Het bericht '112-app kan bellen met meldkamer' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «112-app kan bellen met meldkamer»?1
Ja.
De SOS-app suggereert dat er samengewerkt wordt met het landelijke noodnummer 112; wat is de exacte relatie met de meldkamer en de 112-hulpdiensten?
De SOS Alarm app is een particulier initiatief. De app is bedoeld om de bij SOS Alarm aangesloten vrijwillige hulpverleners in de directe omgeving van het incident te alarmeren. Tevens brengt de app een normale telefoonverbinding tot stand met het alarmnummer 112. Zodra 112 gebeld wordt treedt de gebruikelijke procedure van officiële hulpverlening in werking. Deze houdt bewust geen rekening met de eventuele inzet van de vrijwillige hulpverleners. Er is immers geen enkele garantie of deze ter plaatse zijn of komen. Zodra de officiële hulpverleningsinstanties ter plaatse zijn nemen zij de hulpverlening over van de eventuele vrijwilligers ter plaatse.
Deelt u de mening dat er geen enkele onduidelijkheid mag bestaan over de wijze waarop de hulpdiensten via 112 kunnen worden gealarmeerd en dat apps zoals de SOS-app niet alleen tot verwachtingen bij de gebruikers kunnen leiden die door de hulpdiensten niet kunnen worden waargemaakt maar ook tot onverantwoorde risico’s in vaak toch al levensbedreigende situaties? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat er geen enkele onduidelijkheid mag bestaan over de wijze waarop mensen in contact kunnen komen met de officiële hulpdiensten via het alarmnummer 112. Ik blijf dan ook communiceren dat mensen in nood direct moeten en kunnen bellen met het alarmnummer 112.
De SOS Alarm Hulpdienst is een particulier initiatief. Dit mag er echter niet toe leiden dat onduidelijkheid ontstaat over de inzet van de officiële hulpdiensten of de vertraagde inzet daarvan. Ik heb de initiatiefnemer van de SOS Alarm app gewezen op de potentiële veiligheidsrisico’s die zijn wijze van communiceren over de SOS Alarm app met zich meebrengt. Ik heb hem verzocht in al zijn communicatie de schijn te vermijden dat de app een overheidsinitiatief is en dat deze in de plaats treedt van het alarmnummer 112. Ik zal de ontwikkelingen op dit gebied de komende tijd nauwlettend volgen. Daar waar de app risico’s oplevert voor de bereikbaarheid van 112 of de inzet van de officiële hulpdiensten zal ik verdere actie ondernemen.
Wat gaat u doen om de schijnveiligheid, die als gevolg van dit soort apps kan ontstaan, tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een 112-app wel mogelijkheden en kansen kan bieden die aansluiten bij de technologische ontwikkelingen van deze tijd en die kunnen bijdragen aan nog betere en snellere hulpverlening zoals het traceren van de locatie en het gebruik maken van beelden bij de melding? Zo ja, gaat u zich inspannen voor een door de overheid erkende 112-app?
Op dit moment biedt een spraakoproep naar 112 een aantal belangrijke garanties die voor een data-oproep niet gelden. In de Telecomwet zijn voor 112 spraakoproepen een aantal zaken geregeld. Zo worden 112 oproepen met prioriteit afgehandeld ten opzichte van een normale oproep en wordt voor een 112-oproep ononderbroken en gratis toegang geëist van de providers. Dit is voor data niet het geval. Daarnaast is met de telecom providers afgesproken dat een 112 spraakoproep gebruik kan maken van elk beschikbaar netwerk voor het doen van een noodoproep. Hiermee ligt de kans op een geslaagde 112 oproep rond de 99%, zoals eerder door de Minister van Economische Zaken aan uw Kamer aangegeven (Kamerstuk 29 517-97). Ten slotte biedt spraakcontact tussen de 112-centrale en de melder het voordeel dat er kan worden doorgevraagd. In voorkomende gevallen kunnen in het spraakcontact direct instructies aan de melder worden gegeven met betrekking tot de noodsituatie.
Ik deel de mening dat apps in de toekomst mogelijkheden en kansen kunnen bieden door het aanleveren van aanvullende informatie die de hulpverlening uiteindelijk kan verbeteren en/of versnellen, zoals locatiegegevens en beelden. Om 112 via een app te bereiken is echter de beschikbaarheid van internet vereist. Bij gebruikmaking van internet kan (nog) niet dezelfde bereikbaarheid en stabiliteit gegarandeerd worden als bij een spraakverbinding. Daarnaast moet de 112-infrastructuur hier nog geschikt voor worden gemaakt. Bij de vorming en inrichting van de Landelijke Meldkamerorganisatie worden deze ontwikkelingen meegenomen. Ik vind het echter van het grootste belang bij deze ontwikkelingen dat de dienstverlening die de rijksoverheid biedt op het terrein van 112 ook nagenoeg gegarandeerd moet kunnen worden.
Klopt het dat het nu voor de meldkamer niet mogelijk is de locatie van een mobiele beller te traceren waardoor kostbare minuten verloren gaan? Wat is er voor nodig de locatie van een mobiele beller wel te traceren en bent u bereid dit mogelijk te maken?
Bij aanvang van elke 112-noodoproep vanaf een mobiele telefoon worden globale locatiegegevens van de beller meegestuurd naar de landelijke alarmcentrale. Deze locatiegegevens zijn gebaseerd op de gegevens van de mast die gebruikt wordt om het gesprek tot stand te brengen. In sommige gevallen zijn de meegestuurde globale locatiegegevens onvoldoende, omdat de beller zijn locatie niet weet of kan zeggen en ook een omschrijving van de omgeving onvoldoende houvast biedt. In dat geval is het mogelijk om een meer nauwkeurige locatie van de melder vast te stellen. Deze procedure kost inderdaad enige tijd. Zoals gemeld in antwoord op vragen 5 en 7 is het sneller kunnen ontvangen van locatiegegevens, bijvoorbeeld op basis van gps-plaatsbepaling, een van de aandachtspunten binnen de nieuw te ontwikkelen infrastructuur van de Landelijke Meldkamerorganisatie.
Neemt u deze ontwikkelingen, de app, het gebruik maken van beelden en de mogelijkheid van het traceren van een mobiele beller, mee bij de verdere inrichting van de landelijke meldkamer?
Zie antwoord vraag 5.
Berichten over martelingen in Marokko |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het Amnesty-rapport «Shadow of impunity: Torture in Morocco and Western Sahara»?1
Ja.
Herkent u de uitermate zorgelijke bevindingen van het rapport dat in Marokko, ondanks een wettelijk verbod, nog steeds wordt gemarteld en dat arrestanten bijvoorbeeld worden bedreigd met verdrinking, verkrachting, fysiek geweld en de «roast-chicken»-behandeling? Zo ja, hoe beoordeelt u deze bevindingen?
Het rapport geeft aan dat in Marokko weliswaar geen sprake is van stelselmatige martelingen of inhumane behandeling, maar dat er desondanks nog veel incidenten zijn gemeld. Het kabinet neemt alle aantijgingen van mensenrechtenschendingen, wereldwijd, serieus. Dus ook deze. Nederland heeft hierover gesproken met de Marrokaanse autoriteiten. Inmiddels heeft Marokko de nationale wetgeving die marteling verbiedt verder aangescherpt.
Klopt het dat mensen die een aanklacht indienen tegen marteling in Marokko het risico lopen zelf te worden vervolgd, bijvoorbeeld wegens valse aangifte? Zijn er ook mensen met de Nederlandse nationaliteit vervolgd nadat zij een aanklacht tegen marteling indienden? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen?
Het Amnesty-rapport onderbouwt het risico op vervolging van indieners van klachten over martelingen onder meer met verwijzingen naar enkele in Frankrijk ingediende klachten over martelingen in Marokko. Het is niet goed mogelijk op basis van deze voorbeelden algemene conclusies te trekken. Voor zover bekend, hebben geen Nederlanders klachten over marteling in Marokko ingediend.
Bent u bereid de bevindingen, conclusies en aanbevelingen in het Amnesty-rapport met de Marokkaanse autoriteiten te bespreken? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over het verloop van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
In zowel bilateraal als multilateraal verband komt de mensenrechtensituatie in Marokko aan bod. De bevindingen van het Amnesty International rapport zullen daarin worden meegenomen. Waar mogelijk zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
In hoeverre dragen Nederlandse projecten in Marokko bij aan het voorkomen van mensenrechtenschendingen zoals marteling? Hoe succesvol zijn in dit verband het trainingsprogramma voor advocaten, aanklagers en rechters op het gebied van wetgeving en justitiële hervormingen, alsmede het project waarin de Dienst Justitiële Inrichtingen samenwerkt met Marokkaanse autoriteiten ter bevordering van mensenrechtenmonitoring in gevangenissen (waarnaar u verwijst in de beantwoording van eerdere vragen)?2 Kunt u aangeven of deze projecten nog steeds lopen? Wat zijn de (voorlopige) resultaten van de samenwerking? Lopen de projecten ook in de gevangenissen en detentiecentra die in het rapport genoemd worden?
Nederland heeft in 2013 en 2014 met Marokko gewerkt aan een project dat bijdraagt aan de uitvoering van het door Marokko in 2014 geratificeerde Facultatieve Protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (OPCAT). Ook werkt Nederland samen met Marokko om de door Marokko in gang gezette hervorming van de justitiële sector te ondersteunen.
Met de Nederlandse inzet wordt enerzijds de juridische hervormingen ondersteund en anderzijds het mensenrechtenbewustzijn en naleving daarvan bevorderd. Tot dusver zijn de Nederlandse ervaringen met projecten die erop zijn gericht mensenrechtenschendingen te voorkomen positief. De projecten waarnaar u in uw vraag verwijst, zijn goede voorbeelden.
Het project waarbij de Dienst Justitiële Inrichtingen in 2013 en 2014 was betrokken, was erop gericht de omstandigheden in detentie beter te monitoren. Het getrainde personeel wordt ingezet om de omstandigheden in alle detentiecentra in Marokko te monitoren en behoort tot de lokale afdelingen van de Nationale Raad voor de Rechten van het Mens (CNDH). Dit onafhankelijke orgaan heeft het mandaat klachten te onderzoeken, detentiebezoeken af te leggen en daarbij tot onderzoek over te gaan. Marokko heeft aangegeven de inzet op dit terrein voort te zetten door in november 2015 het CNDH aan te wijzen als Nationaal Preventiemechanisme.
Het trainingsprogramma voor advocaten, aanklagers en rechters op het gebied van wetgeving en de samenwerking met Marokko om de justitiële sector te ondersteunen loopt nog. Het programma heeft ten doel een grotere onafhankelijkheid van de justitiële sector te realiseren.
Ten slotte werkt Nederland nauw samen met tal van lokale maatschappelijke organisaties om mensenrechten steviger in de samenleving te verankeren. Voorbeeld hiervan is een project waarbij een curriculum wordt ontwikkeld en advocaten worden getraind in het gebruik van het internationaal recht bij de verdediging van cliënten. Ook worden workshops georganiseerd voor personen die werkzaam zijn in de detentiesector, zoals bewakers, zorgverleners, om hen bewust te maken van de rechten van gedetineerden.
Kunt u aangeven in hoeverre de problematiek van mensenrechtenschendingen en marteling aan de orde is geweest bij het besluit om samen met Marokko op te trekken op het gebied van terrorismebestrijding, onder meer in het kader van het Global Counter Terrorism Forum?3 Erkent u dat bij de strijd tegen terrorisme een risico bestaat dat het leidt tot repressief optreden en mensenrechtenschendingen door staten? Zo ja, op welke wijze heeft u dit risico ondervangen in de genoemde samenwerking?
Marokko en Nederland werken intensief samen op het gebied van terrorismebestrijding. Expliciet uitgangspunt is dat terrorismebestrijding plaats moet vinden binnen de kaders van het internationale recht, en in het bijzonder van de mensenrechten.
Dit uitgangspunt geldt ook voor het Global Counterterrorism Forum (GCTF).
De uitwisseling van ervaringen en inzichten van deelnemende landen gaat onder andere over: verdere versterking van de rechtsstaat en het justitiële apparaat in het bestrijden van terrorisme. Samenwerking binnen het GCTF geeft de mogelijkheid deze thema’s bespreekbaar te maken en eventuele onderliggende problemen aan te pakken door bijvoorbeeld capaciteitsopbouw te bevorderen.
Binnen het GCTF wordt gewerkt met werkgroepen. Één daarvan richt zich op het versterken van de rechtstaat. Een andere werkgroep richt zich op het ontwikkelen van beleidsaanbevelingen voor detentie van terroristen en hun re-integratie nadat zij hun straf hebben uitgezeten. Marokko en Nederland dragen hier actief aan bij.
Hoe beoordeelt u de reactie van het Marokkaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken op het Amnesty-rapport, die het afdoet als een provocatie en stelt: «Amnesty International probeert de veranderingen te forceren, maar dat heeft tijd nodig.»?4
Hoewel de Marokkaanse regering bijzonder kritisch is op het Amnesty-rapport, heeft Marokko ook inhoudelijk gereageerd en aangegeven wat voor maatregelen zijn getroffen en nog getroffen moeten worden. Nederland verwelkomt deze maatregelen en zal de voortgang blijven volgen.
