Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.
Het bericht ‘Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds’ |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds»1 van Energeia?
Wat zijn de verschillen in doel en opzet tussen het Publiek Energiefonds en het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Hoe beoordeelt u de constatering in dit artikel dat het aangekondigde Publiek Energiefonds is bedoeld om huishoudens te beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van Europees beleid, en daarmee geen vervanging is voor de inkomenssteun die het Tijdelijk Noodfonds Energie gaf aan huishoudens, en dus niet kan fungeren als directe vervanger van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
In de brief van het vorige kabinet aan de Kamer (Kamerstuk 2025D38183) is aangegeven dat het publiek energiefonds wordt voorbereid in samenwerking met de werkeenheid Uitvoering van Beleid (UVB) en dat invoering per januari 2027 werd beoogd. Wat is de huidige stand van zaken? wordt de beoogd uitvoerder definitief aangesteld?
Wanneer moet de vormgeving van het fonds definitief zijn om op 1 januari open te gaan? Is daar wetgeving voor nodig? Lopen de voorbereidingen op schema, en kunt u een gedetailleerde planning aan de Kamer doen toekomen?
Aangezien het publieke energiefonds in 2026 nog niet operationeel zal zijn, welke maatregelen treft u om huishoudens met lage en middeninkomens in de winter van 2026 te beschermen tegen hoge energielasten en mogelijke betalingsproblemen?
Heeft u zicht op hoeveel huishoudens worden geholpen met de dit jaar beschikbaar gestelde 30 miljoen euro voor gemeenten, en hoeveel hen dit scheelt op hun energierekening?
In hoeverre is onderzocht of het bestaande Tijdelijk Noodfonds Energie tijdelijk kan worden ingezet om 2026 te overbruggen? Is deze analyse heroverwogen naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak dat het Noodfonds geen zelfstandig bestuursorgaan betreft? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de eerder opgevoerde argumenten om het Tijdelijk Noodfonds Energie in te zetten ter overbrugging van 2026?
Hoeveel huishoudens hadden dit jaar recht gehad op een uitkering uit het Tijdelijk Noodfonds Energie? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Hoeveel huishoudens die recht hadden gehad op inkomenssteun door het Tijdelijk Noodfonds Energie zullen dat niet meer hebben onder de voorwaarden van het Publiek Energiefonds? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Waarom is ervoor gekozen om het inkomensplafond om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Publiek Energiefonds te verlagen van 200% naar 130% van het sociaal minimum?
Waarom is ervoor gekozen om de uitkering te maximeren op 200 euro, terwijl TNO berekende dat de «diepte» van energiearmoede veel dieper is (gemiddeld 472 euro per jaar)?
Waar kunnen huishoudens met een warmtenet terecht die hun energierekening niet kunnen betalen?
Kan uitstel van ETS2 leiden tot een lager budget in het Sociaal Klimaatfonds voor Nederland, en voor het Publiek Energiefonds in het bijzonder? Zo ja, (hoe) gaat u ervoor zorgen dat dit geen effect heeft op het beschikbare budget in het Publiek Energiefonds?
Kan uitstel van ETS2 naar 2028 ertoe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het Publiek Energiefonds in 2027, bijvoorbeeld omdat het fonds alleen toeziet op compensatie van extra kosten veroorzaakt door ETS2? Zo niet, op basis waarvan wordt in dat geval de vergoeding bepaald in 2027?
Kunt u bevestigen dat het Sociaal Klimaatfonds ondanks uitstel van ETS2 per 1 januari open zal gaan? Zo niet, wat zijn de gevolgen voor het Publiek Energiefonds als dit niet zo zou zijn?
Vermeende Piramidespelen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat tientallen Brabantse jongeren lid zijn van het vermeende piramidespel «For the people»1? Zo ja, wat vindt u van deze berichten?
Kunt u een indicatie geven van de aard en de omvang van het probleem van op sociale media aangeboden initiatieven die gekwalificeerd kunnen worden als piramidespel? Hoeveel initiatieven op sociale media zijn u bekend, waarbij met name jongeren worden geworven voor het aanschaffen van een «cursus», die op hun beurt worden ingezet om aan zoveel mogelijk anderen dezelfde «cursus» te verkopen?
Hoe wordt met het oog op de Wet op de kansspelen hierop gehandhaafd?
