Het signaal dat steeds meer Zorgkantoren een pgb-ontmoedigingsbeleid voeren |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat steeds meer Zorgkantoren een persoonsgebonden budget (pgb) weigeren, indien de verzekerde zich onvoldoende heeft georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod? Bent u bekend met het signaal dat Zorgkantoren daarnaast gesprekken voeren met zorgbehoevenden en zijn of haar familieleden, met als doel het beroep op een pgb te ontmoedigen?
Ik ben ervan op de hoogte dat zorgkantoren cliënten een pgb weigeren als zij zich niet voldoende hebben georiënteerd op het gecontracteerde zorgaanbod. Dit is een afspraak uit het Begrotingsakkoord 20131 en uitgewerkt in de pgb-regeling. Daarmee voeren zorgkantoren het afgesproken beleid uit. Een cliënt die voor een pgb kiest moet in het budgetplan aangeven bij welke zorgaanbieder(s) hij/zij zich heeft georiënteerd en waarom hij/zij vindt dat de gecontracteerde zorg niet passend is. Als uit het budgetplan blijkt dat de cliënt zich niet of onvoldoende heeft georiënteerd dan zal het zorgkantoor op dat moment een pgb weigeren.
Ik ben er ook van op de hoogte dat zorgkantoren vanaf 1 april jl. met alle cliënten die voor een pgb willen kiezen een zogeheten bewustekeuzegesprek voeren. Deze gesprekken hebben niet als doel het beroep op het pgb te ontmoedigen, maar de motivatie voor de pgb-keuze bij de cliënt(vertegenwoordiger) vast te stellen. Zo wordt bijvoorbeeld ook duidelijk of de cliënt(vertegenwoordiger) voldoende kennis heeft van wat het pgb inhoudt en niet door derden (bijvoorbeeld bemiddelingsbureaus of zorgaanbieders) wordt aangezet om voor een pgb te kiezen. Mocht uit dit gesprek blijken dat de cliënt meer gebaat is bij zorg in natura dan is het bedoeling dat het zorgkantoor de cliënt wijst op en, indien de cliënt daarmee akkoord is, begeleidt naar het beschikbare aanbod voor zorg in natura. Met deze gesprekken wordt eveneens uitvoering gegeven aan het Begrotingsakkoord 2013.
Bent u van mening dat het pgb als gevolg van de door Zorgkantoren gevoerde werkwijze niet langer als een volwaardig alternatief voor zorg-in-natura kan worden beschouwd, maar door de gesuggereerde volgordelijkheid veeleer verwordt tot een «tweede keus»?
Met deze aanpak – die volgt uit het Begrotingsakkoord – blijft het pgb een volwaardig alternatief.
Hoe beoordeelt u het door Zorgkantoren gevoerde ontmoedigingsbeleid, mede in het licht van het feit dat een pgb in veel gevallen goedkoper is dan zorg-in-natura?
Ik kwalificeer deze aanpak niet als een ontmoedigingsbeleid, maar een beleid om te komen tot een bewust gebruik van het pgb. Dit voorkomt dat er problemen ontstaan als de cliënt eenmaal een pgb heeft.
Bent u bereid te onderzoeken of het door de Zorgkantoren gevoerde beleid in de praktijk leidt tot een beperking van de toegankelijkheid van kleinschalige woonvoorzieningen als de Thomashuizen en de Herbergier? Zo nee, waarom niet?
Aangezien ik geen signalen heb ontvangen dat als gevolg van het beleid van zorgkantoren cliënten die bewust kiezen voor een plaats in deze pgb-gefinancierde voorzieningen het pgb is geweigerd, acht ik nader onderzoek niet nodig.
Bent u daarnaast bereid met de Zorgkantoren in gesprek te gaan over het door hen gevoerde ontmoedigingsbeleid, teneinde te bewerkstelligen dat het pgb een volwaardig alternatief voor zorg-in-natura blijft, en ook als zodanig wordt gepresenteerd en behandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik ben regulier met zorgkantoren in overleg over het verloop van de huisbezoeken en de bewustekeuzegesprekken.
Ik zal daarbij bevestigen dat het de bedoeling blijft dat het pgb een volwaardig alternatief blijft.
Het bericht dat Irak nog altijd niet meewerkt aan het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de Iraakse autoriteiten duidelijk gemaakt dat hun tegenwerking bij het terugnemen van uit te zetten Irakezen meer dan schandalig is, gelet op het feit dat Nederland Irak in het verleden op grote schaal heeft gesteund bij de wederopbouw, waarbij Nederlandse militairen zijn gesneuveld en waarbij bijvoorbeeld voor honderden miljoenen euro’s aan schuldenverlichting is verleend? Zo neen, waarom niet?1
Tijdens mijn korte bezoek aan Irak heb ik de autoriteiten gewezen op hun internationale verplichtingen om Irakezen terug te nemen die niet (langer) in Nederland mogen blijven. Daarbij heb ik aangegeven dat Nederland grote inspanningen heeft geleverd bij de wederopbouw van Irak en jarenlang vele Irakezen heeft opgevangen en in onze samenleving heeft opgenomen. Inmiddels verblijven circa 50.000 Irakezen legaal in Nederland. Tevens heb ik duidelijk gemaakt dat het voor de geloofwaardigheid van het Nederlandse migratiebeleid van belang is dat Irakezen die geen verblijfsvergunning ontvangen daadwerkelijk terugkeren naar Irak. Voor de Nederlandse regering is vrijwillige terugkeer daarbij het uitgangspunt, waarvoor Nederland ondersteuning aanbiedt.
Mijn Iraakse gesprekspartners toonden veel respect voor de inspanningen die Nederland ten behoeve van Irak heeft gedaan. Zij voegden daaraan toe dat Irak echter nog altijd in wederopbouw is en tevens kampt met ruim 1,5 miljoen ontheemden binnen Irak en de directe buurlanden. De terugkeer en herhuisvesting van deze Irakezen wordt door Irak vooralsnog belangrijker geacht dan het voldoen aan het verzoek van een derde land tot terugname van Iraakse burgers in het kader van een niet-vrijwillig vertrek uit dit derde land. Irak werkt wel mee aan vrijwillige terugkeer en is ook bereid dat te ondersteunen.
Dit Iraakse standpunt deel ik niet. Ik heb dit mijn Iraakse gesprekspartners ook duidelijk laten weten. Afgesproken is samen met Irak een werkgroep in te stellen om concrete oplossingen voor de terugkeerproblematiek uit te werken. Omdat naast Nederland, ook andere landen met dezelfde problematiek kampen, heb ik voorgesteld deze landen daarbij te betrekken.
Is het door uw ambtsvoorganger toegezegde bedrag van 5,5 miljoen euro dat aan Irak beschikbaar zou worden gesteld om de terugkeer en opvang van uitgeprocedeerde Iraakse asielzoekers te faciliteren al uitbetaald aan de Iraakse autoriteiten? Zo ja, bent u bereid dit bedrag onmiddellijk terug te vorderen? Zo neen, bent u bereid er voor te zorgen dat er geen cent van dit bedrag aan Irak wordt uitgekeerd zolang men blijft weigeren mee te werken aan terugkeer van de eigen onderdanen?
Mijn ambtsvoorganger heeft destijds aangegeven dat de Nederlandse regering bereid is Irak te ondersteunen bij de opvang en reïntegratie van Irakezen die Nederland moeten verlaten en te helpen met het vinden van een oplossing voor het probleem van de vele binnenlandse ontheemden. Hiervoor was een substantieel bedrag van 5,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. Duidelijk is dat er sprake moet zijn van uit Nederland naar Irak teruggekeerde Irakezen om het bedrag te kunnen bestemmen. Vooralsnog lijkt Irak echter niet te willen voldoen aan de op Irak rustende internationale verplichting om op verzoek van Nederland Iraakse staatsburgers terug te nemen. Dat geld is nog steeds beschikbaar.
Welke vormen van hulp (economisch, militair of anderszins) ontvangt Irak momenteel van Nederland? Bent u bereid elke vorm van Nederlandse hulpverlening aan Irak per ommegaande op te schorten tot het moment waarop volledige medewerking aan de terugkeer van eigen onderdanen wordt verleend? Zo ja, kunt u specificeren welke hulpverlening wordt gestopt en hoeveel geld dit betreft? Zo neen, welke maatregelen of sancties gaat u dan treffen om er voor te zorgen dat gedwongen terugkeer naar Irak mogelijk wordt?
Het opschorten van hulpverlening aan Irak is niet aan de orde. Irak ontvangt geen economische of militaire hulp. Nederland ondersteunt via NGO’s en internationale organisaties de mensenrechtensituatie van bevolkingsgroepen die het in Irak moeilijk hebben: etnische, religieuze en seksuele minderheden (LHBT). Tevens wordt bijgedragen aan ontmijning in de Koerdische regio. Opschorting van deze programma’s zou maatschappelijk kwetsbare groepen onevenredig treffen.
Naast terugkeer en mensenrechten is economische diplomatie speerpunt van het Nederlandse beleid richting Irak. Hierbij gaat het om actieve ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven door de Nederlandse ambassade in Bagdad en het liaisonkantoor in Erbil. De Iraakse overheid werkt hard aan de wederopbouw van Irak en investeert hiertoe veel fondsen in voor Nederland belangrijke sectoren, zoals landbouw, infrastructuur, watersector, gezondheidszorg, olie- en gassector en onderwijs. Irak betaalt deze grootschalige investeringen zelf uit de (groeiende) olieopbrengsten. Irak kende in 2012 een economische groei van 8,5%. Voor de periode 2013–2017 wordt gemiddeld 9% groei per jaar verwacht. De Iraakse investeringsbegroting is 20% van het Bruto Nationaal Product (BNP), d.w.z. 46 miljard US$ in 2013.
Het voorgaande neemt niet weg dat ik mij blijf inzetten om te bewerkstellingen dat Irak de op soevereine staten rustende verplichting om op verzoek van een derde staat eigen staatsburgers terug te nemen, zal nakomen.
De ramenwas-service in Arnhem |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de ramenwasservice in Arnhem, uitgevoerd door Presikhaaf Bedrijven in opdracht van de gemeente Arnhem, dertien bijstandsgerechtigden gedurende drie maanden onder het wettelijk minimumloon laat werken, waarna ze een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor zes maanden ontvangen op basis van het wettelijk minimumloon voor gemiddeld vijftien uur per week? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de cao voor glazenwassers? Zo nee, hoe zit het dan wel?1
De gemeente is verantwoordelijk voor het bewaken van de wettelijke voorwaarden van de verschillende re-integratie-instrumenten. Navraag bij de gemeente Arnhem geeft de volgende informatie.
De ramenwasservice in Arnhem is een proefproject dat op 1 april 2013 van start is gegaan op het raakvlak van de Wwb en de Wmo. De deelnemers worden eerst drie maanden met behoud van uitkering geplaatst. In deze periode ontvangen zij met toepassing van de Arnhemse Euro-job-regeling, een stimuleringspremie bovenop de uitkering. In deze fase volgen zij een zogenaamd AKA-traject2 en doen relevante werkervaring op. Daarna kunnen de deelnemers in aanmerking komen voor een regulier arbeidscontract voor 15 uur per week. Het loon dat iemand ontvangt wordt (indien nodig) aangevuld tot het bijstandsniveau door de gemeente. Voor deelnemers ouder dan 27 jaar geldt een gedeeltelijke vrijlating van het verdiende loon.
De medewerkers van de ramenwasservice voeren dezelfde werkzaamheden uit voor zover het wassen van de ramen aan de buitenzijde van de woning betreft, als die in het pakket zit van een thuishulp van een thuiszorganisaties. Het wassen van ramen aan de buitenzijde van woningen, dat voorheen door een thuishulp werd gedaan, is door de thuiszorgorganisaties uitbesteed aan de ramenwasservice van Presikhaaf Bedrijven (het regionale SW bedrijf). Dit werk is niet één-op-één vergelijkbaar met het werk waarop de CAO Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing is. De thuishulp mag bijvoorbeeld geen «ramen hoog» zemen.
Is een bijstandsgerechtigde met een arbeidscontract voor vijftien uur per week op basis van het wettelijk minimumloon uitkeringsonafhankelijk? Zo nee, in hoeverre wordt dit loon door de gemeente aangevuld en hoeveel van de dertien bijstandsgerechtigden zijn reeds uitgestroomd naar regulier werk zonder uitkeringsafhankelijkheid?
