Reïntegratie-projecten van gemeenten |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gemeenten verdienen half miljoen aan dwangarbeid»?1
Ja.
Klopt het dat bij het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (ISWI) in Aalten en Oude IJsselstreek werknemers die eerst een arbeidscontract hadden en het minimumloon verdienden in 2011 zijn ontslagen, waarna er bijstandsgerechtigden zijn gaan werken «met behoud van uitkering» (dus niet tegen het minimumloon)? Is hier volgens u sprake van verdringing van betaalde arbeid? In welke mate komt deze praktijk breder voor bij gemeenten? Gaat u hiertegen optreden? Zo nee, waarom niet? Welke (wettelijke) instrumenten heeft u om verdringing te bestrijden? Bent u bereid tot verdere actie om verdringing en andere misstanden te voorkomen?
Ik beschik niet over informatie over de aard van de contracten en de wijzigingen hierin. Dit is een lokale aangelegenheid. Het betreft decentraal beleid en de gemeenten hebben beleidsvrijheid ten aanzien van het re-integratiebeleid. De gemeenteraad controleert het door het college van burgemeester en wethouders gevoerde beleid.
De inzet van re-integratie-instrumenten mag overigens niet leiden tot verdringing van reguliere arbeid. Het risico van verdringing van reguliere arbeid kan alleen lokaal en per geval worden beoordeeld. Ik heb er vertrouwen in dat gemeenten bij de toepassing van deze instrumenten hieraan de nodige aandacht geven en daarbij verdringing van reguliere arbeid voorkomen.
Het kabinet heeft aandacht voor het voorkomen van verdringing van reguliere arbeid. Ik verwijs daarbij naar de brief van 1 oktober 2014 over verdringing op de arbeidsmarkt. De verzamelbrief SZW gericht aan gemeenten van december 2014 (onderwerp2 gaat in op het voorkomen van verdringing van regulier werk. Verder heeft de Programmaraad in opdracht van SZW en naar aanleiding van verzoeken van de Tweede Kamer spelregels/handvaten ter voorkoming van verdringing van reguliere arbeid opgesteld. Gemeenten kunnen deze hanteren bij de inzet van re-integratie-instrumenten.
Hoe beoordeelt u het feit dat gemeenten klaarblijkelijk «geld overhouden» als gevolg van afspraken met werkgevers die (voor hen) goedkope arbeidsplekken ter beschikking stellen aan bijstandsgerechtigden die met behoud van uitkering werkzaamheden verrichten? Bent u bereid daar nadere regels aan te stellen, bijvoorbeeld in de zin dat een en ander ten goede moet komen aan betrokkenen?»
Het re-integratiebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is op grond van de Participatiewet een taak van de gemeenten. De gemeenteraad controleert het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Gelet op de gemeentelijke beleidsvrijheid ligt het niet in de rede dat de rijksoverheid zich uitspreekt over het beleid van een individuele gemeente. De verantwoordelijkheid om tot adequate keuzes te komen, ligt uitdrukkelijk op het lokale niveau. Het debat over het re-integratiebeleid en de uitvoering daarvan hoort derhalve plaats te vinden in de gemeenteraad.
Mensen met een uitkering zijn overigens primair zelf verantwoordelijk om een betaalde baan te vinden en de gemeente kan hen daarbij ondersteunen, maar kan geen baan garanderen. Cliënten kunnen wel bezwaar aantekenen tegen de aan hen gerichte beschikkingen die betrekking hebben op het re-integratietraject en de cliëntenraad kan vermeende misstanden in de uitvoering van het re-integratiebeleid aan de orde stellen.
Naar aanleiding van publicaties in de regionale pers over de uitvoering van het re-integratiebeleid van de gemeente Aalten is door het College van burgemeester en wethouders een raadsmededeling opgesteld en zijn er door de gemeenteraad vragen gesteld. Het college van burgemeester en wethouders heeft antwoorden op de gestelde vragen naar de gemeenteraad gezonden.
Klopt het dat bij het ISWI in Aalten en Oude IJsselstreek werknemers jarenlang met behoud van uitkering uiterst eenvoudige werkzaamheden moeten verrichten zonder dat er perspectief is op een betaalde baan? Wat vindt u hiervan? Deelt u de mening dat er bij re-integratie sprake moet zijn van stimuleren in plaats van «plagen en pesten»? Bent u bereid tot verdere actie teneinde het perspectief van betrokkenen leidend te laten zijn bij re-integratie-activiteiten?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft u de indruk dat gemeenten voldoende rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van mensen en dus «maatwerk» leveren bij re-integratie? Wat vindt u ervan als bijstandsgerechtigden feitelijk geld moeten bijleggen in het kader van re-integratie-activiteiten, omdat ze bijvoorbeeld hun eigen reiskosten en kinderopvang dienen te betalen terwijl ze voor hun werkzaamheden niets ontvangen? Bent u bereid om bij gemeenten aan te dringen op het oplossen van dit soort misstanden?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van de door de FNV onlangs uitgegeven brochure «Werken zonder loon», waarin misstanden als hier aan de orde worden omschreven? Bent u bereid de in bedoelde brochure gedane suggesties tot verbetering te betrekken bij de verdere vormgeving van uw beleid in dezen?
Het is goed dat de FNV aandacht vraagt voor zaken zoals verdringing van reguliere arbeid. Ik begrijp hun zorg. Dit betekent echter niet dat het opdoen van werkervaring middels tijdelijk werken met behoud van uitkering per definitie tot verdringing zou leiden en niet kan worden toegepast. Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt moeten een kans krijgen om werkervaring op te doen. Het kabinet gaat er vanuit dat gemeenten de re-integratie-instrumenten, zoals het tijdelijk werken met behoud van uitkering, zorgvuldig inzetten en er geen verdringing van reguliere arbeid ontstaat. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Banken die dienstverlening weigeren aan coffeeshops |
|
Wouter Koolmees (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de brief over betaalfaciliteiten voor coffeeshops en andere integriteitgevoelige sectoren d.d. 18 januari 2010?1
Ja.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat coffeeshops die zich aan de gedoogcriteria houden niet van iedere vorm van bancaire dienstverlening worden uitgesloten? Deelt u de mening dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat coffeeshops ondergronds moeten gaan bankieren, doordat ze worden uitgesloten van deelname aan het reguliere betalingsverkeer?
Ja.
Is het u bekend dat banken nog steeds betaalfaciliteiten weigeren aan coffeeshops zonder heldere opgaaf van redenen?2
In 2010 hebben de NVB en het Ministerie van Financiën met elkaar afgesproken dat coffeeshops die een betaalrekening wensen, niet categoraal moeten worden uitgesloten. Deze afspraak houdt in dat banken aanvragen voor betaalfaciliteiten voor coffeeshops in behandeling nemen en dergelijke aanvragen individueel toetsen en beoordelen. De insteek is dat coffeeshops die voldoen aan de criteria om een betaalrekening te hebben, ook daadwerkelijk toegang krijgen tot betaalfaciliteiten. Zonder een pakket primaire betaalfaciliteiten is het immers praktisch onmogelijk om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat banken beheersmaatregelen hebben getroffen om te voldoen aan de eisen zoals vastgelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op het financieel toezicht (Wft). Vanwege het risicoprofiel van de sector nemen banken risicomitigerende maatregelen, zoals het stimuleren van giraal betalingsverkeer. Indien een potentiële klant niet aan de door de bank genomen beheersmaatregelen wil voldoen, kan dit voor een bank reden zijn tot weigering van bancaire dienstverlening.
In hoeverre hebben banken daadwerkelijk hun acceptatiebeleid aangepast naar aanleiding van de guidance die door De Nederlandsche Bank is opgesteld over mitigerende maatregelen die banken kunnen nemen om de (witwas)risico's gerelateerd aan coffeeshops en andere integriteitgevoelige sectoren te kunnen beheersen?
Banken zijn zich bewust dat bepaalde typen cliënten of producten een inherent verhoogd integriteitrisico met zich mee kunnen brengen. De Nederlandsche Bank (DNB) noemt in haar Leidraad op de Wwft coffeeshops en exploitanten van relaxbedrijven als voorbeelden van verhoogde risicosectoren. De relatief grote hoeveelheid inkomend chartaal geld, waarvan de herkomst minder eenvoudig te bepalen is, zorgt er voor dat banken bij dit type cliënten extra maatregelen moeten treffen om het integriteitrisico te mitigeren. Te denken valt aan het stellen van een limiet aan de contante transacties. Ook wordt vaak vereist dat girale betalingen gestimuleerd worden. Cliënten met een verhoogd risico worden door banken niet categoraal geweigerd. Elke aanvraag wordt individueel beoordeeld en kan derhalve ook leiden tot weigering of acceptatie.
Van de NVB heb ik begrepen dat banken in hun beleid naar een balans zoeken tussen Customer Due Diligence (CDD)-verplichtingen enerzijds en toegang tot het betalingsverkeer anderzijds. Onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) is er ook een interbancaire expertpool Wet- en Regelgeving Criminaliteitsbeheersing die zich o.a. bezighoudt met CDD, witwasbestrijding en daarbinnen eigen risksystemen en toelatingsbeleid monitort en toetst. Daarnaast worden compliance officers regelmatig getraind.
Bent u bereid om op korte termijn opnieuw in overleg te treden met de Nederlandse Vereniging van Banken om te zoeken naar een beter evenwicht tussen het uitgangspunt van contractvrijheid en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van banken om te voorkomen dat coffeeshops van het reguliere betalingsverkeer worden uitgesloten?
Naar aanleiding van deze vragen heeft opnieuw overleg met de NVB plaatsgevonden. De NVB heeft de afspraken zoals gemaakt in 2010 zijn nogmaals herbevestigd. De NVB geeft aan met enkele nuttige initiatieven op dit terrein te komen zoals een voorlichtende folder voor belangenverenigingen, bedrijven en ZZP’ers opererend in integriteitgevoelige sectoren. Verder zal op de website van de NVB aandacht besteed worden aan de klachtenprocedure bij banken wanneer men, naar de mening van de aanvrager, ten onrechte geweigerd is tot bancaire dienstverlening. Wanneer de kanalen bij de bank zijn benut en het probleem blijft voor de aanvrager bestaan, dan kan dit bij de NVB gemeld worden.
De dreigende 'digitale dementie' in het openbaar bestuur |
|
Jacques Monasch (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bestuurders waarschuwen voor «digitale dementie»» in Binnenlands Bestuur?1
Ja.
Herkent u de problematiek die de bestuurders in hun brief beschrijven? Zijn er redenen voor gelijksoortige zorgen ten aanzien van de digitale archivering van de rijksoverheid, mede naar aanleiding van de constateringen van de tijdelijke commissie «ICT bij de overheid»?
De Nederlandse overheid digitaliseert. Dat is noodzakelijk voor een betere dienstverlening aan burgers en aan bedrijven. Het is ook nodig voor een efficiënte overheid die op kosten bespaart. Er is veel aandacht voor de digitalisering van overheidstaken en dienstverlening via internet. Maar onderkend moet worden dat informatiebeheer en digitaal archiveren niet altijd de hoogste prioriteit hebben. Van de zorgen van de burgemeesters en van andere bestuurders hebben we terdege kennis genomen. Hun zorgen worden gedeeld. Digitale werkprocessen vergen aandacht voor digitale bewaring veel eerder in het proces en reeds bij de ontwikkeling van een administratiesysteem. De uitgaven daarvoor zijn direct; het profijt komt vaak pas op lange termijn. De omvang van de informatie en de hoeveelheid documenten is tegenwoordig zo groot, dat papieren opslag – in een «archiefdoos» – ook onmogelijk is. Kon die tot enige tijd geleden nog worden geprint en «ouderwets» worden opgeborgen, dat is alleen al door de omvang van de informatiestroom niet meer mogelijk.2 De informatie op papier moet steeds meer wijken voor een al maar groter wordende stroom digitale informatie. Een digitale overheid impliceert digitale opslag en archivering.
In de reactie op het eindrapport Grip op ICT van de tijdelijke commissie ICT wordt aangegeven dat ook de rijksoverheid kampt met een forse uitdaging om overzicht te houden en het informatiebeheer zo in te richten dat het handelen van het Rijk reconstrueerbaar blijft zodat verantwoording afgelegd kan worden aan de samenleving en de Kamer.3 Het beheer van digitale documenten is niet dusdanig geregeld dat de terugvindbaarheid daarvan gegarandeerd is. Het Kabinet wil binnen deze regeerperiode het digitaal documentbeheer op orde hebben. Er is opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een gezamenlijk programma Informatiehuishouding voor de komende jaren. Als één van de toegezegde generieke voorzieningen is door het Nationaal Archief voor lange termijn opslag en beheer van digitale informatie een e-depot ontwikkeld. De komende jaren sluiten de beleidskernen aan bij deze voorziening waardoor informatie beter te delen en doorzoekbaar te maken is.
Archief 2020, het Nationaal Archief en ICTU werken samen aan het thema Digitale Duurzaamheid van de NORA (Nederlandse Overheid Referentie Architectuur). Digitale Duurzaamheid biedt houvast aan ICT-architecten om in projecten duurzame toegankelijkheid van digitale informatie te waarborgen. Recent is ook het Normenkader Duurzaam Toegankelijke Overheidsinformatie (DUTO) in een bètaversie gepresenteerd.4
Deelt u de zorg van de geciteerde bestuurders dat de eerste twintig jaar van deze eeuw de slechtst gedocumenteerde ooit dreigen te worden? Zo ja, kan dit tij nog gekeerd worden en wat moet daarvoor gebeuren? Zo nee, waarom niet?
De zorg voor het geheugen en het cultureel erfgoed van de Nederlandse overheid zijn een zaak van algemeen belang. Democratisch bestuur veronderstelt transparantie en de mogelijkheid van controle en verantwoording. Overheidshandelen dient reconstrueerbaar te blijven zodat verantwoording kan afgelegd. Kennis over het overheidshandelen moet beschikbaar zijn en blijven. Dat vergt bewustwording en onderkenning van het belang van duurzame archivering. De VNG, IPO en UvW brengen dit samen met deskundige organisaties onder de aandacht. Er worden diverse activiteiten en vormen van onderricht georganiseerd. In 2012 heeft de Minister van OCW samen met het IPO, VNG en de UvW het Archiefconvenant gesloten om de digitale uitdaging gezamenlijk aan te gaan. Vanuit het uitwerkingsprogramma Archief 2020 wordt gewerkt aan duurzame digitale toegankelijkheid. De Minister van OCW ondersteunt het gezamenlijke project Archiefinnovatie Decentrale Overheden (AIDO). Dat heeft tot doel overheden te stimuleren en te ondersteunen bij duurzame digitale archivering.
Welke veranderingen zijn er nodig in de procedures voor archivering door de digitalisering van werkprocessen? Op welke wijze hebben overheidsorganisaties zich hierop voorbereid en is dit al afdoende?
Evenals een traditioneel, fysiek archief dient ook een digitaal archief te voldoen aan hoge kwaliteitseisen inzake de betrouwbaarheid van de techniek en de archieforganisatie. En zoals ook bij vraag 2 werd aangegeven, vergen digitale werkprocessen aandacht voor digitale bewaring vroeg in het ontwikkelingsproces.
Op welke wijze wordt er toezicht gehouden op de digitale archivering van gemeenten, provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen? Bent u van mening dat hiermee een sluitend systeem van toezicht bestaat? Zo ja, waarop baseert u deze mening? Zo nee, hoe moet dit toezicht verbeterd worden?
De provincies zien op grond van de Gemeentewet toe op de uitvoering van wettelijke taken bij gemeenten en waterschappen, waaronder de Archiefwet. Vanuit dit interbestuurlijk toezicht beoordelen de provincies de situatie bij gemeenten en waterschappen. Zij kunnen ingrijpen en maatregelen treffen als de uitvoering niet in orde is.
Welke problemen ontstaan door gebrekkige digitale archivering en hoe kunnen deze voorkomen worden bij een actieve houding daarin? Hoe overtuigt u medeoverheden en uw collega’s van de belangen van goede digitale archivering?
Voor een indicatie van de problemen die kunnen ontstaan door gebrekkige digitale archivering, zouden we willen verwijzen naar de brief van genoemde bestuurders alsmede naar bevindingen in het eindrapport Grip op ICT.
Welke verantwoordelijkheid heeft u voor een correct werkende archivering? Hoe vult u deze verantwoordelijkheid in?
