Het bericht dat het aantal meldingen over mishandeling van ouderen met bijna de helft is toegenomen |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groeiend aantal meldingen over mishandeling ouderen»?1
Ja.
Hoe verklaart u de explosieve toename van 43% van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de grote steden?
De cijfers uit het artikel zijn niet helemaal correct: uit navraag blijkt dat er in Amsterdam geen sprake is van een toename. In Den Haag wordt de toename mede verklaard doordat in 2014 ook alle meldingen die via de politie zijn binnengekomen bij de telling van het Steunpunt Huiselijk Geweld zijn meegenomen. Hierbij gaat het ook om bijvoorbeeld beroving van ouderen op straat, door onbekenden. Dit betreft dus geen ouderenmishandeling in de huiselijke kring (in een terugkerende afhankelijkheidsrelatie).
Bovengenoemde nuancering laat onverlet dat al een paar jaar een toename van het aantal meldingen zichtbaar is. Niet alleen in de vier grote steden, maar in het hele land. De belangrijkste verklaring hiervoor zie ik in het feit dat het onderwerp ouderenmishandeling, als gevolg van het Actieplan «Ouderen in veilige handen» de afgelopen jaren meer bekendheid heeft gekregen. De voorlichtingsactiviteiten die de seniorenorganisaties van oktober 2012 tot eind 2014 hebben uitgevoerd, hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Dit blijkt ook uit de evaluatie van de voorlichtingscampagne. Ook de spotjes op radio en TV in het kader van de publiekscampagne «Een veilig thuis, daar maak je je toch sterk voor» hebben bijgedragen aan een grotere bekendheid van het onderwerp. Hierdoor is ouderenmishandeling de afgelopen jaren beter bespreekbaar geworden. Steeds meer mensen weten wat het is, en dat het voorkomt, en weten ook waar zij terecht kunnen met vermoedens of signalen.
Een andere verklaring is de implementatie van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, die sinds 1 juli 2013 van kracht is. Deze verplicht beroepskrachten om te beschikken over een stappenplan dat zij moeten doorlopen bij vermoedens of signalen van huiselijk geweld (waaronder ouderenmishandeling) en kindermishandeling. Het hanteren van de meldcode heeft ertoe geleid dat professionals bij signalen van ouderenmishandeling vaker contact zoeken met de Steunpunten Huiselijk Geweld (sinds 1 januari van dit jaar Veilig Thuis) voor advies, of het doen van een melding.
Ik beschouw deze toename – die overigens dus al een paar jaar geleden is ingezet – daarom als een beoogd effect van beleid, omdat hieruit blijkt dat mensen vaker advies vragen of een melding doen over ouderenmishandeling. De toename van het aantal contacten in 2014 met de Steunpunten Huiselijk Geweld over ouderenmishandeling wil dus niet zeggen dat het aantal gevallen van ouderenmishandeling is toegenomen, maar wel dat men bij ouderenmishandeling vaker het steunpunt heeft ingeschakeld om de situatie te stoppen.
Deelt u de mening dat deze toename te wijten is aan de sluiting van verzorgingshuizen en de bezuinigingen op zorg, dagbesteding en mantelzorgers, met als gevolg dat het zicht op de kwetsbare oudere verdwijnt? Zo neen, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals ik al heb aangegeven, kan uit de toename van het aantal contacten met de Steunpunten Huiselijk Geweld (nu Veilig Thuis geheten) niet worden geconcludeerd dat het aantal gevallen van ouderenmishandeling is toegenomen, maar dat men bij vermoedens of signalen vaker contact opneemt met een steunpunt voor advies, of het doen van een melding.
Verder ben ik van mening dat de hervormingen in de zorg juist een kans bieden om de risicofactoren op ouderenmishandeling aan te pakken. De positie van de mantelzorger wordt bijvoorbeeld versterkt. Doordat zorg en ondersteuning dicht bij mensen wordt georganiseerd en op maat kan worden geboden, ontstaat er een netwerk van zorgverleners en mantelzorgers om mensen heen en kan ouderenmishandeling tijdig worden gesignaleerd en daarop actie worden ondernomen.
Is dit wat de regering bedoelt met de zorg dichterbij?
Zie antwoord vraag 3.
De kerncentrale Borssele te controleren op scheurtjes |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Controleer Borssele op scheurtjes»?1
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat in de reactorvaten van de Belgische kerncentrales Doel-3 en Tihange-2 veel meer scheurtjes zitten dan tot nu toe werd aangenomen?
Ja.
Klopt het dat de centrale in Borssele vergelijkbare reactorvaten heeft, namelijk die van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM)?
Nee. Het reactorvat van de Kerncentrale Borssele (KCB) enerzijds en de reactorvaten van de kerncentrales Doel-3 en Tihange-2 anderzijds verschillen duidelijk van elkaar. De Tweede Kamer is hiervan bij brief d.d. 23 augustus 2012 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 25 422, nr. 94) op de hoogte gesteld. Inmiddels hebben in meerdere landen metingen op reactorvaten plaatsgevonden die door RDM zijn gemaakt, waaronder op die in de KCB. Hierbij is het in België geconstateerde verschijnsel van waterstofvlokken niet aangetroffen. Waterstofvlokken zijn een vorm van haarscheurtjes die kunnen ontstaan tijdens de productie van het reactorvat. In de media wordt het fenomeen in de kerncentrales Doel-3 en Tihange-2 vaak haarscheurtjes genoemd.
Bent u op de hoogte van het advies van het Belgische Federaal agentschap voor nucleaire controle (FANC) om bij alle kerncentrales wereldwijd het reactorvat nauwkeurig te onderzoeken?
Ja.
Waarom heeft er in Borssele in de afgelopen jaren geen 100%-controle (door heel het vat) op scheurtjes plaatsgevonden?
Op het reactorvat van de KCB is een degelijk onderzoek naar het in België gevonden fenomeen uitgevoerd. Het fenomeen zoals dat zich in de kerncentrales Doel-3 en Tihange-2 voordoet, heeft een gelijkmatige spreiding over het gehele reactorvat. Om de aanwezigheid van waterstofvlokken of haarscheurtjes uit te sluiten zijn verspreid over het vat 4 secties van het vat doorgemeten, die in totaal 40% van de oppervlakte beslaan. Omvang en aard van het onderzoek in de KCB zijn meer dan voldoende om de aanwezigheid van het verschijnsel van waterstofvlokken te detecteren of uit te sluiten. De aanpak die voor de KCB is gekozen, is in lijn met de internationale aanpak van metingen naar aanleiding van het Doel-3 en Tihange-2 fenomeen.
Is in Borssele, net als in België, getest hoe beschadigd staal reageert op straling? Zo ja, wat is daarvan het resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. In het ontwerp van de KCB is al rekening gehouden met invloed van straling op stalen reactorvaten. De vergunninghouder van de KCB heeft daarom een reactorvatbewakingsprogramma. Monsters van gelijk materiaal en samenstelling als de reactorhuid worden daarin intensiever bestraald dan de reactorhuid zelf, zodat tijdig inzicht kan worden verkregen in het verouderingsproces. Dit bewakingsprogramma is als onderdeel van de levensduurverlenging geactualiseerd. De uitvoering van het programma staat onder toezicht van de ANVS. De resultaten van het programma geven geen reden tot aanvullend onderzoek of maatregelen.
Waarom is het rapport van de inspectie van Borssele uit 2013 (NRG-UT-P23278-13-27) nooit openbaar gemaakt?
Het rapport van NRG is in opdracht van EPZ, de vergunninghouder van de KCB, opgesteld. Het is daarom aan EPZ om het rapport al dan niet openbaar te maken.
Zijn de gebeurtenissen in België en de daaruit volgende onzekerheid over de mogelijke toestand van het reactorvat van Borssele voor u voldoende reden om het rapport alsnog openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee. De toestand van het reactorvat van de KCB is niet onzeker. Met betrekking tot de openbaarmaking van het rapport verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Zijn de gebeurtenissen in België reden om het reactorvat in Borssele alsnog volledig te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, zijn aard en omvang van de metingen in de KCB meer dan voldoende om aan te tonen of het verschijnsel van waterstofvlokken zich voordoet. Ook de informatie die het FANC recent over de metingen in 2014 openbaar gemaakt heeft, leidt niet tot nieuwe inzichten met betrekking tot de KCB. De eerste metingen in België zijn namelijk uitgevoerd met een testapparatuur die voor deze toepassing nog niet volledig gekwalificeerd was. Toen het FANC in 2013 zijn toestemming gaf voor de heropstart van Doel-3 en Tihange-2, ging dit gepaard met een reeks vereisten. Eén van de vereisten was de volledige kwalificatie van de testapparatuur. Zoals het FANC op haar website aangeeft is deze kwalificatie inmiddels uitgevoerd en is er in 2014 opnieuw gemeten. Met de gekwalificeerde apparatuur zijn meer en grotere haarscheurtjes gevonden.
Bij de metingen die zijn verricht op het reactorvat van de KCB is voor een andere aanpak gekozen. De voormalig Kernfysische Dienst en Lloyd’s Register, de aangewezen keuringsinstelling voor nucleaire drukapparatuur in Nederland, hebben geëist dat het testapparatuur en methodiek – anders dan in België in 2012 het geval – vóór uitvoering van de metingen bij de KCB volledig gekwalificeerd was. Er bestaat daarom geen aanleiding voor aanvullende metingen bij de KCB.
Neemt u nog andere acties naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in België?
De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) blijft de ontwikkelingen in België en in andere landen op het gebied van integriteit van nucleaire componenten (zoals reactorvaten) nauwkeurig volgen. Mochten er zich nieuwe inzichten, zowel nationaal als internationaal, voordoen dan zal de ANVS gepaste maatregelen treffen. Mijn Belgische collega en ik hebben afgesproken om de al bestaande en effectieve samenwerking tussen de Belgische nucleaire autoriteit FANC en de Nederlandse nucleaire autoriteit ANVS verder te intensifiëren.
Kunt u uitsluiten dat een ophoping van waterstof zich in de centrale van Borssele voordoet, bijvoorbeeld ten gevolge van scheurtjes in het reactorvat?
Ja. Waterstof is in het koelmiddel (het koelwater) van kernreactoren aanwezig en komt vrij door opsplitsen van water in zuurstof en waterstof ten gevolge van de radioactieve straling. Dit is een losstaand verschijnsel van het vraagstuk rondom de waterstofvlokken in de Belgische centrales. Dit is een bekend natuurkundig fenomeen waarmee in het ontwerp van de kerncentrale al rekening is gehouden.
Wat zijn de mogelijke gevolgen van scheuren in de wand van het reactorvat?
Haarscheurtjes in de wand van reactorvaten kunnen de structurele integriteit, dat wil zeggen de sterkte en dichtheid van reactorvaten beïnvloeden. Een probleem met de structurele integriteit van het vat kan leiden tot het falen van het reactorvat wanneer deze in gebruik is. Een lek in het reactorvat tijdens bedrijf is weliswaar een ongevalsscenario waarmee de veiligheidssystemen van een reactor om kunnen gaan, maar het staat vast dat dit geen wenselijke situatie is. In België liggen de beide reactoren met haarscheurtjes dan ook stil in afwachting van onderzoek of deze haarscheurtjes effect hebben op de sterkte van het reactorvat.
Het bericht dat ex-daklozen hun huis verliezen door te hoge huren |
|
Renske Leijten (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dakloze snel terug op straat door duur huis»?1 2
Ja.
