Het bericht dat onbemande militaire vliegtuigen (‘drones’) steeds vaker in Nederland worden ingezet als opsporingsmiddel van de politie |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de politie in Nederland inmiddels veelvuldig gebruik maakt van onbemande militaire vliegtuigen die in bewoonde gebieden ongemerkt op 300 meter hoogte vliegen in het kader van de opsporing?1
Het klopt dat de politie meerdere malen gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde Raven van Defensie. Dit zijn onbemande vliegtuigjes die zijn uitgerust met een dag- en een nachtcamera en die op ca. 300 meter hoogte vliegen. De Ravens zijn ingezet in opsporingsonderzoeken en in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, bijvoorbeeld met als doel om een beter overzicht te verkrijgen van mensenmassa’s.
In 2012 zijn 14 aanvragen gehonoreerd om ten behoeve van de politie onbemande vliegtuigen van Defensie in te zetten. Drie aanvragen hadden betrekking op de handhaving van de openbare orde. De overige aanvragen werden gedaan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Een aanvraag kan meerdere vluchten betreffen. In totaal werden 112 vluchten aangevraagd. Of een aangevraagde vlucht ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd is onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden. In 2012 zijn 81 vluchten uitgevoerd door Defensie ten behoeve van de politie.
De ondersteuning van de politie door eenheden van Defensie, zowel bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid als bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, wordt gebaseerd op de bijstandsregeling uit hoofdstuk 5 Politiewet 2012 (voorheen hoofdstuk 5 Politiewet 1993). Met betrekking tot het opsporingsproces wordt de grondslag verder gevonden in de algemene politietaak uit artikel 3 van de Politiewet 2012 en in de omschrijving van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering waarin onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Hoeveel van deze vluchten zijn in 2012 boven Nederlands grondgebied uitgevoerd? Welke wettelijke grondslag hadden deze vluchten en in het kader van welke bevoegdheid?
Zie antwoord vraag 1.
Wat voor type onbemande vliegtuigen worden gebruikt voor deze vluchten boven Nederlands grondgebied en met welke apparatuur zijn deze toestellen uitgerust?
Voor de in antwoord op vraag 2 genoemde inzetten is steeds gebruik gemaakt van onbemande vliegtuigen van het type Raven. Voor de technische kenmerken en overige informatie over de (inzet van deze) apparatuur verwijs ik naar de brief die de Minister van Defensie uw Kamer op 26 maart 2013 heeft gestuurd.2
Beschikt de politie over eigen onbemande vliegtuigen of worden deze steeds bij defensie aangevraagd? Indien de politie over eigen toestellen beschikt, hoeveel heeft de aanschaf van deze toestellen gekost en is de politie voornemens om er meer aan te schaffen?
De Landelijke eenheid van de politie heeft de beschikking over enkele onbemande vliegtuigjes. Deze zijn in 2012 ingezet voor innovatiedoeleinden en onderzoek. Zij zijn met nadruk niet gebruikt voor opsporingsdoeleinden of in het kader van de handhaving van de openbare orde. De aanschaf van deze toestellen heeft in totaal € 183.291,00 gekost. Op dit moment wordt een politiebrede visie ontwikkeld op de inzet van onbemande vliegtuigen ten behoeve van politietaken. De ervaringen die zijn opgedaan, zowel met de toestellen van Defensie als die van de landelijke eenheid, worden hierin meegenomen. De uitkomsten hiervan zullen als basis dienen voor de besluitvorming over eventuele verdere aanschaf.
Wat zijn de kosten van de inzet van onbemande vliegtuigen boven Nederlands grondgebied en ten laste van wiens budget gaat dit?
De additionele uitgaven voor de inzet van de Raven ten behoeve van de politie (dat wil zeggen: de meeruitgaven die samenhangen met de specifieke inzet van militaire middelen en die niet zouden zijn gemaakt indien de inzet niet zou hebben plaatsgevonden) zijn afhankelijk van de individuele casus. De kosten van inzet liepen in 2012 uiteen van 2351 euro voor een dagdeel tot 34079 euro voor een langdurige inzet. De uitgaven die samenhangen met het verlenen van militaire bijstand worden verrekend op grond van het Convenant inzake de financiering nationale inzet krijgsmacht (FNIK). Hiervoor hebben het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging Nederlandse Gemeenten structureel een bedrag overgeheveld naar het ministerie van Defensie. Het ministerie van Defensie verantwoordt deze additionele uitgaven onder artikel 1, «Inzet», van de Defensiebegroting.
Wie is juridisch aansprakelijk voor de inzet van een onbemand vliegtuig, de eigenaar of de gebruiker?
In het algemeen berust de juridische aansprakelijkheid voor het gebruik van een onbemand luchtvaartuig bij de bedienaar, de operator en eigenaar van dit luchtvaartuig. Voor zover een onbemand vliegtuig van Defensie op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie wordt ingezet is afgesproken dat deze, behoudens opzet of grove schuld aan de zijde van Defensie, de aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van de inzet aanvaardt.
Hoe verloopt de besluitvorming over de inzet van deze toestellen en de toetsing aan de juridische kaders? Wie geeft er toestemming voor de inzet?
Op grond van artikel 58 van de Politiewet 2012 bepaalt de Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de minister van Defensie, of en op welke wijze bijstand wordt verleend. De aanvragen worden ingediend door het bevoegd gezag. Dit is de burgemeester voor zover de inzet van een Raven wordt gevraagd bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid, en de officier van justitie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De aanvraag van de officier van justitie verloopt via het College van procureurs-generaal.
Op welke wijze wordt voorzien in de vereiste speciale training en accreditatie, volgens de eisen van de luchtvaartwetgeving, om boven bevolkte delen van Nederland te kunnen en mogen vliegen? Moet een vlucht met een onbemand vliegtuig boven een bepaalde hoogte gemeld worden aan de luchtverkeersleiding?
Operators van de onbemande luchtvaartuigen van Defensie dienen de status van expert operator te hebben. Om deze status te verkrijgen wordt een opleidingsprogramma gevolgd. Om deze status te behouden wordt de praktische en theoretische bekwaamheid van de operator periodiek beoordeeld. Of een vlucht al dan niet moet worden aangemeld bij de luchtverkeersleiding is afhankelijk van de luchtverkeersregels die gelden in het betreffende luchtruim; daarbij maakt het geen verschil of een vlucht bemand of onbemand is. In de praktijk worden alle vluchten met onbemande vliegtuigen vooraf bekend gesteld bij de luchtverkeersleiding.
Voor de onbemande vliegtuigen van de politie zijn, ter voorbereiding om te komen tot een formele politie UAS-organisatie (Unmanned Aerial Services), enkele medewerkers van de Landelijke eenheid opgeleid en geëxamineerd voor de opleiding «Basistraining Rotorcraft UAS-vlieger» bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) in Amsterdam.
Voor recreatieve vluchten met civiele onbemande luchtvaartuigen (modelluchtvaartuigen) geldt een maximale hoogte van 300 meter. Voor vluchten binnen een gecontroleerd luchtverkeersgebied (Luchtruim Klasse C), moet, naast de wettelijke basis(vergunning), een convenant met de luchtverkeersleiding zijn afgesloten. De luchtverkeersleiding kan daarin andere maximale hoogtes opnemen. In de ontheffingen voor bedrijven die werken met lichte onbemande luchtvaartuigen wordt een maximale vlieghoogte van 120 m boven grond of water aangehouden.
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat informatievergaring vanuit de lucht, die met laagvliegende onbemande vliegtuigen bijzonder gedetailleerd kan zijn, niet in strijd is met privacyregels?
De Raven opereert op een hoogte van ongeveer driehonderd meter. Op deze hoogte is de beeldkwaliteit van de daglichtcamera onvoldoende voor gezichtsherkenning. De nachtcamera produceert een tweekleurig beeld waarbij slechts de contouren van warmtebronnen worden weergegeven. Een en ander impliceert dat de camera’s wel beelden kunnen produceren waarop personen zijn te zien, doch geen beelden waarop deze personen herkenbaar zijn.
De beelden die met de Raven worden gemaakt worden rechtstreeks doorgezonden naar een grondstation en worden veelal «live» meegekeken door de politie. Ze dienen ter ondersteuning voor het nemen van beslissingen op de grond. Aan het einde van een inzet worden de beelden door Defensie overgedragen aan de politie. Deze bewaart ze uitsluitend voor zover ze relevant zijn voor het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek. Mogelijk zijn deze beelden later, als andere gegevens of informatie in het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek beschikbaar komen, in combinatie met die gegevens of informatie tot een persoon te herleiden. In zoverre zijn het persoonsgegevens die onder het regime van de Wet politiegegevens dan wel de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens vallen. Zie hierover verder het antwoord op vraag 10.
Heeft informatie verzameld met de inzet van onbemande vliegtuigen geleid tot rechtsvervolging op basis van die informatie? Zo ja, in hoeveel gevallen en met welk resultaat? Kan een burger over wie informatie is verzameld, bijvoorbeeld beeldmateriaal, daar inzage in krijgen? Wat gebeurt er met de verzamelde gegevens en na hoeveel tijd worden deze vernietigd?
In enkele henneponderzoeken heeft de inzet van een Raven daadwerkelijk geleid tot de vervolging van verdachten. De warmtebeelden van de Raven leidden tot aanwijzingen voor de aanwezigheid van een kwekerij. In combinatie met aanwijzingen uit het politie-onderzoek heeft dit geleid tot een verdenkingen voor overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen zijn vervolgens diverse kwekerijen ontmanteld. De inzet van de Raven is in deze gevallen in het strafdossier vastgelegd en de beelden van de betreffende woningen zijn bij het proces-verbaal gevoegd.
Personen kunnen, binnen de restricties die respectievelijk de Wet politiegegevens en de Wet strafvorderlijke en justitiële gegevens daaraan verbinden, inzage krijgen in hun persoonsgegevens zoals die in datasystemen bij de politie en bij het OM zijn verzameld. Die inzage zou zich in theorie ook uit kunnen strekken over de beelden van een Raven, voor zover zij op persoonsniveau aan de dossiers zijn toegevoegd.
Is het waar dat binnen de politie een werkgroep is opgezet voor nationale coördinatie van zogeheten drone-activiteiten? Zo ja, wat houdt de coördinatie van deze werkgroep precies in en ten aanzien van welke instanties en langs welke juridische maatstaven zal deze werkgroep activiteiten nationaal monitoren? Onder wiens gezag functioneert deze werkgroep?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4.
Worden burgers geïnformeerd over vluchten door laagvliegende onbemande toestellen boven het door hen bewoonde gebied? Zo ja, op welk moment en op welke wijze? Wordt het lokale bevoegd gezag voor de openbare orde en de desbetreffende gemeenteraad actief en op voorhand op de hoogte gebracht van de inzet van onbemande vliegtuigen?
Er is geen standaard manier om burgers over onbemande vluchten boven bewoond gebied te informeren. Deze worden overigens alleen in bijzondere omstandigheden toegestaan. In het antwoord op vragen 13 en 14 ga ik hier verder op in. Dit antwoord gaat ook in op de betrokkenheid van de (regio)burgemeester, die veelal nauw betrokken is bij of zelfs het verzoek heeft gedaan tot het uitvoeren van de onbemande vluchten.
Verder is van belang dat militaire onbemande luchtvaartuigen alleen mogen vliegen in een bijzonder luchtverkeersgebied (BVG) en in militaire plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden. Een BVG voor militaire onbemande luchtvaartuigen wordt ingesteld door de Minister van Defensie in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. De betreffende beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd. In 2012 was sprake van 30 BVG’s. In de helft daarvan is besloten de beschikking pas achteraf te publiceren. Overige luchtvarenden worden voorafgaand aan de inzet geïnformeerd via een uit te geven NOtice to AirMen (NOTAM). Vliegers zijn verplicht voor hun vlucht de NOTAMS te raadplegen. Deze informatie wordt in uitzonderlijke gevallen verstrekt via de luchtverkeersleiding. Militaire onbemande luchtvaartuigen worden alleen boven bewoond gebied ingezet op specifiek verzoek van het bevoegd gezag.
Voor civiele onbemande luchtvaartuigen is de meldingsplicht (via een NOTAM) opgenomen in de ontheffing. In het antwoord op vragen 13 en 14 ga ik hier verder op in.