De Minister van BZK en de Minister van OCW dragen met name een verantwoordelijkheid voor het systeem en het stelsel van respectievelijk de openbaarheid van bestuur (Wob) en de bewaring van informatie (Archiefwet). De Minister van OCW ondersteunt in dat kader het programma Archief 2020. Dit is een innovatieprogramma waarin de archiefsector en alle lagen van openbaar bestuur in Nederland samenwerken om te komen tot duurzame toegankelijkheid van digitale overheidsinformatie en een toekomstvaste archieffunctie.5 Daarnaast heeft het gezamenlijke overheidsproject AIDO tot doel decentrale overheden te stimuleren en te ondersteunen bij duurzame digitale archivering.
Financiële steun aan het ROC Leiden |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen: «Nieuw gebouw en lagere huur ROC» en «Opluchting over nieuwe deal ROC»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Is het waar dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap financiële steun gaat verlenen aan het ID College en/of het ROC Leiden, zoals in de artikelen staat? Zo ja, wat is de reden voor deze steun? Om welk bedrag gaat het? Hoe is de hoogte van het bedrag bepaald? Uit welke middelen wordt dit betaald?
In mijn brief van 1 mei 2015 heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken bij ROC Leiden. In deze brief heb ik ook aangegeven dat ik maximaal € 40 miljoen uit het macrobudget van het mbo beschikbaar zal stellen voor het continueren van het onderwijs bij ROC Leiden en een impuls in de kwaliteit van het onderwijs. Dit betekent dat de sector de kosten zelf draagt. Ik zal de middelen onder strikte voorwaarden en gefaseerd verstrekken. Voor een verdere toelichting verwijs ik u naar mijn brief van 1 mei 2015.
Kunt u toelichten waarvoor deze middelen precies worden aangewend door het ROC?
Prioriteit bij besteding van de financiële bijdrage vanuit OCW is om de onderwijskwaliteit van (zwakke) opleidingen op korte termijn op peil te brengen.
Kunt u toelichten waarom in de brief van 13 februari 2015 aan de Kamer geen melding wordt gemaakt van deze financiële steun?2
In mijn brief van 13 februari heb ik u geïnformeerd over de situatie bij ROC Leiden. Hierin heb ik aangegeven het proces nauwlettend te volgen en waar nodig te faciliteren. Tevens heb ik aangegeven dat er nog veel zaken uitgewerkt moesten worden. De afgelopen periode heb ik met de betrokken partijen verschillende opties verkend om de ontstane problemen op te lossen. Hieruit is gebleken dat het verstandiger is om meer tijd te nemen om toe te werken naar één bestuurlijke entiteit in deze regio. ROC Leiden gaat daarbij in eerste instantie als een zelfstandige bestuursentiteit verder, waarna geleidelijk zal worden toegewerkt naar een gemeenschap van mbo-colleges. Bovendien heeft ROC Leiden een nieuwe huisvestingsafspraak gemaakt, waarmee de belangrijkste randvoorwaarde gerealiseerd is om structureel financiële ruimte te creëren voor kwaliteitsverbetering van opleidingen in het belang van studenten. Deze combinatie geeft mij voldoende vertrouwen dat hiermee aan belangrijke randvoorwaarden is voldaan om de continuïteit van kwalitatief goed onderwijs te garanderen. Daarom ben ik bereid om vanuit het macrobudget van het mbo financieel bij te dragen aan het mogelijk maken van deze oplossing. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik naar mijn brief van 1 mei 2015.
Deelt u de mening dat het financieel steunen van een ROC, dat door slechte beslissingen uit het verleden rondom vastgoed in de problemen is geraakt, een verkeerd signaal is naar de sector?
Het gaat mij om de continuïteit van goed onderwijs voor de studenten, niet om de continuïteit van de onderwijsinstelling. Ik heb meerdere opties overwogen en de andere opties (waaronder een faillissement) zouden leiden tot te hoge kosten en risico’s, zowel maatschappelijk als financieel. Daarom heb ik besloten om deze oplossing te kiezen. Overigens zal de bijdrage van maximaal € 40 miljoen betaald worden uit het macrobudget van het mbo, waardoor de sector de kosten zelf draagt. Om maximale lering te trekken uit deze casus heb ik een commissie in het leven geroepen die onderzoek doet naar ROC Leiden. Het doel van de commissie is vooral om te bezien hoe de huisvestingsbeslissingen tot stand zijn gekomen. Voor een nadere toelichting op het onderzoek van deze commissie verwijs ik u naar mijn brief van 1 mei 2015.
Ziet u kans deze vragen vóór het geplande Algemeen overleg over het ROC Leiden op 20 mei 2015 te beantwoorden?
Ja, bij deze heb ik aan uw verzoek voldaan.
Ballast Nedam dat zich terugtrekt uit infrastructurele projecten |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ballast Nedam gered uit zelfgegraven bouwput» en «Ballast trekt zich terug»?1
Ja.
Wat betekent het feit dat Ballast Nedam zich grotendeels terug zal trekken uit de projecten ten aanzien van de verbreding van de A15 en de ondertunneling van de A2 bij Maastricht? Wat wordt verstaan onder «grotendeels»?
Ballast Nedam heeft aangegeven dat de beide voorgenomen transacties in de komende periode worden uitgewerkt in definitieve overeenkomsten. Deze overeenkomsten worden voorgelegd aan de stakeholders, waaronder de opdrachtgevers Rijkswaterstaat en de gemeente Maastricht, die toestemming moeten verlenen aan de transacties.
Voor de afronding van de projecten heeft het besluit van Ballast Nedam, om zich deels terug te trekken uit de projecten A15 Maasvlakte-Vaanplein en A2 Maastricht, geen gevolgen. De in het MIRT Projectenboek 2015 opgenomen mijlpalen openstelling voor deze projecten A15 (uiterlijk eind 2015) en A2 Maastricht (uiterlijk eind 2016) worden hierdoor niet beïnvloed.
Voor het DBFM-project A15 Maasvlakte-Vaanplein heeft Rijkswaterstaat een contract met de opdrachtnemer, het consortium A-lanes A15 BV. Ballast Nedam blijft zowel als aandeelhouder van het consortium en als bouwer betrokken bij het project. Het aandeel in het economisch belang van de bouw en het onderhoud van het project wordt, zo heeft Ballast Nedam aangegeven, teruggebracht van 40% naar 10% waarbij Strukton en Strabag elk een 45% belang krijgen.
Bij de A2 Maastricht neemt Strukton het aandeel van Ballast Nedam in de bouw van de tunnel over. Omgekeerd zal Ballast Nedam de gebiedsontwikkeling volledig ter hand nemen door het aandeel van Strukton hierin over te nemen.
Kunt u toelichten of deze projecten nu in gevaar komen? Worden de geplande opleverdata nog gehaald? Zo nee, wat is de nieuwe planning? Als hier nog geen duidelijkheid over is, wanneer komt die duidelijkheid er dan?
Zie antwoord vraag 2.
Leidt dit besluit van Ballast Nedam tot hogere kosten van deze projecten? Zo ja, hoeveel? Wie zal hiervoor opdraaien?
Er is geen aanleiding te veronderstellen dat het besluit van Ballast Nedam leidt tot hogere kosten voor deze projecten.
Heeft u reeds andere bedrijven op het oog die in het gat kunnen springen dat de terugtrekking van Ballast Nedam bij het project van de ondertunneling van de A2 bij Maastricht slaat? Zo nee, wanneer komt hier duidelijkheid over?
Er hoeft geen andere opdrachtnemer voor het project A2 Maastricht te worden gezocht. Ballast Nedam en Strukton zullen het integrale project A2 Maastricht gezamenlijk afmaken. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Komt de bouw van het project 'Gaasperdammerweg» op de A9 ook in gevaar? Zo ja, welke financiële en planmatige gevolgen heeft dit?
Het consortium IXAS Zuid-Oost is de opdrachtnemer voor het DBFM-project A9 Gaasperdammerweg. Ballast Nedam houdt een deel van de aandelen in deze vennootschap en is als bouwonderneming betrokken bij het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de Gaasperdammerweg. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat een eventuele afbouw van het belang van Ballast in dit project gevolgen heeft voor de kosten of de planning van het project, maar het risico daarop ligt bij het consortium.
Kunt u reageren op de stelling in het voornoemde artikel in Trouw dat Ballast Nedam de geleden schade bij het project op de A15 zal verhalen op Rijkswaterstaat?
Met het consortium A-lanes A15 BV, waarin Ballast participeert, is recentelijk overeenstemming bereikt over de verantwoordelijkheidsverdeling voor een aantal scopewijzigingen en vertragingen en de daarmee verband houdende kosten.
A-lanes A15 BV meent daarnaast dat Rijkswaterstaat ook andere kosten nog moet vergoeden. Ik ben het daar niet mee eens. A-lanes A15 BV is hierover een arbritrageprocedure gestart. Mogelijk wordt in het artikel in Trouw aan dit geschil gerefereerd.
Kunt u reageren op de kritiek dat infrastructurele megaprojecten moeten worden opgeknipt om risico’s voor bouwers te beperken? Wat betekent dit voor huidige en toekomstige projecten, mede in het kader van de herijking van de «Design, Build, Finance and Maintain»-contracten en de Aanbestedingswet 2012?
De Aanbestedingswet 2012 wordt momenteel geëvalueerd. Uiterlijk in de zomer worden de kabinetsreactie en de uitkomsten hiervan aan de Kamer gestuurd.
De DBFM-leidraad en het DBFM-modelcontract worden daarnaast regelmatig geëvalueerd en geactualiseerd. In het najaar van 2015 zullen hiervan nieuwe versies verschijnen.
Verder is de planning van projecten en de omvang van de projecten onderwerp van regelmatig overleg met individuele marktpartijen en Bouwend Nederland. Zowel voor Rijkswaterstaat als voor overige opdrachtgevers is het belangrijk dat voldoende opdrachtnemers de projecten kunnen uitvoeren. Uit recent gehouden gesprekken is naar voren gekomen dat het volume en omvang van de projecten behapbaar is voor de markt. Bouwend Nederland vraagt Rijkswaterstaat daarbij wel terughoudend te zijn met projecten waarvan het bouwvolume meer dan 500 miljoen euro betreft. Tegelijkertijd is gesignaleerd dat de tenderinspanningen en tenderkosten, die de marktpartijen moeten verrichten, hoog zijn. Samen met Bouwend Nederland wordt onderzocht of deze tenderinspanningen kunnen worden gereduceerd.
Onduidelijkheid van cijfers bij inzameling en verwerking van PET-flessen en Plastic Heroes |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat producenten van PET(polyethyleentereftalaat)-flessen liever geen Plastic Heroes-balen accepteren en dat, indien zij deze op last van de frisdrankenindustrie toch accepteren, bij verwerking een verlies van 10 tot 50% per baal optreedt?
Nee.
Bent u bekend met het feit dat die fles vervolgens uit 25% recyclaat bestaat, en dit voor 22 tot 23% statiegeld-PET betreft en maar voor 2 tot 3% PET uit andere bronnen, zoals Plastic Heroes?
Nee. Over het toe te passen aandeel recyclaat in nieuwe PET-flessen zijn afspraken gemaakt in de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022. Er zijn geen afspraken gemaakt over de herkomst van dit recyclaat. Er is sprake van een internationale markt van vraag en aanbod voor gerecycled PET (rPET). Producenten van rPET bieden op die markt hun materiaal aan of kiezen voor separate afspraken met ketenpartijen.
In het kader van het onderzoek naar de prestatiegaranties heeft de ILT informatie opgevraagd bij een grote Nederlandse recyclaatleverancier die door de marktleider is opgegeven als leverancier. Deze recyclaatleverancier verwerkt momenteel het grootste deel van de Nederlandse statiegeldflessen.
Deze informatie heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) opgevraagd om te kunnen vaststellen of het gebruikte materiaal uit externe recyclingsprocessen afkomstig is en niet uit eigen processen.
Uit de geleverde informatie is gebleken dat het ingangsmateriaal in 2014 bij deze recyclaatleverancier in de onderzochte situaties volledig bestaat uit restanten van gebruikte PET-flessen uit Nederlandse en buitenlandse statiegeldsystemen.
Bent u bekend met vorenstaande of vergelijkbare cijfers? Welk deel/percentage van nieuwe flessen bestond in 2013 uit Plastic Heroes-PET of PET uit nascheidingssystemen? Welk deel/percentage was afkomstig uit statiegeldsystemen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel kiloton Plastic Heroes-PET is er in 2012 en 2013 in Nederland, na de eerste sortering, in balen beschikbaar gekomen?
Uit navraag bij Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) blijkt dat de volgende hoeveelheden PET, na eerste sortering, in balen beschikbaar zijn gekomen.
2012
5.790
855
6.645
2013
7.224
1.481
8.705
Werd Plastic Heroes-PET in 2012 en 2013 (en wordt het ook nu nog steeds) uitgesorteerd op de kwaliteit 90/10? Worden er ook hogere of lagere kwaliteiten geproduceerd? Om welke kilotonnen gaat het?
Het via bron- en nascheiding verkregen PET-materiaal wordt inderdaad verder gesorteerd op de kwaliteit 90/10. Deze kwaliteit moet 90% transparante PET-flessen bevatten en mag maximaal 10% andere PET-verpakkingen bevatten. Onderzoek van de ILT geeft aan dat alleen deze specifieke kwaliteit wordt geproduceerd. Deze kwaliteitseis is conform de afspraken die daarover gemaakt zijn tussen de Raamovereenkomstpartijen. Het gaat om 13 kton dat werd uitgesorteerd.
Hoeveel kiloton Plastic Heroes-PET is er in 2012 en 2013 bij flessenfabrikanten aangeleverd? Hoeveel PET uit nascheidingssystemen?
Onbekend is hoeveel aan flessenfabrikanten is geleverd. Alleen de stappen tussen het inzamelen en het weegmoment bij de recycler worden en zijn onderzocht door de ILT. Dat komt omdat als uitwerking van de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022 afspraken gemaakt zijn over ondermeer het meetmoment voor recycling. Dit is het inweegmoment bij de recycler.
Daarnaast betrekken producenten van PET-flessen hun grondstoffen voor de fabricage van PET-flessen wereldwijd van verschillende grondstoffenleveranciers, waarbij zowel virgin als rPET wordt gebruikt. Daarbij gaat het om een internationale markt van vraag en aanbod.
Het is wel bekend hoeveel PET van Plastic Heroes en uit nascheiding in 2012 en 2013 aan recyclers is geleverd. StAV geeft aan dat in 2012 en 2013 in totaal 13 kton gesorteerd PET afkomstig van de gescheiden inzameling via Plastic Heroes geleverd is aan recyclers. Vanuit de nascheiding is daar nog ruim 2 kton aan toegevoegd.
Hoeveel kiloton van dit gesorteerde PET is er in 2012 en 2013 daadwerkelijk door flessenfabrikanten tot recyclaat verwerkt? Hoeveel kiloton recyclaat is daarmee geproduceerd?
Het verwerken van gesorteerd PET tot recyclaat gebeurt bij recyclers en niet bij flessenfabrikanten. Zoals bij de antwoorden 2 en 6 aangegeven, is geen informatie beschikbaar over de hoeveelheid gesorteerd PET uit Plastic Heroes die uiteindelijk in nieuwe flessen terecht komt.
Hoeveel «virgin PET» is hiermee vermeden?
Zoals in reactie op vraag 7 reeds aangegeven, is onbekend hoeveel gesorteerd PET uit Plastic Heroes uiteindelijk als grondstof heeft gediend voor nieuwe flessen. Wel is bekend dat elke ton ingezet rPET leidt tot een ton vermeden virgin PET.
Wat betekent de term «opwerkverlies», die door flessenfabrikanten wordt gebruikt? Welk proces leidt precies tot welke opwerkverliezen?
Het verwerken van gesorteerd PET tot recyclaat gebeurt bij recyclers en niet bij flessenfabrikanten. Het is mij niet bekend wat de flessenfabrikanten met opwerkverliezen bedoelen. De recyclers verwerken de ontvangen balen van een sorteerder en maken daar granulaat van. In dat proces, dat inherent is aan het recycleproces, valt materiaal uit. Dit wordt opwerkverlies genoemd.
Met welke opwerkverliezen hebben deze flessenfabrikanten te maken alvorens zij de Plastic Heroes-PET of nascheidings-PET kunnen/willen gebruiken? Is dat 10 tot 50%?
Het gesorteerde PET met de kwaliteit 90/10 wordt door de recycler nog verder opgewerkt. Hoeveel opwerkverliezen daarbij optreden is in zijn algemeenheid niet aan te geven.
Overigens, ook bij de recycling van PET-flessen afkomstig uit het statiegeldsysteem treden verliezen op. Dus opwerkverliezen treden niet alleen op bij PET-flessen afkomstig van de Plastic Heroes en/of nascheiding.
Klopt het dat de stoffen die als opwerkverlies worden aangemerkt, worden verbrand? Hoeveel kiloton van de uit Plastic Heroes-systemen of scheidingsinstallaties afkomstige balen PET (90/10 of anderszins) is aldus in 2012 en 2013 verbrand of anderszins verwijderd?
De stelling dat alle opwerkverliezen bij recyclers vervolgens verbrand of verwijderd worden, is niet correct. Afgescheiden producten als de doppen (PP) worden anderszins gerecycled.
In welke mate dit plaatsvindt en welk deel mogelijk wel verbrand wordt, is onbekend omdat dit geen onderdeel uitmaakte van het onderzoek van de ILT.
Er wordt gezegd dat er, vanwege de lage olieprijzen in het afgelopen jaar, bij producenten van frisdrankflessen en sorteerders sinds anderhalf jaar sprake is van zeer grote voorraadvorming van balen PET, afkomstig uit Plastic Heroes-systemen en/of nascheiding; in hoeverre zijn er in de periode 2012 – 2014 voorraden ontstaan? Om hoeveel kiloton gaat het?
Het uitgesorteerde PET, via Plastic Heroes en via nascheiding, is in de betreffende periode volledig afgezet bij recyclers.
Of deze balen daar vervolgens grootschalig worden opgeslagen en tot voorraadvorming leiden, is niet onderzocht door de ILT. Deze vraag kan derhalve niet beantwoord worden.
Hoeveel kiloton van de aanvankelijk uit Plastic Heroes-systemen en/of nascheiding afkomstige balen PET (90/10 of anderszins) is in 2012 en 2013 weliswaar geleverd, maar vervolgens doorverkocht aan derden? Wat is er vervolgens mee gebeurd?
StAV geeft aan dat in 2012 en 2013 in totaal 13 kton gesorteerd PET afkomstig van de gescheiden inzameling via Plastic Heroes geleverd is aan recyclers. Vanuit de nascheiding is daar nog ruim 2 kton aan toegevoegd. De ILT controleert conform de afspraken over het meetpunt voor de recycling hoeveel materiaal bij een recycler over de weegbrug gaat. Omdat de stappen daarna geen deel uitmaken van het onderzoek, heeft de ILT geen zicht op de eventuele afvoer naar derden.
Om te waarborgen dat het materiaal daadwerkelijk door een recycler verwerkt wordt, geeft StAV aan dat het gesorteerde PET geleverd wordt aan gecertificeerde verwerkers die werken volgens een afgegeven certificaat. Dit houdt onder andere in dat het geleverde materiaal ook daadwerkelijk bij deze ontvanger verwerkt is of wordt. Onderdeel van deze certificering is onder andere dat de inkomende en uitgaande materiaalstromen van de desbetreffende recycler periodiek door de certificerende instantie worden geaudit om vast te stellen of verwerking daadwerkelijk op de locatie heeft plaatsgevonden.
Hoeveel kiloton gesorteerd Plastic Heroes-PET en PET uit nascheidingsinstallaties is in 2012 en 2013 niet aan producenten van frisdrankflessen geleverd? Aan wie zijn deze kilotonnen dan wel geleverd?
Het is niet bekend hoeveel PET aan producenten van frisdrankflessen is geleverd.
Zie ook de reactie op vraag 6.
In hoeverre wordt dit gesorteerde PET door de afnemer nog opgewerkt/uitgesorteerd? Welke opwerk/sorteerverliezen treden daarbij op?
Bij de afnemers van gesorteerd PET zal nog een verdere opwerking/sortering plaatsvinden. Conform de afspraken over het meetpunt voor recycling wordt alleen die hoeveelheid recycling opgevoerd die ook daadwerkelijk het recyclingsproces ingaat. Zie ook de reacties op de vragen 6, 9 en 10.
Hoeveel kiloton van het aldus aangeleverde PET is er in 2012 en 2013 daadwerkelijk aantoonbaar tot recyclaat verwerkt? Welke producten zijn hiervan daadwerkelijk gemaakt?
Als uitwerking van de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022 zijn er afspraken gemaakt over ondermeer het meetmoment voor recycling. Dit is het inweegmoment bij de recycler. Alleen de stappen tussen het inzamelen en dit weegmoment worden en zijn onderzocht door de ILT. Daarmee is het niet mogelijk om in kwantitatieve zin antwoord te geven op de vraag. Zie verder de reactie op vraag 10.
De afzetmarkt van gerecycled PET is een internationale markt waarin de vraag naar eindproducten varieert en dus ook de toepassingen van gerecycled PET. Recyclers bepalen zelf aan wie ze hun producten verkopen en het is aan de afnemers om te bepalen wat ze er mee doen.
In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat gerecycled PET ondermeer wordt ingezet als vezel voor bijvoorbeeld textieltoepassingen zoals kleding, vloermatten, slaapzakken. Of foodgrade kwaliteit als folie om bijvoorbeeld PET-bakjes van te maken of als grondstof van foodgrade kwaliteit in Bottle to Bottle toepassing.
Als er geen afzonderlijke producten van worden gemaakt, in hoeverre zijn deze stromen gemengd door andere (virgin) stromen? Hoeveel virgin materiaal is hiermee uitgespaard?
Bij antwoord 7 en 8 is aangegeven dat met de inzet van rPET virgin materiaal 1-op-1 vervangen wordt. Gezien de eerder aangegeven internationale markt en de onduidelijkheden rond de nog optredende verliezen, is niet te kwantificeren hoeveel virgin materiaal daadwerkelijk is uitgespaard.
Van welke materialen wordt fleece gemaakt? Wordt fleece alleen van zuivere PET (100%) gemaakt?
Fleece kan worden gemaakt van zowel virgin als van gerecycled PET.
Omdat fleece (en het vulmateriaal in bijvoorbeeld ski-jacks) gemaakt wordt van wat kortere ketens, heeft rPET de voorkeur. Omdat fleece meestal wordt ingekleurd, is het minder gevoelig op de kleurspecificaties.
Van PET uit het Plastic Heroes systeem wordt geen fleece gemaakt.
Zo nee, welke DKR-soort1 wordt door producenten minimaal vereist binnen hun productieproces van fleece? Welk deel mag restafval of andere kunststoffen zijn? Wordt dit restafval en worden deze andere kunststoffen ook verwerkt in de vezels?
Zie antwoord vraag 18.
Worden in Nederland of in het buitenland daadwerkelijk fleeceproducten gemaakt van gesorteerd PET afkomstig uit Nederlandse Plastic Heroes-systemen of Nederlandse nascheiding?
Hoeveel kiloton van dit gesorteerde PET werd door deze producenten ingekocht in 2012 en 2013?
Hoeveel kiloton van dit gesorteerde PET werd daadwerkelijk aangewend voor de productie van fleece? Is het daarbij als zelfstandig materiaal gebruikt of is het bijgemengd in een productieproces van virgin materiaal? In het laatste geval, in welke mate? Hoeveel kiloton fleece werd er vanuit dit gesorteerde PET in 2012, 2013 aldus geproduceerd?
Zie antwoord vraag 18.
Met welke opwerkverliezen hebben deze fleecefabrikanten te maken alvorens zij de Plastic Heroes-PET kunnen/willen gebruiken? Kunt u dit opwerkproces beschrijven? Hoeveel virgin materiaal is aldus uitgespaard?
Is deze fleece herkenbaar in de winkel? Heeft deze een vergelijkbare prijs als «virgin fleece»?
Naar deze stroom is geen onderzoek gedaan. Om die reden is deze informatie niet beschikbaar.
Met welke rapporten kunt u uw antwoorden op de bovenstaande vragen onderbouwen?
Zie antwoord vraag 24.
Mogen fleecekleding en andere synthetische kleding in de Plastic Heroes-bakken worden gedeponeerd?
Zie antwoord vraag 24.
Worden fleecekleding en andere synthetische kleding in scheidingsinstallaties herkend en uitgesorteerd als kunststof?
Nee. Het Plastic Heroessysteem is bedoeld voor de inzameling en recycling van kunststofverpakkingsafval uit huishoudens.
Voor de inzameling en recycling van kleding is er een aparte structuur. In de praktijk wordt geen kleding aangetroffen via Plastic Heroes en/of via de nascheiding uitgesorteerd.
Kunt u van de acht frisdrankproducenten – genoemd in het rapport monitoring Prestatiegaranties Raamovereenkomst Verpakkingen van de Inspectie Leefomgeving en Transport2 – die slechts een percentage van 10,7 recyclaat gebruiken in PET-flessen, per frisdrankproducent (al dan niet geanonimiseerd) het percentage recyclaat weergeven over 2013? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Om welke redenen voldeden niet alle bedrijven aan de norm van 25% recyclaat in nieuwe flessen? Heeft dit te maken met de inherente verontreiniging van Plastic Heroes-PET en nascheidings-PET?
De ILT heeft volgens de afspraken voor de prestatiegarantie over het toepassen van gerecycled PET in grote PET-flessen getoetst hoeveel recyclaat in het vierde kwartaal van 2013 voor productie van nieuwe PET-flessen in ingezet. Zoals in het ILT-rapport van 2013 over de prestatiegaranties is opgenomen, is in de verantwoording van het Afvalfonds hierover een overzicht opgenomen van het gemiddelde percentage recyclaat dat door acht frisdrankproducenten in het vierde kwartaal 2013 voor de productie van nieuwe PET-frisdrankflessen is ingezet. Uit het overzicht blijkt dat de percentages liggen in het bereik van 10,3 tot 47,3%.
Voldeden in 2014 wel alle bedrijven aan de norm van 25%?
In de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022 zijn afspraken gemaakt over een minimaal gemiddeld in te zetten aandeel recyclaat in nieuwe PET-flessen.
Dit is zoals afgesproken in de Raamovereenkomst door partijen uitgewerkt in een Basisdocument Monitoring Verpakkingen, waarbij ook de nadere afspraken uit het Addendum meegenomen zijn. Dit document is op 2 september 2013 aan uw Kamer aangeboden3.
Conform het Basisdocument is aan deze prestatiegarantie voldaan als de bedrijven die minimaal 95% van de markt vertegenwoordigen gemiddeld minimaal 25% recyclaat in nieuwe PET-frisdrankflessen hebben ingezet. Er geldt dus geen individuele verplichting voor elk van de bedrijven om minimaal 25% te halen.
StAV geeft aan dat de herkomst van het rPET voor de producenten niet van invloed is geweest op de keuze welk aandeel recyclaat in te zetten. Het heeft veel meer te maken met de tijd en de kosten die nodig zijn om veranderingen en innovaties door te voeren. Het verhogen van het aandeel rPET vraagt tijd en geld. De koplopers in het gebruik van rPET zijn hier al vele jaren mee bezig en hebben dit hoge niveau geleidelijk gehaald.
Welke garanties en aanwijzingen zijn er dat bedrijven die nu al niet de 25% halen door middel van de inschakeling van statiegeld-PET, dit wel gaan en zullen blijven halen indien statiegeld zou worden afgeschaft?
De prestatiegarantie is gemaakt voor een gemiddelde voor alle bedrijven, zoals toegelicht in antwoord 30. De ILT heeft in haar laatste onderzoek naar de prestatiegaranties opnieuw onderzocht of voldaan is aan de gemaakte afspraken. De ILT concludeert dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusie van het Afvalfonds dat aan de prestatie is voldaan. De ILT concludeert dit op basis van het onderzoek naar marktaandeel, herkomst recyclaat, rapportages van frisdrankproducenten (inclusief assurance-rapporten) en de toetsing van informatie uit bedrijfsbezoeken. De ruime marge tussen het gerapporteerde percentage toegepast recyclaat (35,59%) en de prestatienorm (25%) is hierbij meegewogen. Het percentage recyclaat dat in 2014 is toegepast is gestegen ten opzichte van het percentage in 2013. De door frisdrankproducenten toegepaste percentages liggen voor het vierde kwartaal van 2014 in het bereik van 18 tot 47,4%.
Welke garanties en aanwijzingen zijn er dat de overige bedrijven de eis van 25% zullen blijven halen, wanneer statiegeld zou zijn afgeschaft? Halen zij die 25% dan met PET uit Plastic Heroes-systemen en/of nascheiding of wordt dit (bijvoorbeeld uit statiegeldlanden) geïmporteerd?
Er zijn afspraken gemaakt over het gemiddelde niveau voor de gehele sector. Er zijn geen afspraken gemaakt over de herkomst van het rPET. Producenten hebben toegang tot een internationale markt voor rPET en maken daarin individuele afwegingen. De afspraak over het toepassen van gerecycled PET is in de Raamovereenkomst Verpakkingen ook als een aparte afspraak opgenomen en is niet alleen gekoppeld aan het wel of niet vrijgeven van statiegeld.
Er zal binnenkort een brancheverduurzamingsplan worden vastgesteld door het KIDV waarin hoogst haalbare doelen zijn opgenomen voor gerecycled PET in grote en kleine PET-flessen.
Er zijn al enkele jaren diverse PET-flessen op de markt die voor 60 tot 100% bestaan uit PET-recyclaat; betekent dit dan niet dat 60 tot 100% PET-recyclaat het hoogst haalbare doel voor de productie van PET-flessen zou moeten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 32.
Betekent het feit dat Coca Cola Duitsland adverteert met het feit dat de flessen van Coca Cola Life voor 100% uit recyclaat bestaan niet dat 100% PET recyclaat het hoogst haalbare doel voor de productie van PET-flessen zou moeten zijn?
Zie antwoord vraag 32.
Kan de Kamer vóór het Algemeen overleg Afval en grondstoffen in juni de ILT-rapportage met betrekking tot de hergebruiksnorm kunststof verpakkingen 2013 ontvangen?3 Zo nee, waarom niet?
Coca-Cola heeft inderdaad in Duitsland voor een beperkt deel van het verpakkingsvolume een PET-fles geïntroduceerd van 100% rPET. De ervaringen die hiermee worden opgedaan, zullen bijdragen aan de verdere verduurzaming op de lange termijn, samen met andere aspecten als de verlaging van het flesgewicht en de toename van recyclingmogelijkheden. Het hoogst haalbare doel zal uiteindelijk vastgesteld worden door het KIDV, na toetsing van het verduurzamingsplan hiervoor. Zie ook het antwoord op vraag 34.
De zorgen van gemeenten omtrent de financiering van de Veiligheidsregio’s |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van verschillende gemeenten over de bezuinigingsvoorstellen van de Veiligheidsregio’s en over de gemeentelijke kostenstijgingen als gevolg van de regionalisatie van de brandweer?1
De berichten waar u op doelt zijn mij bekend.
Welke gevolgen voor de veiligheid van inwoners hebben de voorgestelde bezuinigingen?
De inzet van de veiligheidsregio’s, de slagkracht van het optreden en de veiligheid van het personeel betreffen niet mijn verantwoordelijkheid maar die van het bestuur van de veiligheidsregio. Evenzo is het aan dat bestuur de inschatting te maken van hetgeen nodig is aan financiële middelen om adequaat invulling te geven aan de taken van de veiligheidsregio.
De Inspectie Veiligheid en Justitie geeft mij zicht op het niveau van brandweerzorg en rampenbestrijding. Als daaruit het beeld naar voren komt dat deze tekort schiet, heb ik de mogelijkheid om het bestuur maatregelen ter verbetering te laten treffen.
Kunt u garanderen dat bij de bezuinigingen de inzet van de veiligheidsregio’s, de slagkracht van het optreden en de veiligheid van het personeel geborgd blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het geval van gemeente Langedijk waarin een verhoging van 56% op de bijdrage aan de veiligheidsregio aan de orde is? Hoe verklaart u dit? Hoe vaak komt het voor dat gemeenten een kostenstijging van 50% of meer zien? Wat is het gemiddelde percentage?
Een veiligheidsregio is een bij wet verplicht gestelde gemeenschappelijke regeling. Het bestuur van een veiligheidsregio, bestaand uit de burgemeesters van de gemeenten in die regio, stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Die vaststelling en de verdeling van de financiële bijdragen van de inliggende gemeenten aan de veiligheidsregio vindt plaats in wisselwerking met de betrokken gemeenteraden. Langs deze lijn van verlengd lokaal bestuur hebben de gemeenteraden de mogelijkheid om hun rol in dit bestel in de relatie met de veiligheidsregio invulling te geven.
Ik beschik niet over een beeld van het aantal gemeenten dat problemen heeft met de bekostiging. Dat is zaak van gemeenten en veiligheidsregio.
Als er geen overeenstemming kan worden bereikt in het regiobestuur over de begroting, kan de gedeputeerde staten vanuit zijn rol van toezichthouder een aanwijzingsbesluit geven.
In hoeveel gemeenten zijn er problemen met de bekostiging van de Veiligheidsregio’s? Kunt u hier een overzicht van geven, inclusief een toelichting op de problemen? Welke oplossingen worden voorgedragen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u dat gemeenteraden voldoende mogelijkheden hebben om invloed uit te oefenen op de financiering van de veiligheidsregio’s? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen neemt u om de democratische controle van gemeenteraden op en de democratische legitimiteit van de veiligheidsregio’s te garanderen?
Zie antwoord vraag 4.
De berichtgeving aan scholen met betrekking tot de bezorging van de centraal schriftelijke examens |
|
Michel Rog (CDA), Paul van Meenen (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Op 23 april jl. kregen scholen bericht van het Ministerie van OCW over de bezorging van centrale examens; deze bezorging vindt door omstandigheden plaats in de meivakantie; in het bericht staat dat de school geacht wordt geen centrale examens af te willen nemen in het geval de bezorger de examens niet kan afleveren als de school gesloten is; wat vindt u van deze stelling in het bericht aan scholen? Bent u het inhoudelijk hiermee eens?
Ik ben het hier inhoudelijk mee eens. De directe aanleiding voor de wijziging in de bezorging van de examens was de diefstal van een aantal examens bij de Ibn Ghaldoun school in Rotterdam in 2013. De dieven hebben toen gebruik kunnen maken van de lange periode (de hele meivakantie) waarin de examens onbewaakt op de school lagen om in alle rust kopieën te maken van de examens. Daarom is besloten (en aan uw Kamer gemeld) dat de periode tussen het bezorgen van de examens en het daadwerkelijk afnemen zo kort mogelijk moet zijn. Aangezien de examens dit jaar op de dag na de meivakantie beginnen, betekent dit dat de examens aan het eind van de meivakantie bij de scholen worden aangeleverd. Op de dag zelf zou een te groot logistiek risico opleveren, omdat eventuele fouten dan niet meer hersteld kunnen worden. Ik besef dat dit betekent dat er daarmee iemand op de scholen aanwezig moet zijn om de examens in ontvangst te nemen, maar ben van mening dat dit nadeel niet opweegt tegen het risico dat anders gelopen wordt rond de veiligheid van de examens.
Daarnaast merk ik op dat de scholen over de bezorging van de centrale examens in september 2014 via de septembermededelingen van het College voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) zijn geïnformeerd. In die mededeling zijn de bezorgdata genoemd. Onlangs zijn alle scholen geïnformeerd op welk dagdeel van de drie bezorgdata de examenpakketten worden bezorgd. Dit was voor een aantal scholen aanleiding bij de Examendienst van DUO in Groningen te melden hier niet aan mee te werken. Het merendeel deed die melding anoniem. De kans bestaat dat er ook scholen gesloten blijven die dat niet (al dan niet anoniem) melden.
In overleg met het CvTE, de Inspectie van het Onderwijs en de Examendienst DUO is besloten op www.examenblad.nl te melden wat de consequenties zijn als scholen besluiten gesloten te zijn op de dag (dagdeel) van de bezorging. Andere bezorgdata zijn zoals hierboven geschetst niet mogelijk omdat direct na de meivakantie de examens starten, op maandag 11 mei 2015. Ook dit is vanzelfsprekend bij de scholen bekend.
Om die reden is de formulering gekozen dat scholen die bewust gesloten zijn hiermee feitelijk aangeven geen examens te willen ontvangen en dus ook geen examens gaan afnemen. Alleen als er sprake is van een overmacht situatie kan de school contact opnemen met DUO-Groningen.
Wat vindt u van de toon van het bericht en de manier waarop met scholen over deze kwestie gecommuniceerd wordt? Bent u het er mee eens dat het netter was geweest om te vragen om begrip voor de uitzonderlijke situatie, een datum en tijdstip voor aflevering af te spreken met scholen en zo ruimhartig mogelijk om te gaan met nalevering mochten scholen moeilijkheden ervaren met de levering?
Na de diefstal van de centrale examens in 2013 hebben scholen begrip getoond voor het besluit de bezorging van de centrale examens niet meer voor de meivakantie te laten plaatsvinden en onderkenden zij de noodzaak de levering vlak voor de afnamedatum te laten plaatsvinden. Ik heb toen ook mijn grote waardering uitgesproken voor de manier waarop de scholen hebben gereageerd op alle maatregelen die rond de diefstal noodzakelijk waren.
Ik betreur het dat de melding op www.examenblad.nl heeft geleid tot irritaties. De mededeling was in hoofdzaak gericht op de scholen, die aan DUO en CvTE hebben gemeld dat ze in mei gewoon dicht zijn. Het was beter geweest als dit in de tekst van de mededeling helder was gemaakt. Deze scholen moest duidelijk worden gemaakt wat de consequentie van die handelwijze was. Het overgrote deel van de scholen organiseert de examens perfect. Met deze scholen is, zoals u vraagt, een precieze datum en dagdeel afgesproken om de overlast voor de scholen zo klein mogelijk te houden. En zoals bij antwoord 1 is aangegeven, zal bij overmacht direct een oplossing door DUO – in overleg met de school – worden geboden.
Kunt u toezeggen dat elke school contact op kan nemen met DUO-Groningen over eventuele nabezorging van de examens en dat scholen niet geacht worden geen centrale examens te willen afnemen mocht de levering in eerste instantie, om wat voor reden dan ook, niet gelukt zijn?
Nee. Aangezien de examens direct na de meivakantie beginnen is er geen tijd voor nabezorging. Dit betekent dat alleen in gevallen van eventuele overmacht – en dat is dus nadrukkelijk niet het besluit om de examens niet in ontvangst te nemen omdat het vakantie is – naar maatwerkoplossingen gezocht kan worden.
Kunt u deze vragen, gezien de dringende aard van de kwestie, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Enschede betaalt werklozenbegeleider in korte tijd kwart miljoen’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de gemeente Enschede in korte tijd een kwart miljoen euro heeft betaald aan een begeleider van werklozen?1
Het re-integratiebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is op grond van de Participatiewet een taak van de gemeenten. De gemeenteraad controleert het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Gelet op de gemeentelijke beleidsvrijheid ligt het niet in de rede dat de rijksoverheid zich uitspreekt over het beleid van een individuele gemeente. De verantwoordelijkheid om tot adequate keuzes te komen, ligt uitdrukkelijk op het lokale niveau. Het debat over het re-integratiebeleid en de uitvoering daarvan hoort derhalve plaats te vinden in de gemeenteraad.
Uit informatie van de gemeente blijkt dat de ingehuurde projectleiding niet alleen is ingezet voor de begeleiding van werklozen, maar de projectleiding voor het gehele project betreft. Naast het begeleiden van werklozen betreft het project bijvoorbeeld het vitaliseren van de sportverenigingen en het opzetten van maatschappelijke activiteiten voor de buurt.
Het project had een looptijd van 3 jaar en de kosten voor de projectleiding bedroegen daarin € 204.000,-. Dit bedrag is uit andere gemeentelijke middelen betaald dan het participatie budget. Voor het project van drie jaar is een bijdrage uit het participatiebudget van de gemeente verstrekt van € 375.000,-. Het project is inmiddels geëvalueerd. Daaruit blijkt dat van de 208 werklozen die zijn gestart, 143 deelnemers hun vaardigheden zodanig hebben verbeterd dat ze gestegen zijn op de participatieladder, 58 hebben (vak)scholing gevolgd en 45 werklozen zijn doorgestroomd naar een werkplek bij een reguliere werkgever met perspectief. Van deze 45 die naar een reguliere werkgever zijn doorgestroomd hebben 13 een betaald dienstverband en is voor 17 mensen het instrument proefplaatsing ingezet. Verder kon voor 4 mensen de uitkering worden beëindigd, doordat ze gestart zijn met een studie in combinatie met studiefinanciering.
Klopt het dat (een deel van) het salaris is betaald uit het participatiebudget? Zo ja, welk bedrag?
Zie antwoord vraag 1.
Welk deel van het participatiebudget is besteed aan het project «de vitale sportvereniging»? Hoeveel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hebben aan dit project deelgenomen en hoeveel mensen hebben dankzij dit project een reguliere baan gevonden?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over het feit dat een gemeente enerzijds de rechten en het inkomen voor mensen in de bijstand zo minimaal mogelijk wil houden, maar anderzijds particulieren middels een royale beloning hieraan verdienen?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven wat de meerwaarde is van het verantwoordelijk maken van een peperdure sportmanager voor de re-integratie van werklozen? Vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Welke andere gemeenten huren dure externe krachten in voor de begeleiding en/of re-integratie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt?
Hierover zijn op mijn ministerie geen gegevens bekend, mede gelet op de decentrale bevoegdheid van gemeenten het re-integratiebeleid vorm te geven.
Bent u bereid om gemeenten aan te spreken op de inhuur van dure externen en maatregelen te nemen om de inhuur van externe (interim-)managers voor de re-integratie van mensen met een bijstandsuitkering te stoppen?
Zie het antwoord op vraag 1 tot en met 5.
Het bericht ‘Wie mag er naar de witte school’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wie mag er naar de witte school»?1
Ja.
Kunt u aangeven of met de beperking van de voorkeur tot de acht dichtstbijzijnde scholen alle richtingen van het onderwijs voor alle ouders in de gemeente Amsterdam beschikbaar zijn? In hoeverre wordt volgens u recht gedaan aan de vrijheid van onderwijs wanneer ouders een richting willen kiezen die niet binnen de acht dichtstbijzijnde scholen beschikbaar is, in welk geval hun keuze in de gemeente Amsterdam bij voorbaat genegeerd zou worden?
Met dit centrale aanmeldsysteem blijven alle richtingen die in Amsterdam worden aangeboden beschikbaar voor alle ouders. Ouders hebben in Amsterdam nog steeds de vrijheid om hun kind aan te melden bij de school van hun keuze, ook als deze niet bij de acht dichtstbijzijnde scholen hoort. Een kwart van de scholen in Amsterdam heeft echter te maken met overaanmeldingen. Deze scholen hebben niet voldoende ruimte en kunnen niet alle leerlingen toelaten. Zij moeten daarom op een objectieve en transparante manier beslissen welke leerlingen worden toegelaten.
Een school mag hiervoor werken met bijvoorbeeld postcodebeleid en/of met een broertjes/zusjes-regeling. Het staat een school ook vrij om hier gezamenlijke afspraken over te maken met de andere scholen in de regio, zoals in Amsterdam het geval is. Een ouder die zijn/haar kind aanmeldt, kan meemaken dat de school de leerling wegens overaanmelding heeft moeten weigeren. Deze leerling zal altijd nog op een andere school in Amsterdam terecht kunnen. Dit heeft daarom niet zozeer te maken met een beperking van de vrijheid van onderwijs, maar met het gebrek aan plaatsingsruimte op de meest gewilde scholen.
Kunt u bevestigen dat het scholen juridisch gezien vrij staat af te zien van deelname aan systemen voor de verdeling van leerlingen, bijvoorbeeld het lotingssysteem van de gemeente Amsterdam? Zo nee, waarom niet?
Ja, scholen zijn vrij om af te zien van deelname aan een dergelijk systeem. Scholen mogen vrijwillig meedoen aan afspraken met andere scholen in de regio om de toelating van nieuwe leerlingen te stroomlijnen, maar dit is niet verplicht. Zo zijn er meerdere scholen – vooral Algemeen Bijzondere scholen- in Amsterdam die niet participeren.
In hoeverre heeft u er vertrouwen in en heeft u zich ervan vergewist dat scholen daadwerkelijk in vrijwilligheid participeren, gelet op de onvrede die eerder ontstond naar aanleiding van de vermeende vrijwillige deelname van scholen aan een Amsterdams model van toezicht op onderwijskwaliteit?
Ik heb er het volste vertrouwen in dat de basisscholen vrijwillig deelnemen. Een voorbeeld is de Eerste Openluchtschool, die ook in dit artikel wordt genoemd. Deze school participeert niet in dit systeem voor de plaatsing van de leerlingen die volgend schooljaar zullen beginnen.
Het opleggen van een werkstraf aan een uitkeringsgerechtigde vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hoge eis voor niet gemeld kerkwerk», over het opleggen van een taakstraf aan een uitkeringsgerechtigde vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk?1
Ja.
Deelt u de mening dat het kabinetsbeleid vrijwilligerswerk niet in de weg moet staan, mede gezien het grotere beroep dat het kabinet op de samenleving doet? Ontvangt u meer signalen dat vrijwilligers vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk worden vervolgd voor fraude, ook al verdienen zij geen geld met het vrijwilligerswerk?
In de samenleving zijn alle vormen van participeren van burgers van groot belang. Dit geldt in het bijzonder voor vrijwilligerswerk. Er zijn mij geen andere signalen bekend van vervolging of veroordeling van bijstandsgerechtigden wegens fraude vanwege het niet opgeven van vrijwilligerswerk.
Ziet u in dit licht aanleiding om nog eens goed naar de werking van de fraudewet (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) te kijken? Deelt u de mening dat de wet zich moet richten op het aanpakken van fraudeurs, en dat goedwillende mensen niet de dupe van de wet moeten worden?
Ik zie in dit verband geen reden om naar de werking van de fraudewet te kijken. Reden is dat vrijwilligerswerk impliceert dat het moet gaan om onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie met een ideële doelstelling of die een maatschappelijk nut nastreeft en doorgaans additioneel zijn op bestaande maatschappelijke voorzieningen. Omdat er geen sprake is van inkomsten uit werk kan nimmer sprake zijn van fraude (verzwijgen van inkomsten of zgn. «zwart werken») op grond van de fraudewet. Wel kan er sprake zijn van het overtreden van de arbeids- en re-integratieverplichtingen indien het verrichten van vrijwilligerswerk niet wordt gemeld en dit de arbeidsinschakeling belemmert.
Wilt u samen met de gemeenten maatregelen nemen om de voorlichting te verbeteren, zodat het voor vrijwilligers duidelijk is dat zij vrijwilligerswerk ook moeten opgeven als zij hier geen vergoeding voor krijgen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten geven voorlichting over de inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid van de Participatiewet) en maken afspraken met klanten over hun arbeidsinschakeling. Ik zie thans geen aanleiding om samen met gemeenten de voorlichting met betrekking tot vrijwilligerswerk ter hand te nemen.
Concrete ervaringen van discriminatie op de arbeidsmarkt |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sollicitatie: Yassine niet welkom, minder ervaren Stefan wel»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat in dit geval er sprake kan zijn van strafbare discriminatie van de heer Yassine M.? Zo ja, wat raadt u de heer Yassine M. aan om te doen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om in eerste instantie te bepalen of mogelijk sprake is van een strafbaar feit dat aan de rechter kan worden voorgelegd. Er bestaan in Nederland verschillende wegen om (vermeende) discriminatie aan te pakken. De heer Yassine M. kan zich daarom wenden tot een gemeentelijke anti-discriminatievoorziening voor advies of bijstand bij de afwikkeling van zijn klacht, dan wel rechtstreeks contact opnemen met het College voor de Rechten van de Mens of aangifte doen bij de politie.
Acht u het mogelijk dat er in dit geval sprake kan zijn van discriminatie op grond van de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, wat raadt u de heer Yassine M. aan om te doen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) in samenhang met artikel 1 van de Awgb, is het verboden om onderscheid te maken op grond van onder meer ras (waaronder mede wordt verstaan etnische afkomst) bij de aanbieding van een betrekking en bij de vervulling van een openstaande betrekking. De beoordeling of er in dit concrete geval sprake is geweest van verboden onderscheid is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. De heer Yassine M. kan zich wenden tot een gemeentelijke anti-discriminatievoorziening voor advies of bijstand bij de afwikkeling van zijn klacht dan wel rechtstreeks contact opnemen met het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de mening dat bij sollicitaties alleen de kwaliteit van de sollicitant van belang zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
De kwaliteiten van een sollicitant dienen centraal te staan. Als er bij een sollicitatie sprake is van discriminatie is dit onacceptabel. Ingevolge artikel 1 van de Grondwet en de verschillende gelijke behandelingswetten zoals de Algemene wet gelijke behandeling, is het niet toegestaan om (verboden) onderscheid te maken in de selectieprocedure. Iedereen die zich in Nederland bevindt, dient in gelijke gevallen gelijk te worden behandeld.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar aangifte gedaan wegens discriminatie bij een sollicitatie dan wel een klacht ingediend bij het College voor de rechten van de Mens om deze reden?
Aan de politiesystemen zijn geen aangiftecijfers specifiek over discriminatie bij sollicitaties te ontlenen. Arbeidsmarktdiscriminatie wordt overigens veelal door andere instanties behandeld, met name door de anti-discriminatievoorzieningen.
Bij het College voor de Rechten van de Mens zijn in 2013 in totaal 94 klachten op het gebied van werving en selectie binnengekomen. In 2014 waren het er 80. Hierbij is «klacht» opgevat als een verzoek om een oordeel als bedoeld in artikel 10 van de Wet College voor de rechten van de mens.
In zowel 2013 als 2014 hadden 14 van deze verzoeken om een oordeel betrekking op (vermeende) discriminatie op grond van ras.
Onder «werving en selectie» valt behalve sollicitatie onder meer ook het plaatsen van een advertentie. Het is daarom niet bekend hoeveel van de bedoelde klachten specifiek betrekking hadden op een sollicitatie.
Heeft de Inspectie SZW taken en bevoegdheden ten aanzien van het bestrijden van discriminatie bij sollicitaties en discriminatie op de werkvloer? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk dat de inspectie deze taken en bevoegdheden gaat krijgen en zo ja, op welke manier?
De bevoegdheden van de Inspectie SZW beperken zich tot het toezicht in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet op de verplichting van de werkgever om een beleid te voeren ten aanzien van het voorkómen van discriminatie van zijn/haar werknemers en hebben geen betrekking op de werving- en selectiefase. In het toezicht wordt bekeken of de werkgever inventariseert welke verschijningsvormen van discriminatie er kunnen zijn, of er maatregelen zijn genomen om discriminatie te voorkomen, en of de werkgever regelmatig toetst of maatregelen werken en deze waar nodig bijstuurt. Indien in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet wordt vastgesteld dat er sprake is van het ontbreken van een dergelijk beleid, zal de Inspectie SZW de werkgever daartoe dwingen. Zo nodig wordt een boete opgelegd.
Naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer bij de begrotingsbehandeling 20152 heeft de Inspectie SZW een Team Arbeidsmarktdiscriminatie gevormd, bestaande uit een teamleider en vijf inspecteurs. Het Team Arbeidsmarktdiscriminatie is per 1 mei van dit jaar gestart met haar werkzaamheden.
Of er in individuele gevallen sprake is van discriminatie, oftewel van ongeoorloofde ongelijke behandeling, door een werkgever bij de selectie van werknemers is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. Zij zijn hiervoor toegerust en hebben hiervoor de expertise. Een oordeel of van ongelijke behandeling sprake is vereist een uitgebreid onderzoek naar de feiten en een zorgvuldige belangenafweging door een gerechtelijke instantie. Daarbij moet tevens worden onderzocht of er in juridische zin een objectieve rechtvaardigingsgrond is, waarvoor zowel de rechter als het College zijn geëquipeerd.
De Inspectie SZW heeft hierin geen rol. Een grotere rol voor de Inspectie SZW ligt dan ook niet voor de hand.
Het bericht dat ‘gemeenten een half miljoen verdienen aan dwangarbeid’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat de gemeenten Aalten en Oude IJsselstreek werklozen met behoud van uitkering soms jarenlang plastic bloemen laat vouwen in een fabriekshal?1
Het re-integratiebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is op grond van de Participatiewet een taak van de gemeenten. De gemeenteraad controleert het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Gelet op de gemeentelijke beleidsvrijheid ligt het niet in de rede dat de rijksoverheid zich uitspreekt over het beleid van een individuele gemeente. De verantwoordelijkheid om tot adequate keuzes te komen, ligt uitdrukkelijk op het lokale niveau. Het debat over het re-integratiebeleid en de uitvoering daarvan hoort derhalve plaats te vinden in de gemeenteraad.
Mensen met een uitkering zijn overigens primair zelf verantwoordelijk om een betaalde baan te vinden en de gemeente kan hen daarbij ondersteunen, maar kan geen baan garanderen. Cliënten kunnen wel bezwaar aantekenen tegen de aan hen gerichte beschikkingen die betrekking hebben op het re-integratietraject en de cliëntenraad kan vermeende misstanden in de uitvoering van het re-integratiebeleid aan de orde stellen.
Naar aanleiding van publicaties in de regionale pers over de uitvoering van het re-integratiebeleid van de gemeente Aalten is door het College van burgemeester en wethouders een raadsmededeling opgesteld en zijn er door de gemeenteraad vragen gesteld. Het college van burgemeester en wethouders heeft antwoorden op de gestelde vragen naar de gemeenteraad gezonden.
Op welke wijze draagt het jarenlang verrichten van dezelfde onbeloonde productiewerkzaamheden volgens u bij aan het opbouwen van werkervaring en een terugkeer naar de arbeidsmarkt?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat gemeenten jaarlijks een half miljoen verdienen door werkzoekenden dwangarbeid te laten verrichten? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om deze praktijken te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Is er volgens u sprake van oneerlijke concurrentie en verdringing wanneer gemeenten betaald werk van bedrijven onbetaald en met steun aan desbetreffende bedrijven laten verrichten door werkzoekenden zonder loon, met behoud van uitkering?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat in dit geval sprake is van regulier productiewerk? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw standpunt dat regulier productiewerk normaal betaald moet worden? Zo nee, waarom niet en wanneer zou wel volgens u wel sprake zijn van regulier productiewerk?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van gemeenten dat zij zich vanwege rijksbezuinigingen op re-integratie gedwongen zien mensen te laten werken zonder loon?
Zie antwoord vraag 1.
Welke instrumenten kunt u inzetten om klachten over dwangarbeid, uitbuiting en werken zonder loon te laten onderzoeken en te doen stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘De enorme interesse voor vergunningen voor internetgokken in Nederland’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Mark Harbers (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De enorme interesse voor vergunningen voor internetgokken in Nederland»?1
Ja.
Kunt u, na overleg met online gokaanbieders, deskundige veldpartijen en een oriëntatie op omringende landen, de Kamer een nieuwe inschatting geven van de te verwachten omvang van de markt voor online gokken in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Volgens de meest recente marktscan van H2 Gambling Capital (H2GC) bedroeg de omvang van de markt voor kansspelen op afstand in Nederland in 2014 ongeveer 232 miljoen euro, gerekend naar bruto spelresultaat. Afhankelijk van de precieze inwerkingtreding van het wetsvoorstel kansspelen op afstand, zal deze omvang, bij 20% kansspelbelasting, toenemen tot ruim 400 miljoen euro in 2018 of 2019 (exclusief loterijen), waarvan 300 tot 320 miljoen legaal.
Op mijn verzoek hebben drie brancheorganisaties van online kansspelaanbieders, Speel Verantwoord, European Gaming and Betting Association en Remote Gaming Association, een nadere inschatting gemaakt van de omvang van de Nederlandse markt voor online kansspelen in 2014. Deze schatting is gebaseerd op omzetgegevens van aanbieders die ieder voor zich een marktaandeel van minimaal 5% hebben en een gezamenlijk marktaandeel vertegenwoordigen van 65 tot 75%. Volgens deze gegevens bedraagt de huidige omvang van de Nederlandse online kansspelmarkt 218 tot 235 miljoen euro, gerekend naar bruto spelresultaat. Dit wijkt beperkt af van de geschatte marktomvang van circa 220 miljoen euro voor 2015, waarmee rekening is gehouden ten tijde van het regeerakkoord.
Zijn online gokaanbieders ten behoeve van deze raming desgevraagd bereid om u op korte termijn meer inzage te geven in de tot op heden gerealiseerde en te verwachten marktomvang voor het aanbieden van online gokspellen aan de naar schatting 800.000 Nederlanders die volgens schattingen online gokken?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, welke rol kan de FIOD-ECD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst-Economische controledienst) mogelijk spelen om deze informatie alsnog te helpen genereren?
Zie antwoord vraag 2.
Welke inkomsten aan kansspelbelasting raamt u bij een uniform belastingtarief voor alle online en landbased kansspelen van 24, dan wel 25% uitgaande van de gevraagde nieuwe inschatting van de marktomvang voor online gokken? In hoeverre wijkt dat positief of negatief af van de begroting?
Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel kansspelen op afstand (Kamerstuk 33 996, nr. 6) is bij de budgettaire opbrengst van dat wetsvoorstel uitgegaan van de cijfers zoals die ten tijde van het Regeerakkoord bekend waren. Nieuwe broncijfers, anders dan feitelijke realisaties, kunnen leiden tot hogere dan wel lagere opbrengsten dan eerder berekend voor het Regeerakkoord. Tegelijkertijd blijft de raming met onzekerheid omgeven. Door zoveel mogelijk uit te gaan van de ramingen uit het Regeerakkoord wordt willekeur in het ramen van beleidsmaatregelen voorkomen. Dit geldt dus zowel voor opwaartse als neerwaartse bijstellingen als gevolg van recentere cijfers. Bij het bepalen van het budgettaire effect van een uniform tarief van 24%, dan wel 25% wordt dus eveneens uitgegaan van de cijfers zoals die ten tijde van het Regeerakkoord bekend waren.
De budgettaire derving van verlaging van het KSB-tarief voor landgebonden kansspelen is € 16 miljoen per procentpunt per jaar. Een verlaging van het tarief van 29% naar 25% voor landgebonden kansspelen leidt dus tot een budgettaire derving van € 64 miljoen structureel per jaar. Een verlaging naar 24% leidt tot een derving van € 80 miljoen. Daar staat tegenover dat een verhoging van het voorgestelde KSB-tarief voor kansspelen op afstand naar 25% € 3 miljoen oplevert en naar 24% € 4 miljoen oplevert. Het verschil in opbrengst zit naast het tarief in het verschil in de te verwachten kanalisatie. Bij elkaar opgeteld leidt een uniform tarief van 25% tot een structurele budgettaire derving van € 61 miljoen en een uniform tarief van 24% tot een structurele budgettaire derving van € 76 miljoen ten opzichte van het huidige wetsvoorstel.
Welke kanalisatiegraad voorziet u bij die percentages?
Volgens de laatste marktscan van H2GC wordt bij een belastingtarief van 24% een initiële kanalisatiegraad van ongeveer 60% verwacht. Naar verwachting loopt deze kanalisatiegraad vier jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel kansspelen op afstand op tot ongeveer 70%. De kanalisatiegraad bij een belastingtarief van 25% zal hier naar verwachting niet sterk van verschillen. Dit is inclusief loterijen. Loterijen hebben 100% kanalisatie (is nu e-commerce). De feitelijke verwachte kanalisatie ligt lager.
Welke intensivering van de handhaving is er mogelijk om de kanalisatiegraad op of boven de beoogde doelstelling van circa 80% te laten uitkomen?
De handhaving jegens illegale aanbieders van kansspelen op afstand is vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet complex, vergt veel capaciteit en kent daarom de nodige beperkingen. Een sluitende handhaving op een groot aantal illegale aanbieders is daarom niet realistisch. Een succesvolle initiële kanalisatie is van cruciaal belang om de beoogde kanalisatiegraad van 80% te realiseren. Dit maakt het illegale aanbod aanzienlijk kleiner, waardoor de kansspelautoriteit haar handhavingscapaciteit meer gericht kan inzetten op het aanpakken van illegale aanbieders. Ook andere Europese lidstaten die Nederland reeds voorgegaan zijn met regulering zijn tot de conclusie gekomen dat regulering en hoge kanalisatie de beste wijze is om de speler te beschermen tegen de risico’s verbonden aan deelname aan kansspelen op afstand.
Het voorgenomen verbod op gratis plastic tassen |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom neemt Nederland maatregelen om het gebruik van plastic tassen boven de 50 micron te ontmoedigen, terwijl dit op basis van de EU-afspraken niet nodig is?1 Deelt u de mening dat hier sprake is van een strengere toepassing van Europese regels dan strikt noodzakelijk is? Hoe verhoudt zich dit tot het regeerakkoord, waarin staat dat Nederland geen extra koppen of eisen bovenop Europees beleid zal stellen? Kunt u dit toelichten?
Centraal in de Europese Richtlijn staat het tegengaan van inefficiënt gebruik van hulpbronnen en het reduceren van zwerfvuil. De Europese Richtlijn verplicht lidstaten om in ieder geval maatregelen te nemen voor plastic tassen onder de 50 micron. Tegelijkertijd biedt de Richtlijn ruimte om maatregelen te nemen voor alle soorten plastic draagtassen, ongeacht de wanddikte ervan. Ik maak gebruik van de ruimte die de richtlijn zelf biedt en zie dit om die reden niet als kop bovenop Europees beleid.
Het verbod dat per 1 januari 2016 in Nederland in werking treedt, zal alle soorten plastic draagtassen betreffen, ongeacht de wanddikte. Hiermee wordt voorkomen dat er een verschuiving plaatsvindt van de productie van plastic draagtassen onder de 50 micron naar productie van draagtassen boven de 50 micron. Daarnaast is het voor de consument en winkelier en voor de handhaafbaarheid wenselijk om het verbod zo eenduidig en eenvoudig mogelijk te maken.
Waarom wordt het gebruik van plastic tassen in Duitsland op vrijwillige basis gereduceerd en besluit u in Nederland tot een wettelijk verbod? Was er in Nederland geen of te weinig initiatief vanuit ondernemingen en consumenten? Is de milieudruk van een plastic tas in de ons omringende landen anders?
Nederland is al eerder begonnen met het nemen van maatregelen voor de reductie van het gebruik van plastic tassen.
In 2012 is de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022 afgesloten tussen het Rijk, de gemeenten en het verpakkende bedrijfsleven. Daarin is afgesproken dat in het kader van de Verduurzamingsagenda verpakkingen gewerkt zal worden aan het terugdringen van plastic draagtassen in het winkelkanaal. Concreet is afgesproken dat de supermarkten per 1 januari 2014 geen gratis plastic tassen meer weggeven bij de kassa. Vervolgens ben ik in lijn met de voornemens op Europees niveau aan de slag gegaan om de gratis plastic tas in breder verband uit te bannen. Hierover zijn gesprekken gevoerd met brancheorganisaties. Mede naar aanleiding van deze gesprekken is besloten om een brede aanpak voor draagtassen te maken waarbij wordt ingezet op preventie, hergebruik en op de juiste manier afdanken, met als onderdeel een verbod op gratis plastic draagtassen bij de kassa.
Alleen op basis van vrijwillige afspraken zou de gewenste vermindering van de milieudruk niet bereikt worden. Een aanpak is pas echt effectief als die overal wordt toegepast. Gedurende de gesprekken met de brancheorganisaties werd steeds duidelijker dat veel winkels niet aangesloten zijn bij de brancheorganisaties. Daarom hebben de meeste branches aangegeven dat ze liever regelgeving zien. Het is onder andere deze informatie die mij er toe heeft gebracht om over te gaan tot een verbod op gratis plastic tassen.
Kan er volgens u sprake van een gelijk Europees speelveld zijn als er in elke EU-lidstaat andere regels gelden voor wat betreft plastic tassen? Waarom wel of niet?
De Europese regels schrijven voor dat lidstaten ofwel ervoor moeten zorgen dat plastic tassen niet langer gratis worden verstrekt, ofwel andere maatregelen moeten nemen die het verbruik van plastic tassen doen verminderen tot 40 plastic draagtassen per persoon per jaar in 2025. Ik kies voor het eerste.
Het feit dat lidstaten enige flexibiliteit hebben om te bepalen hoe ze maatregelen nemen om het verbruik van plastic tassen te reduceren, vind ik een goede zaak. Flexibiliteit is nodig om rekening te houden met de specifieke omstandigheden in de verschillende lidstaten. Een gelijk speelveld blijft bestaan aangezien de plastic tas nergens als afzonderlijk product verboden wordt, en vergelijkbare reductiestreefwaarden gelden in alle lidstaten.
Is van de EU-lidstaten waar reeds maatregelen zijn om het aantal plastic tassen terug te dringen, bekend in hoeverre de milieudruk is afgenomen als gevolg van deze maatregelen? Is er sprake van minder plastic in het zwerfafval in deze landen? Is de «plastic soep» afgenomen nadat deze maatregelen zijn genomen? Vindt u het belangrijk om deze informatie mee te nemen in uw overwegingen alvorens u besluit om een verbod op gratis plastic tassen in te stellen? Waarom wel of niet?
Zoals aangegeven op eerdere vragen van uw Kamer2 hebben diverse lidstaten binnen de Europese Unie maatregelen genomen of zijn voornemens om maatregelen te nemen voor de reductie van het gebruik van de plastic draagtassen. Over de effecten van de maatregelen is nog weinig bekend. Ierland kent een heffing op de plastic tassen; deze heffing heeft meer dan 90% reductie opgeleverd van het aantal plastic tassen dat aan de toonbank of bij de kassa is verstrekt.
Klopt het dat EU-lidstaten, binnen de afspraken die gemaakt zijn om het aantal plastic tassen te reduceren, uitzonderingen mogen maken? Zo ja, is het mogelijk voor Nederland om een uitzondering te maken voor het gebruik van dunne plastic verpakkingen omwille van voedselhygiëne of functionaliteit? Bent u voornemens om van deze mogelijkheid gebruik te maken? Waarom wel of niet en zo ja, voor welke producten zou deze uitzondering precies gelden?
Ja, het klopt dat de richtlijn ruimte biedt voor uitzonderingen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om zeer lichte plastic draagtassen (onder de 15 micron) van de maatregelen uit te sluiten om redenen van hygiëne of als deze als primaire verpakking voor losse levensmiddelen worden verstrekt, als dit helpt om voedselverspilling te voorkomen. Ik zal gebruik maken van deze ruimte. Er zal in de toelichting op de regeling geen vastgestelde lijst van producten worden opgenomen waarbij de uitzonderingen gelden, maar wel een aantal voorbeelden ter verduidelijking.
Kunt u aangeven op welke wijze Bangladesh en Rwanda, waar een totaalverbod voor plastic tassen geldt, een lichtend voorbeeld voor Nederland zijn wanneer we naar de status van het milieu in deze landen kijken?
Deze landen zijn genoemd in de opsomming van de landen die maatregelen nemen voor de reductie van plastic tassen en niet als lichtend voorbeeld als het gaat om de status van het milieu in deze landen.
Klopt het dat een verbod voor plastic tassen boven de 50 micron volgens een advies van de Raad van State niet toegestaan is?2 Bent u bereid dit juridisch nader te toetsen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het advies van de Raad van State waar u op doelt, had betrekking op artikel 3, zesde lid, van het Besluit beheer verpakkingen 2014, dat een grondslag bevat voor het verbod op gratis plastic draagtassen. De Raad had destijds bezwaar tegen deze bepaling omdat deze op gespannen voet zou staan met artikel 18 van de Richtlijn verpakkingen.
Dit bezwaar is inmiddels ondervangen met de op 29 april 2015 vastgestelde Richtlijn (EU) 2015/720. Daarin wordt lidstaten opgedragen maatregelen te treffen om het gebruik van plastic draagtassen te verminderen, in ieder geval de plastic draagtassen onder de 50 micron. Bij deze maatregelen kan worden afgeweken van artikel 18 van de Richtlijn verpakkingen op voorwaarde dat de beperkingen evenredig en niet-discriminerend zijn. De lidstaten kunnen deze maatregelen, waaronder economische instrumenten, ook nemen ten aanzien van plastic draagtassen boven de 50 micron wanddikte. Uit de overwegingen bij de richtlijn blijkt dat ook ten aanzien van deze maatregelen kan worden afgeweken van artikel 18 van de Richtlijn verpakkingen.
De implementatie van de richtlijn wordt niet nader getoetst door de Raad van State. De implementatie geschiedt bij ministeriële regeling middels een nadere uitwerking van de genoemde grondslag in het Besluit beheer verpakkingen 2014.
Hoe moeten consumenten volgens u hun foe yong hai en babi pangang meenemen vanaf de Chinees naar huis? Waar moeten consumenten hun pruimen, kippenpootjes of kabeljauw in verpakken als zij dit op de wekelijkse markt willen kopen? Bent u bereid hierover informatie te geven in de door u voorgenomen voorlichtingscampagne? Waarom wel of niet?
Zoals het antwoord op vraag 5 aangeeft, biedt de richtlijn ruimte voor uitzonderingen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om zeer lichte plastic draagtassen (onder de 15 micron) van de maatregelen uit te zonderen om redenen van hygiëne of als deze als primaire verpakking voor losse levensmiddelen worden verstrekt, als dit helpt om voedselverspilling te voorkomen. Ik zal gebruik maken van deze ruimte. In de communicatie over het verbod op gratis plastic tassen zal ondermeer toegelicht worden waar de uitzonderingen betrekking op hebben.
Indien een product in een andere tas dan de plastic tas wordt vervoerd en het product raakt om die reden beschadigd tijdens het transport, wiens verantwoordelijkheid is dit dan volgens u? Ziet een consument af van een deel van zijn rechten als hij een alternatief voor een plastic tas gebruikt? Hoe worden garantiebepalingen en consumentenbescherming gewaarborgd? Kunt u dit toelichten?
Voor zover bekend leidt een verbod op het gratis verstrekken van plastic draagtassen niet tot verandering in bestaande garantiebepalingen en consumentenbescherming, met dien verstande dat indien de verpakking van een product in een plastic draagtas vanwege de aard van het product vereist is, de kosten daarvan overgaan van de verkoper op de koper. Indien dit laatste als bezwaarlijk wordt gezien, zou de verkoper er voor kunnen kiezen het product in een gratis tas van een ander materiaal te verstrekken. Na levering van het product door de verkoper, is het risico op beschadiging van het product als gevolg van eigen transport door de koper, voor de koper.
Hoe groot is het draagvlak voor het reduceren van plastic tassen onder Nederlandse consumenten? Is het volgens u noodzakelijk dat de overheid een voorlichtingscampagne in het leven roept? Wat zijn de kosten van zo’n campagne en wat is het verwachte effect ervan? Uit welk budget wordt deze campagne betaald? Kunt u dit toelichten?
Uit de pilot van het Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (KIDV) «Mag het een tasje minder zijn?» is gebleken dat de bekendheid met het doel van een maatregel bepalend is voor het draagvlak. Hierom zal samen met de brancheorganisaties worden gewerkt aan een brede communicatieaanpak. Deze communicatieaanpak is bedoeld om de bewustwording zowel vóór als achter de toonbank te vergroten. Het verbod vergt immers een aanpassing in het gedrag van zowel consumenten als winkeliers. De omvang, kosten en het effect hangt af van de invulling waartoe we met de branches zullen komen. Een deel van de kosten van deze communicatie zal worden betaald uit artikel 21 van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Is een heffing op het gebruik van plastic tassen volgens u een logisch vervolg op het verbod op gratis plastic tassen in Nederland? Zo ja, hoe hoog zou deze heffing volgens u moeten zijn en wie moet deze heffing volgens u betalen? Moet er over deze heffing ook BTW betaald worden? Moet het bedrag voor een plastic tas volgens u separaat op de bon vermeld worden? Wie zou volgens u moeten bepalen hoe hoog de heffing voor een plastic tas moet worden? Gaat u hier richtlijnen voor opstellen? Kunt u dit toelichten?
Uit de pilot ««Mag het een tasje minder zijn?»» van het KIDV blijkt dat het aantal uitgegeven draagtassen fors kan worden verminderd door een combinatie van beprijzing en goede communicatie met ondernemers, winkeliers en consumenten. In de regeling zal niet worden vastgelegd welk (minimum) bedrag winkeliers moeten vragen voor het verstrekken van een plastic draagtas. Dit is aan de winkeliers zelf en uit de pilot bleek dat winkeliers dit ook prima zelf kunnen bepalen. Wel zal er over de heffing BTW moeten worden gerekend, dat geldt namelijk voor alle producten die verkocht worden, dus de plastic tas valt hier logischerwijs ook onder. De regeling zal niet voorschrijven of het bedrag ook separaat op de bon moet worden vermeld. Het uitgangspunt is dat de winkelier kan aantonen dat er geen gratis plastic draagtassen worden verstrekt zodra het nodig zou zijn om hier inzicht in te geven.
Wat zijn de geschatte opbrengsten van een heffing op plastic tassen? Vindt u dat deze opbrengsten besteed moeten worden aan het verder beperken van de milieudruk van plastic tassen? Zo ja, kunt u concretiseren waar de opbrengsten specifiek aan uitgegeven kunnen worden? Zo nee, waarom moeten consumenten en/of winkeliers betalen zonder dat het ten goede komt aan het milieu?
Het is niet mogelijk om de opbrengsten te schatten. In de regeling zal namelijk geen minimum prijs voor plastic tassen worden vastgelegd. Dit is aan de winkeliers zelf, waarbij een richtbedrag van € 0,10 in de toelichting zal worden genoemd. Dit bedrag is ook gehanteerd in de pilot van het KIDV «Mag het een tasje minder zijn?». Uit de studie van het KIDV bleek dat de grootste milieuwinst zit in het omlaag brengen van het aantal gebruikte draagtassen. Dit kan met beprijzing en goede communicatie worden gerealiseerd.
Hoe wilt u het effect van een verbod op gratis plastic tassen meten, als er op dit moment slechts schattingen bekend zijn over het huidige gebruik van plastic tassen? Wanneer is de methodiek die de Europese Commissie momenteel ontwikkelt, gereed? In hoeverre is deze in Nederland toe te passen?
De Europese Commissie heeft in de richtlijn aangegeven dat een methodiek wordt ontwikkeld. Uiterlijk 27 mei 2016 zal de Commissie «een uitvoeringshandeling tot vaststelling van de methode voor de berekening van het jaarlijkse verbruik van lichte plastic draagtassen per persoon»4 vaststellen. Deze zal voor alle lidstaten, dus ook voor Nederland, van toepassing zijn. Het doel is om voor alle lidstaten op eenduidige wijze inzichtelijk te maken wat het gebruik van plastic tassen is.
Als u slechts schattingen bekend zijn over het huidige gebruik van plastic tassen, hoe kunt u dan met zekerheid zeggen dat de Green Deal ter reductie van het gebruik van plastic tassen niet voldoende werkt? Vereist zo’n uitspraak in uw ogen niet meer kennis dan alleen grove schattingen? Waarom wel of niet?
Er is gesproken met de branches over een mogelijke Green Deal.
Uit deze gesprekken bleek dat dit niet zou leiden tot de gewenste reductie en dat hier onvoldoende draagvlak voor was.
Bovendien zijn niet alle winkeliers vertegenwoordigd in de brancheorganisaties. Betrokken brancheorganisaties, waaronder de Raad Nederlandse Detailhandel (RND), hebben daarom gevraagd om een wettelijke regeling zodat alle winkeliers hieraan gebonden zijn. Een wettelijk verbod voorkomt dat toonbankinstellingen vanuit concurrentieoogpunt in de verleiding komen een plastic draagtas gratis mee te geven. Hiermee is een gelijk speelveld ook gewaarborgd.
Daarnaast draagt een wettelijke regeling bij aan eenduidigheid. Als het verbod in elke winkel geldt, is dit het beste uit te leggen aan een consument en hoeft deze zich niet steeds opnieuw af te vragen wanneer het verbod wel of niet van toepassing is.
Wat was binnen de genoemde Green Deal de afgesproken termijn om met een gezamenlijk plan met maatwerk per branche te komen? Waarom is dit niet gelukt? Is het afdwingen van resultaten door middel van een verbod volgens u de meest geschikte optie in deze? Kunt u dit toelichten?
Graag verwijs ik u naar antwoord 14, hierin staat beschreven waarom naar aanleiding van gesprekken met de branches tot een verbod is overgegaan.
Welk percentage van de huidige gebruikte plastic tassen wordt (voor zover bekend) meerdere keren gebruikt? Welk percentage van de huidige gebruikte plastic tassen leidt (voor zover bekend) tot zwerfafval? Welk percentage van de huidige gebruikte plastic tassen belandt (voor zover bekend) in het huishoudelijk afval en wordt verwerkt tot nieuwe (kunststof) grondstoffen?
Omdat er uitsluitend schattingen beschikbaar zijn van het totaal aantal gebruikte tassen en het aandeel tassen in het zwerfafval is deze vraag niet exact te beantwoorden.
In de materiaalstudie van TNO en de aannames van de EU blijkt dat de milieuimpact van draagtassen bij meerdere malen gebruik lager ligt dan bij eenmalig gebruik. Er zijn echter geen exacte cijfers beschikbaar over het percentage hergebruikte tassen.
In het KplusV-rapport is een grove schatting gemaakt van de hoeveelheid zwerfafval in Nederland. Dit komt neer op 50 kton per jaar wat op basis van een doorrekening en een inschatting neer komt op ongeveer 142 miljoen tasjes, uitgaande van de tellingen 2008 – 2014. Het gebruikte aantal tassen dat tot zwerfafval leidt is naar schatting 142 miljoen tassen van de 1,3 tot 4,4 miljard totaal aantal tassen.
Van het totaal huishoudelijk restafval bestaat 1.1% uit plastic tassen waarvan ongeveer 30% wordt nagescheiden. Uitgaande van een rendement van 75% betekent dit dat 8,7 kton tassen beschikbaar is voor recycling. Daarnaast bevat ook de kunststofinzameling nog een aandeel plastic tassen die ook gerecycled zou kunnen worden. Dit komt neer op 4,4 kton plastic tassen. In totaal betekent dit dat er ongeveer 13,1 kton voor recycling beschikbaar zou zijn.
Vindt u het gepast om voor hooguit 1,1% van het huishoudelijk restafval een wettelijk verbod af te kondigen? Welk precedent schept dit? Bent u voornemens om ook voor andere delen van het huishoudelijk afval verboden in te stellen? Komt er ook een verbod op meer materialen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kiest u er dan voor dit specifieke en zeer kleine gedeelte van al het afval, wel voor een verbod?
1,1% lijkt misschien weinig, maar dit is omgerekend bijna 40 miljoen kilo grondstoffen die grotendeels verbrand worden. Het gaat in het verbod ook niet alleen om deze 1.1% tassen in het restafval. Het verbod beoogt het aantal gebruikte draagtassen te reduceren. Dit om grondstofverspilling te reduceren en zwerfafval tegen te gaan. De ladder van Lansink is leidend en dus is preventie de eerste stap. Daarna komt hergebruik en de tassen die wel gebruikt worden zullen in de juiste bak moeten zodat recycling mogelijk is. Hopelijk wordt het aandeel plastic tassen in het restafval de komende jaren dus nog lager.
Wie of welke landen zijn volgens u de grootste veroorzakers van de «plastic soep»? Wat doet u eraan om deze veroorzakers op hun verantwoordelijkheden te wijzen?
In het zeer recent verschenen artikel «Plastic waste inputs from land into the ocean» 5 is op basis van drie factoren (bevolkingsdichtheid, het welvaartsniveau en de kwaliteit van afvalinzameling- en verwerking) een top 20 van landen opgesteld die naar schatting het meest bijdragen aan de plastic soep. Het zwaartepunt ligt in Zuid-Oost Azië.
De plastic soep vraagt om een wereldwijde aanpak en samenwerking. Nederland steunt en neemt actief deel aan het Global Partnership on Marine Litter (GPML) van de Verenigde Naties. Dit partnerschap heeft als doel om wereldwijd het mariene zwerfvuil te reduceren om zo gezondheid en milieu te beschermen. Daarnaast werkt een netwerk van 90 bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden in het kader van het Ketenakkoord Kunststofkringloop actief aan een integrale en concrete aanpak gericht op het creëren van een circulaire economie als structurele oplossing van de (plastic) vervuiling van het mariene milieu. Duurzame innovaties worden op de markt gebracht, zowel in Nederland, in Europa als in de rest van de wereld. Het kabinet staat namelijk voor een innovatiegerichte aanpak waarmee landen en stedelijke delta’s gestimuleerd worden om gebruik te maken van Nederlandse kennis en ervaring.
Binnenkort zal een delegatie van het Nederlandse consortium een integraal voorstel met twintig projectvoorstellen aanbieden aan de Staatssecretaris van Milieu van de Staat Rio de Janeiro in Brazilië, waarmee wordt bijgedragen aan een schone zee, meer (groene) banen en bedrijvigheid en betere leefomstandigheden in de stad. Dit biedt kansen voor Nederlandse bedrijven om hun kennis en ervaring te verwaarden in het buitenland. Deze aanpak kan ook in andere stedelijke delta’s in de wereld worden ingezet.
Klopt het dat voor het produceren van juten tassen de productie van voedselgewassen moet wijken? Kloppen de berichten dat agrariërs in Azië thans al conversie plegen? Om hoeveel hectares gaat het? Hoe beoordeelt u het feit dat voedsel plaats moet maken voor het verbouwen van jute, omdat u een verbod op gratis plastic tassen wilt?
Uw idee dat de productie van jute wereldwijd specifiek voor jute tassen in Nederland door een verbod op gratis plastic tassen leidt tot minder productie van voedsel deel ik niet. De productie van jute kan, net als andere biobased grondstoffen, concurreren met voedselgewassen. Jute is echter een rotatiegewas en wordt dus niet jaar na jaar op dezelfde grond verbouwd maar afgewisseld met andere gewassen. Ook is de productie is de afgelopen decennia afgenomen.
Kunt u aangeven wat het effect van biologisch afbreekbare tassen is voor de recyclingscyclus van een «gewone» plastic tas? In hoeverre is het in dit licht wenselijk dat het aandeel biologisch afbreekbare tassen toeneemt?
Effecten van bioafbreekbare tassen zijn beschreven in de eerder naar u toegestuurde studie «Haalbaarheidsstudie bioafbreekbare plastic draagtasjes. Technische en economische haalbaarheid en implicaties»6. Hierin staat dat biologisch afbreekbare tassen kunnen worden ingezet voor de inzameling van groente- en fruitafval. Dit alleen mits deze gecertificeerd zijn volgens de EN13432 en dus bioafbreekbaar zijn onder composteringsomstandigheden (55–60°C). Tevens wordt aangegeven dat recycling in het algemeen gebaat is bij zo weinig mogelijk verschillende materiaalstromen. Er is een methode om plastics, zowel de conventionele als bioafbreekbare, te scheiden met behulp van infraroodtechnologie. Deze wordt echter nog niet breed toegepast door verwerkers.
Kunt u inzichtelijk maken wat de milieudruk is van plastic tassen, en van alle alternatieven voor plastic tassen? Wat is de milieudruk van een gelamineerde juten of gelamineerde papieren tas? Valt een gelamineerde juten of papieren tas volgens u wel of niet onder uw voorgenomen maatregel om gratis plastic tassen te verbieden? Is er nog wel sprake van een gelijk speelveld als we een gelamineerde juten of papieren tas wel toestaan en een plastic tas niet? Waarom wel of niet?
De milieudruk van de diverse materialen die voor draagtassen gebruikt worden, is bepaald in de materialenstudie van het KIDV, die uw Kamer bij de brief7 over de aanpak van draagtassen ontvangen heeft. Naar gelamineerde draagtassen is in dit onderzoek niet gekeken.
De brede aanpak waarop ingezet wordt, namelijk eerst inzetten op preventie, dan hergebruik en dan op de juiste manier afdanken, is ook van toepassing op gelamineerde draagtassen.
Het verbod dat vorm krijgt in de ministeriële regeling heeft alleen betrekking op plastic draagtassen. Met die regeling wordt de Europese richtlijn geïmplementeerd en de richtlijn heeft betrekking op plastic draagtassen en gaat niet over gelamineerde draagtassen.
Hoe beoordeelt u de wens van producenten van kunststofverpakkingen om bij een verbod op gratis plastic tassen ook een verbod op papieren en juten tassen in stellen? Wat is uw visie op een gelijk speelveld? Deelt u de mening dat het instellen van een verbod op gratis plastic tassen ook vraagt om
Het verbod op gratis plastic draagtassen vindt zijn grondslag in Richtlijn (EU) 2015/720. Implementatie daarvan is verplicht voor alle EU-landen en zorgt op die manier voor een gelijk speelveld in Europa. Een verbod op gratis draagtassen van andere materialen in Nederland is niet mogelijk omdat dit in strijd is met artikel 18 van de Richtlijn verpakkingen.
handhaving van dat verbod? Deelt u de voorts de mening dat zo’n verbod, alsmede het handhaven ervan financieel onderbouwd moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u de kosten voor handhaving door de Inpectie Leefomgeving en Transport wel kwantificeren?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft voor 2016 het onderwerp opgenomen in haar jaarplan.
Deze inzet moet nog verder worden ingevuld. Er zal nog worden gekeken hoeveel capaciteit er voor de uitvoering van dit nieuwe verbod nodig is.
Deelt u de mening dat een verbod op gratis plastic tassen pas ingesteld kan worden als duidelijk is hoe zo’n verbod in de praktijk gehandhaafd wordt? Zo nee, waarom niet?
Onderdeel van het proces van de totstandkoming van een regeling is het toetsen van de maatregelen die daarin opgenomen worden door de ILT op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid.
De ILT stelt later dit jaar in het jaarplan 2016 een plan van aanpak op waarin de wijze van inspecteren zal worden bepaald.
Kunt u nader specificeren hoe u de handhaving van een verbod op gratis plastic tassen voor u ziet? Stuurt u controleurs (plastic politie) naar markten en winkelcentra om mensen met plastic tassen in hun hand te vragen om een bewijs van betaling? Krijgen zij een boete wanneer ze niet kunnen bewijzen of ze voor hun plastic tas betaald hebben? Krijgen winkeliers een boete of dwangsom wanneer zij toch gratis plastic tassen weggeven? Hoe hoog worden deze boetes of dwangsommen? Als dit alles niet het geval is, wat is uw concrete voorstel voor handhaving dan wel? Als u nog geen concreet voorstel heeft, wanneer kunnen wij dit dan verwachten?
Het optreden van de Inspectie bij eventuele overtredingen zal altijd conform het vastgestelde ILT Interventiekader plaatsvinden.
De normadressant voor dit verbod zal de winkelier zijn en niet de consument. Zie ook de reactie op vraag 24.
Bent u zich ervan bewust dat plastic tassen niet alleen uitgedeeld worden in winkels, maar ook op bijvoorbeeld beurzen en evenementen? Hoe wilt u voor dit soort gevallen handhaven? Welke alternatieven zijn er voor deze gelegenheden?
Ja, het is mij bekend dat ook op beurzen en evenementen plastic draagtassen uitgedeeld worden. Het verbod heeft ook betrekking op deze categorie en ook de beurzen en evenementen kunnen duurzame alternatieven gebruiken of geld vragen voor de plastic draagtas, tenzij de uitzonderingsgronden van toepassing zijn.
Klopt het dat winkeliers vaak grote partijen plastic tassen kopen en dus een grote voorraad in hun winkel hebben? Komt er een overgangsregeling voor deze winkeliers, of moeten zij hun voorraad per 1 januari 2016 vernietigen? Als er een overgangsregeling komt, hoe zal deze er dan uit zien? Hoe oordeelt u over het tijdspad in verband met voorlichting, ombouw van winkels en afbouw van voorraden? Als zij voorraden moeten vernietigen, wat is de milieudruk hiervan?
Het verbod op gratis plastic tassen is reeds in februari van dit jaar aangekondigd. Daarmee hebben de winkeliers 10 maanden de tijd om zich hierop voor te bereiden. Er hoeven geen voorraden vernietigd te worden. Het gaat hier immers niet om een algeheel verbod. De tassen kunnen ook na 1 januari 2016 verstrekt worden, alleen tegen een betaling waarvan de hoogte door de winkelier zelf wordt bepaald.
Het bericht ‘TTIP tast gezondheid EU aan’ |
|
Eric Smaling (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «TTIP tast gezondheid EU aan»?1
De bescherming van de volksgezondheid staat voor het kabinet niet ter discussie door de sluiting van TTIP. De Europese standaarden voor voedselkwaliteit en voedselveiligheid blijven onverkort van kracht. De EU en haar lidstaten controleren en handhaven ook bij import uit derde landen op deze regelgeving.
Erkent u dat de EU dankzij het vrijhandelsakkoord met de VS (TTIP) een interessante afzetmarkt voor ongezonde producten uit de VS zal worden? Zo nee, blijven de invoertarieven voor ongezonde producten ongewijzigd onder TTIP?
Welke producten in Europese supermarkten te koop zijn, wordt bepaald door vraag en aanbod. De voorkeuren van de consument zijn daarin een belangrijke factor. Ook op dit moment zijn er namelijk al volop Amerikaanse producten in de supermarkt verkrijgbaar.
Het voorbeeld dat in het artikel wordt genoemd (chocolade), suggereert dat verdere verlaging van de invoertarieven als gevolg van TTIP ertoe zou leiden dat meer Amerikaanse in plaats van Europese chocolade zal worden geconsumeerd. Ook voor deze, uit de VS geïmporteerde chocoladeproducten geldt overigens dat zij aan de Europese kwaliteits- en veiligheidseisen zullen moeten blijven voldoen.
In het Taric-register staan ook andere voorbeelden. Tomatensap zonder toegevoegde suikers bijvoorbeeld. Dit is een verwerkt product dat doorgaans als gezond wordt beschouwd. Op dit moment moet een Amerikaanse exporteur een importheffing van 16,8% aan de EU betalen. Die heffing wordt vervolgens doorberekend in de uiteindelijke prijs aan de Europese consument. TTIP beoogt ook de invoerheffing op dit product te verminderen, zodat de Europese consument uiteindelijk een lagere prijs voor dit product betaalt.
Klopt het dat invoertarieven de reden zijn dat onze supermarkten niet vol liggen met ongezonde Amerikaanse producten? Zo nee, hoe oordeelt u over de voorbeelden in het artikel uit het Taric-register?2
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit artikel zich tot uw uitspraak: «Wij en andere landen in Europa hebben een aantal rode lijnen getrokken. Bijvoorbeeld als het gaat om voedselveiligheid, dierenwelzijn en het milieu»?3
Het kabinet accepteert geen verlaging van onze standaarden voor voedselveiligheid, dierenwelzijn en het milieu.
Deelt u de mening dat de prijs voor goedkope Amerikaanse producenten uiteindelijk betaald zal worden via stijgende zorgkosten, in het bijzonder voor de lagere inkomens? Erkent u dat hiermee de ongelijkheid wordt vergroot? Hoe gaat u tegemoet komen aan dit probleem, nu en straks?
Nee ik deel deze zorg niet. Ik heb geen reden om te verwachten dat het consumptiepatroon ongezonder wordt door TTIP.
Klopt het, dat de hoogte van invoertarieven samenhangt met de vraag hoe (on)gezond een product is? Klopt het dat ongezonde producten evenredig een hoger invoertarief kennen?4
Nee, dit klopt niet. De hoogte van invoertarieven hangt niet samen met de vraag hoe gezond een product is. Bij invoertarieven is hoofdzakelijk een verschil zichtbaar tussen verwerkte en onverwerkte producten.
Kunt u een lijst beschikbaar stellen van alle ongezonde producten waarover momenteel onderhandeld wordt en waarvan de invoertarieven door TTIP mogelijk verlaagd kunnen worden? Indien u dit niet wilt doen, erkent u dan dat het voor de Kamer moeilijk wordt om u te controleren wanneer u zegt dat u een rode lijn heeft getrokken rond voedselveiligheid? Wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Een dergelijk lijst is er niet en is ook niet nodig. Het uitgangspunt in de TTIP onderhandelingen is dat – net als nu al het geval is – producten die vanuit derde landen worden geïmporteerd voldoen aan de Europese regelgeving op het terrein van voedselveiligheid.
Erkent u dat het vanwege de matige koopkrachtplaatjes in Nederland voor de lagere inkomens aantrekkelijk wordt om straks goedkope, doch ongezonde producten afkomstig uit de VS te kopen? Hoe gaat u deze ontwikkeling tegen?
Ik deel uw mening niet. Ik ben in algemene zin van mening dat de aankoop van consumptiegoederen en voedsel een private aangelegenheid is. Uiteraard wordt wel toegezien op de veiligheid van consumptie. Verder kan ik het instrument van de gezondheidsvoorlichting, zo nodig doelgroepgericht, hanteren om te zorgen dat mensen goed geïnformeerd zijn over de gevolgen van hun keuzen.
Wat zijn de gevolgen van het verlagen van de invoertarieven van producten uit de VS voor de Europese volksgezondheid? Op welke onderzoeken baseert u zich daarbij?
De EU zal haar standaarden voor voedselveiligheid voor import van Amerikaanse producten niet verlagen. Zoals eerder toegelicht zal de verlaging van invoertarieven op zichzelf geen gevolgen hebben voor de Europese volksgezondheid.
Kunt u de strekking van dit artikel duiden in het licht van het WRR-rapport «Naar een Voedselbeleid»? Kunt u in het bijzonder ingaan op de passages: «Vooral het gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrijhandelsverdragen hebben grote invloed op de nationale voedselproductie en -consumptie» (p. 21) en: «Voedsel geldt in de onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord binnen TTIP als een van de gevoelige onderwerpen?» (p. 124)?5 In welke food strategy past TTIP volgens u?6
Het WRR rapport «Naar een Voedselbeleid» constateert dat voedsel voor Nederlandse consumenten in overvloed beschikbaar is en dankzij historisch lage prijzen meer dan ooit betaalbaar. Dit komt mede door de invloed van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op de nationale voedselproductie en -consumptie en doordat de wereldhandel in voedsel de afgelopen decennia (gedeeltelijk) is geliberaliseerd.
De WRR geeft aan dat het principe van vrijhandel in de internationale handelsafspraken, zoals de WTO, voorop staat en dat uitzonderingsbepalingen zich vooral richten op voedselveiligheid. Dit geeft de mogelijkheid om handelsbeperkende maatregelen te nemen voor het garanderen van voedselveiligheid, de dier- en plantgezondheid of voor het beschermen van de volksgezondheid tegen verspreiding van ziektes of tegen additieven, contaminanten en toxines in voedsel. De WRR refereert er aan dat overheden zich daarbij wel moeten baseren op duidelijk wetenschappelijk bewijs en moeten verwijzen naar internationale standaarden.
Dit sluit aan bij het uitgangspunt van het kabinet en de EU dat bij de onderhandelingen over TTIP niet op het Europees niveau van consumentenbescherming wordt ingeboet en de beleidsvrijheid behouden blijft om wetgeving op te stellen op het gebied van veiligheid en bescherming van de gezondheid van mens, dier, plant en milieu. Daarbij gelden wel randvoorwaarden, in lijn met onder andere WTO-verplichtingen, dat de (handels)maatregelen proportioneel dienen te zijn ten opzichte van het beoogde doel, deze niet mogen leiden tot een arbitraire en niet te rechtvaardigen discriminatie tussen landen en geen vorm van verkapt protectionisme mogen zijn.
Ten aanzien van het WRR-rapport «Naar een Voedselbeleid» heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aangegeven dat het kabinet rond het zomerreces de reactie aan uw Kamer zal sturen.
Op welke afspraken van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) kunt u zich beroepen als het gaat om het nemen van beschermende maatregelen, wanneer de volksgezondheid of het milieu worden bedreigd?
In het kader van de WTO zijn er afspraken gemaakt over beschermende maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid of het milieu voor het eigen grondgebied. Zo kunnen invoerbeperkende maatregelen worden genomen ter bescherming van het milieu op basis van artikel XX van de GATT/WTO. Dit artikel geeft aan binnen welke kaders een invoerbeperkende maatregel ter bescherming van mens, plant, dier of milieu te rechtvaardigen is.
Als het gaat om maatregelen ter bescherming van mens, plant en dier tegen de verspreiding van ziektes of ziekte veroorzakende organismen, additieven, contaminanten en toxines in voedsel kan de WTO-overeenkomst over sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing zijn.
Voor het nemen van maatregelen waarbij technische eisen worden gesteld aan een product, kan de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen toegepast worden.
Er zijn dus binnen de WTO verschillende mogelijkheden om de volksgezondheid en het milieu te beschermen. Zoals ook in antwoord 10 aangegeven, geldt voor alle maatregelen dat deze niet-discriminatoir en proportioneel aan het beoogde doel moeten zijn.
Het bericht dat veel mensen in de problemen komen na zinloze gijzeling vanwege verkeersboetes |
|
Nine Kooiman (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat veel mensen in de problemen komen na zinloze gijzeling vanwege verkeersboetes?1
Gijzeling is een ingrijpende maatregel. De inzet van dwangmiddelen heeft tot doel om betrokkenen te bewegen tot betaling van een sanctie over te gaan. Dit is noodzakelijk voor de geloofwaardigheid van de rechtshandhaving en voor het verhogen van de (verkeers)veiligheid. Ik vind het nodig om te komen tot een meer maatschappelijk verantwoorde tenuitvoerlegging van financiële sancties, in het bijzonder bij Wahv-sancties. Daartoe zijn en worden de nodige verbetermaatregelen getroffen.
In het geval van Wahv-sancties wordt nieuw beleid doorgevoerd in de inningsfase. Allereerst door mijn voorstel het wettelijk mogelijk te maken Wahv-beschikkingen vanaf € 225 in termijnen te kunnen betalen. Dit zal door middel van de aangekondigde interim- maatregel per 1 juli 2015 deels worden ingevoerd en wettelijk volledig worden verankerd met het Wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Kamerstukken II 34 086).
Tevens is beleid ontwikkeld voor betrokkenen die het traject van aanschrijving, aanmaning, toepassing verhaal zonder dwangbevel, inschakelen deurwaarder en mogelijk invordering rijbewijs en buitengebruikstelling voertuig hebben doorlopen. Wanneer dan een vordering gijzeling aan de orde komt, wordt sinds kort gebruik gemaakt van een nieuw model «vordering gijzeling». De betalingsmacht van betrokkene staat daarbij meer centraal in de motivering. Het uitgangspunt is dat alleen een vordering gijzeling wordt ingediend indien er geen indicatie is dat de betrokken persoon de sanctie niet kan betalen.
Waarom is er volgens u een wettelijke grondslag nodig om een betalingsregeling te treffen en waarom biedt de wet op dit moment blijkbaar te weinig mogelijkheden? Kunt u aangeven welke wetsartikelen verhinderen dat er op dit moment een betalingsregeling kan worden getroffen?
In de artikelen 22, 23 en 25 Wahv is limitatief geregeld op welke wijze administratieve verkeersboetes dienen te worden geïnd en binnen welke betalingstermijnen. De mogelijkheid voor het treffen van een betalingsregeling is daarbij niet inbegrepen. Dit betekent dat in de wet niet wordt voorzien in mogelijkheden om de administratieve boete in termijnen te voldoen.
Hiervan kan niet structureel door middel van beleidsregels of lagere wetgeving worden afgeweken.
Naast een structurele wettelijke inbedding van termijnbetalingen in de Wahv zie ik op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur, het feit dat het ten gunste is van de burger en derden er geen nadeel van ondervinden, ruimte om alvast betalingsregelingen toe te kennen via een interim--maatregel. Om termijnbetalingen voor alle Wahv-beschikkingen van € 225 en hoger te kunnen aanbieden, is een wettelijke grondslag nodig. Het voorstel hiertoe zal via nota van wijziging worden betrokken bij het Wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Kamerstukken II 34086). Ik heb uw Kamer hierover bij brief d.d. 29 april jl. (Kamerstukken II, 29 279, nr. 240) reeds geïnformeerd. Voor het op grote schaal mogelijk maken van termijnbetalingen is het naast de beschreven wetswijziging ook noodzakelijk wijzigingen in de uitvoering bij het CJIB door te voeren. Dit neemt voorbereidingstijd in beslag. Wij zijn voornemens per 1 juli 2015 als interim--maatregel eerste ervaringen op te doen met de mogelijkheden die de voorgestelde wetswijziging beoogt te bieden.
Hoe komt het dat een betalingsregeling onder zeer strikte voorwaarden wel mogelijk is, terwijl daar dus eigenlijk een wettelijke grondslag voor zou moeten zijn?2 Waarom kunnen deze voorwaarden niet worden aangepast zonder een wettelijke grondslag?
Zie antwoord vraag 2.
Waarop is het beleid gebaseerd dat tot gijzeling kan worden overgegaan bij het uitblijven van betaling? Welk(e) wetsartikel(en) rechtvaardigen het huidige gijzelingsbeleid?
De mogelijkheid voor de officier van justitie om de gijzeling te vorderen is gebaseerd op artikel 28 Wahv. Hiertoe wordt in beginsel pas overgegaan wanneer iemand na herhaalde aanschrijvingen, het deurwaarderstraject, inhouding rijbewijs en buitengebruikstelling voertuig nog niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. De vordering wordt vervolgens ingediend bij de kantonrechter, die op de vordering beslist. De betrokkene wordt voor de zitting bij de kantonrechter volgens artikel 28 Wahv opgeroepen om daar zijn reactie op de vordering te kunnen geven.
Is het mogelijk om, net als in het strafrecht, bij het innen van verkeersboetes tot (gedeeltelijke) vervangende hechtenis over te gaan in plaats van tot gijzeling? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk een Wahv-boete tijdens de inning te wijzigen in (vervangende) hechtenis. Dit zou immers neerkomen op het achteraf, tijdens de tenuitvoerlegging wijzigen van een door een opsporingsambtenaar opgelegde geldsanctie in een vrijheidsbenemende sanctie. Ook in het strafrecht is bij de buitengerechtelijke afdoening met een strafbeschikking geen sprake van een wijziging in vervangende hechtenis achteraf. Daar waar vervangende hechtenis mogelijk is, wordt door de rechter reeds in de uitspraak waarin de sanctie wordt opgelegd, bepaald dat vervangende hechtenis kan worden toegepast bij de tenuitvoerlegging.
Kloppen de cijfers van De Monitor, dat in 2014 92.500 verzoeken tot gijzeling zijn gedaan en daarvan 4600 in totaal zijn toegekend? Zo nee, kunt u de juiste cijfers uiteenzetten?
Voor de volledigheid geef ik u hierbij informatie over de cijfers van 2013 en 2014.
In 2013 zijn er 117.244 reguliere vorderingen gijzeling in het kader van de Wahv bij de rechter ingediend. Daarnaast zijn er nog 77.667 Dwang Pro Forma vorderingen gijzeling ingediend, oftewel een vordering gijzeling voor betrokkenen zonder geldige woon- en/of verblijfplaats. In het kader van de Wet OM-afdoening zijn er daarnaast nog 69.871 vordering gijzeling bij de rechtbank ingediend. Er wordt niet geregistreerd bij hoeveel Dwang Pro Forma zaken gijzeling wordt toegekend. Voor de reguliere zaken geldt dat er in dat jaar 96.336 verzoeken zijn toegewezen. In totaal zijn er in 2013 bijna 29.000 gijzelingsbeschikkingen in het kader van de Wahv en strafbeschikkingen binnengestroomd bij DJI. In ongeveer 22.000 zaken is tot gijzeling overgegaan.
In 2014 zijn er 88.521 reguliere vorderingen gijzeling in het kader van de Wahv bij de rechter ingediend. Daarnaast zijn er nog 64.137 Dwang Pro Forma vorderingen gijzeling ingediend. In het kader van de Wet OM-afdoening zijn er daarnaast nog 51.384 vorderingen gijzeling ingediend bij de rechtbank. Er wordt niet geregistreerd bij hoeveel Dwang Pro Forma zaken gijzeling wordt toegekend. Voor de reguliere zaken geldt dat er in dat jaar 83.320 verzoeken zijn toegewezen. In totaal zijn er in 2014 ruim 44.000 gijzelingsbeschikkingen in het kader van de Wahv en strafbeschikkingen binnengestroomd bij DJI. In ongeveer 41.000 zaken is tot gijzeling overgegaan.
Digitale dossier- en archiefvorming |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de brandbrief van bestuurders van gemeenten, waterschappen en provincies over de gevolgen van de slechte digitale dossier- en archiefvorming bij decentrale overheden?1
Ja.
Is aan de bestuurders enige richtlijn meegegeven over de manier waarop digitale archieven ingericht moeten worden, zowel voor de opslag van gegevens, als ook voor de gemakkelijke uitwisseling van gegevens tussen diverse overheden?
Voor de inrichting van werkprocessen en informatiesystemen zijn modelarchitecturen beschikbaar; voor gemeenten is deze in detail uitgewerkt in een zaaktype-catalogus. In de Archiefregelgeving is voorgeschreven aan welke eisen overheden moeten voldoen voor duurzaam beheer en beschikbaar stelling van hun informatie; voor gemeenten is de Baseline Informatiehuishouding Gemeenten beschikbaar. Toevoegen van zogenoemde metadata is daarvoor van groot belang. In opdracht van Archief 2020 heeft KING het Toepassingsprofiel Lokale Overheden (TMLO) opgesteld waarmee door het gebruik van het gemeenschappelijke metadataschema de uitwisseling tussen overheden wordt bevorderd.
Voor het duurzaam digitaliseren zijn er meerdere lopende initiatieven. Het project AIDO heeft onder meer tot doel richtlijnen te ontwikkelen voor de inrichting van digitale archieven (e-depotvoorzieningen). Er zijn verschillende oplossingen in beeld en daarvoor zijn er verschillende aanbieders en partijen in overleg (Nationaal archief, regionale historische centra, streek- en stadsarchieven. In het rapport van AIDO Functionaliteit E-depotvoorzieningen decentrale overheden is een denkkader ontwikkeld voor het maken van keuzes.
Welke consequenties voorziet u voor de openbaarheid van bestuur als gevolg van slechte digitale dossier- en archiefvorming?
Kennis over het overheidshandelen moet beschikbaar zijn en blijven als cultureel erfgoed en als geheugen van het overheidsbestuur. Democratisch openbaar bestuur veronderstelt transparantie en de mogelijkheid van controle en verantwoording zowel op de korte als de langere termijn. Dat betekent onder meer controleerbaarheid van de macht door transparante besluitvormingsprocedures met regels over rekening en verantwoording in de openbaarheid. Nagegaan moet bijvoorbeeld kunnen worden of het financiële beheer rechtmatig is geweest. Gevoerd beleid en bestuurlijk handelen dienen vatbaar te zijn voor (politieke) beleidsevaluatie juist achteraf.2 Dat vergt bewustwording en onderkenning van het belang van een gedegen overheidsadministratie en van duurzame archivering. Elk document dat bij de overheid berust, valt in principe onder de Wob. Daarbij is de aard van het document, het medium of de drager van de gegevens (papier of digitaal bestand), niet onderscheidend. Een Wob-verzoek kan dan ook betrekking hebben op alle mogelijke documenten en soorten informatie(dragers).
Is er aan overheden enige richtlijn meegegeven over de manier waarop digitale archieven ingericht worden bezien vanuit de openbaarheid van bestuur?
Bij het antwoord op vraag 3 is gewezen op het verband tussen dossier- en archiefvorming en het belang van deugdelijk bestuur. Elk soort overheidsdocument valt als gezegd in beginsel onder de openbaarmakingsvoorschriften van de Wob en dat veronderstelt een beschikbaarheid. De vraag hoe, voor hoe lang en op welke wijze documenten bewaard moeten worden, wordt bepaald door de Archiefwet- en regelgeving. Na maximaal 20 jaar dienen archieven overgebracht te worden naar de archiefbewaarplaats. Na overbrenging van de archieven naar de archiefbewaarplaats wordt de informatie in principe openbaar. Door Archief 2020 en AIDO zijn decentrale overheden erop gewezen dat door archieven actief en vervroegd over te brengen openbaarheid bevorderd kan worden. 3 Ook op rijksniveau wordt een normenkader voor duurzame toegankelijkheid (DUTO) ontwikkeld. Dat kan ook door andere overheden ook worden toegepast.
Welke stappen gaat u zetten na de bovengenoemde oproep van de bestuurders?
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van de vragen4 van de leden de leden Schouw c.s. (D66) over deze aangelegenheid, hebben wij van de oproep en waarschuwingen van deze bestuurders terdege kennis genomen en hun zorgen over de bewaring van overheidsinformatie worden gedeeld. We onderschrijven de aanbevelingen die in dat kader worden genoemd en programma’s als Archief 2020 en AIDO worden vanuit het Rijk ondersteund.
Het bericht ‘Leerling naar huis door invallerlimiet’ |
|
Steven van Weyenberg (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Leerling naar huis door invallerlimiet»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in debatten en in antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Mulder, Straus, Van Weyenberg en Van Meenen hebt aangegeven dat er genoeg mogelijkheden overblijven om vervangers in te zetten?2 Hoe is het dan mogelijk dat veel schoolbesturen daar nog steeds volstrekt anders over denken?
Uiteraard herinner ik mij mijn antwoorden in de debatten en op schriftelijke vragen over dit onderwerp. In die antwoorden, zoals op de vragen van de leden Van Weyenberg en Van Meenen, heb ik ook aangegeven dat de reactie van schoolbesturen veelal is ingegeven vanuit onbekendheid met de mogelijkheden die de Wet werk en zekerheid (Wwz) biedt ten aanzien flexibiliteit in contractsvormen. In de ambtelijke gesprekken met betreffende schooldirecteuren wordt ook bevestigd dat nog niet in voldoende mate duidelijk is hoe de benodigde flexibiliteit kan worden gecreëerd. De PO-Raad geeft op dit moment intensief voorlichting via de website over de Wwz.
Bent u ervan op de hoogte dat diverse door u aangehaalde mogelijkheden om de flexibiliteit te vergroten, zoals min/max-contracten en de afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling bij cao, in de cao Primair Onderwijs niet mogelijk zijn, waardoor individuele schoolbesturen die mogelijkheden niet kunnen benutten?
Ik ben mij ervan bewust dat gebruik van min/max-contracten en de afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling vanwege de Wwz een aanpassing ten opzichte van de huidige cao primair onderwijs impliceert. Gezien de aanleiding en de doelstellingen van de Wwz, verrast mij dit ook niet. In de huidige cao primair onderwijs is immers opgenomen dat een onbeperkt aantal elkaar opvolgende tijdelijke contracten – met tussenpozen van niet meer dan drie maanden – mogelijk is in een periode van drie jaar en daarnaast dat een oproepcontract mogelijk is voor een minimale arbeidsduur van 8 uur per week. De PO-Raad en de bonden zijn daarom ook hierover in het kader van een nieuwe cao voor het primair onderwijs in gesprek geweest.
Uit de berichtgeving van de PO-Raad en de bonden van 1 mei jl. blijkt dat partijen hebben afgesproken om op dit moment geen nieuwe cao voor het primair onderwijs af te sluiten. Partijen willen extra tijd nemen voor de onderhandelingen en streven naar een nieuwe cao per 1 juli 2016. Partijen streven er na hun afspraken voor het eind van 2015 bekend te maken opdat schoolbesturen ruim de tijd hebben voor een zorgvuldige overgang naar een ander vervangingsbeleid.
Concreet betekent dit dat de huidige cao primair onderwijs doorloopt tot en met 30 juni 2016 en dat het overgangsrecht uit de Wet werk en zekerheid (Wwz) van toepassing is. Schoolbesturen kunnen daardoor tot 1 juli 2016 voor tijdelijke contracten de regels hanteren zoals die nu in de cao staan, dat wil zeggen een onbeperkt aantal tijdelijke contracten in drie jaar tijd aangaan en min/max-contracten aangaan met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week.
Bent u bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de PO (primair onderwijs)-raad en de onderwijsbonden om gezamenlijk tot een goede oplossing voor dit probleem te komen en de Kamer voor 1 juli 2015 over de uitkomsten van dit overleg te informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, indien de PO-raad en de onderwijsbonden niet voor 1 juli 2015 tot een voor beiden bevredigende oplossing kunnen komen, de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid voor de sector primair onderwijs uit te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
De komst van de zoveelste islamitische geweldsprediker naar Nederland |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omstreden haatsjeik donderdag naar Eindhoven»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom geweldsprediker Al-Qarni blijkbaar een visum heeft gekregen terwijl deze figuur de Verenigde Staten en Frankrijk niet binnen mag, onder andere wegens het oproepen tot geweld?
Nederland heeft geen visum verstrekt aan de genoemde persoon. Door de Italiaanse autoriteiten was een visum verstrekt en op basis daarvan kon de heer Al-Qarni vrij reizen in het Schengengebied. Het visum is door de Italiaanse autoriteiten ingetrokken. De heer Al-Qarni voldoet daarmee niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied en mag dus niet in Nederland verblijven.
In hoeverre deelt u de visie dat predikers die oproepen tot jihad, onder meer door te stellen dat kelen moeten worden doorgesneden en schedels moeten worden ingeslagen, een gevaar vormen voor de openbare orde?
Het kabinet is zich er van bewust dat dit onderwerp tot veel vragen leidt en dat een samenkomst zoals in Eindhoven tot onrust en vragen kan leiden. In algemene zin is het kabinet duidelijk over de onwenselijkheid dat er in Nederland radicale boodschappen worden verspreid: vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie, maar deze vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. In de brief aan uw Kamer van 3 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, 29 754, nr. 303) is reeds aangegeven dat verspreiding van onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen onwenselijk is, en welke maatregelen daar bij passen binnen de geldende wet- en regelgeving.
Welke maatregelen, zoals bijvoorbeeld de burgemeester aansporen om in te grijpen, bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat de betreffende geweldsprediker vrijelijk zijn gang kan gaan?
De burgemeester van Eindhoven heeft op 28 april jl. contact gehad met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met als doel het krijgen van ondersteuning bij het maken van een afweging op grond van de openbare orde. Verder voldoet de heer Al-Qarni zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 niet langer aan de vereisten voor verblijf binnen het Schengengebied en mag hij niet in Nederland verblijven. Uiteindelijk heeft de organiserende stichting Waqf in een persbericht op 29 april 2015 aangegeven dat de gehele samenkomst niet meer doorgaat.
Bent u eindelijk bereid moskeeën die oproepen tot geweld te sluiten en organisaties die geweldspredikers uitnodigen aan te pakken? Zo neen, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie, net als de vrijheid van godsdienst. In een rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Echter, wanneer tijdens een bijeenkomst strafbare feiten worden gepleegd, zoals opruien of aanzetten tot geweld of haat tegen bevolkingsgroepen, dan kan strafrechtelijk worden opgetreden. Als blijkt dat er tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, dan kan het Openbaar Ministerie beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die bij de strafbare uitingen heeft geholpen (zoals de organisator of de verstrekker van de locatie). De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en kan vanuit die invalshoek optreden wanneer de situatie rondom een bijeenkomst daar om vraagt.
Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. In geval van een rechtspersoon is (verboden verklaring en) ontbinding alleen mogelijk als het doel en/of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde.