Een einde aan de kraambox voor zeugen en enige andere samenhangende vragen |
|
Farshad Bashir , Henk van Gerven (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent gepubliceerde rapport «Einde aan de kraambox; Een onderzoek naar het welzijn van zeugen in kraamboxen en alternatieve huisvestingsystemen» van de Stichting Varkens in Nood?1 2
Ja.
Erkent u dat het van groot belang is dat er een alternatief komt voor deze dieronvriendelijke kraambox, nu uit dit rapport blijkt dat de kraamboxen, waarin één miljoen zeugen bijna een kwart van hun leven worden vastgezet, ernstig dierenleed veroorzaken?
Vanaf 1 januari 2013 is het houden van zeugen in groepshuisvesting verplicht.
In Nederland is de periode waarin de zeugen individueel in een hok worden gehouden verhoudingsgewijs kort. De belangrijkste reden om zeugen in kraamboxen te houden is het voorkomen van het doodliggen van biggen door de zeugen. Dit dient vanuit oogpunt van o.a. dierenwelzijn zoveel mogelijk te worden voorkomen. Uit onderzoek is gebleken dat de cruciale periode van doodliggen tot maximaal een week na geboorte is. Nu worden zeugen een week voor werpen tot 3 à 4 weken na werpen in een box geplaatst. Het huidige kraamhok is er niet opgebouwd om zeugen voor werpen en na de cruciale periode van doodliggen los te laten lopen. De afgelopen jaren is reeds een ontwikkeling ingezet waarbij een kraamhok nieuwe stijl ontwikkeld is, het zogenoemde Pro Dromi®kraamhok. Het gedrag en de behoeften van de zeug, biggen en zeugenhouder staan hier centraal. Zo wordt onder andere voorzien in het verstrekken van materiaal dat gebruikt kan worden om afleiding te verschaffen, maar ook als nestmateriaal kan worden gebruikt. Hiermee wordt voor de zeug de mogelijkheden om natuurlijk gedrag te vertonen verruimd. Het Ministerie van Economische Zaken heeft om die reden van 2010 tot en met 2013 de ontwikkeling van innovatieve huisvestingsconcepten financieel ondersteund.
Is het u bekend dat er een veelbelovend alternatief bestaat voor de kraambox, namelijk het Pro Dromi kraamhok waarin de zeug samen met haar biggen veelal vrij kan rondlopen zonder dat dit de technische resultaten voor de boer negatief beïnvloedt? Deelt u de mening dat Pro Dromi 1,5 zowel voor het dierenwelzijn als voor de boeren een veelbelovende ontwikkeling is?
De Pro Dromi stalconcepten zijn een perspectiefvolle innovatieve ontwikkeling voor het dierenwelzijn, diergezondheid en economisch rendement in de zeugenhouderij, maar staat nog in de kinderschoenen. Enkele praktijkbedrijven zijn gestart met dit concept. Ook internationaal is er veel interesse. De praktijkbedrijven ondervinden echter nog diverse problemen, waaronder een verhoogd percentage doodgelegen biggen. Het houderijsysteem van Pro Dromi moet nog verder geoptimaliseerd worden onder praktijkomstandigheden voordat het breed in Nederland en andere landen kan worden uitgerold. Zoals ik heb aangegeven in het Algemeen Overleg Landbouw- en Visserijraad zal ik deze ontwikkeling ook tijdens de welzijnsconferentie Varken vandaag op 29 april in Kopenhagen onder de aandacht brengen van mijn Deense en Duitse collega’s.
Deelt u de mening dat Nederland met deze uitvinding, die volgens onderzoekers niet alleen zorgt voor een sterke verbetering van dierenwelzijn maar ook economisch perspectiefvol is, een innovatie in handen heeft die voor het welzijn van de zeugen wereldwijd van grote betekenis kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u dat uw eerdere subsidie van € 350.000 weinig zinvol was indien het project niet afgerond kan worden?3
In goed overleg met het bedrijfsleven en Wageningen UR is besloten dat het onderzoekstraject eind 2013 zou worden afgerond omdat het Pro Dromi concept gereed was voor introductie in de markt. Op basis van de ervaringen tot nu toe van de eerste praktijkbedrijven blijkt dat het stalconcept nog verder geoptimaliseerd moet worden. Dit is primair de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Ik zal in gesprek gaan met de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) en de betrokken ondernemers om na te gaan welke knelpunten er zijn bij de praktijkimplementatie en hoe ik het bedrijfsleven kan ondersteunen bij de optimalisering van Pro Dromi stallen via bestaande financiële regelingen van Rijk en provincies (Topsector Agri & Food, Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP-3) van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid).
Bent u bereid om dit onderzoek van Wageningen UR te helpen slagen zodat er een einde kan worden gemaakt aan het ernstige lijden van bijna één miljoen zeugen? Bent u bereid bij te dragen aan de circa € 160.000 die nog nodig is om het onderzoek naar Pro Dromi af te ronden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet en op welke wijze bent u dan voornemens om dit ernstige dierenleed aan te pakken?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u ervan dat varkensboeren die willen overschakelen naar Pro Dromi geen gebruik meer kunnen maken van de Integrale Duurzame Stal- en Houderijsystemen-investeringsregeling (in het kader van de plattelandsontwikkelingsprojecten-gelden) nu deze is overgeheveld naar de provincies die de investeringsregeling tot dusver niet hebben ingezet? Deelt u de mening dat dit soort investeringen van landelijk belang zijn en nauwelijks een provinciaal belang kennen?
Varkenshouders die investeren in Pro Dromi stallen of onderdelen hiervan kunnen in aanmerking komen voor landelijke fiscale regelingen en de Garantstelling Landbouw Plus op basis van de Maatlat Duurzame Veehouderij.
De regeling Integraal duurzame stallen (IDS) is de afgelopen periode onder andere gefinancierd uit de zogenoemde artikel 68 middelen vanuit de GLB periode 2007–2013. De IDS is in 2014 voor de laatste keer opengesteld omdat in het huidige GLB periode 2014–2020 de mogelijkheid van artikel 68 niet meer is opgenomen. In het kader van het nieuwe GLB is het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP-3) door de provincies opgesteld en goedgekeurd door de Europese Commissie. Ik heb met de provincies afspraken gemaakt over de thema's waarvoor de Europese middelen van het POP-3 kunnen worden ingezet met 50% cofinanciering van de provincies en waterschappen (Kamerstuk 28 625, nrs. 189 en 168). Een van de thema's is het versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht in de landbouw. Onderdeel hiervan is het stimuleren van innovatieve investeringen in duurzame stallen. Op dit moment bereiden de provincies besluitvorming voor op welke thema’s en maatregelen zij de POP3-middelen willen inzetten. Ik zie geen aanleiding om de afspraken met de provincies over POP-3 te heroverwegen.
Bent u bereid om de Integrale Duurzame Stal- en Houderijsystemen-investeringsregeling van de provincies terug te halen en te hervatten zodat boeren die vooruitstrevend zijn op gebied van dierenwelzijn weer financieel ondersteund worden bij dit soort investeringen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om vrijloop kraamboxen zoals Pro Dromi bij nieuwbouw verplicht te stellen, zodat zeugen het grootste gedeelte van de zoogperiode samen met hun biggen los kunnen lopen?
Mijn beleid is gericht op het stimuleren van innovaties die de mogelijkheid bieden voor het ontwikkelen van onderscheidende marktconcepten. Het verplichten van één stalsysteem of type kraamhok belet verdere innovatie. Zoals ik heb aangegeven tijdens het AO Landbouwraad op 15 april jl. wil ik het Pro Dromi stalsysteem dan ook niet verplichten. Wel pleit ik voor een Europese standaard voor kraamhokken waarbij zeugen meer onderling contact kunnen hebben.
Zoals aangegeven zal ik deze ontwikkeling ook tijdens de internationale welzijnsconferentie Varkens op vandaag 29 april in Kopenhagen onder de aandacht brengen van mijn Deense en Duitse collega’s.
Bent u bereid om binnen tien jaar tot een verbod te komen van de reguliere kraambox? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u ervan op de hoogte dat verplicht nestmateriaal veelal ontbreekt en zeugen daar ernstig onder lijden? Wat vindt u hiervan?
Het Besluit Houders van Dieren schrijft voor dat zeugen en geiten in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal beschikken, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. Bijna alle varkensstallen zijn uitgerust met dergelijke mengmestsystemen en kunnen om die reden gebruik maken van de uitzonderingsclausule.
Is u bekend dat een jute doek als nestmateriaal voor een zeug een interessant surrogaat is voor bijvoorbeeld balen stro en dat deze eenvoudige oplossing ervoor zorgt dat de zeug rustiger is, de bevalling soepeler verloopt, de biggen meer biest opnemen en het aantal doodgelegen biggen daalt?
Ja. Het aanbieden van nestmateriaal is een Europese verplichting tenzij de gebruikte mengmestmethode dit niet mogelijk maakt. Tot voor kort bestond nestmateriaal voornamelijk uit organisch materiaal als stro ed. Dit zorgt voor verstoppingen in de mestputten. Door Varkens Innovatie Centrum Sterksel is een toepassingsvorm ontwikkeld bestaande uit een jute zak wat geen gevaar vormt voor verstopping. Ik ga met de sector in gesprek over de verspreiding van de bestaande kennis en ervaringen van deze toepassingsvorm.
Bent u bereid om u er op zeer korte termijn voor in te zetten dat het gebruik van nestmateriaal de standaard wordt, in plaats van de uitzondering? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u aangeven hoe vaak de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de laatste vijf jaar controles heeft uitgevoerd bij Nederlandse zeugenhouders, hoe vaak er geconstateerd werd dat er geen nestmateriaal aanwezig was en hoe vaak hiervoor boetes of waarschuwingen zijn gegeven? Kunt u de betreffende inspectierapporten meesturen?
In de periode 2010- 2014 heeft de NVWA in totaal 1318 inspecties op zeugenbedrijven uitgevoerd. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 11 kunnen de meeste zeugenbedrijven gebruik maken van de uitzonderingsclausule. De NVWA heeft geen waarschuwingen gegeven of boetes opgelegd voor het niet verstrekken van nestmateriaal.
Hoe en met welke snelheid geeft u uitvoering aan de motie Van Gerven over implementatie van de Europese richtlijn voor natuurlijk afleidingsmateriaal in varkensstallen?4
Hiervoor verwijs ik u naar mijn brief van 2 december 2014 (Kamerstuk 28 286 nr. 773).
Hoe staat het met invulling van de ontwerprichtsnoeren voor de uitwerking van de Varkensrichtlijn waar met de Dierenbescherming en varkenssector aan wordt gewerkt? Kan de Kamer op korte termijn resultaten verwachten zoals ook reeds aan de orde kwam tijdens het Algemeen overleg Dierenwelzijn op 4 september 2014? Zo nee, waarom duurt het zo lang?
Deze richtsnoeren die door de Europese Commissie worden opgesteld en waar Nederland actief betrokken is, zijn tot op heden niet door de Commissie afgerond en gepubliceerd. Ik zal mij ervoor inzetten dat tot vaststelling en publicatie van de richtsnoeren wordt overgegaan.
Het onderzoek “Zorg over de grenzen” van de Nationale Ombudsman |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Zorg over de grenzen» van de Nationale ombudsman?
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Nationale ombudsman constateert dat een klacht over onzorgvuldigheid bij het opstellen van medische adviezen bij asielprocedures gegrond is verklaard?
Ik zal het rapport van de Nationale ombudsman zorgvuldig bestuderen. Voor het zomerreces zal ik mijn schriftelijke reactie op het rapport en de aanbevelingen daarin aan uw Kamer doen toekomen. In zijn algemeenheid onderschrijf ik het belang van een transparante en zorgvuldige werkwijze. Voor nu hecht ik eraan te benadrukken dat de medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Bureau Medische Advisering hun taken vanzelfsprekend professioneel en consciëntieus uitvoeren.
Bent u op de uitnodiging van de Nationale ombudsman ingegaan om van gedachten te wisselen naar aanleiding van bovengenoemd onderzoek? Zo ja, wat zijn de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ik neem de uitnodiging van de Nationale ombudsman graag aan om van gedachten te wisselen over mogelijke verbeteringen in de wijze van informatievergaring. In mei is er een overleg gepland met medewerkers van de Nationale ombudsman en medewerkers van mijn departement en de betrokken uitvoeringsdiensten.
Kunt u per aanbeveling van de Nationale ombudsman aangeven of u de aanbeveling overneemt en in het geval aanbevelingen niet worden aangenomen, motiveren waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat minder snel aangenomen zou moeten worden dat een medische behandeling voor handen is in laag ontwikkelde landen waar vreemdelingen naar uit worden gezet? Zo ja, wat gaat u doen teneinde dit beter te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De Nederlandse gezondheidszorg is in vergelijking met andere landen zeer goed. Het is niet mogelijk om het verschil tussen de kwaliteit van onze gezondheidszorg en die in andere landen via het vreemdelingenbeleid op te lossen. De verantwoordelijkheid van Nederland voor medische zorg in de landen van herkomst is beperkt.
De wachttijd tussen tbs met voorwaarden en tbs met dwangverpleging |
|
Nine Kooiman |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat het voor kan komen dat tbs-patiënten, van wie de tbs-behandeling met voorwaarden wegens de schending van die voorwaarden moet worden omgezet in tbs met dwangverpleging, zonder behandeling kunnen komen te zitten? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Voordat de tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging kan aanvangen, dient de uitspraak van de strafrechter onherroepelijk te zijn. Bij gebreke van een onherroepelijke titel kan de tbs-gestelde gedurende een periode inderdaad in afwachting van zijn behandeling komen te zitten. De Penitentiaire Beginselenwet biedt in dergelijke gevallen overigens de mogelijkheid om de tbs-gestelde in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum te plaatsen voor behandeling.
