Een spotgoedkope zorgverzekering voor buitenlandse arbeidsmigranten |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de tv-uitzending over de zorgverzekering voor buitenlandse migranten gezien?1
Ja.
Kan de besproken constructie om de kosten van de basisverzekering te drukken volgens de letter van de wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In de uitzending bij RTL Nieuws is aandacht geschonken aan een zorgverzekering voor buitenlandse seizoensarbeiders, waarbij het verplicht en/of vrijwillig eigen risico is herverzekerd via een aanvullende verzekering. Ik ben bekend met constructies waarbij via de aanvullende verzekering het verplicht en/of vrijwillig eigen risico wordt herverzekerd. Dergelijke constructies worden aangeboden aan specifieke doelgroepen, zoals aan buitenlandse (seizoen)arbeiders, expats, uitkeringsgerechtigden en minima. En tot afgelopen jaar ook aan studenten2.
In 2009 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een analyse verricht naar het herverzekeren van het eigen risico en zag toen geen problemen met dergelijke constructies. De constructies doen zich namelijk voor buiten het wettelijk kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw), in de aanvullende verzekering. Daarnaast wordt het herverzekeren van het (verplichte danwel vrijwillige) eigen risico via de aanvullende verzekering veelal via een collectiviteit aan specifieke doelgroepen aangeboden. Het is toegestaan een collectiviteit alleen open te stellen voor een bepaalde doelgroep. De doelgroep betreft vooral mensen die betrekkelijk kort in Nederland verblijven of die moeite hebben het eigen risico te betalen waardoor in de praktijk de zorgverzekeraar moeite had om het eigen risico te innen (de seizoensarbeiders waren dan al naar huis). Via deze constructie wordt toch via de aanvullende verzekering bijgedragen.
De NZa concludeerde in 2009 dat de constructies een beperkte omvang hebben en dat niet is vastgesteld dat er binnen de betreffende collectiviteiten risicoselectie plaatsvindt.
Ik heb destijds met de NZa afgesproken dat zij de ontwikkelingen rondom het herverzekeren zouden volgen. Dit doen zij nog steeds en de NZa rapporteert jaarlijks over de omvang van verzekerden die een herverzekering van het eigen risico hebben.
De constructies hebben nog steeds een beperkte omvang. Uit de marktscan zorgverzekeringsmarkt 2013 van de NZa volgt namelijk dat in 2013 minder dan 2% van de verzekerden het verplicht danwel vrijwillig eigen risico heeft herverzekerd. In 2013 is het aantal mensen dat het vrijwillig danwel verplicht eigen risico hebben herverzekerd sterk gedaald ten opzichte van 2012 (met 22%).
Past de besproken constructie ook binnen de geest van de wet om risicoselectie in de basisverzekering uit te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is hier sprake van een oneigenlijke koppelverkoop door de afname van de aanvullende verzekering en basisverzekering te verplichten?
De werkgever doet een collectief aanbod aan de werknemer. De werknemer is nooit verplicht om dit aanbod te accepteren. Het staat de verzekeringnemer vrij om alleen de basisverzekering af te sluiten of om zich bij een andere zorgverzekeraar te verzekeren.
Hoe groot is de bijdrage die een zorgverzekeraar uit het vereveningsfonds ontvangt voor een gezonde 35-jarige Nederlandse man zonder enige ziektegeschiedenis die in Utrecht woont, en hoeveel krijgt een zorgverzekeraar uit het vereveningsfonds voor een 35-jarige Pool die in Nederland (Utrecht) komt werken, van wie de ziektegeschiedenis onbekend is?
De vereveningsbijdrage die een zorgverzekeraar krijgt voor een verzekerde staat los van de nationaliteit van die verzekerde. De vereveningsbijdrage voor een Pool die woont en werkt in Nederland is dus gelijk aan een Nederlander met verder dezelfde (verevenings)kenmerken. Omdat verdere verzekerdenkenmerken ontbreken is niet aan te geven hoe hoog de bijdrage uit het zorgverzekeringsfonds is.
Mocht de bedragen voor de risicoverevening in vraag 5 verschillen, bent u dan bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen of zij onderzoek wil doen naar de winst die de zorgverzekeraar maakt op haar hele bestand arbeidsmigranten aan wie zij een aanvullende verzekering aanbiedt?
Niet van toepassing gelet op het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat, als een buitenlandse migrant slechts voor enkele maanden een Nederlandse zorgverzekering heeft, slechts een evenredig deel van het verplicht en vrijwillig risico in rekening wordt gebracht? Zo ja, vindt u dit dan een wenselijke situatie, omdat het loont om een hoger vrijwillig eigen risico te nemen?
Het is correct dat het eigen risico naar rato van de verzekeringsduur in rekening wordt gebracht. Het zou niet redelijk zijn om iemand gedurende een beperkte verzekeringsduur het volledige eigen risico in rekening te brengen.
Klopt het dat de zorgtoeslag van een arbeidsmigrant gebaseerd is op zijn hele jaarinkomen, dus het relatief hoge salaris dat hij in Nederland verdient, en het wellicht wat lagere inkomen dat hij in zijn thuisland de rest van het jaar verdient? Bent u bereid de zorgtoeslag voor mensen die hier tijdelijk verblijven te baseren op het inkomen dat ze hier naar rato verdienen in het deel van het jaar dat ze hier verblijven?
De hoogte van de zorgtoeslag wordt inderdaad gebaseerd op het jaarinkomen, dat de Belastingdienst voor het betreffende huishouden vaststelt. Het inkomen wordt immers mede beïnvloed door andere factoren (bijvoorbeeld hypotheekrente-aftrek, ouderenkorting etc.), waardoor de Belastingdienst uitsluitend werkt met jaarinkomens en niet met delen van jaren. Voor de arbeidsmigrant betreft dat dus het in Nederland verdiende inkomen en het niet in Nederland belaste inkomen (op basis van artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), dat tezamen het jaarinkomen vormt. Het jaarinkomen geldt voor alle toeslagen als uniform begrip. Artikel 4 in combinatie met artikel 2, eerste lid, van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid, verbiedt de ongelijke behandeling van arbeidsmigranten. Bovendien heeft een arbeidsmigrant op basis van artikel 18, eerste lid, van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid bij tijdelijk verblijf in Nederland recht op de zorgtoeslag volgens de Nederlands wetgeving alsof hij ingezetene van Nederland was.
Chinees mensenhaar in brood |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Chinees mensenhaar soms gebruikt als broodverbeteraar»?1
Ja.
Broodverbeteraars bevatten vaak een aminozuur, L-cysteïne; klopt de aantijging van de Keuringsdienst van Waarde dat in China 80 procent van de productie van dit aminozuur onttrokken wordt uit mensenhaar en klopt het dat dit mensenhaar opgehaald wordt bij plaatselijke kappers?
L-cysteïne is een aminozuur dat kan worden gewonnen uit eiwitten afkomstig van mensen-, paarden- en varkenshaar en van ganzen-, eenden-, en kippenveren. Ook kan het worden verkregen door fermentatie van plantaardig materiaal. Mij is niet bekend of L-cysteïne in China uit mensenhaar wordt gewonnen en of deze haren bij de plaatselijke kappers worden opgehaald.
In de EU is het gebruik van L-cysteïne afkomstig van mensenhaar verboden2. De Europese additievenwetgeving schrijft namelijk expliciet voor dat L-cysteïne niet afkomstig mag zijn van mensenhaar. Bedrijven die L-cysteïne importeren uit China hebben de verantwoordelijkheid om dit zeker te stellen bij hun leveranciers.
Daarnaast is het volgens beschikking 2002/994/EG3 verboden, enkele beschreven uitzonderingen daargelaten, producten van dierlijke oorsprong bestemd voor menselijke consumptie of voor diervoeder bestemde producten uit China in de EU te importeren. Verwerkte dierlijke eiwitten, waar L-cysteïne uit ganzenveren onderdeel van uitmaakt, vallen onder deze beschikking en mogen dus niet worden geïmporteerd in de EU.
Kunt u tevens bevestigen dat in China de overige 20 procent van de productie van dit aminozuur onttrokken wordt uit ganzenveren en kunt u aangeven in hoeverre de productie van deze ganzenveren op een diervriendelijke wijze gebeurt?
Nee, mij is niet bekend of in China de overige 20% van de productie van L-cysteïne onttrokken wordt uit ganzenveren. Zie verder het antwoord bij vraag 2.
Kunt u bevestigen dat 10 procent van de Nederlandse broodproducenten dit aminozuur uit China toevoegt aan hun broodverbeteraar? Betekent dit dat sporen van Chinees mensenhaar of ganzenveren terug te vinden zijn in brood dat in de Nederlandse schappen ligt?
Ik kan dat niet bevestigen maar volgens informatie van de Vereniging van Nederlandse Fabrikanten van Bakkerijgrondstoffen, wiens leden grondstoffen leveren aan de Nederlandse bakkerijen, gebruiken al haar leden alleen nog
L-cysteïne van plantaardige oorsprong. Zie verder het antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om over te gaan op een importverbod van deze toepassing voor broodverbeteraars uit China, aangezien het volgens Europese wetgeving verboden is om grondstoffen van menselijke vorm in voeding te verwerken? Zo nee, waarom niet?
Het verbod om grondstoffen van menselijke oorsprong in voeding te verwerken in de Europese wetgeving geldt ook voor grondstoffen uit derde landen die naar de Europese Unie worden geëxporteerd. Zie verder de antwoorden bij vraag 2 en 4.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse broodproducenten het aminozuur uit varkenshaar toevoegen aan hun broodverbeteraar? Zo ja, om hoeveel procent van de productie van broodverbeteraars gaat dit?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Zie verder het antwoord bij vraag 4. Ik zie geen aanleiding om de consument verder te informeren.
Kunt u aangeven of de Nederlandse consument op de hoogte is van de aanwezigheid van sporen varkenshaar in zijn brood en bent u bereid om de Nederlandse consument hierover te informeren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Documentaires over detentiecentra |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in de afgelopen jaren zowel de Zwitserse als de Italiaanse overheid documentairemakers hebben toegestaan uitgebreid te filmen in centra in de betreffende landen welke vergelijkbaar zijn met de bij ons bestaande detentiecentra voor vreemdelingen?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat het ook in Nederland mogelijk zou moeten zijn voor een groot publiek om kennis te nemen van de gang van zaken in detentiecentra, waarbij aandacht is voor de individuele mensen die daarin verblijven, hun achtergrond, het regime, de regels en beperkingen, de faciliteiten en overige zaken?
Ja, ik onderschrijf dat ruimte geboden moet worden voor documentaires die een breed publiek inzicht geven in de manier waarop vreemdelingenbewaring in Nederland wordt vormgegeven en uitgevoerd. Aanvragen voor dergelijke documentaires zal ik dan ook altijd zorgvuldig bekijken. Zo heb ik recent nog medewerking verleend aan de documentaire «Borders», uitgebracht in 2013. Tevens ben ik in overleg met de humanistische omroep HUMAN over een documentaire over de dagelijkse gang van zaken in Detentiecentrum Rotterdam.
Bent u bereid om te bezien of een documentairemaker toegang kan worden verleend tot één of meerdere detentiecentra in ons land met het idee om een dergelijke documentaire te maken? Zo ja, wilt u de Kamer dan informeren over een eventueel traject? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Knelpunten voor franchisenemers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen over de misstanden in franchiseland en de mogelijke aanpassing van de franchiseovereenkomst1 en kent u de berichtgeving over het toenemend aantal klagende franchisenemers?2
Ja.
Hoe is de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV) georganiseerd? Hoeveel franchisegevers zijn er per 1 januari 2014 actief in Nederland en hoeveel daarvan zijn lid van de NFV?
De NFV is een vereniging van franchisegevers. Lidmaatschap van de vereniging is niet verplicht. Op de Nederlandse markt zijn naar schatting ongeveer 700 franchiseformules actief. Ongeveer 30% van de franchisegevers is aangesloten bij de NFV. Leden van de NFV worden geacht zich te conformeren aan de Europese Erecode Inzake Franchising. Het is aan de aspirant-franchisenemer om bij de beoordeling van een franchiseformule, waarmee een contract overwogen wordt, mee te nemen of de franchisegever aangesloten is bij een koepel en welke kwaliteitseisen deze koepel stelt.
Hoe worden de belangen van de franchisenemers in Nederland behartigd?
De vertegenwoordiging van franchisenemers wordt vaak binnen de keten georganiseerd.
