ID-scanners |
|
Renske Leijten , Joël Voordewind (CU) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) al vanaf 2012 aanstuurt op de inzet van ID-scanners bij de verkoop van alcoholhoudende dranken in supermarkten?1
Nee.
Bent u bekend met de resultaten van het recente mystery shop onderzoek, dat in opdracht van het CBL door Bureau Nuchter is uitgevoerd?2 Wat vindt u van de resultaten?
Ja. Hierover heb ik reeds vragen van het lid Rebel beantwoord op 16 december jl.3
Is Bureau Nuchter betrokken of betrokken geweest bij de ontwikkeling, de marketing en de verkoop van ID-scanners, zoals de ID-swiper?
Bureau Nuchter heeft aangegeven in de beginfase van haar bedrijf betrokken te zijn geweest bij de ontwikkeling van een leeftijdsverificatiesysteem. Bureau Nuchter zag destijds dat verstrekkers problemen hadden met het omrekenen van de geboortedatum naar de juiste leeftijd. Zij hebben toen samen met andere partijen de ID-swiper ontwikkeld. In 2010 hebben ze dit hulpmiddel voor het eerst onder de aandacht gebracht tijdens de Nijmeegse Vierdaagse. Bureau Nuchter realiseerde zich in 2012 dat zij, om zich volledig te kunnen richten op het onderzoeken van het totale nalevingproces en de factoren die hierop van invloed zijn, geen enkel belang konden hebben bij welk systeem dan ook. Zij hebben daarom al hun belangen overgedragen aan de Interventiewinkel en in 2012 alle activiteiten rond dit leeftijdsverificatiesysteem stopgezet. Bureau Nuchter heeft ook aangegeven geen eigenaar meer te zijn van de merknaam «ID-swiper».
Kunt u toezeggen dat het door u aangekondigde, landelijke mystery shop onderzoek van het Ministerie van VWS zal worden uitgevoerd door een partij die geen enkele betrokkenheid heeft of heeft gehad met de ontwikkeling, de marketing, de inzet en de verkoop van leeftijdsverificatie systemen, dan wel met de verkoop van alcohol en tabak, teneinde iedere zweem van belangenverstrengeling te voorkomen?
Het betreffende onderzoek zal worden uitgevoerd door Bureau Nuchter. Na een uitgebreide Europese aanbestedingsprocedure is de keuze op hen gevallen. Bureau Nuchter is een partij die, zoals hierboven beschreven, op dit moment geen enkele betrokkenheid heeft met de ontwikkeling, de marketing, de inzet en de verkoop van leeftijdsverificatie systemen, dan wel met de verkoop van alcohol en tabak. Naar aanleiding van de gestelde vragen over belangenverstrengeling heeft Bureau Nuchter zelf voorgesteld om een wetenschappelijke commissie in te stellen die de objectiviteit van dit onderzoek zal toetsen. Ik heb hier positief op gereageerd. Ik heb er vertrouwen in dat Bureau Nuchter dit onderzoek op professionele wijze tot een goed einde kan brengen.
Blijkt uit het onderzoek van het Trimbos-instituut «leeftijdsverificatie in het vizier» dat ID-scanners ineffectief zijn en niet bestendig voor fraude door de verstrekker?
Uit dit onderzoek blijkt inderdaad dat dit systeem op zichzelf niet effectief is in het bereiken van betere naleving.
De praktijk laat zien dat verstrekkers naast een hulpmiddel, vaak ook aandacht hebben voor training en instructie van het personeel. Daarnaast lichten verstrekkers hun klanten veelal voor over de wet via stickers en folders. Een ID scanner wordt daarmee een hulpmiddel binnen een bredere aanpak, die weer effect kan hebben op een goede naleving.
Bent u in het voorjaar van 2014, dus vlak voor het verschijnen van het onderzoek van het Trimbos-instituut «leeftijdsverificatie in het vizier», op de hoogte gesteld door verschillende supermarktorganisaties dat zij voornemens waren op grote schaal ID-scanners in te zetten? Zo ja, heeft u deze organisaties toen gevraagd de resultaten van het onderzoek van het Trimbos-instituut af te wachten? Zo nee, waarom niet? Op welke andere momenten is er contact geweest met partijen uit de sector over de inzet van de ID-swiper?
Een aantal supermarktorganisaties heeft mij in het voorjaar van 2014 laten weten dat zij voornemens was verschillende systemen in te zetten. Ik heb deze organisaties niet gevraagd de resultaten van het betreffende onderzoek af te wachten. Ik vind het aan de markt zelf om een aanpak te kiezen waarvan zij denken dat die de naleving kan helpen verbeteren. Om die reden heb ik ook geen contact met partijen uit de sector over de inzet van één specifiek systeem.
Bent u bekend met het feit dat de brancheorganisatie voor de tabaksdetailhandel (NSO) ruim na het verschijnen van het onderzoek van het Trimbos-instituut «leeftijdsverificatie in het vizier» met cofinanciering van de Staatsloterij in totaal duizend ID-scanners heeft aangeschaft en ter beschikking heeft gesteld aan de verkopers van tabak?
Ja, hierover ben ik achteraf op de hoogte gebracht door een derde partij.
Wat vindt u ervan dat het CBL, de NSO en de Staatsloterij aansturen op de inzet van ID-scanners, terwijl uit uw eigen onderzoek is gebleken dat deze ID-scanners ineffectief zijn en niet bestendig tegen fraude door de verstrekker? Juicht u dit toe, gezien het feit dat u en uw voorgangers de afgelopen jaren voortdurend hebben aangegeven de inzet van effectieve leeftijdscontrolesystemen toe te juichen?
Hulpmiddelen als ID scanners zijn op zichzelf niet een afdoende middel om de naleving te verbeteren, maar binnen een bredere systematiek kunnen dit soort technische hulpmiddelen wel een toegevoegde waarde hebben.
Ik juich het toe als ondernemers stappen ondernemen met als doel de naleving te verbeteren.
Is de Staat aandeelhouder van de Staatsloterij? Zo ja, is de Staat bereid om gebruik te maken van de invloed en mogelijkheden die zij heeft als aandeelhouder om ervoor te zorgen dat de Staatsloterij alleen maar investeert in systemen of hulpmiddelen ten behoeve van leeftijdsverificatie, waarvan is aangetoond dat ze wel effectief zijn en bestendig voor fraude door de verstrekker? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de Staatsloterij een stichting is, is de staat formeel gezien geen aandeelhouder. De Staatssecretaris van Financiën is echter verantwoordelijk voor het beheer en treedt op als ware hij aandeelhouder van de Staatsloterij. Staatsdeelnemingen worden zakelijk aangestuurd langs de lijnen van de Nota Beheer Staatsdeelnemingen, waarbij de aandeelhoudersrechten en instrumenten van de staat dezelfde zijn als die van elke private aandeelhouder op basis van het Burgerlijk Wetboek. De aandeelhouder gaat niet over operationele beslissingen van bescheiden financiële omvang; dergelijke besluiten worden door het bestuur van de onderneming genomen, waarop de raad van commissarissen toezicht houdt. Van zo’n beslissing was in dit geval sprake.
Denkt u dat de beschikbaarheid van alcohol en tabak voor kinderen wordt teruggedrongen en dat de toezichtsopgave voor burgemeesters en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wordt vereenvoudigd, zolang verstrekkers massaal blijven inzetten op ID-scanners of andere hulpmiddelen?
Hulpmiddelen als ID scanners zijn op zichzelf niet een afdoende middel om de naleving te verbeteren, maar binnen een bredere systematiek kunnen dit soort technische hulpmiddelen wel een toegevoegde waarde hebben. Het is aan verstrekkers om de naleving te verbeteren. Ik krijg signalen dat de naleving verbetert. Het recent gepubliceerde onderzoek dat het CBL liet uitvoeren naar de naleving van de leeftijdsgrens alcohol en tabak is zo’n signaal. De stijgende lijn die uit dat onderzoek bleek is volgens het CBL te danken aan een intensieve, veelzijdige aanpak waarbij training van medewerkers, voorlichting van de consument, de NIX18-campagne en onderlinge controles centraal staan. Ik laat zelf ook onderzoek doen naar de naleving van de leeftijdsgrens alcohol en tabak. De resultaten daarvan zijn voor mij leidend. Dus als de naleving echt verbetert, dan zou dat daaruit moeten blijken. Een betere naleving zou er toe moeten leiden dat de beschikbaarheid van jongeren onder de 18 wordt teruggedrongen en de toezichtsopgave wordt vereenvoudigd.
Het bericht dat het supersnelrecht rond oud en nieuw faalt |
|
Michiel van Nispen , Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het supersnelrecht rond oud en nieuw faalt?1
De stelling dat de inzet van supersnelrecht rond oud en nieuw faalt deel ik niet.
Doel van het supersnelrecht is daders van delicten als geweld en vernieling in de publieke ruimte snel lik-op stuk te geven. Daarmee gaat een stevig signaal uit naar daders en samenleving dat dergelijk grensoverschrijdend gedrag niet wordt getolereerd. Dat de rechter bij de strafoplegging niet automatisch de strafeis van het Openbaar Ministerie (OM) volgt en in sommige gevallen een lagere straf oplegt doet daar niet aan af.
Wat is de reden dat deze discussie ieder jaar opnieuw opduikt?
De hoeveelheid en aard van de incidenten die jaarlijks rondom de jaarwisseling plaatsvinden leiden ieder jaar weer tot terechte verontwaardiging en de wens om de daders van geweld en vernieling snel en effectief te straffen. De organisatie van supersnelrechtzittingen, waarbij verdachten van geweld en vernieling binnen drie dagen na de jaarwisseling voor de rechter verschijnen, is daarbij een voor de maatschappij zichtbaar een aansprekend instrument om daders lik-op-stuk- te geven. Er gaat een belangrijk signaal vanuit richting daders en samenleving dat criminaliteit en overlast ook tijdens Oud en Nieuw niet worden getolereerd.
Wat is er sinds de invoering van het supersnelrecht rond oud en nieuw veranderd of verbeterd? Indien er niets is veranderd, waarom niet?
De toepassing van supersnelrecht tijdens de jaarwisseling wordt sinds 2008–2009 landelijk gecoördineerd op basis van de zgn. «menukaart (super)snelrecht» van het College van procureurs-generaal. De menukaart biedt een duidelijk overzicht van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het OM – in afstemming met de politie en de gerechten – de voorziening voor (super)snelrecht wil vormgeven.
In het bijzonder geeft de menukaart aan welke situaties en doelgroepen in aanmerking komen voor de toepassing van (super)snelrecht en aan welke voorwaarden uit oogpunt van zorgvuldigheid moet zijn voldaan. De menukaart is uw Kamer door mijn ambtsvoorganger toegestuurd bij brief van 4 december 20082. In de afgelopen jaren is de menukaart op basis van de ervaringen op een aantal punten aangepast c.q. uitgebreid. Jaarlijks maken alle parketten en rechtbanken voorafgaand aan de jaarwisseling lokaal afspraken met betrekking tot de toepassing van snelrecht en supersnelrecht.
Wat is de reden dat de rechter lager straft dan wat het Openbaar Ministerie (OM) eist? Komt dat bijvoorbeeld doordat de eis te hoog is, omdat er onvoldoende tijd is bewijs te verzamelen of zijn er andere redenen?
De berechting van strafbare feiten is in onze democratische rechtsstaat opgedragen aan de onafhankelijke rechter. De strafrechter heeft tot taak om recht te doen in het individuele geval en (in geval het feit kan worden bewezen en aan de dader kan worden toegerekend) een straf op te leggen die passend en geboden is. De strafrechter houdt bij de straftoemeting rekening met het wettelijk strafmaximum, de ernst van het feit en omstandigheden waaronder het feit is begaan, de gevolgen voor het slachtoffer en de samenleving als geheel, de persoon van de dader, de eis van de officier van Justitie en met wat andere rechters in vergelijkbare gevallen plegen op te leggen. De strafrechter maakt daarbij zijn eigen afweging.
Overigens blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Tilburg, dat in 2012 in opdracht van de Raad voor de rechtspraak is uitgevoerd en dat bij brief van 20 november 2012 aan uw Kamer is verzonden 3, dat bij zaken waarin sprake was van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak (zogeheten VPT-zaken) de rechter in grote mate de (verhoogde) strafeis van het OM volgt, zowel in modaliteit (zoals een geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) als in de hoogte van de sanctie (het boetebedrag in euro’s, het aantal uren taakstraf of het aantal dagen gevangenisstraf). De hoogte van de opgelegde straf bedraagt in die zaken gemiddeld ruim 90% van de eis. Voor de volledigheid merk ik op dat het hier de afdoening van VPT-zaken in algemene zin betrof en dus niet enkel (super)snelrechtzaken.
