Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Ja.
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Het CPB stelt in hun recente rapport «Erfbelasting in beeld»2 dat gezien de omvang van het vermogen dat de naoorlogse generatie heeft opgebouwd, de verwachting is dat de totale omvang van nalatenschappen de komende decennia verder toeneemt.
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
Het is een feitelijke constatering dat huishoudens met een koopwoning profiteren van een stijging van huizenprijzen en huishoudens zonder koopwoning niet, als zij niet op andere wijze geïnvesteerd vermogen in de woningmarkt hebben.
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Allereerst wil ik benadrukken dat dankzij het relatief breed verdeelde eigenwoningbezit juist de middengroepen – en niet de meest vermogende huishoudens – er in de periode 2011–2023 het meest op vooruit zijn gegaan als gevolg van stijgende woningprijzen. De toegang tot de woningmarkt wordt door meerdere factoren bepaald. De stijgende woningprijzen zijn het gevolg van een groot verschil tussen vraag en aanbod van woningen, waarbij het aanbod heel rigide is. Dit rigide aanbod is niet alleen problematisch voor starters en gezinnen die door willen groeien naar een grotere woning, maar ook voor ouderen die kleiner willen wonen of in een levensloopbestendige woning willen wonen. De rol van erfenissen lijkt daarbij beperkter, maar ze kunnen wel enige invloed hebben op de koopwoningmarkt, doordat het ontvangers van een erfenis een voordeel kan geven ten opzichte van huishoudens die (nog) geen erfenis (hebben) ontvangen. De toegankelijkheid van de woningmarkt is echter van zeer veel factoren afhankelijk en het is de vraag of erfenissen in de toekomst een belangrijkere factor worden.
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
Vermogen wordt gedurende de levensloop van mensen opgebouwd. Daarom hebben oudere mensen gemiddeld meer vermogen dan jongere mensen. Vermogensverschilleen worden dan ook voor een belangrijk deel verklaard door leeftijd.3 Vermogensoverdrachten van de oude naar de jonge generatie verkleinen dus de vermogensverschillen tussen generaties. Erfenissen hebben uiteraard ook een effect op vermogensverschilleen binnen generaties. De precieze aandelen van erfenissen in de vermogenssamenstelling van huishoudens naar vermogensklassen zijn niet bekend en daarmee zijn ook de ontwikkelingen in dat aandeel onbekend. Het is daarom niet vast te stellen wat de invloed is geweest van erfenissen op de verschillen binnen de jongere generaties en of deze groter of kleiner is dan die van de oudere generaties. Het CPB laat wel zien dat het hoogste vermogensdeciel een groot deel van het totale nagelaten vermogen in de periode 2013–2022 heeft ontvangen.4 Het CPB laat niet zien wat de ontwikkelingen daarin zijn geweest.
In elk geval is vermogensverdeling vrij constant gebleven in de periode 2011–2022.5
Het CPB heeft in 2024 de samenhang (correlatie) tussen de vermogenspositie van ouders in 1992 en die van hun kinderen in 2022 uitgebreid onderzocht.6 Daaruit blijkt dat hoewel kinderen van ouders met de grootste vermogens de grootste kans hebben tot de hoogste vermogensklasse te behoren, ook kinderen van ouders met minder vermogen een goede kans maken meer vermogen op te bouwen dan hun ouders. Relevant hierbij is dat deze samenhang tussen vermogensposities van ouders en kinderen niet of nauwelijks het gevolg is van erfenissen. De samenhang tussen de vermogensposities van ouders en kinderen ontstaat namelijk vaak al op jonge leeftijd van kinderen, ver voordat sprake is van een erfenis. Kansen voor kinderen om zich te ontwikkelen gaat vaak ook over een leeftijd van kinderen ver voordat sprake is van een erfenis.
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Ik verwijs voor beleidsopties naar de fichebundels van het rapport IBO Vermogensverdeling uit 2022 en het rapport Bouwstenen voor een betere en eenvoudiger belastingstelsel uit 2024.7 Ik zie geen noodzaak voor extra stimulansen om vermogensoverdrachten eerder in het leven te laten plaatsvinden.
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Het is niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven op deze vraag. Dit hangt sterk af van de waarde van de nagelaten eigen woning, de resterende hypotheekschuld, de waarde van het overige nagelaten vermogen van beide ouders, het vermogen van de alleenstaande wiens ouders een huurwoning hadden en het totaal aantal erfgenamen waarmee de erfenis moet worden gedeeld.
