De regelmatige storingen bij TenderNed |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u de Twitterberichten op het Twitteraccount van TenderNed over de vele meldingen over storingen van TenderNed1? Wat is uw reactie hierop?
Bent u van mening dat, mede door de harde deadlines, een goed functionerend digitaal aanbestedingssysteem gebaat is bij stabiliteit en continue toegankelijkheid?
Is de verhouding uptime/downtime van TenderNed een criterium voor beoordeling van TenderNed? Zo ja, kunt u aangeven welke verhouding dit moet zijn en kunt u aangeven of op basis van deze verhouding TenderNed als een succesvol project kan worden beschouwd?
Kunt u aangeven hoeveel aanbestedende diensten in het afgelopen jaar een sluitingstermijn hebben verlengd vanwege een storing met TenderNed?
Kunt u een inschatting maken van het aantal bedrijven dat als gevolg van storingen bij TenderNed niet heeft kunnen inschrijven op een via TenderNed aangeboden aanbesteding?
Kunt u aangeven of tijdens het Nevi-Pianoo-congres als oplossing voor de tijdelijke onbeschikbaarheid van TenderNed aan ondernemers is aangeraden niet te lang te wachten met inschrijven en dat gebruik van TenderNed in geen geval leidt tot aansprakelijkheid van TenderNed?
Bent u, als dit het geval is, van mening dat deze mededelingen vertrouwen scheppen in het gebruik van TenderNed? Kunt u aangeven wat ondernemers kunnen doen om zich op een aanbesteding in te schrijven zodra TenderNed niet is te gebruiken indien dit niet het geval is?
Het toenemende aantal vondelingenkamers |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vondelingenkamer opent maandag in Middelburg»?1
Ja.
Hoe verklaart u de vele locaties die de «Stichting Beschermde Wieg» nu opent terwijl het in principe strafbaar is een baby te vondeling te leggen?
Voor zover mij bekend heeft de stichting Beschermde Wieg op dit moment vondelingenkamers op vier locaties. De Stichting wil een uiterst redmiddel bieden aan radeloze moeders die zich niet tot hulpverlenende instanties willen of durven wenden, om te voorkomen dat baby’s op onverantwoorde wijze aan hun lot worden overgelaten of gedood. Het openen en beschikbaar houden van een vondelingenkamer (zonder dat daarin een kind wordt neergelegd) is niet strafbaar.
Kunt u toelichten wat uw afwegingen zijn teneinde vondelingenkamers te gedogen? Bij hoeveel achtergelaten baby’s en/of locaties zult u uw besluit heroverwegen?
Nu de huidige wetgeving onvoldoende mogelijkheid biedt om actief op te treden tegen de vondelingenkamers zolang daar nog geen baby in is gelegd, kan ik deze niet sluiten. In mijn brief van 21 april jl. (Kamerstuk 31 839, nr. 468), naar aanleiding van het adviesrapport van de RSJ over vondelingenkamers en babyhuizen, heb ik aangegeven dat ik de ontwikkelingen nauwgezet volg om te bezien of aanpassing van de wetgeving noodzakelijk is. Tot op heden is van de vondelingenkamers geen gebruik gemaakt en is er dus geen aanleiding geweest om strafrechtelijk of bestuursrechtelijk op te treden. Zodra een baby in een vondelingenkamer wordt achtergelaten zal aan het OM worden gevraagd of een vervolging op basis van art. 236 Sr opportuun is.
Welke mogelijkheden biedt u zwangere vrouwen om in het geheim een kind ter wereld te brengen zonder in strijd te handelen met artikel 7 van het Kinderrechtenverdrag?
Volgens artikel 7 van het Kinderrechtenverdrag (IVRK) heeft een kind het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. Er bestaat een onderscheid tussen bevallen onder geheimhouding en anoniem bevallen. De Raad voor de Kinderbescherming, Fiom en Siriz trachten bij bevallen onder geheimhouding samen met de moeders een oplossing te vinden om zelf voor het kind te kunnen zorgen dan wel een goed alternatief te vinden. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat de gegevens van moeder en kind bekend zijn, waardoor niet in strijd wordt gehandeld met artikel 7 van het Kinderrechtenverdrag.
Waarom is de optie van wetgeving (in het geheim afstand doen van je kind) zoals nu al bestaat in Duitsland en in België geen optie voor Nederland? Handelen deze twee landen in strijd met het Kinderrechtenverdrag? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom volgt u dit voorbeeld niet?
In Nederland bieden de bestaande voorzieningen de mogelijkheid om onder geheimhouding te bevallen waarbij de identiteit van de afstandsmoeder, en waar mogelijk vader, voor het kind bekend kan worden gemaakt. Hiermee wordt niet in strijd gehandeld met het Kinderrechtenverdrag.
Uit de gegevens van het Nederlands Instituut voor de Documentatie van Anoniem Afstanddoen (Nidaa) blijkt dat in Duitsland op 1 mei 2014 een nieuwe wet van kracht geworden die ook de zogenaamde vertrouwelijke geboorte («vertrauliche Geburt») legaliseert.
In België is bevallen onder geheimhouding niet mogelijk. Er zijn echter verschillende initiatieven vanuit de Kamer en de Senaat om «discreet bevallen» (Vlaamse term) te legaliseren.2
De huidige afspraken over bevallen onder geheimhouding doen meer recht aan de belangen van het kind dan de mogelijkheid anoniem te bevallen.
Er wordt ingezet op begeleiding door Fiom en Siriz. Bij begeleiding komt het belang en het recht van het kind om te weten van wie je afstamt uitgebreid aan de orde. Expliciet komt hier ook de vader aan bod.
In hoeverre vindt u dat de ontwikkelingen van de «Stichting Beschermde Wieg» een indicatie is van tekortschietende organisaties die wij in Nederland hebben voor de opvang van weeskinderen?
Ik zie geen verband tussen de opvang van weeskinderen en de instelling van de vondelingenkamers. Weeskinderen zijn kinderen waarvan de ouders zijn overleden. Dat is iets wezenlijk anders dan kinderen waarvan de ouders afstand willen doen.
Er zijn in Nederland overigens voldoende organisaties bij wie een (aanstaande) moeder zich kan melden. Als een ouder of beide ouders in Nederland afstand willen doen van hun kind of indien een kind beide ouders heeft verloren zullen de Raad voor de Kinderbescherming, de Fiom, Siriz en/of jeugdzorg zich over het kind ontfermen en waar mogelijk de ouders bijstaan.
Deelt u de mening dat we er in Nederland voor moeten zorgen dat onze officiële instanties voldoende (her)kenbaar zijn voor aankomende moeders teneinde «vondelingenkamers» te voorkomen? Zo ja, kunt u aangeven hoe u dit vorm gaat geven?
Ja die mening deel ik.
Zoals ik in mijn brief van 21 april jl. heb aangegeven is de Raad voor de Kinderbescherming met onder meer Fiom, Siriz en RutgersWPF in gesprek gegaan over de wijze waarop de voorlichting over afstand ter adoptie, ook onder geheimhouding, en hulp bij ongewenste zwangerschap kan worden uitgebreid. Het Fiom heeft voor zorgprofessionals en beleidsmakers in 2014 twee conferenties georganiseerd: een werkconferentie over ongewenste zwangerschap en een conferentie over de gevolgen van afstand ter adoptie en het anoniem te vondeling leggen van een baby. Met Siriz werkt Fiom aan de implementatie van een lespakket voor deskundigheidsbevordering van docenten en GGD-medewerkers. Fiom heeft ook een digitaal ondersteuningsprogramma gelanceerd op www.zwangerwatnu.nl.
Siriz verzorgt gastlessen over ongewenste of ongeplande zwangerschap en bereikt daarmee 17.000 leerlingen van het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. Bij zowel Siriz als Fiom kunnen professionals in de zorg, zoals huisartsen, abortusartsen, gynaecologen en verloskundigen advies en scholing vragen als zij te maken krijgen met onbedoelde zwangerschappen. Deze organisaties vergroten daarnaast via verschillende media bekendheid over dit onderwerp. Ook op de landelijke website van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), via organisaties voor Jeugd- en Opvoedhulp en een aantal specifieke jongerensites wordt verwezen naar de hulpverlening van Fiom en Siriz.
Vrouwen die onbedoeld zwanger zijn kunnen zich bij Fiom en Siriz ook anoniem melden voor hulp.
De natuurontwikkeling op Texel, zoals het gebied Dorpzicht |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de stand van zaken van de natuurontwikkeling op Texel, zoals het aangewezen gebied Dorpzicht?1
Ja.
Is het waar dat er in Nederland en/of op Texel «blijvend grasland» wordt omgezet naar natuurontwikkeling?
Er wordt inderdaad «blijvend grasland» ingezet voor natuurontwikkeling, maar dat wil niet altijd zeggen dat deze landbouwgrond niet meer als blijvend grasland kan worden aangemerkt. Zo worden op Texel door natuurontwikkeling met name vochtige weidevogelgraslanden aangelegd. Deze kunnen ook na omzetting als blijvend grasland worden opgevoerd.
Nederland is een doelstelling opgelegd om het aandeel blijvend grasland op peil te houden; hoe verhoudt het onttrekken van blijvend grasland, op Texel en in Nederland in het algemeen, ten behoeve van natuurontwikkeling zich tot deze ambitie?
Nederland vindt zowel de instandhouding van blijvend grasland als natuurontwikkeling belangrijk. Daarbij realiseer ik mij dat omzetting van landbouwgrond in niet-landbouwgrond, zoals natuur, consequenties kan hebben voor het aandeel blijvend grasland. Wanneer er in verhouding meer bouwland dan blijvend grasland wordt onttrokken aan de landbouw stijgt het aandeel blijvend grasland. Wanneer er in verhouding meer blijvend grasland aan de landbouw wordt onttrokken, daalt het aandeel blijvend grasland.
Het referentieaandeel blijvend grasland wordt in 2015 vastgesteld. Bij de vaststelling daarvan is het lidstaten toegestaan binnen de grenzen van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 639/2014 de omzetting van blijvend grasland in natuur gedurende de periode 2012 – 2015 hierin te verdisconteren.
Kunt u aangeven hoeveel hectare blijvend grasland het afgelopen jaar is onttrokken ten behoeve van natuurontwikkeling en/of andere ontwikkelingen op Texel? En in Nederland? Kunt u aangeven hoeveel hectare dit jaar reeds is onttrokken in Nederland en op Texel in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Deze cijfers worden op dit moment door RVO verzameld. Dit is onderdeel van een omvangrijke analyse met betrekking tot de berekening van het referentieareaal blijvend grasland en het aandeel blijvend grasland 2015. Deze analyse kan vervolgens ook op Texel worden toegepast. Zodra de uitkomsten hiervan bekend zijn, zal ik de Kamer hierover informeren.
U heeft alle agrarische ondernemers een brief geschreven over de ambitie van de hoeveelheid blijvend grasland, het referentieareaal 2012, en de boeren erop gewezen dat als zij 5% onder het referentieareaal zakken er maatregelen getroffen gaan worden in de vorm van een scheurverbod of verplichting tot herstel grasland; geldt dit ook voor de natuurbeheerders en zo nee, waarom niet?
Ja, voor zover het natuurbeheerders betreft die steun ontvangen uit de eerste pijler van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De verplichting tot instandhouding van blijvend grasland is namelijk een subsidievoorwaarde binnen het kader van de vergroening van het GLB. Dit betekent dat een eventueel scheurverbod of verplichting tot herstel van het grasland in beginsel van toepassing is op alle ontvangers van de vergroeningspremie.
Zo niet, kunt u aangeven of het aantal hectares blijvend grasland wat onttrokken is ten behoeve van natuurontwikkeling (en/of andere ontwikkeling) van de landelijke ambitie wordt afgetrokken, zodat boeren niet de dupe zijn van deze ontwikkelingen en niet gestraft worden voor het feit dat het aantal hectares blijvend grasland terug loopt? Zo nee, kunt u aangeven waarom u boeren wel aan deze ambitie wil houden en natuurbeheerders niet? Op basis van welke argumenten acht u dit gerechtvaardigd?
Zie mijn antwoord op vraag 3 en 5. Als uit de analyse van RVO blijkt dat er aanleiding is om bij de vaststelling van de landelijke ambitie rekening te houden met de hectares blijvend grasland die in de periode 2012 – 2015 onttrokken zijn aan de landbouw ten behoeve van natuurontwikkeling en/of andere ontwikkelingen, zal ik daar gebruik van maken.
Rekening houden met fauna bij renovatie van woningen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat u een ontheffing heeft afgegeven van de Flora- en faunawet om renovatie en isolatie van woningen in het project «Stroomversnelling» mogelijk te maken?1
Ja.
Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de dieren waarvoor de ontheffing geldt (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, de steenmarter, gierzwaluw en de huismus) te beperken zijn maatregelen voorgeschreven in de ontheffing, zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen; is er naar uw weten nagegaan of deze verblijfplaatsen inderdaad zijn gerealiseerd en van voldoende kwaliteit zijn? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Er zijn nu enkele honderden woningen door «De Stroomversnelling» gerenoveerd. Door de initiatiefnemer zijn geen blijvende alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving aangeboden omdat, na uitvoering van een omgevingscheck, is geconstateerd dat er in de omgeving voldoende alternatieven zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld andere panden met geschikte openingen aanwezig waar de gierzwaluwen in kunnen vliegen. Wel wordt voorzien in tijdelijke alternatieve locaties gedurende de renovatiewerkzaamheden. Ook is bij deze eerste woningen geëxperimenteerd met nieuwe voorzieningen in de woning zelf.