Welke nationale en lokale (overheids)diensten maken nog meer gebruik van onbemande vliegtuigen voor patrouilles boven bewoond gebied in Nederland en hoe is de besluitvorming en het toezicht daarop geregeld?
Naast de politie maken nationale en lokale (overheids)diensten als brandweer en Rijkswaterstaat gebruik van onbemande luchtvaartuigen. Zij doen dit vooral door commerciële dienstverleners in te huren. De branchevereniging voor onbemande luchtvaartuigen in Nederland, DARPAS, heeft aangegeven dat de sector momenteel uit ruim 100 bedrijven bestaat, van consultancybedrijven tot fabrikanten van onbemande luchtvaartuigen. Typische operaties die door deze bedrijven worden uitgevoerd zijn: foto-/videorapportages vanuit de lucht van gebouwen, terreinen of evenementen, inspecties van industriële objecten, windmolens, hoogspanningsmasten, pijpleidingen, luchtobservaties van mensenmassa’s, branddetectie en -monitoren, milieuhandhaving in natuurgebieden, opsporen van drenkelingen, en landmeetkundige diensten voor onder andere gemeentes en projectontwikkelaars.
Aangezien de kwaliteitseisen aan luchtvaartuigen, operators en piloten nog in ontwikkeling zijn, wordt alleen gevlogen boven bewoond gebied als er sprake is van een groot maatschappelijk belang (te duiden door de (regio)burgemeester) in combinatie met een operationeel plan waaruit blijkt dat de risico’s tot het minimum zijn beperkt (betrouwbaar systeem, zeer ervaren vliegers, georganiseerd werkend bedrijf). De inzet van onbemande vliegtuigen door particulieren gebeurt hierdoor nagenoeg altijd op afstand (minimaal 150 meter) van mensenmenigten, bebouwd gebied, kunstwerken, industrie- en havengebieden, openbare wegen en spoorlijnen.
Om de recente toename van civiele operaties gecontroleerd en veilig te laten verlopen stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport sinds 2012 de eis dat de operator over een ontheffing voor operator, luchtvaartuig en bestuurder beschikt tijdens de operatie. Voor alle afgegeven ontheffingen geldt dat de vluchten alleen mogen worden uitgevoerd binnen zichtafstand van de vlieger tot een hoogte van 120 meter en tot een horizontale afstand van 500 meter van de vlieger.
Welke particulieren maken nog meer gebruik van onbemande vliegtuigen voor patrouilles boven bewoond gebied in Nederland en hoe is de besluitvorming en het toezicht daarop geregeld?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe verhoudt de inzet van onbemande vliegtuigen voor opsporingsdoeleinden zich tot de motie Voordewind c.s.2 waarin wordt gesproken over inzet in Nederland in het kader van bijvoorbeeld het patrouilleren op zee, dijkbewaking en het in goede banen leiden van grote groepen mensen?
De inzet van onbemande vliegtuigen zoals die thans in Nederland plaatsvindt en in de voorgaande vragen is besproken is in lijn met deze motie.
Hoe verhoudt de inzet van onbemande vliegtuigen voor civiele doeleinden zich tot het onderzoek dat minister van Buitenlandse Zaken door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) laat uitvoeren naar de rechtmatigheid en voorwaarden voor het gebruik van «drones» voor defensiedoeleinden?
De vragen aan de CAVV hebben betrekking op de inzet van onbemande bewapende vliegtuigen. De inzet van onbemande vliegtuigen in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid of de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft onbewapende vliegtuigen.
Waarom is het gebruik van onbemande vliegtuigen in het Nederlandse luchtruim niet opgenomen in de luchtruimvisie van de regering? Bent u voornemens om dit op korte termijn alsnog hierin op te nemen?
In de luchtruimvisie wordt het gebruik van onbemande luchtvaartuigen wel genoemd. Momenteel vinden onbemande vluchten echter vooral plaats in delen van het luchtruim waar normaliter slechts zeer beperkt bemand luchtverkeer vliegt. In de toekomst wordt een toename van het aantal vluchten met onbemande luchtvaartuigen verwacht. Daarbij zal ook sprake kunnen zijn van nieuwe toepassingen, waardoor bemande en onbemande luchtvaartuigen wel in hetzelfde luchtruim zullen vliegen.
Het propageren van mensenoffers en kannibalisme in Egypte |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «the promotion of human sacrifice and cannibalism in Egypt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat de Al-Azhar universiteit bevordert dat leerlingen lesmateriaal krijgen waarin het doden en eten van afvalligen wordt goedgekeurd?
Het aangehaalde materiaal betreft geen moderne, academische leerstelling of aanmoediging, maar refereert aan theoretische stellingen van enkele willekeurige denkers uit de historie van de islam.
Wordt deze universiteit direct of indirect gesubsidieerd door Nederland of door de Europese Unie en/of wordt er door Nederland of door Nederlandse universiteiten samengewerkt met deze universiteit? Zo ja, wilt u bevorderen dat hiermee zo snel mogelijk wordt gestopt?
Er is geen directe of indirecte subsidiëring van deze universiteit door Nederland of de Europese Unie. Wel is Al-Azhar als instelling, net als de koptische kerk, deelnemer aan een door Nederland gefinancierde interreligieuze dialoog. Er is geen aanleiding of intentie om deze samenwerking stop te zetten.
Hoe beoordeelt u de overige gevallen van het aanmoedigen c.q. goedkeuren van mensenoffers c.q. kannibalisme door geestelijke autoriteiten en geleerden in Egypte en Saoedi-Arabië?
Ik ben met dergelijke gevallen niet bekend.
Deelt u de mening dat de islam tot op de dag van heden moslims inspireert tot het propageren van barbaarse en onmenselijke praktijken? Welke consequenties verbindt u hieraan voor uw beleid ten opzichte van islamitische staten?
Nee. Het kabinet verbindt hier geen consequenties aan.
Kinderen die noodgedwongen bij hun ouders moeten aankloppen ondanks een ontbrekende band of voogdij |
|
Jasper van Dijk (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de geanonimiseerde brief, die melding maakt van het feit dat een kind, om in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullende beurs, contact op moet nemen met de vader waarmee het kind geen contact heeft omdat vader de moeder heeft vermoord?1
Hoeveel leerlingen of studenten moeten noodgedwongen contact opnemen met een ouder, waarmee een slechte of ontbrekende relatie is (bijvoorbeeld vanwege mishandeling, verdwijning of detentie), om op die manier in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullende beurs? Wanneer u het antwoord niet heeft, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen of studenten komen niet in aanmerking voor een aanvullende beurs omdat zij – om welke reden dan ook – onmogelijk in contact kunnen komen met hun ouder(s) vanwege zulke extreme omstandigheden? Wanneer u het antwoord niet heeft, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel ouders, die niet het ouderlijk gezag hebben omdat er sprake is van een voogdij-maatregel, hebben kinderen die wel een aanvullende beurs ontvangen? Hoeveel ouders hebben kinderen bij wie het niet lukt deze aanvullende beurs te ontvangen? Wanneer u het antwoord niet heeft, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, wanneer een ouder geen voogdij meer heeft, het kind niet aan zou hoeven kloppen bij deze ouder om in aanmerking te komen voor een aanvullende beurs? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met een oplossing te komen voor leerlingen of studenten in dergelijke zeer moeilijke situaties, zodat zij niet financieel «gestraft» worden voor het (wan)gedrag van hun ouder(s)?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over het slachtofferbeleid op 28 maart a.s.? Zo nee, waarom niet?
De politieke participatie van vrouwen in de MENA-regio |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
In hoeverre maakt het fonds dat op 8 maart jl.1 door u is aangekondigd onderdeel uit van de Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW)? Of bent u voornemens om dit in een apart fonds onder te brengen?
Het oorspronkelijke FLOW-fonds heeft 34 partners. Het «Women on the Frontline» programma wordt betaald uit de ophoging van 10 miljoen die voor FLOW middels een amendement van de Tweede Kamer beschikbaar is gesteld. Zo worden onze inspanningen in de MENA-regio uitgebreid.
Op grond van welke overwegingen heeft u gekozen voor de landen Syrië, Bahrein, Jemen, Irak, Egypte, Tunesië en Libië?
Het overkoepelende doel van het Women on the Front Line-programma is het versterken van vrouwenorganisaties in het Midden-Oosten en Noord-Afrika om de volledige en gelijkwaardige participatie van vrouwen in de veranderende samenlevingen in deze regio te bevorderen, in het bijzonder in Tunesië, Egypte, Libië, Jemen, Bahrein, Syrië en Irak. Om dit overkoepelende doel te bereiken zijn er op twee niveaus subdoelen geformuleerd.
Deze landen zijn gekozen tegen de achtergrond van het proces van maatschappelijke transformatie, waarin zij zich bevinden. Een ander aspect is de meerwaarde (kennis, contacten, etc.) die de uitvoerende organisaties Hivos, Oxfam Novib en PricewaterhouseCoopers (PwC) hebben in deze landen. Daarnaast kunnen naast deze landen ook regionale (MENA) initiatieven worden ondersteund. Deze regionale partners kunnen ook in andere landen werkzaam zijn.
Wat zijn de exacte doelstellingen van het fonds?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het fonds op alle afzonderlijke landen toegespitst (tailer made) of is er sprake van een one-size-fits-all aanpak?
Het fonds ondersteunt tailor-made de geselecteerde organisaties in hun werk en aanpak.
Is ten aanzien van het toegezegde geld ook steeds voorzien in evaluaties over onder meer bestedingen en behaalde resultaten? Zo ja, op welke wijze, door wie en wanneer vinden deze evaluaties plaats?
Ja, Hivos levert jaarlijks een financiële en inhoudelijke rapportage (over de bestedingen en behaalde resultaten) aan het ministerie. Na afloop van het programma levert Hivos een inhoudelijke en financiële eindrapportage en evaluatie in.
Alle interne procedures en regelgeving van Hivos zijn ISO 9001:2000 gecertificeerd en alle procedures worden gedocumenteerd in het Hivos kwaliteitshandboek. De naleving van deze procedures wordt geverifieerd door externe accountants. Hivos legt regelmatig projectbezoeken af en één keer per jaar vinden regionale consultaties plaats waarbij voortgang, uitdagingen en kansen worden besproken. Bevindingen worden teruggekoppeld aan het ministerie.
Op welke wijze zijn de subsidies van FLOW het afgelopen jaar besteed? Welk deel is precies naar de stimulatie van politieke participatie van vrouwen in de MENA-regio gegaan en hoeveel geld was met dit deel gemoeid?
Aan FLOW is het afgelopen jaar € 21.164.054 besteed. Het betreft subsidies conform contracten met 34 organisaties die eerder geselecteerd zijn voor een 4-jarige subsidie. Een tweetal van deze partners houdt zich bezig met het vergroten van politieke en economische participatie van vrouwen in de Arabische regio. Het totaal van hun budget is € 1.200.000.
Bent u op de hoogte van het «Know Me Initiative», dat gericht is op aanmoediging van politieke participatie van vrouwen en deelt u de mening dat dit initiatief van belang is voor de participatie van vrouwen en actieve steun vanuit Nederland behoeft?2 Zo ja, op welke wijze zal Nederland dit initiatief steunen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben op de hoogte van dit initiatief. Het is een nieuw initiatief van de organisatie International Centre for Development. Ik ben niet van mening dat dit initiatief steun vanuit Nederland behoeft, omdat het een niet-gespecialiseerde organisatie betreft zonder aangetoonde ervaring en expertise op dit thema. Verder constateer ik dat er reeds verschillende andere waardevolle projecten op dit terrein ondersteund worden.
Hoe ziet u de rol van het maatschappelijk middenveld in de MENA-regio bij het bevorderen van politieke participatie van vrouwen?
Actief burgerschap en een sterk maatschappelijk middenveld zijn essentieel voor vrouwen om op te komen voor hun belangen, ook in de MENA-regio. Op deze manier proberen zij ongelijke machtsverhoudingen die ten grondslag liggen aan gender ongelijkheid te wijzigen. Sterke effectieve vrouwenorganisaties vertegenwoordigen de belangen van vrouwen en eisen noodzakelijke veranderingen in het machtssysteem van een land om gelijkwaardige politieke en economische participatie van vrouwen te garanderen.