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Het kabinet is van mening dat werk moet lonen en perspectief moet bieden, door te zorgen voor een fatsoenlijk inkomen, zekerheid bij tegenslag en kansen om mee te groeien in een economie en arbeidsmarkt die snel veranderen. Zoals in het coalitieakkoord is aangegeven is het daarvoor belangrijk om te werken aan een toekomstbestendige en wendbare arbeidsmarkt.
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De handhaving van het UBO-register bij verenigingen en stichtingen. |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst handhaaft op de inschrijving van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register?
Klopt het dat er brieven vanuit de Belastingdienst worden verstuurd waarin aangegeven wordt dat er binnen een bepaalde termijn een inschrijving gedaan moet worden, omdat er anders boetes worden uitgedeeld?
Herkent u de signalen vanuit verenigingen en stichtingen over de grote gevolgen van handhavingsbrieven?
Hoe is bij deze brieven en in verdere communicatie rekening gehouden met de positie van verenigingen en stichtingen, waarbij vaak sprake is van heel veel vrijwilligers, waarvan een deel een hoge(re) leeftijd heeft bereikt, weinig kennis heeft van dit soort verplichtingen dan wel moeite heeft om aan dit soort verplichtingen te voldoen?
Kunt u toezeggen dat er voorlopig geen boetes worden uitgedeeld en dat de handhaving gepauzeerd wordt, ook niet als verenigingen en stichtingen hun UBO’s nog niet aangeleverd hebben?
Bent u bereid om, indien er in de toekomst overgegaan wordt tot het daadwerkelijk uitdelen van boetes, onderscheid te maken tussen goedwillenden en personen die doelbewust de wet overtreden? Is het kortom mogelijk om risicogericht te handhaven?
Erkent u dat dit soort verplichtingen, en het dreigen met hoge boetes, grote druk zet op het doen van vrijwilligerswerk en enorme gevolgen heeft voor verenigingen en stichtingen?
Hoe kunt u, in overleg met bijvoorbeeld overkoepelende organisaties, bijdragen aan het ondersteunen van verenigingen en stichtingen bij het aanleveren van hun UBO’s?
Het zicht op de doelmatigheid van agentschappen |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het interdepartementaal beleidsonderzoek «IBO Agentschappen: Samen werken aan publieke waarde», waarin is vastgesteld dat sturing op doelmatigheidsindicatoren in de praktijk beperkt plaatsvindt en dat een kwantitatieve vergelijking van doelmatigheid over de jaren heen lastig is?1
Klopt het dat de Regeling agentschappen voorschrijft dat u samen met de vakminister ten minste eens per vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van elk van de 28 agentschappen beoordeelt en het rapport openbaar maakt?2
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle agentschappen met per agentschap de datum van de laatste doorlichting, het oordeel over de doelmatigheid en de datum waarop de volgende doorlichting is voorzien?
Bij hoeveel agentschappen ligt de laatste doorlichting langer dan vijf jaar terug? Bij welke, en wat is daarvan de reden?
Hoeveel voorbeelden hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot aanpassing van de bekostiging, tarieven, governance of agentschapsstatus? Kunt u dit per agentschap specificeren?
Bij hoeveel agentschappen is over de afgelopen vijf jaar een positieve doelmatigheidsontwikkeling vastgesteld en bij hoeveel kon die ontwikkeling niet worden vastgesteld door het ontbreken van bruikbare indicatoren?
Welke maatregelen zijn sinds de kabinetsreactie op het beleidsonderzoek genomen om de sturing op doelmatigheid te verbeteren3, en waaruit blijkt dat die sturing daadwerkelijk is verbeterd?
Wat is er bij de herziening van de Regeling agentschappen per 1 januari 2025 gewijzigd aan de eisen die aan de beoordeling van doelmatigheid worden gesteld? Zijn die eisen aangescherpt, gelijk gebleven of verruimd?
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks één rijksbreed overzicht te sturen waaruit blijkt welke agentschappen zijn doorgelicht, wat het oordeel was, welke maatregelen zijn afgesproken en wanneer opnieuw wordt beoordeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Cryptoactiva |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Waarom zijn cryptoactiva, zoals gedefinieerd in de Markets in Crypto Asset Regulation en onze eigen Wet financieel toezicht (Wft), niet opgenomen in de vermogenswinstbelasting als financiële instrumenten?
Is de Staatssecretaris bereid om voor cryptoactiva achterwaartse verliesverrekening mogelijk te maken, zodat beleggers in cryptoactiva straks niet over een verlies belasting hoeven te betalen?