De gemeente Arnhem stimuleert dat mensen met een uitkering zoveel mogelijk hun eigen inkomen verdienen. De deelnemers in dit project zijn nog niet geheel onafhankelijk van een aanvullende uitkering bovenop de eigen inkomsten. Dit komt omdat de meeste deelnemers maar een beperkt aantal uren (kunnen) werken. Van de in totaal 13 deelnemers aan de ramenwasservice (start 1 april) hebben 3 deelnemers regulier werk elders aanvaard, 1 deelnemer heeft elders een parttime baan gevonden in de schoonmaak en ontvangt een aanvullende uitkering. Het proefproject loopt tot eind 2013.
Door welke organisatie en beroepskrachten werden voorheen de ramen van de cliënten van de thuiszorg gewassen?
Volgens informatie van de gemeente Arnhem is het wassen van ramen aan de buitenzijde van woningen, dat voorheen door een thuishulp werd gedaan, door de thuiszorgorganisaties uitbesteed aan de ramenwasservice van Presikhaaf Bedrijven (het regionale SW bedrijf). De in het project toegepaste jobcarving maakt een deel van het werk van de thuishulp bereikbaar voor een minder breed inzetbare groep mensen in de bijstand en zorgt er voor dat de thuishulp meer geconcentreerd zijn/haar diensten verleent aan de zorgbehoevende.
Is hier sprake van verdringing van reguliere werkzaamheden en/of concurrentievervalsing? Zo nee, waarom niet?
De gemeenteraad is de instantie die zich rekenschap moet geven van een juiste uitvoering van zijn beleid conform wet- en regelgeving. De gemeente Arnhem stelt dat het project wordt uitgevoerd binnen de kaders van de bestaande wet- en regelgeving. De gemeente is als uitvoerder binnen het brede sociale domein voortdurend op zoek naar initiatieven om zo mogelijk mensen aan het werk te helpen en om de voorzieningen op orde te houden.
In het najaar van 2013 wordt het project geëvalueerd met alle betrokkenen en waar nodig bijgesteld.
Het milieuprobleem veroorzaakt door oude boten in havens |
|
Wassila Hachchi (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oude bootjes zijn afvalprobleem»?1
Ja.
Klopt het dat er ongeveer 25.000 verwaarloosde zeil- en motorjachten in de Nederlandse jachthavens liggen?
Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de beheerder van een jachthaven om bij te houden hoeveel en wat voor soort vaartuigen in de haven liggen, wie de eigenaar is van een vaartuig, enz. Het is niet de taak van de Rijksoverheid om dit soort gegevens te verzamelen of te beheren.
Klopt het dat de eigenaren van deze verwaarloosde boten vaak niet te achterhalen zijn, waardoor deze boten gewoon blijven liggen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid een landelijk registratiesysteem in te voeren voor Nederlandse zeil- en motorjachten om het afvalprobleem van boten in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn momenteel twee registratiesystemen voor (plezier)vaartuigen:
Ik zie geen noodzaak om als Rijksoverheid aanvullend aan deze twee systemen een nieuw systeem in te voeren of een van de twee systemen om te bouwen tot een verplicht landelijk systeem voor alle pleziervaartuigen.
Bent u bereid een verwijderingsbijdrage in te voeren bij aanschaf van een boot, om op die manier het opruimen van deze boten in de toekomst te kunnen financieren? Zo nee, waarom niet?
Het invoeren van een verwijderingsbijdrage op een bepaald product is de verantwoordelijkheid van de producenten en importeurs van dat product, niet van de Rijksoverheid.
Een toepasselijk voorbeeld in dit kader is de autobranche. Producenten en importeurs van auto’s in Nederland hebben in 1995 Auto Recycling Nederland (ARN) opgericht. ARN is onder meer belast met het beheren van het fonds dat wordt gevuld door de verwijderingsbijdrage (heet voor auto’s nu recyclingbijdrage) die op elke nieuwe auto moet worden betaald. Het fonds wordt gebruikt om auto's aan het eind van hun levensduur duurzaam te verwerken.
De producenten en importeurs van pleziervaartuigen kunnen zelf een vergelijkbaar systeem als voor auto’s opzetten, eventueel in samenwerking met beheerders van wateren waar pleziervaartuigen varen. Branche- en belangenorganisaties als Hiswa Vereniging en Nederlandse Jachtbouw Industrie (NJI) zouden gezamenlijk het initiatief kunnen nemen voor het invoeren van een verwijderingsbijdrage en het vormen van een fonds, waarmee de verwerking van afgedankte en/of verwaarloosde pleziervaartuigen kan worden gefinancierd.
Deelt u de mening dat er een fonds moet worden opgericht voor het opruimen van de grote hoeveelheid verwaarloosde boten die nu in de jachthavens ligt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, zie ik het oprichten van een fonds voor het opruimen en verwerken van verwaarloosde vaartuigen als een verantwoordelijkheid van producenten en importeurs van pleziervaartuigen en van overkoepelende branche- en belangenorganisaties. Ik zal geen initiatief nemen voor het oprichten van een dergelijk fonds.
Welke oplossing stelt u voor om de vele verwaarloosde boten die nu in de jachthavens van Nederland ligt op te ruimen?
Verwaarloosde vaartuigen liggen vooral in wateren die worden beheerd door gemeenten, waterschappen en private ondernemingen. Deze beheerders zijn daarom verantwoordelijk voor het opruimen van de verwaarloosde vaartuigen. De kosten daarvan zullen de beheerders normaliter verhalen op de eigenaren van de vaartuigen. Als er geen eigenaren bekend zijn of ze zijn niet meer aanspreekbaar, dan zullen de beheerders de kosten zelf moeten betalen en het geld hiervoor zelf moeten genereren, bijvoorbeeld via een opslag op de lig- of havengelden. Ook een fonds zoals beschreven in het antwoord op vraag 5 kan een oplossing bieden, al zal dat waarschijnlijk niet op korte termijn voldoende gevuld zijn.
Overigens vormen de verwaarloosde vaartuigen naar mijn mening op dit moment geen milieuprobleem gelet op de omvang en het gegeven dat de waterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed door deze vaartuigen.
Welke oplossing stelt u voor, waarbij er recht wordt gedaan aan het principe van «de vervuiler betaalt», om te voorkomen dat het milieuprobleem veroorzaakt door verwaarloosde boten in de toekomst zal toenemen?
Zie de antwoorden op de vragen 5 tot en met 7.
Regeldruk bij de nieuwe Jeugdwet |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van Actal over de toekomstige regeldruk in de Jeugdzorg?1
Ja. U verwijst naar het advies dat Actal op 16 oktober 2012 uitbracht op basis van de tekst van de concept Jeugdwet zoals deze luidde op 19 juli 2012. Actal heeft op verzoek van mij en mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie ook nog een ex-ante toets uitgevoerd op de tekst van de concept Jeugdwet zoals die luidde op 21 januari 2013. Hierover bracht zij op 8 juli 2013 een persbericht naar buiten.2 In paragraaf 13.2.3 van de memorie van toelichting bij de Jeugdwet is expliciet aandacht besteed aan de wijze waarop het advies van Actal is verwerkt.
Hoe beoordeelt u de stelling van Actal dat de voorstel voor een nieuwe Jeugdwet de jongere en het gezin onvoldoende centraal zet en te veel is gericht op de uitvoerende instanties?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het voor een goede jeugdhulp juist van belang is dat de jongere en zijn of haar gezin centraal staat? Zo ja, op welke manier wordt dat in de nieuwe Jeugdwet geregeld?
Het doel van de Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving. Door ontschotting van budgetten krijgen gemeenten meer mogelijkheden voor betere samenwerking en innovaties in ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en gezinnen.
Zo krijgen gemeenten met de Jeugdwet de kans om het aantal hulpverleners rond gezinnen – en daarmee de ervaren regeldruk van gezinnen – sterk te verminderen. Hierdoor hoeven jeugdigen en ouders niet aan verschillende hulpverleners telkens hetzelfde verhaal te vertellen en worden ze beter geholpen. De bepalingen in de Jeugdwet ten aanzien van gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen waar Actal op doelt zijn nodig en vormen ook de randvoorwaarden om het jeugdstelsel in het belang van jeugdigen en ouders beter te laten functioneren.
Kunt u een reactie geven op de in Actal-advies geadviseerde netto reductiedoelstelling regeldruk en wat dit zou betekenen voor de nieuwe Jeugdwet?
Aan de Jeugdwet is géén landelijke kwantitatieve doelstelling van vermindering regeldruk gekoppeld, evenmin als aan de andere decentralisaties (decentralisatie AWBZ naar Wmo en de Participatiewet). Het kabinet heeft in deze kabinetsperiode wèl een overall kwantitatieve reductiedoelstelling van € 2,5 mld geformuleerd. Dit betreft de administratieve lasten vanuit rijksbrede uitvraag. De wijze waarop gemeenten een eigen keuze maken om informatie te verkrijgen van burgers/cliënten en jeugdhulp-/zorgaanbieders is de verantwoordelijkheid van die gemeenten en valt binnen hun beleidsvrijheid. Het Rijk stimuleert gemeenten tot eenduidige uitvraag (zie mijn antwoord op vraag 8).
Meer ruimte voor professionals en vermindering van regeldruk is wel expliciet een doel van de Jeugdwet (zie hoofdstuk 1 memorie van toelichting). Veel ervaren regeldruk van professionals hangt echter niet direct samen met rijksregels, maar met interne voorschriften van jeugdhulp-/zorgaanbieders3. De afgelopen jaren zijn met het landelijk project RAP (regeldruk aanpak) mogelijkheden en best practices voor regeldrukvermindering in kaart gebracht. Het Rijk zal deze goede voorbeelden verspreiden via de website voordejeugd.nl en via de transformatieagenda die samen met de VNG in voorbereiding is.
Kunt u een reactie geven op het in het Actal-advies gesignaleerde regeldrukeffect van de centrale certificering van de organisaties? Kunt u daarbij ingaan op de noodzakelijkheid daarvan en de consequenties wanneer deze eis vervalt?
Doel van certificering is het behouden en het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Gekozen is voor certificering vanwege de aard van de activiteit: het ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van het kind en zijn gezin. Dit ingrijpen dient met waarborgen omkleed te zijn waarbij de kwaliteit geborgd is.
Vertrekpunt voor certificering zijn de huidige praktijknormen, wettelijke kwaliteitseisen en best practices, bijvoorbeeld onderdelen van de Deltamethode, het Handboek Jeugdreclassering, de erkenningscommissie gedragsinterventies, de erkenningcommissie van het NJi. Ook is er aandacht voor actuele ontwikkelingen, bijvoorbeeld in het kader van het professionaliseringstraject binnen de jeugdzorgsector en de branchecode seksueel misbruik. Voor veel huidige aanbieders van jeugdbescherming en -reclassering is een certificeringssysteem overigens geen nieuw instrument. Verschillende Bureaus Jeugdzorg zijn momenteel al in een ander kader vrijwillig gecertificeerd en kennen het werken met een certificeringssysteem.
Kunt u een reactie geven op het in het Actal-advies gesignaleerde regeldrukeffect van de centrale kwaliteitsregisters, waarbij tevens wordt ingegaan op de noodzakelijkheid daarvan en de consequenties wanneer deze eis vervalt?
De Jeugdwet voorziet in een landelijk uniforme set van kwaliteitseisen voor de gehele jeugdhulp die de huidige sectorale kwaliteitswetgeving vervangt. Door bij de invulling van de kwaliteitseisen aan te sluiten bij de VWS-kwaliteitswetgeving wordt voorkomen dat aanbieders van ondersteuning, hulp of zorg aan jeugdigen en aan volwassenen te maken hebben met twee verschillende sets aan kwaliteitseisen (een voor jeugd en een voor volwassenen).
Kunt u een reactie geven op het in het Actal-advies gesignaleerde regeldrukeffect van de landelijke inspecties, waarbij tevens wordt ingegaan op de noodzakelijkheid daarvan en de consequenties wanneer deze eis vervalt?
Actal wijst op een mogelijk risico van stapeling van Rijkstoezicht, door onder meer de certificering, de kwaliteitseisen, de landelijke inspecties en de verantwoording van beleidsinformatie. Deze elementen moeten echter niet afzonderlijk, maar juist in samenhang met elkaar bezien worden. Zo zal de certificering de taak van de landelijke inspecties verlichten en zal op de landelijk gestelde kwaliteitseisen uniform toezicht gehouden worden door samenwerkende landelijke inspecties. Jeugdhulpaanbieders krijgen dus niet te maken met een combinatie van landelijk en gemeentelijk toezicht.
