De inzet van bijzondere bevoegdheden door de geheime diensten tegen politici, in het bijzonder tegen Roel van Duijn |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat uw ministerie en de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) hebben gehandeld in strijd met de beginselen van «transparantie» en «behoorlijkheid», door de heer Roel van Duijn pas na vele en lange procedures – tot aan de Raad van State – inzicht te geven in de bemoeienis van geheime diensten met diens leven en politieke activiteiten?1
De heer Van Duijn komt vooral voor in de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 kent een uitputtend stelsel voor de behandeling van verzoeken om inzage in (persoons)gegevens, met inbegrip van het daarbij te hanteren beoordelingskader. Dat stelsel beoogt zowel de belangen van de verzoeker als die van de dienst te borgen. Bij de behandeling van verzoeken om kennisneming wordt zorgvuldig beoordeeld of de aangetroffen gegevens vrijgegeven kunnen worden.
Naar aanleiding van een verzoek om inzage in zijn persoonsdossier heeft de AIVD aan de heer Van Duijn documenten verstrekt. In zijn bezwaarschrift heeft de heer Van Duijn zijn verzoek verbreed. Daarop zijn aanvullende documenten verstrekt. De heer Van Duijn heeft bovendien gebruik gemaakt van alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking stonden (bezwaar, beroep en hoger beroep).
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat het «onbevredigend» en «onverstandig» is dat u heeft geweigerd om een nader onderzoek te laten doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) te vragen alsnog een onderzoek te doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn, in het bijzonder naar de «behoorlijkheid»?
De Commissie van Toezicht voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft in dit geval geen taak en bevoegdheden om onderzoek te doen. De zaak betreft een periode van voor de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Overigens ben ik bereid een gesprek aan te gaan met de heer Van Duijn en heb hem inmiddels hiertoe uitgenodigd.
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat de AIVD wel rekening houdt met de «rechtmatigheid» van zijn optreden, maar onvoldoende met de «behoorlijkheid» van zijn bemoeienis met het leven en de activiteiten van politici?
Ieder overheidsorgaan, ook de AIVD, dient zich bij haar optreden te houden aan regels omtrent behoorlijkheid. Deze eis geldt ten aanzien van alle burgers, of zij nu politici zijn of niet. De eis dat de AIVD op een behoorlijke en zorgvuldige wijze handelt bij de verwerking van gegevens, waaronder de uitoefening van bijzondere bevoegdheden, is in artikel 12 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 vastgelegd. De CTIVD kan toezien op de naleving daarvan.
Deelt u de mening dat nadere regels noodzakelijk zijn om de behoorlijkheid van de inzet van bijzondere bevoegdheden door geheime diensten tegen politici te waarborgen?
Deze casus heeft betrekking op de voorganger van de AIVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Het wettelijk kader met betrekking tot toezicht en rapportage was destijds een andere dan nu geldt voor de AIVD. De AIVD heeft onder meer tot taak onderzoek te doen naar personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Politici zijn niet bij voorbaat uitgesloten van onderzoek. Aan de uitoefening van bijzondere bevoegdheden zijn in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 eisen gesteld en daaraan wordt iedere uitoefening getoetst. De CTIVD kan in het kader van haar toezichthoudende taak de rechtmatige uitoefening van bijzondere bevoegdheden toetsen. De Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (CIVD) is belast met de controle op de operationele taakuitvoering van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over operationele zaken die in de CIVD aan de orde komen.
Worden op dit moment door de geheime diensten bijzondere bevoegdheden ingezet tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Zult u in de toekomst toestemming geven aan geheime diensten om bijzondere bevoegdheden in te zetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer altijd geïnformeerd op het moment dat geheime diensten bijzondere bevoegdheden inzetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Hebben politici die onderwerp zijn geweest van bemoeienis door de veiligheidsdiensten altijd een wettelijke notificatie ontvangen?
Indien een voor notificatie in aanmerking komende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend, zal vijf jaar na beëindiging daarvan worden onderzocht of aan betrokkene een notificatieverslag kan worden uitgebracht. Dat geldt ook voor politici.
Het bericht dat Achmea en het Slotervaartziekenhuis geen contract hebben afgesloten |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Slotervaartziekenhuis en zorgverzekeraar Achmea geen contract hebben afgesloten?1
Mijn reactie is dat het niet tot stand komen van een contract een mogelijke uitkomst is in het decentrale sturingsmodel waarvoor we in ons gezondheidszorgstelsel hebben gekozen. Overigens heb ik inmiddels begrepen van Achmea dat de onderhandelingen over de contractering voor 2013 met het Slotervaartziekenhuis niet definitief zijn afgerond.
Wat vindt u ervan dat Achmea al aan al haar verzekerden heeft laten weten dat zij geen contract heeft afgesloten met het Slotervaartziekenhuis, en dat zij voortaan de declaraties eerst zelf moeten voorschieten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gegeven de ontstane situatie is het niet anders dan de plicht van Achmea om haar cliënten zo goed mogelijk voor te lichten over de gevolgen van het niet tot stand komen van het contract met het Slotervaartziekenhuis.
Vindt u het juist dat Achmea haar verzekerden heeft laten weten dat zij enkel een declaratie kunnen indienen die slechts deels vergoed wordt? Ziet u dit ook als een boete op de keuze voor het Slotervaartziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie de niet volledige vergoeding niet als een boete op de keuze voor het Slotervaartziekenhuis. Een zorgverzekeraar vergoedt waar de verzekerde recht op heeft. Een verzekerde met een restitutiepolis heeft – conform artikel 2.2 van het Besluit zorgverzekering – recht op een marktconforme vergoeding van de behandeling die hij heeft ondergaan en een naturaverzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, heeft in veel gevallen recht op een lager bedrag dan dat. Welk bedrag dat is, is afhankelijk van de polis. Vaak is het een bepaald percentage van de marktconforme restitutievergoeding.
Acht u het mogelijk dat de gedeeltelijke vergoeding van de declaraties in het voordeel zijn voor Achmea, omdat zij een deel van de (elders wel vergoede) kosten als boete verhaalt op de verzekerde die kiest voor het Slotervaartziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onwenselijk is dat mensen die onder behandeling zijn in het Slotervaartziekenhuis geconfronteerd worden met de rekening en de eigen bijdrage die Achmea daar bovenop vraagt? Zo ja, hoe gaat u regelen dat de patiënten geen rekening krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voor mensen die onder behandeling zijn op het moment dat het contract tussen de behandelende instelling en de zorgverzekeraar wordt verbroken biedt artikel 13 lid 5 van de Zvw bescherming. Volgens die bepaling houdt de verzekerde recht op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van de zorgverzekeraar. Hoe de declaraties van het ziekenhuis worden afgehandeld is een zaak van partijen waarin ik me niet kan en wil mengen.
Deelt u de mening dat ook nieuwe patiënten, die bij Achmea zijn verzekerd, terecht moeten kunnen in het Slotervaartziekenhuis? Kunt u dit garanderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nieuwe patiënten die bij Achmea zijn verzekerd kunnen terecht bij het Slotervaartziekenhuis, daar is geen garantie van mijn kant voor nodig. Ik ben me ervan bewust dat er aan het kiezen door Achmea verzekerden voor dat ziekenhuis financiële consequenties verbonden kunnen zijn, zoals ik in het antwoord op de vragen 3 en 4 heb uiteengezet, afhankelijk van de definitieve uitkomst van de onderhandelingen.
Erkent u dat de patiënt/verzekerde speelbal is geworden van deze krachtmeting tussen het Slotervaartziekenhuis en Achmea? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie de verzekerde als een mondig individu en niet als een speelbal. De verzekerde kan gebruik maken van zijn rechten als zich in het maatschappelijk verkeer onverwachte ontwikkelingen voordoen. Indien het niet contracteren van het Slotervaartziekenhuis kan worden beschouwd als een polisverslechtering heeft de verzekeringnemer een opzegrecht. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als Achmea eind 2012, toen de polissen voor 2013 werden gesloten, de indruk had gewekt dat met het Slotervaartziekenhuis wel gecontracteerd zou worden. De verzekeringnemer kan dan overstappen naar een verzekeraar die het Slotervaartziekenhuis wel heeft gecontracteerd. In het antwoord op vraag 8 zet ik uiteen dat de verzekerde een extra steun in de rug krijgt met het bij de Tweede Kamer liggende voorstel tot wijziging van artikel 13 Zvw.
Erkent u dat deze situatie niets meer te maken heeft met de keuzevrijheid van de verzekerde om te kiezen voor de behandelaar en/of ziekenhuis van zijn keuze? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is naar mijn mening verbetering nodig in de situatie dat verzekerden, op het moment dat zij hun zorgverzekeraar kiezen, duidelijkheid moeten hebben over welke zorgaanbieders de verzekeraar gecontracteerd heeft. Om dit te regelen ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer voor aanpassing van artikel 13 van de Zvw (Kamerstukken II 2011/12, 33 362 nrs. 1–3). Eén van de voorgestelde wijzigingen is dat zorgverzekeraars uiterlijk zes weken voor het einde van het jaar aangeven welke zorgaanbieders voor het nieuwe jaar gecontracteerd zijn (of welke niet). Gaat een verzekerde in het nieuwe verzekeringsjaar naar een aanbieder waarvan hij op bovengenoemde datum niet heeft kunnen weten dat er met die aanbieder geen contract zou zijn, dan heeft hij recht op de volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten. Als dit wetsvoorstel dit jaar wordt aangenomen en het wordt 1 januari 2014 van kracht, dan kan het zijn werking hebben voor de polissen voor het jaar 2015.
Erkent u tevens dat deze situatie niets te maken heeft met de kwaliteit van de geleverde zorg in het Slotervaartziekenhuis? Zo ja, waarop baseert u dan de overtuiging dat kwaliteit van zorg steeds meer een facet van de zorginkoop door zorgverzekeraars wordt?2 Zo nee, kunt u de Inspectierapporten die dit bewijzen naar de Kamer sturen?
Ik heb geen aanwijzingen dat het niet tot stand komen van het contract tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis het gevolg is van een meningsverschil over de kwaliteit van de geleverde zorg. Ik zit echter niet aan de onderhandelingstafel dus ik kan hier verder geen antwoord op geven.
