Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Ik ben ermee bekend dat Nederlandse Loterij (NLO) geen inzicht geeft in deze gegevens.
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
NLO is niet verplicht om informatie te publiceren over het aantal online verkochte loten, het aantal winnende online loten, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor deze kansspelen. Loten kunnen digitaal worden aangeschaft via de website van NLO of fysiek via één van de retailkanalen. De keuze voor het online dan wel fysiek aanschaffen van een lot heeft geen invloed op de winstkans. Hierdoor ontbreekt de meerwaarde van het openbaar maken van dergelijke indicatoren. Van belang is dat loterijen eerlijk verlopen en hiervoor bestaan strenge wettelijke vereisten. Om een eerlijk verloop te borgen wordt de gebruikte trekkingsapparatuur gekeurd en zijn de trekkingen openbaar. Ook vinden trekkingen plaats in aanwezigheid van een notaris en wordt hiervan een proces-verbaal opgemaakt. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt hier toezicht op.
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Een staatsdeelneming dient zich net als andere aanbieders van kansspelen te houden aan de wet- en regelgeving. De wet- en regelgeving ten aanzien van kansspelen is gericht op het realiseren van de doelstellingen van het kansspelbeleid, in het bijzonder de bescherming van mensen tegen gokschade. Daarnaast mag van een staatsdeelneming verwacht worden dat zij hun maatschappelijke opdracht centraal stellen. Hierbij gaat het onder meer om de bescherming van spelers en het aanbieden van een betrouwbaar en veilig kansspelaanbod. Het aandeelhouderschap in NLO valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën. In zijn brief van 8 juni jl. geeft de Staatssecretaris van Financiën aan dat hij als aandeelhouder van NLO de nadruk legt op het borgen van het publiek belang van het verantwoord aanbieden van kansspelen.1 De Staatssecretaris van Financiën ziet dit als de belangrijkste (strategische) doelstelling van NLO.
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Uit het recent gepubliceerde jaarverslag blijkt dat NLO in 2025 € 126,4 miljoen heeft afgedragen aan de Staat der Nederlanden. Ik beschik niet over precieze bedragen ten aanzien van de jaarlijkse maatschappelijk kosten van gokverslaving. Wel is in 2023 middels een indicatieve kosten-baten analyse getracht de maatschappelijke kosten en baten van kansspelen te kwalificeren en vervolgens indicatief te kwantificeren.2 In die analyse schatten de onderzoekers de maatschappelijke kosten van kansspelverslaving in 2019 op € 1.137 miljoen. Echter, dat bedrag is van voor de legalisering van online kansspelen en de maatschappelijke kosten verschillen per type kansspel, waarbij de kosten de hoger zijn naarmate het kansspel meer risico op gokschade met zich meebrengt. Ik beschik niet over specifieke bedragen voor de maatschappelijke kosten van de producten van NLO. Het voorkomen van gokschade heeft mijn prioriteit, en zoals ik aan uw Kamer gecommuniceerd heb in de Kamerbrief van 12 juni jl. streef ik naar een structurele daling van de omvang van gokschade in Nederland.3
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Loterijen – zoals Lucky Day – vallen onder de wettelijke bepalingen voor landgebonden kansspelen en niet onder online kansspelen. In wet- en regelgeving wordt geen onderscheid gemaakt tussen loten die online of fysiek aangeschaft worden. In beide gevallen valt het kansspel onder de vergunning van loterijen, waarbij het internet een alternatief verkoopkanaal betreft. Loterijen kennen een lager risico op gokschade dan online kansspelen. In het jaarlijkse onderzoek «Deelname aan kansspelen» wordt voor loterijen, landgebonden kansspelen en online kansspelen de relatie met problematisch speelgedrag gemonitord.4 Voor online kansspelen, waaronder online sportweddenschappen, geldt daarnaast dat structurele monitoring plaatsvindt middels de tweejaarlijkse monitoringsrapportages van de Kansspelautoriteit en het onderzoek «Perspectief van Nederlanders op Kansspelen».5
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 8, vindt structurele monitoring plaats voor online kansspelen. NLO wordt als één van de aanbieders van online kansspelen meegenomen in die monitoring. Momenteel is het verbeteren van de bescherming tegen gokschade bij online kansspelen het meest urgent. Daar ligt dan ook mijn prioriteit. Nadat dat traject is afgerond, zal ik bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren. Daarbij kan ook aandacht besteed worden aan de maatschappelijke effecten van de mogelijke groei van online verkoop van landgebonden kansspelen. Ik zal in die context bezien of, en zo ja, welk type onderzoek nodig is.