Kunt u bevestigen dat er in de ontheffing, met het oog op het zwaarwegend belang van het tegengaan van onder andere klimaatverandering, wordt aangegeven dat met het project «Stroomversnelling» afgeweken is van de gangbare aanpak waarbij vooraf gezorgd wordt voor voldoende alternatieven die in kwantiteit en kwaliteit overeenkomen met de huidige functionaliteit van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen voor de aanwezige populatie van de gierzwaluw en de huismus?
Met de wijze van aanpak bij de renovaties in het kader van «De Stroomversnelling» wordt ingezet op een win-winsituatie voor energieverbruik, klimaat, wooncomfort, maar ook voor soortenbescherming en biodiversiteit. Voor de soorten die bij de renovaties tijdelijk worden verstoord, wordt vooraf voorzien in tijdelijke alternatieve locaties.
Na de werkzaamheden is er sprake van overcompensatie voor deze soorten: meer voorplantings-, rust- en (winter)verblijfplaatsen. Uit dit oogpunt is de aanpak van «De Stroomversnelling» interessant. Voor mij is van belang in hoeverre de soorten die hierbij zijn betrokken van deze aanpak kunnen profiteren. In dit verband zie ik de eerste 2.000 door mij verleende ontheffingen als een pilot. De verwachting is dat het aantal van de betreffende soorten na de werkzaamheden op den duur zal toenemen. De verblijfplaatsen zullen kwalitatief overeenkomen met de huidige situatie, maar worden in kwantitatieve zin uitgebreid.
Om nog beter aan de wensen van de soortenorganisaties tegemoet te komen, vindt er ook overleg plaats tussen deze organisaties, een vertegenwoordiging van de bouwmaatschappijen en mijn ministerie over de te nemen maatregelen. Hierbij overleggen soortenorganisaties en bouwmaatschappijen over de best mogelijke nieuwe verblijfplaatsen die binnen het concept van «De Stroomversnelling» vervaardigd kunnen worden. Tenslotte worden de effecten van de genomen maatregelen gemonitord. De resultaten zijn weer van belang voor het toetsen van komende aanvragen in het kader van «De Stroomversnelling».
Deelt u, nu blijkt dat de werkzaamheden door onvoorziene omstandigheden al geruime tijd langer duren dan was voorzien en dat er veel dieren ernstig worden verstoord door deze werkzaamheden2, de mening dat het raadzaam is om opnieuw te bezien op welke manier het energiezuinig maken van de geplande 111.000 woningen op een manier kan worden uitgevoerd die zo min mogelijk verstoring oplevert voor de dieren die hun verblijfplaats hebben in en rond de betreffende woningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn wilt u dat gaan doen?
Nee, die mening deel ik niet omdat bij het hierboven vermelde overleg tussen soortenorganisaties, bouwmaatschappijen en mijn ministerie al wordt bezien op welke manier het energiezuinig maken van de geplande 111.000 woningen op een manier kan worden uitgevoerd die zo min mogelijk verstoring oplevert voor de dieren die hun verblijfplaats hebben in en rond de betreffende woningen. Voorts zorgt de wijze van renoveren van «De Stroomversnelling» voor een kortere renovatietijd per woning.
Bent u bereid om ook in het algemeen in het – overigens zeer noodzakelijke – beleid rond het energiezuinig maken van de gebouwde omgeving rekening te houden met de dieren die hun verblijfplaats in en rond deze gebouwen hebben, onder andere door de uitvoerders te verplichten om te zorgen voor voldoende en kwalitatief goede alternatieve verblijfplaatsen voor de dieren? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitvoering van werkzaamheden, waarbij de mogelijkheid aanwezig is dat beschermde diersoorten worden verstoord, is vooraf ontheffing van de Flora- en Faunawet vereist. Het zorgen voor voldoende en kwalitatief goede alternatieve verblijfplaatsen voor de dieren behoort tot de voorwaarden bij de noodzakelijke ontheffing. De houder van de ontheffing is hiervoor verantwoordelijk, ook richting de uitvoerders. Zo’n verplichting ook nog eens bij de uitvoerders te leggen voegt in dit verband weinig toe.
Het bestrijdingsmiddel azadirachtin dat hommels bedreigt |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van de Europese Commissie waaruit blijkt dat het bestrijdingsmiddel azadirachtin de overlevingskansen en voortplanting van hommels in gevaar brengt, zelfs als het wordt toegepast in de maximale hoeveelheden die worden voorgeschreven in de gebruiksvoorschriften?1
Ja. (Het betreft hier een publicatie in het tijdschrift «Ecotoxicology»; het betreft geen EU-studie.)
Hoe beoordeelt u het gegeven dat bij de toelating van dit landbouwgif, dat is gericht op het bestrijden van insecten, kennelijk niet is gekeken naar de effecten ervan op hommels?
Azadirachtin is een werkzame stof van natuurlijk oorsprong, die wordt verkregen door extractie uit de zaden van de neem-boom. Ook voor dit type middelen worden de risico's beoordeeld alvorens het middel toe te laten.
Binnen het huidig geldende Europese toetsingskader wordt de honingbij veelal gebruikt als indicatorsoort voor alle bestuivers. De intrinsieke gevoeligheid van de honingbij kan echter verschillen van andere soorten bestuivers en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen kan op andere manieren plaatsvinden. Tot op heden wordt dit ondervangen met toepassen van veiligheidsfactoren.
Binnen de EU is echter een vernieuwd beoordelingsrichtsnoer ontwikkeld door EFSA, waarbinnen de risico’s voor verschillende soorten bijen worden beoordeeld.
Binnen dit vernieuwde «guidance document on bees» is ook een specifieke beoordelingseis voor hommels opgenomen. Hiermee is het toetsingskader aangepast aan de laatste stand der wetenschap.
Nederland heeft samen met de Europese Commissie (EC) een workshop georganiseerd die een «Roadmap to Implementation» heeft opgeleverd om te komen tot alle noodzakelijke methodologie voor beoordeling en daardoor de geharmoniseerde invoering van het beoordelingsrichtsnoer in de EU faciliteert. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is daarbij nauw betrokken. Zo leveren Nederlandse wetenschappers een bijdrage aan de ontwikkeling van de methodologie. Het Ctgb hanteert in de beoordeling het vigerende toetsingskader. Het is van groot belang dat het ontwikkelde beoordelingsrichtsnoer snel geharmoniseerd kan worden gebruikt in de EU. Hiervoor blijf ik me inzetten.
In Nederland is dit middel toegelaten onder de merknaam NeemAzal-T/S (toelatingsnummer 12455N) voor professioneel gebruik in de teelt van aardappelen, bloemisterijgewassen en vaste planten, appelen en in openbaar groen; kunt u aangeven hoeveel van dit middel jaarlijks wordt gebruikt?
De toelatingshouder die NeemAzal-T/S in Nederland op de markt brengt, rapporteert de jaarlijkse omzetgegevens aan de overheid, zoals alle toelatingshouders. Toelatingshouder gaat echter niet akkoord met het openbaar maken van de afzetgegevens. De omzetgegevens moeten worden beschouwd als vertrouwelijke bedrijfs-en fabricagegegevens, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub c van de Wet Openbaarheid van Bestuur.
NeemAzal-T/S wordt voor het overgrote deel gebruikt in de bloemisterij onder glas. Daarnaast is het product belangrijk voor de biologische appelteelt om de roze appelluis te bestrijden.
De Nederlandse toelating van dit middel zou vervallen op 31 mei 2015; echter, doordat het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) niet tijdig heeft kunnen beslissen over de aanvraag tot herregistratie van dit middel is het vervallen van de toelating opgeschort tot 1 december 2016; kunt u garanderen dat deze nieuwe wetenschappelijke informatie over de -ook sublethale- schadelijkheid van dit «natuurlijke» middel voor hommels zal worden meegenomen door het Ctgb bij zijn beslissing over de aanvraag voor herregistratie van dit middel? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, vindt u dit verantwoord?
Het Ctgb heeft aangegeven dat de aangehaalde publicatie zal worden meegenomen binnen de herbeoordeling van het genoemde middel. Wanneer op grond van de inhoudelijke beoordeling van de publicatie blijkt dat onaanvaardbare risico’s voor hommels bestaan bij het aangevraagde gebruik van het middel, zal het Ctgb hierop handelen.
Dit kan zijn door het opleggen van aanvullende risico-reducerende maatregelen of door het (deels) afwijzen van het verzoek tot herregistratie.
Bent u bereid om op grond van deze nieuwe wetenschappelijke informatie per direct een moratorium in te stellen op het gebruik van azadirachtin in Nederland, en ditzelfde te bepleiten op Europees niveau? Zo nee, waarom niet?
Voor het ingrijpen in de toelating is in Nederland het Ctgb de bevoegde instantie. Ingrijpen is mogelijk mits er substantiële aanwijzingen zijn, dat niet langer wordt voldaan aan de goedkeurings- of toelatingscriteria. Als ernstige risico’s in een toelating tot een spoedeisende maatregel noodzaken kan een tijdelijk verbod aan de orde zijn. Het Ctgb heeft aangegeven dat de aangehaalde publicatie zal worden meegenomen binnen het herbeoordelingtraject van Neemazal-T/S en inhoudelijk zal worden beoordeeld. Wanneer vanuit deze inhoudelijke beoordeling blijkt dat er onaanvaardbare risico’s bestaan bij het toegelaten gebruik van Neemazal-T/S, dan zal het Ctgb hierop volgend besluiten over de aanvraag voor herregistratie.
Verzwegen signalen van corruptie rondom het Holland-Belgium Bid |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel over verzwegen signalen van corruptie rondom het Holland-Belgium Bid?1
Ja.
Deelt u de mening dat de in het artikel genoemde signalen van corruptie direct hadden moeten worden gemeld? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u van mening dat de organisatie van het Holland-Belgium Bid bij de eerste signalen en vermoedens van corruptie zich terug had moeten trekken uit dit bidproces?
Het is lastig dat achteraf te beoordelen, vooral omdat ons geen signalen hebben bereikt.
Hoeveel belastinggeld is er in totaal uitgegeven aan het Holland-Belgium Bid?
De totale kosten voor dit bid bedroegen circa € 10,5 miljoen. Het rijk heeft daarvan circa € 2,8 miljoen voor zijn rekening genomen. Eind 2011 is uw Kamer geïnformeerd over de kosten van de subsidie voor dit WK-bid2
Deelt u de mening dat, wanneer tijdens het bidproces signalen van corruptie zichtbaar waren, daar geen belastinggeld aan uitgegeven had moeten worden?
Zie antwoord vraag 3.
Wie, of welke organisatie, is er volgens u eindverantwoordelijk voor dit bidproces?
Het gezamenlijke bid is uitgebracht door de nationale voetbalbonden van België en Nederland. Zij zijn dus samen eindverantwoordelijk. De FIFA, de internationale voetbalbond, is conform de eigen statuten en reglementen verantwoordelijk voor het gehele biedingstraject.
Heeft u de indruk, of heeft u er weet van, dat er belastinggeld aangewend is als smeergeld of anderszins de veronderstelde corrupte praktijken heeft ondersteund, dan wel gefaciliteerd? Zo ja, kan dit geld naar uw mening terug worden gevorderd? Zo ja, bij wie?
Uit mediaberichten blijkt dat op dit moment door de Amerikaanse en Zwitserse autoriteiten onderzoek wordt gedaan naar onder meer de bidprocedures van 2018 en 2022. Ik wacht de resultaten daarvan af, om mij daarna op eventuele vervolgstappen te beraden.
Is er reeds contact geweest met de Zwitserse justitie inzake het onderzoek dat zij uitvoert naar de toewijzing van de Wereldkampioenschappen aan Qatar (2022) en, met name aan Rusland (2018)? Zo ja, hoe verlopen deze contacten, en leveren deze contacten u nieuwe informatie op over dit bidproces?
Nee.
Welke lessen trekt u uit dit bidproces voor eventuele andere grote sportevenementen die Nederland in de toekomst wil organiseren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik wederom naar mijn brief aan uw Kamer van 2 november 20113, waarin onder andere aanbevelingen worden gedaan voor volgende bidprocedures.
De berekeningen van de VSNU dat het studievoorschot bij lange na geen 1 miljard euro oplevert en de komende tien jaar zelfs nauwelijks extra wordt geïnvesteerd |
|
Carola Schouten (CU), Michel Rog (CDA), Roelof Bisschop (SGP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de factsheet van de vereniging van universiteiten, de VSNU, waaruit blijkt dat de beloofde 1 miljard euro extra voor het hoger onderwijs bij lange na niet gehaald gaat worden?1
Met het studievoorschot komt een bedrag vrij dat oploopt tot maximaal € 1 miljard, om te investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Dit bedrag is ten eerste opgebouwd uit het totaalpakket aan maatregelen die in de studiefinanciering zijn genomen. De budgettaire gevolgen daarvan zijn van meet af aan helder gepresenteerd en daar kan geen misverstand over bestaan.2 In 2026 bedragen de opbrengsten € 818 miljoen. Ten tweede worden met de betere benutting van de reisvoorziening middelen vrijgespeeld voor investeringen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Deze middelen lopen op tot structureel € 200 miljoen in 2025.3 De VSNU neemt deze opbrengsten ten onrechte niet mee in de cijfersopstelling.