Zo zijn er franchiseorganisaties met een franchiseraad, in deze raad zijn doorgaans de franchisenemers representatief vertegenwoordigd. De raad bespreekt, tezamen met de franchisegever, op gezette tijden zaken die in het belang zijn van de gehele franchiseorganisatie. Een franchiseraad kent in de regel een adviesbevoegdheid en geen beslisbevoegdheid.
Daarnaast komt het in de praktijk nogal eens voor dat franchisenemers onderling een franchisevereniging oprichten. Hierbij zijn de franchisenemers onderling verbonden, teneinde hun belangen te behartigen richting de franchisegever. Bekende formules waarbij een vereniging van franchisenemers actief is, zijn: Albert Heijn, HEMA, Pearle en Simon Lévelt.
Ook komt het voor dat de belangen van franchisenemers op sector niveau worden behartigd, bijvoorbeeld door brancheorganisaties, beroepsorganisaties of koepelorganisaties. Een voorbeeld hiervan is het VAKcentrum (zie vraag 5 en 6), dat actief de belangen van franchisenemers in de levensmiddelendetailhandel vertegenwoordigt.
Wat zijn de uitkomsten van de gesprekken met franchisenemers en franchisegevers om nadere inlichtingen in te winnen over de ontwikkelingen in de franchisepraktijk, zoals toegezegd in uw antwoorden op de eerder genoemde vragen over de misstanden in franchiseland?
De gesprekken zijn nog niet afgerond dus er kunnen nog geen definitieve uitspraken gedaan worden over de uitkomsten. Vooralsnog is met name gesproken met vertegenwoordigers van franchisenemers. Daaruit is een sterk signaal ontvangen dat er behoefte is aan betere voorlichting aan aspirant-franchisenemers. Uit de analyse van het VAKcentrum blijkt dat het sluiten van een succesvolle franchiseovereenkomst staat of valt bij het kritisch vooraf beoordelen van de franchiseovereenkomst door beide partijen. Ondernemen neemt immers risico’s met zich mee, zo ook franchisenemerschap. Uit de tot nu toe gevoerde gesprekken komt het beeld naar voren dat niet alle aspirant-franchisenemers zich voldoende op de hoogte stellen van hun rechten en verplichtingen en daardoor in de praktijk voor onaangename verrassingen kunnen komen te staan.
Kunt u ingaan op de gesignaleerde knelpunten die het VAKcentrum verwoordt in de publicatie Franchising en de ruimte voor zelfstandig ondernemerschap?3 Ondersteunt u het pleidooi voor de aanpassing van wetgeving? Zo nee, waarom niet?
De door VAKcentrum gesignaleerde knelpunten hebben met name betrekking op het beperkende effect van contractueel vastgelegde rechten en plichten van beide partijen op de mogelijkheid voor de franchisenemer om eigen ondernemerschap te ontplooien. Het beeld wordt geschetst dat de verhouding als onevenwichtig wordt ervaren en dat de franchisenemer veel plichten heeft terwijl de franchisegever vooral rechten heeft. Dat komt deels door vaak voorkomende kenmerken in het business model van franchising, zoals afnameverplichting van producten en diensten en een concurrentiebeding.
Het signaal dat door het VAKcentrum is afgegeven wordt vanzelfsprekend serieus genomen. Het is evenwel niet aannemelijk dat extra wetgeving de geschetste problemen zal kunnen oplossen. De beschreven praktijkgevallen tonen dat de franchisenemers bijvoorbeeld al beginnen met het doen van investeringen of anderszins verplichtingen aangaan voordat ze de franchiseovereenkomst getekend hebben of deze zelfs maar in handen hebben. De indruk ontstaat dat franchisenemers zich soms te veel (laten) haasten en daardoor onvoldoende kritisch zijn op de verdeling van rechten en verplichtingen in de overeenkomst en wat dit voor hun zal betekenen in de praktijk. Dit is niet te verhelpen met wetgeving, maar biedt wel perspectief om winst te behalen door het geven van goede voorlichting.
Bent u, gezien de aanhoudende onrust en klachten die franchisenemers uiten, bereid het EIM- onderzoek Franchiseketens: marktaandeel en continuïteit uit 2009 te actualiseren, inclusief een analyse van de knelpunten die het Vakcentrum signaleert? Zo nee, waarom niet?
Door te luisteren naar de visie van vertegenwoordigers van franchisenemers op de oorzaak van onrust en klachten in de franchisepraktijk, is een helder beeld ontstaan van aanwezige knelpunten. Om het beeld aan te vullen wordt ook gesproken met vertegenwoordigers van franchisegevers. Op deze manier is bijvoorbeeld geïdentificeerd dat verbetering in de voorlichting van aspirant-franchisenemers wenselijk is. Overigens geven zowel de vertegenwoordigers van franchisegevers als -nemers aan dat franchising overwegend een bruikbaar businessmodel is en in de praktijk goede diensten bewijst. De probleemgevallen betreffen een minderheid in de markt.
Dit correspondeert met de uitkomsten van het vorige EIM-onderzoek. Ik ben met franchisenemers en -gevers in overleg over te nemen maatregelen, zoals het verbeteren van de voorlichting (zie antwoord op vraag 5). Het actualiseren van het EIM-onderzoek leidt naar verwachting niet tot nieuwe inzichten en heeft daarom op dit moment geen meerwaarde.
Bent u bereid de portal op het Ondernemersplein zodanig in te richten dat aspirant- franchisenemers eerlijk en open worden voorgelicht over de voor- en nadelen van het aangaan van een franchiseovereenkomst? Zo nee, waarom niet?
Ondernemersplein.nl is een belangrijke informatiebron voor (aspirant) ondernemers waaronder ook aspirant-franchisenemers.
De voorlichting aan aspirant-franchisegevers is tot nu toe relatief beperkt. Ik zal de informatie op ondernemersplein.nl op dit punt uitbreiden. Hierbij zal ook uitdrukkelijk worden ingegaan in de voor- en nadelen van franchising als ondernemersvorm en zal meer gedetailleerd dan nu het geval is worden voorzien in aandachtspunten waarin de franchisenemer zich moet verdiepen alvorens een overeenkomst aan te gaan.
De aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Overheid |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Europese aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid, en de voorwaarden daarvan, door de Dienst Publiek en Communicatie van het ministerie van Algemene Zaken?1
Ja.
Bent u bekend met kritiek vanuit de branche op de voorwaarden voor deze aanbesteding, zelfs door de partijen die de opdracht hebben toegewezen gekregen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze kritiek?
De aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid had als doelstelling het contracteren van 35 fotografen en heeft plaatsgevonden in de periode 23 augustus tot 26 november 2013. Op de laatstgenoemde datum is de gunningsbeslissing bekend gemaakt aan de 76 inschrijvers op de aanbesteding.
Door de aan de aanbesteding deelnemende partijen zijn tijdens en na de aanbestedingsprocedure alleen vragen gesteld ter verduidelijking van de gehanteerde voorwaarden. Tijdens de aanbestedingsprocedure is ook geen kritiek ontvangen vanuit de branche. Na afronding van de aanbestedingsprocedure en bekendmaking van de gunningsbeslissing is een brief ontvangen van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) waarin melding werd gemaakt van onrust onder de leden van de NVJ over de aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid. De zorgpunten betroffen de overdracht van het intellectueel eigendomsrecht aan de opdrachtgever en de beloning van de fotografen. Tijdens een gesprek met de NVJ is aangegeven dat de aanbestedingsprocedure al was afgerond volgens de strikte regels die hiervoor gelden. Tevens is een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de door de NVJ opgevoerde zorgpunten.
Op de aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid zijn de algemene rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2011 (ARVODI) van toepassing. Deze algemene voorwaarden bieden een rijksbreed eenvormig kader voor dienstverleningsovereenkomsten tussen de rijksoverheid en derden. Het zijn derhalve de algemene voorwaarden waaronder alle Ministeries en daaronder ressorterende diensten dienstverlening contracteren. In de ARVODI wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de intellectuele eigendomsrechten toekomen aan de opdrachtgever. Omdat de Rijksoverheid in casu exploitatie door de Opdrachtnemers van de aan opdrachtgever geleverde foto-opnamen niet wenselijk achtte, werd in deze aanbesteding niet van het beginsel als bedoeld in de vorige zin afgeweken.
De beloning van de fotografen bestaat uit een voorgeschreven vast uurtarief en een reisvergoeding. Deze tarieven zijn op basis van marktonderzoek en input van bestaande contracten door de aanbestedende dienst vastgesteld, en worden marktconform geacht voor de uit te voeren werkzaamheden. Daarnaast is voor specifieke gevallen voorzien in een regeling voor de vergoeding van maatwerkkosten die niet zijn verdisconteerd in het uurtarief.
Kunt u verklaren waarom de voorwaarden voor deze aanbesteding zo zijn versoberd ten opzichte van de eerdere aanbesteding?
De vorige aanbesteding had alleen betrekking op de inschakeling van fotografen door het Ministerie van Algemene Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid is een aanbesteding namens tien departementen en daaronder ressorterende uitvoeringsorganisaties. Bij de voorbereiding van de aanbesteding is gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van alle betrokken departementen. Bij deze aanbesteding is door het van toepassing verklaren van de ARVODI de wijze waarop en de voorwaarden waaronder fotografen worden ingeschakeld voor alle deelnemende departementen en uitvoeringsorganisaties gelijkgetrokken. Hierbij is de beloning van de fotografen in de aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid tot stand gekomen op basis van marktonderzoek en input van bestaande contracten van de departementen, waardoor deze marktconform wordt geacht.
Een verschil tussen de vorige aanbesteding en de aanbesteding Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid is dat in deze laatste aanbesteding conform de ARVODI standaard sprake is van overdracht van de intellectuele eigendomsrechten aan de opdrachtgever. Bij het vaststellen van de beloning van de fotografen is met dit element rekening gehouden.
Kunt u verklaren waarom de opdrachtnemer al het fotomateriaal dat gemaakt is in het kader van de opdracht moet overdragen aan de opdrachtgever? Kunt u daarbij ook toelichten waarom het niet is toegestaan dat fotografen hun foto’s doorverkopen of doorgeven aan derden, dan wel gebruiken voor eigen promotie? Hoe valt dit te rijmen met het wetsvoorstel auteurscontractenrecht?
Opdrachtnemer dient alleen het door de opdrachtgever geselecteerde fotomateriaal daadwerkelijk aan de opdrachtgever in eigendom over te dragen. De Rijksoverheid staat daarbij op het standpunt, dat voor exclusief in opdracht van de overheid gemaakte auteursrechtelijke fotowerken geen plaats is voor commerciële exploitatie door derden en dat daarnaast de Rijksoverheid graag zelf wil kunnen bepalen op welke wijze de foto-opnamen bij haar communicatie met het publiek worden ingezet.
Overigens is het na voorafgaande toestemming van opdrachtgever wel mogelijk voor fotografen om fotomateriaal te gebruiken voor eigen promotiedoeleinden.
De bepalingen van het hoofdstuk 1a van het wetsvoorstel auteurscontractenrecht zien op overeenkomsten die de verlening van een exploitatiebevoegdheid ten aanzien van het auteursrecht tot hoofddoel hebben. Dit is bij de aanbestedingsprocedure Fotografie Beeldcentrum Rijksoverheid niet het geval. De overheid is eindgebruiker van het fotomateriaal.
Kunt u toelichten waarom er geen differentiatie is in de beloning van de verschillende opdrachten, afhankelijk van de exclusiviteit van de licentie en de mate waarin de fotograaf rechten afstaat aan de opdrachtgever, zoals bij de voorgaande aanbesteding het geval was?
Zie antwoord vraag 3.
Vreest u niet dat door middel van een aanbesteding als deze, gezien de versoberde voorwaarden, er een verschraling van kwaliteit optreedt?
Nee. In de aanbesteding zijn de door de fotografen te leveren diensten zorgvuldig omschreven. De 35 gecontracteerde fotografen zijn de fotografen die bij de beoordeling van de 76 ingediende offertes het best bleken te voldoen aan de gestelde criteria.
Kunt u uitleggen waarom bij de aanbesteding fotografen aansprakelijk worden gesteld als de foto van de geportretteerde in een context wordt geplaatst die hij niet wenst, terwijl de context wordt bepaald door de opdrachtgever en deze dus ook feitelijk aansprakelijk dient te zijn? Zo nee, waarom niet?
In de aanbesteding is voor illustratieve fotografie voorgeschreven dat opdrachtnemer van elke geportretteerde persoon een getekende verklaring moet aanleveren waaruit blijkt dat de Staat de foto kan gebruiken zonder betaling van portretrechten. Dit heeft als doel dat de foto door een opdrachtgever in elke gewenste context kan worden gebruikt. Als de verklaring niet wordt ondertekend is de foto niet bruikbaar. De tekst van deze standaard verklaring is vastgesteld door de opdrachtgever en wordt door alle gecontracteerde fotografen gebruikt. Het door de fotografen laten aanleveren van deze door de geportretteerde persoon te tekenen verklaring heeft daarnaast een praktische achtergrond. De fotograaf laat de verklaring in de meeste gevallen tekenen door de geportretteerde persoon op het moment van de opname. Het achteraf achterhalen van de contactgegevens van een geportretteerde persoon is onpraktisch en soms onmogelijk.
Het bericht dat zorgmedewerkers opnieuw geïntimideerd worden |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat zorgmedewerkers die actie voeren voor betere zorg en een betere cao geïntimideerd worden door hun werkgever AxionContinu?1
Wij weten niet of AxionContinu actievoerende werknemers heeft geïntimideerd.
Vindt u het acceptabel dat AxionContinu overgaat tot het inhouden van loon van de zorgmedewerkers die hebben meegedaan aan werkonderbrekingen in hun actie voor goede zorg? Is dit niet in strijd met de huidige regelgeving? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen treffen?
Conform wetgeving in onder meer het Burgerlijk Wetboek heeft een stakende medewerker geen recht op salaris. Als iemand lid is van een vakbond dan kan deze persoon onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een stakingsuitkering van de betreffende vakbond.
Naar wij hebben vernomen, heeft AxionContinu de eerste twee stakingsdagen geen gebruik gemaakt van bovengenoemde regelgeving. Medewerkers mochten tijdens werktijd met behoud van salaris staken. Bij de derde stakingsdag heeft AxionContinu een beroep gedaan op regelgeving daaromtrent. Medewerkers die vervolgens hebben deelgenomen aan de acties, hebben dat in eigen tijd gedaan. Bij niemand is loon ingehouden. Ook zijn geen andere maatregelen opgelegd.
Wat is uw reactie op de bedreigingen die AxionContinu heeft geuit tegen haar zorgmedewerkers over het intrekken van vakantiedagen, zodra zorgmedewerkers zouden meedoen aan zorgacties? Hoe verhoudt dit zich met uw uitspraak «Agressie tegen zorgverleners is onacceptabel en moet worden teruggedrongen»? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zoals aangegeven bij vraag 1, hebben wij er geen beeld van dat AxionContinu actievoerende werknemers heeft geïntimideerd. Mochten dit soort praktijken zich voordoen, dan gaan we er van uit dat vakbonden de belangen van de medewerkers zullen behartigen.
Hoe lang worden zorgmedewerkers die werkzaam zijn bij AxionContinu al geïntimideerd? Heeft de raad van bestuur eerder dergelijke brieven onder medewerkers verspreid? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in gesprek te gaan met zorgmedewerkers die werken voor AxionContinu en gaat u hen helpen? Zo ja, wanneer gaat u bij hen langs? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zelf weleens geïntimideerd door een werkgever? Kunt u zich voorstellen hoe zorgmedewerkers zich voelen, zodra zij bedreigd worden door hun werkgever als zij willen opkomen voor hun arbeidsrechten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Neen. Ongeacht onze eigen ervaringen is elke vorm van agressie tegen zorgverleners onacceptabel en moet het worden teruggedrongen.
Hoeveel meldingen heeft u de laatste tijd binnen gekregen over intimidatie in de zorg en wat doet u met deze meldingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we u naar ons antwoord op vraag 10.
Kunt u uitleggen waarom u geen specifiek meldpunt wilt inrichten voor personeel in de zorg? Vindt u dit niet belangrijk genoeg? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zoals aangegeven in onze brief waar u naar verwijst, is de lijn is dat werknemers intimidatie in eerste instantie melden bij de vertrouwenspersoon of personeelsvertegenwoordiging van hun werkgever of gebruik maken van een klachtenprocedure. De meeste zorgorganisaties hebben zowel interne klachtenprocedures als vertrouwenspersonen. Ook Ondernemingsraden kunnen een belangrijke rol spelen. Dit is veelal het geval. Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben arbocatalogi opgesteld. Deze bieden richtlijnen en instrumenten om in de praktijk invulling te geven aan de Arbowet en beleid te voeren tegen agressie en intimidatie.
De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) heeft een meldpunt waar men telefonisch (0800 – 5151), per post of via internet intimidatie door een leidinggevende kan melden. Dit is gratis en kan, indien gewenst, anoniem. Bij klachten en meldingen van individuele personen worden alleen (vermoedens van) zware overtredingen onderzocht. Klachten en meldingen van intimidatie op de werkvloer vallen daar niet onder. Klachten en meldingen van vakbonden, ondernemingsraden of personeelsvertegenwoordigingen worden wel altijd onderzocht door de Inspectie SZW. Dat is wettelijk verplicht in de Arbowet.
Aanvullend op de zojuist beschreven maatregelen nog weer een apart meldpunt voor de zorg inrichten, biedt naar onze mening geen toegevoegde waarde.
Weten zorgmedewerkers wel waar zij intimidatie kunnen melden? Hoe brengt u dit actief onder de aandacht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals uiteengezet in onze brief die wij u onlangs hebben doen toekomen, zullen sociale partners die betrokken zijn bij het «Actieplan Veilig werken in de zorg» intimidatie van zorgverleners vanuit het Actieplan (nogmaals) onder de aandacht brengen van werkgevers en medewerkers in de zorg4. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangegeven psychosociale arbeidsbelasting, waar onder intimidatie, 2014–2018 verder te willen aanpakken. Zijn inzet is op hoofdlijnen gepresenteerd in het «Plan van aanpak psychosociale arbeidsbelasting» dat op 20 december 2013 naar uw Kamer is verstuurd5. In het voorjaar wordt een nadere uitwerking van deze hoofdlijnen aan uw Kamer gezonden.
Hoeveel meldingen van intimidatie in de zorg heeft de Inspectie SZW inmiddels ontvangen en wat gebeurt er met deze meldingen? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Uit de gegevens van de Inspectie SZW blijkt dat er sinds 1 januari 2012 15 meldingen zijn binnengekomen die betrekking hadden op interne intimidatie van zorgmedewerkers. Van deze klachten zijn er 9 niet onderzoekswaardig gebleken. Van de 6 klachten die in behandeling zijn genomen, zijn er 2 bij nader inzien ingetrokken. In 2 gevallen is geen overtreding geconstateerd en in 2 gevallen is handhavend opgetreden.
Wanneer de Inspectie SZW een klacht onderzoekt, betreft dat overigens geen onderzoek naar de individuele situatie van de klager. Er wordt onderzocht of het beleid (bijvoorbeeld de RI&E) en praktijk (het plan van aanpak en de uitvoering daarvan) bij werkgevers voldoende is. Wanneer dat niet het geval is, kan handhavend worden opgetreden. De Inspectie SZW gebruikt verder alle meldingen en signalen voor risico-analyses, waarmee de prioriteiten voor inspectieprojecten worden vastgesteld. Psychosociale arbeidsbelasting in de zorg is één van die prioriteiten. De Inspectie SZW blijft hierop de komende jaren intensief toezien in de sector zorg en welzijn.
Bent u bereid onderzoek te doen naar zorgorganisaties die hun personeel intimideren? Zo ja, wanneer gaat u beginnen? Zo nee, waarom niet?
Aansluitend op bovengenoemde activiteiten van de Inspectie SZW onderzoek doen naar zorgorganisaties die hun personeel intimideren biedt naar onze mening geen toegevoegde waarde.
De test van de Consumentenbond, waaruit blijkt dat supermarkten onvoldoende presteren op het gebied van arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de test van de Consumentenbond over verantwoord inkopen door de vijf grootste supermarkten?1
Ja.
Wat vindt u van de uitkomsten van deze test, waaruit onder meer blijkt dat vier van de vijf grootste supermarkten onvoldoende tot slecht scoren op het gebied van verantwoord inkopen?
Wat vindt u van de conclusie dat alle onderzochte supermarkten nog te weinig werk maken van eerlijke lonen in productielanden? Wat vindt u van de conclusie dat vier van de vijf supermarkten te weinig aandacht besteden aan goede arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden?
Wat is uw mening over de slechte arbeidsomstandigheden van plantagewerkers in de ananasteelt, waarbij onder meer fysiek zwaar werk moet worden verricht, laag loon wordt betaald en werknemers blootgesteld worden aan bestrijdingsmiddelen en besmet water? Deelt u de mening dat supermarkten een verantwoordelijkheid hebben in het verbeteren van de arbeidsomstandigheden bij bijvoorbeeld fruitteelt? Zo ja, voldoet het ingekochte fruit, waaronder ananassen, in alle Nederlandse supermarkten in 2015 aan de internationale arbeidsrechten?
Bent u bereid om in overleg te treden met de in Nederland actieve supermarkten over de resultaten van de test van de Consumentenbond en de supermarkten daarbij aan te sporen tot verbetering?
De Staatssecretaris van Economische Zaken voert reeds overleg met supermarkten over dierenwelzijn, verminderen voedselverspilling en voedselveiligheid. Zij zal ook het onderzoek van de Consumentenbond bij de supermarkten agenderen.
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie Voordewind (Kamerstuk 32 500 V, nr. 48), die verzoekt tot het sluiten van een convenant dat zich richt op verduurzaming van de huismerkprodukten van supermarkten in 2015?
Per brief van 25 november 2011 (Kamerstuk 32 500 V, nr. 122) is uw Kamer geïnformeerd over de verschillende initiatieven van bedrijven actief in de voedselketen gericht op het verduurzamen van de handelsketens. Een convenant specifiek gericht op huismerken voegt daar te weinig aan toe. In plaats daarvan richt dit Kabinet zich op ketenverduurzaming, waar zowel huismerken als niet-huismerken onderdeel van zijn. Zo is er het convenant specifiek gericht op de verduurzaming van import groente en fruit. Nagenoeg alle supermarkten en grote inkooppartijen hebben dit convenant mede ondertekend. De Nederlandse overheid ondersteunt de realisatie van dit convenant via het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Soortgelijke afspraken zijn gemaakt voor andere productcategorieën en grondstoffen waar veel MVO-issues spelen, te weten: kweekvis, soja, palmolie, bloemen, koffie en cacao.
Bent u bereid om, aanvullend op het onderzoek van de Consumentenbond, op korte termijn een uitgebreidere monitor bij supermarkten over internationale arbeidsrechten en eerlijke lonen aan de Kamer te doen toekomen, in lijn met de motie Voordewind (Kamerstuk 32 500 V, nr. 48)?
Rapportage over verduurzaming en maatschappelijk verantwoord ondernemen vind ik een primaire verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Wel vallen de supermarkten net als alle andere economische sectoren onder de sectorrisicoanalyse. Indien uit deze sectorrisicoanalyse blijkt dat de supermarkten een hoog risicoprofiel hebben, dan wordt in de vervolganalyse gekeken welke van de risico’s op het vlak van mens en milieu mogelijk nog onvoldoende aandacht krijgen vanuit het bedrijfsleven. In dat geval zal ik uw Kamer daarover informeren.
Bent u bereid deze monitor ook beschikbaar te stellen aan consumenten, aangezien een aantal supermarkten slecht scoort op het gebied van transparantie? Zo nee, op welke manier zijn consumenten in staat om een verantwoorde keuze te maken, aangezien enkele supermarkten geen of beperkte informatie geven over de herkomst van producten en over het voldoen aan de internationale arbeids- en mensenrechten?
Consumenten die een verantwoorde keuze willen maken, kunnen nu reeds in verschillende supermarkten een keuze maken voor fairtrade producten en producten met andersoortige keurmerken.
Duits in de grensregio |
|
Pieter Duisenberg (VVD), Karin Straus (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tekort Duitse docenten steeds groter»?1 Kunt u aangeven in welke regio’s en in welke onderwijssoorten deze tekorten verwacht worden? Welke consequenties heeft het tekort aan vakdocenten Duits voor het taalonderwijs in Nederland?
Ja, ik heb het artikel gelezen. Bij brief van 20 november 2013 met kenmerk 554860 ontving u het rapport «De vraag naar onderwijspersoneel in po, vo en mbo 2013 – 2025» van CentERdata, een notitie van het Centraal Planbureau over de arbeidsmarkt van leraren en mijn beleidsreactie op die documenten. In dat kader is ook gemeld dat er bij ongewijzigd beleid knelpunten worden verwacht voor specifieke vakken waaronder de moderne talen. In mijn beleidsreactie wijs ik onder meer op het Nationaal Onderwijsakkoord, de Lerarenagenda, de Impuls tekortvakken en het begrotingsakkoord 2013. Kortheidshalve verwijs ik naar betreffende documenten, waarin ook is aangegeven dat de onderwijsarbeidsmarkt vooral een regionale arbeidsmarkt is en de aanpak van tekorten vooral op dat niveau moet plaatsvinden. Daarbij wijs ik onder meer op maatregelen die op dat terrein het probleemoplossend vermogen van schoolbesturen kunnen verhogen.
Bent u bekend met het artikel «Haal docenten Duits uit Duitsland hierheen» van 29 december 2013?2 Wat vindt u van het idee van professor Nijhuis in dit artikel om leraren Duits uit Duitsland in het Nederlandse voortgezet onderwijs in te zetten?
Ja, ik ken dat artikel. Een variant op het idee van professor Nijhuis wordt al tien jaar uitgevoerd, gesubsidieerd door het ministerie en gecoördineerd door het Europees Platform. Moedertaalsprekers Duits met een geëigende vooropleiding, een Master dan wel een Bachelor in de Duitse taal, worden als assistent aangesteld op een Nederlandse school of onderwijsinstelling. Tegelijkertijd worden zij binnen twee jaar opgeleid tot eerste- of tweedegraads docent Duits. Dat gebeurt in samenwerking met lerarenopleidingen aan universiteiten en hogescholen. Ook worden zij bijgeschoold in de Nederlandse taal. Jaarlijks beginnen vijftien à twintig assistenten aan dit succesvolle traject. Veel aldus opgeleide docenten blijven voor langere tijd verbonden aan het Nederlandse onderwijs.
Bent u op de hoogte van de proef van het Europees Platform waarbij Duitse leraren uit de deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen naar Nederland komen om in twee maanden klaargestoomd te worden voor het Nederlandse onderwijssysteem? In hoeverre steunt u deze aanpak? Staat wetgeving in de weg om docenten hierheen te halen (i.c. bevoegdheden etc.) en hoe past dat dan in de opbouw van het Lerarenregister? In hoeverre kunnen deze Duitse docenten voldoen aan de Nederlandse eisen rondom bevoegdheid of is er voor hen een mogelijkheid om met een Duits lerarendiploma in Nederland aan het werk te gaan?
Ja, het betreft een klein proefproject dat het Europees Platform dit jaar nog wil gaan opzetten met financiën van het ministerie. Het gaat hierbij nadrukkelijk om al volledig bevoegde docenten Duits – in Duitsland is er een overschot – die in aanmerking komen voor erkenning van hun diploma in Nederland. Het korte introductieprogramma dat zij gaan volgen, zal worden aangeboden in samenwerking met het Duitsland Instituut, waarvan de heer Nijhuis directeur is.
De vraag hoe een en ander past in een lerarenregister kan op dit moment nog niet worden beantwoord. Vooralsnog ga ik er niet van uit dat voor leraren die hun bevoegdheid ontlenen aan een buitenlands getuigschrift een andere benadering zou moeten gelden dan voor leraren die hun bevoegdheid in Nederland hebben behaald.
Onderschrijft u dat Duitsland de nummer één handelspartner van Nederland is? In hoeverre deelt u de mening dat het, zeker in de grensregio, van groot belang is voor studenten en het regionaal bedrijfsleven om juist deze taal goed te beheersen?
Dat Duitsland een zeer belangrijke handelspartner van Nederland is, is een gegeven dat ik vanzelfsprekend onderschrijf. Een goede beheersing van de Duitse taal is vanuit dat perspectief zeer waardevol. Dit geldt zeker voor bedrijven en studenten in regio’s die met Duitsland een grensoverschrijdende arbeidsmarkt delen. Daarbij wil ik aantekenen dat het belang ervan per beroep en soort bedrijf kan verschillen.
Bent u op de hoogte van de brief van mbo-instellingen en burgemeesters in de grensregio waarin zij de noodklok luiden over het vak Duits in het mbo? Wat vindt u ervan dat de Euregio's en de Commissarissen van de Koning uit de grensregio's en soortgelijke oproep doen, waarbij zij stellen dat in plaats van Engels een mbo-student ook Duits zou moeten mogen kiezen als tweede taal?3 In uw antwoord op deze brief geeft u aan vast te houden aan de kwalificatiedossiers; in hoeverre is er ruimte om de inhoud van deze dossiers per regio te laten verschillen en scholen de ruimte te laten om bijvoorbeeld in plaats van de verplichte vreemde taal Engels, van Duits de verplichte vreemde taal te maken? Zou u bij de beantwoording van de laatste vraag ook mee willen wegen dat de arbeidsmobiliteit van mbo-studenten zich vaak beperkt tot de regio en dat dus juist in de grensregio het machtig zijn van de Duitse taal een groot verschil kan maken voor kansen op de arbeidsmarkt?
Van burgemeesters en mbo-instellingen in de grensregio’s heb ik brieven ontvangen over hun zorgen over Duits in het mbo. Met beheersing van de Duitse taal vergroten studenten hun kansen op het vinden van een baan in de nabije Duitse arbeidsmarkt. Ik heb daarom met een brief de mbo-instellingen in de grensregio’s opgeroepen meer gebruik te maken van de mogelijkheden die het mbo-stelsel hen biedt. Instellingen kunnen namelijk, naast de inhouden van de kwalificatiedossiers, de zogenoemde «vrije ruimte» van een mbo-opleiding benutten voor het aanbieden van een extra onderdeel, zoals het Duits. Ook bieden de inhouden van de kwalificatiedossiers aan instellingen de ruimte om, als dit relevant is, een vreemde taal te hanteren bij uitvoering van beroepstaken. Ten slotte kunnen instellingen in de grensregio’s eigen keuzes maken bij de vertaling van de kwalificatie-eisen naar een onderwijsprogramma. Zo kunnen instellingen, ter voorbereiding op een grensoverschrijdende arbeidsmarkt, excursies naar Duitse bedrijven organiseren, gastsprekers van Duitse bedrijven uitnodigen en studentuitwisselingsprogramma’s organiseren. Een maatregel waarbij het vak Engels zou worden vervangen door een vak Duits acht ik om verschillende redenen onwenselijk. In het mbo is alleen voor alle beroepsopleidingen van niveau 4 het vak Engels verplicht, ter versterking van de vaardigheden gericht op doorstroom naar het hbo. Deze versterking is ook van belang voor mbo-4 studenten in de grensregio’s. Bovendien is deze maatregel niet mogelijk voor beroepsopleidingen van niveaus 1, 2 en 3 van het mbo. Bij de kwalificatiedossiers voor deze mbo-niveaus zijn namelijk alleen eisen aan beheersing van een moderne vreemde taal opgenomen in het geval dit nodig is voor uitoefening van het beroep.
De inzet van kledingbedrijf CoolCat om te komen tot verduurzaming van de textiel- en kledingsector |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Uitspraken Kahn bij Eva Jinek feitelijk onjuist»1, waarin wordt belicht dat CoolCat directeur Roland Kahn in de media diverse onjuiste uitspraken heeft gedaan over de houding van CoolCat ten opzichte van het Bangladesh Veiligheidsakkoord?
Het publieke debat dat momenteel gevoerd wordt over de noodzaak tot het verbeteren van arbeidsomstandigheden in de textielsector draagt bij aan het vinden van oplossingen voor deze problematiek. Oplossingen vinden we alleen als alle relevante nationale en internationale spelers betrokken zijn, waaronder bedrijven, maatschappelijke organisaties, overheden en vakbonden.
Op welke feiten baseert u dat wordt bijgedragen aan «controleerbaarheid» door de werkwijze van CoolCat? Heeft de heer Kahn daarvoor controleerbare informatie aangedragen?2
De inzet op langdurige samenwerking tussen afnemers en een beperkt aantal leveranciers verhoogt het onderling vertrouwen. Leveranciers zijn hierdoor eerder bereid om informatie over het productieproces met de afnemers te delen.
Dit helpt bij de controleerbaarheid van de manier van produceren. Bovendien kan de textielproducent vooruit plannen en daarmee uitbesteding aan onderaannemers voorkomen.
Heeft de heer Kahn u laten weten op welke elementen de «eigen controleurs die dagelijks fabrieken bezoeken» zoal letten in onder meer Bangladesh? Deelt u de mening dat het hebben van eigen inkoopkantoren met eigen controleurs in Bangladesh niet vanzelfsprekend leidt tot veilige fabrieken waar goede arbeidsomstandigheden de standaard zijn, tenzij dit expliciet een doel is van de fabrieksbezoeken door de controleurs en zij hierover ook rapporteren alsook mogelijkheden hebben om verbeteringen af te dwingen?
Er is in algemene zin gesproken met CoolCat over de inzet van eigen controleurs. Het hebben van eigen inkoopkantoren en inspecteurs leidt niet vanzelfsprekend tot veilige fabrieken en de bescherming van arbeidsrechten. De inspecties door inkopende partijen kunnen hier wel aan bijdragen. Bovendien is het van belang dat werknemers bij een onafhankelijke partij aan de bel kunnen trekken indien hun veiligheid in het geding is. Het juridisch bindende akkoord voor brand- en gebouwveiligheid in Bangladesh voorziet in de behoefte om gezamenlijke onafhankelijke inspecties uit te voeren die toezien op brand- en gebouwveiligheid.
Bent u van mening dat CoolCat of enig ander kledingbedrijf door haar lidmaatschap van het Business Social Compliance Initiative (BSCI) er vanuit kan gaan dat de leveranciers van de kleding voldoen aan internationaal aanvaarde conventies en richtlijnen? Zo ja, kunt u dan verklaren waarom er in kledingfabrieken in onder meer Bangladesh waar kleding wordt geproduceerd voor bedrijven die zijn aangesloten bij het BSCI, met enige regelmaat incidenten zijn waarbij werknemers gewond raken of om het leven komen? Zo nee, bent u van mening dat CoolCat door slechts lid te zijn van het BSCI voldoende doet om van haar leveranciers te eisen dat zij voldoen aan de internationaal aanvaarde conventies en richtlijnen?
BSCI is geen certificatieproces, maar richt zich op het helpen van bedrijven om de arbeidsomstandigheden te verbeteren op basis van onder meer verbeterprogramma’s, trainingen en stakeholderbijeenkomsten. BSCI is dus geen keurmerk voor duurzame kleding. Een lidmaatschap van BSCI ontslaat een bedrijf niet van de eigen verantwoordelijkheid om risico’s op negatieve impact op mens en milieu in de keten in kaart te brengen, te voorkomen en te beperken. BSCI biedt zijn leden ondersteuning bij dit proces.
Op basis van welke nieuwe feiten heeft u uw mening over de werkwijze van CoolCat die u in het Algemeen Dagblad van 25 november 2013 heeft geuit, bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mijn opmerkingen over CoolCat hadden betrekking op het akkoord voor brand- en gebouwveiligheid in Bangladesh, en niet op kinderarbeid of het gebrek aan uitbetaling van leefbare lonen. Het is goed nieuws dat CoolCat het veiligheidsakkoord voor Bangladesh op 18 december 2013 ondertekend heeft.
Het Mirro-screeningsinstrument van Achmea |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het door zorgverzekeraar Achmea ontwikkelde Mirro-screeningsinstrument voor de basis-geestelijke gezondheidszorg?1
Ja, ik ken het initiatief. Stichting mirro is een initiatief waarin GGZ-aanbieders en Achmea samen werken aan het verbeteren van de GGZ. De inhoudelijke kennis voor de ontwikkeling van het zorgaanbod, zoals het mirro-screeningsinstrument, wordt ingebracht door het zorgveld en de ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door financiering vanuit Achmea. Het screeningsinstrument is dan ook inhoudelijk ontwikkeld door het zorgveld en niet door Achmea. Bij de stichting zijn dit jaar meer dan 100 zorggroepen en GGZ instellingen aangesloten. Ook andere verzekeraars sluiten zich inmiddels aan om bij te dragen aan de doorontwikkeling.
Wat vindt u ervan dat zorgaanbieders van Achmea een korting krijgen van 8% als zij geen gebruik maken van het Mirro-screeningsinstrument, en het daaruit volgende verwijs-/behandeladvies?
Achmea beloont GGZ aanbieders die het mirro keurmerk dragen met een hoger tarief voor Basis GGZ producten dan GGZ aanbieders die niet het mirro concept toepassen. Het keurmerk bestaat niet alleen uit het gebruik van een screeningsinstrument. Ook het consequent gebruik van online zelfhulp, een gestructureerde samenwerking tussen de huisartsenvoorziening en Basis GGZ aanbieders, Routine Outcome Monitoring (ROM) effectmeting en het toepassen van vastgestelde behandelprotocollen zijn voorwaarden om het keurmerk te mogen dragen. Met het mirro keurmerk laten zorgaanbieders zien dat ze zich extra inspannen om kwalitatief hoogwaardige en passende zorg te bieden. De juiste zorg op het juiste moment, dicht bij de patiënt; dat is de ambitie van mirro. Van de circa 200 GGZ instellingen hebben zich meer dan de helft bij Stichting mirro aangemeld voor het keurmerk.
Het is overigens geen vereiste, noch vanuit de normeisen van het keurmerk noch vanuit het inkoopbeleid van Achmea, dat het advies dat de mirro-screener geeft over de best passende zorg per definitie wordt gevolgd. De screener ondersteunt de klinische blik van de zorgprofessional. Het instrument stelt ook specifiek een aantal vragen over het beeld dat de professional van de patiënt heeft. Die informatie leidt samen met de informatie over klachten en relevante persoonlijke omstandigheden tot een advies. Het is altijd aan de zorgprofessional om, op basis van de eigen klinische blik, te besluiten het advies van het screeningsinstrument wel of niet op te volgen. Door aanlevering van de al dan niet gevolgde screeneruitkomst bij de declaratie werken zorginstellingen transparant en kan inzicht in praktijkvariatie gepast gebruik bevorderen. Deze ontwikkeling wordt door het stelsel mijns inziens ook beoogd.
Wat vindt u ervan dat het Mirro-screeningsinstrument wetenschappelijk niet is gevalideerd, en dat zorgaanbieders de kwaliteit van het instrument ernstig betwijfelen, terwijl zorgaanbieders wel op het gebruik van het instrument worden afgerekend?
Er is op dit moment geen enkel gevalideerd instrument beschikbaar voor de totale screening op psychische klachten en toeleiding naar de juiste zorg, dat aansluit op de indeling van de GGZ per 1 januari 2014 in een Basis GGZ en gespecialiseerde GGZ. Het door Stichting mirro ontwikkelde screeningsinstrument is een vragenlijst die is gebaseerd op de Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders (DSM) en op ruim 10 jaar ervaring met het proces van toeleiden via een gestructureerd telefonisch interview. Met dit interview worden de aard, ernst en urgentie (risico), evenals de duur en complexiteit bepaald en beschreven. Deze criteria zijn ook in de screener verwerkt. Daarnaast is voor de ontwikkeling van de screener gebruikgemaakt van kennis van de gespecialiseerde GGZ en elementen uit onder meer gevalideerde vragenlijsten zoals Vierdimensionale klachtenlijst (4DKL) en een klinisch interview (de MINI). Het instrument combineert dus elementen uit (veelal) gevalideerde instrumenten die reeds gebruikt worden door zowel huisartsen als GGZ-aanbieders.
In opdracht van Stichting mirro vindt onderzoek plaats naar het effect en de validiteit van de mirro-screener. De screener zal zich ook steeds verder ontwikkelen aan de hand van data-analyse en gebruikerservaringen.Hoewel niet uit te sluiten valt dat er zorgaanbieders zijn die de kwaliteit van het instrument betwijfelen, hebben een meerderheid van de circa 200 GGZ instellingen en vele huisartsenvoorzieningen inmiddels ervoor gekozen om het screeningsinstrument te gebruiken en samen door te ontwikkelen. Naast het screeningsinstrument van mirro zijn enkele andere, min of meer vergelijkbare screeners in gebruik, zoals bijvoorbeeld de quickscreen van Telepsy. Telepsy biedt een gebruikersvriendelijke applicatie voor diagnostiek in de GGZ. Ook deze instrumenten zitten in de validatiefase. Zorgveld en verzekeraars hebben zo naar verwachting binnen enkele jaren de mogelijkheid om te kiezen voor het instrumenten met de hoogste gevalideerde voorspellende waarde. De Nederlandse geestelijke gezondheidszorg loopt voorop in de internationale ontwikkelingen ten aanzien van verwijsdiagnostiek en inzicht in behandeleffect en gepast gebruik.
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars niet behoren te bepalen welke behandeling een patiënt krijgt? Deelt u voorts de mening dat de werkwijze van Achmea met betrekking tot het Mirro-screeningsinstrument onwenselijk is?
De mirro-screener geeft een advies aan de huisarts, de POH GGZ en GGZ professionals om patiënten de zorg te laten krijgen die men nodig heeft. Zorgverzekeraars bepalen daarmee niet welke behandeling een patiënt krijgt. Het stimuleren van het gebruik van beslissingsondersteunende instrumenten en kwalitatief goede zorg past bij de rol van de verzekeraar in ons stelsel en is derhalve juist wenselijk.
Het bericht dat de spoedeisende hulpposten in Bronovo en ’t Lange Land in Zoetermeer mogelijk dicht gaan |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op het bericht dat de spoedeisende hulpposten in Bronovo en ’t Lange Land in Zoetermeer mogelijk dicht gaan?1
In het Hoofdlijnenakkoord van juli 2011 is afgesproken dat zorgverzekeraars, waar nodig om redenen van kwaliteit en doelmatigheid, overgaan tot herinrichting van het zorglandschap. In navolging van deze afspraken heeft Zorgverzekeraars Nederland begin 2013 het rapport «Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg» gepubliceerd. Verzekeraars zetten vanuit kwaliteits- en doelmatigheidsoverwegingen in op specialisatie en concentratie van complexe acute zorg. Dit betreft traumazorg, spoedeisende neurologische zorg, spoedeisende cardiologische zorg, spoedeisende vaatchirurgische zorg en spoedeisende geboortezorg. Op basis van deze visie zijn er door zorgverzekeraars regionale scenario’s ontwikkeld voor de toekomst, op basis van de huidige ziekenhuislocaties en de locale zorgvraag. In elke regio is een coördinerend verzekeraar die zorg draagt voor het verloop van het proces. Ook in de regio Den Haag/Leiden zijn er scenario’s ontwikkeld die momenteel met de betrokken partijen worden besproken. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk in gezamenlijkheid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, rekening houdend met belangen van alle betrokken partijen een regioplan wordt vastgesteld. Het uiteindelijke doel is betere kwaliteit van de spoedeisende zorg voor de patiënt. Dit zal vervolgens in de loop van een aantal jaren tot uitvoering worden gebracht via de contractering tussen zorgverzekeraars en ziekenhuizen.
In welk stadium en hoe concreet zijn de plannen om de genoemde spoedeisende hulpposten te sluiten?
Bovengenoemde plannen zijn nog in concept en worden nog besproken met de partijen uit de regio. Er valt dus nog niets te zeggen over welke ziekenhuizen welke acute zorg zullen gaan aanbieden. De concentratie is met name gericht op de complexe acute zorgstromen, slechts een beperkt deel van het ziekenhuisaanbod. Spoedeisende Hulpen (SEH’s) zullen in sommige gevallen anders ingericht worden. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de huidige dubbele infrastructuur van Huisartsenposten (HAP) en SEH’s afgebouwd wordt, door integratie of betere samenwerking van HAP en SEH.
Is het wat u betreft acceptabel dat zorgverzekeraars onder leiding van CZ de zorg in de Haagse regio op deze manier uitkleden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
Hoe reageert u op de constatering van 66 procent van de ambulancemedewerkers die een sluiting van een spoedeisende hulppost hebben meegemaakt dat de aanrijtijden hierdoor te lang worden? Wat betekent dit voor uw opstelling inzake het sluiten van deze spoedeisende hulpposten?2
Zoals in vraag 2 aangegeven is er op dit moment geen sprake van het verdwijnen van SEH’s. Mochten er in de toekomst toch plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft. Dat valt onder hun zorgplicht.
Hoe reageert u op de constatering van 58 procent van ambulancemedewerkers dat het sluiten van spoedeisende hulpposten geen positief effect heeft gehad op de kwaliteit? Wat betekent dit voor uw opstelling inzake het sluiten van deze spoedeisende hulpposten?
Het is mij onduidelijk welke uitkomstindicatoren er gebruikt zijn in de enquête die de SP heeft laten uitvoeren om te duiden dat er sprake is van achteruitgang in de kwaliteit van zorg. Ik kan de constatering, dat het sluiten van een locatie voor spoedeisende hulp geen positieve effecten heeft op de kwaliteit, derhalve niet onderschrijven.
Deelt u de mening dat het opmerkelijk is dat een vertegenwoordiger van zorgverzekeraar CZ denkt dat het bundelen van locaties voor spoedzorg de kwaliteit van de zorg verhoogt? Heeft CZ volgens u genoeg kijk op de dagelijkse praktijk? Deelt u de vrees dat het hier om een tekentafelmening gaat?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hecht u meer waarde aan de mening van ambulancemedewerkers of aan die van een vertegenwoordiger van zorgverzekeraar CZ? Wie heeft volgens u meer inzicht in de kwaliteit van de geboden zorg?
Zie mijn antwoord op vraag 1 waarin ik de rol van de zorgverzekeraar en de andere betrokken partijen in deze schets.
Is het waar dat er ook plannen bestaan om alleen de afdelingen intensive care in het Haga Ziekenhuis en het Medisch Centrum Haaglanden open te houden? Zo ja, is deze verschraling van de zorg op voorspraak van de zorgverzekeraars wat u betreft acceptabel? Wat gaat u doen om te voorkomen dat deze plannen tot uitvoer komen? Zo nee, hoe zien de planner er dan uit?
De plannen zijn nog te prematuur om hier op in te gaan. Mochten er in de toekomst toch plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft.
Welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat de plannen van de zorgverzekeraars om de spoedeisende hulpposten te sluiten doorgang vinden?
Zie mijn antwoord op vraag 8. Ik heb wettelijk gezien een rol als de bereikbaarheid van cruciale zorg binnen 45 minuten met de ambulance of de veiligheid van de zorg in het geding lijkt te komen.
De 120.000 verzekerden die al jarenlang geen zorgpremie betalen, waardoor er één miljard euro aan onbetaalde premies open staat |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de tv-uitzending «120.000 verzekerden betalen al jaren geen zorgpremie»?1
Het uitgangspunt is dat mensen hun nominale zorgpremie betalen. Als teveel mensen niet betalen, ondermijnt dat op den duur de solidariteit in het stelsel.
Gaat de komende wijziging van de wanbetalersregeling deze hardnekkige groep wanbetalers aanpakken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording op de vragen van de leden Bouwmeester en Kuzu heb ik vermeld dat er al een strikt handhavingsbeleid wordt gevoerd om zoveel mogelijk bestuursrechtelijke premie te innen. Alles wat binnen de wettelijke kaders mogelijk is aan (zinvolle) incassoactiviteiten wordt al gedaan. Forsere (dwang)maatregelen zijn in het bestuursrecht niet aan de orde.
In het wetsvoorstel is voorts de mogelijkheid opgenomen om bepaalde groepen wanbetalers terug te geleiden naar de zorgverzekeraar. Voor de teruggeleiding is het van belang zorgvuldige voorwaarden te formuleren. Daarover moeten goede afspraken worden gemaakt. Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), Zorgverzekeraars en diverse gemeenten zijn al geruime tijd in gesprek over de mogelijkheden voor deze teruggeleiding. Ik zal voortdurend blijven zoeken naar maatregelen of initiatieven die deze groep substantieel verkleint.
Kunt u aangeven wat de verhouding is in deze hardnekkige groep wanbetalers tussen het aantal allochtonen en autochtonen?
Achtergrondkenmerken van alle wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime, waaronder hun herkomst, worden in mijn opdracht jaarlijks verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en worden opgenomen in de VWS-Verzekerdenmonitor. De toepasselijke tabel is opgenomen op pagina 13.
Van de groep «overige westerse allochtonen» is geen verdere uitsplitsing naar nationaliteit opgenomen. Ik heb vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat het aantal wanbetalers veel harder zal toenemen omdat onderdanen uit de genoemde landen hier komen wonen of werken.