Hoe komt het dat het OM volgens eigen zeggen zorgvuldig toetst of supersnelrecht geoorloofd is of niet, maar er toch veel onvrede lijkt te zijn bij rechters over de zorgvuldigheid en bij slachtoffers over de uitkomst van de procedures? 6. Hoeveel procent van de bij het OM aangebrachte zaken worden afgedaan middels supersnelrecht en hoeveel middels snelrecht?
Juist met het oog op een zorgvuldige voorbereiding komt jaarlijks maar een beperkt aantal zaken in aanmerking voor afdoening via supersnelrecht. De voorwaarden houden onder meer in dat het moet gaan om bewijstechnisch eenvoudige zaken, de verdachte in verzekering of in voorlopige hechtenis moet zijn genomen en OM, rechter en advocatuur tijdig voor de zitting de beschikking moeten hebben over een compleet strafdossier. Indien de zaak niet zo snel klaar is voor behandeling en aanvullend onderzoek nodig is, kan het zijn dat de verdachte zich op een later moment tegenover de rechter moet verantwoorden. Waar de vermeende bij rechters bestaande onvrede over de zorgvuldigheid op is gebaseerd, is niet bekend. Vorig jaar was sprake van 1 zaak waarin de rechter tijdens een supersnelrechtzitting oordeelde dat er geen specifiek verband was tussen Oud en Nieuw en het gedrag van de verdachte.
In hoeveel procent van de zaken die afgedaan zijn middels supersnelrecht wordt hoger beroep ingesteld? Wat is het percentage bij snelrecht?
Tijdens de jaarwisseling van 2013 – 2014 zijn 684 jaarwisselingsgerelateerde zaken bij het OM binnengekomen. Daarvan zijn er 17 voor de supersnelrechter gebracht (2,5%) en 9 (1,3%) voor de snelrechter. Tijdens de jaarwisseling van 2012–2013 waren er 732 jaarwisselingsgerelateerde zaken, waarvan er 16 voor de supersnelrechter (2,2%) en 16 voor de snelrechter (2,2%) zijn gebracht.
Supersnelrecht en snelrecht worden het hele jaar toegepast, dus niet alleen met Oud & Nieuw. Afgelopen jaar zijn er zo’n 1.500 supersnelrechtzaken4 geweest (ongeveer 0,7% van de instroom; ongeveer 1,5% van de door de rechter afgedane zaken) en 4.800 snelrechtzaken5 (ongeveer 2,4% van de instroom; ongeveer 5% van de door de rechter afgedane zaken).
Klopt het dat bij zestig procent van de zaken een lagere straf wordt uitgesproken dan in eerste instantie was geëist door het OM? Zo nee, wat is dan de juiste verhouding? Hoe zit dat bij bijvoorbeeld het snelrecht en de reguliere strafprocedure?
Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen de hoger beroepspercentages. Op basis van een inventarisatie van het OM is er gemiddeld in zo’n 15% van de zaken sprake van hoger beroep (dat niet wordt ingetrokken). Afgelopen jaar was dit bij supersnelrecht 14% en bij snelrecht 17%.
Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat zorgvuldigheid bij het OM altijd prevaleert boven snelheid?
Volgens het nieuwsbericht op rechtspraak.nl van 3 januari 2014 zijn na de vorige jaarwisseling 16 verdachten veroordeeld op supersnelrechtzittingen, en waren de daarbij opgelegde straffen veelal in lijn met de eis van het Openbaar Ministerie. RTL nieuws heeft naar eigen zeggen het verdere verloop van deze zaken gevolgd en komt daarbij tot andere conclusies. Het aantal zaken van de afgelopen jaarwisseling dat is afgehandeld via supersnelrecht is echter te beperkt en te divers om op basis daarvan algemene conclusies te trekken over alle supersnelrechtzaken.
Over de verhouding tussen de strafeis en de uiteindelijk opgelegde straf bij snelrecht en de reguliere strafprocedure zijn geen gegevens bekend.
Deelt u de mening dat een zorgvuldige behandeling ook het aantal hoger beroepszaken kan terugdringen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoorden op vraag 3 en 5 is sprake van een zorgvuldige voorbereiding conform de menukaart (super)snelrecht die het OM hanteert. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven wijkt het hoger beroepspercentage in zaken die zijn afgedaan via supersnelrecht niet noemenswaardig af van de hoger beroepspercentages bij andere rechterlijke afdoeningen. Uit deze cijfers kan dus niet worden afgeleid dat de mate van zorgvuldigheid in geval van de toepassing van supersnelrecht afwijkt van de mate van zorgvuldigheid die ten aanzien van andere afdoeningen wordt gehanteerd. Dat laat onverlet dat uiteraard altijd moet worden gestreefd naar verbetering. Tegen elk rechterlijk vonnis staat hoger beroep open. En evenals in «gewone» strafzaken kunnen rechters tot een ander oordeel komen.
Speelt eenzelfde soort probleem met het verschil tussen strafeis en daadwerkelijke straf bij het snelrecht, waar het OM elf dagen langer heeft om de zaak rond te krijgen? Zo nee, is het dan geen beter idee om vaker snelrecht in plaats van supersnelrecht toe te passen rond oud en nieuw? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in zaken tegen hulpverleners niet standaard het supersnelrecht toe te passen, maar vooraf te kiezen voor meer zorgvuldigheid en dus voor bijvoorbeeld het toepassen van snelrecht?
Zoals ook uit mijn beantwoording op de vorige vragen mag blijken ben ik niet de mening toegedaan dat bij het toepassen van supersnelrecht sprake is van een probleem. Verder zijn er zoals ik in antwoord op vraag 8 heb geantwoord geen gegevens bekend over de verhouding tussen de strafeis en de uiteindelijk opgelegde straf in snelrechtzaken. Als meer onderzoek nodig is in een zaak of als meer getuigen moeten worden gehoord om de zaak bewijstechnisch rond te krijgen, zal het OM – indien de rechter een vordering tot inbewaringstelling toewijst – ervoor kiezen om de verdachte voor de snelrechter te brengen. Dat is ook wat de menukaart voorschrijft en vergt derhalve geen aanpassing van het beleid.
Bent u bereid deze vragen nog voor het kerstreces, uiterlijk 18 december 2014, te beantwoorden?
Het is niet zo dat in zaken waarbij sprake is van geweld tegen hulpverleners standaard supersnelrecht wordt toegepast. Wel wordt geprobeerd deze zaken zo snel als mogelijk af te doen, waarbij supersnelrecht een van de mogelijke afdoeningsmodaliteiten is. Voorop staat echter dat per geval moet worden beoordeeld of een zaak zich leent voor afdoening via supersnelrecht. Overigens treedt per 1 januari 2015 de wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis in werking. Deze wijziging maakt het mogelijk dat verdachten van openlijke geweldpleging, brandstichting, bedreiging, mishandeling of vernieling, begaan in de publieke ruimte of tegen personen met een publieke taak langer in voorlopige hechtenis kunnen worden gehouden, met het oogmerk om hen binnen de termijn voor inbewaringstelling op een gewone snelrechtzitting te kunnen brengen.
Zo kan in zaken waarin de termijn voor het supersnelrecht nu tekort schiet meer tijd worden genomen om onderzoek te doen naar de precieze aard van het gepleegde strafbare feit, en daarvoor het bewijs rond te krijgen, door bijvoorbeeld het horen van getuigen. Ook is er meer tijd voor het slachtoffer om zijn schade te onderbouwen. Met de voorgestelde specifieke grond voor voorlopige hechtenis wordt dus in meer gevallen berechting met behulp van het gewone snelrecht mogelijk.
Het bod van de NOS op de eredivisiesamenvattingen |
|
Ton Elias (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «toezichthouder twijfelt over deal NOS en FOX Sports»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de NOS nu zelf details naar buiten brengt over de overeenkomst die zij is aangegaan met FOX Sports over de eredivisiesamenvattingen, die eerder nog strikt vertrouwelijk waren en waarvan openbaarmaking tot forse schadeclaims aanleiding zou geven?
De NOS heeft op 10 december 2014 zelf besloten enkele details uit de afspraken van de NOS met Eredivisie Media en Marketing C.V. (hierna: EMM) openbaar te maken. Desgevraagd laat de NOS weten dat men hiertoe over is gegaan nadat duidelijk werd dat er mogelijk onjuiste informatie over de afspraken naar buiten zou komen.
Kunt u zo snel mogelijk ook de financiële details van de overeenkomst, waarmee volgens eerdere nieuwsberichten rond de 75 miljoen euro belastinggeld zou zijn gemoeid, openbaar maken?
Vanwege de geheimhouding die de NOS en EMM zijn overeengekomen heb ik tot op heden geen informatie over de financiële details van de overeenkomst openbaar kunnen maken en kan ik dat ook nu niet doen. Op 19 januari 2015 heeft het Commissariaat voor de Media een besluit gepubliceerd over dit contract. Ook hierin zijn vanwege het bedrijfsvertrouwelijke karakter de financiële details weggelaten.
Zoals ik in reactie op mondelinge vragen van het Kamerlid Elias op 20 januari jl. reeds heb gezegd, vind ik het bezwaarlijk dat er achteraf niet in openheid kan worden gesproken over contracten die de publieke omroepen sluiten en die bekostigd zijn met publiek geld. Aan de huidige situatie kan ik niets veranderen, maar ik ben, zoals ik heb toegezegd in mijn brief over de toekomst van de omroep van 13 oktober 2014, in overleg met de NPO en de NOS over hoe dit in de toekomst transparanter kan.
Kunt u zo snel mogelijk openbaar maken in hoeverre er in de bewuste overeenkomst ook sprake is van afspraken over STER-tijd, zoals volgens eerdere nieuwsberichten het geval is?
De afspraken met de Ster vallen ook onder de geheimhoudingsplicht die met EMM is gesloten. Bij de publicatie van zijn besluit met betrekking tot de last onder dwangsom heeft het Commissariaat gemeld dat het zijn onderzoek zal vervolgen en verbreden naar andere partijen, waaronder de STER. Dit onderzoek wacht ik af. Daarom kan ik hierover op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Wanneer verwacht u de uitkomsten van het lopende onderzoek van het Commissariaat voor de Media naar de overeenkomst?
Het Commissariaat heeft op 19 januari 2015 een besluit gepubliceerd. Dit besluit is genomen binnen een breder onderzoek van het Commissariaat. Het Commissariaat onderzoekt meerdere aspecten van het bod van de NOS. Uit dit bredere onderzoek kunnen nog nadere maatregelen volgen. Hierover kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Het artikel ‘Meer nadelen dan voordelen’ |
|
Johannes Sibinga Mulder , Michiel van Veen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Meer nadelen dan voordelen»?1
Ja.
Wat zijn de te verwachten effecten van de nieuwe Wet werk en zekerheid (Wwz) en de daaropvolgende ketenbepaling voor de amateursport?
De ketenbepaling regelt wanneer elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract. In de huidige situatie is dat het geval bij meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten of (bij een minder aantal) als een periode van drie jaar wordt overschreden. Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van drie maanden of minder opvolgen. Van deze tussenpoos kan bij cao onbeperkt worden afgeweken. Dat geldt ook voor het aantal contracten en de periode van drie jaar waarna een vast contract ontstaat.
Het doel van de ketenbepaling is echter dat na verloop van tijd voor werknemers zekerheid ontstaat in de vorm van een vast contract. Omdat de huidige regeling te veel mogelijkheden biedt om werknemers structureel en langdurig in te schakelen op basis van tijdelijke contracten, is in het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 afgesproken de ketenbepaling zodanig aan te passen dat deze haar doelstelling beter kan vervullen. Zo wordt de balans tussen vast en flexibel werk beter in evenwicht gebracht.
In de Wwz wordt de ketenbepaling dan ook overeenkomstig de afspraken in het Sociaal Akkoord met ingang van 1 juli 2015 zo aangepast dat meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract of (bij een minder aantal) als een periode van twee jaar wordt overschreden. Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van zes maanden of minder opvolgen. Bij cao kan alleen nog worden afgeweken van de ketenbepaling als het uitzendovereenkomsten betreft, of als het werken met tijdelijke contracten gegeven de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is, met dien verstande dat het aantal contracten ten hoogste kan worden gesteld op zes in een periode van vier jaar. Van de tussenpoos van zes maanden kan niet bij cao worden afgeweken.
Voor de beantwoording van de vraag of de ketenbepaling van toepassing is, dient ook te worden meegenomen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of van vrijwilligerswerk. Binnen de amateursport wordt immers veel gebruik gemaakt van onbetaalde krachten (of tegen een geringe vergoeding) waarop de ketenbepaling niet van toepassing is. Daar waar gewerkt wordt met betaalde krachten geldt ook voor de amateursport dat het langdurig en onvrijwillig inschakelen van werknemers op flexibele contracten door één en dezelfde werkgever, waar het in feite structurele werkzaamheden betreft, zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen. De verwachting is dat dit ook in de amateursport zal leiden tot een toename van het aantal vaste contracten.