Het verhogen van het btw-tarief op sierteelt |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen een btw-verhoging op specifiek bomen en planten heeft voor de betaalbaarheid en vraag naar deze producten en daarmee indirect voor de vergroeningsopdracht van particuliere tuinen, openbare ruimte en stedelijk gebied?
Zo ja, kan het kabinet deze effecten kwantificeren?
Hoe zijn de positieve maatschappelijke baten van bomen en planten en de inspanningsvraag hierbij van de burgers, op biodiversiteit, verkoeling, wateropvang en leefomgeving meegewogen in de keuze voor een btw-tarief van 21 procent?
Hoe weegt het kabinet de economische effecten, zoals een verwachte omzetdaling van 674 tot 830 miljoen euro en het verlies van een kleine 3.000 banen, af ten opzichte van de verwachte extra belastingopbrengst?
De inzet van bevroren Russische tegoeden voor Oekraïne |
|
Harmen Krul (CDA), Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Berendsen , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Oekraïne miljarden extra nodig heeft, het artikel van VRT NWS over The Russian Transfer en het achterliggende voorstel van The Russian Transfer?1, 2, 3
Klopt het dat de Oekraïense Minister van Financiën verwacht dat er volgend jaar minstens 22 miljard euro extra nodig is voor de Oekraïense begroting, en nog meer voor het financieren van het Oekraïense leger? Zo ja, deelt u de mening dat Rusland voor deze (en andere) kosten zo veel mogelijk moet opdraaien?
Hoe heeft het kabinet tot nu toe uitvoering gegeven aan de afspraak uit het coalitieakkoord dat Nederland blijft pleiten voor de inzet van bevroren Russische tegoeden? Welke resultaten heeft deze inzet sinds het aantreden van het kabinet opgeleverd?
Hoe beoordeelt u het voorstel van The Russian Transfer om de ongeveer 210 miljard euro aan geïmmobiliseerde Russische staatsactiva die zich in de Europese Unie bevinden, inclusief de bijbehorende verplichtingen, onder te brengen bij een door de EU beheerd instrument, waarbij het juridische eigendom van Rusland vooralsnog niet wordt gewijzigd?
Deelt het kabinet de juridische analyse van de initiatiefnemers dat voor deze overdracht artikel 122 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als rechtsgrondslag kan worden gebruikt en dat hierover met gekwalificeerde meerderheid kan worden besloten? Zo nee, op welke punten niet, en bent u in dat geval bereid hierover op korte termijn een onafhankelijke juridische beoordeling te laten uitvoeren en deze met de Kamer te delen?
Klopt volgens het kabinet de redenering van de initiatiefnemers dat een overdracht van zowel de activa als de bijbehorende verplichtingen aan de EU juridisch wezenlijk verschilt van confiscatie, omdat Rusland formeel eigenaar of schuldeiser blijft zolang geen afzonderlijk besluit over het gebruik van de middelen wordt genomen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw oordeel over het voorstel van de initiatiefnemers dat de Europese Unie eventuele resterende risico’s voor België en Euroclear gezamenlijk afdekt? Welke mogelijke financiële verplichtingen zou Nederland hierdoor direct of indirect volgens u kunnen aangaan?
De opnieuw opgelopen vertraging bij de hersteloperatie toeslagen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Trouw van 18 september 2026, «Herstel toeslagenaffaire opnieuw vertraagd: Stichting SGH van Laurentien loopt vast»?1
Hoe beoordeelt u het dat gedupeerde ouders bij de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) inmiddels 180 dagen moeten wachten voordat hun claim in behandeling wordt genomen, terwijl de wachttijd bij de overheidsroute MijnHerstel volgens het bericht 45 dagen bedraagt?
Kunt u toelichten waarom SGH onvoldoende in staat is gebleken haar capaciteit op te schalen om de toestroom van gedupeerde ouders aan te kunnen en hoe realistisch acht u de eis dat SGH binnen een halfjaar van 300 naar 675 dossiers per maand opschaalt?
Welke concrete gevolgen heeft de opnieuw opgelopen vertraging voor de beoogde afronding van de hersteloperatie eind 2027, nu uit het bericht blijkt dat deze deadline op deze manier niet wordt gehaald?
Hoe gaat u voorkomen dat de hersteloperatie verder wordt vertraagd door de lange doorlooptijden bij zowel SGH als advocatenkantoren met grote aantallen dossiers en welke resultaten verwacht u van het actief monitoren van de doorlooptijden per advocatenkantoor en het aanbieden van extra ondersteuning?
