De dreigende situatie in Venezuela |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust in Venezuela: mariniers Aruba op scherp»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de mening van de marinecommandant over de toenemende dreiging in Venezuela op slechts 25 kilometer van Aruba?
Het land verkeert in een economische crisis. De economische moeilijkheden hebben geleid tot protesten en de steun voor president Maduro lijkt te verminderen. De toenemende binnenlandspolitieke spanningen in Venezuela zijn een bron van zorg. Het is op dit moment echter onwaarschijnlijk dat hieruit een bedreiging voortkomt voor de soevereiniteit en/of territoriale integriteit van het Koninkrijk.
Deelt u de mening dat Venezuela een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, zoals ook de Verenigde Staten reeds hebben aangegeven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de huidige militaire aanwezigheid op de overzeese eilanden fors uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment geeft de situatie in Venezuela geen aanleiding om de militaire aanwezigheid verder uit te breiden. Een uitbreiding van de militaire aanwezigheid brengt niet alleen aanzienlijke kosten met zich mee, maar gaat ook ten koste van andere taken en verplichtingen van de krijgsmacht in nationaal en internationaal verband. De regering evalueert de situatie voortdurend en zal, indien de veiligheidssituatie daartoe aanleiding geeft, in een passende reactie voorzien.
Welke afspraken zijn er met de Amerikanen gemaakt over (militaire) bijstand als de onrust in Venezuela het Koninkrijk zal bereiken?
Nederland en de Verenigde Staten volgen de situatie in Venezuela op de voet. Beide landen hechten waarde aan stabiliteit in de regio. Specifieke afspraken over militaire bijstand zijn niet gemaakt.
Wanneer neemt u eindelijk uw verantwoordelijkheid als Minister van Defensie en verhoogt u het defensiebudget met vijf miljard euro extra, zodat recht wordt gedaan aan de afspraken binnen de NAVO?
Zoals aangegeven in mijn brief van 7 november 2014 (Kamerstuk 33 763, nr. 59) zal het kabinet u later dit jaar antwoorden over de in de motie van het lid Van der Staaij c.s. (Kamerstuk 34 000, nr. 23) gestelde vragen.
Ongevallen met voorrangsvoertuigen van de politie, brandweer en ambulance |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de conclusies en de aanbevelingen uit de rapporten «Eigenschappen van ongevallen met voorrangsvoertuigen» en «Kansrijke oplossingen voor ongevallen met voorrangsvoertuigen»?1 2
De in de rapporten aangehaalde thematiek speelt bij alle hulpdiensten. Rijden met optische en geluidssignalen kan van levensbelang zijn, maar is ook risicoverhogend. Recent heeft een pilot plaatsgevonden waarbij de instructeurs van politie, brandweer en diensten voor medische hulpverlening voor een periode van maximaal 2 jaar tijdens de rijopleiding met zwaailicht en sirene mochten oefenen op de openbare weg. Deze pilot is geëvalueerd door het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Uit de evaluatie blijkt dat het op de openbare weg trainen in het besturen van een voorrangsvoertuig bijdraagt aan de kwaliteit van de rijopleiding voor bestuurders van voorrangsvoertuigen, zonder dat het de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Met ingang van 1 april 2015 is een permanente vrijstelling verleend voor het op de openbare weg geven van rijonderricht in het besturen van een voorrangsvoertuig met optische en geluidssignalen.
Hoe reageert u op de conclusie dat een politiemedewerker tijdens spoedritten een factor 30 tot 35 meer kans heeft op een ongeval met letsel per miljard voertuigkilometers, dat dit bij de brandweer een factor 40 tot 70 is en bij het ambulancepersoneel 15 tot 25? Hoe verklaart u deze verschillen?
Voorrangsvoertuigen rijden in een gevaarverhogende setting, waardoor de kans op ongevallen toeneemt. Verschillen worden mogelijk (deels) verklaard door de kenmerken van de voertuigen (o.a. gewicht) en de ervaring van de chauffeur. Bij de ambulance is het werk van de chauffeur een specifieke functie, bij de politie rijdt iedere medewerker in de noodhulp spoedritten en de brandweer werkt veelal met vrijwilligers. Vrijwilligers van de brandweer rijden daardoor logischerwijs het minste aantal kilometers per jaar met optische en geluidssignalen. Ook zou het verschil gedeeltelijk verklaard kunnen worden door de bestaande rijopleiding van de brandweer. Deze richt zich voornamelijk op voertuigbeheersing via baantraining en gebiedskennis. Op dit moment wordt binnen de brandweer overleg gevoerd om de rijopleiding en les- en leerstof van chauffeurs aan te passen. Daarnaast ontbraken tot op heden landelijke standaarden voor blijvende vakbekwaamheid (bij- en nascholing). Deze zijn inmiddels opgesteld en liggen op dit moment ter besluitvorming voor binnen de brandweer.
Hoe verklaart u dat brandweerauto’s 2,1 keer vaker betrokken zijn bij een ongeval dan een ambulance en 1,7 keer vaker dan een politieauto? Is een verklaring te vinden in de trainingsintensiteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de ontwikkeling van het aantal ongevallen dat jaarlijks plaatsvindt met voorrangsvoertuigen? Kunt u dat uitsplitsen naar politie, brandweer en ambulance? Hebben de door u beloofde inspanningen zin gehad?3
Er is pas vorig jaar voor het eerst onderzoek gedaan naar het aantal ongevallen met voorrangsvoertuigen. Het IFV, dat het onderzoek heeft verricht, heeft dit onderzocht over de jaren 2010–2013, doet dit ook voor 2014 en is voornemens om dit ook in de komende jaren te blijven onderzoeken. Om trends te kunnen bepalen, is echter langjarig onderzoek naar ongevallen met voorrangsvoertuigen noodzakelijk en dat is momenteel nog niet beschikbaar. Wel blijkt uit politiecijfers dat het totaal aantal schadegevallen waarbij de politie aansprakelijk was in 2013 is gedaald en in 2014 gelijk gebleven is.
Deelt u de mening van de onderzoeker dat de veiligheidscultuur en het veiligheidsklimaat voor verbetering vatbaar is? Deelt u de conclusie dat een doeltreffend preventiebeleid kan zorgen voor een lager aantal ongevallen met voorrangsvoertuigen?4 Welk werk heeft de werkgroep preventie gedaan die als doel had het aantal aanrijdingen te verminderen?5
Elk ongeval is er één teveel, dus het veiligheidsklimaat is voortdurend voor verbetering vatbaar. De werkgroep Preventie van de politie heeft een analyse gemaakt over het jaar 2012 inzake de meest voorkomende schadegevallen met voertuigen binnen de politie. Op basis daarvan heeft de werkgroep een plan van aanpak opgesteld met adviezen ten aanzien van mogelijke oplossingen, waaronder preventie-adviezen van de verzekeringsmaatschappij. Door de drie hulpdiensten wordt daarnaast de laatste jaren hard gewerkt aan verbetering door de opleiding aan te passen, de brancherichtlijnen beter op elkaar te laten aansluiten en door meer aandacht aan het onderwerp voorrangsvoertuigen te besteden in de rijopleidingen van burgers. Ook wordt gewerkt aan een gemeenschappelijk competentieprofiel van rijinstructeurs, zodat zij beter zijn toegerust op het begeleiden van bestuurders die rijden met optische en geluidssignalen.
Klopt het dat in Rotterdam de inbouw van de «UnfallDatenSpeicher» (UDS) geleid heeft tot een schadereductie van 25%? Is het waar dat onderdeel van het preventieplan was de landelijke invoering van de UDS en in hoeverre is daar uitvoering aan gegeven?
De schadereductie in Rotterdam is het gevolg van permanente aandacht in combinatie met technische hulpmiddelen, waaronder de UDS en kan dus niet uitsluitend aan de UDS worden toegeschreven. Dat neemt niet weg dat de UDS is meegenomen in het plan van aanpak van de werkgroep Preventie, omdat deze kan bijdragen aan schadereductie.
Deelt u de conclusie dat verkeerslichtbeïnvloeding het aantal ongevallen met voorrangsvoertuigen met 50% kan doen dalen? Kunt u ons voorrekenen welke besparingen kunnen worden geboekt door de toepassing van verkeerslichtbeïnvloeding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het percentage van 50% slaat terug op Amerikaanse onderzoeken van eind jaren »70, niet op het onderzoek zoals uitgevoerd door het IFV. Er is geen evaluatie beschikbaar van de mogelijke effecten van verkeerslichtbeïnvloeding door voorrangsvoertuigen in de Nederlandse situatie. Er zijn dan ook onvoldoende gegevens bekend om een berekening hierover te maken. Het staat de lokale wegbeheerders echter vrij om verkeerslichtbeïnvloeding in te voeren wanneer zij dit wenselijk achten. Recent is getoetst of de wetgeving voor verkeerstekens, die valt onder het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, knelpunten kent voor dit soort oplossingen en dat blijkt niet het geval te zijn.
Hoe reageert u op de conclusie dat in de opleiding bij de politie slechts in geringe mate aandacht is voor het naderen van stoplichten? Deelt u de mening van de onderzoeker dat de aandacht voor de werking van moderne verkeersregelinstallaties kan worden verbeterd en er meer inzicht aan studenten kan worden gegeven over de gevaren van het door rood rijden? Bent u van plan aanvullende training te organiseren?
De conclusie dat in de opleiding bij de politie slechts in geringe mate aandacht is voor het naderen van stoplichten deel ik niet. In alle basis- en specialistische rijopleidingen die door de Politieacademie worden verzorgd is het onderdeel «het berijden van kruisingen» een substantieel onderdeel van het onderwijs. Het betreft kruisingen met en zonder verkeersregelinstallaties.
De in het antwoord op vraag 1 genoemde verlenging van de vrijstelling betreffende het oefenen met optische en geluidssignalen op de openbare weg is een effectieve stap vooruit als het gaat om de rijvaardigheidstrainingen bij de politie.
Er wordt tevens gewerkt aan verdere verbetering van de politiespecifieke rijvaardigheid en rijveiligheid van wie reeds werkzaam is bij de politie. Iedere politiemedewerker die gebruik moet kunnen maken van de optische en geluidssignalen is verplicht om een driejaarlijkse Politie Rijvaardigheid Training te volgen. Medewerkers die tijdens deze training een onvoldoende niveau laten zien, zullen aanvullende training krijgen.
Containers met stenen |
|
Jasper van Dijk (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht « Defensie bestolen in Afghanistan: tien containers gevuld met stenen landen op Vliegbasis Volkel»?1
Het bericht is niet geheel juist. Het gaat in totaal om elf containers.
Hoe kan het gebeuren dat tien van uw containers op Vliegbasis Volkel zijn geland met stenen, terwijl er eigenlijk defensiematerialen in hadden moeten zitten die terugkwamen van de missie in Afghanistan?
Een Redeployment is een nationale verantwoordelijkheid. Defensie heeft voor de verplaatsing over weg en zee gebruik gemaakt van de diensten van een civiele vervoerder waarmee Defensie eerder zaken heeft gedaan. De containers zijn volgens de geldende procedures beladen, afgesloten en verzegeld. De KMAR heeft niet kunnen achterhalen op welke wijze de goederen zijn ontvreemd uit de containers.