Klopt het dat jaarlijks in de vier grote steden twaalfhonderd voormalig dak- en thuislozen in de problemen komen vanwege een te hoge huurprijs? Zo ja, tegen welke problemen lopen zij dan aan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit navraag bij Federatie opvang blijkt dat in de vier grote steden op jaarbasis 1200 personen doorstromen uit de maatschappelijke opvang naar een corporatiewoning. Hoeveel van deze personen een, in relatie tot hun inkomen te dure huurwoning krijgen toegewezen, waardoor er betalingsproblemen kunnen ontstaan, is niet bekend.
Ik heb overigens actie ondernomen op het signaal dat er te veel te dure huurwoningen worden toegewezen aan mensen met lage inkomens. De onlangs aanvaarde herziene Woningwet en het daarop gebaseerde ontwerpbesluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting regelen de herinvoering van de passendheidstoets bij toewijzing van huurwoningen aan huurders die in aanmerking komen voor huurtoeslag. De norm bepaalt dat corporaties aan minstens 95 procent van de woningzoekenden die recht hebben op huurtoeslag een woning moeten toewijzen met een huur tot aan de aftoppingsgrens. Deze huurders worden hierdoor minder snel geconfronteerd met een te hoge huurprijs waardoor betalingsproblemen zouden kunnen ontstaan. Ik zal de door het lid Monasch ingediende en door de Tweede Kamer aangenomen motie om deze maatregel zo spoedig als mogelijk in te voeren, uitvoeren (TK 2014–2015, 32 847, 160).
Hoe vaak komt het op jaarbasis voor dat een ex-dak- of thuisloze weer op straat of in de opvang belandt vanwege een te hoge huurprijs? Hoe vaak is dat het geval in de vier grote steden en landelijk gezien?
Hier zijn geen gegevens over bekend. Er wordt bij een huisuitzetting niet geregistreerd of de desbetreffende personen eerder dakloos waren.
Hoe lang moeten dak- en thuislozen gemiddeld wachten voor ze in aanmerking komen voor een huurwoning? Wat zijn de regionale verschillen en hoe zijn deze ontstaan?
Hoe lang dak- en thuislozen moeten wachten om in aanmerking te komen voor een huurwoning verschilt per regio. Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar. De wachttijd is onder andere afhankelijk van de beschikbare woningvoorraad in de regio en de lokale afspraken die centrumgemeenten met woningcorporaties hebben kunnen maken over aantallen beschikbare woningen op jaarbasis voor de doelgroep.
Kunt u een overzicht verschaffen van de hoeveelheid huurwoningen die jaarlijks aan dak- en thuislozen toegewezen wordt met een huur tot de kwaliteitskortingsgrens (403,06 euro prijspeil 2015), met een huur tot de aftoppingsgrens (576,87 euro), met een huur tot de huurtoeslaggrens (710,68 euro) en met een huur boven de huurtoeslaggrens? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de verantwoordingsgegevens van corporaties is alleen af te leiden hoeveel woningen in een bepaalde prijsklasse worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen onder en boven de huurtoeslaggrens. Aan welke type huishoudens deze woningen worden toegewezen wordt niet bijgehouden.
Hoe kan een dakloze, die begint met huren en de volle huurprijs moet betalen, de periode overbruggen tot aan de uitbetaling van de huurtoeslag?
In de regel krijgt iemand acht weken na de aanvraag de huurtoeslag uitbetaald. Wanneer dit tot problemen zou kunnen leiden, kan in het kader van de verlening van bijzondere bijstand woonkostentoeslag worden aangevraagd. Het is echter aan het college van burgemeester en Wethouders om te beoordelen of en zo ja in welke mate in dit soort situaties ter overbrugging – al dan niet als lening- een tijdelijke woonkostentoeslag wordt verstrekt. Het betreft hier een strikt individuele beoordeling.
Op welk manier tonen woningcorporaties coulance als ex-daklozen of ggz-patiënten, die voor het eerst zelfstandig wonen, in financiële problemen komen om hun huur te betalen?
Corporaties organiseren allerhande interventies om huurders met financiële problemen tegemoet te komen: (telefonische) gesprekken, Achter-de-Voordeurprojecten, budgetcoaches, actieve samenwerking met (schuld)hulpverlening, enz. Ex-daklozen of ggz-patiënten die in financiële problemen komen, maken bij corporaties veelal ook gebruik van «Het Tweede Kansbeleid». Dit geeft huurders waarvoor een ontruimingsvonnis is aangevraagd een laatste kans om ontruiming van hun woning te voorkomen door verplichte hulpverlening op maat te accepteren. Doel daarbij is dat de huurder de financiële problemen weer onder controle krijgt. Ook maken corporaties gebruik van «omklapcontracten»: de corporatiewoning wordt dan door een zorginstelling gehuurd die deze woning op haar beurt aan een ex-dakloze of ggz-patiënt doorverhuurt voor bepaalde tijd. Indien na deze periode blijkt dat de ex-dakloze of ggz-patiënt zelfstandig kan wonen, sluit de corporatie een reguliere huurovereenkomst met de huurder. Daarnaast worden er voor huurders met financiële problemen betalingsregelingen getroffen, waardoor de achterstallige betaling in termijnen kan worden voldaan.
In 2013 is het aantal huisuitzettingen met 8% gegroeid naar 6.980, waarbij in 88% van de gevallen huurachterstand de oorzaak van de uitzetting was; wat is het beeld voor 2014?3
In 2014 vonden in totaal 5.900 huisuitzettingen bij corporaties plaats. Ten opzichte van het jaar daarvoor is dat een daling van 15%. Van deze uitzettingen lijkt 85% door huurachterstand te zijn veroorzaakt, 3% minder dan voorheen. In veel situaties blijkt er trouwens sprake te zijn van een combinatie van oorzaken. Het aantal ontruimingsvonnissen is in 2014 met 23.500 juist licht gestegen ten opzichte van 2013. Het lijkt erop dat de inspanningen van corporaties om het aantal huisuitzettingen te laten dalen succesvol zijn.
Wat is uw reactie op de pilot in Amsterdam bij woningcorporatie Rochdale waar de huur rechtstreeks van de uitkering wordt afgeschreven?4
Ik heb begrepen dat de gemeente Amsterdam en woningcorporatie Rochdale de afspraak hebben gemaakt dat bij huurders met een bijstandsuitkering en een huurachterstand van 2 maanden de huur en een bedrag voor een afbetalingsregeling in overleg met de klant door de gemeente Amsterdam wordt ingehouden op de bijstandsuitkering en direct wordt overgemaakt naar de woningcorporatie. Het doel achter dit beleid is het verminderen van het aantal woningontruimingen door financiële redenen.
Doorbetaling via de uitkering kan een goede oplossing zijn om problematische schulden en uiteindelijk huisuitzettingen te voorkomen. Het is aan
gemeenten en woningcorporaties om onderling afspraken te maken over het voorkomen van schulden en het terugdringen van het aantal huisuitzettingen. Voor doorbetaling vanuit de uitkering is uiteraard wel toestemming nodig van de desbetreffende burger.
Ik moedig gemeenten en woningcorporaties aan de handen in een te slaan en een gezamenlijke aanpak preventie en vroegsignalering van schulden te ontwikkelen, zodat huisuitzettingen zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden.
Een boete voor racistische uitspraken onder voetbalselfie |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Boete voor racisme onder voetbalselfie Leroy Fer»?1
Ja.
Vindt u het rechtvaardig dat slechts drie mensen een boete opgelegd hebben gekregen, terwijl er talloze racistische en beledigende reacties zijn geplaatst?
Op basis van strafrechtelijk onderzoek zijn door het Openbaar Ministerie drie personen aangemerkt als verdachte. Deze drie personen hebben uitingen gedaan die aanzetten tot haat of discriminerend zijn en hebben een transactievoorstel ontvangen.
Wanneer mensen teksten als grievend en aanstootgevend ervaren, betekent dat niet dat die teksten naar de letter van de wet ook daadwerkelijk een strafbaar feit opleveren omdat ze aanzetten tot haat of discriminerend zijn.
Wat is de reden geweest voor het kleinschalige optreden van het Openbaar Ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er effectiever opgetreden moet worden tegen mensen die racistische uitspraken op sociale media doen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt continu aan het effectiever optreden tegen discriminatie, ook op sociale media en internet. Burgers hebben de mogelijkheid om discriminatie op het internet online te melden bij het Meldpunt internet discriminatie (MiND). Voor de laatste stand van zaken van de aanpak van discriminatie verwijs ik u naar de voortgangsbrief discriminatie, die op 19 februari aan uw Kamer werd toegezonden (TK 2014–2015, 30 950, nr. 76). De verdere versterking van de aanpak van discriminatie maakt tevens onderdeel uit van de herijking van het actieplan discriminatie.
Deelt u de mening dat een boete van 360 euro geen passende strafmaat voor dergelijke racistische en beledigende uitspraken is en dat deze straf veel hoger zou moeten zijn?
Nee. De officier van justitie bepaalt aan de hand van de richtlijnen welke sanctie passend zou zijn in soortgelijke strafzaken. De officier van justitie houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval. Er kan in voorkomende gevallen gemotiveerd van de richtlijnen worden afgeweken.
Deelt u de mening dat alleen een geldboete weinig effect zal hebben omdat de gedachtegang van de dader hiermee niet verandert? Zo ja, is het niet beter om verplichte cursussen of antiracisme bijeenkomsten te organiseren zodat daders inzien waarom ze fout zitten? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van discriminatie die het Kabinet voorstaat is breder dan alleen het opleggen van geldboetes. Toepassing van het strafrecht is een ultimum remedium in de aanpak van discriminatie. Strafbaarstelling (en vervolging) vervult een belangrijke signaalfunctie, maar strafrecht alleen kan nooit de oplossing zijn: een generieke en gedifferentieerde aanpak die het bestaan van vooroordelen kan wegnemen is eveneens noodzakelijk. Bewustwording is daarbij een belangrijke pijler van het Nederlandse anti-discriminatiebeleid. De in de voortgangsbrief discriminatie aangekondigde landelijke campagne draagt bij aan deze bewustwording.
Denkt u dat de behoefte om racistische uitlatingen te doen is toegenomen in de afgelopen tien jaar? Zo ja, waar denkt u dat deze behoefte vandaan komt? Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Zoals reeds aan Uw Kamer gemeld in de eerder aangehaalde brief van 19 februari jongstleden, is het kabinet bezorgd over het beeld van toenemende onverdraagzaamheid. De manier waarop mensen zich bijvoorbeeld op sociale media discriminatoir uitlaten en oproepen tot haat of discriminatoir gemotiveerd geweld is schokkend. Zichtbaar is dat gebeurtenissen elders in de wereld bijdragen aan onverdraagzaamheid en angst. Mensen benaderen elkaar vaak niet meer als individu en gaan af op afkomst en vooroordelen. Dit staat een samenleving, waarin iedereen in veiligheid zichzelf mag zijn, in de weg.
Het kabinet neemt gevoelens van angst binnen verschillende gemeenschappen in ons land serieus. Het is van het allergrootste belang dat hier gezamenlijk tegen wordt gestreden: overheid, maatschappelijke organisaties, religieuze leiders en burgers. Discriminatie gaat ons immers allemaal aan en is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid en de samenleving. In het licht van het vraagstuk van radicalisering van jongeren, is het belang daarvan nog meer toegenomen.
Mede in het kader van de uitvoering van de motie van het lid Marcouch van 26 november 2014 (Kamerstuk 34 000-VI, nr. 37) zal in 2015 vanuit de huidige context opnieuw worden gekeken naar de samenhang, focus en doeltreffendheid van het actieprogramma discriminatie. Mede door nieuwe wetenschappelijke inzichten en opgedane praktijkervaring, worden er vanuit dit actuele perspectief nieuwe meerjarige doelen en resultaten geformuleerd. Hiertoe wordt onder meer in overleg getreden met belangengroepen, maatschappelijke organisaties, overheden, sociale partners en instituties. Het programma kan verder worden versterkt door de relevante invalshoek van andere brede beleidsprogramma’s te betrekken, zoals de integrale aanpak jihadisme en de Agenda lokale democratie. Ook kan hierdoor relevant onderzoek nog meer in samenhang worden uitgevoerd.
