Het stoppen van de financiering van het doveninternaat in Haren |
|
Roelof van Laar (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voortbestaan Internaat Haren alweer bedreigd! Wat is werkelijk Passend Onderwijs voor dove jongeren?»1
Ja.
Is het waar dat het internaat geen financiering zal ontvangen voor nieuwe leerlingen? Zo ja, op welke gronden is de financiering voor het internaat stopgezet?
De subsidie voor verblijf in het internaat zal voor nieuwe leerlingen inderdaad worden afgebouwd. Over de precieze invulling en het tempo van de afbouw ben ik nog in gesprek met Koninklijke Kentalis, de eigenaar van het internaat en de bijbehorende school. Tot 2011 kon iedere leerling voor verblijf op het internaat bekostigd worden op basis van een AWBZ-indicatie voor verblijf, ook als dat verblijf alleen nodig was voor deelname aan het onderwijs en niet in verband met de zorgbehoefte van de leerling. Vanaf 2011 is het Ministerie van VWS het AWBZ-criterium voor verblijfszorg, overeenkomstig de bedoeling van de wet, strikter gaan toepassen. Verblijf werd vanaf dat moment alleen vergoed als dat nodig is in verband met de zorgbehoefte van het kind. Destijds is besloten dat OCW tijdelijk, tot de invoering van passend onderwijs, de leerlingen zou bekostigen die niet in aanmerking komen voor een AWBZ-indicatie. De tijdelijkheid van de subsidie is steeds duidelijk aangegeven. Nu passend onderwijs is ingevoerd en de instellingen in het zogeheten cluster 2 de verantwoordelijkheid en de ruimte hebben gekregen om voor een passend aanbod te zorgen, zal de subsidie worden afgebouwd.
Wat voor onderzoek is gedaan naar de effecten van de sluiting van het internaat en de beschikbare alternatieven? Welk overleg heeft er plaatsgevonden met vertegenwoordigers van betrokkenen als het Dovenschap en FODOK?2
Hier is geen specifiek onderzoek naar gedaan. In overleg met de betrokken partijen, waaronder ook Dovenschap en Fodok, is de tijdelijkheid van de subsidie steeds duidelijk geweest. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven ben ik over de precieze invulling van de afbouw nog in gesprek met Kentalis. Bij dit gesprek zal ik ook Fodok en Dovenschap betrekken.
Erkent u het belang van bereikbaar tweetalig voortgezet speciaal onderwijs (vso), waar zowel Nederlandse gebarentaal als Nederlands onderwijstaal is? Is het waar dat dit onderwijs alleen in Haren wordt gegeven?
Het klopt dat alleen in Haren tweetalig voorgezet speciaal onderwijs op havoniveau wordt geboden. Echter, tweetalig onderwijs is geen noodzakelijke voorwaarde voor het behalen van een havodiploma. Er zijn namelijk andere mogelijkheden om een passend aanbod voor deze leerlingen te organiseren. Een leerling kan ook met ondersteuning van een tolk havo-onderwijs volgen binnen het regulier onderwijs. Met de invoering van passend onderwijs zijn er daarnaast meer mogelijkheden gekomen om dit flexibeler te organiseren. Bijvoorbeeld door dove leerlingen meer te clusteren en deels gezamenlijk onderwijs te laten volgen. Tevens kan er worden gekeken of er binnen het vso mogelijkheden zijn om op andere plekken havo te organiseren, zoals tot voor kort ook in Rotterdam mogelijk was. De cluster 2-instellingen kunnen derhalve eigen keuzes maken bij de inrichting van het onderwijs. In overleg met de ouders van dove leerlingen kan er voor worden gekozen om het speciaal onderwijs voor doven, al dan niet tweetalig, meer over Nederland te spreiden.
Deelt u de zienswijze van FODOK dat het internaat een essentiële voorwaarde voor echt passend onderwijs voor dove kinderen is, ook vanuit de meerwaarde van een op gebarentaal gerichte omgeving voor een goede ontwikkeling van sommige dove kinderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven kan het behalen van een havodiploma ook zonder verblijf in het internaat gerealiseerd worden. Vanuit die overweging deel ik de opvatting van FODOK niet dat het internaat een essentiële voorwaarde is voor passend onderwijs voor dove kinderen.
Kunt u inzichtelijk maken wat de kosten zijn per leerling voor verblijf op het internaat en wat de kosten zijn die voortvloeien uit het dichterbij volgen van passend onderwijs door middel van een gebarentolk?
Voor de kosten voor verblijf in het internaat is dat mogelijk. Deze bedragen € 30.000,– per leerling. Daarnaast ontvangt de vso school in Haren, de Guyotschool, onderwijsbekostiging (ongeveer € 19.000,– per leerling). De kosten die voortvloeien uit het dichterbij huis volgen van onderwijs zijn lastiger weer te geven omdat hiervoor meerdere mogelijkheden zijn. Ten eerste kan een leerling elders vso volgen. Dan is er geen bekostiging van een doventolk nodig, maar afhankelijk van de afstand en de mate van zelfstandigheid eventueel wel leerlingenvervoer. Ten tweede kan een leerling volledig regulier onderwijs volgen (de onderwijsbekostiging is dan ongeveer € 7.100,– per leerling). Aanvullende tolkkosten zijn dan ongeveer € 30.000,– per jaar. Als er meerdere dove leerlingen in een groep regulier onderwijs volgen, kan dat bedrag lager zijn omdat het dan (deels) mogelijk is om gebruik te maken van een groepstolk. Daarnaast is er, afhankelijk van het arrangement, nog sprake van ondersteuningskosten vanuit cluster 2. Ten derde kan een leerling deels speciaal, deels regulier onderwijs volgen met ondersteuning door cluster 2 (de zogenaamde symbiose). Kortom, de kosten van verblijf in het internaat enerzijds en het bieden van een alternatief dichtbij huis zijn niet zomaar met elkaar te vergelijken.
Welke alternatieven zijn er voor dove kinderen om tweetalig vso te volgen als zij niet langer op het internaat in Haren kunnen verblijven, gezien de verre reisafstand naar Groningen?
De communicatie met individuele ouders loopt via Kentalis. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven ben ik met Kentalis in gesprek over de precieze invulling van de afbouw. De mogelijkheden om in de regio meer alternatieven te organiseren, zijn daarbij een belangrijk onderwerp van gesprek.
Hoe wordt over het stoppen van de subsidie voor nieuwe leerlingen aan het internaat gecommuniceerd met de ouders van kinderen die in het schooljaar 2015/2016 naar het internaat zouden gaan? Hoe wordt op een zorgvuldige wijze gezorgd voor alternatieven?
De uitzending met betrekking tot het gerommel met zwemdiploma’s |
|
Michiel van Nispen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over de grote verschillen in kwaliteit van de zwemdiploma’s in Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Over verschillen in kwaliteit van de zwemdiploma’s bestaan zorgen bij stakeholders in de zwemsector. Het is van belang om in te blijven zetten op de kwaliteit. De sector ziet dit belang en wil ervoor zorgen dat de kwaliteit beter gegarandeerd wordt. Dit blijkt uit overleg dat recent met de sector is gevoerd.
Wat vindt u van de wildgroei aan verschillende zwemdiploma’s, richtlijnen en onduidelijke regelgeving als het gaat om zwemlessen aan kinderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel uw zorgen over de toegenomen verscheidenheid aan zwemdiploma’s en de onduidelijkheid rond de kwaliteitseisen. Hierdoor kunnen ouders niet goed een beredeneerde keuze maken voor een kwalitatief goede zwemles en een gegarandeerd goed zwemdiploma. Die zorgen worden ook door de zwemsector gedeeld.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat eigenlijk iedereen, zonder nadere voorschriften, een zwemschool kan beginnen en zelfstandig zwemdiploma’s kan verstrekken? Zo ja, gaat u dit per direct verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen die in de uitzending zijn geuit over de stoomcursussen die gegeven worden door commerciële ondernemers, wat ertoe leidt dat sommige kinderen daardoor te weinig zwemvaardigheid ontwikkelen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat het zwemdiploma een erkend document dient te zijn, zodat ouders erop kunnen vertrouwen dat hun kind goede en degelijke zwemlessen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze u uitvoering geeft aan de motie over een onderzoeksprogramma zwemvaardigheid?2
Op 18 februari 2015 is er een overleg met betrokkenen gevoerd over zwemvaardigheid, zwemveiligheid en het borgen en delen van zwemkennis in Nederland.
Aan het overleg hebben de meest betrokken stakeholders in de zwemsector en vertegenwoordigers van VWS en OC en W deelgenomen.
De komende maanden werkt de sector aan een gemeenschappelijke aanpak en aan het verwerven van draagvlak bij alle betrokkenen. Hierbij is ook aandacht voor de in de motie gestelde onderzoeksvragen. Zodra dit proces is afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten. Ik verwacht dat de zwemsector voor de zomer 2015 tot een afronding komt.
Het personeelsbestand van de Belastingdienst |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven uit hoeveel fte het managementteam van de Belastingdienst bestaat? In hoeverre is dit aantal de afgelopen tien jaar gewijzigd?1
Het Managementteam van de Belastingdienst bestaat op dit moment uit totaal 12 leden, te weten de Directeur Generaal Belastingdienst, vier MT-leden met een concernverantwoordelijke portefeuille (CIO, CFO, Fiscale aangelegenheden en HR&Communicatie), de Algemeen Directeur Belastingen en de Algemeen Directeur Douane, de directeuren van Toeslagen, FIOD, Centrale Administratie en Belastingtelefoon en de directeur DG Belastingdienst.
De omvang van de topstructuur (schaal 16 en hoger in de leidinggevende functies) wordt jaarlijks afgestemd met en goedgekeurd door het Ministerie van BZK. Sinds 2005 jaar is de afspraak met BZK dat de leiding aan de top wordt uitgevoerd binnen de bandbreedte van 100 managers in schaal 16, 25 in schaal 17 en 6 in schaal 18.
Vergeleken met de situatie van tien jaar geleden is de inrichting van de organisatie van de Belastingdienst sterk veranderd, maar de afgesproken aantallen zijn gelijk gebleven. Na 2004 zijn Toeslagen en Belastingtelefoon ingericht, beide met een directeur formatief op schaal 17, passend binnen de 25 schalen 17. In 2009 is besloten na de McKinsey rapportage tot het aanstellen van een CIO, een extra schaal 18. In 2010 is vanwege de wijziging van de besturing van Belastingen een algemeen directeur Belastingen aangesteld, ook een extra schaal 18. Beide functies passen binnen de afspraken met BZK over de omvang van schaal 18. In 2014 is voor de versterking van de integrale advisering aan de dienstleiding de functie van directeur DGBel aan het MT toegevoegd, niveau schaal 17 en passend binnen de afspraak van 25 schalen 17. De Directeur-generaal is lid van de topmanagementgroep binnen de Algemene bestuursdienst.
Kunt u aangeven hoeveel aan fte beschikbaar is voor de uitvoering binnen de Belastingdienst? In hoeverre is dit aantal de afgelopen tien jaar gewijzigd?
Alle cijfers zijn in fte’s (fulltime equivalenten), betrekking hebbend op ambtelijk personeel (dus exclusief externen en uitzendkrachten).
Tot. Uitvoering (incl. staf)
28.249
27.583
666
Kunt u die cijfers specificeren voor de Heffing en de Inning?
Er wordt geen aparte administratie bijgehouden die per belastingmiddel specificeert hoeveel mensen werken voor heffing respectievelijk bijzondere inning.
Hoeveel mensen zijn binnen ieder cluster (Centrum voor Infrastructuur en Exploitatie, Centrum voor Applicatieontwikkeling en onderhoud, Belastingtelefoon, et cetera) belast met uitvoerende werkzaamheden en hoeveel mensen zijn belast met managementtaken? Kunt u tevens aangeven in hoeverre deze verhouding de afgelopen tien jaar is gewijzigd?
Vanwege de organisatorische veranderingen van de afgelopen tien jaar is een precieze vergelijking per dienstonderdeel van de situatie 2004–2014 niet goed mogelijk. Het bedrijfsonderdeel B/CICT is opgesplitst in resp. B/CAO en B/CIE. Er zijn twee nieuwe bedrijfsonderdelen gevormd, Belastingtelefoon en Toeslagen. Het bedrijfsonderdeel B/CPP (Centrum voor Proces- en Productontwikkeling) is opgeheven en de taken daarvan zijn verdeeld over de primaire processen.
Management1) 2014
Management 2004
Verschil
Uitvoering 2014
Uitvoering 2004
Verschil
Belastingen
783
714
69
15.338
15.434
– 96
Douane
234
244
– 10
4.342
4.939
– 597
B/CA
84
72
12
1.564
1.075
489
BelastingTelefoon
40
40
793
0
793
Toeslagen
37
37
717
0
717
FIOD
50
67
– 17
1.230
1.116
114
DGBel
11
13
– 2
222
166
56
B/CFD
70
65
5
1.153
1.006
147
B/CKC
36
22
14
575
481
94
B/CAO (voorheen deel van B/CICT)
66
66
1.404
0
1404
B/CIE (voorheen deel van B/CICT)
61
61
911
0
911
voorheen B/CICT
0
275
– 275
0
2.908
– 2.908
voorheen B/CPP2)
0
4
– 4
0
458
– 458
Totaal
1.472
1.476
– 4
28.249
27.583
666
Onder management wordt verstaan lijnmanagement (dus excl. projectleiders).
Het betreft een afgesloten administratie waarbij het onderscheid in management en overige individuele functies op een andere wijze was geregistreerd.