Wat voor defensiematerialen zijn precies ontvreemd?
Deze containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors.
Is het waar dat het onderzoek reeds is gesloten? Waarom geeft u zo snel op?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten. Het materieel moet daarom als verloren worden beschouwd.
Is dit een slechte 1 aprilgrap of zijn de verzegelde containers inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen?
De verzegelde containers zijn inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen.
Het artikel ‘Leerwerkplekken in de knel door ontslagregels' |
|
Anne Mulder (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Leerwerkplekken in de knel door ontslagregels», waaruit blijkt dat leerbedrijven straks waarschijnlijk voor tweeduizend euro per student kunnen worden aangeslagen voor het merendeel van de 129.000 leerwerkplekken in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland?1
Ja. Ik merk daarbij op dat op grond van de in het antwoord op vraag 2 genoemde amvb de kosten van dergelijke opleidingen onder voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.
Deelt u de mening dat het beleid rond het aanbieden van leerwerkplekken bedrijven juist moet stimuleren om deze plaatsen aan te bieden en dat het opleggen van extra kosten, zoals een transitievergoeding, juist leidt tot het omgekeerde effect, namelijk dat bedrijven minder in plaats van meer leerwerkplekken gaan aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Vanaf 1 juli 2015 hebben werknemers bij ontslag of het niet verlengen van een tijdelijk contract op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding. Dit recht geldt voor alle werknemers die werken op basis van een arbeidsovereenkomst die ten minste twee jaar heeft geduurd. Dat recht geldt dus in beginsel ook voor werknemers die een BBL-opleiding volgen en ten minste twee jaar op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van de werkgever. Tegelijkertijd is het uiteraard niet de bedoeling dat de introductie van de transitievergoeding leidt tot het aanbieden van minder leerwerkplekken. Dat heeft er mede toe geleid dat het kabinet heeft besloten om bij amvb te bepalen dat kosten van de opleiding onder voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.2
Is het waar dat deze transitievergoeding per 1 juli 2015 ook voor studenten op leerwerkplekken gaat gelden? Zo ja, hoeveel leerwerkbedrijven zullen hierdoor getroffen worden en om hoeveel potentiele vergoedingen gaat het? Zo nee, waarom niet?
In beginsel geldt het recht op een transitievergoeding ook voor werknemers op een leerwerkplek. Op grond van de in het antwoord op vraag 2 genoemde amvb kunnen zogenoemde «transitiekosten» en «inzetbaarheidskosten» onder voorwaarden in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Transitiekosten zijn kosten van maatregelen in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid van de werknemer. Bijvoorbeeld kosten voor (om)scholing of een outplacementtraject bij ontslag. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die al eerder tijdens het dienstverband zijn gemaakt, en die zien op het bevorderen van de inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever. Voorwaarde is dat de door de opleiding verworven kennis en vaardigheden niet zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen.
Onder inzetbaarheidskosten vallen ook kosten voor een duale opleiding, waaronder een BBL-opleiding. De opleidingskosten3 kunnen in mindering worden gebracht op de aan de periode van opleiding toe te rekenen transitievergoeding. De kosten kunnen alleen in mindering worden gebracht als de arbeidsovereenkomst na afronding van de opleiding of voortijdige beëindiging van de opleiding niet wordt voortgezet. Per saldo zal er dan geen transitievergoeding verschuldigd zijn, aangezien de opleidingskosten het bedrag van de transitievergoeding zullen overstijgen. Om misbruik te voorkomen is geregeld dat opleidingskosten ook niet in mindering gebracht mogen worden op de transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst na de beëindiging binnen zes maanden alsnog wordt voorgezet.
Als de arbeidsovereenkomst wel wordt voortgezet, is het niet mogelijk om de opleidingskosten in mindering te brengen op een eventueel later bij ontslag verschuldigde transitievergoeding. Dan wordt het geleerde tijdens de opleiding immers aangewend voor het uitoefenen van een functie bij de werkgever. Er is dan geen aanleiding om deze situatie anders te behandelen dan wanneer de werknemer tijdens het dienstverband andere scholing volgt dan een duale opleiding. De gekozen oplossing, het in mindering kunnen brengen van de opleidingskosten op de transitievergoeding, is naar de mening van het kabinet de meest geëigende.
In het schooljaar 2014–2015 waren er 100.000 gerealiseerde bbl-leerwerkplekken. Ook kosten voor duale opleidingen in het hoger en wetenschappelijk onderwijs kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Er worden momenteel 264 duale HO- en WO-opleidingen aangeboden (opleidingen in afbouw zijn niet meegerekend).
Is het waar dat er door het kabinet bewust is gekozen voor een transitievergoeding voor studenten in de beroepsbegeleidende leerweg? Zo ja, is dat – zoals het artikel stelt –, omdat werkgevers daarmee hebben ingestemd in het sociaal akkoord? Zo nee, hoe verklaart u de zorgen van Bouwend Nederland en de MBO-Raad die in het artikel zijn geuit?
Deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) kunnen werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Er is voor gekozen om de transitievergoeding verschuldigd te laten zijn voor alle werknemers die werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Werkgevers verenigd in de Stichting van de Arbeid hebben daar in het sociaal akkoord en de Wet werk en zekerheid mee ingestemd. Tegelijkertijd is het uiteraard niet de bedoeling dat de introductie van de transitievergoeding leidt tot het aanbieden van minder leerwerkplekken, of dat de kosten voor deze plekken stijgen. Dat heeft ertoe geleid dat het kabinet, wederom met instemming van werkgevers, heeft besloten om bij amvb te bepalen dat kosten van de opleiding in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding.
Dit raakt ook aan de vraag en het voorstel van het lid Lucas tijdens het Algemeen Overleg over stages en de subsidieregeling praktijkleren op 8 april jl. Het lid Lucas stelde de vraag of cao’s niet belemmerend werken voor mbo-deelnemers en zij stelde voor om bbl-deelnemers onder de 23 jaar als leerling te behandelen in plaats van als werknemer. Dit mede in verband met een eventuele belemmerende werking van cao’s. Over een eventuele belemmerende werking van cao’s heb ik tijdens het betreffende overleg aangegeven dat het aan de sociale partners is om afspraken te maken in cao’s. In lijn met de motie Lucas4 zal ik de sociale partners via de Stichting van de Arbeid hierover benaderen.
Ook speelt een rol dat bol- en bbl-deelnemers en werkgevers die hen een beroepspraktijkvormingsplek aanbieden, op dit moment verschillende rechten hebben en aanspraak kunnen maken op verschillende regelingen. Het lid Lucas stelde voor om één type leerweg te hanteren. Ik wil in dit kader vermelden dat de experimentele ruimte om een gecombineerde leerweg bol-bbl aan te bieden in werking treedt per studiejaar 2015/2016. Dit experiment is een mengvorm tussen bol en bbl en biedt daardoor flexibiliteit. Ik zie dit experiment daarmee ook als een eerste stap op weg naar het voorstel van het lid Lucas. Dit experiment biedt mij de mogelijkheid om de effecten daarvan te evalueren. Aan de hand van de uitkomsten van deze evaluatie zal ik besluiten of ik eventueel verdergaande stappen zal zetten. Deze evaluatie is medio 2020 voorzien.
Bent u bereid om de transitievergoeding niet van toepassing te laten zijn op leerwerkbedrijven? Zo nee, waarom niet?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3.
Illegalen die maandelijks ruim 200 euro leefgeld krijgen van de gemeente Eindhoven |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vluchtelingen zonder papieren krijgen leefgeld in Eindhoven»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ruim 200 euro leefgeld per maand krijgen?
Per Kamerbrief van 20 januari 2015 bent u geïnformeerd over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014 en de verplichting voor gemeenten om voorzieningen te verstrekken aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Deze verplichting is in tijd begrensd tot twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft bepaald inzake de ESH-zaken Conference of European Churches (CEC) en Feantsa.
In die brief heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ook gemeld dat hij, in voorkomende gevallen, bereid is aan betrokken gemeenten een financiële tegemoetkoming te bieden met het oog op de verplichtingen die voortvloeien uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Deze financiële tegemoetkoming is in tijd beperkt. De financiële tegemoetkoming ziet op door de betrokken gemeenten aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen geboden sobere voorzieningen in de periode van 17 december 2014 tot maximaal twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft ingenomen. Enige terughoudendheid vanuit het Rijk is op zijn plaats bij de beoordeling van de precieze lokale inrichting van genoemde sobere voorziening. Echter, het bieden van financiële ondersteuning, ter vrije besteding door de vreemdeling, gaat verder dan het bieden van enkel een sobere voorziening. Deze vorm van ondersteuning zal dan ook niet kunnen rekenen op een financiële tegemoetkoming vanuit het Rijk. Ik zal dit in mijn gesprekken met de VNG en gemeenten ook zo overbrengen.
Beseft u dat de bereidheid van illegalen om Nederland te verlaten alleen maar zal verkleinen als zij in Nederland van alle gemakken worden voorzien?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog meer gemeenten die het vertrekbeleid saborteren door illegalen van leefgeld te voorzien? Zo ja, welke gemeenten zijn dit?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u ervoor zorgen dat de gemeente Eindhoven, en indien nodig andere gemeenten, per direct stoppen met de sabotage van het vreemdelingenbeleid? Bent u bereid deze gemeente(s) desnoods te korten op het gemeentefonds?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Sluis op losse schroeven’ |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Hoe heeft de situatie kunnen ontstaan dat er – volgens de berichtgeving – voor bouwbedrijven te complexe opdrachten voor het broodnodig opknappen van sluizen door Rijkswaterstaat op tafel zijn gelegd, waarvan deze bouwbedrijven de risico’s niet durven te nemen? Hoe verklaart u anders de geringe interesse van bouwbedrijven in dit soort opdrachten, zoals het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen?
Voor het project Keersluis Limmel hebben zich negen consortia gemeld, waaronder een aantal internationale bedrijven. Voor het project Zeetoegang IJmond waren dat er vijf en voor het project Derde Kolk Beatrixsluis hebben zich drie gegadigden gemeld. Ik kan dit geen geringe interesse noemen, ook al moet ik constateren dat zich voor het project Derde Kolk Beatrixsluis één à twee minder gegadigden hebben gemeld, dan verwacht. Er is voldoende belangstelling maar bedrijven maken meer dan voorheen keuzes waar men wel en waar men niet op inschrijft.
Kunt u aangeven waarom er bij zulke, voor de economische ontwikkeling van Nederland cruciale projecten, niet aan de voorkant in overleg is getreden met brancheorganisatie Bouwend Nederland, teneinde een goede inschatting te maken van welke risico’s voor bouwbedrijven aanvaardbaar zijn en welke niet?
Er vindt periodiek overleg plaats met Bouwend Nederland. Speciaal voor het Sluizenprogramma is er een Sluizenplatform waar naast Bouwend Nederland en de waterbouwers, ook de belangenvereniging van ingenieursbureaus en installateurs zitting in hebben. Ook zijn er gesprekken tussen Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om over trends en beleid van gedachten te wisselen.
Bent u voornemens om tot uitstel van projecten over te gaan, wanneer blijkt dat met het sleutelen aan voorwaarden, volgorde en planning van projecten, de risico’s die bouwbedrijven nu zien niet afdoende kunnen worden weggenomen?