Regels |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
Het bericht 'Hoogleraar pleit voor flexibele hypotheek: 'We zijn 65 jaar lang hetzelfde product aan het doorduwen'' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het tijd is om te onderzoeken of de al lang bestaande hypotheekvoorwaarden nog voldoende aansluiten bij de levensfasen van mensen?1
Welke wettelijke of fiscale belemmeringen zijn er op dit moment voor hypotheekaanbieders om meer flexibiliteit te bieden in looptijd en aflossingsschema?
Welke mogelijkheden hebben hypotheekgevers nu al wel om consumenten tijdelijk minder of niet te laten aflossen of de looptijd van een hypotheek te verlengen?
Ziet u zelf kansen voor een hypotheek waarbij gedurende de looptijd een beperkte en vooraf bepaalde flexibiliteit bestaat om aflossingen tijdelijk te verlagen of uit te stellen, waarna deze later worden ingehaald?
Hoe kijkt u naar het idee van hypotheken met een looptijd van 35 of 40 jaar? Wat zijn daarbij de gevolgen voor maandlasten, totale rentelasten, vermogensopbouw en financiële risico's voor huishoudens?
Deelt u de zorg dat het oprekken van de looptijd van een hypotheek met als gevolg een hogere leencapaciteit op een krappe woningmarkt uiteindelijk ook kan leiden tot hogere huizenprijzen, waardoor het beoogde voordeel voor starters (lagere maandlasten) gedeeltelijk verdwijnt? Wat zijn mogelijkheden om dit te voorkomen?
Wat zijn de mogelijkheden om te zorgen dat een langere contractuele looptijd, niet ook een langere periode van hypotheekrenteaftrek betekent? Kan dit worden losgekoppeld?
Bent u bereid met banken, pensioenfondsen, consumentenorganisaties en toezichthouders te onderzoeken welke ruimte er is voor een flexibeler hypotheekproduct, waarbij niet het vergroten van de maximale schuld, maar het beter aansluiten bij de levensfasen van mensen centraal staat?
De brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32043, nr. 710) |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de eerste twee doelstellingen die worden genoemd in het begin van de brief1, de laatste doelstelling kunnen versterken en welke afruilen er tussen de eerste twee doelstellingen en de laatste kunnen plaatsvinden?
Kunt u bevestigen dat het feit dat «de varianten in overleg met experts zijn vastgesteld» ook betekent dat deze experts de uitgangspunten en de conclusies hebben geaccordeerd?
Klopt het dat op pagina twee wordt geschreven over zeven randvoorwaarden, waarbij de vierde randvoorwaarde de koopkracht van de deelnemers betreft? Wordt met de deelnemers hier (ook) gepensioneerden bedoeld? Is de vierde randvoorwaarde niet de primaire doelstelling van het onderzoek, in plaats van één van de randvoorwaarden?
Het klopt toch dat in de resultatenanalyse op pagina twee staat dat de basisvariant reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel? Is deze conclusie ook onderbouwd? Indien ja, hoe?
Wat is volgens u precies het verschil tussen «meer perspectief» en «eerder perspectief», zoals in het pensioenakkoord en de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen (Wtp) gehanteerd wordt? En waarom wordt dit resultaat überhaupt vermeld, want het doel van het onderzoek was toch het verbeteren van de koopkracht in het nieuwe stelsel (meer perspectief), niet per se eerder ten opzichte van het oude stelsel (eerder perspectief)?
Op grond van welke criteria is geconcludeerd dat er geen eenduidige voorkeur kan worden uitgesproken voor één van de vier varianten?
Aangezien er wordt geschreven dat «een grotere ex ante herverdeling met andere generaties het risico heeft van hernieuwde generatie discussies», kan dus geconcludeerd worden dat u de mate van ex ante herverdeling bij de basisvariant maximaal passend vindt?
Kan meer ex ante herverdeling ook wenselijk zijn, als daar iets anders tegenover staat? Bijvoorbeeld het afstaan van rendement voor meer reële zekerheid?
Het klopt toch dat in een van de varianten het spreiden van resultaten via een spreidingsreserve niet meer nodig is en zelfs ongewenst is? Ziet u het kunnen laten vervallen van de spreidingsreserve ook als een voordeel voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid?