In 2010 is afgestapt van het collegiaal management, waarbij het management van een dienstonderdeel gezamenlijk alle teams in dat onderdeel aanstuurde. In het collegiaal management was bij verschillende onderdelen sprake van zelfsturende teams. Deze verandering betekende een andere besturingsfilosofie en daarmee ook een andere indeling van de managementstructuur. Uitgangspunten van het P&O-beleid zijn dat iedere medewerker recht heeft een leidinggevende, niet alleen voor de sturing, maar ook in de personele zorg, en dat in de stijl van leidinggeven aandacht behoort te zijn voor de professionele ruimte van de medewerker.
Voor de span of control wordt als stelregel 1:25 aangehouden, met mogelijke uitzonderingen voor zeer gespecialiseerde teams (denk bijvoorbeeld aan fiscale teams die banken en verzekeraars behandelen). Dat betekende in sommige gevallen dat extra teamleiders nodig waren. Kijkend voor het totaal van de Belastingdienst naar de verhouding aantal uitvoerenden (in fte’s) op één manager, dan is het beeld als volgt: in 2014 1:19.2 (1.472/28.249) en in 2004: 1:18.7 (1.476/27.583).
Kunt u per loonschaal (1 t/m 18) aangeven hoeveel fte en hoeveel medewerkers hieronder vallen binnen de Belastingdienst? Kunt u tevens aangeven hoeveel fte en medewerkers hier tien jaar geleden onder vielen?2
In onderstaande tabel is de bezetting per schaal in 2014 en 2004 opgenomen. Daarnaast zijn er binnen de Belastingdienst groepsfuncties (B t/m I), die met een range van BBRA-schalen correspondeert. Deze range is apart inzichtelijk gemaakt.
Schaal
2014 in fte
2004 in fte
Verschil 2014–2004
Schaal 18
6
5
1
Schaal 17
27
15
12
Schaal 16
118
102
16
Schaal 15
170
216
– 46
Schaal 14
718
1.030
– 312
Schaal 13
739
364
375
Schaal 12
1.011
735
276
Schaal 11
1.522
1.033
489
Schaal 10
1.411
1.258
153
Schaal 09
748
1.042
– 294
Schaal 08
696
856
– 160
Schaal 07
399
728
– 329
Schaal 06
519
711
– 192
Schaal 05
355
664
– 309
Schaal 04
516
105
411
Schaal 03
7
509
– 502
Schaal 02
0
1
– 1
Schaal 01
0
45
– 45
Groepsfunctie
GF I+
schaal 14–16
567
–
567
GF I
schaal 11–13
1.522
1.220
302
GF G
schaal 9–11
–
1
– 1
GF F
schaal 9–11
4.493
3.611
882
GF E
schaal 7–9
4.678
4.365
313
GF D
schaal 7–8
327
470
– 143
GF C
schaal 5–7
7.547
7.584
– 37
GF B
schaal 3–5
1.625
2.389
– 764
Overig
294
–
294
30.0151)
29.059
956
In de tabel bij vraag 4 zijn de 294 medewerkers «overig» niet opgenomen. Dit verklaart het verschil in de totalen over 2014 tussen vraag 4 (1.472 + 28.249 = 29.721) en vraag 5 (30.015).
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 1 wordt de omvang van de topstructuur (schaal 16 en hoger in de leidinggevende functies) goedgekeurd door het Ministerie van BZK. De afspraak met BZK is dat de leiding aan de top wordt uitgevoerd binnen de bandbreedte van 100 managers in schaal 16, 25 in schaal 17 en 6 in schaal 18. De feitelijke bezetting van managers in schaal 16 ligt op dit moment rond de 85; dat heeft er mee te maken dat op hetzelfde managementniveau ook managers in schaal 15 zijn ingedeeld, die afhankelijk van de zwaarte van hun functie en de persoonlijke ontwikkeling van die manager kunnen doorgroeien naar schaal 16, mits het aantal van 100 niet wordt overschreden. Over de afgelopen tien jaar is er dus geen groei van het aantal managers binnen de topstructuur.
In bovenstaande tabel is voor 2014 een bezetting opgenomen van 118 fte in schaal 16. Dit aantal ziet niet alleen op de medewerkers in leidinggevende functies, maar ook op medewerkers in specialistische functies in de vaktechniek. Een deel van deze medewerkers is geplaatst in de groepsfunctie I+. Dit verklaart ook de bezettingsafname in de schalen 14 en 15 tussen 2004 en 2014.
Kunt u een vergelijking maken tussen de Belastingdienst en andere Rijksdiensten wat betreft de omvang en de inschaling van het management?
Ter beantwoording van deze vraag is contact opgenomen met het Ministerie van BZK. Voor de rijksdienst in zijn totaliteit is de verhouding management/uitvoering 14.4. Zoals bij het antwoord op vraag 4 aangegeven, is de verhouding management/uitvoering bij de Belastingdienst 19.2.
Is het aantal M1- en M2-managers bij de Belastingdienst de afgelopen jaren gewijzigd? Zo ja, hoeveel M1- en M2-managers waren er tien jaar geleden en hoeveel zijn er nu?
De termen M1 en M2 worden nog steeds gebruikt maar hebben in feite hun relevantie verloren met de huidige inrichting. Bij de inrichting van de managementlaag wordt tegenwoordig gesproken over MT- leden, directeuren en plaatsvervangend directeuren en teamleiders.
Management (M0/M1)
176
201
– 25
Teamleiders (M2)
1.296
1.274
22
Totaal
1.472
1.476
– 4
Door afrondingsverschillen kan de som van de onderdelen verschillen van het totaal.
Is het aantal fte aan managers in dezelfde verhouding verminderd als het aantal fte dat belast is met uitvoerende taken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Anders dan in de vraag wordt verondersteld is er geen sprake van vermindering van het aantal fte belast met uitvoerende taken. Uit het antwoord op vraag 2 blijkt dat in de periode 2004–2014 de uitvoering met 666 fte is toegenomen, ofwel 2,4%. Uit het antwoord op vraag 7 blijkt dat het management in dezelfde periode is afgenomen met 4 fte, ofwel –0,3%.
Heeft de reorganisatie die vanaf 2003 is doorgevoerd, waarbij de vijf doelgroepdirecties zijn komen te vervallen, geleid tot een vermindering van het aantal fte en aantal medewerkers binnen het management?
In 2003 zijn de doelgroepdirecties opgeheven en vervangen door belastingregio’s met elk een regiodirecteur. Per 1 januari 2013 is een nieuw besturingsmodel bij het bedrijfsonderdeel Belastingen ingevoerd. De dertien belastingregio’s hebben plaatsgemaakt voor vier lijndirecties ingericht per segment: Semi Massale Processen (SMP), Particulieren, Dienstverlening en Bezwaar (PDB), Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en Grote Ondernemingen (GO). De reorganisatie heeft tot doel het toezicht en de dienstverlening voor de toekomst op peil te houden en tegelijkertijd de processen goedkoper te maken door deze opnieuw te ontwerpen en te concentreren. Een vergelijking met tien jaar geleden is niet goed mogelijk vanwege het verschil in takenpakketten toen en nu.
De mogelijke bewapening van Nederlandse onbemande vliegtuigen (drones) |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat bij de VS is verzocht om een onderdeel aan te schaffen (Multi-Spectral Targeting Systems (MST)-B), waardoor de vier Amerikaanse Reapers die u wilt aanschaffen, bewapend kunnen worden?1
Zoals beschreven in de B-brief van 21 november 2013 (Kamerstuk 30 806, nr. 16) wil Defensie een Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle (MALE-UAV) systeem aanschaffen. Defensie heeft de intentie een dergelijk systeem van «de plank» te kopen. De MQ-9 Reaper voldoet als enige aan de eisen in de behoeftestelling. Daarom heeft Defensie in de Verenigde Staten informatie gevraagd over vier Reaper toestellen en bijbehorende middelen in de standaard «van de plank» configuratie. In die configuratie beschikt een Reaper over een Multi-spectral Targeting System (MTS-B) dat voorziet in de vereiste daglicht- en infraroodcamera functionaliteit. Het MTS-B systeem kent daarnaast andere functies zoals afstandsmeting met behulp van laser of laseraanwijzing van objecten. Het feit dat de Reaper in een standaardconfiguratie beschikt over een MTS-B met alle daarin opgenomen functionaliteiten doet niet af aan het feit dat de Nederlandse behoefte geen betrekking heeft op een MALE-UAV als wapendrager. Mocht daaraan in de toekomst alsnog behoefte zijn, informeer ik u daarover.
Kan het (MTS)-B onderdeel gebruikt worden om raketten af te vuren? Zo ja, waarom wilt u dit aanschaffen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw uitspraak dat u niet voorziet dat de Nederlandse drones de komende 15 jaar bewapend zullen worden? Hoe rijmt u dat met bovenstaande?3
Bewapening van de MALE-UAV is momenteel niet aan de orde.
Klopt het dat Nederlandse militairen nog dit jaar in de VS gaan trainen in het gebruik van drones? Zo ja, kunt u uitsluiten dat deze militairen betrokken raken bij targeted killings door Amerikaanse drones?4
Met oog op de tijdige beschikbaarheid van de capaciteit, heeft Defensie bij de Amerikaanse overheid vier MQ-9 opleidingsplaatsen aangevraagd om kennis en expertise ten aanzien van het opereren met deze klasse onbemande vliegtuigen op te bouwen. Als die worden toegewezen, zullen twee piloten en twee sensor-operators de opleiding gaan volgen. Deze opleidingsplaatsen worden niet uit het projectbudget bekostigd. Het is uitgesloten dat deze militairen tijdens hun opleiding betrokken raken bij wapeninzet.
Valt de door u gewenste aanschaf van vier Reapers minstens 50 miljoen euro duurder uit? Wat is hiervan de oorzaak? Wat worden de totale kosten voor aanschaf?5
Defensie is nog in afwachting van Amerikaanse informatie over het product en de prijs. Ik verwacht dat Defensie die informatie binnen afzienbare tijd ontvangt, waarna die zal worden beoordeeld. Naar verwachting kan ik de Kamer in de loop van 2015 informeren over de gecombineerde C/D-fase. Verder verwijs ik u naar mijn reactie – die u gelijktijdig ontvangt – op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie over hetzelfde onderwerp (ingezonden op 12 februari jl. met kenmerk 2015Z02322/2015D05276).
Uitspraken dat binnen het Openbaar Ministerie extra officieren van Justitie zijn aangesteld |
|
Michiel van Nispen |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat bedoelde u met uw uitspraak dat er binnen het Openbaar Ministerie (OM) extra officieren van justitie zijn aangesteld? Hoeveel zijn dat er? Wat bedoelt u met het woordje «extra»?1
Vanaf 2014 vindt binnen het Openbaar Ministerie (OM) een intensivering plaats voor de aanpak van terrorisme en radicalisering. De intensivering ziet onder meer op de uitvoering van de strafrechtelijke maatregelen zoals verwoord in het actieprogramma integrale aanpak jihadisme. In het kader van deze intensivering zijn zeven zeer ervaren officieren van justitie boven de formatie aangesteld voor de aanpak van terrorisme en radicalisering. Deze zeven officieren van justitie waren reeds elders binnen het OM werkzaam en hun opengevallen functies worden opgevuld met nieuw aan te trekken personeel.
In 2015 wordt deze capaciteit verder uitgebreid. Hier wordt de intensivering van 5 miljoen euro voor het jaar 2015 ingezet, zoals bedoeld in vraag 2.
Doelt u met uw uitspraak «Boven op de bestaande. Dat is de extra bijdrage die in de begroting voor uitbreiding van het Openbaar Ministerie is opgenomen»2 op de intensivering van 5 miljoen euro voor het jaar 2015 waartoe in het kader van de begrotingsonderhandelingen 2015 is besloten?3 Ontkent u dat er tegenover deze intensivering van 5 miljoen euro voor het jaar 2015 een bezuiniging van 80 miljoen euro staat (cumulatief, gerekend vanaf kabinet Rutte-I) zodat er per saldo een bezuiniging van 75 miljoen euro overblijft?
Aangezien het hier extra taken betreft waarvoor extra personeel wordt aangesteld, dienen deze additioneel beschikbaar gestelde middelen niet te worden gezien als een correctie op de eerder genoemde rijksbrede taakstelling van dit kabinet.
Kwamen de officieren van justitie die zich nu door deze intensivering met jihadisme bezig houden van buiten het OM? Zo ja, wat is hun achtergrond? Indien deze officieren van justitie van binnen het OM komen, welke functies en taken vervulden zij voordat zij met de aanpak van jihadisme werden belast?
De extra officieren van justitie werkten al binnen het OM. Het betreft personen die binnen het OM jarenlange ervaring hebben opgebouwd als officier van justitie.
Wie doet nu het vorige werk van de officieren van justitie die door de verzachting van de bezuiniging binnen het OM zijn belast met de aanpak van jihadisme?
Het College van Procureurs-generaal heeft mij in dit verband medegedeeld dat om het reguliere werk doorgang te kunnen laten vinden en om te voorkomen dat nieuwe zaken niet worden opgepakt, de opengevallen functieplaatsen van deze zeven officieren van justitie worden opgevuld met nieuw aan te trekken personeel.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen een week te beantwoorden?
Ja, de vragen zijn afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het sluiten van sociale werkplaatsen |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het voornemen van vijf gemeenten om de sociale werkplaatsen van de AM Groep te sluiten?1
Ja.
Deelt u de zorg, o.a. van VNO-NCW2, dat in diverse gemeenten de sociale werkvoorziening gesloten dreigt te worden zonder dat helder is wat daar voor in de plaats komt? Zo nee, waarom niet?
Het betreft een decentrale verantwoordelijkheid waarbij de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders besluitvormend zijn. Zij dienen daarbij de relevante afwegingen te maken en zorgvuldig om te gaan met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de Participatiewet.
