Bent u bekend met het bericht «Miljarden extra nodig voor Nederlandse leger»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) dat de Nederlandse krijgsmacht er belabberd aan toe is en buitengewoon kwetsbaar is geworden?
Nee. De deelneming aan diverse missies maakt duidelijk dat Defensie nog in staat is tot het leveren van kwalitatief hoogwaardige militaire bijdragen. Dit laat onverlet dat de inzetbaarheid van de krijgsmacht aan beperkingen onderhevig is. Over deze beperkingen is eerder aan de Tweede Kamer gerapporteerd, onder meer in het kader van de rapportage over de inzetbaarheidsdoelstellingen (Kamerstuk 33 763, nr. 57 van 9 oktober 2014) en ook recent in mijn brief van 22 mei jl. over knelpunten in de materiële gereedheid.
Wat is uw reactie op het pleidooi voor een «Deltaplan Krijgsmacht» om tussen de 3,3 miljard en 5,7 miljard euro per jaar extra te investeren in defensie?
De adviezen van de AIV worden betrokken bij de gedachtevorming over de richting waarin de krijgsmacht zich verder moet ontwikkelen. De Kamer ontvangt rond Prinsjesdag het afschrift van de reactie die het kabinet zal opstellen naar aanleiding van het AIV-advies «Instabiliteit rond Europa» (Nr. 94, april 2015).
Vindt u net als de AIV dat het extra geld in elk geval gebruikt moet worden om nieuwe tanks aan te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wanneer gaat u uw naïeve buitenland- en defensiebeleid, bijvoorbeeld ten opzichte van Rusland, wijzigen in een realistische aanpak gebaseerd op een sterke krijgsmacht?
In de beleidsbrief Internationale Veiligheid «Turbulente tijden in een instabiele omgeving» (14 november 2014) heeft het kabinet uiteengezet hoe het de meest relevante ontwikkelingen in onze internationale veiligheidsomgeving en de gevolgen ervan voor ons buitenland- en (internationaal) veiligheidsbeleid beoordeelt in aanvulling op de Internationale Veiligheidsstrategie. Deze brief maakt duidelijk dat naar het oordeel van het kabinet het belang van bondgenootschappelijke en territoriale veiligheid in alle hevigheid terug is en dat Nederland en Europa ook op het gebied van de internationale rechtsorde voor nieuwe uitdagingen worden geplaatst. Als gevolg van de recente ontwikkelingen worden binnen de Navo hogere eisen gesteld aan de gereedheid, de snelheid waarmee kan worden ingezet en de beschikbaarheid van militaire capaciteiten.
Het kabinetsbeleid ten aanzien van Rusland is verwoord in de brief aan uw Kamer van 13 mei jl. (DEU-175/2015).
Ziet u het belang in van het nakomen van de afgesproken NAVO-norm van 2% en daarmee de noodzaak van het verhogen van het defensiebudget met minimaal 5 miljard euro?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u de reactie op het AIV-advies op korte termijn naar de Kamer sturen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht “Kleine verzekeraars vechten om voortbestaan” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kleine verzekeraars vechten om voortbestaan»?1 Wat vindt u van de problematiek die in het artikel wordt aangekaart met betrekking tot kleine verzekeraars?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Met de invoering van de richtlijn solvabiliteit II per 1 januari 2016 wordt het prudentiële toezicht op verzekeraars in sterke mate verbeterd. Onderdeel van deze richtlijn is, zoals in het artikel ook wordt opgemerkt, dat de solvabiliteitseisen meer op risico gebaseerd worden. Aan de verdere professionalisering van het toezicht op verzekeraars zijn kosten verbonden, waarbij voor verzekeraars met een beperkte risico-omvang (hierna: kleine verzekeraars) is gekozen voor een proportionele benadering.
Zoals in het geciteerde artikel wordt opgemerkt, zitten de knelpunten voor kleine verzekeraars met name in de toezichtkosten en het feit dat premievolume en de winstgevendheid al gedurende een groot aantal jaren onder druk staat. Dit laatste punt is een bekend gegeven; zo merkt bijvoorbeeld de Commissie Verzekeraars in haar recente rapport «Nieuw leven voor verzekeraars» dat ook op en zij beveelt aan dat verzekeraars zullen moeten innoveren en zich opnieuw moeten positioneren. Teneinde de toezichtkosten zo veel mogelijk te beperken, zijn versoepelingen aangebracht in het toezichtregime voor kleine verzekeraars, overigens zonder de handhaving van goed toezicht in gevaar te brengen. Hierdoor sluiten de toezichteisen ook beter aan bij de aard van het bedrijf van deze kleine verzekeraars.
De versoepelingen hebben onder andere betrekking op vermindering van de complexheid van de berekeningen van het solvabiliteitskapitaalvereiste en de technische voorzieningen2, een beperking van de rapportageverplichtingen, het laten vervallen van de rol van EIOPA in het toezicht en veel minder uitgebreide governance-eisen in vergelijking tot verzekeraars die onder de richtlijn solvabiliteit II vallen. Ook is de absolute minimum nominale solvabiliteitseis voor kleine verzekeraars een stuk lager dan voor verzekeraars die onder de richtlijn solvabiliteit II vallen3.
Voor natura-uitvaartverzekeraars is voorts van belang dat de berekening van de risicomarge in de voorzieningen voor polishouders vooralsnog niet wordt ingevoerd. De indruk bestaat namelijk dat de voorgeschreven berekening niet passend is voor deze verzekeraars. Daarom is ervoor gekozen de huidige methodiek uit de Wft voorlopig te handhaven.
De eis van Solvency II om een actuariële functie te hebben, waarbinnen geregeld wordt dat de voorzieningen voor polishouders adequaat worden uitgerekend, zal alleen gaan gelden voor de natura-uitvaartverzekeraars en de schadeverzekeraars die langlopende verplichtingen hebben. Voor deze groepen geldt momenteel al dat zij hun voorzieningen voor polishouders moeten laten certificeren door een actuaris.
Kleine verzekeraars zullen ook niet aangemerkt worden als organisaties van openbaar belang (OOB’s). Dit voorkomt administratieve lasten en kosten, omdat aan de accountant en zijn accountantscontrole meer regels worden gesteld wanneer een onderneming wordt aangemerkt als OOB. De meeste kleine verzekeraars zijn nu ook geen OOB.
Tot slot wordt voorzien in een vrijstellingsregeling voor de allerkleinste natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars, waardoor zij in het geheel geen toezichtstaten voor DNB meer hoeven in te vullen.
Kan er een overzicht gegeven worden van kleine verzekeraars die in de afgelopen vijf jaar zijn gestopt, dan wel zijn overgenomen, dan wel een portefeuille in afbouw hebben (ofwel stoppen met het verstrekken van nieuwe verzekeringen, zoals Conservatrix)? Hoeveel nieuwe verzekeraars zijn de afgelopen vijf jaar tot de markt toegetreden?
Onderstaande tabel geeft een globaal4 overzicht van het aantal uitschrijvingen en inschrijvingen van kleine verzekeraars van 1 januari 2011 tot heden.
Totaal ingetrokken/vervallen verklaringen resp. vergunningen vanaf 2011
77
Totaal verleende verklaringen resp. vergunningen vanaf 2011
4
In hoeverre is het streven vanuit de regelgever en de toezichthouder actief gericht op consolidatie van verzekeraars en dus het verdwijnen van kleine verzekeraars?
De afgelopen jaren heeft DNB meerdere malen gerapporteerd over de precaire situatie op de Nederlandse levensverzekeringsmarkt.5 Het is de verwachting dat het premievolume en de nieuwe productie van individuele levenspolissen de komende jaren zal blijven krimpen en dat verdere kostenbesparingen noodzakelijk zijn. Ook de Commissie Verzekeraars heeft onlangs op deze situatie gewezen.6 Consolidatie kan bijdragen aan het reduceren van de vaste kosten en daarmee bijdragen aan een toekomstbestendige sector. Dit betekent echter niet dat er geen ruimte is voor kleinere verzekeraars of dat er actief gestuurd wordt op het verdwijnen van kleine verzekeraars.
Bent u het ermee eens dat kleine verzekeraars in het verzekeringslandschap een goede bijdrage kunnen leveren, vanuit het oogpunt van concurrentie, innovatie en maatwerk, en dat het niet wenselijk is dat alleen de grotere verzekeraars overblijven? Zo nee, waarom niet?
Door middel van regelgeving en het toezicht daarop, wordt gestreefd naar een gezonde, stabiele en concurrerende verzekeringsmarkt. Kleine verzekeraars kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan een diverse en concurrerende verzekeringsmarkt. Inzet bij de ontwikkeling van het toezichtregime voor kleine verzekeraars is dan ook geweest om het toezicht zo in te richten dat de polishouder goed beschermd kan worden, maar dat dit niet ten koste gaat van het voortbestaan en de ontwikkeling van de kleine verzekeraars.
Waar zitten volgens u de knelpunten als het gaat om kleine verzekeraars om te kunnen voortbestaan c.q. het hoofd boven water te kunnen houden? Wat zijn daarvoor mogelijke oplossingen? Welke maatregelen in de huidige regelgeving kan u nemen om kleine verzekeraars meer ruimte te bieden?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre sluit de regelgeving Solvency II Basic voldoende aan bij kleine verzekeraars, bijvoorbeeld als het gaat om de solvabiliteit en om de kosten die verzekeraars moeten maken en de toezichtkosten?
Zie antwoord vraag 1.
De dreigende 'digitale dementie' in het openbaar bestuur |
|
Jacques Monasch (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bestuurders waarschuwen voor «digitale dementie»» in Binnenlands Bestuur?1
Ja.
Herkent u de problematiek die de bestuurders in hun brief beschrijven? Zijn er redenen voor gelijksoortige zorgen ten aanzien van de digitale archivering van de rijksoverheid, mede naar aanleiding van de constateringen van de tijdelijke commissie «ICT bij de overheid»?
De Nederlandse overheid digitaliseert. Dat is noodzakelijk voor een betere dienstverlening aan burgers en aan bedrijven. Het is ook nodig voor een efficiënte overheid die op kosten bespaart. Er is veel aandacht voor de digitalisering van overheidstaken en dienstverlening via internet. Maar onderkend moet worden dat informatiebeheer en digitaal archiveren niet altijd de hoogste prioriteit hebben. Van de zorgen van de burgemeesters en van andere bestuurders hebben we terdege kennis genomen. Hun zorgen worden gedeeld. Digitale werkprocessen vergen aandacht voor digitale bewaring veel eerder in het proces en reeds bij de ontwikkeling van een administratiesysteem. De uitgaven daarvoor zijn direct; het profijt komt vaak pas op lange termijn. De omvang van de informatie en de hoeveelheid documenten is tegenwoordig zo groot, dat papieren opslag – in een «archiefdoos» – ook onmogelijk is. Kon die tot enige tijd geleden nog worden geprint en «ouderwets» worden opgeborgen, dat is alleen al door de omvang van de informatiestroom niet meer mogelijk.2 De informatie op papier moet steeds meer wijken voor een al maar groter wordende stroom digitale informatie. Een digitale overheid impliceert digitale opslag en archivering.
In de reactie op het eindrapport Grip op ICT van de tijdelijke commissie ICT wordt aangegeven dat ook de rijksoverheid kampt met een forse uitdaging om overzicht te houden en het informatiebeheer zo in te richten dat het handelen van het Rijk reconstrueerbaar blijft zodat verantwoording afgelegd kan worden aan de samenleving en de Kamer.3 Het beheer van digitale documenten is niet dusdanig geregeld dat de terugvindbaarheid daarvan gegarandeerd is. Het Kabinet wil binnen deze regeerperiode het digitaal documentbeheer op orde hebben. Er is opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een gezamenlijk programma Informatiehuishouding voor de komende jaren. Als één van de toegezegde generieke voorzieningen is door het Nationaal Archief voor lange termijn opslag en beheer van digitale informatie een e-depot ontwikkeld. De komende jaren sluiten de beleidskernen aan bij deze voorziening waardoor informatie beter te delen en doorzoekbaar te maken is.
Archief 2020, het Nationaal Archief en ICTU werken samen aan het thema Digitale Duurzaamheid van de NORA (Nederlandse Overheid Referentie Architectuur). Digitale Duurzaamheid biedt houvast aan ICT-architecten om in projecten duurzame toegankelijkheid van digitale informatie te waarborgen. Recent is ook het Normenkader Duurzaam Toegankelijke Overheidsinformatie (DUTO) in een bètaversie gepresenteerd.4
Deelt u de zorg van de geciteerde bestuurders dat de eerste twintig jaar van deze eeuw de slechtst gedocumenteerde ooit dreigen te worden? Zo ja, kan dit tij nog gekeerd worden en wat moet daarvoor gebeuren? Zo nee, waarom niet?
De zorg voor het geheugen en het cultureel erfgoed van de Nederlandse overheid zijn een zaak van algemeen belang. Democratisch bestuur veronderstelt transparantie en de mogelijkheid van controle en verantwoording. Overheidshandelen dient reconstrueerbaar te blijven zodat verantwoording kan afgelegd. Kennis over het overheidshandelen moet beschikbaar zijn en blijven. Dat vergt bewustwording en onderkenning van het belang van duurzame archivering. De VNG, IPO en UvW brengen dit samen met deskundige organisaties onder de aandacht. Er worden diverse activiteiten en vormen van onderricht georganiseerd. In 2012 heeft de Minister van OCW samen met het IPO, VNG en de UvW het Archiefconvenant gesloten om de digitale uitdaging gezamenlijk aan te gaan. Vanuit het uitwerkingsprogramma Archief 2020 wordt gewerkt aan duurzame digitale toegankelijkheid. De Minister van OCW ondersteunt het gezamenlijke project Archiefinnovatie Decentrale Overheden (AIDO). Dat heeft tot doel overheden te stimuleren en te ondersteunen bij duurzame digitale archivering.
Welke veranderingen zijn er nodig in de procedures voor archivering door de digitalisering van werkprocessen? Op welke wijze hebben overheidsorganisaties zich hierop voorbereid en is dit al afdoende?
Evenals een traditioneel, fysiek archief dient ook een digitaal archief te voldoen aan hoge kwaliteitseisen inzake de betrouwbaarheid van de techniek en de archieforganisatie. En zoals ook bij vraag 2 werd aangegeven, vergen digitale werkprocessen aandacht voor digitale bewaring vroeg in het ontwikkelingsproces.