Worden vrouwenorganisaties naar uw mening voldoende betrokken bij internationale overleggen over de veiligheid in de MENA-regio? Hoe kan Nederland dit verder bevorderen?
Nee, vrouwen en hun organisaties worden momenteel niet voldoende betrokken bij internationaal overleg. Via Women on the Frontline wil Nederland vrouwen steunen hun stem duidelijker te laten doorklinken. Nederland zal ook zelf in bilaterale contacten met landen in de MENA-regio vragen vrouwen en hun organisaties meer bij internationaal overleg te betrekken.
Bent u bereid de politieke participatie van vrouwen in de MENA-regio expliciet onder de aandacht te brengen in Europees verband?
Ja.
Bent u voornemens om nog andere maatregelen te nemen ter bevordering van politieke participatie van vrouwen in de MENA-regio?
Bilaterale en EU-steun aan landen in de MENA-regio zal moeten bijdragen aan politieke participatie van vrouwen. De minister van Buitenlandse Zaken en ik zullen verder in diplomatieke betrekkingen en besprekingen de noodzaak van politieke participatie van vrouwen en gelijkheid voor de wet aan de orde blijven stellen. Deze gesprekken voeren we, bijvoorbeeld, ook met de Syrische oppositie.
Preventief fouilleren |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Preventief fouilleren op de schop»?1
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat het huidige systeem van preventief fouilleren op de schop moet, dat het middel te ingrijpend is en dat de enorme politie-inzet niet in verhouding staat tot het effect? Deelt u ook de mening van de burgemeester dat, om meer succes te boeken, agenten onder toeziend oog van een rechter-commissaris selectief iemands kleren zouden moeten doorzoeken? Zo ja, hoe gaat u verbeteringen in het systeem van preventief fouilleren aanbrengen? Zo nee, waarom niet en welke opvattingen van de burgemeester precies deelt u niet?
Voor het effect van het instrument preventief fouilleren moet niet alleen worden gekeken naar de verhouding tussen de politie-inzet en de hoeveelheid gevonden wapens. Naast het terugdringen van wapenbezit en wapengeweld heeft preventief fouilleren ook het doel om mensen te bewegen hun wapens thuis te laten, om mensen een veilig gevoel te geven in het publieke domein en om een bijdrage te leveren aan vergroting van het gezag van de overheid en de politie.
Ik deel evenwel de mening van de burgemeester van Utrecht dat er mogelijkheden zijn om het instrument preventief fouilleren effectiever te maken en gerichter in te zetten. Deels kan dat nu al, door het hanteren van objectieve en relevante selectiecriteria. Een dergelijk criterium kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op een analyse van recente politie-informatie, zoals «mannelijke personen met een geschatte leeftijd tussen 12 en 34 jaar» of «meer dan drie mannen in een auto».2 Als het veiligheidsrisicogebied op grond van artikel 151b Gemeentewet is aangewezen vanwege een risicowedstrijd, dan is het bijvoorbeeld geoorloofd om alleen (als zodanig herkenbare) voetbalsupporters te fouilleren. Andere mogelijkheden om preventief fouilleren effectiever te maken, worden geboden door het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel verruiming fouilleerbevoegdheden (dossiernummer 33 112), met name met het daarin voorgestelde artikel 174b Gemeentewet, dat de snelle en gerichte inzet van het instrument mogelijk maakt in reactie op een plotseling incident.
Het lijkt mij geen goed idee om de selectie van de te fouilleren personen geheel over te laten aan de professionele intuïtie van politieagenten, onder het toeziend oog van een rechter-commissaris (of een andere onafhankelijke functionaris). De essentie van preventief fouilleren is dat eenieder gefouilleerd mag worden, zonder nadere criteria. Zonder een objectief, controleerbaar criterium is toezicht door een rechter-commissaris op de rechtmatigheid van de selectie niet zinvol.
Deelt u de mening van de burgemeester dat met de huidige wijze van preventief fouilleren de privacy van veel onschuldige burgers wordt geschonden? Zo ja, wat zegt dat over deze huidige wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening van de burgemeester dat gerichter preventief fouilleren ook uit het oogpunt van privacy wenselijk is, omdat dan minder mensen gefouilleerd worden. Zoals in antwoord vraag 2 vermeld kan het instrument al gerichter worden ingezet door het hanteren van objectieve en relevante selectiecriteria.
Wat vindt u van het voorstel om over te gaan op een systeem waarbij zonder aankondiging in de aangewezen gebieden gefouilleerd wordt en waarbij agenten selectief te werk te gaan, ter plekke gecontroleerd door een rechter-commissaris?
De gedachte om zonder aankondiging te fouilleren is niet nieuw. Weliswaar wordt de beslissing van de burgemeester tot aanwijzing van het veiligheidsrisicogebied in beginsel3 van tevoren op schrift gesteld en bekendgemaakt, maar dat geldt niet voor de concrete fouilleeractie(s) gedurende de looptijd van die aanwijzing. Het verrassingseffect is er dus nu al. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat door middel van effectieve en specifieke training met goede leiding ter plekke agenten op een professionelere manier in staat zullen zijn preventief te fouilleren? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard moeten politieagenten goed geïnstrueerd worden over het instrument preventief fouilleren. Dat gebeurt ook, zowel voorafgaand aan als tijdens fouilleeracties. Ik heb niet de indruk dat er op dat punt lacunes zijn.
Hoe verhouden bovenstaande voorstellen zich tot het bij de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel verruiming fouilleerbevoegdheden (Kamerstuk 33 112)?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Kritisch rapport over voortgang jeugdzorg’ |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de concrete activiteiten en de daarbij behorende resultaten die zijn bereikt c.q. zijn uitgevoerd in opdracht van de staatssecretaris van VWS in de periode 14 oktober 2010 tot 5 november 2012 met betrekking tot de voorbereiding op de transitie en transformatie van de jeugdzorg?
In deze periode is uw Kamer op diverse momenten geïnformeerd over de voortgang van de stelselwijziging, te weten:
Daarnaast hebben wij diverse debatten met uw Kamer gevoerd, waarbij de stelselwijziging van de jeugdzorg onderwerp van gesprek was. Deze debatten vonden plaats op:
Kunt u een overzicht geven van de concrete activiteiten en de daarbij behorende resultaten die zijn bereikt c.q. uitgevoerd in opdracht van de staatssecretaris van VWS in de periode 5 november 2012 tot heden met betrekking tot de voorbereiding op de transitie en transformatie van de jeugdzorg?
Sinds de start van het nieuwe kabinet hebben we de afgelopen periode forse stappen gezet om de wettelijke, financiële en bestuurlijke randvoorwaarden helder te krijgen. Hierover hebben we u geïnformeerd in de brief die we op 28 februari jl. aan uw Kamer hebben gezonden.
We hebben de afgelopen maanden hoge prioriteit gegeven aan het wetsvoorstel wat we voornemens zijn begin april aan de Raad van State aan te bieden. Daarnaast hebben we bijeenkomsten in het land georganiseerd om gemeenten, zorgaanbieders, professionals en cliënten te informeren over het wetsvoorstel, de transitie en de ondersteuning hiervan.
In het Transitieplan zullen wij de stappen opnemen die door het Rijk, VNG/Gemeenten, IPO, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, in samenwerking met zorgverzekeraars en veldpartijen moeten worden gezet om de decentralisatie te laten slagen. In het Transitieplan zal worden ingegaan op de procesplanning, de programmastructuur, de wijze van sturing en de verantwoordelijkheidsverdeling. Het Transitieplan wordt zo spoedig mogelijk na het bestuurlijk overleg met VNG en IPO dat in april plaatsvindt, aan uw Kamer aangeboden.
Het bericht “Weekers lokt Japanse investeerders met belastingklimaat” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Weekers lokt Japanse investeerders met belastingklimaat»?1
Ja.
Wat is de kern van het betoog dat u in Japan en Zuid-Korea over het Nederlandse belastingklimaat uiteen heeft gezet?
De reis naar Zuid-Korea en Japan maakt onderdeel uit van de strategische reisagenda van het Kabinet. Deze heeft onder andere een focus op belangrijke en opkomende economieën in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. In dat kader heb ik het Nederlandse (fiscale) vestigingsklimaat onder de aandacht gebracht in beide landen. Daarnaast heb ik in Zuid-Korea gesproken over modernisering van het belastingverdrag tussen Zuid-Korea en Nederland.
De kern van het betoog dat ik in Zuid-Korea en Japan heb uitgedragen, is dat Nederland in het algemeen een aantrekkelijk vestigingsklimaat heeft voor verschillende soorten bedrijven die in Nederland willen investeren. Vandaar ook dat deze reis in nauwe samenwerking met het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)2 is georganiseerd. De boodschap is uitgedragen op diverse investeringsseminars en tijdens bezoeken aan potentiële investeerders. Nederland is strategisch gelegen in het centrum van Europa, met belangrijke «mainports» als Schiphol en de haven van Rotterdam, de grootste haven van Europa. Daarnaast heeft Nederland een internationale «business» omgeving, een superieure logistieke, technologische en financiële infrastructuur en een hoogopgeleide en flexibele beroepsbevolking die vele buitenlandse talen spreekt. Ook heeft Nederland uitstekend onderwijs, goede culturele faciliteiten en een hoge kwaliteit van leven. Het feit dat Amstelveen een grote Japanse gemeenschap heeft, en in Nederland diverse internationale scholen voor middelbaar onderwijs aanwezig zijn, wordt door veel Japanners als waardevol ervaren.
Daarnaast heb ik uitgedragen dat het fiscale vestigingsklimaat van Nederland in de eerste plaats erg stabiel is met een redelijk – niet onderhandelbaar – tarief van 25% en diverse andere gunstige facetten kent. Zo speelt het uitgebreide belastingverdragennetwerk van meer dan 90 verdragen een grote rol. Dit netwerk neemt fiscale belemmeringen met betrekking tot grensoverschrijdend verkeer weg en biedt rechtszekerheid aan bedrijven die internationaal actief zijn. In tegenstelling tot vele andere landen kent Nederland in haar nationale belastingwetgeving geen bronheffing op uitgaande interest en royalty’s. Daarnaast kent Nederland een deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, die voorkomt dat winsten die bij een dochtermaatschappij al zijn belast, bij uitdeling aan de moedermaatschappij nogmaals worden belast. Voor innovatie kennen we specifieke tegemoetkomende regelingen zoals, de WBSO en de RDA-aftrek. Winsten die voortvloeien uit zelf ontwikkelde innovatie kunnen onder de voorwaarden van de innovatiebox worden belast tegen 5%. Dit maakt Nederland attractief om R&D-centra te vestigen. Buitenlandse werknemers die naar Nederland worden uitgezonden, kunnen onder voorwaarden gebruik maken van de zogenoemde 30%-regeling in de loonbelasting. Voor de invoer van goederen in Nederland bestemd voor andere EU-landen kan, in tegenstelling tot sommige andere EU-landen, uitstel van heffing omzetbelasting worden verkregen en draagt de douane bij aan een snelle en soepele invoer van goederen.
Tot slot is het geven van zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van de beoogde investering in Nederland voor investeerders een erg belangrijk aspect dat meeweegt bij een beslissing over investeringen. De Belastingdienst heeft een speciaal Aanspreekpunt voor Potentiële Buitenlandse Investeerders (APBI, zie antwoord 5 hierna).
De combinatie van al deze factoren leidt ertoe dat Nederland aantrekkelijk is voor diverse soorten activiteiten. Zoals bijvoorbeeld het vestigen van een (Europees) hoofdkantoor, het uitoefenen van hoogwaardige productie-, distributie-, R&D- en/of marketing- en salesactiviteiten van een buitenlands bedrijf.
Kunt u de vijf belangrijkste voordelen van het Nederlandse belastingstelsel voor internationaal opererende bedrijven benoemen en toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Volgens u zijn extra fiscale zekerheden rondom investeringen belangrijk om bedrijven over de streep te trekken; op welke wijze gaat u bedrijven deze fiscale zekerheden bieden?
