Het artikel ‘Einde dreigt voor winkelcentrum bij school’ |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Einde dreigt voor winkelcentrum bij school»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de boetes van de Voedsel- en Warenautoriteit en het feit dat geen tabaksartikelen meer verkocht mogen worden in dit winkelcentrum met detailhandel vergunning?
Artikel 7, tweede lid, van de Tabakswet bevat een verbodsbepaling om in inrichtingen voor onderwijs tabak aan particulieren te verstrekken dan wel aanwezig te hebben. In het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten is bepaald dat een onderwijsinstelling in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs een «inrichting voor onderwijs» is. De Rooi Pannen is een dergelijke inrichting en mag om die reden geen tabak aan particulieren verstrekken dan wel aanwezig hebben.
Het winkelcentrum wordt aangemerkt als een onderdeel van De Rooi Pannen. Hierdoor mag ook in het winkelcentrum geen tabaksverkoop plaatsvinden. Het winkelcentrum wordt aangemerkt als een onderdeel van de onderwijsinstelling omdat geoordeeld is dat sprake is van verwevenheid tussen het winkelcentrum en de onderwijsinstelling. Gebleken is dat het winkelcentrum primair een onderwijsdoelstelling heeft. Dit blijkt onder meer uit de aan het pand toegevoegde detailhandelsbestemming. Deze bestemming is door de gemeente toegekend met als doel om studenten van De Rooi Pannen bij de in het onderwijswinkelcentrum gevestigde winkels stage te kunnen laten lopen en is in zoverre beperkt dat de in het winkelcentrum gevestigde detailhandel samen dient te vallen met de opleidingen van De Rooi Pannen. Ik onderschrijf handhaving op grond van de Tabakswet, ook handhaving bij onderwijsinstellingen waarbij de situatie niet in overeenstemming met de Tabakswet is.
Overigens staat de huidige Tabakswet het onderwijsconcept (waar de praktijk wordt geleerd door studenten) van De Rooi Pannen niet in de weg. Alleen de verkoop van tabak is verboden in een winkelcentrum dat onderdeel uitmaakt van een onderwijsinstelling. Studenten worden niet beperkt in het opdoen van detailhandelervaring in het winkelcentrum.
Deelt u de opvatting van De Rooi Pannen en van de betrokken winkels dat het juist van het grootste belang is dat detailhandel studenten over de juiste kennis over de vigerende wet- en regelgeving rondom tabak leren en in de praktijk, in een echte winkel, onder strikt toezicht leren toepassen?
Ik deel de opvatting van De Rooi Pannen en van de betrokken winkels dat het belangrijk is dat detailhandel studenten over de juiste kennis over de vigerende wet- en regelgeving rondom tabak beschikken. Dat kan echter ook op andere wijze. Ik prijs het initiatief van deze onderwijsinstelling voor vmbo en mbo om detailhandel studenten verkoopervaring te laten opdoen in een echte winkel onder strikt toezicht, zolang er geen tabaksproducten worden verkocht.
Deelt u de opvatting dat de huidige tabakswet niet voorziet in een situatie zoals die van het winkelcentrum bij De Rooi Pannen, omdat hier weliswaar de praktijk geleerd wordt door scholieren en studenten, maar het wel een echt winkelcentrum betreft waarbij ook het bestemmingsplan ruimte biedt voor detailhandel?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u mogelijkheden om de wet- en regelgeving zodanig aan te passen dat studenten op De Rooi Pannen ook in de toekomst hun praktijkervaring kunnen opdoen in dit nabij gelegen winkelcentrum?
Ik zie geen noodzaak om de wet- en regelgeving zodanig aan te passen dat studenten op De Rooi Pannen in het kader van hun opleiding tabak kunnen verkopen in dit winkelcentrum dat onderdeel uitmaakt van de onderwijsinstelling. Roken is een verslaving die zeer schadelijk is voor de gezondheid. Mijn beleid is er opgericht te voorkomen dat jongeren beginnen met roken. Instellingen vervullen een belangrijke voorbeeldfunctie waar het erom gaat een gezonde norm te stellen voor leerlingen en studenten en hen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van (mee)roken. Daarom zet ik samen met de Onderwijsraden en het Longfonds in op het realiseren van 100% rookvrije schoolterreinen, ook in het MBO. Het is mijn overtuiging dat praktijkervaring door studenten van De Rooi Pannen ook kan worden opgedaan zonder dat tabaksproducten worden verkocht.
Het bericht ''Anita wordt opgenomen' kwam tot stand na dreigementen Cliëntenraad’ |
|
Grace Tanamal (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer beantwoordt u de vragen van 16 maart 2015 over het passeren van een cliëntenraad van een ggz-instelling bij tv-opnamen (ingezonden 16 maart 2015)?1
Deze beantwoording is aan u verzonden op 9 april 2015.
Kent u het artikel ««Anita wordt opgenomen» kwam tot stand na dreigementen»?2
Ja.
Bent u bereid te laten onderzoeken of de cliëntenraad onder druk is gezet door het dreigement van schadeclaims dat ze uit «gewetensnood» hebben ingestemd?
Nee, het is niet aan mij om een onderzoek in te stellen. Het gaat in deze zaak om een geschil tussen een zorgaanbieder en diens cliëntenraad. In de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) zijn regels opgenomen over de naleving van medezeggenschapsbepalingen. De zorgaanbieder is verplicht aangesloten bij een commissie van vertrouwenslieden (LCvV). Aan deze commissie kunnen geschillen over medezeggenschap worden voorgelegd, waarna het aan deze commissie is om een oordeel te vellen over de handelwijze van het bestuur. De betreffende cliëntenraad, maar ook iedere cliënt van de instelling, kan de zaak aanhangig maken bij de kantonrechter en deze verzoeken een bevel te geven wanneer de zorgaanbieder de Wmcz niet naleeft. Bijvoorbeeld wanneer de bestuurder ervan een uitspraak van de LCvV naast zich neerlegt.
Ik vind het belangrijk dat bestuurders de regels van de Wmcz in acht nemen en het perspectief van cliënten meenemen in de besluitvorming. Hiervoor is het nodig dat een cliëntenraad tijdig wordt betrokken en serieus wordt genomen. Zoals ik in de beantwoording op eerdere vragen van deze PvdA leden over deze zaak heb aangegeven, ben ik van plan de regels voor cliëntenmedezeggenschap aan te scherpen.3
Wilt u tevens onderzoeken wat het zegt over de governance van GGz Centraal (een organisatie voor geestelijke gezondheidszorg in het midden van het land) dat de raad van bestuur zegt dat er goed overleg is gevoerd en de woordvoerder van cliëntenraad Flevoland hierover het volgende zegt: «We waren bang dat er bijvoorbeeld nog meer personeelsleden boventallig zouden worden verklaard»?
Zie antwoord vraag 3.
Welke extra mogelijkheden ziet u om de cliëntenraad zo te versterken dat deze in praktijk daadwerkelijk zeggenschap heeft?
Ik hecht eraan op te merken dat we bij cliëntenparticipatie in de zorg, net als in het onderwijs en bij ondernemingsraden, spreken van medezeggenschap en niet van zeggenschap. Medezeggenschap is geen vetorecht. De bestuurder blijft verantwoordelijk voor de beleidsbeslissingen van de instelling. Ik vind wel dat hij daarbij het cliëntenperspectief goed moet meewegen, ook omdat dit kan leiden tot betere besluiten.
In onze brief van 22 januari 2015 rondom het VSO goed bestuur hebben de Staatssecretaris en ikzelf een aantal verbeteringen van de medezeggenschap in de zorg voorgesteld.4 Het gaat dan onder meer om het invoeren van een instemmingsrecht voor bepaalde, voor de cliënt belangrijke onderwerpen waar nu (verzwaard) adviesrecht voor geldt.
De medezeggenschap moet verder aan betekenis toenemen door verbetering van de tijdigheid van adviesaanvragen en informatievoorziening aan de cliëntenraad en door financiering van de cliëntenraad en scholing van haar leden. Daarnaast willen wij dat de IGZ in haar regulier toezicht meeneemt of instellingen voldoen aan de wettelijke eisen aan medezeggenschap.
Wilt u eveneens onderzoeken wat de betrokkenheid van de raad voor toezicht is geweest, en of het klopt dat een lid van de raad van toezicht GGZ centraal eveneens tegelijk lid was van de RvT KRO NCRV?
Het is de taak van de raad van toezicht om toezicht te houden op het functioneren van de raad van bestuur. Ik ga ervan uit dat de raad van toezicht van GGz-centraal deze taak serieus neemt en zich ook laat informeren door anderen dan de raad van bestuur. Ten aanzien van deze casus lijkt het mij dat – gezien de onrust die over de tv-opnames is ontstaan -een gesprek met bestuur en cliëntenraad op zijn plaats is, alsook een discussie over de vraag welke lessen de instelling uit deze zaak kan trekken.
Uit nadere bestudering van de governance gegevens van GGz-Centraal blijkt dat Dhr. dr. E.P. de Jong in 2014 zowel voorzitter van de raad van bestuur van deze zorginstelling was, als voorzitter van de raad van toezicht van de NCRV. Het programma «Anita wordt opgenomen» is een televisieprogramma van de KRO. De KRO heeft een eigen raad van toezicht. Mijns inziens is er daarmee geen verband met het programma. Wanneer er overigens wel sprake zou zijn geweest van een intern toezichthouder die lid was geweest van de raad van toezicht van beide organisaties, dan zou deze gehouden zijn aan de spelregels uit de zorgbrede governance code, die voorschrijven dat de raad van toezicht in het belang van de zorgorganisatie en haar belanghebbenden dient te handelen.
Deelt u de mening dat het positief is een programma te maken met doel destigmatisering van de GGZ, maar dat de cliënt(enraad) nooit gepasseerd mag worden?
Ik ben het met de vragenstellers eens dat programma’s die er toe bijdragen dat GGZ cliënten worden gedestigmatiseerd, waardevol kunnen zijn. Zoals hierboven aangegeven vind ik het daarbij van belang dat de regels van de Wmcz in acht worden genomen.
Wilt u deze vragen vóór het Algemeen overleg Governance in de zorg voorzien op 29 april 2015 beantwoorden?
Bij deze.
De toetreding van Palestina tot het Internationaal Strafhof in Den Haag |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestina treedt toe tot Strafhof in Den Haag»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Palestina niet als staat kan worden erkend en het daarom absurd is dat het officieel is toegetreden tot het Internationaal Strafhof?
Erkenning van staten is een soeverein recht van staten. Het Koninkrijk erkent de «Staat Palestina» niet en het Koninkrijk is dan ook van mening dat de «Staat Palestina» niet in juridische zin is toegetreden tot het Statuut van Rome. De eenzijdige Palestijnse stap partij te worden bij het Statuut van Rome heeft wel politieke betekenis. Het is positief dat de Palestijnse autoriteit zich gebonden acht aan de toepassing en naleving van fundamentele normen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten. Dit past binnen het streven van het kabinet universele acceptatie van het Statuut van Rome te bevorderen. Het kabinet is tegelijkertijd van mening dat uiteindelijk alleen een politieke oplossing het Israëlisch-Palestijns conflict kan beëindigen. Zie ook Kamerbrief van 12 december 2014 inzake Palestijnse toetreding tot verdragen, kenmerk 2014.699379.
In hoeverre acht u het wenselijk dat het Palestijnse bestuur, bestaande uit partijen die de vernietiging van Israël als uitgangspunt hebben, lid wordt van een hoog internationaal rechtsorgaan?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre deelt u de opvatting dat de vestiging van een Palestijnse staat niet moet worden bespoedigd via deze toetreding?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft Nederland als verdragsstaat én gastland om het Palestijnse lidmaatschap terug te draaien?
Noch als verdragspartij bij het Statuut van Rome, noch als gastland van het Internationaal Strafhof heeft Nederland invloed op de Palestijnse stap partij te worden bij het Statuut van Rome. Zie ook beantwoording Kamervragen van 23 januari 2015 over het bericht «Israël draait de geldkraan dicht», kenmerk 2015Z00031.
Bewindvoerders die door een lidmaatschapseis geen bankrekening kunnen openen |
|
Arnold Merkies (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over beschermingsbewind en het toezicht daarop door de kantonrechter?1
Ja
Bent u ervan op de hoogte dat er nog steeds banken zijn, zoals de ABN AMRO, die van een door de rechtbank benoemde bewindvoerder eisen dat deze lid is van een branchevereniging, ondanks dat de toepasselijke regelgeving dit niet vereist? Bent u er eveneens van op de hoogte dat deze eis zelfs een belangrijke voorwaarde blijkt te zijn voor banken en dat zij die kunnen aanwenden om het openen van een bankrekening af te wijzen?
Wij zijn ervan op de hoogte dat er banken zijn die vragen naar het lidmaatschap van een branchevereniging voor bewindvoerders. Ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zijn banken verplicht om cliëntenonderzoek te doen. Het cliëntenonderzoek heeft tot doel om risico’s op witwassen en financieren van terrorisme te herkennen en beheersen. Cliëntenonderzoek houdt onder meer in dat zij hun cliënt identificeren en diens identiteit verifiëren aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Ook houdt het in dat zij vaststellen of degene die de cliënt vertegenwoordigt, in dit geval de beschermingsbewindvoerder, daartoe bevoegd is en dat deze persoon wordt geïdentificeerd en diens identiteit geverifieerd.
Het feit dat een cliënt niet fysiek aanwezig is voor verificatie van zijn identiteit – en bij beschermingsbewind is dat vaak het geval – wordt gezien als een situatie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme. De Wwft schrijft voor dat dan verscherpt cliëntenonderzoek aan de orde is: de bank moet dan aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen nemen om dit hogere risico te compenseren. De Wwft schrijft niet voor dat banken van bewindvoerders eisen dat zij lid zijn van een branchevereniging. ABN AMRO heeft mij overigens laten weten dat ABN AMRO lidmaatschap van een branchevereniging niet als algemene eis stelt. Ingevolge de Wwft staat het banken vrij om te kiezen welke aanvullende maatregelen zij in dit verband nemen. Uiteraard moeten de aanvullende maatregelen die de bank vraagt proportioneel zijn. Het lidmaatschap van een branchevereniging kan met zich brengen dat een bewindvoerder op het punt van identificatie van een cliënt en verificatie van die identiteit, voldoet aan bepaalde normen. Om die reden kan dit lidmaatschap een relevant gegeven zijn bij cliëntenonderzoek en risicobeoordeling door een bank.
In eerdere antwoorden op vragen met betrekking tot beschermingsbewind, schreef de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie uw Kamer dat sinds 1 april 2014 het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren van kracht is. Op grond hiervan moeten beschermingsbewindvoerders die drie of meer personen onder hun hoede hebben, aan kwaliteitseisen voldoen en wordt hierover jaarlijks door een accountant verslag uitgebracht. Wij zien in het licht van dat besluit geen reden voor banken om aan een beschermingsbewindvoerder die aantoonbaar aan genoemde eisen voldoet, al bij voorbaat medewerking te weigeren omdat hij geen lid is van een branchevereniging. Zoals hierboven beschreven, kunnen banken op grond van de Wwft per individuele cliënt beslissen of zij het risico van die cliënt zodanig vinden dat zij geen cliëntrelatie met hem (en daarmee een relatie met zijn bewindvoerder) willen aangaan. Dat past bij de poortwachterfunctie wij hen hebben toegekend in het kader van de Wwft.
Wij wijzen erop dat de Wft ook van toepassing is. In Nederland is voor personen in de schuldhulpverlening het recht op toegang tot een basisbankrekening wettelijk verankerd in de Wft. Andere consumenten kunnen in veel gevallen een beroep doen op het Convenant inzake een pakket primaire betaaldiensten. Het Convenant inzake primaire betaaldiensten van de Nederlandse banken is ook hier van toepassing; een meerderjarige cliënt met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, dan wel met een postadres bij een erkende hulpverlenings- of overheidsinstantie, wiens identiteit conform de Wwft kan worden vastgesteld en geverifieerd, heeft op grond van dat convenant in principe recht op toegang tot een betaalrekening met basisfuncties bij een van de ondertekenende Nederlandse banken. In augustus 2014 is de betaalrekeningenrichtlijn gepubliceerd,2 deze dient per 18 september 2016 te zijn geïmplementeerd en omvat de verplichting voor banken tot het aanbieden van een basisbankrekening die vergelijkbaar is met die uit het Convenant.
Bent u ervan op de hoogte dat er banken zijn, zoals de ABN AMRO, die niet alleen veel waarde hechten aan een lidmaatschap van een branchevereniging, maar dit zelfs op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) als afwijzingsgrond gebruiken voor het openen van een bankrekening bij de afwezigheid van een dergelijk lidmaatschap? Acht u dit wenselijk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is een bank volgens u verplicht om uit hoofde van de Wwft bepaalde informatie te vragen aan een door de rechtbank benoemde bewindvoerder die een bankrekening dient te openen om het bewind goed uit te kunnen voeren? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het niet goed is dat een bank op deze manier meer waarde hecht aan het lidmaatschap van een branchevereniging dan aan een benoeming door de rechtbank? Bent u ook van mening dat een door de rechtbank benoemde bewindvoerder ook zonder een lidmaatschapseis een bankrekening zou mogen openen? Zo nee, wat is er naast een bewijs van benoeming door de rechtbank nog nodig om een bankrekening te openen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat heeft uw eerdere gesprek met de brancheverenigingen van bewindvoerders en banken opgeleverd?2 Bent u bereid om deze problematiek zo nodig nogmaals te bespreken met de brancheverenigingen van bewindvoerders en banken? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Financiën heeft een aantal besprekingen gehad met de brancheverenigingen en de banken over knelpunten bij het openen van een bankrekening door een bewindvoerder ten behoeve van onder bewind gestelden. De problematiek die in de onderhavige Kamervragen aan de orde wordt gesteld lijkt echter juist betrekking te hebben op bewindvoerders die niet lid zijn van een branchevereniging. De besprekingen met de brancheverenigingen waren constructief en hebben inzicht geboden in de reikwijdte van de betrokken wettelijke bepalingen. Tijdens die besprekingen zijn mogelijkheden verkend om te voldoen aan enerzijds eisen van de banken in het kader van cliëntenonderzoek en beheersing van risico’s op witwassen en financieren van terrorisme en anderzijds de wens van de bewindvoerders om voor hun onder bewind gestelden bankrekeningen te openen.
De verkoop van al het sociale woningbezit van het Wooninvesteringsfonds |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de juridische bezwaren van onder andere de gemeente Delft ervoor zorgen dat de verkoop van Round Hill niet voor 31 maart 2015 kan worden afgerond?
Ja.
Klopt het dat op uiterlijk 31 maart 2015 het Wooninvesteringsfonds (WIF) bijna 300 miljoen euro moet afbetalen aan zijn banken en dat die datum niet gehaald wordt nu er een bezwaarprocedure loopt? Welke opties heeft het WIF om nu toch aan haar betalingsverplichting te voldoen?
De bestaande financiering van de woningportefeuille van het WIF liep af op 31 maart 2015. De verkoop van de portefeuille is niet gerealiseerd in verband met de lopende bezwaarprocedure. Hiermee kunnen de verkoopopbrengsten niet worden ingezet voor aflossing. Inmiddels is met de verkopende partij, Round Hill, een akkoord bereikt over uitstel van levering en met de banken is een overbruggings-financiering afgesproken. De nieuwe uiterste leveringsdatum is 1 juli 2015.
Het WIF heeft kunnen herfinancieren voor een periode van 3 maanden.
Kunt u aangeven hoe het WIF aan nieuwe financiering gaat komen? Heeft dit gevolgen voor het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV), het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) of andere woningcorporaties?
De banken die de bestaande leningen hadden verstrekt, hebben (ongeborgde) overbruggingsfinanciering verstrekt voor 3 maanden (tot 1 juli 2015). Deze financiering heeft dus geen effect voor het CFV, het WSW of andere corporaties.
Leidt de herfinanciering van het WIF met borging door het WSW tot een aanvaardbaar niveau van lasten zodat verkoop onnodig is om de continuïteit te waarborgen? Zou bij herfinanciering onder actuele voorwaarden saneringssteun nodig zijn om de continuïteit te waarborgen?
Het probleem is niet het lastenniveau dat voortkomt uit een eventuele financiering (geborgd of ongeborgd). Het probleem is dat er geen partijen waren tussen einde 2012 en het einde van 2014 die bereid waren WIF te herfinancieren vanaf 31 maart 2015. Corporaties/certificaathouders waren in die periode niet bereid aanvullend vermogen te storten om bankleningen mogelijk te maken. Verkoop was derhalve eind 2014 de enige oplossing om tot aflossing van de lening per 31 maart 2015 te komen.
Bent u van mening dat het, vanwege het feit dat het WIF moet herfinancieren of zichzelf ontbinden, buitengewoon merkwaardig is dat het WSW tot nu toe nooit een verzoek voor borging van de herfinanciering heeft ontvangen? Vindt u dit een normale gang van zaken en kunt u toelichten waarom het bestuur van het WIF eenzijdig haar kaarten heeft gezet op verkoop in plaats van herfinanciering, dit tegen de expliciete wens in van een grote meerderheid van de certificaathouders?
De vraag bevat aannames en stellingnames over wat partijen al dan niet gedaan hebben en waartoe partijen al dan niet toe bereid zijn/waren. Ik beperk mijn reactie tot zaken die in relatie tot regelgeving voor woningcorporaties van belang zijn. De verkoop van de WIF-portefeuille is het resultaat van een traject van 2 jaar waarin is gezocht naar oplossingen voor het financieringsprobleem. Het uitblijven van reële financieringsvoorstellen, onder andere omdat er geen partijen bereid waren het eigen vermogen van het WIF aan te vullen, heeft vorig jaar geleid tot het onderzoeken van een eventuele verkoop. Toen eind november 2014 diende te worden besloten over een verkoop bleek dit de enige beschikbare oplossing om de financiering per 31 maart 2015 af te lossen.
Kunt u aangeven hoe groot het boekverlies is dat de certificaathouders zullen leiden en welke financiële gevolgen dit heeft voor de vijf certificaathouders met de meeste certificaten?
Het boekverlies van de certificaathouders heeft geen relatie met de verkoop. Het vastgoed van het WIF is door de vastgoedcrisis sterk gedaald in waarde. Daarmee is de waarde van het WIF sterk gedaald en het eigen vermogen zoals ingebracht door certificaathouders ook sterk afgenomen. Het beperkte eigen vermogen van het WIF is ook de reden waarom het aantrekken van vreemd vermogen zo lastig is gebleken. De meeste certificaathouders hebben dan ook de afgelopen jaren afgeboekt op hun certificaten.
In de openbare bijlage bij de jaarrekening van WIF wordt de nominale waarde van onder andere de 5 grootste certificaathouders gegeven. In de jaarrekeningen over 2013 van de certificaathouders staat de waarde van de WIF certificaten. Dit geeft het volgende beeld (bedragen *1.000 euro):
Nominale waarde
WIF-certificaten
Collegiale lening verstrekt aan WIF
Waardering volgens jaarrekening 2013
Woonbron
39.000
16.600
Ressort Wonen
8.760
6.985
Vivare
6.565
0
Stichting Mooiland
6.049
1.500
1
Wst De Goede Woning
6.000
1.500
Gezien de actuele situatie ligt het in de lijn der verwachting dat corporaties in de jaarrekening 2014 de certificaten (verder) zullen afwaarderen. Het CFV houdt in zijn financiële beoordeling rekening met de WIF-certificaten. Het CFV verwacht dat corporaties door afwaardering van de certificaten niet in de problemen zullen komen.
De impact van aardbevingsschade in Groningen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Effect aardbevingen Groningen te vergelijken met die in Zuid-Europa»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de visie van de Veiligheidsregio Groningen dat de aardbevingen in Zuid-Europa met veel schade en slachtoffers weliswaar veel zwaarder zijn dan die in Groningen, maar vergelijkbaar zijn qua impact omdat de aardbevingen door gaswinning zich veel dichter onder de oppervlakte voordoen?
Hoewel de gemeten piekversnellingen vergelijkbaar kunnen zijn, is de duur en de frequentie-inhoud van de trillingen verschillend. Een beving is opgebouwd uit trillingen met verschillende frequenties. Dat houdt in snel of langzaam schuddende bewegingen. Als de frequentie-inhoud laag is zijn het voornamelijk langzame trillingen. Sterkere natuurlijke aardbevingen hebben veelal een langere duur en lagere frequentie-inhoud.
Deze parameters (duur en frequentie-inhoud) bepalen samen met de kwetsbaarheid («fragility») van de gebouwen mede de impact aan het aardoppervlak. Natuurlijke bevingen hebben dus een andere impact aan het oppervlak dan geïnduceerde bevingen.
Bent u bereid om in te gaan op het verzoek van de Veiligheidsregio Groningen om bij aardbevingen die in de toekomst zullen plaatsvinden naast de schaal van Richter ook de grondversnelling inzichtelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja. Met het nieuwe seismologische netwerk in Groningen, dat op dit moment wordt opgebouwd, wordt het mogelijk om ook de grondversnelling direct na de beving inzichtelijk te maken in de vorm van «shake-maps». Dit is in ontwikkeling bij het KNMI en zal publiek worden gemaakt. Naar verwachting is het netwerk in de zomer van 2015 operationeel en zullen ook de «shake-maps» beschikbaar komen en openbaar worden gemaakt.
Kent u basisschool CBS de Regenboog in Bedum, die volgens betrokkenen gevestigd is in een oud gebouw wat logischerwijs minder bestand is tegen zware aardbevingen?
Er is een programma opgezet om alle scholen in het aardbevingsgebied indien nodig bouwkundig te versterken. Dit is een gezamenlijk project van schoolbesturen, gemeenten en NAM. NAM heeft in overleg met gemeenten en schoolbesturen inspecties uit laten voeren. CBS De Regenboog maakt hier onderdeel van uit. Er zijn geen acute risico’s geconstateerd en gebouwonderdelen die een eventueel verhoogd risico tijdens aardbevingen kunnen veroorzaken zijn inmiddels verwijderd.
Is het waar dat de gemeente Bedum over een onderzoeksrapport beschikt waarin wordt geconcludeerd dat deze basisschool geen hogere risico’s loopt op grote aardbevingsschade?
In het kader van het programma zoals genoemd in het antwoord op vraag 4, is basisschool De Regenboog onlangs geïnspecteerd en heeft de gemeente Bedum een voorlopige rapportage ontvangen. De eerste conclusies van deze voorlopige rapportage luiden dat de school geschikt en veilig is voor het geven van onderwijs. Wel waren er een paar kleine bouwkundige aanpassingen nodig. Die zijn onmiddellijk uitgevoerd en afgerond. De definitieve rapportage over de aardbevingsbestendigheid van het schoolgebouw wordt over enkele weken verwacht.
Wat is het Rijksbeleid voor het risico op aardbevingen bij gevoelige objecten zoals basisscholen?
Het schoolbestuur is eerstverantwoordelijk voor een veilige leer- en leefomgeving van studenten/leerlingen en docenten en dus voor een veilig schoolgebouw. Met betrekking tot de aanpak van de gevolgen van de gaswinning in Groningen ligt hier ook een verantwoordelijkheid van het Rijk om scholen in de positie te brengen om aan hun verantwoordelijkheid te kunnen voldoen. Dat vereist een goede informatievoorziening, voldoende controles en zekerheden of de risico’s in voldoende mate zijn afgedekt. NAM heeft als mijnbouwbedrijf ook een verantwoordelijkheid met betrekking tot het voorkomen van schade als gevolg van gaswinning. In dat kader is NAM gestart met het bouwkundig onderzoek van scholen. Eventuele, in relatie tot aardbevingen, geconstateerde onvolkomenheden aan gebouwen zullen daarbij worden hersteld. Dit traject gebeurt in samenspraak met schoolbesturen, gemeentebesturen, de provincie en de nog aan te stellen Nationaal Coördinator Groningen.
Het bericht "Kritiek op aanpak radicalisering" |
|
Sadet Karabulut (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Kritiek op aanpak radicalisering»?1
Wij hebben kennis genomen van de kritiek.
Kunt u aangeven wat volgens u de rol van het onderwijs is in het tegengaan van de radicalisering van jongeren? Welke concrete maatregelen heeft u beiden genomen om scholen hierin te ondersteunen? In hoeverre hebben deze maatregelen geleid tot concrete resultaten?2
De rol die het onderwijs speelt bij het tegengaan van radicalisering kunt u terugvinden in de brief van 16 maart jl. van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan uw Kamer.3 Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen een preventieve, curatieve en repressieve rol.
Ten eerste heeft het onderwijs de rol van ontmoetingsplek: een school is de plek waar leerlingen elkaars achtergrond leren kennen en begrijpen en waar ze kunnen opgroeien tot verantwoordelijke burgers. Kinderen die al vroeg een gevoel van burgerschap krijgen bijgebracht en die hebben geleerd om op een open manier een dialoog te voeren over hun normen en waarden, zijn later minder vatbaar voor radicale denkbeelden. Hier ligt een belangrijke preventieve rol voor de onderwijsinstellingen. Voor de maatregelen die wij nemen voor de versterking van het burgerschapsonderwijs, verwijzen wij naar de brief die u daarover hebt ontvangen op 29 april jl.4
Ten tweede hebben de instellingen een rol bij de curatieve en vervolgens repressieve aanpak van radicalisering. School is immers de plek waar jongeren hun identiteit vormen en tonen. Als een jongere radicaliseert, of dit nu op het gebied van religie, dierenrechten of een politieke overtuiging is, is de school één van de plekken waar dat zichtbaar kan worden. Dit maakt dat docenten een rol hebben als zij zien dat een jongere zich begint af te keren van de samenleving. Daarvoor moeten zij weten hoe ze radicalisering kunnen herkennen en waar zij een vermoeden van radicalisering kunnen neerleggen.
Concreet worden in onze opdracht in 2015 diverse lokale bijeenkomsten georganiseerd over de vraag wat leerlingen, scholen en docenten kunnen doen om meer onderling begrip te bevorderen en spanningen tegen te gaan. Verder worden binnen de Integrale Aanpak Jihadisme onderwijsinstellingen ondersteund onder andere door een online portal via Stichting School en Veiligheid en door trainingen in het herkennen van en omgaan met radicalisering. Voor een volledig overzicht van de manieren waarop scholen worden ondersteund, verwijzen wij u naar de Tweede Voortgangsrapportage Integrale Aanpak Jihadisme.5
Wat zijn volgens u de oorzaken van radicalisering van jongeren? Bent u het met de stelling eens dat discriminatie en uitsluiting een belangrijke voedingsbodem voor radicalisering kunnen vormen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de oorzaken van radicalisering complex en niet eenduidig zijn. Momenteel loopt in opdracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek naar triggerfactoren voor radicalisering. De eerste resultaten daarvan worden verwacht voor de zomer van 2015.
We herkennen overigens dat er groepen leerlingen zijn die zich niet herkend en erkend voelen in deze samenleving. Jongeren moeten het gevoel hebben dat zij ertoe doen en moeten binnen in plaats van buiten worden gesloten. Zo kunnen we er mede voor zorgen dat de weerbaarheid van jongeren voor radicale denkbeelden zo groot mogelijk is.
Het is belangrijk dat kinderen al in een vroeg stadium burgerschapskennis opdoen en vaardigheden leren. Ze leren dan ook om op een open manier een dialoog te voeren over hun normen en waarden. Het onderwijs is echter niet de enige partij die hier een rol in speelt. Ook ouders, familie, vrienden en andere sociale verbanden, zoals sportclubs, kunnen hier een belangrijke rol in spelen.
In de genoemde brief van 16 maart jl. is de rol die het onderwijs speelt bij het tegengaan van radicalisering uiteengezet.
Bent u het eens met de uitspraken van de Minister-President dat de overheid discriminatie niet kan oplossen en dat jongeren die worden gediscrimineerd kunnen afhaken of doorgaan? Adviseert u docenten om jongeren op die wijze aan te spreken?3
Wij zijn van mening dat discriminatie niet acceptabel is. Discriminatie zorgt ervoor dat toekomstdromen eindigen in frustratie en dat talent wordt verspild. Zoals u heeft kunnen lezen in de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer van 31 maart jl. naar aanleiding van het door u genoemde interview, is het de taak van de overheid om de noodzakelijke voorwaarden te scheppen om discriminatie te voorkomen en tegen te gaan.7 Voor een overzicht van de manieren waarop het Kabinet hieraan werkt, verwijzen wij naar de voortgangsbrief discriminatie van 11 februari jl.8
Welke rol onderwijs hierin kan vervullen kunt u ook vinden in ons antwoord onder vraag 2.
Bij wie kunnen docenten met praktische vragen over leerlingen die (dreigen te) radicaliseren terecht? Bent u het met de Algemene Onderwijsbond eens dat er maatschappelijk werkers moeten worden aangesteld die zijn gespecialiseerd in het onderwerp radicalisering? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
De mening van de AOB dat op iedere school een maatschappelijk werker moet worden aangesteld die is gespecialiseerd in het onderwerp radicalisering delen wij niet. Het gaat juist om maatwerk. Het is aan de scholen om te bepalen welke ondersteuning zij nodig hebben.
We weten dat de scholen in de aanpak van radicalisering een lastige taak hebben, en willen hen daar zo goed mogelijk in ondersteunen. Dit gebeurt onder andere via een hotline, cursussen, en ondersteuning op maat via de Stichting School en Veiligheid. Deze stichting wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekostigd. Daarnaast kunnen scholen met vragen terecht bij de expertise-unit sociale stabiliteit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bij de NCTV.
Het sponsoren van een bijeenkomst van de Moslimbroederschap in Engeland |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie sponsort congres met Moslimbroederschap»?1
Ja
In hoeverre klopt het dat Nederland de bijeenkomst «Politiek, macht en sektarische identiteiten in het Midden-Oosten» (deels) heeft gesponsord? En welk bedrag is hier mee gemoeid?
Nederland heeft een bijdrage van 10.000 Britse Pond geleverd aan een activiteit van de afdeling Midden-Oosten en Noord-Afrika van de gerenommeerde en onafhankelijke Britse denktank Chatham House, The Royal Institute of International Affairs, in Londen. De titel van de conferentie was: «Beleid, Macht en Sektarische Identiteiten in het Midden-Oosten». Het was dus geen congres of bijeenkomst van de Moslimbroederschap, maar een academisch getinte Chatham House conferentie met deelname door Westerse, Arabische en andere diplomaten, academici, journalisten, ngo’s en anderen.
Wat is de reden dat een Nederlandse topambtenaar aanwezig is geweest op het congres dat georganiseerd werd door The Cordoba Foundation, een aan de Moslimbroederschap gelieerde stichting?
Een inhoudelijk beleidsmedewerker van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is vanwege zijn expertise door Chatham House uitgenodigd op te treden als spreker tijdens de conferentie.
Deelt u de mening dat de Moslimbroederschap, met zijn motto: «Allah is ons doel, de profeet is onze leider, de koran onze wet, jihad onze weg en sterven voor Allah onze grootste hoop», een radicale organisatie is waar geen zaken met mee moet worden gedaan? Zo neen, waarom niet?
De Moslimbroederschap is noch door de NL overheid, noch in Europees of VN verband aangemerkt als zijnde een terroristische organisatie.
Bent u op de hoogte van het gegeven dat de Moslimbroederschap banden heeft met terreurorganisaties als Hamas en Ansar Bayt al-Maqdis (dat inmiddels grotendeels is opgegaan in ISIS)?
Het is een historisch gegeven dat Hamas oorspronkelijk is voortgekomen uit de Moslimbroederschap. Voor wat betreft banden van de Moslimbroederschap met andere groeperingen beschikt het kabinet niet over eigenstandige informatie.
Begrijpt u dat de Britse bank HSBC heeft besloten de relatie met de betreffende stichting te verbreken?
Het is niet bekend, ook niet bij de Britse autoriteiten, waarom HSBC de relatie met deze stichting zou hebben verbroken.
Bent u bereid uw samenwerking met de betreffende stichting stop te zetten en te zorgen dat dit soort misstappen in de toekomst niet meer gemaakt worden?
De samenwerking betrof de denktank Chatham House, niet de door u genoemde stichting. De samenwerking met Chatham House wordt dus niet opgezegd
De autistische Rebecca, die graag naar school wil, maar al 18 maanden thuis zit |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de noodkreet van de 15-jarige Rebecca, die graag naar school wil maar al 18 maanden niet naar haar school voor speciaal onderwijs (cluster 4) gaat? Wat gaat u voor Rebecca doen, zodat zij op zeer korte termijn weer onderwijs kan gaan volgen?1
Ik betreur het dat het helaas nog niet gelukt is om voor dit meisje een passende plek te vinden, ondanks de inspanningen van de betrokkenen. Ik kan niet op alle details van deze kwestie ingaan, omdat dit privacygevoelige informatie betreft. Het volgende kan ik wel zeggen. Dit meisje is al langere tijd in beeld, zowel bij het samenwerkingsverband passend onderwijs als bij de jeugdhulp. Dit met dank aan het zogenaamde thuiszittersoverleg in die regio waarin gemeente en onderwijs samenwerken om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor kinderen die niet naar school gaan. In eerste instantie werd gedacht dat plaatsing in het voortgezet speciaal onderwijs in de regio een oplossing zou zijn. Daarom heeft het samenwerkingsverband toelating tot en plaatsing in het vso geregeld. Het meisje is de afgelopen 18 maanden dus wel degelijk teruggeleid naar school. Ondanks een apart instroomprogramma bleek zij daar echter helaas niet goed op haar plek. Gemeente en samenwerkingsverband zijn vervolgens in overleg met de ouders hard aan de slag gegaan met het zoeken naar een nieuwe oplossing. Deze is zeer recent ook gevonden in de vorm van een plaatsing op een andere school voor vso die gespecialiseerd is in de problematiek van dit meisje.
Hoe beoordeelt u de vicieuze cirkel waarin leerlingen zitten (o.a. Rebecca) doordat zij vanwege angsten en autisme zijn uitgevallen op school en thuis zitten, op een wachtlijst staan voor een behandeling van kinderen met angsten, maar pas aan de behandeling in deeltijd kunnen starten als zij ook naar school gaan? Welke mogelijkheden zijn er om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
De uitspraak in het artikel dat behandeling in deeltijd alleen mogelijk is als een kind naar school gaat, is niet gestoeld op wet- en regelgeving. Het is nergens voorgeschreven dat deeltijdbehandeling gekoppeld moet zijn aan het volgen van onderwijs. Wat wel mogelijk is, is dat het hebben van een zinvolle dagbesteding een vereiste is van de betreffende instelling. Dan gaat het dus om eigen instellingsregels. De instelling heeft ruimte om daarvan in het belang van dit meisje af te wijken.
Deelt u de mening van CNV Zorg & Welzijn dat in deze specifieke situatie – door de decentralisatie van de jeugdzorg en de jeugd-GGZ de indicatiestelling niet op tijd is afgerond – ook onduidelijk is of Rebecca nog een beroep kan doen op hulp van haar autisme-coach óf een paar uur mag verblijven op de zorgboerderij? Hoe vaak komt dit in Nederland precies voor? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven kan niet op alle details van deze kwestie worden ingegaan. In zijn algemeenheid is onduidelijkheid over het verkrijgen van zorg en ondersteuning aan kinderen niet wenselijk en moet dus zo veel als mogelijk worden voorkomen. Toch kan het in complexe situaties voorkomen dat het wat langer duurt om zorg, ondersteuning en onderwijs goed op elkaar af te stemmen. Betrokken partijen hebben bovendien te maken met een nieuwe situatie waarin nieuwe afspraken moeten worden gemaakt. Daar waar mogelijk worden de betrokken partijen gestimuleerd om hier haast mee te maken. Er is geen informatie over hoe vaak dit soort situaties voorkomt.
Acht u het wenselijk dat leerlingen die om welke reden dan ook niet naar school kunnen een paar uur per week verblijven op een zorgboerderij? Is het verblijf op een zorgboerderij in de ogen van de Staatssecretaris passend onderwijs? Kunt u dat toelichten?
Activiteiten op een zorgboerderij kunnen, afhankelijk van de problematiek van een kind, onderdeel vormen van een zinvolle dagbesteding, met name voor leerlingen die (tijdelijk) niet in staat zijn om naar school te gaan en conform de Leerplichtwet vrijstelling van inschrijving of vrijstelling van geregeld schoolbezoek hebben. Een zorgboerderij is geen onderwijsinstelling en valt dus niet onder passend onderwijs voor Rebecca.
Bent u van mening dat er goed is voorgesorteerd op de verbinding tussen school en zorg per 1 januari 2015 zoals door de Staatssecretaris gegarandeerd in het debat op 3 juli 2014 toen hij zei: «Laten we erop vooruitlopen dat, als dat per 1 januari 2015 ingaat, we goed hebben voorgesorteerd en dat we ook praktisch een goede plek kunnen bieden aan die leerlingen»? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris deze uitspraak in het licht van voorliggende casus?2
Al langere tijd werken samenwerkingsverbanden, scholen, gemeenten en jeugdhulp samen om te komen tot een goede verbinding tussen onderwijs en jeugdhulp. In de laatste voortgangsrapportage passend onderwijs (31 497, nr. 141) heb ik uw Kamer gerapporteerd over deze samenwerking. Kern daarvan was dat circa 70 procent van de samenwerkingsverbanden aangeeft dat de samenwerking met de gemeenten in hun regio goed verloopt. Goede voorbeelden daarvan zijn bijvoorbeeld concrete afspraken over een gemeenschappelijk ondersteuningsteam dat integraal arrangeert voor onderwijsondersteuning, zorg en leerlingenvervoer of de inzet van jeugdhulpverleners op school. De andere samenwerkingsverbanden geven aan dat het contact nog moeizaam is. Vanuit OCW, VWS, PO-Raad, VO-raad en VNG is er een ondersteuningsaanbod beschikbaar om te ondersteunen in de samenwerking. Zoals aangekondigd in diezelfde voortgangsrapportage wordt het ondersteuningsaanbod ook de komende periode gecontinueerd.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er momenteel wachtlijsten bestaan voor de behandeling voor kinderen met angsten? Hoe groot is deze wachtlijst in Nederland en welke maatregelen gaat u nemen om deze wachtlijst zo snel mogelijk te laten verdwijnen?
Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de lokale jeugdhulp en dus ook voor voldoende en geschikt aanbod. Op landelijk niveau worden geen wachtlijsten per hulpsoort bijgehouden. Uit diverse monitors zal in de loop van dit jaar blijken hoe het met de jeugdhulpvoorzieningen staat en of daar wachtlijsten voorkomen. Als dat het geval blijkt te zijn, dan worden die in de context van de lokale situatie beoordeeld en zal er ook lokaal naar een oplossing moeten worden gezocht.
Deelt u de mening dat – omdat behandeling van leerlingen zoals Rebecca alleen mogelijk is als kinderen naar school gaan – jeugdhulp en onderwijs beter moeten samenwerken om te voorkomen dat thuiszitters in een vicieuze cirkel komen? Zo ja, is in uw ogen de huidige verplichting tot overleg – over hoe zorg en school goed op elkaar aansluiten – voldoende uit de verf gekomen? Als dat niet het geval is, welke maatregelen gaat u nemen om deze samenwerking alsnog te garanderen?3
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Heeft u er spijt van dat u het advies van de Onderwijsraad in de wind heeft geslagen om het bestaande lokale overleg tussen onderwijs en jeugdhulpverlening te verbreden, om verder stappen te nemen om jeugdhulpverlening structureel onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school te maken en om de rol van de onderwijsconsulenten te vergroten en een tijdelijk financieel vangnet in te stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u aanvullend nemen?4
Samen met de Staatssecretaris van VWS ben ik in de reactie op het advies «Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan» uitgebreid ingegaan op de aanbevelingen van de Onderwijsraad. Niet elke aanbeveling is (letterlijk) overgenomen, meestal omdat we vinden dat er betere alternatieven zijn, zoals in de reactie ook is aangegeven. Die mening ben ik nu nog steeds toegedaan. Het beeld dat in de vraag gesuggereerd wordt dat ik het advies van de Onderwijsraad in de wind zou hebben geslagen, herken ik niet. Sterker nog, zoals in de reactie op het advies is aangegeven, delen we de constatering van de Onderwijsraad dat er meer samenhang nodig is in de ondersteuning van jongeren vanuit onderwijs en jeugdhulp. De afgelopen periode zijn er op dit gebied ook al stappen gezet, maar we zijn er nog niet. Vandaar dat de ondersteuning zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 ook de komende periode gecontinueerd wordt.
Deelt u de mening van de school en van CNV Zorg & Welzijn dat een gezinsspecialist een goede rol kan vervullen omdat deze persoon op school de schakel kan zijn naar de zorg die vanuit het gezin voor de leerling nodig is? Hoeveel gemeenten werken reeds met dergelijke gezinsspecialisten of zijn dit van plan?
Met de transitie van de jeugdhulp is de gehele verantwoordelijkheid voor het jeugdbeleid naar gemeenten overgeheveld. De Jeugdwet bepaalt de minimale (kwaliteit)eisen en binnen deze kaders zijn gemeenten vrij om te bepalen hoe zij vorm geven aan de jeugdhulp. In de praktijk vertaalt zich dit naar verschillende vormen zoals jeugd- en gezinsteams, teams voor volwassenen of teams voor inwoners van 0–100 jaar met verschillende vragen en problemen. Net als dat de inrichting van de teams een lokale aangelegenheid is, is dit ook van toepassing op de beschikbare kennis en expertise. Deze kan per team en gemeente verschillen. Er zijn gemeenten die werken met een gezinsspecialist; andere gemeenten kiezen voor een andere functionaris zoals de schoolmaatschappelijk werker.
De VNG heeft in maart een beknopte uitvraag gedaan naar jeugd en toegang in het sociaal domein waarin gevraagd is welke kennis en expertise onder meer belegd was in de verschillende teams. Een korte schets zal binnenkort gepubliceerd worden op de website van de VNG. Er is geen overzicht van welke gemeente voor welke constructie heeft gekozen.
Daarnaast zijn gemeenten ingevolge de WMO 2015 verantwoordelijk voor het bieden van cliëntondersteuning. Iedere gemeente moet ervoor zorgen dat cliëntondersteuning als laagdrempelige voorziening beschikbaar is voor alle burgers, en in het bijzonder voor cliënten en hun mantelzorgers die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs.
Hoeveel kinderen zitten er in Nederland thuis en volgen geen onderwijs, omdat de jeugdhulpverlening onvoldoende aansluit op het onderwijs? Wat gaat u voor deze kinderen doen?
Op 19 maart heb ik de leerplichtbrief naar uw Kamer gestuurd met daarin de meest recente verzuimcijfers, waaronder het aantal thuiszitters en absoluut verzuimers (26 695, nr. 100). Er is geen informatie over welk deel van hen geen onderwijs volgt omdat jeugdhulp en onderwijs onvoldoende op elkaar aansluiten. In dezelfde brief ben ik ook ingegaan op de aanvullende maatregelen die ik tref om verzuim en thuiszitten terug te dringen.
Hoeveel kinderen in Nederland zaten/zitten sinds de invoering van passend onderwijs langer dan drie maanden thuis voordat er een passend onderwijs- en/of zorgaanbod is/wordt gedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 bevat de leerplichtbrief de meest recente verzuimcijfers. Deze betreffen het schooljaar 2013–2014, dus nog voor de invoering van passend onderwijs. In deze cijfers wordt nog geen onderscheid gemaakt tussen kinderen die korter en die langer dan 3 maanden thuis zitten zonder passend aanbod. Dit najaar worden de gegevens over het schooljaar 2014–2015 verzameld. Dan wordt voor het eerst wel dit onderscheid gemaakt. Ik zal u hierover rapporteren in de jaarlijkse leerplichtbrief.
Sponsoring congres van moslimbroederschap |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat u een congres van een stichting van de moslimbroederschap hebt gesponsord?1
Nee.
Wat heeft die sponsoring gekost en waaraan is dat geld precies besteed door de organisator van het congres?
Nederland heeft een bijdrage van 10.000 Britse Pond geleverd aan een activiteit van de afdeling Midden-Oosten en Noord-Afrika van de gerenommeerde en onafhankelijke Britse denktank Chatham House, The Royal Institute of International Affairs, in Londen. De titel van de conferentie was: «Beleid, Macht en Sektarische Identiteiten in het Midden-Oosten». Het was dus geen congres of bijeenkomst van de Moslimbroederschap, maar een academisch getinte Chatham House conferentie met deelname door Westerse, Arabische en andere diplomaten, academici, journalisten, ngo’s en anderen.
Waarom geeft u geld van de Nederlandse belastingbetaler aan een congres met een organisatie die dood en verderf zaait en de ondergang van onze westerse samenleving nastreeft?
Zie antwoord op vragen 1 en 2
Wilt u dit geld uit eigen zak terugstorten in de schatkist? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie antwoord op vragen 1 en 2
Het draagvlak voor legalisering van softdrugs |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Drugsbeleid» van EenVandaag waar 29.131 leden van het EenVandaag Opiniepanel aan hebben meegedaan?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat 56 procent van de deelnemers vindt dat u experimenten met de organisatie van wietteelt door gemeenten zou moeten toestaan?
Ik heb kennis genomen van dit percentage.
Klopt het dat u net als uw ambtsvoorganger geen ruimte ziet voor de experimenten met de teelt en verkoop van wiet die lokale bestuurders hebben ingediend?
Ik onderschrijf de ernst van de problematiek. Met de burgemeesters ben ik dan ook van mening dat deze problematiek moet worden bestreden. Het lokaal bestuur beschouw ik hierin als een zeer belangrijke partner. Ik onderhoud regelmatig contact met burgemeesters van gemeenten die zich met deze problemen geconfronteerd zien. De voortzetting van de gezamenlijke aanpak van deze vormen van overlast en criminaliteit blijft van groot belang.
In het licht van de internationale afspraken waar Nederland zich aan heeft verbonden is het op dit moment niet mogelijk om over te gaan tot (experimenten met) regulering van de teelt. Zoals uit het onderzoek «Internationaal recht en cannabis, een beoordeling op basis van VN-drugsverdragen en EU-drugsregelgeving van gemeentelijke en buitenlandse opvattingen pro regulering van cannabisteelt» volgt, stuit eventuele regulering op juridische bezwaren. De conclusies van het rapport, dat ik op 21 maart 2014 aan uw Kamer heb gezonden2, zijn nog steeds van toepassing.
Daarnaast is het grootste gedeelte van de wietproductie bestemd voor de export. Uit het WODC-rapport «De export van in Nederland geteelde cannabis» volgt dat ongeveer 80 tot 90% (tussen de 78 en 91 procent of tussen de 86 en 95 procent, afhankelijk van de gebruikte definitie van gebruik door niet-ingezetenen) van de in Nederland geteelde cannabis bestemd is voor de export.
Dit onderzoek heb ik op 16 december 2014 aan uw Kamer gezonden3. Van de totale teelt is maar een klein gedeelte bestemd voor de Nederlandse coffeeshops. Regulering zal derhalve van zeer beperkt nut zijn bij het beter kunnen bestrijden van de georganiseerde criminaliteit die zich met de hennepteelt bezighoudt.
De gezamenlijke, geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit en overlast moet worden voortgezet. Met de inwerkingtreding op 1 maart 2015 van de wetswijziging van de Opiumwet, die voorbereidingshandelingen van hennepteelt strafbaar stelt, hebben Openbaar Ministerie en politie er een middel bijgekregen om het faciliteren van illegale hennepteelt beter aan te pakken. Door samen krachtig op te trekken kan drugscriminaliteit en de daarmee gepaard gaande overlast verder worden teruggedrongen.
Bent u bereid om experimenten met gereguleerde wietteelt toe te laten met als doel de belangen van de volksgezondheid, de openbare orde, de algemene veiligheid van personen en goederen of de rechtszekerheid beter te waarborgen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Welke alternatieven biedt u om de huidige problemen op te lossen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe en op welke termijn gaat u de problemen met straatoverlast, illegale drugshandel en branden door wietteelt oplossen?
Zie antwoord vraag 3.
De gevolgen van de ISDS clausules in Nederlandse handelsverdragen voor ontwikkelingslanden |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat bedrijven van investeringsbeschermingsclausules (ISDS) in handelsverdragen gebruik maken om geld te claimen bij landen die in hun ogen beperkende regels opstellen om bijvoorbeeld het milieu of de volksgezondheid te beschermen?1 Zo ja, wat vindt u daar eigenlijk van?
De afspraken in handels- en investeringsverdragen over investeringsbescherming geven buitenlandse investeerders het recht een beroep te doen op de in het verdrag voorziene regeling voor de beslechting van geschillen, Investor-State Dispute Settlement (ISDS). Een investeerder kan hier een beroep op doen indien hij meent schade te hebben geleden aan zijn investering door ongerechtvaardigd overheidsingrijpen. Er moet dan worden vastgesteld dat bepaald overheidshandelen in strijd is met de gemaakte internationale afspraken uit het verdrag. Hierbij gaat het om basisregels voor de behandeling van buitenlandse investeerders en hun investeringen, zoals wij die ook onder het nationale recht kennen. Deze basisregels zien op een eerlijke en billijke behandeling van buitenlandse investeerders, non-discriminatoire behandeling, het onbeperkt overmaken van kapitaal en het stellen van voorwaarden op basis waarvan onteigend mag worden (alleen met gepaste schadevergoeding). Mogelijke betaling van compensatie zal alleen van toepassing zijn indien er sprake is van schending van die standaarden en de staat derhalve onjuist heeft gehandeld. Een dergelijke alternatieve route van internationale geschillenbeslechting is van belang, omdat de kwaliteit van nationale rechtsgang of een eerlijk proces in het buitenland niet overal gegarandeerd is.
Om de zorgen te adresseren dat publieke belangen, zoals het milieu en volksgezondheid gewaarborgd blijven, is er op dit moment over investeringsbescherming met name in het kader van TTIP een proces van reflectie gaande, zowel op nationaal als op EU-niveau. Nederland zet zich er in dat kader voor in om het traditionele regime van investeringsbescherming te verbeteren en te vernieuwen. Het is hierbij voor Nederland van belang dat het recht van staten om in het publieke belang non-discriminatoire maatregelen te nemen wordt gewaarborgd, zonder daarbij het risico van schadeclaims te lopen. Misbruik van het systeem moet voorkomen worden. Daarnaast dient het ISDS-mechanisme transparanter te worden en dient de onafhankelijkheid van arbiters gegarandeerd te worden. Hiertoe heeft Nederland samen met een aantal andere EU-lidstaten – waaronder Duitsland en Frankrijk- voorstellen ingediend. Deze zijn op 6 maart jl. tevens naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465). Zie hierover ook de brief van 9 april jl. in reactie op de motie Maij c.s. inzake de ratificatie van TTIP (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1481). Op 6 en 7 mei jl. heeft de Europese Commissie haar visie hierop toegelicht, waarover u op 8 mei verslag heeft ontvangen.
Kunt u een overzicht sturen van alle handelsverdragen die Nederland heeft afgesloten of waar zij via de EU deel vanuit maakt waarin ISDS-clausules zijn opgenomen? Bij hoeveel van de door Nederland afgesloten handelsverdragen is een dergelijke clausule opgenomen?
Nederland heeft 107 investeringsbeschermingsverdragen (IBO’s) gesloten, waarvan er op dit moment 92 van kracht zijn. De verdragen met Bolivia, Venezuela en Zuid-Afrika zijn beëindigd en zeven verdragen zijn tussentijds herzien. Het verdrag met Indonesië wordt per 1 juli 2015 beëindigd. Er zijn vijf verdragen getekend, maar nog niet geratificeerd (Brazilië, Chili, Eritrea, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten). Zie voor een volledig overzicht de bijgevoegde lijst.2
In vrijwel alle IBO’s is voorzien in een internationale geschillenbeslechtingsprocedure tussen een investeerder en een staat (ISDS). De uitzonderingen hierop zijn drie akkoorden afgesloten voor 1972 (met Kameroen, Ivoorkust en Soedan). Ook in het Verdrag inzake het Energiehandvest van 1994 (hierna: Energiehandvestverdrag) is een hoofdstuk over investeringsbescherming en ISDS opgenomen. Bij dit verdrag zijn zowel Nederland als de EU partij.
De EU is pas sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in december 2009 bevoegd tot het sluiten van verdragen met afspraken over investeringsbescherming. Op dit moment zijn in twee vrijhandelsakkoorden een investeringsbeschermingshoofdstuk opgenomen. Deze betreffen het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Singapore en het Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) tussen de EU en Canada. Beide akkoorden zijn nog niet getekend en niet geratificeerd.
Kunt u een overzicht sturen van het gebruik van deze clausules vanaf 2000 tot heden, en daarbij aangeven welk bedrijf van de investeringsbescherming gebruik heeft gemaakt, tegen welke regels of besluit het aanroepen van de ISDS-clausule gericht was, hoeveel geld er werd geëist en of, en zo ja hoe hoog er is uitgekeerd per zaak? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat uit te (laten) zoeken?
Voor een overzicht van het gebruik van ISDS-clausules verwijs ik u naar Annex I van de bijgevoegde studie van UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development).3 Deze bevat een overzicht van het gebruik van de ISDS-clausule in bij UNCTAD bekende zaken onder internationale investeringsovereenkomsten door Nederlandse investeerders tot en met 2013. Het gaat hier specifiek om ISDS-zaken op grond van Nederlandse IBO’s en het Energiehandvestverdrag. De UNCTAD-studie komt tot de conclusie dat er relatief vaak een beroep op Nederlandse IBO’s en het Energiehandvestverdrag wordt gedaan in internationale arbitrage.
Cijfermatig is elf procent van de wereldwijde ISDS-zaken door een Nederlandse investeerder aanhangig gemaakt via een Nederlandse IBO of het Energiehandvestverdrag (tot en met 2013 gaat het om 61 van de in totaal 552 aangespannen zaken). Tevens geldt dat 20 procent van alle zaken tegen een Europees land is ingesteld. Een mogelijke verklaring hiervoor is de positie die Nederland als investeringsland wereldwijd inneemt met betrekking tot inkomende en uitgaande investeringen, gecombineerd met het hoge aantal geratificeerde Nederlandse IBO’s en het Energiehandvestverdrag.
Wat in het overzicht opvalt is dat de investeringsverdragen waar Nederland partij bij is door een grote verscheidenheid aan bedrijven worden gebruikt. Het betreft zowel grote moeder- en dochtermaatschappijen, als moeder- en dochtermaatschappijen uit de categorie midden-en kleinbedrijf. Ook is er een aantal natuurlijke personen met de Nederlandse nationaliteit geweest die een zaak aanhangig hebben gemaakt via Nederlandse IBO’s.
Volgens UNCTAD zijn er in het algemeen twee soorten overheidsgedragingen waartegen arbitrage onder genoemde investeringsverdragen wordt gestart: het annuleren dan wel breken van contractuele afspraken en het intrekken dan wel weigeren van vergunningen. Volgens de bijgevoegde UNCTAD-studie zijn de zaken onder investeringsverdragen waar Nederland partij bij is en de specifieke omstandigheden daarbij zeer divers en variëren zij van de «klassieke» scenario’s zoals directe onteigening en privatisering, tot zaken als het gedwongen faillissement van bedrijven.
Het grootste deel van de geschillen die Nederlandse bedrijven zijn gestart onder genoemde verdragen was volgens het UNCTAD-rapport gericht tegen Latijns-Amerikaanse landen (ca. 35 procent) en ca. 30 procent van de geschillen vond plaats binnen de EU, voornamelijk gericht tegen Oost-Europese landen. Deze percentages hebben betrekking op alle geschillen die sinds de eerste geratificeerde Nederlandse IBO tot eind 2013 zijn geïnitieerd Het meest ingeroepen verdrag is de Nederland – Venezuela IBO (14 keer), gevolgd door de IBO met Tsjechië (6 keer). In het geval van zaken tegen voormalige communistische staten gaat het volgens UNCTAD vaak om kwesties die verband houden met de economische transitie van deze staten (bijv. privatisering en economische hervormingen).
De UNCTAD-studie heeft een volledig overzicht van toegekende en niet toegekende claims, en bijbehorende arbiters- en proceskosten niet kunnen achterhalen vanwege een gebrek aan beschikbare data. Waar de gegevens hierover wel bekend zijn is dit aangegeven in annex II van bijgevoegde studie van UNCTAD.
Sinds de stijging van het aantal arbitragezaken in de afgelopen jaren is de noodzaak gegroeid om de kwaliteit van arbitragetribunalen te waarborgen. Dit is ook een van de vier punten die de Europese Commissie noemt in haar op 4 mei jl. gepresenteerde paper over verbetering in investeringsbescherming en ISDS. In dit voorstel komt de Nederlandse inzet4 voor verbetering goed naar voren. In CETA werden al verbeteringen doorgevoerd op de bestaande praktijk, zoals het instellen van een gedragscode, mogelijkheid voor derde partijen voor het instellen van amicus curiae briefs,publieke hoorzittingen en transparantie conform UNCITRAL-transparantieregels. De Commissie stelt in haar jongste voorstellen verder voor om een vaste lijst met arbiters in te stellen, benoemd door de staten. Zo worden expertise en onafhankelijkheid van degene die uitspraak moeten doen in een geschil gewaarborgd. Ook wordt de transparantie verder verbeterd door de mogelijkheid te creëren voor directe belanghebbenden om deel te nemen aan het proces.
Deelt u de mening dat het op zijn minst vreemd is dat we enerzijds via ontwikkelingshulp landen financieel ondersteunen en anderzijds via onze handelsverdragen ervoor zorgen dat deze landen grote sommen met geld moeten inleveren aan bedrijven?
In dit antwoord ga ik ook in op het SOMO-rapport (2015) «Socialising losses, privatising gains; how Dutch investment treaties harm the public interest». Het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid benadrukt de samenhang tussen het handels- en ontwikkelingsbeleid, waarbij de ambities om wereldwijde, duurzame inclusieve economische groei en succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland te realiseren worden gecombineerd. Zonder handel en investeringen komt duurzame ontwikkeling niet verder. Nederland investeert actief in een ondernemingsklimaat in binnen en buitenland. Deze investeringen bevorderen de werkgelegenheid, brengen know-how, stimuleren een technologie-overdracht en dragen daarmee positief bij aan economische groei.
Afdoende rechtszekerheid is een belangrijke voorwaarde voor het scheppen van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en het aantrekken van buitenlandse investeringen. In landen waar nationale wetgeving en instituties onvoldoende bescherming bieden, kunnen investeringsbeschermingsovereenkomsten dienen als alternatief voor het bieden van rechtszekerheid. Uit de studie «De regionale effecten van bilaterale investeringsverdragen op directe buitenlandse investeringen» van het CPB5 blijkt dat IBO’s tussen OESO-landen en al hun handelspartners investeringen bevorderen, in tegenstelling tot wat het SOMO-rapport suggereert. Op bilateraal niveau nemen volgens het CPB de investeringen tussen verdragspartners bij een IBO met gemiddeld 35 procent toe. Het door SOMO voorgestelde alternatief om de rechtstoegang voor investeerders te beperken tot nationale rechtsbescherming biedt dus niet altijd voldoende rechtszekerheid en zal ten koste gaan van investeringen.
Om duurzame groei te bevorderen is het van belang dat de investeringen en handel op een duurzame wijze ingebed raken in de samenleving, zodat de positieve effecten ervan ook daadwerkelijk de lokale samenleving bereiken. Het kabinetsbeleid op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) draagt hieraan bij. Dit stoelt op de UN Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO richtlijnen. In de meest recente investeringsbeschermingsovereenkomsten die Nederland gesloten heeft, wordt ook expliciet verwezen naar de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen.
In EU verband zet Nederland in op verduurzaming van handelsverdragen. Hierover heb ik gesproken met mijn collega’s uit Zweden, Duitsland, Luxemnburg en Denemarken tijdens de informele Handelsraad van 25 maart 2014 te Riga. De Commissie pakt dit op, zoals recentelijk in de verdragen met Canada, Vietnam en Myanmar.
Bent u bereid om de reeds afgesloten handelsverdragen waar Nederland partij in is te herzien en de ISDS-clausules hieruit te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in de brief van 9 april jl. in reactie op de motie Maij c.s. inzake de ratificatie van TTIP (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1481), wil Nederland de investeringsbeschermingsovereenkomsten moderniseren en herzien.
Conform mijn toezegging tijdens het VAO over TTIP op 9 april jl. – naar aanleiding van de aangehouden motie van het lid Thieme over het aangeven van een concreet tijdpad voor herziening van de investeringsverdragen – zal ik hieronder ingaan op het proces van de herziening van de bestaande portefeuille van 92 IBO’s.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het huidige debat over de herziening van het beleid ten aanzien van investeringsbescherming en geschillenbeslechting in IBO’s zal Nederland de modeltekst voor dergelijke akkoorden aanpassen. Dit zal in overleg gaan met alle stakeholders. Hierbij wordt aangesloten op de EU-standaard waarover op dit moment het debat nog gaande is. Vervolgens zal een proces van heronderhandeling van de bestaande IBO’s gestart worden.
Een notificatie waarin aangegeven wordt op welke punten de IBO aangepast zou moeten worden, dient minstens vijf maanden voorafgaand aan de beoogde start van de heronderhandelingen aan de Commissie te worden voorgelegd. Vervolgens dient Nederland voor elk voorstel voor heronderhandeling van een IBO conform de EU Verordening tot vaststelling van overgangsregelingen voor bilaterale investeringsovereenkomsten tussen lidstaten en derde landen (No. 1219.2012), autorisatie te vragen aan de Europese Commissie. Nederland gaat in een keer autorisatie aan de Commissie vragen om alle IBO’s te mogen herzien. De Europese Commissie kan autorisatie onder bepaalde voorwaarden weigeren indien:
De Commissie zal binnen 90 dagen een oordeel geven op het autorisatieverzoek, een termijn die eveneens geldt voor de goedkeuring door de Commissie voor ondertekening en de afsluiting van het nieuwe verdrag De wederpartij zal in moeten stemmen met heronderhandeling van de IBO.
In welke mate wordt Nederland door multinationals gebruikt voor treaty shopping, waarbij brievenbusfirma’s van multinationals zich alleen in Nederland vestigen om gebruik te maken van bepalingen in onze vrijhandelsakkoorden?
Ik deel die mening. Nederland wil een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor binnenlandse en buitenlandse investeerders. Een uitgebreid netwerk van investeringsbeschermingsverdragen maakt daar onderdeel van uit. Bedrijven die zich in Nederland als rechtspersoon hebben gevestigd en een investering hebben gedaan in een land waarmee Nederland een verdrag over investeringsbescherming heeft afgesloten, kunnen een beroep op dat verdrag doen. De huidige Nederlandse IBO’s stellen hieraan verder geen specifieke voorwaarden. In de nieuwe verdragen van de Commissie is treaty shopping niet langer mogelijk en Nederland wil dit ook herzien in de eigen IBO’s.
Zoals ik in de brief van 25 juni 2014 in reactie op de motie van Ojik (Kamerstuk 21 501-02-1397) heb aangegeven, acht ik het gebruik van een IBO door een bedrijf dat geen substantiële bedrijfsactiviteiten verricht onwenselijk. Ik ben bereid te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om in IBO’s een bepaling op te nemen, waarbij alleen bedrijven die substantiële economische activiteiten ontplooien, gebruik zouden kunnen maken van de verdragsvoordelen (investeringsbescherming). Uw suggestie om daarbij ook te kijken naar het fiscale recht neem ik hierin mee.
Deelt u de mening dat treaty shopping moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid mogelijkheden te onderzoeken om een einde te maken aan deze praktijk, bijvoorbeeld door in aansluiting bij het fiscaal recht substance eisen te stellen aan bedrijven die onder afgesloten en nog af te sluiten vrijhandelsverdragen vallen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Analyse financiering moskeeën gestaakt’ |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Analyse financiering moskeeën gestaakt»?1
Ja.
Klopt het dat het onderzoeksbureau Rand Europe geen medewerking heeft gekregen van de gebedshuizen bij het landelijke onderzoek naar de buitenlandse financiering van moskeeën en islamitische liefdadigheidsinstellingen? Indien ja, waarom wilden deze Islamitische gebedshuizen en liefdadigheidsinstellingen niet meewerken?
Nee, dit klopt niet. Het door Rand Europe uitgevoerde onderzoek betrof een haalbaarheidsstudie die tot doel had de uitvoerbaarheid vast te stellen van een grootschalige studie naar de aard en omvang van buitenlandse financiering aan islamitische instellingen in Nederland, alsmede de eventueel daarbij gestelde voorwaarden.
Om dit te bewerkstelligen hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van openbare data: gepubliceerde jaarverslagen van de geselecteerde moskeeën en islamitische instellingen, verslagen van rechtszaken, internetbronnen en informatie van de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Islamitische instellingen zijn dus niet benaderd om informatie te geven die niet reeds openbaar was.
Het klopt wel dat van de voor de haalbaarheidsstudie onderzochte gebedshuizen en islamitische instellingen sommigen geen jaarrekening of jaarverslag online hebben gepubliceerd, waardoor het voor de onderzoekers niet mogelijk was om de geldstromen van deze instanties in kaart te brengen. Deze instellingen zijn dat echter niet verplicht.
De meeste moskeeën in Nederland organiseren zich in de vorm van een stichting of vereniging, net als veel kerken en andere religieuze instellingen. Als een moskee als ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling) is geregistreerd, is zij, net als alle andere religieuze instellingen met ANBI status, tot 1 januari 2016 vrijgesteld van de verplichting om haar financiële administratie en jaarverslagen openbaar te maken. Daarna zullen zij net als alle andere ANBI’s hun jaarrekening, uitgaven- en inkomstenbalans en bijbehorende toelichting online moeten publiceren. Met het ingaan van die verplichting zal de financiële transparantie toenemen.
Wat gaat u er op korte termijn aan doen om alsnog de juiste informatie met betrekking tot financiering van deze islamitische gebedshuizen en liefdadigheidsinstellingen te verkrijgen?
In de «Beleidsreactie op het onderzoek naar de buitenlandse financiering van islamitische instellingen»2 zijn de aanbevelingen van de onderzoekers besproken. Daaronder valt ook de optie tot het instellen van een transparantieregister voor maatschappelijke instellingen, waaronder ook moskeeën en andere religieuze instellingen. Op die manier worden de instellingen die hun financiële huishouding op orde hebben ook niet nodeloos blootgesteld aan nader onderzoek.
In de beleidsreactie wordt aangegeven dat het Kabinet de constatering van het RMO3 onderschrijft dat elke geloofsgemeenschap de vrijheid heeft financiering aan te trekken ten behoeve van een moskee, kerk of tempel, zowel binnen als buiten de Nederlandse grenzen. Buitenlandse financiering is dan ook a priori noch onwenselijk, noch illegaal. Een gebrek aan transparantie echter maakt buitenlandse financiering daarentegen onwenselijk, wanneer dit een instapmoment creëert voor buitenlandse invloed, die niet verenigbaar is met het Nederlands waardenstelsel.
Ontransparante buitenlandse financiering verhoudt zich slecht tot de open Nederlandse samenleving, waarin de verschillende gemeenschappen duurzame relaties aangaan en samenwerken, ook met de overheid. Het Kabinet vindt het belangrijk dat Islamitische instellingen transparant zijn, omdat een gebrek aan transparantie misvattingen en achterdocht voeden. Het Kabinet roept de Islamitische instellingen die geld ontvangen vanuit het buitenland dan ook op om maximale transparantie te betrachten in de financiële relaties met het buitenland en openbare verantwoording af te leggen over de financieringsbronnen en de besteding ervan. Dit is zowel in het belang van de samenleving als de organisaties zelf.
Indien er in specifieke gevallen ernstige vermoedens rijzen van beïnvloeding middels buitenlandse financiering, die raakt aan de democratische rechtsorde dan wel de nationale veiligheid, hebben de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de taak om die beïnvloeding te onderzoeken.
Indien er geen ernstige vermoedens zijn van activiteiten die raken aan de democratische rechtsorde dan wel de nationale veiligheid, maar er wel twijfel bestaat over de financiering of de herkomst daarvan heeft het lokaal bestuur de mogelijkheid om een extern en onafhankelijk onderzoeksbureau in te schakelen. Als er twijfels zijn over de antecedenten van specifieke instellingen en mogelijke zakelijke samenwerkingsverbanden zal in individuele gevallen worden gegrepen naar reeds bestaande middelen van onderzoek. Bijvoorbeeld de mogelijkheid voor het lokaal bestuur om via de Wet Bibob – in het geval van bepaalde vergunningen en vastgoedtransacties -antecedenten te onderzoeken en eventueel daarover advies vragen bij het Landelijk Bureau Bibob. Hierbij dient wel te worden aangetekend dat een Bibob-onderzoek zich richt op strafbare feiten, en dat een dergelijk onderzoek bovendien ook beperkingen heeft in de mogelijkheden om buitenlandse bronnen te raadplegen.
Het Kabinet is daarnaast gestart om het diplomatieke gesprek waar nodig te intensiveren met landen die aan islamitische instellingen in Nederland schenken, met als doel de transparantie over deze financiële stromen te vergroten. Tevens wordt met gemeenten, lokale partners en gemeenschappen het gesprek aangegaan over de wijze waarop met lokale gemeenschappen optimale transparantie kan worden bereikt ten aanzien van financieringsstromen vanuit het buitenland.
Het bericht 'Tarieven Wmo over de kop' |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tarieven Wmo over de kop»?1
Ja.
Waarom zijn er zulke grote verschillen tussen verschillende gemeenten in het tarief ontstaan, en welke consequenties heeft dit voor de kwaliteit van zorg?
Op grond van de Wmo 2015 dragen gemeenten en door hen gecontracteerde aanbieders de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijk ondersteuning. De Wmo 2015 bevat hiertoe in opzet de noodzakelijke waarborgen voor de cliënt, maar ook voor de aanbieders. Voor de cliënten geldt dat indien wordt geconstateerd dat ondersteuning noodzakelijk is en de cliënt deze niet zelf, ook niet met behulp van zijn omgeving kan organiseren, een passende voorziening dient te worden verstrekt. Dit betekent onder meer dat de ondersteuning dient aan te sluiten op de specifieke ondersteuningsbehoefte en de kenmerken van de persoon en diens situatie. Voor zowel de algemene als de maatwerkvoorzieningen die ter uitvoering van de Wmo 2015 worden ingezet, geldt dat deze moeten voldoen aan de in de wet opgenomen basisnorm voor kwaliteit. De gemeenteraad is gehouden bij verordening, ter uitwerking van deze basisnorm, te expliciteren welke eisen aan de voorkomende voorzieningen worden gesteld, waaronder de eisen ten aanzien van de deskundigheid van de in te zetten beroepskrachten. Daar waar de cliënt de ondersteuning als niet passend beschouwt, heeft hij de mogelijkheid van bezwaar en zo nodig beroep.
Daarbij is – ook als waarborg voor aanbieders – in de wet vastgelegd dat gemeenten niet alleen mogen gunnen op basis van prijs, maar in ieder geval ook de gestelde eisen aan de kwaliteit van de voorzieningen expliciet moeten betrekken als criteria bij een aanbesteding. Voorts regelt de wet dat er sprake moet zijn van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de aan die voorziening gestelde kwaliteitseisen. Hierbij dient de gemeente rekening te houden met de daarvoor benodigde deskundigheid van beroepskrachten en de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden.
Met de Wmo 2015 wordt een gemeentelijke beleidsvoering beoogd die aansluit op de lokale problematiek en mogelijkheden. Daarbij geldt de opdracht voor gemeenten en aanbieders om tot maatwerk voor de cliënt te komen. Een logisch gevolg hiervan is dat er gemeentelijke verschillen zijn; verschillen in beleidskeuzes, verschillen in ondersteuningsarrangementen en verschillen in tarieven. De tarieven komen tot stand door middel van onderhandeling van gemeenten met aanbieders waarbij, rekeninghoudend met de verschillende relevante factoren, lokaal verschillen in prijs ontstaan.
Het bericht «Tarieven Wmo over de kop» bevat een overzicht van tarieven van verschillende gemeenten voor voorzieningen van begeleiding en dagbesteding, zonder dat inzicht wordt geboden in de inhoud van de achterliggende contracten en de ondersteuningsbehoeften en kenmerken van de cliënten waarvoor de betreffende voorzieningen worden ingekocht. Op basis van dit overzicht kan niet geconcludeerd worden dat de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen aan cliënten onvoldoende gewaarborgd wordt door gemeenten. Ook kan op basis van deze informatie niet vastgesteld worden dat er sprake is van door gemeenten en aanbieders afgesproken tarieven waarbij niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarde van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de aan die voorziening gestelde kwaliteitseisen.
Ik ga er vanuit dat gemeenten en aanbieders binnen het wettelijk kader hun verantwoordelijkheid nemen en hierbij onder meer tot passende afspraken over tarieven komen. Ik zie dan ook op dit moment geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Vindt u deze grote verschillen wenselijk? Zo nee, hoe gaat hij ervoor zorgen dat deze tariefverschillen minder groot worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de grote tariefverschillen voor de inwoners per gemeenten?
Onder verwijzing naar mijn antwoord op de vragen 2 en 3 zie ik geen aanleiding om specifiek onderzoek in te stellen naar tariefverschillen. De kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning heeft uiteraard mijn aandacht, ook in mijn gesprekken met de betrokken organisaties. Via de periodieke voortgangsrapportages zal ik u daarover informeren.
Het bericht "The age of mooc: gratis online toponderwijs wordt door bedrijven én universiteiten ingekocht" |
|
Pieter Duisenberg (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «The age of mooc: gratis online toponderwijs wordt door bedrijven én universiteiten ingekocht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onderdeel maken van massive online open courses (mooc's) in het reguliere onderwijs een uitgelezen kans is voor studenten om in aanraking te komen met de beste docenten van de beste universiteiten? Kunt u dit toelichten?
In januari 2014 heb ik Uw Kamer een brief2 gestuurd betreffende open en online hoger onderwijs. Hierin schreef ik dat de beste docenten wereldwijd of juist nationaal een plek zouden kunnen krijgen in het reguliere onderwijs. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van mooc’s of andere open digitale leermiddelen. De potentie hiervan is groot, al zal iedere hoger onderwijsinstelling er bijvoorbeeld vanwege het gekozen profiel anders van kunnen profiteren. Juist daarom stimuleer ik hogeronderwijsinstellingen om hiermee actief te experimenteren, de inzet te evalueren en daar lering uit te trekken.
Kunt u bevestigen dat onderwijsinstellingen laten onderzoeken of ze een deel van hun onderwijs kunnen inkopen via mooc’s om studenten te begeleiden in het onderwijs? Deelt u de mening dat mooc’s onderdeel kunnen worden van het curriculum, mits de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd blijft? Kunt u dit toelichten?
Ik ben niet bekend met onderwijsinstellingen die laten onderzoeken of ze een deel van hun onderwijs kunnen inkopen via mooc’s om studenten te begeleiden in het onderwijs. Wel zijn meerdere Nederlandse instellingen aan het experimenteren met het incorporeren van een mooc of andere vormen van online onderwijs in het reguliere curriculum. Dat doen ze door bijvoorbeeld een mooc van een buitenlandse instelling in te kopen en in te voegen in het curriculum. Ik deel uw mening dat de kwaliteit van het onderwijs ook daarbij gewaarborgd moet zijn. Net als het toekennen van studiepunten voor het volgen van een vak in het buitenland, kunnen examencommissies hiervoor studiepunten toekennen. Zij hebben een belangrijke rol om de kwaliteit te waarborgen. Als de onderwijskwaliteit gewaarborgd is, kunnen mooc’s en andere vormen van online onderwijs onderdeel worden van het curriculum, dat is nu in sommige gevallen ook al mogelijk.
Bent u bereid alle belemmeringen voor mooc’s weg te nemen opdat mooc’s onderdeel kunnen worden van het curriculum, mits de onderwijskwaliteit gewaarborgd blijft? Zo ja, wilt u deze belemmeringen dan inventariseren in overleg met het onderwijsveld en in een brief delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zolang de onderwijskwaliteit gewaarborgd blijft, kunnen mooc’s en andere vormen van online onderwijs onderdeel worden van het curriculum. Dit gebeurt ook al, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3. Ik ben bereid om het gesprek met het onderwijsveld aan te gaan, als ik signalen krijg van belemmeringen om mooc’s en andere vormen van online onderwijs te integreren in het curriculum. Dan zal ik Uw Kamer hierover ook informeren.
Op welke andere wijze ziet u kansen voor de erkenning van mooc’s? Hoe kijkt u naar de mogelijkheid van aantekeningen op het diploma of het verstrekken van certificaten na het volgen van mooc’s?
Mooc’s kunnen net als andere vormen van online onderwijs onderdeel zijn van het curriculum. Daarmee is er geen verschil tussen een mooc en andere vormen van onderwijs. Om een mooc als afzonderlijke module in het curriculum op te nemen en er studiepunten aan te kunnen verbinden, moet de kwaliteit door de examencommissie gewaarborgd zijn. Het is aan de instelling zelf om het op te nemen op het diplomasupplement. Daarnaast is het nu al mogelijk om buiten het reguliere curriculum om na het met goed gevolg afsluiten van een mooc van een andere instelling een certificaat te verkrijgen, meestal tegen (geringe) betaling. Het is aan de instelling zelf om een certificaat te verstrekken. Dit certificaat is weliswaar niet door de Nederlandse overheid erkend, maar geeft wel uitdrukking aan de ontwikkeling die de student heeft doorgemaakt. Daarmee kan het ook van waarde zijn voor bijvoorbeeld werkgevers.
Heeft u nog steeds de ambitie om Nederland leidend in Europa te maken op het gebied van mooc’s? Zo ja, welke stappen gaat u hiertoe ondernemen? Zo nee, waarom niet en op welke wijze anticipeert u dan wel op de digitalisering van het onderwijs in de rest van de wereld?
Mijn ambities op het gebied van open en online hoger onderwijs zijn onveranderd. De ontwikkeling op het gebied van open en online onderwijs zie ik als een zeer kansrijke ontwikkeling. Ik constateer dat Nederland er goed voor staat, met instellingen die ook internationaal gezien voorop lopen en een samenwerkingsorganisatie als SURF. Ik daag instellingen uit om actief te experimenteren en deze experimenten ook te evalueren. Zo stimuleer ik instellingen onder andere met een stimuleringsregeling3 die loopt tot en met 2019. Uiterlijk 1 mei aanstaande besluit ik welke aanvragers ik in de eerste tranche financieel kan ondersteunen. Met deze regeling daag ik instellingen uit om ook ambitieus te blijven en daarmee voorop te blijven lopen. Ook tijdens het Nederlands voorzitterschap van de EU in de eerste helft van 2016 zal open en online hoger onderwijs een belangrijk thema zijn, dat ik hoog op de Europese agenda wil houden.
Het verlopen van het besluit- en vertrekmoratorium voor verschillende provincies in Irak |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Op 7 oktober 2014 stuurde uw ambtsvoorganger een brief naar de Kamer ten aanzien van het asielbeleid voor Irak, waarin een besluit- en vertrekmoratorium werd aangekondigd voor de provincies Bagdad, Anbar, Ninewa, Salaheddin, Ta’mim, Doyala en Babil, voor de duur van zes maanden; deze zes maanden zijn bijna voorbij; wordt dit moratorium na ommekomst van de genoemde periode verlengd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, voor hoe lang?
Het besluit- en vertrekmoratorium voor Iraakse asielzoekers afkomstig uit de in uw vraag genoemde provincies, eindigt per 16 april 2015. De Minister van Buitenlandse Zaken zal rond die datum een ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Irak publiceren. Aan de hand van dat ambtsbericht zal ik een besluit nemen over de verlenging van het besluit- en vertrekmoratorium. Ik verwacht uw Kamer binnen een week na publicatie van het ambtsbericht, te kunnen informeren over mijn besluit. In de tussentijd worden in individuele zaken geen onomkeerbare stappen gezet.
Kunt u aangeven hoe de situatie nu is, aangezien uw ambtsvoorganger aangaf dat de situatie in de genoemde gebieden een half jaar geleden zeer onoverzichtelijk en volatiel waren en dat onduidelijk was welke gebieden precies onder controle waren van de Islamitische Staat?1 Is het nieuwe ambtsbericht al gepubliceerd en zo ja, wanneer kan dit worden verwacht?
Zie antwoord vraag 1.
Een beloningsanalyse door adviesbureau Focus Orange en het Financieel Dagblad |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw de reactie op de geconstateerde verschillen in inkomensgroei over 2014 van CEO’s van beursgenoteerde bedrijven (12%) ten opzichte van mensen met een modaal inkomen (1,5%)?1
Het zou de bestuurders van ondernemingen sieren indien zij de beloningen van de werknemers in de top in de pas laten lopen met de beloningen van werknemers op de werkvloer. In tijden van pril economisch herstel passen grote loonsverhogingen in de top van ondernemingen niet bij de gematigde loonontwikkeling voor werknemers. Het is aan werknemers, aandeelhouders, commissarissen en bestuurders van het bedrijf om in het licht van die actualiteit hierover te discussiëren en besluiten nemen. Het kabinet vindt met het oog op de arbeidsverhoudingen het belangrijk dat hier een open en transparante dialoog over wordt gevoerd.
Welke verhouding tussen inkomens binnen een onderneming is voor u acceptabel en zijn de geconstateerde verhouding tussen de beloning van CEO’s van beursgenoteerde bedrijven en modale inkomens daarmee in overeenstemming?
De stijging van de beloning van topbestuurders zoals genoemd in het artikel staan in contrast met de loonontwikkeling van reguliere werknemers. Ter illustratie, volgens cijfers van het CBS zijn de gemiddelde cao-lonen inclusief bijzondere beloningen in 2014 met 1% gestegen. Ik vind het wenselijk dat de beloning van bestuurders in de top in de pas loopt met de loonontwikkeling op de werkvloer. Ik roep het bedrijfsleven op dit uitgangspunt te hanteren. Het is aan de werknemers, aandeelhouders en bestuurders van een onderneming om uiteindelijk tot een passende verhouding te komen.
Waardoor komt het volgens u dat topinkomens zoals die van CEO’s van beursgenoteerde bedrijven zo fors kunnen groeien, terwijl gelijktijdig modale inkomens slechts beperkt toenemen?
Ik ben niet betrokken bij het besluitvormingsproces in bedrijven waarin de hoogte van beloningen worden vastgesteld. Het is derhalve niet aan mij om hier een verklaring voor te geven.
Welke maatregelen staan u ter beschikking om inkomensverschillen te beperken? Welke van de genoemde maatregelen zet u ook daadwerkelijk in? Welke niet? Op grond waarvan worden maatregelen al dan niet ingezet?
De sector heeft zelf reeds een code corporate governance opgesteld waarin beursgenoteerde ondernemingen vastgelegd hebben hoe goed ondernemingsbestuur eruit moet zien. Het kabinet vindt dat deze code, waarmee transparantie nagestreefd wordt, nageleefd moet worden. In aanvulling hierop wil het kabinet excessieve topbeloningen onder meer tegengaan door versterking van de medezeggenschap. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) zal daartoe worden aangepast. Deze wijziging strekt ertoe dat er jaarlijks een gesprek tussen de bestuurder en de ondernemingsraad plaatsvindt over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen, inclusief die van het bestuur. Op basis van de huidige informatieverplichting is een gesprek over de beloningsverhoudingen reeds mogelijk. Dit wordt nu een verplichting. In combinatie met de informatieverplichting kan binnen de onderneming een discussie over de beloningsverhoudingen op gang worden gebracht. De ondernemingsraad kan daarbij de achterban raadplegen, zodat er draagvlak is voor zijn opstelling in het gesprek met de bestuurder. Het wetsvoorstel zal voor de zomer aan de Raad van State worden aangeboden.
Bent u, indien de mogelijkheden om de forse groei van topinkomens te voorkomen beperkt zijn, bereid het minimuminkomen in gelijke mate te verhogen?
Het wettelijk minimumloon in Nederland is gekoppeld aan de gemiddelde contractloonontwikkeling in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid. Zodoende komt, in beginsel, de algemene welvaartsontwikkeling ook tot uitdrukking in de inkomens van werknemers met een minimumloon en uitkeringsgerechtigden. Ik zie geen reden om van deze systematiek af te wijken.
De brief van de stomapoli van het Diakonessenziekenhuis te Leiden |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de inhoud van de brief van Alrijne zorggroep?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja, die ken ik. Ik waardeer de bereidheid van zorgverleners om mee te denken over goede, betaalbare zorg. Patiënten, zorgverleners en verzekeraars zullen dat gezamenlijk vorm moeten geven, waarbij ieder zijn rol maximaal oppakt.
Wat vindt u van de constatering dat de huidige ontwikkelingen in de zorg de belangen van specifieke patiëntengroepen en zorgprofessionals die midden in de dagelijkse praktijk en problematiek staan niet of onvoldoende worden meegenomen?
Ik deel die mening niet, maar er is altijd ruimte voor verbetering. In mijn brief Kwaliteit loont2 heb ik aangekondigd dat ik de positie van de verzekerde verder ga versterken door meer inzicht in de kwaliteit van zorg; nog explicieter inzicht in wat de polis biedt; meer invloed op de verzekeraar en een laag drempelig klachtenloket.
Kunt u aangeven wanneer het door Zon-Mw uitgevoerde onderzoek naar hoe de hulpmiddelenzorg volgens richtlijnen verder gestimuleerd kan worden klaar is, en openbaar zal worden gemaakt?
Ik heb u in 2014 geïnformeerd over de praktijkevaluatie die het Nederlands Instituut voor onderzoek (NIVEL) heeft uitgevoerd onder gebruikers van medische hulpmiddelen. In de begeleidende Kamerbrief3 heb ik de rol van het Kwaliteitsinstituut (KI) maar vooral de regierol van zorgverzekeraars op het gebied van richtlijnen opnieuw benadrukt. Ik heb ZonMW om een nadere verkenning van de knelpunten gevraagd. Ik verwacht u het signalement van ZonMW na de zomer te kunnen leveren.
Kunt u aangeven hoe u de rol van de stomaverpleegkundige ziet als u voornemens bent steeds meer zorg naar de eerste lijn te verschuiven, en hoe wilt u samenwerking tussen eerste en tweede lijn stimuleren?
De stomazorg is ook nu al verdeeld over het continuüm van zelfzorg, thuiszorg, huisartsenzorg en medisch specialistische zorg. De rol van tweede lijn betreft met name de (na)zorg volgend op een operatie en de zorg bij complicaties.
Daar is de rol van de stomaverpleegkundige het meest uitgesproken. Ideeën over veranderingen in de organisatievorm van stomazorg zijn er altijd al geweest (zie4) en het zal van de lokale omstandigheden afhangen wat het beste werkt. Zowel zorgaanbieders als zorgverzekeraars als patiënten kunnen daarbij in mijn ogen initiërend zijn. Juist daarom ligt een overheidsrol niet in de rede. Zie ook mijn antwoord op vraag 10.
Deelt u de mening van de stomaverpleegkundigen dat de professional in overleg met de cliënt het beste kan beslissen welk stomamateriaal passend is (onderzoek Martins 2012)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De komende jaren zal er meer zorg naar de eerste lijn verschuiven. Daar is een kwalitatief sterke eerste lijn voor nodig waarin zorgprofessionals goed samenwerken. Ik ben van mening dat een patiënt zoveel mogelijk volgens richtlijnen en zorgstandaarden wordt behandeld en dat over deze richtlijnen afstemming tussen zorgverleners plaatsvindt.
Bent u het met de stomaverpleegkundigen eens dat zij weinig tot geen inzicht hebben in de feitelijke kosten van de stomamaterialen, omdat door leveranciers, fabrikanten en zorgverzekeraars prijsafspraken gemaakt worden? Wat vindt u van de suggestie dat het een goede ontwikkeling zou zijn als de kosten daadwerkelijk transparant zouden worden, zodat het kostenaspect zoveel mogelijk in de materiaalkeuze meegenomen kan worden?
Ik ben voor meer transparantie van de feitelijke zorgkosten, mits het geen concurrentiegevoelige informatie betreft, en dat het integrale kostenaspect van bepaalde zorg bij de keuze wordt meegenomen.
Kunt u aangeven welke verzekeraars stellen dat de controle en aanpassing van het materiaal overgenomen kunnen worden door de klantenservice van de leveranciers, waarbij de leverancier de verantwoordelijkheid voor de keuze van het materiaal krijgt? Wat vindt u van deze ontwikkeling?
Het is aan de zorgverzekeraar om invulling te geven aan zijn zorgplicht voor adequate hulpmiddelen voor zijn verzekerde. Het is niet aan mij om te bepalen op welke wijze een zorgverzekeraar deze aanspraak vertaalt in overeenkomsten met specifieke zorgaanbieders, zolang aan deze zorgplicht wordt voldaan. Naar mijn mening zou het verlenen van hulpmiddelenzorg volgens door het veld geaccordeerde protocollen en richtlijnen beter kunnen waarborgen dat de patiënt het hulpmiddel krijgt dat past bij zijn beperking
Wat vindt u van het standpunt van de stomaverpleegkundigen dat voor het voorkomen van complicaties de specifieke medische kennis en kunde van de zorgverlener nodig is?
Ik deel de mening dat iedere zorgverlener over voldoende kennis en kunde moet beschikken om verantwoorde zorg te kunnen bieden.
Deelt u de mening dat door een goede keuze van stomamateriaal complicaties en duurdere zorgkosten voorkomen kunnen worden? Wat vindt u van het onderzoek van Martins uit 2012, waaruit blijkt dat goede zorg door stomaverpleegkundigen elders een zorgbesparing oplevert (bijvoorbeeld bij de dermatoloog)?
Naar mijn overtuiging moeten zorgverzekeraars en zorgverleners er samen voor zorgen dat – binnen de kaders van de regelgeving – een verzekerde toegang heeft tot verantwoorde stomazorg met als uitgangspunt; «eenvoudig (goedkoop) waar dit kan en complex (duur) waar dit nodig is». Dat is in het belang van de patiënt en de premiebetaler omdat het een beroep op andere zorg kan voorkomen.
Herkent u het beeld dat, vanwege het tekort aan wijkverpleegkundigen, de stomazorg vaak gedaan wordt door niveau 3-verzorgenden? Vindt u niet dat deze zorg door stomaverpleegkundigen gegeven moet worden?
Verpleegkundigen, verzorgenden en doktersassistenten kunnen binnen hun beroepsuitoefening zorg verlenen aan patiënten met een stoma, waarbij verdere taakdifferentiatie mogelijk is. Met het oog daarop is ook onderwijs voor deze groepen ontwikkeld. Overigens is er op dit moment geen goed zicht op of er een tekort aan wijkverpleegkundigen is. Daarom heb ik in samenspraak met veldpartijen zoals ZN en V&VN besloten om een capaciteitsraming wijkverpleegkundigen uit te voeren. De eerste resultaten hiervan verwacht ik deze zomer.
Wat vindt u ervan dat er bij het verstrekken van een hulpmiddel, zoals incontinentiemateriaal, de glucosemeter en nu ook het stomamateriaal, de zorgverzekeraar (leverancier) bepaalt welk hulpmiddel wordt gegeven?
Zolang de zorgverzekeraar aan zijn zorgplicht voldoet en verantwoorde toereikende hulpmiddelenzorg verstrekt, heb ik daar geen moeite mee.
Wat kunnen patiënten doen als zij niet de medische hulpmiddelen verstrekt krijgen die de professional medisch noodzakelijk vindt?
Wanneer een patiënt het niet eens is met een besluit van zijn zorgverzekeraar en meent recht te hebben op bepaalde zorg, kan de patiënt de zorgverzekeraar om een heroverweging vragen. Mocht daarop geen bevredigend antwoord komen dan kan de patiënt een klacht indienen bij een onafhankelijke klachteninstantie Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) in Zeist.
Denkt u dat een leverancier in staat is op afstand te bepalen welke stomamaterialen nodig zijn? Denkt u überhaupt dat leveranciers van hulpmiddelen/zorgmiddelen in staat zijn op afstand te beoordelen welk materiaal iemand nodig heeft, en specifiek passend is? Zo ja, waarom?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 7.
Herinnert u zich uw toezegging dat u in verband met het hulpmiddelenbeleid met de toezichthouders wil spreken, maar ook met verzekeraars plus enkele partijen die daar nog achter zitten? Waarover gaat u met deze partijen precies spreken, en wordt de Kamer hierover vóór het zomerreces geïnformeerd? Kunt u aangeven hoe ver u bent met deze gesprekken, en wat er in de tussentijd moet gebeuren als patiënten niet tevreden zijn met het hulpmiddel, (hier: stomamateriaal), als dat niet passend is?
U refereert aan het Algemeen Overleg hulpmiddelen van 12 februari jl.5 waarin ik heb toegezegd dat de Kamer in de zomer 2015 wordt geïnformeerd over eventueel onderzoek van de Nza naar het inkoopbeleid van zorgverzekeraars. Ik heb Zonmw gevraagd een nadere verkenning te doen naar knelpunten die zich in de praktijk nog voordoen ten aanzien van gepast gebruik van hulpmiddelenzorg, waar verbeterpunten liggen en waarom deze verbeteringen vooralsnog niet tot stand zijn gekomen. Hierbij heb ik hen ook gevraagd relevante partijen (zorgverzekeraars, zorgaanbieders, patiënten) te raadplegen. Daarnaast ben ik met de NZa in gesprek over de invulling van de zorgplicht door zorgverzekeraars. Ik verwacht u in de zomer hierover te kunnen informeren.
Voor wat een patiënt kan indien hij niet tevreden is over een hulpmiddel, zie mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich de lijst van documenten die u overhandigd is tijdens het algemeen overleg van 3 maart 2015, waarop de volgende met de overhandiging opgevraagde documenten stonden:
Ja.
Kunt u voornoemde documenten alsnog per ommegaande naar de Kamer sturen?
Ten aanzien van de gevraagde documentatie stuur ik u de volgende documenten toe:
Inzake schriftelijke correspondentie tussen het Ministerie van VWS en de SVB zend ik u toe:
Inzake schriftelijke correspondentie tussen het Ministerie van VWS en overige ketenpartners zend ik u toe:
In de gevraagde documentatie is niet opgenomen de schriftelijke correspondentie tussen de SVB en VWS inzake de tijdelijke uitvoering van de werkgeversfunctie voor cliënten met een Zvw-pgb. Volledigheidshalve heb ik deze toegevoegd.
Kunt u de aangepaste begroting van de SVB ter dekking van alle extra kosten van het pgb-debacle aan de Kamer doen toekomen?
In de brief van 24 maart jl. (TK, 2014–2015, 25 567, nr. 146) heb ik de Kamer geïnformeerd over het herstelplan. Zoals in het (voortgezet) algemeen overleg van 26 maart jl. aangegeven, zijn aan het uitvoeren van dit herstelplan kosten verbonden die momenteel in kaart worden gebracht. Zoals in hetzelfde overleg toegezegd, zal ik de Kamer informeren zodra de totale meerkosten van het herstelplan bekend zijn en daarbij niet te wachten op de Voorjaarsnota. Ik verwacht uw Kamer medio mei hierover te kunnen informeren.
Indien u een van deze documenten niet naar de Kamer kunt sturen, kunt u dan aangeven per document waarom het in strijd is met het belang van de staat, zoals vermeld in artikel 68 van de Grondwet, om dit gevraagde stuk openbaar te maken?
Ik heb u in eerdere overleggen en ook afgelopen dinsdag in antwoord op mondelinge vragen maximale transparantie toegezegd. Conform afspraak met uw Kamer is besloten tot het houden van een onafhankelijk onderzoek naar de besluitvorming omtrent de invoering van het trekkingsrecht PGB. In dat kader heb ik uw Kamer reeds toegezegd dat de onderzoekers alle daartoe beschikbare documentatie, zoals de voortgangsrapportages ter beschikking worden gesteld. Thans loopt onderzoek door de Nationale ombudsman en het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer. In het Algemeen Overleg van 26 maart jongstleden is besproken om aan de hand van deze uitkomsten te bezien of vervolgonderzoek noodzakelijk is. In afstemming met uw Kamer zal ik bezien of de resultaten van dit onderzoek voldoende invulling geven aan de door de Kamer gevraagde evaluatie, of dat aanvullend onderzoek nodig is.
Inzake de CIO-oordelen, de verslagen van de stuurgroep trekkingsrechten en de bestuurlijk overleggen heb ik aangegeven dat ik deze beschikbaar stel voor het gevraagde onafhankelijk onderzoek. Dat is inmiddels ook gebeurd. Aangezien deze stukken persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren en de externe deelnemers aan het overleg bevatten die niet van te voren op de hoogte zijn gesteld van eventuele openbaarmaking is het staande praktijk in het verkeer met uw Kamer dat deze niet worden toegezonden. Omdat ik echter ook hier zo maximaal mogelijke transparantie wil betrachten zal ik deze, indien de Kamer dat zou wensen, ter vertrouwelijke inzage1) bij de griffie leggen.
Kunt u de Kamer de broncode en de ontwerpdocumentatie d.d. 1 januari 2015 van de op dat moment werkende ICT-systemen ter uitvoering van het trekkingsrecht door de SVB en de broncode en ontwerpdocumentatie van de nu werkende ICT-systemen ten behoeve van de uitvoering van het trekkingsrecht bij de SVB doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de broncodes en de ontwerpdocumentatie moet ik twee voorbehouden maken. Deze kunnen alleen openbaar worden gemaakt voor zover zij niet het intellectuele eigendom zijn van de leverancier en om redenen van veiligheid niet kunnen worden vrijgegeven (o.a. beveiligingssleutels en -codes,vertrouwelijke gegevens over de interactie of koppeling met andere systemen). Het andere voorbehoud zit in de praktische uitvoering van de vraag. Ik zie geen goede mogelijkheid om de broncodes op een toegankelijke en begripvolle manier beschikbaar te stellen. Ik wil dan ook voorstellen dat geïnteresseerde leden van de Tweede Kamer bij de SVB een toelichting krijgen van de SVB op het ontwerp van de ICT-systemen waarbij gezocht wordt op een toegankelijke wijze toegang te geven tot gevraagde informatie.
Het taboe op seks in de ouderenzorg |
|
Vera Bergkamp (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Meer aandacht voor seks en intimiteit in het verzorgingshuis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat seksualiteit in de ouderenzorg nog een te groot taboe is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u voornemens iets aan dit taboe te doen? Zo ja, hoe bent u van plan dit taboe te doorbreken?
Ik ben van mening dat aandacht voor intimiteit en seksualiteit in de ouderenzorg belangrijk is. Mijn indruk is dat het veld hier zeker ook al aandacht aan besteedt, zoals bij vraag 3 aan de orde komt, maar dat het zeker nog niet voor iedereen vanzelfsprekend is. In het Algemeen Overleg Kwaliteitsbeleid verpleeghuiszorg van 18 maart 2015 heb ik aangegeven dat ik voornemens ben dit onderwerp te bespreken met het werkveld en de beroepsorganisaties. Ik vind het belangrijk dat er in de ouderenzorg aandacht is voor de kwaliteit van leven. De wensen van de cliënt dienen centraal te staan. Het is zaak om de zorg met oog voor deze wensen in te richten en de zorg zo goed mogelijk op deze wensen aan te laten sluiten.
Deelt u de mening van Actiz (de organisatie van zorgondernemers) en kenniscentrum Rutgers WPF dat fysieke intimiteit een basisbehoefte is gedurende het hele leven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit concreet voor de gezondheidszorg, en wat kan daarbij verbeterd worden?
Intimiteit en seksualiteit blijven gedurende het hele leven basisbehoeftes van mensen en vormen een onlosmakelijk onderdeel van menswaardige zorg. Ik ben blij dat Actiz en het kenniscentrum Rutgers WPF een manifest hebben ondertekend om het onderwerp op de zorgagenda te krijgen zowel binnen zorgorganisaties als binnen zorgopleidingen. Het is goed dat dit soort initiatieven vanuit de sector zelf komen. Het zorgvuldig bespreekbaar maken van deze thema’s is het belangrijkste. Dat moet er bij voorkeur ook toe leiden dat er een vorm wordt gevonden waar betrokkenen zich in kunnen vinden. Ik vind het dan
ook belangrijk dat bij de bespreking van het zorgleefplan ook wordt gesproken over vraagstukken zoals privacy, seksualiteit en intimiteit.
Hoe gaat u invulling geven aan uw toezegging dat u «aandacht voor intimiteit en seksualiteit» zal inbrengen in de gesprekken die u voert met het werkveld en de beroepsorganisaties over de inhoud van de opleidingen? Op welke termijn zullen deze gesprekken plaatsvinden?
Opleidingsinstituten zijn samen met het werkveld en de beroepsorganisaties verantwoordelijk voor de inhoud van de opleiding en het actueel houden ervan. Ik ben in gesprek met V&VN of zij de regierol willen nemen in het actualiseren van de beroepsprofielen voor de mbo-verpleegkundigen en verzorgenden, waar de opleidingsinstellingen en het werkveld bij betrokken worden. De nieuwe competenties, zoals meer aandacht voor de kwaliteit van leven, krijgen hier een belangrijke plek in. Ik kan mij voorstellen dat «aandacht voor intimiteit en seksualiteit» onderdeel hiervan is. In het vervolgtraject over de beroepsprofielen zal ik dit onderwerp bespreken.
Deelt u de mening dat het taboe op seks in de ouderenzorg ook geldt voor de gehandicaptenzorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de gesprekken die u gaat voeren over seksualiteit in de ouderenzorg te verbreden naar de gehandicaptenzorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zal daar dan invulling aan worden gegeven?
Binnen de gehandicaptenzorg is «seksualiteitsbeleving» al langere tijd uit de taboesfeer, hoewel er wel ouders zijn die moeite hebben met de seksuele gevoelens (en wensen) van hun gehandicapte kind. Tijdens zorgplanbesprekingen wordt het onderwerp «seksualiteit» aan de orde gesteld. Veel instellingen organiseren deskundigheidsbevordering voor zorgprofessionals op het terrein van seksualiteit (en preventie van seksueel misbruik) zodat zij dit onderwerp goed met hun cliënten kunnen bespreken. Ook is er veel voorlichtingsmateriaal beschikbaar en is er aandacht voor het onderwerp in opleidingen. Ik zie dan ook geen aanleiding de te voeren gesprekken in de ouderenzorg te verbreden naar de gehandicaptenzorg.
Bent u voornemens het bestaande taboe om een seksuele dienstverlener in te zetten voor cliënten in de ouderen- en gehandicaptensector te doorbreken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Het is belangrijk dat de zorg zo wordt ingericht dat de cliënt zo veel mogelijk zoals thuis kan leven. Daarbij moeten intimiteit en seksualiteit bespreekbaar zijn tussen cliënt en zorgverlener. Het is het niet aan mij om te beoordelen wat seksualiteit inhoudt. Dit is bij uitstek een onderwerp waarover afspraken moeten worden gemaakt tussen cliënt en zorgverlener. Ik vind het van belang dat het onderwerp er mag zijn en bespreekbaar wordt gemaakt.