Bent u bereid te komen tot één set van verantwoordingsinformatie met uniforme en heldere definities, die zowel door het Rijk als door de lokale overheid moet worden gebruikt? Zo ja, binnen welke termijn?
De uitvraag van beleidsinformatie in verband met de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk zal beperkt zijn en gestandaardiseerd worden; gemeenten ontvangen die informatie ook voor hun beleidsontwikkeling. Het voornemen is om het huidige Landelijk rapportage format in de Wet op de jeugdzorg te vervangen door een minimale dataset in de Jeugdwet. Dit is in lijn met het advies van Actal. De administratieve lastendruk wordt hierdoor aanzienlijk beperkt, terwijl via nader onderzoek rond specifieke thema’s een reëler beeld kan worden verkregen over wat wel en niet werkt in de jeugdhulp.
Met de VNG wordt de totstandkoming van een uniforme set verantwoordingsinformatie onderzocht, die gemeenten gestandaardiseerd via een gemeenschappelijke voorziening bij instellingen kunnen uitvragen. Gemeenten zijn vrij hiervan gebruik te maken, maar als een gemeente daarvoor kiest, dient zij dat te doen via die gemeenschappelijke voorziening.
Wilt u deze vragen uiterlijk 26 augustus 2013 beantwoorden zodat deze antwoorden nog meegenomen kunnen worden in de schriftelijke inbreng ten behoeve van het verslag over genoemd wetsvoorstel?
Ja.
Het bericht in Duitse media dat Afghaanse diplomaten niet terugkeren naar Afghanistan |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Abzug aus Afghanistan: Rette sich, wer kann», waaruit blijkt dat een significant aantal Afghaanse diplomaten in Duitsland niet terugkeert naar Afghanistan?1
Ik heb kennis genomen van het bericht dat in voorkomende gevallen diplomaten in het land waar ze werkzaam zijn asiel aanvragen.
Kunt u reageren op de genoemde cijfers? Is er een trend waarneembaar van gekwalificeerde Afghaanse vertegenwoordigers die niet terugkeren?
Vooralsnog beschik ikzelf, noch de IND, over duidelijke aanwijzingen dat hier sprake is van een trend.
Is bekend hoeveel Afghaanse vertegenwoordigers in Nederland asiel hebben aangevraagd of onvindbaar waren toen ze moesten terugkeren?
Door de IND wordt de professie van een asielaanvrager niet in de systemen geregistreerd. De door u gevraagde cijfers kunnen daarom niet automatisch gegenereerd worden uit de systemen van de IND. Ook wordt niet centraal geregistreerd hoeveel personen met de door u genoemde achtergronden onvindbaar zijn na werkbezoeken.
Indien een Afghaanse overheidsvertegenwoordiger of een Afghaanse burger, die een werkbezoek aan Nederland brengt, Nederland niet op de geplande datum verlaat en dit bij het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gemeld, dan worden de IND en de lokale politie geïnformeerd. Andersom informeert de IND het ministerie van Buitenlandse Zaken indien een hoge Afghaanse vertegenwoordiger in Nederland asiel aanvraagt.
Is bekend hoeveel Afghanen die werkbezoeken hebben gebracht aan Nederland asiel hebben aangevraagd of onvindbaar waren toen ze moesten terugkeren?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier gaan Nederland en de Europese Unie met dit vraagstuk om?
Er is geen specifiek Europees beleid voor dit vraagstuk. Visumaanvragen worden getoetst aan de EU/Schengenregelgeving, een belangrijke component die wordt getoetst, is of de tijdige terugkeer van de visumaanvrager voldoende is gewaarborgd. Niettemin is er geen wettelijke grondslag om een visumhouder het indienen van een asielverzoek te onthouden.
Onduidelijke regels omtrent identificatieplicht voor zzp’ers |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op vragen van de leden Mei Li Vos en Recourt over identiteitsfraude door slecht bewaarde paspoortkopieën?1
Ja.
Bent u bekend met de onduidelijkheden onder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) over identificatieplicht bij het aannemen van een opdracht?
Klachten over onduidelijkheden en tegenstrijdige adviezen over de vermeende identificatieplicht zijn mij niet bekend. Zzp’ers zijn niet verplicht zich te identificeren bij het aannemen van opdrachten. Deze verplichting ontstaat pas als de opdrachtgever ervoor kiest om van de opdrachtnemer een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) te verlangen.
Bent u op de hoogte van de klachten van zzp’ers over de tegenstrijdige adviezen die de Belastingdienst, het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) en sommige zzp-organisaties verstrekken over identificatie? Wat is uw reactie daarop?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe dient een zzp’er die alleen digitaal communiceert met de opdrachtgever zich te identificeren?
De identiteit van een persoon kan door de opdrachtgever slechts worden vastgesteld als de opdrachtnemer fysiek aanwezig is, zodat de opdrachtgever kan controleren of persoon en identiteitsbewijs met elkaar overeenkomen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Op welke wijze dient het document waarmee de zzp’er zich identificeert door de opdrachtgever behandeld te worden?
Indien de opdrachtgever een kopie vraagt teneinde vrijwaring van mogelijke inhoudingsplicht voor de loonheffingen te verkrijgen, heeft deze opdrachtgever een wettelijke plicht om deze kopie gedurende zeven jaren te bewaren. Aard en nummer van het identiteitsbewijs dienen bij deze kopie te worden bewaard.
Hoe wordt de privacy van de opdrachtnemer (zzp’er) die vanuit huis werkt beschermd? Bent u bereid de zzp’ers en opdrachtgevers én alle betreffende organisaties eenduidige richtlijnen omtrent identificatie door opdrachtnemers (zzp’ers) te verschaffen zodat onduidelijkheden over identificatie tot het verleden behoren? Zo nee, waarom niet?
In het handelsregister staat van elke onderneming het (zaken)adres geregistreerd, alsmede het adres van degene(n) aan wie de onderneming toebehoort: een of meer natuurlijke persoon/personen, dan wel een rechtspersoon. Openbaarheid van dit gegeven -via een uittreksel uit het handelsregister- is nodig om bijvoorbeeld een verhaalsactie te kunnen instellen tegen de eigenaar van de onderneming. Bij zogeheten adresbestanden wordt door de KvK uitsluitend het zakelijk adres van een onderneming verstrekt. Soms valt dat zakelijk adres samen met het woonadres van de eigenaar. Die keuze is vol aan de eigenaar; hij kan ook -om zijn privacy te beschermen- besluiten het bedrijf op een ander adres te vestigen. In dat geval is het woonadres alleen via een uittreksel te traceren, hetgeen een zekere drempel opwerpt. Het woonadres van de bestuurder van een rechtspersoon (bijvoorbeeld de dga van een BV, een rechtsvorm die ook veelvuldig door zzp’ers wordt gebruikt) kan op grond van de wet slechts worden ingezien door bestuursorganen alsmede advocaten, notarissen en deurwaarders. In situaties van concrete dreiging kan ook het woonadres van een natuurlijk persoon (eenmanszaak) door de KvK worden afgeschermd; het kan dan alleen worden ingezien door de hierboven genoemden.
Om fraude met kopieën van identiteitsdocumenten te voorkomen en de regels te verduidelijken heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) reeds richtsnoeren opgesteld voor het overnemen van persoonsgegevens en het kopiëren en scannen van identiteitsdocumenten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft van 15 januari tot en met 31 maart 2013 een publiekscampagne gevoerd. Het doel was enerzijds om alle burgers te informeren over de risico’s van het afgeven van een kopie van een identiteitsbewijs, anderzijds om maatregelen aan te reiken om fraude met identiteitsdocumenten te verminderen. Een maatregel is dat burgers doel en datum op een kopie schrijven. Daarmee kan misbruik bij een andere organisatie of op een andere datum worden voorkomen. In de beantwoording van de in vraag 1 genoemde Kamervragen van 9 oktober 2012 is aangegeven dat zzp’ers wordt aangeraden dit ook te doen.
De besteding van hulpgelden voor Srebrenica |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van KRO-Brandpunt van 7 juli jl.?1
Ja.
Is het waar dat er nog steeds honderden vluchtelingen in noodwoningen in Tuzla wachten op een huis in Srebrenica?
In Tuzla verblijven nog altijd 1.367 families (4.070 personen) in zogenaamde collective centers en andere alternatieve accommodatie. Volgens het voor vluchtelingenzaken verantwoordelijke Ministerie van de Federatie Bosnië en Herzegovina zijn 398 families afkomstig uit de gemeente Srebrenica. Formeel willen al deze personen terugkeren. Dit is ook een vereiste om in aanmerking te komen voor de status van displaced person, die toegang geeft tot bepaalde (basis-) voorzieningen als medische zorg. In de praktijk echter wil of kan lang niet iedereen terugkeren. De redenen hiervoor zijn onder andere: (i) trauma; (ii) het feit dat oudere vluchtelingen uit afgelegen dorpjes daar niet meer kunnen leven door gebrek aan voorzieningen als winkels; (iii) het feit dat jongere generaties een (school-) leven elders hebben, een gebrek aan arbeidsmogelijkheden hebben of geen rechten op bezittingen waarnaar zij kunnen terugkeren. In 2012 waren er volgens het Ministerie 278 aanvragen voor terugkeer naar Srebrenica, maar geen daarvan uit de collective centers.
Klopt de uitspraak van burgemeester Durakovic van Srebrenica, dat sinds de wederopbouw jaarlijks gemiddeld maar 10 huizen zijn bijgebouwd? Indien ja, kunt u aangeven waarom zo weinig woningen zijn gerealiseerd?
De Nederlandse bijdrage aan de wederopbouw werd vanwege de politieke situatie in Bosnië-Herzegovina pas vanaf 2002 mogelijk en omvatte naast de gemeente Srebrenica ook de aangrenzende gemeenten Bratunac, Milici en Zvornik. Met Nederlandse assistentie zijn sinds 2002 in die gemeenten ruim 2000 woningen gebouwd of hersteld.
Is het waar dat Nederland sinds 1995 120 miljoen euro steun heeft verleend aan Srebrenica? Kunt u aangeven hoeveel daarvan was bedoeld voor wederopbouwactiviteiten?
Sinds 1995 heeft Nederland in Bosnië-Herzegovina voor circa 120 miljoen aan projecten uit laten voeren die geheel of gedeeltelijk aan Srebrenica zijn gerelateerd. Deze assistentie valt uiteen in de volgende categorieën: opsporing en identificatie van vermiste personen; institutionele capaciteit op staatsniveau in Bosnië en Herzegovina voor de vervolging van oorlogsmisdadigers; psycho-sociale steun voor slachtoffers en nabestaanden; duurzame terugkeer (huisvesting, werkgelegenheid en integratie); economische ontwikkeling en bestuurlijke capaciteit; versterking maatschappelijk middenveld met speciale aandacht voor jongeren; en herdenking en herinnering.
Aan wederopbouwprojecten in Srebrenica, Bratunac en Milici (de gemeenten met de grootste aantallen slachtoffers bij de genocide van juli 1995) en in mindere mate in aangrenzende gemeenten als Zvornik, is ongeveer 52 miljoen euro besteed. Het gaat daarbij onder andere om herstel van woningen; infrastructuur (zoals elektriciteitskabels, waterleidingen en wegen); steun voor economische ontwikkeling en het scheppen van banen; en capaciteitsversterking van de gemeenten, private sector en het maatschappelijk middenveld.
Kunt u aangeven waarom de geprojecteerde jaarlijkse uitgaven aan het programma voor de Srebrenica regio, zoals staat in het «goedkeuringsmemorandum 2011 – Sarajevo – algemeen beleidskader», achterblijven bij de beschikbare 5 miljoen euro? Hoe verhoudt deze onderuitputting zich tot het naar voren halen van gelden voor het Srebrenica Regional Recovery Programma voor 2013 naar 2012?
In het goedkeuringsmemorandum van begin 2011 ging de departementsleiding akkoord met het verzoek van de Nederlandse ambassade in Sarajevo om in 2012 5 miljoen euro beschikbaar te blijven stellen aan Srebrenica. Jaarplannen en goedkeuringsmemoranda bevatten een meerjarige doorkijk, maar gaan in principe slechts over het komende kalenderjaar.