De zekerheid die een bedrijf krijgt over de fiscale gevolgen van een investering in Nederland wordt door veel bedrijven inderdaad als erg belangrijk ervaren. Die zekerheid wordt (uiteindelijk) geboden door een overeenkomst tussen het bedrijf en de Belastingdienst waarin alle feiten en omstandigheden ter zake van de beoogde investering worden vermeld met de daaraan verbonden fiscale gevolgen.
Kunt u toelichten hoe dat proces in z’n werk gaat? Op basis van welke criteria en op basis van welke gegevens worden de fiscale verplichtingen vooraf vastgesteld?
Elk in Nederland gevestigd bedrijf heeft een inspecteur waarmee fiscale vraagstukken, bijvoorbeeld de gevolgen van voorgenomen investeringen, afgestemd kunnen worden. Buitenlandse bedrijven die nog geen activiteiten in Nederland hebben, hebben nog niet een dergelijke «eigen» inspecteur .
Onduidelijkheid over de fiscale gevolgen van een voorgenomen investeringen in Nederland, heeft een negatief effect op het Nederlands vestigingsklimaat. Daarom is in 1993 het APBI ingesteld. Buitenlandse bedrijven hebben sindsdien een vast aanspreekpunt waar zij, net als Nederlandse bedrijven, terecht kunnen met hun vragen over de toepassing van vennootschapsbelasting, omzetbelasting, loonbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting bij voorgenomen investeringen in Nederland. Daarnaast treedt het APBI als contactpersoon op voor douane-aspecten. Het aanspreekpunt geeft zekerheid vooraf op voorgenomen investeringen van in beginsel minimaal € 4,5 miljoen die leiden tot duurzame werkgelegenheid in Nederland. Ook voor eventuele vervolginvesteringen kan het APBI bijstand verlenen. De afspraken die het APBI maakt zijn gebaseerd op de feiten en omstandigheden van het individuele geval. De afspraken die het APBI maakt blijven binnen de kaders van wet, beleid, jurisprudentie en internationale afspraken.
Het bericht dat Nederland voor het Europees Hof wordt gedaagd wegens onvoldoende bescherming van zwangere vrouwen tegen discriminatie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Commissie Nederland voor de rechter daagt vanwege twijfels over voldoende bescherming van zwangere vrouwen tegen discriminatie op het werk?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Nederlandse staat zwangere vrouwen zo veel mogelijk moet beschermen tegen discriminatie op hun werk? Zo ja, bent u van mening dat dit op dit moment voldoende is geregeld?
Ja, ik deel de mening dat zwangere vrouwen zoveel mogelijk moeten worden beschermd tegen discriminatie op hun werk. Ik ben van mening dat dit voldoende wettelijk is geregeld.
Wat is uw reactie op de stelling dat mogelijk 45 procent van de zwangeren iets heeft meegemaakt dat wijst op discriminatie?
Voorop staat dat elk geval van discriminatie er één teveel is. Discriminatie vanwege zwangerschap en jong moederschap is onacceptabel en dient krachtig te worden bestreden. Uit het onderzoek «Hoe is het bevallen?» (2012), uitgevoerd door de Commissie Gelijke Behandeling (thans College voor de Rechten van de Mens), blijkt dat 45% van de vrouwen, die in de periode 2007 tot en met maart 2011 zwanger waren of moeder zijn geworden en tijdens de zwangerschap of het moederschap werkten of werk zochten, een situatie heeft meegemaakt die mogelijk op discriminatie wijst. In het onderzoek wordt gesproken over «mogelijke discriminatie» omdat met de enquête niet precies achterhaald kon worden onder welke omstandigheden en tegen welke achtergrond een bepaalde situatie heeft plaatsgevonden.
Ik wijs erop dat in het onderzoek tevens wordt gesteld dat het probleem niet is dat er onvoldoende regelgeving is die discriminatie vanwege zwangerschap en moederschap verbiedt, maar dat werkgevers en werknemers onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten en plichten die uit de regelgeving voortvloeien. Om die reden werd de informatie over zwangerschap/ouderschap en werk op de website www.rijksoverheid.nl gebundeld en derhalve beter vindbaar. Ook is een verwijzing toegevoegd naar de webpagina www.zwangerenwerken.nl van het College voor de Rechten van de Mens.
Is het expliciet in de wet hebben vastgelegd dat een vrouw na haar bevalling recht heeft op dezelfde of een gelijkwaardige functie als voor haar verlof de enige grond waarop de Europese Commissie Nederland voor het Europees Hof heeft gedaagd?
Op 24 januari 2013 heeft de Europese Commissie aangekondigd een inbreukprocedure tegen Nederland aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat zij van mening is dat Richtlijn 2002/73/EG door Nederland niet op een correcte wijze is omgezet.2
De Commissie stelt dat de artikelen 15, 16 en 28 lid 2 van de richtlijn niet correct in nationaal recht zijn omgezet, omdat de Nederlandse wetgeving nu geen specifieke en expliciete bepalingen bevat die de werknemer beschermt bij terugkomst uit moederschaps-, ouderschaps- of adoptieverlof.
Is u bekend wanneer de uitspraak van het Europees Hof wordt verwacht?
De procedure is nog niet aanhangig gemaakt bij het Hof. Er vindt nog ambtelijk overleg plaats met de Europese Commissie.
Kan het Europees Hof sancties opleggen wanneer het Hof tot de conclusie komt dat Nederland zwangere vrouwen inderdaad onvoldoende beschermt tegen discriminatie op het werk? Zo ja, welke?
Ja, maar dit is nu nog niet aan de orde.
De infractieprocedure kent een administratieve fase en een contentieuze fase. In de administratieve fase vraagt de Commissie een lidstaat schriftelijk om duidelijkheid en maant de lidstaat aan om de situatie te herstellen, als de lidstaat naar het oordeel van de Commissie in gebreke blijft, door het uitbrengen van een met redenen omkleed advies. De contentieuze fase breekt aan als de Commissie de zaak aanhangig maakt bij het Hof van Justitie, indien de betrokken lidstaat het advies niet opvolgt binnen de door de Commissie gestelde termijn (op basis van artikel 258 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorheen artikel 226 EG-Verdrag).
Bij niet-naleving van de uitspraak van het Hof kan in een tweede procedure, op verzoek van de Commissie, een dwangsom of een boete worden opgelegd (op basis van artikel 260 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorheen artikel 228 EG-Verdrag).
Bent u voornemens de uitspraak van het Europees Hof af te wachten of bent u bereid reeds te kijken naar aanpassingen van de wet?
Van beide is op dit moment nog geen sprake. Ik wil niet vooruit lopen op de resultaten van het ambtelijk overleg dat nog moet plaatsvinden met de Commissie.
Is u bekend welke Europese landen wel expliciet hebben vastgelegd dat een vrouw na haar bevalling recht heeft op dezelfde of een gelijkwaardige functie als voor haar verlof?
Nee. Dit wordt onderzocht ter voorbereiding van het ambtelijk overleg dat plaats zal vinden met de Commissie.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot herziening van de richtlijn ter bescherming van zwangere werknemers?
Ik ga ervan uit dat uw vraag de herziening van richtlijn 92/85/EEG, de «zwangerschapsrichtlijn» betreft terzake waarvan de Commissie onder meer voorstelt om het zwangerschaps- en bevallingsverlof van 14 naar 18 weken te verlengen. Dit richtlijnvoorstel wordt sinds 10 november 2008 in de raadswerkgroep Sociale Vraagstukken behandeld. Op dit moment liggen de onderhandelingen in Raadsverband hierover stil.
Wat is uw standpunt ten opzichte van de herziening van de richtlijn ter bescherming van zwangere vrouwen? Wat is de onderbouwing van uw standpunt?
Nederland staat negatief tegenover het voorstel tot verlenging van het zwangerschaps- en bevallingsverlof naar 18 weken met loondoorbetaling. Volgens Nederland is de ratio achter zwangerschaps- en bevallingsverlof in hoofdzaak gelegen in de bescherming van de gezondheid van moeder en kind en niet in gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers. In 2010 werd in opdracht van het ministerie van SZW door het onderzoeksbureau «SEO economisch onderzoek» een onderzoek uitgevoerd naar «Kosten en baten verlenging zwangerschaps- en bevallingsverlof». Hieruit blijkt dat er onvoldoende positieve effecten worden gevonden op de gezondheid van moeder en kind om de extra kosten voor de werkgever door twee of vier weken verlofuitbreiding te kunnen compenseren.3
Bent u bereid u constructief op te stellen bij het bereiken van een akkoord met het Europees Parlement over de richtlijn ter bescherming van zwangere werknemers?
Ik ben uiteraard bereid om constructief bij te dragen aan de onderhandelingen. Vooralsnog zie ik echter geen onderbouwing om het Nederlandse standpunt te heroverwegen.
Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie |
|
Harry van Bommel (SP), Désirée Bonis (PvdA), Bram van Ojik (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de situatie van de Palestijnse burgers Samer Issawi1 en Ayman Sharawneh2 in Israëlische gevangenschap, die reeds langere tijd in hongerstaking zijn en nu in levensgevaar verkeren?
Ayman Sharawneh is op 17 maart ontslagen uit Israëlische detentie en overgebracht naar Gaza waar hij 10 jaar moet verblijven alvorens terug te kunnen keren naar zijn woonplaats op de Westelijke Jordaanoever. De Palestijnse gevangene Samer Issawi is eind februari overgebracht naar het penitentiair ziekenhuis in Israël als gevolg van de langdurige hongerstaking.
Deelt u de mening dat bij deze gevangenschap feitelijk sprake is van administratieve detentie, aangezien de tenlasteleggingen niet door een onafhankelijke rechter zijn getoetst?
Er is geen sprake van administratieve detentie. In het geval van Ayman Sharawneh en Samer Issawi is de rechtsgang uitgemond respectievelijk kan die uitmonden – afhankelijk van eventueel ingesteld beroep door de heer Issawi zelf – in toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, in beide gevallen het Hooggerechtshof.
Deelt u de mening dat dit des te ernstiger is aangezien het ontbreken van een behoorlijke rechtsgang in beide gevallen leidt tot een detentie van tientallen jaren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid bilateraal of in EU-verband te interveniëren om voor beide gedetineerden te bewerkstelligen dat zij hun hongerstaking kunnen opgeven op basis van een geloofwaardige toezegging dat de aanklachten tegen hen op korte termijn behandeld zullen worden in een behoorlijk proces door een civiele rechtbank? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering deelt de zorgen over de schaal en duur van deze detenties. De situatie van de Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie wordt door Nederland en de EU nauwgezet gevolgd. In februari jl. heeft de EU-vertegen-woordiger in Tel Aviv administratieve detentie bij de Israëlische autoriteiten aan de orde gesteld. Ook tijdens het EU-Israël-sub comité voor politieke dialoog op 11 december 2012 stond de kwestie op de agenda. Op 16 februari jl. gaf de woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger een verklaring af waarin de HV oproept tot nakoming van het recht op familiebezoek, naleving van internationale verplichtingen en het indienen van formele aanklachten tegen de gedetineerden.
Deelt u de mening van mensenrechtenorganisaties in en buiten Israël dat de Israëlische autoriteiten de rechtsorde ondermijnen c.q. mensenrechten schenden door de schaal waarop zij mensen in administratieve hechtenis nemen (enige honderden op enig moment) en de duur van die hechtenis (oplopend tot enige jaren)? Zo nee, waarom niet? Zo ja: welke stappen gaat u bilateraal en in EU-verband zetten om Israël hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de bezorgdheid van Israëlische mensenrechtenorganisaties als B’tselem en Hamoked – die daarover, met financiële steun van de EU, rapport uitbrachten – over de mishandeling van Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie?
De regering deelt de zorg over de omstandigheden in de Israëlische gevangenissen en de behandeling van de gedetineerden, zoals geschetst door B’tselem3 en Hamoked in hun rapport in 2010. De behandeling van gevangenen moet in overeenstemming zijn met het internationale recht, waaronder ook humanitair oorlogsrecht en mensenrechten.
Na de vrijlating van de Israëlische militair Gilad Shalit in oktober 2011 hebben de Palestijnse gedetineerden en de Israëlische gevangenisautoriteit in mei 2012 een afspraak gemaakt om de situatie voor de Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie te verbeteren. Het is echter niet mogelijk om een volledig beeld te krijgen van de omvang en impact van de verbeteringen, zolang de overeen-gekomen regeling niet wordt vrijgegeven.