Klopt het dat u een uitzondering maakt voor bijvoorbeeld de profvoetbalsector? Doet u dit op basis van de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering, een oplossing die de Wwz mogelijk maakt? Deelt u de mening dat het bij de aard van de bedrijfsvoering niet uit maakt of het om professionele of amateursport gaat, maar dat het gaat om de sector als totaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maakt u dan verschil binnen de sportsector tussen amateur- en professionele sport?
Bij cao kan de ketenbepaling buiten toepassing worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Deze functies dienen aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
Het betreft functies in een bedrijfstak waar onverkorte toepassing van de ketenbepaling tot onaanvaardbare consequenties zou leiden en het voortbestaan van de sector in het geding zou komen. Het gaat dan om (functies binnen) bedrijfstakken waar om die reden uitsluitend met tijdelijke contracten kan worden gewerkt, waarvoor het gebruik van langjarige tijdelijke contracten ook geen oplossing kan vormen en waarvoor de gemaximeerde afwijkingsgrond, zoals hierboven omschreven, onvoldoende soelaas biedt.
De functies van contractspeler en trainer/coach in het betaald voetbal voldoen aan de gestelde voorwaarden en zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen.2 Dit is noodzakelijk omdat zonder deze uitzondering clubs binnen het betaald voetbal onvoldoende zekerheid hebben over het behoud van spelers en trainers. Wanneer door de ketenbepaling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat, zou de arbeidsovereenkomst op elk gewenst moment met inachtneming van een opzegtermijn van een maand kunnen worden opgezegd, zonder dat daar enige financiële compensatie voor de club tegenover zou staan. Dit brengt dus niet alleen sportieve schade toe aan clubs in het betaald voetbal, maar tast ook de huidige systematiek van vergoedingen aan die verschuldigd zijn bij spelerswisselingen waardoor het voortbestaan van de sector in het gedrang komt. Voor trainers geldt dat het technische beleid van een club vaak mede wordt bepaald door de trainer. Het zou dan ook niet alleen slecht zijn voor de continuïteit als een trainer van de een op de andere dag zijn arbeidsovereenkomst kan opzeggen, maar tevens tot ernstige financiële schade voor de club kunnen leiden (nieuwe trainer, met nieuwe wensen als het gaat om spelers).
De uitzondering bij ministeriële regeling voor de functie van speler en trainer in het betaald voetbal is gestoeld op bovenstaande overwegingen (en derhalve op de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering in het betaald voetbal). Wat betreft de amateursport zou ik een vergelijkbare toets doen ten aanzien van de consequenties voor de bedrijfsvoering, mocht een verzoek om uitzondering op de toepassing van de ketenbepaling gedaan worden (zie ook het antwoord op vraag vier).
Wat heeft u met de eerdere signalen uit de sportwereld aangaande de Wwz gedaan, en wat heeft u gedaan om de onzekerheid en onrust bij de amateursport weg te nemen?
In gesprekken met de KNVB en NOC*NSF heb ik toegelicht wat de wijziging van de ketenbepaling precies inhoudt. Vervolgens hebben beide organisaties een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor de uitzondering als beschreven in antwoord 3. De KNVB heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van contractspelers, trainers/coaches en (assistent)scheidsrechters in het Nederlandse profvoetbal. NOC*NSF heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van bondstrainers en technisch directeuren. Wat betreft functies binnen de amateursport heeft NOC*NSF een dergelijk verzoek niet gedaan. Dit kan mede zijn oorzaak vinden in de omstandigheid dat sportverenigingen niet onder een cao vallen. Als vereiste is immers in de wet is opgenomen dat de ketenbepaling alleen bij cao buiten toepassing kan worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Wellicht zal NOC*NSF een dergelijk verzoek in de toekomst nog doen, dat ik dan op zijn eigen merites zal beoordelen.
De zorgen die leven binnen de amateursport, zoals beschreven in het artikel «Meer nadelen dan voordelen», zien op de wijziging van de ketenbepaling waardoor niet meer eindeloze reeksen van tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan, of de zomerperiode als tussenpoos van drie maanden kan worden genomen zonder dat een vast contract ontstaat. Zoals ook voor andere bedrijfstakken geldt, doet de amateursport er goed aan zich te beraden op welke wijze de bedrijfsvoering kan worden aangepast om te komen tot een optimale inzet van personeel. Ook werkgevers in de sport kunnen gebruik maken van verschillende vormen van interne flexibiliteit om de zomerperiode opvangen, bijvoorbeeld door met roosters en werktijden een andere inzet van personeel te bevorderen. Over de mogelijkheden hiertoe ga ik het gesprek graag verder aan.
Deelt u de mening dat er door de Wwz een reële kans is dat veel amateurverenigingen veel meer moeite moeten doen om aan personeel te komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om dit tegen te gaan?
Vooralsnog verwacht ik niet dat amateursportverenigingen meer moeite zullen ondervinden bij het aantrekken van personeel. Ook onder de Wwz blijft de mogelijkheid bestaan van het aanbieden van drie tijdelijke contracten, zolang deze bij elkaar opgeteld niet langer duren dan een periode van twee jaar. Doordat de tussenpoos in de ketenbepaling wordt verlengd van drie naar zes maanden, bestaat de mogelijkheid dat de werknemer in die tussenliggende periode van zes maanden sneller bij een andere werkgever een baan vindt. Een werkgever zal zich eerder bezinnen om een goede werknemer te laten gaan, aangezien hij niet de zekerheid heeft dat de werknemer na de tussenpoos weer voor hem beschikbaar zal zijn. De verlenging van de tussenpoos zal er derhalve toe leiden dat meer vaste contracten worden aangegaan.
De vulkaanuitbarsting op Fogo, Kaapverdië |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kaapverdische dorpen dreigen te worden vernietigd door vulkaanuitbarsting»1?
Ja.
Kunt u een inschatting geven van hoe de situatie op dit moment op en rondom het eiland Fogo is na het uitbarsten van de vulkaan Pico de Fogo?
Volgens de laatste berichten zijn rondom de vulkaan 1.080 mensen geëvacueerd. Zij zijn allen opgevangen in centra die in 1995 waren gebouwd bij de vorige uitbarsting van de Pico de Fogo, of bij gastgezinnen. Kinderen gaan weer naar school, toegang tot gezondheidszorg is mogelijk en er wordt eten geleverd aan de families in de opvangcentra. Wel zijn al 450 hectare land en grote delen van de leefomgeving van enkele gemeenschappen verwoest. Als de uitbarsting door blijft gaan, bereikt de lava in het ergste geval over enkele dagen het Fernão Gomes gebied, waardoor 2.109 extra mensen zouden moeten worden geëvacueerd. Er is voor hen al preventief naar opvang gezocht. De VN rapporteert regelmatig over de situatie en maakt inschattingen van de risico’s.
Welke acties ondernemen de Europese Unie en/of de individuele lidstaten van de EU om Fogo en haar inwoners die hun huizen hebben moeten ontvluchten te helpen?
In Europees verband heeft Portugal zogenaamde in-kind assistance aangeboden. Zij heeft een marineschip met speciale communicatieapparatuur, een helikopter voor lokaal transport en hulpgoederen zoals bedden, dekens en maskers naar Kaapverdië gestuurd. De Europese Commissie betaalt een deel van de transportkosten en heeft twee civiele experts meegestuurd om de The United Nations Disaster Assessment and Coordination (UNDAC) te ondersteunen. Na inventarisatie bleken Nederlandse experts niet beschikbaar voor deze missie.
Daarnaast heeft de Europese Commissie (DG ECHO) een substantiële bijdrage gedaan aan het Disaster Relief and Emergency Fund (DREF). De International Federation of Red Cross and Red Crescent Societies (IFRC) beheert het DREF. Gelden die vrijgemaakt worden uit dit fonds zijn bedoeld voor kleine, stille rampen. Het IFRC heeft CHF 45.392 uit het fonds besteed aan de crisis op Fogo. Besloten is dit bedrag te verhogen met CHF 63.347 tot CHF 108.739. Activiteiten die worden ondernomen richten zich voornamelijk op Non-Food Items (NFI’s) en shelter. De noden kunnen door deze inzet gelenigd worden.
Is een Nederlandse bijdrage die hierop aansluit gewenst? Zo ja, overweegt Nederland om ook zelf deze bijdrage te leveren uit bijvoorbeeld het noodhulpfonds? Zo ja, om wat voor bijdrage gaat het? Zo nee, waarom niet?
Het Kabinet overweegt vooralsnog niet een bijdrage te doen. Het IFRC classificeert de uitbarsting van de vulkaan als een kleine, stille ramp. Volgens bestaande afspraken beslist het Nederlandse Rode Kruis (NRK) op basis van de hulpvraag en het hulpaanbod of een bijdrage uit de blokallocatie opportuun is. Aangezien het IFRC appeal al voor 100% gedekt is door onder andere de Europese Commissie en de noden met de huidige inzet kunnen worden gelenigd, is besloten geen bijdrage aan het DREF appeal te doen.
Het Kabinet houdt de situatie in de gaten. Wanneer de situatie verslechtert, kan een bijdrage alsnog worden overwogen.
Het aanbieden van de NIPT in België |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Naar België, voor de zekerheid»?1
Ja.
Bent u ook geschrokken van het aantal vrouwen (5.000) dat de afgelopen twee jaar in België de Niet-Invasieve Prenatale Test (NIP-test) heeft laat uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Met een gemiddelde van 2500 per jaar betekent dit dat 1,3% van alle zwangere vrouwen naar België gaat voor de NIP-test. Uit het artikel maak ik op dat dit hoofdzakelijk vrouwen betreft die in Nederland niet kiezen voor de combinatietest. Als ik deze 1,3% leg naast de 25% van de zwangere vrouwen die zich jaarlijks in Nederland laat testen, dan vind ik 1,3% niet schrikbarend. Bovendien staat het vrouwen vrij gebruik te maken van het aanbod in privé klinieken in het buitenland.
Kunt u aangeven hoe vaak artsen zwangere vrouwen, die buiten de doelgroep vallen, actief naar België doorverwijzen, of het bloed van zwangere vrouwen doorsturen, voor een NIP-test? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en in strijd met het Nederlandse beleid? Zo ja, wat gaat u ondernemen om artsen hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Hierover zijn geen officiële cijfers bekend.
De NIP-test is op dit moment in Nederland alleen toegestaan binnen de kaders van een wetenschappelijk implementatieonderzoek, nadat door middel van de combinatietest een verhoogd risico is vastgesteld. Nederlandse zorgaanbieders die samenwerken met buitenlandse laboratoria overtreden mogelijk de Wet op het bevolkingsonderzoek (Wbo). Hierover heb ik contact met de Inspectie voor de Gezondheidszorg die de wettelijke taak heeft toe te zien op de naleving van de Wbo.
Op welke wijze duidt u de uitspraak van de heer Willems, directeur van Grendia, «tegen die tijd (15 weken) voelt een vrouw haar kind soms al bewegen en dat maakt het afscheid moeilijker» op de situatie, dat de NIP-test in België vooral wordt uitgevoerd met het oog op afbreken van de zwangerschap?
Over wat de heer Willems precies met zijn uitspraak heeft willen zeggen kan ik niet speculeren, maar in Nederland is het doel van de screening op syndroom van Down nog altijd het bieden van handelingsopties. De keuze uit deze handelingsopties is een persoonlijke.
Bent u van mening dat de begeleiding van vrouwen rondom het uitvoeren van de NIP-test voldoende is? Kunt u aangeven hoeveel van de positieve NIP-testen in België eindigt met het vroegtijdig afbreken van de zwangerschap?
Elke stap in de in Nederland aangeboden screening is erop gericht de zwangere te ondersteunen bij het maken van een geïnformeerde keuze. Daarom hecht ik zo aan de waarborgen die wij in de screening hebben ingebouwd. Goede begeleiding hoort daarbij.
Over het aantal positieve NIP-testen in België die eindigen met het vroegtijdig afbreken van de zwangerschap zijn geen officiële cijfers bekend.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat de heer Willems, directeur van Grendia, stelt dat de samenleving uiteindelijk goedkoper uit is als de NIP-test gratis wordt aangeboden omdat een kind met het Down-syndroom 1 tot 2 miljoen euro kost? Deelt u de mening dat je niet op deze manier naar mensen met het Down-syndroom kunt kijken?