Is het uw diepe wens dat patiënten vaker gedwongen zullen worden om een ziekenhuis op financiële grond uit te sluiten? Zo nee, waarom schaft u dan de restitutiepolis voor de basisverzekering af? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Dat patiënten vaker gedwongen zullen worden om een ziekenhuis op financiële grond uit te sluiten is voor mij een wens noch een doel. Wel is het een doel te zorgen voor een toegankelijk en efficiënt werkend gezondheidszorgstelsel. Selectieve zorginkoop door concurrerende zorgverzekeraars is een middel om dat doel te bereiken. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 1 heb uiteengezet kan het niet tot stand komen van een contract tussen een zorgverzekeraar en een ziekenhuis een effect zijn van dat selectieve inkoopproces. Met de vraag over de restitutiepolis doelt u waarschijnlijk op het regeerakkoord voornemen om onder de Zorgverzekeringswet alleen nog de verzekering van zorg in natura toe te staan. De restitutiepolis wordt niet afgeschaft maar verplaatst naar de aanvullende verzekering. Een overweging bij dat voornemen is geweest om het proces van selectieve zorginkoop te bevorderen en het macro-beheersinstrument eerlijker in te kunnen zetten (zie het rapport van Commissie Baarsma). Ik kom hierop uitgebreider terug als de concrete wijze van uitwerking van dat voornemen bekend is.
Gebrek aan controle ziekenhuis declaraties door zorgverzekeraar |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook tevreden over feit dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werk maakt van gebrek aan controle op declaraties van ziekenhuizen door zorgverzekeraars, maar dat meer nodig is?1
Ja, ik ben tevreden met het feit dat de NZa hier werk van maakt en ja, het klopt dat er meer nodig is. Het aanpakken van onterechte en ongepaste declaraties is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorgaanbieders zijn in algemene zin verantwoordelijk voor het juist en gepast declareren. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het controleren of de zorgaanbieder daadwerkelijk een juiste en gepaste declaratie heeft ingediend. Deze boodschap heeft NZa ook duidelijk op 7 maart jl. naar voren gebracht in de nieuwsbrief die specifiek over correct declareren gaat. De zorgautoriteit heeft aangekondigd dat ze haar toezicht verder gaat intensiveren. De NZa gaat ziekenbestuurders, medisch specialisten en zorgverzekeraars aanspreken op hun verantwoordelijkheid bij het voorkomen van onterechte declaraties. In het toezicht op de zorgverzekeraars zet de NZa al sinds enkele jaren in op verbetering van de controle van declaraties. Zo heeft de NZa in het bijgevoegde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» aangegeven dat de zorgverzekeraars meer werk moeten maken van deze controles.
Is er een analyse gemaakt van de oorzaak van verkeerde en te hoge declaraties uit de zorg enerzijds en gebrek aan controle hierop door zorgverzekeraars anderzijds? Zo ja, wat is de oorzaak en hoe wordt deze aangepakt? Zo nee, gaat dit nog gebeuren?
De Erasmus Universiteit Rotterdam en het Verwey-Jonker Instituut hebben in opdracht van de NZa de beleving van en de bereidheid tot naleving van de wettelijke declaratievoorschriften onderzocht onder medisch-specialisten.3 Uit deze Doelgroepenanalyse declaratiepraktijk medisch specialistische zorg blijkt onder meer dat de sector erkent dat niet-correct declareren plaatsvindt maar ook dat een aanzienlijk deel van de beroepsbeoefenaren zich al op een juiste manier aan de regels houdt. In het kader van de intensivering van het toezicht op correct declareren, is de NZa (onder meer) met ziekenhuizen, verzekeraars, medisch specialisten en hun brancheorganisaties in gesprek en geeft de zorgautoriteit aan welke verbeteringen in declaratiegedrag worden verwacht. De NZa zal daarbij voorlichten over de belangrijkste do’s en don’ts bij het declareren. Als er aanleiding toe bestaat, stelt de NZa een toezichtonderzoek in, zoals ze dat in december 2012 bij een academisch ziekenhuis heeft gedaan. Voorts is in het kader van de beoogde intensivering van het toezicht op de Zorgverzekeringswet (Zvw) onder regie van mijn departement een analyse gemaakt van de vraag hoe controle en toezicht eraan kunnen bijdragen dat voorkomen wordt dat declaraties voor ziekenhuiszorg die niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden uit het Zorgverzekeringsfonds worden gefinancierd. Uit deze analyse komt naar voren dat er reële aanknopingspunten tot verbetering zijn bij alle partijen in de zorgketen (van regulering en pakketbeheer tot registratie, declaratie, verantwoording en controle en toezicht). De gewenste verbeteringen draaien vooral maar niet uitsluitend rond de vraag of aan de volgende wettelijke voorwaarden wordt voldaan: is de zorg feitelijk geleverd? Is de geleverde zorg volgens de stand van de wetenschap en praktijk? En is de geleverde zorg naar inhoud en omvang redelijkerwijs aangewezen? Hierbij zijn de volgende aandachtsgebieden geïdentificeerd.
Als de prestatiebeschrijving (in het kader van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)) niet goed aansluit op het collectief verzekerd pakket volgens de Zvw kan de rechtmatigheid van de declaraties moeilijker worden gecontroleerd. De NZa heeft dit onderwerp als aandachtspunt benoemd in de doorontwikkelagenda DOT (november 2011 en 2012). Op verzoek van de NZa onderzoeken DBC-Onderhoud en het CVZ in samenspraak met zorgverzekeraars en zorgaanbieders momenteel hoe een betere aansluiting tussen de aanspraken in het verzekerd pakket en prestatiebeschrijvingen het controleproces kan ondersteunen.
