De problemen die de bruine vloot ondervindt in Denemarken |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de vragen die de Vereniging voor Beroepschartervaart (BBZ) nog heeft over de op handen zijnde deal met Denemarken over het varen van de Nederlandse beroepschartervaart in Deense wateren?1
Ik ben bekend met de problemen rond de invoering van een safety management systeem, zoals aangegeven in het artikel in de Stentor waaraan u refereert.
Hoe ver staat het met deze deal en wat is de status ervan? Wanneer wordt de deal gesloten en heeft u instemming van de BBZ?
Het oplossingsvoorstel is momenteel in de fase van formalisering. Over de inhoud zijn Denemarken en Nederland het eens. De BBZ heeft laten weten het oplossingsvoorstel te zullen onderschrijven omdat dit voorstel het best haalbare is en er geen alternatief voorhanden is.
Klopt het dat de beroepschartervaart aan bepaalde technische eisen moet voldoen om vanaf 1 april 2015 te mogen varen in Deense wateren, en klopt het dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) moet toetsen of de schepen daaraan voldoen? Zo nee, wie bepaalt er of de schepen van de beroepschartervaart vanaf 1 april weer mogen varen in de Deense wateren?
Met het oplossingsvoorstel worden geen strengere eisen opgelegd anders dan dat de zeegaande zeilschepen die van en naar Deense havens varen, een werkend veiligheidsmanagementsysteem moeten hebben. In het verleden beschikten circa 25 zeegaande zeilschepen op vrijwillige basis over een door Bureau Veritas (BV) gecertificeerd systeem. Ongeveer de helft van deze groep zeegaande zeilschepen beschikt daar nog steeds over. Voor het overige deel van deze groep en voor de schepen die nog niet de beschikking hadden over een veiligheidsmanagementsysteem zal de certificering worden uitgevoerd door BV. Indien BV daartoe niet in staat is, wordt het uitgevoerd door de ILT.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat, indien een inspectie vereist is, deze tijdig wordt verricht, in ieder geval vóór 1 april als de schepen weer naar Denemarken varen? Zo nee, waarom niet, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de beroepschartervaart straks niet aan de ketting wordt gelegd door Denemarken of hoge boetes krijgt opgelegd? Bent u in dat geval bereid om daar in overleg met de Denen een voorziening voor te treffen zoals een overgangsdocument of een tijdelijke certificering door een krachtsinspanning van de ILT of een andere instantie? Zo nee, waarom niet?
De invoering van een veiligheidsmanagementsysteem dient zorgvuldig te gebeuren en de wijze waarop de implementatie aan boord plaatsvindt moet worden geïnspecteerd. Dit vergt de nodige inspanning van alle betrokken partijen en ik ben daarom in overleg met Denemarken om hiervoor extra tijd in te ruimen. De invoering van een dergelijk systeem voor zeegaande zeilschepen vind ik een goede stap voorwaarts, die de veiligheid ten goede komt. Het sluit ook goed aan bij de conclusies die de Ierse Marine Casualty Investigation Board (MCIB) trekt in haar eindrapport over het ongeval met het Nederlandse zeegaande zeilschip «Astrid» op 24 juli 2013 voor de Ierse kust.
Landschapselementen als invulling van de vergroening |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boetevrij voortijdig stoppen met agrarisch natuurbeheer»?1
Ja.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) het in bovenstaand artikel genoemde bericht heeft gestuurd aan alle agrariërs met een beheerovereenkomst agrarisch natuurbeheer?
Ja.
Kunt u toelichten of stukken land, zijnde een landschapselement, waarvoor de landbouwer een subsidie kreeg uit de Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en/of uit het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer, zouden kunnen worden ingezet als onderdeel van het ecologisch aandachtsgebied, onderdeel van de verplichte vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na beëindiging van de beheersovereenkomst? Zo nee, waarom niet?
Landschapselementen die in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB zijn toegestaan als invulling van het ecologisch aandachtsgebied en de landschapselementen die toegestaan zijn binnen de goedgekeurde equivalente pakketten kunnen door landbouwers worden ingezet om hun ecologisch aandachtsgebied in te vullen, ongeacht of voor deze landschapselementen in het verleden subsidie is ontvangen.
Kan een areaal waarvoor er een beheersovereenkomst agrarisch natuurbeheer is afgesloten eveneens onderdeel zijn van de invulling van het ecologisch aandachtsgebied?
In bepaalde gevallen is dit mogelijk. Bijvoorbeeld bij een akkerrand die ingezet is als «onbeheerde akkerrand» in het kader van ecologisch aandachtsgebied en waarvoor bovendien een beheersovereenkomst is afgesloten. Een dergelijke dubbeling kan leiden tot een aanpassing van de vergoeding op het agrarisch natuurbeheer (voorkomen van dubbele financiering). Zie ook het antwoord op de volgende vraag.
Kunt u toelichten of er mogelijkheden zijn om landschapselementen deel te laten uitmaken van equivalente pakketten als invulling van ecologisch aandachtsgebied? In hoeverre is dit toegelaten gezien het niet toestaan van dubbele betalingen?
De terminologie ten aanzien van landschapselementen is tussen de eerste pijler en tweede pijler verschillend. Wat in de eerste pijler allemaal landschapselement wordt genoemd, is in de tweede pijler uitgesplitst in beheersovereenkomsten voor akkerranden en beheerde landschapselementen, voor elementen als hagen, bomenrijen en dergelijke. De toegelaten equivalente certificaten (pakketten) bevatten de mogelijkheid om bepaalde elementen in te zetten als ecologisch aandachtsgebied, waaronder beheerde landschapselementen SNL in een equivalent certificaat of SNL-beheersovereenkomsten voor akkerranden voor zowel een equivalent certificaat of als onbeheerde akkerrand in de reguliere invulling van ecologisch aandachtsgebied. Indien voor de elementen die ingezet worden als ecologisch aandachtsgebied ook een betaling in het kader van agrarisch natuurbeheer wordt ontvangen, is er mogelijk sprake van dubbele financiering en moet er mogelijk een korting op de betaling in het kader van agrarisch natuurbeheer worden toegepast.
Betekent het bericht op de website van RVO «Landschapselementen zoals houtwallen, heggen, vrijstaande bomen en bomenrijen worden dus niet als invulling van het ecologisch aandachtsgebied opengesteld in de algemene lijst», dat landschapselementen onder geen beding invulling kunnen geven aan het ecologisch aandachtsgebied, oftewel de vergroening?2
Binnen de zogenaamde «algemene lijst» kan alleen het landschapselement akkerrand gebruikt worden als invulling van ecologisch aandachtsgebied. De genoemde elementen kunnen wel meetellen binnen de equivalente certificaten als het gaat om beheerde landschapselementen in de SNL (waarvoor dus een SNL- overeenkomst is afgesloten).
Klopt het dat alle arealen die op dit moment een beheersovereenkomst agrarisch natuurbeheer hebben zijn ingetekend door RVO?
Nee, intekening gebeurt door de aanvrager zelf bij de aanvraag. Vervolgens wordt deze intekening gecontroleerd door RVO en opgenomen in het GIS-systeem.
In hoeverre is er sprake van hoge administratieve lasten bij het eventueel laten meetellen voor de vergroening van voormalige arealen waarvoor er een beheerovereenkomst agrarisch natuurbeheer was gezien deze stukken land al ingetekend zijn?
Wanneer er in het verleden sprake is geweest van een beheersovereenkomst agrarisch natuurbeheer op landbouwgrond, heeft dit geen invloed op de administratieve lasten, indien de voormalige beheerseenheid voor vergroening in aanmerking wordt gebracht.
Kunt u een financiële onderbouwing geven van uw argument dat landschapselementen niet deel uit maken van de longlist en daarmee ingezet mogen worden als invulling van het ecologisch aandachtsgebied vanwege de hoge administratieve lasten? Zo nee, waarom niet?
Voor de financiële onderbouwing van mijn keuze verwijs ik naar de bijlage bij mijn brief over de «Uitwerking directe betalingen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid» van 5 juni 2014 (Kamerstuk 28 625, nr. 194).
Ziet u mogelijkheden om landschapselementen op voormalige arealen met een beheersovereenkomst agrarisch natuurbeheer zoals genoemd in vraag 3 in een groeimodel deel te laten uitmaken van het ecologisch aandachtsgebied?
In lijn met de aangenomen motie Jacobi, Dik-Faber, Kamerstuk 28 625, nr. 214 van uw Kamer, laat ik thans in samenwerking met Landschapsbeheer Nederland een studie uitvoeren naar de mogelijkheden voor een groeimodel voor landschapselementen als ecologisch aandachtsgebied.
Klopt het dat boeren gezamenlijk landschapselementen niet mogen inzetten als ecologisch aandachtsgebied?
Dit is niet correct voor zover het gaat over het landschapselement akkerrand. Een akkerrand kan deel uitmaken van het aaneengesloten gezamenlijke gedeelte van de collectieve invulling (van maximaal 10 boeren) van het ecologische aandachtsgebied.
Dit is wel correct voor zover het gaat om de beheerde landschapselementen SNL die meetellen voor ecologisch aandachtsgebied bij de equivalente certificaten. Het is namelijk niet mogelijk om ecologisch aandachtsgebied collectief in te vullen en tegelijkertijd te kiezen voor een equivalent certificaat. Dit omdat het equivalente certificaat alle vergroeningseisen moet omvatten en de collectieve invulling alleen ecologisch aandachtsgebied mag betreffen, is het vanuit de Europese regelgeving niet mogelijk beide te combineren.
Kunt u toelichten waarom deze beperking aan het inzetten van landschapselementen als ecologisch aandachtsgebied er is?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u aangeven welke voorwaarden er zijn verbonden aan de monitoring en controle van ecologische aandachtsgebieden?
Ten aanzien van controle geldt dat net als de controle voor de basisbetaling 100% administratief gecontroleerd moet worden. Daarnaast moet voor elke vergroeningsmaatregel apart bij de controle ter plaatse minimaal 5% worden gecontroleerd. Voor ecologisch aandachtsgebied kan dit gevolgen hebben voor de mogelijkheid om de vergroeningsbetaling uit te betalen, aangezien sommige voorwaarden die gecontroleerd moeten worden, doorlopen in het volgende kalenderjaar.
Hebben deze voorwaarden volgens u tot gevolg dat de controle en monitoring van landschapselementen duurder is? Kunt u dat toelichten? Ziet u mogelijkheden om de monitoring en controle in het bijzonder voor landschapselementen als invulling van het ecologisch aandachtsgebied te vereenvoudigen?
De controle op de ecologische aandachtsgebieden landschapselement Akkerrand is niet strenger, en daardoor duurder, dan de andere oppervlakte gerelateerde maatregelen van Pijler I. Anderzijds zijn de controle-inspanningen bij agrarisch natuurbeheer wel groter in verband met de controle op dubbele financiering (zie vraag 4 en 5). Ten aanzien van beheerde SNL landschapselementen in de equivalente certificaten geldt dat deze al worden gecontroleerd in het kader van de SNL, zodat de extra inspanning voor de eerste pijler gering is. Indien echter alle landschapselementen als hagen, bomenrijen en dergelijke als ecologisch aandachtsgebied mogelijk zouden zijn, zou de controlelast kunnen worden beperkt door alleen die landschapselementen op te nemen in de perceelsregistratie die daadwerkelijk worden gebruikt als ecologisch aandachtsgebied. Dit behoeft echter een wijziging van de Europese regelgeving. Voor de problematiek van het opnemen van alle potentiele landschapselementen als hagen en bomenrijen in het perceelsregistratie verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 9.
Kunt u aangeven of andere lidstaten toestaan dat landschapselementen deel uit maken van de longlist voor de mogelijke invulling van ecologisch aandachtsgebied?
Alle lidstaten hebben hun eigen keuzes gemaakt betreffende het al dan niet toestaan van (bepaalde) landschapselementen. Drieëntwintig lidstaten, waaronder Nederland, staan tenminste 1 type landschapselement toe. Veel lidstaten maken daarbij gebruik van landschapselementen die al zijn geregistreerd vanwege cross compliance verplichtingen. Nederland kent dergelijke cross compliance landschapselementen niet.
In België is het toegestaan om met landschapselementen invulling te geven aan ecologisch aandachtsgebied. De bepalingen zijn in Vlaanderen en in Wallonië verschillend.
In Vlaanderen kunnen landbouwers de volgende landschapselementen gebruiken voor invulling van ecologisch aandachtsgebied: houtwal, bomen in groep, akkerranden, poelen en vijvers, sloten;
In Wallonië zijn de volgende landschapselementen toegestaan als ecologisch aandachtsgebied: hagen of houtwallen, alleenstaande bomen, bomen in een rij, bomen in groep, akkerranden, poelen en vijvers, sloten.
Kunt u toelichten hoe in andere lidstaten, en in het bijzonder België, landschapselementen als invulling van het ecologisch aandachtsgebied gemonitord en gecontroleerd gaan worden?