Het klopt toch dat uw voorganger in het debat van 21 november 2024 heeft gezegd dat hij met het nieuwe stelsel de koopkracht van ouderen op langere termijn daadwerkelijk wil veiligstellen en dat we iets bedacht hebben wat mensen koopkracht en zekerheid moet bieden voor de toekomst? Het klopt toch ook dat op pagina drie van de Kamerbrief staat dat het voor de hand ligt dat de pensioensector het initiatief neemt? Is het dan niet vreemd dat u, die stelselverantwoordelijk is, de regie en het initiatief uit handen geeft en niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de verdere uitwerking? En geldt dat niet des te meer als die andere partij de komende jaren geen tijd heeft voor extra werkzaamheden en bovendien geen plan van aanpak, stappenplan en tijdslijn met u heeft afgestemd?
Het klopt toch ook dat vervolgens wordt gesteld dat «de Pensioenfederatie hierbij het initiatief neemt»? Waarom is hierbij gekozen voor de Pensioenfederatie? De Pensioenfederatie is toch immers geen uitvoerder?
In de Kamerbrief staat toch correct dat de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp? Wordt dan de evaluatie bedoeld, die gepland staat voor 2032? Betekent dit dat een eerste voorstel voor wetswijzigingen waarschijnlijk tot 2034 op zich zal laten wachten? Kunt u concreet aangeven welke planning u in gedachten heeft?
Bent u bereid om de belangrijkste koopkrachtvarianten nu samen met de groep van experts en betrokken partijen (o.a. Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en SZW), verder te analyseren en in de vorm van concrete voorstellen uit te werken in wetswijzigingen, zodat direct nadat het laatste fonds is ingevaren in 2028, er voldoende wettelijke mogelijkheden liggen om koopkrachtbehoud te realiseren? Deelt u onze visie, dat dit zorgt voor tijdige duidelijkheid voor sociale partners en dat het verdere vertraging voorkomt?
Het klopt toch dat in de brief wordt gesteld dat het nog een open vraag is hoe de communicatie kan plaatsvinden aan actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat er sprake is van een reële doelstelling? Bedoelt u hier een reële doelstelling of een reële garantie?
Het pensioenakkoord en de Wtp hadden toch een reële doelstelling, te weten eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen? Kunt u aangeven wat er mis is met een reële doelstelling in de uitkeringsfase voor pensioenfondsen?
Is de huidige pensioendoelstelling voor actieven (de vervangingsratio) niet ook een reële doelstelling?
Ziet u ook het belang van koopkrachtbehoud voor andere pensioenonderwerpen? En dan specifiek voor: De verdeling van de bestuurszetels en het afleggen van verantwoording over het behaalde resultaat door het bestuur aan deelnemers en gepensioneerden?
Het klopt toch dat in hoofdstuk twee van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten»2 staat: «Zo wordt van de afslag op het projectierendement weinig gebruik gemaakt omdat dit gepaard gaat met een lagere startuitkering.»? Als dit niet of nauwelijks gebruikt wordt, waarom wordt dit koopkrachtinstrument dan wel gebruikt als uniek verschil voor de tweede basisvariant?
Het is toch juist dat de meeste transitieplannen op het moment van schrijven al bekend waren en in al deze plannen een bescherming van de nominale uitkering is opgenomen? Hoe moeten wij dat beschouwen in relatie tot de opmerking dat: «De mogelijkheden binnen het huidige wettelijk kader zal in de praktijk door pensioenfondsen nader worden ingevuld, elk op hun eigen manier. Hoe deze invulling zal zijn zal duidelijk worden na de transitieperiode. Dit betekent dat in een vervolgstap nader zou moeten worden gekeken naar de invulling van het wettelijk kader zoals deze in de praktijk plaatsvindt. Zo is in de basisvarianten nu geen bescherming voor de nominale uitkering meegenomen».Waarom is hiervoor gekozen?
Het klopt toch dat in hoofdstuk drie van de bijlage staat dat«De eerste jaren is dit effect nog niet zo stabiel wegens de transitie en dat het model zich nog niet in een evenwichtstoestand bevindt.»? Het klopt toch eveneens dat in het rapport van DNB op pagina vijf staat «dat het koopkrachtverlies bepaald wordt in het 20ste jaar, omdat de simulaties van de vermogensverdeling dan enigszins gestabiliseerd zijn»? Is dit een modelmatig probleem of kunnen we dit in de praktijk ook verwachten? Klopt het dat dit probleem vooral wordt veroorzaakt door de spreidingsreserve? Betekent dit dat dit rapport niet geschikt is om de varianten die gebruik maken van spreiding te beoordelen voor de eerstkomende twintig jaar? Graag een toelichting op dit punt.
