Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, ik heb kennisgenomen van het jaaroverzicht 2025 van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland), dat ik ook aan uw heb Kamer aangeboden.2 Ik heb kennisgenomen van de toename van het aantal meldingen bij de FIU-Nederland over aankopen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik via cryptovaluta. Dat we hier meer zicht op krijgen is een goede ontwikkeling; het gebruik van cryptobetalingen voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is zorgelijk en financiële geldstromen rondom misbruikbeelden van kinderen worden gezien als witwassen en kunnen dus leiden tot strafrechtelijke vervolging. De redenen voor de toename worden nader geschetst in het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
FIU-Nederland signaleert in haar jaaroverzicht dat het aantal meldingen over aankopen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik via cryptovaluta het afgelopen jaar aanzienlijk is gestegen. Het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties dat de FIU-Nederland ontvangt wordt beïnvloed door diverse factoren. Denk hierbij aan de wijze van melden door meldingsplichtige instellingen of gegeven aanwijzingen door toezichthouders. In dit geval geldt dat het onderwerp meer prioriteit heeft gekregen bij aanbieders van blockchain-analysetools, die zelf ook analyses uitvoeren op de blockchain. In samenwerking met de Internet Watch Foundation labelen zij cryptoadressen die gelinkt zijn aan beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. De betreffende cryptodienstverleners ontvangen van deze aanbieders van blockchain-analysetools een melding dat hun klant cryptovaluta heeft verstuurd naar een cryptoadres dat gelabeld is als child sex abuse material (CSAM). De cryptodienstverleners melden dat op hun beurt weer als ongebruikelijke transactie bij FIU-Nederland. Indien de FIU-Nederland een ongebruikelijke transactie verdacht verklaart, wordt die verstrekt aan diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Door de instanties die betrokken zijn bij de strafrechtelijke opsporing en vervolging van misdrijven, waaronder beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, wordt vervolgens op uiteenlopende wijze gebruik gemaakt van de ontvangen gegevens. Onder meer als sturingsinformatie, als (onderdeel van) startinformatie voor een strafzaak of als onderdeel van bewijs in een strafzaak.
De opsporing van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is binnen de politie belegd bij de Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK’s). In 2025 hebben er bij de TBKK’s tien onderzoeken naar online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik gelopen, die voortkwamen uit signalen over cryptobetalingen. De afgelopen jaren zijn het aantal meldingen vanuit FIU-Nederland richting TBKK en het aantal gerichte spontane verstrekkingen vanuit cryptodienstverleners toegenomen. Het is echter complex om inzichtelijk te krijgen om hoeveel meldingen het precies gaat omdat een melding vaak bestaat uit meerdere transacties, die niet allemaal gerelateerd zijn aan hetzelfde account.
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Online seksueel kindermisbruik en het gebruik van cryptovaluta daarvoor is een zorgelijk en mondiaal fenomeen. Een effectieve inzet vraagt daarom – naast de inspanningen in eigen land – ook een mondiale aanpak en samenwerking. De internationale Financial Action Taskforce (FATF), waar landen uit de hele wereld bij zijn aangesloten, richt zich daarom ook op het aanpakken van online seksuele uitbuiting van kinderen. Nederland draagt actief bij aan deze inzet.
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
De snelle opkomst van nieuwe technologieën en toenemende digitalisering brengt als schaduwzijde met zich mee dat hier ook nieuwe vormen van criminaliteit uit voortkomen. Opsporingsinstanties hebben al jaren te maken met een enorme toename van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat online beschikbaar komt en wordt verspreid. Ook criminele geldstromen via onder meer cryptovaluta nemen in omvang en complexiteit toe. Dit vergroot de complexiteit voor de opsporing.
Voor beide fenomenen geldt dat ze hoog op de agenda staan binnen de opsporing, zowel bij politie als het Openbaar Ministerie. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is als geprioriteerd thema opgenomen in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook deel uitmaken van de Veiligheidsagenda 2027–2030. In de beleidsreactie ondergronds bankieren, heb ik aangegeven me onder meer te focussen op het bestrijden van crimineel gebruik van cryptovaluta in de aanpak van ondergronds bankieren.3
De afgelopen jaren zijn diverse investeringen gedaan in de aanpak van online seksueel kindermisbruik waarmee de formatie van de TBKK’s met 26 fte is uitgebreid tot een totale formatie van 186 fte medio 2026. Hoewel de politie voortdurend werkt aan zowel de werving en selectie van politiemedewerkers als het behoud van politiepersoneel, is er sprake van een structurele onderbezetting binnen deze teams van ongeveer 20%.
De aard van het werk van de TBKK’s maakt dat het voor de politie een uitdaging is om mensen te werven en te behouden. Oorzaken hiervoor liggen in de zware mentale belasting van het werk, de strikte selectie die de politie hanteert, de hoge ICT-eisen die van deze medewerkers gevraagd wordt en het bredere capaciteitstekort binnen de politie waardoor interne doorstroom vanuit de basispolitiezorg naar specialistische opleidingen beperkt is.
Ondanks reeds genomen versterkingen zal de hoeveelheid beeldmateriaal de beschikbare capaciteit naar verwachting blijven overstijgen, waardoor prioritering in de opsporingscapaciteit noodzakelijk is en blijft.
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Sinds de Markten in Crypto-Activa verordening (MiCAR) in de Europese Unie van kracht is hoeven cryptoactivadienstverleners (CASPs) niet langer in elk land waar zij actief zijn een registratie of vergunning aan te vragen. Op basis van enkele in de EU uitgegeven vergunning, hebben zij het recht om hun diensten door de gehele EU aan te bieden. Hiervoor hoeven ze toezichthouder van de andere lidstaat alleen maar voor te notificeren. CASPs blijven verplicht ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland. Zij hoeven echter alleen te melden aan de FIU-Nederland in het land waar zij hun vergunning hebben gekregen en niet langer in alle landen waar zij actief zijn. Via de uitwisseling van operationele gegevens met buitenlandse FIU’s blijft de informatie beschikbaar voor de FIU-Nederland.
TBKK ontvangt nog altijd meldingen van verdachte crypto-transacties, ook sinds de invoering van het EU-vergunningstelsel. Wel geldt in het algemeen dat wanneer informatie niet rechtstreeks bij de opsporingsinstanties in Nederland beschikbaar komt, het een grotere tijdsinvestering vraagt om gegevens te vorderen bij de in het buitenland gevestigde instellingen.
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Met de implementatie van de vijfde antiwitwasrichtlijn (AMLD5) in 2020 en de implementatie van de Verordening bij geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie (TFR) in 2025 zijn CASPs onder de reikwijde van de Wwft komen te vallen. Zij zijn daardoor verplicht cliëntenonderzoek uit te voeren en ongebruikelijke transacties te melden aan de FIU-Nederland. AMLD5 wordt in juli 2027 vervangen door de zesde antiwitwasrichtlijn (AMLD6) en de antiwitwasverordening (AMLR), als onderdeel van het Europese antiwitwaspakket (AML-pakket). Daarmee wordt een meer Europees geharmoniseerd kader ingevoerd. Aan de implementatie van de AMLD6 en AMLR wordt op dit moment gewerkt.
Het raamwerk voor cryptoactiva(diensten) kent enkele factoren die beperkend werken bij het voorkomen en bestrijden van witwassen en daarom het risico op crimineel gebruik vergroten. Het gaat dan met name om diensten en activiteiten die niet gereguleerd zijn, zoals het verrichten van transacties zonder tussenkomst van een CASP of via aanbieders van cryptoactivadiensten die in het buitenland gevestigd zijn. Omdat deze transacties veelal decentraal plaatsvinden of buiten de Europese Unie zijn zij lastig te reguleren.
Het wisselen van cryptoactiva naar fiat-valuta is echter een gereguleerde dienst onder het Europese cryptoraamwerk MiCAR. Voor deze activiteit zijn de anti-witwasregels dus van toepassing. Dit is een belangrijke waarborg tegen witwassen.
Om witwasrisico’s te ondervangen moeten CASPs, net als andere meldingsplichtige entiteiten, risicogebaseerd beleid voeren in het onderzoek dat zij verrichten naar hun cliënten en het monitoren van hun transacties. Bij hogere risico’s moeten zij meer maatregelen ondernemen in het onderzoek naar hun cliënt of bij het vaststellen van ongebruikelijke transacties. Als een klant transacties via een buitenlandse CASP heeft laten verlopen of ongereguleerde transacties heeft verricht is dit bijvoorbeeld een indicatie van een hoog risico. Ook moeten CASPs bij transacties informatie over de identiteit van de verzender en begunstigde van een transactie uit wisselen, ook met instellingen die soortgelijke diensten aanbieden buiten de EU. Dit wordt ook wel de travel rule genoemd. Als buitenlandse aanbieders zich niet aan de travel rule houden moeten CASPs risicogebaseerde maatregelen treffen. De AFM ziet hierop toe.