Met de komst van de Participatiewet oriënteren veel gemeenten zich op de wijze waarop deze wet het beste kan worden uitgevoerd. Daarbij wordt ook gekeken naar de positie van de Sociale Werkplaatsbedrijven (sw-bedrijven). Ook na de invoering van de Participatiewet blijft de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) van kracht voor werknemers die op 31 december 2014 in dienst waren op basis van de Wsw. Deze werknemers behouden hun rechten en plichten. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de huidige doelgroep van de Wsw.
Uit een uitvraag van Cedris blijkt dat een groot aantal sw-bedrijven één of meer taken krijgt bij de uitvoering van de Participatiewet. De sw-bedrijven vormen zich vaak met (een deel van) de sociale dienst om tot sociale werkbedrijven, die voor de brede doelgroep van de Participatiewet worden ingezet. Gemeenten gaan zelf over de wijze waarop de bestaande Wsw wordt uitgevoerd en over de wijze waarop de deskundigheid van sw-bedrijven wordt behouden voor de uitvoering van de Participatiewet. Gemeenten maken daarin hun eigen keuzes.
Deelt u de mening dat de Participatiewet juist kansen biedt aan gemeenten om de sociale werkvoorziening een rol te laten spelen bij het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking, bijvoorbeeld bij het inrichten van beschutte werkplekken en detachering? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Sw-bedrijven kunnen een belangrijke rol vervullen bij het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking, zowel bij de uitvoering van de Wsw, als bij het toeleiden naar regulier werk voor de bredere doelgroep van de Participatiewet en de invulling van beschut werk. Sw-bedrijven hebben de kennis, ervaring en het netwerk om de capaciteiten van mensen met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt te vertalen naar geschikt werk met professionele begeleiding vanuit het sw-bedrijf. Ook onder de Participatiewet kunnen sw-bedrijven dus een waardevolle rol vervullen.
Op welke manier is de positie van de huidige SW-ers geborgd? Hoe krijgt het begeleiden van mensen met een arbeidsbeperking richting de arbeidsmarkt nu vorm?
Werknemers die op 31 december 2014 in dienst zijn op basis van de Wsw behouden hun rechten en plichten. Gemeenten hebben met de Participatiewet de verantwoordelijkheid voor het participeren van mensen met een arbeidshandicap. Gemeente hebben de beschikking over een breed instrumentarium (waaronder loonkostensubsidie en voorziening beschut werk) met bijbehorende middelen om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen.
Kunt u bevestigen dat een aantal gemeenten hun sociale werkvoorziening nauw laten samenwerken (of zelfs integreren) met de sociale dienst, en op deze manier de kennis en ervaring die ze opgedaan hebben bij het bemiddelen en matchen van mensen met een SW-indicatie nu breder kunnen inzetten en gebruik kunnen blijven maken van hun contacten met bedrijven?
Het betreft een verantwoordelijkheid van gemeenten en ik ben niet in detail op de hoogte, maar op grond van de informatie die Cedris, gemeenten en sw bedrijven hierover naar buiten brengen is dat inderdaad het geval. Bijvoorbeeld in IJmond Werkt! (gemeenten Velsen; Beverwijk; Heemskerk en Uitgeest) wordt volgens dit model gewerkt.
Het rapport met adviezen voor de aanpak van vogelgriep van de dierenbescherming |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Dierenbescherming «Diervriendelijker aanpak vogelgriep – Geef ze een griepprik en een betere uitloop» met adviezen voor de aanpak van vogelgriep?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel dat de Dierenbescherming geeft over de huidige aanpak van de vogelgriep?
Er is het afgelopen decennium veel vooruitgang geboekt met betrekking tot een maatschappelijk verantwoorde dierziektebestrijding, waaronder vogelgriep:
Op dit moment loopt een evaluatie van de bestrijding van de vogelgriepuitbraken van eind 2014, uitgevoerd door organisatie adviesbureau Berenschot. Voor de zomer zal ik u dit evaluatierapport met daarbij mijn reactie daarop toesturen.
Deelt u de mening van de Dierenbescherming dat er nog belangrijke stappen te zetten zijn op het gebied van dierenwelzijn bij de aanpak van de vogelgriep?
Ik blijf streven naar verbeteringen op het gebied van dierenwelzijn tijdens een uitbraak van een dierziekte. Ik laat bijvoorbeeld onderzoek uitvoeren naar vogelgriepvaccins die niet per injectie maar met verstuivers kunnen worden toegediend. Met deze methode zou het op termijn mogelijk kunnen worden om grote aantallen dieren in korte tijd te vaccineren. Ook staat de acceptatie van vaccinatie in het internationale handel hoog op mijn agenda. Maar voor beide onderwerpen geldt dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt.
Bent u bereid de adviezen van de Dierenbescherming mee te nemen in een nieuw plan van aanpak van de vogelgriep? Zo ja, welke adviezen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat zijn de voorstellen van de Dierenbescherming sympathiek, maar niet allemaal uitvoerbaar, zeker niet binnen de voorgestelde tijdslijn. Zo kan dit najaar niet worden gestart met vaccinatie van commercieel pluimvee omdat er geen goed werkend vaccins beschikbaar is. Daarbij zal het grootschalig preventief vaccineren van Nederlands pluimvee tegen vogelgriep leiden tot veel en langdurige exportbeperkingen.
Aan een aantal onderwerpen waar de Dierenbescherming over adviseert werk ik al:
Ten slotte stelt de Dierenbescherming voor om de structuur van de pluimveesector te wijzigen en uitloopbedrijven te weren uit waterrijke gebieden. In mijn Kamerbrief van 13 april 2015 over onderzoek vrije uitloop en laagpathogene vogelgriep heb ik u geïnformeerd over de relatie tussen het risico van vogelgriep en waterrijke gebieden. Ik zal hierover met de pluimveesector in gesprek gaan.
Problemen met aangiftes met betrekking tot zedendelicten |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twentse zorginstellingen: misbruik van verstandelijk gehandicapte kinderen blijft vaak onbestraft|»?1
Ja.
Is het waar dat het vervolgen van daders van zedendelicten jegens verstandelijk gehandicapten wordt belemmerd door het feit dat de slachtoffers niet altijd goed in staat zijn bij aangiftes een goede verklaring af te leggen? Zo ja, over welke informatie beschikt u en kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom is dat niet waar?
Zedenzaken met slachtoffers met een verstandelijke beperking zijn complex en deze slachtoffers zijn kwetsbaar. Om die reden zijn voor deze zaken speciaal opgeleide zedenrechercheurs beschikbaar, waarover meer in mijn antwoord op vraag 3.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij meegedeeld dat in zaken met slachtoffers met een verstandelijke beperking meestal namens hen aangifte wordt gedaan door een instelling of verzorger die op basis van uitlatingen van de betreffende persoon of andere gronden vermoedt dat er sprake is van strafbaar handelen door een derde. Het slachtoffer zelf wordt, als er voldoende concrete aanleiding is om te denken aan een strafbaar feit, vervolgens door de politie gehoord als getuige/betrokkene.
De verklaring van het slachtoffer speelt in zedenzaken veelal een extra grote rol bij het kunnen beoordelen of er aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en bij de daarop volgende bewijsvoering. Dit komt doordat er vaak geen sporen en/of geen directe getuigen zijn. De betrouwbaarheid van deze verklaring is dus doorgaans cruciaal en daarmee de vraag of die verklaring voldoende begrijpelijk, volledig en consistent is. Mensen met een verstandelijke beperking hebben geregeld in meer of mindere mate moeite om een begrijpelijke, volledige en consistente verklaring af te leggen. Bovendien kan de mate waarin en de manier waarop er door personen rondom een slachtoffer met een verstandelijke beperking voorafgaand aan een politieverhoor al gesproken is met het slachtoffer en eventuele getuigen later vragen oproepen over de betrouwbaarheid van hun verklaringen, omdat de kans bestaat dat er sprake is geweest van beïnvloeding. Deze aspecten kunnen tot gevolg hebben dat het moeilijker is om voldoende bewijs te verzamelen en uiteindelijk tot vervolging over te kunnen gaan.
Over welke mogelijkheden beschikt de politie in het geval van geestelijk gehandicapte slachtoffers toch te komen tot een bruikbare aangifte dan wel op andere wijze bewijsmateriaal te verzamelen, bijvoorbeeld door het horen van getuigen? Wordt er van die mogelijkheden gebruik gemaakt? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Voor het horen van zowel slachtoffers, verdachten als getuigen met een verstandelijke beperking worden speciaal opgeleide zedenrechercheurs ingezet. In bijzondere gevallen kunnen deze gespecialiseerde verhoorders een beroep doen op een recherchepsycholoog, die rechercheurs kan adviseren bij het voorbereiden en uitvoeren van het verhoor van een persoon met een verstandelijke beperking. Eenheden van de nationale politie beschikken over een of meer psychologen, of kunnen een beroep doen op psychologen van andere eenheden. Zoals eerder toegezegd door de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie2 zal uw Kamer geïnformeerd worden over de resultaten van een door de politie ingestelde werkgroep. Deze werkgroep heeft onder meer de opdracht richtlijnen op te stellen voor het inschakelen van (externe) deskundigen bij het verhoor van mensen met een verstandelijke beperking. Uw Kamer zal daarover voor het zomerreces van dit jaar worden bericht.
Bij de beoordeling of een aangifte tot een strafrechtelijke verdenking en een onderzoek kan leiden, neemt het OM alle voorhanden zijnde informatie mee. Naast het horen van het slachtoffer en eventuele getuigen kan het gaan om sporen en camerabeelden. Ook wordt de eventuele verklaring van een verdachte betrokken bij de bewijsvoering. Het kan een complicerende factor zijn als ook de vermoedelijke dader een verstandelijke beperking heeft.
Wat gebeurt er met een melding van een zedendelict dat door of namens een geestelijk gehandicapte wordt gedaan? Bestaat de mogelijkheid dat de politie dan een mogelijke verdachte aanspreekt op wat er gemeld is? Zo ja, gebeurt dit ook? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de beoordeling van de aangifte gaat de politie in beginsel in gesprek met iedereen tegen wie een aangifte van een zedendelict is gedaan. Dat is alleen anders als een verdachte vanwege zijn eigen verstandelijke beperkingen niet in staat wordt geacht over de feiten een verklaring af te leggen. Als er onvoldoende bewijs is om iemand als verdachte aan te merken, maar de persoon tegen wie aangifte is gedaan is wel bekend, dan wordt deze persoon in kennis gesteld van het feit dat er tegen hem of haar aangifte is gedaan. Dat is niet anders bij mensen met een verstandelijke beperking, met dien verstande dat het ook hier uitmaakt of ingeschat wordt of de verstandelijk beperkte in staat is om de reikwijdte van zo’n gesprek te bevatten. Als dat niet het geval is, dan wordt hierover veelal gesproken met degene die oorspronkelijk aangifte heeft gedaan.
Begrijpt u de onvrede bij zorginstellingen over het niet kunnen vervolgen van daders van een zedenmisdrijf jegens geestelijk gehandicapte bewoners? Zo ja, wat kunt u doen teneinde die onvrede weg te nemen en de vervolging van de daders te verbeteren?
Het is mogelijk dat eventuele onvrede bij zorginstellingen voortvloeit uit het verwachtingsniveau over de reikwijdte van het strafrecht. Het is van belang dat medewerkers van zorginstellingen helder voor ogen hebben welk grensoverschrijdend seksueel gedrag strafbaar is, ter onderscheid van anderszins ongewenst of ongepast seksueel gedrag. De politie en het OM zijn alleen bevoegd op te treden tegen strafbaar seksueel gedrag. Het OM en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hebben mij geïnformeerd dat een deel van het seksuele gedrag dat door instellingen onder de aandacht van de politie en de IGZ wordt gebracht niet strafbaar is. De onmogelijkheid om in die gevallen strafrechtelijk te kunnen ingrijpen, kan door instellingen worden ervaren als een onbevredigend resultaat. Het OM heeft samen met de IGZ het initiatief genomen om zorginstellingen uitgebreider voor te gaan lichten over seksueel misbruik in de zorg. Dit heeft onderm meer tot doel een passend verwachtingsniveau over de reikwijdte van het strafrecht te bereiken.
Daarnaast is het van belang dat instellingen de in mijn antwoord op vraag 2 genoemde factoren in het oog houden die de bewijsvoering moeilijker kunnen maken. Aanhakend daarop verdient het aanbeveling dat in een zo vroeg mogelijk stadium overleg plaatsvindt tussen een instelling en de politie bij een vermoeden van seksueel misbruik, zodat de waarde van het bewijs zo min mogelijk wordt beïnvloed. In dat verband zijn de resultaten van de tweede opdracht aan de eerder genoemde door de politie ingestelde werkgroep relevant. Deze opdracht betreft het opstellen van richtlijnen voor zogenaamde taxatiegesprekken die instellingen kunnen voeren. Ook over deze resultaten zal uw Kamer zoals reeds toegezegd worden geïnformeerd.
Tenslotte zal het OM in gevallen waarin sprake is van kwetsbare personen vervolging instellen als er voldoende bewijs is en vervolging naar het oordeel van het OM bijdraagt aan de veiligheid en veerkracht van de mensen die het betreft. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat vervolging in onvoldoende mate zou plaatsvinden.
De bestedingen van de overheid aan onderzoek en innovatie |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minder overheidsgeld voor onderzoek»?1
Ja.
Op basis van welke cijfers maakt het Rathenau Instituut deze inschatting? Komt u op basis van uw gegevens tot dezelfde berekening? Onderschrijft u de strekking van het bericht dat er de komende jaren minder geld gaat vanuit de overheid naar onderzoek en innovatie?
Het Rathenau Instituut heeft de voorpublicatie Totaaloverzicht Wetenschap en Innovatie (TWIN) 2013–2019 gemaakt op basis van de departementale begrotingen zoals die op Prinsjesdag 2014 aan het parlement zijn aangeboden. Later dit voorjaar verschijnt het definitieve TWIN dat het Rathenau Instituut naar de Tweede Kamer zal zenden. TWIN is een jaarlijks overzicht dat gebruikt wordt om de rijksmiddelen voor onderzoek en innovatie inzichtelijk te maken. Het beeld dat het TWIN schetst komt overeen met dat van voorgaande jaren; er is sprake van een daling van de publieke investeringen. Dit komt met name door eerdere taakstellingen. In historisch perspectief liggen de publieke investeringen nog op een relatief hoog niveau en komen deze in 2017 uit op het niveau van voor de crisis.
Op dit moment investeert het kabinet ongeveer € 6 miljard per jaar in onderzoek en innovatie. De omvang van de publiek uitgevoerde R&D ligt in Nederland boven het EU- en het OESO-gemiddelde (in 2013 was dit voor Nederland 0,84% van het BBP, het EU- en OESO-gemiddelde was 0,69%). Conform de afspraken uit het regeerakkoord en de begrotingsafspraken worden de uitgaven in onderzoek geïntensiveerd. Zo verhoogt het kabinet de structurele bijdrage (regeerakkoord) aan NWO van € 25 mln. in 2014, tot € 75 mln. in de achtereenvolgende jaren 2015, 2016 en 2017, en € 100 mln. vanaf 2018. Daarnaast is met de begrotingsafspraken 2014 met ingang van 2015 € 25 mln. beschikbaar gekomen voor de open competitie bij NWO.
Verder hebben de begrotingsafspraken 2014 van het kabinet met D66, ChristenUnie, SGP en de coalitiepartijen geleid tot een bedrag van € 50 mln. met ingang van 2015 voor matching van Europese subsidies, als hefboom op de stijgende Europese middelen in Horizon 2020.
Naast deze intensiveringen is de inzet van het kabinet er op gericht om meer private financiering uit te lokken door vermindering van specifieke subsidies, de inzet van fiscale instrumenten en een structurele financiering van het topsectorenbeleid in publiek-private programma’s en projecten. Nederland bevindt zich internationaal gezien in de voorhoede als het gaat om het aandeel van fiscale R&D-faciliteiten. Volgens cijfers van het CBS is er sprake van het aantrekken van de private investeringen (1,08% van het BBP in 2011, 1,14% in 2013).
Ook met de nationale wetenschapsagenda wil het kabinet meer private investeringen uitlokken doordat men gezamenlijk gaat programmeren op maatschappelijke uitdagingen en economische kansen. Dit zal tevens leiden tot sterkere benutting van ontwikkelde kennis.
Welke definitie voor innovatie wordt er gebruikt door het Rathenau Instituut? Hanteert u dezelfde definitie?
Het Rathenau Instituut, de rijksoverheid en het CBS verstaan onder innovatie het komen tot nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten en administratieve, organisatorische of marketinginnovatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 991, nr. 14).
Kunt u voortaan in de begroting een totaaloverzicht opnemen van de bestedingen die het Rijk doet aan onderzoek en innovatie?
Het kabinet hecht eraan dat het onafhankelijk instituut Rathenau een overzicht maakt dat inzicht biedt in de hoogte van de publieke middelen van het Rijk voor onderzoek en innovatie. Deze cijfers komen terecht in een onafhankelijke publicatie en niet in de begroting.
In het verleden ontving de Tweede Kamer verschillende overzichten met wisselende presentaties van cijfers over publieke investeringen in onderzoek en innovatie. Het kabinet heeft daarom in 2012 aangekondigd te streven naar integratie van deze overzichten in het toenmalige jaarlijkse overzicht Totale Onderzoek Financiering van het Rathenau Instituut (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 29 338, nr. 114). Dit streven leidde vorig jaar tot het eerste TWIN (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 29 338, nr. 135).
De behandeling van mensen die zichzelf beschadigen op de spoedeisende hulp (SEH) |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de indrukwekkende reportage «Beschadigd»?1
Ik vind het heel moedig van deze mensen om hun verhaal voor de camera te vertellen. Hiermee zorgen ze voor meer begrip bij hulpverleners voor dit probleem en helpen ze tevens ook andere mensen met hetzelfde probleem hulp te zoeken. Maar ik ben ook geschokt over de negatieve ervaringen die patiënten met zelfbeschadiging hebben op de spoedeisende hulp. Uit navraag bij de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) blijkt dat zij dit beeld absoluut niet herkennen en het ook volstrekt onacceptabel te vinden.
Erkent u dat iemand die zichzelf beschadigt in zowel psychische als medische nood verkeert?
Zelfbeschadiging is een uiting van psychische pijn en kan voorkomen bij specifieke psychiatrische diagnoses, waaronder schizofrenie, eetstoornis, verslaving of een posttraumatische stress stoornis. Bij een aanzienlijk deel van de mensen die zich melden op de SEH en zichzelf hebben beschadigd, betreft het dus een ernstig symptoom van een complexe psychische stoornis die op korte termijn professionele en gespecialiseerde hulp behoeft. Consultatie door de consultatieve psychiatrische dienst van het ziekenhuis, gevolgd door een verwijzing naar de GGZ, al dan niet via de huisarts, is de geëigende zorgroute.
Vindt u ook dat mensen die in medische nood zijn geholpen moeten worden, ongeacht of deze medische nood «door eigen toedoen» is ontstaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, iedereen die zorg nodig heeft die wordt gedekt door de basisverzekering, heeft daar recht op. Differentiëren naar oorzaak lokt willekeur uit. Denk ook aan de risico’s van roken, alcohol en drugs. Of iemand die met 160 kilometer per uur met zijn auto uit de bocht vliegt. Het eigen-schuld criterium vind ik niet in de gezondheidszorg thuis horen.
Bent u van mening dat het lang laten wachten van patiënten met wonden door zelfbeschadiging, of het niet verdoofd hechten daarvan, een overtreding is van de artseneed alsmede een grote inbreuk op de lichamelijke integriteit is?
Niemand wil lang wachten op behandeling, zeker niet op de spoedeisende hulp (SEH). Het langer laten wachten van patiënten op een SEH kan te maken hebben met de mate van ernst van de verwondingen en de verwondingen van de andere mensen op de SEH. Die afweging wordt gemaakt door artsen. Ik ga ervan uit dat de oorzaak van de verwondingen niet wordt meegewogen, alleen de ernst.
Hechten zonder benodigde verdoving behoort niet tot de normale standaard van behandelen en zou ook bij patiënten met zelfbeschadigend gedrag niet voor moeten komen. Het is enkele gevallen toelaatbaar als het op verzoek van de patiënt zelf is of de verwachting bestaat dat de verdoving pijnlijker is dan de hechting.
Kunt u zich voorstellen dat artsen zeggen «geen zin te hebben in «aandachttrekkers»? Wat vindt u van zo'n opmerking?
Nee, dat kan ik me niet voorstellen. Dit is geen professionele houding van een arts en is ook in strijd met de eed van Hippocrates die elke arts heeft afgelegd.
Kunt u zich voorstellen dat artsen zeggen dat ze zonder verdoving hechten «omdat je pijn toch zo fijn vindt»? Wat vindt u van deze opmerking?
Ik vind dit een vreselijke opmerking en vind het verwerpelijk dat zo’n opmerking door een professional wordt gemaakt. In principe wordt er gehecht met verdoving. In een enkel geval kan een wond zonder verdoving worden gehecht als de verdoving pijnlijker is dan de hechting zelf. Een opmerking als «omdat je pijn toch zo fijn vindt »reflecteert aan een onprofessionele straffende houding, die in strijd is met de eed van Hippocrates.
Kunt u zich voorstellen dat mensen met net gehechte wonden naar huis gestuurd worden zonder vervoer? Wat vindt u hiervan?
Patiënten op de SEH worden alleen naar huis gestuurd als dit medisch verantwoord is. Als iemand niet in staat is om met eigen vervoer naar huis te gaan wordt met een verpleegkundige naar een oplossing gezocht, eventueel kan er dan een taxi worden gebeld. Deze taxi is wel voor eigen rekening.
Erkent u dat zowel de bejegening als de behandeling een cruciale rol speelt in de mogelijkheden tot herstel bij patiënten die zichzelf beschadigen?
De behandeling en bejegening zijn cruciale factoren bij het herstel van alle patiënten. Zeker ook voor patiënten die zichzelf beschadigen.
Erkent u tevens dat de verkeerde bejegening en/of behandeling het herstel in de weg kan staan, of zelfs kan leiden tot een veel ernstiger situatie?
Zie vraag 8.
Wat vindt u van het feit dat mensen met een nare ervaring op de SEH zich in het vervolg niet meer (durven te) melden, met alle gevolgen voor de gezondheid van dien?
Dit zou ik heel erg vinden. De spoedeisende hulp is voor mensen die directe medische hulp nodig hebben en dient voor iedereen 24 uur per dag 7 dagen per week beschikbaar te zijn. Ongeacht de oorzaak van de verwondingen. Als door slechte ervaringen mensen zich daar niet meer durven melden, kunnen er grote ongelukken gebeuren. Patiënten zouden door hun huisarts of andere hulpverlener, of door een patiëntenvertrouwenspersoon aangemoedigd en gesteund moeten worden bij het indienen van een klacht.
Zijn er meldingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) binnengekomen over niet verdoofd hechten, of veel te lange wachttijden, omdat personeel degene met wonden door zelfbeschadiging niet wilde helpen?
Naar aanleiding van de uitzending zijn er bij de het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) signalen gemeld over de behandeling van patiënten met automutilatie/ zelfbeschadiging. Het Landelijk Meldpunt Zorg heeft deze signalen doorgestuurd aan de IGZ. De IGZ neemt deze signalen serieus. Binnen een aantal weken beziet de IGZ wat ze met het beeld uit de signalen kan en gaat doen.
Kan het ontbreken van meldingen, of het lage aantal, volgens u te maken hebben met de schaamte die mensen voelen, waardoor ze «het erbij laten zitten»? Wat vindt u hiervan?
Onder andere uit de documentaire blijkt dat de schaamte onder mensen die zichzelf beschadigen groot is. Zij geven zelf aan dat dit de reden is dat nare ervaringen vaak niet worden gemeld bij het ziekenhuis. Deze patiënten zijn extreem kwetsbaar, waardoor zij het erbij kunnen laten zitten. Dat vind ik jammer. Het melden van nare ervaringen zorgt ervoor dat een ziekenhuis kan leren van zijn fouten en de zorg voor toekomstige patiënten met dezelfde problemen kan verbeteren. Ik zou patiënten daarom nadrukkelijk willen vragen hun nare ervaringen wel te melden. Zij kunnen door de huisarts, andere hulpverlener of een patiëntenvertrouwenspersoon eventueel worden ondersteund bij het indienen van een klacht.
Bent u bereid mensen met nare ervaringen op de SEH, na zelfbeschadiging, op te roepen zich alsnog te melden?
Zie mijn antwoord op vraag 12. De IGZ heeft naar aanleiding van de aandacht in de media ook al opgeroepen om nare ervaringen op de SEH te melden, zodat de IGZ dit kan onderzoeken. Burgers kunnen dit doen via www.landelijkmeldpuntzorg.nl. Melden bij de IGZ kan ook anoniem.
Is de IGZ bereid een melding voor te leggen aan de Tuchtraad, omdat het indruist tegen de artseneed, die stelt dat je een patiënt in nood moet helpen, geen schade mag toebrengen en diens lijden dient te verlichten?2
De IGZ hanteert haar handhavingskader. Hierin staat dat de IGZ bij ernstige normoverschrijding waarbij de kans op herhaling groot is, de tuchtrechter vraagt om een uitspraak te doen. De bedoelde norm kan de zogeheten tweede tuchtnorm zijn, die betrekking heeft op handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.
Op welke wijze is de problematiek van mensen die aan zelfbeschadiging doen opgenomen in de curricula van medisch personeel? Kan dit beter? Zo ja, bent u bereid verbetering te bepleiten bij onderwijsinstellingen?
Binnen de opleiding tot spoedeisende hulp arts (KNMG) wordt volgens de Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen aandacht besteed aan de behandeling van patiënten met psychische problematiek en het hechten van wonden. Er zijn beoordelingen over gedragsstoornissen en psychiatrische aandoeningen en de vaardigheid van hechten opgenomen in het curriculum. Er wordt niet specifiek aandacht besteed aan de problematiek van mensen die zichzelf beschadigen.
Bent u bereid in contact te treden met ziekenhuizen, artsen en medisch personeel op de SEH om in de toekomst te voorkomen dat patiënten, die zichzelf ernstig verwond hebben, niet goed en adequaat geholpen worden?
Er heeft contact plaatsgevonden met de Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen. De Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen herkent de geluiden niet dat deze categorie patiënten niet adequaat wordt behandeld. Zie verder vraag 11.
Op welke wijze is de richtlijn om patiënten te behandelen met wonden door zelfbeschadiging tot stand gekomen? Zijn daar ervaringsdeskundigen bij betrokken geweest? Bent u bereid de richtlijn te laten herzien, en daarbij ervaringsdeskundigen te betrekken?
In 2013 is de multidisciplinaire richtlijn acute wondzorg verschenen die is ontwikkeld met alle relevante beroepsverenigingen. Om het perspectief van de patiënt hierin te betrekken zijn telefonische interviews en schriftelijke enquêtes gehouden. Deze richtlijn geldt voor alle wondzorg en is niet specifiek opgesteld voor patiënten die zichzelf beschadigen.
Wat zijn precies de meldingen in het Letsel Informatie Systeem, waarin mensen die zich melden met zelfgemaakte wonden worden geregistreerd? Wat is de ontwikkeling van meldingen over de afgelopen vijf jaar? Is er iets te zeggen over prevalentie?
In het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL worden toedrachten geregistreerd van ongevallen, geweld of zelf toegebrachte letsels waarvoor slachtoffers worden behandeld op een Spoedeisende Hulp (SEH) afdeling van een selectie van ziekenhuizen in Nederland. Deze ziekenhuizen vormen een representatieve steekproef van ziekenhuizen in Nederland met een continu bezette SEH-afdeling. Dit maakt een schatting van cijfers op nationaal niveau mogelijk.
Op basis van LIS wordt geschat dat het jaarlijks aantal personen dat op een SEH-afdeling werd behandeld voor zelf toegebrachte letsels in de periode 2009–2013 fluctueerde tussen 13.000 en 16.000 (13.000 in 2013).
Statistische analyse van de SEH-cijfers laat in deze periode geen significante stijging of daling zien (Kerncijfers Zelf toegebracht letsel, VeiligheidNL, december 2014).
Schrikt u er ook van dat zelfbeschadiging bij één op de vier Nederlandse en Vlaamse jongeren in meer of mindere mate voorkomt? Erkent u dat dit noopt tot een inhaalslag op het gebied van opleiding om de bejegening en het begrip voor mensen in een dergelijke situatie te vergroten?
De cijfers zijn afkomstig van een onderzoek van de KU Leuven, in samenwerking met de Universiteit van Nijmegen. Het onderzoek werd gedaan onder ruim 1000 Vlaamse en Nederlandse jongeren van tussen de 12 en 19 jaar. Uit onderzoek blijkt dat zelfverwondend gedrag het vaakst gehanteerd wordt als een manier om met negatieve gevoelens of stress om te gaan. Daarnaast zijn andere vaak voorkomende functies: een gevoel van controle krijgen, ontsnappen aan eisen uit de sociale omgeving en het gebruik omwille van het verkrijgen van aandacht. Internationaal worden dezelfde cijfers gerapporteerd. Dit soort onderzoek is belangrijk om de oorzaken te achterhalen van dit soort symptomen.
Binnen de opleiding tot spoedeisende hulp arts (KNMG) wordt volgens de Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen aandacht besteed aan de behandeling van patiënten met psychische problematiek en het hechten van wonden. Er zijn beoordelingen over gedragsstoornissen en psychiatrische aandoeningen en van de vaardigheid van hechten opgenomen in het curriculum. De IGZ onderzoekt daarnaast signalen van patiënten met zelfbeschadiging die zijn doorgestuurd van het LMZ. Mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal blijken of het opportuun is in de opleidingen meer aandacht te besteden aan de bejegening en begrip voor mensen met zelfverwondend gedrag.
De manier waarop de politie omgaat met vermeend valse aangiftes van seksueel geweld |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Het slachtoffer van seksueel geweld verklaar(d)t»1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over slachtoffers van seksueel misbruik?2
Ja.
Deelt u de conclusie in bovengenoemd artikel dat de drempel te hoog is tot het melden of aangifte doen van seksueel geweld jegens kinderen voor de slachtoffers en hun ouders op dit moment? Zo ja, werpt de kritische houding van de politie bij een melding een drempel op voor het doen van aangifte? Zo nee, waarom deelt u die conclusie niet?
Slachtoffers van zedendelicten zijn kwetsbaar en het onderzoek in zedenmisdrijven, waaronder de bejegening van aangevers van zedenmisdrijven, vergt specifieke deskundigheid. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in juli en november 20143 toegelicht dat hij de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen onderschrijft om onnodige drempels bij het informatieve gesprek van de politie met (minderjarige) slachtoffers van zedendelicten zoveel mogelijk weg te nemen. Hij heeft daarbij ook gemeld dat de politie en het openbaar ministerie (OM) al bezig waren met het verbeteren van het informatieve gesprek.
Het is van belang om te realiseren dat in zedenzaken de dader in verreweg de meeste gevallen een bekende van het slachtoffer is, terwijl de ervaring leert dat slachtoffers het moeilijk vinden aangifte te doen tegen een bekende. Bovendien is in veel van deze zaken het resultaat van het onderzoek juist in hoge mate afhankelijk van de kwaliteit van de verklaringen van het slachtoffer, doordat technisch bewijs en/of indirecte getuigen vaak ontbreken. In het verleden hadden slachtoffers geregeld het gevoel dat zij door de politie voor het blok werden gezet om onmiddellijk te beslissen om aangifte te doen. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat het informatieve gesprek is ingevoerd. Daarin wordt onder meer duidelijk gemaakt dat het gesprek het startsein kan zijn voor opsporing en vervolging en wat het slachtoffer te wachten staat als het strafrechtelijk traject in gang wordt gezet. Na het informatieve gesprek krijgt het slachtoffer in principe bedenktijd om te beslissen of hij/zij al dan niet aangifte wil doen.
Al in de fase van het informatieve gesprek moet de politie uitgaan van de onschuldpresumptie om te voorkomen dat een onschuldige wordt vervolgd. Een aangifte van een zedendelict kan immers voor een onterecht beschuldigde grote gevolgen hebben, zowel op emotioneel, relationeel, maatschappelijk als op economisch gebied.
De politie moet in het informatieve gesprek zodoende zorgen voor de balans tussen de wettelijk vereiste correcte bejegening van het slachtoffer, laagdrempeligheid, het objectief voorlichten van het slachtoffer, het verzamelen van aanknopingspunten voor strafrechtelijk onderzoek en het hanteren van de onschuldpresumptie jegens de mogelijke dader. Daarbij zijn zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit geboden. Het voorkomen van valse aangiften mag niet leiden tot een bejegening van het slachtoffer waarbij er op voorhand vanuit wordt gegaan dat de aangifte vals is. In de hiervoor genoemde brieven aan uw Kamer is aangegeven dat een zeker onbedoeld ontmoedigend effect van het informatieve gesprek nooit kan worden uitgesloten. Daarin wordt het slachtoffer immers geïnformeerd over stappen in het strafproces die moeilijk en zwaar kunnen zijn voor een slachtoffer. Onnodige drempels voor het doen van aangifte dienen echter te worden weggenomen. Tegen deze achtergrond werken de politie en het OM aan het optimaliseren van het informatieve gesprek.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat het pas na lange tijd doen van een melding of van inconsistente verklaringen geen indicaties zijn voor het afleggen van een valse verklaring? Zo ja, deelt u de mening dat deze kenmerken niet gebruikt zouden mogen worden als een indicatie voor een valse verklaring? Zo nee, waarom niet?
De politie en het OM hebben mij meegedeeld dat er geen sprake van is dat de eventuele valsheid van een verklaring wordt vastgesteld op basis van (een lijst van) kenmerken. Een verklaring wordt beschouwd in relatie tot de resultaten van het rechercheonderzoek. Aanwijzingen, zoals inconsistentie in een verklaring, zijn relevant om te bepalen waarop het rechercheonderzoek gericht moet zijn. Door de resultaten van het rechercheonderzoek vervolgens in relatie tot de verklaring te bezien, kan blijken of er sprake is van een valse verklaring, bijvoorbeeld doordat opgevraagde camerabeelden van een openbare ruimte niet overeenkomen met de verklaring. Uit het voorgaande vloeit voort dat er in zijn algemeenheid niets te zeggen is over de betekenis van een lang na de pleegdatum afgelegde en/of inconsistente verklaring.
Gaat de politie uit van de door de onderzoekers genoemde misvattingen ten aanzien van kenmerken van valse verklaringen? Zo ja, betekent dit dat er ten onrechte verklaringen als vals worden aangemerkt en er daarom geen vervolging plaats vindt? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er in de aanwijzing opsporing en vervolging van het Openbaar Ministerie inzake seksueel geweld veel nadruk ligt op het voorkomen van valse aangiften? Zo ja, is er wellicht sprake van teveel nadruk en wat gaat u in dat geval doen om dat te corrigeren? Zo nee, waarom niet?
In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik wordt enerzijds aandacht besteed aan de omgang met het slachtoffer als getuige, en anderzijds wordt het belang omschreven dat professionals in het strafrechtelijk traject open blijven staan voor de mogelijkheid dat een verklaring of aangifte bewust of onbewust onjuist kan zijn. Ik ben van mening dat de aandachtsverdeling in balans is.
Deelt u de mening dat, zolang niet duidelijk is op grond van welke kenmerken valse aangiften kunnen worden getraceerd, er extra voorzichtigheid geboden is voordat een aangifte als vals wordt gekenmerkt? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat er gedegen onderzoek nodig is welke kenmerken wel een indicatie kunnen zijn voor valse aangiften? Zo ja, op welke wijze gaat u dit onderzoek inrichten en wanneer kunnen de resultaten daarvan worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Gezien mijn antwoorden op de voorgaande vragen zie ik geen aanleiding om opdracht te geven tot het verrichten van een dergelijk onderzoek.
De vermelding van zorgzwaartepakket 4 Verpleging en Verzorging |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Is u bekend dat de indicatiestelling voor zorgzwaartepakket 4 Verpleging en Verzorging (V&V) op verschillende sites van verzorgings- en verpleeghuizen anders staat dan op de site van de rijksoverheid?1 Zo ja, wat vind u hiervan? Hoe moet de definitie werkelijk luiden?
Het zorgzwaartepakket dat in de link waarnaar u verwijst is vermeld, is gedateerd. Het wijkt af van het huidige zorgprofiel VV 4, zoals dat is opgenomen in de Regeling langdurige zorg (Staatscourant nr. 36917, jaargang 2014).
Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze van omschrijven van hun zorgaanbod (en voor aanpassingen van de omschrijving indien de zorgzwaartepakketten/zorgprofielen zijn gewijzigd). Ik zal de branche-organisatie er evenwel op wijzen.
In de Regeling langdurige zorg zijn de met de Wlz geïntroduceerde zorgprofielen vastgelegd. Deze zorgprofielen zijn in 2015 nagenoeg gelijk aan de zorgzwaartepakketten zoals die onder de AWBZ bestonden, met dien verstande dat de zorgprofielen de te leveren zorg niet langer in uren uitdrukken. Overeenkomstig de Wet langdurige zorg, is uitdrukkelijk de ruimte gegeven aan de zorgaanbieder om, binnen de globale omvang die door de zorgprofielen wordt uitgedrukt (en waarin zij onderling verschillen) de zorg te leveren waarop iemand is aangewezen. De zorgzwaartepakketten bestaan wel nog als bekostigingstitel.
De zorgprofielen zijn vastgelegd in de Regeling langdurige zorg. Zorgprofiel VV4 is hierin als volgt omschreven: «beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging». Cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid betreffende veel aspecten hulp nodig, zoals bij de communicatie en het nemen van besluiten. Ook ten aanzien van alle psychosociale/cognitieve functies hebben zij behoefte aan hulp, toezicht of sturing alsmede ten aanzien van ADL.
Voor de volledige omschrijving wijs ik op genoemde regeling.
Bent u van mening dat iemand niet alleen in aanmerking komt voor een zorgzwaartepakket 4 V&V als hij of zij beginnende dementie heeft, maar ook als hij of zij met andere ouderdomsverschijnselen wordt geconfronteerd?
Het CIZ geeft uitvoering aan de indicatiestelling zoals deze in de Wlz is vastgelegd. Een verzekerde heeft recht op Wlz-zorg indien sprake is van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap en verzekerde ten gevolge daarvan een blijvende behoefte heeft een permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Indien is vastgesteld dat is voldaan aan de hier vermelde criteria, bestaat er toegang tot de Wlz. Daarnaast stelt het CIZ vast welk zorgprofiel het beste bij de verzekerde past. De zorgprofielen omschrijven welke zorg er mogelijk is, voor cliënten met een vergelijkbare zorgbehoefte. Gelet op de beschrijving van het zorgprofiel waaraan u refereert, wordt dit profiel niet uitsluitend geïndiceeerd wanneer sprake is van beginnende dementie. Er kunnen ook andere beperkingen of aandoeningen aan de orde zijn, waardoor een verzekerde in aanmerking komt voor dit zorgprofiel.
Hoeveel indicaties zijn er in 2012, 2013 en 2014 ZZP 4 V&V afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)?
Onderstaand treft u het aantal mensen met een indicatie op 1 januari van het betreffende jaar aan. Dat is de reguliere vorm van rapporteren over het aantal indicaties per jaar (dit ter voorkoming van dubbeltellingen en het effect van kortdurende indicaties). Voor de goede orde zij vermeld dat de indicatiecijfers altijd hoger liggen dan het gebruik omdat elk jaar een aantal geïndiceerden de indicatie niet verzilvert.
2012
30.950
2013
33.415
2014
33.020
Kunt u aangeven of sinds de invoering van de zorgzwaartepakketten in 2009 de indicatie voor zorgzwaartepakket V&V 4 is gewijzigd? Zo ja, op welke wijze is dit pakket gewijzigd?
Het zorgprofiel als zodanig is niet gewijzigd. De toegangscriteria voor dit zorgprofiel zijn ook niet gewijzigd. De zorgprofielen onder de Wlz zijn vastgelegd in de Regeling langdurige zorg. Het enige verschil ten opzichte van de zorgzwaartepakketten is dat in de zorgprofielen geen uren meer worden vermeld.
Kunt u aangeven hoeveel zorgzwaartepakketten 4 V&V er voor 2015 zijn ingekocht door zorgkantoren en hoeveel er de komende jaren nodig zijn (geraamd is)?
De zorgkantoren hebben in de eerste inkoopronde voor 2015 in november 2014 productieafspraken gemaakt voor 23,5 duizend zorgzwaartepakketten VV4. Dit aantal kan toenemen omdat gedurende het jaar 2015 de afspraken worden bijgesteld. Daarnaast betreffen de afspraken van de zorgkantoren alleen zorg in natura. Cliënten met ZZP 4 V&V kunnen de zorg ook krijgen met een pgb.
Naar verwachting zal door de demografische ontwikkelingen het aantal VV4 de komende jaren verder toenemen. Daar is in de ramingen van VWS voor het toekomstige budget van de zorgkantoren rekening mee gehouden.
Kunt u het signaal bevestigen dat het CIZ in de indicatiestelling de afweging maakt dat er geen aanleiding is voor een intramurale indicatie wanneer een oudere «nog op de alarmknop kan drukken»? Is dit een criterium voor het al dan niet toekennen van een ZZP4 of hoger? Zo nee, bent u dan bereid het CIZ hiervan op de hoogte te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het CIZ indiceert conform de criteria die in de Wlz zijn vastgelegd. In de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2015 (die u onlangs zijn toegezonden) zijn de criteria nader uitgewerkt. Een criterium als «nog in staat om te alarmeren» is hierin niet opgenomen.
Permanent toezicht is hierin omschreven als onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de verzekerde vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor verzekerde kan worden voorkomen. Bij verzekerden die een behoefte hebben aan permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) mis gaan.
Voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid geldt dat zorg en toezicht 24 uur per dag in de nabijheid nodig is. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Het toezicht is nodig op zowel geplande als ongeplande zorgmomenten, waarbij de zorgverlener het initiatief moet nemen. Hiervoor is nodig dat de zorgverlener meerdere malen per dag poolshoogte gaat nemen en zo nodig ingrijpt, om ernstig nadeel voor verzekerde te voorkomen.
Het bericht ‘Rijksoverheid.nl was dupe van DDoS-aanval’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «rijksoverheid.nl was dupe van DDoS-aanval»?1
Ja.
Klopt het bericht dat rijksoverheid.nl en diverse andere websites plat werden gelegd door een DDoS-aanval? Is er meer bekend over de achtergrond van de aanval? Was er sprake van ingekochte «pesterij» om de sites plat te leggen of was dit een mogelijk rookgordijn om een hack of andere besmetting te verhullen?
Ja, dat bericht klopt. Eventuele motieven of achtergronden bij deze aanval zijn vooralsnog niet bekend. Het Ministerie van Algemene Zaken heeft aangifte gedaan.
In hoeverre behoren de getroffen websites tot de vitale infrastructuur? Is het essentieel dat websites als rijksoverheid.nl ten alle tijden beschikbaar zijn voor publiek? Of is het platleggen van de websites «slechts» een hinderlijke overlast waar we eens in de zoveel tijd rekening mee moeten houden?
De getroffen websites maken geen deel uit van de vitale infrastructuur. Uiteraard zijn zij wel van groot belang voor het informeren van de burgers.
Regelmatig vinden DDoS aanvallen plaats. In vrijwel alle gevallen worden deze met succes afgeslagen en blijft de aanval onopgemerkt voor het publiek. Heel 2014 had rijksoverheid.nl een uitval van 0%.
Daarnaast is het goed om te beseffen dat ondanks alle inspanningen er altijd een kans blijft op incidenten. Kwaadwillende personen vinden steeds weer mogelijkheden om nieuwe en aanvullende beveiligingsmaatregelen te doorbreken. Deze terugkerende aanvallen vragen om een continue inspanning en toenemende investeringen in tooling en maatregelen. Het gaat erom om tegen aanvaardbare kosten de risico’s zo minimaal mogelijk te maken.
In hoeverre zou het bieden van een back-up in geval van een cyberaanval soelaas kunnen bieden aan het publiek? Wat zouden de kosten zijn van zo’n back-up en acht de regering die kosten proportioneel?
Voor de getroffen sites bestaat een back-upvoorziening, die echter ook getroffen bleek. De leverancier zal een verbeterplan opstellen waarbij het Ministerie van Algemene Zaken en het NCSC nauw betrokken zijn. Onderdeel van dat plan zal zijn te regelen, dat deze back-up voorziening bij een DDoS aanval wel kan worden ingeschakeld.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Binnen hoeveel tijd kon de overheid de burger informeren over de problemen op de websites en zijn hiervoor alternatieve kanalen beschikbaar?
De rijksoverheid heeft per direct de telefonische (1400) en e-mail beantwoording van de dienst voor publieksvoorlichting «Informatie rijksoverheid» ingezet om burgers te informeren over de storing. Daarnaast is ook het Twitterkanaal «Informatie rijksoverheid» gebruikt om de volgers te informeren.
Na het oplossen van de storing zijn alle vragen die bij het loket zijn binnengekomen alsnog per mail of telefoon beantwoord.
De slechte score op voedselveiligheid van visbedrijven |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over het feit dat een minderheid (44%) van de visverwerkende bedrijven in de categorie «groen» scoort qua voedselveiligheidssysteem?
Dat percentage is te laag en moet omhoog.
Hoe lang was het bij u al bekend dat het zo slecht gesteld is met de voedselveiligheid in de visverwerkende sector in den brede en welke acties zijn er ingezet om dit te verbeteren?
Het bestaan van overtreders in de sector van de visverwerkende industrie was uit de rapportages van de NVWA bekend. De rapportage van de inspectieresultaten bij visverwerkende bedrijven die ik u op 10 februari 2015 heb toegestuurd1, was het eerste expliciete rapport over de situatie in deze sector.
Voorop staat dat bij alle overtredingen wordt opgetreden en dat bij een direct risico voor de volksgezondheid onmiddellijk wordt ingegrepen. Voor de aanpak van «notoire overtreders» heeft de NVWA de «hard waar het moet aanpak» ontwikkeld.
Uit de rapportage blijkt dat veel bedrijven in de kleurcategorie «oranje» zijn geplaatst. Bij deze bedrijven wordt corrigerend opgetreden (in de vorm van een schriftelijke waarschuwing of een boeterapport). Dit betekent niet dat deze afwijkingen direct een gevaar voor de volksgezondheid met zich meebrachten en/of dat dit structurele afwijkingen waren.
Het percentage «oranje» bedrijven moet verminderd worden ten gunste van het percentage «groene» bedrijven. De daartoe genomen en te nemen maatregelen staan verwoord in de hierboven genoemde Kamerbrief. De NVWA voert in 2015 extra inspecties uit bij de «oranje» bedrijven. Daarnaast zal zij herinspecties sneller uitvoeren om na te gaan of de tekortkomingen zijn opgeheven. Hiervoor is de bestaande capaciteit van zeven inspecteurs uitgebreid met twee inspecteurs.
Waarop wordt de conclusie gebaseerd dat de voedselveiligheid niet in het geding is geweest?
Een bedrijf wordt in de «rode» categorie geplaatst als gedurende een periode van twee jaar drie boeterapporten zijn opgemaakt. Diverse overtredingen kunnen leiden tot een boeterapport. Hieronder kunnen overtredingen zijn die een gevaar hebben opgeleverd voor de volksgezondheid. In dat geval worden altijd direct maatregelen genomen om dit gevaar weg te nemen zoals het stilleggen van het productieproces of het terughalen van producten. Hierop baseer ik mijn conclusie dat de volksgezondheid niet in het geding is geweest.
Waarom is, gezien het feit dat het bedrijf Foppen in de categorie «rood» (onvoldoende naleving voedselveiligheid) blijkt te vallen, niet eerder aan de Kamer gecommuniceerd dat het bedrijf opnieuw in de fout is gegaan?
Op basis van een vooraf vastgesteld interventiebeleid neemt de NVWA maatregelen bij de individuele bedrijven. Dit geldt ook het in de brief vermelde «rode» bedrijf. Dit interventiebeleid staat gepubliceerd op de website van de NVWA. Ik informeer de Kamer niet over de individuele inspectieresultaten. De indeling in de categorie «rood» is, conform het interventiebeleid, gebaseerd op drie boeterapporten in twee jaar tijd. In dit geval waren dit de inspectiebevindingen tijdens de afwikkeling van het Salmonella-incident en daarna.
Ik ben overigens van mening dat de kleur «rood» verwarrend kan werken. Ik bekijk hoe deze systematiek kan worden aangepast opdat het voor iedereen helder is wat de kleuren inhouden2.
Welke overtredingen zijn er bij Foppen geconstateerd in 2014 en 2015? Waarop is de indeling in de categorie «rood» gebaseerd?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kunt u het rijmen dat Foppen nu onder verscherpt toezicht staat en onder «code rood» valt, terwijl de Onderzoeksraad voor de Veiligheid het bedrijf in zijn rapport kwalificeerde als een bedrijf dat «een kwaliteitssysteem hanteert dat voldoet aan de eisen die worden gesteld» en over Foppen schreef: «Bij de Nederlandse en Griekse toezichthouders stond het bedrijf bekend als een modern bedrijf en zij rekenden het bedrijf binnen de vissector tot de betere bedrijven met betrekking tot de voedselveiligheid»? Had de Onderzoeksraad voor de Veiligheid toegang tot dezelfde stukken als die waar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zich op baseerde?
De Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OvV) heeft zich gebaseerd op informatie die destijds bekend was over Foppen. Dit betrof informatie tot kort na het Salmonella incident. Ook uit de inspectieresultaten van de NVWA komt naar voren dat Foppen tot het moment van het incident bekend stond als een normaal functionerend visverwerkend bedrijf. Voor de NVWA viel het bedrijf onder het reguliere toezicht. In het licht van deze inspectieresultaten had ik geen reden te twijfelen aan de conclusie van de OvV dat Foppen een normaal functionerend bedrijf was.
Kunt u schetsen in hoeverre de situatie bij Foppen verslechterd dan wel verbeterd is de afgelopen jaren?
Tijdens de inspecties na het Salmonella-incident, heeft de NVWA geconstateerd dat Foppen zijn voedselveiligheidssysteem heeft verbeterd. Toch zijn boeterapporten opgemaakt – voor andere overtredingen – en is Foppen in het traject «hard waar het moet» beland. Foppen wordt nauwlettend gevolgd tot zij weer volledig aan de voorschriften voldoet.
Welke streefcijfers voor inspectiefrequenties hanteert de NVWA en waarop zijn die gebaseerd?
De NVWA streeft ernaar om alle visproductiebedrijven minimaal eenmaal per jaar te bezoeken. Deze inspectiefrequentie is gebaseerd op een risico-inschatting. Bedrijven waar tekortkomingen worden vastgesteld, worden vaker bezocht.
De ervaring in de praktijk leert dat een inspectiefrequentie van eenmaal per jaar bij goed functionerende bedrijven verantwoord is.
Hoe kunt u onderbouwen dat een inspectiefrequentie van eenmaal per jaar voldoende is voor de visbedrijven?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe was de inspectiefrequentie bij visbedrijven in 1995, 2000, 2005, 2008, 2010 en 2012?
De inspectiefrequenties van vóór 2006 zijn niet meer exact te achterhalen. In 2006 zijn nieuwe Europese verordeningen van kracht geworden voor de voedselveiligheid. Sindsdien zijn de inspectiefrequenties op deze wetgeving gebaseerd.
Eenmaal per drie jaar wordt een systeemaudit uitgevoerd, waarbij het volledige voedselveiligheidssysteem wordt doorgelicht. Daarnaast voert de NVWA in de andere jaren een systeeminspectie uit. Deze systeeminspectie richt zich op onderdelen van de na te leven wetgeving.
Hebben alle openstaande herinspecties – waar volgens het rapport geen opvolging aan gegeven is wegens capaciteitsproblemen – bij de visbedrijven inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat waren de resultaten? Zo nee, waarom niet? Wanneer heeft u ervoor gezorgd dat de herinspecties wel hebben plaatsgevonden?
In 2014 werd bij 28% van de bedrijven de maximale herinspectietermijn van vier maanden gehaald. De gemiddelde herinspectietermijn bij de overige bedrijven ligt tussen vier maanden en een jaar. Zoals in de Kamerbrief aangegeven zullen de achterstanden in 2015 worden weggewerkt en zullen alle visproductiebedrijven bezocht zijn.
Hoeveel tijd verstreek er in 2014 gemiddeld voordat een herinspectie plaatsvond? Hoe was dit in voorgaande jaren? Kunt u een overzicht geven van de tijden waarbinnen herinspecties bij de NVWA plaatsvinden per bedrijfsonderdeel?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe is berekend dat met de ingezette extra inspecteurs, het achterstallige werk en de gewenste inspectiecapaciteit wel plaats kunnen hebben?
De NVWA heeft met de huidige beschikbare capaciteit de extra benodigde inzet berekend op basis van de omvang van de geconstateerde achterstanden en het aantal inspecties dat een inspecteur kan uitvoeren. Op basis van deze berekening zal het komend jaar, aanvullend op de huidige capaciteit, de formatie nog eens met twee inspecteurs worden uitgebreid om de achterstanden weg te werken.
Waarom worden de inspectierapporten van visverwerkende bedrijven pas in 2016 openbaar gemaakt, terwijl de rapporten van de visafslagen wel al in 2015 openbaar worden gemaakt?
Individuele inspectieresultaten van de NVWA vergezeld van de bedrijfsnamen worden alleen gepubliceerd als aan voorwaarden, zoals de privacywetgeving, is voldaan.
Daarom moet actieve openbaarmaking van individuele inspectiegegevens goed worden voorbereid. Werkprocessen moeten hierop ingeregeld zijn. Zo moeten de openbaar te maken inspectiegegevens eerst aan het betrokken bedrijf kenbaar worden gemaakt en moet het bedrijf de gelegenheid krijgen hierop te reageren. Ook moet per sector de vormgeving van de openbaarmaking worden vastgesteld. De boodschap moet voor de gebruiker van de informatie helder en eenduidig zijn.