Vlaanderen heeft er momenteel voor gekozen om alleen de (in het perceelsregister) vlakvormige landschapselementen zoals houtwallen, bomen in groep, akkerranden, poelen en vijvers, sloten op te nemen als ecologisch aandachtsgebied. Deze elementen worden als vlakvormig element ingetekend. De controle en monitoring loopt dan ook gelijk en automatisch met het bestaande systeem voor de landbouwgebruikspercelen. Er is bewust gekozen om de punt- en lijnvormige landschapselementen zoals bomen en hagen uit te sluiten voor invulling van het ecologisch aandachtsgebied. Dit omwille van de bijzonder hoge implementatie- en beheerkosten voor landbouwer en administratie, en de moeilijke controleerbaarheid op het scherm.
In 2015 loopt er in Vlaanderen een wetenschappelijk onderzoek om na te gaan of punt- en lijnvormige elementen automatisch gedetecteerd kunnen worden. Op basis van deze detectie zou er een referentiebestand kunnen worden opgebouwd. Onder meer rekening houdend met de resultaten van dit onderzoek zal er onderzocht worden of het mogelijk is om vanaf 2017 ook punt- en lijnvormige landschapselementen op te nemen in de keuzelijst voor ecologisch aandachtsgebied.
De controle op de landschapselementen gebeurt grotendeels op basis van beelden. Er is in een controle ter plaatse van 5% voorzien.
In Wallonië zal de referentielaag met ecologisch aandachtsgebied in 2018 compleet zijn. Tot die tijd, zal de overheid zich baseren op de verklaringen van de landbouwers, die, naargelang het geval, punten (alleenstaande bomen), lijnen (hagen, bomen in een rij en dergelijke) of oppervlakken (groepen bomen, vijvers en dergelijke) zullen tekenen op hun oppervlakteaangifte. In 2015 kunnen de Waalse landbouwers kiezen om een oppervlakteaangifte op papier of via het internet in te dienen. De landbouwers die ecologisch aandachtsgebied aangeven zijn echter verplicht om een oppervlakteaangifte via het internet in te dienen, waar het mogelijk is het ecologisch aandachtsgebied onder de vorm van punten, lijnen of vlakken in te tekenen. Tenslotte worden controles ter plaatse gepland, in overeenstemming met de Europese regelgeving.
Uit deze beschrijving blijkt dat Vlaanderen net als Nederland onderzoekt of via een ingroeimodel geleidelijk meer landschapselementen als ecologisch aandachtsgebied kunnen meedoen.
Deelt u de mening dat landschapselementen een toegevoegde waarde hebben voor de ecologie van het platteland en dat de invulling van ecologische aandachtsgebieden met houtwallen, bomenrijen, heggen, etc. een extra stimulans geeft om deze te behouden?
Ik ben van mening dat landschapselementen een toegevoegde waarde kunnen hebben voor de ecologie van het platteland. De verantwoordelijkheid om deze elementen in stand te houden ligt naar mijn mening in eerste instantie bij de betrokken landbouwers.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor aanvang van de meitelling, met andere woorden vóór 1 april 2015?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de Levenseindekliniek voor de vierde keer in een jaar is berispt |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vierde berisping in één jaar tijd voor Levenseindekliniek»1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja.
Deelt u de mening van de directeur van de Levenseindekliniek dat «onterecht de indruk wordt gewekt dat er van alles mis is bij de kliniek»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn reactie op de Kamervragen 2 en 3 van de Kamerleden Pia Dijkstra (D66) en Tellegen (VVD) over ditzelfde onderwerp (2015Z04946).
In hoeverre volgt de genoemde vierde berisping op gelijkaardige constateerde onzorgvuldigheden als waar de Levenseindekliniek eerder voor is berispt? Wat zijn de kenmerkende overeenkomsten?
Bij ruim 450 meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek hebben de Rte geoordeeld dat de arts heeft gehandeld conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen. De Rte hebben bij vier meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek geoordeeld dat niet is gehandeld conform de zorgvuldigheidseisen. Twee hiervan vonden in 2013 plaats en de andere twee in 2014. Zoals blijkt uit de oordelen van de Rte gaat het hierbij om verschillende hulpvragen. Iedere melding staat op zichzelf en wordt door de Rte op de eigen merites beoordeeld. Op de vier individuele casus ga ik niet in lopende de onderzoeken van het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Bent u nog steeds van mening dat kan worden gewacht op de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) in 2016 en niet hoeft te worden onderzocht of het bestaan van de Levenseindekliniek tot een grotere vraag naar levensbeëindiging leidt, en welke effecten dat heeft op de reguliere euthanasiepraktijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u dan nu wel bereid op korte termijn een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de praktijk van de Levenseindekliniek?
Zoals aangegeven in reactie op uw Kamervragen van 21 januari van dit jaar (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1270) ben ik in november met u tijdens een Algemeen Overleg euthanasie uitgebreid over dit onderwerp in gesprek geweest. Toen heb ik aangegeven dat ik het niet nodig vind om nu een onderzoek uit te laten voeren naar de Stichting Levenseindekliniek. Ten eerste wordt de Stichting Levenseindekliniek, net als andere ontwikkelingen, meegenomen in de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Onder andere de effecten van het bestaan van de Stichting Levenseindekliniek zullen worden onderzocht, net als het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek en de ervaringen van behandeld artsen die contact hebben met de Stichting Levenseindekliniek. Het onderwerp krijgt dus aandacht. Ten tweede is er reeds een onderzoek door VUMC en AMC uitgevoerd naar het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek. Daarom ben ik nog steeds van mening dat een extra onderzoek naar de Stichting Levenseindekliniek niet nodig is.
Wat is de actuele stand van zaken omtrent de invulling van uw toezegging dat er standaard een psychiater wordt betrokken wordt bij de beoordeling door de Regionale toetsingscommissie van complexe casus van euthanasie bij patiënten met psychiatrische problematiek?
Tijdens het Algemeen Overleg in november over euthanasie heb ik u toegezegd dat ik hierover in contact zou treden met de Rte. In dit gesprek met de Rte, dat ik in februari heb gevoerd, bleek dat de Rte momenteel twee vacatures hebben opengesteld voor de functie van arts-lid. De Rte hebben mij inmiddels een voordracht tot benoeming van twee nieuwe artsleden doen toekomen: een psychiater en een specialist ouderengeneeskunde. Deze zullen, naar verwachting, op korte termijn worden benoemd.
Mogelijke vooroordelen bij leerkrachten bij het geven van het schooladvies |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending «Uitgesloten» van 15 maart jl.?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat leerlingen op basis van hun achtergrond een (veel) lager schooladvies krijgen dan zij aankunnen? Zo ja, welke maatregelen neemt u op dit vlak?
Het zou inderdaad zorgelijk zijn als leerlingen op basis van hun (niet-Nederlandse) achtergrond structureel en systematisch een te laag schooladvies zouden krijgen. Hiervan is echter geen sprake. In het rapport «De kwaliteit van het basisschooladvies» (2014) concludeert de Inspectie van het Onderwijs dat er weinig evidentie is dat etniciteit van invloed is op de hoogte van de advisering. Deze conclusie is gebaseerd op diverse studies en onderzoeken. Niet westerse allochtone leerlingen krijgen volgens de inspectie niet systematisch een lager advies dan autochtone leerlingen. Tevens signaleert de inspectie dat scholen zorgvuldig omgaan met de advisering. Ik zie dan ook geen noodzaak voor verdere maatregelen.
Herkent u de signalen dat vooroordelen over afkomst (sociaaleconomisch of etnisch) meespelen in het uitbrengen van het schooladvies door leraren? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken op welke wijze vooroordelen een rol spelen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Die signalen herken ik niet. In het hiervoor genoemde rapport concludeert de inspectie op basis van bestaand onderzoek en eigen waarnemingen dat bij de advisering dergelijke vooroordelen niet zichtbaar zijn en er wordt ook niet onbewust gediscrimineerd bij het advies.
Er loopt op dit moment een onderzoek naar de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Hierbij is specifiek aandacht voor groepen leerlingen met verschillende achtergrondkenmerken, waaronder het sociaal milieu en de afkomst.2
Krijgen leerlingen met een niet-Nederlandse afkomst vaker een lager advies van de leraar dan de cito-score uitwijst?
Nee. Uit het rapport «De kwaliteit van het basisschooladvies» blijkt dat
allochtone leerlingen iets meer kans op hebben een hoger advies dan te verwachten is op basis van hun eindtoetsscore. Echter, dit ligt aan het feit dat er licht wordt overgeadviseerd aan de onderkant van het vmbo en dat daar relatief veel allochtone leerlingen zitten. Door daarvoor te corrigeren verdwijnt het effect. Een allochtone leerling met een eindtoetsscore in het vmbo-spectrum heeft bijvoorbeeld niet meer kans op een hoger of lager schooladvies dan een autochtone leerling met een toetsscore in het vmbo-spectrum.
Hoe zorgt u ervoor dat ouders en leraren weten dat, wanneer de cito-score hoger uitvalt dan het schooladvies, de leerling naar het hogere schooltype mag?
In het Kamerdebat over het schooladvies van 25 februari heb ik aangegeven dat de communicatie hierover met de ouders primair via de scholen verloopt. Hier vindt het gesprek over de schooladvisering immers plaats. Daarnaast kunnen ouders terecht bij de Landelijke Ouderraad. Dit kan via de landelijke oudertelefoon 5010 of via het bezoeken van de website: www.loraad.nl. Daarnaast is er ook algemene informatie te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.vanponaarvo.nl.
Overigens wijs ik erop dat in tegenstelling tot wat in de vraag wordt verondersteld het geen automatisme is dat wanneer de eindtoetsscore hoger is dan het schooladvies, een leerling naar het hogere schooltype mag. Wat er wel aan de orde is, is dat de school in een dergelijk geval het schooladvies heroverweegt. Bij deze heroverweging worden de ouders en de leerling betrokken. Wanneer de heroverweging leidt tot bijstelling, geeft dat bijgestelde schooladvies de leerling een recht van toegang op het geadviseerde hoger schooltype.
Hoe gaat u jongeren, die de afgelopen jaren een veel lager schooladvies kregen dan hun cito-score uitwees en daardoor jaren vertraging oplopen, afdoende kansen bieden om snel naar het juiste schooltype door te stromen? Bent u bereid voor deze doelgroep gerichte maatregelen te treffen om ook hen de kansen te bieden die zij verdienen?
Het schooladvies is een goede voorspeller voor het vervolgsucces in het voortgezet onderwijs. Het is en blijft echter een inschatting en geen exacte wetenschap. In individuele gevallen zal er daarom altijd sprake zijn van een bepaalde mate van zowel opstroom als afstroom van leerlingen. Voor deze individuele gevallen biedt het Nederlandse onderwijsstelsel volop mogelijkheden en daarmee afdoende kansen voor wisseling van niveaus voor alle leerlingen. De VO-school kan bijvoorbeeld in overleg met de ouders en de leerling bepalen dat een leerling in de loop van een leerjaar of bij de overgang naar het volgende leerjaar wordt overgeplaatst naar een hoger niveau. Ook kan een leerling naar een hoger niveau doorstromen nadat de eerdere opleiding is afgerond. Verder helpt de loopbaanoriëntatie en -begeleiding leerlingen te kiezen voor een voor hen meest passend onderwijsniveau. Bij het benutten van mogelijkheden van op- of afstroom is er altijd sprake van maatwerk, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van de leerling om hem of haar de beste kansen te bieden.
Gegeven deze mogelijkheden om van onderwijsniveau te wisselen, vind ik het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen die specifiek gericht zijn op de genoemde doelgroep.
Het bericht ‘Levenseindekliniek niet blij met ‘gebrek aan nuance’ bij toetsing’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Ockje Tellegen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Levenseindekliniek niet blij met «gebrek aan nuance» bij toetsing»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de toetsingscommissie, wanneer niet is voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen, alleen het oordeel «onzorgvuldig» rest, terwijl dit oordeel vaak veel genuanceerder ligt?
De Regionale toetsingcommissies euthanasie (Rte) beoordelen of een arts wel of niet heeft gehandeld conform de zes «zorgvuldigheidseisen» uit artikel 2, eerste lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. De Rte kunnen dus slechts aangeven of de arts wel of niet conform alle zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld. In het geval de toetsingscommissie oordeelt dat de arts «niet conform de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld», betekent dit niet dat de arts op alle punten niet zorgvuldig heeft gehandeld. De commissie kan eventueel aan het oordeel toevoegen dat de arts medisch-ethisch gezien wel zorgvuldig heeft gehandeld.
De Rte hanteren de terminologie «oordeel: zorgvuldig» of «oordeel: onzorgvuldig» niet in de oordelen zelf, maar slechts in de samenvatting van het oordeel dat wordt gepubliceerd en in de jaarverslagen. De Rte doen dit vanwege de leesbaarheid van deze documenten. Als niet aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan wordt dit in de samenvatting dus benoemd als «onzorgvuldig». Dit houdt een «onzorgvuldig» in de zin der wet in. Het feit dat de arts niet conform die zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld laat echter onverlet dat de arts naar eer en geweten kan hebben gehandeld. Deze terminologie kan in de media echter onbedoeld zorgen voor een ongenuanceerd beeld van het handelen van de arts. Ik zal daarom in een periodieke overleg met de Rte het gebruik van deze terminologie bespreken.
Acht u het wenselijk dat indien er alleen sprake is van procedurele onvolkomenheden, het volledige oordeel als «onzorgvuldig» wordt bestempeld?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de toetsingscommissie weinig kritiek had op de conclusie van de Levenseindekliniek dat de euthanasie gerechtvaardigd was? Zo ja, bent u dan van mening dat het oordeel «onzorgvuldig» de Levenseindekliniek ten onrechte in een negatief daglicht stelt terwijl de euthanasie wel gerechtvaardigd was?
De Rte beoordelen aan de hand van de binnengekomen melding of de arts zich aan de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft gehouden. In deze casus was het oordeel dat de arts niet had voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. Daarom is de melding conform artikel 9, tweede lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding doorgestuurd naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM). Beide instanties hebben binnen hun eigen bevoegdheid de taak om de zaak verder te onderzoeken en naar aanleiding daarvan een beslissing te nemen. Zie voor een reactie op de terminologie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Hoe verhoudt het recht van de patiënt om een onderzoek of behandeling te weigeren zich tot de verplichting van de arts om aan te tonen dat er geen andere behandelopties meer mogelijk waren? Op welke wijze kan een arts aantonen dat een patiënt geen extra onderzoek wilde? Kan door dit overtuigend aan te tonen voldaan worden aan de eisen die de toetsingscommissie stelt aan een dossier?
De vierde zorgvuldigheidseis van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding vraagt van de arts dat hij samen met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijk alternatief is (art. 2 lid 1, onder d Wtl). In algemene zin geldt dat om de uitzichtloosheid te kunnen bepalen onderzoek nodig kan zijn. Hiermee kunnen de mogelijke alternatieven en de redelijkheid daarvan worden bepaald en kan de patiënt goed worden geïnformeerd over zijn situatie. De vraag of er sprake is van een redelijke andere oplossing moet worden beoordeeld in het licht van de actuele diagnose. In gevallen waarin de arts onvoldoende deskundig is om te beoordelen of er redelijke alternatieven zijn, is het aangewezen dat hij nagaat of ter zake deskundige artsen bij de behandeling betrokken waren of dat hij een collega raadpleegt met meer deskundigheid op het betreffende gebied. Dit zal uit de verslaglegging van de arts moeten blijken. In de binnenkort te verschijnen «code of practice» zal de Rte nader ingaan op hoe zij invulling geven aan de beoordeling van de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
De tienjarige levensduurverlening van Doel 1 en Doel 2 in België |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Doel 1 en 2 blijven 10 jaar langer open»?1
Ja.
Hebt u contact gehad met de Belgische regering over de levensduurverlenging van deze kernreactoren? Zo ja, wat heeft u daar besproken?
Ja, er is in het verleden meerdere malen contact geweest tussen de Belgische en Nederlandse overheden over de langere levensduur van de reactoren Doel 1 en 2. Hierbij is onder andere kennis uitgewisseld met betrekking tot de post-Fukushima stresstest maatregelen en het uitvoeren van een zogeheten Long Term Operation (LTO) programma voor kernreactoren. Ook heb ik recent met mijn Belgische collega gesproken, waarbij wij goede afspraken hebben gemaakt over het versterken van de samenwerking tussen het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en de Nederlandse Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Wat is uw standpunt tegenover deze geplande verlenging?
De keuze om wel of niet de levensduur van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 te verlengen is aan de vergunninghouder van de kerncentrales (Electrabel), de Belgische regering en het FANC. Ik vertrouw erop dat het FANC als Belgische veiligheidsautoriteit een lange termijn exploitatie alleen toestaat wanneer dit veilig kan.
Wordt er een volledige grensoverschrijdende Milieueffectrapportage (MER)-procedure doorlopen zoals afgesproken in het internationale Espoo-verdrag dat voorschrijft dat dit moet gebeuren als een kerncentrale langer wilt open blijven dan oorspronkelijk gepland? Zo ja, in welk stadium bevindt deze procedure? Zo nee, waarom niet?
Het FANC heeft haar visie op de lange termijn exploitatie van de Belgische kernreactoren beschreven op haar website (www.fanc.fgov.be). De Belgische vergunningen ten behoeve van het in bedrijf hebben van nucleaire inrichtingen hebben geen beperking in de tijd, maar vereisen wel dat de exploitant om de 10 jaar een periodieke veiligheidsherziening uitvoert. Zoals beschreven op de website wordt de lange termijn uitbating door de Belgische veiligheidsautoriteit behandeld in het kader van een 4e tienjaarlijkse veiligheidsherziening. Volgens de Belgische nucleaire regelgeving is er echter geen vergunningsaanvraag door de exploitant vereist voor een periodieke veiligheidsherziening, en dus ook niet in het specifieke geval van deze lange termijn uitbating. De procedure voor een periodieke veiligheidsherziening voorziet daarom volgens het FANC niet in opstellen van een milieueffectrapportage en/of grensoverschrijdende publieke participatie.
Kunt u de Kamer een tijdlijn geven van deze MER-procedure?
Er wordt geen MER-procedure doorlopen, zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de rollen van u en de Kamer in deze MER-procedure en wat zijn de inspraakmogelijkheden van burgers en lokale overheden?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het toelatingsbeleid voor basisscholen niet mag leiden tot meer segregatie in het onderwijs?
De afspraken die het merendeel van de Amsterdamse schoolbesturen hebben gemaakt over de toelating van leerlingen tot de basisschool hebben tot doel om meer transparantie te bieden in het toelatingsproces. Het uitgangspunt daarbij is dat zoveel mogelijk kinderen in de wijk/buurt waar ze wonen naar school kunnen. Dit zou er toe kunnen leiden dat er meer gemengde scholen ontstaan, omdat door dit beleid de zogenaamde «witte vlucht» wordt beperkt. Wanneer door het beleid de segregatie toch zal toenemen, is het aan de gemeente en de schoolbesturen dit te bespreken en eventueel het beleid bij te stellen.
Kunt u uiteenzetten wat de effecten van dit toelatingsbeleid zijn? Bent u bereid in te grijpen indien de effecten een nadelige uitwering hebben op de leerlingen? Zo ja, welke instrumenten bent u bereid in te zetten om deze effecten te stoppen? Zo nee, kunt u toelichten waarom u representatieve en gebalanceerde basisscholen niet belangrijk vindt?
Het nieuwe toelatingsbeleid gaat met ingang van het schooljaar 2015–2016 in. Uit de eerste plaatsingsronde over een periode van een half jaar, waarbij 3.528 kleuters zijn aangemeld, blijkt volgens gegevens van de gemeente Amsterdam dat 89 procent is geplaatst op de eerste voorkeursschool en 96 procent van de leerlingen is geplaatst op een van de eerste drie opgegeven voorkeursscholen. Uit de eerste gegevens kan nog niet worden beoordeeld of door de nieuwe toelatingsprocedure de samenstelling van de school zal veranderen. Mocht door dit beleid de samenstelling van de populatie veranderen dan is het aan de schoolbesturen en de gemeente Amsterdam te beoordelen of een verandering van het beleid noodzakelijk is.
Bent u van mening dat initiatieven van scholen en ouders, zoals op de school van de kinderen van Arnold Jonk2, om scholen gemengder te maken juist ondersteund moeten worden door gemeenten? Bent u bereid in gesprek te treden met gemeenten die juist een tegenwerkend beleid hanteren?
De schoolbesturen hebben met de gemeente Amsterdam afgesproken dat de plaatsingsprocedure na een volledig schooljaar zal worden geëvalueerd. Daarbij worden ook de initiatieven van scholen en ouders om scholen meer gemengd te maken meegenomen. De gemeente Amsterdam en de schoolbesturen zijn daarvoor verantwoordelijk.
Het bewapenen van Afghaanse milities die meer gevreesd zijn dan de Taliban |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afghan Militia Leaders, Empowered by U.S. to Fight Taliban, Inspire Fear in Villages»?1
Ja.
Is het u bekend dat milities die in (burger)oorlogsituaties werden geformeerd om «de bevolking te beschermen» evenals reguliere militairen in zwakke staten veelvuldig afglijden naar het niveau van bandieten die de bevolking uitbuiten en onderdrukken op een zodanig ernstige wijze dat de bevolking liever van doen heeft met de opstandelingen waartegen ze beschermd zouden moeten worden, zoals bij voorbeeld is gebeurd in Sierra Leone, Colombia, Liberia, Vietnam, Sri Lanka enz. enz. enz?2
Het steunen van lokale milities in Afghanistan als onderdeel van het Amerikaanse COIN (Counter Insurgency)programma heeft destijds een belangrijke tijdelijke impuls gegeven aan de veiligheidssituatie in bepaalde gebieden waar weinig ANSF (Afghan National Security Forces) aanwezig waren. In samenwerking met de Afghaanse overheid en ISAF is vervolgens getracht om deze steun meer te coördineren, te formaliseren en te reguleren. Dit heeft geleid tot onder andere de oprichting van de Afghan Local Police (ALP). Dit programma is in 2010 goedgekeurd door de Afghaanse overheid en per presidentieel decreet op 16 augustus 2010 van kracht verklaard. Het ALP-programma valt onder de verantwoordelijkheid van het Afghaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken en wordt op nationaal niveau uitgevoerd. Leden van de ALP worden -net zoals andere onderdelen van de ANSF- geselecteerd, gekeurd en opgeleid. De ALP is een integraal onderdeel van de ANSF en de leden worden voorzien van een salaris, opleiding, bewapening en uniform.
De ALP staat onder grote druk van opstandelingen en andere lokale krachten, omdat deze opereert in gebieden waar weinig ANSF aanwezig is. De controle op dit soort eenheden is, gelet op hun perifere locatie, niet optimaal.
Gezien de lange historische tradities in Afghanistan waarin lokale gemeenschappen voor hun eigen veiligheid zorgen, zal de militiestructuur ook in de toekomst een belangrijke factor van invloed blijven. Het is van belang dat deze groeperingen op hun juiste waarde worden geschat en een plek krijgen binnen de vaste kaders van de Afghan National Police(ANP), waar veel meer controlemechanismes zijn. Op deze wijze kunnen negatieve excessen zoals in het krantenartikel beschreven, mogelijk worden voorkomen.
Hoe beoordeelt u de bewapening van milities die de Afghaanse bevolking terroriseren en het gezag van de centrale overheid ondermijnen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het bewapenen van schurken funest is voor de stabiliteit in de Afghaanse regio?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de Amerikanen niets geleerd van al die eerdere situaties waarin milities erger bleken te zijn voor de burgerbevolking dan de opstandelingen? Hoe verklaart u dat de VS dit nu in Afghanistan opnieuw hebben gepresteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Is dit de exitstrategie waarvan Nederland deel wil uitmaken? Zo neen, wat gaat u dan doen? Zo ja, waarom vindt u deze exitstrategie aanvaardbaar?
Het ondersteunen dan wel bewapenen van milities maakt geen onderdeel uit van de missie Resolute Support waaraan Nederland een bijdrage levert en maakt dan ook geen onderdeel uit van de Nederlandse exit strategy.
Heeft Nederland direct of indirect bijgedragen aan het sponsoren van milities in Afghanistan? Zo ja, met welke middelen?
De financiering van milities, direct of indirect, is nooit onderdeel geweest van het Nederlandse beleid in Afghanistan. Echter, zeker in het begin van de Nederlandse betrokkenheid in Afghanistan (gedurende de PRT-missie in Baghlan en tijdens het optreden van de TFU in Uruzgan) waren ANSF-eenheden nog niet of nauwelijks aanwezig. Het Afghaanse veiligheidsapparaat was onderontwikkeld en voor de veiligheid leunde de Afghaanse overheid nog grotendeels op informele machtsstructuren. Het is daarom niet geheel uit te sluiten dat Nederland door ondersteuning van de Afghaanse regering indirect heeft bijgedragen aan het ondersteunen van milities in Afghanistan.
Het opgesteld vermogen zonne-energie in Nederland |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scepsis over hoeveelheid zonnepanelen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie (zon-pv) exact geïnstalleerd is in Nederland? Kunt u toelichten waarom dit zo is, onder andere door aan te geven wat hierover is opgenomen in de Elektriciteitswet en onderliggende regelgeving?
Ja, het klopt dat niet exact bekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie-installaties in Nederland is opgesteld. De hoeveelheid opgesteld vermogen aan zonne-energie-installaties wordt op een aantal manieren bijgehouden. Ten eerste monitort het CBS jaarlijks de voortgang van de realisatie van hernieuwbare energie in Nederland in relatie tot de duurzaamheidsdoelen van het kabinet. Het CBS zet hiervoor een enquête uit bij importerende leveranciers van zonnepanelen. De onnauwkeurigheid in de cijfers voor zonne-energie schat het CBS op 20 procent. Ten tweede wordt in het zogenaamde Productie Installatie Register (PIR) door de netbeheerders bijgehouden hoeveel zonne-energie is geïnstalleerd. Een consument die zonnepanelen heeft, is verplicht een productie-installatie aan te melden bij zijn netbeheerder. Deze gegevens worden opgenomen in het PIR.