Op de zeer lange termijn, namelijk in 2065, zijn de opbrengsten van het studievoorschot als bekend structureel lager, namelijk € 820 miljoen (€ 620 miljoen + € 200 miljoen). Dit komt doordat studieschulden bij onvoldoende inkomen worden kwijtgescholden na afloop van de 35-jarige aflostermijn. Terwijl de VSNU de cijfers benadrukt die betrekking hebben op 2065, heb ik het over de situatie over tien jaar, wanneer ik zeg dat de opbrengsten oplopen tot € 1 miljard maximaal.
Klopt de berekening dat universiteiten pas vanaf 2023 extra middelen krijgen om te investeren in kwaliteit? Klopt de berekening dat pas over tien jaar het structurele niveau van 620 miljoen euro is bereikt, terwijl de instellingen in de jaren 2015–2017 ook nog jaarlijks 200 miljoen euro uit eigen middelen moeten bijleggen? Zo ja, hoe staan deze bedragen in verhouding tot de eerdere belofte dat studenten die vanaf deze zomer flink extra moeten investeren, ook al op korte termijn profiteren van forse investeringen in kwaliteit?
De maatregelen in de studiefinanciering en de reisvoorziening maken het mogelijk om te investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. De kwaliteitsverbetering vindt niet van de ene op de andere dag plaats. De regering heeft met het studievoorschot daarom maatregelen getroffen voor die studenten die al wel de basisbeurs verliezen, maar nog niet volop kunnen profiteren van de hogere kwaliteit. Onderdeel daarvan is de afspraak met VSNU en de Vereniging Hogescholen dat de instellingen in de jaren 2015, 2016 en 2017 jaarlijks een investering doen van € 200 miljoen vooruitlopend op de opbrengsten van het studievoorschot. Vanaf 2018 komen vervolgens de eerste opbrengsten beschikbaar van het studievoorschot, beginnend met € 200 miljoen in 2018, oplopend tot maximaal € 818 miljoen in 2026 en vervolgens weer langzaam aflopend tot € 758 miljoen in 2035 en structureel € 620 miljoen vanaf 2065. De middelen die vrijkomen uit de aanpak van de taskforce Beter Benutten komen hier nog bovenop en lopen op tot € 200 miljoen in 2025 (prijspeil 2014).
Daarnaast heeft de regering met dit wetsvoorstel geregeld dat de eerste vier cohorten studenten die onder het nieuwe stelsel vallen aanspraak maken op een voucher ter waarde van circa € 2.000, waarmee zij na hun afstuderen de mogelijkheid krijgen om scholing te volgen, tussen de vijf en tien jaar na hun afstuderen.
Welke netto investeringen in de kwaliteit van het onderwijs mogen studenten tot 2023 jaarlijks verwachten? Kunt u aangeven hoe groot deze netto investeringen gedifferentieerd per jaar tot 2023 zijn, inclusief een correctie voor eerder aangekondigde structurele bezuinigingen?
In de memorie van toelichting van de Wet studievoorschot hoger onderwijs staat de extra investeringsruimte die ontstaat door de maatregelen in de studiefinanciering.4 De middelen die vrijkomen uit de aanpak van de taskforce Beter Benutten komen hier nog bovenop en lopen op tot € 200 miljoen in 2025 (prijspeil 2014). In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015–2025 geef ik middels een aantal bestedingsrichtingen aan hoe de middelen worden gekoppeld aan de belangrijkste doelstellingen van de strategische agenda.
De extra investeringen die mogelijk worden gemaakt door het studievoorschot komen bovenop eerdere investeringen en eerdere bezuinigingen. Feit is dat zonder het studievoorschot (inclusief het beter benutten van de reisvoorziening) in totaal maximaal € 1 miljard minder geïnvesteerd kan worden in de kwaliteit van het hoger onderwijs.
Kunt u nader onderbouwen op welke manier en wanneer het hoger onderwijs 20% extra middelen krijgt?2 Vanaf welk jaar ontvangt het hoger onderwijs 20% extra geld? Bent u van plan om jaarlijks 290 miljoen euro extra te investeren, bovenop de al beloofde investeringen, om het percentage van 20% te halen?
Zoals gezegd wordt met het studievoorschot (inclusief het beter benutten van de reisvoorziening) een bedrag oplopend tot maximaal € 1 miljard in 2026 vrijgemaakt om te investeren in beter hoger onderwijs. Afgezet tegen de circa € 4,5 miljard die het hoger onderwijs nu ontvangt voor onderwijs (incl. het groene hoger onderwijs en prestatiebekostiging) is dit ruim 20%.
Kunt u inzicht geven in de plannen van instellingen om jaarlijks 200 miljoen euro extra uit de eigen reserves in te zetten voor de kwaliteit van onderwijs? Deelt u de mening dat medezeggenschapsraden inzicht moeten hebben over deze extra investeringen, aangezien u erkent dat deze investeringen horen bij het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting?3 Zo ja, wat vindt u van het gebrek aan openheid bij sommige instellingen, zoals blijkt uit signalen van het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en de studentenvereniging ASVA?4 Bent u bereid om instellingen te vragen inzicht te geven in de geplande jaarlijkse investeringen per instelling, inclusief inzicht in de betrokkenheid van de medezeggenschapsraad per instelling en de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Met de VSNU en Vereniging Hogescholen bespreek ik periodiek hoe de investeringsimpuls in de praktijk vorm krijgt. Zoals ik u in het debat over de medezeggenschap en kleine studies in de geesteswetenschappen heb toegezegd, zal ik u aan het eind van dit jaar informeren over de voorinvesteringen van de instellingen, op hoofdlijnen, niet per instelling. De VSNU heeft daarnaast onlangs zelf een overzicht van de voorinvesteringsplannen van instellingen openbaar gemaakt.8 In dit overzicht geeft de VSNU aan dat de universiteiten gezamenlijk in 2015 ruim € 80 miljoen extra eigen middelen investeren in onderwijskwaliteit.
Ik verwacht van de instellingen dat zij de bestemming van de voorinvesteringen inzichtelijk maken en intern goed bespreken. Daarbij heeft de medezeggenschap nu een goed instrument in handen met het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting. Het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting is dit jaar in werking getreden en derhalve voor het eerst van toepassing op de begroting van 2016. Ik benadruk dat een goede medezeggenschapscultuur hierbij van belang is, waarbij tijdig tussen bestuurders en medezeggenschap inhoudelijke discussies worden gevoerd. Zoals vastgelegd in de memorie van toelichting bij de wet Studievoorschot kan het geheel van hoofdlijnen vorm krijgen in een kaderbrief of verbonden worden met de (jaarlijkse) uitgangspunten van de allocatie van middelen. De instelling is hier vrij in zodat het systeem (zoveel mogelijk) kan aansluiten bij de specifieke werkwijze en administratieve processen van de individuele instelling, en bij de inhoudelijk strategische keuzes in het instellingsplan. In het overzicht van de plannen van de instellingen dat de VSNU onlangs openbaar heeft gemaakt wordt ook inzicht gegeven in de betrokkenheid van de medezeggenschap bij de investeringen.
Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met de opmerking «niet elke instelling zal de middelen hebben om het te doen»5, naar aanleiding van de beloofde extra investeringen door instellingen? Betekent dit ook dat studenten op een aantal instellingen, waaronder een aantal hogescholen en de Universiteit van Amsterdam, de komende jaren niet of nauwelijks extra kwaliteitsinvesteringen terugzien in het onderwijs?
Vanwege verschillen per instelling is met de VSNU en de Vereniging Hogescholen een afspraak gemaakt op sectorniveau. De instellingen zullen voorinvesteren door onder meer hun reserves in te zetten en door investeringen in de tijd naar voren te halen. Beide verenigingen geven aan dat de vermogensposities van de instellingen van elkaar verschillen en dat dit ook betekent dat de extra investeringen per instelling verschillend zullen zijn. Instellingen die bijvoorbeeld eerder al een financiële kwaliteitsimpuls hebben gegeven, zullen niet weer in staat zijn een grote impuls vrij te maken. Ook inhoudelijk zullen de prioriteiten per instelling verschillen. De gemene deler is wel dat de investeringen gericht zijn op versterking van de kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs.
De voorinvesteringen en medezeggenschap in het kader van het studievoorschot |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen basisbeurs, maar ook geen beter onderwijs»?1
Ja
Klopt het dat de begroting op sommige onderwijsinstellingen nog niet wordt voorgelegd aan de medezeggenschapsraad en er dus nog geen gebruik gemaakt kan worden van het instemmingsrecht op hoofdlijnen?
Het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting is dit jaar in werking getreden en derhalve voor het eerst van toepassing op de begroting van 2016. Ik heb naar aanleiding van signalen dat er universiteiten zijn die de hoofdlijnen van de begroting niet voorleggen aan de medezeggenschap, onder andere navraag gedaan bij de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen. Dit heeft opgeleverd dat genoemde universiteiten mij hebben verzekerd dat zij bezig zijn invulling te geven aan hun wettelijke verplichting. Zo worden de hoofdlijnen van de begroting ter instemming voorgelegd door middel van een kaderbrief, een kadernota of anderszins. De VSNU heeft daarnaast onlangs zelf een overzicht van de voorinvesteringsplannen van instellingen openbaar gemaakt.2 In dit overzicht wordt ook inzicht gegeven in de betrokkenheid van de medezeggenschap bij de investeringen.
Herkent u de signalen dat er binnen instellingen discussie is over wat de hoofdlijnen van de begroting precies zijn? Zo ja, bent u bereid met instellingen hierover in gesprek te gaan, opdat het instemmingsrecht op hoofdlijnen een duidelijkere invulling krijgt?
Ik herken de signalen dat er bij instellingen wordt gesproken over de nadere invulling van de hoofdlijnen van de begroting, onder andere met de medezeggenschap. En dat gesprek moet ook plaatsvinden. In de memorie van toelichting bij de wet Studievoorschot is een aantal beleidsterreinen vastgelegd maar de verdere invulling van wat tot de hoofdlijnen van de begroting moet worden gerekend, wordt aan de instellingen overgelaten zodat het systeem (zoveel mogelijk) kan aansluiten bij de specifieke werkwijze en administratieve processen van de individuele instelling, en bij de inhoudelijk strategische keuzes in het instellingsplan. Zo kan het geheel van hoofdlijnen bijvoorbeeld vorm krijgen in een kaderbrief of verbonden worden met de (jaarlijkse) uitgangspunten van de allocatie van middelen. Ik benadruk dat een goede medezeggenschapscultuur hierbij van belang is, waarbij tijdig en op constructieve wijze het inhoudelijke gesprek wordt aangegaan tussen bestuurders en medezeggenschap.
Heeft u signalen dat er instellingen zijn die zich aan de met VSNU (vereniging van universiteiten) en de Vereniging Hogescholen afgesproken gezamenlijke voorinvestering van 200 miljoen euro onttrekken? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze investering van 200 miljoen euro in onderwijskwaliteit tot 2018 toch plaatsvindt?
Ik heb die signalen niet. Van belang is wel dat de afspraak met de VSNU en de Vereniging Hogescholen een afspraak is op sectorniveau. De instellingen zullen tot 2018 extra investeren door onder meer hun reserves in te zetten en door investeringen in de tijd naar voren te halen. Omdat de vermogensposities van de instellingen sterk van elkaar verschillen, zullen ook de extra investeringen per instelling verschillend zijn. Hier wijzen de VSNU en de Vereniging Hogescholen terecht op. Instellingen die bijvoorbeeld eerder al een financiële kwaliteitsimpuls hebben gegeven, zullen niet weer in staat zijn een grote impuls vrij te maken. Ook inhoudelijk zullen de prioriteiten per instelling verschillen. De gemene deler is wel dat de investeringen gericht zijn op versterking van de kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs.
Met de VSNU en Vereniging Hogescholen bespreek ik periodiek hoe de investeringsimpuls in de praktijk vorm krijgt. Zoals ik u in het debat over de medezeggenschap en kleine studies in de geesteswetenschappen heb toegezegd, zal ik u aan het eind van dit jaar informeren over de voorinvesteringen van de instellingen, op hoofdlijnen, niet per instelling. In het eerder genoemde overzicht van de voorinvesteringsplannen van instellingen dat de VSNU onlangs openbaar heeft gemaakt, geeft de VSNU aan dat de universiteiten gezamenlijk in 2015 ruim € 80 miljoen extra eigen middelen investeren in onderwijskwaliteit.
Wat is uw oordeel over de uitvoering van eerder gemaakte kwaliteitsplannen door instellingen en kunnen deze worden gezien als onderdeel van de voorinvestering van 200 miljoen euro, zoals sommige instellingen suggereren?
Met de instellingen is afgesproken dat zij extra investeren door onder meer hun reserves in te zetten en door investeringen in de tijd naar voren te halen. Ik vind het logisch en verantwoord dat deze investeringen plaatsvinden in het verlengde van eerder gemaakte kwaliteitsplannen. Het gaat om het intensiveren en versnellen van kwaliteitsplannen die aansluiten op het strategisch beleid van de individuele instellingen.