Cupping-praktijken |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kamer wil cupping aanpakken»?1
Ja.
Wat zijn de omvang en gezondheidsrisico’s van cupping? Bent u bereid op korte termijn een quick scan te doen?
Ik heb kennis genomen van de berichten. Ik maak mij zorgen over de gezondheidsrisico’s van »wet cupping».
Cupping valt, als voorbehouden heelkundige behandeling, onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Alleen daartoe aangewezen en bekwame zorgverleners, zoals artsen, zijn formeel bevoegd deze handeling uit te voeren. De IGZ houdt hier toezicht op.
Indien deze voorbehouden handeling wordt uitgevoerd door iemand die niet BIG-geregistreerd is, kan hier door de IGZ een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Indien deze voorbehouden handeling wordt uitgevoerd door iemand die wel BIG-geregistreerd is, bijvoorbeeld een arts, kan deze handeling tuchtrechtelijk worden getoetst.
Ook kan er in beide gevallen sprake zijn van een strafbaar feit, zoals mishandeling of het buiten noodzaak toebrengen van schade, waarop het Openbaar Ministerie kan handhaven. Als de IGZ bij haar toezicht een strafbaar feit constateert, kan zij daarvan aangifte doen.
Verder heeft de gemeente in het kader van de Wet publieke gezondheid als taak de technische hygiënezorg te bevorderen. De uitvoerende instantie is doorgaans de GGD. De GGD kan in het geval van besmetting passende maatregelen nemen en een melding doen bij de IGZ. De IGZ heeft dergelijke meldingen nog niet ontvangen.
Wat vindt u ervan dat veel cupping-therapeuten in lichamen snijden, terwijl zij hier niet voor zijn opgeleid? Welke incidenten met cupping zijn u bekend, en hoe zijn deze afgehandeld?
Zie het antwoord op vraag 2. Er zijn bij de IGZ geen meldingen bekend over problemen met cupping.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre cupping-therapeuten zich aan de wet houden? Zo ja, wanneer verwacht u de Kamer te informeren, en welk vervolg geeft u aan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe duidt u de claim van therapeuten dat «cupping helpt tegen kanker»? Welke wettelijke kaders zijn er om consumenten te beschermen tegen onrechtmatige gezondheidsclaims en hoe worden deze gehandhaafd?
De claim dat cupping helpt tegen kanker is ongefundeerd en daarmee misleidend en in strijd met de Nederlandse Reclame Code. Ik heb de Stichting Reclame Code op dergelijke claims gewezen.
Vindt u ook dat er in het kader van de volksgezondheid en veiligheid onmiddellijk toezicht moet komen op cupping-therapeuten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat cuppingpraktijken ondergebracht moeten worden in de Warenwet, zoals dat ook met tatoeëren en piercen het geval is, gecontroleerd door de GGD?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Bij tatoeëren en piercen wordt de huid doorboord en kunnen er bloedoverdraagbare ziekten (hepatitis, aids) worden overgebracht. Er bestond destijds geen wettelijk kader hiervoor. Anders dan cupping zijn tatoeëren en piercen geen voorbehouden handelingen volgens de Wet BIG. Daarom is ervoor gekozen om het gebruik van tatoeage- en piercingmateriaal onder de Warenwet te brengen en hiervoor een vergunningplicht te introduceren.
Leerlinggewichten |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten op basis van welke kwalitatieve maatstaven in de landeninformatie die de Dienst Uitvoering Onderwijs gebruikt voor het bepalen van de leerlinggewichten een gedegen vergelijking met het Nederlandse onderwijs wordt gemaakt?1 Hoe wordt rekenschap gegeven van de onduidelijkheid die ten aanzien van veel niet-Westerse landen bestaat als het gaat om de kwaliteit van het gevolgde onderwijs?
DUO gebruikt voor haar website landeninformatie die is opgesteld door de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), afdeling Diplomawaardering en Onderwijsvergelijking. SBB is het expertisecentrum voor alle buitenlandse kwalificaties op vmbo- en mbo-niveau. De niveaus in de onderwijsstelsels in andere landen worden vergeleken met het Nederlandse onderwijsstelsel. Bij de toekenning van gewichten categorieën per onderwijsjaar is uitgegaan van de structuur van het onderwijssysteem per land. Hierbij wordt in vergelijking met het Nederlandse onderwijssysteem gekeken naar in- en uitstroomniveau, aantal jaren onderwijs en het niveau van het onderwijs. Voor haar werkprocessen hanteert SBB een intern kwaliteitszorgsysteem. De kwaliteit van de in de landeninformatie vermelde onderwijsinstellingen, in Nederland of in het buitenland, wordt gebaseerd op nationale erkenningen.
In hoeverre klopt het dat ten aanzien van de meeste landen geen leerlinggewicht wordt toegekend wanneer tot de leeftijd van ongeveer 15 jaar voortgezet onderwijs is gevolgd, terwijl ten aanzien van het Nederlandse voortgezet onderwijs een inhoudelijke maatstaf wordt gehanteerd? Klopt het bijvoorbeeld dat een leerling van wie een ouder in Eritrea vervolgonderwijs heeft gevolgd geen leerlinggewicht oplevert, terwijl een ouder die een VMBO-diploma in de basisberoepsgerichte leerweg heeft gehaald wel tot een leerlinggewicht leidt?
Nee, dit klopt niet. Door SBB wordt per land een beoordeling gedaan en een vergelijking gemaakt met de onderwijsniveaus die in het Nederlandse voortgezet onderwijs recht geven op een gewicht. Bepalend is uiteindelijk het niveau van de hoogste (vervolg)opleiding, het laatst afgeronde leerjaar dan wel het behaalde diploma.
Het in de vraagstelling gegeven voorbeeld klopt niet. Indien het aantal doorlopen leerjaren vervolgonderwijs in Eritrea qua niveau vergelijkbaar is met een vmbo-niveau (basis- of kaderberoepsgerichte leerweg) dan geeft dat recht op een schoolgewicht.
Op welke wijze gaat de onderwijsinspectie om met scholen die met een aangescherpte normering voor leerresultaten te maken hebben, doordat het aantal gewichtenleerlingen als gevolg van administratieve wijzigingen fors is gedaald? In hoeverre acht u de aanscherping van de gewichtenregeling betrouwbaar genoeg om te accepteren dat scholen gelijktijdig zowel met tienduizenden euro’s inkomstenderving als met strengere normen inzake leerresultaten te maken krijgen?
Als het aantal gewichtenleerlingen door administratieve wijzigingen fors is gedaald en dit is bij DUO verwerkt, dan houdt de inspectie met deze gewijzigde gegevens rekening bij de beoordeling van de onderwijsopbrengsten.
Ik acht de correcties die uit de controles volgen betrouwbaar. De uitvoering van de controles gebeurt door externe onafhankelijke accountants die gebonden zijn aan de beroepsregels van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. Scholen die twijfelen aan de juistheid van correcties kunnen bezwaar maken bij DUO. In die gevallen doet DUO opnieuw een beoordeling. Ik wijs erop dat de regeling of de normen in de regeling niet zijn aangescherpt. De genoemde inkomstenderving ontstaat als het gevolg van de hoge foutpercentages in de uitvoering van de bestaande regeling door basisscholen en de correcties die hierop volgen. Zowel voor de vaststelling van de bekostiging als voor de beoordeling van de onderwijsresultaten is het van belang om uit te gaan van de juiste, voor fouten gecorrigeerde, gegevens.
Kunt u aangeven hoeveel het aantal gewichtenleerlingen met gewicht 0,3 en 1,2 is gedaald sinds de aanscherping van het beleid en welke besparingen hiermee gemoeid zijn? In hoeverre valt sinds de aanscherping een versnelde daling van het aantal gewichtenleerlingen op te merken?
Het beleid en criteria voor de toekenning van gewichten zijn niet aangescherpt. Het aantal gewichtenleerlingen daalt door het stijgende opleidingsniveau van ouders en de autonome daling van het aantal basisschoolleerlingen. Daarnaast kunnen naar aanleiding van controles de gewichten lager of op nul worden vastgesteld. Sinds eind 2013 worden extra controles ingezet om de fouten op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Dit zal ook leiden tot minder toegekende gewichten. OCW kan het effect hiervan nog niet betrouwbaar kwantificeren. Niet alle foutcorrecties zijn namelijk verwerkt door scholen of door OCW. Daarnaast worden er ook weer nieuwe controles opgestart op de nieuwe leerlingeninstroom en de opvolging van correcties. Geleidelijk zal het effect van de controles zichtbaar worden in de hoeveelheden gewichten.
Klopt het dat de specifieke uitkering voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid nog steeds gebaseerd is op het aantal gewichtenleerlingen, terwijl de vuistregel voor het bepalen van het aanbod van plaatsen voor- en vroegschoolse educatie uitgaat van het aantal kleuters met een leerlinggewicht? Zo ja, op welke wijze bent u voornemens in het nieuwe besluit te voorkomen dat de bekostiging geen verband houdt met het aantal kleuters waarop de bekostiging ziet?
Het klopt dat de specifieke uitkering voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid is gebaseerd op het aantal gewichtenleerlingen. Bij het verdeelmechanisme van de middelen voor voorschoolse educatie is vanwege de eenvoud aangesloten bij de algemene gewichtenregeling, waarbij alle gewichtenleerlingen op peildatum 1 oktober 2009, dus ook die van 6 jaar en ouder, meetellen. Wanneer alleen het aantal kleuters met een leerlinggewicht als basis voor deze berekening zou dienen, zou dit slechts tot beperkte verschillen in de uitkomsten leiden.
Kunt u aangeven in hoeverre u het leerlinggewicht bruikbaar vindt als indicator voor het objectief verdeelmodel voor de Jeugdwet, gelet op de geconstateerde onregelmatigheden in de registratie van de gewichten en het feit dat momenteel gezocht wordt naar een adequater model voor de registratie?
De maatstaf leerlingengewicht wordt in het verdeelmodel voor de jeugdhulp alleen gebruikt als een correctiefactor. Ouders met een lage opleiding komen relatief vaak voor in de overige maatstaven in het model. Zodoende kan er sprake zijn van dubbeltellingen. De maatstaf leerlingengewicht corrigeert hiervoor. Aangezien de maatstaf alleen wordt gebruikt als een correctiefactor hebben onregelmatigheden in de registratie niet direct invloed op de werking van de maatstaf. Voor een uitgebreide beschrijving verwijs ik naar de rapportage «verdeelsystematiek middelen jeugdhulp» die 28 april 2015 naar de kamer is verzonden (Tweede Kamer 2014 -2015, 31 839, nr. 185). Daarnaast wordt bekeken of er in de toekomst ook gegevens kunnen worden benut die het opleidingsniveau van alle ouders meten (en niet alleen ouders met een lage opleiding). In de kamerbrief van 27 mei jongstleden heeft de Minister van Binnenlandse Zaken aangegeven samen met het CBS te willen bezien welke alternatieve gegevens beschikbaar kunnen komen (Tweede Kamer 2014 – 2015, 31 839, nr. 470). Mogelijk kan dit op termijn leiden tot het hanteren van andere maatstaven.
De beleidsvrijheid van gemeentes bij fraudebestrijding |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Druk op Den Haag om meer beleidsvrijheid fraudebestrijding»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling in bedoeld artikel dat de huidige regelgeving gemeentes te weinig ruimte biedt voor het leveren van maatwerk bij het beoordelen of en zo ja welke sanctie ingeval van overtreding van regels dient te worden opgelegd als ook dat het onvoldoende mogelijk is om onderscheid te maken tussen echte fraudeurs en mensen die een foutje maken?
Het bestrijden van fraude met sociale uitkeringen is van groot algemeen belang. Met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is een zekere uniformiteit in het sanctiebeleid gewenst. Daarbij blijft er voldoende ruimte voor gemeenten voor maatwerk.
Met de voorgenomen aanpassingen van wet- en regelgeving in de Fraudewet krijgen gemeenten meer ruimte om bij de bepaling van de op te leggen boete rekening te houden met de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de (financiële) omstandigheden. Ook is het kabinet voornemens om in meer situaties gemeenten de mogelijkheid te geven om een waarschuwing in plaats van een boete te geven. Daarnaast zijn de boetehoogtes aanzienlijk lager dan voorheen. Gemeenten kunnen in een individueel geval bij dringende reden afzien van sancties als dit onredelijk of onbillijk zou uitvallen. Dit betekent ook dat bij opzettelijke fraude het mogelijk blijft boetes tot 100% van het benadelingsbedrag op te leggen. Hiermee is gewaarborgd dat gemeenten maatwerk kunnen leveren.
In het bericht van Binnenlands Bestuur gaat het naast het opleggen van boetes in het geval van fraude ook over het maatregelenbeleid in de Participatiewet. Een maatregel is een tijdelijke verlaging van de uitkering indien een belanghebbende zich niet aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen houdt of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid toont. De bijstand is een vangnet voor wie (tijdelijk) niet zelf in de kosten van het bestaan kan voorzien. Daar horen duidelijke spelregels bij, zoals onder meer opgenomen in artikel 18 van de Participatiewet. Bij de totstandkoming van het maatregelenbeleid in de Participatiewet heb ik het mogelijk gemaakt dat gemeenten altijd de afwegingsruimte hebben om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van mensen en eigenstandig een afweging kunnen maken over het al dan niet opleggen van maatregelen. Bovendien biedt de wet gemeenten onder meer de mogelijkheid de verlaging van de bijstand nader vorm te geven bij gemeentelijke verordening en rekening te houden met verwijtbaarheid en dringende redenen.