Op welke wijze wordt er toezicht gehouden op de digitale archivering van gemeenten, provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen? Bent u van mening dat hiermee een sluitend systeem van toezicht bestaat? Zo ja, waarop baseert u deze mening? Zo nee, hoe moet dit toezicht verbeterd worden?
De provincies zien op grond van de Gemeentewet toe op de uitvoering van wettelijke taken bij gemeenten en waterschappen, waaronder de Archiefwet. Vanuit dit interbestuurlijk toezicht beoordelen de provincies de situatie bij gemeenten en waterschappen. Zij kunnen ingrijpen en maatregelen treffen als de uitvoering niet in orde is.
Welke problemen ontstaan door gebrekkige digitale archivering en hoe kunnen deze voorkomen worden bij een actieve houding daarin? Hoe overtuigt u medeoverheden en uw collega’s van de belangen van goede digitale archivering?
Voor een indicatie van de problemen die kunnen ontstaan door gebrekkige digitale archivering, zouden we willen verwijzen naar de brief van genoemde bestuurders alsmede naar bevindingen in het eindrapport Grip op ICT.
Welke verantwoordelijkheid heeft u voor een correct werkende archivering? Hoe vult u deze verantwoordelijkheid in?
De Minister van BZK en de Minister van OCW dragen met name een verantwoordelijkheid voor het systeem en het stelsel van respectievelijk de openbaarheid van bestuur (Wob) en de bewaring van informatie (Archiefwet). De Minister van OCW ondersteunt in dat kader het programma Archief 2020. Dit is een innovatieprogramma waarin de archiefsector en alle lagen van openbaar bestuur in Nederland samenwerken om te komen tot duurzame toegankelijkheid van digitale overheidsinformatie en een toekomstvaste archieffunctie.5 Daarnaast heeft het gezamenlijke overheidsproject AIDO tot doel decentrale overheden te stimuleren en te ondersteunen bij duurzame digitale archivering.
Het bericht dat een bijstandsgerechtigde is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege vrijwilligerswerk |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de rechter waarbij een bijstandsgerechtigde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld vanwege vrijwilligerswerk?1
Neen. De uitspraak in deze casus is voor zover mij bekend niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.
Tot welke reactie geeft het feit dat een bijstandsgerechtigde die (onbeloond) vrijwilligerswerk verrichtte, is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, u aanleiding?
Zoals ik ook bij de vragen hierover van het lid Schouten heb aangegeven, vind ik alle vormen van participeren in de samenleving van groot belang. Dit neemt niet weg dat er aan de bijstand verplichtingen zijn verbonden, waaronder de inlichtingenplicht (Participatiewet artikel 17, eerste lid) en de arbeidsinschakeling en tegenprestatie (Participatiewet artikel2 waaraan bijstandsgerechtigden dienen te voldoen. Alleen in geval de verplichtingen verbonden aan de uitkering verwijtbaar niet worden nageleefd kan dit leiden tot een maatregel of een bestuurlijke boete. Op basis van de summiere informatie uit Joop.nl lijkt in deze casus de informatieplicht langdurig niet te zijn nagekomen. Kennelijk bedraagt het nadeel meer dan de aangiftegrens van € 50.000. Het is dan aan het OM om tot vervolging over te gaan en de zaak voor de rechter te brengen. Vervolgens is het aan de rechter om te komen tot een passende strafbepaling.
Vindt u het terecht dat bijstandsgerechtigden die vrijwilligerswerk verrichten het risico lopen hier een (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor te krijgen? Zo ja, waarom en in welke gevallen? Zo nee, wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de uitspraak van de rechter zich tot het standpunt van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat bijstandsgerechtigden invloed moeten hebben op de keuze van maatschappelijk nuttige activiteiten? Welke gevolgen heeft de uitspraak van de rechter voor mensen met een bijstandsuitkering die vrijwilligerswerk verrichten?2
De vraag refereert aan de behandeling van de tegenprestatie in de Tweede Kamer; dat is de verplichting om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten. Ik heb aangegeven dat het van belang is dat bijstandsgerechtigden invloed kunnen hebben op de keuze van de maatschappelijk nuttige activiteiten. Dat werkt motiverend. De wet biedt de mogelijkheid aan gemeenten om rekening te houden met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de betrokkene. Dat betreft echter situaties waarin de gemeente en betrokkene samen en in onderling overleg werken. Het betreft niet een situatie waarin in weerwil van de inlichtingenplicht de gemeente niet op de hoogte is.
Is uitspraak van de rechter in deze zaak gebaseerd op de regels van vóór 1 januari 2013?3
Uw verwijzing naar «de Eerste uitspraak CRvB over het aangescherpt boeteregiem sociale zekerheid» heeft geen relatie met deze casus. Deze uitspraak heeft namelijk betrekking op een opgelegde boete in het kader van de werkloosheidswetgeving. De uitspraak waarover de vragen één tot en met vier zijn gesteld, is niet gepubliceerd. Daarom kan ik niet beoordelen of deze zaak is gebaseerd op de regels van voor of na 1 januari 2013. Ik merk volledigheidshalve op dat het aannemelijk is dat de persoon in deze casus is veroordeeld op grond van het strafrecht. Het strafrecht is niet gewijzigd met de Fraudewet.
Wanneer kan de Kamer voorstellen voor aanpassing van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer van 16 december 2014, tegemoet zien? Deelt u de mening dat nieuwe wet- en regelgeving er toe moet leiden dat mensen die onbewust of buiten hun schuld om fouten maken, niet meer worden bestraft met een hoge boete of (voorwaardelijke) gevangenisstraf? Zo nee, waarom niet?4
De Minister van SZW heeft uw Kamer in zijn brief van 30 april 2015 geïnformeerd over zijn voorgenomen aanpassingen van de Fraudewet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Naar verwachting zal het wetvoorstel voor het zomerreces 2015 voor een adviesaanvraag bij de Raad van State worden ingediend. Daarna zal het wetsvoorstel zo snel mogelijk bij uw Kamer worden ingediend. Ik ben van mening dat de boetehoogte moet zijn afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. Sinds de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 25 november 2014 (ECLI:NLCRVB: 2014:3754) wordt dat ook zo in de uitvoeringspraktijk van gemeenten en het UWV toegepast.
Het bericht ‘Wie mag er naar de witte school’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wie mag er naar de witte school»?1
Ja.
Kunt u aangeven of met de beperking van de voorkeur tot de acht dichtstbijzijnde scholen alle richtingen van het onderwijs voor alle ouders in de gemeente Amsterdam beschikbaar zijn? In hoeverre wordt volgens u recht gedaan aan de vrijheid van onderwijs wanneer ouders een richting willen kiezen die niet binnen de acht dichtstbijzijnde scholen beschikbaar is, in welk geval hun keuze in de gemeente Amsterdam bij voorbaat genegeerd zou worden?
Met dit centrale aanmeldsysteem blijven alle richtingen die in Amsterdam worden aangeboden beschikbaar voor alle ouders. Ouders hebben in Amsterdam nog steeds de vrijheid om hun kind aan te melden bij de school van hun keuze, ook als deze niet bij de acht dichtstbijzijnde scholen hoort. Een kwart van de scholen in Amsterdam heeft echter te maken met overaanmeldingen. Deze scholen hebben niet voldoende ruimte en kunnen niet alle leerlingen toelaten. Zij moeten daarom op een objectieve en transparante manier beslissen welke leerlingen worden toegelaten.
Een school mag hiervoor werken met bijvoorbeeld postcodebeleid en/of met een broertjes/zusjes-regeling. Het staat een school ook vrij om hier gezamenlijke afspraken over te maken met de andere scholen in de regio, zoals in Amsterdam het geval is. Een ouder die zijn/haar kind aanmeldt, kan meemaken dat de school de leerling wegens overaanmelding heeft moeten weigeren. Deze leerling zal altijd nog op een andere school in Amsterdam terecht kunnen. Dit heeft daarom niet zozeer te maken met een beperking van de vrijheid van onderwijs, maar met het gebrek aan plaatsingsruimte op de meest gewilde scholen.
Kunt u bevestigen dat het scholen juridisch gezien vrij staat af te zien van deelname aan systemen voor de verdeling van leerlingen, bijvoorbeeld het lotingssysteem van de gemeente Amsterdam? Zo nee, waarom niet?
Ja, scholen zijn vrij om af te zien van deelname aan een dergelijk systeem. Scholen mogen vrijwillig meedoen aan afspraken met andere scholen in de regio om de toelating van nieuwe leerlingen te stroomlijnen, maar dit is niet verplicht. Zo zijn er meerdere scholen – vooral Algemeen Bijzondere scholen- in Amsterdam die niet participeren.
In hoeverre heeft u er vertrouwen in en heeft u zich ervan vergewist dat scholen daadwerkelijk in vrijwilligheid participeren, gelet op de onvrede die eerder ontstond naar aanleiding van de vermeende vrijwillige deelname van scholen aan een Amsterdams model van toezicht op onderwijskwaliteit?
Ik heb er het volste vertrouwen in dat de basisscholen vrijwillig deelnemen. Een voorbeeld is de Eerste Openluchtschool, die ook in dit artikel wordt genoemd. Deze school participeert niet in dit systeem voor de plaatsing van de leerlingen die volgend schooljaar zullen beginnen.
Het bericht ‘De enorme interesse voor vergunningen voor internetgokken in Nederland’ |
|
Mark Harbers (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De enorme interesse voor vergunningen voor internetgokken in Nederland»?1
Ja.
Kunt u, na overleg met online gokaanbieders, deskundige veldpartijen en een oriëntatie op omringende landen, de Kamer een nieuwe inschatting geven van de te verwachten omvang van de markt voor online gokken in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Volgens de meest recente marktscan van H2 Gambling Capital (H2GC) bedroeg de omvang van de markt voor kansspelen op afstand in Nederland in 2014 ongeveer 232 miljoen euro, gerekend naar bruto spelresultaat. Afhankelijk van de precieze inwerkingtreding van het wetsvoorstel kansspelen op afstand, zal deze omvang, bij 20% kansspelbelasting, toenemen tot ruim 400 miljoen euro in 2018 of 2019 (exclusief loterijen), waarvan 300 tot 320 miljoen legaal.
Op mijn verzoek hebben drie brancheorganisaties van online kansspelaanbieders, Speel Verantwoord, European Gaming and Betting Association en Remote Gaming Association, een nadere inschatting gemaakt van de omvang van de Nederlandse markt voor online kansspelen in 2014. Deze schatting is gebaseerd op omzetgegevens van aanbieders die ieder voor zich een marktaandeel van minimaal 5% hebben en een gezamenlijk marktaandeel vertegenwoordigen van 65 tot 75%. Volgens deze gegevens bedraagt de huidige omvang van de Nederlandse online kansspelmarkt 218 tot 235 miljoen euro, gerekend naar bruto spelresultaat. Dit wijkt beperkt af van de geschatte marktomvang van circa 220 miljoen euro voor 2015, waarmee rekening is gehouden ten tijde van het regeerakkoord.
Zijn online gokaanbieders ten behoeve van deze raming desgevraagd bereid om u op korte termijn meer inzage te geven in de tot op heden gerealiseerde en te verwachten marktomvang voor het aanbieden van online gokspellen aan de naar schatting 800.000 Nederlanders die volgens schattingen online gokken?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, welke rol kan de FIOD-ECD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst-Economische controledienst) mogelijk spelen om deze informatie alsnog te helpen genereren?
Zie antwoord vraag 2.
Welke inkomsten aan kansspelbelasting raamt u bij een uniform belastingtarief voor alle online en landbased kansspelen van 24, dan wel 25% uitgaande van de gevraagde nieuwe inschatting van de marktomvang voor online gokken? In hoeverre wijkt dat positief of negatief af van de begroting?
Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel kansspelen op afstand (Kamerstuk 33 996, nr. 6) is bij de budgettaire opbrengst van dat wetsvoorstel uitgegaan van de cijfers zoals die ten tijde van het Regeerakkoord bekend waren. Nieuwe broncijfers, anders dan feitelijke realisaties, kunnen leiden tot hogere dan wel lagere opbrengsten dan eerder berekend voor het Regeerakkoord. Tegelijkertijd blijft de raming met onzekerheid omgeven. Door zoveel mogelijk uit te gaan van de ramingen uit het Regeerakkoord wordt willekeur in het ramen van beleidsmaatregelen voorkomen. Dit geldt dus zowel voor opwaartse als neerwaartse bijstellingen als gevolg van recentere cijfers. Bij het bepalen van het budgettaire effect van een uniform tarief van 24%, dan wel 25% wordt dus eveneens uitgegaan van de cijfers zoals die ten tijde van het Regeerakkoord bekend waren.
De budgettaire derving van verlaging van het KSB-tarief voor landgebonden kansspelen is € 16 miljoen per procentpunt per jaar. Een verlaging van het tarief van 29% naar 25% voor landgebonden kansspelen leidt dus tot een budgettaire derving van € 64 miljoen structureel per jaar. Een verlaging naar 24% leidt tot een derving van € 80 miljoen. Daar staat tegenover dat een verhoging van het voorgestelde KSB-tarief voor kansspelen op afstand naar 25% € 3 miljoen oplevert en naar 24% € 4 miljoen oplevert. Het verschil in opbrengst zit naast het tarief in het verschil in de te verwachten kanalisatie. Bij elkaar opgeteld leidt een uniform tarief van 25% tot een structurele budgettaire derving van € 61 miljoen en een uniform tarief van 24% tot een structurele budgettaire derving van € 76 miljoen ten opzichte van het huidige wetsvoorstel.
Welke kanalisatiegraad voorziet u bij die percentages?
Volgens de laatste marktscan van H2GC wordt bij een belastingtarief van 24% een initiële kanalisatiegraad van ongeveer 60% verwacht. Naar verwachting loopt deze kanalisatiegraad vier jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel kansspelen op afstand op tot ongeveer 70%. De kanalisatiegraad bij een belastingtarief van 25% zal hier naar verwachting niet sterk van verschillen. Dit is inclusief loterijen. Loterijen hebben 100% kanalisatie (is nu e-commerce). De feitelijke verwachte kanalisatie ligt lager.