Denkt u dat het politieke klimaat bijdraagt aan de toename van racistische uitingen?2 Zo ja, wat gaat u ondernemen om het politieke klimaat bij te sturen? Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Zie antwoord vraag 7.
Is het bij u bekend of een van de daders die racistische opmerkingen plaatsten een functie heeft bij de overheid?
Het is mij niet bekend of een van de daders een functie bij de overheid heeft.
Deelt u de mening dat mensen met een overheidsfunctie een voorbeeldfunctie dragen en zich horen te weerhouden van racistische uitspraken? Zo ja, wat gaat u ondernemen tegen deze mensen in overheidsfunctie? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het doen van racistische uitspraken verhoudt zich niet met het gedrag dat van overheidspersoneel mag worden verwacht. Een racistische uitspraak kan worden opgevat als plichtsverzuim en derhalve disciplinair worden bestraft. Integriteit kan immers het vertrouwen in de overheid maken of breken. Het is dus belangrijk dat overheidsfunctionarissen integer zijn. Om dat te borgen en bevorderen dienen overheidsorganisaties op basis van art. 125quater, aanhef en onder a, van de Ambtenarenwet, een integriteitsbeleid te voeren «dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie».
Indien burgers zich gediscrimineerd voelen door een ambtenaar of bestuurder, kunnen zij verschillende wegen bewandelen om dit aan te kaarten. Zo kunnen zij een klacht indienen bij de desbetreffende overheidsorganisatie. Ook kunnen burgers (vermoedens van) integriteitsschendingen melden bij de Rijksrecherche, alsmede bij de Vertrouwenslijn van NL Confidential (voorheen Stichting M ook wel bekend van de anonieme meldlijn Meld Misdaad Anoniem). Voor ambtenaren die vermoedens van misstanden in hun organisatie aan de kaak willen stellen, zijn klokkenluidersregelingen in het leven geroepen (zoals het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en politie).
Vindt u dat aan mensen die in het verleden dergelijke racistische opmerkingen hebben geplaatst, vanuit het principe van een voorbeeldfunctie en het gelijkheidsbeginsel, de toegang tot banen bij de overheid ontzegt dient te worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Nee, in het verleden geplaatste racistische opmerkingen op internet zijn in zijn algemeenheid geen reden om iemand de toegang tot een baan bij de overheid te ontzeggen, tenzij dit heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling die de afgifte van een voor de functie noodzakelijke verklaring van goed gedrag in de weg staat. Daarbij zij wel aangetekend, dat het doen van racistische uitingen zich niet verhoudt tot hetgeen van overheidspersoneel verwacht mag worden. Het ligt wel in de rede dat dergelijke uitlatingen, indien bekend, zullen worden meegewogen in de sollicitatieprocedure.
Bent u van plan een aanpak samen te stellen om daadkrachtig te voorkomen dat dergelijke racistische uitspraken in de toekomst door andere personen worden gedaan? Zo ja, hoe gaat dit aanpak eruit zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat er een meldpunt racisme moet komen bij overheidsfuncties?
Ik ben geen voorstander van het oprichten van een apart meldpunt racisme in relatie tot overheidsfuncties. De bestaande instituties ten behoeve van het tegengaan van discriminatie en de huidige mogelijkheden om misstanden te melden volstaan, zoals de anti-discriminatievoorzieningen (ADV’s) en het Meldpunt internet discriminatie (MiND), om inzicht te krijgen in de problematiek en om krachtig op te kunnen treden.
De herdenking van de Armeense genocide |
|
Kees van der Staaij (SGP), Geert Wilders (PVV), Arie Slob (CU) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Staat het kabinet onverkort achter de uitvoering van de motie-Rouvoet c.s.1 waarin de regering wordt opgeroepen de erkenning van de Armeense genocide voortdurend en nadrukkelijk onder de aandacht van Turkije te brengen? Hoe staat dit in verhouding tot de stelling van de Minister van Buitenlandse Zaken dat het «niet aan het kabinet zelf is om deze historische gebeurtenissen met zeer inhumane gevolgen te duiden»?2
Ja. Het kabinet handhaaft de interpretatie die voorgaande kabinetten aan de motie hebben gegeven: de motie is ondersteunend aan de regeringsinzet om de kwestie van de Armeense genocide – bilateraal en via de EU – bespreekbaar te maken en de toenadering tussen Armenië en Turkije te bespoedigen.
Bent u in de geest van de motie Rouvoet c.s. bereid om zelf aanwezig te zijn bij de 100-jarige herdenking van de Armeense genocide op 24 april aanstaande in Armenië? Bent u tevens bereid om één van de verschillende herdenkingen van de Armeense genocide in Nederland bij te wonen? Zo nee, bent u bereid een lid van de regering af te vaardigen? Zo nee, waarom niet?
Voor wat betreft eventuele aanwezigheid bij herdenkingsbijeenkomsten maakt het kabinet steeds een zorgvuldige afweging en beziet eventuele betrokkenheid steeds van geval tot geval. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (zie Kamerbrief d.d. 4 maart 2015, met kenmerk 34 000-V, nr.51), zal de Nederlandse ambassadeur in Georgië, die ons land ook in Armenië vertegenwoordigt, de 100-jarige herdenking van de kwestie van de Armeense genocide bijwonen. Het kabinet is van mening dat de keuze om de hoogst geaccrediteerde vertegenwoordiger van de Nederlandse staat in Armenië af te vaardigen, recht doet aan een waardige herdenking van de verschrikkelijke gebeurtenissen.
De komst van een megamoskee in Gouda |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Peter Oskam (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Minister-President tijdens het RTL-verkiezingsdebat op 5 maart jl. over de komst van de inmiddels veel besproken «megamoskee» in Gouda heeft gezegd: «Als je ziet in Gouda wat het in die gemeenschap doet, dat daar een moskee van deze omvang wordt gebouwd met zoveel twijfel inderdaad over de financiering dan vind ik het ook naïef, om dat woord opnieuw maar even te gebruiken, als we dat zouden negeren.»?1
Ja.
Verwoordde de Minister-President toen het kabinetsstandpunt? Zo ja, waarom heeft het kabinet inmiddels een draai gemaakt aangezien u eerder geen bezwaren had tegen de megamoskee?
Het kabinet heeft conform de staatkundige inrichting van Nederland geen standpunt ingenomen over deze lokale kwestie. Door middel van een brief en de beantwoording van verschillende vragen van uw Kamer heb ik u over de kwestie van een nieuw te bouwen moskee in Gouda geïnformeerd. In de brief van 11 februari 2015 (Kamerstuk 34 000 VI, nr. 65) heb ik u laten weten dat de gemeente Gouda door forensisch accountant PWC onderzoek heeft laten doen naar de herkomst van de financiële middelen voor de bouw van de moskee. Verder heeft de gemeente zoals gemeld in de brief en verwoord in antwoord op vragen van uw Kamer van 3 februari (leden Oskam, Omtzigt en Knops) een adviesaanvraag ingediend bij het Landelijk Bureau Bibob. Dit onderzoek is momenteel nog niet afgerond. De resultaten van beide onderzoeken worden gebruikt in het lokale besluitvormingsproces.
Inmiddels heeft het moskeebestuur recent (half maart) het aanbod gedaan om de moskee qua omvang substantieel te verkleinen en daarbij (een deel van) de huidige moskeeën in Gouda in gebruik te houden. Het college van burgemeester en wethouders van Gouda heeft de gemeenteraad daarom voorgesteld de besluitvorming over de kredieten voor de twee andere partners, te weten de school en het kinderdagverblijf, van de agenda te halen. De gemeenteraad heeft hiermee ingestemd. Een onafhankelijke procesbegeleider gaat nu een nieuw proces in met buurtbewoners, om in overleg met betrokkenen meer draagvlak te vinden voor een islamitisch centrum, samen met het kinderdagcentrum en de school, waarbij het gebedshuis zoals gemeld substantieel kleiner wordt. De drie initiatiefnemers, De Ark, El Wahda en Gemiva, hebben uitgesproken dit proces te steunen.
Kunt u bevestigen dat het college van B&W van Gouda het plan voor de oorspronkelijke moskee heeft ingetrokken en nu de alternatieven daarvoor gaat onderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u er kennis van genomen dat het moskeebestuur El Wahda voorstelt een kleinere moskee te bouwen en die – net als in het oorspronkelijke plan – te combineren met een school en een kinderdagverblijf en tevens op het terrein van de voormalige Prins Willem-Alexanderkazerne in Gouda komt te staan?2
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe mogelijkheid, gelet op de uitspraak van de Minister-President in het RTL-debat van 5 maart jl. over de megamoskee?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u inmiddels bereid de verkoop van de voormalige Prins Willem Alexander (PWA) kazerne op te schorten totdat alle feiten en onderzoeken over de financiering bekend en gedeeld zijn met de Kamer?3
In antwoord op vragen van uw Kamer van 3 februari (leden Oskam, Omtzigt en Knops) heb ik reeds aangegeven dat opschorten niet aan de orde is. De huidige stand van zaken is hierboven geschetst; een onafhankelijke procesbegeleider gaat een nieuw proces in met buurtbewoners, met het oog op het verkrijgen van draagvlak. Dit is een onderdeel van het lokale besluitvormingsproces, net zoals het genoemde PWC-onderzoek en het nog lopende Bibob-onderzoek. In antwoord op vragen van uw Kamer van 3 februari (leden Oskam, Omtzigt en Knops) heb ik verder ook al aangegeven dat moslims in Gouda het recht hebben een moskee te bouwen, zolang betrokkenen zich aan de wet houden.
Indien het antwoord op de vorige vraag «nee» blijft, betekent dit dat u zich niet verzet tegen de bouw van een alternatieve moskee, zoals voorgesteld door het moskeebestuur? Hoe verhoudt zich dat tot de uitspraken van de Minister-President?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor dinsdagmiddag 17 maart a.s. om 12:00 uur?
Deze vragen worden zo spoedig mogelijk beantwoord en naar uw Kamer gezonden.
Minderjarigen die werken in wietplantages |
|
Manon Fokke (PvdA), Marith Volp (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de televisieuitzending van L1 waaruit blijkt dat wietplantages minderjarigen in dienst hebben?1
Ja.
Is het u bekend dat minderjarigen worden benaderd om tegen betaling wiettoppen te knippen? Zo ja, wanneer en op welke manier bent u dit te weten gekomen? Zo nee, bent u bereid dit bericht van L1 te verifiëren bij de lokale Limburgse autoriteiten en de Kamer hierover te informeren?
Ik verwijs naar antwoord 2 en 3 op de Kamervragen van de leden Oskam en Knops (beiden CDA) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het bericht dat criminele organisaties in Zuid-Limburg minderjarigen inzetten op hennepplantages.
Zijn er bij u zaken bekend waarbij minderjarigen bij invallen in wietplantages zijn aangetroffen die daar werkzaamheden verrichtten? Zo ja, hoe vaak is dat voorgekomen? Wat gebeurt er met de minderjarigen als zij daar worden aangetroffen? Hoeveel minderjarige
Tot op heden in 2015, noch in 2014 zijn er zaken aangemeld bij het Openbaar Ministerie die zien op het werken van minderjarigen in wietplantages. In 2013 was er sprake van vijf minderjarige verdachten die werkzaam waren in wietplantages. Van deze zaken zijn er vier afgedaan met een onvoorwaardelijk sepot. De vijfde zaak is afgedaan met een transactie. Op dit moment zitten er geen minderjarige jongeren in een strafrechtelijk traject.
jongeren zitten in een strafrechtelijk traject als gevolg van hun werkzaamheden in een wietplantage?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ongehoord is dat ouders hun kinderen laten werken in de wietteelt? In hoeverre worden ouders aangesproken als hun minderjarige kinderen worden ontdekt bij hun werkzaamheden in de wietplantages? Op welke manier gebeurt dat en door wie?