Op welke manier komt het volgende punt uit hoofdstuk vier van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten», terug in de verdere beoordeling? «Herverdeling hoeft niet per definitie slecht te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
In de beschrijving van de basisvariant van hoofdstuk drie staat toch dat: «In de collectieve uitkeringsfase schokken dakpansgewijs binnen vijf jaar worden verwerkt.»? Waarom is hier niet conform de praktijk gekozen voor asymptotische spreiding?
In de beschrijving van de basisvariant met vaste afslag in hoofdstuk drie staat toch dat: «In de praktijk lijkt de vaste afslag nog weinig gebruikt te worden omdat in de afweging tussen lage startuitkering en koopkracht veel deelnemers een hogere startuitkering meer waarderen.»? Is er bewijs voor deze stelling? Of ligt de oorzaak misschien meer in het feit dat bij een afslag van 2% om dezelfde pensioendoelstelling (vervangingsratio) te halen de premie met ongeveer 40% omhoog moet?
In hoofdstuk 3.1 staat bij uitvoerbaarheid toch geschreven dat:«Aanspraken worden niet gewijzigd, maar uitkeringen wel omdat deze voor gepensioneerden afhankelijk worden van de reële rentetermijnstructuur»? Wordt hier met «aanspraken» de «pensioenvermogens» bedoeld? Betekent dit dat invoering van dit systeem na de transitie leidt tot verlaging van de pensioenuitkeringen met percentages oplopend tot ongeveer 40%?
Bij variant vijf staat toch in de omschrijving: «In deze variant wordt het beleggingsrisico zo gekozen dat in een mediaan scenario het beleggingsrisico gelijk is aan de verwachte inflatie»? Moet dat niet zijn: «In deze variant wordt de beleggingsmix zo gekozen dat in een mediaan scenario het verwachte overrendement iets groter is dan de verwachte inflatie»?
Kan aangegeven worden wat de grens is tussen «fors» en «niet fors» bij de analyse van variant vijf «Dit gaat gepaard met een forse ex-ante herverdeling van gepensioneerden naar actieven in vergelijking tot de basisvariant.»? Deze herverdeling van oud naar jong is de beloning die oud geeft voor de reële stabiliteit die ze krijgt. Het betreft dus een onderbouwde herverdeling. Waarom neemt u dit punt helemaal niet mee in uw analyse?
Bij variant vijf staat toch dat «Deze ex-ante herverdeling wordt verklaard door zowel de initiële vulling van de solidariteitsreserve (waar gepensioneerden in deze variant fors aan bijdragen) en dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming»? De initiële vulling van de solidariteitsreserve is echter toch gelijk aan die van de basisvariant? Dit stuk van de conclusie zou toch moeten worden aangepast?
Het klopt toch dat wordt geconcludeerd dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming? Dit is toch een vreemde conclusie? De gepensioneerden geven toch immers een vergoeding voor een aanzienlijk betere inflatiebescherming? Deze conclusie zou toch alleen getrokken kunnen worden indien aangetoond wordt dat deze vergoeding méér dan marktconform is? Dat wordt toch nergens onderzocht of aangetoond? Kunt u deze conclusie aanpassen?
Het klopt toch dat de volatiliteit van variant vijf het grootste is, maar dat gaat wel samen met een beter resultaat in het pessimistisch scenario en een aanzienlijk veel beter resultaat in het mediane scenario?
Deelt u de conclusie dat er niet veel koopkracht winst is te behalen in een pessimistisch scenario zonder ongewenste herverdeling? Deelt u de conclusie dat dit in de mediaan wel mogelijk en ook noodzakelijk is? Bent u het er mee eens dat de grotere volatiliteit hier geen nadeel is, maar een groot voordeel in lijn met de doelstelling van het onderzoek? Indien nee, waarom niet?
Bij variant vijf krijgen jongere deelnemers toch een beloning die naar verwachting groter is dan hun nadeel en ze profiteren later, net als gepensioneerden, ook van een koopkrachtiger en stabieler pensioen? Waarom zou deze variant dan niet eenvoudig uitlegbaar zijn aan jongeren?