Bent u het ermee eens dat gemeenten, bij het bepalen van of een sanctie moet worden opgelegd en zo ja welke, de ruimte moeten hebben voor maatwerk als ook dat ze voldoende onderscheid moeten kunnen maken tussen echte fraudeurs en mensen die een foutje maken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat er blijkbaar zo'n verschil van mening bestaat tussen gemeenten en u als het gaat om de interpretatie van de ruimte die de huidige regelgeving biedt voor het leveren van maatwerk als ook het maken van onderscheid tussen echte fraudeurs en mensen die een foutje maken?
Ik heb er begrip voor dat gemeenten bij het opleggen van een boete rekening willen houden met de specifieke omstandigheden van de burger. Gemeenten hebben daar ook de mogelijkheden toe. Het kabinet vindt het een belangrijk principe dat fraude niet mag lonen. Het bestrijden van fraude met sociale uitkeringen is van groot algemeen belang. Daarom is het met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een zekere uniformiteit bij het opleggen van boetes gewenst. Ik ga er vanuit dat met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en de voorgenomen aanpassingen van wet- en regelgeving gemeenten voldoende ruimte hebben om maatwerk te kunnen leveren.
Ook wat betreft het maatregelenbeleid in de Participatiewet ben ik ervan overtuigd dat er voldoende mogelijkheden zijn om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van mensen en om het al dan niet opleggen van maatregelen af te wegen. Daarbij geldt ook dat het nieuwe maatregelenbeleid pas sinds de inwerkingtreding van de Participatiewet op 1 januari 2015 van kracht is. Gemeenten zijn volop bezig om ervaring op te doen met die ruimte en mogelijkheden binnen de nieuwe regelgeving. Ik heb er vertrouwen in dat gemeenten hier, zeker wanneer zij de wet (langer) in de praktijk brengen, adequaat mee omgaan.
Bent u bereid gemeenten in hun bezwaren in dezen tegemoet te komen? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De noodkreet van Artikel 1 Overijssel |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de aan u gerichte brief van Artikel 1 Overijssel waarin de noodkreet ten aanzien van het voortbestaan van de antidiscriminatievoorzieningen (adv) wordt gedaan?
Ja.
Zijn er andere adv’s die door bezuinigingen dreigen om te vallen? Zo ja, welke? Zo nee, uit welke inventarisatie blijkt dat?
Uit contacten met antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) en enkele mediaberichten blijkt dat bepaalde ADV’s minder subsidie ontvangen vanuit gemeenten dan voorheen. In sommige gevallen lijkt dit het gevolg van een keuze van een gemeentebestuur om zich te beperken tot alleen de financiering van de wettelijke taken (het geven van bijstand aan burgers en het registreren van klachten) of om de wettelijk taak elders te beleggen dan bij een gespecialiseerde organisatie. Er zijn mij geen andere berichten bekend over antidiscriminatievoorzieningen die dreigen om te vallen.
De verantwoordelijkheid om ingezetenen te voorzien van toegang tot een antidiscriminatievoorziening ligt bij het gemeentebestuur. In 2012 is de uitvoering van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (Wga) geëvalueerd. Uit die evaluatie bleek dat 98% van de gemeenten een voorziening had gerealiseerd voor de uitvoering van de twee wettelijke taken (registratie en bijstand) in de directe leefomgeving van burgers. Ik beschik nog niet over een recentere inventarisatie van de gemeentelijke uitvoering van de Wga. In de Voortgangsbrief discriminatie van 11 februari 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 30 950, nr. 76) heb ik aangekondigd dat in 2015 onder meer nader zal worden onderzocht hoe de ADV’s functioneren. Dit onderzoek zal onder andere een actueel overzicht geven van de invulling van de ADV-taken op gemeentelijk niveau.
Bent u bereid zeker te stellen dat alle 393 gemeenten in Nederland er zorg voor dragen dat de gemeentelijke antidiscriminatievoorziening niet alleen op papier bestaat, maar ook werkelijk de middelen, menskracht en professionaliteit tot de beschikking heeft om de wettelijke taak goed uit te voeren?
Sinds de inwerkingtreding van de Wga in 2009 hebben gemeenten een wettelijke taak op het gebied van het bestrijden van discriminatie. Uitgangspunt, conform de Regiegroep Toekomst Antidiscriminatiebureaus (rapport «Perspectief op gelijke behandeling» uit 2006, onder voorzitterschap van dr. E. Borst-Eilers), was onder meer dat de bijstand van burgers die geraakt zijn door discriminatie laagdrempelig en op lokaal niveau zou worden georganiseerd. Een centrale rol en verantwoordelijkheid voor het gemeentebestuur sluit daar goed bij aan. Sinds 2009 zijn er door middel van het Besluit gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (op basis van artikel 2, derde lid en artikel 3, tweede lid, van de Wga) onder meer eisen gesteld aan de inrichting en uitvoering van de wettelijke taken. In de financiering van deze gemeentelijke taken is voorzien door financiële middelen toe te voegen aan het Gemeentefonds.
De daadwerkelijke uitvoering van de taken op grond van de Wga is de verantwoordelijkheid van het desbetreffende gemeentebestuur en de betrokken gemeenteraad ziet daarop toe. Gemeenten beslissen, binnen de wettelijke kaders, voor hun eigen ingezetenen over omvang en invulling van de middelen, menskracht en professionaliteit van de lokale ADV’s. Dit stelsel laat dan ook ruimte voor lokale diversiteit, mits aan de wettelijke eisen van de Wga en het Besluit wordt voldaan. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat mij ook enkele signalen hebben bereikt dat er vraagtekens worden gezet bij de wijze waarop sommige gemeenten de Wga uitvoeren. Met het onderzoek waar ik in mijn antwoord op vraag 2 naar verwees, wil ik nader bezien in hoeverre de doelstellingen uit de Wga worden bereikt door de werking van het huidige stelsel.
Wat vindt u, in het kader van de toegankelijkheid van de adv’s, ervan dat wie «discriminatie melden» intypt in het zoekformulier van een gemeentelijke website lang niet altijd uitkomt bij de gemeentelijke adv?
Rond de zomer zal er een landelijke campagne tegen discriminatie starten waarbij aandacht wordt besteed aan de toegankelijkheid van alle betrokken instanties (zoals alle ADV’s) waar burgers met hun vragen, klachten en meldingen terecht kunnen, via de website www.discriminatie.nl. Daarnaast zal in de periodieke contacten met gemeenten en de VNG over discriminatiebestrijding het belang van de vindbaarheid van lokale ADV’s, ook via de websites van de gemeente, naar voren worden gebracht.
Ziet u reden om gebruik te maken van uw bevoegdheid op grond van artikel 2 derde lid van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen om bij AMvB eisen te stellen aan de inrichting van de antidiscriminatievoorziening, en de uitvoering van de taak door die voorziening?
Zie het antwoord op vraag 3.
De toegankelijkheid van gemeentelijke websites |
|
Manon Fokke (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgwekkend aantal gemeentenwebsites ontoegankelijk»?1
Ja.
Komen de resultaten van het onderzoek overeen met uw eigen gegevens over de toegankelijkheid van gemeentewebsites? Zo nee, waarin wijken deze af?
De resultaten van de «quick scan» die de Stichting Drempelvrij.nl in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens heeft laten uitvoeren, komen niet overeen met mijn gegevens over de stand van zaken van de toegankelijkheid van gemeentelijke websites.
De Stichting Drempelvrij.nl beheert een waarmerk dat verleend kan worden na inspectie door een met de stichting verbonden organisatie. Overheden zijn vrij websites onder deze waarmerkregeling of op een andere wijze en door andere partijen te laten toetsen. In de quick scan wordt vermeld dat 26 gemeentelijke websites (6,6%) na 1 januari 2014 voldaan hebben aan de nieuwe versie van de webrichtlijnen. Dit aantal komt overeen met de gemeenten die in deze periode daarvoor een waarmerk van de Stichting hebben gekregen.
De conclusie dat 7% van de gemeenten wel en 93% niet voldoet aan de nieuwe webrichtlijnen kan hieruit niet getrokken worden. In deze percentages zijn de volgende situaties buiten beschouwing gelaten: websites die binnen een andere systematiek (door andere partijen) zijn getoetst, websites die vóór 1 januari 2014 zijn getoetst en websites die getoetst zijn op de eerdere versie van de webrichtlijnen.2
Ik onderhoud registers, die mede zijn gebaseerd op de gegevens van de stichting, waarin de mate van naleving van het kabinetsbeleid inzichtelijk is. Dit beleid houdt in dat websites van de overheid de webrichtlijnen als verplichte open standaard moeten toepassen, tenzij er sprake is van «redenen van bijzonder gewicht» die omschreven zijn in mijn toepassingskader. Kunnen elementen van de richtlijnen niet toegepast worden, dan moet dit gemotiveerd uitgelegd worden op de website in een toegankelijkheidsverklaring, waarvoor ik een model gepubliceerd heb.
In het online overzicht voor medeoverheden op www.webrichtlijnen.nl is opgenomen in hoeverre een website aantoonbaar voldoet aan de webrichtlijnen en of er een toegankelijkheidsverklaring is gepubliceerd volgens dit regime van «pas toe of leg uit».3 Sinds 1 januari 2012 hebben 166 gemeentelijke websites aantoonbaar voldaan aan dit kabinetsbeleid.4 Van ruim 40% van de gemeentelijke websites kan daarom gezegd worden dat ze getoetst zijn en voldeden of inzichtelijk hebben gemaakt welke uitzonderingen gelden.
Deelt u de mening van het College dat het zorgwekkend is dat slechts 7% van de gemeenten voldoet aan de nieuwe webrichtlijnen, die vanaf 1 januari 2015 de verplichte standaard vormen? Zo ja, welke acties onderneemt u om meer gemeentelijke websites te laten voldoen aan de richtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Er is sprake van vooruitgang bij de gemeenten sinds mijn laatste «voortgangsrapportage webrichtlijnen» in november 2012, toen ongeveer 30 gemeenten voldeden aan de eisen.5 Uit mijn registratie blijkt dat op dit moment 166 gemeenten het kabinetbeleid voor de webrichtlijnen aantoonbaar hebben uitgevoerd.
Toch ben ik het met het College eens dat een grote groep gemeenten zich meer moet inspannen om aantoonbaar aan de webrichtlijnen te voldoen. Het is mij een doorn in het oog dat meer dan de helft van de gemeenten de afgelopen drie jaar onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre ze het kabinetbeleid voor de webrichtlijnen hebben uitgevoerd.
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 5 voor een overzicht van de acties die ik zal ondernemen.
Kunt u voor websites, die beheerd worden door de rijksoverheid, aangeven in hoeverre ze voldoen aan de nieuwe webrichtlijnen?
Websites van de rijksoverheid, inclusief zelfstandige bestuursorganen, laten een vergelijkbaar beeld zien als die van gemeenten. In april 2015 waren er in totaal 930 actieve websites van de rijksoverheid. 452 websites zijn ingericht conform het beleid voor de verplichte toepassing van de webrichtlijnen (48%). De kamer is hierover nader geïnformeerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk.6
Wordt er naar uw waarneming voortgang geboekt in het voldoen aan de richtlijnen voor toegankelijkheid sinds hier tien jaar geleden aandacht voor gevraagd werd? Zo ja, waaruit blijkt die voortgang? Zo nee, welke maatregelen overweegt u om hier eindelijk vooruitgang in te boeken?
Ik houd de mate van toepassing van de webrichtlijnen door overheden als verplicht te gebruiken open standaard bij vanaf 1 januari 2012. Sindsdien, zoals mijn antwoorden op de vragen 3 en 4 laten zien, is zowel bij de medeoverheden als bij de departementen, inclusief de zelfstandige bestuursorganen, vooruitgang geboekt met de toepassing van de webrichtlijnen. Er is echter een te grote groep binnen de overheid die niet aantoonbaar met toegankelijkheid aan de slag is.
Daarom heb ik in het algemeen overleg ICT aangelegenheden met de Vaste Commissie van 20 mei jl. wetgeving aangekondigd. In de voorgenomen Wet Generieke Digitale Infrastructuur (Wet GDI) is het verplichte gebruik van de open standaard voor toegankelijkheid op overheidswebsites geregeld. Dit is opgenomen in de eerste tranche, die naar verwachting medio 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden zal worden.
De stand van zaken is voor mij tevens aanleiding de bestaande verplichtingen, in samenwerking met de Minister voor Wonen en Rijksdienst, opnieuw en regelmatig onder de aandacht te brengen van de directeuren Communicatie en de Chief Information Officers van de departementen en van de medeoverheden en hun vertegenwoordigers.
Daarnaast ga ik verder met het aanbieden en ontwikkelen van ondersteunend instrumentarium. Ik heb de monitor «Gewoon Toegankelijk» in ontwikkeling. Deze toetst dagelijks 70.000 webpagina’s van ruim 900 overheidswebsites op de webrichtlijnen die automatisch te toetsen zijn.7 De monitor stelt mij beter in staat de progressie van afzonderlijke websites te meten en op basis daarvan handelend op te treden. Deze laat zien welke websites relatief slecht presteren en welke webrichtlijnen vaak verkeerd toegepast worden. Op basis van deze informatie kan ik bestuurlijk reageren of kan ik ondersteunende maatregelen ontwikkelen, zoals het publiceren van gerichte informatie over het voorkomen van veel voorkomende fouten. Overheden kunnen daarnaast een rapportage opvragen van alle geconstateerde fouten op hun website met gerichte adviezen voor verbetering. Ik kan bijhouden welke overheden hiervan gebruik maken en welke dit nalaten.
Tevens heb ik een licentie voor een «Accessibility Checker» ingekocht. Alle organisaties van de overheid kunnen deze gratis implementeren en gebruiken. Webredacteuren kunnen met deze «editor» informatie vóór publicatie toetsen op de automatisch te controleren webrichtlijnen.
Daarnaast ben ik sinds januari 2014 een samenwerking aangegaan met leveranciers van websites en software. De leveranciers die het «Convenant Toegankelijkheid» ondertekend hebben of nog zullen ondertekenen, verplichten zich ertoe om alleen webdiensten en -applicaties bij overheden te implementeren die voldoen aan de webrichtlijnen en om overheidsorganisaties te ondersteunen bij het continu voldoen aan de webrichtlijnen en het publiceren van toegankelijkheidsverklaringen.8 Nog dit jaar maak ik inzichtelijk welke leveranciers het convenant naleven en daarmee goede contractpartners kunnen zijn voor de overheid. Daarnaast ondersteun ik de uitvoering van het convenant bij overheden, zoals in een recent traject waarbij 100 gemeentelijke websites zijn getoetst en voorzien van een toegankelijkheidsverklaring met te nemen maatregelen. De komende tijd zal ik zulke trajecten voortzetten om zo snel mogelijk te bevorderen dat zoveel mogelijk overheidsorganisaties met toegankelijkheid aan de slag gaan en dit ook inzichtelijk maken op hun websites.
Wat zeggen de resultaten van dit onderzoek over de effectiviteit van het nieuwe beheer- en verantwoordingsmodel voor de webrichtlijnen? Wanneer en op welke wijze evalueert u de effectiviteit van het nieuwe beheer- en verantwoordingsmodel?
Het onderzoek van Stichting Drempelvrij.nl bevat geen directe conclusies over de effectiviteit van het nieuwe beheer- en verantwoordingsmodel. Wel trekt het onderzoek conclusies over de stand van zaken van de toegankelijkheid, waarop ik hiervoor ben ingegaan, en over de kwaliteit van de toegankelijkheidsverklaringen op gemeentelijke websites.
Bij de aankondiging van het nieuwe beheer- en verantwoordingsmodel voor de webrichtlijnen in mijn brief van november 2012 aan de Tweede Kamer heb ik duidelijk gemaakt dat een «pas toe of leg uit» regime niet in de hand mag werken dat slechte excuses gehonoreerd worden. De nadruk ligt in sterke mate op «pas toe». Kunnen de webrichtlijnen in alle redelijkheid niet toegepast worden dan dient op een goede wijze verantwoording afgelegd worden op basis van een voor alle overheden geldend toepassingskader.9 Ik heb dit toepassingskader voor de webrichtlijnen en het verantwoordingsmodel voor overheden in 2013 gepubliceerd.10 Ik verwacht dat overheden zich hieraan houden. Voor de in mijn register opgenomen verklaringen zal ik nagaan of deze adequaat zijn. Vervolgens zal ik de verplichting tot publicatie van deugdelijke verklaringen opnieuw onder de aandacht brengen van de departementen en de medeoverheden. De evaluatie daarvan en van de andere elementen van het nieuwe beheer- en verantwoordingsmodel zal plaatsvinden in het kader van de genoemde wetgeving voor toegankelijke websites. Deze zal ik naar verwachting medio 2016 aan de Tweede Kamer aanbieden.
Het verhinderen van de arrestatie van Desi Bouterse door toenmalig minister Van Mierlo |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kamer had Van Mierlo moeten wegsturen om Bouterse»1, de blog «Van Mierlo, Bouterse, Valk en Demmink»2, de uitzending van Andere Tijden van 18 mei 20153 en die uit 2009 getiteld «Bouterse aan de macht»?4
Ja.
Kunt u gedetailleerd aangeven of het verhinderen van de arrestatie van Bouterse in 1997 op enigerlei wijze te maken heeft met de mogelijke rol van Nederland in de februaricoup van 1980, en met het geheim verklaren van het dossier-Suriname uit die periode, zoals wordt gesuggereerd door bovengenoemde bronnen?
Het kabinet is niet op de hoogte van enig verband tussen de in de vraag genoemde vermeende feiten.
Deelt u de mening dat in de eerste plaats het Surinaamse volk, maar ook het Nederlandse volk, recht heeft om te weten wat er toen is gebeurd?
Het kabinet streeft maximale openheid na. Maximale openheid vindt, zowel onder de Wet openbaarheid van bestuur als onder de Archiefwet, een grens in de mogelijke schade aan belangen van derden. Het kabinet is verplicht deze belangen te wegen en waar nodig te beschermen door beperkingen op te leggen.
Bent u bereid om de classificatie «staatsgeheim» van het bewuste Suriname-dossier van de periode rond 1980 af te halen? Zo neen, waarom niet?
Bij de overdracht van het archief van de Tweede Kamer (1945–1989) aan het Nationaal Archief in 2011 heeft de griffier van de Tweede Kamer besloten om met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten aan enkele bijlagen bij het onderzoeksrapport uit 1984 naar de rol van de militaire missie beperkende bepalingen op te leggen voor een periode van 75 jaar. Die stukken worden in 2060 openbaar. Het rapport zelf is openbaar.
Het bericht ‘Afvalgigant kaalgeplukt’ |
|
Wouter Koolmees (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Afvalgigant kaalgeplukt»1, «Jackpot voor Waterland»2, en «Statement Waterland over dividenduitkeringen Attero»?3
Ja.
Kunt u bevestigen dat er sinds de verkoop van Attero in totaal 183 miljoen euro is overgemaakt naar investeringsfonds Waterland?
Op grond van een statement dat Waterland heeft uitgegeven ter toelichting en informatie van Attero lijkt dit bedrag te kloppen. Dit bedrag bestaat volgens diezelfde verklaring uit drie afzonderlijke dividenduitkeringen.
Kunt u uiteenzetten waar de in totaal 183 miljoen euro aan onttrokken middelen uit bestond?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het hier onder meer gaat om 87 miljoen euro bestemd voor de zogenaamde pre-nazorgfase, te weten de kosten die door de exploitant worden gemaakt alvorens de stortplaats kan worden overgedragen aan de provincie? Zo nee, wat zijn volgens u de juiste bedragen?
Dat kan ik niet bevestigen. Het precieze bedrag van de afwaardering is mij niet bekend. Bovendien zouden het afwaarderen van de pre-nazorgvoorziening en de dividenduitkering in beginsel los van elkaar kunnen staan.
Op grond van de nazorgregeling uit de Wet milieubeheer moeten gelden worden gereserveerd voor de nazorg van een stortplaats. Gedeputeerde staten van een provincie zijn verantwoordelijk voor de nazorg en hebben hiertoe een fonds, het zogenaamde Nazorgfonds. Het fonds wordt gevuld met heffingen die de exploitant/vergunninghouder aan de provincie moet afdragen en de rendementen uit de beleggingen. Hierbij kan een betalingsregeling worden getroffen. De nazorg houdt in de eeuwigdurende milieuhygienische nazorg van de op en in de stortplaats aangebrachte voorzieningen en de controle van bodem en grondwater na sluiting van een stortplaats. Van een saneringsnoodzaak hoeft geen sprake te zijn.
Als de stortplaats vol is, moet conform vergunning een bovenafdichting worden aangebracht. Bij het indienen van de aanvraag van een omgevingsvergunning dient de stortplaatsexploitant met betrekking tot het onderdeel milieu, financiële zekerheid te stellen voor deze bovenafdichting. Zo lang deze financiële zekerheid niet is gesteld kan exploitatie niet plaatsvinden.
Er zijn dus twee wettelijk verplichte voorzieningen met betrekking tot nazorg en bovenafdichting voortvloeiend uit de Wet milieubeheer. Deze voorzieningen zijn volgens het statement van Waterland niet wezenlijk gewijzigd. De eigen voorziening die ziet op de pre-nazorg is wel verminderd. Dat hangt samen met een wijziging in de strategie (verkorting levensduur stortplaatsen) waardoor de toekomstige kosten (van bijvoorbeeld onderhoud) ook daadwerkelijk lager zullen liggen dan voorzien. Het bevoegd gezag moet nog beoordelen of dit past binnen de vastgestelde kaders.
Moeten de betrokken provincies toestemming verlenen voor het onttrekken van middelen voor voorzieningen aan exploitanten? Zo ja, hebben de betrokken provincies deze toestemming inderdaad verleend?
Voor afwaardering van de voorziening voor pre-nazorg is op zich zelf geen toestemming van gedeputeerde staten nodig. Met de provincies Drenthe, Limburg en Noord-Brabant heeft hierover vooraf geen overleg plaats gehad. Van instemming is dus geen sprake.
Kunt u bevestigen dat exploitanten wettelijk verplicht zijn om voldoende financiële draagkracht te bezitten om stortplaatsen in de toekomst veilig op te leveren aan de provincie?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Nemen de provincies voorts genoegen met deze vermindering van het budget van Attero voor het realiseren van een veilige waterdichte eindafwerking van stortplaatsen?
Op basis van het statement van Waterland en informatie van Attero heeft er geen vermindering plaatsgevonden van de voorziening voor de eindafwerking. Voor de nazorg Attero heeft een storting gedaan in de Nazorgfondsen van de provincies Drenthe, Limburg en Noord-Brabant en heeft daarmee aan die verplichtingen voldaan. Hiernaast zal Attero rapporteren aan het bevoegd gezag ten behoeve van een toets op de voorwaarden voor de wettelijk verplichte zekerstellingen. Zie verder het antwoord bij vraag 4 en 5.
Weet u of (een deel van) de 87 miljoen euro aan voorzieningen opgevuld wordt door de herfinanciering ter waarde van 150 miljoen euro die heeft plaatsgevonden?
Nee, dat weet ik niet. De afwaardering van de voorzieningen vloeit voort uit een inschatting van de daadwerkelijke met de activiteiten gemoeide kosten. De herfinanciering staat daar mogelijkerwijs los van.
Bent u, al het voorgaande in overweging nemende, van mening dat de reserves van Attero voor sanering van stortplaatsen op een verantwoorde wijze zijn teruggeschroefd? Acht u het aannemelijk dat dergelijk grote bedragen kunnen worden onttrokken aan de pre-nazorg, slechts gebaseerd op de verwachting dat de begrote kosten voor onderhoud lager gaan uitvallen dan eerder begroot?
Voor de bovenafdichting en nazorg is een wettelijke regeling en deze voorzieningen zijn volgens Attero niet wezenlijk gewijzigd. Ten aanzien van de voorziening voor de pre-nazorg is Attero zelf verantwoordelijk, er is geen plicht tot fondsvorming. Gedeputeerde staten zien toe op naleving van de vergunning (zie vraag 4 en 5).
Kunt u garanderen dat Attero na de verkoop en de uitvloei van 183 miljoen euro aan zijn wettelijke verplichtingen op het gebied van milieu en financiën kan blijven voldoen? Is de veiligheid van het milieu rondom stortplaatsen van Attero gegarandeerd?
Attero heeft een storting gedaan in de Nazorgfondsen van de provincies Drenthe, Limburg en Noord-Brabant. Attero zal rapporteren aan het bevoegd gezag ten behoeve van een toets op de voorwaarden voor de wettelijk verplichte zekerstellingen voor de bovenafdichting en nazorg. De omgevingsvergunningen zijn onverkort van toepassing, inclusief toezicht hierop en eventueel handhaving hiervan.
Hoe is de nazorg van de in de toekomst door Attero opgeleverde stortplaatsen geregeld? Is bij de betrokken provincies bekend hoeveel middelen er per locatie op de balans staan voor sanering?
Uit hoofde van de wet milieubeheer zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor de nazorg van gesloten stortplaatsen. Zij hebben hiertoe het Nazorgfonds (zie vraag 4). Dit wordt gevuld door heffingen die aan de vergunninghouder worden opgelegd. Hierbij is eventueel een betalingsregeling mogelijk. Over de voorwaarden hiervan en de naleving hiervan overlegt het bevoegd gezag met Attero. In 2014 heeft Attero contant gemaakte doelvermogens voor de nazorg afgedragen aan de provincies Limburg, Drenthe en Noord-Brabant. Voor het overige geldt dat als er sprake zou zijn van een bodemsanering de Wet bodembescherming van toepassing is.