Ik acht het zeer ernstig als zou blijken dat minderjarigen betrokken zijn bij dergelijke delicten. In geval minderjarige kinderen die werkzaamheden verrichten in wietplantages, doet de politie een zogenoemde zorgmelding bij de gemeentelijke jeugdzorgvoorziening. Van daaruit zal nader onderzoek plaatsvinden en contact worden gelegd met ouders of verzorgers.
Deelt u de mening dat legalisatie van de hennepteelt een deel van de oplossing van het bovengenoemde probleem zou kunnen zijn omdat dan iedereen, waaronder minderjarigen, ook onder de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot het verrichten van arbeid en de handhaving daarvan komt te vallen?
Nee. Het grootste deel van de in Nederland geteelde cannabis is bedoeld voor de export. Dit is eind 2014 in WODC-onderzoek gevalideerd. Complete legalisering van de hennepteelt – ook voor de export – is internationaalrechtelijk en gezien de relaties met onze buurlanden niet haalbaar. Maar ook het reguleren van het beperkte deel van de hennepteelt dat voor de coffeeshops bestemd is, zal de problematiek niet oplossen, juist vanwege het grote resterende deel dat wordt geëxporteerd en dus in de illegaliteit zal blijven. Daarbij komt dat ook deze beperktere regulering volgens het door de Radboud Universiteit uitgevoerde onderzoek Internationaal recht en cannabis: een beoordeling op basis van VN-drugsverdragen en EU-drugsregelgeving van gemeentelijke en buitenlandse opvattingen pro regulering van cannabisteelt voor recreatief gebruik van P.H.P.H.M.C. van Kempen en M.I. Fedorova (2014), binnen de geldende internationale verdragen niet is toegestaan.
De uitbraak van vogelgriep in Barneveld |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitbraak van vogelgriep in Barneveld?1
Ja.
Hoeveel dieren zullen er preventief geruimd moeten worden op boerderijen in de omgeving van dit besmette bedrijf?
Er zijn geen dieren preventief geruimd op bedrijven rondom het besmette bedrijf.
Zullen de adviezen van de dierenbescherming op het gebied van ruimen worden meegenomen bij het ruimen van de dieren?2
De Dierenbescherming vraagt in haar plan aandacht voor het humaan ruimen van dieren en voor de mogelijkheid van vaccinatie bij preventie en bestrijding.
In de dierziektebestrijding wordt voortdurend rekening gehouden met het dierenwelzijn, ook bij het doden van dieren. Ik blijf echter altijd zoeken naar verbeteringen.
De door de Dierenbescherming voorgestelde verbetering om te vaccineren als alternatief voor ruimen is om twee redenen nog niet uitvoerbaar:
Voor de bestrijding van vogelgriep zijn goed werkend vaccins nog niet beschikbaar. Deze moeten geschikt zijn voor toepassing op grote schaal en bescherming bieden tegen verschillende subtypes van het vogelgriepvirus.
Het grootschalig preventief vaccineren van Nederlands pluimvee tegen vogelgriep zal leiden tot veel en langdurige exportbeperkingen. Ondanks de vooruitgang en inspanningen om vaccinatie ook in de internationale handel geaccepteerd te krijgen, is vaccinatie nog geen goed alternatief.
Gaat u, indien een vervoersverbod ingezet wordt, de broedmachines laten stopzetten om daarmee nodeloos dierenleed te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen van het lid Thieme hierover en tijdens het AO over dierziekten en antibioticumgebruik van 10 december jl. moet de sector voorbereid zijn op maatregelen als een vervoersverbod, bijvoorbeeld door het mogelijk maken van een grotere buffercapaciteit. De broederij is primair verantwoordelijk voor het welzijn van de eendagskuikens. Ook de Welzijnscommissie Vogelgriepuitbraak 2014 benadrukt de rol van de pluimveehouder voor het minimaliseren van de impact op dierenwelzijn.
Bent u bereid deze nieuwe uitbraak mee te nemen bij de besluitvorming over de invoering van de Wet dieraantallen en volksgezondheid en de Brabantwet? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid is een aanvullend instrument wanneer sprake is van een relatie tussen dieraantallen in een gebied of op een bedrijf en de risico’s voor de gezondheid van mensen. De wijziging van de Crisis- en Herstelwet maakt het alleen voor provinciale staten van Noord-Brabant mogelijk om gebruik te maken van de experimenteerbepaling. Omdat de uitbraak in Barneveld geen directe consequenties heeft voor de volksgezondheid, is het niet nodig om deze te betrekken bij de genoemde besluitvorming, dan wel bij een eventueel verzoek van Gelderland om gebruik te maken van de Crisis- en Herstelwet.
Bent u bereid deze nieuwe uitbraak mee te nemen bij de verzoeken vanuit Gelderland om de Brabantwet ook in Gelderland te doen gelden?
Zie antwoord vraag 5.
Het uitblijven van het openbaar maken van het calamiteitenrapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over de casus Tuitjenhorn |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich voorstellen dat huisartsen grote behoefte hebben aan duidelijkheid over de uitvoeringspraktijk van euthanasie naar aanleiding van wat er gebeurd is in de casus Tuitjenhorn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De IGZ heeft naar aanleiding van de casus Tuitjenhorn op verschillende manieren aan huisartsen laten weten dat deze casus geen gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk van euthanasie. De IGZ heeft huisartsen dan ook laten weten dat zij niets hoeven te vrezen wanneer zij zich aan de wetgeving en richtlijnen voor verantwoorde zorg rondom het levenseinde houden. En, evenmin als zij gefundeerd en op een acceptabele wijze afwijken van deze richtlijnen. Los van het feit dat er (vanuit de IGZ) al veel informatie gegeven is, kan ik mij voorstellen dat huisartsen ook met interesse hebben uitgekeken naar het rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn. Het rapport wordt op 31 maart 2015 door de commissie uitgebracht.
Kunt u zich voorts voorstellen dat, vooruitlopend op het uitgestelde rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn, het gereed zijnde calamiteitenrapport van de IGZ alvast kan bijdragen aan het verkrijgen van die duidelijkheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Evaluatiecommissie Tuitjenhorn biedt haar rapport op 31 maart 2015 aan de Minister van Veiligheid en Justitie en mij aan. Conform het eerder aan uw Kamer gemelde voornemen, zullen de Minister van Veiligheid en Justitie en ik het calamiteitenrapport van de IGZ, gezamenlijk met het rapport van de commissie, aan uw Kamer toezenden. Aangezien het calamiteitenrapport ook gegevens over derden bevat, is – mede met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer – een aantal passages weggelakt.
De Minister van Veiligheid en Justitie en ik hebben uw Kamer eerder per brief2 laten weten wat de reden is dat we eerder niet zijn overgegaan tot verstrekking dan wel openbaarmaking van het rapport. De reden is namelijk dat het gebruikelijk is, dat zolang een zaak voorwerp is van onafhankelijk onderzoek, niet tussentijds stukken die relevant zijn voor dit onderzoek naar buiten worden gebracht. Openbaarmaking in dit stadium zou het onderzoek van de evaluatiecommissie belemmerd kunnen hebben. Tevens had het kunnen leiden tot conclusies die pas kunnen worden getrokken nadat het bredere onderzoek van de evaluatiecommissie heeft plaatsgevonden. Wij beschouwden het in het belang van het publieke debat dat dit debat gevoerd kan worden met een zo volledig mogelijk beeld van hetgeen zich heeft voorgedaan in deze zaak. Om de commissie ten volle in de gelegenheid te stellen haar werk te doen, achtten wij het van belang het IGZ-calamiteitenrapport niet voor de afronding van de evaluatiecommissie Tuitjenhorn aan u toe te zenden dan wel openbaar te maken.
Naast het bovengenoemde zijn er geen andere redenen geweest het calamiteitenrapport niet eerder aan uw Kamer toe te zenden.
Waarom blijft u van mening dat het gereed zijnde calamiteitenrapport van de IGZ niet openbaar gemaakt hoeft te worden?1
Zie antwoord vraag 2.
Op welke punten denkt u dat de Kamer niet in staat is het calamiteitenrapport van de IGZ op de juiste wijze te duiden en te beoordelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Is het een gebruikelijke gang van zaken dat, alleen indien stukken niet relevant zijn, deze openbaar gemaakt worden of met de Kamer worden gedeeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Stuurt u aan op het niet of maar gedeeltelijk openbaar maken van het calamiteitenonderzoek van de IGZ? Zo ja, op welke wijze dient dit de waarheidsvinding en het proces van openbaarheid over wat er precies gebeurd is in de zomer van 2013? Zo neen, garandeert u dat het calamiteitenrapport van de IGZ integraal openbaar gemaakt wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Beschikt de commissie over het calamiteitenrapport van de IGZ? Zo nee, waarom niet? Is het rapport niet relevant voor de commissie? Zo ja, hoe kan publicatie de commissie dan nog beïnvloeden?
Ja, zoals de Minister van Veiligheid en Justitie en ik uw Kamer bij brief van 8 september 20143 hebben laten weten, heeft de commissie de beschikking gekregen over het calamiteitenrapport van de IGZ. Zie verder ons antwoord op de vragen 2 t/m 6.
Op welke punten is het calamiteitenrapport van de IGZ relevant voor het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn doet? Baseert de Evaluatiecommissie zich op de conclusies van het calamiteitenonderzoek of doet zij ook nog eigenstandig onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Evaluatiecommissie Tuitjenhorn heeft mij laten weten dat zij het calamiteitenrapport van de IGZ gebruikt heeft als één van de bronnen voor het vaststellen van de handelwijze van de IGZ en de andere betrokkenen organisaties. De commissie heeft eigenstandig onderzoek gedaan door het analyseren van documenten en het voeren van gesprekken.
Zal het concept- en/of eindrapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn worden voorgelegd aan de IGZ? Zo ja, waarom?
Ja. Conform het onderzoeksprotocol van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn (dat zij conform het instellingsbesluit van de commissie zelf heeft opgesteld), heeft de commissie haar concept-rapport aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd met het verzoek feitelijke onjuistheden aan de commissie te melden. Aangezien de IGZ onderdeel uitmaakt van het Ministerie van VWS, is het concept-rapport ook aan de IGZ voorgelegd met het verzoek om na te gaan of er feitelijke onjuistheden in stonden.
Acht u het mogelijk dat de IGZ haar calamiteitenrapport aanpast na inzage of kennisneming van het rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn? Zo neen, garandeert u dat dit niet gebeurt? Zo ja, wat vindt u daarvan en bent u bereid deze aanpassingen openbaar te maken?
Nee. De IGZ heeft haar definitieve calamiteitenrapport op 6 juni 2014 vastgesteld. Daarna heeft geen aanpassing meer plaatsgevonden en dat zal uiteraard ook niet gebeuren.
Wat is precies de reden dat de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn extra gesprekken diende te voeren, en zodoende de aanvankelijke datum van 31 januari jl. niet haalde? Was het aantal gesprekken vooraf niet te voorzien, is het aantal gesprekken uitgebreid of is de capaciteit van de commissie onvoldoende gebleken?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer bij brief van 23 januari 20154 mede namens mij heeft laten weten, heeft de commissie aanzienlijk meer gesprekken met betrokkenen gevoerd dan aanvankelijk gedacht. Het aantal gesprekken is gedurende het onderzoek dus uitgebreid.
