Gepubliceerd: 17 september 2019
Indiener(s): Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-XV-2.html
ID: 35300-XV-2

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

       

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

4

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

7

 

2.1

Beleidsprioriteiten

7

 

2.2

Budgettaire ontwikkeling Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

23

 

2.3

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

29

 

2.4

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

31

 

2.5

Overzicht van risicoregelingen

32

       
 

3.

BELEIDSARTIKELEN

33

   

Artikel 1 Arbeidsmarkt

33

   

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

47

   

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

65

   

Artikel 4 Jonggehandicapten

76

   

Artikel 5 Werkloosheid

82

   

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

90

   

Artikel 7 Kinderopvang

99

   

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

107

   

Artikel 9 Nabestaanden

117

   

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

122

   

Artikel 11 Uitvoering

128

   

Artikel 12 Rijksbijdragen

135

   

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

138

       
 

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

148

   

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

148

   

Artikel 98 Algemeen

153

   

Artikel 99 Onverdeeld

155

       
 

5.

DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

156

   

5.1 Sociale fondsen SZW

156

   

5.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

160

   

5.3 Horizontale overzichtconstructie integratiebeleid etnische minderheden

181

       
 

6.

BIJLAGEN

182

   

Bijlage 6.1 Rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen

182

   

Bijlage 6.2 Verdiepingshoofdstuk

185

   

Bijlage 6.3 Moties en toezeggingen

217

   

Bijlage 6.4 Subsidieoverzicht

262

   

Bijlage 6.5 Overzicht evaluaties en overig onderzoek

266

   

Bijlage 6.6 Lijst van afkortingen

277

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het jaar 2020 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2020. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2020.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

B. BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1: LEESWIJZER

Opbouw begroting

De begroting van SZW is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 5 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 6 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid vallen en zijn enkele ingevolge de RBV verplichte tabellen opgenomen en toegelicht.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2020 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zeven van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2020 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2020 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat drie niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven en de middelen die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

Departementspecifieke informatie

Voor de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten» zijn geen RBV-modellen voorgeschreven. De horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is op de RBV gebaseerd, hoewel voor deze bijlage geen model is voorgeschreven.

Bijlagen

De begroting van SZW bevat zes bijlagen. De eerste vijf van deze bijlagen zijn op basis van de RBV verplicht. Deze bijlagen betreffen de bijlage Rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen, het Verdiepingshoofdstuk, de bijlage Moties en toezeggingen, het Subsidieoverzicht en het Overzicht evaluaties en overig onderzoek. De lijst van afkortingen is niet verplicht.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid) en in de verdiepingsbijlage wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De analyse in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid komt inhoudelijk in belangrijke mate overeen met de in de RBV voor de beleidsagenda voorgeschreven overzichtstabel van belangrijke beleidsmutaties. Laatstgenoemde tabel is daarom niet in de begroting 2020 van SZW opgenomen.

Groeiparagraaf

Met ingang van deze begroting zijn wijzigingen aangebracht in de tabellen met kerncijfers in de beleidsartikelen, zoals het aanpassen van een tabel, het omzetten van een tabel in een figuur of het toevoegen van een figuur. Het doel van deze wijzigingen is het vergroten van het inzicht in de doelstelling van het beleidsartikelen. De wijzigingen hebben betrekking op de volgende tabellen: 3.1.4, 3.1.5, 3.1.6, 3.2.5, 3.2.8, 3.2.11, 3.2.14, 3.3.4, 3.3.5, 3.4.2, 3.4.3, 3.5.5, 3.5.7, 3.6.6, 3.6.8, 3.7.2, 3.8.6, 3.8.7, 3.8.10, 3.9.6, 3.10.3 en 3.10.4. En op de volgende figuren: 3.1.1, 3.13.1, 3.13.2 en 3.13.3. De tabel in beleidsartikel 8 over de inkomensondersteuning AOW vervalt. In plaats van de tabel wordt een toelichting gegeven in de tekst. Naar aanleiding van het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 is in artikel 96, tabel 3.96.3, een indicator opgenomen over de tevredenheid van de medewerkers van de RSO.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet is in artikel 3.2 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de Comptabiliteitswet niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. macrobudgetbudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 7 (kinderopvang), 9 (Anw), 10 (tegemoetkoming ouders) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen (Tweede Kamer, 2010–2011, 21 501-20 nr. 537). Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbevelingen.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen

Het kabinet heeft zich verbonden aan het behalen van de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in 2030. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking coördineert de Nederlandse inzet op de SDG’s. In deze begroting is het daarvoor noodzakelijke beleid opgenomen voor wat betreft het domein van SZW. Het gaat met name om de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding, gendergelijkheid, goede banen en het verminderen van ongelijkheid.

HOOFDSTUK 2: BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten: naar een arbeidsmarkt met kansen voor iedereen

In de eerste helft van de regeerperiode hebben we belangrijke stappen gezet op het gebied van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en het pensioenstelsel, zoals aangekondigd in het regeerakkoord. Het kabinet sloot met de sociale partners een akkoord om het pensioenstelsel te hervormen. Met de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) op 1 januari 2020 creëren we een eerlijkere arbeidsmarkt door de verschillen tussen vast- en flexwerk te verkleinen. Ook neemt het kabinet maatregelen om de arbeidsmarktpositie van zzp’ers te versterken. Met de aanpak Leven Lang Ontwikkelen (LLO) zetten we stappen zodat mensen vitaal, flexibel en duurzaam inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt. Nooit eerder zijn zoveel maatregelen genomen om mensen te helpen hun problematische schulden de baas te worden en niet op achterstand te raken. En het kabinet wil meer mensen met een beperking aan het werk helpen en houden met de aanpak «Het Breed Offensief». Stap voor stap verkleint het kabinet zo de tegenstellingen op de arbeidsmarkt en werken we toe naar een arbeidsmarkt die kansen biedt aan iedereen. Want ongeacht hoe de arbeidsmarkt verandert, voorop staat dat iedereen moet kunnen meedoen. Werk is de sleutel tot een inkomen, maatschappelijke participatie en integratie.

De komende periode houden we de arbeidsmarkt fundamenteel tegen het licht en houden we een vinger aan de pols voor de onzekerheden op korte termijn. Voor de urgente problemen zijn de eerste stappen gezet. Maar er is meer nodig om een fundamentele stap te zetten. Om de arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken is de opdracht aan de commissie Regulering van werk een belangrijk vertrekpunt. Onder leiding van Hans Borstlap geeft deze commissie advies over de fundamentele vragen over de toekomst van regulering van werk, de sociale zekerheid en de fiscaliteit. Het kabinet verwacht dit advies eind 2019. Daarnaast zien we dat de Nederlandse economie er nog altijd goed voor staat, maar onzekerheid ligt op de loer. De economische groei vlakt af naar 1,4 procent en door internationale ontwikkelingen nemen de neerwaartse risico’s toe. De werkgelegenheid blijft in 2020 groeien, hoewel in minder hoog tempo dan de voorbije jaren. En de krapte op de arbeidsmarkt blijft aanhouden. Het kabinet houdt rekening met een lichte stijging van de werkloosheid. Het koopkrachtbeeld voor 2020 wordt grotendeels bepaald door een stijging van de reële lonen met 1%. Daarnaast vloeien er maatregelen voort uit het regeerakkoord die positief uitpakken voor de koopkracht, zoals een investering in het kindgebonden budget. Het kabinet verlaagt daarbovenop de inkomstenbelasting verder dan eerder gepland en verhoogt de zorgtoeslag om ervoor te zorgen dat huishoudens er meer op vooruitgaan. De mediane koopkrachtraming voor komend jaar komt uit op 2,0%. Maar koopkrachtverwachtingen blijven slechts de best mogelijke voorspellingen. Ontwikkelingen in iemands portemonnee hangen sterker af van de ontwikkelingen in de economie en de persoonlijke situatie, zoals meer uren gaan werken, promotie maken, gaan samenwonen, verhuizen of een kind krijgen.

We willen de arbeidsmarkt en sociale zekerheid verbeteren, maar dat kan alleen als maatregelen ook uitvoerbaar zijn voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties. Onze sociale zekerheid is een gezamenlijke investering in de stabiliteit van huishoudens die dat nodig hebben. Denk bijvoorbeeld aan jongeren die uitvallen op school, gezinnen met schulden en werkende armen. Problemen kunnen zich snel opstapelen met, naast stress en zorgen op persoonlijk vlak, kans op toenemende maatschappelijke kosten op het gebied van zorg, justitie en huisvesting. Met onze voorzieningen willen we dat iedereen kan meedoen en daarmee voorkomen we ook grotere uitgaven op lange termijn. De sociale zekerheid is daarmee van waarde voor zowel het individu als de samenleving als geheel. Daarom is het van groot belang dat maatregelen uitvoerbaar zijn voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties. Over de hele linie genomen voldoen onze uitvoeringsorganisaties aan de gestelde doelen. Tegelijkertijd hebben veel uitvoeringsorganisaties te maken met complexe netwerken van ICT-systemen. Dat bemoeilijkt de implementatie van nieuwe maatregelen. Maar het gaat over meer dan ICT. Een belangrijk punt is dat politiek, beleid en uitvoering niet hetzelfde ritme hebben. Het kabinet wil zeker stellen dat de uitvoering goede randvoorwaarden heeft en blijft houden om haar werk te doen. We starten daarom met een probleemanalyse van vier grote uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB, Belastingdienst en DUO) en ontwikkelen scenario’s waarmee we de uitvoering fundamenteel willen verbeteren en toekomstbestendig en wendbaar maken.

Hieronder gaan we verder in op de drie beleidsprioriteiten: 1) stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie, 2) stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving, en 3) beleid valt of staat met uitvoering en handhaving.

2.1.1 Stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie

Pensioenakkoord

Het kabinet heeft met sociale partners een pensioenakkoord gesloten. Dat akkoord was hard nodig, want het pensioenstelsel is dringend aan vernieuwing toe. In de afgelopen jaren zijn de kwetsbaarheden van het stelsel blootgelegd door de gestegen levensverwachting, de veranderende arbeidsmarkt en de financiële markten. Daarom wordt de pensioenopbouw toekomstbestendig en persoonlijker en de AOW-leeftijd stijgt minder snel. Op basis van advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt over een robuuster en persoonlijker tweede pijler pensioen dat beter past bij de moderne arbeidsmarkt. De infographic vat de gemaakte afspraken samen. De afspraken uit het pensioenakkoord werken we uit samen met sociale partners. Per 2022 moet het wettelijk kader voor de pensioenvernieuwing gereed zijn.

Tegelijk met het pensioenakkoord hebben we maatregelen aangekondigd voor mensen met zware beroepen. Met name mensen die nu vlak voor hun pensioen zitten voelen zich overvallen, mede door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd in 2015. Dit vraagt van werkgevers en werknemers blijvende aandacht voor duurzame inzetbaarheid. We stellen hiervoor vanaf 2020 tien miljoen euro structureel beschikbaar. Het wordt tijdelijk mogelijk voor sociale partners om oudere werknemers die niet in staat zijn om gezond door te werken tot de AOW-leeftijd eerder uit te laten treden. Sociale partners zullen per sector maatwerkafspraken maken over duurzame inzetbaarheid en de mogelijkheden om vervroegd uit te treden met gebruikmaking van de tijdelijke RVU-vrijstelling. Het kabinet stelt voor deze maatwerkaanpak vanaf 2021 vier keer € 200 miljoen beschikbaar.

Arbeidsmarkt in balans

Met de Wet arbeidsmarkt in balans neemt het kabinet maatregelen om de verschillen in kosten en de risico’s te verkleinen tussen vaste en flexibele contracten. Zodat niet instituties en kosten maar de aard van het werk bepalend is voor de contractvorm die wordt gekozen. In Nederland is een groot verschil tussen de bescherming die vaste en flexibele contracten bieden. Het vaste contract is heel vast en het flexibele contract heel flexibel. Werkgevers geven aan daarom huiverig te zijn hun werknemers een vast contract aan te bieden. De stapeling van kosten en risico’s schrikt hen af. Groepen werkenden belanden zo onnodig vaak in flexbanen en hebben nauwelijks perspectief op zekerheid. De Wet arbeidsmarkt in balans is een pakket van verschillende maatregelen. Hiermee krijgen mensen in een kwetsbare positie meer zekerheid in werk en inkomen terwijl flexwerk mogelijk blijft en voor werkgevers het vaste contract aantrekkelijker wordt. Deze maatregelen gaan grotendeels in per 1 januari 2020.

Arbeidsmarktpositie zelfstandigen

Het kabinet werkt hard aan de arbeidsmarktpositie van zelfstandigen. Uitgangspunt is dat wie voltijd werkt, van die inkomsten moet kunnen leven. Maar dat geldt niet voor een aanzienlijk deel van de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). In 2017 had 8,6% van de zzp-huishoudens een inkomen onder het bestaansminimum tegenover 1,6% van de werknemers. Voor zzp’ers met lage tarieven is het bovendien onmogelijk om te sparen voor werkloosheid en om zich te verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid. Om deze urgente problemen aan te pakken, is in het pensioenakkoord besloten tot het inrichten van een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen en is aan de sociale partners gevraagd deze in overleg met zzp-organisaties verder vorm te geven, met het oog op een kabinetsvoorstel. Daarnaast hebben we maatregelen aangekondigd die invulling geven aan het regeerakkoord. We gaan een minimumuurtarief van € 16 invoeren om de groep kwetsbare zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer bescherming te bieden. Bij zzp’ers met een uurtarief boven de € 75 gaan we ervan uit dat mensen kunnen sparen voor werkloosheid en pensioen en dat ze zich kunnen verzekeren. We willen hen meer ruimte geven om te ondernemen. Zij kunnen daarom straks kiezen voor een zelfstandigenverklaring. Hiermee kunnen ze vooraf met hun opdrachtgever afspreken dat ze als zelfstandig ondernemer werken en gevrijwaard zijn van loonheffingen, pensioenverplichtingen en cao-bepalingen. We gaan een webmodule inrichten om opdrachtgevers en opdrachtnemers meer duidelijkheid te bieden over de aard van de arbeidsrelatie en zo terughoudendheid bij opdrachtgevers om een zelfstandige in dienst te nemen zo veel mogelijk weg te nemen. De nieuwe wetgeving zal ingaan in 2021 en de webmodule in 2020. Ook verlagen we in stappen de zelfstandigenaftrek en verhogen we de arbeidskorting waardoor we het verschil tussen zzp’ers en werknemers verkleinen zonder dat zzp’ers (tot een inkomen van € 100.000) er op achteruit gaan. Deze maatregelen passen in het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden. Met de bovengenoemde maatregelen verwachten we ook stappen te zetten om de positie van werkende armen te verbeteren. Naast de eerdergenoemde problemen rond lage tarieven en onzekere inkomsten is ook het lage aantal gewerkte uren een veel genoemde oorzaak voor armoede onder werkenden. De groeiende groep werkende armen vraagt een brede maatschappelijke analyse, daarom gaan we met de SER het gesprek aan over hoe we het aantal werkende armen duurzaam gaan terugdringen.

Leven Lang Ontwikkelen

Ondertussen zet het kabinet in op Leven Lang Ontwikkelen. Een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is van groot belang om ervoor te zorgen dat mensen vitaal, flexibel en duurzaam inzetbaar blijven op een veranderende arbeidsmarkt. LLO is van belang voor de kwaliteit van de werkende beroepsbevolking. Het moet vanzelfsprekend worden dat werkenden en werkgevers investeren in de ontwikkeling tijdens de hele loopbaan. Focus ligt daarbij op eigen regie. We bieden duidelijkheid aan private partijen over de fiscale behandeling van private individuele leer- en ontwikkelbudgetten. En we werken aan een publiek leer- en ontwikkelbudget, dat de fiscale scholingsaftrek vervangt. Dit zogenoemde STAP-budget (STimulans ArbeidsmarktPositie) komt voor iedereen tot de AOW-gerechtigde leeftijd beschikbaar, zowel voor werkenden als werkzoekenden zonder baan. Naar verwachting kunnen circa tweehonderdduizend mensen per jaar aanspraak maken op een persoonlijk ontwikkelbudget. Verder werken we aan een subsidieregeling om LLO te stimuleren in het midden- en kleinbedrijf en de landbouw-, horeca- en recreatiesector. Werkzoekenden en kwetsbare werkenden zijn ook gebaat bij LLO.