Voorts heb ik dit jaar verzocht om nadere en gerichte analyses van achtergrondgegevens van wanbetalers die al vanaf het begin bij CVZ zitten, van wie CVZ nooit premie heeft ontvangen en die betalingsachterstand hebben van 1 tot 2 jaar of meer. Met deze gegevens wil ik beoordelen of ik, in aanvulling op de maatregelen die in het wetsvoorstel al staan, gerichter beleid kan voeren om wanbetaling tegen te gaan. Daarnaast gaat CBS ook aantallen wanbetalers per postcodegebied in kaart brengen en dit koppelen aan achtergrondkenmerken, ten behoeve van de regionale bijeenkomsten die gaan plaatsvinden tussen zorgverzekeraars en gemeenten in het kader van preventieactiviteiten.
Deelt u de mening dat het aantal wanbetalers nog veel harder zal toenemen door het openen van de grenzen voor Bulgaren en Roemenen?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat hardnekkige wanbetalers, die al jarenlang weigeren mee te werken aan een oplossing, nog wel alle zorg moeten ontvangen?
Indien de verzekering van deze wanbetalers zou worden opgeschort of zij geen recht meer hebben op een deel van de aanspraken, dan zal het ziekenhuis die medisch noodzakelijk zorg toch moeten verlenen. Het incassoprobleem wordt dan verplaatst naar de zorgaanbieder. Ik ben daar geen voorstander van.
Verduurzaming van het regionale openbaar vervoer |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Richtlijnen CO2-reductie genegeerd bij OV-aanbesteding»?1
Ja.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat de richtlijnen op het gebied van duurzaam inkopen bij aanbestedingen in het openbaar vervoer niet of onvoldoende worden nageleefd?
Ik hecht belang aan de aandacht voor duurzaamheid in de aanbestedingen in het OV. Daarbij ben ik van mening dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid daarin moet nemen. Ik merk op dat de verantwoordelijkheid voor de regionale concessies primair ligt bij de decentrale overheden.
In 2011 is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu het criteriumdocument «Duurzaam Inkopen Openbaar Vervoer» als handreiking voor de decentrale overheden gepubliceerd. Decentrale overheden gebruiken deze criteria voor het opstellen van het programma van eisen. Zoals gemeld in de Kamerbrief «Duurzame ontwikkeling en Beleid»2 d.d. 7 februari 2014 zal het ministerie de kwantitatieve monitoring van het gebruik van minimumeisen niet meer voortzetten, aangezien in de «Monitor Duurzaam Inkopen 2010» reeds zeer hoge percentages werden gerealiseerd voor de milieueisen.
In de Wet Personenvervoer 2000 is bovendien als algemene bepaling inzake aanbesteding van concessies opgenomen, dat het programma van eisen mede betrekking moet hebben op de milieudoelstellingen van de concessieverlener. De verantwoordelijkheid voor de concrete invulling hiervan ligt bij de decentrale overheden.
Bent u bereid in overleg te gaan met de aanbestedende overheden over de uitvoering van de richtlijn Criteria Duurzaam Inkopen en over mogelijkheden om deze criteria verder aan te scherpen en minder vrijblijvend te maken, en met hen concrete meetbare afspraken te maken over de te bereiken CO2-reductie in de komende jaren?
Vanuit het Ministerie IenM worden duurzame oplossingen gestimuleerd en gefaciliteerd. Om CO2-reductie te bereiken heeft ons ministerie in 2011 de Green Deal Zero Emissie Busvervoer afgesloten met regionale overheden, het ministeries van Economische Zaken en de Stichting Zero Emissie Busvervoer. Deze Green Deal heeft tot doel om de bussen in het openbaar vervoer in 2025 kosteneffectief op zero emissie te krijgen, dat wil zeggen zonder luchtvervuilende of klimaatbelastende uitstoot. Er worden in dat kader momenteel in ons land diverse pilots met zero emissie bussen gehouden om inzicht te krijgen welke type zero emissie bus het beste in een concessie kosteneffectief kan worden ingezet, dit met als oogmerk om deze bussen in lopende of komende concessie daadwerkelijk in te zetten tegen gelijke maatschappelijke kosten. Vanuit ons ministerie vindt in het kader van deze Green Deal momenteel overleg plaats met regionale overheden om de goede randvoorwaarden voor de effectuering ervan te scheppen.
Tenslotte zal ik de richtlijn «Criteria voor Duurzaam Inkopen Openbaar Vervoer» in het Bestuurlijk Koepeloverleg nogmaals onder de aandacht van de decentrale overheden brengen.
De nieuwe regels omtrent aanbesteden en het bevorderen van het samen met het bedrijfsleven opstellen van algemene inkoopvoorwaarden |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie Ziengs, Van Bemmel en Koppejan1 over het opstellen van algemene inkoopvoorwaarden en contractvoorwaarden?
Op grond van de motie Ziengs, Van Bemmel en Koppejan wordt de regering verzocht ervoor te zorgen dat de op te stellen contractvoorwaarden ook worden opgesteld aan de hand van de Gids proportionaliteit om op deze manier onevenwichtige eisen en disproportionele contractvoorwaarden te voorkomen.
Tevens wordt de regering verzocht te bevorderen dat algemene inkoopvoorwaarden die als een model gebruikt worden voor contractvoorwaarden bij overheidsopdrachten samen met het bedrijfsleven worden opgesteld en worden nageleefd.
De algemene rijksvoorwaarden bestaan uit drie sets: de algemene rijksinkoopvoorwaarden (ARIV), de algemene rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten (ARVODI) en de algemene rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT). De rijksoverheid heeft bij de totstandkoming van de rijksvoorwaarden het bedrijfsleven geconsulteerd. Bij de totstandkoming van de ARBIT zijn behalve het bedrijfsleven, ook de advocatuur en de wetenschap geconsulteerd. Daarbij is, waar dat redelijk en verantwoord was, zowel rekening gehouden met het publieke belang als met de belangen van het bedrijfsleven.
Recent zijn de algemene rijksvoorwaarden aangepast aan de Aanbestedingswet 2012 en de daarop gebaseerde voorschriften uit de Gids Proportionaliteit. Tegelijk met deze aanpassing zijn de rijksvoorwaarden met elkaar in lijn gebracht. De ARIV, de ARVODI en de ARBIT worden nog deze maand vastgesteld en gepubliceerd. De ARIV en de ARVODI zullen eind volgend jaar worden geëvalueerd. De ARBIT zijn al geëvalueerd. Uit de evaluatie kwam dat de ARBIT een evenwichtige en juridisch verantwoorde set van algemene voorwaarden is. De VNG en de provincies hebben eveneens hun algemene voorwaarden aangepast.
VNO-NCW, MKB-Nederland, NLIngenieurs en Nederland ICT hebben aangegeven alle algemene rijksvoorwaarden samen met de rijksoverheid te willen opstellen. Daarom is eind 2013 door de rijksoverheid met VNO-NCW, MKB-Nederland, NLIngenieurs en Nederland ICT een periodiek overleg gestart. Dit overleg is er onder andere op gericht te komen tot een betere toepassing van de algemene rijksvoorwaarden en de bij de algemene rijksvoorwaarden behorende modelovereenkomsten. Deze modelovereenkomsten bevatten diverse optionele bepalingen met behulp waarvan de onderliggende algemene rijksvoorwaarden op het concrete geval kunnen worden toegespitst. Voorts is er begin februari 2014 naar aanleiding van een overleg met Nederland ICT een evidence-based gesprek georganiseerd tussen bidmanagers en rijksinkopers om de toepassing van de ARBIT in de praktijk te kunnen verbeteren. Daarbij is van de zijde van de rijksoverheid de bereidheid uitgesproken dat wanneer de praktijk daartoe aanleiding geeft de ARBIT dan wel de toelichting daarop zal worden aangepast. Onderzocht wordt nog of een vergelijkbaar gesprek zinvol is voor andere branches. Voorts zal het bedrijfsleven eind volgend jaar nauw worden betrokken bij de voorgenomen evaluatie van de ARIV 2014 en de ARVODI 2014.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan het verzoek in deze motie om te bevorderen dat algemene inkoopvoorwaarden, die als een model worden gebruikt voor contractvoorwaarden bij overheidsopdrachten, samen met het bedrijfsleven worden opgesteld en worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er bedrijven en/of brancheorganisaties die hebben aangegeven betrokken te willen zijn bij het opstellen van gemeenschappelijke algemene inkoopvoorwaarden? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, bent u actief op zoek naar organisaties om invulling te geven aan de motie?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat ook decentrale overheden hun algemene inkoopvoorwaarden, die als model worden gebruikt voor hun contractvoorwaarden bij overheidsopdrachten, samen moeten opstellen met het bedrijfsleven? Hoe verloopt dit in de praktijk?
Ik vind het belangrijk dat in algemene inkoopvoorwaarden van decentrale overheden op een evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met zowel de belangen van opdrachtgevers als opdrachtnemers. Op 31 augustus 2010 hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de Minister van Economische Zaken (EZ) en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een convenant gesloten om te zorgen voor een meer uniforme aanbestedingspraktijk bij gemeenten. U bent hierover bij brief van 10 september 2010 (TK 32 440, nr. 6) geïnformeerd. In het convenant is afgesproken dat de VNG verantwoordelijk is voor het opstellen van een Model voor algemene inkoopvoorwaarden. Voorts is afgesproken dat deze voorwaarden in samenwerking met vertegenwoordigers van gemeenten en bedrijfsleven en met medewerking van EZ en BZK worden opgesteld teneinde een breed draagvlak voor deze inkoopvoorwaarden te creëren. De VNG heeft een klankbordgroep met vertegenwoordiging van gemeenten, bedrijfsleven, de Nederlandse vereniging van inkoopmanagement (NEVI) en de wetenschap ingesteld die de schrijvers adviseerde. Op een aantal punten kon de klankbordgroep (ook na intensief overleg) geen eensluidend advies geven. Op deze punten is in de toelichting aangegeven dat partijen in de te sluiten overeenkomst kunnen afwijken van de uitgangspunten van het Model. De toelichting bij het Model bevat alternatieve teksten voor bijvoorbeeld het beperken van de aansprakelijkheid en de wijze van omgang met intellectuele eigendomsrechten. De mogelijkheid om af te wijken is geregeld in artikel 2.2 van het Model.
Bevordert u het dat decentrale overheden het bedrijfsleven betrekken bij hun inkoopvoorwaarden? Zo ja, op welke wijze bevordert u dat? Zo nee, waarom bevordert u dat niet?
Zie antwoord vraag 4.
Brandende vaten zwavelijzer bij de ISLA-raffinaderij |
|
Bram van Ojik (GL), Wassila Hachchi (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat tijdens een brand op het terrein van de ISLA-raffinaderij vaten zwavelijzer hebben vlamgevat?1
Ja
Klopt het dat door deze brand een abnormale piek in de uitstoot van zwaveldioxide is veroorzaakt? Zo ja, is dit inderdaad, zoals SMOC beweert, een recorduitstoot sinds 2008?
Op basis van de gegevens van de GGD Amsterdam kan aangenomen worden dat de concentratie SO2 die op die dag gedurende ca. 2 uur gemeten is, hoger is dan alle uurgemiddelden die daarvoor gemeten zijn. Wat er totaal is uitgestoten is onbekend. Volgens de metingen bij het meetpunt te Kas Chikitu is bij de uitstoot op zaterdag 1 februari na de brand de door de WHO gestelde norm overschreden.
Wat zijn de precieze risico’s van een verhoogde uitstoot van zwaveldioxide? Zijn mens en milieu in gevaar gekomen door deze recorduitstoot?
Volgens de GGD Amsterdam kan kortdurende blootstelling aan SO2 leiden tot onder andere irritatie van slijmvliezen van de ogen, neus en luchtwegen. Daardoor kunnen mensen na blootstelling last krijgen van ogen en luchtwegen. Bij zeer hoge concentraties kan SO2 dodelijk zijn, maar dat soort concentraties zijn bij dit incident niet ontstaan.
Overigens neemt dit niet weg dat de reguliere uitstoot van SO2 door de Isla-raffinaderij hoog is. Op reguliere dagen ontstaan geregeld concentraties van een paar honderd µg/m3. Dergelijke concentraties zorgen niet altijd voor acute gezondheidseffecten maar kunnen bij herhaalde blootstelling wel gevolgen voor de gezondheid hebben.