De indexatie van personele bekostiging in het primair onderwijs |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Indexatie personele bekostiging 0,44 procent»?1
Ja. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Ruimtebrief, die jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de werkgevers in de overheidssector wordt verstuurd en waarin dit indexatiepercentage is opgenomen, een vertrouwelijk intern document is om de werkgevers in de overheidssector op de hoogte te stellen van de beschikbare ruimte. Om lopende onderhandelingsprocessen niet te verstoren, wordt er niet in het openbaar ingegaan op de inhoud van deze brief.
Klopt het dat scholen 0.8% minder bekostiging ontvangen dan de feitelijke werkgeverskosten bedragen in 2015? Zo ja, kunnen scholen dit verschil dragen? Hoe draagt u er zorg voor dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs?
De PO-Raad stelt in het genoemde artikel dat de cao afspraken 2014–2015 tot hogere kosten leiden dan de beschikbare ruimte en gaat er vanuit dat dit onderdeel zal zijn van de onderhandelingen voor een nieuwe cao.
De ontwikkeling van de werkgeverskosten aan personele lasten vloeien onder meer voort uit de cao-afspraken. Deze moeten gefinancierd worden uit de kabinetsbijdrage, vrijval van premies (waaronder verlaging pensioenpremies 2015 en 2016) en eventuele herschikking van secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals afschaffing van de BAPO-regeling. De kabinetsbijdrage en de overige genoemde onderdelen vormen dus tezamen de financiële ruimte voor de cao-afspraken. De kabinetsbijdrage wordt aan de rijksbijdrage van de instellingen toegevoegd; de overige onderdelen vallen vrij binnen de instellingsbudgetten. De cao-partij van werkgeverszijde, de PO-Raad, moet – in overleg met de vakbonden – ervoor zorgen dat de uitgaven van deze cao-afspraken binnen deze kaders blijven en niet ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs en de doelstellingen van onderwijsinvesteringen, zoals onder meer afgesproken in het sectorakkoord PO.
De kabinetsbijdrage is overigens gebaseerd op een gemiddelde lastenontwikkeling in de marktsector, waaronder loonontwikkeling en ontwikkeling van sociale premies. De daadwerkelijke kostenontwikkeling in de sector sluit niet altijd 100 procent aan bij deze macroberekening, zowel in positieve als in negatieve zin. Bij het maken van nieuwe cao-afspraken moet hiermee rekening worden gehouden. Daar doelt de PO-raad ook op met de uitspraken over de nieuwe cao-onderhandelingen.
Kunt u inzichtelijk maken wat in de afgelopen twintig jaar het verschil is geweest tussen de kabinetsbijdrage en de feitelijke kosten?
De sector PO kende tot 1 augustus 2006 een declaratiebekostiging waardoor er voor de sector geen verschil was tussen personele bekostiging en feitelijke kosten. Vanaf 1 augustus 2006 is er sprake van lumpsumbekostiging. Bovendien zijn de primaire arbeidsvoorwaarden, waaronder de algemene salarisontwikkeling, in het PO volledig gedecentraliseerd per 1 januari 2014. Tot die tijd vond het overleg daarover plaats tussen de Minister van OCW en de vakbonden waarbij de kabinetsbijdrage het kader vormde voor de afspraken. Vanaf dat moment geldt het gegeven antwoord bij vraag 2.
Worden scholen over meerdere jaren wél volledig gecompenseerd voor de feitelijke kosten? Zo nee, kan de systematiek zodanig aangepast worden dat de personele bekostiging over meerdere jaren wel gelijk is aan de feitelijke kosten?
De financiering van de scholen is gebaseerd op lumpsumbekostiging. De in de vraag gesuggereerde aanpassing van de systematiek zou herinvoering van een openeinde financiering inhouden, waarbij niet de ruimte maatgevend is, maar de afspraken van de sociale partners. Dit acht ik niet gewenst.
Welke effecten heeft het verschil in bekostiging op het salaris van leraren? Hoe zorgt u ervoor dat het hanteren van deze referentiesystematiek niet ten koste gaat van leraren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Problemen bij aanbestedingen door het COA |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel met betrekking tot de vertraging in de bouwwerkzaamheden van het Asielzoekers Centrum (AZC) Den Helder en het niet aanbesteden van renovatiewerkzaamheden door het Centrum Opvang Asielzoekers (COA) in Zutphen?1
De vertraging bij de bouwwerkzaamheden van het AZC in Den Helder is deels het gevolg van een rechtszaak over de aanbesteding, waardoor de start van de bouw is opgeschort. Daarnaast bleek dat naast de aanbesteding van de verbouwwerkzaamheden, tevens een aanbesteding van de installaties noodzakelijk was. Hiermee was in de oorspronkelijke planning geen rekening gehouden. Deze separate aanbesteding is medio december 2014 afgerond. Hierdoor kon de daadwerkelijke bouw pas begin februari 2015 starten.
Zie voor een reactie op het laatste deel van de vraag het antwoord op vragen 6, 7 en 8.
Levert de vertraging van de verbouwing in Den Helder problemen op bij het COA, nu vluchtelingen die in het nieuwe AZC zouden worden ondergebracht daar nu niet terecht kunnen? Kunt u aangeven waar deze vluchtelingen momenteel verblijven?
Hoewel de druk op de opvangcapaciteit van het COA op dit moment hoog is, levert de vertraging op zichzelf geen noemenswaardige problemen op in de opvang van asielzoekers. Het grootste deel van de toekomstige bewoners wordt op dit moment opgevangen in de nabijgelegen locatie Maaskamp, die vanwege de vertraging langer open blijft.
Zijn er kosten verbonden aan de genoemde vertraging in Den Helder en wie is daarvoor aansprakelijk?
Er zijn geen kosten verbonden aan de vertraging. De verantwoordelijkheid van de tijdige realisatie ligt bij de aannemer. Behoudens onvoorziene werkzaamheden, die een effect kunnen hebben op de planning en separaat vergoed worden, zijn er geen financiële risico’s voor het COA. Wel zijn er financiële consequenties voor de aannemer in de vorm van een boete bij een verwijtbare verlate oplevering.
Is in het contract gewaarborgd dat het COA niet opdraait voor de mogelijke extra kosten ten gevolge van deze vertraging? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, nu de zaak van het AZC Den Helder niet meer onder de rechter is, aangeven waarom er onduidelijkheid is ontstaan over het gunningscriterium van de opleverdatum en waarom er geen duidelijk antwoord is gegeven op vragen van andere inschrijvers met betrekking tot de gunningscriteria?
Het COA heeft mij laten weten dat er geen onduidelijkheid geweest is over het gunningscriterium van de opleverdatum. De opleverdatum stond tijdens de aanbesteding vast en was voor alle inschrijvers hetzelfde. Alle inschrijvers hebben op basis van deze opleverdatum een planning aangeleverd, die is beoordeeld door de beoordelingscommissie van de aanbesteding. Inschrijvers die de aanbesteding niet gegund hebben gekregen, hebben van het COA een gemotiveerde afwijzingsbrief ontvangen.
Op welke gronden heeft het COA gemeend dat de opdracht voor renovatiewerkzaamheden ten behoeve van de vestiging van een AZC in Zutphen niet aanbestedingsplichtig was?
De aankoop of huur van grond, bestaande gebouwen en andere onroerende zaken is in beginsel niet aanbestedingsplichtig. Omdat de gebouwen in Zutphen oorspronkelijk gebruiksklaar (turn-key) zouden worden opgeleverd aan het COA, heeft het COA gemeend dat een aanbesteding van de renovatiewerkzaamheden niet aan de orde was. Dat is ook het standpunt dat het COA heeft toegelicht aan de Commissie van Aanbestedingsexperts.
Degene die een klacht had ingediend bij de Commissie van Aanbestedingsexperts, had daarvoor reeds een Wob-verzoek ingediend bij het COA. Dit Wob-verzoek werd onder meer geweigerd op gronden van persoonsgegevens, bedrijfseconomische c.q. financiële belangen en intern beraad. Het COA was vervolgens van oordeel dat de geweigerde informatie niet via een klacht bij de Commissie van Aanbestedingsexperts alsnog verkregen kon worden.
Om die reden acht het COA het niet opportuun om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.
Door een wijziging in het oorspronkelijke plan, is er uiteindelijk geen sprake geweest van een turn-key overeenkomst, waardoor mogelijk een aanbestedingsplicht ontstond. Het COA heeft zich dit gerealiseerd toen het onderhandelingstraject inmiddels vergevorderd was. Het COA heeft toen besloten de koop door te zetten.
De aankoop van de locatie is inmiddels definitief en de werkzaamheden zijn gestart. Naar verwachting wordt de locatie in april 2016 opgeleverd.
Wat is de reden dat de commissie van aanbestedingsexperts, die zich boog over een klacht van een belanghebbende uit Zutphen over het niet aanbesteden van de opdracht, van het COA niet de benodigde informatie ontving om de klacht te kunnen beoordelen?2
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het COA alsnog zo snel mogelijk de gevraagde informatie over de situatie in Zutphen verstrekt aan de commissie van aanbestedingsexperts?
Zie antwoord vraag 6.
Het onderzoek naar jodenhaat onder islamitische jongeren |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rapport blijft op de plank»?1
Ja. Het rapport «Antisemitisme onder jongeren in Nederland» is 16 juni jl. naar uw Kamer verzonden.2
Klopt het dat één van de conclusies is dat meer dan 10% van de islamitische jongeren negatief is over Nederlandse joden? Zo ja, welke oorzaken ziet u hiervoor?
Ja. Een van de resultaten van het onderzoek is dat 12% van de ondervraagde moslimjongeren «niet zo positief» denkt over joden in Nederland.
Leeftijd (jonger), opleidingsniveau (lager) en geslacht (mannelijk) zijn van invloed op de mate waarin islamitische jongeren niet zo positief over Joden in Nederland denken. Aan de jongeren die niet zo positief denken over Joden in Nederland, is in het onderzoek gevraagd toe te lichten waarom. In antwoord op deze vraag noemen islamitische jongeren het vaakst «vanwege het conflict tussen Israël en de Palestijnen».
Hoe verhouden de uitkomsten van dit rapport zich tot de conclusie van het onderzoek «Antisemitism Worldwide» (2009), waarin men stelt dat daar waar de islamitische gemeenschap groeit ook het antisemitisme groeit?
De doelstelling van het onderzoek naar triggerfactoren voor antisemitisme was om beter inzicht te krijgen in de oorzaken van antisemitische vooroordelen onder jongeren, factoren die een rol spelen bij antisemitische incidenten onder jongeren en in hoeverre deze uniek zijn in relatie tot andere vooroordelen met een discriminatoir karakter. Het onderzoek levert geen ondersteuning voor het beeld dat antisemitisme inherent is aan de islam of moslims in Nederland. Religie speelt wel een rol maar deze rol is niet eenduidig. Zo lijkt de mate waarin islamitische jongeren religie belangrijk vinden en zich identificeren als moslim, de kans te vergroten dat jongeren niet positief denken over joden in Israël, de staat Israël en zionisten maar blijkt frequentie van moskeebezoek geen rol te spelen.
Hoe duidt u de uitkomsten van het onderzoek in relatie tot de conclusie van het rapport van professor Koopmans, die stelt dat liefst 45% van de moslims zegt joden niet te vertrouwen?
Het percentage van 45% van de moslims dat zegt joden niet te vertrouwen is gebaseerd op een survey onder moslims van verschillende leeftijdsgroepen in Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Oostenrijk en Zweden. De hoofddoelstelling van deze survey was om de integratie van moslims op een aantal aspecten in kaart te brengen.
Het onderzoek naar triggerfactoren richtte zich alleen op jongeren in Nederland met het oog op het inventariseren van oorzaken en triggerfactoren voor antisemitisme. In die zin zijn deze studies niet vergelijkbaar.
Welke oorzaken ziet u voor de uitkomsten van het onderzoek van Motivaction (2014) dat 58% van de Turkse Nederlanders van mening is dat alle joden verantwoordelijk zijn voor de Israëlische politiek en dat 83% van de Turkse Nederlanders niet gelooft in vriendschap tussen joden en moslims?
Zoals ik aangegeven heb in de brief over dit onderzoek die 30 juni jl. naar uw Kamer is gezonden3, blijkt dat er een aantal serieuze tekortkomingen zijn in de opzet en uitvoering van het onderzoek van Motivaction. Daarmee zijn zowel de validiteit als de betrouwbaarheid van de door Forum gepresenteerde bevindingen in het geding en zijn de uitkomsten niet generaliseerbaar naar de totale populatie. De bevindingen schetsen dan ook geen representatief beeld van de opvattingen die leven onder jongeren van Turkse en Marokkaanse herkomst in Nederland.
Erkent u, mede op basis van de aangehaalde onderzoeken, dat er sprake is van een botsing der beschavingen – zoals verwoord door professor Huntington – en dat het opkomend antisemitisme in Nederland daar (ook) een gevolg van is?
Het onderzoek stelt niet dat triggerfactoren voor antisemitisme en negatieve vooroordelen te maken hebben met een zogenoemde botsing der beschavingen.
Welke werkzame oplossingen draagt u aan om het antisemitisme onder moslims te bestrijden?
Antisemitisme is onaanvaardbaar. Op scholen kan een belangrijke bijdrage geleverd worden aan het verminderen van vooroordelen en discriminatie. Als onderdeel van de herijking van het huidige actieprogramma discriminatie en de totstandkoming van een nieuw actieplan zal ook gekeken worden naar de ontwikkelingen in het onderwijs.