Vooralsnog ben ik hier niet voornemens toe. Op dit moment biedt het bespreken van de aanbestedingsplanning en het zoeken met de markt naar mogelijkheden om de tenderkosten- en capaciteit voor gegadigden te beperken, voldoende mogelijkheden om de interesse van de markt voor de sluizenprojecten te behouden.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zouden zijn van eventueel uitstel voor de Nederlandse economische ambities, als het gaat om bijvoorbeeld de Amsterdamse haven en binnenvaartsector?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Welke actie gaat u ondernemen om een dergelijke situatie (zie onder 1) bij de tweede sluis bij Eefde, de zeetoegang bij Terneuzen en de grote renovatie van de Afsluitdijk, te voorkomen?
Om de interesse van de markt voor de komende aanbestedingen te behouden, verkent Rijkswaterstaat met de markt welke exacte elementen nu de keuze van bouwbedrijven beïnvloeden om voor een bepaald werk te kiezen. Uit de verschillende gesprekken met diverse partijen blijkt dat het gaat om zaken die te maken hebben tenderkosten en tendercapaciteit. Rijkswaterstaat beziet de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te bevorderen.
Kunt u een inschatting geven van de hoogte van de kosten die er mee gemoeid zijn wanneer er vertraging optreedt in (delen van) het programma bedoeld om cruciale zeesluizen op te knappen? Kunt u deze inschatting geven voor elke specifieke opdracht die nu in de gevarenzone schijnt te verkeren, te weten het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen? Zo nee, waarom niet?
Deze drie projecten zitten niet in de gevarenzone. Het project keersluis Limmel is reeds gegund en bij het project Zeetoegang IJmond en het project Derde Kolk Beatrixsluis loopt de aanbesteding reeds.
Het bericht ‘Onafhankelijke’ voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het ministerie van Financiën’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Onafhankelijke» voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het Ministerie van Financiën»?1
Ja.
Wanneer heeft de nieuwe directeur-generaal Fiscale Zaken het voorzitterschap van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel (IBO Zzp) neergelegd?
Ik heb de huidige voorzitter verzocht om conform planning het interdepartementale beleidsonderzoek af te ronden. Hij heeft daarmee ingestemd.
Deelt u het oordeel dat met de benoeming van de voorzitter van het IBO Zzp tot directeur-generaal Fiscale Zaken, terwijl in het IBO Zzp onder meer wordt geanalyseerd of het fiscaal instrumentarium nog aansluit op de moderne arbeidsmarkt en beleidsvarianten worden geformuleerd om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen, onrust is ontstaan onder zzp’ers over de onafhankelijkheid van de voorzitter? Deelt u de mening dat dit het draagvlak voor beleidsvarianten uit het eindrapport onder druk zet?
Een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) ontwikkelt alternatieven voor bestaand beleid en heeft daarmee een verkennend, technisch karakter. Een IBO-werkgroep wordt verzocht om beleidsvarianten te ontwikkelen zonder een beoordeling van de wenselijkheid te geven. Oordeelsvorming is aan de ministerraad, die het IBO-rapport samen met een kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer zal sturen.
Een IBO-voorzitter wordt geselecteerd op basis van expertise en de capaciteit om onafhankelijk van politieke belangen het proces te begeleiden. Hij of zij kan ambtenaar (op het niveau directeur-generaal) zijn of een gezaghebbende functie buiten de overheid vervullen. De voorzitter van het IBO Zzp voldoet hier aan in zijn huidige en nieuwe functie. Het kabinet en de IBO-werkgroep zijn ervan overtuigd dat de voorzitter op professionele wijze invulling zal blijven geven aan de door het kabinet verstrekte opdracht.
Op welke manier kunt u deze onrust wegnemen?
Zie antwoord vraag 3.
Wie is de nieuwe onafhankelijke voorzitter van het IBO Zzp?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer is het IBO Zzp afgerond?
Het rapport zal – zoals eerder gemeld2 – voor de zomer aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Wanneer stuurt u het IBO Zzp naar de Tweede Kamer?
Zie antwoord vraag 6.
Containers met stenen uit Afghanistan |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Defensie bestolen in Afghanistan: tien containers gevuld met stenen landen op Vliegbasis Volkel»?1
Er zijn elf containers bij het voorval betrokken. De containers zijn, nadat deze beladen en afgesloten waren, aan een civiele vervoerder overgedragen. Deze vervoerder heeft begin 2014 ook een hoeveelheid containers afkomstig van de missie in Kunduz zonder problemen voor Defensie naar Nederland vervoerd.
Hoeveel bedraagt uw materiële schade, nu in plaats van het defensiematerieel containers vol met stenen zijn teruggekomen uit Afghanistan?
Het gaat om materieel dat langdurig in Afghanistan is gebruikt. De restwaarde van dergelijke goederen is hoger dan de transportkosten en kan pas meer exact worden beoordeeld na een inspectie in Nederland. Dit laatste is helaas niet meer mogelijk.
Kunt u een overzicht geven van al het defensiematerieel dat hierdoor nu wordt gemist?
De containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors.
Op welke wijze wilt u het defensiematerieel alsnog proberen terug te krijgen?
De KMAR heeft niet kunnen achterhalen waar het voorval is gebeurd en in welke richting de dader(s) moet worden gezocht. Het materieel moet daarom als verloren worden beschouwd.
Bent u voornemens deze materiële schade op iemand te verhalen? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u de schade dan wel verhalen? Zo ja, op wie?
Ja. De vervoerder is aansprakelijk gesteld.
Klopt het dat reeds onderzocht is hoe dit heeft kunnen gebeuren, maar dat de oorzaak niet is te achterhalen? Zo ja, hoe kan dit? Zo nee, gaat u alsnog onderzoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten.
Rentegevoeligheid als molensteen om nek pensioenen |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de FNV dat de lage rente een steeds grotere molensteen om de nek van de Nederlandse pensioenen wordt?1 Zo nee, waarom niet?
De pensioenen hebben inderdaad last van de aanhoudende lage rente. Bij een lage rente is meer geld nodig om alle toegezegde pensioenen te bekostigen. Afhankelijk van de mate van renteafdekking dalen op dit moment de beleidsdekkingsgraden van pensioenfondsen. Het moment waarop de pensioenen weer volledig aan de inflatie kunnen worden aangepast, kan hierdoor verder naar achteren schuiven. Een lage rente kan eveneens gevolgen hebben voor de hoogte van de pensioenpremies. Het fondsspecifieke effect hangt af van de gekozen systematiek voor het vaststellen van de kostendekkende premie.
Wat zijn volgens u de gevolgen van het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank voor de dekkingsgraden van de pensioenfondsen? Heeft u en/of De Nederlandsche Bank (DNB) daar onderzoek naar gedaan?
Het Extended Asset Purchase Programme van de Europese Centrale Bank (ECB-programma) is in maart 2015 van start gegaan en duurt in beginsel tot en met september 2016. Vanaf het moment dat het ECB-programma bekend is gemaakt, zijn de marktrentes gedaald. Dit heeft gevolgen voor de dekkingsgraden van pensioenfondsen. De dekkingsgraden worden echter niet alleen door de rente beïnvloed, maar ook door beleggingsrendementen en actuariële factoren. Daar komt bij dat veel pensioenfondsen hun renterisico in meer of mindere mate hebben afgedekt. Het afzonderlijke effect van het ECB-programma op fondsspecifieke dekkingsgraden kan daarom niet worden gekwantificeerd.
Wat zijn de gevolgen voor de koopkracht van pensioenen op korte en langere termijn?
Mede door het stabiliserende effect van het nieuwe financieel toetsingskader (ftk) zijn op de korte termijn nauwelijks gevolgen te verwachten voor de koopkracht van pensioengerechtigden. De koopkracht wordt vooral bepaald door de mate waarin pensioenen aan de prijsontwikkeling worden aangepast, respectievelijk worden gekort. De beleidsdekkingsgraad van de meeste pensioenfondsen zal in de loop van 2015 naar verwachting dalen. In dat geval moeten meer fondsen een herstelplan opstellen. In het nieuwe ftk hebben zij een termijn van 10 jaar om te herstellen naar het vereist eigen vermogen2. Uit berekeningen van DNB blijkt dat bijna alle fondsen die begin 2015 een tekort hadden, zich boven hun fondsspecifieke kortingsgrens bevonden. Een uitgebreider beschrijving van de effecten van de rente binnen het nieuwe ftk is opgenomen in het DNBulletin «Nieuw Financieel Toetsingskader vangt lage rente geleidelijk op»3.
Voor de mate van indexatie heeft het ECB-programma op de korte termijn nauwelijks gevolgen. Het merendeel van de pensioenfondsen had vóór de start van dit programma al te weinig vermogen om de pensioenen te indexeren. Als de marktrente nog geruime tijd op het huidige niveau blijft, kan het moment waarop de pensioenen weer volledig kunnen worden geïndexeerd, in de tijd opschuiven. In dat geval ontstaan op langere termijn gevolgen voor de koopkracht van de pensioenen.
Hoe kunnen pensioenfondsen zich beschermen tegen deze gevolgen?
Het merendeel van de pensioenfondsen beschermt zich al geruime tijd tegen de gevolgen van een rentedaling. Nagenoeg alle pensioenfondsen hebben een deel van hun bezittingen belegd in vastrentende waarden, zoals staatsleningen en bedrijfsleningen. Om het renterisico verder te beperken, houden veel fondsen in aanvulling op hun vastrentende waarden zogenoemde rentederivaten aan, zoals swaps en swaptions. Naar aanleiding van de motie Vermeij c.s. worden de voor- en nadelen van renteafdekking en de risico’s van rentederivaten momenteel onderzocht4.
Wilt u tegemoet komen aan het verzoek van de FNV om op korte termijn met werkgevers- en werknemersorganisaties te overleggen over bescherming van pensioenrechten tegen de kunstmatig lage rente? Zo nee, waarom niet?
Als sociale partners een nieuwe invalshoek willen inbrengen, ben ik gaarne bereid met hen hierover van gedachten te wisselen. Wel wil ik ervoor waken om discussies over te doen die we in het kader van het nieuwe ftk meermalen hebben gevoerd.
Het bericht “Sluis op losse schroeven” |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Kunt u de signalen bevestigen dat vertraging dreigt voor verschillende sluisprojecten zoals de zeesluis in Terneuzen, de derde kolk bij de Beatrixsluis, de keersluis Limmel, de Zeetoegang in IJmuiden, de versterking van de sluizen in de Afsluitdijk en de tweede klok in de Sluis Eefde?
Nee. Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. De projecten derde kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond zijn reeds gestart met de aanbesteding. Het project »Nieuwe Sluis Terneuzen» heeft net een uitgebreide marktconsultatie gehouden waarin de markt haar interesse heeft laten blijken. Voor dit project en de projecten Afsluitdijk en sluis Eefde is de start van de aanbesteding in 2015 voorzien.
Kunt u aangeven waarom Rijkswaterstaat, ondanks dat de genoemde projecten al jaren voorzien waren, met de planning worstelt?