Binnen de FATF blijft er tevens aandacht voor nieuwe ontwikkelingen en risico’s rondom cryptobetalingen. Zo wordt op dit moment verkend of er aanvullend werk en aanbevelingen nodig zijn op gebied van stablecoins en Decentralised Finance.
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
In 2024 is er een nieuw Europese anti-witwaspakket vastgesteld (AML-pakket). Onderdeel van dat pakket is de oprichting van een nieuwe Europese anti-witwasautoriteit (AMLA). AMLA heeft onder meer als taak, het opzetten, coördineren, organiseren en faciliteren van door FIU’s uit te voeren gezamenlijke analyses via zogenaamde Joint Analysis Teams (JAT’s). Het uitvoeren van dergelijke gezamenlijke analyses is bestempeld als een van de prioriteiten van AMLA. Hiertoe wordt jaarlijks een lijst met prioritaire gebieden opgesteld voor de risico gebaseerde selectie van zaken. Ook zal de AMLA inzetten op het uniformeren van de wijze waarop de Europese FIU’s informatie uitwisselen. AMLA heeft de strategische doelstelling om witwas- en terrorismefinancieringsdreigingen te voorkomen en een gelijk speelveld in de hele EU te bevorderen, ook voor de cryptodienstensector. Crypto asset service providers (CASP’s) en het toezicht daarop spelen daarom een prominente rol in het werkprogramma van AMLA. Binnen het AML-pakket wordt bovendien de noodzaak voor verdere samenwerkingen en informatie-uitwisseling benadrukt. Ook creëert het AML-pakket een grondslag voor het oprichten van partnerschappen voor informatie-uitwisseling.
Nederlands is via de FIU-Nederland en de anti-witwastoezichthouders nauw betrokken bij AMLA. Nederland draagt verder binnen de Coalitie van zeven Europese landen tegen georganiseerde criminaliteit (C7)4 bij aan kennisdeling en bewustwording over onder meer cryptovaluta.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Ja, in Europees verband wordt door AMLA gewerkt aan een gezamenlijke aanpak voor CASPs. Het AML-pakket, dat per juli 2027 van kracht wordt, harmoniseert de regels voor het voorkomen en bestrijden van witwassen in grote mate. Dat geldt ook voor de handhavingsmogelijkheden van alle nationale toezichthouders. Het AML-pakket biedt ook nieuwe mogelijkheden voor Europese samenwerking. AMLA heeft vorig jaar in haar werkprogramma aangegeven in het bijzonder oog te hebben voor de risico’s van cryptoactiva. AMLA geeft aan dat zij van CASPs verwacht dat zij aan hoge eisen voldoen om witwassen via cryptoactiva te voorkomen. Om de aanpak van risico’s van cryptoactiva vorm te geven gaat AMLA samenwerken met de nationale toezichthouders en andere Europese autoriteiten. Daarnaast wil AMLA gezamenlijke analyses uitvoeren op informatie die tot hun beschikking staat om onder andere grens overschrijdende en opkomende risico’s met betrekking tot cryptoactiva te identificeren.
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Ja, een van de taken van de AMLA is om de Europese FIU’s bij elkaar te brengen en hun onderlinge ervaringen te delen en samenwerking te verbeteren. FIU-Nederland neemt hier ook actief aan deel, en ik steun deze ontwikkeling.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
De afgelopen jaren heeft het kabinet benadrukt dat een effectieve aanpak van online seksueel kindermisbruik vraagt om een integrale benadering waarin strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en preventieve instrumenten elkaar versterken. Zo is naast de strafrechtelijke aanpak ook gekozen voor een bestuursrechtelijke aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer via de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die hostingbedrijven kan verplichten om materiaal van seksueel kindermisbruik te verwijderen.
Om die integrale benadering goed te kunnen vormgeven binnen de bestaande wettelijke kaders wordt reeds samengewerkt tussen opsporingsdiensten, toezichthouders en andere betrokken instanties. Daarbij speelt de Financial Intelligence Unit (FIU-Nederland) een belangrijke rol bij het ontvangen, analyseren en delen van meldingen van ongebruikelijke transacties. Signalen uit verschillende domeinen kunnen bijdragen aan het identificeren van patronen die wijzen op ernstige criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik en online seksueel geweld. Tegelijkertijd kennen financiële signalen ook beperkingen, onder meer doordat meldingen verspreid zijn over meerdere partijen in de betalingsketen en een wettelijke grondslag voor informatie-uitwisseling tussen meldingsplichtige instellingen op dit moment ontbreekt. De nieuwe Europese anti-witwasverordening die per 10 juli 2027 in werking treedt, creëert nieuwe mogelijkheden tot het delen van gegevens bij het uitvoeren van de verplichtingen uit die verordening.
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Criminaliteit heeft vaak een grensoverschrijdend en internationaal karakter. Cryptovaluta spelen hierin ook een rol. Strafrechtelijke samenwerking met andere landen (ook buiten de EU) is essentieel om dergelijke criminaliteit te bestrijden. Ik herken het beeld dat daarin uitdagingen bestaan.
Bij die samenwerking in concrete zaken geldt dat Nederland afhankelijk is van de medewerking en welwillendheid van andere landen. De vraag of dergelijke samenwerking succesvol is, hangt af van diverse factoren. De precieze aanpak verschilt per fenomeen en per land, maar ik kan wel zeggen dat Nederland zich blijft inzetten voor het opbouwen en verder versterken van de relaties met andere landen, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Daarover sta ik in nauw contact met de relevante partners binnen Nederland.
Verder heeft Nederland, net als andere EU lidstaten, de standaarden van de Financial Action Task Force (FATF) ten aanzien van CASPs en cryptoactiva geïmplementeerd. Nederland zet zich er via de FATF actief voor in dat andere derde landen buiten de EU deze standaarden ook implementeren om te voorkomen dat risico’s ontstaan door een internationaal ongelijke implementatie van regels. Ook zet Nederland zich er via de FATF actief voor in dat de witwasrisico’s op de cryptomarkten, die zich snel ontwikkelen, nauwkeurig worden gemonitord.
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Allereerst is het van belang dat er meer bewustzijn komt over welke mogelijke signalen kunnen wijzen op transactieverkeer dat verband houdt met online seksueel kindermisbruik. Dat begint bij cryptodienstverleners, maar geldt ook voor andere partijen in de financiële wereld, zoals banken en betaalplatformen. Om bewustwording en kennis in de financiële wereld over relevante financiële signalen die mogelijk verband houden met online seksueel kindermisbruik te vergroten, organiseerden TBKK en FIU-Nederland in 2025 een kennissessie voor banken, betaaldienstverleners en betaalplatformen.
Daarnaast ontbreekt er momenteel een wettelijke grondslag voor informatie-uitwisseling tussen poortwachters, waaronder aanbieders van cryptoactivadiensten. De nieuwe Europese anti-witwasverordening die per 10 juli 2027 in werking treedt, creëert nieuwe mogelijkheden tot het delen van gegevens bij het uitvoeren van de verplichtingen uit die verordening.
Verder is belangrijk dat er bij het detecteren, blokkeren en strafrechtelijk onderzoeken van cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik tussen TBKK en FIU-Nederland goed wordt samengewerkt, onder andere door informatie te delen en te verrijken. TBKK en FIU-Nederland starten op dit moment met een verkenning naar technische mogelijkheden waarmee de informatie uit de twee databases aan elkaar gelinkt kan worden.
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Robin van Leijen (D66), Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Ja.
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Het kabinet onderschrijft dat bidirectionele auto’s een bijdrage kunnen leveren aan de vermindering van netcongestie. Bidirectioneel laden is één van de routes om congestie te verminderen in Utrecht en de rest van Nederland. Daarom heeft de Staatssecretaris van IenW een Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden opgesteld waarin de belangrijkste uitdagingen en oplossingen voor de opschaling van deze technologie worden beschreven.2
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Ja, de in de Routekaart genoemde 900 tot 1.050 euro per jaar betreffen de maximale besparingsmogelijkheden, zoals berekend in de studie van Revnext, die gelijktijdig met de Routekaart aan uw Kamer is gezonden.3 De feitelijke besparingsmogelijkheden zijn afhankelijk van de omstandigheden van de betreffende situatie, zoals batterijcapaciteit en het aantal thuiswerkdagen, en van beleidsmatige factoren, zoals belastingen en nettarieven. Hierop is nader ingegaan in de alternatieve scenario’s die Revnext in de genoemde studie heeft doorgerekend. Volgens EW Magazine zijn de genoemde besparingen van 600 tot 1.000 euro per jaar gebaseerd op berekeningen van We Drive Solar. Over de onderliggende aannames en rekenmethodiek is voor zover ons bekend geen openbare informatie beschikbaar.