Deze mening deel ik.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Groningen, d.d. 5 december 2014, waarin kort weergegeven werd bepaald dat nergens staat dat de toepasselijkheid van de tienjaarstermijn neergelegd in artikel 6.2.8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is uitgesloten bij toepassing van de Regeling langdurig verblijvende kinderen, ook wel aangeduid als het Kinderpardon?1
Ja, ik ben bekend met de uitspraak.
Wat is uw reactie op de uitspraak in kwestie?
Ik kan mij niet verenigen met de uitspraak en zal daartegen hoger beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In afwachting van een uitspraak op dit hoger beroep pas ik mijn beleid niet aan.
Bent u bereid de uitspraak te respecteren en voortaan de tienjaarstermijn toe te passen in zaken betreffende het Kinderpardon, zodat bij kinderen waarbij aan (één van) de ouders 1F wordt tegengeworpen, dit in elk geval bij verblijf van 10 jaar of meer niet aan toepassing van het Kinderpardon in de weg zal staan?
Zie antwoord vraag 2.
Inzage rulingpraktijken |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «België krijgt Luxemburgse belastingdeals, opgevraagd na LuxLeaks» dat is gepubliceerd op nrc.nl op 8 december 2014?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Belgische fiscus van Luxemburg alle belastingdeals krijgt die Luxemburg heeft gesloten met bedrijven en welgestelde families uit België?
Dit is een aangelegenheid tussen België en Luxemburg, waar ik inhoudelijk dus verder niet op in kan gaan. In algemene zin juich ik het uitwisselen van rulings van harte toe. Nederland heeft hier recent al initiatief voor genomen. Zoals in mijn brief van 1 december (Kamerstuk 25 087, nr. 80) is aangegeven, hoop ik dat meer landen dit initiatief volgen. Het uitwisselen van rulings door Luxemburg aan België zou daarin passen.
Heeft u alle belastingdeals die de Luxemburgse belastingautoriteit met Nederlandse bedrijven en welgestelde personen heeft gesloten, opgevraagd?
Op dit moment wordt uitgezocht of, en zo ja in welke gevallen, er Nederlands heffingsbelang is in relatie tot Luxemburgse rulings. In dit kader is er ook op ambtelijk niveau contact gezocht met Luxemburg. Indien blijkt dat er voldoende aanleiding is rulings op te vragen, dan ben ik hier vanzelfsprekend toe bereid.
Zo nee, waarom niet? Bent u daar alsnog toe bereid?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u besloten Duitsland inzicht te verstrekken in de Nederlandse rulingpraktijk? Waarom heeft Duitsland ons om inzicht gevraagd?2
Zoals ik in mijn brief van 1 december al heb aangekondigd, zal Nederland informatie over rulings uitwisselen met verdragspartners. Met dit initiatief legt Nederland een belangrijke basis voor verdere samenwerking tussen belastingdiensten. Duitsland heeft al aangegeven graag van dit aanbod gebruik te maken en kan op deze manier de fiscale positie van Duitse bedrijven beter beoordelen.
Wat vindt u van de kritiek van de Franse Minister van Financiën, Michel Sapin, dat de uitwisseling van gegevens over rulingpraktijken niet op bilaterale basis tussen lidstaten zou moeten worden geregeld, maar dat dit soort informatie publiek moet worden, of in ieder geval beschikbaar moet komen voor alle lidstaten?
In mijn brief van 1 december heb ik al aangeven dat Nederland informatie over rulings met verdragspartners zal uitwisselen en heb ik mijn hoop uitgesproken dat meer landen het Nederlandse voorbeeld zullen volgen. Het faciliteren van deze uitwisseling door de EU zou dus in lijn met deze oproep liggen. Het doel van uitwisselen van rulings is het verbeteren van fiscale controle door belastingdiensten. Deze informatie moet dus voor hen beschikbaar zijn. Daarbij moet er zorgvuldig worden omgegaan met de capaciteit van belastingdiensten, die dus niet moeten worden overspoeld met informatie die geen betrekking heeft op activiteiten in het desbetreffende land.
Ook moeten belangen van het belastingplichtigen in het oog worden gehouden. Nederland kent daarom een geheimhoudingsplicht in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op grond van deze fiscale geheimhoudingsplicht moeten belastingplichtigen erop kunnen vertrouwen dat hetgeen zij aan de Belastingdienst hebben verstrekt niet openbaar wordt.
Bent u bereid om u er in Europees verband voor in te spannen dat informatie over rulingspraktijken publiek wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat gemeentelijk dualisme in Vianen doorbroken wordt |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pragmatisme versus Dualisme»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het vanuit het oogpunt van dualisme onwenselijk is als een raadslid deelneemt aan collegevergaderingen? Zo nee, welke voordelen ziet u en waarom wegen die tegen de nadelen op?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke gemeenten hanteren nog meer zo’n constructie?
Voor zover mij bekend komt een dergelijke constructie niet in andere gemeenten voor.
Op welke juridische grond is deze constructie gestoeld en welke wetsartikelen maken deze constructie niet mogelijk?
Uit artikel 57 van de Gemeentewet volgt dat ook andere personen dan burgemeester en wethouders aan de vergaderingen van het college kunnen deelnemen. Dit geldt in de eerste plaats de gemeentesecretaris, maar ook andere ambtenaren of deskundigen. Hoe het college hier invulling aan geeft, wordt geregeld in het reglement van orde, dat aan de raad wordt gezonden (artikel 52 Gemeentewet). Naar de letter van de wet zou wellicht een raadslid kunnen deelnemen, maar het is inherent aan het dualistisch stelsel, dat uitgaat van een scheiding van functies en bevoegdheden, dat raadsleden niet deelnemen aan de vergaderingen van het college.
Bent u bereid in contact te treden met de gemeente Vianen teneinde een einde te maken aan deze constructie?
De gemeente Vianen had voor deze constructie gekozen om daarmee een breed bestuurlijk draagvlak te creëren na de verkiezingen van maart 2014. De gemeenteraad bestaat uit zeventien leden en acht fracties en zag zich geconfronteerd met een versnipperde politieke werkelijkheid. Er is een coalitie gevormd bestaande uit vijf partijen. Aangezien Vianen ingevolge artikel 36 van de Gemeentewet maximaal vier wethouders mag benoemen, is gezocht naar een voor de gemeente praktische en werkbare oplossing.
Inmiddels is bekend geworden dat het betrokken raadslid niet meer zal deelnemen aan de vergaderingen van het college. De burgemeester heeft in de nu ontstane situatie het initiatief genomen in dialoog met de raad tot een bestuurlijk aanvaardbare oplossing te komen. Daartoe is hij ook in contact met de provincie Utrecht en mijn departement.
De voortgaande misstanden bij moskee-internaten |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Moskee-internaten voldoen nog steeds niet aan eisen»?1
Ja.
Is het waar dat de drie Turkse moskee-internaten in Rotterdam nog steeds niet voldoen aan de landelijk gestelde eisen?
In juli 2013 is een convenant gesloten tussen de gemeente Rotterdam en de drie internaten die in Rotterdam gevestigd zijn. In het convenant is afgesproken dat de internaten zich houden aan het landelijk vastgestelde kwaliteitskader voor privaat gefinancierde internaten. Uit de brief die het College van de gemeente Rotterdam op 8 december 2014 (kenmerk: 124MO19216 – 14bb007263) naar de gemeenteraad heeft gestuurd blijkt dat de drie in Rotterdam gevestigde internaten nog niet voldoen aan alle eisen uit het landelijke kwaliteitskader. In dit kader is onder meer afgesproken dat alle gemeenten en internaten die meedoen aan het vrijwillig toezicht in 2014 een 0-meting zouden uitvoeren, waaronder de drie internaten in Rotterdam. Deze 0-meting had tot doel om per locatie/per internaat te inventariseren welke stappen nodig zijn om tot volwaardige operationalisering van het kwaliteitskader te komen. Uit de bovengenoemde brief blijkt ook dat de internaten in Rotterdam hebben aangegeven te werken aan kwaliteitsverbetering.
Kunt u aangeven in hoeverre andere moskee-internaten in Nederland voldoen aan de landelijk gestelde eisen? Kunt u dit gespecificeerd aangeven voor elk moskee-internaat afzonderlijk?
In 2014 heeft in de meeste gemeenten waar een of meer internaten zijn gevestigd, een 0-meting plaatsgevonden door de GGD. De 0-metingen zijn uitgevoerd op basis van de afspraken die op vrijwillige basis zijn gemaakt tussen rijk, gemeenten en internaten, waaronder internaten met een Turks-Nederlandse signatuur. Met de vertegenwoordigers van privaatgefinancierde internaten is afgesproken dat zij de adviezen van de GGD ter hand nemen en verbeteringen doorvoeren, waarna in 2015 in opdracht van gemeenten een eerste inspectie zal plaats vinden. De gezamenlijke ambitie is dat zij dan voldoen aan de afspraken. Het is primair de verantwoordelijkheid van gemeenten om te beoordelen of individuele internaten voldoen aan de gestelde eisen.
Bent u bereid de genoemde moskee-internaten te sluiten en/of de gemeente hiertoe aan te sporen? Zo neen, waarom niet?
Nee. Sluiting van een rechtspersoon is alleen mogelijk als dit voor de openbare orde noodzakelijk is, onder de voorwaarden gesteld in artikel 2:20, eerste lid, BW. Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. Dat is in casu niet het geval.
Ziet u in dat het bestaan van moskee-internaten überhaupt, zeker met het oog op de structurele misstanden, haaks staat op het concept integratie? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u dit probleem nu eindelijk aanpakken?
Het bestaan van de Turks-Nederlandse internaten en het verblijf van kinderen in dergelijke internaten op zichzelf zie ik niet als probleem. Het gaat mij erom dat kinderen niet opgroeien met hun rug naar de Nederlandse samenleving. Om die reden heb ik samen met de Staatssecretaris van VWS het wetsvoorstel Wet op de jeugdverblijven voorbereid. Dit wetsvoorstel introduceert een bevoegdheid voor gemeenten om enige vorm van toezicht te houden op alle privaat gefinancierde internaten. Het wetsvoorstel is op 14 oktober 2014 aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 34 053, nr. 1).
Het doodschieten van vijf Papoea’s door de Indonesische politie |
|
Harry van Bommel (SP), Han ten Broeke (VVD), Raymond Knops (CDA), Raymond de Roon (PVV), Kees van der Staaij (SGP), Michiel Servaes (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat tenminste vijf Papoea’s zijn doodgeschoten door Indonesische politiemensen of militairen die het vuur openden op een menigte protesterende burgers?1
Ja.
Kunt u inzicht geven in de toedracht van dit gebeuren? Hoe beoordeelt u deze heftige gebeurtenis?
Het Kabinet kan weliswaar nog geen gezaghebbend inzicht geven in de toedracht van het incident in de regio Paniai, maar de dood van de vijf Papoea’s betreurt het Kabinet zeer. De Indonesische autoriteiten hebben direct een onderzoek naar de toedracht ingesteld. De uitkomst daarvan zal eerst moeten worden afgewacht.
Bent u bereid opheldering te vragen bij uw Indonesische collega over dit zeer bloederige optreden van politie en militairen?
Ja.
Kunt u aanduiden wat de huidige trend is als het gaat om de relatie tussen de Indonesische autoriteiten en de Papoea’s? Ziet u hierin verbetering optreden?
Al voor zijn aantreden startte president Joko Widodo consultaties met lokale religieuze, maatschappelijke en politieke leiders met als doel de relatie tussen de Indonesische autoriteiten en de Papoea’s te normaliseren. Verscheidene kerkelijke en maatschappelijke vertegenwoordigers verklaarden dat zij de indruk hebben dat de president de onderliggende problemen daadwerkelijk wil adresseren. Vanzelfsprekend zullen we de ontwikkelingen op dit gebied nauw blijven volgen.
Op welke momenten heeft u in de afgelopen periode deze gevoelige relatie aan de orde gesteld bij uw Indonesische ambtgenoot en met welk resultaat?
De situatie in Papua is tijdens diverse bilaterale ontmoetingen aan de orde gesteld, meest recentelijk door mijn ambtsvoorganger en marge van de NSS2014. Tijdens dit gesprek zegde de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië Natelagawa toe dat wordt bekeken hoe aan de autonomie van Papua verder invulling kan worden gegeven.
Ziet u nieuwe mogelijkheden waarmee Nederland kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie van de Papoea’s en via welke multilaterale kanalen zijn er volgens u mogelijkheden?
Nederland draagt bij aan het verbeteren van de situatie in Papua en West-Papua via samenwerking met de Indonesische nationale politie en International Organisation for Migration. Dit community policing programma heeft als doel het verbeteren van de relatie tussen de politie en lokale gemeenschappen door middel van dialoog en mensenrechtentrainingen. Nederland draagt via samenwerking met de Indonesische overheid en UNICEF ook bij aan het voorkomen van HIV/Aids.