Om bovenstaande redenen wordt in 2015 gestart met het openbaar maken van de inspectierapporten van veertien visafslagen. De ervaringen die daarmee worden opgedaan, worden in 2016 gebruikt bij het openbaar maken van de inspectiebevindingen van de overige visverwerkende bedrijven.
De informatie zal openbaar gemaakt worden op de website van de NVWA.
Bent u bereid de rapportage van de NVWA over de resultaten van inspecties bij de visbedrijven van de namen van de betreffende bedrijven te voorzien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
De komst van een islamitische geweldsprediker naar Rijswijk |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Deze haatbaard komt naar Rijswijk»?1
Ja.
Klopt het dat «sjeik» Muhammad Hassan banden heeft met de extremistische moslimsbroederschap met zijn motto: «Allah is ons doel, de profeet onze leider, de koran onze wet, de jihad onze weg en sterven voor Allah onze grootste hoop»?
Mohammed Hassan is een salafistische (ultraconservatieve) prediker van Egyptische komaf. Het salafisme in Egypte is, in tegenstelling tot de organisatie van de Moslimbroederschap, niet hiërarchisch of gecentraliseerd. Salafistische geleerden als Mohammed Hassan hebben invloed gewonnen door hun preken op o.a. satelliettelevisie. Mohammed Hassan is geen lid van de Moslimbroederschap, maar dat betekent niet dat hij niet sympathiek staat tegenover de doelstellingen van die beweging. Hij hield zich tot 2011, net als veel andere salafistische predikers, afzijdig van de politiek.
In de periode na het aftreden van voormalig president van Egypte Mubarak hebben de salafisten zich nadrukkelijker geuit met betrekking tot de politieke koers van het land. Mohamed Hassan stond achter president Morsi en de implementatie van de nieuwe constitutie in 2012. Na de afzetting van president Morsi in 2013 en de massale vervolging van de Moslimbroederschap heeft Mohammed Hassan getracht te bemiddelen tussen de beweging en de nieuwe leiding van Egypte. Dit heeft echter geen doorbraak opgeleverd. Mohammed Hassan heeft zich vervolgens aan het nieuwe klimaat aangepast door zich terughoudend op te stellen. Dit is hem overigens op kritiek komen te staan van moslimbroeders en meer politiek radicale salafisten. Zij verwijten hem bijvoorbeeld het veroordelen van het geweld van ISIS in Syrië maar het «negeren» van de vervolging van zijn geloofsbroeders in eigen land. Er is kortom een band tussen Mohammed Hassan en de moslimbroederschap, maar die is niet eenduidig te duiden.
In hoeverre deelt u de visie dat predikers als Muhammad Hassan, die oproepen tot geweld tegen onder anderen afvalligen, een gevaar vormen voor de openbare veiligheid?
De stichting Rohamaa was voornemens om op 8 maart aanstaande een liefdadigheidsgala in Rijswijk te organiseren. Voor deze gelegenheid wilde de stichting diverse predikers uit het buitenland laten spreken. Over de sprekers van buiten de EU die door de stichting Rohamaa uitgenodigd waren, is veel maatschappelijke onrust ontstaan. De verdere voorbereidingen van de bijeenkomst in Rijswijk vonden plaats in een tijdsgewricht dat er in Nederland grote maatschappelijke ongerustheid bestaat over de risico's van het jihadisme. Hiermee komen naast vraagstukken rondom de vrijheid van meningsuiting ook vraagstukken rondom de openbare orde aan bod. De visa van een drietal sprekers zijn ingetrokken met het oog op de openbare orde, tegen de achtergrond van de maatschappelijke onrust. De stichting heeft naar aanleiding van de ontstane maatschappelijke onrust en het intrekken van de visa van enkele predikers besloten om het evenement niet door te laten gaan in de oorspronkelijke opzet.
Bent u bereid geweldspredikers, waaronder Muhammad Hassan, tot persona non grata te verklaren en hen de toegang tot ons land te weigeren? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid moskeeën waar wordt opgeroepen tot geweld te sluiten? Zo neen, waarom niet?
Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. In geval van een rechtspersoon is (verboden verklaring en) ontbinding alleen mogelijk als het doel en/of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde.
Afschot van herten op het eiland de Haringvreter |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt het afgeven van een afschotvergunning door de provincie Zeeland om de populatie damherten te reguleren op het Natura 2000-eiland de Haringvreter?1
De provincie Zeeland heeft een Natuurbeschermingswetvergunning afgegeven. Het Veerse Meer is een Natura 2000-gebied. Er zouden door het afschot negatieve effecten (verstoring) kunnen ontstaan op vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen en daarmee op beschermde Natura 2000-waarden. Daarom heeft Staatsbosbeheer een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd bij de provincie.
Is het waar dat Staatsbosbeheer het besluit tot afschot van herten op de Haringvreter heeft gebaseerd op de aanname dat 120 van deze dieren te veel is en de populatie in de toekomst zal groeien? Ze nee, op welke andere aannames?
Het besluit tot afschot van de damherten is gestoeld op de overweging dat, als gevolg van de steeds hogere dichtheid, damherten in toenemende mate zullen overzwemmen naar Noord-Beveland en daar schade aan gewassen kunnen veroorzaken en de verkeersveiligheid in gevaar kunnen brengen. Daarnaast is het zo dat de begrazingsdruk van de damherten op het eiland zelf dusdanig is, dat een groot gedeelte van de ondergroei – broedplaats voor vogels – verdwijnt c.q. verdwenen is en daarmee Natura 2000-waarden bedreigd worden.
Door het ontbreken van predatoren en het beschikbare voedselaanbod – limiterende factoren – is er geen reden te veronderstellen dat de populatie de komende jaren niet verder zal groeien. Wel zal wellicht de groeisnelheid geleidelijk afvlakken.
Uit onderzoek is gebleken dat het wegtrekken van damherten niet in eerste instantie «voedselgestuurd» is, maar eerder te maken heeft met «het sociale en explorerende gedrag van de soort» bij een groeiende populatie2.
Kunt u aangeven welke argumenten hieraan te grondslag liggen en op welk onafhankelijk onderzoek deze zijn gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een eventuele ontheffing onder de Flora- en faunawet gebaseerd zou moeten worden op onafhankelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De provincie Zeeland is in dit geval bevoegd gezag voor de eventuele verlening van een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.
Bent u bekend met het basisprincipe in de natuur dat een populatie niet verder groeit dan dat het draagkrachtniveau mogelijk maakt en dat het sterfte- en geboortecijfer elkaar in evenwicht houden?2
Het basisprincipe, dat een populatie niet verder groeit dan dat het draagkrachtniveau mogelijk maakt, is bekend. Echter, een groeiende populatie op de huidige oppervlakte heeft tot gevolg dat de dieren in toenemende mate zullen overzwemmen naar de vaste wal, op zoek naar een eigen leefgebied. Dit heeft mogelijk gevolgen in de vorm van schade aan gewassen en kan een risico opleveren voor de verkeersveiligheid.
Deelt u de mening dat het draagkrachtniveau grotendeels afhangt van de beschikbare hoeveelheid voedsel en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er onvoldoende voedsel is op de Haringvreter? Zo nee, waarom niet?
De draagkracht van een gebied hangt onder meer af van de beschikbare hoeveelheid voedsel en dat is op Haringvreter vooralsnog geen – maar mogelijk op termijn wel een – probleem.
Deelt u de mening dat afschot mogelijk niet effectief is aangezien de plaatsen van afgeschoten dieren worden opgevuld door nieuwe aanwas en afschot bij ongewijzigd voedselaanbod leidt tot meer aanwas door verhoogde vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad zo dat er elk jaar aanwas bij komt, die het aantal geschoten exemplaren mogelijk compenseert. Netto betekent dat dat de populatie bij gepland afschot niet toeneemt en dat de «overlast» daarmee ook op een gelijk niveau blijft.
Het is niet zo dat er bij geen afschot op korte termijn een daling van de populatie te verwachten is.
Deelt u de mening dat afschot van de herten kan leiden tot verstoring en het in groten getale overzwemmen van de herten, met alle gevolgen voor de dieren en verkeersveiligheid van dien? Zo nee, waarom niet?
Na het eerste (en enige) afschot van 15 dieren is op basis van uitvoerige zichtwaarnemingen geen sprake geweest van in groten getale overzwemmen van damherten.
Bent u bereid om af te zien van het afgeven van een eventuele ontheffing onder de Flora- en faunawet? Zo nee, waarom niet?
Voor het afgeven van een eventuele ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is de provincie Zeeland in dit geval het bevoegd gezag en daarmee verantwoordelijk voor het nemen van een afgewogen besluit.
De langetermijneffecten van Q-koorts |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Langetermijneffect van Q-koorts aangetoond»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat wetenschappelijk is aangetoond dat een besmetting met Q-koorts blijvende vermoeidheid kan veroorzaken en één op de drie Q-koortspatiënten na twee tot vier jaar nog altijd kampt met ernstige gezondheidsklachten?
Uit het in het artikel besproken onderzoek blijkt dat een belangrijk deel van de Q-koortspatiënten tot jaren na de infectie nog regelmatig met gezondheidsklachten kampt. Van ruim driehonderd patiënten die meewerkten aan het onderzoek vertelde meer dan 30 procent dat zij na twee jaar nog klachten hadden en een op de vijf dat zij na een jaar nog beperkt werden in hun werk. Ik heb te doen met iedereen die deze gevolgen van Q-koorts nog ondervindt. Wij zijn blij dat we met de Stichting Q-support al veel ondersteuning kunnen bieden bij de problemen die in het onderzoek genoemd worden.
Welke invloed hebben de resultaten van dit onderzoek op uw toekomstige beleid omtrent de Q-koortsbesmettingen?
Ons beleid is er op gericht te zorgen dat er zo min mogelijk Q-koortsbesmettingen optreden. De resultaten van dit onderzoek benadrukken het belang daarvan.
Gaat u de kennis die is opgedaan door dit onderzoek gebruiken om patiënten, bijvoorbeeld via hun huisarts, beter te informeren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Wij gaan er vanuit dat deze kennis, zoals al het wetenschappelijk onderzoek, via de medische beroepsgroep de patiënten zal bereiken. Daarnaast speelt de Stichting Q-support een ondersteunende rol hierbij. Zij zorgt niet alleen voor ondersteuning van individuele patiënten maar investeert ook in het verbeteren van de awareness bij artsen en specialisten.
Welke invloed hebben de resultaten van dit onderzoek op uw toekomstige beleid omtrent nieuwe Q-koorts- en andere zoönosen-uitbraken?
Dit onderzoek onderstreept opnieuw het belang van een goede structuur en samenwerking op het gebied van zoönosen. We hebben dit in Nederland naar aanleiding van de adviezen van het emzoo project en de uitkomsten van de evaluatie van de commissie van Dijk goed op orde. Wij hebben u hierover onder andere in onze brief van 18 mei 2011 geïnformeerd.
Worden de resultaten van dit onderzoek betrokken bij de werkzaamheden van de stichting Q-support?
Zeker. Zoals gezegd zijn wij blij dat we, met de Stichting Q-support, al veel werk maken van begeleiding, informatievoorziening en onderzoek. Via deze stichting krijgen Q-koortspatiënten extra steun. Dit is een van de aanbevelingen van de onderzoeker en de reden waarom wij de Stichting Q-support destijds hebben opgericht en financieren. De Stichting Q-support kan positief bijdragen aan het functioneren van alle Q-koorts patiënten. Zij biedt ondersteuning op alle leefgebieden: werk, inkomen, verzekeringen, behandeling en welzijn. Daarnaast stimuleert de Stichting Q-support onderzoek naar de gevolgen van Q-koorts en de behandeling ervan. Zo heeft de universiteit van Nijmegen, waar ook de nu verschenen studie is uitgevoerd, geld gekregen voor nieuwe studies naar de diagnose en behandeling van de Q-koorts.
Overigens hebben nog lang niet alle patiënten die baat kunnen hebben bij hun hulp de weg naar de Stichting gevonden en de Stichting Q-support zal alle mogelijke inspanningen verrichten om haar doelgroep te bereiken. Wij willen dit ondersteunen door bij deze wederom een oproep te doen aan alle patiënten die ondersteuning kunnen gebruiken: meld u aan bij Q-support, zij zijn er voor, zij kunnen u helpen.
Bent u bekend met de rechtszaak die een fors aantal Q-koortspatiënten, verenigd in de stichting Q-claim, aanspannen tegen de Staat?
In september 2014 heeft de Stichting Q-koorts claim de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de Q-koortsepidemie. De staat erkent echter geen aansprakelijkheid voor de geleden schade.
Bent u bekend met de oproep van de voorzitter van patiëntenorganisatie Q-uestion om het Q-koortsdossier voor de patiënten te sluiten door buitengerechtelijk een minnelijke regeling met de patiënten te sluiten?
Ja.
Bent u bereid om een rechtszaak tegen de Staat te voorkomen door in overleg te gaan met patiëntenorganisatie Q-uestion over een minnelijke regeling?
Voorop staat dat wij ons terdege bewust zijn van de gevolgen van chronische Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom (QVS) voor individuele patiënten. We leven mee met alle mensen die op welke manier dan ook te maken hebben gekregen met deze ziekte. Volgens de Staat is evenwel geen sprake van onrechtmatig handelen als gevolg waarvan Q-koortspatiënten schade hebben geleden. Wij zien dan ook geen reden voor het treffen van een minnelijke regeling.
Ook al erkent de Staat geen aansprakelijkheid voor de gestelde schade, we zetten ons wel in voor Q-koortspatiënten. In de afgelopen jaren hebben we verschillende activiteiten ondernomen ten behoeve van Q-koortspatiënten. Zo is onder andere de patiëntenvereniging Q-uestion gefinancierd, een multidisciplinaire richtlijn voor QVS ontwikkeld, een onderzoeksprogramma georganiseerd en betaald waaruit meerdere onderzoeken naar QVS en chronische Q-koorts worden uitgevoerd en het onderzoek naar de beste behandeling van QVS-patiënten extra gefinancierd. In aanvulling hierop heeft het kabinet € 10 miljoen beschikbaar gesteld voor de stichting Q-support. We hebben hiermee beoogd onze betrokkenheid zichtbaar te maken en patiënten te helpen.