Deze verplichting in de Netcode Elektriciteit is ingesteld zodat de netbeheerder kan beoordelen of er voldoende netcapaciteit beschikbaar is en of er beveiligingsinstellingen aangepast dienen te worden. Zo is het bij werkzaamheden aan het elektriciteitsnet relevant om te weten op welke punten er wordt ingevoed door zonne-energie-installaties of anderszins. De Netcode Elektriciteit wordt door de ACM vastgesteld op grond van artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998. De brancheorganisatie van netbeheerders, Netbeheer Nederland, heeft aangegeven dat het merendeel van de installaties wordt gemeld. Het is waarschijnlijk dat niet iedereen zich registreert in het PIR en er daarom geen exacte getallen zijn te geven. Daarnaast bestaat de landelijke aanmeldingsmogelijkheid pas sinds 2011. Productie installaties die voor deze periode in gebruik zijn genomen, zullen niet zijn gemeld hiervoor.
Kunt u toelichten hoe het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan haar cijfers ten aanzien van het opgestelde vermogen van zonne-energie komt en welke mate van nauwkeurigheid deze cijfers hebben?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is een correcte berekening van de productie van zonnestroom volgens u van belang voor een goede bepaling van het aandeel zonne-energie in de energiemix en daarmee voor het monitoren en bepalen van de doelen voor duurzame energie en zonne-energie in het bijzonder?
Ja. Dit wordt gemonitord op grond van de informatie die door het CBS wordt verzameld.
Kunt u toelichten of netbeheerders er belang bij hebben om een correct overzicht van installaties te hebben die op hun netten zijn aangesloten?
De netbeheerders geven aan dat het merendeel van de installaties aangemeld wordt. Per 1 januari 2015 zijn er 223.096 geregistreerde zon pv productie-installaties, met een totaal vermogen van ruim 882 MW geïnstalleerd. In juli 2014 waren dat nog 185.443 installaties, met een totaalvermogen van 762 MW. Brancheorganisatie Netbeheer Nederland geeft aan dat de omstandigheid dat niet alle productie-installaties worden aangemeld momenteel niet tot capaciteits- of veiligheidsproblemen leidt.
Kunt u aangeven welke invloed zonnestroominstallaties hebben op de piekbelasting in het net en de spanningskwaliteit?
Zonnestroominstallaties kunnen leiden tot een relatief hoge piekbelasting in het elektriciteitsnet in het geval van weinig afname in combinatie met hoge teruglevering, bijvoorbeeld op een zonnige dag in de zomer in een woonwijk wanneer de meeste mensen op vakantie of op het strand zijn. Met de huidige aantallen geïnstalleerde zonnestroominstallaties levert dit echter op het merendeel van de locaties geen problemen op voor het elektriciteitsnet. In de meeste gevallen is het elektriciteitsnet door de netbeheerder zo ruim gedimensioneerd, dat de spanning slechts toeneemt binnen de hiervoor toegestane grenzen zoals vastgelegd in de Netcode Elektriciteit. Op basis van individuele cases hebben netbeheerders geconstateerd dat er effecten kunnen zijn op de lokale spanningskwaliteit. In die gevallen kan de netbeheerder dat met relatief eenvoudige netaanpassingen oplossen.
Kunt u toelichten waarom er weerstand is van kleinverbruikers om hun zonnestroominstallatie aan te melden bij netbeheerders voor het Productie Installatie Register?
Netbeheerders hebben geen onderzoek laten verrichten naar het percentage installaties dat niet wordt gemeld en naar de redenen waarom sommige installaties niet worden gemeld. Zij geven aan dat mogelijk sprake is van onwetendheid.
Het bericht “Pensioenfonds moet uit olie en gas” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioenfonds moet uit olie en gas»?1
Ja, wij zijn bekend met dit artikel.
Herinnert u zich dat, op verzoek van de leden van de fractie van GroenLinks, aan De Nederlandsche Bank (DNB) gevraagd is de blootstelling van de Nederlandse financiële sector aan investeringen in fossiele brandstoffen in kaart te brengen en dat DNB in reactie hierop onder andere berekende dat de blootstelling voor de gehele pensioensector 25 miljard is? Hoe valt deze berekening van DNB te rijmen met het feit dat APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat zij alleen al 30 miljard blootstelling hebben aan fossiele brandstoffen?
Op ons verzoek heeft DNB gekeken naar eventuele inconsistenties tussen de cijfers die in de brief van 27 augustus 2014 en de cijfers zoals die in het artikel in de Volkskrant zijn genoemd. DNB heeft hierbij ook navraag bij APG/ABP gedaan.
De berekeningen van DNB en APG/ABP zijn niet vergelijkbaar omdat ze gebaseerd zijn op andere definities en veronderstellingen. De berekeningen van DNB zijn gebaseerd op de aan DNB en de Europese Centrale Bank (ECB) gerapporteerde gegevens. De APG/ABP cijfers zijn gebaseerd op een eigen, interne studie.2
DNB heeft op basis van de Europese sectorenclassificatie NACE gekeken naar de blootstelling van Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen op bedrijven met kernactiviteiten in de olie-, gas- en kolenindustrie (de CO2-intensieve sectoren). De verschillen ontstaan doordat in het onderzoek van APG/ABP, waar het artikel in de Volkskrant aan refereert, een aanzienlijk ruimere definitie van energiebeleggingen is gehanteerd.
APG/ABP heeft in haar analyse, naast naar de winning van olie, gas en kolen, ook gekeken naar toeleveranciers, elektriciteitsproducten en infrastructuur zoals hoogspanningsleidingen, en olie- en gaspijplijnen. De bedrijven die deze diensten verzorgen, richten zich echter niet noodzakelijkerwijs exclusief op bedrijven met olie-, gas- en kolenwinning als kernactiviteit. Daarnaast beslaat de analyse van APG/ABP ook investeringen in duurzame energie.
Gezien deze verklaring voor de gevonden verschillen hebben wij geen reden om te twijfelen aan de eerdere conclusie en de berekening die is uitgevoerd door DNB.
Kunt u verklaren waarom APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat 10% van hun beleggingen in fossiele brandstoffen zijn, terwijl DNB becijferde dat dit slechts 3% zou zijn voor de hele pensioensector?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bovengenoemde verschillen vragen oproepen over de berekening die gedaan is door DNB?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB te vragen of de cijfers van APG/ABP de conclusie van DNB veranderen dat «er op dit moment geen sprake is van een buitensporig risico voor de Nederlandse financiële sector vanwege hun investeringen in fossiel»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB een toelichting te vragen op welke wijze DNB zijn kennis op het terrein van de risico’s van een zogenaamde «carbon bubble» vormt- en up to date houdt? Heeft DNB bijvoorbeeld overleg met andere centrale banken over de carbon bubble?
DNB geeft aan dat zij haar informatiebasis over financiële stabiliteitsrisico’s continu vormt en vernieuwt door middel van eigen onderzoek en uitwisseling van kennis, zowel op nationaal als internationaal niveau en in diverse beleidsfora.
Zoals DNB heeft vermeld in haar jaarverslag over 2014, heeft DNB zich georiënteerd op de mogelijkheden de zogenoemde ESG (Environmental, Social en Governance) risico’s op te nemen in de toezichtaanpak. Middels eigen onderzoek en dialoogsessies met vertegenwoordigers van de sector en Non-gouvernementele Organisaties (NGO’s) zet DNB deze lijn in 2015 voort. Een concreet voorbeeld van hoe DNB in het toezicht ingaat op ESG risico’s is de op basis van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen geldende verplichting voor pensioenfondsen transparant te zijn over hun beleid voor ecologische en maatschappelijke beleggingen. DNB heeft zich in 2014 herhaaldelijk publiekelijk uitgesproken over de maatschappelijke rol die zij voor pensioenfondsen ziet om met hun deelnemers in gesprek te gaan over de plaats van duurzaamheid in het beleggingsbeleid. In 2015 zal DNB onderzoeken of pensioenfondsen daadwerkelijk de wettelijk verplichte transparantie in de praktijk brengen.
Bent u ervan op de hoogte dat de centrale bank van het Verenigd Koninkrijk recent gewaarschuwd heeft dat beleidsmaatregelen tegen klimaatveranderingen grote negatieve impact kunnen hebben op de waarde van investeringen in fossiel2 en met name verzekeraars hierdoor een groot financieel risico lopen? Hoe komt het dat DNB dit risico voor Nederlandse verzekeraars heel anders inschat?
DNB heeft aangegeven de bijdrage van de Bank of England (BoE) aan het onderzoek naar de effecten van klimaatverandering op de economische groei en financiële stabiliteit te verwelkomen. Uit de One Bank Research Agenda kan worden opgemaakt dat de BoE grofweg twee klimaatgerelateerde risico’s signaleert.4 In de eerste plaats onderzoekt de BoE de gevolgen van een sterke waardedaling van investeringen in CO2-intensieve bedrijven, wat relevant is voor alle financiële instellingen met een blootstelling aan deze bedrijfstakken. Naast dit generieke risico onderzoekt de BoE de risico’s die voortvloeien uit een toename in het aantal schadeclaims als gevolg van aan klimaat en weer gerelateerde catastrofes. Onder solvabiliteit II zullen verzekeraars rapporteren over dergelijke catastroferisico’s. De verhoogde aandacht van de BoE en de Britse Prudential Regulatory Authority (PRA) voor de verzekeringssector hangt onder meer samen met de omvangrijke en internationale markt in Londen voor het (her)verzekeren van catastroferisico’s, wat een additioneel concentratierisico met zich meebrengt voor het Verenigd Koninkrijk.5
Het bericht dat het beheer en de uitvoering van pensioenvermogens steeds vaker in het buitenland plaatsvinden |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De pensioenpotten staan nu in Londen»?1
Ja.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat het beheer en de uitvoering van pensioenen naar het buitenland verplaatst?
Een goed vestigingsklimaat is en blijft een van de doelstellingen van het kabinet. Pensioenfondsen kunnen er in het belang van de deelnemers voor kiezen om het vermogensbeheer (deels) uit te besteden aan een buitenlandse vermogensbeheerder met een ander productaanbod of kostenprofiel. Op de internationale markt van fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlandse instellingen echter goed vertegenwoordigd. Vier van de vijf grootste fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlands2. Het kabinetsbeleid is er op gericht het vestigingsklimaat in Nederland continu te verbeteren door middel van inspanningen op o.a. het gebied van onderwijs, duurzame overheidsfinanciën en macro-economische stabiliteit. De bredere inspanningen van het kabinet ten aanzien van het vestigingsklimaat dragen tevens bij aan een goed vestigingsklimaat voor pensioenactiviteiten. Zoals bij de beantwoording van de vragen 2 t/m 4 beschreven, vormt het beloningsbeleid ten aanzien van door pensioenfondsen uitbestede taken geen belemmering om pensioenactiviteiten in Nederland te laten uitvoeren.
Wat vindt van de constatering dat in Nederland veel goed gekwalificeerde professionals niet meer te vinden zijn omdat de salarissen in Nederland meer aan banden zijn gelegd dan in andere landen?
Het kabinet heeft regels in het beloningsbeleid doorgevoerd om perverse prikkels via hoge beloningen en bonussen, die mede de oorzaak waren van de financiële crisis, tegen te gaan. Op 30 juli 2013 (Staatsblad 2013, 33182 nr. 329) zijn door het kabinet nadere regels ingevoerd met betrekking tot het beloningsbeleid van pensioenfondsen. Deze regels hebben ook betrekking op uitbestede werkzaamheden van pensioenfondsen. Specifiek geldt dat een fonds zicht dient te hebben op het beloningsbeleid van derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed. Het is daarbij de bedoeling dat het fonds er op let dat het beloningsbeleid van de uitvoeringsorganisatie niet aanmoedigt tot het nemen van onaanvaardbare risico’s. Ook is het pensioenfonds verplicht het beloningsbeleid te betrekken bij de keuze van de organisatie waaraan werkzaamheden worden uitbesteed en moet het beloningsbeleid openbaar zijn. Deze regels gelden ongeacht of de uitbestede werkzaamheden van een pensioenfonds in Nederland of in het buitenland worden uitgevoerd. Er is dus op basis van het beloningsbeleid in de pensioenwetgeving geen prikkel om uitbestede werkzaamheden in het buitenland te laten uitvoeren.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dergelijke regels over salarissen de werkgelegenheid in Nederland negatief beïnvloeden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, want bent u bereid hier aan te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat bedrijven (bijv. Johnson & Johnson, AON Hewitt) steeds vaker hun pensioenbeheer overhevelen (of overwegen over te hevelen) naar België en daar het pensioen laten uitvoeren of daar een pan-Europees pensioenfonds starten?
Bij de beantwoording van deze vragen gaat het om werkgevers die een Nederlandse pensioenregeling laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Hiermee verschilt de situatie bij deze vragen van de beantwoording van de vragen 2 t/m 4, waarbij is ingegaan op pensioenregelingen die in Nederland door een pensioenfonds worden uitgevoerd maar waarbij taken zoals het vermogensbeheer worden uitbesteed naar een andere lidstaat.
De afgelopen jaren zijn er enkele Nederlandse werkgevers geweest die hebben besloten om hun pensioenregeling te laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Het gaat dan met name om bedrijven met medewerkers in verschillende landen waardoor het uitvoeringstechnisch aantrekkelijk kan zijn om de medewerkers in een gezamenlijk pensioenfonds onder te brengen in één land. Een tweede reden die bedrijven aangeven voor een grensoverschrijdende uitvoering van een Nederlandse pensioenregeling is dat zij een sponsorgarantie hebben afgegeven ten aanzien van de nakoming van de pensioenregeling. Daarbij leidt die garantie in sommige gevallen in het beoogde land van onderbrenging tot (initieel) lagere kosten, zoals een lagere premie, doordat de omvang van de technische voorziening in dat land is gekoppeld aan het bestaan van de sponsorgarantie. In dat verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij (Kamerstukken 2013/14, 2014Z08249 nr. 2319) over de zo genaamde «Belgiëroute».
Voor het kabinet staat bij de uitvoering van een pensioenregeling het belang van de deelnemer centraal. Bij de hiervoor genoemde beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij ben ik ingegaan op de waarborgen die hiervoor zijn. Ten eerste heeft de werkgever instemming van de ondernemingsraad nodig voor een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Het nieuwe verantwoordingsorgaan heeft ten aanzien van zo’n besluit een adviesrecht op grond van artikel 115a, derde lid, onderdeel f, van de Pensioenwet. Het nieuwe belanghebbendenorgaan heeft op grond van artikel 115c, negende lid, onderdeel a, van de Pensioenwet, een goedkeuringsrecht ten aanzien van een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Ten tweede spelen de Nederlandse toezichthouders een belangrijke rol als een Nederlandse pensioenregeling in het buitenland wordt uitgevoerd. Zo wordt een mogelijke collectieve waardeoverdracht van pensioenrechten en -aanspraken van een Nederlands pensioenfonds naar een pensioenuitvoerder in een andere lidstaat in beginsel op dezelfde wijze door DNB behandeld als een collectieve waardeoverdracht tussen twee in Nederland gevestigde pensioenfondsen. DNB let er dus op dat aan de wettelijke eisen van onder meer artikel 84 van de Pensioenwet (dat onderdeel is van het toepasselijke Nederlandse sociaal en arbeidsrecht) wordt voldaan en dat de belangen van de bij de collectieve waardeoverdracht betrokken (gewezen) deelnemers en gepensioneerden op evenwichtige wijze door het bestuur van het Nederlandse pensioenfonds worden afgewogen. In het geval er sprake is van collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 van de Pensioenwet, houdt de AFM er toezicht op dat deelnemers zijn geïnformeerd over het voornemen tot collectieve waardeoverdracht. Verder schrijft de Europese pensioenfondsenrichtlijn onder meer voor dat de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden en dat ook bij de waardering van verplichtingen de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden worden beschermd.
Wat zijn volgens u de redenen dat pensioenen steeds vaker verhuizen naar België?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat we niet zomaar de pensioenkennis (en daarmee werkgelegenheid) uit Nederland moeten laten vertrekken, maar de Nederlandse kennis en kunde moeten behouden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Nederland juist aantrekkelijker gemaakt moet worden voor buitenlandse «pensioenactiviteiten»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om de pensioensector in Nederland ook voor internationale spelers (en regelingen) aantrekkelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Nederlandse premiepensioeninstellingen (PPI's) zich tot op heden uitsluitend richten op de Nederlandse markt, alhoewel de PPI als grensoverschrijdend vehikel was bedoeld? Wat gaat u hier aan doen? Bent u bijvoorbeeld bereid om het nog te introduceren Algemeen Pensioenfonds ook mogelijk te maken voor grensoverschrijdende activiteiten?
Sinds de inwerkingtreding van de Europese richtlijn betreffende werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (Richtlijn 2003/41/EG) is het in Europa in principe mogelijk voor pensioenfondsen om met een vergunning uit het thuisland grensoverschrijdende pensioendiensten aan te bieden, dat wil zeggen buitenlandse pensioenregelingen uit te voeren. Dit geldt ook voor algemene pensioenfondsen.
Eerder heeft het kabinet geconcludeerd dat er behoefte aan grensoverschrijdende dienstverlening bestaat, maar dat de precieze omvang en de gevoelde urgentie zich lastig laten bepalen3. De prudentiële regels van het ftk hangen nauw samen met de aard van de Nederlandse pensioenregelingen en zijn niet altijd geschikt voor de uitvoering van buitenlandse pensioenregelingen. Het kabinet heeft vervolgens aangegeven dat ze het niet opportuun acht om dit vraagstuk in het kader van het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds op te pakken, mede omdat er een urgente behoefte bestaat bij verschillende partijen uit de pensioensector aan het algemeen pensioenfonds.
Het verbreden van de Nederlandse prudentiële regels voor buitenlandse contracten vereist de ontwikkeling van complexe regelgeving. De huidige Europese pensioenrichtlijn geeft daarvoor maar beperkte aanknopingspunten. Het kabinet heeft er destijds voor gekozen de ontwikkelingen in het Europese denken inzake de nieuwe Europese pensioenrichtlijn en over kapitaalseisen die geschikt zijn voor de uitvoering van een grote diversiteit aan pensioenregelingen uit verschillende landen af te wachten en daar invloed op uit te oefenen.
Vervolgens heeft het kabinet gevolg gegeven aan het verzoek van enkele marktpartijen om de reeds mogelijke reikwijdte van de premiepensioeninstelling (PPI) in de grensoverschrijdende dienstverlening te verduidelijken. In een brief van 6 januari 2014 aan uw Kamer4 is onder meer ingegaan op de voorwaarden waaronder buitenlandse DB-regelingen, waarvoor een werkgever of een verzekeraar zich garant heeft gesteld, grensoverschrijdend kunnen worden uitgevoerd door een premiepensioeninstelling.
In 2014 is een evaluatie uitgevoerd van de PPI’s. De evaluatie vond kort plaats na het daadwerkelijk betreden van de markt door PPI’s. Wat de invulling van de grensoverschrijdende ambities van PPI’s betreft is dit evaluatiemoment wellicht nog wat te vroeg gekozen. De PPI’s met internationale ambities hebben zich vooralsnog toegelegd op een zorgvuldige implementatie van hun proposities in hun thuismarkt en beogen hun dienstverlening pas vanaf dit jaar geleidelijk over de grenzen uit te breiden5. Zoals in de brief van 18 november aan uw Kamer gemeld6, zal er over drie jaar weer een evaluatie van de PPI plaatsvinden.
Het bericht ‘Pensioenfondsen gaan investeren in windpark’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen gaan investeren in windpark»?1
Ja.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen niet bedoeld zijn om klimaatbeleid uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Pensioenfondsen zijn bedoeld om pensioenregelingen uit te voeren. Besturen van pensioenfondsen zijn wettelijk gehouden aan verantwoording die ze moeten afleggen aan hun achterban, bijvoorbeeld via het verantwoordingsorgaan.
Wat vindt u van de uitspraken van Angelien Kemna, bestuurder van APG, dat pensioenfondsen klimaatverandering moeten tegengaan en hoe verhoudt dit zich tot eerdere uitspraken door APG, nog geen jaar geleden, dat er «te grote financiële risico’s verbonden zouden zijn» aan investeringen in grootschalige windkracht op zee?2
Pensioenfondsbesturen dienen in het belang van hun deelnemers te zoeken naar beleggingen die renderen en die fondsen in staat stellen premies zo laag als mogelijk te houden gegeven toegezegde pensioenen. De afwegingen die fondsen (of partijen zoals APG die in opdracht van het bestuur handelen) daarbij maken kunnen in de loop van de tijd veranderen als de omstandigheden wijzigen. Ik wil daar geen inhoudelijk oordeel over vellen.
Bent u bereid om pensioenfondsen zoals het ABP duidelijk te maken dat het belang van de deelnemers en gepensioneerden voorop dient te staan in plaats van politieke doelstellingen, zoals klimaatbeleid?
Pensioenfondsen zijn primair zelf verantwoordelijk voor hun beleggingsbeleid en het wel of niet nemen van risico daarbij. Pensioenfondsen geven op verschillende manier invulling aan deze verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van de pensioenregeling. Daarbij moeten zij handelen in het belang van de deelnemer en binnen de wettelijke kaders die voor alle beleggers gelden. In aanvulling hierop zie ik in de berichtgeving over investeringen in een windmolenpark geen reden om het ABP te wijzen op de belangen van deelnemers en gepensioneerden.
Toezichthouder DNB ziet er op toe dat pensioenfondsen zich aan de wet houden. Om toezichtstaken en wetgevende taken gescheiden te houden is afgesproken dat DNB deze taken op enige afstand uitvoert van het kabinet en niet rapporteert over individuele pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat windmolenparken slechts rendabel zijn door subsidie, waardoor deze beleggingen als zeer riskant moeten worden gekwalificeerd? Bent u bereid om de toezichthouder van de pensioenfondsen om opheldering te vragen over deze riskante beleggingen met pensioengelden?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u de pensioenfonds deelnemers beschermen tegen de politiek gedreven ambitie van politiek correcte pensioenfondsbestuurders, die klimaathysterie verkiezen boven pensioenrendement?
Zie antwoord vraag 4.
Burgerparticipatie bij de A13/A16 |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raden delen onvrede over inspraak A13/16»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de Code Maatschappelijke Participatie2 is toegepast bij het participatieproces rond de A13/A16, specifiek waar het gaat om de onderstaande punten:
Bij de A13/A16 zijn belanghebbenden en bewoners vanaf de start van de planvorming in 2005 betrokken, al ver voor er sprake was van een Code Maatschappelijke Participatie. Zo hebben bewonersorganisaties deelgenomen aan consultatiebijeenkomsten voor de ontwikkeling van diverse varianten voor het tracé, de inpassing en de aansluiting van de snelweg op het regionale/lokale wegennet. Hierover is ook een Burgeradvieskring georganiseerd. Tevens is een alternatief bestudeerd dat door omgevingspartijen was ingebracht (de zogenaamde Portway-variant).
Na de vaststelling van het Standpunt is de planuitwerkingsfase gestart. Conform de Code Maatschappelijke Participatie zijn de omgevingspartijen in deze fase wederom gevraagd naar hun inbreng en ideeën. Eveneens conform de Code geeft het Standpunt daarbij de grenzen aan waarbinnen door omwonenden wensen en ideeën kunnen worden ingebracht.
Op welke wijze zijn de gebiedstafels betrokken en geïnformeerd in aanloop naar de verschillende beslismomenten, gedurende de onderzoeks- en uitwerkingsfases, specifiek in de periode april 2014 – december 2014?
In het eerste kwartaal van 2014 zijn in twee rondes gesprekken met de gebiedstafels gevoerd over de wensen van de omwonenden voor oplossingsrichtingen voor de resterende inpassingsopgaven. Deze hebben per tafel geleid tot wensen en ideeën van de bewoners. Aan de deelnemers is steeds voorgehouden dat er redenen kunnen zijn waarom ideeën en wensen niet kunnen worden overgenomen. De wensen en ideeën van de gebiedstafels zijn vanaf medio 2014 betrokken bij de diverse ontwerpproducten en effectonderzoeken. De deelnemers zijn over het verloop van dit uitwerkingsproces door tussentijdse berichten en nieuwsbrieven uit het project geïnformeerd. In december 2014 zijn informele bijpraatbijeenkomsten georganiseerd. De derde ronde gebiedstafels heeft plaatsgevonden in februari 2015. Daarin is de zogenaamde Oplossingenkaart besproken. Daarop zijn alle nog levende wensen en ideeën over de inpassing opgenomen. Over de Oplossingenkaart vindt bestuurlijk overleg en besluitvorming plaats.
Klopt het dat informatie over uitwerking van deelplannen in bepaalde gevallen pas op de bijeenkomsten van de gebiedstafels zelf beschikbaar werden gesteld, waardoor de leden van de gebiedstafel onvoldoende tijd hadden om zich voor te bereiden?
De bijpraat-bijeenkomsten van december 2014 waren alleen bedoeld om de betrokkenen te informeren over de voortgang van het onderzoek naar de door de gebiedstafels aangedragen wensen en ideeën. Voorafgaande aan de bijeenkomsten in februari 2015 is wel informatie toegestuurd aan de deelnemers. Tijdens de bijeenkomsten in februari is de Oplossingenkaart gepresenteerd en zijn de voorlopige uitkomsten van de bovenwettelijke maatregelen namens de regiopartijen toegelicht.
Kunt u aangeven wat er in de periode januari 2014 – december 2014 is gebeurd met de inbreng van de gebiedstafels? Tot welke wijzigingen in de oorspronkelijke plannen heeft hun inbreng geleid? Welke ideeën zijn ingebracht, maar hebben niet tot wijzigingen geleid?
Een aantal wensen en ideeën dat is ingebracht in de gebiedstafels is overgenomen in de uitwerking van de inpassing van de weg, zoals:
Er zijn ook wensen die niet zijn overgenomen, zoals:
Tenslotte geldt voor een aantal wensen en ideeën dat nog een nadere afweging gemaakt zal worden door de regiopartijen in het kader van het pakket bovenwettelijke inpassingsmaatregelen (het pakket van € 30 mln).
Op welke wijze is er bij de door omwonenden naar voren gebrachte alternatieven voor de kruising N471 – N209 en een glazen overkapping in het Terbregseveld gehandeld volgens de Code Maatschappelijke Participatie? Is er bijvoorbeeld door Rijkswaterstaat ondersteuning verleend aan het uitwerken van de plannen?
De ingebrachte variant voor verlaging van de kruising met de N471 past niet binnen de scope van het Standpunt. Volgens de Code is dit reden genoeg om deze variant niet nader in beschouwing te nemen. In dit geval is de bewonersvariant evenwel toch nader bestudeerd. Daaruit blijkt dat de variant van de bewoners circa 36 mln euro duurder is dan de variant uit het Standpunt. Voor de gewenste vermindering van het geluid zijn goedkopere maatregelen denkbaar. Om deze redenen is deze variant niet verder meegenomen bij de uitwerking van het OntwerpTracébesluit. Deze variant kan nog wel een rol spelen bij de besluitvorming over het regionale maatregelpakket.
Bij de reactie op de wens voor toepassing van een glazen overkapping is gebruik gemaakt van ervaringen bij eerdere initiatieven elders in het land die doelmatige toepassing hiervan verhinderen. Ik verwijs hierbij naar de brieven aan uw Kamer van mijn voorganger, de heer Eurlings, van 3 november 2009, 2 maart 2010 en 21 juni 2010 (30 196, nr 108). De initiatiefnemers zijn over de reactie op hun wens geïnformeerd.
Welk beoordelingskader heeft u gehanteerd bij het beoordelen van de initiatieven die zijn ingebracht bij de gebiedstafels? Was dit beoordelingskader bij aanvang van de gebiedstafels bekend bij de deelnemers?
Het beoordelingskader is opgenomen in het «Informatieboekje Gebiedstafels A13/A16». Dit informatieboekje is voor de start van de gebiedstafels toegestuurd aan de deelnemers en tijdens de eerste bijeenkomst besproken. Het bevat de kaders voor de planuitwerking van de A13/16 die zijn vastgelegd in eerder genomen besluiten en (bestuurlijke) afspraken zoals het Standpunt en de relevante wet- en regelgeving.
Op welke wijze zijn de gebiedstafels betrokken bij de uitwerking en keuze voor een mogelijke inkorting van het Recreaduct bij het Schiebroekse park?
Het recreaduct maakt deel uit van het pakket extra inpassingsmaatregelen dat bekostigd wordt uit de regionale bijdrage (het pakket van € 30 mln). Over (de afmeting van) het recreaduct zullen de betrokken regiobestuurders nog een besluit nemen. De inbreng van de gebiedstafels wordt daarbij betrokken.
Wat is er gedaan met het voorstel van bewoners om de verlichting op de kruising N209 – Verbeek-Ohrlaan lager te plaatsen, zodat deze niet de woningen in schijnen? Hebben bewoners hier een inhoudelijke reactie op gehad?
De hoogte van de verlichting is geen aspect dat in het (Ontwerp) Tracébesluit wordt vastgelegd. De mogelijkheden voor de inrichting van de verlichting worden bezien in de fase van de uitvoering. Dit is aan de gebiedstafel medegedeeld.
Op welke wijze is omgegaan met de zorgen van de gebiedstafels, dat de landtunnel in het Bergse Bos te steil zou zijn, onder andere voor fietsers, en een grote fysieke en ruimtelijke barrière zal vormen?
De landschappelijke inpassing van de landtunnel en de herinrichting van het Lage Bergse Bos vindt plaats onder regie van het recreatieschap Rottemeren. In overleg met de betreffende gebiedstafel is een concept-inrichtingsplan opgesteld. Bij de nadere uitwerking daarvan wordt bezien of de hellingen van de wallen tegen de wanden van de landtunnel geoptimaliseerd kunnen worden.
Deelt u de mening dat voor betrokkenen de periode om te reageren op de Oplossingenkaart A13/A16 en het proces richting het ontwerptracébesluit erg krap is? Hoe rijmt dit met de Code Maatschappelijke Participatie, waarin gesteld wordt dat er voldoende ruimte moet zijn in de planning, begroting en capaciteit van projecten om de kwaliteit van participatie te waarborgen? Bent u bereid de inspraaktermijnen te verschuiven en/of te verlengen?
Zie antwoord 12.
Deelt u de mening dat het voor betrokkenen lastig is om te reageren op de Oplossingenkaart A13/A16 omdat een groot aantal gegevens nog missen, zoals de onderliggende onderzoeken naar geluidshinder en luchtkwaliteit waarmee de maatregelen worden onderbouwd? Worden deze gegevens nog verstrekt en op welke termijn, en krijgen betrokkenen voldoende tijd om ook op dit volledige beeld te reageren?
De Oplossingenkaart is in februari 2015 met de gebiedstafels besproken. Daarbij is toegelicht welke wensen en ideeën vanuit de omgeving wel of niet zijn overgenomen in de uitwerking van de inpassing van de weg. De reactietijd op de oplossingenkaart bedroeg 2 weken. Aansluitend heeft bestuurlijk overleg plaatsgevonden over de Oplossingenkaart en de reacties daarop.
Daarnaast hebben de regiobestuurders de deelnemers aan de gebiedstafels gemeld dat de informatie in de Oplossingenkaart over de bovenwettelijke geluidmaatregelen (onderdeel van het regionale maatregelpakket) nog niet volledig is en dat aanvullend onderzoek binnenkort wordt afgerond. De uitkomst daarvan wordt nog aan de gebiedstafels voorgelegd, waarbij desgewenst nadere toelichting wordt gegeven. De gebiedstafels krijgen de gelegenheid om op deze informatie te reageren en daarmee hun eerdere advies op de Oplossingenkaart bij te stellen. Gelet hierop, en op de uitvoerigheid van de in februari verkregen reacties, denk ik dat de betrokkenen voldoende reactietijd beschikbaar hebben.
Bent u bereid op korte termijn met betrokkenen van de gebiedstafels om tafel te gaan zitten om afspraken te maken om het participatieproces A13/A16 beter vorm te geven? Zo nee, waarom niet?
Zoals u in het bovenstaande hebt kunnen lezen, ben ik van mening dat bij de A13/A16 een uitgebreid en intensief participatieproces is doorlopen.
Illegalen die maandelijks ruim 200 euro leefgeld krijgen van de gemeente Eindhoven |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vluchtelingen zonder papieren krijgen leefgeld in Eindhoven»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ruim 200 euro leefgeld per maand krijgen?
Per Kamerbrief van 20 januari 2015 bent u geïnformeerd over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014 en de verplichting voor gemeenten om voorzieningen te verstrekken aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Deze verplichting is in tijd begrensd tot twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft bepaald inzake de ESH-zaken Conference of European Churches (CEC) en Feantsa.
In die brief heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ook gemeld dat hij, in voorkomende gevallen, bereid is aan betrokken gemeenten een financiële tegemoetkoming te bieden met het oog op de verplichtingen die voortvloeien uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Deze financiële tegemoetkoming is in tijd beperkt. De financiële tegemoetkoming ziet op door de betrokken gemeenten aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen geboden sobere voorzieningen in de periode van 17 december 2014 tot maximaal twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft ingenomen. Enige terughoudendheid vanuit het Rijk is op zijn plaats bij de beoordeling van de precieze lokale inrichting van genoemde sobere voorziening. Echter, het bieden van financiële ondersteuning, ter vrije besteding door de vreemdeling, gaat verder dan het bieden van enkel een sobere voorziening. Deze vorm van ondersteuning zal dan ook niet kunnen rekenen op een financiële tegemoetkoming vanuit het Rijk. Ik zal dit in mijn gesprekken met de VNG en gemeenten ook zo overbrengen.
Beseft u dat de bereidheid van illegalen om Nederland te verlaten alleen maar zal verkleinen als zij in Nederland van alle gemakken worden voorzien?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog meer gemeenten die het vertrekbeleid saborteren door illegalen van leefgeld te voorzien? Zo ja, welke gemeenten zijn dit?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u ervoor zorgen dat de gemeente Eindhoven, en indien nodig andere gemeenten, per direct stoppen met de sabotage van het vreemdelingenbeleid? Bent u bereid deze gemeente(s) desnoods te korten op het gemeentefonds?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht “Sluis op losse schroeven” |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Kunt u de signalen bevestigen dat vertraging dreigt voor verschillende sluisprojecten zoals de zeesluis in Terneuzen, de derde kolk bij de Beatrixsluis, de keersluis Limmel, de Zeetoegang in IJmuiden, de versterking van de sluizen in de Afsluitdijk en de tweede klok in de Sluis Eefde?
Nee. Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. De projecten derde kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond zijn reeds gestart met de aanbesteding. Het project »Nieuwe Sluis Terneuzen» heeft net een uitgebreide marktconsultatie gehouden waarin de markt haar interesse heeft laten blijken. Voor dit project en de projecten Afsluitdijk en sluis Eefde is de start van de aanbesteding in 2015 voorzien.
Kunt u aangeven waarom Rijkswaterstaat, ondanks dat de genoemde projecten al jaren voorzien waren, met de planning worstelt?
De huidige planning van genoemde projecten is stabiel. Het is wel zo dat Rijkswaterstaat dit jaar en komende jaren relatief veel grote projecten op de markt brengt. Ook andere sectoren trekken aan. Daardoor komen er in utiliteitsbouw en de spoorsector meer projecten op de markt, waardoor het volume aan opdrachten toeneemt. Daarom is de haalbaarheid van het werkenpakket de komende drie jaar, onder andere bij Bouwend Nederland, getoetst. Bouwend Nederland heeft aangegeven dat het haalbaar is.
Kunt u de gevolgen voor de ontwikkeling van de economie schetsen indien deze projecten vertraagd worden?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Heeft u met derde-belanghebbenden, zoals de gemeenten Amsterdam en Rotterdam, de binnenvaartsector en België, overleg gevoerd om de gevolgen van vertraging in beeld te hebben?
Voor zover relevant zijn er vanzelfsprekend binnen de projecten overleggen met derden over de scope, hinder en planning. Echter, er is op dit moment geen sprake van voorgenomen vertraging.
Kunt u een overzicht van alle sluisprojecten verstrekken met daarbij de geplande start van de werkzaamheden en de thans beoogde planning? Kunt u daarbij ook aangeven welke sluisprojecten een risico op vertraging kennen, hoe groot dat risico is en welke maatregelen voorzien zijn om dat risico te elimineren?
Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. Voor de projecten Derde Kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond is er geen risico op vertraging van de aanbesteding omdat deze reeds zijn gestart. Voor de projecten Sluis Terneuzen, sluis Eefde en de Afsluitdijk moet de aanbesteding nog starten en is op dit moment geen vertraging voorzien. De start van de realisatie van het project sluis Eefde is later dan de bij u bekende planning. Dit is het gevolg van het later vaststellen van het bestemmingsplan.
Keersluis Limmel
2015
Zeetoegang IJmond
2016
Derde Kolk Beatrixsluis
2016
Afsluitdijk
2017
Sluis Eefde
2017
Nieuwe Sluis Terneuzen
2017
Kunt u aangeven hoe regionale bouwbedrijven beter en meer betrokken kunnen worden bij deze projecten?
Zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt is het risico van onvoldoende belangstelling van marktpartijen voor deze projecten beheersbaar. Er is daarom geen aanleiding om de projecten ingrijpend anders te organiseren om deze toegankelijker te maken voor regionale bouwbedrijven.
Rentegevoeligheid als molensteen om nek pensioenen |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de FNV dat de lage rente een steeds grotere molensteen om de nek van de Nederlandse pensioenen wordt?1 Zo nee, waarom niet?
De pensioenen hebben inderdaad last van de aanhoudende lage rente. Bij een lage rente is meer geld nodig om alle toegezegde pensioenen te bekostigen. Afhankelijk van de mate van renteafdekking dalen op dit moment de beleidsdekkingsgraden van pensioenfondsen. Het moment waarop de pensioenen weer volledig aan de inflatie kunnen worden aangepast, kan hierdoor verder naar achteren schuiven. Een lage rente kan eveneens gevolgen hebben voor de hoogte van de pensioenpremies. Het fondsspecifieke effect hangt af van de gekozen systematiek voor het vaststellen van de kostendekkende premie.
Wat zijn volgens u de gevolgen van het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank voor de dekkingsgraden van de pensioenfondsen? Heeft u en/of De Nederlandsche Bank (DNB) daar onderzoek naar gedaan?
Het Extended Asset Purchase Programme van de Europese Centrale Bank (ECB-programma) is in maart 2015 van start gegaan en duurt in beginsel tot en met september 2016. Vanaf het moment dat het ECB-programma bekend is gemaakt, zijn de marktrentes gedaald. Dit heeft gevolgen voor de dekkingsgraden van pensioenfondsen. De dekkingsgraden worden echter niet alleen door de rente beïnvloed, maar ook door beleggingsrendementen en actuariële factoren. Daar komt bij dat veel pensioenfondsen hun renterisico in meer of mindere mate hebben afgedekt. Het afzonderlijke effect van het ECB-programma op fondsspecifieke dekkingsgraden kan daarom niet worden gekwantificeerd.
Wat zijn de gevolgen voor de koopkracht van pensioenen op korte en langere termijn?
Mede door het stabiliserende effect van het nieuwe financieel toetsingskader (ftk) zijn op de korte termijn nauwelijks gevolgen te verwachten voor de koopkracht van pensioengerechtigden. De koopkracht wordt vooral bepaald door de mate waarin pensioenen aan de prijsontwikkeling worden aangepast, respectievelijk worden gekort. De beleidsdekkingsgraad van de meeste pensioenfondsen zal in de loop van 2015 naar verwachting dalen. In dat geval moeten meer fondsen een herstelplan opstellen. In het nieuwe ftk hebben zij een termijn van 10 jaar om te herstellen naar het vereist eigen vermogen2. Uit berekeningen van DNB blijkt dat bijna alle fondsen die begin 2015 een tekort hadden, zich boven hun fondsspecifieke kortingsgrens bevonden. Een uitgebreider beschrijving van de effecten van de rente binnen het nieuwe ftk is opgenomen in het DNBulletin «Nieuw Financieel Toetsingskader vangt lage rente geleidelijk op»3.
Voor de mate van indexatie heeft het ECB-programma op de korte termijn nauwelijks gevolgen. Het merendeel van de pensioenfondsen had vóór de start van dit programma al te weinig vermogen om de pensioenen te indexeren. Als de marktrente nog geruime tijd op het huidige niveau blijft, kan het moment waarop de pensioenen weer volledig kunnen worden geïndexeerd, in de tijd opschuiven. In dat geval ontstaan op langere termijn gevolgen voor de koopkracht van de pensioenen.
Hoe kunnen pensioenfondsen zich beschermen tegen deze gevolgen?
Het merendeel van de pensioenfondsen beschermt zich al geruime tijd tegen de gevolgen van een rentedaling. Nagenoeg alle pensioenfondsen hebben een deel van hun bezittingen belegd in vastrentende waarden, zoals staatsleningen en bedrijfsleningen. Om het renterisico verder te beperken, houden veel fondsen in aanvulling op hun vastrentende waarden zogenoemde rentederivaten aan, zoals swaps en swaptions. Naar aanleiding van de motie Vermeij c.s. worden de voor- en nadelen van renteafdekking en de risico’s van rentederivaten momenteel onderzocht4.
Wilt u tegemoet komen aan het verzoek van de FNV om op korte termijn met werkgevers- en werknemersorganisaties te overleggen over bescherming van pensioenrechten tegen de kunstmatig lage rente? Zo nee, waarom niet?
Als sociale partners een nieuwe invalshoek willen inbrengen, ben ik gaarne bereid met hen hierover van gedachten te wisselen. Wel wil ik ervoor waken om discussies over te doen die we in het kader van het nieuwe ftk meermalen hebben gevoerd.
Containers met stenen uit Afghanistan |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Defensie bestolen in Afghanistan: tien containers gevuld met stenen landen op Vliegbasis Volkel»?1
Er zijn elf containers bij het voorval betrokken. De containers zijn, nadat deze beladen en afgesloten waren, aan een civiele vervoerder overgedragen. Deze vervoerder heeft begin 2014 ook een hoeveelheid containers afkomstig van de missie in Kunduz zonder problemen voor Defensie naar Nederland vervoerd.
Hoeveel bedraagt uw materiële schade, nu in plaats van het defensiematerieel containers vol met stenen zijn teruggekomen uit Afghanistan?
Het gaat om materieel dat langdurig in Afghanistan is gebruikt. De restwaarde van dergelijke goederen is hoger dan de transportkosten en kan pas meer exact worden beoordeeld na een inspectie in Nederland. Dit laatste is helaas niet meer mogelijk.
Kunt u een overzicht geven van al het defensiematerieel dat hierdoor nu wordt gemist?
De containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors.
Op welke wijze wilt u het defensiematerieel alsnog proberen terug te krijgen?
De KMAR heeft niet kunnen achterhalen waar het voorval is gebeurd en in welke richting de dader(s) moet worden gezocht. Het materieel moet daarom als verloren worden beschouwd.
Bent u voornemens deze materiële schade op iemand te verhalen? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u de schade dan wel verhalen? Zo ja, op wie?
Ja. De vervoerder is aansprakelijk gesteld.
Klopt het dat reeds onderzocht is hoe dit heeft kunnen gebeuren, maar dat de oorzaak niet is te achterhalen? Zo ja, hoe kan dit? Zo nee, gaat u alsnog onderzoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten.
De rol van advocaten en accountants bij fraudeonderzoeken |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het is dringen op de markt voor forensisch onderzoek»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja. De antwoorden van mijn ambtsvoorganger zijn mij bekend.3
Kunt u een vergelijking maken tussen de verplichtingen en bevoegdheden die advocaten respectievelijk accountants hebben bij het doen van forensisch onderzoek naar fraude bij ondernemingen? Wat zijn de kenmerkende verschillen?
In de regelgeving voor advocaten en accountants zijn geen specifieke voorschriften opgenomen met betrekking tot het doen van forensische onderzoeken. Voor beide beroepsgroepen gelden wel beroeps- en gedragsregels op grond waarvan verplichtingen kunnen voortvloeien indien fraude door hen wordt geconstateerd. De naleving van deze regels wordt in beide gevallen geborgd door het voor de beroepsgroep geldende tuchtrecht. Zowel accountants als advocaten hebben bij het uitvoeren van forensische onderzoeken naar fraude in voorkomend geval een meldplicht in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Deze wet heeft mede tot doel het witwassen van opbrengsten uit misdrijven (waaronder fraude) te voorkomen. In artikel 1, tweede lid van de Wwft is bepaald dat de wet niet van toepassing is op advocaten, indien zij een cliënt in rechte bijstaan, dan wel hem daar advies over geven4. Advocaten dienen zich wel te houden aan de Verordening op de Advocatuur. Uit de artikelen 7.1–7.3 van deze Verordening vloeit voort dat op de advocaat in elk geval een onderzoeksplicht rust met betrekking tot de identiteit van zijn cliënt en de strekking van de opdracht.
Voor zover het gaat om de controle van jaarrekeningen kunnen op accountants bijzondere verplichtingen rusten in geval van aanwijzingen van fraude. Zo dient de accountant aanvullende onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, indien er bij de controle van de jaarrekening een aanwijzing is voor fraude (Standaard 240 van de Nadere Voorschriften controle- en overige standaarden). Daarnaast geldt dat de accountant bij de controle van de jaarrekening een redelijk vermoeden van fraude in beginsel moet melden aan een opsporingsambtenaar (art. 26 Wet toezicht accountantsorganisaties jo. art. 37 Besluit toezicht accountantsorganisaties). Accountants en advocaten hebben geen verdergaande bevoegdheden dan andere burgers bij het verrichten van onderzoeken naar fraude. Zij beschikken ook niet over dwangmiddelen in het kader van de door hen uit te voeren onderzoeken.
Beschikt u over cijfers of indicaties waaruit blijkt dat advocaten steeds meer de rol van accountants overnemen als het gaat om forensisch onderzoek naar fraude bij ondernemingen? Zo ja, wat zijn die cijfers of indicaties en waarom zou die ontwikkeling zich voordoen?
Ik ben bekend met de recente berichtgeving in de media dat vaker dan voorheen advocaten worden ingeschakeld bij het verrichten van forensische onderzoeken bij grote ondernemingen. Overigens is mijn beeld dat advocaten dan veelal samenwerken in een multidisciplinair team met accountants, fiscalisten en IT-specialisten. Denkbaar is dat bij grote complexe ondernemingen meerdere deskundigheden nodig zijn, anders dan alleen accountancy, om een gedegen oordeel te kunnen vellen of er sprake is van fraude. Er zijn geen cijfers bekend omtrent de inzet van advocaten als forensisch onderzoeker. Ook de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) heeft laten weten niet over exacte cijfers te beschikken.
Kunnen advocaten die forensisch onderzoek doen en op informatie stuiten die op strafbare feiten duidt, vanwege hun verschoningsrecht die feiten aan bijvoorbeeld de politie of het Openbaar Ministerie (OM) onthouden en in hoeverre kunnen accountants dat niet?
Het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Wetboek van Strafvordering (Sv)en art. 165 lid 2 onder b Rechtsvordering (Rv) is een recht van onder meer advocaten en is noodzakelijk voor het goed kunnen vervullen van de kerntaken van de advocatuur. Bij forensisch onderzoek door een verschoningsgerechtigde kan sprake zijn van een geheimhoudingsplicht, maar dat is niet zonder meer het geval. Deze lijn is bevestigd in een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag5, waarin de rechtbank oordeelde dat het verschoningsrecht van de advocaat niet van toepassing is op forensisch onderzoek dat alleen feitelijkheden bevat.
In dit kader wil ik u verwijzen naar hetgeen eerder is gemeld aan uw Kamer in verband met de herziening van het Wetboek van Strafvordering.6
In het kader van de rijksbrede aanpak van fraude, waarover ik uw Kamer bij brief van 19 december 2014 laatstelijk heb bericht7, ben ik met het Openbaar Ministerie (OM) en de NOVA in gesprek over het gegeven dat door de tijd heen de dienstverlening van advocaten zich over een steeds breder terrein is gaan uitstrekken, waardoor ook het domein dat wordt bestreken door het sectorale beroepsgeheim zich verder heeft verbreed. Hierdoor wordt het spanningsveld tussen het verschoningsrecht enerzijds en het belang van voortvarende opsporing en vervolging anderzijds vergroot.
In het algemeen overleg met uw Kamer op 8 april jl. over de rijksbrede aanpak van fraude heb ik toegezegd u rond het zomerreces te informeren over de uitkomsten van de gesprekken die momenteel worden gevoerd met de NOVA, de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Notarissen (KNB) en het OM.
Acht u het nodig het verschoningsrecht van advocaten die opdracht van een onderneming forensisch onderzoek naar fraude doen volledig in stand te laten of ziet u mogelijkheden dit verschoningsrecht te beperken? Zo ja, waarom en op welke wijze wilt u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat bij forensisch onderzoek naar fraude, de waarheidsvinding boven het belang van de opdrachtgever zou moeten staan? Zo ja, hoe is dat nu gegarandeerd en maakt het daarbij uit of een advocaat of een accountant dat onderzoek doet? Zo nee, waarom niet?
Ik moedig aan dat bedrijven vermoedens van strafbare feiten zelf aan justitie melden en zie dat dit in de praktijk ook gebeurt. Bedrijven geven hiermee aan dat zij tegen strafbare gedragingen optreden en dat zij schoon schip willen maken.
Los van de mogelijkheden die het OM heeft voor het doen van strafrechtelijk onderzoek, is het van belang dat een intern onderzoek gedegen en kwalitatief goed wordt uitgevoerd. Of hiervoor forensisch accountants, advocaten, of andere deskundigen worden ingeschakeld, is in de eerste plaats aan het bedrijf zelf. Het bedrijf heeft zelf ook belang bij een gedegen en volledig onderzoek.
Wanneer een accountant bij de controle van de jaarrekening een redelijk vermoeden van fraude heeft en dit heeft gemeld bij de onderneming, dient deze onderneming dit onverwijld te (laten) onderzoeken. Deze onderzoeken kunnen worden uitgevoerd door advocaten. De accountant zal zich er echter van moeten vergewissen dat dit onderzoek deugdelijk is geweest om tot de conclusie te kunnen komen dat de organisatie voldoende heeft gedaan om, voor zover mogelijk, de gevolgen van de fraude te herstellen en herhaling te voorkomen. Indien de accountant zich hiervan niet kan vergewissen, zal de accountant dit moeten melden bij een opsporingsambtenaar (zie ook beantwoording vraag8.
Uit de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) volgt bovendien dat een beoordeling of beloning van een accountant niet afhankelijk mag zijn van de uitkomst van zijn controlewerkzaamheden. Deze professionele onafhankelijkheid geldt evenzeer voor een advocaat, zie artikel 10a, eerste lid, onder a van de Advocatenwet.
Is het in het bericht gestelde waar dat het OM er belang bij heeft de zaak via een schikking af te handelen en dat het Justitie ontbreekt aan de capaciteit om alle onregelmatigheden bij bedrijven voor de rechter te brengen? Zo ja, waarom en dient het OM op deze wijze wel voldoende het maatschappelijk belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Wanneer een zaak met een hoge transactie wordt afgedaan, past dit in een interventiestrategie die gericht is op het bereiken van een optimaal maatschappelijk effect van de strafzaak. Soms wordt een gehele strafzaak buitengerechtelijk afgedaan, in andere gevallen is sprake van afdoening van een deel van de zaak terwijl verdachten met een andere rol of positie in het feitencomplex een andere strafrechtelijke reactie ontvangen. Daarbij is steeds sprake van maatwerk.
In elke strafzaak wordt zorgvuldig afgewogen wat de meest passende afdoening is. Concrete omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een buitengerechtelijke afdoening, waarvan de transactie een voorbeeld is, het meest passend is. Daarbij speelt een rol dat het OM aan een rechtspersoon eisen kan stellen waardoor fraude in de toekomst kan worden voorkomen, waaronder maatregelen ter bevordering van de compliance, verbetering van bedrijfsprocessen en integriteitsprocedures. Deze maatregelen kan het OM niet ter terechtzitting eisen. Ook capaciteitsvoordelen kunnen in de afweging een rol spelen. Met een hoge transactie is dan sprake van een snelle, daadkrachtige interventie waarmee aan de samenleving, of aan bepaalde maatschappelijke sectoren, wordt duidelijk gemaakt dat het OM optreedt tegen strafbaar gedrag. Een snelle afdoening middels een transactie betekent bovendien dat slachtoffers sneller kunnen worden gecompenseerd voor geleden schade dan bij een behandeling ter zitting meestal het geval is. Verder is een financiële sanctie bij financieel gemotiveerde fraude in de regel een gepaste straf. Dat geldt dan ook voor een buitengerechtelijke financiële afdoening. Wanneer het OM een transactie voorstelt, is het geëiste geldbedrag gelijk aan het bedrag dat het OM ter zitting zou eisen. Bovendien wordt ter compensatie van het uitblijven van een openbare zitting een persbericht uitgebracht over de zaak, de transactie en de persoon van de verdachte. Wanneer het OM van oordeel is dat een gevangenisstraf de meest passende straf zou zijn, zal geen transactie worden aangeboden.
Deelt u de mening dat een forensisch onderzoek door een advocaat onafhankelijk en betrouwbaar moet zijn? Zo ja, wie controleert dat en op welke wijze en hoe verhoudt die onafhankelijkheid en betrouwbaarheid zich tot het opdrachtgeverschap van de onderneming voor wie de advocaat dit onderzoek doet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Het bericht ‘Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s»?1
Ja.
Is het waar, dat in ruim twee derde van de Limburgse gemeenten digitale agenda’s van wethouders worden gewist als die wethouders vertrekken of stoppen?
Ik heb geen aanleiding om de juistheid van de bevindingen in de berichtgeving – of het onderzoek waarop deze zijn gebaseerd – in twijfel te trekken. Termijnen van bewaren en vernietiging worden overigens vastgesteld aan de hand van de wettelijk voorgeschreven selectielijst.
Is het waar, dat slechts twee gemeenten (Voerendaal en Simpelveld) zich houden aan de termijn van zeven jaar, die de Archiefwet voorschrijft?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat het in de rest van de Nederlandse gemeenten met het bewaren van digitale agenda’s van wethouders die zijn vertrokken?
Het ministerie houdt geen systematische administratie bij van de naleving van taken door medeoverheden en derhalve ook niet van de wijze waarop gemeenten de voorschriften van de Archiefwet naleven. Ik kan ook dus ook niet beoordelen of dit onderzoek bij Limburgse gemeenten representatief is voor heel Nederland. Maar er is geen reden om te veronderstellen dat de situatie zich bij gemeenten elders in Nederland niet voordoet.
Hoe verhoudt de gesignaleerde problematiek zich tot uw visie Digitale overheid 2017?
De Nederlandse overheid digitaliseert en moderniseert. Dat ziet op de dienstverlening aan burgers en bedrijven en op de interne werkprocessen. Daarbij wordt uiteraard gebruik gemaakt van internet, E-mail en voorzieningen zoals digitale agenda’s – ook door bestuurders. De Nederlandse overheid gaat over op het Nieuwe werken en naar papierloze kantoren. Het gebruik van digitale processen en documenten stelt nieuwe eisen aan archivering. En dat ziet niet alleen op het bewaren van agenda’s. Een digitale overheid impliceert ook digitale archivering.
Welke maatregelen hebt u genomen om naast de kennis van wet- en regelgeving het bewustzijn van nut en noodzaak van digitale duurzaamheid te bevorderen?
Er is veel aandacht en belangstelling voor arbeidsinnovatie en digitaal werken. Onderkend moet worden dat digitaal archiverendaarbij niet altijd de hoogste prioriteit heeft. De Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG) brengt dit samen met betrokken organisaties onder de aandacht.
De informatie op papier moet steeds meer wijken voor een al maar groter wordende stroom digitale informatie. Kon die tot enige tijd geleden nog worden geprint en «ouderwets» worden opgeborgen in een archiefdoos, dat is alleen al door de omvang van de informatiestroom niet meer mogelijk.2 In 2012 tekenden de Minister van OCW – mede namens de Minister van BZK- en bestuurders van IPO, VNG en UvW het Archiefconvenant om de digitale uitdaging gezamenlijk aan te gaan. Vanuit het uitwerkingsprogramma Archief 2020 wordt gewerkt aan duurzame digitale toegankelijkheid. De Minister van OCW ondersteunt daarbij het samenwerkingsproject Archiefinnovatie Decentrale Overheden (AIDO) met als doel het stimuleren en ondersteunen van overheden bij duurzame digitale archivering. Door AIDO is oud-burgemeester Wiebosch-Steeman benoemd tot Ambassadeur archiefinnovatie.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om het vraagstuk van digitale duurzaamheid aan te pakken?
Ik heb de antwoorden op deze schriftelijke vragen aan de VNG gezonden. Zoals bij antwoord 6 vermeld, heeft deze kwestie de aandacht van de VNG en betrokken organisaties.
Het bericht 'Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen' |
|
John Kerstens (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen»?1
Ja.
Herinnert u zich eerdere vragen over de misstanden bij de bouw van zowel het Forum als de Sontbrug in Groningen, meer in het bijzonder vraag 3 en uw antwoord daarop?2
Ja. Deze vragen hebben betrekking op een probleem dat al eerder onder de aandacht is geweest. Begin december vorig jaar heb ik hierover schriftelijke vragen beantwoord. Daarin heb ik gewezen op de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en de maatregelen in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies om onderbetaling tegen te gaan. Uit het bericht maak ik op dat de problemen helaas nog niet zijn opgelost.
Bent u van mening dat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever (zeker als dat de overheid zelf is) zich niet alleen uitstrekt tot het besteden van aandacht aan het correct naleven van de toepasselijke cao in de gehele keten bij het aanbesteden zelf, maar dat die aandacht ook nodig is tijdens de feitelijke werkzaamheden? Zo ja, doet de opdrachtgever in kwestie wat dat betreft naar uw mening voldoende? Hoe zou het besteden van aandacht aan correcte naleving van de regels tijdens de werkzaamheden naar uw mening in onderhavige casus vorm kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Een opdrachtgever hoort zorg te dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, waarin de geldende wettelijke regels en contractuele afspraken over de arbeidsvoorwaarden worden nagekomen. Van een opdrachtgever, opdrachtnemer en aannemer wordt verwacht dat zij tijdens het proces van aanbesteding alsmede gedurende de periode van uitvoering die hier op volgt die maatregelen treffen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om te bevorderen dat de werkgever het aan zijn werknemer verschuldigde loon voldoet. Deze verantwoordelijkheid beperkt zich niet tot het correct naleven van de toepasselijke cao bij het aanbesteden zelf. Dit volgt onder andere uit de aanbestedingswet en uit de principes van de OESO voor integer handelen bij publieke aanbestedingen. Of de opdrachtgever, in dit geval de gemeente Groningen, deze verantwoordelijkheid ook neemt is niet aan mij om te beoordelen.
Een opdrachtgever kan een aantal maatregelen treffen om misstanden zoals onderbetaling te voorkomen. In het geval van misstanden van onderbetaling die gedurende de feitelijke werkzaamheden aan het daglicht komen, kan een (hoofd)opdrachtgever ook een belangrijke rol spelen. Zo kan hij na het signaal van een werknemer over onderbetaling actie ondernemen richting de betreffende lagere schakel in de keten met het oog op betaling van het verschuldigde loon. De opdrachtgever kan hiertoe controle laten uitvoeren, zich laten informeren over de situatie en verlangen dat de uitvoeringsvoorwaarden en eventueel opgestelde contractuele bepalingen worden nagekomen. De opdrachtgever kan bij een misstand van onderbetaling ook een bemiddelende rol (laten) vervullen.
Bent u van mening dat inwerkingtreding van het onlangs door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel «Wet Aanpak Schijnconstructies» misstanden als hier aan de orde kan voorkomen? Zo ja, kunt u aangeven of en (zo ja) op welke (andere) wijze de opdrachtgever zijn verantwoordelijkheid in onderhavige casus zou moeten vormgeven onder voornoemde wet?
Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies draagt bij aan het voorkomen en oplossen van situaties waar sprake is van onderbetaling. Deze bevat namelijk de invoering van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Ketenaansprakelijkheid geeft opdrachtgevers en cao-partijen meer handvatten om onderbetaling in ketens beter aan te kunnen pakken. Hier gaat een sterke preventieve werking van uit. Opdrachtgevers worden door het risico van aansprakelijkstelling immers gestimuleerd om onderbetaling te voorkomen.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies geeft een niet-limitatieve opsomming van maatregelen die opdrachtgevers zowel bij de opdrachtverlening als bij reeds geconstateerde misstanden kunnen nemen om een succesvol beroep te kunnen doen op niet-verwijtbaarheid. Het gaat om maatregelen als het zorg dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, het opnemen van contractuele bepalingen die ertoe strekken dat opdrachtnemers of aannemers handelen conform de toepasselijke wet- en regelgeving en daarnaast de geldende arbeidsvoorwaarden naleven, het opnemen van een procedure over de handelwijze bij eventuele misstanden in de contract- of uitvoeringsvoorwaarden, het zakendoen beperken tot geregistreerde opdrachtnemers en indien de misstanden zich al voorgedaan hebben het leveren van inspanningen om de onderbetaling alsnog op te lossen.
In bovenbedoeld artikel wordt opgemerkt dat een bij de werkzaamheden in kwestie betrokken uitzendbureau zijn medewerking zou hebben onthouden aan een onderzoek van de Inspectie SZW; is dat inderdaad het geval en zo ja, welke gevolgen heeft dat voor het uitzendbureau in kwestie respectievelijk voor de voor dat uitzendbureau werkzame werknemers?
Met de extra capaciteit voor de aanpak van schijnconstructies voert de Inspectie SZW sinds 2014 op grotere schaal cao-nalevingsonderzoeken uit, op verzoek van cao-partijen. Over een specifieke casus doe ik geen uitspraken. De Inspectie SZW ziet in het algemeen dat enerzijds de keuze de inspectiecapaciteit te verleggen naar notoire overtreders en misstanden en anderzijds de verhoogde boetes die de Inspectie SZW oplegt, een tegenreactie oproepen door middel van juridische procedures. Dit heb ik in mijn brief van 1 oktober 2014 aangegeven.
Bent u van mening dat een opstelling als in vraag 5 omschreven ertoe zou moeten leiden dat het contract met het desbetreffende uitzendbureau wordt ontbonden? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat de werknemers bij wie de onderbetaling is geconstateerd alsnog betaald krijgen en hun werk behouden. Ontbinding van het contract met het desbetreffende uitzendbureau is in dat opzicht niet doeltreffend en alleen geschikt als ultimum remedium. Ontbinding zal er namelijk niet toe leiden dat de werknemers op korte termijn alsnog hun achterstallige loon zullen ontvangen.
Als gevolg van het niet verlenen van medewerking aan een onderzoek van de Inspectie SZW zou het uitzendbureau in kwestie zijn zogenaamde «SNA- certificaat» zijn kwijtgeraakt; welke gevolgen zou dat naar uw mening in onderhavige casus moeten hebben?
Uit navraag bij de Stichting Normering Arbeid (SNA) is gebleken dat het betreffende uitzendbureau inderdaad zijn SNA-certificaat kwijt is geraakt. De precieze reden hiervan is mij niet bekend. De gevolgen van een dergelijke intrekking kunnen vooral betrekking hebben op toekomstige aanbestedingen. De rijksoverheid doet bijvoorbeeld in principe geen zaken met uitzendbureaus zonder keurmerk. Het is voor alle (publieke) opdrachtgevers aan te bevelen om alleen zaken te doen met NEN-gecertificeerde uitzendbureaus.
Mede naar aanleiding van de motie Kerstens c.s. omtrent de evaluatie van het certificeringssysteem in de uitzendbranche heeft u in uw brief aan de Kamer van 12 mei 2014 over de «aanpak van malafide uitzendbureaus en zelfregulering» een pakket maatregelen aangekondigd dat zou moeten leiden tot verbetering van onderhavige zelfregulering3 4; wanneer kan de Kamer (gelet op de in bedoelde brief genoemde termijn van een jaar) de evaluatie van bedoelde maatregelen alsmede daaraan door u verbonden conclusies tegemoetzien?
De Kamer kan deze evaluatie voor de zomer tegemoet zien.
Bent u bereid om van de voorziene restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof een «voorbeeldproject» te maken als het gaat om «excellent opdrachtgeverschap» in relatie tot de Wet Aanpak Schijnconstructies?
Zoals in de antwoorden hiervoor beschreven is het belangrijk dat de (rijks)overheid alle aanbestedingen op verantwoorde wijze uitvoert. De besluitvorming over restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof is nog niet afgerond. Keuze voor het Binnenhof als «voorbeeldproject» is daarom nu niet aan de orde. Indien tot restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof wordt besloten, zal de aanbesteding worden uitgevoerd conform de vigerende wet- en regelgeving.