We staan pal achter docenten en helpen hen om antisemitisme en discriminatie bespreekbaar te maken in de klas. Hierover worden lokale ronde tafels georganiseerd met docenten en er loopt een pilot waarbij leraren als onderdeel van hun opleiding beter worden toegerust om de actualiteit en de rechtstaat in de klas bespreekbaar te maken. In de beleidsreactie van de Staatssecretaris van OCW op onderzoek naar ervaringen van leraren bij het gesprek in de klas over maatschappelijke thema’s van 1 juli jongstleden zijn ook enkele maatregelen aangekondigd ter uitbreiding van het ondersteuningsaanbod aan leraren4.
Voor een volledige beleidsreactie op het onderzoek acht ik afronding van het nader onderzoek essentieel. Zo kan meer duiding gegeven worden aan de rol van het Midden-Oosten conflict in relatie tot het begrip zionisme. Dit kan bijvoorbeeld richting geven aan een verbeterde aanpak in het onderwijs. De uitkomsten van dit onderzoek onderstrepen in ieder geval dat we als samenleving voortdurend moeten investeren in het bestrijden van antisemitisme, vooroordelen en discriminatie.
Meer risico’s voor de staat bij megaproject Zuidas |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meer risico’s voor staat bij megaproject Zuidas»?1
Ja.
In hoeverre klopt de stelling in het artikel dat de opdrachtgevers – Rijkswaterstaat (RWS), ProRail en de gemeente Amsterdam – meer risico’s naar zich toe trekken dan tot nu toe gebruikelijk was? Wat is de aanleiding van dit besluit en hoe verhoudt zich dit tot de Aanbestedingswet, waarvan de evaluatie dit jaar dient te komen?
Het project Zuidasdok wordt aanbesteed op basis van een Design & Construct contract (D&C). Ook wordt bij dit project de procedure van een concurrentiegerichte dialoog gevolgd. Uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor de risico’s liggen bij de partij die ze het beste kan beheersen.
De risicoverdeling die bij Zuidasdok wordt gehanteerd wijkt in de kern niet veel af van andere D&C-projecten. De opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het ontwerp en de bouw en het verkrijgen van de benodigde vergunningen. In het geval van Zuidasdok neemt de opdrachtgever de verantwoordelijkheid voor het in kaart brengen van kabels en leidingen, is er een referentieontwerp opgesteld dat de opdrachtnemer ter beschikking wordt gesteld en worden afspraken gemaakt met de bevoegd gezagen over de door de opdrachtnemer aan te vragen vergunningen.
De Aanbestedingswet geeft geen voorschriften met betrekking tot de te hanteren risicoverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.
Volgt dit besluit uit de kritiek van «grote bouwers» dat infrastructuurprojecten van Rijkswaterstaat te groot en te riskant zijn geworden? Zo nee, wat is dan de aanleiding geweest voor dit besluit? Wat is de rol van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bij dit besluit?
Rijkswaterstaat voert regelmatig aanpassingen en verbeteringen door in haar aanbestedingen. Dit gebeurt op basis van leerervaringen bij projecten en/of indien het overleg met de bouwsector of de marktsituatie hiertoe aanleiding geeft. De risicoverdeling bij het project Zuidasdok past bij de gekozen contractvorm en aanbestedingsprocedure en volgt uit de afweging wie de belangrijkste risico’s van dit project het beste kan beheersen.
Rijkswaterstaat besteedt het project Zuidasdok aan, mede namens gemeente Amsterdam en ProRail, en is daarmee formeel de opdrachtgever van de marktpartij. ProRail, gemeente Amsterdam en Rijkswaterstaat besluiten echter gezamenlijk over de contractvorm en de daarbij te maken keuzes.
Het is wel de eerste keer dat, naast een plafondbedrag, een ondergrens voor de prijsaanbieding wordt gehanteerd. Doel hiervan is om het risico te beperken dat marktpartijen te laag inschrijven om de opdracht koste wat kost binnen te halen. Dit is voor niemand goed. Zie ook het antwoord op vraag 6. Deze aanpak is in de eerste helft van 2014 gekozen en is vervolgens besproken in zowel het bestuurlijk overleg Zuidasdok, dat door mij wordt voorgezeten, als in de gemeenteraad van Amsterdam.
Geldt dit besluit alleen voor Zuidasdok of voor alle toekomstige infrastructurele projecten? Zo ja, wat betekent dit voor de financiële (aansprakelijkheids)risico’s die de staat loopt? Zo nee, waarom is dit besluit alleen genomen ten aanzien van het project Zuidasdok? Kan een overzicht worden gegeven van de consequenties van de beleidswijzigingen die
De risicoverdeling bij Zuidasdok is passend bij de gekozen contractvorm en aanbestedingsprocedure. De ondergrens voor de prijsaanbieding geldt vooralsnog alleen voor Zuidasdok. Rijkswaterstaat bekijkt – mede op basis van de ervaringen bij Zuidasdok – of deze methode vaker toegepast kan worden.
worden aangekondigd in het artikel voor wat betreft nieuwe en bestaande aanbestedingen en contracten? Welke risico's komen voortaan bij de staat te liggen en waarom? Betekent dit een einde voor de zogenaamde Design, Build, Finance, Maintain and Operate (DBFMO)-contracten zoals we die nu kennen?
In het artikel worden geen beleidswijzigingen aangekondigd. Rijkswaterstaat werkt samen met de markt momenteel aan de ontwikkeling en implementatie van een nieuwe marktvisie, die gebaseerd is op een nieuwe cultuur – van onderling vertrouwen en minder regels – en waarbij ruimte is voor nieuwe samenwerkingsvormen als co-creatie. Indien het overleg met de marktpartijen of de marksituatie hierom vraagt, zullen wijzigingen worden doorgevoerd in de marktbenadering. Rijkswaterstaat voert daarnaast regelmatig wijzigingen door in de separate aanbestedingen op basis van leerervaringen bij projecten.
DBFM blijft een contractvorm die ik bij meerwaarde zal toepassen. Voor rijksprojecten in het GWW-domein groter dan € 60 mln. geldt dat in beginsel voor DBFM wordt gekozen, indien dit meerwaarde oplevert.
Deelt u de mening dat een minimumprijs niet past in een sector met vrije marktwerking en kartelvorming juist in de hand kan werken? Wie zal deze minimumprijs vaststellen? Vindt u dit een rol van de overheid en heeft RWS voldoende kennis en deskundigheid om een dergelijke prijs te stellen?
Ik deel de mening dat het stellen van een ondergrens voor de prijsaanbieding in een sector met vrije marktwerking niet de voorkeur geniet. De marktsituatie is sinds 2008 aanzienlijk verslechterd. De afgelopen jaren zijn soms te lage prijsaanbiedingen gedaan. Te laag inschrijven om een opdracht koste wat kost binnen te halen, is voor niemand goed. De bouwsector onderkent dit zelf ook.
Een te lage prijsaanbieding zou in het geval van Zuidasdok, gelet op de omvang, complexiteit en looptijd, een te groot risico voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer met zich meebrengen. Vandaar dat voor het eerst gewerkt wordt met een ondergrens voor de prijsaanbieding. De kans op een vechtcontract – wat uiteindelijk kan leiden tot meer maatschappelijke kosten – wordt hierdoor verkleind. De ondergrens voor de prijsaanbieding is dus een projectspecifieke risicobeheersmaatregel. Er is geen reden aan te nemen dat kartelvorming hierdoor in de hand wordt gewerkt. Het project Zuidasdok wordt overigens gegund op basis van EMVI (economisch meest voordelige inschrijving). Kwaliteit is naast de prijs steeds belangrijker geworden als gunningscriterium. De markt ondersteunt deze ontwikkeling.
De ondergrens wordt bepaald door de projectorganisatie, getoetst door externe deskundigen en vastgesteld door de gezamenlijke opdrachtgevers. Van de overheid mag verwacht worden dat zij optreedt als deskundig opdrachtgever, die ook inzicht heeft in reële kosten van opdrachten die zijn uitbesteed aan marktpartijen. Rijkswaterstaat is samen met Prorail en gemeente Amsterdam in staat om de ondergrens voor Zuidasdok te bepalen.
Kunt u een opsomming geven van de veranderingen in voorziene contractering voor het project Zuidasdok, welke financiële consequenties dat met zich meebrengt voor de staat en welke juridische risico's worden overgenomen? Wat betekent dit voor de reeds lopende aanbestedingscontracten? Wat betekent dit voor bijvoorbeeld de reeds bestaande DFBM-contractering voor de verbreding van de A15?
Zoals in de antwoorden op vragen 2 en 3 is aangegeven, zijn ten aanzien van de risicoverdeling de volgende keuzes gemaakt:
Daarnaast is sprake van een herijkingsfase na gunning. Als resultaat van deze fase moet door opdrachtnemer een herijkingsdossier worden opgeleverd, waaruit moet blijken dat er sprake is van een integraal ontwerp, waarbij de raakvlakken en risico’s zijn beheerst.
Met voornoemde keuzes beoog ik randvoorwaarden te scheppen, om het uitvoeringsproces in één keer goed en zonder vertraging te kunnen doorlopen. Dit draagt bij aan een verlaging van het risicoprofiel voor de opdrachtnemer en de opdrachtgever. Per saldo beogen deze keuzes voor de gehele looptijd van het project juist kostenverlagend te zijn en de kans op juridische procedures te verkleinen.
De keuzes hebben geen doorwerking naar reeds lopende realisatieprojecten.
Hoe zijn de risico’s verdeeld over de drie opdrachtgevers, te weten RWS, ProRail en de gemeente Amsterdam? Is bekend wat de mogelijke financiële risico’s van dit besluit voor de staat zouden kunnen zijn voor wat betreft het project Zuidasdok?
In de bestuursovereenkomst Zuidasdok, die in 2012 is gesloten, zijn de financiële bijdragen van Rijk, provincie Noord-Holland, stadsregio Amsterdam en gemeente Amsterdam vastgelegd. Het Rijk en de gemeente Amsterdam dragen de risico’s met een verdeling van 75%–25%, waarbij het risico van de gemeente gemaximeerd is op € 55 mln. (prijspeil 2011).
De projectorganisatie Zuidasdok is een samenwerking van Rijkswaterstaat, ProRail en gemeente Amsterdam. De keuzes met betrekking tot de contractering van Zuidasdok hebben geen effect op de risicoverdeling tussen de opdrachtgevende partijen. Het effect van de gemaakte keuzes op het uiteindelijke projectresultaat kan niet worden voorspeld, maar beoogd wordt een kostenverlaging te bewerkstelligen in plaats van een kostenverhoging.
Wat is de verklaring dat ondanks de gunstigere risicospreiding slechts twee partijen meedingen? In hoeverre is het gekozen middel dan een oplossing voor het geconstateerde probleem?
Generieke ontwikkeling in de GWW-sector is dat marktpartijen selectiever zijn in hun keuze mee te doen met een aanbesteding. Belangrijke redenen hiervoor zijn de tenderkosten, de hoeveelheid en omvang van de projecten die (tegelijkertijd) op de markt komen en de beperkte beschikbaarheid van personeel. Gelet op de omvang van het project Zuidasdok en de uiteenlopende expertises die hiervoor nodig zijn, was de verwachting op voorhand al dat zich een beperkt aantal consortia zou vormen.
De twee geselecteerde consortia zijn technisch en financieel solide. Het aanbestedingsproces kan naar verwachting in goede concurrentie worden doorlopen. In deze consortia zijn vrijwel alle grote Nederlandse bouwondernemingen vertegenwoordigd.
Welke prikkels bestaan er nu nog om het project Zuidasdok tijdig en binnen budget af te krijgen, nu de tucht van de markt er niet meer is? Hoe moet in dit licht de uitspraak dat de opdrachtgever nu «echt in de keet» gaat zitten geduid worden? Is hier voldoende capaciteit en deskundigheid voor? Deelt u de mening dat dit de omgekeerde wereld is, door de tucht van de markt te vervangen voor de koffie in de bouwkeet? Zo nee, waarom niet? Welke prikkels worden er dan precies toegepast?
Het contract voor Zuidasdok zal de bij D&C-contracten gebruikelijke prikkels bevatten, zoals boetes bij tekortkomingen en incentives om mijlpalen te behalen. Daarnaast wordt de opdrachtnemer alleen betaald, indien de werkzaamheden zijn uitgevoerd en er aantoonbaar voortgang is geboekt. De in het artikel genoemde «tucht van de markt» heeft betrekking op de prikkel vanuit de financiering(smarkt) bij DBFM contracten: bij DBFM zorgen de projectfinanciers voor een extra prikkel om tot een effectieve realisatie en ingebruikname van de infrastructuur te komen.
De uitspraak om «echt in de keet» te zitten moet gezien worden als illustratie dat de opdrachtgever niet op afstand van het werk staat, maar nauw betrokken is en weet wat er speelt, zodat bij dit complexe project adequaat invulling gegeven kan worden aan de verantwoordelijkheden die de opdrachtgever heeft. Hiervoor is voldoende deskundigheid en capaciteit beschikbaar binnen de projectorganisatie.