De uitgaven (in euro’s) aan Srebrenica in de afgelopen jaren waren als volgt:
2005
8,6 miljoen
2006
7,3 miljoen
2007
6,5 miljoen
2008
7,6 miljoen
2009
5,0 miljoen
2010
5,0 miljoen
2011
4,3 miljoen
2012
5,0 miljoen
In sommige jaren zijn de uitgaven aan Srebrenica hoger uitgevallen dan 5 miljoen euro omdat Nederland toen nog een omvangrijk Ontwikkelingssamenwerkingsprogramma had in Bosnië-Herzegovina, dat ook Srebrenica ten goede kwam. Dit programma is in 2011 geheel uitgefaseerd.
In 2011 zijn de uitgaven aan Srebrenica lager uitgevallen dan 5 miljoen euro. In dat jaar heeft de Nederlandse ambassade niet genoeg voorstellen voor projecten in Srebrenica ontvangen waarvan de kwaliteit en een efficiënte inzet van middelen gewaarborgd zouden zijn.
Is bekend hoeveel van het beschikbare geld voor Srebrenica daadwerkelijk is besteed aan de beoogde doelen en hoeveel is opgegaan aan vaste lasten van de partnerorganisaties?
Het beschikbare geld is daadwerkelijk besteed aan de onder antwoord 4 genoemde doelen. Om het geld zo efficiënt mogelijk te besteden en misbruik te voorkomen werkt Nederland uitsluitend samen met betrouwbare partnerorganisaties. Veelal zijn dat buitenlandse c.q. internationale organisaties met een vestiging in Bosnië-Herzegovina. Het toezicht dat Nederland via deze organisaties kan uitoefenen op een correcte besteding van de middelen en de expertise die via deze organisaties kan worden overgedragen wegen ruimschoots op tegen de kosten die gemoeid zijn met de «overhead» (5 tot 7%) en andere vaste lasten van deze organisaties, zoals personeelskosten van de technische assistentie.
Hoe wordt toegezien op de correcte en effectieve besteding van het geld voor Srebrenica?
De ambassade in Sarajevo is verantwoordelijk voor de selectie en monitoring van projecten. Hiervoor hanteert de ambassade dezelfde procedures als andere Nederlandse ambassades die OS-geld in beheer hebben. De ambassadestaf onderhoudt intensief contact met de partnerorganisaties en ziet daarbij nauw toe op de budgetten en financiële rapportages. Bij projectbedragen boven 1 miljoen euro per jaar wordt jaarlijks een externe audit van de partnerorganisatie uitgevoerd.
De partnerorganisaties zien op hun beurt toe op eventuele werkzaamheden door derden als onderaannemers. Bij infrastructurele werken worden bijvoorbeeld controles op meerdere niveaus toegepast voor de beoordeling van offertes, om het risico van zowel «externe» als «interne» corruptie te beperken. In de door Nederland gefinancierde projecten wordt daarnaast veel aandacht besteed aan de selectie van begunstigden op basis van objectieve criteria. Daar waar de Bosnische autoriteiten op basis van het Dayton-verdrag een leidende rol hebben in dit proces is het externe toezicht zo goed mogelijk vormgegeven. Jarenlang gebeurde dit door plaatselijk gevestigde task forces onder auspiciën van het Kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger. Ook lokale ngo’s en nabestaandenorganisaties zijn soms bij deze toetsing betrokken.
Ten slotte hebben de ambassadeur en zijn medewerkers geregeld contact met lokale ambtsdragers, projectbegunstigden, nabestaandenorganisaties en de lokale vertegenwoordigers van organisaties als het Kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger en de OVSE.
Heeft de ambassade in Sarajevo signalen ontvangen van corruptie bij de besteding van hulpgelden in Srebrenica? Zo ja, hoe is daarop gereageerd?
De ambassade in Sarajevo is bekend met het bestaan van geruchten dat de buitenlandse, inclusief Nederlandse, hulpgelden niet goed worden besteed. In contacten met overheidsinstanties en met de nabestaandenorganisaties wordt aangegeven dat Nederland iedere gespecificeerde fraudemelding zal onderzoeken. Zij worden aangemoedigd eventuele problemen bij de ambassade te melden. Dergelijke specifieke meldingen zijn niet ontvangen.
Klachten die wel zijn ontvangen, veelal van Bosniaakse (= Moslim-) organisaties, hadden vrijwel altijd betrekking op de perceptie dat niet de juiste personen of bevolkingsgroepen profiteerden van de hulp. De ambassade heeft hier, gezien de politiek gevoelige context, veel aandacht aan besteed. De uitvoerende organisaties hebben er alles aan gedaan om openheid te geven over de toegepaste criteria en hebben in sommige gevallen de klagende organisaties nauwer betrokken bij het proces (uiteraard zonder de criteria te wijzigen).
Is het waar dat de directeur van de lokale afdeling van CARE International is ontslagen? Zo ja, kunt u aangeven wat de reden was van zijn vertrek en of er een relatie is met vermeende corruptie?
Uit informatie die wij kregen van CARE is gebleken dat de directeur van de vestiging van CARE International in Sarajevo niet is ontslagen. Uit navraag is gebleken dat de burgemeester van Srebrenica in de uitzending van Brandpunt verwijst naar een medewerker van CARE die een project in Srebrenica coördineerde. De leiding van CARE heeft de betrokkenheid van deze medewerker bij dat project in 2008 beëindigd. Hieraan lagen geen verdenkingen van corruptie ten grondslag. Het laatste Nederlandse project met CARE in Srebrenica eindigde overigens in 2008.
Wat is uw oordeel over de effectiviteit van de besteding van het geld dat Nederland de afgelopen jaren voor Srebrenica beschikbaar heeft gesteld?
Ik ben van mening dat de Nederlandse assistentie aan Srebrenica in de afgelopen jaren overwegend effectief is geweest en heeft bijgedragen aan de vooraf geformuleerde doelstellingen. Dat geldt niet voor alle verstrekte assistentie. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de activiteiten plaatsvinden in een weerbarstige context, waarin naast de verwoestingen van de oorlog en de verloren afzetmarkt als gevolg van het uiteenvallen van Joegoslavië ook de aanhoudende politieke crisis in Bosnië-Herzegovina een rol speelt.
Mede dankzij de Nederlandse assistentie is bijna 90% van de slachtoffers van de genocide van 1995 geïdentificeerd, zijn belangrijke verantwoordelijken vervolgd en veroordeeld voor hun aandeel in de wreedheden van de oorlog, zijn woningen en infrastructurele voorzieningen gebouwd of hersteld, zijn honderden banen gecreëerd en huishoudens aan stabiele inkomens geholpen, is psycho-sociale zorg verleend aan overlevenden, is bijgedragen aan het herdenkingscentrum te Potocari en is de capaciteit versterkt van zowel lokale ngo’s, de particuliere sector als de lokale autoriteiten. Met dit alles is de terugkeer van vele ontheemden gefaciliteerd. Om veel redenen, die verband houden met de moeizame lokale context, is dit proces van terugkeer lang niet compleet en is de Srebrenica tot de dag van vandaag een sterk verdeelde gemeente langs «etnische» lijnen. Toch steekt de economische ontwikkeling in Srebrenica en nabije omgeving, mede dankzij de Nederlandse assistentie, positief af tegen die in sommige naburige steden en dorpen.
Het bericht dat het Slotervaartziekenhuis in grote financiële problemen verkeert |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat het Slotervaartziekenhuis in grote financiële problemen verkeert?1
Ik begrijp dat belanghebbenden zich zorgen maken over de financiële situatie van het ziekenhuis. Ik heb op het moment geen signalen dat er acute financiële problemen zijn bij het Slotervaartziekenhuis. In het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 worden enkele risico’s onderkend met betrekking tot de continuïteit van het ziekenhuis. Echter, het jaarverslag vermeldt ook een aantal acties welke ondernomen is ter beheersing van die risico’s, op basis waarvan het ziekenhuis concludeert dat de continuïteit van de organisatie is geborgd en dat de activiteiten in de nabije toekomst kunnen worden voortgezet2. Met de specifieke gegevens aangaande de financiële situatie ben ik niet bekend. Het is aan het ziekenhuis en aan de ING Bank zelf om antwoord te geven op deze vragen. Mij gaat het er om dat de continuïteit van cruciale zorg in het betreffende gebied geborgd is. Ik heb op dit moment geen signalen dat er een risico is voor de continuïteit van zorg. Omdat het Slotervaartziekenhuis niet onmisbaar is om cruciale zorg te borgen, is er voor mij geen rol bij een eventueel faillissement.
Is het waar dat de ING Bank het kredietplafond van het Slotervaartziekenhuis van 52 naar 28 miljoen euro heeft verlaagd? Wat betekent dit voor de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt het kredietlimiet van 28 miljoen euro elk kwartaal met 1 miljoen euro te verminderen? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt een debetrente van 3,85 procent boven de gebruikelijke maandrente in rekening te brengen? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de ING Bank dreigt de rekening courant te blokkeren? Zo ja, heeft de ING Bank dit dreigement ten uitvoer gebracht? Zo nee, hoe groot is de kans dat zij dit alsnog doet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot is de kans dat de direct opeisbare lening van 21 miljoen euro wordt opgeëist door de erven Schram? Is het voortbestaan van het Slotervaartziekenhuis in dat geval in direct gevaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 meldt over deze lening het volgende: het bestuur van het Slotervaartziekenhuis heeft ervoor gezorgd dat de lening van € 26 mln. naar € 21 mln. is afgenomen onder een aandelenemissie aan Delta Onroerend Goed (Delta). Met Delta is overeengekomen dat haar vordering in de komende vijf jaar niet zal worden opgeëist. Mij is geen andere informatie bekend. Ik heb op dit moment dus geen reden om aan te nemen dat de lening zou worden opgeëist voor het einde van deze periode.
Hoe is de liquiditeitspositie van het Slotervaartziekenhuis op dit moment? Heeft het Slotervaartziekenhuis nog voldoende liquide middelen om de salarissen te blijven betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik hierboven aangaf heb ik geen signalen ontvangen dat er op dit moment acute financiële problemen zijn bij het Slotervaartziekenhuis. Ik ben niet verantwoordelijk voor de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis, bovendien beschik ik niet over deze informatie.
Kunt u een uitgebreide beschrijving geven van de actuele stand van zaken wat betreft de financiële positie van het Slotervaartziekenhuis?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het wenselijk dat een ziekenhuis ten onder dreigt te gaan door getouwtrek tussen verschillende eigenaren? Zijn de patiënten van het Slotervaartziekenhuis daar volgens u bij gediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik betreur het dat er onduidelijkheid is over wie de eigenaar van het Slotervaartziekenhuis precies is. Onder de huidige wetgeving is niet openbaar wie de aandeelhouders van een besloten vennootschap (zoals het Slotervaartziekenhuis) zijn, tenzij er slechts één aandeelhouder is. Dit kabinet wil daar verandering in brengen. De minister van Veiligheid en Justitie (V&J) heeft wetgeving in voorbereiding die strekt tot de instelling van een centraal aandeelhoudersregister. Dit register biedt de mogelijkheid eenvoudig vast te stellen wie de aandeelhouders zijn en welke aandelen (in welke rechtspersonen) bepaalde personen hebben.3
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat zij zorg ontvangen die voldoet aan de daarvoor geldende eisen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft dan ook direct nadat er onduidelijkheid ontstond over de situatie bij het Slotervaartziekenhuis, de naleving van de wetgeving en normen op het gebied van governance onderzocht. De weerslag van dit onderzoek vindt u bijgevoegd.4 Ik heb op het moment geen aanwijzingen dat de kwaliteit niet voldoende zou zijn of dat het ziekenhuis, in terminologie van de vragensteller, «ten onder zou gaan».
Mocht het ziekenhuis onverhoopt in surseance raken of failliet gaan dan ziet de IGZ erop toe dat de veiligheid en kwaliteit van de zorg daardoor niet in gevaar komt. De verzekeraars zijn verantwoordelijk voor het garanderen van continuïteit van zorg voor hun verzekerden. De NZa controleert of de zorgverzekeraars hun zorgplicht voldoende naleven.
Deelt u de indruk dat het in de bestuurskamer van het Slotervaartziekenhuis enkel nog over financiële belangen gaat terwijl het daar eigenlijk over het bieden van goede zorg zou moeten gaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben niet bekend met de onderwerpen waar de raad van bestuur over spreekt. De raad van toezicht van het Slotervaartziekenhuis heeft tot taak toezicht te houden op het besturen door de raad van bestuur en de raad van bestuur waar nodig aan te spreken.