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Zoals nader uitgewerkt in de Routekaart zijn er op dit moment verschillende barrières die voorkomen dat een gemiddeld huishouden kan profiteren van bidirectioneel laden. Deze liggen vooral op het vlak van techniek en regelgeving: de interoperabiliteit tussen voertuig, laadpunt en elektriciteitsnet is voor een gemiddeld huishouden – en voor de meeste bedrijven – nog niet vanzelfsprekend. En ook als de interoperabiliteit van alle relevante schakels is geborgd, is bidirectioneel laden niet direct voor iedereen toegankelijk, omdat daarvoor eerst investeringen in geschikte voertuigen en laadinfrastructuur nodig zijn.
Eerdergenoemd onderzoek van Revnext laat zien dat de dubbele energiebelasting een dempend effect heeft op het verdienvermogen bij bidirectioneel laden. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid om dubbele energiebelasting te voorkomen bij bidirectioneel laden. Dubbele energiebelasting kan ook de vraag naar thuisbatterijen afremmen. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid om dubbele energiebelasting te voorkomen bij zowel bidirectioneel laden als bij thuisbatterijen.
Overigens zal de beoogde invoering van tijdsafhankelijke nettarieven de verdienmogelijkheden voor bidirectioneel laden en thuisbatterijen juist verbeteren. In het onderzoek van Revnext is vooralsnog geen rekening gehouden met aanvullende verdienmogelijkheden die nu in ontwikkeling zijn: dit betreft het leveren van congestiediensten aan netbeheerders. Een voorbeeld hiervan is de op 1 juli in de regio Flevoland-Gelderland-Utrecht door netbeheerders gepubliceerde flexibiliteitsuitvraag voor het laagspanningsnet. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat huishoudens tegen een vergoeding flexibel vermogen aanbieden via een derde partij aan de netbeheerder. Het flexibel vermogen wordt ingezet om netcongestie tegen te gaan. Deze derde partijen bundelen het flexibel vermogen van gecontracteerde huishoudens via de apparaten die zij daarvoor aanbieden. De uitvraag is zo opgesteld dat bidirectionele auto’s hieraan mee kunnen doen. Op deze manier wordt het verdienvermogen opengesteld voor bidirectionele auto’s wanneer deze worden ingezet om netcongestie tegen te gaan.
Verder onderzoek is nodig om een beter beeld te krijgen van hoe de business case zich naar verwachting in de tijd zal ontwikkelen en welke factoren daarbij het meest bepalend zijn, waaronder elektriciteitsprijzen, de energiebelasting, tijdsafhankelijke nettarieven en vergoedingen voor congestiediensten voor netbeheerders. Dit is onderwerp van een bredere verkenning die de Ministeries van Financiën, Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) zijn gestart naar de technische mogelijkheden en de verschillende effecten van het wegnemen van dubbele energiebelasting. Het kabinet doet in dit kader ook nader onderzoek naar de marktontwikkeling van bidirectioneel laden, risico’s en kansen van bidirectioneel laden met betrekking tot netcongestie en geavanceerde meettechnieken die het eventueel wegnemen van de dubbele energiebelasting technisch mogelijk kunnen maken. Voor eind van dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit onderzoek. Op basis van dit onderzoek zal worden bekeken of er inmiddels technische mogelijkheden zijn om dubbele energiebelasting weg te nemen, en als die er zijn, of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting opwegen tegen de lasten voor verschillende partijen als gevolg van de toename in complexiteit die met de oplossing gepaard gaat.
In de vraag wordt gesteld dat twee keer energiebelasting wordt betaald als elektriciteit eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd. Volledigheidshalve wordt daarover het volgende opgemerkt. Tot de beëindiging van de salderingsregeling is geen sprake van dubbele energiebelasting. Dubbele energiebelasting treedt na het afschaffen van de salderingsregeling op bij thuisbatterijen of bidirectioneel laden wanneer elektriciteit wordt afgenomen van het net (belast), wordt opgeslagen in een thuisbatterij of voertuig, daarna wordt teruggeleverd aan het net (onbelast) en later weer wordt afgenomen van het net (opnieuw belast). Het is echter niet zo dat er standaard sprake is van dubbele energiebelasting bij batterijen. Dubbele energiebelasting treedt niet op bij een verbruiker die zelf elektriciteit opwekt, die opslaat in een batterij en vervolgens zelf verbruikt; de verbruiker betaalt dan in het geheel geen energiebelasting over deze elektriciteit. Er is ook geen sprake van dubbele energiebelasting als een verbruiker elektriciteit afneemt van het net, die opslaat in een batterij en vervolgens verbruikt; de verbruiker betaalt dan eenmalig energiebelasting, bij afname van het net. Tot slot wordt ook geen dubbele energiebelasting betaald in de volgende situatie. Een partij wekt zelf elektriciteit op en slaat die op in een thuisbatterij. Vervolgens levert die partij deze elektriciteit vanuit de batterij aan het net. Tot en met dat moment is er nog geen moment geweest waarop energiebelasting moet worden betaald. Er moet pas energiebelasting worden betaald op het moment dat een energieleverancier die elektriciteit via het net levert aan een andere partij elders in de keten. Die elektriciteit is dan eenmalig belast, bij die levering aan een andere partij ergens anders in de keten.
Over oplossingsrichtingen voor dubbele energiebelasting zijn de Ministeries van Financiën, EZK en IenW in gesprek met de sector, waaronder voertuigproducenten, vlootexploitanten, energieleveranciers en netbeheerders. In die gesprekken gaat het onder meer om mogelijke oplossingen die technisch haalbaar zijn, fraude voorkomen en administratieve- en uitvoeringslasten beheersbaar houden voor alle betrokken partijen. Uw Kamer wordt voor het einde van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek van dubbele energiebelasting bij thuisbatterijen en over de voortgang van het onderzoek naar bidirectioneel laden.
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Het kabinet is zich bewust van het effect van de dubbele energiebelasting op de businesscase voor baterijen en zoekt naar oplossingen om dubbele energiebelasting te voorkomen. In de gesprekken met de sector over thuisbatterijen en bidirectioneel laden wordt ook stilgestaan bij de omvang van de dubbele energiebelasting in verschillende situaties waarin batterijen worden gebruikt. Het kabinet heeft geen inzage in de doorrekeningen van Stedin. Het genoemde onderzoek van Revnext naar bidirectioneel laden geeft al wel een beeld van een aantal elementen die van invloed zijn op de businesscase van bidirectioneel laden. Zoals reeds benoemd in het antwoord op vraag 4 laat Revnext zien dat de verdiensten worden gedempt door de dubbele energiebelasting vanaf het moment dat de salderingsregeling komt te vervallen. Het onderzoek van Revnext laat ook zien dat huishoudens met bidirectioneel laden ook energiekosten kunnen besparen wanneer de salderingsregeling stopt. Dit komt doordat het voertuig elektriciteit aan de woning kan leveren, waardoor de afname van netstroom op dure momenten wordt vermeden. Volgens Revnext kan dit bijvoorbeeld voor een huishouden met zonnepanelen een extra besparing van ongeveer 61 euro per jaar opleveren, uitgaande van een middelgrote elektrische auto (C-segment) die 15.000 kilometer per jaar rijdt en waarvan de eigenaar twee dagen per week thuiswerkt. Deze kostenbesparing komt bovenop de besparingsmogelijkheden die het huishouden kan realiseren met enkel slim laden.4
Daarnaast bieden de beoogde tijdsafhankelijke nettarieven extra verdienmogelijkheden voor bidirectioneel laden. Ook als de dubbele energiebelasting in stand blijft, kunnen huishoudens in eerder omschreven situaties hierdoor extra besparingsmogelijkheden realiseren.
De businesscase wordt verder onderzocht in de in antwoord 4 genoemde bredere verkenning. Stedin is een van de partijen die om hun bijdrage is gevraagd in de hierbij horende vervolgonderzoeken.
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Zoals benoemd in antwoord 4 doet het kabinet aanvullend onderzoek om een beter beeld te krijgen van hoe de business case zich naar verwachting in de tijd zal ontwikkelen. Dit als onderdeel van een bredere verkenning naar de technische mogelijkheden en de verschillende effecten van het wegnemen van dubbele energiebelasting. De verdere marktontwikkeling van bidirectioneel laden is onderdeel van dit onderzoek.
Het kabinet houdt in dit proces ook nauw contact met relevante marktpartijen. Zo hebben de Staatssecretarissen van KGG en IenW in juni jl. een gesprek gevoerd met Stedin, de gemeente Utrecht en We Drive Solar over de mogelijkheden die bidirectioneel laden biedt voor mitigatie van netcongestie in Utrecht en de invloed van de energiebelasting op de business case. De ministeries zullen de inzichten van marktpartijen betrekken bij het onderzoek.
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
In de belastingramingen wordt rekening gehouden met beleidswijzigingen zoals het afschaffen van de salderingsregeling. Op het moment dat realisaties beschikbaar komen, worden die verwerkt in de ramingen, waardoor op die manier de dubbele energiebelasting in de ramingen terechtkomt als het daadwerkelijke effect zou afwijken van de oorspronkelijke raming. Als het wegnemen van de dubbele energiebelasting door middel van een wetswijziging vormgegeven wordt, dan zal dit in principe leiden tot een budgettaire derving. Op dit moment zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om een inschatting te geven van de budgettaire gevolgen van het wegnemen van dubbele energiebelasting.
Op basis van de inzichten uit de verkenning die is genoemd in het antwoord op vraag 4 beoordelen de ministeries of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting zouden opwegen tegen de lasten voor huishoudens, bedrijven en energieleveranciers en een eventuele toename van de uitvoeringscomplexiteit. De budgettaire gevolgen worden hierin meegewogen. Het kabinet zal de Kamer voor het eind van dit jaar informeren over de voortgang en nieuwe inzichten uit de verkenning.
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
De Europese Commissie heeft op 17 juli jl. een guidance document gepubliceerd met betrekking tot de mogelijkheden voor overheden om gebruik te maken van regulatory sandboxes en living labs voor bidirectioneel laden.5 De gedachte achter deze sandboxes is dat nationale overheden tijdelijk van bestaande regelgeving kunnen afwijken om experimenteerruimte te bieden aan innovaties.
Het kabinet wil in brede zin verkennen of dergelijke sandboxes en living labs kunnen worden ingezet om barrières voor bidirectioneel laden weg te nemen. Daarbij is een belangrijk aandachtspunt dat rechtszekerheid en gelijkheid voor de wet te allen tijde zijn geborgd en dat de invulling plaatsvindt in overeenstemming met de Europese staatssteunregels. Tijdelijke of selectieve uitzonderingen in de fiscaliteit zullen al snel op gespannen voet staan met deze beginselen.
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
Het kabinet vindt het van belang dat iedereen die vanaf 2035 een nieuwe auto koopt bidirectioneel kan laden – thuis, op het werk en op straat. Als opvolging op de Routekaart start de Staatssecretaris van IenW daarom een opschalingsprogramma bidirectioneel laden. De beoogde startdatum hiervan is Q1 2027. In dit programma zal worden gewerkt aan acties die als doel hebben om de voordelen van bidirectioneel laden ook terecht te laten komen bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren. Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking met gemeenten en regio’s uit de Nationale Agenda Laadinfrastructuur om bidirectioneel laden bij publieke laadpunten uit te rollen. Omdat dit een complexere toepassing is, wordt gewerkt aan het ontwerp van praktijksjablonen met een duidelijke rolverdeling, modelcontracten en verdeelsleutels. Daarnaast wordt onderzocht hoe bidirectioneel laden binnen Verenigingen van Eigenaren kan worden gefaciliteerd, en wordt de kansrijkheid verkend van experimenteerruimtes voor bidirectioneel laden bij parkeergarages en (semi-)publieke laadpleinen.
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
Het delen van informatie inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Henk Vermeer (BBB), Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een deel van de Kamer, waaronder fractievoorzitter(s) van de coalitie, door het kabinet op de hoogte is gebracht van de budgettaire wijzigingen ten opzichte van het coalitieakkoord?
In het kader van de begrotingsvoorbereiding hebben gesprekken plaatsgevonden met fractievoorzitters en financieel woordvoerders van diverse partijen; ook van de coalitiepartijen. Deze gesprekken hebben bijgedragen aan de vormgeving van de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan. Deze liggen op dit moment ter advisering voor bij de Raad van State. Ik kan op dit moment niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van de Minister van Financiën van 2 september 2026 ontvangt uw Kamer de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan, zoals gebruikelijk2, in aanloop naar Prinsjesdag op vrijdag 11 september onder embargo.
Erkent u dat sommige journalisten op de hoogte zijn van de budgettaire wijzigingen ten opzichte van het coalitieakkoord, waaronder journalisten van RTL?1
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de wetsbehandeling van de Wet Werkelijk Rendement Box 3 bij de Eerste Kamer ligt en dat er dus geen enkele reden is waarom het kabinet geheim zou moeten houden wat hierover is besloten?
Op 19 juni 2026 is uw Kamer door de Staatssecretaris van Financiën geïnformeerd over het proces om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren.3 Uw Kamer zal in lijn met deze Kamerbrief op Prinsjesdag nader worden geïnformeerd.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om informatie te geven inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord aan Kamerleden die voorafgaand aan Prinsjesdag met het kabinet in gesprek gaan?
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Klopt het dat het kabinet juridisch is toegestaan om informatie inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord te delen met de hele Kamer? Zo niet, hoe verhoudt dit zich tot de antwoorden bij vraag 1 en vraag 4?
Er is strikt genomen geen verbod om informatie te delen met de hele Kamer over budgettaire wijzigingen. Tegelijkertijd betekent het samenspel van artikel 65 en 105 van de Grondwet, het streven naar ordelijke besluitvormingsmomenten ten aanzien van de overheidsfinanciën en naar een ordelijk wetgevingsproces, waarin ook de Afdeling advisering van de Raad van State adviseert over de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan, dat hieraan feitelijk geen gevolg kan worden gegeven zonder dat deze waarden worden ondergraven. Hierom houdt het kabinet vast aan de bestaande afspraken ten aanzien van de verstrekking onder embargo de vrijdag voorafgaand aan Prinsjesdag. Zie voorts het antwoord op vraag 6.
Wat bedoelde u precies met uw uitspraak bij de wekelijkse persconferentie (vrijdag 21 augustus 2026) dat het embargo eigenlijk steeds minder waarde heeft?
Het is onmiskenbaar dat ieder jaar (delen) van de uitkomsten van de augustusbesluitvorming voortijdig uitlekken. Dit staat een goed debat over de kabinetsplannen, integraal en in samenhang, soms in de weg. Zoals ik ook in mijn persconferentie op 4 september 2026 heb aangegeven ga ik graag na de Algemene Politieke Beschouwingen met de voorzitter van de Tweede Kamer in gesprek over de wijze waarop de Kamer – los van de huidige begroting – in aanloop naar Prinsjesdag goed geïnformeerd kan worden over de begrotingsbesluitvorming.
Kunt u gelet op bovenstaande antwoorden zo snel mogelijk voldoen aan het verzoek van een Kamermeerderheid om de budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord (dus niet de daadwerkelijke begrotingswetten en Miljoenennota) alsnog met de hele Kamer te delen?
Zie antwoord vragen 1 en 2.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden uiterlijk maandag 7 september om 17:00?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De Franse staatsschuld en de risico’s voor financiële stabiliteit in het eurogebied |
|
Inge van Dijk (CDA), Erik van der Maas (VVD), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in kaart brengen hoe de Franse staatsschuld, de rente op staatsobligaties en de spread met Duitse obligaties de afgelopen jaren zijn gestegen?
Via welke kanalen kunnen bovenstaande ontwikkelingen effect hebben op de Nederlandse economie en de financiële markten? Welke effecten zijn hiervan momenteel al zichtbaar?
Is er momenteel sprake van een sovereign-bank nexus, waarbij Franse banken blootgesteld zijn aan Franse staatsobligaties? In hoeverre zijn de effecten hiervan nu al zichtbaar, en wat laten de meest recente stresstesten zien?
Hoe kijkt u naar de bovengenoemde risico’s voor de situatie in Italië, waar de staatsschuld en rente op staatsobligaties ook blijft oplopen?
Met welke andere scenario’s houdt u rekening voor de gevolgen voor het eurogebied en Nederland, gegeven het feit dat Frankrijk de op één na grootste economie van de Europese Unie is? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op de wisselkoers van de euro, de gevolgen voor financiële stabiliteit en de bredere macro-economische effecten?
In hoeverre verschilt de situatie nu met de situatie van Griekenland tussen 2012 en 2015?
Het grootste Nederlandse pensioenfonds ABP gaf recent het belang van Franse staatsobligaties in haar portefeuille af te bouwen. Zijn er signalen van meer Nederlandse beleggers die hun afhankelijkheden van Frankrijk momenteel afbouwen?
Kunt u toelichten welke mogelijkheden voor hervormingen u ziet om de Franse staatsschuld te stabiliseren en de financiële markten te kalmeren?
Kun u beschrijven hoe de EU en Eurogroep een actieve rol kunnen spelen in de noodzakelijke Franse economische hervormingen? Welke instrumenten zijn er om druk te zetten op Frankrijk bij de verschillende Europese instellingen? En waar zitten juist risico’s omdat handelingsperspectief (nog) ontbreekt? Welke concrete stappen gaat u de komende tijd nemen om bij te dragen aan dit proces?
Hoe zorgelijk is het dat Italië het ESM-verdrag tot op heden nog niet heeft geratificeerd? Welke stappen zijn er nodig om dit op korte termijn voor elkaar te krijgen?