Knelpunten rond het persoonlijk assistentiebudget in de Wet langdurige zorg (Wlz) |
|
Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Op welke wijze is er maatwerk mogelijk voor cliënten wanneer er, als mensen die afhankelijk zijn van persoonlijke assistentie uit de Wet Langdurige Zorg (Wlz) samenwonen met een partner, standaard één derde van het persoonlijk assistentiebudget wordt afgetrokken? Wordt er verwacht dat een partner standaard en altijd (elke en de gehele nacht) de zorg voor de partner op zich neemt?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Regeling langdurige zorg die op 20 april jl. is gewijzigd, is een bepaling opgenomen waarin persoonlijke assistentie is geregeld. De regeling maakt het mogelijk dat cliënten in een beperkt aantal situaties het toezicht één op één via persoonlijke assistenten kunnen organiseren. Het aantal aanvragen is nog zeer beperkt en praktijkervaring met deze nieuwe mogelijkheid is er dus nog nauwelijks.
In de regeling is het bedrag voor persoonlijke assistentie voor alleenstaanden vastgesteld op € 219.000. Vanuit de gedachte dat de partner met de cliënt samenwoont een deel van het toezicht onbezoldigd kan overnemen, is het bedrag voor een cliënt die samenwoont met een echtgenoot lager vastgesteld, namelijk op € 146.000. Cliënten zoeken binnen deze financiële kaders naar passende oplossingen om het noodzakelijke 24-uurs toezicht te regelen.
Tijdens het debat over de eerste voortgangsrapportage is gesproken over de hoogte van het bedrag voor een cliënt die samenwoont met een echtgenoot. Vraag hierbij is of het reëel is dat cliënten met een partner met tweederde deel van het budget zouden kunnen uitkomen. Omgerekend in uren zou dat namelijk neerkomen op 8 uur per dag. Het is denkbaar dat een partner vanwege een beperking niet in staat is te voorzien in het toezicht of dat de assistentie zodanig complex en intensief is dat er minder dan 8 uur per dag van de partner kan worden gevraagd. Zoals ik reeds in de tweede voortgangsrapportage HLZ (Kamerstuk 34 104, nr. 63) heb aangegeven, heb ik de zorgkantoren de vraag voorgelegd of in specifieke situaties op dit punt maatwerk mogelijk is zodat het toezicht te allen tijde kan worden geborgd. De vraag hierbij is of zij tot een individuele beoordeling kunnen komen van de omvang van het toezicht dat redelijkerwijs onbezoldigd van de partner kan worden gevraagd. Nadat ik de reactie van de zorgkantoren op dit punt heb ontvangen, zal ik mede op basis daarvan bezien of het benodigde maatwerk inderdaad geleverd kan worden.
Op welke wijze zou er bij de indicering en bepaling van het benodigde budget rekening gehouden kunnen worden met persoonlijke omstandigheden (het hebben van een baan, de aanwezigheid van kinderen in een gezin) van een cliënt, en de mogelijkheden van zijn/haar partner? Bent u bereidt naar een aanpassing van deze regel te kijken? Zo ja, wanneer gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het momenteel mogelijk is het assistentiebudget ook in te zetten wanneer er geen sprake is van een cliënt met een zelfstandige woonruimte? Deelt u de mening dat dit niet in overeenstemming is met de zelfstandigheid die persoonlijke assistentie beoogt?
De Wlz is bedoeld voor cliënten met een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag in de nabijheid. De meest doelmatige manier om het toezicht te organiseren is in een geclusterde setting. Persoonlijke assistentie is als uitzondering daarop uitsluitend bedoeld voor een kleine groep volwassenen cliënten die volledig regie hebben over het eigen leven, maar een zeer zware lichamelijke beperking hebben en die vanuit medisch oogpunt zijn aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de directe nabijheid om levensbedreigende situaties te voorkomen. Voor hen is het minder doelmatig organiseren van het toezicht acceptabel omdat zij uitsluitend met persoonlijke assistentie zelfstandig kunnen wonen en zelfstandig en veilig kunnen deelnemen aan de samenleving. Persoonlijke assistentie is dus bedoeld voor cliënten die er voor kiezen om zelfstandig te wonen, en niet zo zeer voor jeugdigen die (nog) inwonen bij hun ouders of cliënten die kiezen voor een woongroep waar zij een gezamenlijk beroep doen op hulpverleners. Mocht in de praktijk blijken dat dit onvoldoende duidelijk is, dan zal ik zonodig de regeling op dit punt aanpassen.
Wordt op deze wijze niet teveel een beroep gedaan op het assistentiebudget door cliënten voor wie het assistentiebudget oorspronkelijk niet bedoeld is? Welke mogelijke negatieve financiële effecten heeft dit voor de regeling rondom het assistentiebudget?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze wordt in de hoogte van het persoonlijk assistentiebudget rekening gehouden met «overlappende zorg» (zorg waarbij gelijktijdig meerdere verzorgende en/of verpleegkundige handelingen moeten plaatsvinden, waardoor de zorgvraag het maximum van 24 uur overschrijdt)?
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 1 en 2 zijn in de Ministeriële Regeling de bedragen vastgesteld die vanuit de Wlz worden bijgedragen om passende zorg te organiseren. Het bedrag is bepaald op basis van 365 dagen, 24 uur per dag persoonlijke assistentie en een uurtarief van € 25. Het zorgkantoor houdt bij de toekenning van het budget voor persoonlijke assistentie geen rekening met individuele omstandigheden zoals het beperkingenbeeld, de levensstijl en de levensfase van de cliënt of overige zaken die mede van invloed kunnen zijn op het aantal uren assistentie dat een cliënt wil inkopen. Ik ben voornemens de regeling na 2 jaar te evalueren en vervolgens te beslissen over een doorontwikkeling.
Vindt u dat zorgverleners van assistentiebudgethouders goed toegerust moeten zijn voor de werkzaamheden die zij uitvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uiteraard vind ik het van belang dat zorgverleners voldoende bekwaam zijn om de gevraagde werkzaamheden uit te voeren. Eventuele (mede) voorbehouden handelingen die een persoonlijk assistent uitvoert, moeten conform de Wet BIG plaatsvinden. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor persoonlijke assistenten maar voor alle medewerkers in de zorg.
Op welke manier kunnen budgethouders opleidingen/trainingen voor hun zorgverleners financieren, zonder dat de kosten van deze opleidingen gevolgen hebben voor het te besteden budget en de daarbij horende benodigde 24 uur zorg, gezien de veldnorm chronische ademhalingsondersteuning die eisen stelt aan bekwaamheid bij assistentie bij ademhalingsondersteuning?
Voor alle cliënten die voor pgb als leveringsvorm kiezen, geldt dat zij zelf gaan over de kwaliteit van de gevraagde dienstverlening en daarvoor ook zelf gekwalificeerde hulpverleners zoeken. Met het pgb betalen de budgethouders vervolgens de geleverde zorg. Het budget wordt niet verstrekt om zorgverleners op te leiden en trainingen te financieren. Het is pgb-houders echter toegestaan met hun pgb een cursus van de hulpverlener te financieren indien deze een directe relatie heeft met de beperkingen van de budgethouder en relevante deskundigheidsbevordering wat betreft de te leveren zorg tot doel heeft. Budgethouders maken hierover zelf keuzes binnen het vastgestelde budget.
Het bericht dat het vaderschapsverlof verlengd moet worden |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vaderschapsverlof moet verlengd worden»?1
Ja.
Herkent u zich in het geschetste beeld dat het vaderschapsverlof in Nederland op basis van de internationale vergelijking te beperkt in omvang is? Kunt u aangeven waarom in veel andere Europese landen gekozen is voor een uitgebreider vaderschapsverlof?
Onder «vaderschapsverlof» worden begrepen 2 dagen betaald kraamverlof en 3 dagen onbetaald ouderschapsverlof waarop de partner van de moeder een onvoorwaardelijk recht heeft. Het internationale beeld van het verlof voor de partner is gevarieerd. Met een verlofperiode van 5 dagen (waarvan 2 betaald) bevindt Nederland zich onder het gemiddelde. Er zijn echter ook landen zonder vaderschapsverlof (bijvoorbeeld Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië)2. Of het vaderschapsverlof «te» beperkt is, hangt ook samen met andere verlofmogelijkheden die er zijn, het tijdelijk of permanent in deeltijd kunnen werken, de mogelijkheid van flexibiliteit in het werkrooster en de arbeidsplaats, etc. Al deze faciliteiten kunnen worden benut om tot een werkbare combinatie van arbeid en zorg te komen. De situatie in andere landen zal geënt zijn op de omstandigheden, praktijken en financieringsmogelijkheden zoals die in die landen aanwezig zijn.
Voldoet het huidige vaderschapsverlof in Nederland volgens u aan de behoefte van vaders en hun gezinnen om arbeid en zorg te combineren? Kunt u dit toelichten?
Het vaderschapsverlof stelt de vader in staat om de eerste dagen na de geboorte van het kind bij zijn gezin te zijn en deze periode mee te maken. Het combineren van arbeid en zorg voor kinderen is uiteraard niet beperkt tot deze eerste periode na de geboorte. Om te voorzien in de behoefte van vaders en hun gezinnen om arbeid en zorg te kunnen combineren bestaan tal van voorzieningen. Naast het kraamverlof en vaderschapsverlof van in totaal 5 dagen valt te denken aan het recht op ouderschapsverlof van 26 maal de wekelijkse arbeidsduur per kind voor beide ouders en de mogelijkheden om de arbeidsduur tijdelijk of permanent aan te passen op grond van de Wet aanpassing arbeidsduur. De werkgever kan een verzoek daarom alleen weigeren op grond van zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Vanaf inwerkingtreding van de Wet flexibel werken op 1 januari 2016 kan men de werkgever verzoeken om de werktijden en de werkplaats aan te passen. Ook deze mogelijkheden kunnen bijdragen aan een betere afstemming van de combinatie van arbeid en zorg op de behoefte van de vaders en hun gezin.
Deelt u de conclusie van het rapport dat een langer vaderschapsverlof een positief effect zal hebben op de ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
In het rapport wordt het belang van de vader bij de opvoeding van kinderen benadrukt. Het is dan ook positief dat Nederlandse vaders, net als de moeders, relatief veel tijd aan hun kinderen besteden. Bovendien besteden vaders steeds méér tijd aan hun kinderen, zo blijkt uit het voornoemde rapport. Met de Scandinavische landen is de verhouding tussen vaders en moeders in de zorg voor hun kinderen in Nederland bovendien het minst scheef.
Ik deel de notie uit het rapport over het belang van de betrokkenheid van de vader bij de opvoeding. Een verruiming van het verlof bij de geboorte van het kind is dan ook wenselijk. Zoals in het antwoord op vraag 3 reeds is aangegeven zijn ook het recht op ouderschapsverlof en de mogelijkheden die Wet aanpassing arbeidsduur biedt om de arbeidsduur – en vanaf 1 januari 2016 eveneens de werktijden en de arbeidsplaats – aan te passen van belang om wensen met betrekking tot de combinatie van arbeid en zorg (voor kinderen) en dus ook de positie van de vader daarbij zo goed mogelijk te realiseren.
Bent u bereid om de maatschappelijke en financiëel-economische consequenties van uitbreiding van het betaalde vaderschapsverlof naar tien dagen inzichtelijk te maken en de Kamer daarover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Op 1 januari 2015 is het vaderschapsverlof uitgebreid met een onvoorwaardelijk recht op 3 dagen ouderschapsverlof (onbetaald, maar een aantal cao’s voorziet in betaling). Tevens zijn bepalingen omtrent de wijze van opname van ouderschapsverlof geschrapt evenals de eis dat het recht op ouderschapsverlof pas een jaar na indiensttreding ontstaat. Daarmee heeft het kabinet een aantal belangrijke stappen gezet om de positie van vaders met zorgtaken te faciliteren. Op eventuele maatregelen van het kabinet voor volgend jaar wil ik nu niet vooruitlopen.
Aan de SER is gevraagd advies uit te brengen over het thema «Werken en leven in de toekomst». Dit advies is aan het einde van het jaar gereed. Aangezien sociale partners vertegenwoordigd zijn in de SER, zijn zij betrokken bij de opstelling van het advies en derhalve bij de genoemde thematiek
Bent u bereid in gesprek met de sociale partners de mogelijkheden te verkennen om nog deze kabinetsperiode tot een verdere uitbreiding van het betaalde vaderschapsverlof te komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het rapport ‘Gezinnen in de knel’ |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in de Volkskrant d.d. 12 juni 2015 «Nederland schendt verdragen voor gezinshereniging»1 en het rapport «Gezinnen in de knel: een analyse van het belang van het kind in het Europese en Nederlandse gezinsmigratiebeleid» van Defence for Children?2
Ja.
Zo ja, wat is uw reactie op het artikel en het rapport met aanbevelingen?
Nederland handelt conform de betreffende Verdragen. Het rapport bevat het standpunt van Defence for Children over elementen die al langer onderwerp van debat zijn. Zowel mijn ambtsvoorganger, als ikzelf hebben op meerdere momenten met uw Kamer van gedachten gewisseld over verschillende elementen uit het rapport (Algemeen Overleg op 14 januari en 4 juni jl.).
De wijze waarop door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) wordt getoetst aan de voorwaarden en de wijze waarop de belangenafweging plaatsvindt zijn in overeenstemming met de Verdragen en met de bijbehorende jurisprudentie, waaraan Nederland gehouden is.
Klopt het dat Nederland niet registreert in hoeveel gevallen een buitenlandse ouder verblijf aanvraagt bij een (Nederlands) kind? Zo ja, wat is hiervoor de reden? Bent u bereid dit voortaan wel te gaan registreren?