Bent u het met de in het bericht genoemde wetenschapper eens dat de wetgeving zoveel gaten vertoont, dat bijna niet aan te tonen is dat een bepaald aanbod een piramidespel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de rechtsbescherming van slachtoffers te versterken en de bestrijding van het aanbieden van piramidespelen te optimaliseren?
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Het verbod op contante betalingen boven de 3000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Het Nederlandse goud in New York |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het, gezien het feit dat de Verenigde Staten zelfs niet langer lippendienst bewijst aan het «internationaal recht», bovendien heeft gedreigd bondgenoten (Denemarken) aan te vallen, heel waarschijnlijk betrokken is bij de aanval op Nordstream en daarmee indirect ook ons land en daarnaast ook Nederland en andere Europese landen er zelf niet langer voor terugdeinzen geld van een centrale bank waar we (formeel) niet mee in staat van oorlog verkeren te confisqueren, verstandig, zoals de Minister aan de Kamer schrijft, (blind) te vertrouwen op de afspraken die met de Verenigde Staten zijn gemaakt over de opslag van het Nederlandse goud in New York?
Zou het niet verstandiger zijn – om dit vertrouwen en het systeem te testen – om in ieder geval een klein deel van het Nederlandse goud dat is opgeslagen in New York te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Tot slot, mocht over een paar jaar blijken dat het Nederlandse goud in de Verenigde Staten niet langer in Nederlandse handen is (het goud is bijvoorbeeld in beslag genomen of «bevroren») omdat Nederland het goud niet tijdig heeft gerepatrieerd, wie kan de Tweede Kamer (en daarmee de Nederlandse bevolking) dan primair verantwoordelijk stellen voor het besluit om niet tijdig ons goud te repatriëren? De Nederlandsche Bank of het Ministerie van Financiën?
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jimmy Dijk , Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel 'Toeslagouders opnieuw in de schulden door goedbedoelde betaalpauze’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de destijds ingestelde betaalpauze voor schulden van toeslagenouders in eerste instantie voor een jaar zou gelden, maar dat vervolgens de pauzeknop door is blijven lopen, zolang als de financiële beoordeling duurde?1
Kunt u zich voorstellen dat door de herhaaldelijke grote vertragingen in de hersteloperatie in de afgelopen jaren, de schulden bij ouders steeds verder uit zicht zijn geraakt?
Kunt u zich voorstellen dat mensen na een dergelijke lange radiostilte worden overvallen door een grote openstaande schuld, wat direct weer nieuwe stress oproept?
Klopt het dat schulden zelfs nog verder zijn opgelopen en hoe kan dit gebeuren als geen rente werd berekend over de gepauzeerde schulden?
Kunt u de signalen nagaan van ouders, die aangeven nooit communicatie te hebben ontvangen over de openstaande schulden, ook niet bij de jaarlijkse belastingaanslag/toeslagbeschikking?
Bent u van mening dat de communicatie hierover richting ouders de afgelopen jaren echt helder is geweest en voldoende inzicht en handelingsperspectief heeft geboden?
Kunt u als bijlage bij uw beantwoording voorbeelden meesturen van de brieven, die hierover gedurende de afgelopen jaren zijn uitgegaan?
Waarom zijn pas in 2024 en 2025 brieven gestuurd met een schuldenoverzicht, terwijl dit bijvoorbeeld bij de coronaschuldenregeling jaarlijks wordt gedaan, zodat mensen zicht kunnen houden op de openstaande schuld?
Is het volgens u, terugkijkend, eigenlijk verantwoord geweest om van ouders die jarenlang zoveel financiële stress hebben gehad, te verwachten dat zij hoge schulden in het oog zouden houden, zonder aanvullende begeleiding?
Klopt het dat ouders de openstaande schulden, die waren ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire, na afronding van de financiële beoordeling en compensatie terug zouden moeten kunnen betalen en is daar volgens u nog steeds sprake van?
Kunt u de oorzaken aangeven waarom ouders de schulden nu in veel gevallen niet kunnen terugbetalen?
Klopt het dat de regels voor een betalingsregeling of kwijtschelding van een schuld vaak streng zijn?
Wat zou volgens u in dit geval passend zijn met betrekking tot betalingsregelingen of kwijtscheldingen met in uw achterhoofd dat men ouders een nieuwe start wilde laten maken?
Wat moeten ouders doen als zij nog geen reactie hebben op een verzoek tot een betalingsregeling of kwijtschelding, terwijl betalingsherinneringen binnen blijven komen en verlopen?
Kun u aanvullende communicatie uit laten gaan wat ouders in deze situatie kunnen doen en bij wie ze terecht kunnen voor hulp, om zoveel mogelijk ouders te bereiken die mogelijk eerdere communicatie hebben gemist?
Bent u ook bereid om te kijken naar verdere ondersteuning en begeleiding voor deze ouders, zodat zij ook echt een nieuwe start kunnen maken en zij de gevolgen van de toeslagenaffaire ook blijvend achter zich kunnen laten?
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
De sterke stijging van gemeentelijke lasten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeentelijke lasten stijgen bijna drie keer zo hard als inflatie: vooral automobilisten en huiseigenaren de klos»?1
Erkent u dat een stijging van gemeentelijke heffingen met 6,5 procent, bijna drie keer de geraamde inflatie van 2,4 procent volgens De Nederlandsche Bank, voor veel huishoudens onbetaalbaar begint te worden?
Hoe rechtvaardigt u dat gemeentelijke lasten sinds 2016 met ruim 68 procent zijn gestegen, terwijl lonen en koopkracht deze ontwikkeling niet hebben bijgehouden?
Deelt u de conclusie dat huiseigenaren en automobilisten structureel worden gebruikt als melkkoe om gemeentelijke begrotingen sluitend te krijgen?
Hoe beoordeelt u de forse stijging van parkeerheffingen, met name in grote steden als Amsterdam en Rotterdam, waar automobilisten steeds vaker geen betaalbaar alternatief meer hebben?
In hoeverre erkent u dat het uitbreiden van betaald parkeren primair een inkomstenmaatregel is geworden en niet langer een instrument voor verkeers- of leefbaarheidsbeleid?
Welke concrete verantwoordelijkheid neemt het kabinet voor het feit dat gemeentelijke lasten structureel sneller stijgen dan de inflatie?
Bent u bereid om landelijke maxima of inflatiekoppelingen in te voeren voor gemeentelijke heffingen zoals de onroerende zaakbelasting (OZB) en parkeerbelastingen? Zo nee, waarom niet? En wat bent u bereid dan wel te doen om deze onrechtvaardige stijging van lasten te stoppen?
Welke bescherming biedt het kabinet op dit moment aan huishoudens die door stapeling van gemeentelijke lasten in financiële problemen komen?
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Fouten bij UWV over het partnerinkomen en toeslagen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er na de vaststelling van de uitkering bij de vaststelling van het recht op toeslagen door het UWV fouten zijn gemaakt doordat er verzuimd is het partnerinkomen te betrekken?
Een toeslag van UWV vult het bruto-gezinsinkomen aan tot maximaal het sociaal minimum dat geldt voor de leeftijd en leefsituatie van de uitkeringsgerechtigde. Er zijn diverse voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat een betrokkene in aanmerking komt voor een aanvullende toeslag vanuit de Toeslagenwet van UWV. UWV wijst uitkeringsgerechtigden op deze voorwaarden en controleert daar ook op. Zo ook op het zelf doorgeven van eigen inkomsten en eventuele partnerinkomsten aan UWV. UWV heeft in april 2025 geconstateerd dat bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de toeslag op de Ziektewetuitkering in een aantal gevallen de controle van het partnerinkomen is uitgebleven als gevolg van een systeemfout. De toeslag is in deze gevallen vastgesteld op basis van de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven inkomsten van de partner. Door deze systeemfout zijn deze gegevens niet gecontroleerd met de voor UWV beschikbare inkomstengegevens in de Polis administratie. Omdat uit ervaring blijkt dat uitkeringsgerechtigden de partnerinkomsten niet, niet altijd of niet volledig opgeven is het mogelijk dat hierdoor uitkeringsgerechtigden een te hoog of te laag bedrag als aanvulling vanuit de Toeslagenwet hebben ontvangen.
Klopt het dat mensen hierdoor onterecht of te hoge toeslagen hebben gekregen?
Op dit moment is er nog geen volledig beeld van de totale omvang van de betrokken groep en de financiële impact per persoon. Er wordt hier momenteel hard aan gewerkt, zodat zo snel mogelijk duidelijkheid kan worden geboden. Uit de eerste informatie ontstaat het beeld dat er in de meeste situaties geen financieel gevolg is geweest. In een deel van de situaties kan dit hebben geleid tot een te hoge of juist te lage toeslag.
Zodra er een volledig en zorgvuldig beeld beschikbaar is, zullen wij u hierover informeren via de eerstvolgende Stand van de Uitvoering. Eventuele herstelacties worden altijd via de Stand van de Uitvoering gecommuniceerd; dat zal in dit geval ook zo zijn.
Zo ja, hoe lang speelt dit?
De systeemfout deed zich voor in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025 als gevolg van een verouderde systeemkoppeling, waardoor gegevens uit het ene uitkeringssysteem niet werden doorgegeven aan een ander uitkeringssysteem. Hierdoor ontving de medewerker van UWV geen signaal wanneer de inkomstengegevens in de Polisadministratie afweken van de inkomstengegevens die de uitkeringsgerechtigde zelf had opgegeven.
Het wordt betreurd dat deze fout pas op een later moment is ontdekt. UWV werkt aan het verbeteren van de systemen en controles om dergelijke fouten in de toekomst eerder te signaleren en te voorkomen.
Klopt het dat er voorbereidingen getroffen worden om die toeslagen (deels) terug te vorderen?
SZW en UWV zijn op dit moment in overleg over de omvang en een passende herstelaanpak. Afhankelijk van de uitkomst kan deze herstelaanpak bestaan uit nabetalingen en, waar aan de orde, terugvorderingen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via de Stand van de Uitvoering.
Klopt het dat dit gaat om grote bedragen en daarmee grote terugvorderingen? Kunt u een inschatting geven van het maximale en gemiddelde bedrag per persoon? Kunt u aangeven om hoe veel mensen dit gaat?
Op dit moment is nog geen volledig beeld beschikbaar van de totale omvang van de betrokken groep en van de financiële impact per persoon. Er wordt momenteel hard aan gewerkt om deze duidelijkheid zo snel mogelijk te verkrijgen, waarbij het van belang is de informatie zorgvuldig en volledig vast te stellen voordat hierover uitspraken worden gedaan.
Bent u hierover geïnformeerd? Zo ja, wanneer? Kunt u aangeven wanneer het UWV al op de hoogte was hiervan?
UWV heeft de fout in april 2025 geconstateerd, waarna nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten ben ik geïnformeerd over de geconstateerde systeemfout op 18 november 2025. De Kamer wordt over herstelacties altijd geïnformeerd in de Stand van de uitvoering.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 6 februari beantwoorden?
Voor de beantwoording van Kamervragen hanteren we de afgesproken termijn van drie weken. In dit geval is tegemoet gekomen aan u wens om de beantwoording van uw vragen zo spoedig mogelijk aan u te doen toekomen.
Het bericht dat de overheid informatie achterhoudt voor de toeslagenouders |
|
Elmar Vlottes (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toeslagenouders opnieuw slachtoffer: overheid houdt informatie voor hen achter en overtreedt zo de wet»?1
Hoe beoordeelt u de werkwijze van de Dienst Toeslagen om doelbewust informatie niet te verstrekken, terwijl de ouders daar in voorkomende gevallen wél recht op hadden?
Hoe beoordeelt u de uitspraak: «inzet is altijd geweest te voldoen aan wettelijke verplichtingen». Met de inhoud van het memo waaruit blijkt dat doelbewust de strijdigheid met de wet wordt aanvaard én ook wordt erkend dat de werkwijze niet houdbaar is in beroep? Bent u het ermee eens dat deze uitspraak haaks staat op de inhoud van het memo?
Heeft u inzichtelijk om welke dossiers het gaat en wat de gevolgen zijn en zijn geweest van het achterhouden van informatie voor de ouders? Wat gaat u eraan doen om deze ouders alsnog inzage te geven in het volledige dossier?
Bent u het ermee eens dat het een grove schande is om doelbewust informatie achter te houden en de toeslagenouders daarmee nog verder te duperen? Zo nee, hoe denkt u het vertrouwen van de toeslagenouders nog te herstellen als zij keer op keer geconfronteerd worden met wantrouwen en tegenwerking?
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.