Hoe kijkt u naar de recente speculaties over het mogelijke ingrijpen van de ECB om Frankrijk te ondersteunen, bijvoorbeeld door TPI in te zetten of de verkoop van staatsobligaties uit eerdere aankoopprogramma’s te pauzeren? Welke concrete stappen gaat u de komende tijd zetten om te voorkomen dat de ECB haar geloofwaardigheid verliest door in te grijpen, en om hervormingen af te dwingen via marktprikkels (hogere rentes)?
Kunt u reflecteren op hoe marktwerking – hervorming van begroting onder druk van oplopende rentes op staatsobligaties – zou moeten functioneren in het eurogebied? Hoe kijkt u daarbij naar de verstorende rol van hedgefunds, die profiteren van hogere yields op Franse staatsobligaties in zogenaamde «carry trades» en daarbij heftige koersschommelingen veroorzaken?1 Welke maatregelen zijn denkbaar om dit speculatiegedrag van hedgefunds te mitigeren?
Kunt u de Kamer regelmatig informeren over de economische en financiële risico’s van de situatie in het eurogebied?
Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
De handhaving van het UBO-register bij verenigingen en stichtingen. |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst handhaaft op de inschrijving van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register?
Klopt het dat er brieven vanuit de Belastingdienst worden verstuurd waarin aangegeven wordt dat er binnen een bepaalde termijn een inschrijving gedaan moet worden, omdat er anders boetes worden uitgedeeld?
Herkent u de signalen vanuit verenigingen en stichtingen over de grote gevolgen van handhavingsbrieven?
Hoe is bij deze brieven en in verdere communicatie rekening gehouden met de positie van verenigingen en stichtingen, waarbij vaak sprake is van heel veel vrijwilligers, waarvan een deel een hoge(re) leeftijd heeft bereikt, weinig kennis heeft van dit soort verplichtingen dan wel moeite heeft om aan dit soort verplichtingen te voldoen?
Kunt u toezeggen dat er voorlopig geen boetes worden uitgedeeld en dat de handhaving gepauzeerd wordt, ook niet als verenigingen en stichtingen hun UBO’s nog niet aangeleverd hebben?
Bent u bereid om, indien er in de toekomst overgegaan wordt tot het daadwerkelijk uitdelen van boetes, onderscheid te maken tussen goedwillenden en personen die doelbewust de wet overtreden? Is het kortom mogelijk om risicogericht te handhaven?
Erkent u dat dit soort verplichtingen, en het dreigen met hoge boetes, grote druk zet op het doen van vrijwilligerswerk en enorme gevolgen heeft voor verenigingen en stichtingen?
Hoe kunt u, in overleg met bijvoorbeeld overkoepelende organisaties, bijdragen aan het ondersteunen van verenigingen en stichtingen bij het aanleveren van hun UBO’s?
Het zicht op de doelmatigheid van agentschappen |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het interdepartementaal beleidsonderzoek «IBO Agentschappen: Samen werken aan publieke waarde», waarin is vastgesteld dat sturing op doelmatigheidsindicatoren in de praktijk beperkt plaatsvindt en dat een kwantitatieve vergelijking van doelmatigheid over de jaren heen lastig is?1
Klopt het dat de Regeling agentschappen voorschrijft dat u samen met de vakminister ten minste eens per vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van elk van de 28 agentschappen beoordeelt en het rapport openbaar maakt?2
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle agentschappen met per agentschap de datum van de laatste doorlichting, het oordeel over de doelmatigheid en de datum waarop de volgende doorlichting is voorzien?
Bij hoeveel agentschappen ligt de laatste doorlichting langer dan vijf jaar terug? Bij welke, en wat is daarvan de reden?
Hoeveel voorbeelden hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot aanpassing van de bekostiging, tarieven, governance of agentschapsstatus? Kunt u dit per agentschap specificeren?
Bij hoeveel agentschappen is over de afgelopen vijf jaar een positieve doelmatigheidsontwikkeling vastgesteld en bij hoeveel kon die ontwikkeling niet worden vastgesteld door het ontbreken van bruikbare indicatoren?
Welke maatregelen zijn sinds de kabinetsreactie op het beleidsonderzoek genomen om de sturing op doelmatigheid te verbeteren3, en waaruit blijkt dat die sturing daadwerkelijk is verbeterd?
Wat is er bij de herziening van de Regeling agentschappen per 1 januari 2025 gewijzigd aan de eisen die aan de beoordeling van doelmatigheid worden gesteld? Zijn die eisen aangescherpt, gelijk gebleven of verruimd?
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks één rijksbreed overzicht te sturen waaruit blijkt welke agentschappen zijn doorgelicht, wat het oordeel was, welke maatregelen zijn afgesproken en wanneer opnieuw wordt beoordeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Cryptoactiva |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Waarom zijn cryptoactiva, zoals gedefinieerd in de Markets in Crypto Asset Regulation en onze eigen Wet financieel toezicht (Wft), niet opgenomen in de vermogenswinstbelasting als financiële instrumenten?
Is de Staatssecretaris bereid om voor cryptoactiva achterwaartse verliesverrekening mogelijk te maken, zodat beleggers in cryptoactiva straks niet over een verlies belasting hoeven te betalen?
Het verhogen van het btw-tarief op sierteelt |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen een btw-verhoging op specifiek bomen en planten heeft voor de betaalbaarheid en vraag naar deze producten en daarmee indirect voor de vergroeningsopdracht van particuliere tuinen, openbare ruimte en stedelijk gebied?
Zo ja, kan het kabinet deze effecten kwantificeren?
Hoe zijn de positieve maatschappelijke baten van bomen en planten en de inspanningsvraag hierbij van de burgers, op biodiversiteit, verkoeling, wateropvang en leefomgeving meegewogen in de keuze voor een btw-tarief van 21 procent?
Hoe weegt het kabinet de economische effecten, zoals een verwachte omzetdaling van 674 tot 830 miljoen euro en het verlies van een kleine 3.000 banen, af ten opzichte van de verwachte extra belastingopbrengst?
De inzet van bevroren Russische tegoeden voor Oekraïne |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Oekraïne miljarden extra nodig heeft, het artikel van VRT NWS over The Russian Transfer en het achterliggende voorstel van The Russian Transfer?1, 2, 3
Klopt het dat de Oekraïense Minister van Financiën verwacht dat er volgend jaar minstens 22 miljard euro extra nodig is voor de Oekraïense begroting, en nog meer voor het financieren van het Oekraïense leger? Zo ja, deelt u de mening dat Rusland voor deze (en andere) kosten zo veel mogelijk moet opdraaien?
Hoe heeft het kabinet tot nu toe uitvoering gegeven aan de afspraak uit het coalitieakkoord dat Nederland blijft pleiten voor de inzet van bevroren Russische tegoeden? Welke resultaten heeft deze inzet sinds het aantreden van het kabinet opgeleverd?
Hoe beoordeelt u het voorstel van The Russian Transfer om de ongeveer 210 miljard euro aan geïmmobiliseerde Russische staatsactiva die zich in de Europese Unie bevinden, inclusief de bijbehorende verplichtingen, onder te brengen bij een door de EU beheerd instrument, waarbij het juridische eigendom van Rusland vooralsnog niet wordt gewijzigd?
Deelt het kabinet de juridische analyse van de initiatiefnemers dat voor deze overdracht artikel 122 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als rechtsgrondslag kan worden gebruikt en dat hierover met gekwalificeerde meerderheid kan worden besloten? Zo nee, op welke punten niet, en bent u in dat geval bereid hierover op korte termijn een onafhankelijke juridische beoordeling te laten uitvoeren en deze met de Kamer te delen?
Klopt volgens het kabinet de redenering van de initiatiefnemers dat een overdracht van zowel de activa als de bijbehorende verplichtingen aan de EU juridisch wezenlijk verschilt van confiscatie, omdat Rusland formeel eigenaar of schuldeiser blijft zolang geen afzonderlijk besluit over het gebruik van de middelen wordt genomen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw oordeel over het voorstel van de initiatiefnemers dat de Europese Unie eventuele resterende risico’s voor België en Euroclear gezamenlijk afdekt? Welke mogelijke financiële verplichtingen zou Nederland hierdoor direct of indirect volgens u kunnen aangaan?
De opnieuw opgelopen vertraging bij de hersteloperatie toeslagen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Trouw van 18 september 2026, «Herstel toeslagenaffaire opnieuw vertraagd: Stichting SGH van Laurentien loopt vast»?1
Hoe beoordeelt u het dat gedupeerde ouders bij de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) inmiddels 180 dagen moeten wachten voordat hun claim in behandeling wordt genomen, terwijl de wachttijd bij de overheidsroute MijnHerstel volgens het bericht 45 dagen bedraagt?
Kunt u toelichten waarom SGH onvoldoende in staat is gebleken haar capaciteit op te schalen om de toestroom van gedupeerde ouders aan te kunnen en hoe realistisch acht u de eis dat SGH binnen een halfjaar van 300 naar 675 dossiers per maand opschaalt?
Welke concrete gevolgen heeft de opnieuw opgelopen vertraging voor de beoogde afronding van de hersteloperatie eind 2027, nu uit het bericht blijkt dat deze deadline op deze manier niet wordt gehaald?
Hoe gaat u voorkomen dat de hersteloperatie verder wordt vertraagd door de lange doorlooptijden bij zowel SGH als advocatenkantoren met grote aantallen dossiers en welke resultaten verwacht u van het actief monitoren van de doorlooptijden per advocatenkantoor en het aanbieden van extra ondersteuning?
Regels |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
Het bericht 'Hoogleraar pleit voor flexibele hypotheek: 'We zijn 65 jaar lang hetzelfde product aan het doorduwen'' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het tijd is om te onderzoeken of de al lang bestaande hypotheekvoorwaarden nog voldoende aansluiten bij de levensfasen van mensen?1
Welke wettelijke of fiscale belemmeringen zijn er op dit moment voor hypotheekaanbieders om meer flexibiliteit te bieden in looptijd en aflossingsschema?
Welke mogelijkheden hebben hypotheekgevers nu al wel om consumenten tijdelijk minder of niet te laten aflossen of de looptijd van een hypotheek te verlengen?
Ziet u zelf kansen voor een hypotheek waarbij gedurende de looptijd een beperkte en vooraf bepaalde flexibiliteit bestaat om aflossingen tijdelijk te verlagen of uit te stellen, waarna deze later worden ingehaald?
Hoe kijkt u naar het idee van hypotheken met een looptijd van 35 of 40 jaar? Wat zijn daarbij de gevolgen voor maandlasten, totale rentelasten, vermogensopbouw en financiële risico's voor huishoudens?
Deelt u de zorg dat het oprekken van de looptijd van een hypotheek met als gevolg een hogere leencapaciteit op een krappe woningmarkt uiteindelijk ook kan leiden tot hogere huizenprijzen, waardoor het beoogde voordeel voor starters (lagere maandlasten) gedeeltelijk verdwijnt? Wat zijn mogelijkheden om dit te voorkomen?
Wat zijn de mogelijkheden om te zorgen dat een langere contractuele looptijd, niet ook een langere periode van hypotheekrenteaftrek betekent? Kan dit worden losgekoppeld?
Bent u bereid met banken, pensioenfondsen, consumentenorganisaties en toezichthouders te onderzoeken welke ruimte er is voor een flexibeler hypotheekproduct, waarbij niet het vergroten van de maximale schuld, maar het beter aansluiten bij de levensfasen van mensen centraal staat?
De brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32043, nr. 710) |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de eerste twee doelstellingen die worden genoemd in het begin van de brief1, de laatste doelstelling kunnen versterken en welke afruilen er tussen de eerste twee doelstellingen en de laatste kunnen plaatsvinden?
Kunt u bevestigen dat het feit dat «de varianten in overleg met experts zijn vastgesteld» ook betekent dat deze experts de uitgangspunten en de conclusies hebben geaccordeerd?
Klopt het dat op pagina twee wordt geschreven over zeven randvoorwaarden, waarbij de vierde randvoorwaarde de koopkracht van de deelnemers betreft? Wordt met de deelnemers hier (ook) gepensioneerden bedoeld? Is de vierde randvoorwaarde niet de primaire doelstelling van het onderzoek, in plaats van één van de randvoorwaarden?
Het klopt toch dat in de resultatenanalyse op pagina twee staat dat de basisvariant reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel? Is deze conclusie ook onderbouwd? Indien ja, hoe?
Wat is volgens u precies het verschil tussen «meer perspectief» en «eerder perspectief», zoals in het pensioenakkoord en de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen (Wtp) gehanteerd wordt? En waarom wordt dit resultaat überhaupt vermeld, want het doel van het onderzoek was toch het verbeteren van de koopkracht in het nieuwe stelsel (meer perspectief), niet per se eerder ten opzichte van het oude stelsel (eerder perspectief)?
Op grond van welke criteria is geconcludeerd dat er geen eenduidige voorkeur kan worden uitgesproken voor één van de vier varianten?
Aangezien er wordt geschreven dat «een grotere ex ante herverdeling met andere generaties het risico heeft van hernieuwde generatie discussies», kan dus geconcludeerd worden dat u de mate van ex ante herverdeling bij de basisvariant maximaal passend vindt?
Kan meer ex ante herverdeling ook wenselijk zijn, als daar iets anders tegenover staat? Bijvoorbeeld het afstaan van rendement voor meer reële zekerheid?
Het klopt toch dat in een van de varianten het spreiden van resultaten via een spreidingsreserve niet meer nodig is en zelfs ongewenst is? Ziet u het kunnen laten vervallen van de spreidingsreserve ook als een voordeel voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid?
Het klopt toch dat uw voorganger in het debat van 21 november 2024 heeft gezegd dat hij met het nieuwe stelsel de koopkracht van ouderen op langere termijn daadwerkelijk wil veiligstellen en dat we iets bedacht hebben wat mensen koopkracht en zekerheid moet bieden voor de toekomst? Het klopt toch ook dat op pagina drie van de Kamerbrief staat dat het voor de hand ligt dat de pensioensector het initiatief neemt? Is het dan niet vreemd dat u, die stelselverantwoordelijk is, de regie en het initiatief uit handen geeft en niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de verdere uitwerking? En geldt dat niet des te meer als die andere partij de komende jaren geen tijd heeft voor extra werkzaamheden en bovendien geen plan van aanpak, stappenplan en tijdslijn met u heeft afgestemd?
Het klopt toch ook dat vervolgens wordt gesteld dat «de Pensioenfederatie hierbij het initiatief neemt»? Waarom is hierbij gekozen voor de Pensioenfederatie? De Pensioenfederatie is toch immers geen uitvoerder?
In de Kamerbrief staat toch correct dat de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp? Wordt dan de evaluatie bedoeld, die gepland staat voor 2032? Betekent dit dat een eerste voorstel voor wetswijzigingen waarschijnlijk tot 2034 op zich zal laten wachten? Kunt u concreet aangeven welke planning u in gedachten heeft?
Bent u bereid om de belangrijkste koopkrachtvarianten nu samen met de groep van experts en betrokken partijen (o.a. Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en SZW), verder te analyseren en in de vorm van concrete voorstellen uit te werken in wetswijzigingen, zodat direct nadat het laatste fonds is ingevaren in 2028, er voldoende wettelijke mogelijkheden liggen om koopkrachtbehoud te realiseren? Deelt u onze visie, dat dit zorgt voor tijdige duidelijkheid voor sociale partners en dat het verdere vertraging voorkomt?
Het klopt toch dat in de brief wordt gesteld dat het nog een open vraag is hoe de communicatie kan plaatsvinden aan actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat er sprake is van een reële doelstelling? Bedoelt u hier een reële doelstelling of een reële garantie?
Het pensioenakkoord en de Wtp hadden toch een reële doelstelling, te weten eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen? Kunt u aangeven wat er mis is met een reële doelstelling in de uitkeringsfase voor pensioenfondsen?
Is de huidige pensioendoelstelling voor actieven (de vervangingsratio) niet ook een reële doelstelling?
Ziet u ook het belang van koopkrachtbehoud voor andere pensioenonderwerpen? En dan specifiek voor: De verdeling van de bestuurszetels en het afleggen van verantwoording over het behaalde resultaat door het bestuur aan deelnemers en gepensioneerden?
Het klopt toch dat in hoofdstuk twee van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten»2 staat: «Zo wordt van de afslag op het projectierendement weinig gebruik gemaakt omdat dit gepaard gaat met een lagere startuitkering.»? Als dit niet of nauwelijks gebruikt wordt, waarom wordt dit koopkrachtinstrument dan wel gebruikt als uniek verschil voor de tweede basisvariant?
Het is toch juist dat de meeste transitieplannen op het moment van schrijven al bekend waren en in al deze plannen een bescherming van de nominale uitkering is opgenomen? Hoe moeten wij dat beschouwen in relatie tot de opmerking dat: «De mogelijkheden binnen het huidige wettelijk kader zal in de praktijk door pensioenfondsen nader worden ingevuld, elk op hun eigen manier. Hoe deze invulling zal zijn zal duidelijk worden na de transitieperiode. Dit betekent dat in een vervolgstap nader zou moeten worden gekeken naar de invulling van het wettelijk kader zoals deze in de praktijk plaatsvindt. Zo is in de basisvarianten nu geen bescherming voor de nominale uitkering meegenomen».Waarom is hiervoor gekozen?