De huidige planning van genoemde projecten is stabiel. Het is wel zo dat Rijkswaterstaat dit jaar en komende jaren relatief veel grote projecten op de markt brengt. Ook andere sectoren trekken aan. Daardoor komen er in utiliteitsbouw en de spoorsector meer projecten op de markt, waardoor het volume aan opdrachten toeneemt. Daarom is de haalbaarheid van het werkenpakket de komende drie jaar, onder andere bij Bouwend Nederland, getoetst. Bouwend Nederland heeft aangegeven dat het haalbaar is.
Kunt u de gevolgen voor de ontwikkeling van de economie schetsen indien deze projecten vertraagd worden?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Heeft u met derde-belanghebbenden, zoals de gemeenten Amsterdam en Rotterdam, de binnenvaartsector en België, overleg gevoerd om de gevolgen van vertraging in beeld te hebben?
Voor zover relevant zijn er vanzelfsprekend binnen de projecten overleggen met derden over de scope, hinder en planning. Echter, er is op dit moment geen sprake van voorgenomen vertraging.
Kunt u een overzicht van alle sluisprojecten verstrekken met daarbij de geplande start van de werkzaamheden en de thans beoogde planning? Kunt u daarbij ook aangeven welke sluisprojecten een risico op vertraging kennen, hoe groot dat risico is en welke maatregelen voorzien zijn om dat risico te elimineren?
Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. Voor de projecten Derde Kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond is er geen risico op vertraging van de aanbesteding omdat deze reeds zijn gestart. Voor de projecten Sluis Terneuzen, sluis Eefde en de Afsluitdijk moet de aanbesteding nog starten en is op dit moment geen vertraging voorzien. De start van de realisatie van het project sluis Eefde is later dan de bij u bekende planning. Dit is het gevolg van het later vaststellen van het bestemmingsplan.
Keersluis Limmel
2015
Zeetoegang IJmond
2016
Derde Kolk Beatrixsluis
2016
Afsluitdijk
2017
Sluis Eefde
2017
Nieuwe Sluis Terneuzen
2017
Kunt u aangeven hoe regionale bouwbedrijven beter en meer betrokken kunnen worden bij deze projecten?
Zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt is het risico van onvoldoende belangstelling van marktpartijen voor deze projecten beheersbaar. Er is daarom geen aanleiding om de projecten ingrijpend anders te organiseren om deze toegankelijker te maken voor regionale bouwbedrijven.
Het bericht ‘Vee heeft invloed op gezondheid’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vee heeft invloed op gezondheid»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Kitty Maassen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat veehouderij invloed heeft op de gezondheid?
De uitspraken zijn gebaseerd op de eerste tussentijdse resultaten van het onderzoek «Veehouderij en gezondheid van omwonenden» die de onderzoekers 12 maart 2015 openbaar hebben gemaakt. Deze resultaten zijn in lijn met bevindingen uit het eerdere onderzoek naar gezondheidseffecten van de veehouderij in Oost-Brabant en Noord-Limburg uit 2010. De recente bevindingen versterken de waarschijnlijkheid van de gezondheidseffecten in het betreffende onderzoeksgebied2.
De versterkte waarschijnlijkheid is in het desbetreffende artikel in het Eindhovens Dagblad abusievelijk geïnterpreteerd als een keiharde relatie tussen veehouderij en gezondheid. De tussentijdse resultaten maken deel uit van een breder opgezet onderzoeksprogramma naar de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van de mensen die daar omheen wonen. In het licht van het lopend onderzoek is het niet verantwoord verdergaande conclusies te trekken. Het onderzoek wordt in 2016 afgerond.
Bent u bereid om maatregelen te treffen vanwege de tussentijdse resultaten die laten zien dat mensen met longziekten als astma en COPD die nabij een veehouderij wonen, ernstigere gezondheidsklachten hebben dan andere longpatiënten?
Het onderzoek wijst enerzijds uit dat rond veehouderijen minder mensen met astma en COPD wonen. Anderzijds hebben COPD-patiënten die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker problemen van de luchtwegen dan mensen met COPD die ergens anders wonen. De oorzaken daarvan zijn echter nog niet duidelijk. Dat betekent dat de tussentijdse resultaten geen basis zijn om op dit moment maatregelen te nemen.
In het uitgevoerde onderzoek is niet gekeken naar de omvang van de veehouderijbedrijven. Dit betekent dat het betreffende onderzoek geen indicatie geeft dat juist deze stallen hiervan de oorzaak zijn. Het treffen van maatregelen, zoals een moratorium op nieuwbouw van stallen, is dan ook niet aan de orde. Nieuwe stallen moeten voldoen aan de geldende milieu en ruimtelijke ordeningseisen. Het besluit om nieuwbouw van stallen wel of niet toe te staan moet door de decentrale overheid worden genomen op basis van een lokale of regionale beoordeling van effecten van veehouderijen. Het onderzoeksproject «Veehouderij en gezondheid omwonenden», waarvan het betreffende onderzoek deel uit maakt, is pas volgend jaar gereed. Op dat moment moet worden bezien of de resultaten aanleiding geven tot het nemen van maatregelen.
Bent u bereid om vanwege de tussentijdse resultaten een moratorium te stellen op de bouw van nieuwe megastallen totdat het volledige onderzoek is afgerond naar de relatie van intensieve veehouderij en gezondheid?
Zie antwoord vraag 3.
De rol van advocaten en accountants bij fraudeonderzoeken |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het is dringen op de markt voor forensisch onderzoek»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja. De antwoorden van mijn ambtsvoorganger zijn mij bekend.3
Kunt u een vergelijking maken tussen de verplichtingen en bevoegdheden die advocaten respectievelijk accountants hebben bij het doen van forensisch onderzoek naar fraude bij ondernemingen? Wat zijn de kenmerkende verschillen?
In de regelgeving voor advocaten en accountants zijn geen specifieke voorschriften opgenomen met betrekking tot het doen van forensische onderzoeken. Voor beide beroepsgroepen gelden wel beroeps- en gedragsregels op grond waarvan verplichtingen kunnen voortvloeien indien fraude door hen wordt geconstateerd. De naleving van deze regels wordt in beide gevallen geborgd door het voor de beroepsgroep geldende tuchtrecht. Zowel accountants als advocaten hebben bij het uitvoeren van forensische onderzoeken naar fraude in voorkomend geval een meldplicht in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Deze wet heeft mede tot doel het witwassen van opbrengsten uit misdrijven (waaronder fraude) te voorkomen. In artikel 1, tweede lid van de Wwft is bepaald dat de wet niet van toepassing is op advocaten, indien zij een cliënt in rechte bijstaan, dan wel hem daar advies over geven4. Advocaten dienen zich wel te houden aan de Verordening op de Advocatuur. Uit de artikelen 7.1–7.3 van deze Verordening vloeit voort dat op de advocaat in elk geval een onderzoeksplicht rust met betrekking tot de identiteit van zijn cliënt en de strekking van de opdracht.
Voor zover het gaat om de controle van jaarrekeningen kunnen op accountants bijzondere verplichtingen rusten in geval van aanwijzingen van fraude. Zo dient de accountant aanvullende onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, indien er bij de controle van de jaarrekening een aanwijzing is voor fraude (Standaard 240 van de Nadere Voorschriften controle- en overige standaarden). Daarnaast geldt dat de accountant bij de controle van de jaarrekening een redelijk vermoeden van fraude in beginsel moet melden aan een opsporingsambtenaar (art. 26 Wet toezicht accountantsorganisaties jo. art. 37 Besluit toezicht accountantsorganisaties). Accountants en advocaten hebben geen verdergaande bevoegdheden dan andere burgers bij het verrichten van onderzoeken naar fraude. Zij beschikken ook niet over dwangmiddelen in het kader van de door hen uit te voeren onderzoeken.
Beschikt u over cijfers of indicaties waaruit blijkt dat advocaten steeds meer de rol van accountants overnemen als het gaat om forensisch onderzoek naar fraude bij ondernemingen? Zo ja, wat zijn die cijfers of indicaties en waarom zou die ontwikkeling zich voordoen?
Ik ben bekend met de recente berichtgeving in de media dat vaker dan voorheen advocaten worden ingeschakeld bij het verrichten van forensische onderzoeken bij grote ondernemingen. Overigens is mijn beeld dat advocaten dan veelal samenwerken in een multidisciplinair team met accountants, fiscalisten en IT-specialisten. Denkbaar is dat bij grote complexe ondernemingen meerdere deskundigheden nodig zijn, anders dan alleen accountancy, om een gedegen oordeel te kunnen vellen of er sprake is van fraude. Er zijn geen cijfers bekend omtrent de inzet van advocaten als forensisch onderzoeker. Ook de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) heeft laten weten niet over exacte cijfers te beschikken.
Kunnen advocaten die forensisch onderzoek doen en op informatie stuiten die op strafbare feiten duidt, vanwege hun verschoningsrecht die feiten aan bijvoorbeeld de politie of het Openbaar Ministerie (OM) onthouden en in hoeverre kunnen accountants dat niet?
Het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Wetboek van Strafvordering (Sv)en art. 165 lid 2 onder b Rechtsvordering (Rv) is een recht van onder meer advocaten en is noodzakelijk voor het goed kunnen vervullen van de kerntaken van de advocatuur. Bij forensisch onderzoek door een verschoningsgerechtigde kan sprake zijn van een geheimhoudingsplicht, maar dat is niet zonder meer het geval. Deze lijn is bevestigd in een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag5, waarin de rechtbank oordeelde dat het verschoningsrecht van de advocaat niet van toepassing is op forensisch onderzoek dat alleen feitelijkheden bevat.
In dit kader wil ik u verwijzen naar hetgeen eerder is gemeld aan uw Kamer in verband met de herziening van het Wetboek van Strafvordering.6
In het kader van de rijksbrede aanpak van fraude, waarover ik uw Kamer bij brief van 19 december 2014 laatstelijk heb bericht7, ben ik met het Openbaar Ministerie (OM) en de NOVA in gesprek over het gegeven dat door de tijd heen de dienstverlening van advocaten zich over een steeds breder terrein is gaan uitstrekken, waardoor ook het domein dat wordt bestreken door het sectorale beroepsgeheim zich verder heeft verbreed. Hierdoor wordt het spanningsveld tussen het verschoningsrecht enerzijds en het belang van voortvarende opsporing en vervolging anderzijds vergroot.
In het algemeen overleg met uw Kamer op 8 april jl. over de rijksbrede aanpak van fraude heb ik toegezegd u rond het zomerreces te informeren over de uitkomsten van de gesprekken die momenteel worden gevoerd met de NOVA, de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Notarissen (KNB) en het OM.
Acht u het nodig het verschoningsrecht van advocaten die opdracht van een onderneming forensisch onderzoek naar fraude doen volledig in stand te laten of ziet u mogelijkheden dit verschoningsrecht te beperken? Zo ja, waarom en op welke wijze wilt u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat bij forensisch onderzoek naar fraude, de waarheidsvinding boven het belang van de opdrachtgever zou moeten staan? Zo ja, hoe is dat nu gegarandeerd en maakt het daarbij uit of een advocaat of een accountant dat onderzoek doet? Zo nee, waarom niet?
Ik moedig aan dat bedrijven vermoedens van strafbare feiten zelf aan justitie melden en zie dat dit in de praktijk ook gebeurt. Bedrijven geven hiermee aan dat zij tegen strafbare gedragingen optreden en dat zij schoon schip willen maken.
Los van de mogelijkheden die het OM heeft voor het doen van strafrechtelijk onderzoek, is het van belang dat een intern onderzoek gedegen en kwalitatief goed wordt uitgevoerd. Of hiervoor forensisch accountants, advocaten, of andere deskundigen worden ingeschakeld, is in de eerste plaats aan het bedrijf zelf. Het bedrijf heeft zelf ook belang bij een gedegen en volledig onderzoek.
Wanneer een accountant bij de controle van de jaarrekening een redelijk vermoeden van fraude heeft en dit heeft gemeld bij de onderneming, dient deze onderneming dit onverwijld te (laten) onderzoeken. Deze onderzoeken kunnen worden uitgevoerd door advocaten. De accountant zal zich er echter van moeten vergewissen dat dit onderzoek deugdelijk is geweest om tot de conclusie te kunnen komen dat de organisatie voldoende heeft gedaan om, voor zover mogelijk, de gevolgen van de fraude te herstellen en herhaling te voorkomen. Indien de accountant zich hiervan niet kan vergewissen, zal de accountant dit moeten melden bij een opsporingsambtenaar (zie ook beantwoording vraag8.
Uit de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) volgt bovendien dat een beoordeling of beloning van een accountant niet afhankelijk mag zijn van de uitkomst van zijn controlewerkzaamheden. Deze professionele onafhankelijkheid geldt evenzeer voor een advocaat, zie artikel 10a, eerste lid, onder a van de Advocatenwet.
Is het in het bericht gestelde waar dat het OM er belang bij heeft de zaak via een schikking af te handelen en dat het Justitie ontbreekt aan de capaciteit om alle onregelmatigheden bij bedrijven voor de rechter te brengen? Zo ja, waarom en dient het OM op deze wijze wel voldoende het maatschappelijk belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Wanneer een zaak met een hoge transactie wordt afgedaan, past dit in een interventiestrategie die gericht is op het bereiken van een optimaal maatschappelijk effect van de strafzaak. Soms wordt een gehele strafzaak buitengerechtelijk afgedaan, in andere gevallen is sprake van afdoening van een deel van de zaak terwijl verdachten met een andere rol of positie in het feitencomplex een andere strafrechtelijke reactie ontvangen. Daarbij is steeds sprake van maatwerk.
In elke strafzaak wordt zorgvuldig afgewogen wat de meest passende afdoening is. Concrete omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een buitengerechtelijke afdoening, waarvan de transactie een voorbeeld is, het meest passend is. Daarbij speelt een rol dat het OM aan een rechtspersoon eisen kan stellen waardoor fraude in de toekomst kan worden voorkomen, waaronder maatregelen ter bevordering van de compliance, verbetering van bedrijfsprocessen en integriteitsprocedures. Deze maatregelen kan het OM niet ter terechtzitting eisen. Ook capaciteitsvoordelen kunnen in de afweging een rol spelen. Met een hoge transactie is dan sprake van een snelle, daadkrachtige interventie waarmee aan de samenleving, of aan bepaalde maatschappelijke sectoren, wordt duidelijk gemaakt dat het OM optreedt tegen strafbaar gedrag. Een snelle afdoening middels een transactie betekent bovendien dat slachtoffers sneller kunnen worden gecompenseerd voor geleden schade dan bij een behandeling ter zitting meestal het geval is. Verder is een financiële sanctie bij financieel gemotiveerde fraude in de regel een gepaste straf. Dat geldt dan ook voor een buitengerechtelijke financiële afdoening. Wanneer het OM een transactie voorstelt, is het geëiste geldbedrag gelijk aan het bedrag dat het OM ter zitting zou eisen. Bovendien wordt ter compensatie van het uitblijven van een openbare zitting een persbericht uitgebracht over de zaak, de transactie en de persoon van de verdachte. Wanneer het OM van oordeel is dat een gevangenisstraf de meest passende straf zou zijn, zal geen transactie worden aangeboden.
Deelt u de mening dat een forensisch onderzoek door een advocaat onafhankelijk en betrouwbaar moet zijn? Zo ja, wie controleert dat en op welke wijze en hoe verhoudt die onafhankelijkheid en betrouwbaarheid zich tot het opdrachtgeverschap van de onderneming voor wie de advocaat dit onderzoek doet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
De rol van de ondernemingsraden bij de beslissing tot het sluiten van politieposten |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de uitspraak van een lid van de Centrale Ondernemingsraad van de politie (COR politie) dat het «te vroeg is om stenen te verkopen» naar aanleiding van het huisvestingsplan?1
Het huisvestingsplan voor de basisteams van de politie wordt in de periode 2015–2025 ten uitvoer gebracht. In zijn brieven van 15 december 2014 en 23 februari 20152 heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer gemeld dat bureaus pas gesloten worden als daar afstemming over is geweest met het lokale gezag en de medezeggenschap.
In hoeverre is een akkoord nodig van de COR politie voordat het huisvestingsplan realiteit kan worden? Is er een akkoord van de COR Politie? Zo nee, wat doet u als er geen akkoord gesloten wordt?
Het huisvestingsplan moet in eerste instantie worden beschouwd vanuit een oogpunt van veiligheid en dienstverlening aan de burger. Om die reden is er met het gezag een zorgvuldig proces doorlopen en op basis daarvan is de lijst met locaties vastgesteld. Over het huisvestingsplan (de lijst met locaties) en over dit proces is uw Kamer in de hiervoor genoemde brieven geïnformeerd. Het huisvestingsplan is een besluit dat valt onder het primaat van de politiek en daarmee onder de uitzonderingsgrond op het adviesrecht van de medezeggenschap. Wel heeft de medezeggenschap adviesrecht waar het gaat om de personele gevolgen.
De term akkoord suggereert een instemmingsrecht van de OR. Daarvan is in deze geen sprake. Wel streven de korpschef als bestuurder in de zin van de WOR en ik naar breed draagvlak bij de medezeggenschap. Derhalve is de lijst met locaties door de Korpschef voor advies aan de COR voorgelegd. De medezeggenschap zal ook betrokken worden bij de nadere besluitvorming in de uitvoering van het huisvestingsplan. De COR is op 16 december 2014 gevraagd om uiterlijk eind februari 2015 advies uit te brengen over de locatielijst. De COR heeft echter uitstel aangevraagd. Tot op heden is er nog geen advies ontvangen.
Wat is uw reactie op de volgende uitspraak: «Het wel lijkt of de politieorganisatie z’n huisvesting nu al aan het herinrichten is. Uit het land horen we geluiden dat er bewegingen gemaakt worden om agenten uit panden te halen en er panden worden afgestoten»? Gaat u op die manier niet voorbij aan de COR politie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals hiervoor uiteengezet wordt de komende tien jaar geleidelijk toegewerkt naar de nieuwe huisvestingssituatie voor de basisteams van de nationale politie. Huisvesting is echter een continu proces. Verhuisbewegingen die momenteel plaatsvinden, geschieden in het kader van reeds eerder genomen besluiten. Deze zijn destijds tot stand gekomen in overeenstemming met het lokale gezag en daar waar nodig de ondernemingsraden.
Is het wat u betreft noodzakelijk dat de COR politie akkoord gaat met het huisvestingsplan alvorens u dat plan in praktijk brengt? Zo ja, hoe kan het dat u het huisvestingsplan als definitief heeft gepresenteerd aan de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kunt u, terwijl u nog geen akkoord heeft van de COR politie, in uw brief van 23 febuari 2015 stellen dat dit huisvestingsplan concreet betekent voor de basisteams van de politie dat er ultimo 2025 een landelijk dekkend netwerk is van circa 575 politielocaties (teambureaus, 2e teambureaus, steunpunten groot en klein), en dat circa 200 van de huidige fysieke locaties niet meer nodig zijn? 2 Deelt de COR politie die visie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u per politie-eenheid aangeven of de ondernemingsraad van de desbetreffende politie-eenheid akkoord is met het huisvestingsplan? Kunt u per ondernemingsraad aangeven wat hun argumenten hierbij zijn?
De korpschef heeft advies gevraagd aan de COR. Om tot een goed advies te komen heeft de COR de ondernemingsraden van de politie-eenheden om een reactie gevraagd.
Is het wat u betreft noodzakelijk dat de ondernemingsraad van een politie-eenheid akkoord geeft voor het huisvestingsplan van die eenheid alvorens het in de praktijk wordt gebracht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat er enorme ongelijkheid is ontstaan in de studietoeslag voor arbeidsgehandicapten |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat er grote verschillen tussen gemeenten zijn ontstaan in de hoogte van de studietoeslag voor arbeidsgehandicapten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht en onderzoek van Binnenlands Bestuur waarin wordt aangegeven dat er verschillen bestaan in de hoogte van de individuele studietoeslag. In dit verband hecht ik eraan te benadrukken dat het uitdrukkelijk aan de gemeenteraden is om in een gemeentelijke verordening invulling te geven aan de individuele studietoeslag. Voor de Participatiewet is de beleidsvrijheid van gemeenten een belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is ook gehanteerd bij het amendement2 dat tot het opnemen van de individuele studietoeslag in de Participatiewet heeft geleid. Dit amendement is gesteund door vrijwel de gehele Kamer (alleen de PVV stemde tegen). Met het instrument van de individuele studietoeslag hebben de gemeenten dan ook de ruimte om – binnen het wettelijk kader – de individuele studietoeslag in te passen in het eigen re-integratie en armoedebeleid. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op de lokale omstandigheden. Hierdoor kunnen de beleidskeuzes, als gevolg van het lokale democratisch proces, inderdaad van gemeente tot gemeente verschillen. Ik acht het van belang dat via gemeentelijke politiek en jurisprudentie op deze manier invulling wordt gegeven aan het centrale begrip: eenheid in verscheidenheid.
Hoe legt u aan arbeidsgehandicapten die middels een studietoeslag kunnen en willen studeren uit dat, wanneer zij in de gemeente Nuth zouden wonen, zij aanspraak kunnen maken op 360 euro, terwijl zij, wanneer zij in Amsterdam zouden wonen, het elfvoudige, namelijk 4.118 euro zouden kunnen ontvangen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat op deze wijze arbeidsgehandicapten in Nederland gelijke kansen op het volgen van onderwijs krijgen?
Gelijke kansen op onderwijs zijn in Nederland goed geborgd, o.a. met voorzieningen als studiefinanciering en de WTOS.
De studietoeslag heeft als doel studenten en scholieren met een beperking een steuntje in de rug te geven. Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven acht ik het van belang dat de gemeenten- binnen de gestelde wettelijke kaders – in een gemeentelijk verordening zelf invulling geven aan de individuele studietoeslag. Daarmee hebben de gemeenten de mogelijkheid het beleid in het kader van de individuele studietoeslag af te stemmen op de lokale omstandigheden. Het centraal voorschrijven past hier niet bij.
Wat vindt u van het idee om arbeidsgehandicapten een individueel studierecht te geven op basis waarvan zij een afdwingbaar recht krijgen op een vast bedrag om te kunnen studeren? Zou een dergelijke regeling de rechtsongelijkheid die is ontstaan kunnen wegnemen en arbeidsgehandicapten gelijke kansen op het volgen van onderwijs in Nederland kunnen bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de grote verschillen in de hoogte van de studietoeslag, te bespreken met gemeenten? Wilt u de Kamer informeren over de uitkomst van deze gesprekken?
Overeenkomstig de wet kunnen de beleidskeuzes ten aanzien van de individuele studietoeslag als gevolg van het lokale democratisch proces van gemeente tot gemeente verschillen. In deze beleidskeuzes treed ik niet.
Het bericht dat een man die is veroordeeld voor het doodrijden van een meisje een opgelegd rijverbod negeert naar aanleiding van het bericht “Pak auto zware drinker af” |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «pak auto zware drinker af»?1
Ja.
Klopt het dat de in het artikel genoemde drankrijder al meerdere malen is opgepakt voor rijden onder invloed? Zo ja, hoe is het dan mogelijk dat dit soort notoire drankrijders steeds weer de weg op kunnen gaan?
De in het artikel aangeduide persoon is in het verleden meerdere malen veroordeeld voor rijden onder invloed (artikel 8 Wegenverkeerwet 1994). Op het moment van het ongeval liep er een proeftijd wegens een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd in 2012.
Er wordt door de politie actie ondernomen om de pakkans zo hoog mogelijk te laten zijn. Zo wordt er bij de politie tijdens de briefing gewezen op personen waarvan bekend is dat zij een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs hebben, zodat er door meer mensen naar deze personen wordt uitgekeken. Ook kan de politie bij een staandehouding de Basisvoorziening Informatie-Integrale Bevraging (BVI-IB) raadplegen om in het rijbewijsregister van de RDW te kijken of iemand een rijbewijs heeft. Als er sprake is van een inneming, een rijontzegging of een ongeldig verklaard rijbewijs dan is dat in het register zichtbaar.
Is het rijbewijs van deze drankrijder ongeldig verklaard? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan het dan dat er niet eerder is ingegrepen? Zijn de handhavingsinstrumenten voor dit soort notoire drankrijders voldoende?
De verdachte van het verkeersongeval in Lutten bevindt zich in voorlopige hechtenis en zijn auto is in beslag genomen. Ook heeft de politie het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en vervolgens heeft het OM het rijbewijs ingehouden.
Het rijbewijs wordt in elk geval strafrechtelijk ingehouden totdat een rechter zich over de zaak heeft uitgesproken.
Hoe vaak is er vanaf 2010 een rijbewijs ingevorderd bij alcoholovertreders en hoe vaak is vervolgens het rijbewijs ongeldig verklaard? Hoe vaak heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) vanaf 2010 een psychologisch onderzoek uitgevoerd bij alcoholovertreders?
In verband met de strafrechtelijke aanpak van rijden onder invloed, kan de politie een rijbewijs invorderen en aan de officier van justitie zenden. Die bepaalt of het rijbewijs wordt ingehouden of teruggegeven. Het OM heeft mij bericht dat in de periode 2010 tot en met 2014, 36.245 keer een rijbewijs is ingehouden.
Het CBR kan in verband met de bestuursrechtelijke aanpak van rijden onder invloed een zogeheten «onderzoek alcohol» uit voeren, dat bestaat uit lichamelijk onderzoek, psychiatrisch onderzoek en bloedonderzoek. De uitslag van de drie onderzoeken tezamen geeft aan of er sprake is van afhankelijkheid dan wel misbruik van alcohol. In het bevestigende geval wordt de betrokkene ongeschikt verklaard en wordt het rijbewijs ongeldig verklaard. Het rijbewijs wordt ook ongeldig verklaard als iemand niet aan het onderzoek alcohol meewerkt (niet betalen of niet verschijnen). Vanaf 2011 wordt vastgelegd of het rijbewijs ongeldig is verklaard vanwege alcoholafhankelijkheid. Vanaf 2011 tot en met 2014 is 13.019 keer een onderzoek alcohol opgelegd. Naar aanleiding hiervan zijn 11.524 rijbewijzen ongeldig verklaard.
Welke andere maatregelen zijn er opgelegd door de rechter dan wel het CBR naar aanleiding van de in de krant genoemde kwestie? Hoe kan het dat dit soort notoire drankrijders in het kader van de zogenoemde recidiveregeling alcohol, steeds weer opnieuw betrapt worden op het rijden onder invloed? Kan er niet sneller en beter worden ingegrepen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn teneinde notoire alcoholgebruikers in het verkeer aan te kunnen pakken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden verkend? Bent u bereid strengere straffen in te voeren door de strafmaat en/of de recidiveregeling aan te passen?
Binnen het bestuurs- en het strafrecht bestaan diverse instrumenten om mensen die rijden onder invloed preventief en repressief aan te pakken. Het CBR kan een educatieve maatregel alcohol opleggen en een onderzoek naar de rijgeschiktheid uitvoeren. Als gevolg van de uitspraak d.d. 4 maart 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan het CBR geen alcoholslotprogramma’s meer opleggen. Bij brief van 1 april 2015 hebben de Minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) en ik toegezegd dat uw Kamer voor de zomer zal worden geïnformeerd over de vormgeving van een nieuwe regeling voor het ASP.
In het kader van de repressieve aanpak van rijden onder invloed kan er een geldboete van maximaal € 7.800,– en een gevangenisstraf van maximaal 3 maanden worden opgelegd. Ook kan de rijbevoegdheid voor maximaal 5 jaar worden ontzegd. Bovendien wordt op basis van de recidiveregeling voor alcoholovertreders na twee veroordelingen voor rijden onder invloed het rijbewijs van rechtswege ongeldig. Bij de tweede overtreding moet het promillage dan wel meer dan 1,3 zijn. Op verzoek van uw Kamer wordt de recidiveregeling op dit moment geëvalueerd. Ik heb toegezegd om deze evaluatie voor het zomerreces met een beleidsreactie aan uw Kamer toe te zullen zenden. In dat kader zal ik ook ingaan op het zonodig aanpassen van de recidiveregeling.
Er is dus reeds sprake van een pakket van maatregelen ter preventie, ter bescherming van andere weggebruikers, maar ook ter bestraffing van rijden onder invloed.
In Denemarken wordt sinds enige tijd bij alcohol in het verkeer de auto in beslag genomen en verkocht door de staat, heeft u inzicht in de effectiviteit van deze maatregel en bent u bereid deze maatregel ook voor Nederland te verkennen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u voorts de mening dat er bij de aanpak van notoire drankrijders sprake moet zijn van een pakket van maatregelen ter preventie, ter bescherming van andere weggebruikers, maar ook ter bestraffing? O ja, op welke wijze wordt hier invulling aan gegeven? Zo nee, wat voor acties worden er dan wel ondernomen teneinde deze recidivisten aan te pakken?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe vaak is er tot nu toe gebruik gemaakt van de recidiveregeling voor alcoholovertreders? Kan er een overzicht gegeven worden vanaf 1 juni 2011?
Het antwoord op deze vraag zal ik geven in het kader van de aan uw Kamer toegezegde evaluatie van de werking van de recidiveregeling voor alcoholovertreders.
Is er inzicht in de gepercipieerde pakkans bij alcohol in het verkeer? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen mede in het licht van de wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs en de zogenoemde nullimiet voor gecombineerd gebruik van verschillende drugs en van drugs en alcohol?
Nee, er is geen inzicht in de gepercipieerde pakkans bij alcohol in het verkeer. Bij de verkeershandhaving wordt, zoals mijn ambtsvoorganger op 18 augustus 2014 in antwoord op vragen van de leden Visser en Dijkhoff (VVD)2 aan uw Kamer heeft gemeld, de gepercipieerde pakkans bepaald door de verschillende handhavingsmiddelen die de politie inzet. Staandehoudingen zijn van belang, alsmede de elektronische handhavingsmiddelen: flitspalen, trajectcontroles, mobiele radarsets etc. De politie streeft ernaar de feitelijke pakkans op de zogenoemde HELMgrasfeiten (helm, gordel, rood licht, alcohol, snelheid) zo hoog mogelijk te laten zijn, onder meer door informatiegestuurde inzet op onveilige wegvakken. Dit houdt in dat de politie handhaaft op die plaatsen en tijdstippen waar het effect van het optreden optimaal is. Tevens wil de politie door zichtbare staandehoudingen en het voeren van mediabeleid (bijvoorbeeld medewerking aan het tv-programma «Wegmisbruikers») actief bijdragen aan (en beïnvloeden van) de pakkans bij de overige weggebruikers. Op deze manier wordt de gepercipieerde pakkans met de hiertoe beschikbare middelen zo hoog mogelijk gehouden.
De dreigende toelating van Amerikaanse chloorkippen tot de Europese markt |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie mogelijk nog voor het einde van 2015 een importverbod opheft voor kippen die geschoond zijn met het chemische peroxyazijnzuur?1
Nee, dit kan ik niet bevestigen. Kippen die geschoond zijn met per(oxy)azijnzuur2 worden niet toegelaten tot de EU, omdat het in de EU niet is toegestaan perazijnzuur te gebruiken als decontaminatiemiddel voor pluimveekarkassen. Hetzelfde geldt voor kippenvlees dat met chloor is behandeld.
Kunt u bevestigen dat dit de import van chloorkippen mogelijk zal maken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt zich dit tot uw veelvuldig herhaalde stelling dat de Europese normen voor voedselveiligheid niet verlaagd zullen worden, en dat er dus geen chloorkippen of hormoonvlees op de Europese markt toegelaten zullen worden?2
Zoals is aangegeven in de beantwoording van vragen 1 en 2, wordt vlees van kippen die zijn geschoond met chloor niet op de Europese markt toegelaten. De EU heeft de import van vlees van met hormonen behandelde runderen verboden met een beroep op het voorzorgsprincipe. Zoals ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 6 maart jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465) heb aangegeven, zien de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik er op toe dat de EU in de TTIP-onderhandelingen onverkort vasthoudt aan het voorzorgsprincipe uit het EU-verdrag. Dit stelt autoriteiten in staat snel te reageren als dat nodig is om de gezondheid van mensen, dieren of planten, of het milieu te beschermen. De EU kan het voorzorgsprincipe hanteren ook wanneer na wetenschappelijke analyse een bepaald risico onvoldoende kan worden ingeschat.
Deelt u de mening dat het voornemen van de EU om het importverbod op chloorkippen op te heffen alles te maken heeft met de onderhandelingen over een vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS, het zogenaamde TTIP? Zo nee, op basis van welke informatie kunt u dat uitsluiten?
De VS heeft de EU formeel gevraagd om de toelating van perazijnzuur voor toepassing op pluimveekarkassen in de EU. Aanvragen voor de toelating van decontaminatiemiddelen op dierlijke producten moeten conform de geldende EU-procedures worden beoordeeld en afgehandeld. Aan de toelating van perazijnzuur gaat een risicobeoordeling door de European Food Safety Authority (EFSA) vooraf. Ook zal de Europese Commissie een formeel voorstel aan de lidstaten moeten voorleggen. Pas als een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten dat voorstel steunt, is de toelating een feit.
Bent u bereid om de Europese Commissie op te roepen onverkort vast te houden aan het importverbod op chloorkippen, en de Kamer te laten weten hoe op deze oproep gereageerd is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kent u het rapport van een parlementaire commissie in het Verenigd Koninkrijk waarin wordt geconcludeerd dat TTIP Europese milieu en gezondheidsstandaarden onder druk zet, en dat de ambitie van TTIP om in de toekomst bij het zetten van standaarden samen te werken, wel degelijk zal leiden tot lagere normen?3 Hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan?
Ja, ik ben bekend met het rapport.
Het standpunt van de Europese Commissie is om vast te houden aan de Europese milieu en gezondheidsstandaarden, waaronder die voor voedselveiligheid. Dit is opgenomen in het onderhandelingsmandaat dat door de lidstaten aan de Europese Commissie verleend is.
Ik zie er samen met de Staatssecretaris voor Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op toe dat de Europese Commissie hieraan onverkort vasthoudt in de onderhandelingen.
Deelt u de mening dat het voornemen om nu toch opeens Amerikaanse chloorkippen toe te laten op de Europese markt niet het eerste voorbeeld is van hoe de onderhandelingen over TTIP nu al een zichtbaar en negatief effect hebben op de Europese normen, maar dat dit ook geldt voor onderwerpen zoals het toelaten van producten van (nakomelingen van) gekloonde dieren – waar de Europese Commissie opeens terugkwam op haar voornemen om deze producten van de Europese markt te weren –, en het uitfaseren van hormoonverstorende stoffen – waar de Europese Commissie haar afspraak om in 2013 met criteria te komen om deze stoffen uit te faseren niet is nagekomen en nu niet eens meer van plan lijkt om tot uitfasering over te gaan? Zo nee, waarop baseert u uw oordeel dat het intrekken van voorstellen om de volksgezondheid en het dierenwelzijn te beschermen niet onder druk van aanstaande vrijhandelsakkoorden is gebeurd?
Amerikaanse chloorkippen zijn niet toegelaten tot de Europese markt. Er is dan ook geen sprake van dat onder druk van de onderhandelingen over TTIP de Europese Commissie de volksgezondheid en dierenwelzijn zou schaden. Wat hormoonverstorende stoffen betreft is besloten om een impact assessment uit te voeren. Ook moet er volgens de Europese Commissie een definitie worden opgesteld om eenduidig te kunnen vaststellen wanneer een stof een hormoonverstorend effect heeft. Zodra er een definitie is vastgesteld, kan vervolgens de discussie gevoerd worden over het nemen van adequate maatregelen gericht op het beheersen van risico’s.
De EFSA heeft in haar analyse over nakomelingen van klonen en daarvan afkomstige voedingsmiddelen geconstateerd dat er geen volksgezondheids- en dierenwelzijnsproblemen zijn die afwijken van regulier geproduceerde dieren en voedingsmiddelen. De Europese Commissie heeft zich in haar voorstellen5 van 18 december 2013 daarop gebaseerd en geen verbod op nakomelingen van klonen en daarvan afkomstige voedingsmiddelen voorgesteld.
Kunt u uitsluiten dat ook het verbod op hormoonvlees toch opeens zal worden ingetrokken onder druk van de onderhandelingen over TTIP? Hoe wilt u garanderen dat daar onverkort aan vastgehouden wordt?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Alle werklozen naar de sociale werkplaats’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de Nieuwsuur-uitzending «Alle werklozen naar de sociale werkplaats»?1
Uit informatie van de gemeente Apeldoorn blijkt dat het hier gaat om de aanpak Direct Actief. Deze aanpak is er op gericht mensen met een bijstandsuitkering arbeidsfit te houden of weer fit te maken voor de arbeidsmarkt. Er is sprake van een gecombineerde inzet van het uitvoeren van eenvoudige werkzaamheden, training, coaching en begeleiding in het vinden van betaald werk.
Hierbij wordt samengewerkt met het sw-bedrijf Felua-groep.
Het betreft een decentrale verantwoordelijkheid waarbij de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders besluitvormend zijn. Zij dienen daarbij de relevante afwegingen te maken en zorgvuldig om te gaan met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de Participatiewet. Wel ben ik van mening dat sw-bedrijven op basis van hun kennis, ervaring en netwerk een belangrijke rol kunnen vervullen bij het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking of met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Wat vindt u van de aanpak van de gemeente Apeldoorn die mensen met een bijstandsuitkering verplicht om simpel productiewerk te verrichten? Bent u het met de gemeente Apeldoorn eens dat mensen hiermee worden geholpen en waaruit blijkt dit volgens u?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het terecht dat mensen die in hetzelfde bedrijf, hetzelfde werk verrichten, ongelijk worden beloond? Zo ja, waarom?
Ik deel uw mening dat regulier productiewerk normaal betaald moeten worden. Naar ik begrijp van de gemeente, verrichten de mensen die het hier betreft werkzaamheden in het kader van een reïntegratietraject. Hun positie is daarmee een wezenlijk andere. De gemeenten maakt hierbij gebruik van de bestaande infrastructuur van het bedrijf dat ook de sociale werkvoorziening uitvoert. Dat is een organisatiewijze die vaker in het land wordt toegepast, waarbij de kennis en werkgeverscontacten van het bedrijf breder worden benut dan voor alleen het uitvoeren van de sociale werkvoorziening. Voor zover ik het kan beoordelen is hier geen sprake van verdringing. Het is in de eerste plaats de taak van de gemeente (college van burgemeester en wethouders, gemeenteraad) om hier toezicht op te houden.
Bent u van mening dat productiewerk gewoon betaalde arbeid zou moeten zijn? Zo ja, is er wanneer men bijstandsgerechtigden productiewerk zonder loon laat verrichten, sprake is van verdringing? Zo ja, wat gaat u doen om verdringing te voorkomen? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt de aanpak in Apeldoorn, waarbij de individuele begeleiding voor werkzoekenden is weg bezuinigd, zich tot het afschaffen van collectieve regelingen in de Wet werk en bijstand (Wwb) en het idee dat gemeenten alleen voorzieningen mogen verstrekken op basis van individuele omstandigheden?
Uit informatie van gemeente Apeldoorn blijkt dat de Direct Actief aanpak één van de verschillende methoden is om mensen met een bijstandsuitkering toe te leiden naar de reguliere arbeidsmarkt. Bij elke klant wordt rekening gehouden met de individuele mogelijkheden en omstandigheden.
Vindt u het laten verrichten van «simpel productiewerk» door mensen met een bijstandsuitkering een goed voorbeeld van «zo efficiënt mogelijk omgaan met de beperkte financiële middelen»? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Welke gevolgen heeft het tewerkstellen van mensen met een bijstandsuitkering voor het werk van de mensen in de sociale werkplaats?3
Uit informatie van Cedris blijkt dat een groot aantal sw-bedrijven één of meer taken krijgt bij de uitvoering van de Participatiewet. Gemeenten gaan zelf over de wijze waarop dit wordt uitgevoerd. Het is aan de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders om hier zorgvuldig mee om te gaan en er toezicht op te houden.
Welke financieringsstromen en bedragen zijn er vanuit de gemeenten die samenwerken in het Werkplein Activerium, naar commerciële bedrijven, het SW bedrijf en de bijstandsgerechtigden te onderscheiden?
Het Werkplein Activerium is een samenwerkingsverband van UWV en de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst. Aangezien het hier om gedecentraliseerd beleid en/of private partijen gaat, beschik ik niet over de gevraagde financiële en/of commerciële informatie.
Uitspraken van de President van DNB over het lage btw-tarief |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het jaarverslag 2014 van De Nederlandsche Bank (DNB)1 en de persconferentie over het jaarverslag?2
Ja.
Deelt u de mening dat DNB zich met de politieke discussie bemoeit door te schrijven dat «ter dekking van lagere belasting op arbeid kan worden gedacht aan een verhoging van de opbrengsten uit de omzetbelasting»? Zo ja, behoort het tot het takenpakket van DNB om zich politiek uit te laten over de herziening van het belastingstelsel? Zo niet, welke wetenschappelijke onderbouwing heeft DNB gebruikt of welk onderzoek heeft DNB gedaan en waarom wordt in het jaarverslag daar niet naar verwezen?
De Nederlandsche Bank (DNB) geeft economisch advies aan de regering en heeft daarnaast een belangrijke rol in verschillende overlegorganen. Door het geven van onafhankelijk economisch advies draagt DNB bij aan goede nationale en internationale besluitvorming over het economische beleid. Dit doet DNB op grond van haar kennis, reputatie en onafhankelijke positie. De DNB zal om die reden haar eigen uitspraken verantwoorden. Het is geen taak van de regering om namens DNB te spreken over adviezen.
Is het u bekend dat onderzoeksinstituut NYFER heeft berekend3 dat de verhoging of afschaffing van het lage btw-tarief 55.000 banen kan kosten in de gastvrijheidssector en de toeleverende sectoren? Bent u bekend met het gegeven dat zelfs een verhoging van het lage btw-tarief met «maar» 2% zo’n 7.500 banen kost? Wat is uw opvatting hierover?
Met de brief «keuzes voor een beter belastingstelsel» heeft het kabinet afgelopen Prinsjesdag keuzes voor een stelselherziening gepresenteerd. De doelen van het kabinet daarbij zijn (a) meer werkgelegenheid en economische groei en (b) vereenvoudiging. De btw maakt onderdeel uit van de «keuzes» van het kabinet. Vervolgens heeft het kabinet een proces gestart waarin het peilen van maatschappelijk en politiek draagvlak voor een nieuw belastingstelsel voorop staat. Er wordt met alle geïnteresseerde fracties gesproken over hun wensen bij een stelselherziening en gevraagd naar hun mening over de keuzes van het kabinet. Tegelijkertijd worden de verschillende aandachtsgebieden bij de stelselherziening van het kabinet op dit moment verder uitgewerkt. Zoals eerder aangegeven zal het kabinet in aanloop naar de begroting voor 2016 met voorstellen komen. De effecten op onder meer de werkgelegenheid en de inkomensverdeling zullen daarbij in kaart worden gebracht.
Kent DNB ook dit onderzoek van NYFER? Zo ja, hoe kan volgens DNB dan een verlies van 55.000 banen bijdragen aan «zowel fiscale soliditeit als groei»? Zo niet, waarom schrijft DNB dan dit soort dingen op zonder zich eerst in het onderwerp te verdiepen?
Zie antwoord vraag 3.
Maakt een verschuiving van de belasting op arbeid naar belasting op consumptie het belastingstelsel als geheel volgens u progressiever of juist minder progressief? Kunt u uw antwoord toelichten en onderbouwen?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet meer mogen afschrijven van productie- en ammoniakrechten |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «Landelijke Landbouwnormen 2014»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de Belastingdienst heeft besloten zonder instemming van de partijen die meewerken aan de Landelijke Landbouwnormen om het afschrijven van productierechten en ammoniakrechten voor het boekjaar 2014/2015 niet langer mogelijk te maken?
De Landelijke Landbouwnormen bevat normen voor de vaststelling van de winst in verband met agrarische activiteiten (waarderings-, afschrijvingsregels etc.). Deze vaststelling gebeurt na en in overleg met het agrarisch bedrijfsleven.2 De Belastingdienst stelt al ruim 20 jaar de Landelijke Landbouwnormen vast en publiceert deze. Het kan voorkomen dat de Belastingdienst en het agrarisch bedrijfsleven op punten van mening verschillen. In dat geval kan in de aangifte afgeweken worden van de Landelijke Landbouwnormen, mits dit door de ondernemer expliciet wordt aangegeven en gemotiveerd wordt. Bij een blijvend geschil met de inspecteur kan de belanghebbende gebruik maken van bezwaar en beroep.
