Het behoud van de monumentenstatus molen “Windlust” |
|
Sander de Rouwe (CDA), Aukje de Vries (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage «Het verdriet van Burum»?1
Ja
Klopt het dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) negatief heeft geadviseerd over het behoud van de monumentale status van de molen Windlust in Burum? Wat was de onderbouwing c.q. de reden dat het continueren van de monumentale status wordt geweigerd?
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft geen advies uitgebracht maar is wel de procedure gestart om de molen af te voeren als rijksmonument. Het starten van de procedure tot afvoering houdt in dat de Rijksdienst namens mij de eigenaar een voorstel doet om het monument af te voeren van het register van door het Rijk beschermde monumenten. Dan wordt advies gevraagd aan de gemeente. Na ontvangst van dat advies wordt dit doorgestuurd naar de Raad voor Cultuur met het verzoek eveneens advies uit te brengen. Hiermee handelt de Rijksdienst conform het beleid van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo), dat stelt dat monumenten die hun monumentale waarde verloren hebben uit het monumentenregister worden afgevoerd. Uit de voorgelegde stukken en bezoek ter plaatse is namelijk gebleken dat de brand op 8 april 2012 de molen helaas voor 95% verwoest heeft. Het resterend muurwerk is na de brand alsnog verwijderd. Alleen enkele balken, enkele ijzeren onderdelen en een mengketel waren nog te gebruiken voor een herbouw.
Wanneer neemt u een besluit over de monumentenstatus? Op basis van welke adviezen neemt u de beslissing? Op basis van welk beleid en welke criteria neemt u een besluit? Welke rol speelt de unieke constructie van deze molen, de betrokkenheid van de bewoners en de positie van de molen in het dorp daarbij? Welke rol speelt het feit dat er bij andere monumentale molens ook altijd sprake is van ingrijpende restauraties en herstel?
Ik neem een definitief besluit over de monumentenstatus nadat ik beide adviezen heb ontvangen. De gemeente Kollumerland heeft conform de Monumentenwet 1988 de belanghebbenden gehoord en heeft inmiddels het advies uitgebracht om de monumentenstatus intact te laten. De Raad voor Cultuur heeft nog niet geadviseerd. Ik verwacht dit advies over 1 à 2 maanden.
Bij mijn besluit baseer ik mij op de Monumentenwet 1988 en het monumentenbeleid dat in 2009 is gemoderniseerd (MoMo). Bij het aanwijzen of afvoeren van rijksmonumenten bepaal ik de monumentwaarden aan de hand van vijf criteria te weten: de cultuurhistorisch waarden, architectuur- en kunsthistorische waarden, situationele en ensemblewaarden, gaafheid (waaronder de materiële gaafheid) en herkenbaarheid, en zeldzaamheid.
Ik begrijp dat de molen altijd een bijzondere positie in het dorp heeft gehad en ik waardeer de betrokkenheid van de bewoners van Burum. Mede dankzij die betrokkenheid is de molen herbouwd. Bij de bepaling of de monumentale waarden nog aanwezig zijn, speelt lokaal draagvlak echter geen rol. Constructieve aspecten spelen daarentegen wel een rol, maar nu de unieke constructie van molen Windlust door de brand verloren is gegaan, constateert de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed dat de molen zijn monumentale waarde verloren heeft.
Bij mijn besluit over de monumentenstatus speelt het gegeven dat het hier om een molen gaat feitelijk geen rol. Molens zijn in die zin bijzonder, dat het bewegende monumenten zijn die slijten. Instandhouding van molens vergt dus soms ingrijpend herstel maar dat hoeft de monumentenstatus niet aan te tasten. Bij de molen Windlust is geen sprake van ingrijpend herstel door slijtage maar volledige herbouw door een brand, waarbij de molen en haar unieke constructie helaas geheel verloren is gegaan.
Wat zijn de criteria op basis waarvan een monument en/of een molen die is afgebrand en wordt gerestaureerd en hersteld weer kan worden aangewezen als monument?
Als een monument wordt getroffen door een calamiteit zoals een brand zal dit niet automatisch leiden tot het afvoeren van het monument. Het is ook niet zo dat eerst het monument wordt afgevoerd, daarna gerestaureerd of hersteld en tenslotte weer wordt aangewezen. Als de kans voor het behoud van zijn monumentale waarden groot is zal het monument, óók tijdens de restauratie-, herstel- of reconstructiewerkzaamheden, onder de rijksbescherming blijven vallen.
De criteria die worden gebruikt voor het aanwijzen van een monument zijn dezelfde als voor het afvoeren van een rijksmonument. Er wordt gekeken naar cultuurhistorische waarden, architectuur- en kunsthistorische waarden, situationele en ensemblewaarden, gaafheid en herkenbaarheid en zeldzaamheid.
Bent u bekend met een vergelijkbare situatie in Meppel waar het Schultehuis ook volledig is afgebrand en volledig van de grond af weer is herbouwd, en alsnog de monumentenstatus heeft behouden? Wat is het verschil met de situatie van de molen in Burum?
Ik ben bekend met het gegeven dat het Schultehuis te Meppel op 4 mei 2012 door brand was getroffen en de monumentstatus heeft behouden. Het Schultehuis was weliswaar zwaar beschadigd, maar het casco, de hoofdvorm en verschillende draagbalken waren nog aanwezig en vertegenwoordigden nog voldoende monumentale waarden om de monumentstatus te behouden en om tot een verantwoorde restauratie over te gaan. De molen te Burum ging daarentegen nagenoeg geheel verloren.
Waarom is er door de RCE niet gereageerd op een verzoek van de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. daartoe in het voortraject van het herstel van de molen?
Op 17 april 2012, kort na de brand, zijn medewerkers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ter plaatse geweest. Bij dit bezoek is met de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. en de gemeente afgesproken om, ná inventarisatie en een bouwhistorische opname van de overgebleven bouwmaterialen, gezamenlijk te kijken naar de mogelijkheden voor het herbouwen van de molen. Tevens is door de medewerkers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangegeven dat de molen nagenoeg geheel verloren is gegaan.
In later telefonisch overleg met de voorzitter van de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. is met wederzijds goedvinden overeen gekomen om een tweede bezoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ten behoeve van de inventarisatie niet af te leggen omdat de inventarisatie en het bouwhistorisch rapport voldoende inzichtelijk waren. Eigenaar Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. heeft geen verzoek om nader vooroverleg gedaan en diende op 19 december 2012 een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor herbouw van de molen in.
Bent u van mening dat molen Windlust gelet op de specifieke situatie de monumentale status moet behouden? Zo nee, waarom niet?
Alhoewel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inmiddels de procedure is gestart om de molen af te voeren, omdat deze voor 95% verloren is gegaan, zal ik pas een definitief besluit over de monumentale status nemen nadat ik ook het advies van de Raad voor Cultuur heb ontvangen.
De 120.000 verzekerden die al jarenlang geen zorgpremie betalen, waardoor er één miljard euro aan onbetaalde premies open staat |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de tv-uitzending «120.000 verzekerden betalen al jaren geen zorgpremie»?1
Het uitgangspunt is dat mensen hun nominale zorgpremie betalen. Als teveel mensen niet betalen, ondermijnt dat op den duur de solidariteit in het stelsel.
Gaat de komende wijziging van de wanbetalersregeling deze hardnekkige groep wanbetalers aanpakken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording op de vragen van de leden Bouwmeester en Kuzu heb ik vermeld dat er al een strikt handhavingsbeleid wordt gevoerd om zoveel mogelijk bestuursrechtelijke premie te innen. Alles wat binnen de wettelijke kaders mogelijk is aan (zinvolle) incassoactiviteiten wordt al gedaan. Forsere (dwang)maatregelen zijn in het bestuursrecht niet aan de orde.
In het wetsvoorstel is voorts de mogelijkheid opgenomen om bepaalde groepen wanbetalers terug te geleiden naar de zorgverzekeraar. Voor de teruggeleiding is het van belang zorgvuldige voorwaarden te formuleren. Daarover moeten goede afspraken worden gemaakt. Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), Zorgverzekeraars en diverse gemeenten zijn al geruime tijd in gesprek over de mogelijkheden voor deze teruggeleiding. Ik zal voortdurend blijven zoeken naar maatregelen of initiatieven die deze groep substantieel verkleint.
Kunt u aangeven wat de verhouding is in deze hardnekkige groep wanbetalers tussen het aantal allochtonen en autochtonen?
Achtergrondkenmerken van alle wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime, waaronder hun herkomst, worden in mijn opdracht jaarlijks verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en worden opgenomen in de VWS-Verzekerdenmonitor. De toepasselijke tabel is opgenomen op pagina 13.
Van de groep «overige westerse allochtonen» is geen verdere uitsplitsing naar nationaliteit opgenomen. Ik heb vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat het aantal wanbetalers veel harder zal toenemen omdat onderdanen uit de genoemde landen hier komen wonen of werken.
Voorts heb ik dit jaar verzocht om nadere en gerichte analyses van achtergrondgegevens van wanbetalers die al vanaf het begin bij CVZ zitten, van wie CVZ nooit premie heeft ontvangen en die betalingsachterstand hebben van 1 tot 2 jaar of meer. Met deze gegevens wil ik beoordelen of ik, in aanvulling op de maatregelen die in het wetsvoorstel al staan, gerichter beleid kan voeren om wanbetaling tegen te gaan. Daarnaast gaat CBS ook aantallen wanbetalers per postcodegebied in kaart brengen en dit koppelen aan achtergrondkenmerken, ten behoeve van de regionale bijeenkomsten die gaan plaatsvinden tussen zorgverzekeraars en gemeenten in het kader van preventieactiviteiten.
Deelt u de mening dat het aantal wanbetalers nog veel harder zal toenemen door het openen van de grenzen voor Bulgaren en Roemenen?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat hardnekkige wanbetalers, die al jarenlang weigeren mee te werken aan een oplossing, nog wel alle zorg moeten ontvangen?
Indien de verzekering van deze wanbetalers zou worden opgeschort of zij geen recht meer hebben op een deel van de aanspraken, dan zal het ziekenhuis die medisch noodzakelijk zorg toch moeten verlenen. Het incassoprobleem wordt dan verplaatst naar de zorgaanbieder. Ik ben daar geen voorstander van.
De aanscherping van het toevoegbeleid bij gijzeling als dwangmiddel |
|
Nine Kooiman (SP), Jan de Wit (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn de regels om een advocaat toegevoegd te krijgen bij gijzeling als dwangmiddel aangescherpt?1 Wat is de achtergrond van deze beleidswijziging om voortaan de bijstand van een advocaat niet langer noodzakelijk te achten bij een ingrijpend dwangmiddel als gijzeling?
Als een rechtzoekende rechtsbijstand nodig heeft, maar dit niet kan betalen, kan hij aanspraak maken op een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand. Deze wet stelt daarvoor bepaalde voorwaarden en sluit ook bepaalde situaties van een aanspraak op rechtsbijstand uit. Zo bestaat, ingevolge artikel 12 lid 2 onder g van deze wet, geen aanspraak op gefinancierde juridische rechtsbijstand als van de rechtzoekende redelijkerwijze mag worden verwacht dat hij zijn belang in de zaak zelf kan behartigen. Voor rechtsbijstand ter zake van het treffen van een afbetalingsregeling of het kwijtschelden van een schuld wordt op basis van artikel 7 Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria evenmin een toevoeging verleend.
De grote stijging van het aantal gijzelingsverzoeken heeft aanleiding gegeven voor de Raad voor Rechtsbijstand om het – al geruime tijd geldende – beleid ten aanzien van deze zaken opnieuw tegen het licht te houden. Daarbij heeft de raad het beleid van het CJIB in gijzelingszaken en de bestaande rechtspraktijk bij gijzeling als dwangmiddel betrokken. Hieruit is gebleken dat de kantonrechter op het moment dat toepassing van het dwangmiddel wordt gevorderd uitsluitend beoordeelt of de inzet daarvan effect zal hebben. De reden van niet-betaling wordt daarbij betrokken. De (juridisch-)inhoudelijke kant van de zaak, namelijk de vraag of de (verkeers)boete terecht is opgelegd, is daarbij niet aan de orde. De beslissing daarover is onherroepelijk en de betalingsverplichting staat inmiddels vast. Het gaat met andere woorden bij de beslissing van de kantonrechter enkel om argumenten van feitelijke aard die de financiële situatie van de rechtzoekende betreffen. Nu bij de kantonrechter geen juridisch inhoudelijke vraag meer voorligt, mag van de rechtzoekende worden verwacht, dat hij bedoelde feitelijke argumenten zelf bij de kantonrechter naar voren brengt.