Het klopt toch dat in hoofdstuk drie van de bijlage staat dat«De eerste jaren is dit effect nog niet zo stabiel wegens de transitie en dat het model zich nog niet in een evenwichtstoestand bevindt.»? Het klopt toch eveneens dat in het rapport van DNB op pagina vijf staat «dat het koopkrachtverlies bepaald wordt in het 20ste jaar, omdat de simulaties van de vermogensverdeling dan enigszins gestabiliseerd zijn»? Is dit een modelmatig probleem of kunnen we dit in de praktijk ook verwachten? Klopt het dat dit probleem vooral wordt veroorzaakt door de spreidingsreserve? Betekent dit dat dit rapport niet geschikt is om de varianten die gebruik maken van spreiding te beoordelen voor de eerstkomende twintig jaar? Graag een toelichting op dit punt.
Op welke manier komt het volgende punt uit hoofdstuk vier van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten», terug in de verdere beoordeling? «Herverdeling hoeft niet per definitie slecht te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
In de beschrijving van de basisvariant van hoofdstuk drie staat toch dat: «In de collectieve uitkeringsfase schokken dakpansgewijs binnen vijf jaar worden verwerkt.»? Waarom is hier niet conform de praktijk gekozen voor asymptotische spreiding?
In de beschrijving van de basisvariant met vaste afslag in hoofdstuk drie staat toch dat: «In de praktijk lijkt de vaste afslag nog weinig gebruikt te worden omdat in de afweging tussen lage startuitkering en koopkracht veel deelnemers een hogere startuitkering meer waarderen.»? Is er bewijs voor deze stelling? Of ligt de oorzaak misschien meer in het feit dat bij een afslag van 2% om dezelfde pensioendoelstelling (vervangingsratio) te halen de premie met ongeveer 40% omhoog moet?
In hoofdstuk 3.1 staat bij uitvoerbaarheid toch geschreven dat:«Aanspraken worden niet gewijzigd, maar uitkeringen wel omdat deze voor gepensioneerden afhankelijk worden van de reële rentetermijnstructuur»? Wordt hier met «aanspraken» de «pensioenvermogens» bedoeld? Betekent dit dat invoering van dit systeem na de transitie leidt tot verlaging van de pensioenuitkeringen met percentages oplopend tot ongeveer 40%?
Bij variant vijf staat toch in de omschrijving: «In deze variant wordt het beleggingsrisico zo gekozen dat in een mediaan scenario het beleggingsrisico gelijk is aan de verwachte inflatie»? Moet dat niet zijn: «In deze variant wordt de beleggingsmix zo gekozen dat in een mediaan scenario het verwachte overrendement iets groter is dan de verwachte inflatie»?
Kan aangegeven worden wat de grens is tussen «fors» en «niet fors» bij de analyse van variant vijf «Dit gaat gepaard met een forse ex-ante herverdeling van gepensioneerden naar actieven in vergelijking tot de basisvariant.»? Deze herverdeling van oud naar jong is de beloning die oud geeft voor de reële stabiliteit die ze krijgt. Het betreft dus een onderbouwde herverdeling. Waarom neemt u dit punt helemaal niet mee in uw analyse?
Bij variant vijf staat toch dat «Deze ex-ante herverdeling wordt verklaard door zowel de initiële vulling van de solidariteitsreserve (waar gepensioneerden in deze variant fors aan bijdragen) en dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming»? De initiële vulling van de solidariteitsreserve is echter toch gelijk aan die van de basisvariant? Dit stuk van de conclusie zou toch moeten worden aangepast?
Het klopt toch dat wordt geconcludeerd dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming? Dit is toch een vreemde conclusie? De gepensioneerden geven toch immers een vergoeding voor een aanzienlijk betere inflatiebescherming? Deze conclusie zou toch alleen getrokken kunnen worden indien aangetoond wordt dat deze vergoeding méér dan marktconform is? Dat wordt toch nergens onderzocht of aangetoond? Kunt u deze conclusie aanpassen?
Het klopt toch dat de volatiliteit van variant vijf het grootste is, maar dat gaat wel samen met een beter resultaat in het pessimistisch scenario en een aanzienlijk veel beter resultaat in het mediane scenario?
Deelt u de conclusie dat er niet veel koopkracht winst is te behalen in een pessimistisch scenario zonder ongewenste herverdeling? Deelt u de conclusie dat dit in de mediaan wel mogelijk en ook noodzakelijk is? Bent u het er mee eens dat de grotere volatiliteit hier geen nadeel is, maar een groot voordeel in lijn met de doelstelling van het onderzoek? Indien nee, waarom niet?
Bij variant vijf krijgen jongere deelnemers toch een beloning die naar verwachting groter is dan hun nadeel en ze profiteren later, net als gepensioneerden, ook van een koopkrachtiger en stabieler pensioen? Waarom zou deze variant dan niet eenvoudig uitlegbaar zijn aan jongeren?
40-jarige deelnemers krijgen toch volgens de tabel op pagina 31 van het rapport van DNB, zowel in de mediaan als in het pessimistisch scenario een hoger pensioen? Waarom zou dit lastig uitlegbaar zijn?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging staat dat:«Deze variant is complex met veel geldstromen van en naar de reserve»? Maar er zijn toch helemaal niet meer of minder geldstromen naar de solidariteitsreserve en er zijn geen geldstromen naar de spreidingsreserve? Dan zijn er toch per saldo minder geldstromen en deze variant is daarom toch ook minder complex? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging van variant vijf staat: «Daarmee moet nader worden bekeken of de variant nog in lijn is met lifecycle beleggen. Bij lifecycle beleggen wordt het beleggingsrisico over het algemeen voor oudere deelnemers verkleind»? Voor lifecycles wordt normaal gesproken gekeken naar enerzijds de uitkomst in de mediaan en anderzijds naar de uitkomst in het pessimistisch scenario, dus als beide uitkomsten beter zijn, wat is dan de aanleiding om te veronderstellen dat de lifecycles niet passend zouden zijn? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Bij de rechtvaardiging van variant vijf staat toch dat:«Het pensioencontract kan moeilijker uitlegbaar zijn bij een life-event zoals bij uitdiensttreding.»?Kunt u aangeven of dit ook speelt als de deelnemer kan kiezen voor waardeoverdracht?
Bij de uitvoerbaarheid van variant vijf staat toch dat: «Deze variant kan relatief ten opzichte van de basisvariant tot grotere herverdelingseffecten leiden»?In het rapport staat toch ook dat herverdelingseffecten gerechtvaardigd kunnen zijn? Kunt u aangeven welk deel van deze grotere herverdelingseffecten u gerechtvaardigd vindt en welk deel niet?
In het rapport staat toch ook dat «Bij de operationele uitvoerbaarheid staat niet vermeld dat deze variant eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komt te vervallen. Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Het klopt toch dat bij de operationele uitvoerbaarheid niet vermeld wordt dat variant vijf eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komen te vervallen? Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Kunt u, na op pagina één van de Kamerbrief «Additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie» te hebben aangegeven welke instrumenten er zijn om de inflatie beter te volgen, ook aangeven bij hoeveel pensioenfondsen de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe beschermingsrendement met inflatie-gerelateerde beleggingsproducten ook daadwerkelijk gebruikt worden? Graag in aantallen per instrument.
Mochten bepaalde instrumenten niet of nauwelijks gebruikt worden, dan komt dat toch doordat de theoretische opzet van de Wtp niet voldoet aan de praktijk of doordat de eerste doelstelling van de Wtp niet gedeeld wordt door de sociale partners? Graag een uitgebreide toelichting op dit punt.
Uitgaven waarvan de effectiviteit niet is aangetoond |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Evaluaties evalueren» van de Algemene Rekenkamer, waaruit blijkt dat slechts 22 procent van de onderzochte periodieke rapportages voor een aanzienlijk deel van het beleid duidelijk maakt of resultaten tegen zo laag mogelijke kosten zijn bereikt?1
Welk bedrag aan jaarlijkse rijksuitgaven is gemoeid met beleid waarvan op basis van de beschikbare evaluaties niet aantoonbaar is dat het beoogde effect wordt bereikt?
Klopt het dat aan de inkomstenkant 116 fiscale regelingen op een rij zijn gezet2 en dat bij de Voorjaarsnota 2025 een groslijst van negatief geëvalueerde fiscale regelingen beschikbaar was3, terwijl een vergelijkbaar overzicht voor de uitgavenkant ontbreekt? Waarom bestaat dat overzicht daar niet?
Klopt het dat in de begrotingsregels het uitgangspunt geldt dat een negatief geëvalueerde fiscale regeling wordt afgeschaft of aangepast, tenzij handhaving gemotiveerd wordt?4 Waarom geldt datzelfde uitgangspunt niet voor uitgavenregelingen?
Bent u bereid een Rijksbreed overzicht te laten opstellen met per subsidie of beleidsuitgave het jaarlijkse budgettaire beslag, de conclusie van de laatste evaluatie over doeltreffendheid en doelmatigheid, en de beleidsmatige consequentie die daaraan is verbonden?
Kunt u daarbij onderscheid maken tussen uitgaven die negatief zijn geëvalueerd en uitgaven waarvan het effect niet vast te stellen is doordat gegevens of een heldere doelstelling ontbreken?