Bent u bekend met de zaak van C.R, die te lang niet de benodigde behandeling heeft gehad omdat de omzetting van tbs met voorwaarden in tbs met dwangverpleging ruim een jaar op zich heeft laten wachten?1 Wat is uw reactie op deze zaak?
Ja, ik ben bekend met de zaak van C.R. De zogenoemde procedure tot alsnog verpleging heeft in deze casus onwenselijk lang geduurd. In algemene zin geldt dat bij de procedure tot alsnog verpleging (de omzetting naar tbs met dwangverpleging) onderzocht wordt of er een alternatief is voor de tbs met dwangverpleging. In de casus C.R. hebben deze onderzoeken vanwege de benodigde zorgvuldigheid veel tijd in beslag genomen.
Geldt de door de Hoge Raad bepaalde maximaal toelaatbare wachttijd van vier maanden na afloop van de gevangenisstraf ook voor de tijd die maximaal mag zitten tussen bijvoorbeeld tbs met voorwaarden en tbs met dwangverpleging? Zo nee, waarom niet? Welke termijn acht uzelf toelaatbaar?2
Gedurende de tijd dat de procedure tot alsnog verpleging loopt, is geen sprake van een onherroepelijke beslissing en dus ook niet van wachttijd in de zin van tbs-passanten. De door de Hoge Raad bepaalde maximale termijn van vier maanden is niet van toepassing op de procedure tot alsnog verpleging. Van de periode die de procedure tot alsnog verpleging in beslag neemt, zijn geen cijfers beschikbaar.
Wat zijn de «extremen» in de wachttijden van de laatste maanden en welke redenen waren daarvoor?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de gemiddelde wachttijd voor een tbs-plaats als tbs met voorwaarden is of nog moet worden omgezet in tbs met dwangverpleging?
In 2014 was de wachttijd tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en opname in een forensisch psychiatrisch centrum gemiddeld 37 dagen.
Deelt u de mening dat een patiënt van wie de uitspraak over het opleggen van tbs nog niet onherroepelijk is in de tussentijd wel de benodigde behandeling dient te krijgen als artsen hiertoe adviseren omdat dit anders de resocialisatie niet ten goede komt? Zo nee, waarom niet?
Het stelsel van de forensische zorg is erop gericht dat iedere persoon met een strafrechtelijke titel de vereiste zorg en beveiliging krijgt. Binnen dit stelsel is ook ten aanzien van forensische zorg binnen het gevangeniswezen, waaronder preventief gehechten, veel veranderd. Belangrijk hierbij zijn de Penitentiaire Psychiatrische Centra (PPC), waar gedetineerden met de zwaarste psychiatrische problematiek, al dan niet in combinatie met een hoge beveiligingsbehoefte, kunnen worden geplaatst. De PPC’s hebben als doelstelling het diagnosticeren, stabiliseren en motiveren van gedetineerden. De behandeling is gericht op doorstroom naar andere vormen van zorg, zoals de GGz of (ambulante) zorgaanbieders. Indien er een acute/actuele behandelnoodzaak is, kunnen tbs-gestelden in een PPC worden geplaatst voor behandeling.
In navolging van de aanbevelingen van de «Taskforce Behandelduur tbs» wordt uitgewerkt hoe personen met een tbs-maatregel die in afwachting daarvan in het gevangeniswezen verblijven, in de laatste fase van hun detentie, voorbereid en gemotiveerd kunnen worden voor hun (latere) behandeling in een Forensisch Psychiatrisch Centrum.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een behandeling te lang wordt stilgelegd waardoor zoals in de zaak van C.R. de situatie van de patiënt alleen maar is verslechterd en ook de resocialisatie is bemoeilijkt?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht "Geschiktheidstoets accountantscommissaris pas in 2016" |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Geschiktheidstoets accountantscommissaris pas in 2016»?1
Ja.
Betekent dit dat nu ingestelde Raden van Commissarissen niet zijn getoetst op geschiktheid? Wat vindt u van het feit dat de nu geïnstalleerde Raden van Commissarissen pas in 2016 getoetst kunnen worden op geschiktheid?
Het klopt dat leden van reeds ingestelde Raden van Commissarissen niet zijn getoetst op geschiktheid. Wel worden deze leden getoetst op betrouwbaarheid door de AFM.
Er zijn twee concept wetsvoorstellen in voorbereiding inzake de accountancy wetgeving. Het eerste concept wetsvoorstel betreft de implementatie van de Europese wetgeving op het gebied van de kwaliteit van de wettelijke controle door accountants en het tweede concept wetsvoorstel betreft de aanvullende maatregelen zoals aangekondigd in mijn brief van 25 september 2014.2 In het concept wetsvoorstel aanvullende maatregelen zal een verplichting worden opgenomen voor accountantsorganisaties die een vergunning hebben voor het controleren van organisaties van openbaar belang (OOB-vergunninghouders) om een toezichthoudend orgaan in te stellen, bestaande uit externe personen, op het holdingniveau van de Nederlandse netwerkorganisatie. Voor de leden van het toezichthoudend orgaan zal een geschiktheidseis gaan gelden, waarbij de AFM toetst of aan deze eis wordt voldaan.
Ik waardeer dat een aantal accountantsorganisaties al bezig is met het instellen van een extern toezichthoudend orgaan vooruitlopend op de wettelijke verplichting en ik heb begrip voor de wens om snel duidelijkheid te verschaffen ten aanzien van de geschiktheidstoets. Tegelijkertijd acht ik het van belang dat de door de AFM uit te voeren geschiktheidstoets kwalitatief goed en zorgvuldig geschiedt. Hiervoor dient de AFM onder meer de criteria voor geschiktheid vast te stellen waaraan getoetst gaat worden in een nieuwe beleidsregel. Daarnaast heeft de AFM ingeschat dat ongeveer 115 personen binnen OOB-accountantsorganisaties getoetst dienen te worden, welke toetsen de nodige tijd en capaciteit van de AFM in beslag zullen nemen.
Gelet hierop is het voor de AFM niet mogelijk om voor 2016 te starten met het toetsen van leden van het toezichthoudend orgaan op geschiktheid. Wel zal de AFM het toetsingskader voor de geschiktheid voor de zomer consulteren.
Waarom kan de geschiktheid niet nu al getoetst worden, zodat de accountantskantoren én de commissarissen nu al duidelijkheid hebben (de commissarissen zullen uiteindelijk wel getoetst gaan worden door de AFM met alle onzekerheid van dien)? Welke belemmeringen zijn er om dit wel te doen? In hoeverre vindt u het risico en/of de onzekerheid onwenselijk voor de sector? Op welke wijze kan dit worden opgelost?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het pas in 2016 uitvoeren van de geschiktheidstoets niet strookt met de wens voor kortetermijnmaatregelen om de kwaliteit te verbeteren van het intern toezicht bij accountantskantoren in de vorm van onafhankelijke Raden van Commissarissen? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanbevelingen van het rapport «In het publiek belang» van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) kunnen accountantsorganisaties al voor 2016 een toezichthoudend orgaan instellen. Het later uitvoeren van een geschiktheidstoets door de AFM staat hier niet aan in de weg, al heb ik begrip voor de wens van de sector dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt verschaft over de geschiktheidstoets. De AFM zal de leden van het toezichthoudend orgaan tot 2016 in ieder geval toetsen op betrouwbaarheid. Ook zal snel meer bekend zijn over de contouren van de geschiktheidstoets. De AFM zal het toetsingskader voor de geschiktheidstoets voor deze zomer consulteren bij de betreffende accountantsorganisaties, waardoor deze organisaties op de hoogte zijn van de criteria die de AFM voornemens is toe te passen voor de geschiktheidstoets. Daarna zal de AFM het toetsingskader ook marktbreed consulteren.
Het instellen van een toezichthoudend orgaan is niet de enige maatregel waarmee de sector aan de slag dient te gaan. Uit de reguliere onderzoeken die de AFM in de afgelopen jaren bij de OOB-accountantsorganisaties heeft uitgevoerd, blijkt dat fundamentele veranderingen nodig zijn om de kwaliteit van wettelijke controles te verbeteren en ook duurzaam te waarborgen. De AFM heeft in haar publieke rapporten in 2013 en 2014 de OOB-accountantsorganisaties opgeroepen om een grondige oorzakenanalyse uit te voeren en passende verbetermaatregelen door te voeren. Daarnaast bevat het NBA-rapport meerdere maatregelen die de kwaliteit van accountantscontroles en de governance van accountantsorganisaties moeten verbeteren. De OOB-accountantsorganisaties hebben zich gecommitteerd om de maatregelen uit dit NBA-rapport in hun organisatie te implementeren. Zoals ik heb toegezegd in het Algemeen Overleg met de vaste Kamercommissie Financiën inzake accountancy van 13 november 2014 zal bij de behandeling van de wetsvoorstellen door uw Kamer een rapportage van de AFM beschikbaar zijn over de implementatie van de diverse maatregelen door de OOB-accountantsorganisaties.
In hoeverre is het niet tijdig uitvoeren van de geschiktheidstoets een belemmering voor de sector om zelf de kwaliteit te verbeteren door het instellen van een onafhankelijke Raad van Commissarissen?
Zie antwoord vraag 4.
De beslissing van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om een uitkeringsgerechtigde vrijwilligerswerk als chauffeur op de buurtbus te verbieden, terwijl een uitkeringsgerechtigde in de bijstand dat wel mag |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrijwilliger op buurtbus Waterland: wat de één graag wil, mag de ander niet»?1
Ja.
Wat is uw mening over de constatering van het UWV dat er in dit geval sprake zou zijn van verdringing op de arbeidsmarkt, gegeven de situatie dat het gaat om vrijwilligerswerk als chauffeur van een nieuwe buurtbus, op een traject waar nooit eerder een bus heeft gereden en waar dus ook nooit betaalde chauffeurs hebben gewerkt? Vindt u dat er sprake is van verdringing?
Het is niet aan mij om in te gaan op casuïstiek. In z’n algemeenheid kan ik wel zeggen dat bij de beoordeling of er sprake is van vrijwilligerswerk dat met behoud van uitkering verricht kan worden, onder andere getoetst wordt of de werkzaamheden voor een maatschappelijke niet-commerciële organisatie zijn en of de vergoeding voor de activiteiten niet hoger is dan de door de Belastingdienst gehanteerde maximale vrijwilligersvergoeding (dit jaar 150 euro per maand, 1.500 euro per jaar). Dit is om te voorkomen dat met het vrijwilligerswerk economisch voordeel wordt beoogd door de organisatie of de WW-gerechtigde waardoor verdringing van betaalde arbeid het gevolg kan zijn.
Hoe oordeelt u over deze beslissing van het UWV in het licht van de participatiesamenleving die de regering voorstaat?
Op 1 januari jongstleden zijn de regels met betrekking tot vrijwilligerswerk in de WW verruimd2. Hiermee wil ik meer ruimte geven aan vrijwilligerswerk. Vrijwilligers zijn waardevol voor de samenleving, en het werk dat zij doen is ook waardevol voor henzelf. Wel vind ik het belangrijk te voorkomen dat met het vrijwilligerswerk economisch voordeel beoogd wordt om zo verdringing van reguliere werknemers te voorkomen. Daarom is het aan het verrichten van vrijwilligerswerk met behoud van WW-uitkering een aantal criteria verbonden, zoals bij mijn antwoord op vraag 2 aangegeven.
Wat vindt u van de praktijk die is ontstaan, waarbij de ene werkloze (met bijstandsuitkering) verplicht kan worden bepaald vrijwilligerswerk te doen, en de andere werkloze (met WW-uitkering) verboden wordt datzelfde vrijwilligerswerk te doen? Bent u het eens met de analyse dat hier sprake is van tegenstrijdigheden in het beleid die leiden tot een ongewenste situatie?
Voorop zij gesteld dat vrijwilligerswerk nooit verplicht kan worden. In het geval van het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten in het kader van de tegenprestatie in de bijstand zijn twee belangrijke aspecten dat de activiteiten niet leiden tot verdringing en het vinden van een reguliere baan niet in de weg staan. Deze aspecten zijn ook van toepassing op het verrichten van vrijwilligers met behoud van een WW-uitkering. Het is aan respectievelijk de gemeenten en het UWV hier op toe te zien.
De voortgang ondergrondse opslag kernafval in Mol (België) |
|
Agnes Mulder (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brabant weer verrast door proef kernafval»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de experimenten in Mol ter voorbereiding van de opslag van nucleair afval van de categorie B en C aldaar?
Ja. In België wordt vanaf 1974 zorgvuldig onderzoek verricht ter voorbereiding van strategische besluitvorming over het langetermijnbeheer van hoogradioactief afval (de categorieën B en C). Recent is een langjarig experiment gestart dat het effect van warmte op de diepe kleilaag bestudeert. De achtergrond hiervan is dat hoogradioactief afval warmte produceert en bij berging tijdelijk een opwarming zal veroorzaken van de klei rond de bergingsgalerijen.
Bent u ervan op de hoogte dat de Belgische overheid voornemens is om nationale beleidsmaatregelen uit te vaardigen voor het beheer van het nucleair afval van categorie B en C zoals neergelegd in het regeerakkoord van 9 oktober 2014?
Ja. De federale regering in België is volgens haar regeerakkoord van plan een principebeslissing te nemen over het beheer van nucleair afval van categorie B en C. Ook de vorige federale regering had dit in haar regeerakkoord opgenomen.