De Raad voor Rechtsbijstand zal met inachtneming van de bestaande rechtspraktijk en het in ontwikkeling zijnde beleid van het CJIB de benodigde informatie en bescheiden voor toevoegingsaanvragen in gijzelingszaken in verder overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten nader preciseren om te kunnen beoordelen of een toevoeging moeten worden verstrekt. Dit zal onder meer het geval zijn als er sprake is van een veelheid van (Wet Mulder-)zaken. De toevoeging zal dan gericht zijn om ook de achterliggende problematiek op te lossen. Bij de precisering van de voorwaarden zal de raad oog houden voor schrijnende gevallen, zodat in die gevallen aan de rechtzoekende een advocaat zal kunnen worden toegevoegd om hem bij te staan bij de behandeling van een gijzelingsverzoek.
In het licht van het vorenstaande is geen aanleiding om het hiervoor uiteengezette beleid terug te draaien.
Bent u bekend met het feit dat de onvrede over het toepassen van het dwangmiddel gijzeling door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) toeneemt?2 Bent u bereid hier nader naar te kijken?
Ik ben bekend met het aangehaalde bericht en mijn eerdere antwoorden. In mijn brieven aan uw Kamer ben ik op het inzetten van gijzeling als dwangmiddel ingegaan en heb ik maatregelen aangekondigd.4 Samen met het Openbaar Ministerie en het CJIB werk ik toe naar een meer gerichte aanpak voor personen die wel willen, maar niet kunnen betalen. Op dit moment wordt onderzocht of de mogelijkheid van het treffen van betalingsregelingen zou moeten worden verruimd om evident onredelijke situaties te voorkomen. Daarnaast wordt ingezet op het eerder herkennen van en handelen naar bijzondere omstandigheden, zodat het toepassen van dwangmiddelen in deze gevallen zoveel mogelijk kan worden beperkt.
Deze maatregelen zijn nauw met elkaar verbonden. In een breder kader werk ik met het Openbaar Ministerie en het CJIB aan een inning en incasso van financiële sancties die zo consequent, efficiënt, effectief en maatschappelijk verantwoord mogelijk is. In het tweede kwartaal van 2014 zal ik uw Kamer per brief nader informeren over deze plannen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van financiële sancties. De wijze waarop wordt omgegaan met personen die wel of niet willen, en wel of niet kunnen betalen, maakt daar deel van uit.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over de harde kritiek van een rechter op de geautomatiseerde werkwijze van het CJIB en de toepassing van het dwangmiddel gijzeling?3 Per wanneer zullen de door u beloofde verbeteringen in de aanpak van het CJIB effect hebben in de praktijk? Wat houdt uw toezegging precies in?
Zie antwoord vraag 2.
Is het maken van onderscheid tussen mensen die niet willen betalen (en bij wie de inzet van dwangmiddelen dus nuttig kan zijn) en mensen die tijdelijk of vooralsnog niet kunnen betalen (en bij wie de inzet van een dwangmiddel als gijzeling dus schrijnend en zelfs contraproductief is) ook onderdeel uit van deze verbeterde aanpak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt er juist op dit moment het recht op toevoeging van een advocaat ingeperkt bij zaken waarbij het dwangmiddel gijzeling wordt toegepast, terwijl het aantal klachten en schrijnende voorbeelden aan het toenemen is en er verbeteringen in de aanpak zijn beloofd maar nog niet zijn gerealiseerd? Deelt u de mening dat het moment van deze aanscherping in ieder geval zeer ongelukkig is?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze aanscherping van het toevoegbeleid terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg over de toegang tot het recht op 20 februari 2014?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het EenVandaag onderzoek naar zogenaamde babbeltrucs |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het EenVandaag onderzoek naar zogenaamde babbeltrucs, een praktijk waarbij vooral ouderen steeds vaker slachtoffer zijn van criminelen die hen met een overtuigend verhaal benaderen en vervolgens ongemerkt ontdoen van geld, bankpassen of andere waardevolle spullen?1
Ja.
Is bekend hoe vaak diefstal door babbeltrucs voorkomt? Welke trends zijn hierin te onderkennen?
Zoals ik heb geantwoord op eerdere Kamervragen over dit onderwerp beschik ik niet over eigen cijfers over de omvang van dit fenomeen.2 Ik kan daardoor ook over eventuele trends geen uitspraken doen.
Hoe beoordeelt u de bevinding in het onderzoek dat zes op de tien (58%) slachtoffers van een babbeltruc géén contact opnemen met de politie, dat slechts één op de drie aangifte doet en dat daders daardoor vaak aan de politie ontkomen? Zijn er thans nog drempels voor het doen van aangifte, die kunnen worden weggenomen? Zo ja, hoe gaat dit gebeuren?
Er kunnen allerlei redenen zijn waarom mensen besluiten om geen aangifte te doen. Voor zover deze redenen in mijn invloedsfeer liggen heb ik uw Kamer per brief van 9 juli 20133 geïnformeerd over een aantal maatregelen dat moet leiden tot een toename van de aangiftebereidheid onder het publiek: het organiseren van uniforme aangiftevoorzieningen waarbij op een passende manier aangifte kan worden gedaan, het verbeteren van de kennis en expertise van de politiemedewerkers die aangiften opnemen, het organiseren van terugkoppeling op aangiften en het verbeteren van de afhandeling van aangiften.
Wordt diefstal door een babbeltruc op dit moment in de praktijk van het politiewerk even serieus opgenomen als een woninginbraak? Wat wordt thans gedaan om diefstal door babbeltrucs tegen te gaan?
De aanpak van babbeltrucs is een gedeelde verantwoordelijkheid van burgers en overheid. Het is belangrijk dat burgers zich er bewust van zijn dat criminelen babbeltrucs gebruiken om diefstallen te plegen, bijvoorbeeld na insluiping, of om hen op te lichten. Burgers kunnen dan alert zijn en risicovol gedrag vermijden. Via de media informeert onder andere de politie burgers over het gebruik van babbeltrucs en het vermijden van risicovolle gedragingen, zoals het bewaren van pincodes in huis.
Mochten mensen toch slachtoffer worden van een misdrijf dan is het ook voor de pakkans van belang dat zij daarvan aangifte doen. Voor het vergroten van de aangiftebereidheid onder ouderen verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Het bestrijden van babbeltrucs behoort, net als bijvoorbeeld het bestrijden van woninginbraken, tot het dagelijkse werk van de politie. De politie pakt ook deze vorm van criminaliteit professioneel en serieus aan. Er is hiervoor niet één vaste werkwijze; hoe er wordt gehandeld hangt in belangrijke mate af van de omstandigheden van het geval. Gelet hierop acht ik een landelijke en gecoördineerde aanpak van babbeltrucs niet geboden.
Na diefstal en tot het moment van melding van diefstal aan de bank, is de consument veelal zelf aansprakelijk voor ontstane schade; deelt u de mening dat het snel en eenvoudig blokkeren van pinpassen dus zeer wenselijk is, maar in de praktijk ingewikkeld kan zijn, omdat banken verschillende telefoonnummers voor melding van diefstal hanteren?
Consumenten kunnen diefstal van hun bankpas niet alleen snel en eenvoudig telefonisch melden aan hun eigen bank, maar ook aan de Bankpassen Meldcentrale via 0800–0313. De Bankpassen Meldcentrale is 24 uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar. Banken adviseren hun klanten tevens om het telefoonnummer van de bank of de Meldcentrale in de mobiele telefoon op te slaan voor het geval zij hun pas hebben verloren of als deze is gestolen. Op deze manier hebben klanten het nummer dat zij moeten bellen om de betaalpas te blokkeren altijd bij de hand.
Bent u bereid om in overleg met de banken te streven naar invoering van één algemeen en eenvoudig telefoonnummer, bijvoorbeeld door middel van naambellen («pas» wordt dan telefoonnummer 727), waar diefstal van één of meerdere passen gemeld kan worden, zodat deze eenvoudiger en sneller geblokkeerd kunnen worden?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 5 ziet de Minister van Financiën geen aanleiding om hierover met de banken in overleg te treden.
Wat gaat u doen om tot een landelijke en gecoördineerde aanpak van babbeltrucs te komen, de pakkans die nu nog laag is te vergroten en de nu nog relatief lage aangiftebereidheid bij ouderen te vergroten?2
Zie antwoord vraag 4.
Het niet verlenen van toestemming aan bandleden van Pussy Riot om een Nederlandse gevangenis te bezoeken |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat twee leden van de Russische punkband Pussy Riot geen toestemming van u hebben gekregen om een Nederlandse gevangenis van binnen te zien?1
Bij ieder verzoek tot toegang tot een justitiële inrichting wordt het belang van het bezoek nauwkeurig afgewogen tegen het belang van een ordelijke, veilige tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en van het waarborgen van de privacy van gedetineerden. Zolang het bezoek geen functioneel doel dient of is geïnitieerd door een ingeslotene prevaleren deze belangen boven het belang van bezoek van belangstellenden.
Om desalniettemin maximaal tegemoet te komen aan de wens van Pussy Riot om kennis te kunnen nemen van het Nederlandse detentiesysteem heb ik in de onderhavige zaak een gesprek tussen de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de twee bandleden van Pussy Riot gefaciliteerd. Er is onder meer gesproken over de omgang tussen gevangenispersoneel en gedetineerden, de manier waarop in Nederland wordt gewerkt aan terugkeer in de maatschappij na het verblijf in een justitiële inrichting en de wijze waarop het klachtrecht van gedetineerden is vormgegeven. Ook is een korte video getoond over het Nederlandse gevangenissysteem. Op deze wijze is een helder beeld geschetst van het Nederlandse detentiesysteem.
Overigens kan een ieder, ook buitenlandse belangstellenden, bij DJI informatie opvragen over de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties in Nederland.
Zo ja, kunt u dit besluit toelichten? Waarom heeft u hiervoor geen toestemming gegeven? Waarom bent u niet op zoek gegaan naar mogelijkheden om een dergelijk bezoek mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het juist goed zou zijn om buitenlanders die geïnteresseerd zijn in het Nederlandse gevangeniswezen te laten zien hoe het er in een Nederlandse gevangenis aan toe gaat? Wat is hier op tegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Het omzeilen van telefoontaps door verdachten |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Advocaten vrezen gevolgen omzeilen telefoontaps»?1
Ja.
Deelt u de vrees van advocaten dat verdachten een telefoontap van de politie zelf kunnen uitschakelen, door zich te verschuilen achter het telefoonnummer van een advocaat? Zo ja, was u dit al langer bekend en zo ja, hoe lang en wat hebt u daar aan gedaan of gaat u er aan doen? Zo nee, waarom niet?
Kan het bovengenoemde misbruik ertoe leiden dat advocaten in de toekomst niet langer vertrouwelijk met cliënten kunnen bellen? Zo ja, deelt u de mening dat dit hoogst onwenselijk is en wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Hebt u inzicht in de aard en omvang waarmee bovengenoemde manipulatie plaatsvindt? Zo ja, kunt u dat inzicht met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u dat inzicht verwerven?
Hebben de bovengenoemde problemen met betrekking tot het manipuleren van informatie gevolgen voor lopende dan wel toekomstige strafzaken? Zo ja, welke gevolgen zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in uw bij het mondelinge vragenuur van 21 januari 2014 toegezegde brief over spoofing, ingaan op de problematiek van spoofing in relatie tot telefoonlijnen van zogenaamde geheimhouders en daarbij tevens bovenstaande vragen beantwoorden?
Het vrijlaten van Syrië-gangers |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank laat Syrië-gangers vrij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het gevaarlijk is dat opgepakte Syrië-gangers in vrijheid hun proces af kunnen wachten en dat dit nooit dient te gebeuren? Zo neen, waarom niet?
De rechter beslist over het schorsen van een voorlopige hechtenis. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met het vluchtgevaar, recidivegevaar en de ernst van het feit. De rechter gaat daarbij onder meer af op de gegevens in het dossier. De invrijheidsstelling kan onder voorwaarden plaatsvinden, waaronder elektronisch toezicht, meldplicht of een gebiedsverbod. De rechtbank heeft in het onderhavige geval op basis van alle gegevens geoordeeld dat het verantwoord was om betrokkenen onder voorwaarden in vrijheid te stellen.
Kunt u aangeven hoe vaak de betreffende Syrië-gangers zich moeten melden, bij welke instantie en hoeveel andere Syrië-gangers er momenteel onder toezicht staan?
Ik kan geen uitspraken doen over de specifieke situatie van betreffende personen. Wel kan ik aangeven dat het recidive- en gevaarsrisico bepalend is voor de intensiteit van een reclasseringstoezicht. Bij het bepalen daarvan wordt gebruik gemaakt van een gevalideerd diagnose instrument, de Risc, en het oordeel van de reclasseringsmedewerker. De reclassering kan, naast de door de rechter reeds opgelegde voorwaarden, de ondertoezichtgestelde ook gedragsaanwijzingen geven. Hierbij valt te denken aan openheid over contacten of het niet zonder toestemming veranderen van huisvesting.
In hoeverre heeft u nog vertrouwen in de reclassering, nu bekend is geworden dat een jihadist die onder toezicht stond (met een enkelband) gewoon naar Syrië kon afreizen om deel te nemen aan de islamitische oorlog?
Er zijn geen personen met een enkelband om naar Syrië afgereisd. Ik heb er alle vertrouwen in dat de reclassering bij een ondertoezichtgestelde haar taak naar behoren uitvoert, zoals de rechter daartoe opdracht geeft. Dat neemt niet weg dat er bij een ondertoezichtgestelde geen garantie is dat betrokkene zich niet aan het toezicht kan onttrekken. De reclassering is echter wel geëquipeerd om, ook in moeilijke gevallen, een ondertoezichtgestelde te bewegen zich aan de voorwaarden te houden.
Ziet u inmiddels de noodzaak van het oppakken, vastzetten en waar mogelijk denaturaliseren en uitzetten van alle terugkerende Syrië-gangers? Zo neen, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld2, wordt door de AIVD van elke naar Nederland teruggekeerde jihadstrijder een dreigingsinschatting gemaakt. Het landelijk parket zet daarnaast zoveel mogelijk in op strafrechtelijke vervolging. Tevens zet de burgemeester in de lokale driehoek een specifieke en individuele aanpak in om de mogelijke dreiging die van een terugkerende jihadstrijder uitgaat te verminderen. Van intrekking van het Nederlanderschap kan alleen sprake zijn bij een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf (op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap). Voorwaarde is dat de betrokken persoon naast de Nederlandse nationaliteit ook nog een andere nationaliteit bezit. Intrekking is niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is. Na het intrekken van het Nederlanderschap wordt betrokkene ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
In hoeverre deelt u de mening dat administratieve detentie een waardevol instrument is in de strijd tegen het islamitische terrorisme?
Wanneer van een persoon een dreiging uitgaat – bijvoorbeeld omdat de persoon van plan is uit te reizen naar of is teruggekeerd van een jihadistisch strijdgebied – dan beschikt het Openbaar Ministerie over voldoende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is bij verdenking van een terroristische misdrijf bewaring mogelijk, ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Tevens bestaan er bestuurlijke instrumenten voor de aanpak, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het kunnen bevriezen van financiële tegoeden. Ik acht daarom het creëren van aanvullende administratieve detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding niet noodzakelijk.
Het bericht ‘Pandemie uit Brabant is mogelijk’ |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Pandemie uit Brabant is mogelijk»? 1
Ja
Wat is uw reactie op de uitspraak van viroloog Ab Osterhaus dat het niet ondenkbaar is dat er in Brabant een grieppandemie uitbreekt, die wordt veroorzaakt door een gemuteerd dierlijk virus dat kan overspringen naar mensen?
Er is altijd een kans op een uitbraak van een zoönose, inclusief een grieppandemie. Het is heel moeilijk om te zeggen hoe groot die kans is en waar en wanneer een nieuwe ziekte zal uitbreken. Het aanpassen van virussen en de overdracht van virussen tussen dieren en mensen zijn natuurlijke processen. Dierdichtheid, intensieve contacten tussen diersoorten en tussen mens en dier maar ook hygiënemaatregelen spelen daarbij een rol. De hygiënemaatregelen op Nederlandse veehouderijbedrijven zijn streng en directe contacten tussen diersoorten onderling en tussen mens en dier zijn beperkt. Wij zijn van mening dat de huidige maatregelen voldoende zijn om de kans op een uitbraak zo klein mogelijk te houden.
In Nederland bestaat een uitgebreid, verplicht programma om vogelgriep zo snel mogelijk te vinden. Op besmette bedrijven worden adequate controlemaatregelen genomen. Ook bereidt Nederland zich goed voor op uitbraken onder meer door een goede samenwerking tussen humane en veterinaire partijen, wetenschappelijk onderzoek en actuele bestrijdingsdraaiboeken. Daarnaast zorgt het humaan veterinair signaleringssysteem er voor dat een uitbraak snel gedetecteerd wordt en dat tijdig wordt opgeschaald en de juiste maatregelen genomen kunnen worden. Naar aanleiding van de Q-koortsuitbraak is de voorbereiding op uitbraken uitgebreid en aangescherpt.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van de GGD Hart voor Brabant (Jos van de Sande) die stelt dat alleen minder dieren een oplossing zijn om het risico op de uitbraak van een pandemie in Brabant te verminderen?
Het alleen verminderen van dieren is geen oplossing om het risico op de uitbraak van een pandemie te beperken. Het kabinetsbeleid richt zich op maatregelen waarmee de introductie en verspreiding van dierziekten en zoönosen worden voorkomen, zoals: strenge hygiënemaatregelen, screenen van import- en exportstromen van dierlijke producten, intensieve monitoring en een goed werkend early warning systeem. Volledig gesloten veehouderijen om het risico op zoönose-uitbraken te verminderen leveren naar de mening van het kabinet geen wezenlijke meerwaarde ten opzichte van de genoemde maatregelen. Mede uit het oogpunt van dierenwelzijn is een dergelijke ontwikkeling niet gewenst.
Wat is uw reactie op het recente rapport van de Provinciale Raad Gezondheid Brabant, waarin wordt gesteld dat varkens «worden gezien als een diersoort waarin nieuwe pandemische virussen kunnen ontstaan op het moment dat er insleep is van vogelgriepvirussen»?
Het toenmalige kabinet heeft op 31 mei 2011 reeds een reactie gegeven op het rapport «Gezondheid is geen wisselgeld» uit 2011 (Kamerstuk 28 973, nr. 51). Het is algemeen bekend dat vogelgriepvirussen varkens kunnen infecteren, waarbij varkens, als deze toevallig ook besmet zijn met een ander griepvirus, als «mengvat» op kunnen treden met een aangepast virus als gevolg. Het beleid van de Staatssecretaris van Economische Zaken is erop gericht vogelgriepvirussen in pluimvee zo snel mogelijk op te sporen en te elimineren. Zie verder de antwoorden op de vragen 2, 3 en 5.
Wat is uw reactie op de uitspraak van GGD-arts Henk Jans, die stelt dat er volledig gesloten veehouderijen moeten komen om het risico op zoönose-uitbraken te verminderen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw standpunt als het gaat om het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit 2008 om varkens- en kippenboerderijen minstens een kilometer uit elkaar te houden?
Dat RIVM-advies is gebaseerd op het risico voor verspreiding van een hoogpathogeen vogelgriepvirus tussen pluimveebedrijven, op basis van de epidemie van 2003. In een vervolgrapport van het RIVM uit 20122 wordt het oorspronkelijke afstandsadvies nader geduid. Deze bevindingen hebben niet geleid tot een wijziging van het beleid om geen landelijke afstandsnormen te formuleren. Overigens, afstanden tussen bedrijven die in het kader van dierziektebeheersing worden geadviseerd, zijn niet zonder meer te vertalen naar afstandsadviezen met betrekking tot de risicobeheersing van zoönosen in het algemeen.
Klopt het dat in Brabant maar liefst 91 procent van de kippenboerderijen op minder dan duizend meter van een varkenshouderij is gevestigd?
Uit de bij de Staatssecretaris van Economische Zaken bekende gegevens blijkt dat het percentage 85% is.
De dreigende uitlevering van een Vietnamese student aan de Verenigde Staten |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voorgenomen uitlevering aan de Verenigde Staten van de Vietnamese student Lee Vu?1
Ja.
Bent u bekend met de bijzondere omstandigheden in deze zaak, zoals de moeite die het Lee Vu heeft gekost om in Nederland te kunnen studeren, het feit dat het niet zeker is of hij na uitlevering aan de Verenigde Staten opnieuw een verblijfsvergunning zal krijgen om zijn studie af te maken, het feit dat hij binnen nu en enkele maanden zal kunnen afstuderen indien zijn uitlevering met enkele maanden zou worden uitgesteld en de vaststelling dat hij zich keurig aan alle gestelde voorwaarden (verbonden aan de schorsing van de uitleveringsdetentie) heeft gehouden en bereidheid toont dat te blijven doen?
De omstandigheden van de zaak zijn mij bekend.
Bent u op de hoogte van het feit dat de verdenking van strafbare feiten omstreden is, maar dat deze Vietnamese student bereid is het strafproces in de Verenigde Staten te benutten om zijn onschuld te tonen? Deelt u de mening dat het schrijnend is wanneer deze Vietnamese student zijn studie niet af kan maken in Nederland, vanwege een dreigende uitlevering op basis van een verdenking vanuit de Verenigde Staten?
Ik besef dat uitlevering een persoonlijke situatie behoorlijk kan ontwrichten. In het geval van de Vietnamese student is dat het gevolg van het feit dat hij verdachte in een strafzaak is geworden, waarin als gevolg van witwassen, oplichting en computervredebreuk aanzienlijke financiële schade aan derden is toegebracht. Ik kan de wens van een verdragspartner om hem ter zake van die verdenking voor de rechter te brengen niet naast mij neerleggen. Dat de verdenking onredelijk zou zijn, is in de uitleveringsprocedure op geen enkele manier gebleken. De rechtbank te Groningen heeft het verweer dat betrokkene onschuldig is, gemotiveerd verworpen en dat oordeel is door de Hoge Raad onaangetast gelaten. Een verdergaand onderzoek naar de schuldvraag dient plaats te vinden in de (Amerikaanse) strafzaak, niet in een Nederlandse uitleveringsprocedure. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 4 en 5.
Waarin ligt de bijzondere noodzaak om hem op zeer korte termijn uit te leveren, terwijl de verdenking al geruime tijd bestaat? Waar komt de haast vandaan? Welk bezwaar bestaat er tegen uitstel van de uitlevering tot en met juli 2014, de datum waarop zijn studie in Nederland naar verwachting zal zijn afgerond?
Ik heb de Amerikaanse autoriteiten, die al op 25 oktober 2012 om uitlevering hebben verzocht, gevraagd of er bezwaren zijn tegen uitstel van de strafzaak tot de verdachte zijn studie heeft afgerond. De Amerikaanse Justitie heeft mij daarop laten weten dat uitstel van de feitelijke uitlevering tot na juli 2014 zal leiden tot een latere berechting. Dat zal volgens de Amerikaanse aanklager consequenties hebben voor de kwaliteit van de bewijsgaring. Bovendien zullen slachtoffers langer moeten wachten met het instellen van een schadeclaim en de beoordeling in rechte daarvan. Er kan geen zitting worden gepland zolang betrokkene niet fysiek aanwezig is in de Verenigde Staten. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, vanwege de bijzondere hardheid die een snelle uitlevering met zich mee zou brengen, de uitlevering met enkele maanden uit te stellen? Zo nee, waarom niet?