Hoeveel en welke uitgavenregelingen zijn de afgelopen vijf jaar negatief geëvalueerd en desondanks ongewijzigd voortgezet?
Bent u bereid het uitgangspunt van «afschaffen of aanpassen tenzij gemotiveerd anders wordt besloten», bij de eerstvolgende herziening van de begrotingsregels ook aan de uitgavenkant op te nemen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
De voortgang van de Wet Werkelijk Rendement |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat er stukken zijn bij het Ministerie van Financiën waaruit blijkt dat snelle invoering van een vermogenswinstbelasting toch een optie is?1 Kunt u deze stukken delen met de Kamer?
Klopt het dat u en uw voorgangers eerder aangaven dat het invoeren van een vermogenswinstbelasting zou leiden tot meerdere jaren vertraging? Per wanneer is het volgens u wél mogelijk om een vermogenswinstbelasting in te voeren, waarbij wordt voldaan aan belangrijke randvoorwaarden zoals uitvoerbaarheid, controleerbaarheid, handhaving en juridische houdbaarheid?
Kunt u heel precies aangeven wat de totale budgettaire (cumulatieve) derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte de Wet Werkelijk Rendement? Klopt het dat eventuele derving nog steeds volledig gevonden moet worden in het belastingdomein van vermogen en winst?
Wat is de exacte budgettaire derving per jaar bij uitstel van de Wet Werkelijk Rendement?
Kunt u heel precies aangeven wie er wel, dan wel niet, profiteren van eventueel uitstel van de Wet Werkelijk Rendement? Dus welke groepen hoeven bij een extra jaar tegenbewijsregeling in 2028 minder belasting te betalen dan bij de Wet Werkelijk Rendement (WWR)? Kunt u dit in elk geval aangeven voor spaarders, beleggers met een laag rendement (bijvoorbeeld twee procent), beleggers met een hoog rendement (bijvoorbeeld acht procent)?
Kunt u door middel van een grafiek of tabel inzichtelijk maken welk deel van de budgettaire derving van uitstel WWR terechtkomt bij welke vermogensdecielen?
Staat u nog steeds achter de eerder afspraak dat eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel van de WWR volledig moet worden gevonden in het domein vermogen/winst?
Welke varianten hebben er op tafel gelegen bij aanpassingen van de WWR de afgelopen maanden? Kunt u per variant aangeven wat de totale (cumulatieve) budgettaire derving is?
Kunt u alle dekkingsopties (inclusief budgettaire reeks) binnen het domein vermogen/winst met de Kamer delen, die de afgelopen maanden op tafel hebben gelegen ter dekking van eventuele derving in box 3?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 september 2026 beantwoorden?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
De toekomstbestendigheid van de Belastingdienst |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Van «juweel» van de overheid tot «beerput van ellende»» over de ontwikkeling van de Belastingdienst?1
Denkt u dat de Belastingdienst weer in staat is de voorlopersrol te kunnen gaan pakken?
Welke lessen uit eerdere reorganisaties worden aantoonbaar toegepast bij de huidige veranderopgaven van de Belastingdienst?
In hoeverre zijn volgens u bij de verschillende reorganisaties bij de Belastingdienst concrete en meetbare doelen gesteld, zodat tussentijds kon worden getoetst of bijgestuurd?
In hoeverre is dat volgens u bij de huidige opgave het geval?
Wat zeggen de huidige tegenvallers in de ICT-modernisering, zoals beschreven in de recente voortgangsbrief, volgens u over de kwaliteit en voorspelbaarheid van de totale ICT-planning?
In hoeverre gaat het om incidentele tegenvallers binnen afzonderlijke projecten en in hoeverre is sprake van een structurele onderschatting van de totale moderniseringsopgave?
In hoeverre worden de tegenvallers volgens u veroorzaakt door technische vertragingen en/of inschattingsfouten, en in welke mate door politieke wensen en/of hersteloperaties?
Deelt u de mening dat een toekomstbestendige Belastingdienst niet alleen vraagt om keuzes binnen de Belastingdienst, maar ook om meer voorspelbaarheid vanuit kabinet en Kamer?
Hoe kunnen politiek en uitvoering eerder en structureler met elkaar in gesprek over wat uitvoerbaar is, welke veranderingen prioriteit moeten krijgen en welke beleidsrust daarvoor nodig is?
Wanneer is volgens u de moderniseringsopgave (grotendeels) afgerond, zodat er weer meer ruimte en flexibiliteit ontstaat voor ad hoc aanpassingen anders dan parameters en nieuwe grotere wetgevingstrajecten?
Zou het volgens u meerwaarde hebben om gezamenlijk tot een meerjarige agenda te besluiten op basis van beschikbare verandercapaciteit met een beperkt aantal prioriteiten, waaronder enerzijds noodzakelijke modernisering en anderzijds noodzakelijke maar ook gewenste nieuwe wetgeving, zoals hervormingen in de fiscaliteit?
Welke afspraken zouden kabinet en Kamer volgens u met elkaar moeten maken om te voorkomen dat we over enkele jaren opnieuw constateren dat achterstallig onderhoud, ICT-problematiek en een stapeling van politieke wensen noodzakelijke verbeteringen in de weg staan?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
Het delen van informatie inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Henk Vermeer (BBB), Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een deel van de Kamer, waaronder fractievoorzitter(s) van de coalitie, door het kabinet op de hoogte is gebracht van de budgettaire wijzigingen ten opzichte van het coalitieakkoord?
In het kader van de begrotingsvoorbereiding hebben gesprekken plaatsgevonden met fractievoorzitters en financieel woordvoerders van diverse partijen; ook van de coalitiepartijen. Deze gesprekken hebben bijgedragen aan de vormgeving van de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan. Deze liggen op dit moment ter advisering voor bij de Raad van State. Ik kan op dit moment niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van de Minister van Financiën van 2 september 2026 ontvangt uw Kamer de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan, zoals gebruikelijk2, in aanloop naar Prinsjesdag op vrijdag 11 september onder embargo.
Erkent u dat sommige journalisten op de hoogte zijn van de budgettaire wijzigingen ten opzichte van het coalitieakkoord, waaronder journalisten van RTL?1
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de wetsbehandeling van de Wet Werkelijk Rendement Box 3 bij de Eerste Kamer ligt en dat er dus geen enkele reden is waarom het kabinet geheim zou moeten houden wat hierover is besloten?
Op 19 juni 2026 is uw Kamer door de Staatssecretaris van Financiën geïnformeerd over het proces om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren.3 Uw Kamer zal in lijn met deze Kamerbrief op Prinsjesdag nader worden geïnformeerd.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om informatie te geven inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord aan Kamerleden die voorafgaand aan Prinsjesdag met het kabinet in gesprek gaan?
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Klopt het dat het kabinet juridisch is toegestaan om informatie inzake budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord te delen met de hele Kamer? Zo niet, hoe verhoudt dit zich tot de antwoorden bij vraag 1 en vraag 4?
Er is strikt genomen geen verbod om informatie te delen met de hele Kamer over budgettaire wijzigingen. Tegelijkertijd betekent het samenspel van artikel 65 en 105 van de Grondwet, het streven naar ordelijke besluitvormingsmomenten ten aanzien van de overheidsfinanciën en naar een ordelijk wetgevingsproces, waarin ook de Afdeling advisering van de Raad van State adviseert over de Miljoenennota, de ontwerpbegrotingen en het Belastingplan, dat hieraan feitelijk geen gevolg kan worden gegeven zonder dat deze waarden worden ondergraven. Hierom houdt het kabinet vast aan de bestaande afspraken ten aanzien van de verstrekking onder embargo de vrijdag voorafgaand aan Prinsjesdag. Zie voorts het antwoord op vraag 6.
Wat bedoelde u precies met uw uitspraak bij de wekelijkse persconferentie (vrijdag 21 augustus 2026) dat het embargo eigenlijk steeds minder waarde heeft?
Het is onmiskenbaar dat ieder jaar (delen) van de uitkomsten van de augustusbesluitvorming voortijdig uitlekken. Dit staat een goed debat over de kabinetsplannen, integraal en in samenhang, soms in de weg. Zoals ik ook in mijn persconferentie op 4 september 2026 heb aangegeven ga ik graag na de Algemene Politieke Beschouwingen met de voorzitter van de Tweede Kamer in gesprek over de wijze waarop de Kamer – los van de huidige begroting – in aanloop naar Prinsjesdag goed geïnformeerd kan worden over de begrotingsbesluitvorming.
Kunt u gelet op bovenstaande antwoorden zo snel mogelijk voldoen aan het verzoek van een Kamermeerderheid om de budgettaire wijzigingen van het coalitieakkoord (dus niet de daadwerkelijke begrotingswetten en Miljoenennota) alsnog met de hele Kamer te delen?
Zie antwoord vragen 1 en 2.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden uiterlijk maandag 7 september om 17:00?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.