In het datawarehouse van de IND worden verblijfsaanvragen van ouders bij kinderen niet als zodanig geregistreerd. Voor aanvragen van ouders voor verblijf bij minderjarige kinderen bestaat namelijk geen apart verblijfsdoel. Deze aanvragen worden getoetst aan artikel 8 EVRM en indien deze toets positief uitvalt, wordt verblijf op grond van artikel 8 EVRM (gezinsleven) verleend. Gegevens over verblijf van ouder bij kind zijn derhalve niet uit het systeem van de IND te halen.
De inzet is dat door verdere ontwikkeling van het systeem in de toekomst (geleidelijk) meer informatie geleverd zal kunnen worden. Bij iedere aanpassing van het systeem maak ik de afweging tussen de urgentie van de aanpassing, de kosten en de capaciteit die met de aanpassing gemoeid zijn en de technische stabiliteit van het systeem.
Deelt u de conclusie in het rapport dat het «belang van het kind» het zwaarstwegende belang is in een belangenafweging over gezinsmigratie, zonder dat dit gelijk impliceert dat het «belang van het kind» op zichzelf altijd doorslaggevend is?
Ingevolge het Verdrag voor de Rechten van het Kind (VRK) en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is «het belang van het kind» een eerste overweging («a primary consideration»). Dat wil zeggen dat in ieder geval altijd aan het belang van het kind moet worden getoetst en dat in de algehele belangenafweging een zwaar gewicht bij dat belang moet liggen. Dit wil evenwel niet zeggen dat dit belang in de toelatingsprocedure dan ook de doorslag behoeft te geven ten aanzien van het verlenen van verblijf.
Bent u voornemens «het belang van het kind» uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind op te nemen in de Vreemdelingenwetgeving en een duidelijk toetsingskader te creëren voor de aspecten die worden meegenomen bij de vaststelling van het belang van het kind? Bent u vervolgens bereid na te gaan of de mate van weging van deze aspecten in lijn zijn met General Comment 14 van het VN-Kinderrechtencomité? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doorvoeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet voornemens om het belang van het kind separaat te codificeren in vreemdelingenwetgeving aangezien ik van oordeel ben dat de huidige regelgeving en praktijk reeds afdoende rekening houdt met dit belang. Ik heb de Kamer op 4 juni jl. toegezegd te bezien op welke wijze het belang van het kind meer expliciet in de werkinstructie voor de toepassing van artikel 8 EVRM kan worden opgenomen. Uw Kamer is hierover separaat geïnformeerd (dossiernummer 19637 briefnummer 2020).
Een aanvullende verwijzing naar General Comment 14 van het VN-Kinderrechtencomité lijkt mij weinig meerwaarde hebben.
Paragraaf 66 van deze Comment gaat specifiek over migratie: «[...] preservation of the family unit should be taken into account when assessing the best interests of the child in decisions on family reunification».
Uiteraard is hiervan sprake in het besluitvormingsproces binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Er wordt een individuele zaaksanalyse gemaakt, waarbij alle betrokkenen de gelegenheid krijgen – zo nodig met behulp van rechtsbijstand – de voor hen relevante belangen toe te lichten. Bij het maken van deze belangenafweging wordt veel gewicht toegekend aan het bijeenhouden van het gezin. Dat laatste laat uiteraard onverlet dat tevens gewicht mag worden toegekend aan het niet voldoen aan formele voorwaarden voor gezinshereniging.
Kunt u de toetsing «het belang van het kind» opnemen in wetgeving en/of het beleid ten aanzien van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele Vrijheden (EVRM) aanpassen, waarbij tevens het criterium uit de Jeunesse-zaak van het Europees Hof voor de Rechten van Mens wordt opgenomen dat bij iedere beslissing moet worden gekeken naar de uitvoerbaarheid, haalbaarheid en proportionaliteit van een beslissing?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het aangehaalde criterium uit de Jeunesse-uitspraak van het EHRM is geen nieuw criterium. Om de beslismedewerkers van de IND nader te instrueren over de gevolgen van de Jeunesse uitspraak van het EHRM heb ik dit criterium opgenomen in de Handleiding 8 EVRM (blz.3. Ik verwijs hiervoor naar de brief van mijn ambtsvoorganger van 30 oktober 2014.
Deelt u de stelling uit het rapport dat de Nederlandse wetgeving nog niet in overeenstemming is met de artikelen 5, vijfde lid en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (GRi) en dat deze artikelen niet geïmplementeerd kunnen worden door te verwijzen naar de toets aan artikel 8 EVRM? Zo ja, bent u voornemens typerende artikelen uit deze richtlijn die verplichten tot een individuele belangenafweging zoals artikel 5 lid 5 GRi en artikel 17 GRi voor alle gezinsmigratiezaken over te nemen in Nederlandse wet- of regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Nee. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist omzetting van een richtlijn in nationale wetgeving niet noodzakelijkerwijs in elke lidstaat een optreden van de wetgever.4 Volgens het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie zijn lidstaten bevoegd om voor de uitvoering van de richtlijnen de vorm en de middelen te kiezen waarmee het door de richtlijnen nagestreefde resultaat het best kan worden bereikt. Uiteindelijk gaat het erom dat het nuttig effect wordt bereikt. Bij de implementatie van de richtlijn is ervan uitgegaan dat het apart benoemen van deze beide artikelen in de regelgeving niet noodzakelijk is. De Europese Commissie heeft aangegeven5 dat deze artikelen aansluiten bij respectievelijk artikel 3 VRK en artikel 8 EVRM.
Voor de Commissie was dit reden op te merken dat het aanbeveling verdient om bij de afweging van belangen uit te gaan van de interpretatie van artikel 8 EVRM.
Ook heeft het Hof van Justitie van de EU overwogen dat de criteria van artikel 17 van de richtlijn corresponderen met die van artikel 8 EVRM.6
Door de wijze waarop een aanvraag wordt getoetst aan de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), de artikelen 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 3:4 Awb en artikel 8 EVRM en deze beoordeling aansluit op de artikelen 5, lid 5 en 17 van de richtlijn zie ik geen noodzaak beide artikelen op te nemen in het Vreemdelingenbesluit 2000.
De executie van Mansour Arvand in Iran |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Iran executes Kurdish political prisoner Mansour Arvand»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze persoon is geëxecuteerd vanwege de vermeende misdaad «vijandschap tegen God»? Hoe kijkt u naar dit vonnis?
Het bericht dat Mansour Arvand op zondag 14 juni zou zijn geëxecuteerd is het kabinet bekend, maar dit is tot op heden nog niet bevestigd. Indien deze berichtgeving klopt, betreurt het kabinet de executie ten zeerste. Nederland is fel tegenstander van de doodstraf.
Is u bekend hoeveel gevangenen Iran dit jaar tot op heden heeft geëxecuteerd?
Het aantal personen dat vorig jaar in Iran is geëxecuteerd ligt mogelijk hoger dan de 289 die Amnesty noemt. Andere organisaties die dit onderzoeken komen op verschillende cijfers. In het rapport van de Speciaal Rapporteur van de VN voor Mensenrechten in Iran worden bijvoorbeeld 753 executies genoemd.2 De Nederlandse ambassade in Teheran volgt berichten met betrekking tot executies op de voet. Op basis daarvan komt de ambassade op een aantal van circa 470 in media gemelde executies in 2014. Het is voor het kabinet onmogelijk om vast te stellen in hoeverre deze executies zijn voltrokken.
Kunt u de cijfers van Amnesty International bevestigen dat vorig jaar 289 personen zijn geëxecuteerd? Indien neen, wat is u dan bekend over de omvang van de executies in Iran vorig jaar?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid bij de Iraanse autoriteiten aan te dringen op een moratorium op de uitvoering van de doodstraf?
Nederland blijft, zowel via de EU als bilateraal, bij de Iraanse autoriteiten aandringen op het afschaffen van de doodstraf. Daarnaast roept Nederland op om, zolang de doodstraf nog niet is afgeschaft, doodsvonnissen niet uit te voeren.
Verstekelingen die zich verstoppen in vrachtwagens |
|
Barbara Visser (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Situatie zonder meer zorgwekkend» en Boete voor wachtende chauffeurs»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is dat nietsvermoedende chauffeurs, eenmaal aangekomen in het Verenigd Koninkrijk, worden beboet omdat zij ongemerkt en zonder schuld illegalen hebben meegenomen in hun vrachtwagen? Hoeveel Nederlandse chauffeurs zijn hierdoor gedupeerd in 2014 en 2015?
In de zogenaamde «Code of Practice» wordt door het Verenigd Koninkrijk (VK) een aantal beveiligingsmaatregelen voorgeschreven die een chauffeur moet naleven om te voorkomen dat verstekelingen in een voertuig klimmen. Naleving van de «Code of Practice» is van belang om te kunnen aantonen dat de chauffeur zorgvuldig heeft gehandeld. De boetes worden door het VK opgelegd op het moment dat transportondernemingen niet voldoen aan de door het VK opgestelde voorwaarden, zoals gesteld in de «Code of Practice». Hiervoor is het van belang dat de transportsector op de hoogte is van criteria die het VK hanteert. De Nederlandse en Britse autoriteiten en de Nederlandse vervoerorganisaties hebben afspraken gemaakt over het zo goed mogelijk informeren van de Nederlandse vrachtwagenchauffeurs.
Het aantal (mogelijke) Nederlandse gedupeerde chauffeurs in 2014 en 2015 is niet bekend.
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is om Nederlandse chauffeurs dubbel te beboeten, omdat zij niet voldoen aan de rij- en rusttijdenwet vanwege veel te lange wachttijden voor de oversteek? Bent u bereid uw Europese ambtsgenoten hierop aan te spreken, nog voor de volgende Transportraad die pas in oktober plaatsvindt?
Ik deel de zorgen van de sector over de veiligheid van de Nederlandse chauffeurs en de problemen die ze hebben vanwege de verstekelingen. De regels voor de rij- en rusttijden zijn er voor de verkeersveiligheid en om chauffeurs te beschermen tegen te lange werktijden. Oververmoeide chauffeurs zijn een gevaar op de weg, vandaar dat handhaving van deze regels in Europa een prioriteit is. Het is aan de vervoerder om binnen de grenzen van deze regelgeving een planning te maken. Hij moet altijd rekening houden met mogelijke vertragingen door bijvoorbeeld drukte op de weg, files, aanrijdroutes en wachttijden voor de oversteek naar Engeland.
Dat neemt niet weg dat de Europese verordening ruimte biedt voor uitzonderlijke situaties, waarbij kan worden afgeweken van de normale rij- en rusttijden. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft al aan EU commissaris Bulc haar zorgen geuit over de problemen voor de Nederlandse chauffeurs. Ook heeft zij dit aspect van de rij en rusttijden schriftelijk onder de aandacht gebracht bij EU commissaris Bulc en aangekaart bij haar Franse en Britse collega. Onverwachte situaties zoals een staking bij Calais kunnen gezien worden als uitzonderlijke situatie, waarvoor de regels ruimte bieden om af te wijken van de normale rij- en rusttijden. Het is van belang dat de inspecties van de verschillende landen daar oog voor hebben.
Welke mogelijkheden zijn er om deze onrechtvaardigheid aan te pakken en tegelijkertijd de chauffeurs die willens en wetens meewerken aan mensensmokkel wel aan te pakken? Wat kan Nederland hierin zelfstandig doen en wat is er nodig in Europees verband?
De aanpak van mensensmokkel is een prioriteit van dit kabinet. Mensensmokkel is een grensoverschrijdend delict en de aanpak van dit fenomeen is bij uitstek een terrein waar Europese samenwerking noodzakelijk is. Daarom heeft Nederland deze problematiek in de (geëigende) Europese gremia onder de aandacht gebracht. Daarnaast is deze problematiek ook besproken in bilaterale overleggen met België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Op nationaal niveau worden door de betrokken operationele diensten de nodige inspanningen verricht om mensensmokkel tegen te gaan.
Bent u bereid om in samenspraak met de transportsector te komen tot nadere maatregelen?
Ja. De verstekelingenproblematiek in Calais en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse transportsector hebben al enige tijd de nodige aandacht van het kabinet. Het kabinet heeft in de afgelopen periode dan ook geïnvesteerd in de samenwerking met de transportsector. In dit verband heeft het kabinet met Transportsector afgesproken om de problematiek gezamenlijk aan te pakken, onder andere door nauwere samenwerking met de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de autoriteiten van andere Europese landen.
Klopt de stelling van verladersorganisatie EVO dat het vluchtelingenprobleem zich in hoog tempo van de Franse plaats Calais naar Nederland verplaatst? Zo ja, welke maatregelen worden er getroffen om dit tegen te gaan?
Op dit moment zijn er nog geen concrete aanwijzingen dat het vluchtelingenprobleem zich in hoog tempo van de Franse plaats Calais naar Nederland verplaatst. Uiteraard is het kabinet wel alert dat deze problematiek zich niet verplaatst naar Nederlandse havens. Het kabinet heeft hiertoe de nodige maatregelen in Nederland getroffen. Op basis van risicoanalyse worden informatie gestuurde controles van de KMar op een aantal locaties geïntensiveerd.