Hoe staat het overigens met de voortgang van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn? Ligt deze op koers om het rapport voor 31 maart 2015 uit te brengen? Zo ja, heeft u al een precieze datum? Zo nee, waarom is er dan wederom vertraging opgelopen?2
Het evaluatierapport wordt op 31 maart 2015 uitgebracht en op dezelfde dag aan uw Kamer aangeboden.
Het bericht ‘Tweede Maasvlakte niet op tijd klaar voor containervloed' |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tweede Maasvlakte niet op tijd klaar voor containervloed»?1 Heeft u bovendien kennisgenomen van de brandbrief die het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart (CBRB) en de Vereniging van Nederlandse Inland Terminal Operators (VITO) op 3 maart 2015 aan u hebben verzonden?
Ja.
Is het waar dat opnieuw ernstige congestie dreigt in de Rotterdamse haven, aangezien de nieuwe containerterminals op de Tweede Maasvlakte niet op tijd klaar zijn om de groeiende ladingstroom in de Rotterdamse haven op te kunnen vangen?
Vorig jaar was er sprake van wachttijden voor de binnenvaart bij de terminals van ECT door de installatie van nieuwe kranen en ICT. Dit jaar worden tijdens piekmomenten weer wachttijden bij de afhandeling van binnenvaartschepen verwacht bij de bestaande containerterminals in de Rotterdamse haven. Dat wordt dit keer met name veroorzaakt door groeiende goederenstromen als gevolg van het economisch herstel. Het is van belang dat onderscheid hier te melden. Genoemde wachttijden zijn dus niet alleen toe te schrijven aan het niet op tijd operationeel zijn van de nieuwe terminals van APMT en RWG op Maasvlakte 2. Zoals in het FD-artikel is aangegeven gaat het hier om een combinatie van oorzaken.
Wat zijn de redenen voor de vertraging bij de ingebruikstelling van de nieuwe terminals op de Tweede Maasvlakte? Welke acties heeft u ondernomen/onderneemt u samen met het Havenbedrijf Rotterdam om de nieuwe terminals zo snel als mogelijk in bedrijf te hebben?
De rechtszaak tussen HbR en ECT is blijkens mededeling van Rotterdam World Gateway (RWG) reden geweest de bouwwerkzaamheden enkele maanden uit te stellen. APMT geeft aan steeds op schema te hebben gelegen. Beide nieuwe terminals zijn inmiddels commercieel geopend en zullen langzaam steeds grotere volumes containers verwerken. Deze opstartfase heeft tijd nodig omdat de nieuwe terminals op Maasvlakte 2 zeer modern en vrijwel volledig geautomatiseerd zijn. De inregeling van de geautomatiseerde systemen kost bij dergelijke grote complexen veel tijd. Alhoewel mijn organisatie en het havenbedrijf Rotterdam in goed contact staan tot de nieuwe terminalexploitanten, ga ik noch het havenbedrijf over de ingebruikstelling daarvan. De nieuwe exploitanten hebben zelf ieder zo’n 700 miljoen geïnvesteerd in de nieuwe terminals en hebben er daardoor zelf belang bij dat de terminals zo snel mogelijk op volle sterkte draaien zodat die investering kan worden terugverdiend. Dat moet echter wel verantwoord gebeuren.
Op welke wijze geeft u invulling aan het verzoek van CBRB en VITO om (1) een probleemanalyse uit te werken, (2) te zoeken naar oplossingen, (3) erop toe te zien dat onvermijdelijke schade wordt geminimaliseerd en (4) te zorgen voor juiste informatie over schade die «het achterland» lijdt als gevolg de wachttijd van vijf à zes dagen die volgens de binnenvaartsector regelmatig voorkomt als gevolg van de congestie in de zeehaven?
Ik heb naar aanleiding van de gezamenlijke brief van het CBRB en VITO inmiddels een bespreking met hen gepland teneinde de door hen naar voren gebrachte onderwerpen te bespreken. ECT heeft maatregelen aangekondigd om de wachttijden bij haar terminals te beperken, zoals het stellen van eisen aan het minimum aantal containers dat per callsize wordt afgehandeld, zo goed mogelijk benutten van opslagcapaciteit, minder lege containers aanhouden in de opslag, het strak vasthouden aan afgesproken tijdstippen, verbeteren van de informatievoorziening en de capaciteit van interterminaltransport en landzijdige afhandeling verbeteren. Ik vind het overigens primair een zaak van de marktpartijen zelf om de drukte tijdens piekmomenten op te lossen.
Hebben de langdurige congestieproblemen ook gevolgen voor de concurrentiepositie van de Rotterdamse haven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen acht u dan noodzakelijk om de schade aan die concurrentiepositie te beperken?
Wachttijden zijn vanzelfsprekend nooit goed voor de concurrentiepositie. In de huidige situatie doen dezelfde problemen zich ook voor bij de directe concurrenten van de Rotterdamse haven, te weten Antwerpen en Hamburg. Daarom is het goed dat we met een vooruitziende blik in de toekomst hebben geïnvesteerd met de aanleg van Maasvlakte 2. Met het operationeel worden van de nieuwe terminals zullen de wachttijden tot het verleden moeten gaan behoren. De structurele oplossing is daarmee voorhanden. Marktpartijen moeten alleen de fase tot de opening van de nieuwe terminals zien te overbruggen.
Deelt u de mening dat de problemen zo snel als mogelijk moeten worden opgelost, mede om te voorkomen dat verladers het vervoer over water weer verlaten en toch weer vaker voor vrachtvervoer over de weg zullen kiezen? Treedt er nu al meer congestie op, op bijvoorbeeld de A15? Zijn er mogelijkheden om tijdelijk meer gebruik te maken van de Betuweroute?
De congestieproblemen waarover wordt gesproken betreft de wachttijden voor binnenvaartschepen. Op dit moment treedt daardoor geen congestie op de A15 op en heb ik ook niet de verwachting dat dat gaat optreden. Met de werkzaamheden aan het derde spoor in Duitsland zijn de mogelijkheden om (extra) gebruik te maken van het spoor beperkt.
Welke rol speelt de nasleep van het jarenlange conflict in de Rotterdamse haven tussen Europe Container Terminals (ECT) en het Havenbedrijf over de toelating van nieuwe stuwadoors op de Tweede Maasvlakte?
Het conflict tussen ECT en HbR is met de uitspraak van de rechtbank in Rotterdam uit de wereld. Dit mag ook blijken uit de gezamenlijke verklaringen die het havenbedrijf Rotterdam en ECT in december 2014 en maart 2015 hebben laten uitgaan over de aanpak van de congestieproblemen.
Hoe verlopen de gesprekken tussen FNV Havens, Rotterdam World Gateway (RWG) en rederijen over het conflict over de arbeidsvoorwaarden voor vaste werknemers bij de nieuwe terminal? Ziet u voor uzelf een rol weggelegd om te zorgen dat deze conflicten (arbeidsvoorwaarden) de reeds forse problemen (vertraging terminals en daarmee samenhangende congestie) niet verergeren?
Ik ben niet betrokken bij de onderhandelingen tussen FNV en RWG over de arbeidsvoorwaarden op de nieuwe terminal. Ik zie daar voor mijzelf op dit moment ook geen rol weggelegd omdat het hier een zaak tussen bond(en) en werkgever betreft.
Het verlies van banen bij het gerechtshof in Leeuwarden |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Ferd Crone over het gerechtshof in Leeuwarden: De grens is bereikt», «Krimp dreigt voor Leeuwarder gerechtshof» en «De toekomst van het Leeuwarder gerechtshof is ongewis»?1
Ja.
Is het waar dat er meerdere plannen liggen waardoor er tenminste 54 banen, maar mogelijk veel meer arbeidsplaatsen, bij het gerechtshof in Leeuwarden verloren dreigen te gaan? Zo ja, waarom moeten die arbeidsplaatsen daar weg? Zo nee, wat is er dan wel waar?
Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voert op dit moment verkenningen uit naar de toekomstige huisvestingsbehoefte van de organisatieonderdelen van het gerechtshof. Er is geen sprake van besluitvorming.
De verkenningen worden uitgevoerd aan de hand van vier mogelijke scenario’s. Het gerechtsbestuur bespreekt deze met omgevingspartners en de medewerkers van het hof. De scenario’s variëren van geen verandering ten opzichte van de huidige situatie tot het concentreren van de kantoorfunctie van het gerechtshof op één locatie. Uit de scenario’s volgt niet dat er arbeidsplaatsen verloren zullen gaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wel is er in drie van de vier scenario’s sprake van verplaatsing van arbeidsplaatsen binnen het werkgebied van het hof. De Rvdr heeft mij bericht dat twee scenario’s uitgaan van een verplaatsing van 54 arbeidsplaatsen uit Leeuwarden. Een ander scenario gaat uit van verplaatsing van alle arbeidsplaatsen uit Leeuwarden naar de locatie Zwolle. Eén scenario brengt geen wijziging in het aantal arbeidsplaatsen in Leeuwarden.
Mijn ambtsvoorganger heeft in eerdere beantwoording van de schriftelijke vragen over een inmiddels ingetrokken voornemen van het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland om de kantoorfunctie van de rechtbank op termijn in Groningen te concentreren, aangegeven dat de Rvdr overleg heeft met gerechtsbesturen over de wijze waarop de kwaliteit van rechtspraak verder kan worden bevorderd en hoe de kantoorfunctie van gerechten daarin past.2 De verkenningen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden passen in dit kader. De Rvdr informeert mij binnenkort over zijn bevindingen naar aanleiding van de gesprekken met gerechtsbesturen en eigen onderzoek. Indien hieruit voortvloeit dat er sprake zal zijn van veranderingen in de huisvestingsbehoefte van gerechten, die raken aan de strekking van de motie-De Vries3, zal ik de Minister voor Wonen en Rijksdienst hierover informeren.
Hoe verhoudt de voorgenomen reorganisatie van het gerechtshof in Leeuwarden en het dreigende verlies van arbeidsplaatsen aldaar zich tot hetgeen eerder is gesteld namelijk dat de fusie van het gerechtshof in Leeuwarden met het gerechtshof in Arnhem weinig praktische gevolgen voor het werk in Leeuwarden zou hebben?
Er is op dit moment geen sprake van een voorgenomen reorganisatie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt de voorgenomen reorganisatie van het gerechtshof in Leeuwarden en het dreigende verlies van arbeidsplaatsen zich tot hetgeen de president van het gerechtshof Leeuwarden eerder heeft beloofd namelijk dat er geen verhuizingen voor het personeel vanuit Leeuwarden zouden plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de burgemeester van Leeuwarden dat er geen goede argumenten zijn voor de plannen met betrekking tot het gerechtshof in Leeuwarden? Zo ja, wat kunt u doen teneinde die plannen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen sprake van plannen met betrekking tot het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het oordeel of er in een zittingsplaats van de rechtspraak ook een kantoorfunctie van het gerecht moet zijn, is primair aan de Rechtspraak zelf. Een goedkeuring mijnerzijds is in die zin niet vereist. De Rvdr informeert mij binnenkort over zijn bevindingen naar aanleiding van het overleg met gerechtsbesturen, waaronder het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en eigen onderzoek over de wijze waarop de kwaliteit van rechtspraak verder kan worden bevorderd en hoe de kantoorfunctie van gerechten daar in past. De Minister van Wonen en Rijksdienst geeft uitvoering aan zijn coördinerende bevoegdheid waarbinnen hij er op uw verzoek op toeziet dat de betreffende Rijksdiensten zich zullen inspannen zodat de provincies Friesland, Drenthe, Limburg en Zeeland bij de komende afslanking van de rijksoverheid vanaf 2016 per saldo niet meer dan gemiddeld werkgelegenheid verliezen. In dit kader kan hij overleg hebben met mij.