Kunt u toelichten wat het betekent (onder andere financieel) voor agrarische ondernemers om af te wijken van deze gewijzigde norm zoals aangegeven in hoofdstuk 18.3 en 18.4 van de «Landelijke Landbouwnormen 2014»?
Als agrarische ondernemers afwijken van de Landelijke Landbouwnormen 2014, dient dit in de aangifte te worden aangegeven en is dit verder ter beoordeling aan de inspecteur. Daarbij is het door de Belastingdienst gevoerde beleid het uitgangspunt. Tegen de aanslag staat bezwaar en beroep open. Ik verwijs tevens naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u toelichten welke bedragen voor agrarische ondernemers er gemoeid zijn met deze afschrijvingsposten?
Bij afwijking van de Landelijke Landbouwnormen kunnen de financiële gevolgen per agrarische ondernemer verschillen. Dit is onder meer afhankelijk van het bedrag dat is gemoeid met de aankoop van deze rechten, het tijdstip van investeren en de boekwaarde per 31 december 2013.
Ter indicatie kan wel een duiding gegeven worden van het totale bedrag voor de gehele varkens- en pluimveehouderijsector. In 2013 werd voor een bedrag van circa € 70 miljoen aan varkens- en pluimveerechten verhandeld. Bij een afschrijvingstermijn van 5 jaar betekent dit een jaarlijks bedrag van circa € 14 miljoen, aangenomen dat de jaarlijkse handel gelijk is aan de handel die in 2013 heeft plaatsgevonden. De financiële gevolgen van de afschrijvingsbeperking voor de sector is een fractie van dat bedrag, omdat de afschrijvingsbeperking slechts leidt tot een rentenadeel voor belastingplichtigen.
Om welke redenen heeft u besloten om niet langer toe te staan dat deze bedragen kunnen worden afgeschreven?
Het is bestaand beleid van de Belastingdienst dat op rechten waarvoor geen wettelijke einddatum geldt, afschrijven niet mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is dat het dan om een niet slijtend bedrijfsmiddel gaat. Uit een nadere analyse van het Ministerie van Economische Zaken volgt dat in het geval van de productierechten het echter zo goed als zeker is dat deze rechten zullen worden afgeschaft en dus een beperkte levensduur hebben. Daarom is besloten om de afschrijving op productierechten, waarvan de tijdelijkheid aantoonbaar is, alsnog toe te staan.
Omdat een wettelijke einddatum voor de productierechten ontbreekt en er ook geen KB met een einddatum is uitgevaardigd, moet de einddatum bij benadering worden ingeschat om de afschrijvingsduur – zo goed mogelijk – te kunnen bepalen. Er wordt in dit verband aangesloten bij de te verwachten einddatum zoals deze door het Ministerie van Economische Zaken is ingeschat. Volgens dat ministerie blijven de productierechten tot 31 december 2017 bestaan. Voor de volledigheid merk ik op dat, gelet op artikel 3:30, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, de afschrijving is gemaximeerd op 20% per jaar. De resterende boekwaarde mag in het laatste jaar geheel ten laste van de winst gebracht worden.
Op 14 april 2015 is een brief naar de Eerste en Tweede Kamer gezonden waarin is aangegeven dat de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) op 1 juli 2015 in werking zal treden.3 Op dat moment vervallen de ammoniakrechten. Dit is aanleiding om terug te komen op het beleid om afschrijving op ammoniakrechten niet toe te staan. Aan dit beleid lag onder andere ten grondslag dat de regeling van de ammoniakrechten geen einddatum kent. Daarom is het toegestaan om in 2015 de resterende boekwaarden van de ammoniakrechten in het geheel ten laste van het ondernemingsresultaat te brengen. Gelet op het voorgaande en het gegeven dat er in 2014 al aanwijzingen waren dat de ammoniakrechten binnen afzienbare termijn zouden komen te vervallen, ontmoet het geen bezwaar als voor het jaar 2014 een afschrijving in aanmerking wordt genomen. Ook hier geldt dat de afschrijving is gemaximeerd op 20% per jaar en dat de resterende boekwaarde in het laatste jaar geheel ten laste van de winst gebracht mag worden.
De Landelijke Landbouwnormen 2014 zullen op het punt van de productierechten en ammoniakrechten aangepast worden. Het erratum zal op korte termijn worden gepubliceerd op www.belastingdienst.nl/landbouw.
Klopt het dat juist met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) ammoniakrechten niet langer nodig zijn, en dat er dus wel een einddatum is? Kunt u aangeven wanneer de PAS in werking treedt?
Bij de inwerkingtreding van de PAS hebben ammoniakrechten geen functie meer voor het verkrijgen van een nieuwe vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet (NB-wet) voor het onderdeel stikstofbelasting (art 19km NB-wet, derde lid). Ammoniakrechten die betrokken zijn bij vergunningaanvragen die vóór de inwerkingtreding van de PAS zijn ingediend en die ontvankelijk zijn verklaard voor verder afhandeling door bevoegd gezag, kunnen nog wel benut worden, ook al loopt de behandelingstermijn door na de datum van inwerkingtreding van de PAS.
De datum van inwerkingtreding van de PAS is vastgesteld op 1 juli 2015.
Klopt het dat in 2017 het in stand houden van productierechten wordt geëvalueerd en dat het huidige systeem van dierrechten zoals het er naar uit ziet in 2018 kan worden afgeschaft?
In het kader van de derogatie is aan de Europese Commissie de toezegging gedaan dat het stelsel van productierechten voor varkens en pluimvee voor de looptijd van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014–2017) gehandhaafd blijft. Dit betekent dat het stelsel van productierechten op zijn vroegst per 1 januari 2018 kan komen te vervallen. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft eerder toegezegd het besluit over de toekomst van het stelsel van productierechten voor varkens en pluimvee mede te zullen baseren op de uitkomst van de evaluatie van de Meststoffenwet. Deze evaluatie is voorzien voor 2016. Belangrijke voorwaarde voor het laten vervallen van het stelsel van productierechten is dat voldoende mestverwerkingscapaciteit is gerealiseerd om het landelijk mestoverschot buiten de Nederlandse landbouw af te zetten.
Kunt u toelichten hoe de reden zoals opgenomen in de toelichting van hoofdstuk 18.3 en 18.4 van de «Landelijke Landbouwnormen 2014», namelijk dat het niet langer opnemen van een einddatum voor deze rechten reden is om deze niet aftrekbaar te maken, zich verhoudt met het feit deze rechten zoals het er naar uitziet wel eindig zijn?
Nu de rechten aantoonbaar tijdelijk van aard zijn is besloten om afschrijven hierop alsnog mogelijk te maken. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 5. Er is daardoor geen sprake van een effect op de kostprijs voor varkens- en pluimveehouders. Omdat de ammoniakrechten vervallen in 2015, kunnen deze rechten in 2015 volledig afgeschreven worden.
Kunt u toelichten waarom investeringen in productierechten en ammoniakrechten niet langer afgetrokken mogen worden, terwijl deze rechten onderdeel zijn van een investering?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven welk effect deze beleidsverandering heeft voor de kostprijs voor varkens- en pluimveehouders?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat door het niet afschaffen van de productierechten in januari 2015, zoals voorzien was, en het niet langer opnemen van een einddatum voor productierechten in de wijziging van de meststoffenwet pluimvee- en varkenshouders dubbel gepakt worden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om opnieuw in overleg te treden met de partijen die meewerken aan het opstellen van de landbouwnormen?
De Landelijke Landbouwnormen 2014 zullen op korte termijn op het punt van de productierechten en ammoniakrechten worden aangepast.
De nauwe banden op Curaçao tussen het bestuur en de (illegale) gokindustrie |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom meent u dat de mogelijke invloed van de (illegale) gokindustrie op het bestuur een «autonome aangelegenheid» is van het land Curaçao?1 Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor de Rijksministerraad om goed bestuur te verzekeren op Curaçao? Op welke wijze hebt u in dit verband de regering van Curaçao aangesproken op haar verantwoordelijkheid voor goed bestuur?
Welke (strafrechtelijke) onderzoeken lopen op dit moment naar of zijn in het verleden gedaan naar Francesco Corallo, Rodolfo «Rudy» Pizziolo, Jacobo «Cocochi» Prins, Robbie dos Santos en George Jamaloodin?2
Hoeveel en welke bedrijven en organisaties voor Sports Betting zijn vanuit Curaçao actief vanuit de speciale economische freezones («e-zones») op het eiland? Welke bedragen gaan er in deze bedrijven om, welke winsten worden hier gemaakt, onder wiens toezicht en verantwoordelijkheid vallen deze bedrijven en organisaties en welke belastingen worden over de omzetten en winsten geheven?
Welke politici (ministers en volksvertegenwoordigers) die sinds 10 oktober 2010 zitting hebben of hebben gehad in de regering of in het parlement van Curaçao hebben gewerkt voor of hebben betaalde opdrachten uitgevoerd voor één van de bedrijven op het eiland die actief zijn in de casino- en/of loterijwereld, of hebben een positie gehad in het toezicht op de casino’s en loterijen (zoals in de Gaming Control Board en de Fundashon Wega Number Korsou)?
Welke politici en politieke partijen op Curaçao hebben de afgelopen vijf jaar geld ontvangen van bedrijven of ondernemers in de (illegale) gokindustrie (de casino’s en loterijen), welke bedragen zijn hiermee gemoeid en hoe is het toezicht op de besteding van deze bedragen verlopen?
Klopt het dat de politieke partij MFK van Gerrit Schotte een eigen loterij voert als partijfinanciering en/of fundraising? Welke bedragen gaan hierin om, welke belastingen worden hierover geheven en welke regels voor partijfinanciering zijn hiervoor van toepassing?
Welke directe of indirecte geldelijke belangen heeft de huidige Minister van Economische Zaken van Curaçao in de verschillende (illegale) loterijen, waaronder ook de sms- loterijen en de online casino’s die opereren vanuit de zogenoemde «e-zones»?
Klopt het dat de regering van Curaçao voornemens is de illegale sms-loterijen van UTS en Robbie’s Lottery te legaliseren? Wat is daarover uw oordeel?
Wat zijn de huidige omzetten en opbrengsten uit de illegale sms-loterijen voor overheidsbedrijf UTS en/of aanverwante bedrijven?
Welke zijn de relaties tussen de (sms)loterijen op Curaçao en het accountancybureau KPMG, bijvoorbeeld via het overheidstelecombedrijf UTS en/of aanverwante bedrijven? Welke activiteiten voert KPMG uit voor UTS en de verschillende (illegale) loterijen en hoe vindt toezicht plaats op deze activiteiten? Waarom worden de audits, jaarverslagen en rekeningen binnen dit overheidsbedrijf geheim gehouden?
Hoe verklaart u de opvallende jaarlijkse omzetten van bijna een miljard gulden in de Curaçaose casino’s en loterijen?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg voorzien op 31 maart a.s. over de staat van het bestuur op Aruba, Curaçao en Sint Maarten?
Ja