Bent u bereid om vreemdelingencontroles met mobiel toezicht aan de landsgrenzen van Nederland te intensiveren in samenwerking met de buurlanden, waarbij aangetroffen illegale vreemdelingen kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van deze buurlanden waarmee wordt voorkomen dat chauffeurs in Nederland rijden met illegale vreemdelingen of de oversteek vanuit Nederland naar Verenigd Koninkrijk wordt gemaakt met hoge boetes tot gevolg?
In de brief van 23 juni 2015 is uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de verstekelingenproblematiek in Nederland tegen te gaan. Zoals gezegd zijn de informatie gestuurde controles van de KMar op een aantal locaties geïntensiveerd. Verder heeft de politie en de KMar ook extra aandacht voor deze groep personen in het toezichtproces in de grensstreken.
Bent u voornemens dit probleem nog voor de volgende Transportraad in oktober bespreekbaar te maken? Zo nee, op welke wijze gaat u dit probleem agenderen in Europees verband?
De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft tijdens de Transportraad van 11 juni jongstleden over de verstekelingenproblematiek reeds gesproken met de Europese commissaris voor Transport, Mevrouw Bulc, en met haar Franse en Engelse transport collega’s. Ook heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu dit aspect van de rij en rusttijden begin juli bij de EU Commissaris Bulc schriftelijk onder de aandacht gebracht en hierover gesproken met haar Franse en Engelse transport collega’s. Daarnaast heb ik deze problematiek met mijn collega’s uit België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk besproken.
Het bericht dat de nationale politie proeven houdt met privacy schendende chips in kentekenplaten |
|
Magda Berndsen (D66), Kees Verhoeven (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de nationale politie proeven doet met zogeheten RFID-chips in kentekenplaten waarmee alle reisbewegingen van automobilisten kunnen worden gevolgd?1 Zo ja, hoe verhoudt dit bericht zich tot uw eerdere bericht aan de Kamer dat er sprake zou zijn van een praktijktest uitgevoerd door drie ontwikkelaars?2 Zo nee, in opdracht van welke instantie en met welk doel wordt op dit moment een proef uitgevoerd met de RFID-chip?
Nee, dit bericht klopt niet. De drie ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten voeren de proef op eigen initiatief uit. De nationale politie heeft geen betrokkenheid bij de proef. Deze proef vindt niet plaats op de openbare weg, maar bij het Opleidings- en Trainingscentrum van het Ministerie van Defensie in Oirschot.
Waarvoor dient de proef met chips in kentekenplaten precies, welke gegevens kunnen ermee worden verzameld en door en voor wie?
De fabrikanten hebben een RFID-chip ontwikkeld die mogelijkheden heeft om de toegang tot de informatie op de chip te beschermen tegen onbevoegd gebruik. Deze chip kan alleen worden uitgelezen door daartoe bevoegde personen of instanties die in het bezit zijn van een gecertificeerde reader met een hoog beveiligingsniveau. Het doel van de praktijktest is om te zien of de nieuwe chip onder alle omstandigheden goed is uit te lezen.
Op het moment dat de resultaten van de proef bekend zijn, zal het kabinet bezien of het wenselijk is om de RFID-chip in te voeren en, indien dit het geval is, waarvoor de RFID-chip precies kan worden gebruikt. Dan zal ook worden bekeken welke gegevens er met de RFID-chip kunnen worden verzameld, wie er inzicht dient te hebben in de gegevens, of het systeem voldoende waarborgen voor de bescherming van privacy kent en of de data die het systeem genereert voldoende beveiligd zijn.
Op welke schaal en waar wordt deze proef precies uitgevoerd?
De praktijktest wordt uitgevoerd bij het Opleidings- en Trainingscentrum van het Ministerie van Defensie in Oirschot. Bij dit opleidingscentrum worden alle militaire rij- en bergingsopleidingen verzorgd. Het centrum beschikt over enkele honderden voertuigen. Deze zullen worden uitgerust met kentekenplaten met de RFID-chip.
Welke diensten naast de politie, kunnen meekijken in de gegevens die via de chip worden verzameld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt identificatie, registratie en het permanent volgen van alle automobilisten zich tot het in de Kamer voorliggende wetsvoorstel om zogeheten kentekenregistratie (Automatic Numberplate Recognition, ANPR) middels camera’s langs de weg in te voeren?
Zoals eerder aangegeven bevindt de RFID-chip zich nog in de testfase, en betreft het een proef van private partijen. Pas als duidelijk is waarvoor de RFID-chip kan worden gebruikt en hoe en welke gegevens (kunnen) worden verwerkt, kan bekeken worden wat de precieze gevolgen zijn voor de privacy en of er een relatie ligt met het wetsvoorstel tot het bewaren van kentekengegevens en zo ja, welke.
Gezien de grote privacy bezwaren die reeds aan de orde zijn bij het wetsvoorstel tot invoering van kentekenregistratie, hoe verhoudt identificatie, registratie en het permanent volgen van alle automobilisten door middel van een chip, zich tot die ernstige privacy bezwaren en tot Nederlandse privacy wetgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Indien sprake is van een proef uitgevoerd door (dan wel in opdracht van) de nationale politie waarom is deze proef dan niet vooraf expliciet aan de Kamer voorgelegd terwijl de wet tot invoering van kentekenregistratie nog niet door de Kamer is en bij de behandeling van dat wetsvoorstel tot dusver grote privacy bezwaren zijn gerezen die in meerdere mate ook op deze proef van toepassing kunnen zijn?
Zoals reeds aangegeven, vindt de proef plaats op initiatief van de drie ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten. Over de proef heb ik uw Kamer ingelicht in de brief die ik op 10 april 2015 naar uw Kamer heb gestuurd naar aanleiding van een mondelinge vraag van het lid Oskam over het gebruik van valse kentekenplaten3. In de brief wordt aangegeven dat de drie ontwikkelaars van de nieuwe RFID-chip gedurende ruim een jaar een praktijktest uitvoeren. Op het moment dat de resultaten van de praktijktest bekend zijn, zal het kabinet een standpunt innemen over de wenselijkheid van het al dan niet doorvoeren van een RFID-chip in kentekenplaten. Mocht de overheid te zijner tijd de chip in enigerlei vorm willen invoeren, dan zal uiteraard, zoals gebruikelijk, het advies van het College bescherming persoonsgegevens worden ingewonnen.
Is advies ingewonnen bij het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over het plaatsen van een chip in kentekens? Zo ja, hoe luidde dat advies precies? Kunt u het advies van het CBP aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen binnen een week, uiterlijk 23 juni 2015 beantwoorden?
De standaardtermijn voor de beantwoording van Kamervragen is drie weken. De vragen zijn binnen deze termijn beantwoord.
Het gebruik van RFID-chips in kentekens |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Chip moet einde maken aan fraude met kentekens»?1
Ja.
Wat is de technische opzet van de proef met RFID-chips (radiofrequency identification) in kentekenplaten die komend jaar gehouden zal worden?
De praktijktest wordt uitgevoerd bij het Opleidings- en Trainingscentrum van het Ministerie van Defensie in Oirschot. Bij dit opleidingscentrum worden alle militaire rij- en bergingsopleidingen verzorgd. Het centrum beschikt over circa honderd voertuigen, van motorfiets tot vrachtwagen. Deze zullen worden uitgerust met kentekenplaten met de RFID-chip. Op het terrein is het wegennet van Nederland nagebootst. Over één dubbele rijbaan zal een portaal worden opgesteld waarin de meetapparatuur (readers) wordt gemonteerd. De snelheden op dit traject variëren van 50 tot 200 kilometer per uur. Voertuigen met RFID-kentekenplaten die het portaal met readers passeren, moeten worden gedetecteerd door de readers. Op deze manier wordt de chip getest in alle weersomstandigheden en op verschillende voertuigen, gedurende een langere periode. De proef vindt niet plaats op de openbare weg.
Welke gegevens worden tussen de RFID-chip en de ontvanger uitgewisseld en hoe wordt daarmee de authenticiteit van het kenteken beoordeeld? Zijn deze gegevens te herleiden tot een individueel voertuig? Zo nee, hoe wordt dit voorkomen?
De fabrikanten hebben een RFID-chip ontwikkeld die mogelijkheden heeft om de toegang tot de informatie op de chip te beschermen tegen onbevoegd gebruik. Deze chip kan alleen worden uitgelezen door daartoe bevoegde personen of instanties die in het bezit zijn van een gecertificeerde reader met een hoog beveiligingsniveau. De chip wordt op dit moment getest. Aan het eind van de proef zal meer duidelijk zijn over de technische werking van de chip en de gegevensuitwisseling tussen de chip en de apparatuur die de chip kan uitlezen.
Welke partijen kunnen de gegevens van de chip aflezen? Hoe wordt gewaarborgd dat andere partijen dit niet kunnen?
Pas op het moment dat de werking van de RFID-chip helemaal duidelijk is, zal worden bekeken of het wenselijk is om de RFID-chip al dan niet in te voeren en, indien dit het geval is, waarvoor de RFID-chip precies kan worden gebruikt. Dan zal ook worden bekeken wie de gegevens van de chip mogen uitlezen.
Hoe wordt de afweging gemaakt of de invoering van RFID-chips in kentekens de minst ingrijpende manier is om fraude aan te pakken? Welke alternatieven worden overwogen om fraude met kentekens te bestrijden?
Op het moment dat de resultaten van de proef bekend zijn, zal het kabinet bezien of het wenselijk is om de RFID-chip in te voeren en, indien dit het geval is, waarvoor de RFID-chip precies kan worden gebruikt. Dan zal ook worden bekeken of de RFID-chip de beste manier is om fraude tegen te gaan. Zoals aangegeven in de eerdergenoemde brief die op 10 april 2015 naar de Kamer is gestuurd, worden er al veel maatregelen genomen om het gebruik van valse kentekenplaten te voorkomen. Uit de gegevens van de RDW blijkt ook dat het aantal meldingen van diefstal van blanco kentekenplaten gering is. In 2013 heeft de RDW vijf meldingen ontvangen, in heel 2014 nul en in 2015 vier.
De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft met de RDW onderzocht welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden. Er worden twee maatregelen voorgesteld die ervoor zorgen dat het traject van de afgifte tot de inname en vernietiging van kentekenplaten verder wordt aangescherpt:
De Minister van Infrastructuur en Milieu gaat deze maatregelen verder uitwerken en zal vervolgens de betreffende ministeriële regelingen wijzigen.
Op welke wijze en termijn zal de Kamer geïnformeerd worden over de uitkomsten van de proef met de kentekens?
Op het moment dat de resultaten van deze testen bekend zijn, zal het kabinet een standpunt innemen over de wenselijkheid van het al dan niet doorvoeren van een RFID-chip in kentekenplaten. Daarbij zullen ook aspecten als kosten en privacy worden meegenomen. Uw Kamer wordt op dat moment vanzelfsprekend in de gelegenheid gesteld om uitgebreid met het kabinet van gedachten te wisselen over dit onderwerp.
De drie ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten hebben aangegeven dat aanvullend op de praktijktest een privacy impact assessment zal worden gedaan. Ook wordt de RFID-kentekenplaat aan een veiligheidsanalyse onderworpen.
Hoe zal de Kamer betrokken worden bij een eventuele keuze om kentekenplaten te voorzien van RFID-chips? Bent u bereid ter voorbereiding een privacy impact assessment uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat verpleegkundigen miljoenen tegoed hebben |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen minstens tientallen miljoenen euro’s aan niet betaalde onregelmatigheidstoeslag schuldig zijn aan verpleegkundigen en andere werknemers? Kunt u uw antwoord toelichten?1 2
Ik neem het bericht voor kennisgeving aan. Het is niet aan mij om hier een uitspraak over te doen. Dit is iets tussen werknemers en werkgevers.
Hoe is het mogelijk dat ziekenhuizen, en andere zorginstellingen, al jarenlang verzuimen onregelmatigheidtoeslag uit te keren aan hun werknemers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van de werkgevers die verzuimden zich aan de cao te houden, en nu met claims (kunnen) worden geconfronteerd?
Nee. Hierbij merk ik op dat de Kantonrechter in de betreffende uitspraak heeft geoordeeld dat de cao Ziekenhuizen in strijd was met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2011 (C-155/10 Hof) en niet dat werkgevers zich niet aan de cao hebben gehouden.
Wat betekent deze uitspraak financieel voor alle werknemers die een onregelmatigheidstoeslag eerder niet ontvangen hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Of een onregelmatigheidstoeslag onderdeel uit maakt van het loon dat doorbetaald moet worden tijdens vakantie en verlof, is afhankelijk van feiten en omstandigheden. Het is voor mij daarom niet te beoordelen wat deze uitspraak financieel betekent voor andere werknemers of voor instellingen.
Met betrekking tot de vraag wat mijn oordeel is over de uitspraak dat zorgaanbieders in strijd handelden met de cao, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Wat betekent de uitspraak financieel voor zorginstellingen aanverwante zaken als zorginkoop, kostprijsberekeningen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en zorgverzekeraars? Kunt uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw oordeel over de uitspraak dat zorgaanbieders in strijd handelden met de cao, en de eerdere uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat bepaalde dat een gemiddelde onregelmatigheidstoeslag tijdens vakantie en verlof betaald dient te worden, en dit als onderdeel van het salaris wordt gezien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid werkgevers op te roepen ruimhartig mee te werken om de uitblijvende betaling van onregelmatigheidstoeslag te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen?
Nee, het is niet aan mij om hier een uitspraak over te doen. Dit is iets tussen werknemers en werkgevers.