Het inhuren van dure ICT-specialisten |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat uw ambtsvoorganger twee dagen lang externe ICT-specialisten heeft ingehuurd voor een bedrag van 50.000 euro?1
Het Ministerie van VenJ en het Shared Service Center ICT van het Ministerie van BZK hebben een ultieme inspanning geleverd om administratieve informatie over de financiële afwikkeling van de schikking met Cees H. alsnog te achterhalen. Daarvoor moest een inmiddels uitgefaseerd en vervangen systeem opnieuw worden opgebouwd en de data van tape gerestored. Een technisch zeer complex traject dat door bestaande teams is uitgevoerd. In die teams zitten merendeels interne medewerkers en ook enkele externe medewerkers.
Hoeveel externen zijn ingehuurd voor een bedrag van 50.000 euro en waarom? Als het bedrag volgens u niet klopt, kunt u dan aangeven voor welk bedrag deze externen wel zijn ingehuurd?
Er werd voor deze operatie gebruik gemaakt van medewerkers uit twee bestaande teams met interne en externe medewerkers. In totaal zijn naast 6 interne medewerkers 3 externe medewerkers betrokken. De ICT-kosten voor de externe medewerkers bedroeg € 6.902,50,-.
Waarom heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie dergelijke expertise blijkbaar niet in huis?
De ICT expertise die voor de operatie is ingezet is structureel in huis en komt uit bestaande teams. Die teams bestaan in dit geval uit interne en externe medewerkers. De reden van externe inzet heeft te maken met doelmatigheid, maar ook niet ingevulde vacatures en tijdelijke inzet voor projecten.
Voor welk bedrag worden er maandelijks externen ingehuurd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie?
De meest actuele door de auditdienst vastgestelde cijfers voor externe inhuur, zijn opgenomen in het departementale jaarverslag over 2013. Het Ministerie van VenJ gaf in het jaar 2013 € 205,1 miljoen uit aan externe inhuur (waarvan € 79,4 miljoen gerelateerd aan automatisering).
Hoe en op welk moment wordt afgewogen of een externe specialist dient te worden ingehuurd in plaats van een specialist in dienst te nemen of een medewerker die al in dienst is op te leiden?
In situaties waarin expertise benodigd is die binnen de eigen organisatie niet, niet in voldoende mate of niet tijdig beschikbaar is, wordt gebruik gemaakt van externe inhuur. Dit is alleen mogelijk op basis van expliciete toestemming van het bevoegd gezag.
Ook werkt de rijksoverheid aan verdere bundeling van expertise in Shared Service Organisaties op de diverse bedrijfsvoeringdomeinen, waaronder ICT. Dit maakt het mogelijk om meer kennis met eigen medewerkers binnen het rijk beschikbaar te krijgen.
Een geheim rapport van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) over de aanbesteding van openbaar vervoer in Limburg |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «NS saboteerde aanbesteding»?1
Bent u bereid om het eindrapport van de ACM inzake de aanbesteding in Limburg over NS nog deze week naar de Kamer te sturen, zo mogelijk tegelijk met de brief waar de Kamer op 5 maart 2015 om heeft gevraagd en een antwoord op de op 6 maart ingediende schriftelijke vragen van de leden De Liefde en De Boer (beiden VVD) over de aanbesteding in Limburg en de ACM?2 Zo nee, wanneer kan de Kamer het eindrapport, de brief en het antwoord op de vragen dan tegemoet zien?
De berichten dat de NS haar macht misbruikte bij de aanbesteding van openbaar vervoer in Limburg |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten op L1 dat NS haar macht misbruikte bij de aanbesteding van openbaar vervoer in Limburg1 en in de Telegraaf inzake «NS saboteerde aanbesteding»2
Heeft u inmiddels kennisgenomen van het advies van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) inzake de aanbesteding van het Limburgs openbaar vervoer?
Heeft de ACM met u of NS contact gezocht of gehad gedurende het aanbestedingsproces? Kunt u aangeven of en wanneer u of NS kennis heeft genomen van dit (concept)advies van de ACM en of pogingen zijn ondernomen om publicatie te voorkomen voordat beslist zou worden wie de aanbesteding zou krijgen? Indien u (delen van) het rapport (vertrouwelijk) heeft ontvangen, wat heeft u dan met de informatie gedaan?
Is het gebruikelijk en wenselijk dat (concept)adviezen van de ACM worden voorgelegd aan betrokkenen? Heeft NS getracht het advies te (doen) wijzigen, zo ja op welke punten? Zijn er meer aanbestedingstrajecten waarbij NS in het verleden dergelijke zaken heeft kunnen beïnvloeden? Wat is uw visie daarop?
Hoe lang heeft NS publicatie door de ACM kunnen uitstellen en op grond van welke argumenten? Wat is uw standpunt over die argumenten? Was u daarvan op de hoogte en zo ja, welke stappen heeft u in dat kader ondernomen?
Zijn de kostenopgaven van NS in uw visie goed en tijdig gedaan, zodat Veolia en Arriva een bod konden doen? Heeft NS het verzoek van Veolia om informatie onnodig vertraagd, zodat het ten koste is gegaan van de beschikbare tijd voor Veolia om haar inschrijving voor te bereiden? Zo ja, is daarmee de mededinging verstoord?
Is het waar dat Abellio wel de gevraagde informatie binnen een week ontving?
Klopt het dat NS commerciële tarieven heeft voorgesteld, waar zij volgens de wet verplicht is tot kostengeoriënteerde tarieven? Zo ja, wat is uw visie daarop?
Deelt u de gedachte dat, indien het advies van de ACM eerder (voor de beslissing op de aanbesteding) bekend zou zijn geweest, dat een dermate ingrijpende verandering van posities in zou hebben gehouden, dat gunning aan Abellio onzeker zou zijn geweest?
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de provincie Limburg, zowel juridisch als financieel? Wat betekent een en ander voor het vervolg van de aanbesteding en de gunning? Als de ACM constateert dat NS de mededinging «belemmerd» heeft, welk licht werpt dat dan op de besluitvorming in Limburg?
Is de provincie Limburg (de aanbestedende overheid) naar uw mening aan te merken als belanghebbende bij de klachtprocedure bij de ACM?
Indien delen van het advies van de ACM onleesbaar zijn gemaakt, om welke reden is dat dan?
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Spoor voorzien op 19 maart 2015?
Het bericht dat justitiebanen verdwijnen in Leeuwarden en dat uitholling dreigt voor het Leeuwarder Gerechtshof |
|
Foort van Oosten (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten rond het verdwijnen van justitiebanen bij en de mogelijke uitholling c.q. verplaatsing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja.
Klopt het dat allerlei diensten, zoals een scanstraat en een helpdesk, niet in Leeuwarden worden gevestigd?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2 en 3 van het lid Segers (CU) van uw Kamer (ingezonden 12 maart 2015, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1803).
Klopt het dat wordt overwogen het gehele ambtelijke apparaat te verhuizen naar bijvoorbeeld Zwolle?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2 van de leden Recourt en Jacobi (beiden PvdA) van uw Kamer (ingezonden 13 maart 2015, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1804).
Is het waar dat in alle gepresenteerde scenario’s in Leeuwarden werkgelegenheid verloren zal gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u dat deze scenario’s zowel de stad Leeuwarden als de provincie Friesland grote zorgen baren?
Ik kan begrijpen dat de burgemeester van Leeuwarden en de commissaris van de Koning in Friesland zorgen hebben over mogelijke gevolgen van de door het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geschetste scenario’s voor de lokale werkgelegenheid. Er is echter op dit moment geen sprake van besluitvorming over de toekomstige huisvestingsbehoefte van de organisatieonderdelen van het gerechtshof. De Rvdr informeert mij binnenkort over zijn bevindingen naar aanleiding van gesprekken met gerechtsbesturen en eigen onderzoek.
Hoe verhouden zich deze ontwikkelingen tot uw eerdere mededelingen over het belang van de werkgelegenheid bij de rechtbank en het gerechtshof in Leeuwarden, het beleid van dit kabinet om aandacht te besteden aan de gebieden waar het economisch moeilijker is dan in de randstad en voor het uitgangspunt dat Leeuwarden een «volwaardige justitiestad» blijft (antwoord op eerdere vragen)?2
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in overleg te treden met de Raad voor de Rechtspraak om te bezien of en zo ja in hoeverre dit realistische scenario’s zijn, de zorgen van zowel de stad Leeuwarden als de provincie Friesland over deze ontwikkelingen over te brengen en de scenario’s te toetsen aan uw beleid?
Zie antwoord vraag 5.
De wens van forensisch rechercheurs om geen uniform te dragen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat forensische rechercheurs zich verzetten tegen het dragen van een uniform?1
Het is mij bekend dat een deel van de forensisch rechercheurs zorgen heeft over het nieuwe uniform. De bezwaren van deze groep tegen het dragen van het uniform zijn niet alleen ingegeven vanuit veiligheidsaspecten, maar ook vanuit praktische aspecten. In sommige gevallen kan het dragen van een uniform het werk hinderen. In zulke omstandigheden is het dragen van het operationeel uniform niet verplicht. Wat de veiligheidsaspecten betreft is van belang dat het al voor de komst van het nieuwe uniform zo was dat niet alle politiemedewerkers in uniform op straat bewapend zijn. Leidinggevenden rusten hun medewerkers toe op hun taak en op wat te doen wanneer zij in een situatie terecht komen dat zij door burgers om raad en daad gevraagd worden. De opdracht van de korpsleiding dat politiemedewerkers in uniform hun geweldsmiddelen moeten dragen betreft alleen de medewerkers die daar, op grond van het Besluit bewapening en uitrusting, mee zijn uitgerust en die geoefend zijn in het gebruik van de desbetreffende geweldsmiddelen zoals vastgelegd in de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie. Dit advies is overigens niet alleen gegeven om redenen van eigen veiligheid, maar juist ook zodat de politiemensen kunnen optreden indien nodig.
Kunt u zich voorstellen dat forensisch rechercheurs zich zorgen maken om hun veiligheid omdat ze geen wapen dragen en niet getraind om zich te verdedigen bij calamiteiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat het dragen van een uniform op straat verwachtingen wekt bij mensen die forensisch rechercheurs niet kunnen waarmaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe rijmt u het advies aan politiemensen die een uniform dragen het wapen zoveel mogelijk bij zich te dragen met de verplichting voor forensisch rechercheurs om een uniform te dragen terwijl zij ongewapend zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe moet het opschorten van de verplichting om een uniform te dragen worden geïnterpreteerd? Is dat de opmaat naar het laten vallen van deze verplichting?
Uitgangspunt bij het toewijzen van het nieuwe (operationele) uniform is dat de Politie nu één korps is en dat de Politie als zodanig herkenbaar wil zijn voor de burger. Om die reden is het operationele uniform het standaarduniform voor alle politieambtenaren, en dus ook voor de Forensische Opsporing en de Verkeersongevallenanalyse. De korpsleiding is over de uitvoering van het uniform, uitrusting en bewapening van de Forensische Opsporing en de Verkeersongevallenanalyse nog in gesprek met alle partijen, waaronder de medezeggenschap. Na ommekomst van dat overleg zal een definitief besluit worden genomen. Tot dat moment is het dragen van het uniform niet verplicht.
Waarom ziet u er niet definitief vanaf alle 1.200 medewerkers van de forensische recherche en de Verkeersongevallenanalyse te verplichten een uniform te dragen?
Zie antwoord vraag 5.
