfers rekening gehouden met andere inkomsten op de veerboten (bijvoorbeeld horeca) op de boten naar Terschelling en Vlieland? In hoeverre is er bij de beoordeling van de cijfers ook rekening gehouden met de verrekening tussen de verschillende BV’s van «Doeksen» (bijvoorbeeld het bedrag voor de huur of lease van de boten)? Indien met deze zaken geen rekening is gehouden, waarom is de vraagstelling aan het externe bureau hierin te kort geschoten en bent u bereid om dit nader te onderzoeken en de inzichten (op hoofdlijnen) met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Inderdaad vind ik transparantie belangrijk. Aan TSM is gevraagd bepaalde documentatie te verstrekken en vragen zo goed mogelijk gedocumenteerd te beantwoorden. TSM heeft de contractpartners en PWC in het kader van het onderzoek dat is uitgevoerd, naar mijn mening voldoende transparant geïnformeerd over de financiële situatie, de winst en verliesstromen, de meerjarencijfers over de afgelopen jaren en de prognoses.
Daarbij is ook inzicht geboden in de relevante onderlinge verrekeningen met groepsmaatschappijen binnen Koninklijke Doeksen.
Welke rol ziet u voor uzelf om dit langslepende conflict op te lossen? Welke acties kunt en wilt u nog nemen, bijvoorbeeld richting de betrokken partijen?
Nu het in de Commissie Bootdiensten niet is gelukt om tot een akkoord te komen over aanpassing van de dienstregelingen, zie ik het als mijn taak om met de gemeenten samen te bezien welke mogelijkheden er zijn om de periode tot het onherroepelijk worden van de concessie te overbruggen.
Welke actie heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) ondernomen naar aanleiding van uw verzoek om aan te dringen op versnelde behandeling van de zaak bij het Europese Hof van Justitie? Wat is het antwoord van het Europese Hof geweest?
Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) heeft mij laten weten in de door mij naar voren gebrachte argumenten geen aanleiding te zien het Hof van Justitie van de Europese Unie te benaderen met een verzoek tot versnelde behandeling van de zaak. In de brief daarover is geen toelichting op deze beslissing gegeven. Dat betekent dat de normale termijnen van de prejudiciële procedure gelden. Inmiddels is de zaak door het Hof van Justitie wel in behandeling genomen.
Kunt u de Tweede Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten van het overleg in de Commissie Bootdiensten van 5 juli a.s.?
In de commissie bootdiensten van 5 juli 2013 hebben zowel Terschelling als Vlieland aangegeven niet in te kunnen stemmen met de door TSM voorgestelde maatregelen. Beide gemeenten vinden de maatregelen disproportioneel, omdat ze te ingrijpend zijn voor de bereikbaarheid van de eilanden en tarieven.
Dat is aanleiding geweest voor een gesprek met bestuurders van beide gemeenten. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.