Hoe schat u de risico’s voor het milieu rondom de stortplaatsen van Attero in, nu er sprake is geweest van een dergelijke kapitaalvlucht? Heeft u voldoende vertrouwen in een veilige en degelijke sanering van deze stortplaatsen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe verhoudt zich de situatie omtrent Attero, en de bijbehorende mogelijke gevolgen voor het milieu rondom stortplaatsen, tot de situatie bij andere stortexploitanten in Nederland? Is er elders eveneens sprake van een forse teruggang in middelen voor veilige en degelijke sanering van stortplaatsen?
De Wet Milieubeheer geldt voor alle stortexploitanten in Nederland. Daaruit vloeien ook financiële verplichtingen voort (zie vraag 4). Hoe andere stortexploitanten omgaan met niet wettelijke pre-nazorgvoorziening is mij niet bekend.
Het bericht 'Opinion: State of moorings affects Saba tourism' |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «State of moorings affects Saba tourism»?1
Ja
Wat is uw reactie op het bericht dat reizigers de haven van Saba vermijden vanwege technische mankementen rondom de haven?
De haven van Saba is een zeer kleine zeehaven aangelegd binnen vrij complexe zee- en landzijdige kaders. Het eiland is een bergtop die steil uit zee rijst waardoor er weinig mogelijkheden zijn om goed opgezette toegankelijkheidsinfrastructuur aan te leggen. Landzijdig moet de haven aansluiten op de enige weg die het eiland kent. Er is dus niet veel ruimte voor het bouwen van een optimale haven waardoor technische mankementen in beginsel niet het doorslaggevende argument hoeven te zijn voor reizigers om de haven te mijden. Niettemin kan worden gesteld dat herstelwerkzaamheden aan de orde kunnen zijn en moet er voor gezorgd worden dat eventuele technische mankementen worden verholpen (zie verder antwoord op vraag 3).
Kunt u toelichten wat de vooruitgang is van de ontwikkelingen rondom de haven van Saba in relatie tot het ontwikkelplan van Saba?
De ontwikkelingen laten zich in twee onderdelen uit een zetten:
Is er sprake van monitoring vanuit uw Ministerie van zowel de problematiek rondom de haven van Saba als in hoeverre de toeristische sector hieronder lijdt?
Ja, de haven van Saba heeft mijn aandacht (zie ook mijn antwoord op vraag 3). Gezien de door de feitelijke omstandigheden sub optimale lay out van de haven, zal deze nooit dezelfde aantrekkelijkheid krijgen zoals sommige van de omringende eilanden. Er zijn ferrydiensten met St Maarten met een frequentie van 3 maal per week. Deze vervoert (dag)toeristen en Sabanen die goederen meenemen.
Kunt u voorts specifiek ingaan op het effect van de kwaliteit van de zogenoemde «mooring rubbers» op het toerisme in Saba?
Deze mooring rubbers zijn vooral bedoeld om kleinere plezier- of visserijvaartuigen te verankeren buiten de feitelijke haven en golfbrekers zelf. De moorings worden aangelegd in beheer van het marine park, die de verankering ook dient onderhouden. Het eilandbestuur van Saba, dat hiervoor verantwoordelijk is, subsidieert een deel van de kosten, maar ook de zg. mooring dues dragen in de kosten bij. Indien er sprake is van onvoldoende dekking van de kosten, kan ik mij voorstellen dat de mooring dues omhoog zullen gaan. Met een betere verankering van de moorings zullen de kleinere vaartuigen en jachten minder snel op drift raken en daarmee zou de aantrekkelijkheid van het eiland voor onder andere toeristen kunnen verbeteren. Volledigheidshalve wil ik aangeven dat de mooring rubbers als zodanig geen directe relatie hebben met mijn verantwoordelijkheden in de infrastructuur die de veiligheid en toegankelijkheid van de haven en golfbrekers als zodanig borgen.
U heeft in 2013 in antwoord op vragen tijdens een wetgevingsoverleg het volgende aangeven: «wij adviseren Saba, zitten al met hen aan tafel en brengen al kennis, kunde en expertise in.»2; kunt u uiteenzetten hoe deze kennis, kunde en expertise tot nu toe effect heeft gehad op de haven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u uw antwoord op vraag 5 vervolgens afzetten tegen de eerder genoemde berichtgeving over het effect van de staat van de haven op het toerisme van Saba?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er tussen 2013 en nu oplossingen aangedragen en/of maatregelen genomen om de toestand van de haven in Saba te verbeteren?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteenzetten wat de effecten zijn van de oplossingen die zijn aangedragen en/of maatregelen die zijn genomen sinds 2013 om de haven van Saba te verbeteren?
Er is meer kennis en inzicht bij zowel het havenbedrijf als het eilandbestuur voor haventaken en veilig scheepvaartverkeer. Ook is er een groter inzicht ontstaan in de mate van (achterstallig) onderhoud. Onderwateronderzoek moet nog worden uitgevoerd, maar dit kan in het kader van mogelijke havenverbeteringen worden uitgevoerd en bijdragen aan de verdere planvorming (zie ook vraag 10).
Bent u bereid om nadere actie te ondernemen teneinde de toestand van de haven van Saba op korte termijn te verbeteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie bent u voornemens te nemen en op welke termijn?
Ik heb aan de Rijksvertegenwoordiger aangegeven dat ik op korte termijn zal gaan bezien of er financiële middelen vrij gemaakt kunnen worden voor de verbetering van de haven van Saba. In mijn afweging neem ik mee dat een deel van de haveninfrastructuur een eilandelijke verantwoordelijkheid is, zoals bijvoorbeeld de havenbekkens van Rotterdam en Amsterdam dat als gemeentelijke havens ook zijn. De toegankelijkheid en de zeewering zijn in beginsel een rijksaangelegenheid. De verdere besluitvorming hierover loopt via de voorjaarsbesluitvorming binnen het kabinet.
De reportage ’Rust rond de wieg’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage «Rust rond de wieg»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland op het gebied van ouderschapsverlof ongeveer hetzelfde scoort als landen zoals Guatemala en Rwanda en daarmee behoort tot de landen met de minst uitgebreide verlofregeling voor ouders na geboorte van een kind? Zo ja, hoe staat u hiertegenover?
Uit vergelijkende onderzoeken van de ILO2 blijkt dat Guatemala en Rwanda geen regeling voor ouderschapsverlof kennen. In Nederland hebben beide ouders recht op ouderschapsverlof van 26 maal de wekelijkse arbeidsduur.
In Guatemala genieten vrouwen 12 weken zwangerschaps-/bevallingsverlof en mannen 12 dagen vaderverlof rond de geboorte van een kind. In beide gevallen is het verlof volledig betaald. In Rwanda hebben vrouwen 12 weken verlof, waarvan 6 weken volledig betaald en 6 weken voor 20% betaald. Mannen hebben 4 dagen betaald verlof. In Nederland hebben vrouwen 16 weken betaald verlof. Dit verlof wordt verlengd bij langdurige ziekenhuisopname van het kind. De partner heeft 2 dagen volledig betaald verlof en 3 dagen onbetaald verlof.
Het geheel aan regelingen overziend kan ik de stelling dat Nederland op het gebied van ouderschapsverlof ongeveer hetzelfde scoort als Rwanda en Guatemala en daarmee behoort tot de landen met de minst uitgebreide verlofregeling voor ouders na geboorte van een kind niet onderschrijven.
Klopt het dat u een vergelijkend onderzoek laat doen met betrekking tot het ouderschapsverlof in omringende landen zoals Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland? Zo ja, bent u bereid om de resultaten van het onderzoek vóór het zomerreces te delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid om dit onderzoek te laten doen en de resultaten zo snel mogelijk te delen met de Kamer?
Het ouderschapsverlof bedraagt 26 maal de wekelijkse arbeidsarbeidsduur voor beide ouders. Dit ouderschapsverlof kan worden opgenomen tot het achtste jaar van het kind. Als ouders dat wenselijk vinden kunnen zij – na ommekomst van het bevallingsverlof en partnerverlof – door het opnemen van ouderschapsverlof gedurende het gehele eerste levensjaar van hun kind de verzorging op zich nemen. Dit beperkt wel de mogelijkheden voor ouders om op een later moment ouderschapsverlof op te nemen. Het is aan ouders zelf om de afweging te maken op welk moment zij door opname van ouderschapsverlof voor hun kinderen willen zorgen.
Welk opvangarrangement het beste is voor de ontwikkeling van het kind verschilt per kind en per situatie. Voor een goede ontwikkeling van de baby zijn, zowel thuis als in de kinderopvang, verschillende aspecten van groot belang. Denk hierbij aan adequate verzorging, individuele en wederzijdse interactie tussen volwassene en baby, extra bescherming bij prikkelbaar temperament, het stimuleren van de brede ontwikkeling en het reduceren van stress vanwege honger, pijn, angst of schrik4. Pedagogisch medewerkers in de dagopvang en gastouders in de gastouderopvang kunnen, net als ouders thuis, voor deze aspecten zorgen en de ontwikkeling van de baby stimuleren. Vanuit het project Het Nieuwe Toezicht in de kinderopvang wordt momenteel verkend op welke wijze de kwaliteitseisen beter kunnen aansluiten bij de verschillende leeftijdsgroepen, waarbij specifiek wordt gekeken hoe de ontwikkeling van een baby in de kinderopvang nog beter gestimuleerd kan worden. Zo wordt gestreefd naar verdere kennisverwerving bij beroepskrachten over de ontwikkeling van de baby. Daarnaast wordt geborgd dat beroepskrachten voldoende tijd en aandacht hebben voor de ontwikkeling en verzorging van de baby in een stabiele opvangomgeving.
Deelt u de mening dat – ook gelet op de cijfers van de Kinderopvang 20142 waaruit gebleken is dat de opvang van 0 tot 1 jaar aanzienlijk gedaald is ten opzichte van andere leeftijdscategorieën – uitbreiding van het ouderschapsverlof op termijn naar zes maanden en uiteindelijk naar één jaar ruimte biedt aan vaders en moeders om de zorg van de baby's op zich te nemen en dat dat beter is voor de ontwikkeling van baby's?
Bent u van mening dat een eventuele uitbreiding van het ouderschapsverlof en/of invoering van babyverlof voor vaders en moeders ten goede moet komen aan beide ouders?
Het ouderschapsverlof is gekoppeld aan de arbeidsovereenkomst en geldt voor beide ouders voor een periode van 26 maal de wekelijkse arbeidsduur. Een uitbreiding van het ouderschapsverlof of invoering van babyverlof wordt thans niet overwogen.
De dalende energierekening |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energierekening dit jaar 200 euro lager»?1
Ja.
Is het waar dat de energierekening dit jaar gemiddeld 200 euro per huishouden goedkoper uit zal vallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het krantenartikel is aangegeven, wordt de daling van de gemiddelde energierekening vooral veroorzaakt door de scherp gedaalde prijzen voor ruwe olie. In het kielzog daarvan zijn de motorbrandstofprijzen aan de pomp in de eerste helft van dit jaar ook gedaald. Indien de gedaalde prijzen aan de pomp in de loop van dit jaar niet herstellen, kan dat op jaarbasis leiden tot een voordeel van 150 euro voor huishoudens. Of dit voor de individuele automobilist daadwerkelijk ook zo zal uitpakken, hangt wel af van het aantal gereden kilometers per jaar. In het artikel in De Volkskrant wordt uitgegaan van 20.000 autokilometers per jaar. Thans lijken de ruwe olieprijzen en de motorbrandstofprijzen aan de pomp zich overigens weer iets te herstellen.
De lagere prijs voor ruwe olie heeft zowel een dempend effect op de consumentenprijs van motorbrandstoffen als op die van aardgas, zij het dat de invloed van de olieprijs op de aardgasprijs de laatste jaren aan betekenis inboet. Er is namelijk in toenemende mate sprake van een zelfstandige gasmarkt waar de prijs van het aardgas veel minder door de ontwikkeling van de olieprijs wordt bepaald, maar steeds meer door vraag en aanbod op de gasmarkt zelf. Daarnaast heeft de verbetering van de integratie tussen de Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkt een drukkend effect op de Nederlandse elektriciteitsprijs. Nederlandse marktpartijen krijgen daardoor een betere toegang tot de Duitse elektriciteitsmarkt, waar de elektriciteitsprijs doorgaans lager is dan in Nederland vanwege het grote aandeel goedkope kolencentrales en hernieuwbare energie in de Duitse productiemix. Uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2014 blijkt dat de gemiddelde groothandelsprijs van elektriciteit de afgelopen jaren relatief laag was. Oorzaken daarvoor waren volgens de NEV 2014 de overcapaciteit bij de productie van elektriciteit, gekoppeld aan een tegenvallende vraag naar elektriciteit door de economische crisis.
Is het waar dat de daling van de energierekening het gevolg is van de dalende olieprijzen en de eenwording van het Europese stroomnet? Zo nee, wat zijn dan de oorzaken van de dalende energierekening?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat energie opgewekt uit fossiele brandstoffen door deze prijsdaling nog een stuk goedkoper wordt dan energie opgewekt uit duurzame, hernieuwbare bronnen? Zo ja, hoe gaat u de duurzame energie uit hernieuwbare bronnen aantrekkelijker maken voor de consument? Zo nee, waarom niet?
De groothandelsprijs van elektriciteit is bepalend voor de hoogte van de subsidies die nodig zijn om hernieuwbare energie te stimuleren. Deze groothandelsprijs is de resultante van zowel conventionele als hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de markt. De SDE+ regeling zorgt voor het afdichten van de zogenoemde onrendabele top tussen de kostprijs van de diverse hernieuwbare opties en de groothandelsprijs van elektriciteit. Op die manier kan hernieuwbare energie concurreren met energie opgewekt uit conventionele bronnen.
Zoals uit de NEV 2014 kan worden afgeleid, is er thans sprake van een relatief lage groothandelsprijs van elektriciteit maar gaan ECN en PBL uit van een stijgende groothandelsprijs in het tweede deel van dit decennium. Overigens geven ECN en PBL aan dat de raming van de prijs op langere termijn onzeker is vanwege de vele factoren die bij de prijsvorming een rol spelen. Het gaat om de ontwikkeling van brandstofprijzen en de prijs van CO2-uitstoot, de toekomstige ontwikkeling van hernieuwbare energie en de toekomstige mogelijkheden voor tijdelijke opslag van hernieuwbare elektriciteit om vraag en aanbod beter op elkaar te doen aansluiten, de samenstelling en ontwikkeling van de opwekkingscapaciteit en de ontwikkelingen op het gebied van grensoverschrijdende verbindingen van elektriciteitsnetten. Daarom kan niet eenvoudig worden geconcludeerd dat de prijzen van fossiel opgewekte energie blijvend laag zullen zijn en de prijsverschillen ten opzichte van hernieuwbare energie slechts groter zullen worden. Daarbij speelt ook de verwachting dat de kostprijzen van hernieuwbare vormen van elektriciteitsopwekking zullen dalen. Een goed voorbeeld is de prijsontwikkeling van zonnepanelen. De prijzen van zonnepanelen zijn de laatste jaren fors gedaald. Ook windenergie kan naar verwachting op termijn concurreren met conventionele elektriciteitsopwekking.
Hoe wilt u duurzame energie uit hernieuwbare bronnen betaalbaar maken en houden voor alle huishoudens, nu de prijsverschillen tussen fossiel en duurzaam eerder groter dan kleiner lijken te worden?
Zie antwoord vraag 4.
De weigering van het Lets EU-voorzitterschap deel te nemen aan een debat over de situatie in Hongarije |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Lets EU-voorzitterschap niet zal deelnemen aan het debat in het Europees parlement op 19 mei aanstaande over de situatie in Hongarije met betrekking tot de grondrechten en de rechtstaat, in verband met het ontbreken van een Raadsstandpunt?
Het Letse Voorzitterschap was aanwezig bij het debat in het Europees parlement op 19 mei jl. en heeft daar namens de Raad het woord gevoerd. Het voorzitterschap heeft benadrukt dat de Raad zeer hecht aan de gemeenschappelijke waarden van de EU, zoals vastgelegd in de verdragen, het Handvest van de Grondrechten van de EU en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens waarbij alle lidstaten partij zijn. Zoals bekend maakt het kabinet zich sterk voor de bevordering van deze Europese gemeenschappelijke waarden in Raadsverband. Gezien de aanleiding voor het debat, steunt het kabinet in het bijzonder de specifieke verwijzing door het voorzitterschap naar art 2 (2) van het Handvest, waarin is vastgelegd dat «niemand wordt tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld».
Kunt u aangeven hoe het komt dat er geen Raadsstandpunt is geformuleerd? Welke positie heeft Nederland ingenomen in de Europese Raad?
Zie antwoord vraag 1.
Is Nederland akkoord gegaan met weigeren van Letland om deel te nemen aan het debat? Zo neen, bent u dan bereid het Lets EU-voorzitterschap om opheldering te vragen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt het kabinet de gang van zaken? Deelt het kabinet de mening dat het een onwenselijk precedent is wanneer Voorzitterschappen weigeren aan dergelijke debatten mee te doen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe zal Nederland de situatie in Hongarije adresseren tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016?
Indien daartoe aanleiding bestaat kan het voorzitterschap in samenspraak met de Commissie bezien of bespreking van politieke ontwikkelingen in de lidstaten in Raadskader opportuun is. Tevens biedt de rechtsstatelijkheidsdialoog in de Raad Algemene Zaken een nieuw kader om van gedachten te kunnen wisselen over de bevordering van de rechtsstatelijkheid binnen de EU en haar lidstaten.
Leeftijdsdiscriminatie bij subsidieverstrekking voor zonnepanelen |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Te oud voor subsidie»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de kredietnormen van stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) geen mogelijkheid biedt aan 75 plussers om subsidie te ontvangen voor de aanschaf van zonnepanelen? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Er is sprake is van een misverstand over de financieringsvorm die de stichting SVn biedt aan particulieren. De stichting SVn verstrekt alleen leningen aan particulieren; er worden vanuit de stichting geen subsidies verstrekt.
In het artikel gaat het over de aanschaf van zonnepanelen met een zogenoemde Duurzaamheidslening, die beschikbaar is voor inwoners van de provincie Overijssel. Ook in veel andere gemeenten en provincies wordt deze lening aangeboden. De Duurzaamheidslening is een consumptief krediet. Dit betekent dat de lening «blanco» wordt verstrekt; zonder dat er een onderpand (zoals een hypotheek) tegenover staat.
De meeste geldverstrekkers hanteren bij een consumptief krediet een leeftijdsgrens van tussen de 65 en 73 jaar. SVn hanteert voor de Duurzaamheidslening een leeftijdsgrens van 75 jaar. Op dit moment geldt voor alle consumptieve leningen die SVn aanbiedt een leeftijdsgrens van 75 jaar.
Bent u van mening dat ook zonnepanelen op daken van 75 plussers belangrijk zijn op weg naar een duurzaam Nederland en het realiseren van de doelen uit het energieakkoord? Zo niet, waarom niet?
Natuurlijk wil ik graag dat 75-plussers hun eigen woning verduurzamen. Dat is hier feitelijk ook niet de kwestie. De kwestie is dat men geen consumptief krediet kan afsluiten. Met de Duurzaamheidslening wordt het voor meer mensen mogelijk om duurzame maatregelen te treffen. Het betreft hier een laagrentende lening, zodat je ook zonder spaargeld maatregelen kunt treffen. Echter, een consumptief krediet moet worden terugbetaald. In het geval van de Duurzaamheidslening gebeurt dit in 10 of 15 jaar (afhankelijk van de hoogte van de lening). Mensen die een lening willen afsluiten, moeten daarom voldoen aan een aantal voorwaarden zodat zij geen onverantwoorde lening afsluiten en zodat SVn een redelijke zekerheid heeft dat de lening wordt terugbetaald.
Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat ook 75 plussers de mogelijkheid krijgen om met subsidie zonnepanelen aan te schaffen, zoals ieder ander?
Het gaat niet om een subsidie, maar om een lening. Daarbij gelden andere normen. Ik zal geen actie ondernemen richting de stichting SVn om de leeftijdsgrens voor het product Duurzaamheidslening aan te passen. Ik ga niet over de productvoorwaarden van de Duurzaamheidslening van de stichting SVn. SVn heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid.
De provincie Overijssel heeft ook subsidie beschikbaar voor energiebesparing aan woningen: de Duurzaamheidspremie. Ik begrijp van de provincie Overijssel dat daarbij geen leeftijdsgrenzen worden gehanteerd.
Naar mijn mening is er geen sprake van leeftijdsdiscriminatie aangezien een geldverstrekker bij het afgeven van een lening criteria kan hanteren om zekerheid te houden over de terugbetaling van leningen aan de geldverstrekker. SVn hanteert een hoge leeftijdsgrens voor het afgeven van in dit geval een Duurzaamheidslening. Het is aan SVn om af te wegen wat als een acceptabel risico wordt beschouwd.
Bent u van mening dat het uitsluiten van 75 plussers bij het verstrekken van subsidie voor zonnepanelen leeftijdsdiscriminatie is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Meitelling door ruim de helft nog niet ingediend” en de brief van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meitelling door ruim de helft nog niet ingediend»?1
Ja.
Bent u daarnaast bekend met de brief van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond aan de vaste commissie voor Economische Zaken uit de Tweede Kamer?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat ruim de helft van de agrarische ondernemers de Gecombineerde Opgave 2015 nog niet hebben ingevuld?
De agrarisch ondernemers hebben dit jaar, mede vanwege veranderingen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, een maand langer (tot en met 15 juni) de tijd om de Gecombineerde Opgave in te vullen. De ervaring leert dat de meeste aanvragen worden ingediend naarmate de deadline nadert. Desalniettemin heb ik in mijn brief van 10 april jl. opgeroepen om niet tot het laatste moment te wachten met het indienen van de aanvraag.
Inmiddels is d.d. 3 juni 2015 64% van de aanvragen binnen.
Deelt u de zorgen, onder meer geuit in de brief van de NMV van 16 mei jl., over de gang van zaken rond de informatievoorziening over de Gecombineerde Opgave 2015 vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)? Zo nee, waarom deelt u deze niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze zorgen weg te nemen?
Ik heb het uitstel voor Nederland ingevoerd zodat ondernemers langer de tijd hebben om de Gecombineerde Opgave goed en tijdig in te dienen.
RVO heeft inmiddels contact gelegd met de NMV zodat zij hun zorgen verder hebben kunnen toelichten. RVO blijft ook de komende tijd in gesprek met de sector.
Verder is de afgelopen periode veelvuldig gecommuniceerd over het uitstel van de Gecombineerde Opgave zodat alle eventueel ontstane onduidelijkheden bij ondernemers weggenomen konden worden.
Ziet u een verband tussen het feit dat ruim de helft van de agrarische ondernemers de Gecombineerde Opgave 2015 nog moet invullen en de zorgen rondom de bereikbaarheid van de RVO? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met betrekking tot de bereikbaarheid van de aanvraag-applicatie kan ik u melden dat er tussen 13 en 15 mei een aantal technische verstoringen zijn geweest. Van verminderde bereikbaarheid van de applicatie is slechts sprake geweest op de momenten van die verstoringen. Ervaring uit eerdere jaren leert dat ondernemers vaak wachten met indienen tot het laatste moment.
Het heeft de voorkeur dat ondernemers gespreid hun opgave indienen. Ik roep de ondernemers dan ook nogmaals op om niet te wachten met het indienen van de opgave.
Kunt u aangeven of het waar is dat steeds maar een beperkt aantal agrarische ondernemers kan inloggen op de RVO-site in verband met mogelijke overbelasting? Wat vindt u hiervan? Indien het niet waar is, wat kan dan de oorzaak zijn dat niet iedereen op ieder gewild moment kan inloggen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 10 april jl. zal RVO.nl bij een (te) grote druk op de aanvraag-applicatie het aantal gelijktijdige gebruikers van de applicatie maximeren om uitval van het systeem te voorkomen. Ondernemers die bezig zijn met het invullen van de Gecombineerde Opgave 2015 kunnen hun aanvraag dan afronden zonder dat het systeem uitvalt.
In het weekend van 16 en 17 mei jl. is het maximeren van het gelijktijdige gebruikers ongeveer tien keer ingezet en per keer ongeveer 10 tot 20 minuten actief geweest.
Wat is uw reactie op de zorgen bij de agrarische ondernemers dat de RVO slechts beperkt telefonisch en digitaal bereikbaar is? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot halve, en mogelijk, foutieve informatievoorziening?
In mijn brief van 10 april jl. heb ik ondersteunende maatregelen aangekondigd
Dit betreft onder meer een verdubbeling van het aantal medewerkers klantcontact om de verwachte toename van vragen door de invoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid af te kunnen handelen. Er zijn daarnaast diverse avond- en weekendopenstellingen van het klantcontactcenter geweest. Ook tijdens Hemelvaart en Bevrijdingsdag was RVO.nl telefonisch bereikbaar. Om de bereikbaarheid voor de adviseurs en accountants maximaal te borgen heeft RVO.nl een adviseurslijn ingericht.
Deelt u de mening dat de agrarische ondernemer niet verantwoordelijk gehouden mag worden voor verkeerde en beperkte informatievoorziening vanuit de RVO? Zo ja, hoe gaat u hier rekening mee houden en hoe gaat u dit communiceren?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoeveel klachten er de afgelopen tijd zijn binnen gekomen over de RVO, specifiek in relatie tot de Gecombineerde Opgave 2015? Ziet u hier een stijging van het aantal klachten?
Kunt u aangeven hoe u de problemen bij de RVO wilt aanpakken zodat de agrarische ondernemers op basis van goede informatie en toegang de Gecombineerde Opgave 2015 kunnen invullen voor de deadline van 15 juni a.s. op een moment dat het ondernemers ook schikt (gezien de weersomstandigheden moet er vooral buiten gewerkt worden)?
Om de ondernemers ook aan de telefoon maximaal van dienst te blijven heeft het klantcontactcenter van RVO.nl in de aanloop naar 15 juni extra openingstijden. Deze zijn als volgt:
Het doodvonnis voor de Egyptische oud-president Mohammed Morsi |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit Trouw genaamd «Storm van kritiek na doodvonnis Morsi»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de eerste democratisch gekozen president van Egypte ter dood is veroordeeld? Vindt u dat hier sprake is van een politieke afrekening? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt de terdoodveroordeling van oud-president Morsi en andere leden van de Moslimbroederschap verontrustend. De verdachten hebben recht op cassatie. Het vonnis van het Egyptisch Hof van Cassatie zal beslissend zijn.