De voorgenomen sluiting van de enige nachtapotheek in de regio De Langstraat |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de voorgenomen sluiting van de nachtapotheek in Waalwijk; de enige in de regio De Langstraat, met een verzorgingsgebied van ruim 90.000 inwoners?1 2
Ik heb kennis genomen van het bericht. Het feit dat er ’s nachts geen apotheek geopend is in Waalwijk c.q de regio De Langstraat betekent niet dat er ’s nachts geen spoedmedicatie beschikbaar is in deze plaats c.q. regio. Ten algemene geldt dat op zorgverzekeraars de plicht rust om voldoende verantwoorde zorg te contracteren voor hun verzekerden. Daaronder valt ook de farmaceutische zorg die in de avond, nacht en op zondag (ANZ) wordt geleverd. Er rust op apothekers de plicht om 7 dagen per week en 24 uur per dag toegang tot adequate farmaceutische zorg voor patiënten te organiseren. De vorm waarin apothekers de toegang tot farmaceutisch zorg in de avond, nacht en op zondagen organiseren, is vrij. Apothekers kunnen deze diensten zelf leveren dan wel in samenwerking met andere apotheken (rouleren) of uitbesteden aan een, al dan niet gezamenlijke, dienstapotheek. Of zorgverzekeraars zich aan hun zorgplicht houden staat ter beoordeling van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt toezicht of er verantwoorde zorg wordt geleverd.
Teneinde zorg te dragen dat farmaceutische spoedzorg voor alle Nederlandse ingezetenen beschikbaar en betaalbaar blijft, ook in minder bevolkte gebieden, kopen zorgverzekeraars vanaf 2014 de farmaceutische spoedzorg gezamenlijk in op basis van een representatiemodel. Dit is een uitvloeisel van de kwaliteitsagenda die is vastgesteld in het kader van het Bestuurlijk overleg farmacie naar aanleiding van de bevindingen van de verkenners extramurale farmacie, de heren Rinnooy Kan en Reibestein. Achterliggende gedachte hierbij is om een volledige spreiding en dekking van farmaceutische spoedzorg te bewerkstellingen en daarbij aansluiting te zoeken bij de reguliere acute zorgstructuur. Zorgverzekeraars werken aan een herinrichting van de acute zorg, waaronder basis spoedzorg. Regionaal wordt gekeken hoe deze het beste ingericht kan worden. Zorgverzekeraars zullen bezien of de spoedeisende farmaceutische zorg per 1 januari 2016 kan worden geïntegreerd in de basis spoedzorg.
Vorige week is door zorgverzekeraars VGZ en CZ besloten de dienstapotheek in Waalwijk vanaf 1 januari 2016 te sluiten. Deze dienstapotheek had maximaal drie receptregels per nacht.
Klopt de berichtgeving dat zorgverzekeraars VGZ en CZ per 1 april 2015 een streep zetten door de nachtelijke service van de enige apotheek in de regio De Langstraat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zeer recent is door zorgverzekeraars VGZ en CZ (namens alle verzekeraars) besloten de Dienstapotheek in Waalwijk vanaf 1 januari 2016 in de nachtelijke uren te sluiten. Dit besluit is gecommuniceerd naar de apotheek, de gemeente en de huisartsen. Door de nabijheid van De Dienstapotheek Tilburg en de Dienstapotheek in het Jeroen Bosch Ziekenhuis (Den Bosch) is de nachtelijke spoedeisende medicatievoorziening in de regio De Langstraat gewaarborgd. In uitzonderlijke situaties, zoals bij immobiele patiënten, bestaat de mogelijkheid om medicatie te laten bezorgen vanuit deze locaties. Daarnaast verstrekken huisartsen medicatie in noodsituaties. De aanrijtijden naar deze apotheken zijn voor de inwoners van de regio De Langstraat niet significant langer, zo geven de zorgverzekeraars aan.
Acht u het wenselijk dat mensen die ’s nachts en in het weekend medicijnen nodig hebben, voortaan door moeten reizen naar het veel verder gelegen Tilburg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het verstrekken van spoedmedicatie betekent niet per definitie dat er door de patiënt of zijn vertegenwoordiger zal moeten worden gereisd. Enerzijds omdat spoedmedicatie veelal door de (huis)arts wordt verstrekt. Anderzijds omdat verstrekken van spoedmedicatie ook op een andere, meer klantvriendelijke, snellere en goedkopere manier kan worden georganiseerd waarbij de medicatie wordt thuisbezorgd.
Deelt u de mening dat voor een gebied met ruim 90.000 inwoners en 50 huisartsen er tijdens de avonduren, in de nacht en in het weekend een apotheek in de buurt bereikbaar moet zijn? Zo ja, hoe gaat u dit garanderen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wordt er nog voldaan aan de daarvoor geldende norm van 45 minuten indien de nachtapotheek in regio De Langstraat gesloten wordt? Is er een wetenschappelijke onderbouwing voor die norm? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn geen concrete wettelijke normen ten aanzien van een maximale afstand die patiënten of hun vertegenwoordigers mogen reizen om in de nachtelijke uren (of overdag) aan noodzakelijke geneesmiddelen te komen. In het algemeen overleg geneesmiddelenbeleid van 12 december 2012 heb ik aangegeven dat er geen afstandcriterium is vastgesteld maar dat wel een tijdscriterium van 45 minuten overeenkomstig het beleid bij ziekenhuizen geldt. Of de ontstane situatie strijd oplevert met deze norm staat ter beoordeling van de IGZ.
Betrokken veldpartijen hebben voor niet acute zorg streefnormen en maximale wachttijden (de zogenaamde Treeknormen) vastgesteld. Voor de toegangstijd tot een apotheek geldt hierbij een norm van «1 werkdag». Dit betekent dat patiënten niet zijn aangewezen op de dienstapotheek voor niet spoedeisende zorg. Tevens hebben zorgverzekeraars en individuele apothekers de plicht om toegang tot adequate farmaceutische zorg voor patiënten 7 dagen per week en 24 uur per dag te organiseren.
Klopt het dat door het samenvoegen van de Huisartsenpost (HAP) en de Spoedeisende Hulp (SEH) ook de nachtapotheek in Tilburg binnen enkele jaren verplaatst zal worden van Tilburg-Noord naar het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg-Zuid?
Dit is mij nu niet bekend.
Wordt er ook in dat geval nog voldaan aan de daarvoor geldende norm van 45 minuten voor mensen uit de regio De Langstraat die ook op deze nachtapotheek zijn aangewezen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt met het verplaatsen van de HAP in Tilburg-Noord naar Tilburg-Zuid ook de gehele HAP in de regio De Langstraat bedreigd in verband met het halen van aanrijtijden voor huisbezoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Vereniging Huisartsenposten Nederland, inmiddels gefuseerd in InEen, heeft een raamwerk kwaliteitsbeleid opgesteld waarin zij als streefwaarde voor visites stelt dat:
Bij zorgvragen met levensbedreigende spoed (U1 en U0) waarbij een huisarts wordt ingezet is de huisarts gemiddeld per jaar in 90% van de gevallen binnen 20 minuten bij de patiënt aanwezig en in 98% van de gevallen binnen 30 minuten.
Bij zorgvragen met spoed (U2) waarvoor een visite door een huisarts wordt afgesproken is de huisarts gemiddeld per jaar in 90% van de gevallen binnen 1 uur bij de patiënt aanwezig en in 98% van de gevallen binnen 2 uur.
Bij zorgvragen met levensbedreigende spoed kan, in plaats van dat een huisarts onmiddellijk naar de patiënt gaat, ook een ambulance worden ingeschakeld. Huisartsenposten hebben hiertoe samenwerkingsafspraken met de regionale ambulancedienst. Indien de ambulance wordt ingezet geldt de norm voor responstijd van de ambulancedienst.
Deze streefwaarden heeft het veld zelf opgesteld en zijn niet wettelijk vastgelegd. Wel gelden ze als toetssteen voor de IGZ.
In het kader van de zorgplicht ziet de NZa erop toe dat er binnen 30 minuten huisartsenzorg bereikbaar moet zijn.
Herinnert u zich uw uitspraak dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de continuïteit van cruciale zorg? Wat gaat u doen om dat voor regio De Langstraat te garanderen?3
Cruciale zorg is die zorg waarvoor geldt dat wanneer zij (tijdelijk) niet (voldoende dichtbij) beschikbaar is, cliënten ernstige gezondheidsschade kunnen oplopen of (bij langdurige zorg) ernstig worden belemmerd in hun dagelijks functioneren. Op dit moment is dat Wlz-zorg, spoedeisende hulp, acute verloskunde, ambulancezorg en crisis GGZ. Een nachtapotheek valt niet onder de definitie van cruciale zorg.
Hoe staat het eigenlijk met de regioplannen? Zijn bovengenoemde ontwikkelingen daar onderdeel van, of zijn zij op zichzelf staand? Bent u bereid de Kamer over de stand van de regioplannen te informeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft zorgverzekeraars er in de zomer 2014 op gewezen dat hun gezamenlijke plannen voor de concentratie van spoedeisende ziekenhuiszorg de keuzemogelijkheden voor patiënten en verzekerden te veel kunnen verminderen. Op basis hiervan heeft Zorgverzekeraars Nederland op 16 juli 2014 laten weten het gezamenlijke traject rond complexe spoedeisende zorg voor dit moment af te ronden. Er is op dit moment dus geen sprake meer van een gezamenlijk traject van de zorgverzekeraars. Het is nu aan iedere zorgverzekeraar afzonderlijk om hier het eigen inkoopbeleid op te formuleren. Het inkoopbeleid van zorgverzekeraars is een individuele verantwoordelijkheid, waarbij een zorgverzekeraar moet voldoen aan de zorgplicht jegens zijn verzekerden.
Passend onderwijs voor leerlingen met diabetes |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er terechtgekomen van de belofte dat er begin 2015 over het onderwijs aan leerlingen met diabetes een factsheet aan ouders en onderwijspersoneel beschikbaar zou worden gesteld, het protocol medische handelingen op school voor het primair en voortgezet onderwijs zou worden verbeterd en er goede voorbeelden beschikbaar gesteld zouden worden?1 2
De factsheet diabeteszorg in het basisonderwijs wordt binnenkort digitaal beschikbaar gesteld. Verder zijn sectororganisaties, vakbonden en diabetesorganisaties op dit moment nog bezig met de verbetering van het protocol medische handelingen in het onderwijs. Ook zijn er vanuit het veld en de diabetesorganisaties verschillende voorbeelden aangereikt rondom de invulling van diabeteszorg in het onderwijs: aan deze voorbeelden wordt op www.passendonderwijs.nl aandacht besteed. In de zesde voortgangsrapportage passend onderwijs (Kamerstuk: 31 497, nr. 141) is aangegeven dat er in de volgende voortgangsrapportage wordt ingegaan op de resultaten van de juridische verkenning en de praktische uitwerking ten aanzien van diabeteszorg in het basisonderwijs. Deze voortgangsrapportage zal voor het zomerreces aan de Kamer worden gezonden.
Kunt u toelichten waar de beloofde factsheet over onderwijs aan leerlingen met diabetes te vinden is en op welke wijze deze factsheet aan ouders en onderwijspersoneel beschikbaar is gesteld?
De factsheet is opgesteld door OCW en VWS. Op dit moment wordt deze besproken met alle betrokkenen in het veld. Daarna wordt de definitieve versie gepubliceerd op www.passendonderwijs.nl. Verder is er een brochure beschikbaar gesteld die ouders informatie geeft over de mogelijkheden voor (medische) zorg in het onderwijs: http://www.passendonderwijs.nl./brochures/medische-zorg-voor-kinderen-het-onderwijs/.
Kunt u toelichten welke verbeteringen er zijn aangebracht in het protocol medische handelingen op school?