Bent u ermee bekend dat in 2011 de Belgen met Noord-Brabantse gemeenten en provincie de afspraak hebben gemaakt om bij de hervatting van de voortgang om nucleair afval van categorie B en C op te slaan in Mol, deze overheden te contacteren?
Ja. Informeel hebben de Belgen in 2011 toegezegd de Brabantse overheden te informeren op het moment dat er nieuwe ontwikkelingen zijn omtrent de principebeslissing in België. Tot op heden zijn er echter geen nieuwe ontwikkelingen. Wel wordt het afvalplan uit 2011 opnieuw aan de federale regering overhandigd om in het nieuwe Belgische wettelijk kader te passen. Dit afvalplan is identiek aan het afvalplan dat in 2011 ook al aan de federale regering werd aangeboden.
Heeft u misschien informatie die verklaart waarom er geen contact is geweest met Brabantse overheden over de grens?
Dat is een misverstand. Nederlandse stakeholders, inclusief de Brabantse overheden, zijn in het kader van het langjarige experiment in Mol in februari jl. door de Belgische Nationale Instelling voor radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst.
Bent u bereid contact op te nemen met de Belgische overheid over de afspraak van de Belgen met de Brabantse overheden dat zij betrokken worden bij eventuele voortgang van de opslag van kernafval van categorie B en C in Mol?
Ik ben in mei 2013 naar Mol geweest en heb me daar laten informeren door NIRAS over dit dossier. Men heeft toen ook aangegeven de Brabantse overheden te informeren bij nieuwe ontwikkelingen. Deze toezegging staat nog steeds.
Het bericht dat het aantal instromende discriminatiezaken bij het OM op het laagst gemeten aantal is |
|
Gerard Schouw (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van De Monitor van zondag 29 maart?
Ja.
Hoe verklaart u dat ruim 3.600 meldingen van discriminatie in 2013, waaronder 1.600 aangiftes, slechts tot instroom van 88 discriminatiefeiten c.q. 83 discriminatiezaken bij het Openbaar Ministerie leidde?
Zoals reeds in de brief van 19 mei 2014 aan uw Kamer over registratie discriminatie1 is gemeld, is het verschil tussen de cijfers van de politie en de instroom bij het Openbaar Ministerie (OM) op het gebied van discriminatie gelegen in de aard van de registratie.
In de artikelen 137c tot en met 137g en artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht zijn de grondvormen van discriminatie strafbaar gesteld, namelijk het in het openbaar beledigen, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en het bij de uitoefening van ambt, beroep of bedrijf discrimineren van personen wegens ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap.
Daarnaast worden er vele «gewone» delicten gepleegd, waarbij discriminatoire aspecten – doorgaans als motief op de achtergrond – een rol spelen. Deze delicten worden aangeduid als «commune delicten met een discriminatoir aspect». Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt in commune delicten waarbij het discriminatoire aspect niet als zelfstandig feit ten laste kan worden gelegd en in commune delicten waarbij dat wel mogelijk is.
De politie registreert op grond van de Aanwijzing discriminatie zowel meldingen van discriminatie als meldingen van delicten met een discriminatoir aspect. Door de politie wordt geen selectie gemaakt ten aanzien van ingekomen meldingen en aangiften. De politie neemt alle meldingen en aangiften van discriminatie in behandeling.
Het OM rapporteert enkel over de wettelijke discriminatieartikelen 137c t/m 137g of 429quater van het Wetboek van Strafrecht en (nog) niet over commune delicten met een discriminatoir aspect. Dit laatste wordt met ingang van 2016 pas mogelijk, omdat het OM met ingang van 1 april 2015 de daarvoor nodige aanpassing in het registratiesysteem heeft gerealiseerd.
Bij het overgrote deel van meldingen van discriminatie bestaat geen daderindicatie. Bij deze zaken kan het OM niet overgaan tot vervolging. Voorts wordt het verschil verklaard doordat niet alle door de politie geregistreerde incidenten bij het OM instromen. Zo wordt niet bij alle incidenten door de politie een proces-verbaal opgemaakt, bijvoorbeeld in geval van een eigen waarneming van een bekladding van een gebouw met discriminatoire uitlatingen. Verder komt het voor dat meerdere bij de politie geregistreerde incidenten en/of opgemaakte processen-verbaal betrekking hebben op één verdachte. Ook kan het zijn dat een incident door de politie als discriminatie wordt geregistreerd, maar het, na bespreking met het OM, geen strafbare discriminatie blijkt te zijn. Deze zaken stromen dan of in zijn geheel niet – bijvoorbeeld als het geen strafbare feiten betreffen – of niet als discriminatiezaken in bij het OM.
Hoe verklaart u de meerjarige dalende trend van het aantal discriminatiefeiten dat instroomt bij het Openbaar Ministerie? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op de invloed die mutaties in aangiftebereid en de hoeveelheid daadwerkelijk plaatsgevonden discriminatie daarop gehad kan hebben?
Om meer inzicht te verkrijgen in de omvang, aard en afdoening van discriminatiezaken in de strafrechtketen is het Wetenschappelijk Documentatie- en Onderzoekscentrum (WODC) recentelijk gestart met een onderzoek. Uw Kamer wordt eind dit jaar over de uitkomst hiervan geïnformeerd. Hierin wordt meegenomen de dalende instroom bij het OM.
Wat is de oorzaak van het toenemend aantal sepots en vrijspraken van verdachten in discriminatiezaken?
Nu het OM op dit moment nog geen commune delicten met een discriminatoir aspect registreert (zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2), is er thans nog geen volledig zicht hierop. De vraag of het aantal sepots en vrijspraken in discriminatiezaken is toegenomen, kan ik op dit moment niet beantwoorden.
Kunt u uitsluiten dat de vele prioriteiten van de politie, die door de Minister van Veiligheid en Justitie gesteld zijn, zoveel inspanning van hen vragen dat discriminatiezaken op de plank blijven liggen, en/of het onderzoek niet zo volledig kan zijn als nodig voor een succesvolle strafvervolging? Zo nee, waarom niet?
Zowel bij de politie als het OM is de aanpak van discriminatie een prioriteit. De prioriteiten zijn samen met het lokaal bestuur, het OM en de politie bepaald en opgenomen in de Veiligheidsagenda 2015–2018. Er is voldoende capaciteit bij de nationale politie. De met uw Kamer en het gezag afgesproken operationele sterkte van 49.500 fte staat. Dit neemt niet weg dat de vraag naar politiecapaciteit en expertise divers en groot is en er voldoende inzet moet zijn om discriminatiezaken goed en zorgvuldig te behandelen. Voor ondernomen en voorgenomen maatregelen ter versterking van de inzet van politie en OM verwijs ik u naar de Voortgangsbrief Discriminatie.2
Voor de afdoening van discriminatiezaken is de Aanwijzing discriminatie van het OM leidend. Discriminatiezaken zijn specialistische zaken waarvoor geldt dat de (zaaks-)expertise en de capaciteit is belegd bij het regioparket, in de persoon van de discriminatieofficier. Ter ondersteuning van de discriminatieofficier staat voor het OM het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD-OM) ter beschikking. Hoofdregel is dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt (dagvaarding of strafbeschikking), gelet op de negatieve werking bij onvoldoende handhaving en de voorbeeldfunctie die van een strafvervolging uitgaat.
Op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat de politie en het Openbaar Ministerie beter in staat gesteld worden opsporing en vervolging van discriminatiezaken tot een goed einde te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de reden dat de «Cijfers in beeld»-rapporten niet jaarlijks openbaar gemaakt worden? Indien dat mogelijke misinterpretatie of iets dergelijks betreft, welke mogelijkheden zijn onderzocht om openbaarmaking met nadere toelichting mogelijk te maken?
Het OM presenteert het rapport Cijfers in Beeld jaarlijks na de zomer; dat zal ook dit jaar weer het geval zijn. Ik zal de mogelijkheden voor een nadere toelichting bezien en het rapport aan Uw Kamer sturen met de eerstvolgende Voortgangsbrief Discriminatie.
Bent u bereid het rapport «Cijfers in beeld 2013. Overzicht discriminatiecijfers Openbaar Ministerie 2009–2013» openbaar te maken? Zo nee, waarom houdt u daaraan vast nu de strekking ervan al via de pers in de openbaarheid gekomen is?
Nee. De discriminatiecijfers van het OM zijn reeds bekend gemaakt met de toezending van de Voortgangsbrief discriminatie. Zoals ook reeds bij het antwoord op vraag 1 is gemeld, bevat Cijfers in Beeld – in tegenstelling tot de POLDIS-cijfers van de politie – slechts cijfers over de wettelijke discriminatieartikelen 137c t/m 137g of 429quater van het Wetboek van Strafrecht. Met ingang van 2016 zal een brede rapportage worden opgesteld, die ook de cijfers over commune delicten met een discriminatoir aspect bevat. Deze rapportage zal vanaf 2016 met Uw Kamer worden gedeeld.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg Discriminatie voorzien op 1 april 2015, en anders op zijn minst vó
Ja, ik zal de vragen beantwoorden voor het AO Discriminatie. Ter zake van het openbaren van het rapport verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 7.
Het dwingen van vrouwen om een abortus te plegen |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mam... ze is zwanger»?1
Ja.
Is het op enigerlei wijze onder druk zetten van een vrouw om een abortus te doen plegen in Nederland toegestaan?
Het uitgangspunt van de Wet afbreking zwangerschap is dat een ongewenst zwangere vrouw in vrijheid en goed geïnformeerd tot haar beslissing komt. Het is ongewenst als zwangere vrouwen onder druk gezet worden om een abortus te laten uitvoeren. Wanneer het niet de wil is van de ongewenst zwangere om een abortus te laten uitvoeren, dan dient de behandeling niet plaats te vinden.
Deelt u de mening dat onder druk zetten van een zwangere vrouw om een abortus te doen plegen zeer ongewenst is, en met alle mogelijke middelen tegengegaan moet worden?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze is het in Nederland strafbaar gesteld om een zwangere vrouw aan te zetten tot het laten weghalen van haar ongeboren kind? Welke strafbepalingen zijn hierop van toepassing?
Het Nederlandse wetboek van strafrecht kent geen specifiek op deze situatie toegesneden bepaling. De strafbepaling in de Wet afbreking zwangerschap en artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht zien op het handelen van degene die de zwangerschap feitelijk afbreekt. Het proberen te overtuigen of overreden van een vrouw om abortus te ondergaan, levert geen strafbaar feit. Daarvan kan slechts sprake zijn indien er sprake is van strafbare dwang. Bij het ontbreken van een strafbaar feit, kan ook geen sprake van medeplichtigheid zijn.
Of sprake is van een bepaalde (gezags)relatie tussen de dader en het slachtoffer is doorgaans een factor die de rechter kan meewegen in de straftoemeting. Voor enkele delicten is verhouding ouder tot kind als strafverzwarende omstandigheid in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Zo kan in geval van (zware) mishandeling de straf met een derde worden verhoogd als de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.
Kan er in een dergelijk geval sprake zijn van medeplichtigheid bij of het medeplegen van een abortus door degene die een ander door woorden of gedrag onder druk zet om een abortus te ondergaan?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre maakt het voor de strafbaarheid uit of er sprake is van een gezagsrelatie tussen degene die aanzet tot een abortus en de zwangere vrouw? Geldt een dergelijke omstandigheid als een strafverzwarende omstandigheid?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat het Openbaar Ministerie om met gevallen waarin sprake is, of lijkt te zijn, van abortus onder druk, dreiging of dwang door de partner, ouders of omgeving van vrouwen die zwanger zijn?
Zie mijn antwoord op de vragen 4 tot en met 6. Het Openbaar Ministerie zal aan de hand van een aangifte moeten bepalen of er sprake is geweest van een strafbaar feit. Voor zover bekend heeft het OM nog nooit een dergelijke aangifte ontvangen.
Deelt u de mening dat het onderkennen dat er sprake is van druk om een abortus te ondergaan een belangrijke taak is voor artsen, verloskundigen, maatschappelijk werkers of abortusklinieken die zwangere vrouwen begeleiden en dat in een dergelijk geval nooit tot een abortus overgegaan mag worden?
Een arts moet zich ervan vergewissen dat een ongewenste zwangere vrouw goed geïnformeerd en in vrijheid haar besluit heeft genomen en dat de vrouw ervaart dat zij zich in een noodsituatie bevindt. Indien de arts twijfelt of de beslissing vrijwillig en goed geïnformeerd is genomen zal de behandeling op dat moment niet uitgevoerd worden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om via voorlichting, het bieden van alternatieven of op een andere wijze te bevorderen dat tot het uiterste wordt voorkomen dat er in Nederland sprake is van gedwongen abortussen?
Ik ben niet voornemens om extra maatregelen in dit kader te nemen. Het Nederlands genootschap van abortusartsen heeft een richtlijn uitgebracht over het begeleiden van vrouwen die een abortus overwegen. Deze richtlijn ziet onder andere op het gesprek dat de arts met de vrouw voert over haar beweegredenen. Ook in deze richtlijn wordt benadrukt dat de arts zich ervan moet vergewissen dat de vrouw het besluit vrijwillig en zorgvuldig genomen heeft.
Vindt er vanuit de overheid specifieke voorlichting plaats richting ouders om hun kinderen te steunen bij een onbedoelde zwangerschap?
De voorlichting is primair gericht op de zwangere vrouw. Dit betekent niet dat ouders van zwangere kinderen hier geen rol in spelen. Indien de zwangere vrouw dit wenst, kunnen ouders of andere belangrijke mensen in de omgeving betrokken worden bij adviesgesprekken. Dit komt ook terug in de eerder genoemde richtlijn van het Nederlands genootschap van abortusartsen.
Onduidelijkheden in vergunningaanvragen en het Besluit omgevingsrecht bij onderhoud |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Klopt het dat gewoon onderhoud aan bouwwerken uitgevoerd kan worden zonder omgevingsvergunning, mits detaillering, vormgeving en profilering van dat bouwwerk niet wijzigen?
Dat klopt. Onderhoud richt zich op het behouden van wat er is. Bij gewoon onderhoud aan rijksmonumenten geldt dat naast de detaillering, vormgeving en profilering, ook de materiaalsoort en kleur niet mogen wijzigen. In het belang van de monumentenzorg dient bestaand (waardevol) materiaal zoveel mogelijk behouden te blijven.
Is de bovengenoemde beperking ingegeven door de wens om veranderingen in het uiterlijk van bouwwerken te voorkomen?1
De beperkingen zijn inderdaad aangebracht om bij de in artikel 2, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor opgenomen bouwactiviteit «gewoon onderhoud» veranderingen in het uiterlijk te voorkomen. Tegelijkertijd zijn de beperkingen aangebracht om een duidelijker onderscheid te bewerkstelligen met de in artikel 3, onderdeel 8, opgenomen bouwactiviteit «veranderingen van een bouwwerk».
Klopt het dat bij een zogenoemde «verandering»2 van een bouwwerk, geen vergelijkbare beperkingen worden opgelegd aan detaillering, vormgeving, profilering, materiaal of kleurgebruik?
In bijlage II bij het Bor zelf worden inderdaad geen beperkingen opgelegd die betrekking hebben op het uiterlijk. Anders dan bij artikel 2, waarin het «gewoon onderhoud aan een bouwwerk« is opgenomen, geldt voor de in artikel 3, van bijlage II bij het Bor opgenomen bouwactiviteiten echter dat voldaan moet worden aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan kan, voor zover dat uit een ruimtelijk oogpunt relevant is, regels bevatten omtrent het uiterlijk van bouwwerken. Bijvoorbeeld in beschermde stads- en dorpsgezichten kunnen bestemmingsplannen gedetailleerde regels geven over het uiterlijk van bouwwerken, waarmee ook de toepassing van materiaal- en kleurgebruik van gevels of dakbedekking kan worden voorgeschreven. Langs die weg kunnen er op grond van het bestemmingsplan dus regels gelden met betrekking tot het uiterlijk van «veranderingen aan een bouwwerk». Bij monumenten zijn veranderingen aan een bouwwerk overigens in de regel altijd vergunningplichtig.
Is er uitsluitend sprake van een «verandering» van een bouwwerk indien er sprake is van een toevoeging van een nieuw element aan het bouwwerk?3
Dat zal in de regel zo zijn, hoewel het denkbaar is dat onder omstandigheden ook het verwijderen van bouwdelen binnen deze categorie zou kunnen vallen.
Wordt het vervangen van de volledige dakbedekking van een bouwwerk (zonder wijziging aan te brengen in draagconstructie, brandcompartimentering, bebouwd oppervlakte of bouwvolume) beschouwd als «gewoon onderhoud» of als een vergunningvrije «verandering»?
Zolang detaillering, profilering, en vormgeving niet wijzigen, zal het vervangen van dakbedekking als «gewoon onderhoud» zijn aan te merken. Gedacht kan worden aan het vervangen van bitumineuze dakbedekking of het opstoppen of vervangen van een rieten dakbedekking. Ook het vervangen van dakpannen valt onder gewoon onderhoud, mits eenzelfde type dakpan wordt gebruikt.
Zodra sprake is van wijzigingen in de detaillering, profilering en vormgeving, wordt het niveau van «gewoon onderhoud» overstegen. Er kan dan nog steeds sprake zijn van een vergunningvrije «verandering van een bouwwerk». Er moet dan wel voldaan worden aan de in artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor, opgenomen randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden hebben enerzijds betrekking op bouwtechnische aspecten (draagconstructie en brandcompartimentering) en anderzijds op primaire planologische aspecten (bouwvolume en bebouwde oppervlakte). Voorts geldt, zoals al aangegeven, dat voldaan moet worden aan het bestemmingsplan.
Kunt u, indien het antwoord op vraag 5 luidt dat sprake is van een vergunningvrije verandering, toelichten waarom voor het wijzigen van de profilering van een raamkozijn een omgevingsvergunning wenselijk wordt geacht, terwijl een metamorfose van het dak of van een gevel zonder omgevingsvergunning mogelijk is?
Voor het aanbrengen en vervangen van kozijnen of gevelpanelen geldt een specifieke bepaling in artikel 2, onderdeel 7, van bijlage II bij het Bor. Op grond van die regeling zijn kozijnen en gevelpanelen vergunningvrij aan de achtergevel of de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevels. Ook als daarbij de detaillering, profilering en vormgeving wijzigen. Aan de voorgevel en de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel is bij wijzigingen in de detaillering, profilering en vormgeving (en er dus geen sprake is van gewoon onderhoud), wel een omgevingsvergunning nodig. In dat verband kan een beoordeling aan redelijke eisen van welstand plaatsvinden.
Voor veranderingen van de dakbedekking en andersoortige gevelwijzigingen is geen afzonderlijke categorie opgenomen. Deze bouwactiviteiten, die minder dikwijls voorkomen, vallen binnen de in artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor opgenomen «restcategorie» van «veranderingen van een bouwwerk». Op zichzelf staan de in dit onderdeel opgenomen randvoorwaarden niet in de weg aan wijzigingen in het uiterlijk van een bouwwerk. Zoals in het antwoord onder vraag 5 al aangegeven, kan het bestemmingsplan op dit punt echter beperkingen opleggen waar de veranderingen aan moeten voldoen.
Is het aanbrengen van stucwerk op een bakstenen gevel mogelijk zonder omgevingsvergunning voor het bouwen?
Het aanbrengen van stucwerk valt binnen de in artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor opgenomen restcategorie «verandering van een bouwwerk». Voor de activiteit «bouwen» is om die reden geen vergunning nodig. Zoals al aangegeven dient het bouwen binnen deze categorie wel te voldoen aan het bestemmingsplan. In het geval stucwerk in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, is er om die reden wel een omgevingsvergunning vereist.
In alle gevallen geldt daarnaast altijd de mogelijkheid van repressief welstandstoezicht. Indien het uiterlijk van een bouwwerk (bijvoorbeeld tengevolge van een verandering aan een gevel of het dak) ernstig in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld op basis van de daartoe opgenomen criteria in de welstandsnota, kan de gemeente daartegen optreden op grond van artikel 13a van de Woningwet.
Ligt aan de zogenoemde voorkant-achterkant benadering bij het vergunningvrije bouwen de gedachte ten grondslag dat de overheid via het vergunningsinstrument invloed uitoefent op de (beeld-)kwaliteit van de publieke ruimte, maar zich terughoudend opstelt bij de kwaliteit van achtererfgebieden die over het algemeen een minder openbaar karakter hebben?
Dat klopt.
Bent u bereid om het Besluit omgevingsrecht (BOR) zodanig aan te passen dat «veranderingen» (als bedoeld in artikel 3.8 van bijlage II van het BOR) slechts vergunningvrij zijn, indien ze geschieden op gebouwdelen die niet naar de publieke ruimte zijn gericht?
Een dergelijke inperking is naar mijn oordeel niet nodig. Het zou ook het ongewenste gevolg hebben dat tal van kleinschalige bouwkundige veranderingen
vergunningplichtig worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van een vlaggenmasthouder, inbraakwerende voorzieningen, een ventilatierooster, brievenbus of buitenlamp. Het instrument van het repressieve welstandstoezicht biedt naar mijn mening, op basis van de voor iedereen kenbare welstandsnota, toereikende mogelijkheden om dit type bouwwerkzaamheden te reguleren. In gebieden waar dat uit planologisch oogpunt nodig wordt geacht bestaat daarnaast nog de mogelijkheid voor gemeenten om gedetailleerde regels te stellen in een bestemmingsplan met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken, waarmee ook het aanbrengen van stucwerk of dakbedekking kan worden gereguleerd. Gemeenten beschikken daarmee naar mijn mening over toereikende middelen om ongewenste veranderingen aan gevels en dakbedekking van gebouwen te voorkomen.
Kunt u de vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Ruimtelijke Ordening voorzien op 29 april 2015?
Ja.
De verkoop van B.V. Schiphol Airport Retail |
|
Henk Leenders (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de verkoop (privatisering) van 60% van de aandelen in een belangrijke dochtermaatschappij van Schiphol, B.V. Schiphol Airport Retail?1
Ja.
Wat is de reden dat tot deze deelverkoop is overgegaan? Taxfree retail activiteiten waren toch altijd een integraal onderdeel van het succesvolle Airport City concept?
Schiphol Group verkoopt 60% van haar aandelen in Schiphol Airport Retail B.V. («SAR»), de exploitant van winkels met drank, tabak en chocolade op Schiphol, aan Gebr. Heinemann. Schiphol Group behoudt 40% van de aandelen en blijft verlener van de concessie voor bovenstaande productcategorieën. In de andere productcategorieën (zoals parfum & cosmetica, mode) is Schiphol Group alleen concessieverlener en derhalve geen exploitant. Met deze deelverkoop wordt de situatie dus meer in lijn gebracht met de situatie in andere productcategorieën. Schiphol Group en Gebr. Heinemann hebben de mogelijkheid de samenwerking op bepaalde momenten te ontbinden zoals bijvoorbeeld bij afloop van de concessieovereenkomst. In tegenstelling tot wat het FD schrijft zijn overigens niet alle winkels achter de douane onderdeel van Schiphol Airport Retail (SAR).
De verwachting van Schiphol Group is dat – met deze samenwerking – de positie van SAR wordt verstevigd met kennis en ervaring op het gebied van travel retail, e-commerce en logistiek. Ook kan SAR met deze samenwerking in de toekomst goed blijven inspelen op de snelle ontwikkelingen binnen de internationale travel retail markt en de veranderende wensen en behoeften van reizigers. Dat komt voornamelijk omdat Gebr. Heinemann, actief op tientallen luchthavens, meer schaalgrootte heeft dan SAR. Als wereldwijde retailer heeft het meer slagkracht om bijvoorbeeld in te spelen op ontwikkelingen in e-commerce.
Hoeveel bedraagt de opbrengst van het pakket van 60% van de aandelen? Hoeveel bedroeg in de afgelopen jaren de winst van dit onderdeel, die vanaf nu gederfd zal worden?
De opbrengst van de verkoop van 60% van de aandelen is niet bekendgemaakt. Deze is bedrijfsvertrouwelijk en ligt ruim onder het niveau van de drempelbedragen waarvoor goedkeuring van de aandeelhouder nodig is. SAR heeft in 2013 en 2014 een netto resultaat van € 0,6 miljoen respectievelijk € 0,9 miljoen gerealiseerd. Schiphol Group blijft als concessieverlener aanspraak maken op een concessiefee.
Is deze deelprivatisering ter goedkeuring aan u beiden voorgelegd? Zo nee, waarom niet?
Er is hier geen sprake van een deelprivatisering omdat de staat zelf geen aandelen vervreemdt. Dit is ook de definitie die is aangehouden in het rapport «verbinding verbroken» van de Parlementaire Onderzoekscommissie van de Eerste Kamer.2 Het betreft hier de verkoop door Schiphol Group van een gedeelte van het belang in een dochter. Conform de statuten behoeft deze verkoop geen instemming van de aandeelhouder. Schiphol heeft de staat als aandeelhouder er wel over geïnformeerd.
Waarom is deze wezenlijke deelprivatisering niet voorgelegd aan de Kamer? Hoe verhoudt dit zich tot het deelnemingenbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom is niet gekozen voor een joint venture met ieder 50% van de aandelen? Hoe is nu de zeggenschap van Schiphol geregeld in de bedoelde BV en in de (taxfree) retail activiteiten op Schiphol?
Schiphol Group heeft gekozen voor de verkoop van 60% van de aandelen omdat ook met een minderheidsbelang voldoende invloed blijft behouden. In de aandeelhoudersovereenkomst is overeengekomen dat instemming van Schiphol Group nodig is voor belangrijke besluiten. Daarnaast houdt Schiphol Group invloed als verlener van de concessie aan SAR, bijvoorbeeld met betrekking tot de verhuurde winkeloppervlakte.
Het artikel ‘Nederland knooppunt wapensmokkel’ |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel: «Nederland knooppunt wapensmokkel»?1
Ja.
Klopt het dat grote ladingen pistoolmitrailleurs tweewekelijks Nederland binnenkomen om vervolgens verder te worden verspreid? Zo ja, kan worden toegelicht hoe dit mogelijk was en kan een inschatting worden gegeven hoe lang dit al plaatsvindt en plaats heeft gevonden?
Het Focal Point vuurwapens bij Europol kan op dit moment niet bevestigen dat dergelijke grote zendingen tussen Slowakije en Nederland regelmatig plaatsvinden.
Kunt u aangeven hoe er tegen deze wapensmokkel wordt opgetreden en of deze wapensmokkellijn nu is opgerold?
De Nederlandse politie is een onderzoek gestart naar een zending van een postpakket waarin illegale wapens zouden zijn verborgen. De zending is vervolgens onderschept, de verdachten zijn aangehouden en er zijn doorzoekingen verricht. Omdat het een acute wapenlevering betrof, heeft de Nederlandse politie ingegrepen. Voor het overige kan ik over deze lopende strafzaak geen uitlatingen doen.
Wat is uw inschatting van de omvang van de wapensmokkel in Nederland?
Er zijn geen precieze gegevens hoeveel illegale wapens er in Nederland in omloop zijn, noch wat de omvang van de handel er in is. In het meeste recente Nationaal Dreigingsbeeld Georganiseerde Criminaliteit (NDB) van 2012 staat dat schattingen over illegaal wapenbezit uiteen lopen tussen de 40.000 en 100.000 illegale vuurwapens. Uit gegevens van de politie blijkt dat in 2013 er 173 automatische wapens in beslag zijn genomen en in 2014 zijn dit er 172 geweest.
Wat is de huidige werkwijze om dit soort criminaliteit op te sporen en aan te pakken? Bent u van mening dat deze werkwijze effectief is, gelet op de recente ontwikkelingen?
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 6 februari jl. geïnformeerd over de aanpak van wapencriminaliteit. Ik laat met alle betrokkene diensten momenteel verkennen welke intensivering binnen de huidige aanpak mogelijk is.
Ik acht de werkwijze effectief, maar ben van oordeel dat verbeteringen mogelijk zijn.
Deelt u de mening dat het des te schokkender is dat een persoon werkzaam bij het Ministerie van Defensie bij de wapensmokkel is betrokken? Welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat defensiemedewerkers bij dergelijke strafbare feiten zijn/worden betrokken? Welke maatregelen worden genomen om deze strafbare feiten gepleegd binnen de eigen organisatie te voorkomen dan wel op te sporen?
Defensie hecht aan de integriteit van haar personeel, en verricht daarom tijdens werving, selectie en periodiek bij alle medewerkers een veiligheidsonderzoek, welke bij goed gevolg leidt tot de afgifte van een Verklaring van Geen Bezwaar. Wanneer er op enig moment informatie is over een vermoedelijke betrokkenheid van een Defensiemedewerker bij dergelijke ernstige strafbare feiten, wordt door de Koninklijke Marechaussee te allen tijde een opsporingsonderzoek gestart, zoals in dit geval ook is gebeurd.
Het bericht ‘Iedereen kiest opeens voor dure beugel; orthodontist krikt omzet op ondanks lagere tarieven’ |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Iedereen kiest opeens voor dure beugel; orthodontist krikt omzet op ondanks lagere tarieven» en de bijbehorende NZa-monitor Orthodontie?1 2
Ja.
Hoe komt het dat orthodontisten hun omzet zagen stijgen, terwijl de maximumtarieven in 2011 en 2013 beide jaren met zestien procent verlaagd zijn? Dragen orthodontisten naar uw mening bij aan het betaalbaar houden van goede zorg?
De NZa-monitor Orthodontie laat zien dat de omzet van de orthodontisten in 2013 licht stijgt t.o.v. 2011 terwijl de tarieven zijn verlaagd. In de NZa-monitor worden hiervoor drie redenen genoemd. De eerste reden is dat de variatie in de materialen die worden gebruikt is toegenomen en dit heeft ertoe geleid dat de kosten van materiaal en techniek zijn toegenomen. Daarnaast is er sprake van een volumegroei die kan worden verklaard door de toename van het aantal patiënten (2,6%). De derde reden is dat sprake is van volumegroei doordat behandelingen vaker worden opgeknipt. De NZa geeft aan dat het aantal volledig vaste beugelbehandelingen (het plaatsen van een beugel op het boven en ondergebit in één behandeling) is gedaald en het aantal partieel vaste beugelbehandelingen (het plaatsen van een beugel op het boven of ondergebit) is gestegen.
Deze drie redenen tezamen maken dat de omzet van orthodontisten licht is gestegen.
In hoeverre kan de lichte (2,6%) toename van het aantal patiënten een verklaring zijn voor de groeiende omzet, ondanks de sterke tariefdaling?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan verklaard worden dat patiënten sinds de daling van de maximumtarieven voor meer innovatie, mooiere en duurdere beugels kiezen? In hoeverre heeft innovatie in het aanbod van beugels sinds 2011 een enorme vlucht genomen?
Sinds 2013 zijn de materiaal- en techniekkosten losgekoppeld van de behandelprestaties. Voor de materiaal- en techniekkosten geldt geen maximum tarief. Feitelijk gold er in 2012 ook geen maximum tarief voor de materiaal en techniekkosten omdat in dat jaar de vrije tarieven in de mondzorg van toepassing waren.
Deze verandering maakt dat een orthodontist meerdere typen beugels kan aanbieden met verschillende prijzen. De patiënt heeft hierdoor meer keuzevrijheid en kan dus ook kiezen voor mooiere en duurdere beugels.
Een voorbeeld is dat de patiënt kan kiezen voor een slotjesbeugel bevestigd op de voorkant of aan de achterkant van je tanden. Deze laatste optie is een stuk duurder dan wanneer de slotjesbeugel op de voorkant van de tanden wordt bevestigd. Maar sommige patiënten kiezen toch voor deze optie omdat dit «mooier» wordt gevonden.
Kwam de sterk stijgende vraag naar duurdere beugels dusdanig onverwacht dat orthodontisten voor de tarief- daling vreesden hun praktijk te moeten sluiten?
Uit eerder onderzoek van de NZa naar de kosten en opbrengsten van orthodontisten3 is gebleken dat door taakdelegatie naar onder andere mondhygiënisten en tandartsassistenten en doordat er meer stoelen in een praktijk staan, meer patiënten geholpen kunnen worden. De opbrengsten waren hierdoor aanzienlijk hoger en stonden niet meer in verhouding tot de kosten. In het belang van de betaalbaarheid van de mondzorg heeft de NZa de tarieven daarom verlaagd.
De NZa-monitor orthodontie was erop gericht om te onderzoeken of de zorgen van orthodontisten, dat na deze tariefsdaling de toegankelijkheid van de zorg in het geding zou komen, terecht waren. De conclusie van de monitor is dat de zorgen van de orthodontisten ongegrond zijn. Het gaat goed met de toegankelijk van orthodontiepraktijken. De NZa constateert dat er geen signalen zijn dat wachtlijsten zijn toegenomen. Ook de (potentiële) reistijd is niet toegenomen. Deze conclusie wordt ook onderschreven door de beroepsorganisaties voor tandartsen de ANT en KNMT.
In hoeverre verwacht u dat de meldactie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Consumentenbond eenduidig inzicht gaat geven in de mate waarin consumenten sinds 2011 bewust zijn gaan kiezen voor innovatie, en voor mooiere en duurdere beugels? In hoeverre komt er met de meldactie ook inzicht in de praktijkvariatie, en de geboden behandeling voor soortgelijke gevallen over de afgelopen vijf jaar? Kan straks uit de meldactie geconcludeerd worden of orthodontisten het aantal verrichtingen per behandelingen omhoog geschroefd hebben?
De Consumentenbond en de NZa hebben een meldpunt opgericht om te inventariseren of consumenten inderdaad bewust kiezen voor een duurdere beugel omdat die beter of mooier is. Consumenten worden gevraagd om hun ervaringen, offertes en rekeningen over beugels (bij hun kinderen) via het meldpunt te delen.
Door deze patiëntenervaringen te verzamelen kan worden bekeken of orthodontisten transparant zijn en of zij de verschillende keuzeopties aan de patiënt hebben voorgelegd.
Met deze meldactie wordt geen inzicht gegeven in de praktijkvariatie. Het gaat erom dat patiënten een bewuste keuze kunnen maken voor een behandeling of materiaal. Het ontstaan van variatie is inherent hieraan omdat patiënten verschillende keuzemogelijkheden hebben.
Het meldpunt zal eind april sluiten. De NZa beziet of op grond van de uitkomsten aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. De NZa en Consumentenbond informeren mij over de uitkomsten van het meldpunt.
Indien de NZa uit de meldactie concludeert dat er maatregelen nodig zijn, welke maatregelen kan zij orthodontisten dan opleggen? Indien de NZa concludeert dat maatregelen noodzakelijk zijn, had zij dit naar uw mening eerder kunnen en moeten concluderen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat Nederland een knooppunt vormt voor wapensmokkel |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Nederland knooppunt wapensmokkel»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat Nederland al tijden een doorgeefluik vormt voor illegale wapens uit het Oostblok en in toenemende mate grote zendingen met zware vuurwapens naar Nederland worden verzonden?
Het Focal Point vuurwapens bij Europol kan op dit moment niet bevestigen dat dergelijke grote zendingen tussen Slowakije en Nederland regelmatig plaatsvinden.
Waarom heeft het Openbaar Ministerie slechts de incidentele wapenzending onderschept en niet de complete smokkellijn opgerold, zoals de Slowaakse autoriteiten wilden?
Omdat het een acute wapenlevering betrof en voorkomen moet worden dat wapens in handen van criminelen komen, heeft de Nederlandse politie direct ingegrepen. Zodoende is deze zending onderschept en zijn de aanhoudingen verricht. Voor het overige kan ik over deze lopende strafzaak geen uitlatingen doen.
Wanneer bent u eindelijk bereid van de bestrijding van wapensmokkel een landelijke topprioriteit te maken, gelet op het enorme aantal illegale zware wapens dat Nederland instroomt, zoals kalasjnikovs en pistoolmitrailleurs?
De bestrijding van de illegale wapenhandel wordt door alle betrokken diensten uiterst serieus genomen.
Om slagvaardiger de verspreiding en het gebruik van illegale wapens tegen te gaan, is onlangs het initiatief genomen tot de oprichting van een nieuw netwerk tussen de operationele diensten van de politie, Kmar, douane en OM.
Ook het Ministerie van Veiligheid en Justitie zal hierbij aansluiten. Dit zwaardere netwerk versterkt de operationele samenwerking tussen de verschillende betrokken diensten en werkt aan het verder versterken van de internationale samenwerking.
Het kabinet zet tevens als onderdeel van het actieprogramma integrale aanpak jihadisme in op intensivering van informatiedeling, opsporing en inlichtingenverwerving van (illegale) vuurwapens, met name wat betreft de verkrijgbaarheid van vuurwapens in het criminele circuit en de vermenging van dit circuit met jihadistische netwerken. De komende maanden worden verbeterpunten geïnventariseerd, waarna een gerichte aanpak op zowel nationaal als EU-niveau ontwikkeld zal worden.
De kritiek van de Nationale Ombudsman op het medisch adviseren door het Bureau Medische Advisering over vreemdelingen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Zorgen over de grenzen» van de Nationale ombudsman over het Bureau Medische Advisering (BMA)?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit rapport waarin onder andere geconcludeerd wordt dat het BMA haar adviezen niet voldoende voorbereid?
Ik zal het rapport van de Nationale ombudsman zorgvuldig bestuderen. Voor het zomerreces zal ik mijn schriftelijke reactie op het rapport en de aanbevelingen daarin aan uw Kamer doen toekomen. In zijn algemeenheid onderschrijf ik het belang van een transparante en zorgvuldige werkwijze. Voor nu hecht ik eraan te benadrukken dat de medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Bureau Medische Advisering hun taken vanzelfsprekend professioneel en consciëntieus uitvoeren.
Op welke wijze gaat u uitvoering geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman, o.a. dat het BMA en ook de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) een kritischere houding moeten aannemen bij het waarderen van informatie en adviezen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de adviezen van het BMA een maximale onderbouwing en zorgvuldigheid moeten bevatten, mede omdat die bepalend kunnen zijn voor het verblijf van de vreemdeling in Nederland, of terugkeer naar het land van herkomst? Zo ja, hoe gaat u dat borgen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u tevens de mening van de Nationale ombudsman dat het BMA en de IND in geval van terugkeer van een vreemdeling uitgebreider en kritischer moeten nagaan of bepaalde medicatie of een bepaalde medische behandeling daadwerkelijk in het land van herkomst beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bij deze antwoorden eveneens betrekken het internationaal vergelijkend onderzoek dat wordt uitgevoerd naar het beleid omtrent de beoordeling of medische zorg in het land van herkomst feitelijk toegankelijk is voor een vreemdeling, naar aanleiding van de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid? Hoe ver bent u met dit onderzoek en wanneer komt dit naar de Kamer?
Ik streef ernaar uw Kamer uiterlijk in mei 2015 over dit onderzoek en de mogelijke beleidsconsequenties schriftelijk te informeren.
Vleesaanbiedingen onder 4,12 euro per kilo zonder dierenwelzijnskeurmerk |
|
Bart de Liefde (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom baseert u uw beleid en uitspraken op de cijfers van Wakker Dier1, zonder deze vooraf te verifiëren?2
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen van de leden De Liefde en Lodders van 10 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, Aanhangsel 1523).
Waarom hanteert u dezelfde definitie als Wakker Dier, namelijk een verkoopprijs onder de 4,12 euro en zonder dierenwelzijnskeurmerk?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven op welke cijfers u uw beleid baseert om tegen de verkoop van vlees onder 4,12 euro per kilo en zonder dierenwelzijnskeurmerk te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw definitie van «een redelijke prijs»? Wie bepaalt wat een redelijke prijs is?
Naar mijn mening is er sprake van een «redelijke prijs» als de verschillende kosten van de productie in de prijs tot uitdrukking komen. Daarbij vind ik dat alle ketenschakels een redelijke beloning moeten krijgen voor de inspanningen die zij leveren. De hoogte van de prijs wordt bepaald op een markt van vraag en aanbod.
Kunnen schommelingen in de wereldmarkt nog van invloed zijn op wat u een redelijke prijs vindt voor vlees?3 Zo ja, bent u van mening dat Wakker Dier dan ook haar definitie dient aan te passen? Zo nee, waarom niet, u baseert immers uw beleid tot op heden op de onverifieerde cijfers en gebruikte definities van Wakker Dier?
Schommelingen op de wereldmarkt veranderen mijn definitie van een «redelijke» prijs niet. Dat is onderdeel van de prijs. Het is aan Wakker Dier of zij de door haar gehanteerde definitie wil aanpassen aan schommelingen op de wereldmarkt. Overigens is mijn beleid niet gebaseerd op gegevens en definities van Wakker Dier, zoals ik ook in mijn brief van 14 januari 2015 (Kamerstuk 31 532, nr. 144) en in antwoord op de vragen van 10 maart jl. heb verwoord.
Hoeveel vleesaanbiedingen waren er in 2013 en 2014, hoeveel daarvan waren een aanbieding die voldoet aan de Wakker Dier-prijsgrens van 4,12 euro per kilo en welk percentage van het totaal verkochte vlees in supermarkten is onder de 4,12 euro en zonder dierenwelzijnskeurmerk verkocht?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen van de leden De Liefde en Lodders van 10 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, Aanhangsel 1523).
Deelt u de mening dat Wakker Dieren alle vlees- en pluimveesectoren over één kam scheert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat Wakker Dier hiermee de sector te kort doet?
Zoals ik reeds in mijn brief van 14 januari 2015 (Kamerstuk 31 532, nr. 144) en in antwoord op vragen op 10 maart jl. heb aangegeven, vind ik het om meerdere redenen niet gewenst dat met vleesaanbiedingen het beeld wordt opgeroepen dat vlees een stuntartikel is. Daarbij is niet enkel de omvang van het verschijnsel van belang.
Deelt u de mening dat Wakker Dier de hele sector onnodig en onterecht zwartmaakt, terwijl het slechts om zo’n 3,1% van alle vleesaanbiedingen in 2014 gaat, en dus 96,9% van de aanbiedingen dus wel door de Wakker Dier-beugel kunnen? Zo nee, kunt u dan gemotiveerd en met cijfers toelichten waarom u het niet met deze uitspraak eens bent?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u reageren op de berekening dat het percentage vleesaankopen onder de 4,12 euro per kilo en zonder dierenwelzijnskeurmerk slechts zo’n 0,8% van de totale vleesaankopen in 2014 bedraagt? Indien u op een ander percentage uitkomt, kunt u dan aangeven op welke wijze dit berekend is en welke cijfers daarvoor als input zijn gehanteerd?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen van de leden De Liefde en Lodders van 10 maart jl. (vergaderjaar 2014–2015, Aanhangsel 1523).
Bent u bereid elders data op te vragen, bijvoorbeeld bij Gesellschaft für Konsumforschung (GfK)? Zo nee, welke zwaarwegende redenen heeft u om de Kamer geen informatie te willen verschaffen over de prijsvorming op de consumenten-vleesmarkt in Nederland?
Ik voer geen eigen onderzoek uit naar aanbiedingen in de supermarkt. Wel is er informatie beschikbaar over de prijsvorming in de keten. Ik verwijs u hiervoor naar de WUR-LEI-prijzenmonitor die de ontwikkeling van de prijzen af boerderij en de supermarkt op de voet volgt (www.agrimatie.nl). Verder heb ik op 18 december 2014 het rapport «Prijsvorming van voedsel» aan uw Kamer gestuurd waarin ook aandacht wordt besteed aan de prijsvorming van pluimveevlees in de afzetketen (Kamerstuk 31 532, nr. 143).
Het bericht “Doorgegeven parkeerkaartje ongeldig” |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Doorgegeven parkeerkaartje ongeldig»?1
Ja.
Acht u het een goede situatie dat mensen die een «doorgegeven» parkeerkaartje gebruiken beboet worden, ook al is het kaartje nog uren geldig en niet kentekengebonden?
Het gaat hier om twee afzonderlijk belastbare feiten voor twee kentekenhouders, zoals ook gesteld in mijn antwoorden aan de leden Van Klaveren en Visser. Er is geen restitutiemogelijkheid voor teveel betaalde parkeerbelasting. Eventueel resterende parkeertijd is niet overdraagbaar daar het parkeerkaartje slechts een kwitantie is en bewijsstuk van de betaalde parkeerbelasting voor het individueel belastbare feit.
Deelt u de gedachte dat de uitspraak van de rechtbank moeilijk uit te leggen is aan betrokkenen aangezien er immers wel betaald is?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 van het lid Van Klaveren is gesteld, is er geen parkeerbelasting betaald door belanghebbende in deze zaak. Bovendien was het parkeerkaartje dat belanghebbende had overgenomen bedoeld voor een andere categorie parkeerders waar belanghebbende niet toe behoorde en had zij reeds om die reden al geen parkeerbelasting voldaan.
Bent u bereid te bezien of een wijziging in de ter zake doende regelgeving de situatie zo kan aanpassen dat de automobilist die het kaartje koopt, en daarmee de verschuldigde parkeerbelasting betaalt, dat kaartje ook kan doorgeven, mede gelet op het feit dat er ook niets terugbetaald wordt bij een te ruime betaling?
In Nederland valt de parkeerbelasting in het fiscale traject. Dit heeft tot gevolg dat voor ieder belastbaar feit afzonderlijk parkeerbelasting dient te worden betaald. Het overnemen van een parkeerkaartje is niet hetzelfde als het betalen van de parkeerbelasting zoals gesteld.
Wijziging van de inhoudelijke grondslag als fundament voor de terzake doende regelgeving acht ik niet noodzakelijk op basis van deze ene casus. Vergelijkbare gevallen en de omvang van dit vraagstuk zijn mij namelijk niet bekend.
Het verlies van banen bij het gerechtshof in Arnhem |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Albert de Vries (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hof gaat mogelijk naar Zwolle»1 en «Justitie blijft gewoon in Arnhem»?2
Ja.
Klopt het in het eerste genoemde bericht gestelde dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden mogelijk uit Arnhem vertrekt? Zo ja, wat is daarvan waar en hoe verhoudt zich dat tot de in het tweede genoemde bericht aangehaalde uitspraak van een woordvoerder van justitie dat er «van zo'n verhuizing echter geen sprake is»? Zo nee, wat is er niet waar?
Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voert op dit moment verkenningen uit naar de toekomstige huisvestingsbehoefte van de organisatieonderdelen van het gerechtshof. Er is geen sprake van besluitvorming. Ik verwijs u in dit kader ook naar mijn antwoord op vraag 2 van de leden Recourt en Jacobi (beiden PvdA) van uw Kamer (ingezonden 13 maart 2015, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1804). Verder betreft de in het bericht «Justitie blijft gewoon in Arnhem» aangehaalde uitspraak van een woordvoerder van justitie niet de verkenningen van het gerechtshof.
Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gebruikt voor zijn verkenningen vier scenario’s waarin er geen sprake is van verlies van arbeidsplaatsen bij het gerechtshof. Wel worden er in de meeste scenario’s arbeidsplaatsen verplaatst. Voor de locatie Arnhem betekent dit dat één scenario de situatie schetst waarin alle 226 arbeidsplaatsen uit Arnhem naar de locatie Zwolle worden verplaatst. In een ander scenario krijgt de locatie Arnhem er 54 arbeidsplaatsen bij. De Minister voor Wonen en Rijksdienst probeert in voorkomende gevallen onevenredige werkgelegenheidseffecten in de krimp regio’s te voorkomen en geeft uitvoering aan de motie-De Vries.
Kunnen er ten gevolge van een reorganisatie bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arbeidsplaatsen verloren gaan? Zo ja, om hoeveel arbeidsplaatsen kan het minimaal en hoeveel maximaal gaan? Zo ja, hoe verhoudt het streven om banen van de rijksoverheid over het land te verspreiden zich tot het voornemen arbeidsplaatsen bij het gerechtshof in Arnhem te laten vervallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de uitkomst van het overleg dat u met het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hebt gevoerd dan wel van de inhoud van de nog lopende gesprekken?
Op dit moment voert de Rvdr gesprekken met gerechtsbesturen over de wijze waarop de kwaliteit van rechtspraak verder kan worden bevorderd en hoe de kantoorfunctie van gerechten daar in past. De verkenningen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden passen in dit kader. De Rvdr informeert mij binnenkort over zijn bevindingen naar aanleiding van de genoemde gesprekken en eigen onderzoek. Indien hier uit voortvloeit dat er sprake zal zijn van veranderingen in de huisvestingsbehoefte van gerechten die raken aan de strekking van de motie-De Vries zal ik de Minister voor Wonen en Rijksdienst hierover informeren. Hij kan vanuit zijn coördinerende bevoegdheid voor regionale werkgelegenheidseffecten bezien of negatieve effecten op de werkgelegenheid op alternatieve wijze kunnen worden gecompenseerd. Verder blijven de locaties Leeuwarden en Arnhem zittingsplaatsen van de rechtspraak waar zittingen plaatsvinden. Er is daar dan ook juridische infrastructuur nodig. Een wijziging van de aanwijzing van een locatie als zittingsplaats van de rechtspraak moet worden voorgehangen bij het parlement en kan dus niet zonder democratische legitimering tot stand komen.
Deelt u de mening dat het behoud van werkgelegenheid voor de huidige locatie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van belang is voor de arbeidsmarkt, de juridische infrastructuur en economie van Arnhem, Leeuwarden en omstreken? Zo ja, wat kunt u doen ter behoud van die werkgelegenheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het ook onwenselijk dat de evaluatie van de gerechtelijke kaart niet wordt afgewacht teneinde beslissingen te nemen over de bemensing en locatie van de gerechten en dat daarmee voortdurende onzekerheid blijft bestaan bij de medewerkers en gebruikers van die gerechten?
Met de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart is gerechten een kader geboden waarbinnen ook in de toekomst de kwaliteit van rechtspraak kan worden gewaarborgd en de Rechtspraak kan voldoen aan wensen en behoeften in de samenleving. De gerechtsbesturen geven met beslissingen over de toekomstige huisvestingsbehoefte van organisatieonderdelen van hun gerecht invulling aan deze doelstelling van de Wet herziening gerechtelijke kaart. Het is daarom niet logisch dergelijke beslissingen uit te stellen tot na de evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart in 2018. Het is van belang dat de Rechtspraak de (schaal)voordelen die met de wet zijn bedoeld, kan behalen door aanpassingen in de organisatie van het gerecht.
Gedwongen zzp’erschap bij Sensire (Herdruk) |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sensire wil 600 thuisverzorgenden ontslaan en inhuren als zzp’er»?1
Ja.
Wanneer is naar uw mening sprake van schijnzelfstandigheid?
Van schijnzelfstandigheid is sprake wanneer mensen formeel werkzaam zijn als zelfstandigen, terwijl op grond van feiten en omstandigheden sprake zou moeten zijn van een arbeidsovereenkomst. Met een dergelijke constructie worden vaak loonheffing, premies werknemersverzekeringen en arbeidsrechtelijke bescherming ontweken en kunnen onterecht fiscale (ondernemers)faciliteiten worden geclaimd. Ook kan hiermee de Wet arbeid vreemdelingen voor bepaalde groepen worden omzeild.
Hoe kwalificeert u de in genoemd artikel omschreven handelwijze van zorgaanbieder Sensire waarbij medewerkers zich naar verluidt onder druk gezet voelen om te «kiezen» voor het zelfstandig ondernemerschap?
In algemene zin is het aan de rechter om de feiten en omstandigheden van het individuele geval te beoordelen en daar een uitspraak over te doen. Ik kan in algemene zin aangeven dat het niet wenselijk is dat werkgevers hun werknemers onder druk zetten om hun dienstverband te verruilen voor zelfstandig ondernemerschap. Een werknemer hoeft hier niet mee in te stemmen en hoeft dus niet akkoord te gaan met zijn ontslag. De werkgever zal vervolgens moeten overwegen of hij ontslag wil aanvragen, waarvoor – in geval van een dienstverband voor onbepaalde tijd – voorafgaande toetsing door UWV of de rechter nodig is.
Zou u het een goede zaak vinden als de hier aan de orde zijnde zorg in de toekomst verricht zou worden door al dan niet uit eigen vrije keus «zelfstandige» geworden voormalige medewerkers, die niet langer een beroep kunnen doen op zowel individueel als collectief arbeidsrecht en bijvoorbeeld niet langer verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid en ook niet (automatisch) meer pensioen opbouwen? Zo ja, hoezo? Zo nee, welke concrete stappen bent u dan voornemens te zetten om een en ander te voorkomen?
Voor mij zijn bij deze vraag een drietal zaken – die eerder ook door het kabinet zijn benoemd in de brief Zzp’er in de zorg2 – van belang:
Goede en tijdige zorg voor iedereen die dat nodig heeft. Of deze zorg door werknemers in loondienst of door zzp’ers geleverd wordt, mag daarbij niet relevant zijn. Ook dient de cliënt voldoende keuzevrijheid te hebben om de zorg te kiezen die het best bij zijn of haar zorgvraag past.
De zorgverlener dient een vrije keus te hebben in de wijze waarop hij of zij de zorg wil verlenen. Dat kan in loondienst, maar ook als zelfstandige (al dan niet in opdracht van een zorginstelling).
Echte ondernemers/zelfstandigen dienen te worden onderscheiden van diegenen die zich als ondernemer presenteren, maar dat feitelijk niet zijn. Als de feiten en omstandigheden zodanig zijn dat sprake is van een dienstbetrekking, dan dient de situatie ook als zodanig behandeld te worden.
Zolang deze zaken goed zijn geborgd, is de uitkomst – namelijk wordt de zorg verleend door een zelfstandige of iemand in loondienst – minder van belang.
Hoe beoordeelt u de stelling van de vakbond dat hier sprake is van een «schijnconstructie»? In hoeverre vertoont deze handelwijze van Sensire volgens u overeenkomsten met de eerder door Sensire voorgenomen constructie om werknemers in de thuiszorg te ontslaan om ze vervolgens weer in dienst te nemen als alfahulp?2 Indien u van mening bent dat een en ander ongewenst is, welke middelen heeft u dan om een dergelijke constructie te voorkomen en bent u voornemens om deze middelen in te zetten?
In 2013 had Thuishulp Sensire BV (THS) de beslissing genomen te stoppen met het aanbieden van huishoudelijke verzorging. Deze bedrijfsbeëindiging leidde tot het aanvragen van collectief ontslag, waarna UWV ontslagvergunningen heeft verleend op grond van bedrijfseconomische redenen. In het debat dat ik op 11 september 2013 hierover met uw Kamer heb gevoerd, is gesuggereerd dat het collectieve ontslag van medewerkers van THS onderdeel zou zijn van een schijnconstructie met als doel de betrokken medewerkers na ontslag gedwongen in te zetten als alfahulp. Uit de reconstructie die ik toen heb laten uitvoeren (Kamerstukken II, 25 544 nr. 106) bleek dat er voor UWV in de ontslagprocedure geen aanwijzingen waren dat THS gebruik zou maken van een constructie waarin de ontslagen werknemers tegen slechtere arbeidsvoorwaarden hetzelfde werk kunnen uitvoeren.
Of er in het onderhavige geval sprake is van een schijnconstructie kan ik niet beoordelen aan de hand van de berichtgeving. Ik veronderstel dat de vakbond in het bericht hiermee bedoelt dat een werkgever werkzaamheden uitbesteed via een daartoe opgerichte organisatie via welke de (ex-)werknemers feitelijk hun zelfde werkzaamheden voortzetten maar dan als zelfstandige en met een slechtere rechtspositie.
Als een werkgever ontslag wil aanvragen (zie onder 3) en een ontslagaanvraag indient bij UWV zal de werkgever moeten toelichten en aannemelijk maken dat hij om redenen van een doelmatige bedrijfsvoering werkzaamheden wil uitbesteden waardoor arbeidsplaatsen structureel komen te vervallen. Als het werk wordt uitbesteed aan een zelfstandige zonder personeel is het van belang of het een echte of schijnzelfstandige betreft. Alleen als het werk wordt uitbesteed aan een echte zelfstandige (VAR-wuo, in fiscale zin ondernemer en inschrijving KvK) kan in beginsel een vergunning worden verleend. Ontbreekt een VAR-wuo dan gaat UWV uit van schijnzelfstandigen, die veelal tegen slechtere voorwaarden werken dan de voorwaarden die voor werknemers gelden terwijl hun positie hiermee in hoge mate vergelijkbaar is.
Echter, als een werkgever de arbeidsovereenkomsten van werknemers wil beëindigen en daarvoor in de plaats contracten wil aangaan met diezelfde werknemers, of met anderen, met als uitsluitend doel werknemerschap te vermijden, dan weigert UWV een vergunning. (Beleidsregels Ontslagtaak UWV, hoofdstuk 7, paragraaf 5)
Hoe beoordeelt u de stelling dat hier sprake is van een reorganisatie waar de vakbond bij betrokken zou moeten worden? Bent u bereid te helpen om overleg in deze tussen werkgevers en werknemers tot stand te brengen?
Of hier sprake is van een reorganisatie kan ik niet beoordelen. Het is aan de vakbonden zelf om hier actie te ondernemen.
In algemene zin kan ik opmerken dat een werkgever voorgenomen collectief ontslag tijdig moet melden bij de betrokken vakbonden en UWV. Het moet dan gaan om een voorgenomen ontslag van 20 of meer werknemers, binnen 3 maanden en binnen een werkgebied van UWV. Het gaat hier niet alleen om een melding maar de werkgever moet de betrokken vakbonden ook hebben geraadpleegd.
Herinnert u zich de motie Kerstens/Azmani (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 40) waarin het kabinet wordt opgeroepen met een integrale aanpak te komen, waarbij onder meer wordt ingezet op het terugdringen van schijnzelfstandigheid? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze aanpak verwachten?
Ik heb uitvoering gegeven aan deze motie door op 11 april 2013 het actieplan «bestrijden van schijnconstructies» naar de Tweede Kamer te sturen. (bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 17 050, nr. 428). Dit actieplan maakt onderdeel uit van het op 11 april 2013 gesloten sociaal akkoord tussen het kabinet en werkgevers- en werknemersorganisaties.
In het actieplan zijn maatregelen aangekondigd om schijnzelfstandigheid te bestrijden, betalingen onder het wettelijk minimumloon tegen te gaan, cao-ontduiking aan te pakken, misbruik met de premieafdracht tegen te gaan, gefingeerde dienstverbanden en frauduleuze migratieconstructies te bestrijden en om de informatie-uitwisseling te verbeteren. De Wet Aanpak Schijnconstructies is een belangrijk resultaat van dit actieplan en is op 3 maart 2015 unaniem aangenomen door de Tweede Kamer.
Het bericht 'TTIP-deal bedreigt de democratie' |
|
Fred Teeven (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het betreffende bericht?1
Ja.
Is er de afgelopen dagen op de informele EU-top in Riga gesproken over de complicaties rond het vrijhandelsakkoord tussen de VS en Europa? Zo ja, wat zijn de concrete belemmeringen voor een afronding in 2015 van het akkoord tussen de VS en Europa?
De onderhandelingen over het EU-VS handelsakkoord (TTIP) stonden centraal bij de lunchbespreking van de informele Raad Buitenlandse Zaken Handel (RBZ) op 24 en 25 maart jl., zoals in het verslag is te lezen dat op 9 april jl. naar uw Kamer is verstuurd. Tijdens de RBZ ging veel aandacht uit naar de vernieuwingsvoorstellen voor investeringsbescherming en het geschillenbeslechtingsmechanisme (ISDS) mede op basis van een paper dat Nederland met Duitsland, Frankrijk, Zweden, Denemarken en Luxemburg heeft opgesteld. Dit paper is als bijlage bij de geannoteerde agenda voor deze RBZ meegestuurd (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465).
De TTIP-onderhandelingen zijn breed en complex. Er worden veel technische dossiers besproken, die veel zorgvuldigheid vereisen. Een voorbeeld van een voor Nederland belangrijk punt zijn de publieke aanbestedingen. Daarbij is het in de VS niet altijd mogelijk om als Nederlands (of Europees) bedrijf mee te dingen voor opdrachten. Dit geldt vooral op staatsniveau. Dit is een voorbeeld van belemmeringen die we weg willen halen in TTIP, maar waar wel met zorg over onderhandeld moet worden.
Is er door Eurocommissaris Malmström een tijdpad opgesteld om resultaten te bereiken? Kan de Kamer worden geïnformeerd over dit tijdpad? Wat is naar uw oordeel een realiseerbaar moment voor de afronding van het TTIP-akkoord?
De Europese Raad heeft de ambitie uitgesproken om eind 2015 de onderhandelingen af te ronden. Het is van belang om vaart in de onderhandelingen te houden om snel de vruchten te kunnen plukken van dit akkoord. We moeten echter wel zorgvuldig te werk gaan: inhoud gaat daarom voor snelheid.
Bent u van oordeel dat het TTIP-akkoord «de democratie bedreigt»? Zo ja, waarom? Zo nee, welke kansen ziet u voor Europa en de bevordering van de vrijhandel?
TTIP tornt niet aan de Europese wetten en regels die op democratische wijze tot stand zijn gekomen. We maken afspraken met de VS over het wegnemen van onnodige handelsbelemmeringen. Deze afspraken worden ook op democratische wijze gesloten.
De EU-lidstaten, via de Raad van de Europese Unie, en het Europees parlement moeten met het akkoord instemmen zodra de onderhandelingen zijn afgerond. Daarnaast ligt het voor de hand dat het akkoord ook ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan de nationale parlementen. Verscheidene lidstaten, waaronder Nederland, maken zich daar al geruime tijd in Brussel sterk voor. Dit is gelijk aan de procedure zoals ik die uiteengezet heb voor het EU-Canada handelsakkoord (Kamerstuk 31 985 nr. 23).
Ook tijdens de onderhandelingen zorgen lidstaten ervoor dat de Commissie binnen het onderhandelingsmandaat blijft. Ik spreek uw Kamer daar met regelmaat over in het overleg voorafgaand aan elke (informele) Raad Buitenlandse Zaken over handel.
Bevordering van vrijhandel en het opstellen van duidelijke en transparante regels is belangrijk voor de internationale handel. Nederland is bij uitstek een land dat profiteert van handel. Sinds 2008 is buitenlandse handel de enige bron van economische groei in Nederland geweest. Hierdoor is werkgelegenheid behouden in een economisch lastige tijd. Dit geldt ook voor veel andere lidstaten.
Kunt u op korte termijn met de Kamer overleggen over de uitkomsten van de besprekingen in Riga?
Zoals met elke RBZ stuur ik een verslag daarvan naar de Kamer. Het verslag van de afgelopen RBZ heeft uw Kamer op 9 april jl. ontvangen. Dit verslag wordt bij het Algemeen Overleg (AO) voor de eerstvolgende RBZ geagendeerd. De volgende RBZ is op 7 mei a.s. Het AO ter voorbereiding op deze RBZ heeft uw Kamer op 30 april gepland.
Uitbreiding gemeentelijke milieuzones waaronder Amsterdam, Utrecht en Rotterdam en over het bericht dat Utrechtse lucht beter is |
|
Remco Dijkstra (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Utrechtse lucht beter»?1 Klopt het dat er voor 2015 geen overschrijdingen van de vanaf dit jaar geldende Europese normen voor stikstofdioxide en fijnstof zullen zijn in Utrecht? Deelt u de mening dat het daarom niet gepast is om de milieuzone uit te breiden voor personen- en bestelauto’s? Zo nee, wat rechtvaardigt volgens u het onnodig op kosten jagen van automobilisten en ondernemers?
Ja, ik ken het bericht. In de landelijke monitoringsrapportage van 2014 wordt voor het toetsjaar 2015 op een locatie langs de Noordelijke Randweg Utrecht (maximaal 500 m op de Albert Schweitzerdreef) een overschrijding berekend van de jaarlijkse grenswaarde voor stikstofdioxide. De gemeente geeft aan dat op basis van in 2013 uitgevoerd windtunnelonderzoek de berekende concentratie op deze locatie lager en onder de jaargemiddelde grenswaarde uit zal komen. In de berekeningen is rekening gehouden met de effecten van alle maatregelen die worden uitgevoerd, zo ook de milieuzones voor personen- en bestelvoertuigen. In 2015 worden door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) nieuwe berekeningen gedaan met behulp van nieuwe inzichten in de emissies van wegverkeer en in de achtergrondconcentraties. Het is aan de gemeenten om in te schatten en aan te tonen of het invoeren van een milieuzone een (kosten)effectieve maatregel is.
In het geval een milieuzone voor bestelauto’s wordt ingevoerd in een NSL-knelpuntgemeente, dan komt het Rijk ondernemers uit grensgemeenten tegemoet bij de vervanging van een oude bestelauto.
Deelt u de mening dat te behalen effecten van voorgenomen uitbreidingen van milieuzones zich niet verhouden tot de kosten die gemaakt moeten worden, mede in relatie tot uw uitspraak dat bronbeleid de meest effectieve aanpak is? Zo ja, waarom draagt de rijksoverheid hier dan toch aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u vastgesteld wat de financiële consequenties zijn als milieuzones worden ingesteld of uitgebreid, zowel voor overheden als voor consumenten en bedrijfsleven? Zo nee, waarom niet en vindt u niet dat dergelijke maatregelen, juist nu de stikstof- en fijnstofnormen bijna vrijwel zijn gerealiseerd, niet mogen worden toegepast als er geen kosteneffectiviteitsanalyse heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom vindt u dat niet?
De kosten voor de rijksoverheid bestaan uit de subsidiebedragen tot maximaal € 4 mln en de uitvoeringskosten van de subsidieregeling. De kosten voor de gemeenten, die besluiten tot instelling of uitbreiding van een milieuzone, bestaan uit het plaatsen van verkeersborden en handhaving met behulp van camera’s. Daarnaast kan een gemeente kiezen voor een compensatieregeling voor bedrijven en/of particulieren. De hoogte van deze kosten is afhankelijk van de lokale omstandigheden en besluiten. De financiële consequenties voor burgers en bedrijfsleven zijn niet tevoren in te schatten. De kosten van een vervangende auto hangen af van de leeftijd en inruilwaarde. Daarnaast zijn er administratieve lasten in verband met het invullen van subsidieaanvragen.
Zoals eerder is aangegeven, is het aan de gemeenten om in te schatten en aan te tonen of het invoeren van een milieuzone voor bepaalde categorieën voertuigen een (kosten)effectieve maatregel is.
Waarom vindt u het een verantwoordelijkheid voor gemeenten om de kosteneffectiviteit van milieuzones in kaart te brengen, als het Rijk ook een financiële bijdrage levert? Hoe beoordeelt u de kosteneffectiviteit van de door u ondersteunde maatregelen? Vindt u dat geen plicht richting de belastingbetaler om zelf inzicht in de kosteneffectiviteit te hebben? Zo nee, waarom niet? Maakt een kosteneffectiviteitsanalyse geen deel uit van het plan van aanpak dat u gezamenlijk met de G4-steden voorbereidt? Zo nee, waarom niet?
Milieuzones zijn bedoeld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Bescherming van de volksgezondheid als gevolg van luchtverontreiniging is een publieke taak.
De verantwoordelijkheid met betrekking tot de instelling, onderbouwing en handhaving van milieuzones ligt bij gemeenten. Het is aan de gemeenten om in te schatten en aan te tonen of het invoeren van een milieuzone voor bepaalde categorieën voertuigen een (kosten)effectieve maatregel is. In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is na overleg met belanghebbenden toegezegd om ondernemers in grensgemeenten tegemoet te komen bij vervanging van bestelauto’s. Een gemeentelijke compensatieregeling is een voorwaarde voor de vervangingsregeling van het Rijk voor ondernemers in de grensgemeenten.
Uit de aard van de vervangingsregeling is vooraf geen kosteneffectiviteit te bepalen. Welke auto’s precies vervangen worden, dan wel dienen ter vervanging, is vooraf niet bekend.
In het Actieplan luchtkwaliteit worden maatregelen in beeld gebracht om de resterende knelpunten (normoverschrijdingen) op te lossen en om de luchtkwaliteit in de grote steden verder te verbeteren. De besluitvorming, inclusief de bijbehorende afwegingen en onderbouwing, met betrekking tot afzonderlijke maatregelen is een zaak van de overheid die de maatregelen wil treffen.
Hoe verhoudt de voorgenomen uitbreiding van milieuzones in diverse steden en het behoud van bestaande milieuzones zich tot uw uitspraak tijdens de begrotingsbehandeling in oktober 2014 dat milieuzones slechts een tijdelijke maatregel zijn?
Door aanscherping van de Euronormen en testvoorschriften worden voertuigen zo schoon, dat een milieuzone op termijn niet langer nodig hoeft te zijn. Het is aan gemeenten om hierover te besluiten.
Bent u nog steeds van mening dat gemeenten zelf over de wenselijkheid, toepassing en haalbaarheid van milieuzones gaan (zoals u tijdens de begrotingsbehandeling in oktober 2014 heeft aangegeven)? Zo ja, waarom is het Rijk betrokken bij het plan van aanpak inzake milieuzones in de G4-steden? Wanneer is dit plan van aanpak afgerond? In hoeverre wordt gesproken over aanvullende Rijksbijdrages en maatregelen, zoals snelheidsverlagingen op Rijkswegen?
Ja, zoals aangegeven, is het aan de gemeenten om in te schatten en aan te tonen of het invoeren van een milieuzone een (kosten)effectieve maatregel is.
Er is geen plan van aanpak milieuzones in de G4-steden. Wel worden samen met zeven steden in het Actieplan luchtkwaliteit verschillende maatregelen in beeld gebracht om de resterende knelpunten (normoverschrijdingen) op te lossen en om de luchtkwaliteit in de grote steden verder te verbeteren. Het is de bedoeling om het Actieplan rond de zomer af te ronden en ik zal uw Kamer daarover informeren.
Op grond waarvan en met welke (wettelijke) bevoegdheid mag een gemeente milieuzones invoeren en uitbreiden? Vloeit dit voort uit het NSL2 of is er een andere basis? Zijn hier voorwaarden qua normen en tijd aan verbonden vanuit het Rijk? Zo nee, waarom niet? Wie bepaalt wanneer een milieuzone kan worden beëindigd en op welke gronden en wat is de betrokkenheid van het Rijk hierbij?
Gemeenten kunnen op basis van het RVV 1990, waarin de gedragsregels voor verkeersdeelnemers staan, een verkeersbesluit nemen waardoor het milieuzonebord geplaatst kan worden. In het RVV 1990 staat de maximale reikwijdte van het betreffende verbod, nu nog uitsluitend voor vrachtauto’s. Een wijziging die het toegangsverbod voor bepaalde bestelauto’s en personenauto’s mogelijk maakt, is in voorbereiding. Dit voorstel is op 16 september 2014 voorgehangen bij het parlement. De grondslag voor het RVV 1990 is de Wegenverkeerswet 1994, waarin artikel 2, tweede lid, onder a, het onder andere mogelijk maakt regels te geven voor het voorkomen of beperken van milieuschade. Er zijn geen specifieke normen voor de toepassing aan verbonden vanuit het Rijk, behalve dat het volgens het RVV 1990 slechts beperkte categorieën voertuigen kan betreffen.
De gemeente als wegbeheerder bepaalt, zoals gebruikelijk bij het plaatsen van verkeersborden, de noodzaak van het nemen van verkeersbesluiten die daartoe strekken. Het Rijk heeft daarin geen juridische rol.
Kunt u aangeven in welke mate de milieuzones, de Green Deal Zero Emissie Stadsdistributie, de Green Deal Zero Emissie Bussen en de Green Deal Zero Emissie Stadslogistiek bijdragen aan het verder terugbrengen van stikstof en fijnstof? In hoeverre leidt dit tot minder gezondheidsschade? Zo niet, waarom gaat u dan toch door met het faciliteren van dergelijke initiatieven en hoe verhoudt zich dit tot de uitspraak dat bronbeleid de meest effectieve aanpak is?
Milieuzones geven gemeenten die dat noodzakelijk achten de mogelijkheid om de luchtkwaliteit op straatniveau op korte termijn te verbeteren. De genoemde green deals dragen op een langere termijn bij aan de reductie van CO2-, NOx-, fijnstof- en geluidsemissie en creëren tegelijkertijd kansen voor groene groei voor het Nederlandse bedrijfsleven, door innovatie en creativiteit te stimuleren. Ook onder de norm zijn zowel NO2 als fijnstof schadelijk voor de gezondheid. Green deals en lokale maatregelen zijn een aanvulling op Europees bronbeleid, dat er tegelijkertijd voor zorgt dat het totale wagenpark steeds schoner en zuiniger wordt.
Wanneer gaat u een convenant afsluiten tussen het Rijk, gemeenten en bedrijfsleven inzake een uniform toegangsregime voor milieuzones voor personen- en bestelauto’s? Zo niet, op welke wijze borgt u dan een uniform toegangsregime?
Een dergelijk convenant komt er niet. Het RVV 1990 bepaalt de maximale reikwijdte van de milieuzone. In de gesprekken die het departement voert met gemeenten wordt gewezen op het belang van een uniform toegangsregime. Het uiteindelijke besluit over de invulling van het toegangsregime is echter aan de gemeenten.
Met welke belanghebbenden heeft u in de aanloop naar de uitbreiding van de milieuzone naar personen- en bestelauto’s gesproken over de invoering van een tijdelijke stimuleringsmaatregel? Welke toezeggingen zijn wanneer en aan wie gedaan? Op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd? Kunt u aangeven waarom u dit heeft toegezegd in relatie tot uw eerdere standpunt dat verdergaande maatregelen voor de leefomgeving zoals milieuzones, een gemeentelijke aangelegenheid betreft? Is dit niet strijdig met elkaar? Zo nee, waarom niet?
Met deze regeling wordt invulling gegeven aan de eerder gememoreerde afspraak van het Rijk met de NSL-knelpuntgemeenten en EVO, TLN, MKB-Nederland en FEHAC. Hierbij zijn diverse opties besproken. Met het oog op effectiviteit en draagvlak is uiteindelijk gekozen voor de variant waarin de totstandkoming van de milieuzones voor de bestelauto’s in deze gemeenten gefaciliteerd wordt. Hierbij wordt een tegemoetkoming in de kosten gegeven voor ondernemers die gevestigd zijn in de aangrenzende gemeenten en besluiten een andere bestelauto te kopen om nog toegang te hebben tot de milieuzone.
Uit het oogpunt van uitvoerbaarheid en effectiviteit is er niet voor gekozen de subsidiemogelijkheid tevens te bieden aan ondernemers, gevestigd buiten de aangrenzende gemeenten.
Gezien het beperkte budget voor deze regeling wordt beoogd met name de vervanging van bestelauto’s te stimuleren die frequent voor de afzet van producten of voor dienstverlening binnen een NSL-gemeente worden gebruikt.
In geval van openstelling van de subsidieregeling voor ondernemers, gevestigd buiten de aangrenzende gemeenten, dienen er andere beoordelingscriteria, bijvoorbeeld de frequentie van gebruik van de bestelauto in de milieuzone, in de regeling te worden opgenomen om dit doel te bereiken. Dergelijke criteria zijn echter bij de beoordeling van een aanvraag niet of nauwelijks te beoordelen en moeilijk achteraf controleerbaar.
Tevens wordt met deze regeling invulling gegeven aan de toezegging in het kader van de vierde voortgangsrapportage over het NSL (Kamerstukken II 2013/2014, 30 175, nr. 192) om de vervanging van vervuilende bestelauto’s door schone bestelauto’s te bevorderen.
De keuze of een milieuzone voor bestelauto’s wordt ingevoerd is aan de betreffende gemeenten. De regeling is bedoeld als ondersteuning van het bedrijfsleven rond gemeenten die een milieuzone voor bestelauto’s invoeren.
Hoeveel bestelauto’s zijn er in totaal in Nederland? En in de gemeenten die in aanmerking komen voor de vervangingsregeling voor bestelauto’s? Welke bestelauto’s komen er allemaal in aanmerking? Hoeveel bestelauto’s kunnen er maximaal vervangen worden binnen de regeling? Is deze regeling alleen bedoeld voor de regio Utrecht of voor ook andere stedelijke regio’s? Zo ja, gaat u dan de regeling financieel verder uitbouwen? Hoe gaat u de regeling evalueren?
In 2014 hadden ondernemers ongeveer 450.000 diesel bestelauto’s in bezit. De regeling is bedoeld om ondernemers tegemoet te komen in alle grensgemeenten van een gemeente die een milieuzone voor bestelauto’s invoert en een compensatieregeling invoert. Op dit moment betreft dat de gemeenten Utrecht, Rotterdam en Amsterdam. Dieselbestelauto’s ouder dan 1 januari 2006 kunnen aanspraak maken. In de grensgemeenten van deze steden komen volgens de meest recente gegevens respectievelijk ongeveer 2.200, 5.700 en 3.600 auto’s in aanmerking. Gezien de subsidiebedragen kunnen maximaal 8.000 bestelauto’s worden vervangen. De regeling start binnenkort en loopt tot 1 januari 2017. Gelet op de korte looptijd wordt de regeling na afloop geëvalueerd. Ik heb op dit moment geen plannen om de regeling verder uit te bouwen.
Is het denkbaar dat ondernemers uit omringende gemeenten van steden die milieuzones in willen voeren, nooit in die betreffende steden komen met hun bestelauto, terwijl ondernemers uit geheel andere gemeenten dat wellicht wel doen? Hoe beoordeelt u in dit licht de effectiviteit van de vervangingsregeling voor bestelauto’s?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat 4 miljoen euro veel geld is voor een maatregel waarvan de effectiviteit onduidelijk is? Zo ja, waarom voert u geen kosteneffectiviteitsanalyse uit voor de vervangingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u onderbouwen welke gezondheidsschade er nu nog precies is, ondanks dat de stikstof en fijnstofnormen vrijwel overal worden behaald? Welke definities dan wel normen hanteert u precies ter vaststelling van gezondheidsschade? Op welke doelstellingen stuurt u hierbij? Wanneer heeft de Kamer deze definitie en doelstellingen vastgesteld?
Voor de vaststelling van de gezondheidschade verwijs ik bijvoorbeeld naar het recent verschenen onderzoek van het RIVM en de Universiteit Utrecht dat laat zien dat fijnstof en stikstofdioxide in verband staan met sterfte door hart- en vaatziekten, luchtwegaandoeningen of longkanker3. Doelstelling is om te voldoen aan de Europese grenswaarden die gelden voor fijnstof en stikstofdioxide.
Jaarlijks wordt de Kamer over de stand van zaken geïnformeerd via de Monitoringsrapportage van het NSL. Ik stuur op het halen van de Europese grenswaarden, maar als aan deze waarden wordt voldaan dan is het werk nog niet af. Zoals aangegeven in de brief van 10 maart 2014 inzake de modernisering van het milieubeleid (Kamerstuk 28 663, nr. 55) is voor de gezondheid van onze inwoners een verdere verbetering van de luchtkwaliteit wenselijk.
Kunt u nader duiden met welke onzekerheidsmarges nu precies rekening wordt gehouden ten opzichte van de grenswaarden en op welke bijdrages u doelt? Welke definitie dan wel norm hanteert u ten behoeve van de vergroting van de robuustheid van de verwachtingen over het voldoen aan de grenswaarden? Kunt u aangeven wat u verstaat onder vergroting en wat verstaat u onder robuustheid?
De manier waarop wordt omgegaan met de onzekerheden wordt uitgelegd in de Monitoringsrapportage van het NSL. Tevens is over dit onderwerp een brief aan uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 30 175, nr. 218).
Bent u bekend met de Staat van Utrecht die kwaliteit geeft aan van de woon-, werk- en leefomgeving in het gebied van de provincie Utrecht? Hoe beoordeelt u de uitspraak op pagina 22 dat het verbeteren van de luchtkwaliteit, met de kanttekening dat het een (supra)nationaal vraagstuk betreft waarbij lokale maatregelen beperkt effect hebben? Wordt hiermee ook niet bevestigd dat milieuzones of andere maatregelen gericht op het pesten van automobilist en ondernemer totaal niet bijdragen aan de verbetering van de luchtkwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ken het rapport. De gemeenten maken hun eigen afweging bij het bepalen of een milieuzone ingezet wordt.
Wist u dat de Staat van Utrecht laat zien dat vracht- en autoritten in de regio gemiddeld 18% vertraging oplopen? Deelt u de mening dat deze vertragingen niet ten goede komen van de luchtkwaliteit? Zo ja, hoe staat een milieuzone die voor nog meer vertraging zorgt in verhouding met de doelstelling om de luchtkwaliteit te verbeteren?
Ik verwacht niet dat milieuzones tot vertraging leiden. De meeste ondernemers kunnen de zone immers gewoon inrijden.