Welke intensivering van de handhaving is er mogelijk om de kanalisatiegraad op of boven de beoogde doelstelling van circa 80% te laten uitkomen?
De handhaving jegens illegale aanbieders van kansspelen op afstand is vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet complex, vergt veel capaciteit en kent daarom de nodige beperkingen. Een sluitende handhaving op een groot aantal illegale aanbieders is daarom niet realistisch. Een succesvolle initiële kanalisatie is van cruciaal belang om de beoogde kanalisatiegraad van 80% te realiseren. Dit maakt het illegale aanbod aanzienlijk kleiner, waardoor de kansspelautoriteit haar handhavingscapaciteit meer gericht kan inzetten op het aanpakken van illegale aanbieders. Ook andere Europese lidstaten die Nederland reeds voorgegaan zijn met regulering zijn tot de conclusie gekomen dat regulering en hoge kanalisatie de beste wijze is om de speler te beschermen tegen de risico’s verbonden aan deelname aan kansspelen op afstand.
De berichtgeving aan scholen met betrekking tot de bezorging van de centraal schriftelijke examens |
|
Michel Rog (CDA), Paul van Meenen (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Op 23 april jl. kregen scholen bericht van het Ministerie van OCW over de bezorging van centrale examens; deze bezorging vindt door omstandigheden plaats in de meivakantie; in het bericht staat dat de school geacht wordt geen centrale examens af te willen nemen in het geval de bezorger de examens niet kan afleveren als de school gesloten is; wat vindt u van deze stelling in het bericht aan scholen? Bent u het inhoudelijk hiermee eens?
Ik ben het hier inhoudelijk mee eens. De directe aanleiding voor de wijziging in de bezorging van de examens was de diefstal van een aantal examens bij de Ibn Ghaldoun school in Rotterdam in 2013. De dieven hebben toen gebruik kunnen maken van de lange periode (de hele meivakantie) waarin de examens onbewaakt op de school lagen om in alle rust kopieën te maken van de examens. Daarom is besloten (en aan uw Kamer gemeld) dat de periode tussen het bezorgen van de examens en het daadwerkelijk afnemen zo kort mogelijk moet zijn. Aangezien de examens dit jaar op de dag na de meivakantie beginnen, betekent dit dat de examens aan het eind van de meivakantie bij de scholen worden aangeleverd. Op de dag zelf zou een te groot logistiek risico opleveren, omdat eventuele fouten dan niet meer hersteld kunnen worden. Ik besef dat dit betekent dat er daarmee iemand op de scholen aanwezig moet zijn om de examens in ontvangst te nemen, maar ben van mening dat dit nadeel niet opweegt tegen het risico dat anders gelopen wordt rond de veiligheid van de examens.
Daarnaast merk ik op dat de scholen over de bezorging van de centrale examens in september 2014 via de septembermededelingen van het College voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) zijn geïnformeerd. In die mededeling zijn de bezorgdata genoemd. Onlangs zijn alle scholen geïnformeerd op welk dagdeel van de drie bezorgdata de examenpakketten worden bezorgd. Dit was voor een aantal scholen aanleiding bij de Examendienst van DUO in Groningen te melden hier niet aan mee te werken. Het merendeel deed die melding anoniem. De kans bestaat dat er ook scholen gesloten blijven die dat niet (al dan niet anoniem) melden.
In overleg met het CvTE, de Inspectie van het Onderwijs en de Examendienst DUO is besloten op www.examenblad.nl te melden wat de consequenties zijn als scholen besluiten gesloten te zijn op de dag (dagdeel) van de bezorging. Andere bezorgdata zijn zoals hierboven geschetst niet mogelijk omdat direct na de meivakantie de examens starten, op maandag 11 mei 2015. Ook dit is vanzelfsprekend bij de scholen bekend.
Om die reden is de formulering gekozen dat scholen die bewust gesloten zijn hiermee feitelijk aangeven geen examens te willen ontvangen en dus ook geen examens gaan afnemen. Alleen als er sprake is van een overmacht situatie kan de school contact opnemen met DUO-Groningen.
Wat vindt u van de toon van het bericht en de manier waarop met scholen over deze kwestie gecommuniceerd wordt? Bent u het er mee eens dat het netter was geweest om te vragen om begrip voor de uitzonderlijke situatie, een datum en tijdstip voor aflevering af te spreken met scholen en zo ruimhartig mogelijk om te gaan met nalevering mochten scholen moeilijkheden ervaren met de levering?
Na de diefstal van de centrale examens in 2013 hebben scholen begrip getoond voor het besluit de bezorging van de centrale examens niet meer voor de meivakantie te laten plaatsvinden en onderkenden zij de noodzaak de levering vlak voor de afnamedatum te laten plaatsvinden. Ik heb toen ook mijn grote waardering uitgesproken voor de manier waarop de scholen hebben gereageerd op alle maatregelen die rond de diefstal noodzakelijk waren.
Ik betreur het dat de melding op www.examenblad.nl heeft geleid tot irritaties. De mededeling was in hoofdzaak gericht op de scholen, die aan DUO en CvTE hebben gemeld dat ze in mei gewoon dicht zijn. Het was beter geweest als dit in de tekst van de mededeling helder was gemaakt. Deze scholen moest duidelijk worden gemaakt wat de consequentie van die handelwijze was. Het overgrote deel van de scholen organiseert de examens perfect. Met deze scholen is, zoals u vraagt, een precieze datum en dagdeel afgesproken om de overlast voor de scholen zo klein mogelijk te houden. En zoals bij antwoord 1 is aangegeven, zal bij overmacht direct een oplossing door DUO – in overleg met de school – worden geboden.
Kunt u toezeggen dat elke school contact op kan nemen met DUO-Groningen over eventuele nabezorging van de examens en dat scholen niet geacht worden geen centrale examens te willen afnemen mocht de levering in eerste instantie, om wat voor reden dan ook, niet gelukt zijn?
Nee. Aangezien de examens direct na de meivakantie beginnen is er geen tijd voor nabezorging. Dit betekent dat alleen in gevallen van eventuele overmacht – en dat is dus nadrukkelijk niet het besluit om de examens niet in ontvangst te nemen omdat het vakantie is – naar maatwerkoplossingen gezocht kan worden.
Kunt u deze vragen, gezien de dringende aard van de kwestie, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het opleggen van een werkstraf aan een uitkeringsgerechtigde vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hoge eis voor niet gemeld kerkwerk», over het opleggen van een taakstraf aan een uitkeringsgerechtigde vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk?1
Ja.
Deelt u de mening dat het kabinetsbeleid vrijwilligerswerk niet in de weg moet staan, mede gezien het grotere beroep dat het kabinet op de samenleving doet? Ontvangt u meer signalen dat vrijwilligers vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk worden vervolgd voor fraude, ook al verdienen zij geen geld met het vrijwilligerswerk?
In de samenleving zijn alle vormen van participeren van burgers van groot belang. Dit geldt in het bijzonder voor vrijwilligerswerk. Er zijn mij geen andere signalen bekend van vervolging of veroordeling van bijstandsgerechtigden wegens fraude vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk.
Ziet u in dit licht aanleiding om nog eens goed naar de werking van de fraudewet (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) te kijken? Deelt u de mening dat de wet zich moet richten op het aanpakken van fraudeurs, en dat goedwillende mensen niet de dupe van de wet moeten worden?
Ik zie in dit verband geen reden om naar de werking van de fraudewet te kijken. Reden is dat vrijwilligerswerk impliceert dat het moet gaan om onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie met een ideële doelstelling of die een maatschappelijk nut nastreeft en doorgaans additioneel zijn op bestaande maatschappelijke voorzieningen. Omdat er geen sprake is van inkomsten uit werk kan nimmer sprake zijn van fraude (verzwijgen van inkomsten of zgn. «zwart werken») op grond van de fraudewet. Wel kan er sprake zijn van het overtreden van de arbeids- en re-integratieverplichtingen indien het verrichten van vrijwilligerswerk niet wordt gemeld en dit de arbeidsinschakeling belemmert.
Wilt u samen met de gemeenten maatregelen nemen om de voorlichting te verbeteren, zodat het voor vrijwilligers duidelijk is dat zij vrijwilligerswerk ook moeten opgeven als zij hier geen vergoeding voor krijgen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten geven voorlichting over de inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid van de Participatiewet) en maken afspraken met klanten over hun arbeidsinschakeling. Ik zie thans geen aanleiding om samen met gemeenten de voorlichting met betrekking tot vrijwilligerswerk ter hand te nemen.
Concrete ervaringen van discriminatie op de arbeidsmarkt |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sollicitatie: Yassine niet welkom, minder ervaren Stefan wel»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat in dit geval er sprake kan zijn van strafbare discriminatie van de heer Yassine M.? Zo ja, wat raadt u de heer Yassine M. aan om te doen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om in eerste instantie te bepalen of mogelijk sprake is van een strafbaar feit dat aan de rechter kan worden voorgelegd. Er bestaan in Nederland verschillende wegen om (vermeende) discriminatie aan te pakken. De heer Yassine M. kan zich daarom wenden tot een gemeentelijke anti-discriminatievoorziening voor advies of bijstand bij de afwikkeling van zijn klacht, dan wel rechtstreeks contact opnemen met het College voor de Rechten van de Mens of aangifte doen bij de politie.
Acht u het mogelijk dat er in dit geval sprake kan zijn van discriminatie op grond van de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, wat raadt u de heer Yassine M. aan om te doen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) in samenhang met artikel 1 van de Awgb, is het verboden om onderscheid te maken op grond van onder meer ras (waaronder mede wordt verstaan etnische afkomst) bij de aanbieding van een betrekking en bij de vervulling van een openstaande betrekking. De beoordeling of er in dit concrete geval sprake is geweest van verboden onderscheid is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. De heer Yassine M. kan zich wenden tot een gemeentelijke anti-discriminatievoorziening voor advies of bijstand bij de afwikkeling van zijn klacht dan wel rechtstreeks contact opnemen met het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de mening dat bij sollicitaties alleen de kwaliteit van de sollicitant van belang zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
De kwaliteiten van een sollicitant dienen centraal te staan. Als er bij een sollicitatie sprake is van discriminatie is dit onacceptabel. Ingevolge artikel 1 van de Grondwet en de verschillende gelijke behandelingswetten zoals de Algemene wet gelijke behandeling, is het niet toegestaan om (verboden) onderscheid te maken in de selectieprocedure. Iedereen die zich in Nederland bevindt, dient in gelijke gevallen gelijk te worden behandeld.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar aangifte gedaan wegens discriminatie bij een sollicitatie dan wel een klacht ingediend bij het College voor de rechten van de Mens om deze reden?
Aan de politiesystemen zijn geen aangiftecijfers specifiek over discriminatie bij sollicitaties te ontlenen. Arbeidsmarktdiscriminatie wordt overigens veelal door andere instanties behandeld, met name door de anti-discriminatievoorzieningen.
Bij het College voor de Rechten van de Mens zijn in 2013 in totaal 94 klachten op het gebied van werving en selectie binnengekomen. In 2014 waren het er 80. Hierbij is «klacht» opgevat als een verzoek om een oordeel als bedoeld in artikel 10 van de Wet College voor de rechten van de mens.
In zowel 2013 als 2014 hadden 14 van deze verzoeken om een oordeel betrekking op (vermeende) discriminatie op grond van ras.
Onder «werving en selectie» valt behalve sollicitatie onder meer ook het plaatsen van een advertentie. Het is daarom niet bekend hoeveel van de bedoelde klachten specifiek betrekking hadden op een sollicitatie.
Heeft de Inspectie SZW taken en bevoegdheden ten aanzien van het bestrijden van discriminatie bij sollicitaties en discriminatie op de werkvloer? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk dat de inspectie deze taken en bevoegdheden gaat krijgen en zo ja, op welke manier?
De bevoegdheden van de Inspectie SZW beperken zich tot het toezicht in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet op de verplichting van de werkgever om een beleid te voeren ten aanzien van het voorkómen van discriminatie van zijn/haar werknemers en hebben geen betrekking op de werving- en selectiefase. In het toezicht wordt bekeken of de werkgever inventariseert welke verschijningsvormen van discriminatie er kunnen zijn, of er maatregelen zijn genomen om discriminatie te voorkomen, en of de werkgever regelmatig toetst of maatregelen werken en deze waar nodig bijstuurt. Indien in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet wordt vastgesteld dat er sprake is van het ontbreken van een dergelijk beleid, zal de Inspectie SZW de werkgever daartoe dwingen. Zo nodig wordt een boete opgelegd.
Naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer bij de begrotingsbehandeling 20152 heeft de Inspectie SZW een Team Arbeidsmarktdiscriminatie gevormd, bestaande uit een teamleider en vijf inspecteurs. Het Team Arbeidsmarktdiscriminatie is per 1 mei van dit jaar gestart met haar werkzaamheden.
Of er in individuele gevallen sprake is van discriminatie, oftewel van ongeoorloofde ongelijke behandeling, door een werkgever bij de selectie van werknemers is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. Zij zijn hiervoor toegerust en hebben hiervoor de expertise. Een oordeel of van ongelijke behandeling sprake is vereist een uitgebreid onderzoek naar de feiten en een zorgvuldige belangenafweging door een gerechtelijke instantie. Daarbij moet tevens worden onderzocht of er in juridische zin een objectieve rechtvaardigingsgrond is, waarvoor zowel de rechter als het College zijn geëquipeerd.
De Inspectie SZW heeft hierin geen rol. Een grotere rol voor de Inspectie SZW ligt dan ook niet voor de hand.
Het bericht dat ‘gemeenten een half miljoen verdienen aan dwangarbeid’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat de gemeenten Aalten en Oude IJsselstreek werklozen met behoud van uitkering soms jarenlang plastic bloemen laat vouwen in een fabriekshal?1
Het re-integratiebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is op grond van de Participatiewet een taak van de gemeenten. De gemeenteraad controleert het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Gelet op de gemeentelijke beleidsvrijheid ligt het niet in de rede dat de rijksoverheid zich uitspreekt over het beleid van een individuele gemeente. De verantwoordelijkheid om tot adequate keuzes te komen, ligt uitdrukkelijk op het lokale niveau. Het debat over het re-integratiebeleid en de uitvoering daarvan hoort derhalve plaats te vinden in de gemeenteraad.