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 8, wordt in wet- en regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen online en fysiek gekochte loten. Voor zowel online als fysiek gekochte loten geldt dat er regels zijn voor het proces van prijsbepaling, om te waarborgen dat het proces eerlijk verloopt. Bij prijsbepaling dient een methode te worden toegepast die beïnvloeding van buitenaf uitsluit en waarbij het toevalskarakter is gewaarborgd. De vergunninghouder moet processen die gebruikt worden bij prijsbepaling laten keuren door een door de Minister aangewezen keuringsinstelling of onafhankelijke deskundige. Verder moet de vergunninghouder jaarlijks een IT-audit laten uitvoeren volgens door de Ksa vastgestelde regels.6 Daarnaast moeten alle trekkingen openbaar en in aanwezigheid van een notaris plaatsvinden.
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
De keurings- en auditrapporten bevatten bedrijfsgevoelige informatie. Ze dienen alleen voor het toezicht door de Kansspelautoriteit, die zo nodig aanwijzingen aan de vergunninghouders geeft. Ik zal daarom het publiceren van de keurings- en auditrapporten niet verplichten.
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het beschermen van burgers tegen gokschade is een centrale doelstellingen in het kansspelbeleid. Uitgangspunt daarbij is risicogebaseerde bescherming, waarbij de mate van ingrijpen en benodigde bescherming voor een bepaald kansspel afhankelijk is van het risico op gokschade van dat kansspel. Ik wijs hierbij op het onderzoek «risico’s op gokschade: Een rangorde van gokproducten» dat ik op 17 april jl. naar uw Kamer gestuurd heb.7 De risicoclassificatie zoals in het onderzoek wordt gepresenteerd, geeft inzicht in de mate van risico op gokschade van verschillende typen kansspelen. Loterijen, ongeacht het verkoopkanaal, kennen andere kenmerken dan online kansspelen. Hierdoor hebben loterijen een ander, lager, risicoprofiel dan online kansspelen. Voor online kansspelen gelden in lijn daarmee meer verplichtingen en verboden, bijvoorbeeld met betrekking tot de zorgplicht en reclame. Ik werk aan een wetswijziging voor online gokken, waarin ik extra maatregelen neem om de bescherming tegen gokschade te verbeteren. Onderdeel van die wetswijziging is het verstevigen van de zorgplicht. Zoals aangegeven bij vraag 9 zal ik, nadat dat traject is afgerond, bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Ja.
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Het kabinet ziet de impact van hogere energieprijzen op huishoudens. Vanwege de actuele energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten heeft het kabinet het Actieplan Weerbaarheid Energieschok aangekondigd.
De actuele hoge prijzen bevestigen deels de kwetsbare positie van Nederland als gevolg van de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen. Om minder afhankelijk en kwetsbaar te worden moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven.
Het ETS-2 geeft vanaf 2028 een extra prikkel voor het overschakelen naar duurzame energiedragers. Daarbij hebben huishoudens hulp nodig, die het kabinet biedt door middel van het Actieplan Weerbaarheid, het Warmtefonds, het Noodfonds Energie en het Sociaal Klimaatfonds. Met het omschakelen naar duurzame energiebronnen versterken we de weerbaarheid van Nederland.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
De € 720 mln. die Europees beschikbaar wordt gesteld, wordt conform verplichting door Nederland aangevuld tot ongeveer € 1 mld. Deze middelen kunnen worden gebruikt om kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers te ondersteunen bij verduurzaming.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over de besteding van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Voor een huishouden met een gemiddeld jaarverbruik (gas en elektriciteit) bestaat de rekening voor ongeveer 10% uit energiebelasting; dit lagere percentage komt o.a. door de korting op de energiebelasting met een vast bedrag, een belastingvermindering die de afgelopen jaren bovendien verhoogd is.2 Ik ben bekend met de relatieve hoogte van de Nederlandse benzineprijzen. Generieke verlaging van de prijs aan de pomp is echter een maatregel die veel geld kost: de Minister van Financiën heeft dit in debat over het Actieplan Weerbaarheid aan de Kamer toegelicht.3 Een lagere energiebelasting of brandstofaccijns zou betekenen dat er alternatief beleid nodig is om de klimaatdoelen te halen en om de budgettaire derving op te vangen.
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het PBL noemt als mogelijkheid het instellen van een prijsplafond in het ETS-2. In het ETS-2 is tenminste tot 2030 een prijsbeheersingsmechanisme ingebouwd, waardoor de prijs niet hoger zal oplopen dan € 45/ton CO2 (in 2020-prijzen). Bij de uitwerking van de Europese klimaatarchitectuur voor na 2030 zal opnieuw het gesprek gevoerd worden over welk prijsniveau acceptabel wordt geacht.
Daarnaast beveelt het PBL aan om naast het ETS-2 aanvullend nationaal klimaatbeleid te voeren in ETS-2 sectoren, om te voorkomen dat omwille van doelbereik de prijs tot maatschappelijk onacceptabele hoogte moet stijgen. Het kabinet betrekt deze aanbeveling in de klimaatbesluitvorming.
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het CPB-rapport «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens». Dit rapport geeft aan dat economische verschillen tussen huishoudens kunnen toenemen als inkomen uit vermogen verschillend wordt belast. Wanneer deze verschillen blijven toenemen, dan kan dat leiden tot minder kansengelijkheid en een afname van de toekomstige welvaart. Het CPB geeft daarbij aan dat het in die zin een aanknopingspunt kan zijn voor beleid en bijvoorbeeld mee worden gewogen bij keuzes voor het belastingstelsel. Deze boodschap van CPB zijn helder en relevant om ter harte te nemen. Tegelijkertijd is deze boodschap niet nieuw. In 2022 is het IBO Vermogensverdeling verschenen met dezelfde boodschap. De analyse van het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011–2019. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Verder is het maximum pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en gelijk aan het in 2024 geldende maximum van € 137.800 euro. In het coalitieakkoord is afgesproken dit maximum ook voor de komende 6 jaren geldt. Daardoor wordt de fiscale ondersteuning voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt. Ook werkt dit kabinet aan het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3, wat ook voor meer evenwicht gaat zorgen. Het wetsvoorstel daartoe ligt in de Eerste Kamer. Tot slot zet het kabinet stappen op andere aanbevelingen van het CPB, onder andere in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Het kabinet volgt de inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS die ook internationaal gangbaar zijn. De statistische definitie van vermogen van huishoudens luidt als volgt: Alle financiële en niet-financiële bezittingen van huishoudens (spaargelden, aandelen, deelnemingen in bedrijven, ondernemingsvermogen, de eigen woning, overig onroerend goed en overige bezittingen) minus de schulden en leningen. Het aanmerkelijk belang (deelneming in bedrijven) behoort dus tot het vermogen van huishoudens.
Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit vermogen in de inkomstenbelasting. Volgens de inkomensstatistieken van het CBS maken winsten van ondernemingen deel uit van het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders op het moment dat ze uitgekeerd worden. Dat is tevens het moment dat ze worden belast in box 2.
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken over het vermogen van huishoudens. De reden daarvan is dat mensen hun collectief opgebouwde pensioenvermogen niet direct in handen hebben en het ook niet aan iemand anders kunnen geven. Wordt het pensioenvermogen wel bij het vermogen van huishoudens meegeteld, dan maakt het 35% uit van het totale vermogen van huishoudens begin 2024. Het meetellen van collectief opgebouwde pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid. Verder geldt dat – net als het collectief opgebouwde pensioenvermogen – het pensioen eigen beheer (PEB) respectievelijk de oudedagsvoorziening (ODV) die in de bv zijn opgebouwd, ook niet zijn meegenomen in de vermogensstatistiek. Het PEB en ODV behoren niet tot het eigen vermogen van een bv (het betreft immers een pensioentoezegging) en daarmee niet tot het aanmerkelijk belang. Ten slotte zij voor de volledigheid vermeld dat ook individuele oudedagsvoorzieningen bij een bank, verzekeraar of beleggingsinstelling (het zogeheten derde pijler oudedagsvoorzieningen) niet worden meegenomen in de vermogensstatistiek.2
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Het CBS heeft voor de jaren 2006 tot en met 2021 ook de vermogensverschillen tussen huishoudens berekend waarbij het collectief opgebouwde pensioenvermogen is meegenomen.3 Het meenemen van het collectief opgebouwde pensioenvermogen verkleint de vermogensongelijkheid in termen van de Gini-coëfficiënt4 en het aandeel van de top 1% in de vermogensverdeling van huishoudens. Dit komt doordat huishoudens met weinig of geen vermogen vaak wel pensioenvermogen in de tweede pijler hebben. De meer vermogende huishoudens hebben uiteraard ook vaak pensioenvermogen in de tweede pijler, maar voor hen is het aandeel van pensioenvermogen in hun totale vermogen relatief kleiner. Daarom wordt het verschil tussen huishoudens aan de onderkant en de bovenkant in verhouding kleiner als het pensioenvermogen wordt meegenomen in de verdeling. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogende 59% van het totale vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. In 2021 was de Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioen 0,74. Inclusief pensioenvermogen is dat bijna 0,10 lager.