40-jarige deelnemers krijgen toch volgens de tabel op pagina 31 van het rapport van DNB, zowel in de mediaan als in het pessimistisch scenario een hoger pensioen? Waarom zou dit lastig uitlegbaar zijn?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging staat dat:«Deze variant is complex met veel geldstromen van en naar de reserve»? Maar er zijn toch helemaal niet meer of minder geldstromen naar de solidariteitsreserve en er zijn geen geldstromen naar de spreidingsreserve? Dan zijn er toch per saldo minder geldstromen en deze variant is daarom toch ook minder complex? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging van variant vijf staat: «Daarmee moet nader worden bekeken of de variant nog in lijn is met lifecycle beleggen. Bij lifecycle beleggen wordt het beleggingsrisico over het algemeen voor oudere deelnemers verkleind»? Voor lifecycles wordt normaal gesproken gekeken naar enerzijds de uitkomst in de mediaan en anderzijds naar de uitkomst in het pessimistisch scenario, dus als beide uitkomsten beter zijn, wat is dan de aanleiding om te veronderstellen dat de lifecycles niet passend zouden zijn? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Bij de rechtvaardiging van variant vijf staat toch dat:«Het pensioencontract kan moeilijker uitlegbaar zijn bij een life-event zoals bij uitdiensttreding.»?Kunt u aangeven of dit ook speelt als de deelnemer kan kiezen voor waardeoverdracht?
Bij de uitvoerbaarheid van variant vijf staat toch dat: «Deze variant kan relatief ten opzichte van de basisvariant tot grotere herverdelingseffecten leiden»?In het rapport staat toch ook dat herverdelingseffecten gerechtvaardigd kunnen zijn? Kunt u aangeven welk deel van deze grotere herverdelingseffecten u gerechtvaardigd vindt en welk deel niet?
In het rapport staat toch ook dat «Bij de operationele uitvoerbaarheid staat niet vermeld dat deze variant eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komt te vervallen. Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Het klopt toch dat bij de operationele uitvoerbaarheid niet vermeld wordt dat variant vijf eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komen te vervallen? Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Kunt u, na op pagina één van de Kamerbrief «Additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie» te hebben aangegeven welke instrumenten er zijn om de inflatie beter te volgen, ook aangeven bij hoeveel pensioenfondsen de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe beschermingsrendement met inflatie-gerelateerde beleggingsproducten ook daadwerkelijk gebruikt worden? Graag in aantallen per instrument.
Mochten bepaalde instrumenten niet of nauwelijks gebruikt worden, dan komt dat toch doordat de theoretische opzet van de Wtp niet voldoet aan de praktijk of doordat de eerste doelstelling van de Wtp niet gedeeld wordt door de sociale partners? Graag een uitgebreide toelichting op dit punt.
Uitgaven waarvan de effectiviteit niet is aangetoond |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Evaluaties evalueren» van de Algemene Rekenkamer, waaruit blijkt dat slechts 22 procent van de onderzochte periodieke rapportages voor een aanzienlijk deel van het beleid duidelijk maakt of resultaten tegen zo laag mogelijke kosten zijn bereikt?1
Welk bedrag aan jaarlijkse rijksuitgaven is gemoeid met beleid waarvan op basis van de beschikbare evaluaties niet aantoonbaar is dat het beoogde effect wordt bereikt?
Klopt het dat aan de inkomstenkant 116 fiscale regelingen op een rij zijn gezet2 en dat bij de Voorjaarsnota 2025 een groslijst van negatief geëvalueerde fiscale regelingen beschikbaar was3, terwijl een vergelijkbaar overzicht voor de uitgavenkant ontbreekt? Waarom bestaat dat overzicht daar niet?
Klopt het dat in de begrotingsregels het uitgangspunt geldt dat een negatief geëvalueerde fiscale regeling wordt afgeschaft of aangepast, tenzij handhaving gemotiveerd wordt?4 Waarom geldt datzelfde uitgangspunt niet voor uitgavenregelingen?
Bent u bereid een Rijksbreed overzicht te laten opstellen met per subsidie of beleidsuitgave het jaarlijkse budgettaire beslag, de conclusie van de laatste evaluatie over doeltreffendheid en doelmatigheid, en de beleidsmatige consequentie die daaraan is verbonden?
Kunt u daarbij onderscheid maken tussen uitgaven die negatief zijn geëvalueerd en uitgaven waarvan het effect niet vast te stellen is doordat gegevens of een heldere doelstelling ontbreken?
Hoeveel en welke uitgavenregelingen zijn de afgelopen vijf jaar negatief geëvalueerd en desondanks ongewijzigd voortgezet?
Bent u bereid het uitgangspunt van «afschaffen of aanpassen tenzij gemotiveerd anders wordt besloten», bij de eerstvolgende herziening van de begrotingsregels ook aan de uitgavenkant op te nemen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
De voortgang van de Wet Werkelijk Rendement |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat er stukken zijn bij het Ministerie van Financiën waaruit blijkt dat snelle invoering van een vermogenswinstbelasting toch een optie is?1 Kunt u deze stukken delen met de Kamer?