Hoe hebben vaten zwavelijzer bij een afvalhoop terecht kunnen komen? Deelt u de mening dat dit van een onvoorstelbare onzorgvuldigheid getuigt? Zo ja, welke gevolgen verbindt u hieraan?
Bent u bereid om te laten onderzoeken hoe dit precies heeft kunnen gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de ISLA-raffinaderij schadelijk is voor mens en milieu op Curaçao en daarom zo snel mogelijk gesloten moet worden? Zo nee, waarom niet?
De regering van Curaçao is bezig met het opstellen van scenario’s voor de modernisering van de raffinaderij en eventuele sluiting van de raffinaderij. Het aanscherpen van de thans geldende milieueisen is daarbij één van de voorwaarden. De uiteindelijke beslissing voor modernisering of sluiting is de verantwoordelijkheid van de regering van Curaçao en is afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek van het door Curaçao ingestelde multidisciplinaire team dat verantwoordelijk is voor het uitwerken van de scenario’s.
Het bericht dat varkenshouders teleurgesteld zijn in EZ |
|
Helma Lodders (VVD), Helma Neppérus (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Varkenshouders teleurgesteld in EZ»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom is besloten om het huisvestingssysteem voor dragende zeugen uitgevoerd met een voerligbox met uitloop niet op te nemen in de nieuwe Maatlat duurzame veehouderij, waardoor als gevolg hiervan geen gebruik meer kan worden gemaakt van fiscale regelingen, zoals VAMIL en MIA?
Doelstelling van de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) is het stimuleren van koploperbedrijven om te investeren in een duurzame veehouderij. Het betreft maatregelen voor milieu, dierenwelzijn en diergezondheid die verder gaan dan de wettelijke normen en reguliere systemen. Stallen die voldoen aan de voorwaarden van de MDV komen in aanmerking voor de fiscale regelingen Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (Vamil). De lat van de MDV wordt stapsgewijs hoger gelegd. Op deze wijze wordt met de MDV innovatie en de verdere verduurzaming van de veehouderij gestimuleerd.
Staand beleid is dat met de MDV en de fiscale regelingen geen wettelijke minimummaatregelen financieel worden ondersteund. In het kader van de Europese dierwelzijnsregelgeving voor groepshuisvesting van zeugen is de reguliere voerligbox met uitloop de minimale invulling van de wettelijke voorschriften voor dierenwelzijn. Om deze reden is deze huisvestingsvorm niet meer opgenomen in de MDV. Deze werkwijze is in 2013 ook toegepast voor de koloniekooihuisvesting van legkippen.
Deelt u de opvatting dat het vreemd is dat één systeem wordt uitgezonderd ten opzichte van andere systemen, terwijl dit systeem op meerdere gebieden aantoonbare voordelen heeft op het gebied van dierenwelzijn, milieu, diergezondheid en management? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het ministerie van Economische Zaken geen systeemkeuzes behoort te maken, aangezien er verschillende huisvestingssystemen voor dragende zeugen zijn, die stuk voor stuk zowel voor- als nadelen hebben op het gebied van dierenwelzijn, milieu, diergezondheid en management? Zo nee, waarom niet?
Het is een ondernemersbeslissing welk huisvestingssysteem wordt gekozen. Deze keuze zal een varkenshouder op verschillende aspecten baseren zoals arbeid, management, dierenwelzijn, milieu en diergezondheid. Het blijft mogelijk om te investeren in voerligboxen met uitloop, maar dit staltype komt niet meer in aanmerking voor fiscale ondersteuning.
Bent u bereid om tegemoet te komen aan de oproep van de varkenshouders om de maatlat aan te passen, zodat zij alsnog gebruik kunnen maken van VAMIL en MIA? Zo nee, kunt u aangeven wat de financiële gevolgen hiervan zijn voor de ondernemers?
Varkenshouders kunnen gebruik blijven maken van de MIA en Vamil door andere vormen van (groeps)huisvesting toe te passen. De MDV stimuleert koploperbedrijven te investeren in een duurzamere veehouderij. De lat van de MDV wordt daarom stapsgewijs hoger gelegd. Zoals eerder aangegeven is het een individuele ondernemerskeuze of men aan de MDV mee wil doen.
Wat zijn de extra geraamde kosten voor de begroting als ook varkenshouders met andere systemen, zoals met stallen voor dragende zeugen die niet zijn uitgevoerd met een voerligbox met uitloop, gebruik mogen maken van de fiscale faciliteiten, zoals VAMIL en MIA van de Maatlat duurzame veehouderij?
De investeringskosten voor de voerligboxen met uitloop liggen in dezelfde orde van grootte als van andere toegepaste groepshuisvestingssystemen (KWIN: Kwantitatieve Informatie Veehouderij). De regelingen zijn gebudgetteerd.
De milieulijst voor de MIA-Vamil regeling wordt zodanig vastgesteld dat met de beschikbare middelen het meest optimale milieu- en, in het geval van de MDV, ook dierenwelzijnsresultaat wordt behaald. Dit betekent dat als de investeringskosten voor de voerligboxen met uitloop opnieuw worden toegevoegd, andere investeringen uit de Milieulijst moeten vervallen en per saldo het te bereiken milieu- en dierenwelzijnseffect afneemt.
Het bericht dat slechts tien procent van de gedownloade boeken middels de legale weg wordt verkregen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Niet betalen voor e-boek is norm» waarin wordt bericht dat slechts tien procent van de gedownloade boeken middels de legale weg wordt verkregen?1
Ik heb kennis genomen van het artikel «Niet betalen voor e-boek is norm». Ik merk op dat voor het online aanbieden (openbaarmaken) van auteursrechtelijk beschermde werken, zoals e-boeken, te allen tijde toestemming van rechthebbenden is vereist. Het uploaden van e-boeken zonder die toestemming levert een auteursrechtelijke inbreuk op. Hiertegen kan en wordt actief opgetreden door rechthebbenden in collectief verband via de stichting Brein. Het downloaden (reproduceren) van e-boeken voor eigen oefening, studie of gebruik, daarentegen, valt onder de thuiskopie-exceptie van artikel 16c van de Auteurswet zodat toestemming van de rechthebbende niet is vereist. Rechthebbenden ontvangen via de thuiskopievergoeding overeenkomstig de auteursrechtrichtlijn een billijke compensatie voor het nadeel dat zij ten gevolge van de thuiskopie-exceptie lijden. De compensatie wordt geïnd bij importeurs en fabrikanten van voorwerpen die in belangrijke mate voor de opslag van thuiskopieën worden gebruikt. Voor e-readers is vooralsnog geen thuiskopievergoeding bepaald.
Het Hof van Justitie EU zal later dit jaar antwoord geven op de vraag of downloaden uit illegale bron ook onder de thuiskopie-exceptie ressorteert en of de thuiskopievergoeding voor dit gebruik mag compenseren. Volgens de recente conclusie van de advocaat-generaal Villon Cruz is dat niet het geval2. De uitkomst van deze procedure is van groot belang voor de vraag of een e-reader vergoedingsplichtig kan zijn. Voorts wordt in opdracht van de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding (SONT) door het marktonderzoekbureau Veldkamp onderzoek verricht naar vergoedingsplichtig gebruik van e-readers. Ik ben in afwachting van de uitkomst van dat onderzoek en het advies van de SONT daarover. Een besluit houdende een aanpassing van de algemene maatregel van bestuur inzake thuiskopievergoedingen neem ik nadat ik beschik over de uitkomsten van het onderzoek, het SONT-besluit en het arrest van het Hof in eerder genoemde zaak.
Steunt u het initiatief «Lees Legaal» van The Social Bookcompany dat strijdt tegen het illegaal kopiëren van e-boeken? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij vinden in een bewustwordingscampagne zoals de actie «Lees legaal». Om het pirateren van e-boeken effectief te bestrijden is het, naast handhavende en voorlichtende activiteiten, uiteraard ook van belang dat de markt legale, klantvriendelijke en betaalbare alternatieven aanbiedt. Marktpartijen zullen op de bij het publiek bestaande vraag naar e-boeken moeten inspringen met innovatieve businessmodellen, bijvoorbeeld door een streaming model voor e-boeken. Naar verluidt worden hiertoe door uitgevers inmiddels ook concrete stappen gezet3.
Bent u voornemens een actieve rol te spelen om ervoor te zorgen dat auteurs van boeken een eerlijke vergoeding voor hun werk kunnen ontvangen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Met betrekking tot de thuiskopievergoedingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Met betrekking tot vergoedingen die de schrijver van zijn uitgever ontvangt, wijs ik u op het wetsvoorstel auteurscontractenrecht4. In dat wetsvoorstel wordt onder meer geregeld dat de maker voor de verlening van exploitatiebevoegdheid jegens de exploitant van zijn werk aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Het wetsvoorstel beoogt de maker beter in staat te stellen om te delen in de opbrengsten van de exploitatie van zijn werk. Dit heeft ook betrekking op eventuele opbrengsten uit door de exploitant nieuw te ontwikkelen legale businessmodellen.
Deelt u de mening dat het huidige hoge btw-tarief van 21% voor e-boeken een drempel vormt voor zowel de potentiële consument, omdat het e-boek daarmee duurder wordt, alsook voor de innovatie in de markt?
Ik sluit niet uit dat het huidige btw tarief e-boeken duurder maakt en daarmee een drempel vormt voor de potentiele consument en voor innovatie. Zoals ook in de reactie op de motie Peters5 is aangegeven, is de Nederlandse regering er voorstander van om de inconsistentie in de tarifering op te heffen tussen digitale boeken en papieren boeken. De Europese Commissie is bezig om een evaluatie van de huidige btw-tariefstructuur uit te laten voeren. Afhankelijk van deze evaluatie komt de Europese Commissie met mogelijke voorstellen tot het aanpassen van de btw-richtlijn. Uiteraard is het btw-tarief van belang bij de prijsvorming. Naast een eventuele verlaging van dit tarief zijn er echter tal van andere factoren die de prijs van e-boeken beïnvloeden en het lezen van digitale boeken tot een succes kunnen maken. Hierbij kan worden gedacht aan beschikbaarheid van e-readers, tablets en initiatieven voor nieuwe business modellen voor het aanbieden van e-boeken.
Bent u bereid in overleg te treden met zowel uitgevers als schrijvers om te bezien welke mogelijkheden er zijn om te zorgen dat de markt beter gaat functioneren?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Het is primair aan de marktpartijen om alternatieve en innovatieve businessmodellen te ontwikkelen.
Waardeoverdracht |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven in welke situaties op dit moment waardeoverdracht mogelijk is?1
Waardeoverdracht is mogelijk in de situaties omschreven in de artikelen 70 – 92 van de Pensioenwet, te weten:
Hoeveel mensen maken (de afgelopen 5 jaar) jaarlijks gebruik van waardeoverdracht? Welk bedrag is hiermee gemoeid?
Uit het onderzoeksrapport «Praktijk in waardeoverdracht» van SEO dat op 29 november 2010 door de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 2010/2011, 32 043, nr. 21) aan de Tweede Kamer is aangeboden, bleek dat jaarlijks ca. 115.000 waardeoverdrachten plaatsvinden, waarbij € 1,7 mrd. aan pensioenvermogen van uitvoerder wisselt.
Wat zijn volgens u de grootste knelpunten van het huidige systeem van waardeoverdracht?
Een belangrijk knelpunt is de zogenoemde bijbetalingsproblematiek voor werkgevers als gevolg van het verschil in financieringswijze tussen verzekeraars en pensioenfondsen. Ook voor werknemers kan deze bijbetalinglast nadelig zijn omdat het de arbeidsmobiliteit van (vooral oudere) werknemers kan beperken. Ter tijdelijke ondervanging van dit probleem is een tijdelijke beperking van de plicht tot waardeoverdracht gerealiseerd met het besluit van 21 september 2012 (Stb 2012, 452) dat op 1 januari 2013 in werking is getreden. Verder is het, ondanks inspanningen ter vergroting van de transparantie van pensioenen en van het pensioeninzicht van deelnemers, voor deelnemers lastig is om een goede, rationele keuze te maken met betrekking tot waardeoverdracht. De Stichting van de Arbeid heeft in haar advies van 27 juni 2013 (dat is gevoegd bij mijn brief van 20 januari 2014) erop gewezen dat ook goed moet worden gekeken naar de problematiek van kleine pensioenen en naar mogelijke consequenties voor het nabestaandenpensioen.