De stelselmatig onzorgvuldige manier van onderzoek doen door BING (Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten) |
|
Selçuk Öztürk (GrKÖ) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de negatieve ontwikkelingen aangaande de werkwijze van het commerciële onderzoeksbureau BING?1 2
Van de aangehaalde berichtgeving in de media over BING heb ik kennisgenomen.
Hoe beoordeelt u het feit dat BING door de tuchtrechter de afgelopen jaren meerdere malen veroordeeld is wegens broddelwerk, maar toch blijft doorgaan met het doen van verschillende onderzoeken bij lokale overheden?
Als private onderneming (BING is een besloten vennootschap) is BING zelf verantwoordelijk voor het eigen functioneren waar het onderzoeken betreft uitgevoerd in opdracht van lokale overheden. Daarbij neem ik aan dat het bedrijf zich rekenschap geeft van rechterlijke uitspraken. Voorts merk ik op dat lokale overheden zelf bepalen of er (integriteits)onderzoek wordt ingesteld en van welk bureau zij daarvoor diensten willen afnemen. Het is daarna aan de opdrachtgever zelf om de te volgen werkwijze van het betreffende bureau te beoordelen, evenals de kwaliteit van het resultaat.
Hoeveel opdrachten heeft BING sinds de oprichting mogen uitvoeren namens overheidsinstanties en hoeveel geld hebben deze overheidsinstanties hieraan besteed?
Deze informatie is mij niet bekend. Wel beschik ik over indicatieve gegevens over de jaren 2010, 2011 en 2012. Naar aanleiding van de motie Heijnen c.s. (TK 2012–2013, 33 400 VII, nr. 18) heeft de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur in 2013 in opdracht van mijn ministerie een verkennend onderzoek uitgevoerd naar knelpunten en oplossingen bij integriteitsonderzoek in Nederland3. In mijn brief aan de Tweede Kamer op 8 november 2013 heb ik de Tweede Kamer over de resultaten van dit onderzoek gerapporteerd (TK, 2013–2014, 28 844, nr. 75).
Van de over deze jaren aangetroffen integriteitsrapporten over topambtenaren en politieke ambtsdragers, heeft BING 22 van de 49 onderzoeksrapportages uitgebracht. Het is mij niet bekend welke bedragen hiermee waren gemoeid.
Hoe kan volgens u het beeld weggewerkt worden dat BING een verlengstuk is van de overheid door de eerdere relatie met VNG?
Ik beschik niet over gegevens die het beeld dat u schetst en de vraag bij wie dat beeld thans nog zou leven, zouden bevestigen. Overigens is het niet aan de Minister van BZK om eventuele beeldvorming rond een private onderneming te beïnvloeden.
Bent u van mening dat het vertrouwen in BING geschaad is door de verloren zaken (o.a. Wassenaar, Schiedam, Borne, Nieuwegein)? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over gegevens die een beeld zouden geven over het algemene vertrouwen dat in BING wordt gesteld. BING is een private onderneming.
Deelt u de mening dat er ook onderzoek gedaan moet worden naar de werkwijze van het commerciële onderzoeksbureau BING? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Het eerder genoemde onderzoek van Tilburg University geeft een uitgebreid beeld van de interne en externe instanties en ad hoc commissies die integriteitsonderzoek verrichten. Het onderzoek beschrijft eveneens de verschillende werkwijzen die door instanties bij integriteitsonderzoek worden gevolgd. In dat kader wordt ook BING uitgebreid beschreven.
Eén van de opvallendste bevindingen van de onderzoekers is dat, ondanks de grote variëteit aan instanties, de harde kern van het integriteitsonderzoek opmerkelijk uniform is. Integriteitsonderzoek gaat in ieder geval om reconstructie van de feiten en het verzamelen van bewijs voor deze reconstructie. Vrijwel altijd wordt in het onderzoek een normenkader opgesteld, dat doorgaans bestaat uit «harde» bestuursrechtelijke en «zachte» professionele normen. Het normenkader kan daarbij verschillen, maar de «evergreens» domineren (de Algemene wet bestuursrecht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Ambtenarenwet, gedragscodes en rechtspositieregelingen). De verschillen in werkwijze lijken vooral te zitten in de discipline van waaruit vermoedelijke integriteitsschendingen worden onderzocht. Bovendien lijken de verschillen functioneel te zijn, aangezien ze onder meer voortvloeien uit de specifieke context, onderzoeksvraag en benodigde expertise.
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 8 november 2013 (TK, 2013–2014, 28 844, nr. 75) heb ik gemeld dat het onderzoek mijns inziens vooral bruikbare mogelijkheden geeft voor professionalisering aan de kant van de bestuursorganen. Voorts, dat dit met zich meebrengt dat aan de voorkant uniforme kwaliteitseisen worden geformuleerd waaraan externe onderzoeksbureaus zich dienen te conformeren.
In mijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 augustus 2014 (TK 2013–2014, 28 844, nr. 78) heb ik mijn voornemens geconcretiseerd na een brede consultatieronde onder organisaties in het openbaar bestuur. Ingezet is op versterking en ondersteuning van overheidsorganisaties bij hun rol als opdrachtgever. Concrete acties hebben betrekking op: 1. De beschikbaarheid van een modelonderzoeksprotocol; 2. Het inrichten van een landelijk Steunpunt Integriteitsonderzoek bij BIOS; 3. Ervaringsuitwisseling, opleiding en training.
In deze brief staat dat er uit het onderzoek en de consultatie een behoefte blijkt aan een laagdrempelig advies- en expertisepunt waar bestuursorganen in alle bestuurslagen terecht kunnen indien zij vragen hebben over te maken keuzes en te nemen beslissingen gedurende het proces van afhandeling van een signaal van een vermoeden van een integriteitsschending door een politieke ambtsdrager of ambtelijke topfunctionarissen in al zijn facetten. Het kan dan gaan om vragen die betrekking hebben op het afbakenen van de onderzoeksvraag, advisering over de communicatie en andere keuzes die in een voorfase aan de orde zijn.
Daarom is per 1 januari 2015 het Steunpunt voor integriteitsonderzoek naar politieke ambtsdragers gestart. Bestuurders bij overheden kunnen hier terecht voor passend advies over de aanpak en afhandeling van een vermoeden van een integriteitsschending, vooral bij persoonsgericht onderzoek.
Hoe denkt u de geknapte reputaties van de gedupeerden van BING te compenseren, zowel materieel als immaterieel?
Voor partijen die zich benadeeld voelen door onderzoek door BING en compensatie willen, staat de weg naar de rechter open. Het ministerie is geen partij in een eventueel geschil.
Kunt u inzicht geven in de bedragen die door lokale overheden zijn gespendeerd aan de advocaten die zaken van ambtenaren en politici in behandeling genomen hebben wegens onzorgvuldig onderzoek van BING? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over dergelijke gegevens. Dit zijn aangelegenheden die de lokale overheden zelf betreffen.
Bent u bereid maatregelen te nemen om de werkwijze van commerciële bureaus zoals BING te reguleren? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik volg hierin de Aanwijzingen voor de regelgeving dat regulering door de overheid pas aan de orde is indien het zelfregulerend vermogen van een maatschappelijke sector tekortschiet. Daarvan is geen sprake. Overigens heb ik, zoals beschreven in mijn beantwoording van vraag 6, na uitgebreid onderzoek en een brede consultatie, een aantal maatregelen genomen die erop zijn gericht om het opdrachtgeverschap van de overheden te versterken. Zo kunnen opdrachtgevers inmiddels ook beschikken over een «Handreiking zorgvuldig onderzoek naar integriteitsschendingen politieke ambtsdragers». Deze kan dienen als basis voor de afspraken die zij maken met onderzoeksbureaus, zoals BING.
Wat vindt u van het feit dat BING min of meer een monopoliepositie heeft omtrent integriteitsonderzoeken bij lokale overheden, ondanks stelselmatige onzorgvuldigheden?
Uit het voornoemd onderzoek van Tilburg University blijkt dat lokale overheden toegang hebben tot een breed palet aan onderzoeksinstanties, ad hoc commissies en individuele onderzoekers/deskundigen. Lokale bestuurders zijn autonoom in de uiteindelijke keuze betreffende wie zij precies willen inschakelen voor een integriteitsonderzoek. Bestuurders zullen een opdracht aan een commercieel bureau in de regel moeten aanbesteden. Daarmee kan er geen sprake zijn van een monopoliepositie.
Welke maatregelen kunnen er genomen worden omdat er geen duidelijke regels bestaan voor deze commerciële bureaus zoals BING, waardoor geen rechtsbeschermingsmaatregelen getroffen kunnen worden voor de personen die een integriteitsonderzoek moeten ondergaan?
In het antwoord op vraag 6 heb ik informatie gegeven over de maatregelen die ik heb getroffen in vervolg op de bevindingen in het onderzoek van de Tilburg University. In dit onderzoeksrapport wordt ook beschreven dat er, zeker bij externe instanties, vaak klachtenprocedures en tuchtprocedures voorhanden zijn. Ook BING beschikt over een eigen klachtenregeling op grond van artikel 18 van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Ook staat voor belanghebbenden de weg naar de rechter open.
Hoe beoordeelt u het feit dat er verschillende ex-politici werkzaam zijn binnen BING en hierdoor een schijn van «politieke afrekening» wordt gecreëerd?
Ik beschik niet over gegevens over de medewerkers bij BING, noch over informatie omtrent uw vooronderstellingen. BING is een private onderneming.
Kunt u aangeven hoeveel ex-politici er exact werken voor BING en of deze ex-politici zich ook mengen in onderzoeken waarin oud collega’s onderzocht worden?
Ik beschik niet over dergelijke gegevens.
Het bericht ‘Zonder hulp belanden we in een doos bij CS’ |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zonder hulp belanden we in een doos bij CS»?1
Klopt het dat rondom de grootscheepse fraude met kinderopvang De Parel in Capelle, Gouda en Zoetermeer voor miljoenen wordt teruggevorderd bij gedupeerde ouders?
Klopt het bericht dat «gratis kinderopvang» werd aangeboden onder voorwaarde dat de kinderopvangtoeslag niet via de ouders zou lopen, maar direct zou worden overgemaakt aan De Parel? Zo nee, hoe werkte de constructie dan? Zo ja, klopt het dat scholen in de buurt deze «gratis kinderopvang» aan ouders aanbevolen?
Bent u bekend met soortgelijke omvangrijke fraudezaken met kinderopvangtoeslag door kinderopvangorganisaties? Zo ja, om wat voor aantallen gaat het? Zo nee, bent u van mening dat het hier een unieke op zichzelf staande vorm van fraude betreft?
Bent u bekend met het feit dat door een medewerker van De Parel bekend is gemaakt dat tot medio 2011 er gebruik gemaakt kon worden van algemene DigiD codes waarmee Kinderopvangtoeslag opnieuw werd aangevraagd, nadat deze door betrokken ouders was stopgezet?2
Klopt het dat in die jaren gebruik gemaakt kon worden van algemene DigiD-codes waarmee kinderopvangtoeslag aangevraagd kon worden zonder medeweten van betrokken ouders? Zo nee, hoe verhoudt zich dit dan tot de uitspraken van betreffende oud medewerkers en BOink? Zo ja, is hiermee fraude zonder medeweten van betreffende ouders wel erg makkelijk gemaakt?
Acht u het in licht van deze onthullingen opportuun om terugvorderingen van toeslagen stop te zetten tot dat het FIOD-onderzoek is afgerond en meer duidelijk is over de toedracht? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat hier mogelijk sprake is van een specifiek geval, waardoor betrokken ouders in aanmerking zouden kunnen komen voor de slachtofferregeling? Zo nee, waarom niet?3
De oproep van viroloog Osterhaus |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Opschudding over oproep Osterhaus»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke reactie op deze oproep?
Welke zorg een grieppatiënt nodig heeft, is een zaak tussen arts en patiënt. Professionele standaarden ondersteunen de arts hierbij. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) heeft een standaard influenza en influenzavaccinatie waarin omschreven staat bij welke patiënten het gebruik van antivirale middelen te overwegen is. De NHG heeft deze standaard afgelopen maanden extra onder de aandacht gebracht van hun achterban.
Bent u bereid het publiek te laten weten dat u afstand neemt van deze oproep, waarin mensen worden aangespoord om antivirale middelen bij de huisarts te gaan halen?
Het is aan deskundigen om met elkaar het inhoudelijke debat te voeren.
Kunt u een overzicht geven van alle financiële belangen die deze viroloog heeft bij farmaceutische bedrijven?
Ik heb geen overzicht van de financiële belangen van prof. dr. Osterhaus.
Bent u het ermee eens dat deze viroloog weer eens paniek zaait om zo meer griepvaccins te verkopen?
Zie mijn antwoord bij vraag 2.
Hoe gaat u de discussie over het nut van griepvaccinatie oppakken, nu steeds meer wetenschappers de werkzaamheid hiervan betwijfelen?
De discussie over de effectiviteit van de vaccinatie tegen seizoensgriep is de afgelopen jaren al opgepakt. De Gezondheidsraad heeft in juni 2014 een advies gepubliceerd over de griepprik. In mijn reactie op dat advies (Kamerstuk 32 793, nr. 160) heb ik aangegeven dat ik geen aanleiding zie om het aanbod van het huidige Nationaal grieppreventie programma (NGP) te wijzigingen.