Hoewel ik onderken dat het afbreken van een opleiding een zware tegenslag is, maakt dat nog niet dat hier sprake is van de bijzondere hardheid in de zin van artikel 10 van de Uitleveringswet. Deze bijzondere hardheid doet zich niet voor als iemand door de uitlevering dezelfde gevolgen ondervindt als vele anderen die worden uitgeleverd. Een zekere mate van hardheid, zoals het (tijdelijk) verlies van werk of het onderbreken van een opleiding, is per slot van rekening inherent aan uitlevering. Het past in dit geval dan ook niet om de persoonlijke belangen van de verdachte zwaarder te laten wegen dan de hiervoor genoemde reële bezwaren van het Amerikaanse openbaar ministerie tegen uitstel van de uitlevering. Ik zie in deze zaak daarom geen grond om een uitleveringsverplichting uit te stellen en een buitenlandse strafzaak verdere vertraging te laten oplopen. Overigens merk ik op dat het volgen van een opleiding ook in Nederland geen reden is om een strafzaak uit te stellen.
Bent u bereid in ieder geval de uitlevering en de gevangenhouding van deze student uit te stellen totdat deze vragen zijn beantwoord? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn beantwoord voorafgaand aan de uitlevering. Over de gevangenhouding beslist het gerechtshof in Leeuwarden.
Een pervers effect van de energiebelasting |
|
Arnold Merkies (SP), Paulus Jansen (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kunnen aardbevingen het energiebelastingslandschap opschudden?»1 Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerdere vragen over de grote verschillen in energiebelasting per eenheid nuttige energie voor elektriciteit en gas?2
Onderschrijft u de analyse dat een kleinverbruiker per eenheid geleverde energie bij elektriciteit zes keer zoveel energiebelasting betaalt als bij gas?
Onderschrijft u de conclusie dat dit verschil negatieve effecten heeft op de realisatie van de doelstellingen van de regering met betrekking tot energiebesparing en verduurzaming van de energievoorziening? Deelt u de mening dat deze ongelijke fiscale behandeling ook een belemmering vormt voor het (door middel van energiebesparing en/of switchen naar warmtepompen e.d.) verlagen van de jaarproductie van het Slochterenveld?
Bent u bereid om de Kamer uiterlijk bij het Belastingplan 2015 te informeren over een herziening van de energiebelasting, waarbij de stip op de horizon is: het tarief is ongeacht de energiedrager gebaseerd op een prijs per kJ geleverde energie?
Orgaanroof in China |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Mona Keijzer (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de door het Europees Parlement aangenomen resolutie over orgaanroof in China?1
Ja.
Deelt u de ernstige verontrusting van het Europees Parlement over de «aanhoudende en geloofwaardige berichten over het systematische, door de staat gesanctioneerde verwijderen van organen bij gewetensgevangenen in de Volksrepubliek China, onder meer bij grote aantallen Falun Gong-aanhangers die om hun geloofsovertuiging gevangen zijn gezet, en bij leden van andere religieuze of etnische minderheden»?
Het kabinet is bekend met de verschillende berichten en deelt de verontrusting over berichten over onvrijwillige orgaandonaties. China heeft erkend dat de meeste organen die in China worden getransplanteerd afkomstig zijn van geëxecuteerde gevangenen. Echter, onafhankelijke verificatie of bevestiging van onvrijwillige verwijdering bij gewetensgevangenen, zoals Falun Gong beoefenaars of religieuze of etnische minderheden, is tot op heden niet mogelijk gebleken.
Klopt het dat de VN-commissie tegen foltering en de speciale VN-rapporteur inzake foltering hun bezorgdheid hebben uitgesproken over de beschuldigingen van orgaanverwijdering bij gevangenen, en de regering van de Volksrepubliek China hebben opgeroepen tot meer verantwoordingsplicht en transparantie in het systeem van orgaantransplantatie en tot bestraffing van degenen die verantwoordelijk zijn voor misbruik? In hoeverre is China hieraan tegemoet gekomen?
Het klopt dat de VN-commissie tegen foltering en de speciale VN-rapporteur inzake foltering hun bezorgdheid hebben uitgesproken over de beschuldigingen die zijn gedaan in het rapport van Kilgour en Matas. De Chinese overheid schrijft in de brieven aan de VN mensenrechtenraad als reactie op de beschuldigingen dat deze ongegrond zijn en het pure fabricaties van de Falun Gong betreffen. China stelt o.a. dat een onderzoek is verricht in het ziekenhuis Sujiatan in Shenyang, waar illegale verwijdering van organen zou plaatsvinden. Uit hun onderzoek bleek dat geen sprake zou zijn van illegale orgaanverwijdering. Voorts stelt China dat de cijfers in het rapport van Kilgour en Matas niet kloppen, omdat China in de periode van 2000–2005 geen officiële statistieken in orgaantransplantaties zou hebben bijgehouden. In 2006 is nationale regelgeving aangenomen die expliciet gedwongen orgaandonatie en orgaanhandel strafbaar stelt. Sinds 2011 is ook «forced organ removal, forced organ donation or organ removal from juveniles» strafbaar. In het uiterst geval kan daarvoor de doodstraf opgelegd worden. Echter, Nederland en de EU blijven bezorgd over de implementatie van de regelgeving en de onvoldoende duidelijkheid over de afkomst van organen.
Klopt het dat VN-commissie tegen foltering en de speciale VN-rapporteur inzake foltering geen antwoord hebben gekregen op verzoeken aan China in 2006 en 2008 om uitleg over de significante stijging van het aantal orgaantransplantaties sinds het begin van de vervolging van de Falun Gong? Hoe beoordeelt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de kwestie van orgaanverwijdering in China hoog op de agenda van de EU te zetten, aan te sturen op publiekelijke veroordeling van China, medewerking van China te eisen aan de VN-onderzoeken, alsmede te pleiten voor grondig en transparant onderzoek door de EU naar de praktijken op het gebied van orgaantransplantatie in China?
Het kabinet deelt de mening dat orgaanverwijdering zonder instemming van de persoon onaanvaardbaar is. Nederland zal zich blijven inspannen om deze kwestie op de agenda van de EU te houden. De Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Ashton heeft toegezegd deze zorgen bij de Chinese autoriteiten aan de orde te blijven stellen. In het kader van de bilaterale mensenrechtendialoog tussen de EU en China zijn deze zorgen eerder opgebracht, waarbij China gevraagd is duidelijkheid te geven over het aantal uitgevoerde doodstraffen en orgaantransplantaties. Nederland zal, zowel bilateraal als in het kader van de EU, bezien welke andere kanalen geschikt zijn om deze kwesties met de Chinese autoriteiten te bespreken. Nederland en de EU zullen bij China blijven aandringen op implementatie van de Chinese nationale regelgeving die gedwongen orgaandonatie en orgaanhandel expliciet strafbaar stelt.
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel waaruit blijkt dat ten minste 27 personen in Nederland in de afgelopen 10 à 15 jaar naar orgaanexporterende landen als China, India, Irak en Iran en Pakistan zijn afgereisd?2
Ja. In de zevende rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel wordt gesteld dat er enige indicaties zijn die er op duiden dat sprake is van «orgaantoerisme» door personen uit Nederland naar orgaanexporterende landen. In dit verband worden in deze rapportage interviews vermeld met een chirurg, acht nefrologen en vier transplantatiecoördinatoren uit Nederland, waaruit naar voren kwam dat zij in totaal 27 personen kenden die in de afgelopen tien à vijftien jaar een orgaantransplantatie ondergingen in landen als China, India, Irak en Iran en Pakistan. In 2012 heeft de Nationaal Rapporteur overigens het rapport «Mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering en gedwongen commercieel draagmoederschap» uitgebracht, waarin wordt aangegeven dat nauwelijks gevallen van mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering in Nederland zelf of door Nederlanders bekend zijn.
Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om Nederlanders daarvan in de toekomst te weerhouden, bijvoorbeeld op het gebied van voorlichting? In hoeverre is aanscherping van wetgeving op dit punt mogelijk en wenselijk?
Het «om niet»-principe en uitdrukkelijke, voorafgaande toestemming van de donor zijn in Nederland belangrijke uitgangspunten bij orgaandonatie en vastgelegd in de Wet op de orgaandonatie (WOD). In 2010 is het Besluit Zorgverzekeringen aangepast. Aanleiding voor deze aanpassing waren de problemen waarmee zorgverzekeraars werden geconfronteerd in geval van declaraties van transplantaties buiten Nederland waarbij er sprake was van het afstaan van een orgaan door een levende donor tegen betaling. Transplantaties komen nu alleen nog voor vergoeding in aanmerking als deze zijn uitgevoerd binnen de Europese Unie, in een van de landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte of in een andere staat indien de donor woonachtig is in die staat en de echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant in de eerste, tweede of derde graad van de verzekerde is.
Om te voorkomen dat mensen financieel nadeel ondervinden van het bij leven doneren van organen is per 1 juni 2009 de subsidieregeling Donatie bij leven in werking getreden. Deze regeling komt de donor tegemoet in de kosten die een direct gevolg zijn van de donatie, voor zover deze niet op enige andere manier vergoed worden.
In geval van onvrijwillige orgaandonatie kan sprake zijn van een vorm van mensenhandel en dit is strafbaar op grond van artikel 273f Wetboek van Strafrecht. Verder is relevant dat met de wet ter implementatie van de richtlijn mensenhandel – die 5 november 2013 door de Eerste Kamer is aangenomen en per 15 november 2013 in werking is getreden, het vereiste van dubbele strafbaarstelling is komen te vervallen voor mensenhandel gepleegd door Nederlandse onderdanen buiten Nederland.
Om te voorkomen dat mensen hun toevlucht zoeken tot een illegale transplantatie in het buitenland wordt op de website van de Nederlandse Transplantatie Stichting gewezen op de gevaren en het mogelijk illegale karakter van een transplantatie in het buitenland. Deze website wordt mogelijk gemaakt met subsidie van het Ministerie van VWS.
Welke Nederlandse ziekenhuizen werken op dit moment samen met Chinese ziekenhuizen die verdacht worden van of waarvan bekend is dat ze betrokken zijn bij de orgaanroof van gevangenen?
Er zijn geen gevallen bekend van samenwerking tussen Nederlandse ziekenhuizen met Chinese ziekenhuizen die verdacht worden van orgaanroof van gevangenen. Aangezien onafhankelijke verificatie of bevestiging van de verdachtmakingen tot nu toe niet mogelijk is gebleken, is het opstellen van een zwarte lijst van Chinese ziekenhuizen niet aan de orde.
Bent u bereid een zwarte lijst op te stellen van Chinese ziekenhuizen die betrokken zijn bij orgaanroof van gevangenen, waar Nederlandse ziekenhuizen, bedrijven en instellingen geen zaken mee zouden mogen doen die direct of indirect bijdragen aan deze praktijken?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat de geleidelijke afschaffing van orgaanverwijdering bij geëxecuteerde gevangenen in China nog tot 2015 doorloopt? Bent u bereid bij de regering van de Volksrepubliek China aan te dringen op onmiddellijke beëindiging van de praktijk van orgaanverwijdering bij gewetensgevangenen en leden van religieuze en etnische minderheden?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid in het kader van de onlangs hervatte bilaterale mensenrechtenconsultaties met China uitdrukkelijk aandacht te vragen voor de zeer zorgelijke praktijken op het gebied van orgaantransplantatie in China?
Zie antwoord op vraag 5.
Mogelijke steun Turkije aan jihadisten Syrië |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving1 over de bewering van de chef van de militaire inlichtingendienst van Israël, generaal Kochavi, dat Al Qaeda beschikt over bases in Turkije voor jihadstrijders die naar Syrië afreizen?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze bewering, ook in het licht van eerdere ontkenningen van Turkije dat het steun zou verlenen aan jihadisten?
De Turkse autoriteiten hebben herhaaldelijk, zowel in het openbaar als in bilaterale contacten met Nederland, aangegeven dat ze zich grote zorgen maken over de Turkse binnenlandse veiligheid ten gevolge van activiteiten van jihadistische groeperingen, en hiertegen adequate maatregelen treffen. Zie ook het antwoord op vraag 13, 14 en 15.
Klopt het dat de vermeende bases volgens de Israëlische militaire inlichtingendienst gelegen zijn in Karaman, een stad in centraal Anatolië, Osmaniye, een plaats nota bene in de buurt van Adana, waar onze Patriot-eenheden gestationeerd zijn, alsmede een plaats nabij de stad Sanlilurfa?
In het bewuste artikel wordt inderdaad gemeld dat de Israëlische militaire inlichtingendienst de mening is toegedaan dat er in het genoemde gebied een soort basis aanwezig is.
Welke activiteiten vinden hier volgens de Israëlische inlichtingendienst plaats? Gaat het om safehouses en trainingsfaciliteiten?
Uit voornoemd artikel kan niet worden opgemaakt welke activiteiten volgens de Israëlische inlichtingendienst in de veronderstelde bases zouden plaatsvinden. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie dat binnen Turkije bases van Al Qaeda bestaan. Turkije ontkent het bestaan ervan ondubbelzinnig.
Deelt u de zorgen van Israëlische militaire inlichtingendienst dat terroristen vanuit deze bases eenvoudig toegang hebben tot Europa?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook opmerkelijk dat deze bewering zo in het openbaar gedaan wordt door een Israëlische generaal in de richting van Turkije? Zou dit te maken kunnen hebben met een mogelijk gebrek aan bereidheid bij Turkije om op te treden tegen jihadisten die naar Syrië afreizen, of zelfs mogelijke (gedoog)steun van Turkije aan jihadisten?
Het kabinet treedt niet in de mogelijke beweegredenen van de Israëlische generaal om deze beweringen te uiten.
In hoeverre sluiten volgens u de beweringen van de Israëlische inlichtingendienst aan bij eerdere berichtgeving2 over het bestaan van safehouses van Al Qaeda in Turkije, waar honderden jihadstrijders onderdak zouden vinden?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie dat binnen Turkije safehouses van Al Qaeda bestaan. Zie verder het antwoord op vraag 13, 14 en 15.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving3 dat uit het Westen afkomstige rekruten door de terreurbeweging ISIS geïndoctrineerd worden met extremistische anti-Westerse ideologie, en getraind worden in het maken en tot ontploffing brengen van autobommen, het maken van zelfmoordvesten en het opzetten van terroristische cellen in het Westen?
In maart 2013 is het dreigingsniveau terrorisme Nederland verhoogd naar «substantieel». Belangrijkste overweging daarvoor was de mogelijke dreiging voor de veiligheid die uitgaat van uit Syrië terugkerende strijders, van wie sommigen zeer radicaal en in hoge mate geweldsbereid kunnen zijn. Het kabinet onderkent derhalve dit potentiële gevaar, en heeft in de afgelopen periode een groot aantal maatregelen getroffen, waarover de Kamer is geïnformeerd (o.m. Kamerstukken 29 754 nr. 242, 243, 237 en 238).
Deelt u de mening dat aan Al Qaeda gelieerde of verwante islamitische terreurbewegingen die jihad voeren in Syrië, een toenemende dreiging vormen voor het Westen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving4 dat de regering Erdogan twee chefs van anti-terrorisme eenheden die verantwoordelijk waren voor een majeure operatie tegen Al Qaeda in Turkije, twee uur nadien ontslagen zou hebben, alsmede de bodyguards vervangen zou hebben van de acht aanklagers die de operatie gelanceerd hebben?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie ten aanzien van mogelijke beweegredenen voor eventuele personeelswisselingen binnen Turkse anti-terrorisme eenheden bevestigt.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving5 dat elf hulporganisaties in Syrië die werken met de gematigde Syrische oppositie, een aanklacht zouden voorbereiden tegen Turkije bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens wapenleveranties aan radicale islamisten in Syrië?
Het kabinet kan geen oordeel uitspreken over berichtgeving over een eventuele juridische procedure.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving6 dat de Turkse inlichtingendienst MIT een vrachtwagen vol wapens naar Syrië heeft gereden, dat de politie, die probeerde op te treden tegen de vrachtwagen, zou zijn tegengewerkt in hun optreden en instructies kreeg om de vrachtwagen niet te doorzoeken?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie ter zake.
Blijft u ook in het licht van deze zeer verontrustende berichtgeving vasthouden aan uw analyse tijdens het Algemeen overleg over de verlenging van de Patriot-missie van 17 december jl., dat «inmiddels ook de Turkse overheid zich grote zorgen maakt over de jihadistische groeperingen en de veiligheid van Turkije»?
De Turkse autoriteiten hebben zowel in het openbaar als in bilaterale contacten met Nederland veelvuldig aangegeven dat ze zich grote zorgen maken over de Turkse binnenlandse veiligheid ten gevolge van activiteiten van jihadistische groeperingen. Zoals ook is aangegeven in het Algemeen Overleg (verlenging Patriot-missie in Turkije d.d. 17 december 2014) is de situatie aan de Turks-Syrische grens echter ondoorzichtig. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat via Turks grondgebied steun aan gewapende oppositiegroeperingen heeft plaatsgevonden. Tijdens de bilaterale consultaties tussen Turkije en Nederland op 14 februari 2014 is het probleem van jihadistische strijders uitvoerig aan de orde gekomen. De Turkse autoriteiten hebben ook bij deze gelegenheid onomwonden aangegeven het probleem van jihadistische strijders te onderkennen, hiertegen adequate maatregelen te treffen en bereid te zijn tot samenwerking met de Nederlandse autoriteiten. Tevens is de aanwezigheid van Al Qaeda bases in Turkije ondubbelzinnig ontkend.
Blijft u geloven in de officiële ontkenning door de regering Erdogan van steun aan of het faciliteren van jihadisten? Hoe beoordeelt u deze houding in relatie tot de politieke crisis in Turkije en het op grote schaal vervangen van politiefunctionarissen door de regering Erdogan?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid de berichtgeving en beweringen in de richting van Turkije over het mogelijke bestaan van bases van Al Qaeda in Turkije en het mogelijke steunen of faciliteren van jihadisten door Turkije (door bijvoorbeeld wapenleveranties of het openzetten van de grenzen met Syrië) indringend aan de orde te stellen bij Turkije?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid de boodschap over te brengen dat de Nederlandse Patriot-missie niet bedoeld is als een beschermparaplu voor een Turkije dat islamitische extremisten steunt en de grens met Syrië wagenwijd openzet voor stromen jihadstrijders en wapens die zich ook tegen het Westen kunnen keren?
Nederland voldoet met de Patriot-missie aan de bondgenootschappelijke solidariteit in het kader van de NAVO. De missie is nadrukkelijk bedoeld ter bescherming van de Turkse burgerbevolking. Nederland hecht aan de bondgenootschappelijke solidariteit.
Bent u bovendien bereid te pleiten voor internationaal onderzoek naar bovengenoemde berichtgeving en beweringen? Zo nee, bent u dan tenminste bereid deze kwesties aan te kaarten binnen de EU en de NAVO om via deze organisaties uitleg te vragen aan Turkije?
Nee. Het conflict in Syrië en de gevolgen voor de regio worden in NAVO- en EU-kader, bijvoorbeeld tijdens EU-consultaties, alsmede in bilaterale contacten met Turkije, uitvoerig besproken.
De rechtsbescherming van erfpachters |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht «Overheid kan erfpachters beter beschermen»1 en herinnert u zich uw antwoorden d.d. 4 juni 20132 op eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp?
Ja.
Onderschrijft u dat het onacceptabel is dat bij verkoop van woningen op erfpachtgrond 25% van de contracten «code rood» krijgt, dus dient te worden aangepast, maar de eigenaar-bewoner het nakijken heeft als de verpachter weigert het contract aan te passen?
Op 7 februari 2014 heb ik uw Kamer mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Visser en Aukje de Vries over erfpacht doen toekomen3. Hierin is aangegeven dat het onwenselijk is als woningen zeer lastig verkoopbaar zijn, omdat aspirantkopers als gevolg van het erfpachtcontract geen financiering kunnen krijgen. En dat ik op korte termijn in overleg zal treden met betrokken partijen over de uitkomsten van de evaluatie van de bancaire richtlijn.
Bent u nog steeds van mening dat eigenaar-bewoners zich bij weigerachtige erfverpachters maar tot de rechter moeten wenden en een peperdure procedure met onzekere afloop tegemoet moeten gaan, of is nu het moment aangebroken om via herziening van de hiervoor relevante wet- en regelgeving, zoals het Burgerlijk wetboek, een einde aan deze wantoestand te maken?
Ja, het is primair aan de erfpachter om aan de rechter een oordeel te vragen indien de erfverpachter op onredelijke of onjuiste gronden weigerachtig is het erfpachtcontract aan te passen, in geval van bijvoorbeeld een «rode code». Dit laat onverlet dat, zoals ook aangegeven in eerdergenoemde beantwoording van 7 februari 2014, op korte termijn overleg zal plaatsvinden met betrokken partijen om aan de hand van de opgedane ervaringen met elkaar te bezien welke stappen denkbaar zijn, ter verbetering van de financierbaarheid van huizen op erfpachtgrond.
Wat gaat u doen met de volgende drie suggesties waarmee u volgens de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB)3 erfpachters beter zou kunnen beschermen: mogelijk maken van wettelijke bescherming van de erfpachter (zoals bijvoorbeeld ook geldt voor huurders), aanpassing van de wetgeving om het voor erfpachters mogelijk te maken om de rechter te laten oordelen over de erfpachtconstructie en toezicht mogelijk maken van de Autoriteit Financiele Markten (AFM) op erfpachtcontracten? Zou u de antwoorden willen motiveren?
Deze en mogelijk andere suggesties zullen worden besproken in genoemd overleg met betrokken partijen. Verder wijs ik u in dit verband op de beantwoording van 7 februari 2014, waar in is gegaan op de juridische mogelijkheden voor een erfpachter en op de vraag wat betrokken bewindspersonen vinden van de suggestie om erfpachtcontracten (voortaan) onder toezicht van het AFM te laten vallen, door aanpassing van de Wet Financieel Toezicht.
“Minimaal 100 studiehuizen Gülen-beweging in Nederland” |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het item «Minimaal 100 studiehuizen Gülen-beweging in Nederland» in de uitzending van EenVandaag?1 Wat vindt u van de zorgelijke beelden?
Ja, ik ben bekend met de uitzending van EenVandaag.
Bent u bekend met het bestaan van deze studiehuizen? Zo ja, wat vindt u van deze studiehuizen?
Ja, ik ben bekend met het bestaan van dergelijke vormen van huisvesting. Het staat ouders vrij om hun kinderen onder te brengen in internaten of logies. Deze instellingen dienen zich evenwel in alle opzichten aan de wet te houden. In het geval de studenten 18 jaar of ouder zijn, zijn zij vrij om samen een huis te betrekken. In het wetsvoorstel «Wet op de jeugdverblijven» worden verblijven als internaatvoorziening aangemerkt die privaat gefinancierd zijn, en waar ten minste vier minderjarigen elk gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd buiten familieverband overnachten, of naar verwachting zullen overnachten. Hiervan lijkt geen sprake te zijn in de huizen waarnaar in de uitzending van EenVandaag wordt verwezen.
Bestaan er wettelijke eisen waar dergelijke studiehuizen aan moeten voldoen? Zo ja, voldoen deze studiehuizen daaraan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat deze studiehuizen bijvoorbeeld niet onder het toezicht van de onderwijsinspectie vallen?
Het onderwijstoezicht door de Inspectie van het Onderwijs is vastgelegd in de Wet op het
Onderwijstoezicht. Deze wet regelt het toezicht op, bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs op instellingen in de zin van een Onderwijswet. Private initiatieven zoals deze studiehuizen vallen daar niet onder. Een aanbod dat vanuit dergelijke private initiatieven wordt verzorgd, kan evenmin gelden als onderwijs in de zin van de Leerplichtwet.
Is het inderdaad zo dat jongeren in deze studiehuizen gevoed worden met het gedachtengoed van Fethullah Gülen? Wat vindt u daarvan?
Het is mij niet bekend of de studenten gevoed worden door het gedachtegoed van Fethullah Gülen. In Nederland is iedereen vrij om te geloven.
Deelt u de mening dat deze studiehuizen segregatie in de hand werken? Zo ja, welke middelen staan u ter beschikking om dat tegen te gaan?
Ik vind het in het algemeen niet wenselijk dat jongeren afgezonderd van
de Nederlandse samenleving opgroeien of op enige wijze worden weg gehouden van de bredere samenleving waarin zij zich later moeten kunnen handhaven. Uit het onderzoek «De Fethullah Gülenbeweging in Nederland» opgesteld in 2010 op verzoek van de toenmalige minister Van der Laan, blijkt dat vroegere studenten en aanhangers van de Gülenbeweging de Nederlandse taal goed beheersen en zich goed kunnen redden op de arbeidsmarkt. Om een plek te vinden in Nederland is het van belang dat jongeren in aanraking komen met mensen met andere denkbeelden of een andere levensstijl. Ik vind het belangrijk dat jongeren daartoe gestimuleerd worden door de ouders of – als zij verblijven in studiehuizen – door de aanbieders van deze vorm van huisvesting. Een verkenning van de gemeente Amsterdam waarover het college van burgemeester en wethouders in juli 2013 aan de gemeenteraad heeft gerapporteerd, leert dat de bewoners van de studiehuizen in Amsterdam in alle gevallen op dat moment opleidingen volgden aan reguliere Nederlandse instellingen.
Ziet u ook parallellen met het fenomeen «moskee-internaat»?
Indien jongeren onder de 18 jaar verblijven in deze huizen, zijn er zeker overeenkomsten. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht dat bij de Olympische Spelen grootschalig opslag van gegevens plaatsvindt van aanwezige sporters en andere geaccrediteerden |
|
Gerard Schouw (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zelfs Sven Kramer ontkomt niet aan de Russische geheime dienst» van De Correspondent?1
Ja
Van welke (categorieën) Nederlandse bezoekers aan de Olympische Spelen in Sotsji worden straks communicatie en/of communicatiegegevens opgeslagen in een Russische database?
De Europese Commissie heeft tijdens de mensenrechtenconsultaties in november 2013 dit besluit aan de orde gesteld en zorgen overgebracht t.a.v. de bescherming van persoonlijke gegevens en de privacy van communicatie tijdens de Olympische Spelen. In Rusland bestaat een bewaartermijn van drie jaar voor de opslag van telecommunicatiegegevens ten behoeve van de Russische veiligheidsautoriteiten. Per Russisch besluit van 8 november 2013 is bepaald dat dit ook geldt voor de telecommunicatiegegevens van bezoekers, deelnemers en (overige) betrokkenen bij de Spelen. Dit omvat dus ook alle Nederlandse bezoekers en deelnemers aan de Olympische Spelen in Sochi.
Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben geen toegang tot de genoemde database. Overigens wordt in het kader van mogelijke terrorismedreiging tegen de Olympische Spelen wel samengewerkt met de Russische diensten.
Wat is uw reactie op de bewaartermijn van drie jaar voor de database en de toegang daartoe door de FSB en andere, niet bij naam genoemde, opsporingsdiensten? Kunt u uitsluiten dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot deze niet bij naam genoemde opsporingsdiensten behoren?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet u om de belangen van de bij de Olympische Spelen aanwezige Nederlanders te waarborgen en de schending van hun persoonlijke levenssfeer als gevolg van de surveillance tot een absoluut minimum te beperken?
In reactie op het besluit heeft Nederland maatregelen genomen. Uit veiligheidsoverwegingen kunnen geen mededelingen worden gedaan over de wijze waarop de officiële delegatie op dit punt wordt geïnformeerd en voorbereid.
Van belang is dat Nederlandse bezoekers geïnformeerd zijn. Daarom is in het reisadvies een zinsnede opgenomen waarin Nederlanders worden geattendeerd op het Russische besluit. In het voor deze Spelen uitgegeven Oranje Boekje, ook online beschikbaar, staat informatie voor bezoekers aan de Olympische Spelen en wordt geadviseerd voor vertrek het Reisadvies Rusland te lezen. Het Oranje Boekje wordt breed verspreid onder Nederlanders die bij de Olympische Spelen aanwezig zijn.
Op welke wijze probeert u Nederlanders die bij de Olympische Spelen aanwezig zijn te informeren over de inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer en over mogelijkheden die zoveel mogelijk te beperken?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is de bovenstaande voorlichting effectief gebleken?
Zie antwoord vraag 4.
Verschilt deze voorlichting van die van andere landen? Zo ja, waarom?
Het is aan landen zelf om te bepalen welke maatregelen genomen worden om bezoekers en deelnemers aan de Olympische Spelen in te lichten over het Russische besluit.
Kunt u uitsluiten dat opslag van gegevens van leden van onze officiële delegatie aan de Olympische Spelen plaatsvindt? Zo nee, welke maatregelen treft u om de Koning, de Koningin en aanwezige ministers buiten de werkingssfeer van de surveillance te houden?
Nee. De opslag van gegevens van leden van de officiële delegatie aan de Olympische Spelen kan niet worden uitgesloten. Het kabinet kan vanuit veiligheidsoverwegingen geen uitspraken doen over de genomen maatregelen en de beveiliging van de Nederlandse delegatie naar de Olympische Winterspelen in Sochi.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor donderdag 6 februari 2014 12 uur?
Ja
Het intergouvernementele verdrag over het Europese bankenresolutiefonds |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de opvatting van onder meer de onderhandelaars van het Europees Parlement1 en de jurist René Repasi2 dat het onrechtmatig is om het Europese bankenresolutiefonds (SRF) te baseren op een intergouvernementeel verdrag?
Ja.
Kunt u op elk van de geuite bezwaren tegen de intergouvernementele aanpak afzonderlijk ingaan, met name op de strijdigheid met het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3 VEU), met het beginsel van institutioneel evenwicht (artikel 13 VEU), met het beginsel van democratie (artikel 10 VEU), met de standstill-verplichting voor lidstaten op het moment dat de Europese Commissie een wetgevingshandeling heeft voorgesteld en met het uitgangspunt van gelijke behandeling van alle banken in de deelnemende lidstaten?
In het algemeen merkt het kabinet op dat het verdrag nog in onderhandeling is en dat teksten daarom nog aan verandering onderhevig zijn. Om die reden kan het kabinet niet een volledig beeld schetsen van alle elementen van het ontwerpverdrag. Wel kan vast het volgende worden opgemerkt.
Volgens het kabinet is de intergouvernementele aanpak niet in strijd met de genoemde beginselen. De verplichting van lidstaten om de geïnde bijdragen te storten in het SRF en de transitie van beperkte naar volledige risicodeling worden in het intergouvernementeel verdrag geregeld. Hoewel de Unie de bevoegdheid heeft om deze zaken te regelen, heeft zij deze zaken niet geregeld. Dat betekent in dit geval dat de lidstaten hierin op deze onderwerpen wetgeving en juridisch bindende handelingen kunnen vaststellen (artikel 2 lid 2 en artikel 4 VWEU). De genoemde bezwaren gaan er daarom ook ten onrechte van uit dat waar zowel de Unie als de lidstaten een bevoegdheid hebben om te handelen, zoals bijvoorbeeld op het terrein van de interne markt, lidstaten niet gezamenlijk die bevoegdheid buiten de Unie om mogen uitoefenen. Omdat het om een uitoefening van een nationale bevoegdheid gaat, gelden ook de nationale democratische eisen en niet die van de Unie. De intergouvernementele aanpak vormt dus geen schending van art. 10 VWEU.
Voor wat betreft het beginsel van loyale samenwerking gaan de genoemde opvattingen ten onrechte uit van de veronderstelling dat het bewust niet gebruiken van een bevoegdheid van de Unie in strijd is met dat beginsel. Uit het Unierecht kan echter geen plicht tot gebruik van een gedeelde bevoegdheid worden afgeleid. Kenmerk van een gedeelde bevoegdheid is immers dat men kan kiezen voor een uitoefening door de Unie, door de lidstaten of voor het niet uitoefenen van de bevoegdheid. Zolang de Unie, zoals in het onderhavige geval, de gedeelde bevoegdheid niet uitoefent (het voorstel van de Commissie is immers nog niet aangenomen), kan de lidstaat volgens het VWEU die bevoegdheid uitoefenen. Een dergelijke bevoegdheidsuitoefening van een lidstaat is dan ook niet noodzakelijkerwijs in strijd met het beginsel van loyale samenwerking en het institutionele evenwicht. Het kabinet ziet in het licht van dit beginsel ook geen bezwaren tegen het – vooruitlopend op de mogelijke uitkomst van de onderhandelingen tussen de Raad, het EP en de Commissie over het SRM-voorstel – werken aan een ontwerpverdrag dat overeenstemming tussen genoemde instellingen kan vereenvoudigen. Van een schending van de standstillverplichting zou eventueel sprake kunnen zijn indien het intergouvernementeel akkoord tot stand zou komen voordat er in triloog akkoord is bereikt over de SRM verordening. Mede om die reden zal dit laatste plaatsvinden voordat tot ondertekening van het intergouvernementeel verdrag wordt overgegaan.
De gelijke behandeling van banken heeft geen betrekking op het intergouvernementeel akkoord, maar op het SRM.
Deelt u de opvatting van Repasi3 dat tegenstanders van het gebruik van artikel 114 VWEU als enige rechtsbasis voor het Europees resolutiemechanisme/fonds (SRM/SRF) zich niet langer achter de Meroni-doctrine kunnen verschuilen nu het Europese Hof van Justitie deze doctrine heeft geactualiseerd in zijn recente arrest4 over short selling?
Het Hof heeft in het shortselling arrest geoordeeld dat op grond van art. 114 VWEU slechts een beperkte delegatie van bevoegdheden mogelijk is en deze alleen is toegestaan in zoverre dit noodzakelijk is om de doelstelling van harmonisatie te bereiken. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het SRF zonder verdere voorwaarden kan worden gebaseerd op art. 114 VWEU.
Volgens het kabinet vormt art. 114 een voldoende rechtsbasis voor het SRF. Met name ten aanzien van de overdracht van contributies en de geleidelijke risicodeling binnen het fonds was voor die opvatting binnen de Raad echter onvoldoende draagvlak. Overigens heeft Uw Kamer de regering ook opgeroepen een andere juridische basis voor het toezichtsmechanisme te onderzoeken (motie Harbers van 9 oktober 2013). De Raad heeft gekozen voor de weg van een intergouvernementeel akkoord.
Hoe valt een intergouvernementeel verdrag over het resolutiefonds te rijmen met de motie-Klaver5, waarin de Kamer verlangt «dat de Europese Rekenkamer, het Europees Hof van Justitie en het Europees Parlement hun controlerende taak ten aanzien van het resolutiefonds kunnen vervullen»?
Het Hof van Justitie zal in het intergouvernementele akkoord worden aangewezen als bevoegde instantie om eventuele geschillen tussen de verdragsluitende partijen te beslechten. Hierdoor is zijn controlerende taak ten aanzien van het resolutiefonds gewaarborgd. Vanwege de nauwe samenhang tussen het SRM en het intergouvernementeel akkoord is ook het Europees Parlement betrokken. De controlerende taken van de Europese Rekenkamer zijn neergelegd in art. 60 van de SRM verordening. Deze worden niet geraakt of gewijzigd door het intergouvernementele akkoord.
Bent u bereid voorlichting te vragen aan de Raad van State over de verenigbaarheid van het beoogde intergouvernementele verdrag met het recht van de Europese Unie?
Aangezien het verdrag tijdens het goedkeuringsproces ook aan de Raad van State wordt voorgelegd ziet het kabinet geen aanleiding om daarover separaat voorlichting te vragen.
Het bericht “Ex-patiënt staat met lege handen” |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «Ex-patiënt staat met lege handen» gelezen?1
Ik heb kennis genomen van de problemen van patiënten die bij het Ruwaard van Putten nog schadeclaims in wilden dienen na het faillissement. Ik vind het vervelend voor deze patiënten dat zij in deze situatie terecht zijn gekomen, zij weten immers niet waar zij aan toe zijn
Hoe is de rechtsbescherming van patiënten op dit moment geregeld, als zij ten gevolge van een medische misser schade willen verhalen op een ziekenhuis dat failliet is gegaan?
Er heeft zich nooit eerder een soortgelijke casus voorgedaan. Donderdag 9 januari 2014 hebben de curatoren bekend gemaakt een kort geding aan te spannen tegen MediRisk. Dit kort geding heeft 28 januari 2014 gediend bij Rechtbank Midden-Nederland. Op 12 februari jl. heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Deze is echter nog niet onherroepelijk, het is mogelijk dat één van de partijen hoger beroep instelt. Ik vind het derhalve niet opportuun om een inhoudelijk oordeel te geven over deze zaak. De uitspraak heeft immers gevolgen voor de positie van deze patiënten en of de verzekeraar al dan niet over dient te gaan tot het behandelen van deze claims, evenals het eventuele uitkeren van deze claims.
Deelt u de mening dat ook na een faillissement van een ziekenhuis een patiënt ten gevolge van een medische misser schade moet kunnen verhalen, en niet achteraan in de rij van schuldeisers hoeft aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat een patiënt ten gevolge van een medische misser ook na faillissement van een ziekenhuis schade kan verhalen (als ware het ziekenhuis niet failliet gegaan)?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol wilt u spelen om ervoor te zorgen dat patiënten ook na het faillissement van een ziekenhuis een goede rechtsbescherming houden als zij de dupe van een medische misser zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Grote weerstand tegen het gevoerde afvalbeleid voor de binnenvaart |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat slechts 245 van de circa 10.000 schepen in de verdragsluitende staten van het CDNI (Verdrag inzake de Verzameling, Afgifte en Inname van Afval in de Rijn- en Binnenvaart), waarvan 6.000 in Nederland, een abonnement hebben afgesloten voor het afgeven van afval langs rijksvaarwegen?
Het abonnement voor de afgifte van «overig scheepsbedrijfsafval» is niet verplicht. De scheepvaart kan ook gebruik maken van alternatieve mogelijkheden zoals de faciliteiten van havens en gemeenten voor de afgifte van het overige bedrijfsafval.
Het staat de schipper verder vrij om zelf afspraken te maken met een inzamelaar. Voor veel schippers is het afsluiten van een abonnement, waarmee zij langs de rijksvaarwegen afval kunnen afgeven, dus niet noodzakelijk. Het huidige inzamelnetwerk dat hoort bij het abonnement is een extra dienst voor schepen die weinig of niet in havens komen.
Deelt u de mening dat het feit dat het merendeel van de binnenvaartschippers geen huisvuilabonnement heeft afgesloten, aantoont dat er geen draagvlak is voor deze nationale regeling?
Nee, die mening deel ik niet. Ik ben wel bekend met het feit dat in de binnenvaartsector het draagvlak voor een betaald abonnement uiteenloopt.
Wat is de reden dat een schipper tweemaal moet betalen voor het verwerken van huisvuil, namelijk eenmaal bij de gemeente van inschrijving en nogmaals middels het aparte abonnement voor de binnenvaart?
Het afval van binnenvaartschepen wordt gezien als bedrijfsafval. Iedere bedrijfssector in Nederland betaalt voor zijn afval. De overheid kan en wil niet langer betalen voor de uitzonderingspositie die de binnenvaart – als enige bedrijfssector in Nederland – hier tot voor kort in had. Dit staat los van de bijdrage die men betaalt in de gemeente waar men woont.
Het afsluiten van een abonnement voor de afgifte langs de rijksvaarwegen is zoals aangegeven bovendien niet verplicht.
Wanneer u uitgaat van het principe «de vervuiler betaalt», waarom betaalt dan iedereen hetzelfde tarief, ongeacht het aantal dagen dat men in Nederland vaart, de grootte van het schip of het aantal opvarenden?
Het systeem is vergelijkbaar met andere vormen van afvalstoffenheffing in Nederland. Het is een vorm van indirecte betaling. Wanneer rekening gehouden zou worden met de genoemde factoren, dan zouden de administratieve lasten erg hoog worden.
Wat is, in het kader van «de vervuiler betaalt», de omvang van de afvalstromen van het binnenvaartbedrijfsleven en hoe hoog zijn de kosten voor inzameling en verwerking hiervan, binnen het CDNI-verdrag?
Van de volledige afvalstromen die de sector genereert heb ik geen exacte gegevens. Historische cijfers over huisvuil zijn namelijk niet bekend, omdat schippers dit voorheen gratis af konden geven, zowel langs de rijksvaarwegen als daarbuiten.
Bij het bepalen van het abonnementstarief van € 469 per jaar is uitgegaan van een hoeveelheid afval per schip per jaar, te weten
Uitgangspunt is dat het abonnementstarief in beginsel kostendekkend dient te zijn. Het abonnementstarief zal daarom per jaar worden geëvalueerd en zo nodig naar boven of beneden worden bijgesteld.
Klopt het dat de uitzonderingspositie van de binnenvaart gerechtvaardigd is door het CDNI-verdrag? Zo ja, waarom is daarvan afgestapt? Zo nee, waarom is het verdrag tot stand gekomen destijds?
De binnenvaart was tot voor kort de enige bedrijfssector in Nederland die nog niet betaalde voor zijn bedrijfsafval. Aan die uitzonderingspositie is nu een eind gekomen. Dat is volledig in lijn met de uitgangspunten van het CDNI-verdrag: een verbod tot lozing van afval, vermindering van afvalproductie en invoering van het principe «de vervuiler betaalt».
Het Verdrag inzake verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart is in 1996 tot stand gekomen. Daarin is onder meer geregeld hoe schippers diverse soorten afval moeten afgeven, hoe het wordt ingezameld en hoe schippers of verladers moeten betalen voor de verwerking ervan.
Kunt u bevestigen dat u onlangs een brief heeft ontvangen ondertekend door Binnenvaart Logistiek Nederland, Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer, Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart, Algemeene Schippers Vereeniging, Federatie Oud Nederlandse Vaartuigen en Nederlands Platform voor WaterRecreatie, waarin u verzocht wordt om in overleg te gaan met binnenvaartorganisaties om tot een verdragbrede oplossing te komen? Zo ja, op welke termijn denkt u dat dit gesprek plaats gaat vinden?
Ja, dat kan ik bevestigen. Het eerste ambtelijke gesprek tussen vertegenwoordigers van mijn ministerie en de vertegenwoordigers van de binnenvaartorganisaties heeft op 28 januari plaatsgevonden. In dat overleg is besproken of het huidige inzamelnetwerk voldoende dekkend is.
Er is afgesproken dat de binnenvaartorganisaties komen met enkele scenario’s om het netwerk te optimaliseren. Daarbij zit ook een nul-variant, in die zin dat het aantal containers in de buurt van de huidige 25 ligt, maar de containers zo nodig anders worden verdeeld. Voor de verschillende varianten zal doorgerekend worden of deze uitvoerbaar zijn en tegen welk, kostendekkend, abonnementstarief. Dit zal vervolgens weer met de binnenvaartorganisaties besproken worden.
Hoe gaat u om met het risico dat schippers geconfronteerd worden met een stapeling van kosten als ook andere lidstaten een nationaal abonnement voor huisvuil invoeren?
In de eerder door mij beantwoorde Kamervragen (TK 2013–2014 nr. 930) heb ik aangegeven dat Nederland zich zal blijven inzetten voor een internationaal geharmoniseerd systeem en dat daarbij verschillende mogelijkheden bekeken worden.
Dit voorjaar staat de harmonisatie opnieuw op de internationale agenda. De uitgangspunten van een kostendekkende exploitatie en de «vervuiler betaalt» blijven daarbij overigens onverkort van kracht.
Hoe groot acht u de kans dat door het systeem met gesloten afvalcontainers de hoeveelheid zwerfvuil fors zal toenemen, ook gezien het beperkt aantal abonnementen dat is afgesloten om de afvalcontainers te kunnen openen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als een schipper geen abonnement wil afsluiten, kan hij gebruik maken van alternatieve afgiftemogelijkheden, bijvoorbeeld in havens.
In het nieuwe systeem, waarbij een afweging is gemaakt tussen enerzijds de kosten en anderzijds de wens tot een voldoende dekkend netwerk, kan het voorkomen dat schippers langer met hun huisvuil moeten rondvaren dan ze gewend waren.
Ik begrijp dat die nieuwe situatie door sommigen als onprettig kan worden ervaren. Maar dat kan en mag natuurlijk geen reden zijn voor de sector om afval ergens te dumpen. Afval dumpen buiten de officiële inzamelplaatsen is bovendien verboden en strafbaar.
Ik wil dan ook de medewerking van schippers vragen om zwerfvuil en illegale afvaldumping te voorkomen. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van het milieu. Rijkswaterstaat zal ook de komende tijd extra toezicht blijven houden op illegaal dumpen van afval en zo nodig proces-verbaal opmaken.
Klopt het dat er nu al meer ongedierte bij de sluizen wordt waargenomen, omdat er afval blijft slingeren dat de binnenvaartschipper niet meer kwijt kan? Kun u uw antwoord toelichten?
Het is mij niet bekend of er meer ongedierte bij sluizen wordt waargenomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 zullen medewerkers van Rijkswaterstaat extra toezicht houden op het illegaal dumpen van afval en zo nodig verbaliserend optreden, teneinde eventuele overlast te voorkomen.
Hoe gaat u om met de situatie dat nu de pleziervaarders ook hun vuil niet meer kwijt kunnen, omdat de afvalcontainers voorzien zijn van een slot? Moeten deze pleziervaarders ook een abonnement afsluiten?
Het CDNI-Verdrag geldt alleen voor de beroepsvaart. In het verleden was het voor recreatievaart mogelijk om ook gebruik te maken van de voorzieningen langs de rijksvaarwegen. Nu de containers worden afgesloten, kan dat niet meer zonder meer.
Ook voor de recreatievaart bestaat de mogelijkheid om (hetzelfde) abonnement af te sluiten bij de SAB. Daarnaast hebben zij de mogelijkheid om afval elders af te geven, bijvoorbeeld in jachthavens.
Kunt u een overzicht geven van de plaatsen waar de grootste problemen zijn ontstaan doordat de oorspronkelijke huisvuilbakken zijn verdwenen? Kunt u tevens een overzicht geven van de vuilafhandeling op de verschillende plekken gedurende de afgelopen jaren?
RWS heeft het aantal inzamellocaties met containers teruggebracht van circa 95 naar 25, om hiermee de kosten voor het abonnement te beperken. Bij het bepalen van de locaties is onder andere gekeken naar de intensiteit van het scheepvaartverkeer.
Daarnaast kan men huisvuil afgeven op de milieuboten, mits men een abonnement heeft afgesloten.
Rijkswaterstaat volgt de situatie nauwlettend. In december 2013 zijn twee afvalcontainers verplaatst (naar de sluiscomplexen van Eefde en Schijndel) om zo tot een betere dekking te komen.
Zoals ik bij vraag 7 heb aangegeven wordt in overleg met de scheepvaartsector bekeken of en hoe het inzamelnetwerk kan worden aangepast. Daarbij moet bedacht worden dat een uitbreiding van het netwerk niet alleen eenmalige investeringskosten met zich meebrengt, maar ook extra kosten voor het ophalen en verwerken van het afval. Dit kan leiden tot een stijging van het abonnementstarief.
Zie verder het antwoord op vraag 5.
Het handelen van topambtenaren inzake de problemen op de longchirurgie/intensive care afdelingen van het VUmc |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de radio-uitzending over de handelwijze van broer en topambtenaar Harry Paul en oud-Inspecteur-Generaal van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) Van der Wal inzake de positie van longchirurg Rick Paul in het VUmc?1
Ik heb kennis genomen van de uitzending. Zie voorts mijn antwoorden op de vragen hierna.