Deelt u de opvatting van de Verenigde Naties3 dat onafhankelijk en transparant onderzoek geboden is naar de omstandigheden waaronder Arafat Jaradat overleed in Israëlische gevangenschap rond 22 februari jl. en dat de resultaten daarvan zo spoedig mogelijk openbaar gemaakt moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja: bent u bereid bilateraal en via de EU aan te dringen op een dergelijk onderzoek?
De regering deelt de opvatting dat onafhankelijk onderzoek naar deze omstandigheden geboden is en meent dat de uitkomsten openbaar moeten zijn.
Eind februari heeft een eerste onderzoek plaatsgehad waarbij een Palestijnse patholoog-anatoom aanwezig was. Deze claimde dat Arafat Jaradat was gemarteld. Het Israëlische ministerie van Volksgezondheid stelt echter dat er – afgezien van de fysieke gevolgen van een langdurige reanimatie – geen verwondingen op het lichaam van Jaradat zijn gevonden. Het ministerie baseert zich daarbij op een onderzoek dat mede is uitgevoerd door het Nationaal Centrum voor Forensische Geneeskunde en het Pathologisch instituut. Er zal uitgebreider onderzoek naar de doodsoorzaak plaatsvinden.
Het bericht "EU leitet Beihilfeverfahren gegen Deutschland ein” |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «EU leitet Beihilfeverfahren gegen Deutschland ein», waarin wordt aangekondigd dat de EU de vrijstelling van transportkosten voor energie als mogelijke concurrentievervalsing ziet?1
Ja.
Kunt u aangeven of het door de EU aangekondigde onderzoek ook consequenties kan hebben voor de Nederlandse industrie, en aluminiumsmelter Aldel in het bijzonder, met het oog op de door u aangekondigde regeling met betrekking tot korting op transportkosten voor energie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties voorziet u?
Het aangekondigde staatssteunonderzoek is een positief teken, omdat de Europese Commissie (EC) daarmee het Nederlandse standpunt onderkent dat de Duitse vrijstellingregeling van 100% een verstoring oplevert van het gelijk speelveld. Mijn voorganger heeft daarover in februari 2012 een brief gestuurd aan de EC. Ook binnen Duitsland staat de grootverbruikerregeling van 100% onder druk: het regionale gerechtshof in Düsseldorf heeft deze 7 maart nietig verklaard.
Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft de Duitse regering aangekondigd dat zij voornemens is om een nieuwe grootverbruikerregeling vorm te geven die de bestaande regeling zal vervangen. Hoe hoog de tarieven voor de netkosten van Duitse grootverbruikers zullen zijn is nog niet duidelijk. De oude Duitse grootverbruikerregeling, die een maximale korting van 50% bewerkstelligde, blijft zowel in het onderzoek van de EC als de uitspraak van de Duitse rechter buiten beschouwing. Er zijn daarom geen aanwijzingen dat een Nederlandse grootverbruikerregeling, die tevens beoogt een korting van maximaal 50% te bewerkstelligen, door de EC aangemerkt zal worden als ongeoorloofde staatssteun.
Het staatssteunonderzoek van de EC en de uitspraak van de Duitse rechter onderstrepen het belang van zorgvuldigheid bij het uitwerken van een regeling voor grootverbruikers. Ik zal contact onderhouden met EC om op de hoogte te blijven van de mogelijke invulling van Europese juridische kaders omtrent een grootverbruikerregeling.
Welke maatregelen neemt u voor het behoud van werkgelegenheid in Nederland, als (gedeeltelijke) vrijstelling van transportkosten door EU regelgeving niet mogelijk is?
Europese regelgeving geldt voor alle lidstaten. Indien Europese regels geen (gedeeltelijke) vrijstelling van netkosten toelaat geldt dit dus ook voor alle lidstaten. Dit bevordert het gelijk speelveld binnen de EU. Dit is goed voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid.
Uitspraken van de president van het gerechtshof Den Bosch |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zeeland op het verkeerde been gezet» in de Provinciale Zeeuwse Courant van 9 maart 2013?
Ja.
Klopt het dat u de Kamer in december 2012 heeft medegedeeld dat Middelburg een zittingsplaats wordt van het gerechtshof Den Bosch en dat daardoor ook hoger beroepszaken in Zeeland behandeld kunnen worden?
Ja. In artikel 2 onder d van het Besluit zittingsplaatsen gerechten (Stb. 2012, nr. 601) is bepaald dat onder meer Middelburg een zittingsplaats is van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dit betekent dat hoger beroepzaken in Zeeland kunnen worden behandeld.
Wat vindt u van de uitspraak van de president van het gerechtshof Den Bosch dat uw uitspraak «feitelijk juist is, al gaan we het in beginsel niet doen»?
De bevoegdheid om binnen het ressort te bepalen waar zaken worden afgedaan, is wettelijk toebedeeld aan het gerechtsbestuur (artikel 21 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij dient het gerechtsbestuur rekening te houden met in ieder geval het belang van een goede toegankelijkheid van de rechtspraak. In het ressort Den Bosch is onder meer Middelburg als zittingsplaats aangewezen. Als er zaken worden behandeld met bijvoorbeeld een groot belang voor de provincie Zeeland, of een zaak waarbij veel regionale partijen zijn betrokken, dan kan het gerechtsbestuur ervoor kiezen de zittingen in Middelburg te houden.
Staat u achter deze uitspraak? Zo ja, betekent dat dan dat er ondanks de gewekte verwachtingen geen hoger beroep zittingen in Zeeland plaats zullen vinden? Zo nee, wat gaat u doen om de president duidelijk te maken dat uw toezegging aan Zeeland serieus genomen moet worden en er dus wel regelmatig hoger beroepszaken in Middelburg gehouden moeten worden?
Met de stelling dat in beginsel geen hoger beroepzaken in Middelburg worden gedaan, kan ik mij niet verenigen. Nu ik, mede gelet op de wettelijke systematiek, de uitspraak van de president niet anders kan begrijpen dan dat hij tot uitdrukking heeft willen brengen dat zaken in Den Bosch worden behandeld, maar dat zaken ook in Middelburg zullen worden afgedaan, kan ik mij daarin vinden.
Kunt u zich voorstellen dat de uitspraken van de president van het gerechtshof in Den Bosch in Zeeland tot verontwaardiging leiden en het vertrouwen in andere toezeggingen, onder andere met betrekking tot de beschikbaarheid van openbaar ministerie, rechtbank en politie in Zeeland, op de proef stelt? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 14 december 2012 (Kamerstuk II 29 628, nr. 348) ben ik helder geweest over mijn visie op het locatiebeleid en meer specifiek over wat mijn verwachtingen zijn voor de regio Zeeland. Ik doe mijn toezeggingen gestand.
Een gebrek aan integriteitsplannen bij de overheid |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «veel overheden missen integriteitsplan»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Klopt de bevinding dat een op de drie overheden «geen of een zeer gebrekkig integriteitsbeleidsplan» heeft? Zo ja, deelt u de mening dat dit «zorgwekkend» is en wat gaat u concreet doen om hier verbetering in aan te brengen? Zo nee, waarom niet?
Het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) heeft 30 organisaties binnen de sectoren Rijk, Provincies en Waterschappen onderzocht betreffende hun integriteitsbeleidsplan. Het onderzoek toont aan dat ongeveer 10 organisaties geen of een zeer gebrekkig integriteitsbeleidsplan hebben. BIOS geeft aan dat deze respons niet genoeg is voor representatieve uitspraken over de gehele overheid, maar het toont wel de noodzaak voor continue aandacht voor integriteit en laat zien dat er nog veel verbeterd kan worden. De bevindingen lijken mij daarom een goede signalerende aanvulling op de resultaten van de Integriteitsmonitor 2012. Het toont des te meer aan dat organisaties en koepelorganisaties niet achterover kunnen leunen. Ik zal dit onderzoek daarom ook bij de betreffende koepelorganisaties onder de aandacht brengen. Te meer, omdat het rapport voorziet in een aantal aanbevelingen en suggesties waar organisaties zelf mee aan de slag kunnen indien nodig. Overigens wil het ontbreken van een schriftelijk vastgelegd integriteitsplan niet zeggen dat de betreffende organisatie niet integer is of helemaal niets aan integriteit doet. De onderzochte organisaties beschikken bijvoorbeeld veelal wel over een gedragscode, maar een samenhangende (verankerende) visie op integriteit en een concreet actieplan, is nog niet overal in voldoende mate aanwezig.
Hoe verhoudt het gestelde, dat veel overheden geen of geen adequaat integriteitsbeleidsplan hebben, zich tot de wettelijke voorschriften en bestuurlijke afspraken op dit gebied?
De Ambtenarenwet vereist dat «het bevoegd gezag van ambtenaren die door of vanwege het rijk, de provincies, de gemeenten of de waterschappen zijn aangesteld» een integriteitsbeleid voeren. In de Modelaanpak Basisnormen Integriteit (2006) wordt de wenselijkheid van het schriftelijk vastleggen van integriteitsbeleid aangegeven. Deze normen zijn in samenspraak met het Rijk, en de koepelorganisaties van Provincies, Waterschappen en Gemeenten opgesteld en worden ook door de sectoren op waarde geschat. Daarom is destijds ook met de genoemde sectoren overeengekomen dat alle betrokken overheidsorganisaties zullen beschikken over een integriteitsbeleid dat ten minste voldoet aan deze basisnormen, waaronder dus ook een schriftelijk vastgelegd integriteitsbeleid. Dit is ook vastgelegd in de Bestuursafspraken 2007/2008 met de sectoren Rijk, Provincies en Gemeenten.
Deelt u de mening dat integriteitsbeleid zeker bij overheden niet vrijblijvend dient te zijn? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de in het bericht genoemde bevindingen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat u als «als systeemverantwoordelijke (...) overheidsorganisaties die tekort schieten (moet) aansporen, stimuleren»? Zo ja, hoe gaat u dat concreet doen? Zo nee, waarom niet?
In mijn rol van systeemverantwoordelijke stel ik kaders vast die organisaties aanmoedigen om te (blijven) werken aan integriteit. Deze zijn onder meer neergelegd in de Ambtenarenwet. Van vrijblijvendheid is derhalve geen sprake. Echter, de wijze waarop organisaties aan deze kaders invulling geven en ook de wijze waarop zij dat vastleggen, wil ik niet voorschrijven. Dit behoort primair tot de verantwoordelijkheid van de betreffende organisaties zelf. Zij kunnen het beste inschatten wat gegeven de lokale situatie wel of niet werkt. Het proces waarin men gezamenlijk komt tot een integriteitsbeleid is bovendien een belangrijke stap in het bewustwordingstraject. Ik wil dat proces dus niet overnemen, maar organisaties waar mogelijk wel bijstaan met advies en best practices. Daartoe strekken onder meer de gezamenlijk overeengekomen basisnormen en de door BIOS opgestelde handreiking «Integriteitsbeleidsplan». De democratisch gelegitimeerde organen hebben tot taak op dit alles toe te zien. Zo is in de Ambtenarenwet vastgelegd dat het bevoegd gezag jaarlijks verantwoording aflegt over het gevoerde integriteitsbeleid en de naleving van de gedragscode. Dit neemt overigens niet weg dat naar mijn mening een deugdelijk samenhangend integriteitsbeleidsplan hoort bij een professionele overheidsorganisatie. Daarom zal ik, zoals gezegd, de bevindingen van dit rapport onder de aandacht van de koepelorganisaties brengen.
Kunt u het in het bericht genoemde onderzoek van BIOS voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen?
In de bijlage2 doe ik u het onderzoek van BIOS toekomen. Voor mijn reactie verwijs ik naar de voorgaande antwoorden.
Het artikel "Patrick Illidge seen in tape apparently accepting bribe" |
|
Ronald van Raak (SP), Pierre Heijnen (PvdA), André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Patrick Illidge seen in tape apparently accepting bribe»?1
Ja.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het feit dat op het filmpje is te zien? Was de informatie wel al beschikbaar op het departement?