Mensen met een uitkering zijn overigens primair zelf verantwoordelijk om een betaalde baan te vinden en de gemeente kan hen daarbij ondersteunen, maar kan geen baan garanderen. Cliënten kunnen wel bezwaar aantekenen tegen de aan hen gerichte beschikkingen die betrekking hebben op het re-integratietraject en de cliëntenraad kan vermeende misstanden in de uitvoering van het re-integratiebeleid aan de orde stellen.
Naar aanleiding van publicaties in de regionale pers over de uitvoering van het re-integratiebeleid van de gemeente Aalten is door het College van burgemeester en wethouders een raadsmededeling opgesteld en zijn er door de gemeenteraad vragen gesteld. Het college van burgemeester en wethouders heeft antwoorden op de gestelde vragen naar de gemeenteraad gezonden.
Op welke wijze draagt het jarenlang verrichten van dezelfde onbeloonde productiewerkzaamheden volgens u bij aan het opbouwen van werkervaring en een terugkeer naar de arbeidsmarkt?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat gemeenten jaarlijks een half miljoen verdienen door werkzoekenden dwangarbeid te laten verrichten? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om deze praktijken te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Is er volgens u sprake van oneerlijke concurrentie en verdringing wanneer gemeenten betaald werk van bedrijven onbetaald en met steun aan desbetreffende bedrijven laten verrichten door werkzoekenden zonder loon, met behoud van uitkering?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat in dit geval sprake is van regulier productiewerk? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw standpunt dat regulier productiewerk normaal betaald moet worden? Zo nee, waarom niet en wanneer zou wel volgens u wel sprake zijn van regulier productiewerk?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van gemeenten dat zij zich vanwege rijksbezuinigingen op re-integratie gedwongen zien mensen te laten werken zonder loon?
Zie antwoord vraag 1.
Welke instrumenten kunt u inzetten om klachten over dwangarbeid, uitbuiting en werken zonder loon te laten onderzoeken en te doen stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Enschede betaalt werklozenbegeleider in korte tijd kwart miljoen’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de gemeente Enschede in korte tijd een kwart miljoen euro heeft betaald aan een begeleider van werklozen?1
Het re-integratiebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is op grond van de Participatiewet een taak van de gemeenten. De gemeenteraad controleert het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Gelet op de gemeentelijke beleidsvrijheid ligt het niet in de rede dat de rijksoverheid zich uitspreekt over het beleid van een individuele gemeente. De verantwoordelijkheid om tot adequate keuzes te komen, ligt uitdrukkelijk op het lokale niveau. Het debat over het re-integratiebeleid en de uitvoering daarvan hoort derhalve plaats te vinden in de gemeenteraad.
Uit informatie van de gemeente blijkt dat de ingehuurde projectleiding niet alleen is ingezet voor de begeleiding van werklozen, maar de projectleiding voor het gehele project betreft. Naast het begeleiden van werklozen betreft het project bijvoorbeeld het vitaliseren van de sportverenigingen en het opzetten van maatschappelijke activiteiten voor de buurt.
Het project had een looptijd van 3 jaar en de kosten voor de projectleiding bedroegen daarin € 204.000,-. Dit bedrag is uit andere gemeentelijke middelen betaald dan het participatie budget. Voor het project van drie jaar is een bijdrage uit het participatiebudget van de gemeente verstrekt van € 375.000,-. Het project is inmiddels geëvalueerd. Daaruit blijkt dat van de 208 werklozen die zijn gestart, 143 deelnemers hun vaardigheden zodanig hebben verbeterd dat ze gestegen zijn op de participatieladder, 58 hebben (vak)scholing gevolgd en 45 werklozen zijn doorgestroomd naar een werkplek bij een reguliere werkgever met perspectief. Van deze 45 die naar een reguliere werkgever zijn doorgestroomd hebben 13 een betaald dienstverband en is voor 17 mensen het instrument proefplaatsing ingezet. Verder kon voor 4 mensen de uitkering worden beëindigd, doordat ze gestart zijn met een studie in combinatie met studiefinanciering.
Klopt het dat (een deel van) het salaris is betaald uit het participatiebudget? Zo ja, welk bedrag?
Zie antwoord vraag 1.
Welk deel van het participatiebudget is besteed aan het project «de vitale sportvereniging»? Hoeveel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hebben aan dit project deelgenomen en hoeveel mensen hebben dankzij dit project een reguliere baan gevonden?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over het feit dat een gemeente enerzijds de rechten en het inkomen voor mensen in de bijstand zo minimaal mogelijk wil houden, maar anderzijds particulieren middels een royale beloning hieraan verdienen?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven wat de meerwaarde is van het verantwoordelijk maken van een peperdure sportmanager voor de re-integratie van werklozen? Vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Welke andere gemeenten huren dure externe krachten in voor de begeleiding en/of re-integratie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt?
Hierover zijn op mijn ministerie geen gegevens bekend, mede gelet op de decentrale bevoegdheid van gemeenten het re-integratiebeleid vorm te geven.
Bent u bereid om gemeenten aan te spreken op de inhuur van dure externen en maatregelen te nemen om de inhuur van externe (interim-)managers voor de re-integratie van mensen met een bijstandsuitkering te stoppen?
Zie het antwoord op vraag 1 tot en met 5.
De zorgen van gemeenten omtrent de financiering van de Veiligheidsregio’s |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van verschillende gemeenten over de bezuinigingsvoorstellen van de Veiligheidsregio’s en over de gemeentelijke kostenstijgingen als gevolg van de regionalisatie van de brandweer?1
De berichten waar u op doelt zijn mij bekend.
Welke gevolgen voor de veiligheid van inwoners hebben de voorgestelde bezuinigingen?
De inzet van de veiligheidsregio’s, de slagkracht van het optreden en de veiligheid van het personeel betreffen niet mijn verantwoordelijkheid maar die van het bestuur van de veiligheidsregio. Evenzo is het aan dat bestuur de inschatting te maken van hetgeen nodig is aan financiële middelen om adequaat invulling te geven aan de taken van de veiligheidsregio.
De Inspectie Veiligheid en Justitie geeft mij zicht op het niveau van brandweerzorg en rampenbestrijding. Als daaruit het beeld naar voren komt dat deze tekort schiet, heb ik de mogelijkheid om het bestuur maatregelen ter verbetering te laten treffen.
Kunt u garanderen dat bij de bezuinigingen de inzet van de veiligheidsregio’s, de slagkracht van het optreden en de veiligheid van het personeel geborgd blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het geval van gemeente Langedijk waarin een verhoging van 56% op de bijdrage aan de veiligheidsregio aan de orde is? Hoe verklaart u dit? Hoe vaak komt het voor dat gemeenten een kostenstijging van 50% of meer zien? Wat is het gemiddelde percentage?
Een veiligheidsregio is een bij wet verplicht gestelde gemeenschappelijke regeling. Het bestuur van een veiligheidsregio, bestaand uit de burgemeesters van de gemeenten in die regio, stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Die vaststelling en de verdeling van de financiële bijdragen van de inliggende gemeenten aan de veiligheidsregio vindt plaats in wisselwerking met de betrokken gemeenteraden. Langs deze lijn van verlengd lokaal bestuur hebben de gemeenteraden de mogelijkheid om hun rol in dit bestel in de relatie met de veiligheidsregio invulling te geven.
Ik beschik niet over een beeld van het aantal gemeenten dat problemen heeft met de bekostiging. Dat is zaak van gemeenten en veiligheidsregio.
Als er geen overeenstemming kan worden bereikt in het regiobestuur over de begroting, kan de gedeputeerde staten vanuit zijn rol van toezichthouder een aanwijzingsbesluit geven.
In hoeveel gemeenten zijn er problemen met de bekostiging van de Veiligheidsregio’s? Kunt u hier een overzicht van geven, inclusief een toelichting op de problemen? Welke oplossingen worden voorgedragen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u dat gemeenteraden voldoende mogelijkheden hebben om invloed uit te oefenen op de financiering van de veiligheidsregio’s? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen neemt u om de democratische controle van gemeenteraden op en de democratische legitimiteit van de veiligheidsregio’s te garanderen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Leerling naar huis door invallerlimiet’ |
|
Steven van Weyenberg (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Leerling naar huis door invallerlimiet»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in debatten en in antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Mulder, Straus, Van Weyenberg en Van Meenen hebt aangegeven dat er genoeg mogelijkheden overblijven om vervangers in te zetten?2 Hoe is het dan mogelijk dat veel schoolbesturen daar nog steeds volstrekt anders over denken?
Uiteraard herinner ik mij mijn antwoorden in de debatten en op schriftelijke vragen over dit onderwerp. In die antwoorden, zoals op de vragen van de leden Van Weyenberg en Van Meenen, heb ik ook aangegeven dat de reactie van schoolbesturen veelal is ingegeven vanuit onbekendheid met de mogelijkheden die de Wet werk en zekerheid (Wwz) biedt ten aanzien flexibiliteit in contractsvormen. In de ambtelijke gesprekken met betreffende schooldirecteuren wordt ook bevestigd dat nog niet in voldoende mate duidelijk is hoe de benodigde flexibiliteit kan worden gecreëerd. De PO-Raad geeft op dit moment intensief voorlichting via de website over de Wwz.
Bent u ervan op de hoogte dat diverse door u aangehaalde mogelijkheden om de flexibiliteit te vergroten, zoals min/max-contracten en de afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling bij cao, in de cao Primair Onderwijs niet mogelijk zijn, waardoor individuele schoolbesturen die mogelijkheden niet kunnen benutten?
Ik ben mij ervan bewust dat gebruik van min/max-contracten en de afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling vanwege de Wwz een aanpassing ten opzichte van de huidige cao primair onderwijs impliceert. Gezien de aanleiding en de doelstellingen van de Wwz, verrast mij dit ook niet. In de huidige cao primair onderwijs is immers opgenomen dat een onbeperkt aantal elkaar opvolgende tijdelijke contracten – met tussenpozen van niet meer dan drie maanden – mogelijk is in een periode van drie jaar en daarnaast dat een oproepcontract mogelijk is voor een minimale arbeidsduur van 8 uur per week. De PO-Raad en de bonden zijn daarom ook hierover in het kader van een nieuwe cao voor het primair onderwijs in gesprek geweest.
Uit de berichtgeving van de PO-Raad en de bonden van 1 mei jl. blijkt dat partijen hebben afgesproken om op dit moment geen nieuwe cao voor het primair onderwijs af te sluiten. Partijen willen extra tijd nemen voor de onderhandelingen en streven naar een nieuwe cao per 1 juli 2016. Partijen streven er na hun afspraken voor het eind van 2015 bekend te maken opdat schoolbesturen ruim de tijd hebben voor een zorgvuldige overgang naar een ander vervangingsbeleid.
Concreet betekent dit dat de huidige cao primair onderwijs doorloopt tot en met 30 juni 2016 en dat het overgangsrecht uit de Wet werk en zekerheid (Wwz) van toepassing is. Schoolbesturen kunnen daardoor tot 1 juli 2016 voor tijdelijke contracten de regels hanteren zoals die nu in de cao staan, dat wil zeggen een onbeperkt aantal tijdelijke contracten in drie jaar tijd aangaan en min/max-contracten aangaan met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week.
Bent u bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de PO (primair onderwijs)-raad en de onderwijsbonden om gezamenlijk tot een goede oplossing voor dit probleem te komen en de Kamer voor 1 juli 2015 over de uitkomsten van dit overleg te informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, indien de PO-raad en de onderwijsbonden niet voor 1 juli 2015 tot een voor beiden bevredigende oplossing kunnen komen, de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid voor de sector primair onderwijs uit te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat een omstreden sjeik naar Eindhoven komt |
|
Sjoerd Potters (VVD), Sadet Karabulut (SP), Gert-Jan Segers (CU), Peter Oskam (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de komst van sjeik Aaid al-Qarni naar Nederland?1
Nederland heeft geen visum verstrekt aan de genoemde persoon. Door de Italiaanse autoriteiten was een visum verstrekt en op basis daarvan kon de heer Al-Qarni vrij reizen in het Schengengebied. Het visum is door de Italiaanse autoriteiten ingetrokken. De heer Al-Qarni voldoet daarmee niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied en mag dus niet in Nederland verblijven. Verder heeft de organiserende stichting Waqf in een persbericht op 29 april 2015 aangegeven dat de gehele bijeenkomst niet meer doorgaat.
Heeft deze sjeik een visum ontvangen? Zo ja, is die beslissing rechtmatig genomen? Op welke gronden? Is er afstemming geweest tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de visumaanvraag? Zo ja, welke en wat waren de conclusies? Ben u bereid het visum in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Is de openbare orde in deze casus in het geding? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u overleg gehad met de burgemeester van Eindhoven over deze casus? Zo ja, waarover? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Eindhoven heeft op 28 april jl. contact gehad met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met als doel het krijgen van ondersteuning bij het maken van een afweging op grond van de openbare orde.
Klopt het dat Sjeik Aaid al-Qarni een inreisverbod heeft voor de Verenigde Staten en Frankrijk?
Het is onbekend of deze persoon een inreisverbod heeft voor de Verenigde Staten. De Franse autoriteiten hebben deze persoon met het oog op weigering van toegang of verblijf geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Dit betekent dat de vreemdeling gedurende de signalering geen toegang kan verkrijgen tot de landen binnen het Schengengebied en aan de grens zal worden geweigerd, ook als hij of zij (nog) een geldig visum heeft.
Is er contact geweest met de Verenigde Staten of Frankrijk over of naar aanleiding van de komst van deze sjeik? Zo ja, heeft dat contact aanleiding gegeven tot concrete maatregelen?
Nederland heeft hierover contact gezocht met de Franse en Italiaanse ambassade in Riyad. Hieruit bleek dat het eerder versterkte visum door de Italiaanse autoriteiten was ingetrokken.
Wordt informatie over personen met een inreisverbod tussen Nederland en andere landen uitgewisseld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wordt met deze informatie gedaan?