Bent u bereid tot op de bodem te laten uitzoeken of Harry Paul zijn positie als topambtenaar heeft misbruikt om zijn broer Rick te helpen? Is hier sprake van laakbaar handelen, waarbij de integriteit van de topambtenaar in het geding is, zoals geraadpleegde deskundigen in de Argosuitzending op basis van vertrouwelijke stukken melden? Wat betekent dit voor het huidig functioneren van deze topambtenaar?
Naar aanleiding van de bedoelde radio-uitzending heeft de Minister van Economische Zaken zich actief laten informeren over de kwestie en de handelwijze daarin van dhr. H. Paul (thans inspecteur-generaal van de NVWA). Het beeld dat daaruit naar voren is gekomen is niet dat dhr. Paul zijn positie als topambtenaar heeft misbruikt of dat anderszins door laakbaar handelen zijn integriteit in het geding is gekomen.
Hoe beoordeelt u het handelen van oud inspecteur-generaal Van der Wal in deze kwestie? In hoeverre heeft hij zich bemoeid met deze kwestie, waarbij hij mogelijk op een onterechte wijze is beïnvloed door contacten tussen hem en topambtenaar Harry Paul?
In de radio-uitzending van Argos d.d. 1 februari jl, wordt de suggestie gewekt dat het toezicht van de IGZ op het VUmc is beïnvloed door contacten tussen de toenmalig inspecteur-generaal (IG) van de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ), de heer Van der Wal en topambtenaar H. Paul. Inhoudelijk was de heer Van der Wal als IG niet betrokken bij de behandeling van deze casus door de IGZ. Wat betreft het contact tussen de voormalig IG Van der Wal en de heer H. Paul: zij spraken elkaar met enige regelmaat tijdens werkgerelateerde bijeenkomsten. Bij die ontmoetingen is in enkele gevallen het conflict dat speelde in het VUmc en waarover op dat moment veel publiciteit gaande was, kort en informeel aan de orde geweest.
De heer Van der Wal heeft mij, gelet op de toenmalige aandacht vanuit de media en omwille van de transparantie, eenmalig en mondeling gemeld dat de broer van de betrokken arts topambtenaar H. Paul was, maar dat van geen enkele betrokkenheid bij of beïnvloeding van de zaak sprake is geweest of zal zijn.
Bent u bereid ook het functioneren van de IGZ onder de loep te nemen, gezien deze nieuwste feiten, waarbij veiligheidsdeskundige Klein zijn bevreemding uitspreekt over het feit dat de IGZ het door het VUmc beoogde integrale onderzoek naar het overlijden van patiënt Van Tongeren, waarbij zowel de problemen op de operatietafel waarbij Rick Paul was betrokken als de problemen op de intensive care zouden worden uitgezocht, niet nodig achtte? Is ontmoedigen van een dergelijk onderzoek niet «ongebruikelijk», zoals deskundige Abel zegt? Is een onderzoek naar het handelen van de IGZ niet te meer gewenst, om elke schijn van ongewenste beïnvloeding van de IGZ door externe factoren uit te sluiten? Dient in deze niet de onderste steen boven te komen?
Het beleid van de IGZ is er op gericht dat zorginstellingen in eerste instantie zelf adequaat onderzoek doen naar een melding en daar lering uit trekken. Nadat de IGZ de onderzoeksresultaten ontvangt oordeelt zij of nader onderzoek, bijvoorbeeld door de IGZ zelf, in de rede ligt. Dit beleid heb ik vastgelegd in de «Leidraad Meldingen» van de IGZ. Het eigen onderzoek in deze casus is door VUmc in november 2011 in gang gezet. Ook werd door het VUmc een externe commissie samengesteld om onderzoek te doen.
Begin januari 2012 constateerde de IGZ dat het VUmc het in november 2011 gestarte eigen onderzoek onverwacht had gestopt. Dit was voor de inspectie aanleiding om op 9 januari 2012 met de raad van bestuur van het VUmc in gesprek te gaan. Het VUmc bleek alleen een onderzoek te willen laten uitvoeren door een externe commissie. Op basis van de onderzoeksopzet constateerde de inspectie dat dit beoogde externe onderzoek weliswaar breed van opzet was maar dat specifiek onderzoek naar de betreffende melding ontbrak. De IGZ heeft in het gesprek aangegeven dat het VUmc in ieder geval het eigen onderzoek diende uit te voeren en dat een onderzoek door een externe commissie een goede zaak is, mits de leden onafhankelijk en deskundig zijn. Hierop heeft het VUmc besloten om het eigen onderzoek af te ronden. Gelet op de feitelijke gang van zaken is het dus onjuist om te stellen dat de IGZ onderzoek door een externe commissie niet nodig achtte of zou hebben ontmoedigd.
Het VUmc heeft in het eigen onderzoek het hele proces in deze casus – vanaf de verwijzing, de preoperatieve fase, de operatie zelf, de postoperatieve fase tot en met het overlijden van de patiënt – onderzocht. Dit onderzoek is door de IGZ beoordeeld. Daarbij is de IGZ tot de conclusie gekomen dat de casus zorgvuldig door het VUmc is onderzocht en dat er, gelet op de patiëntveiligheid, door het ziekenhuis voldoende verbetermaatregelen zijn genomen en besloot dat verder onderzoek door IGZ niet noodzakelijk was.
Het stond de raad van bestuur van het VUmc vrij om parallel aan of na afronding van het door de IGZ gevraagde interne onderzoek een externe partij of commissie opdracht te geven om onderzoek uit te voeren. De raad van bestuur heeft hier evenwel niet voor gekozen.
Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat de IGZ volgens de Leidraad heeft gehandeld en acht ik het niet noodzakelijk om nader onderzoek te doen naar het functioneren van de IGZ in deze casus, noch om de IGZ in te schakelen om het VUmc te vragen alsnog een extra onderzoek te laten doen door externe deskundigen.
Is niet – gezien het feit dat Rick Paul weer werkzaam is op de afdeling longchirurgie – het integrale externe onderzoek dat het VUmc aanvankelijk wilde doen noodzakelijk om volstrekte helderheid te krijgen over de feitelijke gang van zaken rondom het overlijden van de patiënt Van Tongeren? Bent u bereid – ook in het belang van de patiëntveiligheid – de IGZ te verzoeken het VUmc alsnog dit integrale onderzoek door externe deskundigen te laten doen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het handelen van de betrokken arts(en) en het VUmc inzake het nabespreken en begeleiden van de familie na het overlijden van de heer Van Tongeren? Is het oordeel van deskundige Klein juist dat de familie ernstig tekort is gedaan, omdat de behandelend arts uit «strategische overweging» een gesprek met de familie heeft uitgesteld? Kunt u zich de beleving van de familie voorstellen dat het heel ver gaat als een dergelijk «spel» wordt gespeeld? Hoe dient het VUmc richting de familie thans te handelen?
Het is belangrijk dat nabestaanden goed en tijdig worden geïnformeerd. Wanneer een nagesprek met nabestaanden uit strategische overweging zou worden uitgesteld en dit niet in het belang is van de betreffende nabestaanden, dan is dat geen goede zaak. Hoe het VUmc op dit moment richting de familie dient te handelen is primair aan het VUmc zelf. Ik kan mij voorstellen dat het VUmc het initiatief neemt om bij de nabestaande na te gaan in hoeverre behoefte is aan nazorg of een nader gesprek.
Het afwijzen van een geboorteakte van het geadopteerde kind van een homostel |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek die homostellen ondervinden als zij een geboorteakte van een geadopteerd kind willen inschrijven in Nederland?1
Ik ben bekend met de zaak zoals deze in de krant is beschreven. Het probleem is niet gelegen in het feit dat het kind geadopteerd is door twee mannen, maar in het feit dat de naam van de biologische moeder niet op de geboorteakte van het kind staat vermeld.
Betreft deze problematiek alleen de geboorteaktes van kinderen uit Florida of geven andere staten van de VS of andere landen een geboorteakte af waar de biologisch moeder niet op vermeld staat?
In die staten van de Verenigde Staten en andere landen waar kinderen uit geadopteerd worden naar Nederland, wordt verschillend omgegaan met de vermelding van de biologische moeder of de adoptiefouders op de geboorteakte. Het gaat hierbij om zowel paren van gelijk geslacht als om paren van niet-gelijk geslacht. In Florida wordt, na afronding van de adoptieprocedure, de originele geboorteakte met de naam van de biologische moeder vervangen door een nieuwe geboorteakte waarop beide adoptiefouders vermeld staan.
Deelt u de mening van de adoptiefouders dat er sprake is van een «weeffout» in de wet? Zo nee, waar ligt dan het probleem? Zo ja, gaat u de wet aanpassen?
Er is in mijn optiek geen sprake van een weeffout in de wet. Artikel 22, lid 1, van Boek 1 BW bepaalt uitdrukkelijk dat de geboorteakte de afstammingsrelatie tussen kind en moeder bewijst. Uitgangspunt is dat de vrouw die het kind baart altijd de juridische ouder van het kind is.
De desbetreffende geboorteakte is in Florida rechtsgeldig opgesteld. De ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag moet bij verzoeken tot inschrijving van buitenlandse akten ook toetsen of de Nederlandse openbare orde zich al dan niet tegen inschrijving verzet. Als dat het geval is, moet hij de inschrijving weigeren (artikel 25g, lid 1, van Boek 1 BW). De verzoekers van de inschrijving kunnen vervolgens op grond van artikel 27, van Boek 1 BW beroep instellen bij de rechtbank.
In casu blijkt dat betrokkenen langs digitale weg een geboorteakte zonder vermelding van de moeder hebben toegezonden aan het bureau Landelijke Taken met de vraag of tot inschrijving kon worden overgegaan. Hierop is langs digitale weg aangegeven dat inschrijving van een geboorteakte zonder moedergegevens strijd oplevert met de Nederlandse openbare orde. Het is niet gekomen tot een formeel verzoek waarop de ambtenaar een formeel besluit heeft kunnen nemen. Er is dan ook geen sprake geweest van een formele weigering waartegen betrokkenen op grond van artikel 27, van Boek 1 BW beroep hadden kunnen instellen bij de rechtbank.
Bent u van mening dat de geboorteakte van Norah rechtsgeldig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom leidt deze geboorteakte tot problemen op het moment dat de akte ingeschreven wordt bij Landelijke Taken?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke momenten kan deze geboorteakte nog meer tot problemen leiden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is er nog geen officieel verzoek tot inschrijving ingediend en kan niet worden aangegeven of dit tot mogelijke problemen zal leiden. In algemene zin zal een geboorteakte moeten worden overgelegd voor de aangifte van een huwelijk en van de registratie van een partnerschap. Het ontbreken van een geboorteakte kan desalniettemin worden ondervangen door een akte van bekendheid of een beëdigde verklaring (zie artikel 45, van Boek 1 BW).
Hoeveel kinderen zijn, sinds de wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka), geadopteerd door een homo-echtpaar?
De seksuele geaardheid van adoptiefouders wordt niet geregistreerd. Wel wordt het geslacht van de adoptiefouders geregistreerd. Sinds 1 januari 2009, de datum waarop paren van gelijk geslacht samen kunnen adopteren, zijn er tot en met 2013 46 kinderen door paren van gelijk geslacht geadopteerd.
Wat zijn de taken van «Landelijke Taken»?
Bij de gemeente Den Haag is een aantal centrale taken van gemeenten op het terrein van de burgerlijke stand belegd bij «het bureau landelijke taken». Zo kunnen buitenlandse akten van de burgerlijke stand worden ingeschreven in een speciaal register van de burgerlijke stand. Het gaat dan om geboorteakten, huwelijksakten, akten van registratie van een partnerschap en overlijdensakten. Een afschrift of uittreksel van die akten kan, na inschrijving, rechtstreeks worden aangevraagd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag. De rechthebbende op het afschrift of uittreksel hoeft zich dan niet meer te wenden tot de buitenlandse autoriteit die de akte heeft opgemaakt, om een afschrift of uittreksel te verkrijgen. Het bureau landelijke taken toetst, alvorens tot de inschrijving over te gaan, of de akte in kwestie voldoet aan de eisen van het Nederlandse recht. Met name wordt bezien of er sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde, oftewel met fundamentele waarden van de Nederlandse rechtsorde, waardoor inschrijving niet mogelijk is.