Het artikel ‘de volksvertegenwoordiging gepiepeld’ |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «de volksvertegenwoordiging gepiepeld» van 2 december 2014 op de website van Follow the Money?1
Ja
Bent u het met de columnist eens dat de volksvertegenwoordiging verkeerd is voorgelicht? Zo nee, kunt u aangeven waarom dat niet het geval is?
Herinnert u zich dat u in de aan de Eerste Kamer gezonden nadere memorie van antwoord2 bij de Verzamelwet pensioenen 2014 heeft aangegeven dat het nettopensioen uit de tweede pijler «de facto een voortzetting is van de eerdere nabestaandenvoorziening»? Deelt u de vaststelling dat door het bestaan van de uitsluitingsclausule er de facto echter geen verzekering is afgesloten die daadwerkelijk uitkeert op het moment dat de verzekerde binnen een jaar overlijdt en al helemaal niet als bekend was dat bij afsluiting van het product diegene binnen het jaar zou komen te overlijden, alsmede de constatering dat dit inherent is aan zo ongeveer elk nieuw afgesloten verzekeringsproduct? Zo ja, hoe komt het dat u hier het feit vergeten bent te noemen dat er weliswaar een acceptatieplicht geldt, maar dat wel de uitsluitingsclausule onverkort geldt?
Bent u zich ervan bewust dat u met de hiervoor bedoelde omissie de volksvertegenwoordiging onvolledig en daarmee onjuist geïnformeerd heeft, nu er immers de facto geen nabestaandenvoorziening bestaat voor de mensen die binnen het jaar overlijden door het bestaan van de uitsluitingsclausule?
Deelt u de mening dat de taken die de volksvertegenwoordiging heeft alleen goed uitgevoerd kunnen worden als het kabinet deugdelijke informatie geeft op de gestelde vragen, waar de volksvertegenwoordiging op mag vertrouwen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verkeerde informatie gecorrigeerd wordt?
Hoe gaat u het de getroffen nabestaanden uitleggen dat zij helaas fors minder nabestaandenpensioen ontvangen dan dat u nu beloofd heeft met de mogelijkheid van een nettopensioen in de tweede pijler, maar met de onlosmakelijk bijbehorende uitsluitingsclausule?
Bent u bereid maatregelen te treffen, zodat het probleem wordt opgelost en u dus niet aan nabestaanden hoeft uit te leggen dat door een foutje zij fors minder nabestaandenpensioen ontvangen?
Onderschrijft u dat voor mensen die arbeidsongeschikt zijn en wegens deze arbeidsongeschiktheid premievrijstelling hebben, nog een bijkomende problematiek geldt, te weten dat in die situatie het pensioenfonds, zo lang de deelnemer arbeidsongeschikt is, de pensioenopbouw overneemt? Herinnert u zich dat u in uw antwoorden aan de Eerste Kamer op 2 december j.l. in het debat over de Verzamelwet pensioenen 2014 heeft toegezegd de bedoelde situatie te zullen onderzoeken, waarbij het meestal een arbeidsongeschikte werknemer betreft die na twee jaar uit dienst gaat bij zijn werkgever, wiens pensioenopbouw dan, op basis van de premievrijstelling, gewoon doorgaat maar die dan geen dienstverband meer heeft en dus geen werkgever die hem een nettopensioen-regeling kan aanbieden? Deelt u de constatering dat de desbetreffende persoon zich dan in de tweede pijler helemaal niet kán verzekeren? Heeft het door u toegezegde onderzoek reeds geresulteerd in oplossingsrichtingen? Zo ja, welke?
Het bericht dat de brandweer bezorgd is om veiligheid bij uitrukken in duo’s |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hoe reageert u op het bericht dat de Vakvereniging Brandweervrijwilligers (VBV) en vakbonden variabel uitrukken levensgevaarlijk vinden?1
Hoe reageert u op de stelling van de VBV dat zij niet betrokken is geweest bij de ontwikkeling van het landelijk kader «Uitruk op maat»?2
Wat vindt u ervan dat de vakbonden negatief oordelen over het kader «Uitruk op maat»? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe zijn de vakbonden betrokken bij de ontwikkeling van het kader «Uitruk op maakt»? Is dat in uw ogen voldoende geweest?
Hoe reageert u op de stelling van de VBV dat met het vaststellen van het kader «Uitruk op maat» door het Veiligheidsberaad en besluiten van enkele veiligheidsregio’s, die bewust de wettelijke bepalingen negeren, de veiligheid van brandweerpersoneel op het spel wordt gezet?
Vindt u dat er gezien de reactie van de vakbonden en de VBV genoeg draagvlak op de werkvloer is voor het kader «Uitruk op maat»?
Kunt u aangeven hoe hard het kader «Uitruk op maat» is? Welke vrijheid hebben veiligheidsregio’s om hier een eigen interpretatie aan te geven?
Kunt u per veiligheidsregio aangeven hoe zij de «Uitruk op maat» op dit moment uitvoeren cq van plan zijn uit te voeren? Kunt u hierbij onderbouwd uw oordeel geven over de veiligheid van de gekozen wijze van uitrukken?
Deelt u de mening dat bij elke wijze van uitrukken de veiligheid van brandweerpersoneel, brandweervrijwilligers en de samenleving gegarandeerd moet zijn? Bent u van mening dat het kader «Uitruk op maat» die veiligheid biedt? Kunt u dat onderbouwen?
Zijn de reactie van de VBV en de vakbonden voor u reden het kader «Uitruk op maat» zoals het er nu ligt af te wijzen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vraagt u het veiligheidsberaad haar werk over te doen maar nu met voldoende betrokkenheid van vakbonden en brandweervrijwilligers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat gaat u doen teneinde ervoor te zorgen dat er een kader «Uitruk op maat» komt dat door de werkvloer is opgesteld en door hen wordt ondersteund?
Het bericht ‘Sabotage Belgische kerncentrale Doel mogelijk terreurdaad’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Ockje Tellegen (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sabotage Belgische kerncentrale Doel mogelijk terreurdaad»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de veiligheidssituatie met betrekking tot de kerncentrale te Doel nabij de Nederlandse grens?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Economische Zaken, in eerdere antwoorden op schriftelijke kamervragen heeft gemeld, wordt er intensief samengewerkt tussen Nederlandse en Belgische (overheids-)partijen om incidenten te voorkomen en indien deze toch plaats vinden de effecten te beperken. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) houdt onafhankelijk toezicht op de veiligheid van de Belgische kerncentrales (antwoorden verzonden d.d. 24 september 2014,(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 92). Uw Kamer is verder op 2 juli 2014 nog geïnformeerd over de harmonisatie van de maatregelen rond kernongevallen bestrijding met België en Duitsland (Kamerstuk 32 645, nr. 60.
Daarnaast is in een recent onderzoek van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) geconcludeerd dat nucleaire beveiliging in België robuust is, met een programma van voortdurende verbetering bij zowel de operators en nucleaire installaties als op overheidsniveau.
Heeft u contact gehad met uw respectieve Belgische collega’s over de sabotage van de Belgische kerncentrale in Doel en over de beveiliging van kerncentrales in het algemeen? Zo ja, kunt u duidelijkheid verschaffen over de veiligheidssituatie omtrent kerncentrales nabij de Nederlandse grens? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de Nederlandse veiligheidsdiensten signalen ontvangen over kerncentrales in of nabij Nederland als mogelijk terreurdoelwit?
Ik doe in het openbaar geen mededelingen over het kennisniveau van de Nederlandse veiligheidsdiensten. Er is op dit moment geen aanleiding om het dreigingsniveau voor de nucleaire sector in het kader van het alerteringssysteem terrorismebestrijding te veranderen.
Acht u het noodzakelijk om te bekijken of de beveiliging van Nederlandse kerncentrales voldoende is om de veiligheid te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het niet noodzakelijk om de beveiliging van de Nederlandse nucleaire installaties naar aanleiding van dit voorval nader te bekijken. De Nederlandse nucleaire installaties voldoen aan desbetreffende Nederlandse wet- en regelgeving, en daarmee aan de geldende internationale maatstaven.
De affaire Demmink |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de aangifte van de zes gevangenisdirecteuren tegen de Minister van Veiligheid en Justitie gezien?
Ja, ik ben overeenkomstig artikel 8 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid door de voorzitter van de Tweede Kamer van het verzoek aan de Kamer om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 5 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid op de hoogte gesteld.
Klopt het dat de Minister van Veiligheid en Justitie sinds 14 juni 2013 beschikt over een document van een Turkse officier van Justitie (gedateerd 22 april 2013) waarin wordt vermeld dat onderzoek in Turkije heeft uitgewezen dat de heer Demmink op 20 juli 1996 Turkije was binnengereisd? Zo ja, kunt u dit document aan de Kamer doen toekomen, desnoods vertrouwelijk, inclusief een officiële vertaling (door een beëdigde tolk)?
Zoals ik uw Kamer reeds op 8 november 2013 heb laten weten, ontving het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 14 juni 2013 een kopie van een document betreffende een Turkse sepotbeslissing in een zaak waarbij in Turkije aangifte was gedaan tegen o.a. tegen o.a. een oud-ambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In het document was een verwijzing opgenomen naar gegevens in een (aangifte)dossier die betrekking zouden hebben op in- en uitreisregistratie van de van de oud-ambtenaar in Turkije.
Het document is na ontvangst door het Ministerie van Veiligheid en Justitie onmiddellijk ter beschikking gesteld van het Openbaar Ministerie zodat de relevantie van het document voor de op dat moment nog lopende artikel 12 Strafvordering-procedure kon worden beoordeeld. De advocaat-generaal bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft vervolgens een rechtshulpverzoek geformuleerd waarin de Turkse autoriteiten om nadere informatie wordt gevraagd over de inhoud, achtergrond en betekenis van het document. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft het rechtshulpverzoek, zoals gebruikelijk is bij rechtshulpverzoeken, doorgezonden aan de Turkse autoriteiten.
De artikel 12 Strafvordering-procedure waarnaar hierboven wordt verwezen, heeft geleid tot de beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2014 waarin de officier van justitie bij het Landelijk Parket is bevolen een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Ik doe geen mededeling over de inhoud van documenten die onderdeel zijn van een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Aan wie is dit document (reeds) ter beschikking gesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze vragen over de affaire Demmink beantwoord worden en hoeveel ambtenaren zich daar de afgelopen jaren mee bezig gehouden hebben?
Er is niet geregistreerd hoeveel ambtenaren in de afgelopen jaren betrokken zijn geweest bij de behandeling van Kamervragen, Wob-verzoeken en burgerbrieven die betrekking hebben op juridische procedures waarbij de voormalige secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie betrokken was en daarmee verband houdende aangelegenheden. Ik kan u wel mededelen dat er door het Ministerie van Veiligheid en Justitie sinds 2012, meer dan tien burgerbrieven zijn beantwoord, er meer dan twintig besluiten zijn genomen in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur en er meer dan tien brieven aan de Tweede Kamer zijn gestuurd die betrekking hebben op deze juridische procedures en daarmee verband houdende aangelegenheden.
Wat zijn de totale kosten die de afgelopen vijf jaar gemaakt zijn voor de heer Demmink in deze zaak, zoals advocaatkosten? Kunt u die kosten uitsplitsen naar zaak en naar tijdstip?
Zoals ik uw Kamer reeds heb medegedeeld op 22 januari 2014 liepen in de afgelopen jaren een drietal juridische procedures waarbij de voormalige secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie betrokken was. Het betreft de hiervoor genoemde artikel 12 Strafvordering-procedure die heeft geleid tot het thans lopende strafrechtelijke onderzoek. Daarnaast was er een voorlopig getuigenverhoor, geïnitieerd door De Stichting de Roestige Spijker en de civielrechtelijke procedure tegen het Algemeen Dagblad.
Over de afspraken met betrekking tot de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze procedures heb ik uw Kamer op 8 november 2013 en op 22 januari 2014 bericht. Alle declaraties van kosten van rechtsbijstand van de voormalige secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie die door het ministerie zijn vergoed, zijn in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur reeds openbaar gemaakt en zijn gepubliceerd op rijksoverheid.nl. De totale kosten van rechtsbijstand die in de afgelopen vijf jaar zijn vergoed, zijn in onderstaande tabellen weergegeven.
Factuurdatum
bedrag
7 oktober 2013
13.388,05
6 november 2013
21.072,10
10 december 2013
8.944,08
9 januari 2014
15.373,78
11 februari 2014
2.738,35
18 februari 2014
2.541,00
Totaal
64.057,36
Factuurdatum
bedrag
19 februari 2013
9.268,30
12 september 2013
16.166,86
18 februari 2014
10.866,56
18 februari 2014
12.597,85
Totaal
48.899,57
Bevinden de rapporten, die over de heer Demmink geschreven zijn door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bij zijn sollicitaties als Directeur-Generaal en Secretaris-Generaal op de ministeries van Justitie en van Defensie, zich op een veilige plek? Voor wie waren en zijn deze rapporten toegankelijk?