Bij elke procesgang hebben de aangeklaagden recht op een onafhankelijk onderzoek en een eerlijk proces. Conform internationaal recht is het de verantwoordelijkheid van de Egyptische rechterlijke macht om ervoor te zorgen dat het proces eerlijk verloopt. Politieke overwegingen mogen geen rol spelen.
Deelt u de mening dat de executie van een democratisch verkozen staatshoofd feitelijk de executie van een democratie is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft de Nederlandse regering zich niet openlijk tegen de doodstraf van de heer Morsi uitgesproken? Is de Nederlandse regering bereid dit zo spoedig mogelijk te doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft bilateraal zijn zorgen over de recente doodsvonnissen in Egypte overgebracht. Waar opportuun wordt dit ook aangekaart via de EU en de VN.
Is de Nederlandse regering bereid het niet alleen bij woorden te laten maar alles in het werk te stellen om te voorkomen dat oud-president Morsi wordt geëxecuteerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Staat de Minister van Buitenlandse Zaken nog steeds achter zijn uitspraak over het doodvonnis van de Nederlander Ang Kiem Soei in Indonesië: «De regering heeft alle mogelijke middelen ingezet om de Indonesische autoriteiten ertoe te bewegen de executie af te gelasten, juridisch, diplomatiek en politiek, bilateraal en in Europees verband. Nederland is en blijft principieel tegen de doodstraf en de uitvoering ervan. Het is een wrede en onmenselijke straf, die staat voor een onacceptabele ontkenning van menselijke waardigheid en integriteit. Nederland zal zich blijven inzetten voor het tegengaan van de doodstraf, in Indonesië en overal ter wereld.»?2 Zo ja, waarom is daar in het geval van de heer Morsi dan niet naar gehandeld?
Wat heeft de Nederlandse regering juridisch gedaan en wat gaat de Nederlandse regering juridisch doen om de Egyptische autoriteiten ertoe te bewegen de executie van de heer Morsi af te gelasten?
Wat heeft de Nederlandse regering diplomatiek gedaan en wat gaat de Nederlandse regering diplomatiek doen om de Egyptische autoriteiten ertoe te bewegen de executie van de heer Morsi af te gelasten?
Wat heeft de Nederlandse regering politiek gedaan en wat gaat de Nederlandse regering politiek doen om de Egyptische autoriteiten ertoe te bewegen de executie van de heer Morsi af te gelasten?
Wat heeft de Nederlandse regering bilateraal gedaan en wat gaat de Nederlandse regering bilateraal doen om de Egyptische autoriteiten ertoe te bewegen de executie van de heer Morsi af te gelasten?
Wat heeft de Nederlandse regering in Europees verband gedaan en wat gaat de Nederlandse regering in Europees verband doen om de Egyptische autoriteiten ertoe te bewegen de executie van de heer Morsi af te gelasten?
Is de Nederlandse regering bereid om (net als bij het doodvonnis van Ang Kiem Soei in Indonesië) Zijne Majesteit de Koning contact op te laten nemen met het Egyptische staatshoofd betreffende het doodvonnis van de heer Morsi? Zo nee, waarom niet?
Heeft de Minister-President al contact gehad of gaat hij binnenkort contact opnemen met de Egyptische president Abdul Fatah al-Sisi betreffende het doodvonnis van de heer Morsi? Zo nee, waarom niet?
Heeft de Minister van Buitenlandse Zaken al met zijn Egyptische collega over het doodvonnis van de heer Morsi gesproken of gaat hij dat binnenkort doen? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister van Buitenlandse Zaken bereid een speciale gezant naar Egypte te sturen om het doodvonnis van de heer Morsi bij de autoriteiten aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Met welke landen die de doodstraf hanteren onderhoudt Nederland economische, diplomatieke en politieke betrekkingen?
Volgens cijfers van de Verenigde Naties zijn er wereldwijd 46 landen of gebieden die de doodstraf nog hanteren.4 Nederland onderhoudt met alle landen ter wereld op enigerlei wijze economische, diplomatieke of politieke betrekkingen. Het hebben van betrekkingen is juist van waarde om o.a. een dialoog over de mensenrechtensituatie te kunnen voeren met het betreffende land.
Welke gevolgen heeft het doodvonnis van oud-president Morsi voor de politieke, diplomatieke en economische betrekkingen tussen Nederland en Egypte?
Het kabinet acht het van belang dat Nederland brede betrekkingen met Egypte blijft onderhouden waarbij niet alleen sprake is van economische relaties maar ook een constructief-kritische dialoog plaatsvindt over mensenrechtenkwesties zoals de doodstraf.
Is de Nederlandse regering bereid om proactief het doodvonnis van oud-president Morsi aan te kaarten bij mevrouw Mogherini, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Is de Nederlandse regering bereid om proactief het doodvonnis van oud-president Morsi aan te kaarten bij de Verenigde Naties? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat behalve tegen oud-president Morsi ook tegen meer dan 1.500 Egyptische burgers doodstraffen zijn uitgesproken? Vindt u dit niet een politieke zuivering in de vorm van een massa-executie? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u doen zodat deze massa-executie kan worden afgewend?
Bent u bereid deze vragen uiterlijk op 1 juni 2015 te beantwoorden, aangezien het doodvonnis op 2 juni 2015 mogelijk door de rechter definitief wordt gemaakt?
Het is niet haalbaar gebleken om de vragen uiterlijk op 1 juni 2015 te beantwoorden.
Het bericht dat een dj zelf zijn gestolen apparatuur via Marktplaats terughaalt |
|
Nine Kooiman (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «DJ haalt gestolen apparatuur terug»?1
Na het doen van een bod op de gestolen spullen door de benadeelde heeft de benadeelde contact gezocht met de politie. Gezien de stand van zaken op dat moment heeft de politie besloten om op de ingeslagen weg voort te gaan en de benadeelde een afspraak met de verkoper te laten maken over de transactie. De politie heeft de benadeelde bijgestaan tijdens dit proces.
Er zijn in deze zaak drie verdachten aangehouden, waarvan één zich voor de rechter moet verantwoorden. Zolang deze zaak nog onder de rechter is, onthoud ik mij van een oordeel over de wenselijkheid van de gang van zaken.
Is het waar dat de politie de benadeelde adviseerde zelf een afspraak te maken met de verkopende partij?
Zie antwoord vraag 1.
Bij wie ligt de taak van bewijsgaring?
De politie en het Openbaar Ministerie zijn verantwoordelijk voor de bewijsgaring in strafrechtelijke zaken, maar het is niet ongewoon dat de politie een beroep doet op benadeelden om zelf bij te dragen aan het terugvinden van gestolen goederen. Ook de onderhavige casus is onder regie van de politie afgewikkeld.
Vindt u dit een wenselijke gang van zaken in verband met de mogelijke risico’s die het slachtoffer hiermee loopt? Zo nee, hoe kan dit in de toekomst voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 1.
De effectiviteit van campagnes voor orgaandonatie |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Campagnes orgaandonatie kostten 20 mln, maar leverden niets méér op»?1
Ja.
Is het waar dat er aan donorcampagnes door het Ministerie van VWS en de Nederlandse transplantatiestichting (NTS) vanaf 2008 minimaal 20 mln. euro is uitgegeven? Zo ja, waar had de Kamer dat eerder uit kunnen opmaken? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan wel?
In de begroting en het jaarverslag van VWS wordt hier verantwoording over afgelegd. Daarnaast heb ik in het Algemeen Overleg Orgaandonatie op 12 maart jl. aangegeven dat we jaarlijks ongeveer € 1,5 –2 miljoen aan de campagnes over orgaandonatie besteden en ongeveer € 2 miljoen subsidie aan de NTS verstrekken voor voorlichting over orgaandonatie, waaronder de 18-jarigen aanschrijving. Als je die bedragen bij elkaar optelt over de periode 2008–2014 dan kom je inderdaad op ongeveer € 20 miljoen uit. Daarvan is de afgelopen jaren in totaal dus circa € 10 miljoen aan de massamediale donorcampagnes van VWS besteed, zoals de jaarlijkse donorweek.
Hoeveel personen waren er in 2008 geregistreerd in het Donorregister, en hoeveel personen ultimo 2014? Hoeveel van hen zijn als donor geregistreerd?
In 2008 waren 5.365.129 personen geregistreerd en in 2014 waren dat er 5.820.131. Daarvan waren in 2014 ongeveer 3,5 miljoen mensen donor. Steeds meer mensen registreren zich tegenwoordig als donor. Circa 70% van de nieuwe registraties is tegenwoordig een «Ja». In 2014 was dit zelfs 76%. Zeven jaar geleden was dit nog circa 60%. Wat betreft het totaal aantal registraties in het donorregister schommelt het aantal ja-registraties iets boven de 60%.
Is het in het bericht gestelde waar dat in 2014 slechts 34,3% van de 18 jarigen een keuze heeft geregistreerd, en dat dit cijfer minder is dan het gemiddelde van de afgelopen jaren? Zo nee, wat is er niet waar aan dat gestelde?
Het klopt dat in 2014 34,3% van de 18-jarigen een keuze heeft geregistreerd. Het gemiddelde percentage in de periode 2008–2014 is een respons van 34,4%.
Wat is uw mening over het in het bericht gestelde dat het erop lijkt «alsof het ministerie wil camoufleren dat het systeem van vrijwillige registratie faalt, ondanks de miljoenen die er sinds de start van het Masterplan extra zijn geïnvesteerd».?
Ik deel niet de mening dat we met het beleid rond orgaandonatie en de campagnes hebben gefaald. De aanpak van het Masterplan is gericht op een integrale aanpak met als doel het aantal orgaantransplantaties te verhogen, namelijk door een verbeterde inzet in ziekenhuizen, de inzet van campagnes en maatregelen rond donatie bij leven. Op alle onderdelen is een stijging te zien. De doelstelling wat betreft het verhogen van de orgaantransplantaties is in 2014, een jaar later dan beoogd, nagenoeg behaald. Deze doelstelling was een stijging in 2013 van 25% ten opzichte van het gemiddelde van de jaren 2005–2007. In 2014 zijn uiteindelijk 23% meer orgaantransplantaties uitgevoerd. Overigens is daarbij ook innovatie een belangrijk onderdeel geworden, zoals de ontwikkelingen rond de inzet van stamcellen en het gebruik van de perfusiekamer in Groningen waardoor meer organen geschikt zijn voor transplantatie. Het aantal transplantaties met organen van een levende donor is in 2013 met 70% gestegen ten opzichte van 2005–2007, namelijk van 306 naar 520 transplantaties.
In het persbericht wordt voor het resultaat van het orgaandonatiebeleid vooral ingezoomd op het aantal registraties en de kosten. Het doel van de campagne van VWS en de voorlichting door NTS is breder dan dat. Wat ik wil bereiken is dat mensen zélf echt nadenken en met elkáár praten over orgaandonatie én vervolgens zich ook registreren. We willen bovendien mensen de juiste informatie geven op basis waarvan ze een besluit kunnen nemen. Daarnaast zien we nog steeds een stijging in het donorregister en wordt er als gevolg van de campagne meer over het onderwerp gesproken, zo blijkt uit de laatste effectmeting van de campagne. Voorafgaand aan het Masterplan werd overigens ook al geld aan campagnes en voorlichting over orgaandonatie besteed. Met het Masterplan is het budget anders ingezet, onder andere door één logo te gaan voeren, door meer samen te gaan werken met andere partijen en door veel aandacht te besteden aan de jaarlijkse donorweek.
Is het waar dat het met name door de verruiming van de criteria voor orgaandonatie komt dat de ondergrens van het aantal postmortale transplantaties in 2014 bijna werd gehaald? Zo nee, wat is daar niet waar aan, en waarom werd die grens dan wel bijna gehaald?
De stijging van het aantal transplantaties in 2014 van bijna 23% ten opzichte van de periode tussen 2005–2007 heeft meerdere oorzaken. De eerste en belangrijkste reden is dat er in de ziekenhuizen een veel grotere bewustwording is ontstaan over orgaandonatie. Dit heeft ertoe geleid dat professionals veel alerter zijn als het gaat om donatie en vaker potentiële donoren herkennen. Ook is de organisatie in de ziekenhuizen inmiddels beter ingericht op het mogelijk maken en houden van orgaandonatie. Professionals zijn getraind in het voeren van donatiegesprekken en dit leidde tot een licht verbeterde aantal toestemmingen van nabestaanden. Daarnaast zijn ook de criteria (bijvoorbeeld leeftijd, lichamelijke conditie) voor orgaandonatie verruimd.
Dat is mogelijk geworden door nieuwe medische technologische ontwikkelingen, waardoor meer organen gedoneerd konden worden ten behoeve van transplantatie.
Is de effectiviteit van de campagnes om orgaandonatie te stimuleren onderzocht? Zo ja, wat was de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit met het oog op toekomstige campagnes alsnog te laten onderzoeken?