De IGZ houdt toezicht of kwalitatief goede zorg wordt geleverd en of wordt voldaan aan de governanceregelgeving. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat hier niet aan wordt voldaan.
Hoeveel geld heeft de voormalig bestuursvoorzitter van het Slotervaartziekenhuis onttrokken aan het Slotervaartziekenhuis?2
Het Slotervaartziekenhuis is zelf verantwoordelijk voor een goed financieel beheer. De raad van bestuur is eindverantwoordelijk voor en belast met het besturen van de zorgorganisatie. Dit houdt onder meer in dat de bestuurders verantwoordelijk zijn voor het beheersen van de risico’s verbonden aan de activiteiten van de zorgorganisatie en voor de financiering van de zorgorganisatie. De raad van toezicht houdt hier toezicht op. Het is dan ook aan het ziekenhuis zelf om antwoord te geven op deze vragen. Overigens meldt het jaarverslag van het Slotervaartziekenhuis over 2012 voor de voormalig bestuursvoorzitter een reservering voor de verwachte kosten voor het brutoinkomen van € 330.000,-.
Indien het ziekenhuis van mening is dat er onrechtmatige betalingen zijn gedaan aan de voormalig bestuursvoorzitter of aan andere partijen kunnen zij hiervoor een juridische procedure starten.
Kunt u een overzicht geven van de inkomsten van de voormalig bestuursvoorzitter? Is hierbij sprake geweest van fraude? Zo ja, wat gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat er privéuitgaven zijn gedaan met de creditcard van het ziekenhuis? Zo ja, om welke bedragen gaat het? Is dit naar uw oordeel de juiste manier om met geld om te gaan dat bedoeld is voor zorg?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat 68 verkeersboetes die de voormalige bestuursvoorzitter kreeg, betaald zijn door het Slotervaartziekenhuis? Om welke bedragen gaat het? Is dit naar uw oordeel de juiste manier om met geld om te gaan dat bedoeld is voor zorg?
Zie antwoord vraag 11.
Is het waar dat u begin februari 2013 contact heeft gehad met mevrouw Erbudak? Zo ja, waar heeft u met haar over gesproken?3
Hoewel ik in 2013 geen contact heb gehad met mevrouw Erbudak of andere bestuurders van het Slotervaartziekenhuis, had dit zomaar wel gekund. Het behoort immers tot mijn taak als minister van Volksgezondheid om contacten te onderhouden met diverse partijen in het zorgveld om op de hoogte te blijven van wat er speelt. Ik heb derhalve in 2013 wel contact gehad met vele bestuurders van andere ziekenhuizen.
Heeft u dit jaar vaker contact gehad met mevrouw Erbudak of andere bestuurders van het Slotervaartziekenhuis? Zo ja, wanneer en wat was de inhoud van dat contact?
Zie antwoord vraag 15.
Kunt u een overzicht geven van alle contacten die er dit jaar zijn geweest tussen uw ministerie en het Slotervaartziekenhuis? Wat was de aard en inhoud van die contacten?
Er is begin februari ambtelijk contact geweest tussen het ministerie en mevrouw Erbudak. Mevrouw Erbudak heeft daarbij het ministerie geïnformeerd over de stand van zaken van de contractonderhandelingen met Achmea. Ook na februari is nog enkele malen ambtelijk contact geweest over de stand van zaken. Het ministerie is in dezelfde periode ook door Achmea geïnformeerd over de stand van zaken.
Hoe groot is het risico dat het Slotervaartziekenhuis na het Ruwaard van Putten ziekenhuis het volgende ziekenhuis is dat failliet gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Slotervaartziekenhuis is zelf verantwoordelijk voor de eigen bedrijfsvoering en stelt in het jaarverslag over 2012 dat het de risico’s in voldoende mate beheerst. Het is dan ook niet aan mij om dat risico anders in te schatten. Ik kan mij voorstellen dat de verzekeraar de financiële positie van het ziekenhuis goed in de gaten houdt in het kader van haar zorgplicht. Ik ben verantwoordelijk voor het waarborgen van de continuïteit van cruciale zorg, wanneer een verzekeraar niet aan zijn zorgplicht kan voldoen. Omdat het Slotervaartziekenhuis niet onmisbaar is om cruciale zorg te borgen, is er voor mij geen rol bij een eventueel faillissement.
Hoe aantrekkelijk is het voor investeerders om te investeren in ziekenhuizen, nu zorgverzekeraars ziekenhuizen steeds meer de duimschroeven aandraaien? Verwacht u dat deze houding van zorgverzekeraars tot meer faillissementen van ziekenhuizen zal leiden? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Ik verwacht dat zorgaanbieders investeringskeuzes vooraf goed doordenken. Daar hoort bij dat zij voorafgaand aan een investering een goede business case opstellen, dit in nauw overleg met de zorgverzekeraars. Een goede business case zal ook door investeerders worden verlangd alvorens zij overgaan tot investeren. Op deze manier kunnen financiële risico’s worden ondervangen en kansen op faillissement worden verkleind.
De zorgverzekeraar zal in de onderhandelingen met de zorgaanbieder een goede balans moeten vinden tussen kwaliteitsverbetering en efficiëntie aan de ene kant en continuïteit van zorg voor zijn verzekerden aan de andere kant. Wanneer een zorgaanbieder kwalitatief slechte zorg levert of te duur is, kan een zorgverzekeraar besluiten om bij die zorgaanbieder geen zorg in te kopen. Desalniettemin is een faillissement niet in het belang van een zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars hebben immers de zorg die door ziekenhuizen wordt geleverd nodig om aan hun zorgplicht te voldoen. Daarnaast raken verzekeraars ook eventueel gegeven bevoorschottingen kwijt bij een faillissement en moeten zij op korte termijn met andere aanbieders afspraken maken om aan hun wettelijke zorgplicht te voldoen. Zowel zorgverzekeraars als investeerders als zorgaanbieders hebben dus een belang dat een zorgaanbieder niet in financiële problemen geraakt.
Heeft u lering getrokken uit het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis? Bent u van plan nu vroegtijdig in te grijpen om een faillissement te voorkomen? Zo ja, wat bent u van plan te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Hoewel ik het faillissement van het Ruwaard van Puttenziekenhuis betreur voor het personeel, zie ik geen aanleiding om mijn beleid te wijzigen. De continuïteit van zorg is voor mij het uitgangspunt, niet de continuïteit van de zorgaanbieder. Het voorkomen van faillissementen van zorgaanbieders door het leveren van steun houdt geen pas met de verantwoordelijkheden van zorginstellingen zelf en zou juist leiden tot verdere stijging van de kosten. Door te allen tijde garant te staan voor het voortbestaan van een aanbieder, zijn meer financiële middelen nodig die door burgers moeten worden opgebracht. Steun aan zorgaanbieders stimuleert hen (en andere stakeholders zoals zorgverzekeraars en financiers) immers niet om hun keuzes goed te overwegen. Mijn verantwoordelijkheid is beperkt tot het waarborgen van continuïteit van cruciale zorg, wanneer een zorgverzekeraar niet aan zijn zorgplicht kan voldoen. Het Slotervaartziekenhuis is niet onmisbaar om de continuïteit van cruciale zorg te waarborgen, aangezien er in de regio Amsterdam verschillende andere algemene en academische ziekenhuizen voorhanden zijn.
Gaat u het Slotervaartziekenhuis gebruiken als voorbeeld om uw voorstel om winstuitkeringen door ziekenhuizen mogelijk te maken te promoten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat het wetsvoorstel om winstuitkeringen mogelijk te maken van invloed zal zijn op de kans dat de recente gebeurtenissen bij het Slotervaartziekenhuis bij meer aanbieders van medisch-specialistische zorg zullen plaatsvinden. Dit gezien het feit dat de gebeurtenissen bij het Slotervaart geen betrekking hadden op het uitkeren van winst, maar op de contractering van zorg en een daarmee gepaard gaan verschil van mening over het te voeren beleid tussen de eigenaren. Het wetsvoorstel om winstuitkeringen door ziekenhuizen mogelijk te maken ligt momenteel in de Tweede Kamer en heeft dus nog geen kracht van wet. Het wetsvoorstel stelt bovendien juist strenge voorwaarden aan aanbieders van medisch-specialistische zorg die winst willen uitkeren (en dus ook aan investeerders). Met deze voorwaarden ten aanzien van de kwaliteit en de financiële positie van aanbieders van medisch-specialistische zorg ga ik mogelijke risico’s juist tegen die het aantrekken van privaat kapitaal in de medisch-specialistische zorg met zich mee zou kunnen brengen. Ik zie het wetsvoorstel derhalve als een substantiële verbetering van de huidige praktijk.
De deelname van Sam Rainsy aan de Cambodjaanse verkiezingen |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cambodia's Sam Rainsy to return for election» en de nog altijd voortdurende ballingschap van Sam Rainsy als gevolg van zijn politieke vervolging?1
Ja.2
Bent u bekend met de uitspraken van het Europees Parlement, het Congres van de Verenigde Staten en verschillende mensenrechtenorganisaties inzake de verhinderde deelname aan de Cambodjaanse politiek van Sam Rainsy? Zo ja, hoe beoordeelt u deze?
Ja. Het is zorgelijk dat de vrijheid van meningsuiting onder druk staat. Ook NL heeft de Cambodjaanse overheid meerdere malen, in VN- en EU-verband, hierop aangesproken. In EU-verband vinden regelmatig demarches plaats over de mensenrechtensituatie in Cambodja. NL ondersteunde onlangs de verlenging van het mandaat van de VN Speciale Rapporteur voor Cambodja, m.n. voor monitoring van mensenrechten ontwikkelingen rond de parlementsverkiezingen van 28 juli in Cambodja.
Deelt u de mening dat uit de akkoorden van Parijs verplichtingen voortkomen die op dit moment onvoldoende worden nageleefd, bijvoorbeeld waar het gaat om zijn vrijheid van meningsuiting en zijn mogelijkheid om deel te nemen aan de verkiezingen?
Met het uitschrijven van verkiezingen waaraan ook de oppositie zal kunnen deelnemen, voldoet Cambodja aan o.m. artikel 12 van de Agreement on a comprehensive political settlement of the Cambodia conflict (onderdeel van de 1991 Paris Peace Agreements): «the Cambodian people shall have the right to determine their own political future through the free and fair election of a constituent assembly [...]». De aanbevelingen van de Speciale Rapporteur behelzen o.m. het vinden van een politieke oplossing die het Rainsy mogelijk maakt als oppositieleider een rol te spelen in de Cambodjaanse politiek.
Bent u bereid om u in te zetten voor het intrekken van de aanklachten tegen Sam Rainsy en het herstel van zijn parlementaire immuniteit? Bent u tevens bereid om u in te zetten voor de deelname van Sam Rainsy aan de Cambodjaanse verkiezingen van 28 juli? Zo ja, op welke manier bent u van plan invulling aan die inzet te geven?
Nederland heeft zich aangesloten bij het EU-standpunt over de verkiezingen in Cambodja, waarin de EU pleit voor transparante en geloofwaardige verkiezingen. Eerder is door de EU aan de National Election Commission technische assistentie aangeboden, die van grote waarde blijkt te zijn in de organisatie van de verkiezingen. In tegenstelling tot in 2008 stuurt de EU ditmaal geen waarnemersmissie naar de verkiezingen in juli.
De Cambodjaanse koning heeft op 14 juli Sam Rainsy op verzoek van premier Hun Sen gratie verleend. Sam Rainsy zal naar verwachting nog voor de verkiezingsdatum van 28 juli terugkeren naar Cambodja.
Het artikel ‘Gemeenten mikpunt van Russische spionage’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten mikpunt van Russische spionage»?1
Ja.
Is het waar dat Nederlandse gemeenten mikpunt zijn van spionageactiviteiten door buitenlandse inlichtingendiensten?
Ja, zoals ook in het Jaarverslag 2012 van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) (Kamerstuk 30 977, nr. 52) vermeld staat, zijn Nederlandse overheidsorganisaties doelwit van inlichtingenactiviteiten van buitenlandse mogendheden. In de Kwetsbaarheidsanalyse spionage (Kamerstuk 30 821, nr. 11) wordt informatie uit gegevensbestanden van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) als voorbeeld genoemd van databestanden die op de belangstelling van buitenlandse inlichtingendiensten kunnen rekenen.
Deelt u de mening van het plaatsvervangend hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) dat ambtenaren zich onvoldoende realiseren dat ze interessante informatie voor buitenlandse geheime diensten in huis hebben?
Ja, het blijkt dat ambtenaren zich niet altijd bewust zijn van het feit dat zij, omdat zij bijvoorbeeld toegang hebben tot bepaalde vertrouwelijke informatie, mogelijk een interessant doelwit voor buitenlandse inlichtingendiensten zijn.
Op welke wijze wordt bij de inrichting van de basisregistratie personen rekening gehouden met de door de AIVD gesignaleerde kwetsbaarheid van de gemeentelijke basisadministratie Persoonsgegevens (GBA)?
Voor de inrichting van de basisregistratie personen (BRP) is de beveiliging van gegevens een belangrijk uitgangspunt. Het betreft immers persoonsgegevens. De door de AIVD gemaakte analyses vormen voor het programma «mGBA» een belangrijke bron om de inmiddels voorgenomen maatregelen te toetsen op hun effectiviteit en robuustheid.
Zijn lokale bestuurders zich voldoende bewust van de noodzaak van informatiebeveiliging? Op welke wijze bevordert u dat bewustzijn?
Om het bewustzijn en de kennis over informatieveiligheid bij bestuurders en topmanagers in het openbaar bestuur te verbeteren en te borgen, heb ik de taskforce Bestuur en informatieveiligheid dienstverlening ingericht (Kamerstuk 26 643, nr. 269). Deze taskforce staat de ministeries, uitvoeringsorganisaties, gemeenten, provincies en waterschappen bij bij het verbeteren van hun bewustzijn van informatieveiligheid. De wijze waarop dit bereikt wordt, is door het maken van afspraken met de verschillende overheidslagen, in het kader van een verplichtende zelfregulering voor informatieveiligheid.
Welke maatregelen neemt u om zowel ambtenaren als politiek verantwoordelijke bestuurders te waarschuwen voor de risico’s van spionage?
De AIVD publiceert over spionage om de bewustwording te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn de brochures «Spionage in Nederland» en «Digitale Spionage» en de Jaarverslagen van de Dienst. Daarnaast heeft de AIVD bijvoorbeeld bijgedragen aan het Cyber Securitybeeld Nederland 3, dat de minister van Veiligheid en Justitie op 3 juli jl. aan uw Kamer heeft aangeboden. Ook heeft de AIVD, samen met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), de Handleiding Kwetsbaarheidsanalyse Spionage en een bijbehorende e-learning module ontwikkeld. Deze handleiding bevat een stappenplan voor organisaties om zelf een analyse te maken van de kwetsbaarheid voor spionage. Deze Handleiding kan ook door gemeenten gebruikt worden. Tot slot geeft de AIVD voorlichting aan overheden, bedrijfsleven en kennis- en onderwijsinstellingen over de risico's van spionage en de mogelijkheden om de weerbaarheid te vergroten en verzorgt op verzoek awareness-presentaties.
Mededeling op site SVB dat na 2015 een eenmalige uitkering zoals een afkoopsom kan leiden tot intrekking van partnertoeslag AOW |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom meldt de site van de SVB het volgende: «Krijgt uw partner op of na 1 januari 2015 eenmalig een uitkering zoals een afkoopsom? En is de uitkering zo hoog dat de toeslag wordt stopgezet? Dan vervalt uw toeslag vanaf dat moment voor altijd. Dit geldt ook als het inkomen van uw partner gedurende 1 maand hoger is doordat uw partner die maand bijvoorbeeld extra uren heeft gewerkt.»?1
Het desbetreffende bericht op de site van de SVB staat los van het wetsvoorstel «Wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde het recht op partnertoeslag van de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk te maken van het gezamenlijk inkomen van die pensioengerechtigde en diens echtgenoot» (33 687), hierna te noemen: wetsvoorstel wijziging partnertoeslag. Het bericht heeft te maken met artikel 8, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet. Dit lid is met ingang van 1 januari 2013 ingevoegd bij de Wet vereenvoudiging regelingen SVB. Zie ter toelichting de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 2011/12, 33 318, nr. 3, p. 20 en 21). In het bedoelde tweede lid wordt geregeld dat na 1 januari 2015 als gevolg van een wijziging van het inkomen van de jongere echtgenoot geen recht op partnertoeslag meer kan ontstaan. Bij dit wetsvoorstel is niet expliciet ingegaan op de gevolgen van incidentele inkomstenstijgingen. Het bericht op de SVB-site was in die zin voorbarig. In het door de Tweede Kamer uitgebrachte verslag op het wetsvoorstel wijziging partnertoeslag zijn ook vragen gesteld over incidentele inkomens. Ik kom bij de beantwoording op dit punt terug. Het desbetreffende bericht is inmiddels op de site van de SVB aangepast.
Is het waar dat voornoemde aankondiging voorbarig is omdat de Tweede Kamer het wetsvoorstel dat dit moet bewerkstelligen nog moet behandelen?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u de SVB verzoeken om het bericht aan te passen en te vermelden dat het een door de regering voorgenomen wijziging is? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De toekomst van de collectie van het Geldmuseum in Utrecht |
|
Mona Keijzer (CDA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om met elkaar een eenduidige visie te formuleren met betrekking tot de toekomst van de collectie van het Geldmuseum in Utrecht en die aan de Kamer te zenden?
Ja. De eigenaren van de verschillende deelcollecties van het Geldmuseum, te weten de Nederlandsche Bank, het ministerie van Financiën en het ministerie van OCW, zijn daarover reeds in gesprek. De Kamer wordt hierover te zijner tijd nader geïnformeerd.
Kunt u in ieder geval aangeven waarom het ministerie van Financiën de relatie met het Geldmuseum in mei 2013 onverwacht heeft opgezegd en op welke manier het sluiten van de deuren van het Geldmuseum een noodzakelijke besparing oplevert?
Nadat in 2012 bekend werd dat het ministerie van OCW zijn subsidie aan het Geldmuseum per 2013 zou verminderen, heeft het ministerie van Financiën met een aanvullende bijdrage het mede mogelijk gemaakt om het museum in 2013 open te houden. Hierdoor werd tijd gewonnen om op een gepaste wijze met het Geldmuseum de toekomstmogelijkheden te onderzoeken. Uit het onderzoek heeft het ministerie van Financiën geconcludeerd dat de continuïteit van het Geldmuseum niet meer is gegarandeerd, waarna besloten is de subsidierelatie te beëindigen. Het Geldmuseum zag zich daardoor genoodzaakt te sluiten per 1 november 2013. Reeds vanaf de aanvang van het onderzoek was voor alle partijen duidelijk dat dit een mogelijke uitkomst zou kunnen zijn. Over de hoogte van de op termijn te realiseren besparingen kunnen echter nog geen uitspraken gedaan worden, omdat toekomstige opslag en beheer van de collectie, alsmede de kosten hiervan, nog nader worden onderzocht. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.
Wat zijn de kosten van het beheer van de collectie van het Geldmuseum als geheel en waaruit worden die in de toekomst gedekt?
Uit het jaarverslag over 2012 van het Geldmuseum blijkt dat de beheer- en behoudsactiviteit van de collectie als geheel ongeveer 630.000 euro kost. Waaruit de kosten van het toekomstige beheer worden gedekt is afhankelijk van wat er met de collectie gaat gebeuren. Dat is nu nog niet bekend, maar zal te zijner tijd met de Tweede Kamer worden gedeeld.
Waarom is er niet voor gekozen om het plan van de door het ministerie van Financiën in het leven geroepen werkgroep over de toekomst van het Geldmuseum uit te voeren?
De door het ministerie van Financiën in het leven geroepen werkgroep heeft eind 2012 en begin 2013 verschillende toekomstopties voor het Geldmuseum onderzocht. Zelfs in het uiteindelijke advies van de werkgroep zou het museum genoodzaakt zijn de deuren te sluiten. Het voorstel van de werkgroep was om te kijken naar de mogelijkheid om een nieuw, bij DNB onder te brengen, financieel educatief centrum op te zetten, met inzet van expertise en middelen van het Geldmuseum, alsmede van andere relevante partijen. Van deze optie is afgezien omdat het gepaard zou gaan met hoge investeringskosten (additionele verbouwingskosten bij DNB werden geschat op € 4 miljoen), waardoor de financiers van het Geldmuseum wederom geconfronteerd werden met een financieringsvraagstuk. Alternatief was om op zoek te gaan naar mogelijke andere medefinanciers, maar aan de haalbaarheid van een sluitende begroting werd sterk getwijfeld.
Wat gaat er gebeuren met de collectie van het Geldmuseum? Wordt die verdeeld over de drie eigenaren of bij elkaar in een depot bewaard? Bent u verantwoordelijk voor de collectie als geheel of voor een bepaald deel? Hoe gaat u de collectie beschermen?
Iedere eigenaar is verantwoordelijk voor zijn deel van de collectie. De minister van OCW heeft collectiebeleid geformuleerd, onder andere over bescherming van collectie. Zie daarvoor de Museumbrief «Samen werken, Samen Sterker» van 10 juni 2013.1 Voor de overige deelantwoorden op vraag 5 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Wat gaat er gebeuren met het gebouw en de functie van de Rijksmunt?
De Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) is eigenaar van het gebouw aan de Leidseweg 90 in Utrecht. Het Geldmuseum huurt een gedeelte van het gebouw van KNM. Het ministerie van Financiën heeft als aandeelhouder aan KNM gevraagd om verschillende alternatieven voor de huisvesting van de onderneming te onderzoeken. Vooralsnog betekent sluiting van het Geldmuseum dat KNM op zoek gaat naar een nieuwe huurder. De sluiting van het Geldmuseum heeft geen invloed op de functie van KNM.
Het rentebesluit van de ECB |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente nog lange tijd laag zal houden?1
Ja.
Welke invloed heeft dit besluit van de ECB op de hoogte van hypotheekrenteaftrek in Nederland? Kunt u dit toelichten?
Een lage rente van de ECB kan zich doorvertalen in een lagere rente die een aanbieder van hypotheken betaalt voor het financieren van diverse portefeuilles. Indien met deze rente de hypotheekportefeuille wordt gefinancierd, kan dit zich doorvertalen in een lagere hypotheekrente en daarmee een lagere hypotheekrenteaftrek. Aanbieders gebruiken echter ook andere, langer lopende, financiering en deposito’s om de hypotheekportefeuille mee te financieren. Het is aan aanbieders zelf om te bepalen of en zo ja in welke mate zij het eventuele voordeel van lage financieringskosten doorberekenen middels een lagere hypotheekrente. Daarnaast zijn andere variabelen van invloed op de hoogte van de hypotheekrente. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) benoemt in haar studie «Concurrentie op de hypotheekmarkt» van 18 april 2013 de financieringsopslag, hypotheekspecifieke risico-opslagen en een opslag voor operationele kosten.2 Verder kunnen de totale omvang van de hypotheekportefeuille op de balans, strategische doelstellingen en concurrentie afwegingen van invloed zijn op het prijsbeleid van aanbieders. Een gezonde en goed werkende hypotheekmarkt vergroot de kans dat middels concurrentie druk op de prijzen ontstaat. Dit onderwerp heeft dan ook mijn continue aandacht en die van mijn collega’s van Economische Zaken en voor Wonen en Rijksdienst.
De ACM heeft aangegeven dat capaciteitsrestricties en een gebrek aan toetreding de belangrijkste redenen zijn waarom de marges op Nederlandse hypotheken de afgelopen jaren zijn gestegen. Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om deze belemmeringen weg te nemen. Naast het gegeven dat de afgelopen jaren duidelijk is geworden dat banken met lage kapitaalratio’s kwetsbaar zijn en dat banken hun kapitaalpositie dienen te versterken, is de hoge Nederlandse hypotheekschuld een belangrijke oorzaak van de capaciteitsrestricties die aanbieders ervaren. Met de recente maatregelen op de hypotheekmarkt wordt de groei van de hypotheekschuld afgeremd en worden de risico’s voor de consument en de aanbieder verkleind.3 Dat kan de financierbaarheid van de Nederlandse hypotheekportefeuilles vereenvoudigen wat kan resulteren in een drukkend effect op de hoogte van de rente. Bovendien maken deze maatregelen het eenvoudiger voor buitenlandse toetreders om de Nederlandse markt te betreden wat de concurrentie op de hypotheekmarkt kan vergroten.