Betekent uw uitspraak «ik wil een serieuze poging doen om waardeoverdracht te behouden», dat u heeft overwogen om de waardeoverdracht te beperken? Deelt u de mening dat de keuzevrijheid van pensioen voor werknemers van groot belang is en dat waardeoverdracht dus altijd mogelijk moet blijven?
Ik hecht aan de individuele keuzevrijheid van werknemers om bij baanwisseling de waarde van hun opgebouwde pensioenaanspraken wel of niet te kunnen overdragen. Tegelijkertijd concludeer ik dat uit het advies van de Stichting van de Arbeid van 27 juni 2013 blijkt dat de meningen binnen de Stichting over continuering van het recht op waardoverdracht uiteenlopen. Uit genoemd advies van de Stichting van de Arbeid blijkt dat werkgevers – alles afwegende – vinden dat het recht op waardeoverdracht moet komen te vervallen; werknemers zijn daarentegen van mening dat het recht op waardeoverdracht behouden moet blijven en dat oplossingen moeten worden gezocht voor problemen die optreden bij een onverkorte toepassing van het meegeven van rechten op basis van gefinancierde waarde. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 20 januari jl. onderzoek ik thans of het standpunt van de werknemers uitvoerbaar is.
Wat zijn volgens u de voordelen van een systeem waarbij de pensioenaanspraken worden overgedragen? Wat zijn de nadelen van een dergelijk systeem?
Ik deel de voor- en nadelen die de Stichting van de Arbeid in het eerdergenoemde advies heeft genoemd. Deze zijn (samengevat):
Wat zijn volgens u de voordelen van een systeem waarbij uitsluitend de waarde van de pensioenvoorziening wordt overgedragen? Wat zijn de nadelen van een dergelijk systeem? Kunt u aangeven welke definitie u heeft van het woord «waarde».
Bij het onderzoek ga ik uit van de definities voor de gefinancierde waarde voor de verschillende pensioenproducten die de Stichting van de Arbeid heeft geadviseerd. Het onderzoek is erop gericht de voor- en nadelen in beeld te brengen.
Wanneer een werknemer van een pensioenverzekeraar naar een pensioenfonds overstapt, wordt het overdraagbare pensioen dan berekend op wat er ooit betaald is aan (opgerente) premie in het verleden of op basis van marktwaarde van het over te dragen pensioen?
Dat hangt af van het pensioencontract, zoals is aangegeven in artikel 25 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat sommige verzekeraars op dit moment minder mee geven aan waarde dan de waarde in het economisch verkeer van deze pensioenen?
Deze problematiek zal ik betrekken bij het onderzoek dat ik heb aangekondigd in mijn brief van 20 januari jl.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het komende Algemeen overleg pensioenonderwerpen op 13 februari a.s.?
Ik beantwoord de vragen voor het Algemeen Overleg Pensioenonderwerpen, dat is verplaatst naar 20 maart a.s.
Het bericht dat er AZC's worden geopend in voormalige gevangenissen en detentiecentra |
|
Linda Voortman (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten ««Asielzoekers in maart naar Kamp Zeist»?1
Ja.
Kloppen de berichten dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers(COA) actief op zoek is naar (voormalige)gevangenissen en detentiecentra om asielzoekerscentra (AZC's) in te vestigen? Zo ja, welke locaties worden momenteel voor dit doel onderzocht? Voor welke (voormalige) gevangenissen en detentiecentra is inmiddels besloten dat ze voor dit doel zullen worden gebruikt?
Zoals ik ook in antwoorden op Kamervragen van het lid Fritsma (PVV)2 heb aangegeven, brengt de verhoogde asielinstroom met zich mee dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op zoek is gegaan naar extra opvanglocaties. Voorop staat dat in Nederland iedere opvanggerechtigde asielzoeker opvang aangeboden krijgt.
Bij het verwerven van locaties wordt door het COA rekening gehouden met verschillende aspecten. Zo wordt gekeken naar de mogelijkheden om op bestaande opvanglocaties de capaciteit uit te breiden of de locatie langer open te houden dan eerder was voorzien. Ook beziet het COA of voormalige opvanglocaties opnieuw in gebruik kunnen worden genomen. Voorts wordt gekeken naar leegstaand en beschikbaar vastgoed van de rijksoverheid, dit zijn onder andere penitentiaire inrichtingen en kazernes. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht om vastgoed dat voor de gezondheidszorg is gebruikt in te kunnen zetten. Ten slotte wordt gekeken naar de vastgoedmarkt.
Het COA hanteert een Programma van Eisen waarin, mede gebaseerd op nationale en Europese wet- en regelgeving, beschreven is aan welke eisen een opvanglocatie moet voldoen. Daarnaast werkt het COA met interne kaders zoals de grootte van de kamers en het aantal recreatieruimten. Indien het om een penitentiaire inrichting gaat, wordt uiteraard zorg gedragen dat er geen sprake is van een daadwerkelijk detentiekarakter van de opvanglocatie. De beoogde nieuwe opvanglocaties worden gewogen ten opzichte van het Programma van Eisen en de beschikbare financiële kaders.
De zoektocht naar opvanglocaties is derhalve veel breder dan (voormalige) gevangenissen en detentiecentra.
Vanwege gemeentelijke/bestuurlijke afspraken bij het verwerven van locaties vind ik het niet wenselijk om in te gaan op locaties die beoogd zijn voor de opvang door het COA.
De locaties die sinds 2013 tot heden geopend of heropend zijn door het COA, zijn de voormalige opvanglocaties in Bellingwolde, Geeuwenbrug en Sweikhuizen. Daarnaast zijn in Uithuizen en Wassenaar (Duinrell) tijdelijke locaties geopend. In totaal gaat het hierbij om circa 1.700 opvangplaatsen. Dit zijn derhalve ook andere locaties dan voormalige detentielocaties.
Kunt u aangeven voor hoeveel asielzoekers er momenteel geen plaats is in de reguliere opvanglocaties van de AZC's?
Op dit moment is voor iedere asielzoeker die recht heeft op opvang een opvangplaats, die uiteraard voldoet aan de standaarden die zijn neergelegd in (inter)nationale wet- en regelgeving, zoals de Opvangrichtlijn 2003/9/EG en de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Als gevolg van de toename van het aantal asielaanvragen, en daarmee ook de toename van het aantal mensen dat moet worden opgevangen, verwacht het COA in de komende maanden meer opvangcapaciteit nodig te hebben. Zoals gezegd is het COA daarom op zoek naar locaties.
Deelt u de mening dat dergelijke locaties naar hun aard en inrichting ongeschikt zijn om asielzoekers in te vestigen? In hoeverre is er in deze besluitvorming meegewogen dat het plaatsen van asielzoekers in gevangenissen en detentiecentra als traumatisch kan worden ervaren gezien het feit dat sommige asielzoekers gevlucht zijn uit een oorlogsland en/of in het land van herkomst onterecht in gevangenissen zijn vastgezet? In hoeverre heeft u over dit vraagstuk inlichtingen ingewonnen bij experts en Non Gouvernementele Organisaties(NGO's)?
In antwoord op vraag 2 heb ik al toegelicht dat het kunnen openen van een opvanglocatie een samenspel is van gemeentelijke bereidheid, beschikbaarheid van geschikt vastgoed, de weging van het vastgoed ten opzichte van het Programma van Eisen en de financiële kaders. Voor zover de door u genoemde locaties in beeld zijn gekomen, is ook hier voornoemde afweging gemaakt. Als opgemerkt is de uitkomst van dit proces dat onder andere eerder gesloten locaties zijn heropend.
In mijn planning ga ik uit van prognoses op basis van de asielinstroom en de trends die zich hierin voordoen. Bij brief van 21 december 20123 is uw Kamer reeds geïnformeerd over de beleidsontwikkelingen die ertoe hebben geleid dat het COA gedeeltelijk moest terugkomen op het krimpbesluit dat in september 2012 was genomen, onder meer als gevolg van de voorgenomen Regeling Langverblijvende Kinderen. Na een redelijke stabilisatie in de eerste helft van 2013 is de bezetting in de COA-locaties in de tweede helft van 2013 vervolgens flink gestegen als gevolg van de verhoogde instroom vanuit Syrië en het hoge aantal nareizende gezinsleden uit onder meer Somalië. Binnen de budgettaire kaders voor het COA is er ruimte om rekening te houden met fluctuaties in de asielinstroom. Deze budgettaire ruimte dient natuurlijk steeds een vertaling te vinden in het creëren van extra opvangplekken als daaraan behoefte is. Mede uit oogpunt van kosten is het niet mogelijk om een te grote buffercapaciteit aan te houden.
De sluiting van locaties heeft diverse oorzaken, zoals de looptijd van bestuursovereenkomsten. Bij het maken van de keuze welke locatie gesloten gaat worden spelen elementen als kwaliteit en betaalbaarheid een belangrijke rol.
Kunt u aangeven in hoeverre alternatieven zijn onderzocht zoals leegstaande scholen of bedrijfspanden en AZC's die in het (recente) verleden zijn gesloten? Hoeveel AZCs zijn er de afgelopen jaren gesloten? Hoe staat u nu tegenover het besluit deze AZC's te sluiten gezien het feit dat vluchtelingenstromen kunnen fluctueren? Kunt u aangeven in hoeverre de volgende locaties: het voormalige Meanderziekenhuis te Amersfoort, de voormalige bibliotheek te Winschoten, de voormalige Jozefsschool te Malden, de voormalige strokartonfabriek de Toekomst te Scheemdade en de verschillende leegstaande panden van Horizon Jeugdzorg en Onderwijs in regio Zuid-Holland eventueel geschikt zouden zijn als AZC locatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid af te zien van de plannen (voormalige) gevangenissen en detentiecentra te gebruiken voor het vestigen van asielzoekers? Bent u bereid actief te zoeken naar alternatieve locaties zoals leegstaande scholen, bedrijfspanden en/of inmiddels gesloten AZC's? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat een gevangene is beschoten met een spijkerpistool |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een gevangene is beschoten met een spijkerpistool?1
Ja.
Is er al meer bekend uit het onderzoek van de Dienst Justitiële Inrichtingen over de toedracht van dit recente voorval in het Huis van Bewaring in Alphen aan de Rijn?
De inrichting heeft naar aanleiding van een intern onderzoek aangifte gedaan bij de politie. Het politieonderzoek is gaande. Over de toedracht van het incident kan, zolang het politieonderzoek nog niet is afgerond, vooralsnog geen uitsluitsel worden gegeven.
Wat is de huidige bezettingsgraad van het Huis van Bewaring in Alphen aan de Rijn?
Ten tijde van het incident betrof de bezettingsgraad in het Huis van Bewaring in Alphen aan den Rijn ruim 95%.
Deelt u de mening van vakbond CNV Publieke Zaak dat dit voorval exemplarisch is voor de situatie in gevangenissen?
Nee, deze mening deel ik niet. De borging van veiligheid binnen justitiële inrichtingen, zowel voor personeel als voor justitiabelen, heeft onverkort en blijvend mijn aandacht, ook in tijden van bezuinigingen. Zoals ik in mijn brief van 12 november 2013 aan uw Kamer expliciet heb aangegeven staat de borging van de veiligheid voorop bij de implementatie van het Masterplan DJI.2 De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) monitort eventuele bijzonderheden in het kader van veiligheid binnen inrichtingen en neemt daar waar nodig actie. Indien hiertoe aanleiding is, komen deze bijzonderheden tijdens de reguliere voortgangsgesprekken tussen de vestigingsdirecteuren en het hoofdkantoor in het kader van de P&C-cyclus aan de orde.
Deelt u de mening dat met het verdwijnen van alle (particuliere) beveiligers van G4S uit het Huis van Bewaring te Alphen aan de Rijn, de veiligheid in deze inrichting verder onder druk komt te staan?2
Het mediabericht berust wellicht op een misverstand. Sinds een aantal jaren zijn geen beveiligers van particuliere beveiligingsorganisaties werkzaam in penitentiaire inrichting (PI) Alphen aan den Rijn, waarvan het Huis van Bewaring deel uitmaakt.
Indien uw antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, kunt u garanderen dat de veiligheid van gevangenen en personeel gewaarborgd blijft?
Zie het antwoord op vraag 4. Een randvoorwaarde bij de implementatie van het Masterplan DJI is dat de veiligheid van personeel en justitiabelen niet onder druk komt te staan. Incidenten zijn echter nooit volledig uit te sluiten, hoezeer veiligheid ook een belangrijk fundament vormt bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties.