De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Het verhogen van de tabaksaccijns is een bewezen effectieve maatregel om roken te verminderen. Het maakt tabaksproducten minder aantrekkelijk doordat het de prijzen daarvan laat stijgen. In het Nationaal Preventieakkoord is daarom afgesproken om de tabaksaccijns in stappen aanmerkelijk te verhogen. Per 1 april 2023 en 1 april 2024 is de tabaksaccijns verhoogd met als doel om bij te dragen aan een rookvrije generatie in 2040.1 Deze twee verhogingen zijn in het Belastingplan 2023 opgenomen. De verhoging per 1 april 2024 is daarna in het Belastingplan 2024 om budgettaire redenen extra verhoogd.2 De verhoging per 1 april 2024 is daarnaast ook per amendement extra verhoogd ten behoeve van een halvering van de voorgenomen verhoging van de alcoholaccijns.3
De gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 zijn onderzocht door de Douane en het RIVM. Het onderzoek van het RIVM laat zien dat 7% van de ondervraagde rokers na de verhoging in 2024 is gestopt met roken.4 Uit het pakjesraaponderzoek van Douane blijkt daarnaast dat in 2024 45% van de geraapte sigarettenpakjes niet in de Nederlandse accijnsheffing zijn betrokken.5 Dat wil zeggen dat over die pakjes geen Nederlandse accijns is betaald. Dat kan bijvoorbeeld komen omdat zij, vanwege de open grenzen met buurlanden, in een andere lidstaat zijn gekocht, of omdat zij via illegale kanalen zijn aangeschaft. Hierdoor is het verkochte tabaksvolume sinds begin 2024 sterk gedaald en dit daalde in 2025 verder. Het verbod op verkoop van tabak en e-sigaretten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 kan ook bijdragen aan de lagere opbrengsten. In welke mate ieder van deze maatregelen heeft bijgedragen aan de daling van het verkochte tabaksvolume is niet te zeggen. Tot slot kan de aandacht voor de prijsverschillen met buurlanden hebben gezorgd voor een verdere afname van verkochte tabaksproducten in Nederland.
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
De gedragseffecten waarmee wordt gerekend in de ramingen voor de tabaksaccijns zijn bijgesteld aan de hand van de onderzoeken uitgevoerd door de Douane en het RIVM. Op basis van de huidige ramingen levert het verder verhogen van tabaksaccijns op dit moment naar verwachting geen extra
budgettaire opbrengst meer op. Een verdere toelichting op de gedragseffecten die worden toegepast bij de tabaksaccijns zijn te vinden in de publicatie rond gedragseffecten van het CPB.6
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Het verschil in budgettaire inkomsten komt conform het trendmatig begrotingsbeleid ten laste van het EMU-saldo. In het Coalitieakkoord is geen beleidsmatige aanpassing van de tabaksaccijns opgenomen. Het kabinet is dan ook niet van plan om de tabaksaccijns te verhogen dan wel te verlagen. Mocht daar in de toekomst wel sprake van zijn dan zal in lijn met de toezegging naar aanleiding van het rapport «Verantwoord Belasten» van de Algemene Rekenkamer in de evaluatieparagraaf van de memorie van toelichting ingegaan worden op de mogelijkheden voor monitoring van de budgettaire opbrengst.
Met betrekking tot de rookprevalentie is het belangrijk erop te wijzen dat er een langjarige dalende trend is. In 2016 rookte nog 26,3% van de Nederlanders weleens en dit percentage is in 2025 gedaald tot 17,8%. Het doel is om in 2040 een rookvrije generatie te bereiken waarbij kinderen en zwangere vrouwen niet meer roken en maximaal 5% van de volwassenen. Om dit doel te bereiken is een breed pakket van tabaksontmoedigingsmaatregelen ingevoerd. Daarbij zijn er echter van jaar tot jaar geen verwachtingen geformuleerd voor de daling van de rookprevalentie. Het kabinet zet zich onverminderd in om het gebruik van tabak en nicotine verder terug te dringen. Gezien de grote schade die het gebruik van deze middelen veroorzaakt, zijn dalingen in het gebruik en het gevoerde ontmoedigingsbeleid moeilijk te verenigen met kwalificaties als «een serieuze misrekening».
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Oxfam Novib |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Mona Keijzer |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Suzanne Kröger (PRO), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Eerenberg , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Robin van Leijen (D66), Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Het verhogen van de tabaksaccijns is een bewezen effectieve maatregel om roken te verminderen. Het maakt tabaksproducten minder aantrekkelijk doordat het de prijzen daarvan laat stijgen. In het Nationaal Preventieakkoord is daarom afgesproken om de tabaksaccijns in stappen aanmerkelijk te verhogen. Per 1 april 2023 en 1 april 2024 is de tabaksaccijns verhoogd met als doel om bij te dragen aan een rookvrije generatie in 2040.1 Deze twee verhogingen zijn in het Belastingplan 2023 opgenomen. De verhoging per 1 april 2024 is daarna in het Belastingplan 2024 om budgettaire redenen extra verhoogd.2 De verhoging per 1 april 2024 is daarnaast ook per amendement extra verhoogd ten behoeve van een halvering van de voorgenomen verhoging van de alcoholaccijns.3
De gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 zijn onderzocht door de Douane en het RIVM. Het onderzoek van het RIVM laat zien dat 7% van de ondervraagde rokers na de verhoging in 2024 is gestopt met roken.4 Uit het pakjesraaponderzoek van Douane blijkt daarnaast dat in 2024 45% van de geraapte sigarettenpakjes niet in de Nederlandse accijnsheffing zijn betrokken.5 Dat wil zeggen dat over die pakjes geen Nederlandse accijns is betaald. Dat kan bijvoorbeeld komen omdat zij, vanwege de open grenzen met buurlanden, in een andere lidstaat zijn gekocht, of omdat zij via illegale kanalen zijn aangeschaft. Hierdoor is het verkochte tabaksvolume sinds begin 2024 sterk gedaald en dit daalde in 2025 verder. Het verbod op verkoop van tabak en e-sigaretten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 kan ook bijdragen aan de lagere opbrengsten. In welke mate ieder van deze maatregelen heeft bijgedragen aan de daling van het verkochte tabaksvolume is niet te zeggen. Tot slot kan de aandacht voor de prijsverschillen met buurlanden hebben gezorgd voor een verdere afname van verkochte tabaksproducten in Nederland.
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
De gedragseffecten waarmee wordt gerekend in de ramingen voor de tabaksaccijns zijn bijgesteld aan de hand van de onderzoeken uitgevoerd door de Douane en het RIVM. Op basis van de huidige ramingen levert het verder verhogen van tabaksaccijns op dit moment naar verwachting geen extra
budgettaire opbrengst meer op. Een verdere toelichting op de gedragseffecten die worden toegepast bij de tabaksaccijns zijn te vinden in de publicatie rond gedragseffecten van het CPB.6
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Het verschil in budgettaire inkomsten komt conform het trendmatig begrotingsbeleid ten laste van het EMU-saldo. In het Coalitieakkoord is geen beleidsmatige aanpassing van de tabaksaccijns opgenomen. Het kabinet is dan ook niet van plan om de tabaksaccijns te verhogen dan wel te verlagen. Mocht daar in de toekomst wel sprake van zijn dan zal in lijn met de toezegging naar aanleiding van het rapport «Verantwoord Belasten» van de Algemene Rekenkamer in de evaluatieparagraaf van de memorie van toelichting ingegaan worden op de mogelijkheden voor monitoring van de budgettaire opbrengst.
Met betrekking tot de rookprevalentie is het belangrijk erop te wijzen dat er een langjarige dalende trend is. In 2016 rookte nog 26,3% van de Nederlanders weleens en dit percentage is in 2025 gedaald tot 17,8%. Het doel is om in 2040 een rookvrije generatie te bereiken waarbij kinderen en zwangere vrouwen niet meer roken en maximaal 5% van de volwassenen. Om dit doel te bereiken is een breed pakket van tabaksontmoedigingsmaatregelen ingevoerd. Daarbij zijn er echter van jaar tot jaar geen verwachtingen geformuleerd voor de daling van de rookprevalentie. Het kabinet zet zich onverminderd in om het gebruik van tabak en nicotine verder terug te dringen. Gezien de grote schade die het gebruik van deze middelen veroorzaakt, zijn dalingen in het gebruik en het gevoerde ontmoedigingsbeleid moeilijk te verenigen met kwalificaties als «een serieuze misrekening».
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.