Daarnaast zijn met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit Financiële Markten 2013, verschillende maatregelen van kracht geworden die de werking van de hypotheekmarkt verbeteren en de positie van de consument versterken.4
Bovendien is de ACM een studie gestart naar mogelijkheden voor verbetering van de marktwerking in de bancaire sector, waaronder de hypotheekmarkt. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de toetredingsmogelijkheden op de markt. Op korte termijn zal ik de Tweede Kamer tevens de visie op de Nederlandse bancaire sector toesturen waarbij ook zal worden stilgestaan bij de concurrentie in de bancaire sector.
Bent u bereid om met de banken in overleg te treden om te bespreken hoe zij, mede gelet op dit ECB-besluit, de hypotheekrente naar beneden kunnen en gaan brengen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
FRAGO 242 |
|
Jasper van Dijk (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen dat de achtereenvolgende Nederlandse detachementscommandanten die opereerden onder het commando van het Britse hoofdkwartier MND-SE niet bekend waren met FRAGO 242?1
Ja.
Kunt u aangeven of FRAGO 242, anders dan bij de detachementscommandanten, wel bekend was bij het Nederlandse contingentscommando bij het Britse regionale hoofdkwartier MND-SE, waaronder Stabilisation Force Iraq (SFIR) viel?
Voor de beantwoording van de eerdere vragen zijn de archieven van de detachementscommandanten, de contigentscommandando’s en de directie operaties van het ministerie van Defensie onderzocht en is met personeel gesproken dat destijds betrokken was bij de uitvoering van de missie. FRAGO 242 of verwijzingen hiernaar zijn hierbij niet aangetroffen.
De bereikbaarheid van de jachthaven van Schiermonnikoog |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de afnemende bereikbaarheid van de jachthaven van Schiermonnikoog omdat de jachthaven dit jaar niet wordt uitgebaggerd?
Ja. Ik heb vernomen dat de gemeente Schiermonnikoog in 2012 heeft besloten om in 2013 de jachthaven niet uit te baggeren.
Klopt het dat het vanwege nieuwe Natura 2000-regelgeving niet langer mogelijk is om het slib dat loskomt bij het uitbaggeren van de vaargeul in deze jachthaven, direct naast deze jachthaven te storten en te gebruiken voor kweldervorming?
Enkele jaren na aanleg van de jachthaven begin jaren negentig is de gemeente wegens onvoldoende capaciteit van het baggerdepot begonnen om zonder vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet de onderhoudsbagger te storten op het wad ten oosten van de jachthaven. Dit was ook toen al een activiteit die had moeten worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet. In de loop van jaren heeft dit geleid tot een voortschrijdende aantasting en verruiging van het ter plaatse aanwezige beschermde habitattype (waarvoor een behoudsdoelstelling geldt).
In 2007 is door het toenmalige ministerie van LNV aan de gemeente verzocht om wegens deze voortschrijdende aantasting een betere oplossing te vinden voor het verspreiden van de onderhoudsbagger uit de jachthaven.
De gemeente heeft desondanks in 2009 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet aangevraagd voor het verspreiden van baggerspecie wederom ten oosten van de jachthaven onder de vermelding dat naar verwachting hierdoor langs de waddendijk een kwelder zou ontstaan. Hierbij was nog geen nader onderzoek gedaan op grond waarvan natuurlijke kwelderontwikkeling verwacht mocht worden. Na overleg met de gemeente over het ontbreken van de voor de beoordeling benodigde informatie is de gemeente in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie alsnog in te dienen. Omdat de gemeente hiervan geen gebruik heeft gemaakt is de aangevraagde vergunning in 2010 geweigerd.
Bent u er bekend mee dat de betrokken natuurpartijen vinden dat het slib uit deze jachthaven wel voor kweldervorming kan worden gebruikt, omdat deze jachthaven schoon slib heeft en heel kleinschalig en bijzonder is? Wat vindt u van de mening van deze natuurpartijen?
Ja, ik ben hiermee bekend. Ook in het kader van het programma «Naar een Rijke Waddenzee» wordt deze mogelijkheid verkend. De milieuhygiënische kwaliteit van het beschikbare baggerslib is echter slechts één van de aspecten die relevant zijn voor de beoordeling of kweldervorming realiseerbaar is. Naar overige relevante aspecten heeft nog onvoldoende nader onderzoek plaatsgevonden.
Zijn er maatregelen te treffen om de afvoer van slib naar de daarvoor gebruikelijke plek in de nabijheid van de haven alsnog mogelijk te maken?
Tot vorig jaar heeft de gemeente gebruik kunnen maken van het bestaande baggerdepot. Dat depot zit bijna vol. De gemeente heeft een verkennend gesprek gevoerd met Rijkswaterstaat over de mogelijkheid om de onderhoudsbagger via het toekomstig onderhoudscontract van Rijkswaterstaat te laten afvoeren naar een verspreidingslocatie voor baggerspecie in de Waddenzee. In het najaar ontstaat hierover meer duidelijkheid.
Herkeuring van jonggehandicapten |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het getuigen van een betrouwbare staatssecretaris wanneer u in januari van dit jaar met trots verkondigt dat jonggehandicapten niet massaal aan een herkeuring zullen worden onderworpen om nog geen vijf maanden later het tegenovergestelde te doen?1 2
De beoordeling op arbeidsvermogen van het zittend bestand van de Wajong en de overdracht van mensen met arbeidsvermogen naar gemeenten is opgenomen in het sociaal akkoord3. Samen met sociale partners is het kabinet tot een pakket gekomen waar ik achter sta. De meerwaarde van het sociaal akkoord is dat de sociale partners zich nu ook hebben verbonden aan de doelstelling om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Werkgevers stellen zich (oplopend tot 2026) garant voor 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen en voor mensen met een arbeidsbeperking die minimaal het wettelijk minimumloon kunnen verdienen door gebruik te maken van een voorziening gericht op persoonlijke ondersteuning op de werkplek. Daarnaast stelt de overheid zich garant voor 25.000 extra banen voor deze groep. De afspraken uit het sociaal akkoord verbreden het draagvlak voor de Participatiewet en daarmee het draagvlak om meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. Dat doel heeft altijd voorop gestaan.
Is al bekend hoe de herkeuringen eruit zullen zien? Zo ja, hoe en wat? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u nu al spreekt over aantallen wajongers die na herkeuring in de bijstand zullen belanden of het recht op uitkering volledig verliezen vanwege partnertoets en/of gezinsbijstand?3 4 5
Zoals ik in mijn brief van 27 juni7 heb gemeld, zullen de Wajongers, conform het sociaal akkoord, worden beoordeeld op arbeidsvermogen. Hoe beoordeling van het zittend bestand van de Wajong precies zal worden vormgegeven wordt nog nader uitgewerkt. De aantallen die ik in de media heb genoemd, komen voort uit ramingen die zijn gemaakt op basis van gegevens van het UWV. Ook het moment waarop mensen overgaan naar gemeenten wordt nader uitgewerkt in overleg met VNG, UWV en sociale partners. Het is voor de mensen die het betreft van belang dat deze overgang zorgvuldig zal plaatsvinden.
Hoe kan het dat u vorige week sprak over 190.000 wajongers die in de bijstand zullen belanden na herkeuring en in de Nieuwsuur uitzending van 6 juli 2013 spreekt over 130.000 wajongers? Goochelt u met wajongers of hoe zit het anders?6 7 8
Volgens de ramingen zijn er aan het eind van 2014 ongeveer 240.000 Wajongers. De inschatting is dat 100.000 hiervan geen arbeidsvermogen hebben. Zij behouden hun Wajong-uitkering.
Waarom spreekt u wel in de media over aantallen wajongers die na herkeuring in de bijstand zullen belanden maar heeft u verzuimd dit in de brief aan de Tweede Kamer te melden?9
Conform mijn eerdere toezegging aan de Tweede Kamer heb ik u in mijn brief van 27 juni op hoofdlijnen geïnformeerd over de vormgeving van de Participatiewet na het sociaal akkoord.
Gelet op het feit dat in de media verschillende aantallen circuleerden en om onnodige onrust voor de mensen die het betreft te voorkomen, heb ik besloten om inzicht te geven in de ramingen van het UWV.
De “guidelines on the promotion and protection of freedom of religion or beliefs” |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u kennisgenomen van de «guidelines on the promotion and protection of freedom of religion or beliefs», aangenomen op de Raad Buitenlandse Zaken van 24 juni jl, waarin precies beschreven wordt wat de EU verstaat onder vrijheid van godsdienst en hoe zij die toepast in haar beleid naar andere landen met zeer precieze richtlijnen onder andere op het gebied van gewetensbezwaren en een zeer beperkte uitleg van de wijze waarop mensen hun godsdienst in groepsverband mogen belijden als recht?
Deze richtsnoeren zijn besproken in de Raadswerkgroep Mensenrechten (COHOM).
Wat is de reden dat noch de geannoteerde agenda van 14 juni, noch het verslag van 27 juni ook maar één woord aandacht schonk aan het voorgenomen en het genomen besluit?
De richtsnoeren zijn tijdens de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 24 juni jl. niet inhoudelijk besproken. Zij vormen een uitwerking van de mensenrechtenstrategie die werd aangenomen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 juni 2012. De positie van Nederland is voorafgaand aan deze Raadsbijeenkomst met uw Kamer afgestemd. Zoals tijdens het AO godsdienstvrijheid van 15 mei jl. aan uw Kamer toegezegd, wordt uw Kamer per brief over de aanname van deze richtsnoeren geïnformeerd. Dit geldt ook voor de richtsnoeren over de rechten van LHBT-personen. In het overleg van 15 mei jl. heb ik u geïnformeerd dat de richtsnoeren over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarschijnlijk bij de RBZ in juni zouden worden aangenomen.
Herinnert u zich dat de fracties van CU, SGP en CDA u een initiatiefnota godsdienstvrijheid aangeboden hebben in het debat over godsdienstvrijheid op 15 mei jl. en dat u daarin zei: «Als de mensenrechtenbrief in de Kamer besproken is, ga ik proberen daar ook in Europees verband meer steun voor te krijgen. Dan zal ik ook navraag doen naar de strategie. In dat kader zal ik een en ander aan de Kamer terugkoppelen.»?
Ja. Ik heb toegezegd te zullen proberen in Europees verband steun te krijgen voor de mensenrechtenbrief – nadat die in de Kamer is besproken – en daarbij ook navraag te doen naar de stand van de uitvoering van de EU-strategie mensenrechten. De aanname van deze richtsnoeren, maar vooral de uitwerking ervan, is deel van de uitvoering van die EU-strategie.
Heeft u, nu deze richtlijnen besproken werden voordat de mensenrechtennota in de Kamer besproken is, het idee om ook in Europees verband een ranglijst van vervolgde religieuze minderheden en godsdienstvrijheid besproken? Zo ja, hoe was de reactie en zo nee, wanneer zult u dat wel doen?
Nee. Zoals toegezegd aan de Kamer zal ik de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, als onderdeel van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, in EU-verband bespreken nadat de mensenrechtennota in de Kamer is besproken.
Deelt u de mening dat het zeer gepast geweest zou zijn als u van tevoren gemeld zou hebben dat deze richtlijnen, die gelden voor het buitenlands beleid van de Unie en opgesteld waren in het Europees Parlement en daar goedgekeurd, ter besluitvorming voorlagen in de Europese Raad en dat u dan het Nederlandse parlement in staat gesteld zou hebben zich hier een mening over te vormen?
Tijdens het AO godsdienstvrijheid is de Kamer geïnformeerd dat de RBZ de richtsnoeren waarschijnlijk in juni zou aannemen. Het document is niet opgesteld in het Europees Parlement, maar door de Raadswerkgroep Mensenrechten, en vastgesteld door de Raad. Het Europees Parlement heeft wel aanbevelingen gedaan aan de Raad. De richtsnoeren vormen een publiek document waarover de Kamer zich uiteraard een mening kan vormen.
Op welke wijze gaat u het Nederlandse parlement in staat stellen zich een oordeel te vormen over deze richtlijnen en die mee te laten wegen in de besluitvorming?
Zie antwoord vraag 5.
Staat het Nederlandse parlement nu voor een voldongen feit bij het besluit over aanname van deze richtlijnen over godsdienstvrijheid?