Klopt het dat u en uw voorgangers eerder aangaven dat het invoeren van een vermogenswinstbelasting zou leiden tot meerdere jaren vertraging? Per wanneer is het volgens u wél mogelijk om een vermogenswinstbelasting in te voeren, waarbij wordt voldaan aan belangrijke randvoorwaarden zoals uitvoerbaarheid, controleerbaarheid, handhaving en juridische houdbaarheid?
Kunt u heel precies aangeven wat de totale budgettaire (cumulatieve) derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte de Wet Werkelijk Rendement? Klopt het dat eventuele derving nog steeds volledig gevonden moet worden in het belastingdomein van vermogen en winst?
Wat is de exacte budgettaire derving per jaar bij uitstel van de Wet Werkelijk Rendement?
Kunt u heel precies aangeven wie er wel, dan wel niet, profiteren van eventueel uitstel van de Wet Werkelijk Rendement? Dus welke groepen hoeven bij een extra jaar tegenbewijsregeling in 2028 minder belasting te betalen dan bij de Wet Werkelijk Rendement (WWR)? Kunt u dit in elk geval aangeven voor spaarders, beleggers met een laag rendement (bijvoorbeeld twee procent), beleggers met een hoog rendement (bijvoorbeeld acht procent)?
Kunt u door middel van een grafiek of tabel inzichtelijk maken welk deel van de budgettaire derving van uitstel WWR terechtkomt bij welke vermogensdecielen?
Staat u nog steeds achter de eerder afspraak dat eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel van de WWR volledig moet worden gevonden in het domein vermogen/winst?
Welke varianten hebben er op tafel gelegen bij aanpassingen van de WWR de afgelopen maanden? Kunt u per variant aangeven wat de totale (cumulatieve) budgettaire derving is?
Kunt u alle dekkingsopties (inclusief budgettaire reeks) binnen het domein vermogen/winst met de Kamer delen, die de afgelopen maanden op tafel hebben gelegen ter dekking van eventuele derving in box 3?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 september 2026 beantwoorden?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
De toekomstbestendigheid van de Belastingdienst |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Van «juweel» van de overheid tot «beerput van ellende»» over de ontwikkeling van de Belastingdienst?1
Denkt u dat de Belastingdienst weer in staat is de voorlopersrol te kunnen gaan pakken?
Welke lessen uit eerdere reorganisaties worden aantoonbaar toegepast bij de huidige veranderopgaven van de Belastingdienst?
In hoeverre zijn volgens u bij de verschillende reorganisaties bij de Belastingdienst concrete en meetbare doelen gesteld, zodat tussentijds kon worden getoetst of bijgestuurd?
In hoeverre is dat volgens u bij de huidige opgave het geval?
Wat zeggen de huidige tegenvallers in de ICT-modernisering, zoals beschreven in de recente voortgangsbrief, volgens u over de kwaliteit en voorspelbaarheid van de totale ICT-planning?
In hoeverre gaat het om incidentele tegenvallers binnen afzonderlijke projecten en in hoeverre is sprake van een structurele onderschatting van de totale moderniseringsopgave?
In hoeverre worden de tegenvallers volgens u veroorzaakt door technische vertragingen en/of inschattingsfouten, en in welke mate door politieke wensen en/of hersteloperaties?
Deelt u de mening dat een toekomstbestendige Belastingdienst niet alleen vraagt om keuzes binnen de Belastingdienst, maar ook om meer voorspelbaarheid vanuit kabinet en Kamer?
Hoe kunnen politiek en uitvoering eerder en structureler met elkaar in gesprek over wat uitvoerbaar is, welke veranderingen prioriteit moeten krijgen en welke beleidsrust daarvoor nodig is?
Wanneer is volgens u de moderniseringsopgave (grotendeels) afgerond, zodat er weer meer ruimte en flexibiliteit ontstaat voor ad hoc aanpassingen anders dan parameters en nieuwe grotere wetgevingstrajecten?
Zou het volgens u meerwaarde hebben om gezamenlijk tot een meerjarige agenda te besluiten op basis van beschikbare verandercapaciteit met een beperkt aantal prioriteiten, waaronder enerzijds noodzakelijke modernisering en anderzijds noodzakelijke maar ook gewenste nieuwe wetgeving, zoals hervormingen in de fiscaliteit?
Welke afspraken zouden kabinet en Kamer volgens u met elkaar moeten maken om te voorkomen dat we over enkele jaren opnieuw constateren dat achterstallig onderhoud, ICT-problematiek en een stapeling van politieke wensen noodzakelijke verbeteringen in de weg staan?
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.