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang van huishoudens in Nederland volgens de vermogensstatistiek van het CBS.5 De toename van de waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg daarmee 44% in de periode 2019 -2024. Hierbij betreft 2024 nog een voorlopig cijfer. In de periode 2011–2019 steeg de totale waarde van het aanmerkelijk belang met 80%. In beide perioden was de gemiddelde groei per jaar vrijwel gelijk: 7,6% per jaar.
390
431
400
492
580
563
Wat het effect van de genoemde maatregelen op de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang is geweest in de periode na 2019 is niet bekend. Hiervoor moet het effect van de maatregelen worden gescheiden van effecten als gevolg van economische ontwikkelingen. De Wet excessief lenen die in 2023 van kracht is geworden wordt dit jaar geëvalueerd en de invoering van een tweede schijf in box 2 van de inkomstenbelasting per 2024 volgend jaar. Pas na verloop van tijd kunnen uitspraken worden gedaan over de structurele effecten van de opeenvolgende beleidsmaatregelen sinds 2019.
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Het doorsnee vermogen van huishoudens in de afgelopen decennia sterk is gestegen. Deze toename hangt samen met de stijging van de materiële welvaart in Nederland in het algemeen en met de stijgende huizenprijzen in het bijzonder. De vermogensontwikkeling wordt door twee trends gedreven. Deze trends zijn de sterk stijgende huizenprijzen die woningeigenaren ten goede zijn gekomen en die vooral in het midden en de top van de verdeling zitten, en daarnaast de toename van de aanmerkelijk-belangvermogens van de dga’s onder de meest vermogenden. De vermogensverschillen tussen eigenwoningbezitters en huurders en tussen dga’s en andere type werkenden zijn door deze twee trends groter geworden. Hierdoor zijn in absolute zin de vermogens van de meest vermogenden het sterkst gestegen en zijn de vermogens van de middengroepen in relatieve zin sterker gestegen.
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Ja.
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Er vindt via de collectieve uitgaven (waaronder toeslagen) en overdrachten in geld en natura een grote herverdeling plaats van hogere inkomens naar lagere inkomens. Het CPB heeft in zijn rapport gekeken naar de rol van het belastingstelsel in de verdeling van vermogen van huishoudens en stelt dat het belastingstelsel bestaande inkomens- en vermogensverschillen tussen huishoudens eerder vergroot dan verkleind. Belastingkortingen maken deel uit van het belastingstelsel. Toeslagen betreffen uitgavensubsidies en verhogen inkomens van huishoudens. Het betoog van het CPB is dat de overheid nauwelijks herverdeelt via belastingen maar vooral door middel van collectieve uitgaven en overdrachten in geld (waaronder toeslagen) en in natura. Het CPB heeft dit geanalyseerd voor het jaar 2016 en hierover in de CPB Policy Brief «Inkomens en herverdeling» uit 2022 gepubliceerd.6 Onderstaande figuren uit het CPB rapport uit 2022 tonen respectievelijk de betaalde belastingen en sociale premies als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep respectievelijk de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep in 2016.
Overheidsuitgaven per type (als% inkomen), 2016 aandeel%
Onderstaande infographic uit het CPB-rapport uit 2022 illustreert de herverdeling via belastingen versus overheidsuitgaven per inkomensgroep op een wat andere manier. Deze infographic laat zien dat in 2016 50% van de mensen een aandeel had van 19% van het totale inkomen in Nederland en daarmee een gemiddeld bruto jaarinkomen had van € 17.524 en daarover 55% aan belastingen betaalde en een bedrag aan overheidsuitgaven kreeg toebedeeld gelijk aan 129% van hun inkomen. Verder had 40% van de mensen in 2016 een aandeel 49% van het totale inkomen in Nederland, had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 54.865 en betaalde daarover 40% aan belastingen en kreeg een bedrag aan overheidsuitgaven toebedeeld van omgerekend gemiddeld 24% van hun bruto inkomen. En ten slotte ontving 10% van de mensen in 2016 32% van het totale inkomen in Nederland, en had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 142.584, betaalde daarover 36% aan belastingen en kreeg omgerekend 8% van hun gemiddeld inkomen aan overheidsuitgaven toebedeeld.
Verdeling: wie verdient welk deel van de taart
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Dat betekent dat huishoudens met de hoogste inkomens gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan huishoudens in de middenklasse. En dat huishoudens in de middenklasse gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan inkomens in de lagere klassen van het inkomensgebouw. Het CPB laat dat ook zien, zie onderstaande figuur uit het CPB-rapport. Het CPB neemt daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is, doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben, maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest. Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders. Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor de top 1%.
Gemiddeld genomen hebben huishoudens uit de middenklasse een hogere belastingdruk dan huishoudens uit de lagere inkomensklassen. Als gevolg van de gunstige fiscale behandeling van de eigenwoning en collectieve pensioenopbouw kunnen echter grote verschillen in belastingdruk ontstaan bij huishoudens met een gelijk bruto-inkomen. Met andere woorden, een deel van de huishoudens in de middenklasse (die met een eigen woning vaak gepaard met een relatief groot collectief pensioenvermogen) kent een lagere belastingdruk dan een ander deel van de huishoudens in die klasse (die met een huurwoning gepaard met een laag tot geen pensioenvermogen).
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Het kabinet deelt de constatering van het CPB dat als economische welvaartsgroei zich sterk concentreert bij een beperkt aantal huishoudens, dit op termijn kan leiden tot een afname van de toekomstige welvaart en daarmee tot negatieve effecten voor de samenleving als geheel.
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Wat als een redelijke verdeling van inkomen en vermogen kan worden gezien, is deels een kwestie van voorkeuren. Een relatief lage inkomensongelijkheid en een goed functionerend vangnet en een toegankelijk zorgstelsel zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen. Mede door directe inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen en uitkeringen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en de AOW behoort Nederland al decennia samen met Zweden, Denemarken en België tot de landen met de meest gelijk verdeelde inkomens binnen de EU. Nederland kent met de AOW en de mogelijkheid om via de werkgever dan wel via een bank- of verzekeraar fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen een van de beste pensioenstelsels ter wereld. Ook dat is cruciaal voor het welbevinden van mensen. Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en Finland. Het kabinet heeft daarmee geen reden aan te nemen dat de inkomens- en vermogensverdeling in Nederland op dit moment te scheef is. De inkomens- en vermogensverdeling blijken ook vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Het kabinet is van mening dat het verstandig is om activiteiten met positieve externe effecten te stimuleren. Denk daarbij aan innovaties, investeringen en werkgelegenheid. Dit kabinet zet met het Coalitieakkoord stevig in om investeringen te stimuleren en het vestigingsklimaat en de financieringsketen te versterken. Dit wil het kabinet onder andere doen door bedrijven te ondersteunen in investeringen die passen bij onze economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie en behoud van de Innovatiebox. Daarbij wil het kabinet de fiscale energie-aftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling die het mogelijk maakt milieu-investeringen willekeurig af te schrijven (VAMIL) waar mogelijk samenvoegen tot één robuuste investeringsregeling. Het kabinet is hier hard mee bezig.
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Het CPB geeft onder andere een beleidsrichting aan die zorgt voor minder economische verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt. Het CPB geeft hierbij als beleidsoptie dat fiscale regelingen die niet doelmatig of doeltreffend zijn, worden afgeschaft of vervangen door regelingen die beter bijdragen aan het nagestreefde beleidsdoel. Dit sluit ook aan bij de ambitie van het kabinet om fiscale regelingen die ingewikkeld zijn en hun doel niet of nauwelijks bereiken en het stelsel nodeloos complex maken, te schrappen en op die manier het stelsel eenvoudiger en voorspelbaarder maken. Daarnaast geeft het CPB aan dat fiscale prikkels beter gericht worden op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het CPB benoemt hier het scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie.
Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig te scheiden zijn, en dat het daarom kansrijker is om in te zetten op het tegengaan van fiscaal gedreven gedrag door ondoelmatige of ondoeltreffend fiscale regelingen te versoberen, af te schaffen en de opbrengsten daarvan gericht te gebruiken voor het stimuleren van innovaties. Dit strookt met de ambities van het kabinet. Het kabinet deelt de opvatting van het CPB dat het in praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met CPB van mening dat het dan kansrijker is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties. Dit beschouw als aan van mijn belangrijkste taken deze kabinetsperiode.
Een tweede beleidsrichting van het CPB is om belastingen meer naar draagkracht te heffen, door het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn er diverse maatregelen genomen om daarin meer evenwicht aan te brengen. Denk aan het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% in 2023, de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in 2023 en het invoeren van een tweede schijf in box 2 in 2024. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het nieuwe box 3 stelsel op werkelijk rendement wordt daarna doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek.
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage neemt hierdoor in algemene zin af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement. Als box 3 wordt doorontwikkeld tot een volledige vermogenswinstbelasting, dan nemen de verschillen met box 2 verder af.
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
De betreffende percentages die in het onderhavige CPB-rapport worden vermeld zijn door CPB berekend over het jaar 2015. Het CPB heeft daarover in 2019 gepubliceerd.7 Op het titelblad van dit rapport benoemt het CPB dat in 2015 de gemiddelde belastingdruk voor erfenissen en schenkingen waarover belastingaangifte is gedaan 12% voor erfenissen bedroeg en 6% voor schenkingen. Dat de effectieve tarieven voor de schenk- en erfbelasting lager uitkomen dan de statutaire progressieve tarieven komt allereerst door diverse vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. Door het verlagen van deze vrijstellingen kunnen de effectieve tarieven meer in de buurt worden gebracht van de statutaire progressieve tarieven. Onderstaande tabellen tonen de actuele tarieven en vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. De schenk- en erfbelasting kennen een progressieve tariefstructuur met een tarief eerste schijf en een tarief tweede schijf, waarbij de progressieve tarieven afhankelijk zijn van de relatie met de verkrijger. Daarnaast kent de schenk- en erfbelasting verschillende vrijstellingen afhankelijk van de relatie met de verkrijger.
10%
18%
30%
20%
36%
40%
€ 828.035
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 26.230
€ 6.908 (jaarlijks)
€ 33.129 (eenmalig)
€ 69.009 (eenmalig voor dure studie)
€ 78.671
€ 62.110
€ 26.230
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 2.769
€ 2.769 (jaarlijks)
Het partnerbegrip is voor ongehuwden anders dan voor andere belastingen. Belangrijke voorwaarden zijn een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting of ten minste 5 jaar samenwonend.
De jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling (€ 6.908 in 2026) is recent geëvalueerd en op 2 maart jl. naar uw Kamer verzonden.8 Een kabinetsreactie volgt later dit jaar. Verder zijn in 2024 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstellingen voor een dure studie en de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor een vrij te besteden doel geëvalueerd en naar de Tweede Kamer verzonden.9 Naast deze vrijstellingen kent de schenk- en erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De BOR bestaat uit een algehele vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemingsvermogen tot circa € 1,5 miljoen en een vrijstelling van 75% over het bedrag daarboven. In 2022 is de BOR geëvalueerd.10 Daaruit blijkt dat erfenissen en schenkingen onder de BOR relatief groot zijn ten opzichte van de gemiddelde schenking en erfenis en een veel lagere belastingdruk kennen. Uit de evaluatie blijkt dat het bij de BOR in de periode 2010–2017 gemiddeld genomen om een erfenis of schenking ging van € 1,3 miljoen euro aan ondernemingsvermogen, waarover 2% belasting bij een schenking en 5% bij een erfenis werd betaald. Naar aanleiding van de evaluatie is de BOR op verschillende aspecten aangepast en robuuster gemaakt tegen oneigenlijk gebruik. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de BOR niet verder te versoberen.
Verder kunnen papieren schenkingen de effectieve belastingdruk verlagen. Papieren schenkingen zorgen voor een lagere grondslag van de (toekomstige) erfbelasting. Een papieren schenking kan eenmalig worden gedaan, maar ook meerdere jaren of jaarlijks. De schenker betaalt jaarlijks 6% rente aan de betreffende begiftigden over het totaal van het aan die persoon op papier geschonken bedrag. De rentevergoeding is fiscaal gezien geen schenking en betekent daarom een voor de schenkbelasting onbelaste vermogensoverdracht. In bijlage 7 van de Voorjaarsnota zijn beleidsopties beschreven om papieren schenkingen tegen te gaan.11 Met de beschrijving van deze opties is invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan.12
Ten slotte zorgen verouderde forfaits in schenk- en erfbelasting voor een lagere effectieve belastingdruk. Sinds 1979 geldt er een rekenrente (forfait) van 6% in de schenk- en erfbelasting. De rekenrente wordt het meest toegepast bij onderbedelingsvorderingen die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Rentedragende onderbedelingsvorderingen zijn een manier om de nalatenschap van de langstlevende in de toekomst voor de kinderen te verkleinen aangezien de rente die niet tijdens het leven door de langstlevende ouder is betaald, een schuld in diens nalatenschap vormt en op die manier de erfbelasting van de kinderen drukt. Hoe hoger de rekenrente des te groter het drukkend effect. In januari jl. is een ambtelijke uitwerking van een actualisatie van de forfaits in de schenk- en erfbelasting naar de Tweede Kamer gestuurd op basis van de huidige marktrentes en de huidige levensverwachting.13 Over de modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting heeft geen besluitvorming plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Een van de ambities uit het coalitieakkoord van dit kabinet is dat het moet lonen om meer uren te werken. Nu loont dat soms te weinig. Onderzoek naar het omzetten van de huidige arbeidskorting in een arbeidskorting per gewerkt uur is een van de onorthodoxe maatregelen die het kabinet daartoe wil onderzoeken. Het inkomensonafhankelijk maken van de arbeidskorting maakt ook nadrukkelijk deel uit van de agenda uit het coalitieakkoord om het belasting- en toeslagenstelsel te hervormen en te vereenvoudigen. Dit kan het voor mensen inzichtelijker maken hoeveel meer uren werken daadwerkelijk loont.
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet verder stappen op de aanbevelingen van het CPB over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen én in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Ik ben ermee bekend dat Nederlandse Loterij (NLO) geen inzicht geeft in deze gegevens.
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
NLO is niet verplicht om informatie te publiceren over het aantal online verkochte loten, het aantal winnende online loten, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor deze kansspelen. Loten kunnen digitaal worden aangeschaft via de website van NLO of fysiek via één van de retailkanalen. De keuze voor het online dan wel fysiek aanschaffen van een lot heeft geen invloed op de winstkans. Hierdoor ontbreekt de meerwaarde van het openbaar maken van dergelijke indicatoren. Van belang is dat loterijen eerlijk verlopen en hiervoor bestaan strenge wettelijke vereisten. Om een eerlijk verloop te borgen wordt de gebruikte trekkingsapparatuur gekeurd en zijn de trekkingen openbaar. Ook vinden trekkingen plaats in aanwezigheid van een notaris en wordt hiervan een proces-verbaal opgemaakt. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt hier toezicht op.
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Een staatsdeelneming dient zich net als andere aanbieders van kansspelen te houden aan de wet- en regelgeving. De wet- en regelgeving ten aanzien van kansspelen is gericht op het realiseren van de doelstellingen van het kansspelbeleid, in het bijzonder de bescherming van mensen tegen gokschade. Daarnaast mag van een staatsdeelneming verwacht worden dat zij hun maatschappelijke opdracht centraal stellen. Hierbij gaat het onder meer om de bescherming van spelers en het aanbieden van een betrouwbaar en veilig kansspelaanbod. Het aandeelhouderschap in NLO valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën. In zijn brief van 8 juni jl. geeft de Staatssecretaris van Financiën aan dat hij als aandeelhouder van NLO de nadruk legt op het borgen van het publiek belang van het verantwoord aanbieden van kansspelen.1 De Staatssecretaris van Financiën ziet dit als de belangrijkste (strategische) doelstelling van NLO.
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Uit het recent gepubliceerde jaarverslag blijkt dat NLO in 2025 € 126,4 miljoen heeft afgedragen aan de Staat der Nederlanden. Ik beschik niet over precieze bedragen ten aanzien van de jaarlijkse maatschappelijk kosten van gokverslaving. Wel is in 2023 middels een indicatieve kosten-baten analyse getracht de maatschappelijke kosten en baten van kansspelen te kwalificeren en vervolgens indicatief te kwantificeren.2 In die analyse schatten de onderzoekers de maatschappelijke kosten van kansspelverslaving in 2019 op € 1.137 miljoen. Echter, dat bedrag is van voor de legalisering van online kansspelen en de maatschappelijke kosten verschillen per type kansspel, waarbij de kosten de hoger zijn naarmate het kansspel meer risico op gokschade met zich meebrengt. Ik beschik niet over specifieke bedragen voor de maatschappelijke kosten van de producten van NLO. Het voorkomen van gokschade heeft mijn prioriteit, en zoals ik aan uw Kamer gecommuniceerd heb in de Kamerbrief van 12 juni jl. streef ik naar een structurele daling van de omvang van gokschade in Nederland.3
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Loterijen – zoals Lucky Day – vallen onder de wettelijke bepalingen voor landgebonden kansspelen en niet onder online kansspelen. In wet- en regelgeving wordt geen onderscheid gemaakt tussen loten die online of fysiek aangeschaft worden. In beide gevallen valt het kansspel onder de vergunning van loterijen, waarbij het internet een alternatief verkoopkanaal betreft. Loterijen kennen een lager risico op gokschade dan online kansspelen. In het jaarlijkse onderzoek «Deelname aan kansspelen» wordt voor loterijen, landgebonden kansspelen en online kansspelen de relatie met problematisch speelgedrag gemonitord.4 Voor online kansspelen, waaronder online sportweddenschappen, geldt daarnaast dat structurele monitoring plaatsvindt middels de tweejaarlijkse monitoringsrapportages van de Kansspelautoriteit en het onderzoek «Perspectief van Nederlanders op Kansspelen».5
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 8, vindt structurele monitoring plaats voor online kansspelen. NLO wordt als één van de aanbieders van online kansspelen meegenomen in die monitoring. Momenteel is het verbeteren van de bescherming tegen gokschade bij online kansspelen het meest urgent. Daar ligt dan ook mijn prioriteit. Nadat dat traject is afgerond, zal ik bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren. Daarbij kan ook aandacht besteed worden aan de maatschappelijke effecten van de mogelijke groei van online verkoop van landgebonden kansspelen. Ik zal in die context bezien of, en zo ja, welk type onderzoek nodig is.
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 8, wordt in wet- en regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen online en fysiek gekochte loten. Voor zowel online als fysiek gekochte loten geldt dat er regels zijn voor het proces van prijsbepaling, om te waarborgen dat het proces eerlijk verloopt. Bij prijsbepaling dient een methode te worden toegepast die beïnvloeding van buitenaf uitsluit en waarbij het toevalskarakter is gewaarborgd. De vergunninghouder moet processen die gebruikt worden bij prijsbepaling laten keuren door een door de Minister aangewezen keuringsinstelling of onafhankelijke deskundige. Verder moet de vergunninghouder jaarlijks een IT-audit laten uitvoeren volgens door de Ksa vastgestelde regels.6 Daarnaast moeten alle trekkingen openbaar en in aanwezigheid van een notaris plaatsvinden.
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
De keurings- en auditrapporten bevatten bedrijfsgevoelige informatie. Ze dienen alleen voor het toezicht door de Kansspelautoriteit, die zo nodig aanwijzingen aan de vergunninghouders geeft. Ik zal daarom het publiceren van de keurings- en auditrapporten niet verplichten.
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het beschermen van burgers tegen gokschade is een centrale doelstellingen in het kansspelbeleid. Uitgangspunt daarbij is risicogebaseerde bescherming, waarbij de mate van ingrijpen en benodigde bescherming voor een bepaald kansspel afhankelijk is van het risico op gokschade van dat kansspel. Ik wijs hierbij op het onderzoek «risico’s op gokschade: Een rangorde van gokproducten» dat ik op 17 april jl. naar uw Kamer gestuurd heb.7 De risicoclassificatie zoals in het onderzoek wordt gepresenteerd, geeft inzicht in de mate van risico op gokschade van verschillende typen kansspelen. Loterijen, ongeacht het verkoopkanaal, kennen andere kenmerken dan online kansspelen. Hierdoor hebben loterijen een ander, lager, risicoprofiel dan online kansspelen. Voor online kansspelen gelden in lijn daarmee meer verplichtingen en verboden, bijvoorbeeld met betrekking tot de zorgplicht en reclame. Ik werk aan een wetswijziging voor online gokken, waarin ik extra maatregelen neem om de bescherming tegen gokschade te verbeteren. Onderdeel van die wetswijziging is het verstevigen van de zorgplicht. Zoals aangegeven bij vraag 9 zal ik, nadat dat traject is afgerond, bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.