De richtsnoeren vormen deel van de uitvoering van de met uw Kamer besproken Mensenrechtenstrategie van de EU. Zij helpen EU-delegaties en ambassades van lidstaten – waaronder Nederlandse vertegenwoordigingen – het EU-mensenrechtenbeleid uit te voeren. Op basis van hun terugkoppeling zal te zijner tijd evaluatie van de richtsnoeren plaatsvinden. Uiteraard zijn ook de meningen van onder andere het Europees Parlement, nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld over de uitvoering van dit beleid van belang.
De uitzending 'Zwarte Zwanen, gokken met uw pensioenpremie' |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Zwarte Zwanen, gokken met uw pensioenpremie» die 1 juli jl. door omroep MAX is uitgezonden? Zo ja, wat was daarop uw reactie?
Ja. In het programma werd ingegaan op de pensioenwereld. Onder andere werd stilgestaan bij het fenomeen «zwarte zwanen». Dat zijn gebeurtenissen waarvan beleggers nu nog niet (kunnen) weten dat het een risico is. Aandacht voor het onderwerp pensioen in de media bezie ik als positief. Het is van belang dat mensen betrokken worden bij het debat over dit onderwerp.
Kunt u aangeven hoe het toezicht is geregeld op alle verschillende partijen die betrokken zijn bij het beleggen van pensioengeld in Nederland en soms ook ver daarbuiten? Wie is waar verantwoordelijk voor? Is dit toezicht vanwege de mate van versnipperdheid überhaupt wel praktisch uitvoerbaar?
Het bestuur van een pensioenfonds is verantwoordelijk voor het pensioenfonds. De Pensioenwet bevat tal van normen waaraan het fondsbestuur zich moet houden. Het bestuur dient onder andere te zorgen voor een evenwichtige belangenafweging en zorg te dragen voor een beheerste bedrijfsvoering. DNB en AFM zien daar op toe.
Uw vraag gaat specifiek over de situatie van uitbesteding. Uitbesteding is één van de onderwerpen waar bestuurders een beslissing over moeten nemen. Als een fonds wil uitbesteden, dan is het eveneens aan de fondsbestuurders een goede uitbestedingsovereenkomst tot stand te brengen en er op toe te zien dat de partij waaraan uitbesteed wordt, het contract naleeft.
Met de 6 augustus in het Staatsblad gepubliceerde Wet versterking bestuur pensioenfondsen zullen bedrijfstakpensioenfondsen vanaf juli 2014 bovendien een Raad van Toezicht moeten hebben. Deze is verantwoordelijk voor het intern toezicht bij een fonds. De Raad van Toezicht is wettelijk belast met het toezien op adequate risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging door het bestuur. Uitbesteding valt daar ook onder.
De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten kijken ook ten aanzien van uitbesteding of de wettelijke regels worden nageleefd. En kijken daarbij onder andere naar het risicomanagement bij uitbesteding.
Daarnaast houden DNB en AFM op onderdelen toezicht op in Nederland gevestigde financiële instellingen waaraan fondsen kunnen uitbesteden, zoals vermogensbeheerders. Zo worden er minimumeisen gesteld aan het aan te houden kapitaal van vermogensbeheerders en zijn er nadere eisen aan de betrouwbaarheid en geschiktheid van de dagelijkse beleidsbepalers van zowel fondsen als vermogensbeheerders. Buitenlandse vermogensbeheerders vallen niet onder het toezicht van DNB en AFM, maar vallen binnen het toezichtregime van de betreffende landen.
Binnen het huidig regelgevend kader is het toezicht praktisch uitvoerbaar. Het kabinet heeft regelmatig contact met DNB en AFM over eventuele knelpunten in wetgeving die kunnen ontstaan door ontwikkelingen in de maatschappij of bij fondsen en vermogensbeheerders.
Zou er in het kader van toezicht een vergelijking te treffen zijn of moeten zijn met de civielrechtelijke regel dat een hoofdaannemer aansprakelijk is voor fouten van de door hem ingehuurde onderaannemers? Zo nee, zou u het wenselijk vinden een zodanige regel van toepassing te verklaren op de pensioenfondsen?
De situatie bij fondsen is vergelijkbaar met die bij aannemers. Deelnemers hebben civielrechtelijk de mogelijkheid het pensioenfonds aansprakelijk te stellen voor fouten door de partij waaraan is uitbesteed. Pensioenfondsbestuurders zijn verantwoordelijk voor het pensioen van hun deelnemers en dus ook voor de beslissing tot uitbesteding van taken, zoals het beleggen van een deel van het vermogen. Of een fonds in een specifiek geval aansprakelijk is, hangt uiteraard af van de omstandigheden van dat geval en is aan de rechter.
Vindt u het terecht dat er, in tijden dat er tot wel 6% gekort wordt op pensioenen van het pensioenfonds metaal en techniek, vijf miljoen euro wordt bijgestort in het pensioenfonds van de pensioenuitvoerder MN waarop niet gekort is, betaald uit het pensioenfonds metaal en techniek waarop wel gekort is? Als u dit niet vindt zou u dan bereid zijn maatregelen te nemen die moeten voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals kan gebeuren?
Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Het ondernemingspensioenfonds van MN heeft een privaatrechtelijke arbeidsvoorwaardelijke overeenkomst met het bedrijf MN. In dat kader is overeengekomen dat MN een storting doet ten behoeve van het pensioen van de eigen werknemers. Die storting is volgens MN gerealiseerd uit het bedrijfsresultaat van het bedrijf. Dat bedrijfsresultaat is onder andere afhankelijk van de mate waarin contractuele overeenkomsten met pensioenfondsen, zoals het pensioenfonds voor de metaal en techniek, op efficiënte wijze nagekomen kunnen worden.
Het pensioenfondsbestuur van PMT is zelf verantwoordelijk voor onderhandelingen met de pensioenuitvoeringsorganisatie over de prijs van de diensten die door de pensioenuitvoerder geleverd worden.
Deelt u de mening dat er meer openheid en transparantie moet komen over de hoogte van de kosten en de mate van risico die pensioenfondsen nemen? Bent u bereid dit juridisch te regelen?
Het is van groot belang dat pensioenfondsen transparant zijn over de uitvoeringskosten en risico’s die horen bij pensioen. Zowel de pensioensector als ikzelf werken hier hard aan.
De Pensioenfederatie heeft, in reactie op het rapport van de AFM over kosten in 2011 en de daarop volgende vraag vanuit de Tweede Kamer om transparantie van deze kosten, in november 2011 aanbevelingen uitgebracht ter verbetering van de rapportage over uitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten, gevolgd door gedetailleerdere aanbevelingen inzake vermogensbeheerkosten in maart 2012.
In juni 2012 stuurde ik u in dit kader bovendien het rapport «pensioen in duidelijk taal». Hierin staat onder meer dat de individuele deelnemer aan een pensioenregeling op eenvoudige wijze inzicht moet kunnen krijgen in de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van zijn pensioenregeling. Zo zou bijvoorbeeld op de website van een pensioenfonds op een toegankelijke en op de gebruiker afgestemde manier over uitvoeringskosten gecommuniceerd moeten worden. Pensioenfondsen zullen bovendien in het jaarverslag moeten ingaan op de uitvoeringskosten. Op dit moment wordt door mij bezien of dit juridisch vastgelegd moet worden. Ik onderzoek naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport hoe koopkrachteffecten en risico’s kunnen worden vertaald naar persoonlijk relevante informatie. Het doel is om koopkrachteffecten en risico’s op een uniforme wijze in op het individu gerichte pensioeninformatie te verwerken, zoals het pensioenregister. Ik ben voornemens een wetsvoorstel in te dienen om inzicht in risico’s voor de deelnemer te realiseren.
Deelt u de mening dat het aan pensioenopbouwers en gepensioneerden niet uit te leggen is dat er salarissen uitbetaald worden aan pensioenuitvoerders- en beleggers tot wel 60 maal de Balkenendenorm in tijden dat er op hun pensioen(opbouw) gekort moet worden?
Pensioenfondsen zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de contractuele relatie met partners waaraan zij uitbesteden vormgeven. Bij die verantwoordelijkheid hoort ook dat zij de invulling van de maatschappelijke componenten van het contract, zoals het beloningsbeleid bij de partners aan wie uitbesteed wordt, afwegen en hierover transparant zijn naar hun deelnemers. De wetgeving die dit ondersteunt is per augustus 2013 in werking getreden. Ik constateer daarbij dat fondsen ook zonder wetgeving hun verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld door in het programma «zwarte zwanen» een toelichting te geven op het door hen gevoerde beleid. Fondsbestuurders lieten in het programma blijken de salarissen van enkele organisaties waaraan zij uitbesteden bizar te vinden. Ik ben het hier mee eens. Zelf zal ik het onderwerp daarom waar opportuun uiteraard ook onder de aandacht van fondsen blijven brengen.
Deelt u de mening dat goede prestaties met een marktconform salaris beloond mogen worden maar dat er dan tevens een mogelijkheid moet zijn om slecht presteren te kunnen bestraffen, omdat er anders immers geen prikkel tot het nemen van voorzichtigheid is?
Het is inderdaad niet in het belang van de deelnemer als bestuurders en anderen die bijdragen aan een goede pensioenvoorziening voor de deelnemer eenzijdig beloond worden. Dat kan aanzetten tot het nemen van onverantwoorde risico’s. In dat kader heb ik in mijn besluit over onder andere beheerst beloningsbeleid opgenomen dat het beloningsbeleid van pensioenfondsen niet mag aanzetten tot het nemen van meer risico’s dan voor het pensioenfonds aanvaardbaar is. Bovendien moeten fondsen transparant zijn over het beleid dat zij hanteren ten aanzien van het beloningsbeleid van de partijen aan wie ze uitbesteden. Voor beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen gelden daarnaast ook (Europese) regels in het kader van beloningen, waarbij de nadruk ligt op beheersing van ongewenste effecten van variabele beloning op het nemen van risico’s. DNB en AFM zien hier op toe.
De schoolverlaterskorting in de bijstand |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u nog steeds van mening dat een opleiding de kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk kan vergroten en de kans op armoede en sociale uitsluiting kan verkleinen?1
Ja.
Acht u het in het kader van rechtsgelijkheid wenselijk dat schoolverlaters – die de opleiding succesvol hebben afgerond maar werkloos zijn – een schoolverlaterskorting van 20% voor de duur van 6 maanden krijgen als zij een bijstandsuitkering aanvragen?2
De Wet werk en bijstand (WWB) biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid op grond van artikel 28 de norm of de toeslag voor zes maanden lager vast te stellen bij schoolverlaters. De belanghebbende heeft tijdens de studieperiode zijn bestedingen afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering en zijn noodzakelijke bestaanskosten nemen niet onmiddellijk toe zodra de studieperiode is beëindigd en er een beroep op bijstand wordt gedaan. Het college heeft daarom de bevoegdheid de bijstand af te stemmen op de lagere noodzakelijke bestaanskosten van schoolverlaters tijdens hun studie. Gegeven dit uitgangspunt is van rechtsongelijkheid geen sprake.
Acht u het reëel dat alleenstaande ouders met minderjarige kinderen die zelfstandig wonen voor 6 maanden 20% gekort worden op de bijstandsuitkering en met hun kleine kind(eren) een half jaar onder het bestaansminimum moeten leven? Hoe verhoudt dit zich tot uw oproep aan gemeenten om specifieke aandacht te besteden aan de ondersteuning van kinderen die in armoede opgroeien?3
Het college kan rekening houden met de gezinssituatie van de aanvrager. Dat kan zowel categoriaal via de gemeentelijke verordening als individueel via afstemming van de bijstand op de (gezins-)omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
In dit verband wijs ik op mijn brief van 3 juli 2013 over intensivering van armoede- en schuldenbeleid aan uw Kamer waarin ik heb aangekondigd nadrukkelijk de aandacht van gemeenten te vragen voor ondersteuning van kinderen die in armoede opgroeien. In lijn met de regierol van gemeenten bij armoedebestrijding worden, mede ten behoeve van kinderen die in armoede opgroeien, extra middelen toegevoegd aan het gemeentefonds.
Bent u bereid om een uitzondering te maken op artikel 28 van de Wet Werk en Bijstand voor alleenstaande ouders met minderjarige kinderen? armoede- en schuldenbeleid
Gegeven doel en strekking van het artikel en de mogelijkheden van het college, zoals beschreven in de antwoorden op de vragen 2 en 3, zie ik geen aanleiding om in artikel 28 van de WWB een uitzondering te maken voor alleenstaande ouders met minderjarige kinderen.