Handhaving van het Europese inreisverbod geschiedt middels een signalering in het SIS. Alle Schengenlanden hebben toegang tot dit systeem en kunnen daarmee vaststellen of de desbetreffende vreemdeling gesignaleerd staat als een vreemdeling voor wie een inreisverbod van kracht is. Zolang het inreisverbod en de daaraan verbonden SIS signalering van kracht zijn, is het voor een vreemdeling nagenoeg onmogelijk om in een van de Schengenlanden een visum of een verblijfsvergunning te verkrijgen. Hiervoor moet eerst het inreisverbod opgeheven worden. Ook kan op verzoek informatie die relevant is voor de signalering worden uitgewisseld. Het signalerende land zal altijd op verzoek informatie verschaffen over de reden van de signalering.
Is de lokale islamitische gemeenschap die deze sjeik heeft uitgenodigd gewezen op het feit dat deze sjeik een inreisverbod heeft in twee verschillende landen? Is er op een andere wijze contact geweest met deze gemeenschap en zo ja, waarover?
De Eindhovense wethouder voor diversiteit, die contacten met de moskeeën onderhoudt, heeft de organisator op 28 april 2015 geconfronteerd met haar zorg over de komst van de heer Al-Qarni, die volgens de media immers omstreden was en een inreisverbod voor de VS en Frankrijk had. Op 29 april 2015 heeft de burgemeester van Eindhoven met de organisator gesproken over de heer Al-Qarni, het voorkomen van polarisatie en maatschappelijke onrust en zijn verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid.
Kunt u in algemene zin aangeven welke mogelijkheden u heeft om een inreisverbod op te leggen aan personen? Bent u bereid, in navolging van de Verenigde Staten en Frankrijk, een inreisverbod in te stellen voor sjeik Aaid al-Qarni?
De vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, kan een inreisverbod worden opgelegd als deze Nederland onmiddellijk moet verlaten of niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende vertrektermijn Nederland heeft verlaten. Een vreemdeling kan onder meer worden aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De vreemdeling aan wie een inreisverbod wordt opgelegd, wordt ter fine van weigering toegang in het SIS gesignaleerd. De vreemdeling zal gedurende de signalering de toegang worden geweigerd tot de landen binnen het Schengengebied, ook als hij of zij (nog) een geldig visum heeft. Wanneer de betreffende vreemdeling reeds een visum heeft ontvangen van een andere lidstaat zal voor de signalering wel contact moeten worden gezocht met de betreffende lidstaat. Aangezien sjeik Qarny reeds ter fine van weigering was gesignaleerd in het SIS door de Franse autoriteiten, bestond er geen aanleiding voor Nederland om hem eveneens te signaleren. De SIS-signalering geldt immers voor het gehele schengengebied.
Welke mogelijkheden heeft u om via de visumplicht op te treden tegen de verheerlijking van geweld door predikers?
In de brief van het kabinet van 3 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, 29 754, nr. 303) is reeds aangegeven dat uit het buitenland afkomstige visumplichtige sprekers die in Nederland onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen willen uitdragen en daarmee de openbare orde of nationale veiligheid bedreigen, niet welkom zijn. In de brief is aangegeven dat de Minister van BZ een visum kan weigeren of intrekken wanneer personen een risico vormen voor de nationale veiligheid, openbare orde of de internationale betrekkingen. Over de nadere invulling van maatregel 20f uit het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme (het weigeren van visa van predikers – uit visumplichtige landen – die oproepen tot haat en geweld) is uw Kamer recent nog geïnformeerd via de Tweede Voortgangsrapportage van het Actieprogramma.
Ten aanzien van niet-visumplichtige predikers die oproepen tot haat en geweld is in de brief van 3 maart gesteld, dat indien zij rechtmatig in het Schengengebied verblijven, zij beoordeeld kunnen worden op de boodschap die zij tijdens hun verblijf uitdragen. Zij die een onverdraagzame boodschap uitdragen, zullen daarmee worden geconfronteerd, waar mogelijk via strafrechtelijke weg.
Welke mogelijkheden heeft u om sjeiks die de gewelddadige jihad verheerlijken te weren?
Zie antwoord vraag 10.
Is de database met haatpredikers al operationeel? Zo ja, sinds wanneer, zo nee waarom niet?
Zoals aangekondigd in de brief van het kabinet van 3 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, 29 754, nr. 303) is er een alerteringslijst opgesteld door de NCTV van sprekers en/of referenten die extra aandacht vragen in de beoordeling bij een visumaanvraag. Deze lijst is in gebruik en wordt continue geactualiseerd. Over het aantal personen op deze lijst kan ik geen mededelingen doen.
Hoeveel mensen staan gesignaleerd in deze database?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Incidenten rondom VN-gebouwen in de Gaza-strook |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van de United Nations Headquarters Board of Inquiry inzake de incidenten rondom VN-gebouwen in de Gaza-strook tussen 8 juli en 26 augustus 2014, dat de secretaris-generaal van de VN deze week in samengevatte vorm aan de Veiligheidsraad presenteerde? Zo ja, hoe beoordeelt u dit rapport?
Het kabinet verwelkomt de publicatie van de samenvatting van het rapport van de Board of Inquiry, die op 27 april door de SGVN openbaar werd gemaakt. Het kabinet is niet bekend met de inhoud van het rapport zelf, dat vertrouwelijk is. Afgaande op de beschikbare informatie is de indruk van het kabinet dat de Board of Inquiry doorwrocht onderzoek heeft uitgevoerd naar tien incidenten die plaatsvonden in VN-gebouwen in Gaza tussen 8 juli en 26 augustus 2014. Het onderzoek strekte zich uit naar acties van beide zijden.
Kunt u bevestigen dat de VN tot de conclusie is gekomen dat Palestijnse gewapende groepen naar alle waarschijnlijkheid VN-faciliteiten hebben gebruikt om wapens, bedoeld om Israël mee te bestoken, op te slaan? Zo ja, hoe kwalificeert u dit?
De samenvatting van het rapport concludeert dat in drie VN-scholen wapens zijn gevonden en vanuit twee daarvan waarschijnlijk ook zijn afgevuurd. In ten minste één geval, maar waarschijnlijk ook in de twee andere gevallen, stelt de samenvatting dat Palestijnse militante groepen daarvoor verantwoordelijk zijn. Het kabinet is hierover ontzet en acht dit onacceptabel. Het kabinet betreurt dat er minstens 44 doden en 227 gewonden zijn gevallen in VN-scholen als gevolg van Israëlische acties, zoals wordt geconcludeerd in de samenvatting van het rapport. Het kabinet beschikt niet over de benodigde feitelijke informatie om de incidenten te kunnen bevestigen. Het kabinet roept beide zijden op geloofwaardig en transparant onderzoek te doen naar vermeende schendingen van humanitair oorlogsrecht.
Kunt u bovendien bevestigen dat in elk geval op 14 juli VN-faciliteiten naar alle waarschijnlijkheid zijn gebruikt om projectielen af te schieten op Israël? Zo ja, hoe kwalificeert u dit? Wie kan hier voor verantwoordelijk worden gehouden?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de staat Israël met de aanvallen op VN-faciliteiten waarvan het vermoeden bestond dat daar projectielen opgeslagen lagen, waarschijnlijk bedoeld om Israël mee te bestoken, internationaal recht geschonden?
Op basis van het humanitair oorlogsrecht mogen burgerobjecten zoals scholen niet worden aangevallen, tenzij zij worden gebruikt om een daadwerkelijke bijdrage te leveren aan de krijgsverrichtingen. Het humanitair oorlogsrecht schrijft verder voor dat, in geval van twijfel of van dat laatste sprake is, moet worden aangenomen dat het burgerobject zijn bescherming niet verloren heeft en dus niet mag worden aangevallen. Het kabinet beschikt niet over de benodigde feitelijke informatie over de aanvallen op scholen om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de rechtmatigheid daarvan. Conform staand VN-beleid voor dergelijke onderzoeken, velt het rapport van de Board of Inquiry ook geen juridisch oordeel over de onderzochte incidenten en doet het geen uitspraken over de juridische aansprakelijkheid van partijen.
Welke stappen onderneemt de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) om de beveiliging van VN-faciliteiten te verbeteren en misbruik van deze faciliteiten in de toekomst te voorkomen?
De Board of Inquiry heeft naar aanleiding van het onderzoek een aantal aanbevelingen gedaan aan de Secretaris-Generaal (SG) van de VN, die integraal zijn opgenomen in de openbare samenvatting van het rapport. Op het terrein van veiligheid hebben de aanbevelingen onder meer betrekking op:
De SG heeft zijn Under-Secretaries-General voor Politieke Zaken, voor Juridische Zaken en voor Veiligheid opdracht gegeven om advies aan hem uit te brengen over de opvolging van deze aanbevelingen.
Worden de uitkomsten van dit onderzoek, zover u weet, meegenomen in het in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad ingestelde onderzoek naar de Gaza-oorlog van 2014? Deelt u de mening dat het onrechtmatige gebruik van VN-faciliteiten door militante Palestijnse groeperingen past bij de onderzoeksopdracht, namelijk het onderzoeken van schendingen van internationaal recht gedurende deze Gaza-oorlog?
Het is het kabinet niet bekend in hoeverre de samenvatting van het rapport van de Board of Inquiry wordt meegenomen in het onderzoek van de Commission of Inquiry. De door de VN-Mensenrechtenraad ingestelde Commission of Inquiry heeft aangegeven te zullen kijken naar vermeende schendingen van alle partijen. Het kabinet hecht aan onpartijdig, op feiten gebaseerd onderzoek naar vermeende schendingen van humanitair oorlogsrecht en van mensenrechten gepleegd door alle betrokken partijen.
Het bed, bad, brood compromis |
|
Emile Roemer (SP), Kees van der Staaij (SGP), Bram van Ojik (GL), Alexander Pechtold (D66), Sybrand van Haersma Buma (CDA), Arie Slob (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt uiteenzetten waarop de conclusie is gebaseerd dat het Comité van Ministers van de Raad van Europa de bevindingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) niet deelt omdat deze geen grondslag zouden vinden in het Europees Sociaal Handvest (ESH)? Kunt u aangeven hoe deze interpretatie zich verhoudt tot het mandaat van het Comité van Ministers zoals vastgelegd in Artikel 9, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij het ESH betreffende een systeem voor collectieve klachten, waarin duidelijk wordt aangegeven dat het Comité van Ministers zich alleen beperkt tot het doen van aanbevelingen?
De regering hecht aan getrouwe naleving van de mensenrechtenverdragen waarbij Nederland partij is. In de resolutie wordt opgemerkt dat de bevoegdheden van het ECSR gegrond zijn in het verdrag zelf en dat dit verdrag een beperking kent in de personele reikwijdte van het verdrag. Hieruit kan slechts de conclusie volgen dat de bevindingen van het ECSR geen grondslag vinden in het verdrag.
De collectieve-klachtprocedure onder het Europees Sociaal Handvest (ESH) is zo vormgegeven dat het rapport van het ECSR is gericht aan het Comité van Ministers. De verdragspartijen hebben zich in deze procedure ervan verzekerd dat zij zelf, als collectief, het laatste woord hebben in de procedure. Het Aanvullend Protocol bepaalt dat het Comité van Ministers, als het hoogste beleidsbepalende orgaan van de Raad van Europa, een resolutie aanneemt naar aanleiding van een rapport van het ECSR. Een resolutie van het Comité van Ministers is evenmin juridisch bindend. Wel geeft een resolutie, zijnde een wilsuitdrukking van het hoogste beleidsbepalende orgaan van de Raad van Europa, een sterke politieke binding.
Volgens artikel 9, lid 1 van het Aanvullend Protocol is een aanbeveling aan de betrokken lidstaat een verplicht onderdeel van de resolutie van het Comité van Ministers wanneer het ECSR in een rapport een schending heeft geconstateerd. Met de afsluitende aanbeveling van het Comité van Ministers om te rapporteren over de ontwikkelingen, voldoet het Comité van Ministers aan deze verdragsrechtelijke plicht. Het Comité van Ministers heeft in de aanbeveling gekozen voor een formulering die geen instemming met de kritiek van het ECSR impliceert, namelijk een neutraal verzoek om te rapporteren over mogelijke ontwikkelingen ten aanzien van dit onderwerp.
Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de uitspraken in de resolutie van het ECSR dat het argument, dat zich beroept op het gebrek aan internationale verplichtingen teneinde bescherming te bieden aan irreguliere migranten, niet geaccepteerd kan worden?
In de resolutie wijst het Comité van Ministers op het mandaat van het ECSR dat is neergelegd in het verdrag, het Europees Sociaal Handvest. Het ECSR houdt toezicht op de correcte uitvoering van dit verdrag. Dit verdrag kent een beperking in de personele reikwijdte van het verdrag. Het is dan ook niet aan het ECSR om zich uit te spreken over de rechten van illegaal in ons land verblijvende personen. Ter verdere toelichting op haar internationale verplichtingen wijst de regering met name op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Uit het EVRM vloeit geen algemene verplichting voort tot het bieden van basisvoorzieningen aan illegale vreemdelingen. Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mag rekening worden gehouden met de verblijfstatus van vreemdelingen en de belangen van de Staat om een vreemdelingenbeleid te voeren met effectief terugkeerbeleid. Wel is specifiek artikel 3 van het EVRM in dit verband van belang. Eenieder die zich in Nederland bevindt, ongeacht zijn juridische status, kan zich beroepen op het verbod van onmenselijke behandeling indien het onthouden van basale bestaansvoorzieningen daartoe zou leiden. Artikel 3 EVRM is dus een ondergrens. De regering is van mening dat hieraan wordt voldaan.
Het koppelingsbeginsel geldt niet onverkort, er zijn uitzonderingen op aangebracht juist om bescherming te bieden aan de rechten van het individu. Iedere vreemdeling heeft recht op medisch noodzakelijke zorg en er gelden extra maatregelen voor kwetsbare groepen. Zo komen gezinnen met minderjarige kinderen waarvan de asielaanvraag is afgewezen, in aanmerking voor onderdak in een gezinslocatie indien daarmee wordt voorkomen dat de kinderen in een humanitaire noodsituatie terechtkomen. Voor (uitgeprocedeerde) vreemdelingen met een medische problematiek zijn ook mogelijkheden tot opvang voorhanden.
In de huidige regeling is opvang beschikbaar in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) voor vreemdelingen die bereid zijn mee te werken aan terugkeer. Onder de nieuwe regeling krijgt de vreemdeling ook zonder deze expliciete terugkeerbereidheid voor een beperkt aantal weken toegang tot onderdak bij één van de vijf grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag en Eindhoven) en Ter Apel. Dit betreft onderdak als voorfase op verblijf in een reguliere VBL waar vervolgens gewerkt kan worden aan terugkeer.
Het kabinet is, zoals opgemerkt, van mening dat het beleid reeds voldoet aan de mensenrechtelijke standaarden.
Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de uitspraken in de resolutie van het ECSR dat er unaniem is vastgesteld dat Nederland artikel 13, vierde lid, en artikel 31, tweede lid, schendt door niet in de basale levensbehoeften te voorzien van irreguliere migranten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de stelling van het ECSR dat het ontzeggen van basale levensbehoeften aan irreguliere migranten geen enkel concreet effect heeft op het terugkeerbeleid?
Het is van belang te benadrukken dat het Nederlandse stelsel niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen geen basale levensbehoeften ontzegt. Het stelsel is dusdanig ingericht dat het voor niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen mogelijk is om onderdak te krijgen. Wel acht het kabinet het daarbij van belang dat de vreemdeling werkt aan terugkeer. Los van de vraag of het ECSR kan onderbouwen dat het maken van deze koppeling geen effect heeft op terugkeer, is het voor het kabinet veeleer van belang om door die koppeling duidelijk te maken dat langdurig verblijf in de illegaliteit onwenselijk wordt geacht.
Hoe verhoudt het huidige voorstel om opvang afhankelijk te maken van terugkeerbereidheid, zich tot de stelling van het ECSR dat in de huidige jurisprudentie van het ESH opvang niet afhankelijk gemaakt mag worden van terugkeerbereidheid?
Zoals gezegd is het kabinet van oordeel dat de bevindingen van het ECSR geen grondslag vinden in het verdrag. Bovendien is het kabinet van mening dat ook indien een vreemdeling aanspraak zou kunnen maken op voorzieningen, dit niet de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling buiten spel zou zetten.
Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat onder de nieuwe regeling een vreemdeling ook zonder expliciete terugkeerbereidheid voor een beperkt aantal weken toegang tot onderdak krijgt bij één van de vijf grote gemeenten en Ter Apel.
Bent u van mening dat het voorliggende compromis recht doet aan de uitspraken van het ECSR en het Comité van Ministers en daarmee aan de mensenrechtelijke verdragen waaraan Nederland zich gecommitteerd heeft?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat binnen Europa handvesten en verdragen die op dezelfde materie zien naast elkaar bestaan, maar waarvan de toepassing tot onduidelijke en uiteenlopende resultaten leidt? Welke inspanningen worden verricht teneinde tot harmonisatie te komen?
Het is een gegeven dat verschillende verdragen van toepassing zijn op de verschillende rechtsordes in Europa. Het kabinet beschouwt het bestaan van verschillende mensenrechtelijke instrumenten als een feit. Het ESH en het EVRM kennen zowel een verschil in materiële reikwijdte als personele reikwijdte. Het is uiteraard van belang dat de toezichthoudende organen zich rekenschap geven van elkaars jurisprudentie.
Harmonisatie in de onderhavige context zou voorts in principe kunnen geschieden door verdragswijziging. Het kabinet acht het echter niet haalbaar om het bestaande acquis open te breken en met alle lidstaten van de Raad van Europa hierover in onderhandeling te treden.
In hoeverre bent u van mening dat uit de uitspraken van de beide Europese Comités een onderscheid valt op te maken tussen illegale vreemdelingen die onderdaan zijn van landen die partij zijn bij het ESH en van landen die geen partij zijn?
Onder de werking van het Handvest zijn slechts die vreemdelingen begrepen die onderdaan zijn van andere Partijen bij het Handvest én die legaal verblijven op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
Het genoemde onderscheid tussen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die onderdaan zijn van een Partij bij het verdrag en zij die onderdaan zijn van Staten die geen partij zijn bij het ESH ziet de regering niet terug in het rapport van het ECSR en de regering maakt dit onderscheid dan ook niet in haar beleid. Dit is ook niet aan de orde gekomen in de collectieve klachtprocedure tegen Nederland nu de klacht zag op toegang tot voorzieningen voor uitgeprocedeerde vreemdelingen uit welk land afkomstig dan ook.
Kunt u aangeven waarom bij het aanwijzen in de voorfase van de Vrijheidsbeperkende Lokaties (VBL) niet is gekozen voor een evenwichtige spreiding over het land? Kunt u ingaan op de bezwaren van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? In hoeverre kan het beperkte aantal gemeenten in de voorfase van de VBL tot praktische problemen leiden, zoals onnodige vervoersbewegingen tussen de voorfase van de VBL en de VBL?
De reden om naast de locatie Ter Apel (waar de huidige VBL is gevestigd) te kiezen voor de vijf grootste gemeenten is dat, voor zover daar thans zicht op bestaat, daar de grootste aantallen vertrekplichtige vreemdelingen verblijven, binnen het zicht van de gemeenten. Daarbij ontstaat met het vestigen van de locaties in Ter Apel, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven feitelijk ook reële spreiding over het land.
Wat verstaat u onder een beperkt aantal weken waarin de vreemdeling in de voorfase van de VBL mag verblijven? Is het ook mogelijk dat het alle weken van het jaar betreft? Zo nee, waarom niet?
De duur van het verblijf in de voorfase van de VBL bedraagt een beperkt aantal weken teneinde het belang van de effectiviteit van het terugkeerbeleid te bewaken. In goed overleg met de VNG/gemeenten zal invulling worden gegeven aan het aantal weken waarin vreemdelingen in de locatie voorfase VBL mogen verblijven.
Bent u bekend met de onlangs aangenomen motie Voordewind/Voortman (Kamerstuknummer 19 637, nr. 1988) waarin de regering wordt opgeroepen de succesvolle aanpak van de Pauluskerk te Rotterdam over te nemen? Bent u bekend met het feit dat deze aanpak zich juist niet beperkt tot enkele weken?
Ja, ik ben bekend met de motie Voordewind/Voortman. Ik zal in gesprek gaan met VNG/gemeenten over de wijze waarop vorm kan worden gegeven aan de locatie voorfase VBL. Ook de goede ervaringen van de aanpak van de Pauluskerk zullen in die gesprekken aan de orde komen.
Wanneer voldoet een vreemdeling aan de criteria dat hij oprecht en aantoonbaar wil terugkeren? Welke instantie maakt deze inschatting en hoe wordt hierop toegezien?
De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) beoordeelt of voldoende is gewerkt aan vertrek. Daarbij weegt mee wat wordt verklaart in de verschillende vertrekgesprekken. Door actief handelingen te verrichten om het daadwerkelijk vertrek te realiseren toont een vreemdeling aan dat hij werkt aan vertrek. Een vreemdeling kan op verschillende manieren laten zien dat hij werkt aan zijn vertrek. In de vertrekgesprekken die worden gevoerd tussen regievoerder en vreemdeling worden gezamenlijke afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over het aanvragen van een document bij de vertegenwoordiging van het land van herkomst en het leggen van contact met familie of bekenden om documenten op te laten sturen die de aanvraag om een reisdocument ondersteunen. Ook kan een vreemdeling een afspraak maken bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of een andere NGO die ondersteuning biedt bij het vertrek. Ook kan een vreemdeling bij een presentatie aangeven dat hij daadwerkelijk zelfstandig wil terugkeren.
Als een vreemdeling niet oprecht en aantoonbaar wil terugkeren naar het land van herkomst en uit de voorziening wordt geplaatst, hoe verwacht u dat deze vreemdeling dan zal voorzien in de basale levensvoorzieningen?
Op deze vreemdeling rust onverkort de plicht om Nederland te verlaten, en hij heeft een eigen verantwoordelijkheid om deze vertrekplicht te realiseren. Tijdens zijn verblijf in Nederland zijn basale voorzieningen beschikbaar, zoals medisch noodzakelijke zorg. Daarbij is op ieder moment onderdak (weer) mogelijk bij medewerking aan terugkeer.
Hoe bent u van plan te voorkomen dat gemeenten opvang gaan en blijven bieden nadat na enkele weken de uitgeprocedeerde asielzoekers de uitzetlocatie verlaten en niet terugkeren naar het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van de verantwoordelijkheid van burgemeesters met betrekking tot de openbare orde? Indien alle gemeenten die dat thans doen, hiermee door gaan, in hoeverre zijn de voorgestelde plannen dan een verbetering ten opzichte van de huidige situatie?
Met de nieuwe locaties voorfase VBL, is structurele opvang door de gemeente niet meer nodig. Dergelijke voorzieningen dienen dan ook te worden gesloten. Streven is hierover duidelijke afspraken te maken in het bestuursakkoord. Incidenteel kan een gemeente noodopvang bieden bij een acute noodsituatie, maar structurele opvangvoorzieningen zijn niet meer aan de orde.
Zal er in deze voorfase van de VBL ook juridische begeleiding geboden worden teneinde perspectief in Nederland te realiseren alvorens het gesprek over terugkeer aan te gaan? Zo ja, hoe zal dit worden vormgegeven?
Rijk en gemeenten zullen gezamenlijk zorgdragen voor de locaties voorfase VBL. Het kabinet zal in overleg treden met de VNG en gemeenten over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de locaties. Het ligt daarbij overigens niet voor de hand dat buiten de bestaande juridische procedures nieuwe momenten van gefinancierde rechtsbijstand worden gecreëerd.
Op basis van welke concrete maatregelen denkt u vrijwillige terugkeer daadwerkelijk te stimuleren? Kunt u uiteenzetten hoe deze aanpak verschilt van de huidige situatie?
De inzet van de DT&V is al dat de vreemdeling zelfstandig vertrekt. Regievoerders worden het komende jaar geschoold in gedragsinterventies die in andere gebieden effect hebben gehad. Daarmee zijn zij beter uitgerust om het gesprek met vreemdelingen te voeren en hen te overtuigen van het feit dat vrijwillige terugkeer (eventueel met ondersteuning) de beste optie voor hen is.
Kunt u beargumenteren waarom rijksfinanciering gekoppeld wordt aan de mate waarin succes geboekt wordt in het laten terugkeren van vreemdelingen?
Deze koppeling sluit aan bij het doel van de locaties voorfase VBL. Doel van deze locaties is dat deze bijdragen aan het inzicht van de vreemdeling dat zijn toekomst ligt in zijn land van herkomst.
Op basis van welke concrete resultaten zal de mate van succes geëvalueerd worden? Zal dit alleen op basis van de terugkeercijfers gebeuren?
Dit zal worden meegenomen in de verdere uitwerking van de afspraken in het bestuursakkoord.
Wie zal deze resultaten monitoren en hoe succesvol moet een locatie zijn om geopend te mogen blijven? Zullen deze voorwaarden vooraf helder gecommuniceerd worden?
Het ligt voor de hand dat de DT&V daarin een belangrijke rol zal spelen. De verdere vormgeving zal worden meegenomen in de verdere uitwerking van de afspraken in het bestuursakkoord.
Hoe ziet u de praktische uitvoering van het doorverwijzen van gemeenten naar de VBL? Hoe wordt er gehandhaafd dat alle niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen naar de vijf aangewezen opvanglocaties moeten gaan?
Het doorverwijzen door gemeenten naar de VBL dan wel een van de andere voorfase VBL geschiedt in beginsel op dezelfde wijze als waarop gemeenten thans asielzoekers doorverwijzen naar het Aanmeldcentrum in Ter Apel. Vervoer geschiedt op eigen gelegenheid met openbaar vervoer, waarvoor de gemeente een vervoersbewijs afgeeft.
Als een gemeente een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling aantreft en aanmeldt bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), hoe ziet het zogenaamde ophalen door de DT&V er dan uit? In hoeverre zal een mate van dwang hierin gebruikt worden?
Het aanmelden van een vreemdeling bij de DT&V door een gemeente zal geschieden via de bestaande structuur, namelijk het Lokaal Terugkeer Overleg (LTO). Een aanmelding van de gemeente betekent in dit geval dat er reden zal zijn om de betreffende vreemdeling een aanbod te doen voor een vorm van onderdak. Het is niet aannemelijk dat daarbij dwang noodzakelijk is. De vreemdeling denkt immers na over zijn toekomst. Nadat de vreemdeling is gearriveerd op de betreffende locatie, start het proces. Vreemdelingenbewaring is niet aan de orde zolang de vreemdeling werkt aan zijn terugkeer.
Wat is de hoogte van de efficiencytaakstelling die het huidige kabinet heeft opgelegd aan de DT&V tot en met 2018 en op welke wijze zal deze bezuiniging door de DT&V worden gerealiseerd?
De DT&V heeft vanuit het Regeerakkoord een efficiencytaakstelling van 13,3% opgelegd gekregen. Deze taakstelling start in 2016 met 2 mln. en kent een oploop naar 6 mln. vanaf 2018. De taakstelling wordt ingevuld in samenhang met de efficiencytaakstellingen van de IND en het COA, door intensievere samenwerking tussen de drie organisaties binnen de vreemdelingenketen.
Hoe verhoudt de bezuiniging op de DT&V zich tot het verbeteren van het percentage uitgeprocedeerde asielzoekers dat onder toezicht vertrekt?
Deze taakstelling betreft een efficiencytaakstelling. Dit betekent dat de taakstelling wordt ingevuld met maatregelen die de resultaten van het primair proces in principe niet raken. Derhalve is er geen relatie tussen de taakstelling en het ambitieniveau ten aanzien van het percentage uitgeprocedeerde asielzoekers dat onder toezicht vertrekt.
Vindt u het wenselijk dat illegale vreemdelingen in noodsituaties verplicht worden gebruik te maken van de voorfase van de VBL, in plaats van de crisisopvang door de gemeente? Kunt u bevestigen dat gemeenten, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2014, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning maatschappelijke opvang kunnen blijven bieden in noodsituaties die niet enkel betrekking hebben op de medische situatie en waarin verblijf in een gezinslocatie of een vrijheidsbeperkende locatie niet toereikend is, zolang de rijksoverheid niet op basis van een specifiek wettelijk voorschrift verantwoordelijkheid neemt?1
Gemeenten zijn in (medische) noodsituaties gehouden opvang te bieden aan mensen zonder een geldige verblijfstitel. Dat vloeit volgens uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voort uit artikel 8 van het EVRM. Afhankelijk van de noodsituatie zal moeten worden bepaald of de voorfase van de VBL passend is
De CRvB heeft in de aangehaalde zaak overigens vastgesteld dat er sprake was van een medische noodsituatie. In combinatie met andere factoren leidde dit tot het oordeel van de CRvB dat betrokkene behoorde tot de categorie kwetsbare personen aan wie op grond van artikel 8 EVRM opvang geboden moet worden door de gemeente.