Kunt u er zorg voor dragen dat zij niet verloren gaan, kwijt raken of beschermd worden?
Wie hebben de afgelopen vier jaar de bedoelde rapporten ingezien?
Zijn er Ministers die deze rapporten ingezien hebben of deze rapporten hebben laten inzien en/of zich over de inhoud hebben laten informeren? Zo ja, welke, door wie en wanneer?
Kunt u deze rapporten op korte termijn voor de Kamer ter beschikking stellen (eventueel vertrouwelijk)?
Heeft een Minister, Minister-President of een hoge ambtenaar in de afgelopen vier jaar enig Kamerlid benaderd om een vertrouwelijk gesprek te voeren met ambtenaren over de zaak Demmink? Zo ja, wie deed/deden dat en met wie zijn die gesprekken gevoerd?
Het is niet ongebruikelijk dat, bijvoorbeeld naar aanleiding van Kamervragen of in het kader van een aanhangig wetsvoorstel, bewindspersonen en/of ambtenaren contact hebben met Kamerleden. Van de frequentie of het doel van dergelijke contacten wordt geen overzicht bijgehouden. Indien bedoelde contacten met ambtenaren plaatsvinden, geschiedt dat vanzelfsprekend overeenkomstig de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren. In dit kader heb ik ermee ingestemd dat in 2013 een aantal Kamerleden een mondelinge toelichting heeft gekregen op de antwoorden die waren gegeven op de gestelde Kamervragen.
Heeft een Minister, Minister-President of hoge ambtenaar in de afgelopen vier jaar enige fractievoorzitter, partijvoorzitter of partijleider benaderd over de zaak-Demmink naar aanleiding van uitspraken, Kamervragen1 en vragen vanuit het Europees parlement?2 Zo ja, kunt u dan per gesprek een toelichting geven wat het doel ervan was?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht dat de recherche zo goed als stilligt door een stuwmeer aan overuren |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tientallen tot mogelijk honderd zaken worden doorgeschoven naar volgend jaar omdat rechercheurs verlofuren moeten opnemen?1
Het zal altijd zo zijn dat er prioriteiten gesteld moeten worden bij de inzet van politiepersoneel. Het stellen van deze prioriteiten is een verantwoordelijkheid van het gezag i.c. het OM. Dit proces vindt gedurende het hele jaar plaats, Het is dus geen kwestie van doorschuiven naar volgend jaar. Daarbij is het een gegeven dat in de maand december, net als in veel andere organisaties, ook meer politiemensen verlof willen opnemen. Het opnemen van verlof vindt plaats onder het voorbehoud dat de dienst het toelaat. Zo is gewaarborgd dat als er aanleiding is om een verdachte aan te houden, dit zonder uitstel kan gebeuren.
Overuren zijn niet bedoeld om structureel extra capaciteit voor de organisatie te realiseren. Binnen de daarvoor geldende rechtspositionele regels worden overuren naar keuze van het bevoegd gezag gecompenseerd in tijd dan wel in geld, waarbij het principe tijd-voor-tijd leidend is. Bij deze keuze wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de medewerker.
Kunt u per eenheid aangeven hoeveel zaken worden doorgeschoven naar volgend jaar vanwege de opname van verlofuren? Kunt u aangeven welke categorie misdaad dit betreft?
Zie antwoord vraag 1.
Bij welke eenheden is er geen budget meer beschikbaar voor het uitbetalen van overuren?
Per eenheid is er een budget beschikbaar voor overuren. Uit de geregistreerde kosten tot en met november 2014 blijkt dat dit budget nog bij geen enkele eenheid was uitgeput.
Is het waar dat er in sommige gevallen besloten is om een verdachte pas in 2015 op te pakken? Zo ja, hoe vaak komt dit voor en welke eenheden kiezen hiervoor? Hoe legt u dit uit aan slachtoffers die verwachten dat verdachten worden gearresteerd?
Zie antwoord vraag 1.
Blijft u erbij dat u de zorg niet deelt dat in eenheden waar geen geld meer beschikbaar is voor overuren de werkdruk oploopt? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Blijft u van mening dat het verstandig is de operationele capaciteit van de politie af te bouwen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met uw Kamer en het gezag is een operationele sterkte van 49.500 fte afgesproken. Deze omvang blijft gehandhaafd.
Bent u bereid op korte termijn extra geld beschikbaar te stellen zodat overuren uitbetaald kunnen worden en de recherche weer haar werk kan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, gelet op mijn antwoord op bovenstaande vragen is dat niet nodig.
Omzetplafonds in de zorg |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is u bekend dat zorgverzekeraar Zilveren Kruis omzetplafonds afspreekt met zorgverleners, waardoor gecontracteerde zorgverleners per 1 januari 2015 niet dezelfde hoeven te zijn als de gecontracteerde zorgverleners per (bijvoorbeeld) 1 december 2015?1
Ja.
Klopt het dat door de invoering van een omzetplafond zorg bij een bepaalde zorgaanbieder vanaf een bepaalde datum niet meer volledig (in dit geval voor 75%) wordt vergoed, terwijl dat eerder in het jaar wel volledig werd vergoed?
Een zorgverzekeraar kan werken met omzetplafonds om te zorgen dat hij enerzijds de kosten beheerst door niet teveel in te kopen en anderzijds zijn zorgaanbod zo breed en divers mogelijk te laten zijn. Afgesproken is dat de zorgverzekeraar in de informatie over de zorgpolis helder is over of er sprake is van een omzetplafond en wat dit betekent.
Daarnaast is het zo dat de zorgverzekeraar een zorgplicht heeft. In het geval van een naturapolis betekent dit dat de zorgverzekeraar ervoor dient te zorgen dat de zorg binnen een redelijke termijn en op redelijke afstand beschikbaar is. Ook bij het bereiken van een omzetplafond bij een bepaalde aanbieder dient de zorgverzekeraar te voldoen aan de zorgplicht. Dit kan bijvoorbeeld door de verzekerde naar een andere zorgaanbieder te bemiddelen of door aanvullende afspraken te maken met de betreffende zorgaanbieder.
Indien de verzekerde toch kiest voor behandeling door deze zorgaanbieder (en er geen aanvullende afspraken zijn gemaakt), kan dit betekenen dat de afspraak pas in het nieuwe kalanderjaar wordt gemaakt.
Klopt het dat de zorgverzekeraar zelf aangeeft dat het zo kan zijn dat, als het omzetplafond bereikt is, een zorgverlener pas een afspraak maakt in het nieuwe kalenderjaar? Ziet u ook het risico dat hierdoor wachtlijsten kunnen ontstaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 2.
Is het volgens de huidige regels voldoende als de zorgverzekeraar op een website laat zien welke zorgaanbieder gecontracteerd is, en bij het bereiken van het plafond de contractering weghaalt? Zo ja, is dit naar uw mening voldoende transparant en misleidend?
In september 2014 heeft de NZa haar beleidsregel «Informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars en volmachten 2014» gepubliceerd. Hierin is aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het toezicht op artikel 40 Wmg en aan welke transparantieverplichtingen de zorgverzekeraar moet voldoen.
In deze beleidsregel geeft de NZa aan welke informatie zorgverzekeraars moeten bieden ten aanzien van het gecontracteerde zorgaanbod, eventuele volumeafspraken (zoals omzetplafonds) en informatie over de vergoeding van niet gecontracteerde zorg:
Zijn zorgverzekeraars verplicht op het moment dat een verzekerde kiest voor een polis, per zorgaanbieder aan te geven of er een omzetplafond is afgesproken, en hoe hoog dat omzetplafond is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich dat u in uw brief van 2 juni 2014 schrijft dat zorgverzekeraars realistische volumes dienen in te kopen bij gecontracteerde zorgaanbieders?2 Wat verstaat u onder «realistische volumes», en waar is in de regelgeving vastgelegd dat zorgverzekeraars hieraan moeten voldoen?
In mijn brief van 2 juni 2014 over recht op gecontracteerde zorg heb ik aangegeven dat zorgverzekeraars realistische volumes dienen in te kopen. Het zou immers onwenselijk zijn wanneer zorgverzekeraars bij hun polisverkoop adverteren met een breed gecontracteerd aanbod, terwijl zij in de praktijk weinig volume inkopen. Dat zou verzekerden op het verkeerde been kunnen zetten.
Op grond van artikel 40 Wmg dragen verzekeraars zorg voor de door hen beschikbaar gestelde informatie waaronder ook reclame-uitingen. Deze informatie mag geen afbreuk doen aan de Zvw en mag ook niet misleidend zijn. De NZa houdt hier toezicht op.
Met de bij vraag 5 genoemde beleidsregel vult de NZa de open normen van artikel 40 Wmg nader in zodat dit duidelijkheid en rechtszekerheid biedt voor de verzekerde en de verzekeraar. Daarnaast is dit van belang vanwege mogelijke handhavingsacties van de NZa naar aanleiding van eventuele overtredingen van artikel 40 Wmg.
Overigens merk ik op dat omzetplafonds een belangrijk instrument zijn voor zorgverzekeraars bij de contractering van zorgaanbieders. Daarmee dragen ontzetplafonds bij de betaalbaarheid en het van hoge kwaliteit blijven van de zorg. Immers – zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2 en 3 al aangeef – voorkomen omzetplafonds dat er teveel zorg wordt ingekocht en maken omzetplafonds een breed en divers zorgaanbod mogelijk.
Klopt het dat, als een omzetplafond is bereikt, het mogelijk is dat de zorgverzekeraar de klant naar een andere instelling verwijst die nog wel ruimte heeft? Als een zorgverzekeraar daarvoor kiest, kan dat dan een teken zijn dat de verzekeraar primair stuurt op prijs, en niet op kwaliteit? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Deze stelling is mijns inziens onjuist omdat meerdere aanbieders aan dezelfde kwaliteitseisen kunnen voldoen. Inkoop van verschillende aanbieders van goede kwaliteit geeft de verzekerden meer mogelijkheden. Zonder omzetplafonds zouden echter ofwel de kosten omhoog lopen ofwel de keuzevrijheid afnemen.
Bovendien, zoals ik in mijn antwoord bij 2 en 3 aangeef, dient de zorgverzekeraar te voldoen aan de zorgplicht. Bij het bereiken van een omzetplafond kan dit betekenen dat de verzekeraar – in overleg met de verzekerde – deze naar een andere zorgaanbieder bemiddelt. Ik zie niet waarom dit zou betekenen dat de zorgverzekeraar primair stuurt op prijs en niet op kwaliteit. Immers, ook de zorgaanbieder waarnaar wordt bemiddeld, is gecontracteerd op basis van kwaliteit en prijs.
In het verlengde hiervan heb ik in mijn brief van 2 december aan de NZa gevraagd om ten aanzien van de budgetpolissen expliciet te kijken of de contractering via deze polissen voldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. Tevens heb ik gevraagd daarbij te beoordelen of de verschillende budgetpolissen en andere polissen van één verzekeraar een lijn kennen in wie wel en wie niet wordt gecontracteerd. Dit om een indicatie te krijgen in hoeverre alleen prijs het criterium is geweest van de contractering. De NZa heeft in haar reactie aangegeven dat zij zullen kijken of een verzekeraar voor alle polissen dezelfde contractvoorwaarden met aanbieders heeft of dat deze verschillen tussen budgetpolissen en overige polissen. En of budgetpolishouders dezelfde kwaliteit van zorg krijgen als degenen die andere, duurdere polissen afsluiten. Ik verwacht de resultaten van dit onderzoek in de loop van het eerste kwartaal van dit jaar.
Klopt het dat de zorgverzekeraar de keuze heeft tussen bemiddelen naar een andere zorgaanbieder of iemand op de wachtlijst laten zetten? Kunt u aangeven wanneer de zorgverzekeraar moet bemiddelen, en wanneer het op een wachtlijst zetten is toegestaan? Welke stem heeft de verzekerde daarbij?
Gelet op de zorgplicht dienen verzekeraars ervoor te zorgen dat de zorg binnen een redelijke termijn en op redelijke afstand beschikbaar is. Wat redelijk is, is afhankelijk van de soort zorg. Zo is een redelijke termijn voor spoedeisende zorg anders dan voor planbare zorg.
In het geval van het bereiken van een omzetplafond zal de zorgverzekeraar altijd in overleg met de verzekerde naar een oplossing zoeken. Daarbij kan een verzekerde zelf kiezen om liever even te wachten of juist niet.