De vakbonden, sectororganisaties en diabetesorganisaties zijn gestart met de herziening van het protocol. Zodra deze herziening is afgerond, wordt het veld hierover geïnformeerd en wordt de nieuwe versie van het protocol op www.passendonderwijs.nl gepubliceerd.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het juridisch borgen van de eventuele verplichting voor een voorziening voor medisch handelen op elke school?
In de zevende voortgangsrapportage passend onderwijs, die uw Kamer voor het zomerreces ontvangt, wordt nader ingegaan op de resultaten van de juridische verkenning.
De rokende gokker |
|
Kees van der Staaij (SGP), Marith Volp (PvdA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rokende gokker levert Holland Casino winst op»?1 Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ik ken het bericht. Voor mijn nadere opvattingen over dit onderwerp, verwijs ik u naar onderstaande antwoorden op de vervolgvragen.
Kunt u uitleggen waarom Holland Casino heeft besloten haar rookruimten te vergroten en aantrekkelijk te maken, door de mogelijkheid te bieden in deze ruimten te gokken?
Holland Casino heeft als doel om het legale en veilige alternatief te bieden op het gebied van casinospelen. Om de met kansspelen gemoeide publieke belangen goed te kunnen borgen, is het van belang dat Holland Casino dat alternatief kan zijn voor zowel rokers als niet-rokers. Daarom biedt Holland Casino als horecagelegenheid de gasten de mogelijkheid aan om te roken in rookruimtes binnen het casino. Sinds 2011 biedt Holland Casino ook de mogelijkheid om in een aantal rookruimtes kansspelen te beoefenen. In totaal gaat het om 37 rookruimtes verdeeld over 14 vestigingen, waarvan in 17 rookruimtes speelautomaten aanwezig zijn. Gemiddeld genomen gaat het om 6,6% van het vloeroppervlakte van een vestiging dat ingericht is als een rookruimte.
Op welke rechtsgrond is het toegestaan gokautomaten te plaatsen in rookruimten?
Op grond van de Tabakswet is geregeld dat rookruimten, privéruimten en de open lucht zijn uitgezonderd van het rookverbod. Aan een rookruimte wordt een aantal eisen gesteld. De ruimte moet afsluitbaar zijn en worden aangeduid als rookruimte. De huidige formulering brengt tot uitdrukking dat rookruimten weliswaar bestemd zijn om in te roken, maar tevens dat in rookruimten meer is toegestaan dan alleen roken. Speciaal met betrekking tot de horeca betekent dit dat men er ook een consumptie mee naar binnen mag nemen. In de praktijk worden door de NVWA ook speelautomaten in rookruimten toegestaan, zolang dit aanbod in de rookruimte niet groter is dan daarbuiten. Zou dit wel het geval zijn, dan worden niet-rokers aangemoedigd naar de rookruimte te gaan omdat het daar aantrekkelijker is en dat is niet wenselijk.
In een dergelijke ruimte mogen echter geen dranken en etenswaren worden verstrekt door personeel en mogen geen werkzaamheden worden verricht zoals het ophalen van glazen en serviesgoed, terwijl de ruimte als rookruimte wordt gebruikt. Noodzakelijke werkzaamheden kunnen in de aangewezen rookruimte slechts worden verricht wanneer de ruimte niet als zodanig in gebruik is en nadat deze ruimte gelucht is, zodat de werkzaamheden kunnen worden verricht zonder dat degene die de werkzaamheden verricht aan tabaksrook wordt blootgesteld.
Op grond van de Tabakswet is het dan ook niet verboden speelautomaten in een rookruimte te zetten.
Deelt u de mening dat het buitengewoon onwenselijk is dat Holland Casino, waarvan de Staatssecretaris van Financiën aandeelhouder is, rookruimten aantrekkelijk maakt? Deelt u voorts de mening dat het beleid van Holland Casino in gaat tegen de geest van de wet en het kabinetsbeleid om roken te ontmoedigen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om dit beleid bij Holland Casino te veranderen? Zo nee, waarom niet?
Roken is een verslaving die bijzonder schadelijk is voor de gezondheid. Reden waarom voor de horeca, de werkplek, openbare gebouwen en ruimten een rookverbod geldt. Met het beleid voor tabaksontmoediging wordt ingezet op het voorkomen van roken onder jongeren. Gelijktijdig worden rokers gestimuleerd om te stoppen met roken, onder meer door het regelen van een vergoeding voor de Stoppen Met Roken zorg in de Zorgverzekeringswet.
Rookruimten zijn echter uitgezonderd van het rookverbod en de manier waarop Holland Casino haar rookruimten heeft ingericht is niet strijdig met de regels daaromtrent. Dat neemt niet weg dat er discussie kan ontstaan over wat men wel en niet onder een rookruimte verstaat. De NVWA hanteert daarom als uitgangspunt dat het aanbod in de rookruimte niet aantrekkelijker mag zijn dan het aanbod daarbuiten.
In hoeverre is er door het beleid van Holland Casino sprake van oneigenlijke concurrentie in de horeca?
Met de wijziging van de Tabakswet per 1 januari jl. geldt het rookverbod in alle horecagelegenheden. Iedere horecagelegenheid mag een rookruimte inrichten mits deze voldoet aan de daartoe geldende regels. Er is dus geen sprake van oneigenlijke concurrentie. Zie het antwoord op vraag 3.
Wilt u in gesprek gaan met Holland Casino om te bezien op welke wijze zij een pledge kunnen ondertekenen ter ondersteuning van het Nationaal Preventie Programma?
Ja.
Het Filmfonds, de stimulering van de productie van televisieseries in Nederland en oneerlijke concurrentie uit het buitenland |
|
Jacques Monasch (PvdA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Amsterdam wil opnames Homeland binnenhalen»?1
Ja, ik heb de berichtgeving hierover gelezen.
Deelt u de visie dat televisieseries, zowel in lineaire programmering als via video on demand, een steeds groter aandeel nemen in het kijkgedrag van mensen en daarnaast aan kwaliteit en betekenis winnen?
Ja. De sterke ontwikkeling van internationale televisieseries, waarbij de production value van bioscoopfilms wordt gecombineerd met de verhaalstructuur van series, en de aantrekkingskracht die dit heeft op een groot publiek, is evident.
Is het waar dat televisieseries geen gebruik kunnen maken van de Netherlands Film Production Incentive? Zo nee, kunnen de opnames van bijvoorbeeld Homeland met deze regeling ondersteund worden? Zo ja, zou u het wenselijk vinden om de regeling te verruimen, zodat series er wel onder kunnen vallen?
Het klopt dat televisieseries momenteel geen gebruik kunnen maken van de Netherlands Film Production Incentive. De production incentive is van kracht geworden om het ongelijke speelveld voor de Nederlandse filmindustrie ten opzichte van het buitenland op te lossen. Zoals bekend had dit onder meer tot gevolg dat grote delen van het kapitaal van Nederlandse films in het buitenland werden besteed, terwijl tegelijkertijd Nederlandse producenten onvoldoende aantrekkelijke coproductiepartners waren om internationale producties naar Nederland te trekken. Dit leidde tot een uitstroom van productiekapitaal naar het buitenland met een daling van de productieactiviteit in Nederland als gevolg. De eerste resultaten van de production incentive zijn zeer positief en de regeling lijkt er goed op toegesneden een gelijk speelveld te bereiken.
Dit specifieke probleem speelde niet in de televisiesector in Nederland. Wel vinden de Staatssecretaris en ik het belangrijk dat er specifiek op Nederland gerichte series gemaakt worden. In de voorbereiding voor de maatregel en de onderzoeken die hieraan vooraf gingen is vanzelfsprekend ook gekeken naar de mogelijkheid om de regeling open te stellen voor internationaal gecoproduceerde high end televisieseries. Niet vanuit de optiek dat er een probleem opgelost moest worden, wel vanuit de visie om internationale coproducties te stimuleren. Destijds bleek hiervoor een budget van tenminste 30 miljoen euro nodig te zijn. Het beschikbare budget van 20 miljoen euro bood niet de ruimte op dat moment hiertoe te besluiten. De huidige resultaten wijzen erop dat het beschikbare budget meer dan volledig voor filmproducties wordt aangewend. Bij het huidige budget zal verbreding naar televisieseries daarom tot verdringing leiden. Dit vind ik onwenselijk. Het gelijke speelveld voor de filmsector komt dan immers opnieuw onder druk te staan. Extra budget voor de regeling is niet voorhanden.
Begrijpt u de teleurstelling van de filmcommissioner van de gemeente Amsterdam dat het hierdoor lastiger is om series geproduceerd te laten worden in Nederland? Is het bericht waar dat het opnemen van bijvoorbeeld deze serie in Duitsland onder meer het gevolg is van stimuleringsregelingen in Duitsland?
In andere landen zijn lokale film commissions gekoppeld aan lokale fondsen. Op deze manier kunnen film commissioners zelf stimuleren dat er producties naar hun stad en regio komen. Ik snap de teleurstelling van de commissioner maar ik ga ervan uit dat de commissioner op de hoogte is van de doelstelling en werking van de Netherlands Film Production Incentive. In het internationale filmbeleid geef ik hoge prioriteit aan coproductie vanuit de visie dat coproductie leidt tot duurzame structuurversterking in de sector. Dit komt ook tot uitdrukking in de Netherlands Film Production Incentive. Uitsluitend middelen beschikbaar stellen zodat internationale producties in Nederland delen van hun producties komen uitvoeren, zonder wederkerigheid te waarborgen voor Nederlandse producties, past daar niet in.
De exacte reden waarom in dit geval voor Duitsland is gekozen, is mij onbekend. Wel is bekend dat producenten hun keuze voor een coproductieland mede maken op basis van de beschikbare financieringsmogelijkheden in dat land. In bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk is de stimuleringsmaatregel inmiddels ook toegankelijk gemaakt voor televisieseries. Dit trekt inderdaad naast films waarop deze regeling in de eerste plaats was gericht nu ook series aan. Of de resultaten in alle gevallen leiden tot verhoging van de productieactiviteit hangt voor een belangrijk deel af of er geen verdringing optreedt. Verdringing kan plaatsvinden doordat de omvang van de sector in het betreffende land beperkt is en het werk voor series in plaats komt van werk voor film, dan wel wanneer het beschikbare budget is bepaald door een plafond.
Staan buitenlandse stimuleringsregelingen voor de audiovisuele sector wel open voor steun aan televisieseries? Zo ja, bent u dan van mening dat er een ongelijk speelveld bestaat voor de productie van series in Nederland? Wilt u uw beleid aanpassen indien er sprake is van oneerlijke concurrentie?
In onder meer het Verenigd Koninkrijk en in België staan de stimuleringsregelingen ook open voor televisieseries. Bezien vanuit de problematiek die in de filmsector speelde is mij niet bekend dat er een ongelijk speelveld voor de productie van televisieseries bestaat. Zoals ik heb gezegd is het huidige budget van de regeling onvoldoende voor verbreding van de regeling. Dit zou tot verdringing leiden en daarmee het gelijke speelveld voor de filmsector opnieuw onder ongewenste druk plaatsen.
Welke voor- en nadelen bestaan er voor de openstelling van de Film Production Incentive voor televisieseries? Wilt u in overleg treden met het Filmfonds over mogelijke wijzigingen aan de regeling en de Kamer daarover inlichten?
De Raad voor Cultuur geeft binnenkort een advies over het cultuurbeleid, waarin ook aandacht zal zijn voor de audiovisuele sector. Na lezing van dit advies zal ik, met de Staatssecretaris, in overleg treden met het Filmfonds, de NPO en andere betrokken om in het verlengde van de bij u bekende onderzoeken de voor- en nadelen in kaart te brengen.