In deze zaak kon de gemeente niet verwijzen naar voorzieningen waar de vreemdeling geen recht op had. De vraag of andere voorzieningen passender of al dan niet toereikend zouden zijn geweest, was in deze zaak niet aan de orde.
In hoeverre acht u een heldere wettelijke regeling voor opvang van illegale vreemdelingen wenselijk, gelet op de uitspraken van de beide Europese Comités en voornoemde uitspraak van de CRvB?
Het stelsel, zoals uiteengezet in de brief van 22 april is naar het oordeel van het kabinet helder. Wel dienen een aantal elementen uitgewerkt te worden in goed overleg met VNG/gemeenten. Voor de inrichting van dat stelsel, inclusief genoemde verdere uitwerking is het naar verwachting niet nodig om te komen tot een aanvullingen op het bestaande wettelijke stelsel (in formele zin).
Kunt u uiteenzetten in welke concrete terugkeerprojecten de aanvullende zes miljoen euro van de migratie- en ontwikkelingsgelden van het Ministerie van Buitenlandse zaken geïnvesteerd worden?
Deze middelen worden geïnvesteerd in het stimuleren en faciliteren van vrijwillige terugkeer van vreemdelingen. Het gaat daarbij vooral om financiële ondersteuning of ondersteuning in natura van individuele terugkeerders, om deze mensen een goede start te geven bij hun terugkeer. Daarbij kunt u bijvoorbeeld denken aan doelgroepgerichte aanpak van terugkeerondersteuning. Over de nadere uitwerking hiervan stuurt de Minister voor BHOS uw Kamer een separate brief.
Klopt het dat afgelopen jaar de vier miljoen euro bestemd voor terugkeerprojecten niet uitputtend gebruikt zijn wegens gebrek aan bewezen effectiviteit van de bestaande terugkeerprojecten?
De € 4 miljoen die gemiddeld jaarlijks beschikbaar is vanuit het OS-budget voor migratie en ontwikkeling voor terugkeerondersteuning is over de afgelopen jaren geheel benut voor de ondersteuning van zelfstandige terugkeer. Aangezien het aantal vrijwillige terugkeerders jaarlijks fluctueert, fluctueren ook de uitgaven aan herintegratiesteun voor individuele terugkeerders. Gemiddeld is de afgelopen jaren vanuit Ontwikkelingssamenwerking meer dan € 4 miljoen per jaar uitgegeven aan terugkeer.
Hoe bent u van plan de concrete terugkeerprojecten een kwaliteitsimpuls te geven? Kunt u uw visie hierop geven?
Meer dan nu het geval is, zal op de doelgroep toegesneden in natura ondersteuning worden gefinancierd. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan meer aanwezigheid van de organisaties die terugkeerondersteuning bieden en op de persoonlijke situatie van mensen toegesneden begeleiding op de locatie waar ze verblijven. Nadere uitwerking volgt in de brief die de Minister voor BHOS uw Kamer zal sturen. Bij het ontwikkelen hiervan wordt gekeken naar de «best practices» die bij gemeenten en het maatschappelijke middenveld voorhanden zijn.
Kunt u op basis van concrete resultaten aangeven waarop u zich baseert dat het conditioneel maken van de ontwikkelingsgelden aan het door deze landen meewerken aan terugkeer zinvol is?
Het is al langere tijd het standpunt van het kabinet dat terugkeer het beste bevorderd kan worden door inzet op een brede, constructieve samenwerking, waarvan migratie onderdeel vormt. We hebben het in dit verband vaak over «meer voor meer»: landen die goed meewerken aan terugkeer, worden beloond met bv. extra steun voor capaciteitsopbouw op migratieterrein (bv. training door KMar). Dit betekent dat het kabinet alleen gaat investeren in bijvoorbeeld het verbeteren van controles op luchthavens, trainingen voor douane of versterking grensbewaking in bepaalde landen als ze ook meewerken aan terugkeer. De concrete wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven, zal van geval tot geval verschillen. Een voorbeeld: een project dat nu loopt in Somalië, waarbij steun voor capaciteitsopbouw voor de grensbewaking afhankelijk is gesteld van goede medewerking aan terugkeer.
Binnenkort verschijnt de evaluatie van het terugkeerbeleid door de Adviescommissie Vreemdelingenzaken. Het kabinet zal u deze evaluatie toesturen, voorzien van een kabinetsreactie.
Kunt u uiteenzetten hoe de boete-systematiek voor gemeenten die zich niet houden aan het nog op te stellen, c.q.het vigerende, bestuursakkoord vormgegeven zal worden? In hoeverre zal er parlementaire controle plaatvinden op het gemeentefonds waarin deze boetes ingehouden zullen worden?
In het overleg dat moet leiden tot overeenstemming over een bestuursakkoord zal ook aan de orde komen op welke wijze de afspraken bindend kunnen worden vormgegeven. Daarover zal het kabinet op dat moment uw Kamer informeren. Wanneer op 1 november 2015 het aangevulde bestuursakkoord niet gesloten is, dan valt het kabinet terug op het vigerende bestuursakkoord en zal op die basis handhaven, bijvoorbeeld door het inhouden van het voor gemeenten bestemde speciale budget voor integratie van nieuwkomers.
Kunt u bevestigen dat de zogenaamde boetes zich zullen beperken tot het inhouden van het voor gemeenten bestemde speciale budget voor integratie van nieuwkomers? Zo nee, waarom niet?
Het inhouden van het voor gemeenten bestemde speciale budget voor integratie van nieuwkomers is in de brief van 22 april als voorbeeld genoemd, maar wij richten ons op het bereiken van een akkoord in goed overleg met de VNG/gemeenten.
Klopt het dat de zogenaamde boetes zich niet hoeven te beperken tot het inhouden van het voor gemeenten bestemde speciale budget voor integratie van nieuwkomers en dat dit slechts als voorbeeld in de brief is opgenomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 31.
Wat is uw reactie op de stellingname van de VNG, zoals gedeeld tijdens de hoorzitting, dat de VNG geen nieuw akkoord zal sluiten met het kabinet als wordt vastgehouden aan de boete c.q. het inperken van het voor gemeenten bestemde speciale budget voor integratie van nieuwkomers?
Ik heb kennis genomen van de stellingname van de VNG en ga ervan uit dat het overleg dat binnenkort wordt gestart, zal kunnen leiden een nadere invulling die kan rekenen op de instemming van de betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de VNG dat het bijzonder is dat de DT&V geen taakstelling (inspanningsverplichting) opgedragen heeft gekregen wat betreft het terug laten keren van uitgeprocedeerde vreemdelingen naar de landen van herkomst, maar dat gemeenten wel worden afgerekend op taken waarover zij geen zeggenschap hebben?
Ik heb kennis genomen van dit standpunt van de VNG. De wijze waarop de financiering van de gemeentelijke voorfase-locaties zal onderdeel zijn van de nog te starten besprekingen met de VNG/gemeenten.
Kunt u aangeven waarom het Bestuursakkoord (2007) niet of onvoldoende is nageleefd ten aanzien van de afspraken met gemeenten dat zij hun noodopvang zouden beëindigen?
Het bestuursakkoord van 2007 heeft in de jaren daarna tot gevolg gehad dat veel structurele noodopvang in gemeenten is afgebouwd. Niet alle gemeenten hebben zich echter gecommitteerd getoond. Vooral de laatste jaren is de gemeentelijke opvang weer toegenomen, hetgeen de noodzaak voor een nieuwe afspraak onderstreept.
Kunt u in een tabel uiteenzetten hoe de populatie van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen eruit ziet, met daarbij een uitsplitsing tussen uitgeprocedeerde asielzoekers, personen die nooit een aanvraag ingediend hebben en voormalig statushouders wiens vergunning is ingetrokken op basis van de situatie in het land van herkomst?
De omvang van de populatie niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen is naar haar aard in zijn totaliteit al lastig te schatten en evenmin is een verdere uitsplitsing daarvan te geven. Een van de beoogde effecten van de voorfase opvang is dan ook het beter bij het Rijk in beeld krijgen van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen.
Kunt u in een tabel uiteenzetten hoeveel buitenschuldvergunningen er sinds 2007 verleend zijn in verhouding tot het aantal aanvragen?
In 2013 werden 80 aanvragen gedaan voor een buitenschuldvergunning. In dat jaar werden er 15 verleend. In 2014 ging het om 80 aanvragen en 20 verleningen.
Deze aantallen zijn afgerond op 5-tallen en zijn exclusief ingediende en behandelde bezwaarschriften. Ze zijn gegenereerd uit het nieuwe datawarehouse van de IND waaruit de cijfers vanaf 2013 kunnen worden gegenereerd.
Voor de voorgaande jaren kan ik verwijzen naar cijfers in mijn brief aan uw Kamer van 18 december 2012 (Kamerstuk 29 344, nr. 109), tevens opgenomen in het ACVZ-rapport «Waar een wil is, maar geen weg» uit 2013:
2008
2009
2010
2011
Aanvragen
460
550
470
290
Verleende vergunningen
70
70
60
30
Deze aantallen zijn inclusief ingediende bezwaarschriften, wat inhoudt dat een aanvraag meerdere keren kan voorkomen in de cijfers.
Kunt u aangeven aan welke criteria een vreemdeling concreet moet voldoen om in aanmerking te komen voor een buitenschuldvergunning?
De voorwaarden voor het verlenen van een buitenschuldvergunning zijn opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf B8/4. Deze paragraaf is gewijzigd als gevolg van het ACVZ-advies. Een belangrijk uitgangspunt in het beleid is dat de IND een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid pas verleent als er een ambtsbericht van de DT&V met een positief zwaarwegend advies is. Uit dit ambtsbericht moet blijken dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Hoe beoordeelt u de stellingname van een van de genodigden tijdens de hoorzitting, dat het buitenschuldsysteem niet zou werken in de praktijk, mede in het licht van de conclusie uit het rapport van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken uit 2013?
Ik kan me niet vinden in deze stellingname. Dit is ook niet de strekking van het ACVZ-advies. Zoals toenmalig Staatssecretaris van V&J al constateerde in de kabinetsreactie op het ACVZ-advies van 13 september 2013, onderschrijft de ACVZ het uitgangspunt van het terugkeerbeleid en de kern van het buitenschuldbeleid. Een andere belangrijke constatering is dat de ACVZ geen aanwijzingen heeft gevonden dat het voorkomt dat aan vreemdelingen die daadwerkelijk buiten hun schuld niet kunnen vertrekken uiteindelijk géén buitenschuldvergunning wordt verleend. Daar waar het de uitkomsten van de gevoerde procedures betreft, is de toepassing van het beleid naar de mening van de ACVZ in lijn met de doelstelling van de wettelijke regeling.
Van belang is ook dat de ACVZ onderschrijft dat het buitenschuldbeleid niet is bedoeld voor zogeheten «niet-uitzetbare illegalen» die om asielgerelateerde redenen aanvoeren niet te willen terugkeren naar hun land van herkomst en daarom niet meewerken aan hun vertrek. Aanbeveling nummer 1 was dan ook om het buitenschuldbeleid te handhaven en het beleid niet uit te breiden tot andere doelgroepen.
Het onderzoek van de ACVZ was vooral gericht op de praktische toepassing van het beleid heeft plaatsgevonden en bood goede handvatten om de ongewenste effecten van het beleid zoveel mogelijk tegengaan. Om deze reden heeft mijn voorganger een groot deel van de aanbevelingen overgenomen. Deze zijn inmiddels geïmplementeerd in het beleid.
Waar baseert u uw mening op dat de Raad van State (RvS) een richtinggevende uitspraak zal doen, gelet op het feit dat de RvS een beperkte toets aanlegt ten aanzien van het handelen van de Rijkskoverheid in individuele casussen die zich bovendien afspeelden nog vóórdat het ECSR met zijn bevindingen kwam? Kunt u bevestigen dat bij de RvS thans nog 25 zaken op de plank liggen met betrekking tot vergelijkbare rechtsvragen?
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal op 11 mei 2015 een aantal procedures behandelen waarin de vraag centraal staat op welke wijze en in welke mate de overheid gehouden is om vreemdelingen onderdak te bieden. De Raad van State is het hoogste bestuursrechtelijke orgaan op het terrein van het vreemdelingenrecht in Nederland en heeft mede als doel het bewaken van de rechtseenheid op dat terrein. De Raad van State zal in haar uitspraken altijd de laatste stand van het recht en de jurisprudentie van internationale organen betrekken, zoals bijvoorbeeld het Europese Hof van de Rechten van de Mens, ook als deze dateren van na het bestreden besluit.
Bovendien heeft de Raad van State in de zaken die op 11 mei 2015 staan geagendeerd, gevraagd om een schriftelijke reactie op het rapport van het ECSR nadat dit bekend werd op 10 november 2014. Ook uit deze handelwijze blijkt dat voor het oordeel van de Raad van State belang toekomt aan recente ontwikkelingen. Ik heb verder begrepen dat bij de behandeling van de zitting op 4 november 2014 bleek dat één van de Raadsheren die de zaak bij de Raad van State behandelen, tevens Raadsheer is bij de Centrale Raad van Beroep, zoals mogelijk is op basis van afspraken tussen beide colleges in het belang van de rechtseenheid. Dit sterkt ons in het oordeel dat een richtinggevende uitspraak mag worden verwacht voor wat betreft de reikwijdte van verdragsverplichtingen van de Nederlandse staat. Het is juist dat naast deze zaken nog andere zaken bij de Raad van State in behandeling zijn. Als eenmaal een richtinggevende uitspraak is gegeven, is daarmee een lijn in de jurisprudentie gezet.
Kunt u bevestigen dat bij de CRvB thans nog tientallen zaken op de plank liggen die zien op de zorgplicht in het kader van de Wet maatschappelijk ondersteuning (WMO) van diverse gemeenten betreffende uitgeprocedeerde asielzoekers?
Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep zijn openbaar te raadplegen op www.rechtspraak.nl, de aanhangige zaken zijn dat niet. Het was gisteravond niet meer mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep na te gaan hoeveel zaken er op dit moment aanhangig zijn over bedoeld onderwerp. Getracht is gisteravond een beeld te krijgen. Een betrokkene bij de VNG bevestigde de indruk dat er tenminste enkele zaken dienen bij de Centrale Raad van Beroep die zien op de zorgplicht in het kader van de WMO van diverse gemeenten betreffende uitgeprocedeerde asielzoekers.
Bent u bereid de antwoorden op deze vragen tenminste één uur vóór het plenaire debat over het bed, bad, brood compromis op donderdag 30 april aan de Kamer te doen toekomen?
Ja.
Digitale dossier- en archiefvorming |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de brandbrief van bestuurders van gemeenten, waterschappen en provincies over de gevolgen van de slechte digitale dossier- en archiefvorming bij decentrale overheden?1
Ja.
Is aan de bestuurders enige richtlijn meegegeven over de manier waarop digitale archieven ingericht moeten worden, zowel voor de opslag van gegevens, als ook voor de gemakkelijke uitwisseling van gegevens tussen diverse overheden?
Voor de inrichting van werkprocessen en informatiesystemen zijn modelarchitecturen beschikbaar; voor gemeenten is deze in detail uitgewerkt in een zaaktype-catalogus. In de Archiefregelgeving is voorgeschreven aan welke eisen overheden moeten voldoen voor duurzaam beheer en beschikbaar stelling van hun informatie; voor gemeenten is de Baseline Informatiehuishouding Gemeenten beschikbaar. Toevoegen van zogenoemde metadata is daarvoor van groot belang. In opdracht van Archief 2020 heeft KING het Toepassingsprofiel Lokale Overheden (TMLO) opgesteld waarmee door het gebruik van het gemeenschappelijke metadataschema de uitwisseling tussen overheden wordt bevorderd.
Voor het duurzaam digitaliseren zijn er meerdere lopende initiatieven. Het project AIDO heeft onder meer tot doel richtlijnen te ontwikkelen voor de inrichting van digitale archieven (e-depotvoorzieningen). Er zijn verschillende oplossingen in beeld en daarvoor zijn er verschillende aanbieders en partijen in overleg (Nationaal archief, regionale historische centra, streek- en stadsarchieven. In het rapport van AIDO Functionaliteit E-depotvoorzieningen decentrale overheden is een denkkader ontwikkeld voor het maken van keuzes.
Welke consequenties voorziet u voor de openbaarheid van bestuur als gevolg van slechte digitale dossier- en archiefvorming?
Kennis over het overheidshandelen moet beschikbaar zijn en blijven als cultureel erfgoed en als geheugen van het overheidsbestuur. Democratisch openbaar bestuur veronderstelt transparantie en de mogelijkheid van controle en verantwoording zowel op de korte als de langere termijn. Dat betekent onder meer controleerbaarheid van de macht door transparante besluitvormingsprocedures met regels over rekening en verantwoording in de openbaarheid. Nagegaan moet bijvoorbeeld kunnen worden of het financiële beheer rechtmatig is geweest. Gevoerd beleid en bestuurlijk handelen dienen vatbaar te zijn voor (politieke) beleidsevaluatie juist achteraf.2 Dat vergt bewustwording en onderkenning van het belang van een gedegen overheidsadministratie en van duurzame archivering. Elk document dat bij de overheid berust, valt in principe onder de Wob. Daarbij is de aard van het document, het medium of de drager van de gegevens (papier of digitaal bestand), niet onderscheidend. Een Wob-verzoek kan dan ook betrekking hebben op alle mogelijke documenten en soorten informatie(dragers).
Is er aan overheden enige richtlijn meegegeven over de manier waarop digitale archieven ingericht worden bezien vanuit de openbaarheid van bestuur?
Bij het antwoord op vraag 3 is gewezen op het verband tussen dossier- en archiefvorming en het belang van deugdelijk bestuur. Elk soort overheidsdocument valt als gezegd in beginsel onder de openbaarmakingsvoorschriften van de Wob en dat veronderstelt een beschikbaarheid. De vraag hoe, voor hoe lang en op welke wijze documenten bewaard moeten worden, wordt bepaald door de Archiefwet- en regelgeving. Na maximaal 20 jaar dienen archieven overgebracht te worden naar de archiefbewaarplaats. Na overbrenging van de archieven naar de archiefbewaarplaats wordt de informatie in principe openbaar. Door Archief 2020 en AIDO zijn decentrale overheden erop gewezen dat door archieven actief en vervroegd over te brengen openbaarheid bevorderd kan worden. 3 Ook op rijksniveau wordt een normenkader voor duurzame toegankelijkheid (DUTO) ontwikkeld. Dat kan ook door andere overheden ook worden toegepast.
Welke stappen gaat u zetten na de bovengenoemde oproep van de bestuurders?
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van de vragen4 van de leden de leden Schouw c.s. (D66) over deze aangelegenheid, hebben wij van de oproep en waarschuwingen van deze bestuurders terdege kennis genomen en hun zorgen over de bewaring van overheidsinformatie worden gedeeld. We onderschrijven de aanbevelingen die in dat kader worden genoemd en programma’s als Archief 2020 en AIDO worden vanuit het Rijk ondersteund.
Het bericht dat Defensie laks zou zijn met geheimen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Defensie laks met geheimen»?1
Het artikel suggereert dat de beveiliging van militaire gegevens en materieel binnen het Ministerie van Defensie ver onder de maat zou zijn. De krant baseert zich daarbij op een artikel over de bevordering van veiligheidsbewustzijn in het personeelsblad van het Commando Diensten Centra (CDC). Het artikel wordt op meerdere punten onjuist geciteerd en ook worden de begrippen bedrijfsveiligheid (safety) en beveiliging (security) door elkaar gehaald. Ik herken mij daarom niet in het beeld dat wordt schetst.
Kunt u reageren op het rapport van onderzoeksbureau van Lloyd’s?
Het onderzoek van Lloyd’s is op verzoek van het CDC medio 2014 uitgevoerd en is een intern hulpmiddel van het veiligheids- en milieumanagementsysteem van het CDC om de bedrijfsvoering op dit gebied te verbeteren. Het rapport geeft inzicht in de verbeteringen die nodig zijn om op termijn eventueel een ISO-certificatie te behalen. Het certificeren is geen doel op zich maar het geeft wel op een transparante wijze aan, welke verbeteringen nog mogelijk zijn. De uitwerking van de aanbevelingen vindt de komende periode plaats.
Hoe is dit rapport onder de aandacht gekomen bij De Telegraaf en kan dit rapport dan ook naar de Kamer gestuurd worden?
Het artikel is geschreven naar aanleiding van een artikel in het personeelsblad «De Pijler» van CDC van 22 april jl. Het doel van het artikel is de bevordering van het veiligheidsbewustzijn van het CDC-personeel. In dit artikel wordt verwezen naar het rapport van Lloyd’s. Het ligt niet voor de hand om dit rapport naar de Tweede Kamer te sturen. Het is een intern rapport, een hulpmiddel van het veiligheids- en milieumanagementsysteem dat is gericht op verbetering van de interne bedrijfsvoering van het CDC. Het rapport gaat niet in op de defensieorganisatie in zijn geheel.
Klopt het dat er nog geen structurele oplossingen zijn, behoudens een nieuwsbrief, om het uitlekken van gevoelige informatie te beperken? Zo ja, binnen welke termijn verwacht u maatregelen te treffen om dat te verwezenlijken? Zo nee, wat voor maatregelen zijn er getroffen om het uitlekken van gevoelige informatie te beperken?
Zowel bedrijfsveiligheid (safety) als beveiliging (security) hebben de volle aandacht binnen Defensie. Er is echter een groot verschil tussen beide.
Wat security betreft zijn er duidelijke kaders (voorschriften en regels) voor de fysieke, personele en informatiebeveiliging vastgesteld. Het doel van die kaders is onder meer om het uitlekken van gevoelige informatie te voorkomen. Die kaders zijn opgesteld in samenwerking met de defensieonderdelen, zodat ze goed uitvoerbaar zijn. De kaders zijn niet alleen gebaseerd op de Nederlandse wet- en regelgeving, maar ook op de regels van Navo en EU over beveiliging. Toezicht binnen Defensie op de naleving van de beveiligingskaders geschiedt zowel door de commandanten (eerstelijns toezicht), de Beveiligingsautoriteit (tweedelijns toezicht) als de Auditdienst Rijk (derdelijns toezicht). Er is geen aanleiding om de kaders of het toezicht aan te passen.
Daarbij is het belangrijk om aandacht te blijven besteden aan het beveiligingsbewustzijn van de defensiemedewerkers en de commandanten, zowel centraal als decentraal. Voorlichting en communicatie zijn daarbij een belangrijk instrument. In dat kader juich ik artikelen in de personeelsbladen hierover, zoals bij CDC is gebeurd, toe. Ook oefeningen, voorlichtingsbijeenkomsten en publicaties (waaronder nieuwsbrieven) dragen hieraan bij.
Een ander goed voorbeeld is het zogenaamde Digitaal Rijbewijs, dat vorig jaar bij Defensie is ontwikkeld. Dit is een e-learning tool waarmee de defensiemedewerkers onder andere worden geïnformeerd over de risico’s bij het werken met vertrouwelijke gegevens op de defensienetwerken.
Hoe bent u van plan om er voor te zorgen dat betrokkenen essentiële kennis over wet- en regelgeving op het gebied van geheimhouding gaan ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met Patrick Bennink en David Knibbe eens dat er beter en meer toezicht door de commandanten moet plaatsvinden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u een nieuwsbrief voldoende om het veiligheidsdenken bij de Defensiemedewerkers tussen de oren te krijgen en te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat voor maatregelen stelt u dan voor?
Zie antwoord vraag 4.
De komst van de zoveelste islamitische geweldsprediker naar Nederland |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omstreden haatsjeik donderdag naar Eindhoven»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom geweldsprediker Al-Qarni blijkbaar een visum heeft gekregen terwijl deze figuur de Verenigde Staten en Frankrijk niet binnen mag, onder andere wegens het oproepen tot geweld?
Nederland heeft geen visum verstrekt aan de genoemde persoon. Door de Italiaanse autoriteiten was een visum verstrekt en op basis daarvan kon de heer Al-Qarni vrij reizen in het Schengengebied. Het visum is door de Italiaanse autoriteiten ingetrokken. De heer Al-Qarni voldoet daarmee niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied en mag dus niet in Nederland verblijven.
In hoeverre deelt u de visie dat predikers die oproepen tot jihad, onder meer door te stellen dat kelen moeten worden doorgesneden en schedels moeten worden ingeslagen, een gevaar vormen voor de openbare orde?
Het kabinet is zich er van bewust dat dit onderwerp tot veel vragen leidt en dat een samenkomst zoals in Eindhoven tot onrust en vragen kan leiden. In algemene zin is het kabinet duidelijk over de onwenselijkheid dat er in Nederland radicale boodschappen worden verspreid: vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie, maar deze vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. In de brief aan uw Kamer van 3 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, 29 754, nr. 303) is reeds aangegeven dat verspreiding van onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen onwenselijk is, en welke maatregelen daar bij passen binnen de geldende wet- en regelgeving.
Welke maatregelen, zoals bijvoorbeeld de burgemeester aansporen om in te grijpen, bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat de betreffende geweldsprediker vrijelijk zijn gang kan gaan?
De burgemeester van Eindhoven heeft op 28 april jl. contact gehad met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met als doel het krijgen van ondersteuning bij het maken van een afweging op grond van de openbare orde. Verder voldoet de heer Al-Qarni zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied en mag hij niet in Nederland verblijven. Uiteindelijk heeft de organiserende stichting Waqf in een persbericht op 29 april 2015 aangegeven dat de gehele samenkomst niet meer doorgaat.
Bent u eindelijk bereid moskeeën die oproepen tot geweld te sluiten en organisaties die geweldspredikers uitnodigen aan te pakken? Zo neen, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie, net als de vrijheid van godsdienst. In een rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Echter, wanneer tijdens een bijeenkomst strafbare feiten worden gepleegd, zoals opruien of aanzetten tot geweld of haat tegen bevolkingsgroepen, dan kan strafrechtelijk worden opgetreden. Als blijkt dat er tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, dan kan het Openbaar Ministerie beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die bij de strafbare uitingen heeft geholpen (zoals de organisator of de verstrekker van de locatie). De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en kan vanuit die invalshoek optreden wanneer de situatie rondom een bijeenkomst daar om vraagt.
Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. In geval van een rechtspersoon is (verboden verklaring en) ontbinding alleen mogelijk als het doel en/of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde.
Het bericht ‘Omstreden haatsjeik donderdag naar Eindhoven’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over het bericht «Omstreden haatsjeik donderdag naar Eindhoven»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iemand die oproept tot het doorsnijden van kelen en het inslaan van schedels geen visum hoort te krijgen en bent u bereid zijn verkregen visum alsnog af te nemen? Zo neen, waarom niet?
Nederland heeft geen visum verstrekt aan de genoemde persoon. Door de Italiaanse autoriteiten was een visum verstrekt en op basis daarvan kon de heer Al-Qarni vrij reizen in het Schengengebied. Het visum is door de Italiaanse autoriteiten ingetrokken en derhalve voldoet hij niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied. Deze spreker mag dan ook niet in Nederland verblijven.
Deelt u de mening dat de Al Fourqaan-moskee door het uitnodigen van deze geweldsprediker bewijst nog steeds een broeinest van haat- en geweldsprediking te zijn en daarom gesloten dient te worden? Zo neen, waarom niet?
Wanneer tijdens een bijeenkomst strafbare feiten worden gepleegd, zoals opruien of aanzetten tot geweld of haat tegen bevolkingsgroepen, dan kan strafrechtelijk worden opgetreden. Als blijkt dat er tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, dan kan het Openbaar Ministerie beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die bij de strafbare uitingen heeft geholpen (zoals de organisator of de verstrekker van de locatie). Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. In geval van een rechtspersoon is (verboden verklaring en) ontbinding mogelijk als het doel en/of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór 30 april a.s.?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.