Ik heb kennis genomen van de opname. Over het moment van de mogelijke beschikbaarheid van de film bij de AIVD kunnen geen mededelingen worden gedaan.
Deelt u de indruk dat deze film wijst op mogelijke omkoping van tenminste één lid van het openbaar bestuur op Sint Maarten?
Het is aan het Openbaar Ministerie van Sint Maarten om nader onderzoek te verrichten en te bepalen of en zo ja wie vervolgd zou moeten worden. Het onderzoek daar is inmiddels gaande. Er is op diverse plaatsen huiszoeking verricht en daarbij is materiaal voor onderzoek in beslag genomen.
Deelt u de indruk dat het hierbij gaat om omkoping in relatie tot prostitutie – dat op Sint Maarten verboden is – en daarmee tot criminaliteit?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat zelfs alle schijn van mogelijke omkoping vermeden dient te worden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het mogelijk dat, nu de naam van de minister van Justitie van Sint Maarten in verband is gebracht met deze mogelijke transacties, het land Sint Maarten hier nog zelfstandig in kan optreden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het Openbaar Ministerie op Sint Maarten in staat en bevoegd om onderzoek te doen naar deze handelingen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er op dit moment onderzoek gaande naar de minister van Justitie van Sint Maarten ten aanzien van de mogelijke relaties die hij heeft, mogelijk via een bedrijvenconstructie, met een of meerdere bordelen op Sint Maarten?
Zie antwoord vraag 3.
Is de video al sinds september 2012 in roulatie? Zijn de mensen die kennis hebben gehad van deze informatie strafbaar? Geldt dat ook voor Statenleden, ministers en de minister-president van Sint Maarten?
Neen.
Is hier een rol voor de Rijksrecherche weggelegd? Zo ja, wat is deze en zo nee, waarom niet? Kan de Rijksrecherche alleen op verzoek van Sint Maarten worden ingezet?
Neen, de Rijksrecherche is een dienst van het land Nederland, niet van het Koninkrijk. Zij kan alleen optreden in Nederland, en hooguit op Sint Maarten worden ingezet als door Sint Maarten een verzoek tot ondersteuning door de Rijksrecherche zou worden ingediend.
Is er door deze zaak sprake van internationale imagoschade voor het Koninkrijk en/of Nederland?
Zie het antwoord op de vragen 3, 4, 5, 6, 7 en 8.
Welke rol heeft de minister-president van Sint-Maarten in dit dossier?
De minister-president van Sint Maarten is de voorzitter van de Sint Maartense ministerraad. Ik heb contact gehad met haar en zij heeft mij te kennen gegeven dat de berichtgeving bij haar bekend is en haar aandacht heeft.
Ziet u hier een aanleiding om artikel 43, tweede lid van het Statuut, de zogenaamde waarborgfunctie, toe te passen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Neen, de zgn. waarborgfunctie van het Koninkrijk zoals geregeld in artikel 43, tweede lid, van het Statuut komt aan de orde wanneer in het desbetreffende land structureel geen redres mogelijk blijkt te zijn van een ontoelaatbare toestand ten aanzien van de handhaving van de mensenrechten, de rechtszekerheid of de deugdelijkheid van bestuur2.
Kunt u deze vragen op zo kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Bij dezen.
Preventie van obesitas bij kinderen door het toevoegen van smaakjes aan melkproducten te ontraden |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Noel et al.1, waarin wordt geconcludeerd dat het ontraden van het toevoegen van smaakjes aan melkproducten een positief effect kan hebben op het voorkomen van overgewicht bij kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja. Zoals in het artikel van Noel et al. wordt gemeld, zijn er nog maar weinig onderzoeken gedaan naar een mogelijke relatie tussen de consumptie van melkproducten met toegevoegde smaakjes en overgewicht bij kinderen. Hieraan kunnen nog geen conclusies worden verbonden.
Deelt u de mening dat teveel consumeren van melkproducten een factor kan zijn in de zorgwekkende toename van kinderobesitas en dat het toevoegen van smaakjes aan melkproducten de consumptie van melkproducten door kinderen stimuleert? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u uw oordeel? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Een teveel aan melkproducten kan, net als een teveel aan andere voedingsmiddelen, tot overgewicht leiden. Zoals ook uit het artikel van Noel et al. blijkt, kan een te hoge inname van kilocalorieën an sich in het gehele eetpatroon een bepalende factor voor overgewicht zijn. Mijn beleid richt zich daarom niet op specifieke voedingsmiddelen, maar op het gehele eetpatroon.
Melkproducten zijn een belangrijk onderdeel van een gezond Nederlands eetpatroon en zijn opgenomen in de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Het Voedingscentrum beveelt aan om magere melkproducten te consumeren.
Er is een groot assortiment voedingsmiddelen op de markt, waaronder melkproducten met toegevoegde smaakjes. Welke voedingsmiddelen kinderen eten en drinken is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de ouders en opvoeders. Het is belangrijk dat deze doelgroep een afgewogen keuze kan maken in de consumptie van voedingsmiddelen. Ouders en opvoeders kunnen informatie over de voedingswaarde en de samenstelling van voedsel onder andere krijgen bij de Centra voor Jeugd en Gezin, het consultatiebureau, via school en het Voedingscentrum. Bij het maken van een goede keuze is het Vinkje, dat op het etiket of de verpakking van veel producten staat, een handig hulpmiddel. Het Vinkje maakt in één oogopslag duidelijk wat de gezondere en meer verantwoorde keuze binnen een productgroep is.
Verder is het de verantwoordelijkheid van de industrie om het toevoegen van smaakjes aan producten op verantwoorde wijze te doen en terughoudend te zijn in de marketing van deze producten gericht op kinderen. Ik verwacht dat de industrie hier op een goede manier invulling aan geeft en ik spreek de partijen hier ook op aan.
Bent u bereid, in navolging van de conclusie van dit onderzoek, het toevoegen van smaakjes aan melkproducten te ontraden, ter preventie van kinderobesitas? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
De dagelijkse imperialistische moskee-oproep |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Elke dag moskee-oproep Deventer»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat het dagelijks laten klinken van de imperialistische moskee-oproep tekenend is voor de islamisering van ons land?
Ziet u in dat het dagelijks laten klinken van de islamitische oproep tot het gebed schadelijk is voor de integratie? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat moskeeën en de islamitische oproep tot het gebed niet thuishoren in Nederland? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat de oproep tot het islamitisch gebed totaal overbodig is gezien het feit dat in Nederland gewoon klokken hangen en verondersteld mag worden dat ook moslims kunnen klokkijken?
Bent u bereid zo snel mogelijk maatregelen te treffen die het onmogelijk maken voor moskeeën hun oproep te laten klinken?
Daarvoor bestaat geen grond.
Het bericht dat supermarktketens weigeren effectieve naleving van leeftijdgrenzen bij alcoholverkoop toe te passen |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over leeftijdscontrole bij de verkoop van alcohol?1
Ja.
Wat vindt u van het voornemen van bijvoorbeeld marktleider Albert Heijn om in zijn winkels een aantoonbaar ineffectieve wijze van leeftijdscontrole in te voeren?2 3 4
Supermarkten worden geacht de wet goed na te leven. Uit de metingen die de afgelopen jaren zijn gedaan naar de naleving van de leeftijdgrenzen bij de verkoop van alcoholhoudende drank blijkt dat de naleving van de leeftijdsgrens in supermarkten nog volstrekt onvoldoende is. Ik heb de supermarkten (en ook de horeca en de verenigingen) daarop aangesproken en ik heb afspraken gemaakt met de branche over de verbetering van de naleving. De naleving van de leeftijdgrenzen wordt periodiek gemeten, zoals ik heb geschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer (27 565, nr. 122). Het is echter aan de supermarkten zelf om te bepalen op welke wijze de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcoholhoudende dranken worden nageleefd en welke systemen zij daarvoor hanteren.
Kunt u naast het in de NRC genoemde leeftijdscontrolesysteem Ageviewers andere leeftijdscontrolesystemen noemen, waarvan in geen enkele winkel waar deze systemen geacht worden te functioneren is vastgesteld dat niet-leeftijdsgerechtigden gemakkelijk kunnen slagen in het kopen van alcohol? Zo nee, hoe draagt de inzet van deze andere systemen er dan toe bij dat voorkomen wordt dat niet-leeftijdsgerechtigde jongeren gemakkelijk alcohol kopen via het supermarktkanaal?
Als systemen aantoonbaar bijdragen aan het verbeteren van de naleving van de leeftijdsgrenzen, juich ik het gebruik daarvan toe. De inzet van dergelijke systemen blijft echter wel de verantwoordelijkheid van de winkel zelf. Het is niet aan mij een voorkeur uit te spreken voor de inzet van één bepaald systeem.
Hoe schat u de maatschappelijke waarde in van leeftijdscontrole op afstand, gelet op de effectiviteit en de ervaringen van een supermarktorganisatie die het systeem in haar winkels inzet, hierover duidelijk aan haar klanten communiceert en daardoor geen noemenswaardige onvrede van klanten van welke leeftijd dan ook bespeurt?
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de inzet van leeftijdscontrole op afstand leidt tot goede naleving van de leeftijdsgrenzen.5Jongeren drinken nog te veel en komen nog te gemakkelijk aan alcohol, terwijl alcohol erg schadelijk is, onder andere voor de ontwikkeling van de hersenen. Een goede naleving van de leeftijdsgrenzen door verstrekkers van alcoholhoudende dranken heeft daarom grote maatschappelijke waarde. Wanneer leeftijdscontrolesystemen een bijdrage leveren aan het verbeteren van de naleving, dan juich ik het gebruik daarvan toe.
Wat vindt u van de afwijzing van het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) van het leeftijdscontrolesysteem Ageviewers, in het licht van de oproep van de GGD, het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid STAP en het Trimbos Instituut om over te stappen op aantoonbaar effectieve leeftijdscontrolesystemen en uw antwoorden op eerdere vragen?5
De keuze om al dan niet gebruik te maken van een bepaald systeem is de eigen verantwoordelijkheid van een supermarktorganisatie. Ook zijn deze organisaties zelf verantwoordelijk voor het maken van afspraken met hun franchisers en filiaalhouders over een goede naleving van de wet. De burgemeester is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcoholhoudende dranken. Als door een gemeentelijke toezichthouder wordt geconstateerd dat er sprake is van een overtreding van artikel 20 van de Drank- en Horecawet in een supermarkt, zal een boete volgen voor de verstrekker. Als wordt vastgesteld dat artikel 20 van de Drank- en Horecawet binnen een periode van 12 maanden 3 maal is overtreden, kan de burgemeester op grond van artikel 19a van de Drank- en Horecawet supermarkten tijdelijk de bevoegdheid ontzeggen alcoholhoudende drank te verkopen. Ik ga er van uit dat supermarkten dergelijke sancties zoveel mogelijk willen voorkomen. De inzet van effectieve leeftijdscontrolesystemen kan daar een bijdrage aan leveren.
Als de leeftijdgrens goed wordt nageleefd in supermarkten, bijvoorbeeld door het gebruik van een effectief leeftijdscontrolesysteem, dan kan dat de inspanningen verminderen die nodig zijn voor het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrenzen bij deze supermarkten. Dat betekent dat gemeentelijke toezichthouders zich meer kunnen richten op andere verstrekkers en sectoren waar alcohol wordt verkocht, zoals de horeca en de sportkantines.
Deelt u de mening dat het essentieel is dat franchisers en filiaalhouders binnen de supermarktbranche alle ruimte krijgen van hun hoofdorganisaties om juist die leeftijdscontrolesystemen in te zetten, waarvan is aangetoond dat ze effectief zijn, zeker omdat zij de daadwerkelijke verstrekkers van alcohol zijn en niet hun hoofdorganisaties?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat, nu duidelijk is geworden dat iedere organisatie die dat zou willen, de leeftijdsgrenzen gemakkelijk optimaal kan naleven, organisaties die dit niet doen debet zijn aan het creëren van een toezichtprobleem, gelet op het feit dat zij het onderliggende nalevingsprobleem eenvoudig kunnen oplossen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat, als blijkt dat supermarktorganisaties het hun franchisers onmogelijk blijven maken gebruik te maken van aantoonbaar effectieve leeftijdscontrolesystemen, dit leidt tot verdere maatschappelijke schade, openbare ordeproblemen en onnodige kosten voor gemeenten die meer toezicht moeten houden dan noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u de VNG gevraagd hoe zij het belang inschat van de invoering van aantoonbaar effectieve leeftijdscontrolesystemen en de inherente besparingen op het terrein van toezicht die daarmee worden gerealiseerd?
Ik heb de VNG hierover om een reactie gevraagd. De VNG geeft aan dat zij de oproep voor de inzet van aantoonbaar effectieve leeftijdscontrolesystemen ondersteunt. Zij spreekt zich niet uit voor de inzet van één bepaald systeem, maar benadrukt het belang van een goede naleving door verstrekkers, zowel supermarkten als slijterijen. Inzet van leeftijdscontrolesystemen zal door de VNG kritisch worden gevolgd. Een gebrekkige naleving leidt volgens de VNG tot een toename van overlast en onveiligheid, waardoor gemeenten meer capaciteit moeten vrijmaken voor handhaving en controle. Over de wijze waarop besparingen op het terrein van toezicht kunnen worden gerealiseerd door de inzet van leeftijdscontrolesystemen, kan door de VNG pas een uitspraak worden gedaan als daar voldoende ervaring mee is opgedaan.
Overweegt u initiatieven te steunen waarmee het toezicht in de detailhandel zich kan toespitsen op de aanwezigheid van (in)effectieve controlesystemen, in plaats van het opsporen van illegale verkooptransacties, hetgeen in de huidige situatie noodzakelijk is en aanzienlijk meer toezichtscapaciteit vergt om hetzelfde resultaat te bereiken? Zo nee, welke argumenten prevaleren boven de evidente gezondheidswinst van jeugdigen die hiermee kan worden behaald en de aanzienlijke besparingen die daardoor bij gemeenten en justitie en politie kunnen worden gerealiseerd?
Ik waardeer initiatieven van gemeenten (zoals Eindhoven) die zoeken naar een aanpak waarmee kan worden voorkomen dat de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcohol worden overtreden. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de wet 3 jaar na inwerkingtreding ervan zal worden geëvalueerd. Daarbij kunnen dergelijke initiatieven ook worden meegenomen.
Problemen bij de aanleg van de A4 Midden-Delfland |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat er problemen zijn bij de aanleg van de A4 Midden-Delfland?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u garanderen dat de problemen bij de aanleg van de A4 niet zullen leiden tot het niet nakomen van de afspraken over de inpassing van de A4 zoals die zijn vastgelegd in het convenant Integrale Ontwikkeling tussen Delft en Schiedam (IODS convenant, d.d. 23 juni 2006), het tracébesluit (2 september 2010) of de bestuurlijke overeenkomst IODS (2 september 2010)? Zo nee, waarom niet?
Ja. De oplossing zal niet leiden tot het niet nakomen van de afspraken als vastgelegd in het tracébesluit en de IODS overeenkomsten.
Kan een noodzakelijke aanpassing van het ontwerp van de weg door de nu ontstane problemen aangewend worden om te bezien of een verdergaande inpassing van de weg mogelijk is? Overweegt u daarbij de optie van een gehele verdieping? Zo nee, waarom niet en aan welke aanpassingen denkt u wel?
Nee. De technische oplossing zal passen binnen het vastgestelde tracébesluit en de bestuurlijke overeenkomst IODS.
Hoe kan het dat Rijkswaterstaat aangeeft dat de aanwezigheid van de zandpalen onbekend was en ze bij toeval nu ontdekt zijn, terwijl hier in een rapport uit 1979 en in een rapport van augustus 2012 al melding van gemaakt wordt?
Na melding van de aannemer in juni 2012 dat hij zandpalen aantrof is nader onderzoek verricht. Daarbij is een rapport uit 1979 boven tafel gekomen. In het rapport van augustus 2012 wordt naar het rapport uit 1979 verwezen.
Brengen de ontstane problemen extra kosten met zich mee? Zo ja, hoeveel, en hoe en door wie wordt dit gefinancierd?
Er wordt onderzoek verricht naar de beste oplossing. Ik heb daarom nog geen raming van de kosten. Over de oplossing en de kosten worden nadere afspraken met de aannemer gemaakt.
Het bericht dat het Catharina Ziekenhuis een frauderende arts in dienst houdt |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op basis van welke informatie van welke instantie(s) heeft u uw antwoord op eerdere vragen over het bericht dat het Catharina Ziekenhuis een frauderende arts in dienst houdt van 5 maart 2013 samengesteld?1
De antwoorden gegeven op de vragen van 5 maart 2013 over het Catharina ziekenhuis zijn samengesteld op basis van de uitkomsten van het onderzoek uitgevoerd door een accountantsbureau en een verificatie bij de grootste verzekeraar in deze regio. Zoals ik eerder heb aangegeven is de zaak voor de betreffende zorgverzekeraar afgedaan en deelt deze zorgverzekeraar de conclusie van het accountantsonderzoek dat er geen sprake is van fraude.
Heeft u voor de beantwoording van deze vragen navraag gedaan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan het dat u niet op de hoogte was van het besluit van de NZa om een onderzoek te starten naar de onjuiste declaraties?
Ik heb voor de beantwoording van deze vragen in eerste instantie geen navraag gedaan bij de Nederlandse Zorgautoriteit, omdat de betreffende zorgverzekeraar mij had laten weten de conclusie van het accountantsonderzoek te delen dat er geen sprake is van fraude. Om die reden was ik niet op de hoogte van het besluit van de NZa om een onderzoek te starten. De NZa heeft de bevoegdheid om zelfstandig te besluiten onderzoek te doen bij een zorgaanbieder en meldt mij niet alle onderzoeken die zij instellen. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 6 maart 2013 heb ik – in aanvulling op de eerder beantwoorde vragen – gemeld dat de NZa besloten heeft een onderzoek te starten. Zoals in deze brief aangekondigd zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
Vindt u nog steeds dat er geen aanleiding is om deze fraudezaak bij het Catharina Ziekenhuis nader te onderzoeken?
In eerder onderzoek door een accountantsbureau is geconstateerd dat het hier niet gaat om een fraudezaak. Echter de Nederlandse Zorgautoriteit is zelfstandig bevoegd om een eigen onderzoek te doen naar deze zaak. Ik wacht de uitkomsten van dat onderzoek af.
Bent u nog steeds van mening dat een meldplicht fraude opsporende instanties zal overbelasten?
Ja. Dat instanties ingeval van een meldplicht overbelast zouden raken is voor mij overigens niet doorslaggevend. Als dit een effectieve methode was, zou ik de instanties daarop aanpassen. Ik vind veel belangrijker dat een meldplicht niet de meest effectieve methode is om fraude op te sporen en aan te pakken. Bestaande mogelijkheden, zoals controles door zorgverzekeraars en toezicht op de uitvoering daarvan, acht ik doeltreffender.
Het bericht dat de Marine wederom ingeroepen moest worden om de watervoorziening op Saba te redden |
|
Wassila Hachchi (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Marineschip brengt water naar Saba»? Wanneer en door wie is het besluit genomen om de marine hiervoor in te zetten?1
Ja, op vrijdag 1 maart 2013 besloot de Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied tot deze inzet na het betreffende verzoek van de gezaghebber van Saba.
Kunt u bevestigen dat de zoetwatervoorziening op Saba al jarenlang ontoereikend is?
De zoetwatervoorziening op Saba kan ontoereikend zijn in de droge tijd. Op Saba vangen huishoudens al generaties lang regenwater op in een watertank (cisterne) onder hun huis. Het opgevangen regenwater wordt onder andere gebruikt voor drinkwater. Daarnaast staat op Saba een waterfabriek die water levert aan o.a. het ziekenhuis, en in de droge tijd aanvullend ook aan de huishoudens. De combinatie van regenwater en de waterfabriek werkt onder normale omstandigheden naar tevredenheid en is toereikend voor de drinkwatervoorziening op Saba. Bovendien is het gebruik van water uit de cisterne voor de huishoudens gratis.Het probleem dat zich nu voordoet heeft te maken met het defect aan de waterfabriek waardoor deze slechts op halve kracht produceert. Daarnaast heeft het sinds januari 2013 nauwelijks geregend, in tegenstelling tot normaliter in januari, waardoor de cisternen leeg begonnen te raken. Hierdoor kon het ziekenhuis niet van water worden voorzien, en ook de huishoudens niet waar de cisternen leeg raakten.
Herinnert u zich de uitspraken van de minister van Infrastructuur en Milieu over het amendement op de begroting van Infrastructuur en milieu 2013 2, met onder andere als doel het duurzaam veiligstellen van de watervoorziening op Saba, dat «het in het amendement geschetste probleem is weggenomen» en de daarop volgende expliciet door de minister van Infrastructuur en Milieu bevestigde garantie dat dit ook voor de watervoorziening op Saba gold?
In mijn repliek op het amendement van de geachte afgevaardigden heb ik aangegeven dat op mijn begroting al was voorzien in het oppakken van de drinkwaterproblematiek op Saba in 2013 (inclusief financiering). Op ambtelijk niveau is samen met de bestuurders een opdracht geformuleerd voor een drinkwateronderzoek waarbij alle maatregelen in beeld zullen worden gebracht. Tijdens de Caribisch Nederland-week (11–15 maart) is het onderzoek officieel gestart met de ondertekening van de opdracht door de Gedeputeerde van Saba (zie bijlage)3. Het doel van het onderzoek is een haalbare, betrouwbare en duurzame drinkwatervoorziening voor Saba te realiseren die voldoet aan de Nederlandse drinkwater standaard. Het onderzoek geeft aanbevelingen inclusief een voorkeursoptie, met maatregelen en een kostenindicatie voor de implementatie. Het onderzoek zal rond de zomer gereed zijn, waarna gezamenlijk met Saba zal worden bepaald welke maatregelen zullen worden geïmplementeerd.
Kunt u bevestigen dat de eilandsraad van Saba in het voorjaar van 2012 een projectvoorstel naar aanleiding van het Lenteakkoord heeft ingediend met als doel om de watervoorziening op het eiland duurzaam te verbeteren middels waterfilters en betere opvang van regenwater?
Ja, dat kan ik bevestigen. Het voorstel is beoordeeld als goed en realistisch. Door het wegvallen van de duurzaamheidsgelden bij de kabinetsformatie is het project toentertijd niet uitgevoerd. Juist daarom is nu in overleg met Saba een drinkwateronderzoek opgesteld dat rekening houdt met de specifieke situatie op Saba (veel hoogteverschillen, weinig huishoudens).
Wat zijn de kosten voor geïmporteerd water voor de inwoners van Saba die niet over filters beschikken? Hoe verhouden de kosten voor water per inwoner per jaar zich tot de kosten op andere eilanden in de regio en de gemiddelde jaarlijkse kosten voor inwoners in het Europese deel van Nederland?
Op Bonaire, Saba en Sint Eustatius bedragen de kosten voor geïmporteerd drinkwater in flessen circa één dollar per fles van 1,5 liter.
Regenwater is gratis en wordt op Saba in cisternen opgevangen en ook als drinkwater gebruikt. Als de cisterne leeg raakt, koopt men water bij de waterfabriek. Op Saba kost 1000 liter water uit de waterfabriek US $ 50. Op Sint Eustatius betaalt men US $ 10 voor 1000 liter en op Bonaire US $ 5 voor 1000 liter. Het water is zo duur omdat voor het ontziltingsproces veel kostbare energie gebruikt wordt. De prijs op Saba is hoger omdat de waterfabriek in private handen is.
In Europees Nederland liggen de prijzen voor drinkwater veel lager omdat er voldoende zoet oppervlakte- en grondwater beschikbaar is als grondstof voor drinkwater. De prijs voor 1000 liter water varieert van € 1,09 in Drenthe tot € 1,76 in Noord-Holland (bron: Vewin, 2012).
Hoeveel kosten heeft de Marine sinds 1990 gemaakt voor de import van water naar Saba?
De additionele kosten van een watertransport bedragen ongeveer € 15.000. Dat bedrag varieert naar gelang de desbetreffende inzet past in de reguliere operaties. Watertransporten door Defensie naar Saba vinden slechts in uitzonderlijke situaties plaats. De vorige levering was in 2009.