Klopt het dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aangeeft dat, als er omzetplafonds worden afgesproken, de verzekeraar een algemene uitleg moet vermelden, samen met een toelichting waarin de mogelijke gevolgen voor de verzekerde per zorgaanbieder worden gegeven?3 Bent u van mening dat Zilveren Kruis voldoet aan de vereisten uit de beleidsregel? Zo ja, bent u van mening dat de vereisten uit de beleidsregel afdoende zijn om transparantie te garanderen?
Ja, dit klopt. Zie ook mijn antwoord op vraag 4 en 5.
In de algemene informatie over de belangrijkste wijzigingen polissen 2015 maakt Zilveren Kruis kenbaar dat er sprake is van omzetplafonds en wat het gevolg is als dit plafond wordt bereikt. Dit is ook opgenomen in de polisvoorwaarden.
Daarnaast geeft Zilveren Kruis op haar website aan wat een omzetplafond is, wat de gevolgen kunnen zijn voor een verzekerde van een omzetplafond en een verwijzing naar de zorgzoeker waar verzekerden kunnen terugvinden met welke zorgverleners er omzetplafonds zijn afgesproken. De NZa geeft aan dat Zilveren Kruis hiermee voldoet aan de eisen die hieromtrent zijn opgenomen in de beleidsregel.
Suïcidepogingen in de gesloten gezinslocaties in Zeist |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat sinds de opening van de gesloten gezinslocatie in Zeist, 1 oktober jl., er verschillende suïcidepogingen zijn ondernomen? Kunt u aangeven hoeveel dit er zijn geweest?
Wat gebeurt er met ouders die een poging tot zelfdoding ondernemen? In hoeverre worden ook de gezinnen, en in het bijzonder de kinderen, professioneel opgevangen en ondersteund?
In hoeverre worden de gevolgen voor kinderen gemonitord?
Zijn suïcidale vreemdelingen vanuit de gesloten gezinslocatie al uitgezet? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het hier? Zijn er voorwaarden verbonden aan deze uitzettingen? In hoeverre worden de belangen van kinderen gewaarborgd wanneer zij uitgezet worden, in het bijzonder wanneer één of beide ouders suïcidaal is?
Is onderzocht waarom er in korte tijd zoveel suïcidepogingen zijn ondernomen op deze locatie? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit onderzoek? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te onderzoeken?
Welke maatregelen zijn er ondernomen teneinde het aantal suïcidepogingen terug te dringen?
Klopt het tevens dat gezinnen soms gescheiden worden getransporteerd naar de gesloten gezinslocatie? Waarom vinden deze gescheiden transporten plaats? Deelt u de mening dat dergelijk gescheiden transporten, in het bijzonder voor kinderen, als zeer belastend worden ervaren? Kunt u toezeggen dat dergelijke gescheiden transporten niet langer plaats zullen vinden?
Schepenveilingen door de Rabobank aan de Rabobank |
|
Farshad Bashir |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Rabo hoogste bieder op schepenveiling»?1
Ik ben bekend met het artikel in De Schuttevaer van 29 november jl.
De Rabobank geeft desgevraagd aan dat de beschreven werkwijze klopt. Indien de door de Rabobank vooraf gestelde bodemprijs (gebaseerd op een inschatting van de minimale opbrengstwaarde) niet wordt gehaald, koopt de Rabobank via een dochteronderneming dit schip in. De Rabobank hanteert deze werkwijze met het oogmerk om het schip op een later moment alsnog te verkopen, dan wel het te exporteren of demonteren tegen een reële waarde.
De bodemprijs ligt in alle gevallen hoger dan de door deskundige makelaars vastgestelde executiewaarde van het betreffende schip. Dit heeft een gunstige invloed op de restschuld van de schipper.
Klopt het dat de Rabobank middels een eigen of een aan de Rabobank verbonden BV een deel van de schepen die geveild werden en waar zij zelf een hypotheek op had, gekocht heeft? Kunt u deze constructie toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Rabobank vervolgens aanspraak kan maken op een staatsgarantie van 1 miljoen euro per schip? Kunt u dit toelichten? Indien dit klopt, wat vindt u van deze constructie?
Bij het verstrekken van een krediet voor de aankoop van een binnenvaartschip kan gebruik worden gemaakt van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) van het Ministerie van Economische Zaken. De maximum hoogte van het krediet dat onder de regeling gebracht kan worden is regulier € 1 miljoen2.
De verkoop van het schip vermindert de schuld van de ondernemer, ook als de verkoop plaats vindt aan een dochter van de bank. Alleen een eventueel resterend verlies op het deel van het totaal verleende krediet dat onder de BMKB valt kan gedeclareerd worden. Er vindt dus geen dubbele vergoeding aan de bank plaats.
De constructie beoogt een opbrengst onder de door onafhankelijke experts vastgestelde bodemprijs te voorkomen, waardoor zowel de ondernemer als de Staat niet door deze constructie worden benadeeld. Ik heb daarom geen bezwaar tegen deze constructie.
Wordt de schuld van de schipper van het desbetreffende schip dan ook met 1 miljoen euro verminderd of blijft die onverminderd? In het laatste geval, deelt u de mening dat dit onterecht is, als een groot deel van het verlies van de bank al door de Staat gecompenseerd is door de garantieregeling ter waarde van 1 miljoen euro per schip?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt de schuld van de ondernemer verminderd met de opbrengst van de verkoop van het schip. Dit bedrag kan dus niet ook bij de Staat gedeclareerd worden. Als er nog schuld resteert en een deel van het krediet valt onder de BMKB-regeling, krijgt de bank dit vergoed als aan de voorwaarden is voldaan. Om de belangen van de Staat te waarborgen, blijft de ondernemer wel aansprakelijk voor het door de overheid vergoede bedrag.
Deelt u de mening dat er zo een prikkel voor de Rabobank is om een bod op een eigen schip uit te brengen om in ieder geval die 1 miljoen euro te kunnen incasseren?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt de schuld van de ondernemer al verminderd door de verkoop van het schip, en kan de opbrengst van de verkoop niet ook vergoed worden in het kader van de BMKB-regeling. Er is dan ook geen prikkel voor de bank vanuit de BMKB-regeling om zelf een bod uit te brengen bij verkoop van een schip.
Wat vindt u ervan dat vervolgens de schipper van een dergelijk schip weer aan het werk gaat als zogenaamde aflosser om zijn schulden af te lossen?
De Rabobank geeft aan dat schepen in deze constructie uit de vaart gaan en de voormalig eigenaar geen betrokkenheid houdt. De ondernemer zal aansprakelijk blijven voor een eventuele restschuld, zoals gebruikelijk is bij een bedrijfsfaillissement, maar deze niet vereffenen door zonder vergoeding op het schip te blijven werken. Zoals uit het antwoord op vraag 5 blijkt is er ook geen sprake van subsidie aan de Rabobank bij de aankoop van een schip.
Deelt u de mening dat de Rabobank hierdoor een schip in eigendom krijgt met een miljoen euro subsidie en met aan boord een schipper die (een groot deel van zijn leven) gratis «25 uur per dag, 8 dagen per week» aan het werk moet om zijn schulden aan de Rabobank af te lossen? Wat vindt u hiervan? Vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Rabobank met deze gesubsidieerde schepen, met aan boord een aflosser, niet onder de kostprijs gaat varen en zo nog meer schippers in problemen gaat brengen?
Zoals uit het antwoord op vraag 7 blijkt, is geen sprake van gesubsidieerde schepen, of het gratis blijven werken door de binnenvaartschipper. De constructie leidt dus niet tot schepen die onder de kostprijs kunnen varen.
In gesprekken eind 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met de betrokken banken is gebleken dat de banken zich in het algemeen maximaal inspannen om binnenvaartondernemingen in de huidige situatie van langdurige overcapaciteit aan de gang te houden. Faillissementen op grote schaal konden hiermee tot nu toe vermeden worden, maar zijn in individuele gevallen soms onvermijdelijk. Opleggen, exporteren of demonteren van schepen in deze gevallen dragen er wel aan bij dat negatieve effecten voor de markt als geheel voorkomen kunnen worden.
De financiële en sociale gevolgen van de wet hervorming kindregelingen voor de kinderalimentatie |
|
Michiel van Nispen , Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Opstelten (VVD), Fred Teeven (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat er diverse onvoorziene neveneffecten kleven aan de Wet hervorming kindregelingen, bijvoorbeeld het gevolg dat de ontvanger van kinderalimentatie er fors op achteruit gaat?1 2 3
In bovenstaande analyse is weergegeven hoe de Wet hervorming kindregelingen (WHK) kan doorwerken in het bedrag aan kinderalimentatie. Bij het in kaart brengen van de gevolgen voor kinderalimentatie is onverkort uitgegaan van de versie 2015 van het Rapport Alimentatienormen. De mogelijkheid voor de rechtspraktijk om in specifieke gevallen hiervan af te wijken en aanvullend maatwerk te leveren is hierin dus niet betrokken. Uit de in de analyse opgenomen rekenvoorbeelden blijkt dat de ontvanger van kinderalimentatie er in de meeste gevallen op vooruit gaat. In gevallen waar er sprake is van een achteruitgang is deze veelal beperkt en kan deze mogelijk worden gemitigeerd door een verhoging van partneralimentatie. De exacte gevolgen voor kinderalimentatie zijn sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een specifiek geval.
Bent u bekend met de uitleg die de Expertgroep Alimentatienormen (bestaande uit familierechters) recent aan de nieuwe wet heeft gegeven, namelijk dat het vervallen van de alleenstaande oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande ouderkorting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie enerzijds, en de verhoging van het kindgebonden budget en de invoering van de «alleenstaande ouderkop» anderzijds, leiden tot een verlaging van de resterende behoefte van het kind en dus van de kinderalimentatie?4
De publicatie van de Expertgroep Alimentatienormen betreffende «de Wet hervorming kindregelingen en Rapport Alimentatienormen» op www.rechtspraak.nl is bekend. In de analyse is reeds op dit rapport ingegaan.
Is het in uw ogen de juiste uitleg van deze werkgroep van familierechters, die zich beroepen op de wetsverdediging in de Eerste Kamer, met als gevolg dat voortaan geldt dat een verhoging van het kindgebonden budget met een alleenstaande ouderkop een verlaging van de resterende behoefte van het kind betekent? Zo nee, wat is naar uw mening wel een juiste uitleg?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat alleenstaande ouders met de alleenstaande ouderkop (deels) werden gecompenseerd zodat zij geen nadeel zouden ondervinden van het wegvallen van de aanvulling voor alleenstaande ouders in de minimumregelingen en het wegvallen van het fiscale voordeel voor werkende alleenstaande ouders op het minimum? Wordt dit doel wel bereikt nu de gevolgen voor de kinderalimentatie bekend zijn?
De WHK heeft de specifieke financiële ondersteuning die alleenstaande ouders ontvangen geharmoniseerd zodat alle alleenstaande ouders met een laag inkomen, ongeacht of ze werken of een uitkering ontvangen, gelijk worden behandeld. Om dit te bereiken zijn de initiële aanvullingen voor alleenstaande ouders in de minimumregelingen en de fiscale regeling die gericht was op alleenstaande ouders, komen te vervallen en is de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget ingevoerd. Aan het doel van harmonisering en gelijke behandeling doen de gevolgen voor kinderalimentatie niet af.
Realiseert u zich dat door de wijziging van de regelgeving kinderalimentatie vaak niet meer verschuldigd zal zijn omdat de overheid hierin al voorziet middels het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop? Hoe beoordeelt u dit?
In de hiervoor opgenomen analyse geef ik weer hoe de WHK kan doorwerken in het bedrag aan kinderalimentatie uitgaande van de alimentatienormen 2015. In deze analyse ben ik tevens ingegaan op de keuze van de expertgroep ten aanzien van de toerekening van de alleenstaande-ouderkop aan de behoefte van het kind. De exacte gevolgen voor kinderalimentatie zijn sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een specifiek geval. Hoewel de alleenstaande-ouderkop in mindering wordt gebracht op de behoefte van het kind, houdt dat niet per definitie in dat er geen kinderalimentatie verschuldigd zal zijn. De behoefte van het kind kan immers groter zijn dan hetgeen daar aan ondersteuning uit kindregelingen op in mindering wordt gebracht. Het uitgangspunt bij de vaststelling van de behoefte van het kind is immers de levensstandaard van het kind vóór de scheiding zoveel mogelijk op peil te houden. Vooral bij hogere inkomens zal er doorgaans dan ook nog behoefte resteren waarin door middel van kinderalimentatie moet worden voorzien. Als gevolg van de systematiek in combinatie met de WHK wordt inderdaad een groter deel van de behoefte van kinderen gedekt door overheidsondersteuning en minder door de ouders.