Jaarlijks wordt een effectmeting van de campagne Orgaandonatie uitgevoerd. De resultaten komen terug in de Jaarevaluatie campagnes rijksoverheid. De effectmeting van 2014, uitgevoerd door TNS-NIPO, is op 19 december 2014 als bijlage bij de brief «Standpunt vervolg Masterplan Orgaandonatie» meegestuurd. Uit de effectmeting van 2014 bleek onder meer dat niet-geregistreerden na de campagne iets vaker over orgaandonatie praten. Ook zijn meer niet-geregistreerde personen gaan nadenken over orgaandonatie: van 9% naar 16%. De kennis rond orgaandonatie is niet gestegen ten opzichte van eerdere jaren. Het bereik van de massamediale campagne zit meestal zo tussen de 70 en 80% en liep dit jaar wat achter. Een mogelijke oorzaak daarvan is dat de t.v.-spot minder aandacht kreeg dan vorig jaar. De uitkomst van de effectmeting van de donorweek wordt elk jaar gebruikt bij het opstellen van de strategie voor het volgend jaar.
Welke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat er wel meer Nederlanders als orgaandonor geregistreerd worden?
Onlangs heeft er een nieuwe aanbestedingsronde plaatsgevonden voor de selectie van een Reclamebureau dat de komende tijd de campagne orgaandonatie gaat uitvoeren. Samen met het Reclamebureau zal ik een nieuwe communicatiestrategie ontwikkelen. Zoals toegezegd in het AO orgaandonatie van 12 maart jongstleden zal ik zo mogelijk voor de zomer een brief naar de Tweede Kamer sturen over de nieuwe strategie. Daarbij zal ik ingaan op de suggesties en kritiekpunten die de Kamer in het AO heeft meegegeven, waaronder het Actieplan van Kamerlid Tellegen.
Het bericht ‘Winkels in nood door roofklanten’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Winkels in nood door roofklanten»?1
Ja.
Klopt het, dat het aantal gevallen van winkeldiefstal ongeveer gelijk is gebleven aan het jaar ervoor en dat het drama waarschijnlijk velen malen groter is dan de officiële cijfers weergeven?
Uit voorlopige cijfers van het CBS over de jaren 2013 en 2014 blijkt een kleine daling van het aantal geregistreerde winkeldiefstallen.2 Het betrof 43.480 geregistreerde winkeldiefstallen in 2013 en 42.220 in 2014.
Aannemelijk is dat niet van alle winkeldiefstallen aangifte wordt gedaan, en de werkelijke aantallen kunnen dus hoger zijn. Het doen van aangifte is dan ook belangrijk.
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat winkeliers hun zaak moeten sluiten vanwege de hoeveelheid winkeldiefstallen en dat een schadepost van honderden miljoenen euro’s onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat winkeldiefstal en de daarmee samenhangende schade onacceptabel zijn. Samen met het bedrijfsleven en de koepel- en brancheorganisaties werkt mijn ministerie dan ook aan de aanpak van criminaliteit tegen het bedrijfsleven. Van de overheid mag worden verwacht dat zij daders opspoort en vervolgt. Het bedrijfsleven zelf heeft een belangrijke rol in de preventie. Ook deze preventie wordt door mijn ministerie op verschillende manieren ondersteund, bijvoorbeeld met de aanpak Veiligheid Kleine Bedrijven in 2013 en 2014, het faciliteren van overvaltrainingen, de (deel)financiering van specifieke maatwerkprojecten in 20153 en het Keurmerk Veilig Ondernemen.
Waarom zijn uit de praktijk steeds geluiden te horen dat winkeldiefstal geen prioriteit krijgt, terwijl u steeds aangeeft dat dit wel het geval is?
Winkeldiefstal heeft zeker prioriteit voor het Openbaar Ministerie (OM). Winkeldiefstal is één van de belangrijke zaakstromen binnen het zogeheten ZSM proces, waarbij zaken zo snel mogelijk en voorzien van een betekenisvolle interventie worden afgedaan. Voorts hanteert het OM sinds maart 2015 een vernieuwde strafvorderingsrichtlijn voor winkeldiefstal. Het gebruik van geprepareerde tassen of kleding, het gebruik van geweld bij betrapping en strooptochten zijn nu strafverzwarende elementen. In de vernieuwde richtlijn huis- en lokaalvredebreuk zijn ook sancties opgenomen tegen het overtreden van winkelverboden.
Daarnaast werken publieke en private partners, waaronder Detailhandel Nederland, nauw samen binnen het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Binnen dit platform is in 2013 afgesproken de aanpak te richten op een zestal hoofdthema’s, te weten cybercrime, fraude, afpersing, heling, transportcriminaliteit en mobiel banditisme. Door concentratie op deze laatste dadergroep wordt ook prioriteit gegeven aan een deel van de winkeldiefstallen.
Ook op lokaal niveau wordt door middel van samenwerking tussen de ondernemers, de gemeente, politie en OM ingezet op het voorkomen en aanpakken van criminaliteit tegen bedrijven en daarmee ook van winkeldiefstal.
Deelt u voorts de mening dat het niet de bedoeling is dat ondernemers geen aangifte doen omdat winkeldiefstal toch geen prioriteit heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen teneinde deze aangiftebereidheid te verhogen?
Aangifte doen heeft altijd zin en ik roep samen met de branche- en koepelorganisaties ondernemers op altijd aangifte te doen wanneer zij slachtoffer zijn geworden van criminaliteit. Voor winkeldiefstal bestaat een speciaal aangifteformulier en er kan aangifte worden gedaan zonder naar het bureau te hoeven komen. Daarnaast heeft het OM winkeliers uitgenodigd bij strafzittingen tegen winkeldieven om te laten zien dat aangifte doen loont.
Verder kunnen (de resultaten van) de hiervoor genoemde vernieuwde strafvorderingsrichtlijn voor winkeldiefstal en de ZSM werkwijze de aangiftebereidheid bevorderen. Dit geldt ook voor de aanwijzing voor de opsporing, waarin is vastgelegd dat zaken waarbij sprake is van een heterdaadsituatie altijd dienen te worden opgepakt. Dit geldt dus ook voor winkeldiefstal waarbij de winkelier of diens personeel de verdachte op heterdaad heeft aangehouden.
Tenslotte ontwikkelt de politie een dienstverleningsmonitor die structureel zal meten wat de waardering van burgers is van de dienstverlening van de politie, waaronder het opnemen van de aangifte. De eerste resultaten daarvan worden uiterlijk eind 2015 verwacht.
Gaat het nog steeds om winkeldiefstallen met verdachten uit voornamelijk Oost-Europa? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken?
De meest recente cijfers van het CBS over winkeldiefstallen die een opsplitsing bevatten naar de nationaliteit van de verdachten, zijn de cijfers over 2012 en de voorlopige cijfers over 2013.4 Daarbij worden verdachten vermeld uit Oost-Europese landen zoals Bulgarije, Litouwen, Polen en Roemenië. Uit deze cijfers blijkt dat het aandeel van de verdachten uit deze vier landen tezamen in 2012 ongeveer 12 procent en in 2013 ongeveer 13 procent van het totaal aantal registraties van verdachten uitmaakt. Dit is derhalve geen meerderheid.
Het bericht dat de VS vasthouden aan een Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) met investeringsgeschillenbeslechtingsclausule (ISDS) |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht: «US rejects EU proposal for investment court, insists on retaining ISDS»?1
Ik heb op 17 april jl. met de Amerikaanse hoofdonderhandelaar USTR Michael Froman gesproken. Tijdens dit gesprek heeft hij aangegeven dat de discussie over investeringsbescherming ook in de Verenigde Staten speelt en er ook daar stemmen opgaan om het huidige systeem te verbeteren. Samen met de collega’s van Zweden, Denemarken, Frankrijk, Duitsland en Luxemburg heb ik voorstellen gedaan voor verbetering in het paper Improvements in CETA and beyond (bijlage bij Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465). Op dit moment werkt de Europese Commissie deze voorstellen verder uit in samenwerking met de lidstaten en het Europees parlement. Zodra er een EU positie is, zullen de onderhandelingen met de Amerikanen op dit gebied worden hervat.
Is het waar dat de Amerikanen uw plan voor een Internationaal Hof voor Handel – in plaats van het beruchte ISDS – verwerpen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat betekent de verwerping van dit voorstel voor het onderhandelingsproces?
Zie antwoord vraag 1.
Is een TTIP-verdrag inclusief ISDS-clausule voor u aanvaardbaar? Laat u uw eigen voorstel voor een Internationaal Hof daarmee vallen? Hoe verhoudt zich dat tot de diverse moties die zijn aangenomen op dit punt?
Een investeringsbeschermingshoofdstuk in het TTIP-verdrag moet voorzien zijn van de nodige waarborgen voor het behoud van beleidsruimte, een transparante en onafhankelijke procedure voor het beslechten van investeringsgeschillen, inclusief een beroepsmechanisme. Ik heb daartoe voorstellen gedaan, inclusief een permanent hof die zijn overgenomen door Eurocommissaris Malmström als inzet voor TTIP en andere akkoorden. De motie die op dit punt is aangenomen (Kamerstuk 21 501-20, nr. 964) zie ik als ondersteuning van beleid.
Ziet u nog alternatieven voor een TTIP-verdrag zonder ISDS-clausule? Zo ja, welke?
In het onderhandelingsmandaat van de EU staat dat het opnemen van investeringsbescherming en ISDS in TTIP afhankelijk is van een goede oplossing voor de zorgen die bestaan rondom dit mechanisme. Hiervoor worden op dit moment concrete voorstellen nader uitgewerkt die in lijn zijn met de Nederlandse inzet. Deze voorstellen zullen worden besproken in de onderhandelingen met de VS, en we wachten de resultaten daarvan af.
Klopt het dat Frankrijk werkt aan een voorstel om ISDS te hervormen? Zo ja, kunt u de inhoud en vorderingen van dit voorstel toelichten? In hoeverre komt dit voorstel overeen met uw voorstel voor een Internationaal Hof voor Handel?
Het is duidelijk dat Frankrijk, net als Nederland, kijkt naar structurele hervormingen van het huidige mechanisme van investeringsbescherming. Het Franse voorstel richt zich hierbij op vier onderwerpen:2 het right to regulate;3 een institutioneel raamwerk voor een permanent hof voor investeringsgeschillen;4 eisen voor arbiters en transparantie van tribunalen; en5 de relatie tussen arbitrage en lokale rechtsmiddelen.
In grote lijnen zijn de Franse voorstellen in lijn met de Nederlandse inzet ten aanzien van ISDS en investeringsbescherming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over de kwaliteitseisen voor arbiters, betere bescherming van het right to regulate, de mogelijkheid voor staten om gezamenlijk bindende interpretaties te geven over een investeringsbeschermingsverdrag en het terugdringen van misbruik van het geschillenmechanisme dat daarbij hoort. Over een aantal andere voorstellen heeft Nederland nadere vragen, zoals over uitzonderingen op het beginsel van non-discriminatie, die het zouden toestaan buitenlandse investeerders anders te behandelen. Ook vereisen voorstellen als het opleggen van boetes bij frivole claims of het toestaan van claims bij schending van nationaal recht eerst nog nadere verduidelijking door Frankrijk. Daarbij is het Nederlandse uitgangspunt dat een gebalanceerd en gemoderniseerd investeringsbeleid nodig is dat ook als voorbeeld voor andere strategische onderhandelingen gebruikt kan worden.
Wat is uw reactie op het feit dat Eurocommissaris Malmström in eerste instantie niet de ambitie blijkt te hebben om een Internationaal Hof voor Handel op te nemen in TTIP? Klopt het dat Malmström de optie van een Internationaal Hof alleen op lange termijn haalbaar acht? Wat is daarop uw reactie?2
Eurocommissaris Malmström heeft de ambitie om tot de oprichting van een permanent hof te komen. Dit kan niet op korte termijn gerealiseerd worden en daarom doet Malmström tevens concrete voorstellen voor TTIP die op de kortere termijn beter te realiseren zijn, zoals een bilateraal beroepsmechanisme.
Wat zijn de gevolgen voor de onderhandelingen nu blijkt dat president Obama geen speciale bevoegdheid krijgt van de Amerikaanse Senaat om handelsverdragen af te sluiten met Azië en de EU?3
Dit is niet correct. Op 18 juni jl. heeft het Huis van Afgevaardigden een voorstel goedgekeurd om Obama meer bevoegdheden te geven om handelsverdragen af te sluiten (Trade Promotion Authority – TPA). Op 24 juni jl. heeft ook de Senaat haar goedkeuring gegeven. Het voorstel gaat nu naar Obama ter ondertekening.
Acht u het nog reëel dat TTIP binnen de ambtstermijn van Obama kan worden afgerond?
Ja, maar inhoud gaat boven snelheid. Als het niet lukt om tot een goed resultaat te komen in komende anderhalf jaar, dan heb ik liever langere onderhandelingen zodat we tot een goed akkoord kunnen komen.
Klopt het dat goedkeuring van TTIP überhaupt «bijzonder lastig» gaat worden, omdat het Congres zich nu tegen onderdelen van het verdrag kan verzetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 8 is het voorstel voor TPA inmiddels goedgekeurd door het Congres.