Kunt u bevestigen dat vanwege de gebruikte brandstof bij invoer van water, het risico op erosie door gebrekkige regenwateropvang en -opslag, en het afvalprobleem dat veroorzaakt wordt door de plastic containers die na gebruik achterblijven, de import van zoetwater minder duurzaam is dan het zelfvoorzienend maken van het eiland voor water?
Over het algemeen zijn de huishoudens op Saba reeds zelfvoorzienend waar het gaat om drinkwater. Opvang van regenwater in cisternen onder de huizen is goedkoop en duurzaam. In de maanden februari en maart valt te weinig regen op Saba voor de betrouwbare watervoorziening en zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. De vraag «Welke aanvullende maatregel(en) komen in aanmerking en zijn duurzaam» is het uitgangspunt voor het nu lopende drinkwateronderzoek. Zelfvoorzienendheid is hierin zeker een belangrijk uitgangspunt.
Vindt u dat de bij herhaling door de marine geleverde zoetwaterimport voor Saba neerkomt op symptoombestrijding, zo lang er geen betere opvang en zuivering op het eiland beschikbaar komt?
Zoals hierboven aangegeven vond het vorige transport plaats in 2009. Zoet water import vindt alleen plaats in extreme situaties. Ik zou dit geen symptoombestrijding willen noemen maar ben het met u eens dat dit wel een noodmaatregel moet zijn. Zoals ik tijdens de begrotingsbehandeling 2013 ook al heb aangegeven vind ik dat de drinkwatervoorziening op Saba verbeterd moet worden en ben ik hier ook reeds mee bezig.
Bent u bereid nog voor de zomer van 2013 de Kamer alsnog te informeren over een structurele oplossing voor de watervoorziening op Saba, zoals ook werd beoogd door het amendement, door voor Saba en Sint Eustatius een inventarisatieonderzoek te laten plaatsvinden naar de drink- en afvalwatervoorziening op deze eilanden en een uitwerkingsplan op te stellen over hoe de drinkwatervoorziening op Saba en Sint Eustatius zou kunnen worden ondersteund?
De uitkomsten van het drinkwateronderzoek op Saba zal ik ook aan uw Kamer toezenden. Ook zal ik u informeren over de keuze van maatregelen, die ik in overleg met Saba zal implementeren. De steun van de inwoners van Saba voor structurele maatregelen zijn daarbij voor mij leidend. Daarin is nu voorzien met dit lopende onderzoek.
Op Sint Eustatius is reeds een drinkwaterleidingnet aangelegd. Rond de zomer 2013 zal dit net volledig zijn geïnstalleerd en alle bewoners zullen er dan op aangesloten zijn. Ik ben graag bereid u over de stand van zaken hieromtrent nader te informeren bij de toezending van de informatie over het drinkwateronderzoek op Saba.
Kunt u toezeggen dat u zich zult inspannen voor het beschikbaar maken van de Nederlandse kennis en expertise voor deze en andere uitdagingen op het vlak van de waterhuishouding op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustasius en Saba)?
De door u gevraagde ondersteuning, zoals ook verwoord in de Motie Van Veldhoven c.s. (27625-244), vindt reeds plaats op Bonaire, Saba en Sint Eustatius en wordt door mij gestimuleerd. Het gaat hierbij niet alleen om het leveren van de benodigde kennis en expertise maar ook om het verbeteren van de efficiency van de drinkwatervoorziening. Deze inzet wordt geleverd als de eilanden hierom zelf vragen.
Sint Eustatius en Bonaire hebben reeds met Vitens Evides Internationaal een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het doel om het Waterbedrijf efficiënter te laten functioneren en de kennis van de medewerkers op een hoger peil te brengen. Ook Saba heeft inmiddels contact gelegd met Vitens Evides Internationaal.
Is het waar dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2010 steun uitgesproken heeft voor het recht op water als mensenrecht, waarbij de Nederlandse delegatie zich onthield van stemming met de mededeling dat de desbetreffende resolutie «onvoldoende verantwoordelijkheid neerlegde bij nationale overheden»? Vindt u dat de Nederlandse regering de verantwoordelijkheid draagt voor het voorzien van een structurele oplossing voor de watervoorziening op de BES-eilanden?3
Ja, de Nederlandse delegatie heeft zich onthouden van stemming. Waar het Bonaire, Saba en Sint Eustatius betreft, zijn de verantwoordelijkheden van de Nederlandse regering vastgelegd in de Wet drinkwater BES. Vanuit die verantwoordelijkheid span ik mij in voor een structurele oplossing voor de watervoorziening op de BES-eilanden. Ik heb u reeds aangegeven op welke wijze ik hier mee bezig ben.
Hoe verhoudt het wettelijke kader voor de watervoorziening op de BES-eilanden zich tot de elders in Nederland geldende Drinkwaterwet? Bent u bereid bij de in artikel 60 van de Drinkwaterwet voorziene evaluatie ook de borging van de watervoorziening op de BES-eilanden te betrekken?
De Wet drinkwater BES is van toepassing op de openbare lichamen op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De Drinkwaterwet is van toepassing op het Europese deel van Nederland. Beide kaders staan los van elkaar. Als minister ben ik voor beide kaders verantwoordelijk.
Het kader voor de BES richt zich op de kwaliteit van het drinkwater. Het kader van de Drinkwaterwet is breder en omvat ook bepalingen omtrent tarieven, regulering van het vermogen van drinkwaterbedrijven, prestatievergelijking en aanvullende bepalingen met betrekking tot de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (zeggenschap en rechtsvorm).
In Europees Nederland kunnen drinkwaterbedrijven goed op doelmatigheid met elkaar worden vergelijken, omdat ze onder vergelijkbare omstandigheden en schaalniveau drinkwater produceren. De drinkwatervoorziening op Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn moeilijk met elkaar te vergelijken, laat staan dat deze te vergelijken zijn met drinkwaterbedrijven in Europees Nederland. Door de grote verschillen tussen Nederland en de BES-eilanden geef ik er de voorkeur aan om de evaluatie van doeltreffendheid en de effecten van de Wet drinkwater BES separaat van artikel 60 van de Drinkwaterwet te evalueren.
Antibioticaresistentie |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van radio 1 over antibioticaresistentie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat er over 15 jaar geen werkende antibiotica meer is «als er niet snel iets gebeurt»? Overweegt u nadere maatregelen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antibioticaresistentie is een dreiging voor de volksgezondheid. Het is zorgwekkend dat steeds vaker moet worden uitgeweken naar gebruik van antibiotica die worden gezien als «laatste redmiddel» omdat gangbare antibiotica niet meer werkzaam zijn. Er zijn momenteel nog voldoende middelen om patiënten te behandelen maar dat moet in de toekomst ook zo blijven. Zowel binnen de humane gezondheidszorg als binnen de veterinaire wereld zijn al veel maatregelen genomen om de antibioticaresistentieproblematiek het hoofd te bieden.
De antibioticaresistentieproblematiek is één van de speerpunten van dit kabinet en dit onderwerp is dan ook opgenomen in de brief die staatssecretaris Van Rijn en ik u hebben gestuurd over onze agenda tijdens de huidige kabinetsperiode (TK 32620-78). Over de uitwerking van dit specifieke onderwerp binnen de huidige kabinetsperiode zal ik u voor de zomer per brief informeren.
Hoe beoordeelt u de bewering dat er nauwelijks nieuwe antibiotica worden ontwikkeld, omdat het ontwikkelen van nieuwe antibiotica financieel onaantrekkelijk is?2 Ziet u een rol voor uzelf bij het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe antibiotica? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete acties heeft u ondernomen en/of in gang gezet om de ontwikkeling van nieuwe antibiotica te stimuleren? Welke nationale maatregelen overweegt u op dit moment en welk tijdpad hanteert u daarbij?
Het ontwikkelen van nieuwe antibiotica is primair een verantwoordelijkheid van de farmaceutische industrie. Het is helaas waar dat de ontwikkeling van antibiotica financieel minder aantrekkelijk is dan de ontwikkeling van medicijnen die veel worden gebruikt. De bedoeling is om de ontwikkelde antibiotica zo lang mogelijk op de plank te laten en daarna zo min mogelijk te gebruiken. Al die tijd worden de ontwikkelkosten niet terug verdiend. Ik zie zeker een rol voor de Nederlandse overheid bij de ontwikkeling van nieuwe middelen maar zoals ik al eerder heb aangegeven kan één land dit niet alleen. De ontwikkeling van nieuwe middelen is een internationale aangelegenheid. Nederland neemt actief deel aan het EU Joint Programming Initiative on Antimicrobial Resistance. Nederland coördineert de ontwikkeling van een Europese strategische onderzoeksagenda. Deze agenda wordt in nauwe samenwerking met de WHO ontwikkeld, om ook de aansluiting bij de mondiale agenda te zoeken. De agenda zal een belangrijke «push» moeten geven aan onderzoek naar allerlei aspecten van antimicrobiële resistentie, inclusief ontwikkeling van nieuwe middelen.
Voor mijn verdere inzet voor wat betreft de ontwikkeling van nieuwe middelen verwijs ik u naar de brief die ik noemde in het antwoord op vraag 2 die ik voor de zomer zal sturen.
Herinnert u zich uw oproep om de antibioticaresistentie mondiaal aan te pakken?3 Welke concrete acties heeft u sindsdien ondernomen en/of in gang gezet om onverantwoord antibioticagebruik nationaal en internationaal tegen te gaan?
Tijdens de opening van een internationale conferentie in Amsterdam over gepast medicijngebruik in oktober 2012 heb ik inderdaad aandacht gevraagd voor de wereldwijde problematiek van antibioticaresistentie. Nederland doet al heel veel op dit gebied, maar kan dit niet alleen. Daarom is wereldwijde actie nodig.
Nederland initieert, ondersteunt en neemt deel aan diverse Europese en mondiale activiteiten om de problemen rondom antibioticaresistentie te signaleren, te analyseren en te agenderen.
Nederland heeft Memoranda of understanding (MOU’s) afgesloten met onder andere China en India waarin antibioticaresistentie is opgenomen. Ook heeft het RIVM Centrum Infectieziektebestrijding namens Nederland onlangs een MOU ondertekend met WHO Euro en de Europese federatie van wetenschappelijke verenigingen voor medische microbiologie (ESCMID). Met deze MOU wordt aansluiting gezocht tussen niet EU lidstaten en EU lidstaten (waarvoor via het ECDC al een systeem bestaat) om de resistentieproblematiek in kaart te brengen en met andere landen te vergelijken. De ervaring heeft geleerd dat inzicht hierin een grote motivatie is voor landen om hun antibioticabeleid kritisch onder de loep te nemen.
Tot slot heb ik onlangs tijdens een gesprek met eurocommissaris Borg het onderwerp antibioticaresistentie aan de orde gesteld en aangegeven dat Nederland dit onderwerp hoge prioriteit geeft.
Ook mijn internationale inzet zal ik verder uitwerken in de brief die ik u voor de zomer zal sturen.
Deelt u de mening dat het antibioticagebruik in de Nederlandse veeteelt, ondanks het feit dat het antibioticagebruik de laatste jaren gehalveerd is, nog steeds veel te hoog is? Deelt u voorts de mening dat de doelstelling van halvering in 2013 niet ambitieus genoeg was? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke ambities hanteert u nu? Op welke termijn krijgt de Kamer meer duidelijkheid over de wijze waarop u in overleg met uw collega’s de nieuwe doelstellingen wilt implementeren?
Ook na de halvering is het antibioticumgebruik in de veehouderij nog steeds te hoog. Daarom heeft het kabinet voor 2015 een reductiedoelstelling van 70% ten opzichte van 2009 vastgesteld voor de veehouderij als geheel (TK 29683-125). Zie voorts de brief die ter zake 5 april 2013 naar uw Kamer is gestuurd.
Deelt u bovendien de mening dat het gebruik van antibiotica bij dieren in het belang van de volksgezondheid verder teruggedrongen moet worden? Op welke wijze gaat u invulling geven aan de afspraak in het regeerakkoord dat het gebruik van antibiotica voor dieren, als het nodig is, aangescherpt wordt?
Zie antwoord vraag 5.