Indien de niet-verzorgende ouder minder van zijn draagkracht hoeft in te zetten voor kinderalimentatie, resteert er meer ruimte voor eventuele partneralimentatie.
Is het waar dat in feite voor lage inkomens het betalen van de kinderalimentatie feitelijk is afgeschaft, omdat het kindgebonden budget en/of de alleenstaande ouderkop (betaald door de overheid) voortaan voorziet in de kosten van de kinderen? Zo nee, hoe moet deze wijziging dan worden geïnterpreteerd worden?
Zie antwoord vraag 5.
Denkt u dat veel mensen zich bewust zullen zijn van deze uitleg en de verstrekkende gevolgen die dit kan hebben, onder andere voor de hoogte van de kinderalimentatie? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo nee, wat gaat u eraan doen om deze uitleg breed bekend te maken onder ouders die kinderalimentatie betalen?
De gevolgen van de WHK op de hoogte van kinderalimentatie is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een specifiek geval. In de publieksvoorlichting over de WHK (via de tool Veranderingen kindregelingen) zijn ouders nadrukkelijk gewezen op de mogelijke consequenties van deze wet voor kinderalimentatie en worden ook andere informatiebronnen genoemd. Ouders kunnen advies inwinnen over de gevolgen van de WHK in hun specifieke geval bij een advocaat, mediator of het Juridisch loket.
Kunt u reageren op het voorbeeld van «Esmee», waaruit blijkt dat haar maandelijks inkomen van 1.400 euro weliswaar gelijk blijft maar de alimentatie dreigt te vervallen, omdat de alleenstaande ouderkop niet langer wordt opgeteld bij de draagkracht maar direct af gaat van het bedrag dat geldt voor de behoefte van het kind, met als gevolg dat zij 250 euro minder in de maand overhoudt?5
In de hiervoor opgenomen analyse geef ik weer hoe de WHK kan doorwerken in het bedrag aan kinderalimentatie uitgaande van de alimentatienormen 2015. De exacte doorwerking op het bedrag aan kinderalimentatie blijft afhankelijk van de persoonlijke situatie en hoe in geval van wijziging het alimentatiebedrag initieel is vastgesteld. Er is te weinig informatie over dit specifieke voorbeeld beschikbaar om een nauwkeurige berekening te maken van de gevolgen van de WHK op de hoogte van de kinderalimentatie.
Zijn dergelijke proefberekeningen ook al gemaakt door de betrokken ministeries? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen en de Kamer over alle mogelijke scenario’s te informeren?
In de hiervoor opgenomen analyse is een aantal voorbeelden uitgewerkt uitgaande van de alimentatienormen 2015. De gekozen voorbeelden sluiten aan bij de gestelde Kamervragen en zijn uitgebreid om het spectrum van gevolgen goed in beeld te brengen.
Deelt u de mening van de echtscheidingsadvocate Schram dat het krom is dat het verschuldigde alimentatiebedrag lager wordt als gevolg van deze wetswijziging, terwijl de draagkracht van de alimentatieplichtige niet is gewijzigd? Zo nee, waarom niet?6
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening van advocate Moons dat het stelsel aanzienlijk ingewikkelder en oneerlijk wordt en kunt u uw antwoord toelichten?7 Kunt u voorts ingaan op de stelling van Moons dat in feite aan de niet-hoofdverzorger de boodschap wordt gegeven: «U hoeft uw kinderen niet meer te onderhouden, dat doet de overheid wel voor u. De overheid geeft uw ex een alleenstaande-ouderkop op het kindgebonden budget, dan bent u ervan af.»?
Zie antwoord vraag 5.
Denkt u eveneens dat het bijstandsverhaal door gemeenten als gevolg van dit alles voortaan niet meer mogelijk zal zijn? Wat zijn hiervan volgens u de financiële gevolgen voor de gemeentes? Is dit effect beoogd, of eveneens een ongewenst neveneffect van deze regels te noemen?
In de bovenstaande analyse ben ik ingegaan op de doorwerking op het bijstandsverhaal en de financiële gevolgen voor gemeenten.
Kunt u de mogelijke gevolgen schetsen voor een alleenstaande co-ouder met een bijstandsuitkering waarvan het minderjarige kind staat ingeschreven bij de andere ouder, die daardoor geen recht hebben op het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop? Zijn deze gevolgen beoogd?
Een alleenstaande co-ouder, van wie het kind bij de andere ouder staat ingeschreven wordt voor de bijstand en voor het kindgebonden budget feitelijk behandeld als een alleenstaande. Dit betekent dat er geen recht is op kindgebonden budget, dus geen recht ontstaat op de alleenstaande-ouderkop, maar ook geen recht was op de alleenstaande-ouderkorting of een alleenstaande-oudertoeslag in de bijstand. Indien deze ouder een bijstandsuitkering heeft, is de draagkracht minimaal en daardoor is ook de bijdrage aan kinderalimentatie aan de ontvangende ouder nul. Dit verandert niet met een wijziging. Het blijft bovendien ter beoordeling aan de gemeenten om, bijvoorbeeld in voorkomende gevallen van co-ouderschap, de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Bent u bekend met de gevolgen voor alimentatieplichtigen, die onder andere vanwege het vervallen van de fiscale aftrek levensonderhoud het verschuldigde bedrag kunnen laten wijzigen bij de rechter, maar (net) niet in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand? Kunt u ook deze gevolgen schetsen?
Het wegvallen van de fiscale aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen kan de draagkracht van de alimentatieplichtige verminderen, zodat er aanleiding kan bestaan de hoogte van de kinderalimentatie te wijzigen. Daarbij is het uitgangspunt dat de ex-partners zelf afspraken over wijziging maken. Alimentatieplichtigen die er niet in slagen overeenstemming met de alimentatiegerechtigde te bereiken, kunnen de rechter om wijziging van de kinderalimentatie verzoeken. Dat geldt zowel voor alimentatieplichtigen die gebruik kunnen maken van gesubsidieerde rechtsbijstand als voor alimentatieplichtigen die daarvoor op grond van hun inkomen en vermogen niet in aanmerking komen. Ook gebruikers van gesubsidieerde rechtsbijstand zijn griffierecht verschuldigd. Zij betalen daarnaast een eigen bijdrage voor de gesubsidieerde rechtsbijstand.
Overigens zullen te allen tijde alimentatieplichtigen voorafgaand aan een wijzigingsprocedure de kosten van een dergelijke procedure wegen tegen de financiële gevolgen van wijziging. Dit ongeacht de aanleiding voor een wijzigingsverzoek.
Zijn de koopkrachtcijfers, welke u bij de behandeling van het wetsvoorstel aan de Kamer hebt verstrekt, ook met de kennis van nu nog correct? Zo nee, bent u bereid opnieuw de koopkrachteffecten van de Wet hervorming kindregelingen door te rekenen en de uitkomsten daarvan aan de Kamer te zenden?8
Bij de presentatie van inkomenseffecten van wetsvoorstellen wordt alleen rekening gehouden met generieke maatregelen (maatregelen die op iedereen van toepassing zijn). Bij het inkomensbeeld, zoals gepresenteerd bij de WHK, is daarom geen rekening gehouden met de gevolgen voor kinderalimentatie. In de voorbeelden in de analyse zijn de inkomenseffecten als gevolg van de WHK aangevuld met de mogelijke gevolgen voor kinderalimentatie.
Verwacht u ook een stortvloed aan alimentatiezaken? Vreest u ook dat dit zal leiden tot nieuwe conflicten tussen ex-partners, nog los van de belasting van de rechterlijke macht?9
De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn advies van 3 juni 2013 inzake het wetsvoorstel hervorming kindregelingen aangegeven dat het wetsvoorstel in de overgangsfase mogelijk zal leiden tot een extra instroom van wijzigingsverzoeken ter zake van kinderalimentatie. De Raad merkt op dat het niet goed mogelijk is om hiervan een concrete inschatting te maken. Bovendien is het volgens de Raad niet uitgesloten dat in individuele gevallen de effecten van een lagere kinderbijslag, het vervallen van de alleenstaande-ouderkorting en een hoger kindgebonden budget (elkaar) gedeeltelijk zullen opheffen.
De eventuele gevolgen van de maatregelen in het kader van de WHK voor lopende kinderalimentatieverplichtingen hoeven als zodanig niet te leiden tot nieuwe conflicten tussen ex-partners. Het gaat immers om wijziging van regelgeving die objectief bepaalbaar van invloed kan zijn op de wettelijke maatstaven draagkracht en behoefte voor de berekening van kinderalimentatie. Het gaat niet om factoren zoals wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden van de alimentatieplichtige of -gerechtigde. De verwachting is dan ook dat ex-partners in overleg en eventueel met behulp van rechtshulpverleners, zoals mediators en advocaten, tot wijziging van lopende kinderalimentatieverplichtingen kunnen komen. Hierbij is het belangrijk op te merken dat bij wijziging alle dan bestaande relevante omstandigheden worden meegenomen, dus ook omstandigheden die los staan van de WHK.
Welke gevolgen heeft dit alles voor kinderen? Deelt u de mening dat als gevolg van het mogelijk massaal wijzigen, of in ieder geval onzeker worden van verplichtingen in verband met kinderalimentatie, het gevolg kan zijn strijd uitbreekt tussen ouders en kinderen daardoor gedupeerd zullen raken en klem komen te zitten tussen (over alimentatie) ruziënde ouders? Wat vindt u hiervan? Vindt u dit onwenselijk?10
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de mening dat zo mogelijk voorkomen moet worden dat per 1 januari 2015 conflicten uitbreken tussen gescheiden partners over alimentatie, omdat vooral de kinderen daar de dupe van zullen zijn? Welke ideeën heeft u hierover en welke maatregelen gaat u nemen?
In de publieksvoorlichting over de WHK (via de tool Veranderingen kindregelingen) zijn ouders gewezen op de mogelijke consequenties van deze wet voor kinderalimentatie en worden ook andere informatiebronnen genoemd. De inschakeling van de hulp van het Juridisch loket, mediators of advocaten, waarnaar ook in de reguliere overheidsvoorlichting wordt verwezen, kan bewerkstelligen dat ouders in overleg nagaan of de in de WHK opgenomen maatregelen nopen tot aanpassing van de lopende alimentatieverplichting.
Deelt u de mening dat, vanwege de verstrekkende gevolgen van de gewijzigde wet en de uitleg die daaraan wordt gegeven, u zich niet meer op het standpunt zou moeten stellen dat het maken en wijzigen van afspraken over kinderalimentatie de eigen verantwoordelijkheid van de ouders is en dat ze maar naar de rechter moeten gaan als ze er niet uitkomen, zeker niet omdat kinderen de dupe zullen zijn van (financiële) onzekerheid en conflicten tussen beide ouders?11
Uit de bovenstaande analyse blijkt dat de gevolgen van de WHK op de hoogte van de kinderalimentatie sterk afhankelijk zijn van het specifieke geval en daarmee erg genuanceerd liggen. De inkomenseffecten van de WHK in samenhang met eventuele alimentatiewijzigingen zijn overwegend positief. Slechts in specifieke gevallen treden er negatieve inkomenseffecten op.
Zoals hiervoor in antwoord op de vragen 16–17 is opgemerkt, behoeven de eventuele gevolgen van de in de WHK opgenomen maatregelen voor door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen kinderalimentatiebedragen niet tot conflicten tussen de ouders te leiden, aangezien het hier gaat om objectieve omstandigheden, die buiten de persoonlijke sfeer van betrokkenen liggen en dus op zichzelf geen stof voor discussie hoeven op te leveren.
Ziet u mogelijkheden om de potentiële schade voor alleenstaande ouders, die optreedt als gevolg van deze wetswijziging en de uitleg die hieraan wordt gegeven, te compenseren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De bovenstaande analyse geeft aan dat veel van de ouders geen negatieve gevolgen ondervinden van het totaal van de WHK en de doorwerking van de WHK op de hoogte van de kinderalimentatie. Ik zie daarom geen aanleiding voor compensatie, hoewel de gevolgen in specifieke gevallen anders kunnen zijn.
Bent u bereid deze vragen op zo kort mogelijke termijn te beantwoorden, omdat er in ieder geval ruim voor de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2015 duidelijkheid moet zijn?
In mijn brief van 12 januari 2015 heb ik u te kennen gegeven dat uw Kamervragen voor mij aanleiding waren om in samenspraak met de overige betrokken bewindspersonen de gevolgen van de WHK nader in kaart te brengen, rekening houdend met het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen en het in de motie Heerma gevraagde advies van de Raad voor de rechtspraak. Daarbij heb ik aangegeven hiervoor enige tijd nodig te hebben. De bedoelde analyse treft u hierbij aan alsmede de beantwoording van de vragen.