Gezond en veilig werken

Nu mensen doorwerken tot een latere leeftijd is het extra belangrijk dat zij dat gezond en veilig kunnen doen. Werk mag niet leiden tot gezondheidsschade. Goede arbeidsomstandigheden zijn daarbij essentieel. Werkenden worden nog te vaak onverantwoord blootgesteld aan risico’s, bijvoorbeeld als het gaat om gevaarlijke stoffen. Het kabinet vindt preventie belangrijk. Elke werkgever moet gezondheids- en veiligheidsrisico’s inventariseren, hiervoor maatregelen treffen en deze evalueren. Dat wordt nog niet door alle (kleine) werkgevers gedaan, daarom zet het kabinet meer in op naleving hiervan. Met het programma «Preventie Beroepsziekten» ondersteunen we werkgevers bij het voorkomen van gezondheidsschade door blootstelling aan gevaarlijke stoffen en fysieke belasting. Schadeafhandelingen van beroepsziekten zoals ziekten die veroorzaakt zijn door chroom-6, moeten in de toekomst gemakkelijker worden, minder kostbaar en minder tijdrovend. Het kabinet heeft een commissie ingesteld die hierover gaat adviseren. In 2020 reageert het kabinet op het advies van deze commissie. En het kabinet kijkt vooruit. Technologie verandert het aanbod en de vraag naar arbeid, evenals de manier waarop vraag en aanbod bij elkaar komen. Dat noodzaakt tot het actualiseren van het overheidsbeleid voor gezond en veilig werken, daarom werkt het kabinet in 2020 aan de Arbovisie 2030.

Werk en zorg

Het kabinet kiest voor substantiële verlenging van het kraamverlof voor partners, om bij te dragen aan de ontwikkeling van het kind en gelijkwaardigheid op de arbeidsmarkt tussen man en vrouw. Sinds januari 2019 is daarom het geboorteverlof voor de partners verruimd van twee dagen naar een week. Vanaf 1 juli 2020 wordt dit verder aangevuld. Wie langer vrij wil, kan het eerste half jaar maximaal vijf weken extra geboorteverlof opnemen. In die periode hebben partners recht op een uitkering van 70 procent van het loon tot maximum dagloon. Het kabinet heeft kinderopvang aantrekkelijker gemaakt door te investeren in de betaalbaarheid en door maatregelen te nemen om de kwaliteit te verhogen. Ook wordt in 2020 bijna € 500 miljoen meer aan kindgebonden budget uitgekeerd aan ouderparen met middeninkomens. Hierdoor zullen zo’n 320.000 ouderparen die nu al kindgebonden budget ontvangen gemiddeld zo’n € 990 per jaar méér ontvangen. Daarnaast krijgen zo’n 294.000 ouderparen (opnieuw) recht op kindgebonden budget. Zij zullen gemiddeld zo’n € 610 per jaar ontvangen.

Toekomst van werk

Het kabinet wil de arbeidsmarkt sterk houden, nu en in de toekomst. De arbeidsmarkt heeft te maken met fundamentele veranderingen, denk aan de invloed van technologie. Daarnaast hebben mensen andere wensen over de vormgeving van hun werk dan vroeger. Daarom zijn, in aanvulling op de stappen die we nu nemen, grotere en fundamentelere aanpassingen nodig. Om de arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken is de opdracht aan de commissie Regulering van werk een belangrijk vertrekpunt. Onder leiding van Hans Borstlap zal de commissie advies geven over de fundamentele vragen over de toekomst van regulering van werk, de sociale zekerheid en de fiscaliteit. Ambtelijke werkgroepen richten zich de komende tijd op onderwerpen als «eerlijk werk», «talenten benutten op de arbeidsmarkt» en «naar een inclusieve samenleving». Ook internationaal werken we aan een goede inrichting van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. In de Europese Unie (EU) en in G20-verband is veel aandacht voor de toekomst van werk. In de EU maken we spelregels voor het vrij verkeer van werknemers en afspraken over de handhaving van die regels. Daarbij gaat het ook over toegang tot de sociale zekerheid. We streven naar een Europese economie waarin wordt geconcurreerd op innovatie en kwaliteit in plaats van op arbeidsvoorwaarden. Daarnaast zetten we in op regels over sociale zekerheid die handhaafbaar zijn, een activerend karakter hebben en dat uitkeringen zijn voorbehouden aan mensen die een band hebben met de lidstaat die de uitkering verstrekt.

2.1.2 Stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving

Het kabinet stimuleert mensen om te werken, onder meer omdat werk de sleutel is tot een inkomen, maatschappelijke participatie en integratie. Voor sommige mensen is het lastig om een baan te vinden, zoals mensen met een arbeidsbeperking of mensen met een migratie-achtergrond. En dit zijn ook de groepen waarvan de arbeidsmarktpositie onzekerder wordt wanneer de economische groei afneemt.

Perspectief op werk

Voor mensen met een beperking zijn we aan de slag met de aanpak «Het Breed Offensief». Het kabinet wil meer aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van de mensen om wie het gaat. En we maken het voor werkgevers eenvoudiger om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden. Een ander uitgangspunt is dat werken moet lonen. Een wetsvoorstel volgt in de tweede helft van 2019. Ook verbeteren we het perspectief op werk en inkomen van mensen met een Wajong-uitkering. Met de banenafspraak en de aanpak van arbeidsdiscriminatie steunen we mensen om mee te doen. Werkgevers liggen op koers voor 125 duizend extra banen eind 2025 voor mensen met een arbeidsbeperking. Werkgevers ervaren de huidige werkwijze Wet banenafspraak als complex. Dit pakken we aan door het systeem te vereenvoudigen, waarbij het niet langer uitmaakt bij wie iemand werkt, maar dát iemand werkt. Werkgevers, zowel uit de overheids- als de marktsector, kunnen samen extra banen realiseren.

Het kabinet wil dat mensen makkelijker aan het werk komen én blijven. Met het project Simpel Switchen willen we samen met alle betrokkenen drempels wegnemen om te gaan werken. Dit doen we door de veiligheid en zekerheid te bieden aan mensen om terug te vallen op de uitkering als dat toch nodig blijkt. We richten ons op mensen met een Wajong-uitkering, mensen die vallen onder de Participatiewet en mensen met een arbeidsbeperking. Zo regelen we bijvoorbeeld dat mensen die een uitkering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontvangen en gaan werken, de eerste vijf jaar geen herbeoordeling krijgen op basis van hun inkomsten. Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten regelmatig spreken met mensen die onder de Participatiewet vallen om stappen te zetten richting een baan. Daarbij kunnen belemmeringen spelen zoals zorgtaken, laaggeletterdheid of schulden. Een deel van de mensen heeft fysieke of psychische gezondheidsproblemen. Ook minder zelfredzame jongeren kunnen moeite hebben om aan de slag te komen en blijven. Gemeenten zijn bij uitstek de partij om mensen hierin te ondersteunen en de verbinding te leggen tussen bijvoorbeeld participatie, (jeugd)zorg en schuldhulpverlening. UWV is in 2018 gestart met de intensivering van de persoonlijke dienstverlening aan mensen met een WW-, WGA of Wajonguitkering en gaat hiermee door in 2020. In het najaar 2020 start het scholingsexperiment voor mensen met een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). We maken een leerwerkpakket, waarbij mensen op de werkvloer zich ontwikkelen met steun van een coach. Leren in de praktijk draagt bij aan duurzame inzetbaarheid. Specifiek voor werkzoekenden en werkenden zonder startkwalificatie lopen pilots met de praktijkverklaring in het middelbaar beroepsonderwijs.

We willen dat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker en sneller vinden. Samen met UWV en gemeenten verbetert het kabinet de werkgeversdienstverlening en de matching door ervoor te zorgen dat in elke arbeidsmarktregio één publiek aanspreekpunt voor werkgevers is, met hetzelfde basispakket aan dienstverlening, met inzichtelijke profielen van de werkzoekenden en een overzichtelijk pakket aan instrumenten en voorwaarden. Het kabinet past hiervoor de SUWI regelgeving aan en start met UWV en VNG een programma voor het verbeteren van het uitwisselen van matchingsgegevens. Ook werkgevers en private intermediairs doen mee. We geven de arbeidsmarktregio’s in 2020 opnieuw een extra impuls met € 35 miljoen om werkzoekenden aan het werk te helpen. Dat doen we vanuit het programma «Perspectief op werk», waarbij ook het onderwijs is betrokken.

Daarnaast werkt het kabinet aan gerichte aanpakken om de achterblijvende arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te verbeteren. Deze achterstand is hardnekkig en maakt dat iemand vanwege zijn herkomst minder kansen krijgt. Met acht pilots wil het kabinet verschillende beleidsopties testen om erachter te komen wat werkt om die achterstand te verkleinen. Dit is het programma «Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt» en in het najaar 2020 volgt een tussentijdse rapportage. We zorgen dat de uitkomsten kunnen worden toegepast bij werkgevers, scholen en gemeenten. Bijvoorbeeld op gebied van werving en selectie. Daarnaast willen we de wet wijzigen zodat de inspectie kan toezien op de aanwezigheid van wervings- en selectiebeleid met als doel (elke vorm van) discriminatie te voorkomen en tegen te gaan.

We blijven werken aan verbeteringen van het stelsel. Een belangrijk vertrekpunt daarvoor zijn de onderzoeken die volgen in het najaar van 2019, zoals de evaluatie van de Participatiewet (uitgevoerd door het SCP) en de evaluatie Wet banenafspraak. De wettelijke kaders bieden voor de meerderheid van de huishoudens een passende oplossing. Maar er ontstaat wrijving als mensen problemen ervaren op meerdere terreinen. Soms kan een maatregel die geschikt is binnen het ene domein, problematiek verergeren op een ander terrein. We zijn daarom een programma gestart waarbij we professionals in de uitvoering steviger in positie willen brengen om maatwerk te kunnen leveren. En met een kopgroep van tien gemeenten en hun professionals kijken we welke verdere aanpassingen nodig zijn in de wet.

Armoede en schulden

Ieder kind moet kunnen meedoen, ook kinderen uit een gezin met een laag inkomen. Armoede mag kinderen niet belemmeren bij hun ontwikkeling en talentontplooiing. Het kabinet heeft samen met gemeenten vier ambities geformuleerd om in 2021 nagenoeg alle kinderen in armoede te bereiken, zodat ieder kind dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit kan meedoen. Extra aandacht gaat daarbij uit naar werkende armen met kinderen. Dit is een grote groep, die nog onvoldoende wordt bereikt. Om het aantal huishoudens met kinderen met een laag inkomen te verkleinen, verhogen we het besteedbaar inkomen van de ouders met een laag inkomen. En maken we werken, en meer uren werken, lonender door een verhoging van de loonheffingskorting. Het kabinet trekt, naast algemene maatregelen om armoede onder gezinnen tegen te gaan, sinds 2017 jaarlijks € 100 miljoen extra uit om de armoede onder kinderen aan te pakken. Daarvan is € 1 miljoen voor kinderen in Caribisch Nederland. Ook heeft dit kabinet incidenteel € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede – in het bijzonder onder kinderen. Kansrijk opgroeien gaat over meer dan alleen het inkomen, daarom willen we regelmatig inzicht in de kans op armoede onder kinderen.

Nooit eerder zijn zoveel maatregelen genomen om mensen te helpen hun problematische schulden de baas te worden, tegelijkertijd hebben we nog veel te doen. Als mensen vastlopen in schulden, levert dat alleen maar verliezers op. De complexiteit van de samenleving, met onder andere uitkeringen- en toeslagensystematiek, speelt een rol bij het ontstaan van schulden. Over de toeslagen loopt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek waarop het kabinet zal reageren. Het kabinet wil dat mensen met financiële problemen tijdig hulp zoeken bij familie, vrienden, de gemeente of maatschappelijk werk. Om schulden bespreekbaar te maken is het kabinet een campagne gestart. Centraal staan schuldenambassadeurs die voor hun schuldprobleem uitkomen. Preventie en vroegsignalering van schulden is belangrijk, daarom willen we gemeenten expliciet toestaan vroegtijdig signalen over betalingsachterstanden te gebruiken. Een wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is daartoe in voorbereiding. Samen met gemeenten zet het kabinet zich in voor een betere kwaliteit en toegankelijkheid van de schuldhulpverlening. Mede daarom verlengen we het professionaliseringsprogramma «Schouders eronder». En het kabinet wil voorkomen dat een schuldensituatie onnodig oploopt. Dat vraagt dat een schuldenaar de zekerheid heeft van voldoende inkomen om van te leven. Een correct toegepaste beslagvrije voet door alle beslagleggers draagt daaraan bij. Daarom werkt het kabinet hard aan implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.

Samenleving en integratie

De snelste weg voor inburgeraars om mee te doen in de maatschappij is het leren van de Nederlandse taal en het vinden van een baan. Daarom werken we aan een nieuw inburgeringsstelsel dat moet ingaan in 2021. De verantwoordelijkheid blijft bij de inburgeraars, maar zij krijgen de benodigde ondersteuning van de gemeenten. Nu al testen gemeenten nieuwe instrumenten en werkwijzen in de praktijk. Daarnaast stelt het kabinet net zoals in 2019 ook in 2020 € 20 miljoen beschikbaar aan gemeenten, onder andere voor de ondersteuning en begeleiding van de huidige groep inburgeraars.

Het kabinet zet zich in voor een samenleving waarin we elkaar de ruimte geven en we ons allemaal thuis voelen. Gedrag dat schade doet aan anderen en aan de overheid wordt aangepakt, zoals vormen van actieve onverdraagzaamheid. Hoewel het vaak gaat om niet-strafbare gedragingen, mogen deze geen plek hebben in een open samenleving. De Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Financiering coördineert en versterkt de interdepartementale inzet op het gebied van deze thema’s en ondersteunt gemeenten bij het opstellen van hun aanpak. Het programma «Samenleven» loopt door in 2020. Dit programma faciliteert de bevordering van het samenleven van mensen met een diverse achtergrond (herkomst, religie, etnisch).

Verbetering levensomstandigheden Caribisch Nederland

Het kabinet werkt aan de verbetering van de levensomstandigheden in Caribisch Nederland. Het kabinet heeft met het vaststellen van een ijkpunt voor het sociaal minimum een belangrijke stap gezet om de situatie van de inwoners op de eilanden te verbeteren. De inkomens van inwoners van Caribisch Nederland moeten omhoog en de kosten van levensonderhoud omlaag. Per 1 januari 2020 verhogen we het minimumloon met 5% op Bonaire en Saba en met 2% op Sint-Eustatius. Hierdoor stijgen ook de uitkeringen mee. Ouders met kinderen krijgen vanaf volgend jaar maandelijks circa 20 dollar meer kinderbijslag per kind, een verhoging van 17,50 dollar bovenop de al aangekondigde verhoging van 2,50 dollar. Het kabinet is daarnaast met de eilanden het programma «BES(t) 4 kids» gestart om de kinderopvang en buitenschoolse opvang toegankelijk te maken voor alle ouders en de kwaliteit te verbeteren. Vooruitlopend op de uitwerking van een structurele regeling in 2022 zetten we in 2020 de eerste stappen. Hiervoor is € 9,8 miljoen beschikbaar in 2020. Het kabinet stimuleert goede arbeidsomstandigheden in Caribisch Nederland. Op 1 januari 2021 treedt een nieuwe wet in werking waarmee we de basis neerzetten voor een modern stelsel van gezond en veilig werken. We ondersteunen werkgevers en werknemers in aanloop naar de wet. We versterken de eilandelijke taak van arbeidsbemiddeling en de ondersteuning voor werken met een beperking en we verbeteren de dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers. Zo realiseren we samen met het openbaar lichaam Bonaire een gemeenschappelijk jobcentrum.

2.1.3 Beleid valt of staat met uitvoering en handhaving

Uitvoering

We willen de arbeidsmarkt en sociale zekerheid verbeteren, maar dat kan alleen als de hiervoor genoemde maatregelen ook uitvoerbaar zijn voor gemeenten, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen. Het kabinet betrekt hen daarom intensief bij de uitwerking van nieuw beleid. Niet alles kan gelijktijdig worden opgepakt. Dat betekent dat er geprioriteerd en geïnvesteerd wordt en dat de uitvoering tijd nodig heeft om nieuw beleid te implementeren. We zijn ons ervan bewust dat het voor uitvoeringsorganisaties een grote uitdaging is om tegelijkertijd te werken aan nieuw beleid, noodzakelijke vernieuwing en het borgen van de continuïteit. Burgers en bedrijven ervaren in toenemende mate de gevolgen hiervan. Veel uitvoeringsorganisaties hebben te maken met complexe netwerken van ICT-systemen. Dat maakt het steeds moeilijker om nieuwe functies bij te bouwen en onderhoud te plegen. Maar het gaat over meer dan ICT. Een belangrijk punt is dat politiek, beleid en uitvoering niet hetzelfde ritme hebben. De uitdagingen vragen een aanpak die het domein van SZW overstijgt en waarbij uitvoering, de departementen en de politiek gezamenlijk optrekken. Het kabinet ziet het belang hiervan in en heeft een taakopdracht geformuleerd voor een probleemanalyse, gericht op vier grote uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB, Belastingdienst en DUO). In het voorjaar van 2020 komt het kabinet met een probleemanalyse en verschillende scenario’s voor het fundamenteel verbeteren en het toekomstbestendig en wendbaar maken van deze vier grote uitvoeringsorganisaties. Met de analyse en scenario’s zal het kabinet bezien hoe de uitvoering (naast de vier eerder genoemde uitvoeringsorganisaties) ook breder en op een innovatieve manier kan worden versterkt zodat burgers en bedrijven daadwerkelijk ervaren dat de overheid er voor hen is.

Over de hele linie genomen voldoen onze uitvoeringsorganisaties aan de gestelde doelen, maar bij UWV moeten ook echt zaken verbeteren. Wat goed gaat zijn de betalingen, medewerkers werken met grote betrokkenheid en burgers zijn overwegend tevreden over de dienstverlening en toegankelijkheid. Mensen kunnen op veel verschillende manieren contact opnemen met UWV. Tegelijkertijd spelen bij UWV de nodige uitdagingen en risico’s en zijn de prestaties onderwerp van brede belangstelling. Daarom wordt gewerkt aan een nieuwe balans tussen dienstverlening en handhaving. Ook investeert UWV in het beter en sneller expliciteren van dilemma’s in de uitvoering, opdat die ook beter politiek gewogen kunnen worden. Samen met UWV heeft het kabinet een groot aantal maatregelen afgesproken om fraude met uitkeringen te voorkomen. Veel daarvan staat inmiddels op de rails. Zo gaat UWV een afwegingskader gebruiken om een heldere afweging te maken tussen het niveau van dienstverlening en de mate van fraudebestrijding, en om te bepalen of de risico's die overblijven aanvaardbaar zijn. WW-fraude wordt streng aangepakt door adrescontroles te verscherpen, door verwijtbare werkloosheid aan te pakken en alert te zijn op nieuwe fraudefenomenen. Daarnaast hebben we maatregelen in gang gezet waarmee UWV de informatievoorziening aan SZW verbetert. Daarom heeft UWV de Raad van Bestuur versterkt en werkt UWV aan de intensivering van het risicomanagement, de versterking van het Audit Advies Committee en investering in vakmanschap. Specifiek voor de SVB vormt de internationale component van de uitvoering een stevige opgave.

Handhaving

Handhaving is van groot belang voor de werking van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Misbruik ondermijnt het draagvlak voor ons sociale stelsel, veroorzaakt oneerlijke concurrentie en brengt de gezondheid en veiligheid van werkenden op de arbeidsmarkt in gevaar. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels in de sociale zekerheid en op de arbeidsmarkt ligt in de eerste instantie bij burgers en bedrijven zelf. De meeste burgers en bedrijven leven de regels na. Vanuit preventief oogpunt willen wij burgers en bedrijven stimuleren en helpen om de regels na te leven, bijvoorbeeld met gerichte communicatie. Tegelijkertijd staan wij voor een gepaste reactie als burgers en bedrijven toch de regels overtreden. En indien nodig leggen we sancties op. We verdubbelen de inzet van het team arbeidsmarktdiscriminatie van de Inspectie SZW vanuit de daartoe toegekende extra middelen.

Het kabinet versterkt de handhaving op drie manieren: door slimmer te werken, door een internationaal gelijk speelveld te creëren en door fors te investeren in de Inspectie SZW. Het versterken van de handhaving doet het kabinet samen met UWV, SVB, gemeenten en de inspectie SZW. Via het fraudeberaad wordt kennis gedeeld en aanpakken op elkaar afgestemd, want fraudefenomenen gaan verder dan alleen de sociale zekerheid en de nationale grenzen. De handhavingspraktijk van de Inspectie SZW wijst dat uit want die bestrijkt naast de opsporing van georganiseerde fraude met socialezekerheidsregelingen tevens de (bestuursrechtelijke) handhaving op veilig, gezond en eerlijk werken. Slimmer werken betekent dat we heel gericht handhaven en meer data delen, ook op Europees niveau, en gebruik maken van gedragswetenschappelijke inzichten. We creëren een internationaal gelijk speelveld voor bedrijven en werknemers om te voorkomen dat op arbeidsvoorwaarden wordt geconcurreerd. We verwachten dat de nieuw opgerichte Europese Arbeidsautoriteit (ELA) bijdraagt aan de aanpak van grensoverschrijdende fraude en misbruik op sociaal terrein. Met ELA bundelen we kennis en inzichten van de nationale inspecties en uitvoeringsinstellingen. Het kabinet investeert fors in de Inspectie SZW om de taken te versterken op gebied van handhaving en fraudebestrijding. Deze middelen zijn met name bedoeld voor de bevordering van een eerlijke arbeidsmarkt en de bevordering van gezond en veilig werken. Het kabinet wil voorkomen dat mensen met een bijstandsuitkering die vermogen verzwijgen en daarvoor zijn beboet direct weer een uitkering kunnen krijgen. Een wet hierover is in voorbereiding.

Het kabinet is bezorgd over misstanden op het gebied van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en huisvesting van de circa 400.000 in Nederland werkzame arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten leveren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie. Het kabinet pakt misstanden bij arbeidsmigranten aan en bevordert goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor arbeidsmigranten en goed werkgeverschap bij bedrijven. Mede dankzij de capaciteitsuitbreiding van de Inspectie SZW kan de aanpak van misstanden verder worden versterkt. Het kabinet werkt samen met decentrale overheden, sociale partners en maatschappelijke organisaties aan voldoende en goede huisvesting voor arbeidsmigranten.

2.1.4 Kerncijfers

Fraude en handhaving UWV, SVB en gemeenten

Kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, de SVB en gemeenten staan in tabellen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3. Bij de SVB is een lichte groei van het aantal opgespoorde overtredingen en een kleine daling van het opgelegde boetebedrag. De ontwikkeling van de incassoratio is consistent met eerdere jaren. De sanctionering bij UWV neemt af als gevolg van het dalend aantal WW-uitkeringen en doordat er sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid al bij de uitkeringsverstrekking rekening wordt gehouden met de inkomsten van een WW-gerechtigde. De kerncijfers opsporing van de gemeenten tonen een lichte groei in het aantal vorderingen wegens geconstateerde overtreding van de inlichtingenplicht. Het totale benadelingsbedrag is de laatste jaren stabiel. De incassoratio van gemeenten blijft iets achter bij UWV en de SVB. Dit is te verklaren door het beperkte aflossingsvermogen van deze debiteuren. De kerncijfers opsporing van UWV zijn in 2018 sterk gedaald. Overeenkomstig zijn ook het aantal boetes en waarschuwingen lager dan in voorgaande jaren. Dit is vooral terug te voeren op een daling van het aantal geconstateerde overtredingen bij uitvoering van de Werkloosheidswet. De berekening van de incassoratio van UWV is gewijzigd.1 Hierdoor komt het bij sommige uitkeringen voor dat de incassoratio in 2018 iets terugloopt ten opzichte van 2017.

Tabel 2.1 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag

(x € 1 mln)

 

2016

2017

2018

2016

2017

2018

UWV1

19

19

8,0

41

47

26

SVB2

3,1

3,5

3,9

8,7

7,8

7,9

Gemeenten3

304

314

33

71

69

70

Totaal

121

123

104

X Noot
1

Jaarverslag UWV.

X Noot
2

Jaarverslag SVB.

X Noot
3

CBS, Bijstands- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Betreft het aantal vorderingen vawege een overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Vanwege het definiteverschil wordt geen totaal weergegeven.

Tabel 2.1.2 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes

(x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag

(x € 1 mln.)

Aantal waarschuwingen

(x 1.000)

 

2016

2017

2018

2016

2017

2018

2016

2017

2018

UWV1

17,2

12,7

4,9

9,7

7,6

4,4

8,6

8,6

5,8

SVB2

2,5

2,4

1,8

1,6

1,7

1,3

5,5

7,0

5,0

Gemeenten3

11,4

11,3

13,7

9,0

8,8

8,7

4

10,1

11,3

Totaal

31,1

26,4

20,3

21

18

14

4

26

22

X Noot
1

Jaarverslag UWV.

X Noot
2

Jaarverslag SVB.

X Noot
3

CBS, Bijstands- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Niet beschikbaar.

Tabel 2.1.3 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2018 (%)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

UWV1

78

72

71

63

51

33

SVB2

68

51

51

48

43

21

Gemeenten3

50

36

34

31

25

14

X Noot
1

Jaarverslag UWV.

X Noot
2

Jaarverslag SVB.

X Noot
3

CBS, Bijstands- en fraudestatistiek.

Re-integratie

Tabel 2.1.4 geeft weer hoeveel mensen met een arbeidsbeperking UWV aan het werk heeft geholpen. In 2018 vonden 13.300 mensen met een arbeidsbeperking een baan; iets meer dan in 2017. De daling van het aantal plaatsingen van mensen met een Ziektewetuitkering is waarschijnlijk het gevolg van een verandering in het inkoopkader.

Tabel 2.1.4 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1, 2
 

2016

2017

2018

Streefwaarde 2020

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

400

300

400

3

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

2.000

1.800

1.000

3

Mensen met recht op WIA-uitkering

2.400

2.500

2.900

4

Mensen met recht op Wajong

7.700

8.400

9.000

8.000

Totaal

12.500

13.000

13.300

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard geteld. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard geteld. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen geteld.

X Noot
3

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

X Noot
4

Bij het ontwikkelen van de persoonlijke dienstverlening met de extra middelen van het kabinet wordt tevens ingezet op een verbetering van het inzicht in de resultaten van deze dienstverlening. Hierdoor kunnen naar verwachting in de toekomst ook voor de WIA-streefwaarden worden opgesteld.

2.2 Budgettaire ontwikkeling Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken dat voor mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand) die het gevolg zijn van de conjunctuur het uitgavenplafond wordt aangepast. Dit bevordert de automatische stabilisatie van de overheidsfinanciën. Voor beleidsmatige mutaties van werkloosheidsuitgaven en bijstand wordt het plafond niet aangepast. Daarnaast wordt het plafond aangepast voor loon- en prijsontwikkelingen.

2.2.1 Opbouw Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid bevat zowel uitgaven van regelingen die begrotingsgefinancierd zijn als uitgaven van regelingen die premiegefinancierd zijn. De begrotingsgefinancierde uitgaven zijn onderdeel van de rijksbegroting en worden door het ministerie gedaan. De premiegefinancierde uitgaven komen ten laste van de sociale fondsen: deze uitgaven worden gedaan door UWV en SVB. Tabel 2.2.1 bevat een toelichting op de opbouw van de uitgaven die tot het uitgavenplafond Sociale Zekerheid worden gerekend.

Tabel 2.2.1 Opbouw SZ-uitgaven (x € 1 mld)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

39,4

39,7

40,1

40,4

40,8

41,3

–/– Dubbeltelling rijksbijdragen

17,4

16,9

17,6

17,8

17,9

18,3

–/– Uitgaven Rijksbegroting eng

0,6

0,7

0,6

0,6

0,6

0,6

–/– Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

0,7

0,6

0,6

0,7

0,7

0,6

+ Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,4

0,9

1,3

1,8

2,2

+ Overig

0,0

0,0

0,2

0,2

0,2

0,2

A. SZ-uitgaven begroting

20,7

22,0

22,4

22,9

23,5

24,2

             

Totaal uitgaven premiegefinancierd

58,5

61,6

63,9

65,8

68,1

70,7

–/– Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

B. SZ-uitgaven premie

58,2

61,3

63,6

65,5

67,9

70,4

             

C. Integratie-uitkering participatie

2,0

1,9

1,8

1,8

1,7

1,7

             

Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B+C)

80,9

85,2

87,8

90,3

93,2

96,3

Allereerst wordt voor een dubbeltelling gecorrigeerd omdat sociale fondsen voor een deel worden gefinancierd uit begrotingsmiddelen (correctie rijksbijdragen). Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds, die nodig is omdat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de AOW-uitgaven te dekken. In 2020 worden de uitgaven onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid hierdoor met € 16,9 miljard gecorrigeerd. Tevens vallen de apparaatuitgaven van SZW en enkele andere uitgaven niet onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid maar onder het Uitgavenplafond Rijksbegroting (€ 0,7 miljard). Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend wordt eveneens gecorrigeerd: € 0,6 miljard (terugontvangsten Kinderopvang en Tegemoetkoming ouders). Het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt in lopende prijzen uitgedrukt, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen staan de hiervoor gereserveerde middelen (€ 0,4 miljard) niet op de SZW-begroting, maar op een afzonderlijke begrotingspost die door de Minister van Financiën wordt beheerd. De premiegefinancierde uitgaven zijn al uitgedrukt in lopende prijzen. De post overig bestaat uit middelen die op de aanvullende post bij Financiën staan. Hierin is de in=uit-taakstelling ook verwerkt, dit is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Met de eindejaarsmarge worden middelen toegevoegd aan het volgende jaar, wat leidt tot uitgaven bovenop het afgesproken plafond. De in=uittaakstelling wordt geboekt om te voorkomen dat het plafond door het toevoegen van de eindejaarsmarge wordt overschreden.

De middelen voor de Wsw en het participatiebudget maken onderdeel uit van de integratie-uitkering participatie en staan daarom niet in de SZW-begroting. De uitgaven zijn wel onderdeel van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid en worden bijgeteld. In het regeerakkoord Rutte III is opgenomen dat de integreerbare delen van de integratie-uitkering overgaan naar de algemene uitkering. Vanaf 2019 lopen de middelen in de integratie-uitkering langzaam af vanwege het afsluiten van de toegang tot de Wsw. In lopende prijzen bedragen de uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2020 € 85,2 miljard.

2.2.2 Uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2019-2024

In tabel 2.2.2 wordt de opbouw van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. De totale uitgaven van € 80,9 miljard in 2019 stijgen naar € 96,3 miljard in 2024. Dit is een toename van € 15,4 miljard in vijf jaar tijd. Deze stijging wordt voor een groot deel veroorzaakt door de aanpassing van de uitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling. Hiervoor is aan het slot van de tabel een post nominale ontwikkeling opgenomen. Deze post bedraagt € 9,8 miljard in 2024. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling stijgen de uitgaven van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid met € 5,6 miljard. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2019 t/m 2024 is te vinden in de Horizontale toelichting (bijlage Miljoenennota).

Tabel 2.2.2 toont dat voor 2020 de grootste uitgavenpost binnen het plafond de AOW is (€ 39,2 miljard), gevolgd door de arbeidsongeschiktheidregelingen (€ 13,5 miljard). De resterende grotere uitkeringsregelingen zijn werkloosheidsregelingen (WW en Bijstand tezamen € 9,6 miljard) en de kindregelingen (€ 9,3 miljard). De uitgaven aan de AOW stijgen in 2020, met name dankzij de temporisering van de stijging van de AOW-leeftijd. De uitgaven aan kindregelingen stijgen dankzij de intensiveringen uit het regeerakkoord.

Tabel 2.2.2 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2019–2024 (x € 1 mld)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Arbeidsmarkt

           

LIV/LKV

0,8

0,8

0,6

0,6

0,6

0,6

             

Werkloosheid/Bijstand

           

WW-uitgaven (werkloosheid)

3,7

3,5

3,7

3,8

4,0

4,2

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand) en intertemporele tegemoetkoming

6,1

6,1

6,3

6,4

6,6

6,7

             

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

           

WIA/WAO/WAZ/Wajong

13,4

13,5

13,5

13,6

13,8

14,0

ZW/WAZO/Transitievergoeding

3,0

3,8

3,5

3,3

3,4

3,4

             

Ouderdom/Nabestaanden

           

MKOB

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

AOW

38,5

39,2

40,0

40,3

40,6

41,0

Inkomensondersteuning AOW

0,9

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Anw

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

             

Kinderopvang en kindregelingen

           

KOT

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,2

AKW/WKB

5,8

6,3

6,1

6,0

6,0

6,0

             

Re-integratie/Participatie

           

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Wsw-budget

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Participatiebudget gemeenten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Integratie-uitkering participatie

2,0

1,9

1,8

1,8

1,7

1,7

             

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

           

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,0

2,1

2,1

2,1

2,2

2,2

Overige uitgaven

1,1

1,3

1,7

1,7

1,9

2,0

             

Nominale ontwikkeling

0,0

2,0

4,0

5,8

7,8

9,8

             

Totaal SZ-uitgaven

80,9

85,2

87,8

90,3

93,2

96,3

2.2.3 Mutaties uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2019–2024

Tabel 2.2.3 geeft de mutaties weer tussen ontwerpbegroting 2019 en de ontwerpbegroting 2020. Het grootste verschil ontstaat door het minder snel laten stijgen van de AOW-leeftijd.

Tabel 2.2.3 Mutaties SZW-uitgaven sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2019

81,2

84,9

87,5

90,3

94,0

 

Arbeidsmarkt

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

 

Werkloosheid/Bijstand

– 0,1

0,1

0,2

0,3

0,3

 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

0,0

– 0,1

– 0,1

0,0

– 0,1

 

Ouderdom/Nabestaanden

– 0,1

0,3

0,8

0,8

0,5

 

Kinderopvang en kindregelingen

0,2

0,3

0,1

0,1

0,1

 

Re-integratie/Participatie

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

 

Overige uitgaven

– 0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

 

Nominalen

– 0,1

– 0,4

– 0,9

– 1,3

– 1,7

 

Brutering SZ

0,0

0,1

0,0

0,0

– 0,1

 

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2020

80,9

85,2

87,8

90,3

93,2

96,3

2.2.4 Uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid en toetsing aan ijklijn

De ijklijn van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor prijsontwikkelingen, mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand) die het gevolg zijn van de conjunctuur, overboekingen en statistische correcties. Als gevolg hiervan is de ijklijn voor het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2020 met € 0,6 miljard verlaagd.

Tabel 2.2.4 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2019

2020

IJklijn SZ-plafond regeerakkoord

82,0

85,6

Correcties

– 0,4

– 0,6

IJklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2020

81,6

85,0

De actuele uitgavenramingen Uitgavenplafond Sociale Zekerheid, zoals deze zijn weergegeven in tabel 2.2.3, dienen volgens de regels budgetdiscipline voor 2020 te worden getoetst aan de actuele ijklijn Uitgavenplafond Sociale Zekerheid zoals weergegeven in tabel 2.2.4. Deze plafondtoetsing wordt weergegeven in tabel 2.2.5. De uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid zijn in 2020 bijgesteld naar € 85,2 miljard, terwijl de ijklijn uitkomt op € 85,0 miljard. Hiermee wordt de ijklijn in 2020 overschreden, namelijk met afgerond € 0,3 miljard.

Tabel 2.2.5 Toetsing uitgaven aan het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid (x € 1 mld)
 

2019

2020

Totale SZ-uitgaven

80,9

85,2

IJklijn SZ-uitgaven

81,6

85,0

Over-/onderschrijding ijklijn SZ

– 0,6

0,3

2.2.6 Mutaties uitgaven pensioenakkoord 2019-2024

Het kabinet heeft met de sociale partners een pensioenakkoord gesloten over de vernieuwing van het pensioenstelsel, een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd, een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en over een pakket maatregelen op het gebied van duurzame inzetbaarheid (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457). Het pensioenakkoord heeft gevolgen voor de begroting van 2020 en de jaren daarna. Tabel 2.2.6 geeft de budgettaire gevolgen van het pensioenakkoord aan de uitgavenkant van de begroting weer. Hierbij is aangegeven op welke begrotingsartikelen deze effecten zijn verwerkt.

Het temporiseren van de verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot hogere uitgaven aan de AOW en lagere uitgaven aan andere uitkeringsregelingen zoals de bijstand, WW en arbeidsongeschiktheid. Per saldo leidt dit tot hogere uitgaven. In tabel 2.2.6 is per artikel weergegeven wat het bevriezen van de AOW-leeftijd in 2020 en 2021, en het temporiseren van de verhoging van de AOW-leeftijd in de jaren daarna, voor budgettaire effecten op de begroting heeft.

De versoepeling van de RVU-heffing leidt er naar verwachting toe dat meer mensen vervroegd uittreden. Een deel van deze mensen kan aanspraak maken op een WW-uitkering, bijvoorbeeld doordat er sprake is van functioneel leeftijdsontslag. Dit leidt tot een toename van de WW-uitkeringslasten. Daarmee samenhangend nemen ook de TW- en IOW-uitkeringslasten toe, net als de uitvoeringskosten UWV.

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) wordt daarom met ingang van 2020 gehalveerd en met ingang van 2024 afgeschaft. Het hoge tarief van het Lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt met ingang van 2020 gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 euro per jaar.

Het kabinet wil werkgevers en werknemers ondersteunen bij het vormgeven van duurzaam inzetbaarheidsbeleid via een meerjarig integraal investeringsprogramma voor duurzame inzetbaarheid. Het kabinet stelt hiervoor structureel een budget beschikbaar ter grootte van € 10 miljoen per jaar als bijdrage aan beleid gericht op gezond doorwerken tot het pensioen.

Het kabinet stelt incidenteel € 800 miljoen beschikbaar (€ 200 miljoen per jaar vanaf 2021) zodat sociale partners op cao-niveau afspraken kunnen maken over het faciliteren van langer doorwerken. Deze middelen staan op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën.

Tabel 2.2.6 Mutaties tbv pensioenakkoord (x € 1 mln)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

AOW bevriezen in 2020 en 2021, 67 in 2024

           

Artikel 2 (TW, AIO, Bijstand, BBZ, IOAW, IOAZ)

0,0

– 35,3

– 79,0

– 89,1

– 66,1

– 46,0

Artikel 3 (IVA, WGA, WAO, WAZ)

0,0

– 186,0

– 411,0

– 452,0

– 305,0

– 178,0

Artikel 4 (Wajong)

0,0

– 7,6

– 16,0

– 15,4

– 10,9

– 6,8

Artikel 5 (WW, IOW)

0,0

– 49,9

– 93,4

– 102,1

– 74,6

– 44,0

Artikel 6 (ZW)

0,0

0,0

– 2,3

– 4,0

– 4,3

– 2,8

Artikel 8 (AOW, IOAOW, OBR)

0,0

678,2

1.486,0

1.617,5

1.092,3

656,2

Artikel 9 (Anw)

0,0

– 11,1

– 22,9

– 23,5

– 15,7

– 8,6

Artikel 11 (Uitvoeringskosten SVB en UWV)

2,5

0,9

– 4,2

– 5,8

– 4,3

– 4,2

Artikel 13 (Remigratiewet)

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,2

0,0

0,1

             

RVU drempelbedrag 3 jaar voor AOW leeftijd

           

Artikel 2 (TW)

0,0

0,0

3,0

3,0

3,0

3,0

Artikel 5 (WW, IOW)

0,0

0,0

43,0

43,0

43,0

43,0

Artikel 11 (Uitvoeringskosten UWV)

0,0

0,0

4,0

4,0

4,0

4,0

             

Artikel 1: dekking

           

Jeugd-LIV uitfaseren en afschaffen per 2024

0,0

0,0

– 41,4

– 41,4

– 41,4

– 38,8

Hoge tarief LIV van € 2.000 naar € 1.000

0,0

0,0

– 121,3

– 120,2

– 120,0

– 119,7

Overige dekking Wtl-domein (LIV/LKV)

0,0

0,0

0,0

– 14,3

– 14,3

– 14,3

             

Duurzame inzetbaarheid

           

Artikel 1: DI Inzet leven lang ontwikkelen

0,0

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Aanvullende post: DI Sectoraal maatwerk

0,0

0,0

200,0

200,0

200,0

200,0

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Art. nr.

Naam artikel

Uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (%)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (%)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

1

Arbeidsmarkt

890.667

867.655

97,4

23.012

2,6

Subsidies (12.649) en Opdrachten (10.363)

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

7.002.798

6.981.978

99,7

20.820

0,3

Subsidies (2.978) en Opdrachten (17.842)

3

Arbeidsongeschiktheid

3.878

878

22,6

3.000

77,4

Bijdragen aan ZBO's/RWT's (3.000)

4

Jonggehandicapten

3.386.123

3.386.123

100

0

0,0

 

5

Werkloosheid

116.911

116.911

100

0

0,0

 

6

Ziekte en zwangerschap

11.981

11.981

100

0

0,0

 

7

Kinderopvang

3.461.212

3.436.735

99,3

24.477

0,7

Subsidies (1.658), Opdrachten (12.292) en Bijdragen aan agentschappen (10.527)

8

Oudedagsvoorziening

25.100

25.100

100

0

0,0

 

9

Nabestaanden

1.227

1.227

100

0

0,0

 

10

Tegemoetkoming ouders

6.550.142

6.550.142

100

0

0,0

 

11

Uitvoering

499.637

499.637

100

0

0,0

 

12

Rijksbijdragen

16.901.655

16.901.655

100

0

0,0

 

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

252.368

245.154

97,1

7.214

2,9

Subsidies (4.285) en Opdrachten (2.929)

               
 

Totaal niet-juridisch verplichte uitgaven

     

78.523

   

Toelichting

De uitgaven op de beleidsartikelen van SZW zijn voor 99,8% juridisch verplicht voor het jaar 2020. Het hoge percentage komt doordat een groot deel van de SZW-begrotingsuitgaven voortvloeien uit bestaande wetgeving die het parlement reeds aanvaard heeft. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inkomensoverdrachten uit hoofde van de Participatiewet, de Wajong en de Kinderopvangtoeslag, maar ook voor de rijksbijdragen en de tegemoetkomingen voor ouders. Een wijziging in deze uitgaven vereist een wijziging van de desbetreffende wetten. Deze uitgaven kunnen dus niet worden aangepast door een wijziging van de begroting van SZW.

Naar verwachting is een beperkt deel van de uitgaven over 2020 niet juridisch verplicht. Het betreft enkele subsidies en opdrachten, en bijdragen aan agentschappen in het kader van kinderopvang en bijdragen aan ZBO’s/RWT’s in het kader van een scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden. In veel gevallen liggen er wel bestuurlijke afspraken aan deze voorgenomen uitgaven ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Op de totale begroting van SZW gaat het om een bedrag van € 78,5 miljoen aan nog niet juridisch verplichte uitgaven. Dit alles heeft alleen betrekking op de begrotingsgefinancierde uitgaven.

Premiegefinancierde uitgaven, die ook in de begroting van SZW worden toegelicht, kunnen niet worden aangepast middels een wijziging van de begroting. Premie-uitgaven vallen immers niet onder het budgetrecht van de Staten-Generaal. De premiegefinancierde uitgaven voor 2020 zijn overigens 100% juridisch verplicht. De premiegefinancierde uitgaven bestaan enerzijds uit uitkeringsregelingen zoals de AOW, WIA en WW, anderzijds uit bijdragen aan UWV en SVB voor de uitvoering van die wetten en re-integratie (UWV). De uitkeringsgelden zijn juridisch verplicht omdat deze voortvloeien uit bestaande wetgeving. De uitvoeringsbudgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen van de ZBO’s vastgelegd.

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Tabel 2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam beleidsartikel

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Geheel artikel?

1

Arbeidsmarkt

   

       

Ja

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

   

1

       

Ja

3

Arbeidsongeschiktheid

         

 

Ja

4

Jonggehandicapten

         

Ja

5

Werkloosheid

       

   

Ja

6

Ziekte en zwangerschap

       

   

Ja

7

Kinderopvang

     

     

Ja

8

Oudedagsvoorziening

 

         

Ja

9

Nabestaanden

 

         

Ja

10

Tegemoetkoming ouders

         

Ja

11

Uitvoering

     

     

Ja

12

Rijksbijdragen2

             

Nvt

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

       

   

Ja

X Noot
1

In de kamerbrief van 3 juli is aangekondigd de beleidsdoorlichting in 2020 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

X Noot
2

Artikel 12, Rijksbijdragen, is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

2.5 Overzicht van risicoregelingen

Tabel 2.5.1 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)1

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

13 (Integratie en maatschappelijke samenhang)

Inburgering

380.449

divers

X Noot
1

DUO, administratie.

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringsplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringsonderwijs te bekostigen. Slechts ingeval deze nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringsdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden. Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen.

In beide gevallen geldt dat de lening niet wordt uitbetaald aan de nieuwkomer maar rechtstreeks aan de onderwijsinstantie.

HOOFDSTUK 3: BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • De Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);

  • De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • De Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Wet tegemoetkomingen loondomein

Beleidswijzigingen

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457) wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. Het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) wordt daarom met ingang van 2020 gehalveerd en met ingang van 2024 afgeschaft. Het hoge tarief van het Lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt met ingang van 2020 gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 euro per jaar. Hierdoor geldt er één tarief voor alle werknemers die onder het LIV vallen. Daarnaast gaan werkgevers in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Leven lang ontwikkelen

In 2020 wordt gestart met een subsidieregeling voor het stimuleren van leven lang ontwikkelen voor het mkb en specifiek voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie. In samenwerking met OCW wordt de tegemoetkoming op grond van de Subsidieregeling praktijkleren voor bbl-plekken binnen drie sectoren met veel seizoenswerk verhoogd. Beide maatregelen komen voort uit twee moties: motie Wiersma en motie Heerma. Ook wordt samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in de subsidieregeling MKB!dee.

Als onderdeel van het pensioenakkoord zijn er extra middelen beschikbaar voor een subsidieregeling om duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen te stimuleren.

Wijziging Regeling en Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te bevorderen wordt in 2020 geregeld dat familie- of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen kunnen werken zonder in het bezit te hoeven zijn van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Daarnaast wordt een pilot gestart om het voor Nederlandse en buitenlandse jonge, innovatieve bedrijven mogelijk te maken essentieel talent aan te trekken om (door) te groeien. In de pilot kunnen werknemers uit het buitenland onder soepelere voorwaarden worden aangetrokken dan nu het geval is.

EU-richtlijnen

Als uitvloeisel van EU-richtlijn 2014/67/EU wordt in 2020 de meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Dit betekent dat dienstverrichters uit andere lidstaten die werkzaamheden in Nederland starten en daarvoor werknemers detacheren, hiervan melding moeten doen. De meldingsplicht kan alleen van start gaan als de afstemming tussen de ketenpartners is uitgewerkt en vertaald is naar het digitale systeem. Op basis van de gegevens kunnen de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving.

Op 28 juni 2018 is de herziene detacheringsrichtlijn aangenomen (EU-richtlijn 2018/957). Deze richtlijn moet uiterlijk 30 juli 2020 zijn geïmplementeerd. De herziene detacheringsrichtlijn heeft als doel een nieuwe en betere balans te vinden tussen enerzijds het bevorderen van het vrij verkeer van diensten in de Europese Unie en anderzijds de bescherming van de rechten van gedetacheerde werknemers.

Gezond en veilig werken

Op het gebied van gezond en veilig werken zijn er een aantal nieuwe maatregelen:

  • Naar aanleiding van de Beleidsreactie Asbest wordt in 2020 – naast andere maatregelen – om snel en eenduidig een oordeel te kunnen geven over validaties en innovatieve werkmethoden een Validatie- en Innovatiepunt (VIP) ingesteld met een belangrijke rol voor TNO en RIVM. Samen met het SMART-systeem wordt het functioneren van het asbeststelsel zo meer risicogericht en onafhankelijk gemaakt.

  • In 2020, parallel aan de Europese OSHA (Occupational Safety and Health Agency) campagne, wordt een bewustwordingscampagne gestart voor het risico van fysieke belasting.

  • Door roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik aan te pakken kan de gezondheid van heel veel Nederlanders verbeteren. Daarom heeft de rijksoverheid een Nationaal Preventieakkoord gesloten. In het Preventieakkoord is afgesproken dat VNO-NCW/MKB-Nederland samen met de ministeries van VWS en SZW de opzet van een aanpak Vitaal Bedrijf gaat verkennen. Eind 2019 is de inventarisatiefase afgerond zodat in 2020 de implementatiefase kan starten.

  • Mede naar aanleiding van het onlangs uitgebrachte advies van de Strategische Commissie Betere Regelgeving Bedrijven en het rapport van de Onderzoekscommissie Tilburg ChroomVI wordt verder gewerkt aan het verbeterprogramma. Het programma is gericht op de verbetering van de naleving van inventarisatie en evaluatie van risico’s (RI&E) bij kleine bedrijven.

  • De beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 1 (2020), de evaluatie van de wijziging van de Arbowet, de verkenning verbetering arbobeleidscyclus en diverse monitors vormen in 2020 de basis om toe te gaan werken naar een nieuwe Arbovisie 2030/2040.

Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) en transitievergoeding

Per 2020 treedt een groot deel van de Wab in werking. Met het oog op het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeidsovereenkomsten zijn meerdere maatregelen in deze wet opgenomen. De mogelijkheden om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan worden verruimd (drie aansluitende contracten in maximaal drie jaar in plaats van in twee jaar), de transitievergoeding voor langdurige arbeidsovereenkomsten wordt verlaagd en tegelijkertijd ontstaat er vanaf de eerste dag van de arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding. Daarnaast worden regels gesteld ter voorkoming van permanente beschikbaarheid van werknemers met oproepcontracten, wordt bewerkstelligd dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij payrolling wordt voorkomen en wordt een WW-premie ingevoerd waarvan de hoogte afhankelijk is van de contractvorm. Tot slot komt er een regeling voor kleine werkgevers om de transitievergoeding te compenseren als zij (of hun erfgenamen) hun bedrijf moeten beëindigen wegens pensionering, ziekte of overlijden van de werkgever.

Naast de hierboven genoemde compensatieregeling wordt per 1 april 2020 ook de Regeling compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte ingevoerd. Het doel van de regeling is om dubbele kosten voor werkgevers bij langdurige ziekte van een werknemer tegen te gaan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

486.041

814.035

889.882

711.728

710.261

714.500

718.517

Uitgaven

486.149

812.626

890.667

712.147

710.774

714.568

718.585

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,4%

       
               

Inkomensoverdrachten

473.582

792.526

810.000

631.965

629.844

633.944

638.043

Vakantiedagen

21

6

0

0

0

0

0

Lage-inkomensvoordeel

473.561

507.806

505.275

391.198

373.606

372.755

371.899

Minimumjeugdloonvoordeel

0

124.225

82.725

18.767

18.767

18.767

18.767

Loonkostenvoordelen

0

160.489

222.000

222.000

237.471

242.422

247.377

               
               

Subsidies

1.712

2.880

63.245

63.245

61.745

61.745

61.745

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Stimuleringsregeling LLO in MKB

0

0

49.400

49.400

49.400

49.400

49.400

Overige subsidies algemeen

1.712

2.880

3.845

3.845

2.345

2.345

2.345

               

Opdrachten

6.716

12.089

11.912

11.647

10.195

10.339

10.257

               

Bekostiging

100

675

550

550

550

100

100

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

142

792

792

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZK

0

0

100

100

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

142

692

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

4.039

4.314

4.168

3.948

3.948

3.948

3.948

RIVM

4.039

4.314

4.168

3.948

3.948

3.948

3.948

               

Ontvangsten

16.717

13.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 80%. Dit betreft subsidie voor de diversiteitscharter en verschillende subsidies op het terrein van gezond en veilig werken.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 13%. De middelen worden ingezet voor onderzoek ten behoeve van Certificering en Normalisatie (NEN) en voor het Nederlands centrum voor beroepsziekten.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en voor Netspar en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.1.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

0

0

852.671

481.873

253.344

257.000

257.000

               

Inkomensoverdrachten

0

0

817.128

448.560

228.215

228.215

228.215

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

0

0

817.128

413.560

193.215

193.215

193.215

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

0

0

0

35.000

35.000

35.000

35.000

               

Nominaal

0

0

35.543

33.313

25.129

28.785

28.785

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten2

Toelichting op de financiële instrumenten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdlooninkomensvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De regelingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2021 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2020 in dienst zijn. De Wtl-regelingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

A1. Lage-inkomensvoordeel

Het Lage-inkomensvoordeel (LIV) bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel om banen te creëren en te behouden voor werknemers met een laag inkomen. Met ingang van 2020 is de tegemoetkoming voor werkgevers per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 125% van het minimumloon € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per kalenderjaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan het LIV dalen vanaf 2021 omdat met ingang van 2020 (uitbetaling in 2021) het hoge tarief van het LIV wordt gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar en vanaf 2022 vanwege de overige dekkingsmaatregelen die genomen zijn voor de temporisering van de AOW-leeftijd. Werkgevers gaan daarbij in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wet Tegemoetkomingen Loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Daarnaast zijn er vanaf 2022 middelen gereserveerd voor het structureel maken van het LKV Banenafspraak. Hierdoor vallen naar verwachting minder mensen onder het LIV, waardoor de uitgaven van het LIV geleidelijk dalen. De instrumenten LKV en het LIV zijn namelijk niet tegelijk toepasbaar. De verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019 veroorzaakt een stijging van de begrote uitgaven. Hierdoor vallen meer werknemers onder het LIV.

A2. Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Het is geïntroduceerd als reactie op de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 573, nr. 5). Per 1 juli 2019 is het minimumloon voor jongeren andermaal omhooggaan. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers voor deze loonkostenstijgingen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan het Jeugd-LIV dalen vanaf 2021. Het jeugd-LIV wordt met ingang van 2020 (uitbetaling 2021) gehalveerd en met ingang van 2024 (uitbetaling 2025) afgeschaft ter dekking van de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Door de verlaging en afschaffing van het jeugd-LIV zullen werkgevers voor werknemers van 18 tot 21 jaar respectievelijk vanaf 2020 een lagere bijdrage en vanaf 2024 geen bijdrage meer ontvangen voor de hogere loonkosten door de verhoging van het minimumjeugdloon per 2017 en 2019. Daarnaast dalen de uitgaven door de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019, waardoor sommige jongeren niet meer in het Jeugd-LIV vallen.

A3. Loonkostenvoordelen

De Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. Er zijn vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen.

LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten en LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten

  • Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen.

  • Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben.

  • Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten.

De tegemoetkoming voor het LKV Ouderen, het LKV Arbeidsgehandicapten en het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van deze tegemoetkomingen is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving. Uitzondering hierop is de LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer onder de doelgroep Banenafspraak aanneemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Het voornemen is om de maximale duur van het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden vanaf 2021 op te heffen. Tot die tijd is de maximale duur van de tegemoetkoming 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

Budgettaire ontwikkelingen

Het LKV is per januari 2018 ingevoerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven aan het LKV doordat werkgevers nog bekend moeten raken met de nieuwe systematiek van de loonkostenvoordelen. Daarnaast zijn er vanaf 2022 middelen gereserveerd voor het structureel maken van het LKV Banenafspraak.

A4. Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

Vanaf 1 april 2020 worden werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De regeling wordt met terugwerkende kracht ingevoerd. Voor 1 oktober 2020 dienen aanvragen voor compensatie van vergoedingen betaald tussen 1 juli 2015 en 31 maart 2020 te zijn ingediend. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de invoering van de regeling met terugwerkende kracht is in 2020 en 2021 het begrote bedrag hoger dan in latere jaren.

A5. Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

In 2021 start de compensatieregeling Transitievergoeding MKB. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding. Over de jaren is een gelijk gebruik verondersteld.

B. Subsidies

Naast de uitgaven aan subsidies die bij budgetflexibiliteit zijn genoemd wordt onder andere nog circa € 1 miljoen ingezet voor het programma beroepsziekten. In 2020 start de subsidie Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen voor mkb-bedrijven en specifiek voor drie sectoren (landbouw, horeca en recreatie) voor jaarlijks ruim € 49 miljoen. Een gedeelte van de middelen (bijna € 11 miljoen) is overgeboekt naar het Ministerie van OCW om toe te voegen aan de bestaande subsidieregeling praktijkleren. Het bedrag wordt ondergebracht in een apart compartiment zodat werkgevers in de betreffende drie sectoren extra subsidie ontvangen voor het aanbieden van bbl-leerplekken bovenop het bedrag aan subsidie waarop zij op grond van de huidige regeling praktijkleren al aanspraak kunnen maken.

Onder dit begrotingsinstrument zijn middelen geplaatst (€ 10 miljoen) die zijn toegezegd bij het pensioenakkoord (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457) en zijn gereserveerd voor duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen. De vormgeving van maatregelen op dit terrein wordt nog uitgewerkt.

C. Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Bijvoorbeeld voor het programma beroepsziekten en de campagne om arbeidsomstandigheden in de landbouw te verbeteren en veiliger te maken. Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor onderzoek en voorlichtingscampagnes.

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen en de bijdrage aan Netspar.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van het Ministerie van LNV ten behoeve van de financiering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De bijdrage aan de begroting van het Ministerie van VWS bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

Dit betreft boeteontvangsten. Deze hangen onder andere af van het aantal inspecties en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Tevens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW, waardoor niet wordt gestuurd op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.1.3 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

Realisatie 2018

Raming

2019

Raming 2020

Arbeidskorting

18.966

18.752

21.084

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.027

1.743

1.752

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

997

822

846

Arbeidsmarkt

Kerncijfers

De arbeidsmarkt is krap. Gelukkig slagen steeds meer mensen erin de weg naar betaald werk te vinden. Het aantal werkenden is in 2018 wederom gestegen. De daling van het aantal werklozen heeft voor elke leeftijdscategorie doorgezet. In totaal waren er in 2018 nog 350 duizend mensen werkloos. Het werkloosheidspercentage van 2018 nadert de werkloosheid van voor de crisis (3,7% in 2008).

Tabel 3.1.4 Kerncijfers Arbeidsmarkt1
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Beroepsbevolking (x 1.000)

8.942

9.017

9.125

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.403

8.579

8.774

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

538

438

350

Werkloosheidspercentage

6,0

4,9

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

10,8

8,9

7,2

 

25 tot 45 jaar

4,6

3,7

2,8

 

45 tot 75 jaar

5,6

4,4

3,6

X Noot
1

CBS, Statline.

De werkzame beroepsbevolking kan worden uitgesplitst in vaste en flexibele arbeidsrelaties en zelfstandigen. Het aandeel werkenden met een vaste arbeidsrelatie stijgt met het opleidingsniveau (Figuur 3.1.1). Vooral voor lager opgeleiden vormen flexibele arbeidsrelaties een relatief groot deel van de niet-vaste contractvormen. Het aandeel zelfstandigen is nagenoeg gelijk voor de verschillende opleidingsniveaus.

Figuur 3.1.1 Werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau

Figuur 3.1.1 Werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau

Bron: CBS, Statline

Gezond en veilig werken

In 2018 heeft 1,5% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in 2018 ten opzichte van 2017 met 0,3%-punt toegenomen. Het betreft een beperkte toename; het ziekteverzuim is in de periode 2014–2018 0,5%-punt toegenomen. Werknemers verzuimden in 2018 gemiddeld 4,3 op de honderd werkdagen.

In 2018 vond 1 incident met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6. Het aandeel werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte is in 2018 ten opzichte van 2016 met een half procentpunt gestegen.

Tabel 3.1.5 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,4

1,6

1,5

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,1

1,3

Ziekteverzuim (%)3

3,9

4,0

4,3

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

6

3

1

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

80

81

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

3,7

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,9

1,8

X Noot
1

CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW, administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
6

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen. Daarnaast speel een rol dat niet elk jaar evenveel werknemers onder de lopende cao’s vallen.

Tussen 2017 en 2018 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen voor kennismigranten voor kort verblijf.

Tabel 3.1.6 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.551

5.518

5.615

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.793

4.714

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

758

804

825

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,7

8,9

10

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Daarnaast voert de Inspectie SZW in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

In het regeerakkoord 2017–2021 is € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW conform het Inspectie Controle Framework (ICF). Eind 2018 is dat bedrag aangevuld met een extra € 0,5 miljoen voor de aanpak van arbeids(markt)discriminatie bij werving en selectie (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). Het regeerakkoord bevestigt hiermee het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid. In de SZW Begroting 2018 en 2019 en in diverse Kamerbrieven zijn de met deze extra ICF-middelen te behalen doelen verwoord (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 1; Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 74; Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000 XV, nr. 1; Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). De Inspectie SZW stuurt met de kengetallen «Inspectie Control Framework» op het behalen van deze doelen. Daarnaast investeert de Inspectie SZW in de verdere ontwikkeling van haar werkwijze. Naast de genoemde versterking van de inspectieketen betreft dit de verdere verankering binnen de organisatie van het programmatisch werken en de beweging van «streepjes naar effect». Dat uit zich onder meer in de opname van kengetallen voor het ICF in de SZW Begroting sinds 2018. Vanaf het Jaarplan Inspectie SZW 2018 wordt per programma het beoogde maatschappelijk effect verwoord en wordt hier in de Jaarverslagen van de Inspectie SZW over gerapporteerd.

In 2020 organiseert de Inspectie SZW haar activiteiten in 17 programma’s. Per programma wordt in het Meerjarenplan en Jaarplan aangegeven wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie SZW wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Hierbij maakt ze gebruik van een breed handhavingsinstrumentarium, variërend van (grensoverschrijdend) opsporingsonderzoek, stilleggingen, boetes, ketenafspraken en branche-voorlichting. Daarbij zoekt de Inspectie SZW de samenwerking met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. De Inspectie SZW wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daar waar effect wordt bereikt, is het vaak niet mogelijk om een causaal verband tussen interventies en effect aan te tonen. In die gevallen zal de Inspectie SZW zich richten op het plausibel maken van dit verband, zoals ook in het Jaarverslag 2018 per programma is gedaan. Dit borgt tevens een doeltreffende en doelmatige inzet van de uit het ICF voortvloeiende middelen. De Inspectie SZW gaat jaarlijks in haar Jaarplan specifieker in op de per programma beoogde resultaten en effecten. Het Jaarplan 2020 wordt in november openbaar gemaakt.

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtsprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 3.1.7. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het ICF genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wil met de bij het regeerakkoord vrijgemaakte extra middelen de voor 2020 en 2023 geformuleerde ICF-doelen bereiken. Dat zijn voor 2020 een herstel van de balans tussen ongevalsonderzoeken en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Veilig en Gezond en verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Brzo-bedrijven naar tenminste 90%. Daarnaast wil de Inspectie SZW in 2023 het niveau van informatiegestuurd werken van 2 naar 3 brengen (zie de tweede voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Bovendien streeft de Inspectie SZW naar een verdubbeling van de inspectiedekking eerlijk werk in 2023 naar 2%.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen. De beoogde capaciteitsverdeling is een uitvloeisel van de inzet van de ICF-middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW. Het streven is dat in 2023 het relatieve aandeel van toezicht op «oneerlijk werk» zal zijn toegenomen.

Effect

De bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van het beoogde maatschappelijk effect wordt op hoofdlijnen afgemeten aan de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om risicogericht werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Het streven is dat bij meer dan de helft van de bij eerste inspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij niet-nalevende werkgevers. Het streven is dat bij meer dan de helft van de bij herinspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is.

Tabel 3.1.7 Inspectie SZW: Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet en effect
 

Realisatie

Raming

Raming

Raming

 

2018

2019

2020

2023

1. Inspectie Control Framework

       

Verhouding actief/reactief Veilig & Gezond (excl. Brzo; %)

24:76

1

50:50

 

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo inspecties (%)

56

1

>90

 

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)2

1

1

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)3

1

1

2

         

2. Capaciteitsinzet4

       

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

43

1

1

35

Bedrijven met Gevaarlijke Stoffen (BmGS; incl. Brzo; %)

11

1

1

10

Eerlijk (%)

43

1

1

53

Werk en Inkomen (%)

3,0

1

1

2

         

3. Effect

       

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

57

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

12

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo5 (%)

47

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk (%)

52

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk (%)

27

<50

<50

<50

X Noot
1

De Inspectie SZW heeft voor de tussenliggende jaren geen tussentijdse doelen geformuleerd. De uitbreiding richt zich op doelen in 2020 en 2023. Voor de tussenliggende jaren zijn geen betekenisvolle doelen mogelijk.

X Noot
2

Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol».

X Noot
3

Betreft het aandeel bedrijven waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden ten opzichte van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is. Voor 2018 is geen realisatie beschikbaar. Het kengetal wordt de komende jaren geconcretiseerd, waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies meegenomen wordt.

X Noot
4

Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma’s.

X Noot
5

Bij Brzo-inspecties is er geen zinvol onderscheid tussen eerste en herinspectie, omdat het toezicht blijft gehandhaafd totdat elke geconstateerde onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Breed Offensief

Beleidswijzigingen

Om de arbeidskansen van mensen met een beperking te vergroten heeft het kabinet een breed offensief gelanceerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115 en nr. 138) met verschillende maatregelen die ervoor moeten zorgen dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van de inzet van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, bijvoorbeeld door een adequate inzet van persoonlijke ondersteuning, en werken lonender maken voor mensen met een arbeidsbeperking. Over de stand van zaken van het breed offensief is de Tweede Kamer op 23 mei 2019 geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 163). Voor een aantal van de voorstellen is wijziging van de Participatiewet en de Ziektewet noodzakelijk. Het streven is het wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld in de tweede helft van 2019 aan de Tweede Kamer aan te bieden, zodat het in juli 2020 in het Staatsblad gepubliceerd kan worden. Voor het voorstel om een gedeelte van de inkomsten vrij te laten van mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken is structureel € 40 miljoen toegevoegd aan het macrobudget voor participatiewetuitkeringen. Voor de overige voorstellen uit het breed offensief is incidenteel € 53 miljoen gereserveerd, verspreid over 2020 en 2021. De invulling hiervan hangt mede af van de uitkomsten van de pilot om het proces rondom loonkostensubsidie meer te stroomlijnen en te uniformeren. De impact hiervan wordt bij gemeenten onderzocht. De bestemming van de middelen zal ook met gemeenten worden besproken om tot een doelmatige besteding te komen.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (resultaten viermeting)

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid

tot en met 2018 is om 43.500 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 31.000 in de sector markt en 12.500 in de sector overheid. De doelstelling van 43.500 banen is met 51.956 extra banen ruim gehaald. Met 44.017 banen heeft de sector markt de doelstelling van 31.000 banen ruim overtroffen. Helaas hebben de overheidswerkgevers de doelstelling ook in 2018 niet gehaald. Ten opzichte van de nulmeting heeft de sector overheid 7.940 extra banen gerealiseerd. Het resultaat van de sector overheid over 2018 geeft dus geen aanleiding om de quotumregeling te deactiveren. Het vorige kabinet heeft de Tweede Kamer echter met de brief van 8 september 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 352, nr. 65) geïnformeerd dat het heeft besloten dat de overheidswerkgevers in 2018 een jaar extra krijgen om de aantallen van de banenafspraak te realiseren.

De Staatssecretaris van SZW heeft in november 2018 (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 137) de vereenvoudiging van de Wet banenafspraak aangekondigd. In juli 2019 heeft zij de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de vereenvoudiging en aangekondigd dat zij naar verwachting het wetsvoorstel daarvoor in de tweede helft van 2019 aan de Kamer aanbiedt. Gevolg gevend aan de uitvoering van de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 126) heeft de Staatssecretaris anticiperend op deze vereenvoudiging in het wetsvoorstel deactivering en uitstel quotumheffing het opleggen van de quotumheffing opgeschort tot uiterlijk 1 januari 2022. Dit wetsvoorstel ligt nu in de Eerste Kamer.

Tabel 3.2.1 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20181

Streefwaarde 20182

Streefwaarde 20192

Streefwaarde 20202

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

44.017

31.000

40.000

50.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

7.940

12.500

15.000

17.500

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.»

Armoede en schulden

Het kabinet wil het aantal mensen met problematische schulden terugdringen en mensen met schulden effectiever helpen. Ook zet het kabinet in op het bestrijden van kinderarmoede. Het kabinet heeft op 1 april 2019 haar ambities op het gebied van het bestrijden van kinderarmoede gepresenteerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 484).

Het kabinet stelt voor drie jaar (2018 t/m 2020) in totaal € 80 miljoen ter beschikking voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen. De middelen hebben als doel om te leiden tot een kwaliteitsverbetering van het gemeentelijk armoede- en schuldenbeleid. Armoede en schulden hangen vaak samen met andere problemen, zoals schooluitval en gezondheidsproblemen. Door actief in te zetten op het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden, kunnen kosten in andere domeinen worden voorkomen of verminderd. Gemeenten staan als uitvoerder van het armoede- en schuldenbeleid dichtbij de burger. Mede daardoor zijn zij het beste in staat om de middelen en de expertise doeltreffend en doelmatig in te zetten om het armoede- en schuldenbeleid verder te versterken.

Op 29 mei 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de resultaten van de brede schuldenaanpak (Tweede Kamer 2018–2019, 24 515, nr. 489). Die aanpak is gericht op preventie en vroegsignalering van schulden, ontzorgen en realiseren van een maatschappelijk verantwoorde incasso. Het komend jaar staat onverminderd in het teken van wetgeving en het uitvoeren en verder uitwerken van de plannen en maatregelen. Zo zijn alle betrokken partijen erop gericht om de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die moet voorkomen dat schuldenaren bij beslaglegging te weinig geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien, op 1 januari 2021 in werking te laten treden. Het implementeren van maatregelen en wet- en regelgeving kost tijd, ook omdat we te maken hebben met ingewikkelde processen en systemen. Voor 2020 is het doel dat de effecten van de maatregelen steeds meer merkbaar worden voor mensen met (problematische) schulden.

Herziening bijstandverlening zelfstandigen

Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) biedt perspectief aan beginnende ondernemende bijstandsgerechtigden en een vangnet voor gevestigde zelfstandigen met een tijdelijk financieel probleem, maar met een levensvatbare onderneming. Het kabinet gaat het Bbz 2004 herzien met ingang van 2020. De wijziging van dit besluit heeft betrekking op de volgende vier onderdelen:

  • De financieringssystematiek wordt vereenvoudigd en meer in lijn gebracht met de financieringssystematiek van de Participatiewet;

  • Wijziging van het aanvraagloket voor bijstandsverlening aan ondernemers in de binnenvaart van centrumgemeenten naar woongemeenten, waardoor op den duur de aparte uitvoeringsstructuur verdwijnt;

  • Beperking van de instroom van oudere zelfstandigen met een niet-levensvatbaar bedrijf tot personen die zijn geboren vóór 1 januari 1960;

  • Verdere uniformering van Bbz 2004 met de Participatiewet. Algemene bijstand wordt niet langer verstrekt in de vorm van een rentedragende lening en bijstand wordt niet langer met terugwerkende kracht verleend.

Onderstand Caribisch Nederland

In de voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000-IV, nr. 61) heeft het kabinet een volgende stap aangekondigd om de inkomenspositie van inwoners van Caribisch Nederland te verbeteren. Het gaat om een verhoging van de Onderstand per 1 januari 2020 voor Bonaire en Saba met 5% en voor Sint Eustatius met 2%.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

7.009.665

6.924.552

6.975.855

7.162.942

7.319.057

7.482.932

7.658.158

Uitgaven

7.089.379

6.953.169

7.002.798

7.166.953

7.319.576

7.482.932

7.658.158

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

7.002.267

6.871.201

6.941.277

7.118.602

7.275.247

7.439.222

7.614.448

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

6.215.974

6.072.605

6.147.353

6.287.578

6.427.995

6.577.580

6.733.113

TW

448.000

446.992

440.875

439.262

439.380

443.438

445.610

AIO

295.480

309.006

334.133

363.285

380.114

390.452

407.999

Bijstand zelfstandigen

38.877

34.611

10.800

20.297

19.583

19.581

19.582

Bijstand overig

1.200

1.168

1.100

1.050

1.000

950

900

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

2.736

6.819

7.016

7.130

7.175

7.221

7.244

               

Subsidies

72.887

61.191

29.782

16.720

13.909

13.361

13.361

Sectorplannen

37.937

13.389

0

0

0

0

0

Armoedeschulden

4.436

7.629

985

0

0

0

0

Cofinanciering dienstverlening

3.924

13.623

8.000

0

0

0

0

Europees fonds meestbehoeftigen

117

100

100

100

0

0

0

Scholing richting een kansberoep

6.474

0

0

0

0

0

0

Regionale kansen kinderen

2.615

3.335

455

0

0

0

0

Alle kinderen doen mee

8.880

12.600

11.576

12.454

10.000

10.000

10.000

Overige subsidies algemeen

5.920

6.881

5.552

1.052

795

247

247

SBCM

2.280

3.320

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

NIBUD

304

314

314

314

314

314

314

               

Opdrachten

1.509

8.899

19.824

20.156

18.945

18.874

18.874

               

Bekostiging

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

1.297

ZonMw

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

1.297

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

313

223

167

169

169

169

169

ZonMw

313

223

167

169

169

169

169

               

Bijdrage aan sociale fondsen

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Pensioenfonds Wsw

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Bijdrage aan internationale organisaties

0

0

9

9

9

9

9

Contributie CASS

0

0

9

9

9

9

9

               

Ontvangsten

26.622

27.224

26.020

13.658

15.500

17.700

18.938

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. De rijksbijdragen aan de uitvoerende instellingen, gemeenten, UWV en de SVB, worden ruim voor het begrotingsjaar bekend gemaakt. Inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd, zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve ook voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 90% juridisch verplicht. De aanvragen in het kader van de subsidieregelingen, zoals voor armoede en schulden en Doorstart naar nieuw werk, zijn beschikt of nog in procedure. Evenzo geldt dit deels voor de incidentele subsidies, zoals voor armoede onder kinderen, of de subsidies aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM), Nibud of de gesubsidieerde cofinanciering Europees Fonds Meest Behoeftigen (EFMB) die voor meerdere jaren zijn toegekend aan de desbetreffende organisaties.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. Het gaat om circa € 1,7 miljoen.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan sociale fondsen is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan internationale organisaties

De bijdrage aan CASS is voor 100% juridisch verplicht.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en bijstand voor levensonderhoud van ondernemers. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2020 geraamd op ruim € 6 miljard. In 2020 wordt hiervan een bedrag van € 41,2 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2018. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten waarvan het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort, dat over 2018 meer bedraagt dan 5% en over 2017 en 2018 samen ook meer bedraagt dan 5% van het budget 2018, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2018 (te financieren uit het macrobudget 2020). In tabel 3.2.3 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 3.2.3 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Macrobudget participatiewet uitkeringen

6.215.9741

6.072.605

6.147.353

6.287.578

6.427.995

6.577.580

6.733.113

               

Algemene bijstand, loonkostensubsidie

5.774.163

5.658.801

5.716.005

5.870.946

6.023.508

6.185.946

6.350.100

IOAW

377.614

350.536

343.606

328.615

315.008

300.667

290.870

IOAZ

31.670

31.838

32.353

32.629

34.088

35.572

36.754

BBZ2

32.527

31.429

55.389

55.389

55.389

55.389

55.389

X Noot
1

Toelichting definitief macrobudget berekening SZW.

X Noot
2

In 2019 en 2019 betreft dit enkel het budget voor levensonderhoud voor startende ondernemers (BBZ). Vanaf 2020 wordt het budget voor levensonderhoud voor gevestigde ondernemers hieraan toegevoegd.

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en onvoldoende over eigen middelen van bestaan beschikt, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 3.2.4 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 3.2.4 Netto bijstandsnormen van 21-jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2019

Gehuwd / samenwonend

1.472,031

Alleenstaande (ouder)

1.030,421

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand en loonkostensubsidies.

De invoering van een aantal wetswijzigingen leidt tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Dit zijn onder andere de invoering van de Participatiewet, de AOW-leeftijdsverhoging en de invoering van het onderdeel WW-duurverkorting in de Wet werk en zekerheid. De door het CPB geraamde werkloosheidsdaling leidt tot iets lagere uitgaven in de bijstandsraming voor 2020. De meerjarige oploop van de uitgavenraming na 2020 hangt samen met de door het CPB verwachte meerjarige werkloosheidsstijging.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers Participatiewet

Tabel 3.2.5 toont de gerealiseerde en geraamde omvang van het aantal bijstandsuitkeringen. De Factsheet Participatiewet bevat meer informatie over de ontwikkeling en samenstelling van het bijstandsvolume.

Tabel 3.2.5 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)2

379

372

376

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Dit cijfer is exclusief volume loonkostensubsidie.

Tabel 3.2.6 bevat informatie over re-integratie door gemeenten. De voorzieningen die gemeenten aanbieden bestaan onder meer uit proefplaatsingen, jobcoaching, trainingen en opleidingen. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben gemeenten ook beschikking gekregen over het instrument structurele loonkostensubsidie en zijn zij verantwoordelijk voor het naar behoefte creëren van beschut werk. Bovendien is geen nieuwe instroom in de Wsw meer mogelijk. Meer informatie over de re-integratie-inspanningen van gemeenten vindt u in de Factsheet Participatiewet.

Tabel 3.2.6 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

222

256

270

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

174

190

198

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2

43

45

3

       

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

35

44

51

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

2,2

9,1

14

         

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)4

91

87

83

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

37

37

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

6,5

6,6

6,5

X Noot
1

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
2

CBS, Uitstroom na re-integratie.

X Noot
3

Door leveringsproblemen van de Arbeidsongeschiktheidsstatistieken is dit cijfer op dit moment niet voorhanden.

X Noot
4

Panteia, Wsw-rapportage.

Tabel 3.2.7 bevat informatie over mensen die werken onder de Banenafspraak, of op een beschutte werkplek onder de Wsw of de Participatiewet. Dit zijn veelal mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Per saldo zijn over de drie wettelijke kaders eind 2018 bijna 20% meer mensen aan het werk dan eind 2015.

Tabel 3.2.7 Kerncijfers Werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

138

149

162

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)1

86

99

113

 

waarvan werkend vanuit Wsw-beschut (x 1.000, ultimo)2

52

49

47

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)3

1,2

2,5

X Noot
1

UWV, factsheet banenafspraak.

X Noot
2

Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek

X Noot
3

UWV, Rapportage beschut werk, (cijfer realisatie ultimo 2016 niet gepubliceerd)

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

De hoogte van de IOAW/ IOAZ uitkering is afhankelijk van de leefsituatie. Een overzicht van de bruto bedragen staat in tabel 3.2.8. In de IOAW en IOAZ geldt sinds 2015 de kostendelersnorm voor alleenstaande kostendelers. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de norm 50% van de gehuwdennorm, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen.

Tabel 3.2.8 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 20191

Gehuwd / samenwonend

1.668,50

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.299,62

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

834,25

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven stijgen in 2020 door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur. De vertraging treedt op doordat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar WW-gerechtigd is geweest. Vanaf 2020 is de gunstige conjunctuur terug te zien in de volumeontwikkeling van de IOAW. Het tweede belangrijke effect op de IOAW-uitgaven wordt veroorzaakt door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. Dit leidt ertoe dat vanaf 2020 minder mensen gebruik kunnen maken van de IOAW.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

De uitgaven aan de IOAZ nemen vooral toe door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.9 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

24

24

23

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,9

2,0

2,0

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel wat onderdeel is van het Macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 3.2.4) als aanvulling voor levensonderhoud.

Budgettaire ontwikkeling

Tot 2020 is alleen het deel Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers onderdeel van het macrobudget Participatiewetuitkeringen. Vanaf 2020 is hieraan ook het deel bijstand voor gevestigde ondernemers toegevoegd, waardoor het budget van 2019 op 2020 toeneemt met circa € 24 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.10 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,5

3,5

3,5

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van preventie tonen een stabiel beeld. De kerncijfers opsporing van de gemeenten tonen een lichte groei in het aantal vorderingen wegens geconstateerde overtreding van de inlichtingenplicht. Het totale benadelingsbedrag is de laatste jaren stabiel. Ook boetevorderingen vanwege schending van de inlichtingenplicht en de incassoratio van terugvorderingen tonen een vergelijkbaar beeld met voorgaande jaren. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.2.11 Kerncijfers Participatiewet (fraude en handhaving algemene bijstand)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

75

72

Kennis van de verplichtingen (%)

88

88

86

Opsporing2

Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

30

31

33

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

71

69

70

Sanctionering2

Aantal boetes (x 1.000)

11

11

14

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

9,0

8,8

8,7

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering4

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

31

25

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
3

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het CBS onderzoekt momenteel de verhouding tussen het aantal vorderingen en het aantal overtredingen.

X Noot
4

CBS-onderzoek incassoratio 2018.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • Een alleenstaande/alleenstaande ouder met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon. Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder, die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lagere norm: 50% van het netto Wml.

Tabel 3.2.12 Normbedragen TW bruto per dag, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2019

Gehuwd / samenwonend

75,20

Alleenstaande van 21 jaar en ouder

55,33

Alleenstaande van 21 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

35,52

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven hangen samen met de volume-ontwikkelingen in de moederwetten. In 2020 dalen de TW-uitgaven met name vanwege de daling van het aantal WAO-uitkeringen, waardoor ook het aantal toeslagen op die uitkeringen afneemt. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken, daardoor minder beroep doen op de werknemersverzekeringen en daarmee samenhangend op de TW. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Aan de andere kant stijgen de TW-lasten vanwege de ingroeiende WIA-doelgroep.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale TW-volume in uitkeringsjaren neemt in 2019 en 2020, zoals genoemd, iets af. De gemiddelde toeslag is min of meer stabiel.

Tabel 3.2.13 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

108

106

106

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3.456

3.542

3.527

X Noot
1

UWV, juninota. Dit cijfer is actueler dan het cijfer in jaarverslag SZW 2018.

Handhaving

Samen met UWV wordt onderzocht welke risico’s er spelen in de uitvoering van de Toeslagenwet en welke aanpassingen in wet- en regelgeving en/of de uitvoeringspraktijk nodig zijn. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.2.14 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Opsporing1

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

2,5

2,7

1,8

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

1,7

2,0

1,2

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

5,6

6,7

4,5

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,4

0,1

0,1

Aantal boetes (x 1.000)

1,3

1,3

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,9

0,9

0,7

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering1

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

44

30

18

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 3.2.15 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2019

Gehuwd /samenwonend

1.571,50

Alleenstaande (ouder)

1.154,03

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van AIO nemen de komende jaren toe. Deze budgettaire ontwikkeling houdt verband met de verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden vanwege vergrijzing en doorwerking van de afschaffing van de partnertoeslag vanaf 2015. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-leeftijd dan weer wordt verhoogd.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een opwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.16 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

46

48

51

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers over de handhaving door de SVB laten een consequent beeld zien. Naar aanleiding van de licht lagere gepercipieerde detectiekans in 2018 wordt extra voorlichting ingezet.

Tabel 3.2.17 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

77

73

Kennis van de verplichtingen (%)

88

89

87

Opsporing2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3

1,0

0,9

Aantal overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,9

1,2

0,9

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

2,0

2,3

2,0

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,6

1,3

1,4

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,4

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,4

0,5

0,3

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

29

23

6,9

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Niet beschikbaar

X Noot
4

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

A4. Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van bedrijfskredieten voor starters en gevestigde ondernemers.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het krediet?

De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskredieten wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 3.2.18 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2019

Startende zelfstandige

36.762

Gevestigde zelfstandige

199.680

Budgettaire ontwikkelingen

De Bbz-uitgaven dalen als gevolg van een vereenvoudiging van de financieringssystematiek van het Bbz per 2020. Onderdeel van deze vereenvoudiging is dat de middelen voor levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen worden toegevoegd aan de gebundelde uitkering en de middelen voor levensvatbaarheidsonderzoeken worden toegevoegd aan het gemeentefonds. Daarnaast worden gemeenten volledig financieel verantwoordelijk voor de invordering van kapitaalverstrekking. Het Rijk vergoedt de middelen voor kapitaalverstrekking voor 25%. Hierdoor nemen de verwachte uitgaven aan kapitaalverstrekking toe in 2021. Daarmee omvatten de begrote Bbz-uitgaven in 2020 de verwachte nabetalingen met betrekking tot het uitvoeringsjaar 2019.

A5. Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden naar verwachting afneemt. Voor de repatriëringsregeling zijn geen uitgaven voorzien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen dat in het buitenland een bijstandsuitkering ontvangt, daalt de komende jaren naar verwachting licht.

Tabel 3.2.19 Kerncijfers Bijstand buitenland
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de Onderstand nemen toe als gevolg van verhoging van de basisuitkeringen. Daarnaast nemen de toeslagen toe die de basisuitkering aanvullen. Deze toeslagen worden niet alleen aan personen in de Onderstand uitgekeerd maar ook aan alleenstaande AOV-gerechtigden en volledig arbeidsongeschikten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.20 Kerncijfers Caribisch Nederland
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,5

0,5

0,5

X Noot
1

RCN-unit SZW.

B. Garanties

Er zijn geen garanties voorzien voor 2020.

C. Subsidies

In totaal is in 2020 € 29,8 miljoen voor subsidies beschikbaar. € 13,4 miljoen is beschikbaar voor het armoede- en schuldenbeleid, waarvan € 12 miljoen specifiek voor kinderen. Voor de «Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt» (DWSRA) is € 8 miljoen beschikbaar. Verdere incidentele subsidies en de subsidies aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) maken voor € 8,4 miljoen onderdeel uit van het subsidiebudget.

D. Opdrachten

De € 19,8 miljoen beschikbare middelen voor opdrachten zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (circa € 13,4 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (circa € 5,9 miljoen) en bevordering ondernemerschap (circa € 0,5 miljoen). De middelen bevordering arbeidsparticipatie worden mede ingezet ten behoeve van het programma Sociaal Domein (dat in samenwerking tussen gemeenten en de ministeries van OCW, BZK, J&V en VWS is opgepakt), het programma Matchen op Werk en verbeteren van de werkgeversdienstverlening, het programma Perspectief op Werk en ondersteuningsprogramma’s op het terrein van vakmanschap. Uit de middelen voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening worden onder andere diverse ondersteuningsprogramma’s gefinancierd ter verbetering van het (gemeentelijke) armoedebeleid en de (gemeentelijke) schuldhulpverlening. Dit laatste mede in het kader van de brede schuldenaanpak, waarover de Tweede Kamer in 2018 is bericht.

E. Bekostiging

Voor de bekostiging van het meerjarige Kennisprogramma vakkundig aan het werk, dat wordt uitgevoerd door ZonMw, is in 2020 € 1,7 miljoen beschikbaar.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de uitvoering van het Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw bijna € 0,2 miljoen beschikbaar in 2020.

G. Bijdrage sociale fondsen

Met ingang van 2018 is een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI, onder de voorwaarde dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds.

H. Bijdrage aan internationale organisaties

Vanaf 2020 is de financiering van de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) overgegaan van het Ministerie van I&W naar SZW.

I. Ontvangsten

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken. De terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019, waarvoor € 3,8 miljoen ontvangsten zijn geraamd. Verder worden als gevolg van de gewijzigde financieringssystematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen de terugontvangsten van gemeenten op verleende kredieten voortaan niet meer gesaldeerd, maar onder de ontvangsten verantwoord en worden hier ook de aflopende terugontvangsten van oude jaren geraamd (€ 22,2 miljoen).

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Maatregelen loondoorbetaling bij ziekte en WIA

Beleidswijzigingen

Het kabinet heeft samen met sociale partners afspraken gemaakt over een pakket aan maatregelen rond loondoorbetaling en WIA. Loondoorbetalingsverplichtingen worden makkelijker, duidelijker en goedkoper gemaakt (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 873 en Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 922). Het gaat om een pakket dat beter aansluit bij de behoeften van met name kleine werkgevers, maar ook (middel)grote werkgevers profiteren van een groot deel van de maatregelen. Tevens is door het kabinet de balans in de regeerakkoordmaatregelen opnieuw bezien (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 716, nr. 37). Daarbij is meegenomen dat de verwachte instroom in de WIA lager is door de nieuwe afspraken op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte. De voorgenomen aanscherping van het schattingsbesluit en het invoeren van een inkomenseis voor de WGA80–99 gaan niet door. Tevens vervallen de regeerakkoordmaatregelen om de periode van WGA-premiedifferentiatie te verkorten en de loonsanctie bij eigenrisicodragers af te schaffen. Eerstvolgende twee maatregelen maken deel uit van het pakket:

Medisch advies van de bedrijfsarts leidend bij de toets op re-integratieinspanningen.

UWV beoordeelt conform de Wet verbetering poortwachter na twee jaar de re-integratieactiviteiten van werkgever en werknemer. Het kabinet vindt het van groot belang om werkgevers en werknemers meer in staat te stellen regie te voeren op de re-integratie. Daarbij moeten zij kunnen vertrouwen op het medisch advies over de belastbaarheid van de bedrijfsarts. Daarom zal de verzekeringsarts van UWV per 1 januari 2021 niet langer het medisch advies van de bedrijfsarts beoordelen bij de toets op re-integratieinspanningen.

Het arbeidsongeschiktheidspercentage kan gedurende vijf jaar niet verlaagd worden vanwege inkomsten uit arbeid

Het kabinet wil stimuleren dat mensen die een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen zoveel mogelijk deelnemen aan het arbeidsproces. Het voornemen in het regeerakkoord om het verdienvermogen van arbeidsongeschikten de eerste vijf jaar na werkhervatting niet meer te herbeoordelen wordt per 1 juli 2020 ingevoerd.

Loonkostensubsidies en het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium

Het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet. De beoogde inwerkingtredingsdatum is nu 1 januari 2021, dit is een jaar later dan vermeld in de begroting 2019.

Scholingsexperiment WGA

Conform het Regeerakkoord is het scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden in voorbereiding (Tweede Kamer, 2018–2019, 29544 nr. 922). Doel van het scholingsexperiment is in de praktijk beproeven in hoeverre gerichte scholing WGA-gerechtigden dichter bij de arbeidsmarkt brengt en hun werkhervattingskansen vergroot. Het experiment start in het najaar van 2020.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

813

1.155

3.878

10.885

10.892

4.900

908

Uitgaven

813

1.155

3.878

10.885

10.892

4.900

908

waarvan juridisch verplicht (%)

   

23%

       
               

Inkomensoverdrachten

813

855

878

885

892

900

908

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

813

855

878

885

892

900

908

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

300

3.000

10.000

10.000

4.000

0

Individuele plaatsing & steun CMD

0

300

0

0

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

0

0

3.000

10.000

10.000

4.000

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 0% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De bijdrage aan ZBO’s en RWT’s zijn 0% juridisch verplicht. Het betreft budget voor een scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

9.701.073

10.236.487

10.544.240

10.765.256

11.166.072

11.655.471

12.068.487

               

Inkomensoverdrachten

9.625.415

10.139.826

10.185.690

10.151.040

10.272.183

10.479.529

10.606.745

IVA

2.425.658

2.846.304

3.161.439

3.440.736

3.758.800

4.095.913

4.387.349

WGA

2.646.644

2.894.239

2.978.683

3.016.256

3.059.765

3.110.382

3.161.160

WGA eigenrisicodragers

310.932

333.455

353.211

372.335

394.238

418.921

443.309

WAO

4.116.660

3.949.217

3.591.009

3.235.498

2.981.880

2.782.110

2.551.729

WAZ

125.521

116.611

101.348

86.215

77.500

72.203

63.198

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

75.658

96.661

109.617

110.911

122.248

124.082

126.146

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

75.658

96.661

109.617

110.911

122.248

124.082

126.146

               

Nominaal

0

0

248.933

503.305

771.641

1.051.860

1.335.596

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De in geringe mate oplopende uitgavenontwikkeling van de Ongevallenverzekering (OV) wordt verklaard door de verhoging van de gerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomsverzekering (zie beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de OV langer door.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2019 € 216,90, dat is afgerond € 4.717,58 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.538,18 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden in 2019 een tegemoetkoming van netto € 179,81 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 38 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De Wet werk en zekerheid bevat maatregelen die de maximale duur van de loongerelateerde uitkering raken, zoals de geleidelijke duurverkorting en de aanpassing van de opbouw van WW-rechten. Dit heeft tot gevolg dat de maximale duur van de loongerelateerde uitkering stapsgewijs – één maand per kwartaal – wordt teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden voor nieuwe instroom in de WGA. Deze maatregelen zijn per 1 januari 2016 in werking getreden.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld met 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van netto € 179,81.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2020 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 400 miljoen. De WIA is een nog ingroeiende regeling die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit zal er ook meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de temporisering van de AOW-leeftijd uit het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8 Oudedagsvoorziening). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder uitstromen vanwege pensionering. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 3.3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2019 maximaal € 3.538,18 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2019) netto € 179,81.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2020 ruim 20.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2020 met ruim € 350 miljoen. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de temporisering van de AOW-leeftijd uit het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8 Oudedagsvoorziening). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder uitstromen vanwege pensionering. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel wordt de AOW-leeftijd in 2020 bevroren in plaats van verhoogd, zodat meer mensen uitstromen richting de AOW.

Tabel 3.3.4 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

IVA, WGA en WAO

     

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

556

564

560

 

waarvan IVA

113

129

140

 

waarvan WGA

190

199

205

 

waarvan WAO

254

236

215

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

7,8

7,7

7,4

         

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

44

46

43

 

waarvan IVA

11,6

12,6

12,0

 

waarvan WGA

31,8

32,4

30,5

 

waarvan WAO

0,7

0,6

0,6

Instroomkans (%)

0,6

0,6

0,6

         

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

39

37

47

 

waarvan IVA

8,6

9,4

12,7

 

waarvan WGA

10,2

10,1

12,3

 

waarvan WAO

20,1

17,6

22,3

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

11,7

12,5

12,7

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

6,5

6,6

8,4

         

WGA

     

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

20

2

2

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

46

2

2

X Noot
1

UWV, juninota 2019

X Noot
2

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van handhaving vertonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

79

74

Kennis van de verplichtingen (%)

88

89

88

Opsporing2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

2,8

2,7

4,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,1

1,2

1,2

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

6,0

7,4

7,0

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,0

0,7

0,6

Aantal boetes (x 1.000)

0,9

0,8

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,9

0,8

1,0

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

52

43

29

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans». Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2019 maximaal € 1.226,70 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2019) netto € 179,81.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. In 2020 bedraagt de afname van de uitkeringslasten circa € 15 miljoen.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de temporisering van de AOW-leeftijd uit het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8 Oudedagsvoorziening). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder uitstromen vanwege pensionering. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Doordat de WAZ een afgesloten regeling is neemt het aantal uitkeringen jaarlijks af.

Tabel 3.3.6 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

11

10

8

X Noot
1

UWV, juninota 2019

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zet UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking.

UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan UWV beschikbaar gesteld en door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2020 is voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 110 miljoen beschikbaar.

Extracomptabel overzicht re-integratiebudget

In tabel 3.3.7 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten en diensten.

Tabel 3.3.7 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (x € 1.000)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Premiegefinancierd (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW)

75.658

96.661

109.617

110.911

122.248

124.082

126.146

Begrotingsgefinancierd (Wajong)

99.500

101.611

98.733

96.407

88.239

85.875

83.227

 

waarvan ESB

13.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

162.158

184.272

194.350

193.318

196.487

195.957

195.373

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.3.8 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

537

548

555

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

– 412

– 409

– 420

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de «Wajong2015». Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

De beleidsdoorlichting Wajong (Tweede Kamer, 2017–2018, 30 982, nr. 40) heeft laten zien dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, een complex geheel is geworden. Bovendien is er sprake van een aantal knelpunten die voor de participatie van mensen met een Wajong-uitkering een belemmering zijn. In het wetsvoorstelwetsvoorstel «Vereenvoudiging regelgeving Wajong», dat op 29 mei 2019 is gepubliceerd, zijn daarom maatregelen uitgewerkt die ervoor zorgen dat meer werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen. Vanaf 2020 betekent dit een aanpassing van de regels voor het eindigen en herleven van het recht op oude Wajong en Wajong2010, harmonisatie van het passend werkaanbod in de oude Wajong en Wajong2010, het schrappen van de studieregeling in de Wajong2010, het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015, het afsluiten van de instroom in de oude Wajong en het creëren van een mogelijkheid om af te zien van de oude Wajong. Vanaf 2021 betekent dit een harmonisering van de regels voor inkomensondersteuning.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

3.280.192

3.355.909

3.386.123

3.403.698

3.402.116

3.418.270

3.434.877

Uitgaven

3.280.192

3.355.909

3.386.123

3.403.698

3.402.116

3.418.270

3.434.877

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

3.180.692

3.254.298

3.287.390

3.307.291

3.313.877

3.332.395

3.351.650

Wajong

3.180.692

3.254.298

3.287.390

3.307.291

3.313.877

3.332.395

3.351.650

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

99.500

101.611

98.733

96.407

88.239

85.875

83.227

Re-integratie Wajong

99.500

101.611

98.733

96.407

88.239

85.875

83.227

               

Ontvangsten

25.626

24.026

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Voor mensen met recht op de oude Wajong die volledig arbeidsgehandicapt zijn en duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2019 is dit € 1.226,70 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Voor de groep met arbeidsvermogen is de uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is deze afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Voor mensen met recht op de Wajong2010 in de uitkeringsregeling is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen in de Wajong2010 werkregeling is de uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen die arbeidsmogelijkheden hebben geldt een activerende uitkeringsstructuur, waarbij «werken moet lonen» het uitgangspunt is. Verdient een Wajonger in de werkregeling meer dan 20% van het minimumloon, dan mag hij de helft van elke extra verdiende euro houden, tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 van 27 jaar of ouder die 7 jaar in de werkregeling zitten komen in de voortgezette werkregeling. Wanneer jonggehandicapten in de voortgezette werkregeling van de Wajong2010 meer dan 20% van het minimumloon verdienen, worden ze met een uitkering aangevuld tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die studeren, ontvangen een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon. Het kabinet is voornemens om deze studieregeling vanaf 2020 te schrappen, waardoor ook de jonggehandicapten in de Wajong2010 die studeren in de werkregeling of uitkeringsregeling zullen komen.

Mensen met recht op de Wajong2015 ontvangen een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon. Daarnaast ontvangen Wajong-gerechtigden in 2019 een tegemoetkoming van netto € 179,81 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten stijgen in 2020 licht ten opzichte van 2019. De belangrijkste factoren zijn:

  • Een verhoogde instroom in de Wajong2015 als gevolg van het schrappen van het volgen van een studie als uitsluitingsgrond;

  • Een hogere gemiddelde uitkering omdat nieuwe instroom duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft en daarom een volledige uitkering zal ontvangen;

  • Van de personen die uitstromen zal een deel een gedeeltelijke uitkering hebben, omdat zij wel werken;

  • De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, omdat er een lagere instroom in de Wajong2015 is dan voorheen in de Wajong2010. Hierdoor neemt het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt die gebaseerd wordt op het minimumjeugdloon af;

  • In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale volume van de Wajong neemt naar verwachting iets toe. Dit komt door de verhoogde instroom in de Wajong2015 als gevolg van het schrappen van het volgen van een studie als uitsluitingsgrond.

Tabel 3.4.2 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

245

243

244

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

172

168

165

   

waarvan met arbeidsvermogen (%)

41

41

41

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

64

63

62

   

waarvan werkregeling (%)

68

73

73

   

waarvan studieregeling (%)

5,8

0

0

   

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

27

27

27

 

waarvan Wajong2015

9,1

12

18

           

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

5,2

6

7

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,5

7

6

           

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

52

51

51

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie laten een afname zien ten opzichte van eerdere jaren. De kerncijfers op het gebied van opsporing wijzen op een lager benadelingsbedrag, waarbij het aantal geconstateerde overtredingen ook lager is dan 2017. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd. De methodiek voor de bepaling van de incassoratio is met ingang van 2018 verbeterd en is nu gebaseerd op de complete set aan gegevens, waar voorheen de berekening werd gemaakt op basis van een representatieve steekproef.

Tabel 3.4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

68

61

Kennis van de verplichtingen (%)

86

82

79

Opsporing2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3,0

3,7

3,6

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,6

2,4

2,2

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

4,6

7,5

5,6

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,8

1,0

0,8

Aantal boetes (x 1.000)

1,0

1,1

1,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,6

0,8

0,8

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

53

31

18

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten (instellingen die scholings- en arbeidstoeleidingstrajecten bieden aan jongeren die ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van scholing vanwege één of meer specifieke sociaal-medische beperkingen) door middel van de ESB-regeling. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 3.3.7 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2020 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 98 miljoen beschikbaar. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget neemt geleidelijk af (zie tabel 3.4.1). Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.4.4 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Jonggehandicaptenkorting

178

180

182

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW). Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen naar 60 jaar en 4 maanden.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Wet Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Beleidswijzigingen

In het regeerakkoord is aangekondigd dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd. Hierdoor hoeven oudere werklozen na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner «op te eten» voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning. Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen van 60 jaar naar 60 jaar en 4 maanden. Deze leeftijdsgrens blijft tot 2024 gehandhaafd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

104.008

131.305

115.743

110.377

116.683

127.935

141.935

Uitgaven

108.108

129.796

116.911

111.282

117.188

128.440

142.535

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

98.120

101.497

103.785

110.377

116.683

127.935

141.935

IOW

69.600

100.394

103.680

110.271

116.577

127.829

141.831

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

20

103

105

106

106

106

104

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

28.500

1.000

0

0

0

0

0

               

Subsidies

4.947

15.241

2.768

905

505

505

600

Experimenten 50+

2.108

703

0

0

0

0

0

WW 50+

331

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeladvies 45+

636

13.750

1.600

0

0

0

0

Overige subsidies algemeen

1.872

788

1.168

905

505

505

600

               

Opdrachten

1.041

572

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.000

12.486

10.358

0

0

0

0

Scholing WW

4.000

12.486

10.358

0

0

0

0

               

Ontvangsten

3.398

10.772

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten IOW en Cessantiawet (Caribisch Nederland).

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft budget voor het Ontwikkeladvies voor vijfenveertigplussers, een centraal aanspreekpunt voor werkgevers en de Ambachtsacademie.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Het betreft budget van UWV dat bij de goedkeuring van het jaarplan UWV wordt vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

4.402.744

3.909.355

3.827.525

4.116.777

4.408.526

4.735.860

5.091.631

               

Inkomensoverdrachten

4.402.744

3.909.355

3.724.276

3.904.578

4.079.882

4.276.373

4.475.627

WW

4.402.744

3.909.355

3.724.276

3.904.578

4.079.882

4.276.373

4.475.627

               

Nominaal

0

0

103.249

212.199

328.644

459.487

616.004

               

Ontvangsten

301.000

253.000

260.068

266.823

273.491

280.319

288.009

Ufo

301.000

253.000

253.000

253.000

253.000

253.000

253.000

Nominaal

0

0

7.068

13.823

20.491

27.319

35.009

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. Vóór 2020 geldt de minimumleeftijd van 60 jaar bij aanvang van de WW- of WGA-uitkering.

De IOW is een tijdelijke regeling. In het regeerakkoord is opgenomen dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2024 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.

  • Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het netto minimumloon. Dit is op 1 juli 2019 € 1.203,43 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto minimumloon als:

  • De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;

  • De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW-uitgaven stijgen op jaarbasis. Dit heeft onder meer te maken met de stijging van de AOW-leeftijd. Als de AOW-leeftijd hoger ligt, is de IOW-duur langer. Daarnaast is de instroom in de IOW hoger bij een hogere AOW-leeftijd, omdat meer mensen na hun WW- of loongerelateerde WGA-uitkering de periode tot AOW moeten overbruggen met een IOW-uitkering. Een andere factor die bijdraagt aan het oplopende uitgavenpatroon, is de verkorting van de maximale WW-duur van 38 naar 24 maanden. Dit leidt ertoe dat mensen eerder doorstromen van de WW naar de IOW, met als gevolg een hogere IOW-instroom en een langere IOW-duur.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.5.3 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

5,7

7,4

8,3

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. In de praktijk kunnen uitgaven echter van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen ook sterk verschillen en de hoogte van de uitkeringslasten van jaar tot jaar beïnvloeden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW

A3. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden per 1 april 2019. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;

  • Verzekerd zijn voor de WW;

  • Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • Beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2019 maximaal € 3.538,19 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.302,31 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

Naar verwachting dalen de WW-uitgaven in 2019 met circa € 495 miljoen en vervolgens met € 185 miljoen in 2020. De ramingen van het CPB geven voor 2019 een daling van de werkloosheid aan, maar vanaf 2020 verwacht het CPB een stijgende werkloosheid. Daarnaast groeien de effecten van de Wet werk en zekerheid (Wwz) geleidelijk in. De WW-duurverkorting, de aanpassing van het besluit passende arbeid en de invoering van inkomstenverrekening hebben daarbij in de komende jaren naar verwachting een neerwaarts effect op de WW-uitgaven. Omdat het CPB meerjarig verwacht dat de werkloosheid weer zal gaan toenemen, nemen de WW-uitgaven in latere jaren verder toe.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De werkloosheid zal in 2019 naar verwachting dalen en vanaf 2020 gaan stijgen. Dit leidt ertoe dat de totale WW-instroom in 2019 afneemt en in 2020 gaat stijgen. Het aantal beëindigde WW-uitkeringen valt in 2019 naar verwachting hoger uit dan het aantal nieuwe uitkeringen. Daarmee daalt het WW-volume in 2019. In 2020 ligt het aantal beëindigde WW-uitkeringen juist lager dan de totale instroom, waardoor het aantal lopende uitkeringen stijgt.

Tabel 3.5.5 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

241

203

191

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

263

225

234

Aantal WW-instromers (x 1.000)

336

330

341

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

294

2

2

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)3

42

2

2

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

403

368

331

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit getal wordt niet geraamd.

X Noot
3

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Het WW-volume in tabel 3.5.5 wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar omgerekend naar voltijdsequivalenten. Daarnaast bevat tabel 3.5.5 het aantal lopende WW-uitkeringen per 31 december. De ontwikkeling van deze ultimostand kan worden verklaard uit de totale WW-instroom en -uitstroom gedurende het kalenderjaar.

Tabel 3.5.6 beschrijft de werkhervatting van WW’ers. Uit de cijfers blijkt dat er in 2018 meer vroege uitstroom plaatsvond dan het jaar ervoor. Meer mensen hervatten het werk binnen 3 maanden na instroom, en hetzelfde geldt voor werkhervatting binnen 12 maanden. Hoewel ook de oudere WW’ers vaker vroeg uitstromen, blijft een verschil met andere WW’ers bestaan.

Tabel 3.5.6 Werkhervatting uit de WW1
 

Realisatie 20162

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aandeel werkhervatting binnen 12 maanden na instroom

35

27

31

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

37

28

32

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

24

21

24

         

Aandeel werkhervatting binnen 3 maanden na instroom

16

9

12

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

UWV, jaarverslag 2017.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie (tabel 3.5.7) laten een stabiel beeld zien vergeleken met voorgaande jaren. Daarbij is sprake van een hoog kennisniveau van de verplichtingen.

De kerncijfers op het gebied van opsporing tonen een sterke daling in vergelijking met voorgaande jaren door een sterke afname van het aantal signalen, overtredingen en het benadelingsbedrag. Dit is enerzijds het gevolg van het dalend aantal WW-uitkeringen. Anderzijds wordt dit veroorzaakt doordat er sinds de invoering van de Wwz al bij de uitkeringsverstrekking rekening wordt gehouden met de inkomsten van een WW-gerechtigde, door de inkomstenopgave te vergelijken met de informatie uit de polisadministratie.

De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.5.7 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

81

79

78

Kennis van de verplichtingen (%)

96

97

96

Opsporing2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

20

15

3,7

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

14

10

1,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

22

21

5,5

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

2,5

4,5

1,7

Aantal boetes (x 1.000)

13

7,8

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

6,8

4,2

1,2

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering2

Incassoratio boete + benadelingsbedrag ultimo 2018 (%)

63

55

30

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

B. Subsidies

Het betreft middelen die in 2016 beschikbaar zijn gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Om aan te sluiten bij het kasritme van de subsidieregelingen voor het Ontwikkeladvies 45+ en voor de Ambachtsacademie, is een deel van het budget beschikbaar in 2020 en latere jaren. Medio 2020 wordt het evaluatierapport van het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers opgeleverd.

C. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de jaren 2018–2020 zijn middelen aan UWV beschikbaar gesteld voor scholing naar kansberoepen. In 2018 bleef het gebruik van de scholingsregeling WW aanvankelijk achter bij de verwachting. Van de € 4 miljoen die in 2018 aan UWV was verstrekt, is circa € 2,4 miljoen niet besteed. Dit bedrag is toegevoegd aan het beschikbare budget voor 2019. Om het gebruik van de regeling in 2019 en 2020 te bevorderen is op verzoek van de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 35 000 XV, nr. 40) gezocht naar meer ruimte voor maatwerk. Dat is gevonden in de mogelijkheid tot een hogere financiële bijdrage en een langere duur van de scholing. Inmiddels ligt het gebruik van de regeling door de inzet van UWV hoger.

D. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. De Ufo-ontvangsten worden meerjarig constant verondersteld.

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte van een kind, adoptie of opname van een pleegkind.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof en aanvullend geboorteverlof.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Slachtoffers van het organo psycho syndroom (OPS), ook wel «schildersziekte» genoemd, kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige financiële tegemoetkoming.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Wet arbeid en zorg

Beleidswijzigingen

Op 1 juli 2020 wijzigt de Wet arbeid en zorg. Op dat moment treedt de tweede fase van het geboorteverlof in werking (WIEG). Het geboorteverlof bedraagt sinds 1 januari 2019 1 week met behoud van loon. Dit wordt aangevuld met 5 weken, waarbij de werknemer een uitkering ontvangt van UWV. De uitkering bedraagt 70% van het dagloon, gemaximeerd op 70% van het maximum dagloon. Dit aanvullende geboorteverlof dient te worden opgenomen nadat de eerste week geboorteverlof met behoud van loon volledig is genoten, maar wel binnen 6 maanden na de dag van bevalling. Rechthebbenden zijn de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de moeder, degene die met haar samenwoont of degene die haar kind heeft erkend.

Uitbreiding nabestaandenbegrip TAS

Het nabestaandenbegrip in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS) wordt in 2019 uitgebreid. Hiermee wordt aangesloten bij het nabestaandenbegrip in het burgerlijk wetboek. Deze aanpassing kost vanaf 2020 naar schatting structureel € 150.000 per jaar. Het nabestaandenbegrip in de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS), onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van I&W, is op dezelfde wijze uitgebreid.

OPS-motie

Voor de motie om de OPS-slachtoffers uit coulance financieel tegemoet te komen is voor 2020 € 7,2 mln aan middelen beschikbaar gesteld voor tegemoetkomingen. Deze regeling gaat in per 1 januari 2020. Slachtoffers kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige financiële tegemoetkoming.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

7.904

12.239

11.738

8.268

8.298

8.279

8.312

Uitgaven

7.904

11.996

11.981

8.268

8.298

8.279

8.312

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

7.904

11.739

11.738

8.268

8.298

8.279

8.312

TAS

4.716

4.771

4.696

4.696

4.696

4.696

4.696

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

3.188

3.368

3.442

3.472

3.502

3.533

3.566

OPS-voorzieningsfonds

0

3.600

3.600

100

100

50

50

               

Subsidies

0

257

243

0

0

0

0

Kanker en werken

0

257

243

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS, OPS-voorzieningenfonds en uitkeringslasten ziekteverzekering Caribisch Nederland.

Subsidies

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft budget voor de subsidieregeling kanker en werkzoekenden.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

2.806.325

2.989.470

3.027.932

3.246.187

3.372.491

3.501.747

3.636.685

               

Inkomensoverdrachten

2.806.325

2.989.470

2.945.765

3.078.196

3.120.044

3.160.766

3.202.689

ZW

1.627.534

1.655.173

1.628.811

1.625.961

1.643.871

1.659.432

1.675.625

WAZO

1.178.791

1.334.297

1.252.913

1.278.429

1.299.229

1.321.154

1.343.563

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

0

0

64.041

173.806

176.944

180.180

183.501

Uitkeringslasten ouderschapsverlof

0

0

0

0

0

0

0

               

Nominaal

0

0

82.167

167.991

252.447

340.981

433.996

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van arbeidsgerelateerde blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot op de schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 20.730 (prijspeil 2019, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2019 € 20.730, waarop reeds van de werkgever ontvangen bedragen in mindering worden gebracht. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de TAS worden vanaf 2020 geraamd op circa € 4,7 miljoen per jaar. Dit is inclusief de uitbreiding van het nabestaandenbegrip (ad. € 150.000 vanaf 2020, zie Beleidswijzigingen), zodat dit aansluit bij het Burgerlijk Wetboek. De uitgaven vallen vanaf 2020 per saldo € 75.000 lager uit dan in 2019. Dit komt enerzijds door een nabetaling in 2019 aan de SVB over 2018. Anderzijds leidt de uitbreiding van het nabestaandenbegrip ook in 2019 tot hogere uitgaven, doordat de uitbreiding in 2019 ingaat.

Beleidsrelevante kerncijfers

Ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden, blijft het aantal TAS-aanvragen de komende jaren naar verwachting stabiel.

Tabel 3.6.3 Kerncijfers TAS
   

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,4

0,4

0,4

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,2

0,2

0,2

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

2

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De in geringe mate oplopende uitgavenontwikkeling van de Ziekteverzekering (ZV) wordt verklaard door de verhoging van de gerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomsverzekering (zie beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de ZV langer door.

Tabel 3.6.4 Kerncijfers ziekteverzekering Caribisch Nederland
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

63

63

63

X Noot
1

RCN-unit SZW.

A3. OPS-fonds

De OPS problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. Het kabinet heeft, onder een aantal voorwaarden, besloten uitvoering te geven aan de door de Kamer breed gedragen motie van het lid Aartsen c.s. Hierover is de Tweede Kamer per brief op 29 maart geïnformeerd. Bij de opzet van de regeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

De tijdelijke en eenmalige regeling voor een financiële tegemoetkoming aan OPS-slachtoffers zal toegankelijk worden voor personen die aan drie voorwaarden voldoen:

  • Het slachtoffer kan aantonen dat hij een officiële diagnose Chronische Toxische Encephalopathie (CTE) heeft verkregen van een van de Solvent Teams aan de universiteiten van Amsterdam en Twente, waarbij de aanvraag niet later is ingediend dan een half jaar na publicatie van de regeling voor de financiële tegemoetkoming van OPS-slachtoffers. De diagnose levert een bevestiging van zowel de gezondheidsschade als van het feit dat deze arbeidsgerelateerd is;

  • Het slachtoffer heeft geen enkele vorm van een financiële tegemoetkoming gehad voor de schade als gevolg van zijn OPS aandoening, of een bedrag dat lager is dan het normbedrag voor de financiële tegemoetkoming;

  • Er moet sprake zijn van een blootstelling die in Nederland in loondienst heeft plaatsgevonden.

Hoe hoog is de tegemoetkoming?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is gelijk aan de tegemoetkoming bij de TAS (in 2019 bedraagt deze € 20.730). Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de tegemoetkoming volgt in 2020 de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

A4. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ZW-uitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2019 gemaximeerd op € 216,90 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3.302,30 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar. Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.717,58 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW van de bij UWV verzekerde populatie nemen in 2020 met circa € 26 miljoen af ten opzichte van 2019. Deze daling is vooral het gevolg van een verdere afname van het aantal zieke werklozen. Dit wordt deels gecompenseerd doordat het gebruik van de no-riskpolis conform verwachting stijgt en het beroep van het aantal uitzendkrachten en ziekte bij zwangerschap op de ZW naar verwachting toeneemt. Vanaf 2022 nemen de totale uitkeringslasten op de ZW weer toe. Verwacht wordt dat tegen die tijd het aantal zieke werklozen weer zal stijgen.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8 Oudedagsvoorziening). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, wat vooral wordt veroorzaakt doordat minder personen vanuit de werkloosheid de ZW bereiken vanwege pensionering. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De verwachte afname van de uitkeringslasten op de ZW vertaalt zich een lager geraamd aantal uitkeringsjaren in de ZW. Naar verwachting neemt het aantal uitkeringsjaren met circa 1.300 af in 2020.

Tabel 3.6.5 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume ZW (x 1.000 uitkeringsjaren)

95

93