In de Zvw is de inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties in veel gevallen open geformuleerd. Duidelijkere normen over gepast gebruik vergemakkelijken effectieve controle door zorgaanbieders en zorgverzekeraars en toezicht door de NZa. Het CVZ brengt regelmatig een standpunt of advies uit ter verduidelijking, waardoor deze open formulering in de praktijk beter hanteerbaar wordt. De voorgenomen oprichting van het Nederlands Kwaliteitsinstituut zal bijdragen aan een verbetering van de richtlijnen en de transparantie en implementatie ervan. Dit draagt op haar beurt bij aan de verduidelijking van de normering wat onder andere weer zorginkoop door zorgverzekeraars op basis van kwaliteit vergemakkelijkt.
In het huidige controlesysteem bestaan onvoldoende stimulansen voor de zorgaanbieder om te voorkomen dat onjuiste declaraties worden aangeleverd. Onderzocht zal worden hoe zorgaanbieders kunnen worden gestimuleerd om de controle op declaraties te versterken.
Controle is normaliter een onderdeel van een risicomanagementsysteem (zijnde het cyclisch doorlopend proces van het identificeren en beoordelen van risico’s en het vaststellen van beheersmaatregelen om de risico’s in voorkomende gevallen te verkleinen of uit te bannen). De aandacht voor controle is nog in ontwikkeling en zou een integraal element bij de invoering van systemen moeten zijn. Onderzocht wordt hoe dit verder kan worden gestimuleerd.
Om de juistheid van de declaraties te kunnen vaststellen moeten declaraties worden gecontroleerd. Voor een goede uitvoering van deze controles dienen aan de hand van betrouwbare data onder andere opvallende afwijkingen of statistische verbanden (de potentiële risico’s) in kaart te worden gebracht. Vervolgens dienen deze te worden geanalyseerd en gewogen. De uitkomst hiervan indiceert de aandachtsgebieden waarop het risicobeheer (inclusief AO/IC) van zorgverzekeraars en zorgaanbieders zich dient te richten. Kortom er dienen bij beide partijen op elkaar afgestemde risicomanagementsystemen te bestaan.
Door bij risicoanalyses bovendien zoveel mogelijk samen te werken tussen zorgaanbieders onderling, zorgverzekeraars onderling en tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars samen wordt de kwaliteit van de analyses verbeterd en worden kosten bespaard. Voldoende onderzoekscapaciteit (softwaresystemen en data-analisten) en adviserend geneeskundigen vormen hierbij de basis voor elk risicobeheersysteem.
De risico’s dat bij het declareren niet aan de wettelijke voorwaarden worden voldaan, zijn in kaart gebracht. Het is nu zaak om de bovenstaande aandachtspunten in concrete stappen om te zetten. Ik ben in overleg met de betrokken ZBO’s en veldpartijen om een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen.
Is ook onderzocht waarom declaraties van het ziekenhuis, in tegenstelling tot bijvoorbeeld van de tandarts, zo laat worden verzonden en voor velen onbegrijpelijke codetaal bevatten?
Er is een aantal oorzaken aan te wijzen die leiden tot verschillen tussen de declaraties van medisch specialistische zorg en tandartszorg. Medisch specialistische zorg wordt gedeclareerd in zogenaamde DBC-zorgproducten. Deze kennen afsluitregels als onderdeel van de declaratieregels die bepalen dat de declaratie van de verleende zorg pas na een bepaalde termijn mag plaatsvinden. Dit voorkomt dat er een nieuw DBC-zorgproduct geopend moet worden als de patiënt kort na het sluiten van het DBC-zorgproduct toch nog een keer terug moet komen. De verdere afhandeling, waaronder de controle, van de declaratie kost meer tijd vanwege de hogere mate van ingewikkeldheid. Medisch specialistische zorg bestaat vaak uit verschillende soorten zorgverlening die in sommige gevallen door meerdere medisch specialisten is geleverd. Daarnaast kunnen vertragingen in contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders ertoe leiden dat de zorg door het ziekenhuis later gedeclareerd wordt.
Ziekenhuizen sturen doorgaans nagenoeg alle facturen rechtstreeks naar de zorgverzekeraar. Dit laat onverlet dat de NZa toezicht houdt op de informatieverstrekking van zorgaanbieders aan patiënten. Zo zijn zorgaanbieders verplicht om het tarief dat zij in rekening brengen bekend te maken als de patiënt daar om vraagt.
Het verbeteren van de helderheid van zorgnota’s die de verzekeraar aan de verzekerde verstrekt, heeft voor mij een hoge prioriteit. Hierover heb ik op 10 november 2011 in de Kamer gezegd dat als zorgverzekeraars hier geen actie op ondernemen, dat ik met wettelijke maatregelen zal komen. Inmiddels is er een aantal stappen gezet. In 2012 heeft de NPCF een enquête uitgezet onder haar leden waarin wordt gevraagd naar de begrijpelijkheid van de nota’s. Momenteel wordt er aan de hand van de uitkomsten van deze enquête gewerkt aan verbeteringen. Hierbij wordt tevens aandacht besteed aan het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Privacyaspecten zijn daarbij een belangrijk aandachtspunt. Ik houd de Kamer op hoogte van de vorderingen.
Deelt u de mening dat patiënten, indien gewenst, betrokken kunnen worden bij controle van nota's, maar dat hiervoor tijdig een leesbare factuur gestuurd moet worden door het ziekenhuis aan de patiënt?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een breed plan van aanpak bij de NZa om foute declaraties en vervolgens niet-controlerende verzekeraars te voorkomen, op te sporen en indien nodig te handhaven? Zo ja, kan de Kamer een jaarlijkse effectenrapportage ontvangen?
Ja. De NZa onderneemt op een breed terrein acties en heeft vanaf 2010 haar toezicht verscherpt. Op het terrein van correct declareren heeft de NZa onlangs – in december 2012 – een grootschalig onderzoek uitgevoerd bij een academisch ziekenhuis. Voor 2013 heeft de NZa een interventiestrategie ontwikkeld die draait om een mix van voorlichting en bewustwording, versterking van het interne toezicht bij zorgaanbieders, indringender controles door zorgverzekeraars en, indien nodig, handhavend optreden. De NZa heeft gepast gebruik in het Protocol vereveningsonderzoek opgenomen en heeft samen met het CVZ een gezamenlijke voorlichtingsronde langs zorgverzekeraars en hun externe accountants gehouden. De NZa heeft ervoor gekozen om het toezicht op gepast gebruik in fases uit te rollen. Hierdoor hebben partijen de gelegenheid om hun rol beter op te pakken en ook het toezicht goed in te richten. In dit verband heeft de NZa eind 2012 ook de Regeling controle en administratie zorgverzekeraars (Staatscourant 2012, nr. 26404) vastgesteld, die tot doel heeft nadere voorschriften te stellen aan de uitvoering van formele en materiële controles en onderzoek signalen van fraude door zorgverzekeraars.
In het reeds genoemde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» doet de NZa verslag van de bevindingen over dat jaar en de manier waarop de door haar gewenste acties in het rapport van het voorafgaande jaar zijn opgevolgd4. Dit rapport geeft bovendien een actueel inzicht in het toezicht van de NZa en de hierbij opkomende aandachtsgebieden voor verbetering. In het rapport heeft de NZa net als bij het onderzoek in 2010 de focus gelegd op de formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik. Daarnaast geeft de NZa een oordeel over de juistheid van financiële verantwoordingen. De NZa vindt dat zorgverzekeraars meer werk moeten maken van de controle van declaraties van prestaties en de controle van hun financiële verantwoordingen. Met de extra aandacht in het vereveningsonderzoek is het aantal aanwijzingen van de NZa aan zorgverzekeraars en informatieverzoeken voor verbeterplannen voor formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik toegenomen.
ZN heeft een aantal jaren geleden het programma «Samenwerken aan Controles» uitgevoerd. Dit programma was voornamelijk gericht op het samenwerken door zorgverzekeraars op het gebied van (technische en) formele controles. Resultaat van dit programma is onder meer een gezamenlijke visie op controle, namelijk controle zo vroeg mogelijk in de keten en dat het om een «goede» declaraties moet gaan. Een ander resultaat van het programma is dat voor alle sectoren de technische controles uniform zijn opgesteld en worden uitgevoerd via VECOZO. Wat betreft de formele controles hebben de zorgverzekeraars gezamenlijk voor een aantal sectoren de controles uniform opgesteld en afgestemd met de zorgaanbieders. De daaraan vooraf liggende interpretatie van de NZa beleidsregels is ook in gezamenlijkheid uitgevoerd.
Voor de sector Medisch Specialistische Zorg worden de controles ook nog eens gezamenlijk uitgevoerd via de DOT Controlemodule. Deze module is door de zorgverzekeraars gratis beschikbaar gesteld aan de ziekenhuizen. Tot op heden hebben zestien ziekenhuizen hiervan gebruik gemaakt.
In vervolg op bovenstaande programma start ZN met een nieuw programma dat zich met name richt op het intensiveren van de materiële controle en controle op gepast gebruik. Eén van de deelprojecten richt zich op de mogelijkheden om verzekerden in te zetten bij het controleren van de nota. De zorgverzekeraars zijn ten slotte bezig hun risicomanagementsystemen te versterken.
De NVZ en de NFU hebben aangegeven dat beide organisaties betere controlefaciliteiten gedurende het zorgproces gaan inzetten. Momenteel onderzoeken de NVZ en NFU of er mogelijkheden zijn om controles, die een verband leggen tussen diagnose en geregistreerde zorg, niet langer achteraf plaats te laten vinden wat duurder en arbeidsintensiever is, maar gedurende het zorgproces in te zetten. In de huidige situatie maken nagenoeg alle ziekenhuizen gebruik van controle instrumenten, maar deze zijn onvoldoende op elkaar en op de controlemethodieken van de zorgverzekeraars afgestemd.
De NMa opinie "Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie" |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de opinie van de Nationale Mededingingsautoriteit (NMa) «Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke mening over deze opinie?
Bij de koers voor de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), want daar gaat deze opinie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over, spelen veel belangen een rol. Binnen de huidige voorstellen voor het GLB wordt de positie van de primaire producent versterkt door producentenorganisaties in alle sectoren van de landbouw toe te staan. Het kabinet steunt dit voorstel van de Europese Commissie om op deze manier de marktmacht van primaire producenten te versterken. Deze producentenorganisaties dienen zich wel aan de mededingingsregels te houden. Hoe die regels er voor de agrarische sector precies uit gaan zien, is een punt dat in deze eindfase van de onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie met een goede betrokkenheid van u als nationaal parlement duidelijk moet worden. De Landbouwcommissie van het Europees Parlement heeft hier reeds stelling in genomen. Volgens mij moeten we een weg vinden die recht doet aan zowel de situatie van de primaire producent, als aan de rol die mededinging speelt bij onder meer vernieuwing en slagkracht van de agrarische sector.
Deelt u de mening dat de NMa in deze opinie een waardeoordeel geeft over Europarlementariërs en indirect over de leden van de Tweede Kamer door onder andere te stellen dat «Europarlementariërs de problemen in de Europese landbouw niet oplossen», «... zeggen ... nee tegen vernieuwingen» en «... oproep die we in Nederland ook nog wel eens horen», en dat zij meent de politiek te moeten beïnvloeden door onder andere te stellen: «... moeten we een geluid laten horen dat we deze weg niet op moeten»?
Nee.
Deelt u de mening dat de onafhankelijkheid van de NMa hiermee is aangetast? Zo ja, wat gaat u ondernemen om de onafhankelijkheid weer te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De NMa geeft aan wat in haar ogen en vanuit haar ervaring, als mededingingsautoriteit, nodig is bij de hervorming van het GLB. Dit strookt met de onafhankelijke positie van de NMa. Tegelijkertijd voert de Staatssecretaris van Economische Zaken de onderhandelingen over het GLB in Brussel. De NMa zal conform de uiteindelijk overeengekomen Europese kaders toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Vindt u dat een Chief Economist NMa of überhaupt een medewerker van de NMa dit soort zwaar politiek inhoudelijke opinies mag publiceren? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u ondernemen om dit in de toekomst te voorkomen én welke sanctie treft u richting de Chief Economist?
De NMa geeft vanuit haar economische expertise aan hoe zij aankijkt tegen de hervormingen in het GLB en de rol die mededinging daar in zou moeten nemen. Zoals ik in het vorige antwoord al heb verwoord, heeft de NMa een onafhankelijke positie die ruimte biedt om zulke opinies te verwoorden. Aan deze opinie van de NMa over de hervormingen van het GLB ligt een gezamenlijk statement ten grondslag van de hoofden van de Europese mededingingsautoriteiten dat op 21 december 2012 is gepubliceerd op de website van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie. Het standpunt van Nederland ten aanzien van de hervorming van het GLB is door het kabinet in samenspraak met de Tweede Kamer bepaald.
De NMa zal conform de Europese kaders van het GLB, zoals die na de hervorming zullen gelden, toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
De werking van het in-car alarmeringssysteem eCall, waarover bij hulpdiensten onduidelijkheid heerst |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brandweer vreest loze meldingen autoalarm», over het in-car alarmeringssysteem eCall, dat bij ongevallen automatisch de hulpdiensten waarschuwt en waarover bij hulpdiensten in Friesland onduidelijkheid heerst?1
Ja.
Zijn de hulpdiensten voldoende geïnformeerd en voorbereid op de invoering van het eCall-systeem? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om de hulpdiensten voor te bereiden op de invoering van het eCall-systeem?
Tot nu toe is er nog geen Europees voorstel tot verplichting van eCall. Ik verwacht een dergelijk voorstel overigens wel voor de zomer. Samen mijn collega van VenJ werk ik nu al (in het HeERO project) aan technische specificaties, ontwerp en organisatie van het toekomstige eCall systeem. De hulpdiensten worden hier actief bij betrokken. Op 6 december 2012 is een eerste informatiesessie voor de hoofden van de meldkamers geweest. Ik wil u overigens aangeven dat de verantwoordelijkheid voor het ontvangen en afhandelen van eCall noodoproepen («112-meldingen») bij mijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie berust.
Klopt het dat het eCall-systeem direct wordt gekoppeld aan de 112-alarmcentrale en dat er geen andere centrales (bijvoorbeeld de centrale van de autoproducent of de ANWB) als intermediair worden ingeschakeld?
Nederland hoeft hierin geen keuze te maken. Beide opties zijn mogelijk en zullen waarschijnlijk ook naast elkaar gebruikt gaan worden. Dit moet nog verder uitgewerkt worden. Opzet van het door Europa voorgestelde eCall systeem is dat er rechtstreeks contact is tussen het voertuig en de alarmcentrale. Er wordt echter niet voorgeschreven of dat direct via 112 of via een particuliere alarmcentrale gaat. In het HeERO-project gebruikt Nederland een directe koppeling met de 112-centrale.
Zal het aantal meldingen aan 112-alarmcentrales met de invoering van het eCall-systeem toenemen? Zo ja, zijn de 112-alarmcentrales voldoende toegerust voor een toename van het aantal meldingen?
Het eCall systeem is een toevoeging aan de bestaande mogelijkheden om de hulpdiensten te informeren door automatisch een melding te genereren als de auto een zwaar ongeval heeft gehad. Dit zijn bijvoorbeeld gevallen waarin de inzittenden zelf niet in staat zijn om 112 te bellen. Juist in deze gevallen kan het gebruik van eCall de aanrijtijden van hulpdiensten verkorten (gemiddeld ca. 4 minuten). Zelfs als eCall verplicht wordt zal het nog een aantal jaren duren voordat het hele wagenpark hiermee uitgerust zal zijn. Dit betekent dat in de eerste jaren de eCall meldingen nog beperkt zullen zijn en dat de ervaring zal leren of aanvullende maatregelen nodig zullen zijn.
Stuurt het eCall-systeem bij elk ongeval automatisch een melding naar de alarmcentrale dat er een ongeval heeft plaatsgevonden of maakt het eCall-systeem een onderscheid in de zwaarte van het ongeval?
Er is nog niet Europees vastgelegd aan welke eisen een systeem precies moet voldoen om «eCall systeem» te mogen heten. Deze eisen zullen (net als alle voertuigeisen) uiteindelijk worden vastgelegd in zogenaamde typegoedkeuringseisen. Onderdeel daarvan is dat er alleen een melding wordt gegenereerd als de auto een zwaar ongeval heeft gehad, waarbij bijvoorbeeld de airbag is geactiveerd of extreem hoge vertragingen worden gemeten. Dit om activering bij bijvoorbeeld parkeerschade e.d. te voorkomen.
De uitspraken over de fusies van ziekenhuizen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met de heer Don, lid van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), en met de ingezonden brief van de heer Abeln en anderen1 2 die hierop een reactie is?
Ja.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de heer Don in het interview suggereert dat de NMa strenger kijkt naar fusies dan naar samenwerking tussen ziekenhuizen («Het is minder helder voor de klant, en daarom potentieel schadelijker»)? Bent u het ermee eens dat deze suggestie ongelukkig is en dat er geen reden is om nuttige vormen van samenwerking tussen ziekenhuizen strenger te beoordelen dan fusies?
Ik heb van het artikel kennis genomen. Ik ben het met u eens dat nuttige vormen van samenwerking doorgang moeten hebben. Het gaat dan om vormen van samenwerking die goed zijn voor de patiënt. Het toezicht van de NMa is erop gericht om kartels tegen te gaan. Hiervan is sprake als bijvoorbeeld prijs- of marktverdelingsafspraken worden gemaakt en nieuwe toetreders worden tegengewerkt. Deze vormen van samenwerking zijn niet goed voor de patiënt en daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop streng toezicht houdt.
In mijn brief (Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk II 29 247, nr.168) van vorig jaar zomer heb ik aangegeven dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking in de vorm van uitruil van functies of van concentratie van functies tussen ziekenhuizen dient van de verzekeraar uit te gaan. Hij koopt immers in in het belang van de patiënt, zo schreef ik vorig jaar.
Deelt u de mening dat het interview met de heer Don de indruk wekt dat de NMa liever heeft dat ziekenhuizen fuseren in plaats van samen te werken?
Ik begrijp van de NMa dat dat niet de indruk is die zij wil wekken. In het interview benadrukt de heer Don dat veel samenwerkingsverbanden geen probleem zijn. Ik weet van de NMa dat zij zeker geen goede samenwerking wil blokkeren en ook niet wil sturen richting ziekenhuisfusies in plaats van samenwerking.
Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, vind ik dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking en fusies die leiden tot een significante beperking van de mededinging zijn niet in het belang van de patiënt. Daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop scherp toezicht houdt.
Herkent u zich in de kritiek van ziekenhuisdirecteuren dat de opstelling van de NMa bij fusies, respectievelijk samenwerking tussen ziekenhuizen, een vlucht stimuleert naar de «veilige weg» van de fusie? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze perverse fusieprikkels kunnen worden weggenomen, zodat ziekenhuizen niet onnodig fuseren omdat dit nu kennelijk de makkelijkste weg?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, herken ik mij daar niet in. Wel vind ik, zoals ik u tijdens de begrotingsbehandeling heb gemeld, dat een accentverschuiving ten opzichte van de huidige praktijk nodig is, als we willen dat er meer wordt samengewerkt en dat de ketensamenwerking van de grond gaat komen. Ik kondigde toen aan hiertoe voorstellen aan de Kamer te zullen zenden. Deze voorstellen zullen naar mijn mening ertoe moeten bijdragen dat onnodig fuseren wordt tegengegaan.
Is het waar dat het niet (meer) mogelijk is om samenwerkingsovereenkomsten voor goedkeuring aan te melden bij de NMa, maar dat het wel mogelijk is aan de NMa een informele zienswijze te vragen over plannen tot samenwerking? Klopt het dat de NMa ook richtsnoeren over samenwerking in de zorg heeft gepubliceerd, maar deze algemeen en theoretisch van aard zijn?
Het klopt dat de NMa samenwerkingsovereenkomsten niet vooraf goed kan keuren. Wel is het voor ziekenhuizen mogelijk om een informele zienswijze te vragen. De afgelopen drie jaar is er geen informele zienswijze afgegeven door de NMa, wel is er regelmatig informeel contact met ziekenhuizen geweest over wat wel en niet mag. De NMa kan niet op eigen initiatief informele zienswijzen geven, omdat dat niet mogelijk is zonder inzicht in een concrete casus. Wel heeft de NMa mij laten weten altijd open te staan voor aanvragen voor informele zienswijzen of anderszins informele contacten met betrekking tot samenwerking tussen ziekenhuizen.
Naast informele zienswijzen geeft de NMa voorlichting in de vorm van onder meer richtsnoeren en brochures. Zo geven de Richtsnoeren voor de zorgsector (2010) door middel van beschrijvingen en voorbeelden inzicht in de beoordelingscriteria die worden gehanteerd bij de handhaving van het kartelverbod in de zorgsector.
Deelt u de zorgen van de heer Don waar hij de vraag stelt «worden de ziekenhuizen niet te groot, zijn ze nog wel bestuurbaar?», maar dat dit niet onder de toets van de NMa valt?
Zoals ik in antwoorden op schriftelijke vragen van mevrouw Klever (PVV) al aangaf is schaalgrootte een afgeleide van de vraag welke (soorten) zorg een ziekenhuis wil en kan leveren. Het antwoord op die vraag dient bij uitstek in de fusie-effectrapportage gegeven te worden door de besturen van ziekenhuizen die het voornemen hebben te fuseren. In het wetsontwerp aangaande de zorgspecifieke fusietoets dat bij uw kamer ter behandeling voorligt zal de verplichting tot het opstellen van een fusie effectrapportage worden verankerd. Ook is het betrekken van de relevante stakeholders een onderdeel van de fusie-effectrapportage. Zorgbestuurders worden langs deze weg gedwongen de stakeholders zorgvuldig te betrekken en hierop te reageren. Op deze manier wordt door bestuur en stakeholders gezamenlijk beoordeeld of inderdaad sprake is van «onnodige» schaalvergroting.
Het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea en dus mogelijk medicijnen contant moeten afrekenen?1
Het staat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vrij om wel of geen contract met elkaar af te sluiten. Het is van belang dat een zorgverzekeraar voldoende zorg contracteert om aan zijn zorgplicht te kunnen voldoen. Achmea heeft aangegeven met 1976 van de 1981 apotheken in Nederland een contract te hebben gesloten.
Verder heeft Achmea aangegeven dat de informatie uit het bericht feitelijk onjuist is. Bij de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente lopen de overeenkomsten door in 2013.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is wanneer patiënten contant moeten afrekenen wanneer zij bij hun eigen apotheek terecht willen?
Nee, die mening deel ik niet. Het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder. Dit kan voor verzekerden ertoe leiden dat zij contant af moeten rekenen en de declaratie in moeten dienen bij hun zorgverzekeraar. De vergoeding die zij ontvangen van hun zorgverzekeraar is afhankelijk van de polisvoorwaarden. Ingeval van een restitutiepolis heeft de verzekerde recht op een marktconforme vergoeding, ingeval van een naturapolis bepaalt de zorgverzekeraar de hoogte van de vergoeding (via art. 13 Zvw).
Daarbij geldt dat indien het niet contracteren van een apotheek kan worden beschouwd als een polisverslechtering de verzekeringnemer een opzegrecht heeft. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als Achmea eind 2012, toen de polissen voor 2013 werden gesloten, de indruk heeft gewekt dat de betreffende apotheek wel gecontracteerd zou worden.
Het is echter niet aan mij om te oordelen of hier sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Is het waar dat verschillende Achmeaverzekerden in Enschede nu al niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Om hoeveel patiënten gaat het? Hoever moeten deze patiënten reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Patiënten kunnen in principe nog steeds terecht bij hun «eigen» apotheek, alleen de vergoeding die zij ontvangen kan wijzigen ten opzichte van de situatie waarin er wel een contract was afgesloten tussen de apotheek en de zorgverzekeraar. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 2. Zorgverzekeraars hebben verder een zorgplicht. Voor verzekerden met een polis waarbij de zorgverzekeraar zorgaanbieders heeft gecontracteerd (doorgaans de naturapolis) moet de zorgverzekeraar zorg op een «redelijke afstand» van de woonplaats van de verzekerde aanbieden en «tijdig» leveren. In het veld worden zogenaamde streefnormen met betrekking tot de tijdigheid gehanteerd. Zo mag de toegangstijd tot de apotheek voor consumenten maximaal 1 werkdag bedragen. Wat een redelijke afstand is, verschilt per zorgsoort en is niet in normen of regelgeving vastgelegd. De NZa houdt toezicht op het naleven van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
Achmea heeft aangegeven dat drie apotheken in Enschede hun overeenkomst met Achmea hebben opgezegd. Achmea heeft een contract met 14 van de 17 apotheken in Enschede en heeft haar verzekerden per brief geïnformeerd over de mogelijke alternatieven. De brief is verzonden aan in totaal 2155 verzekeringsnemers die woonachtig zijn binnen postcodegebieden rondom de niet gecontracteerde apotheken. Niet alleen de verzekerden maar ook de omliggende apotheken en de huisartsen in de omgeving zijn per brief geïnformeerd door Achmea. De alternatieve apotheken die Achmea heeft gecontracteerd zijn allemaal gelegen binnen een acceptabele reisafstand en er worden tevens alternatieve distributievormen aangeboden, zoals een bezorgservice. Daarnaast is een groep verzekerden gebeld door Achmea om eventuele vragen te beantwoorden en ondersteuning te bieden bij het overstappen naar een alternatieve apotheek.
Verder heeft Achmea een coulanceperiode ingesteld. Bij declaratie door de verzekerde van een factuur met betrekking tot vóór 1 april a.s. verstrekte medicijnen, wordt 100% van het marktconforme tarief vergoed door Achmea. Bovendien heeft Achmea met de apotheken afgesproken dat in een bijzondere situatie, bijvoorbeeld een hoog bedrag op de factuur, een apotheek na overleg eventueel rechtreeks bij Achmea kan declareren, zodat de verzekerde een dergelijk hoog bedrag niet eerst zelf hoeft voor te schieten.
Hoeveel Achmeaverzekerden kunnen in de toekomst niet meer terecht bij hun eigen apotheek? Hoever moeten Achmeaverzekerden uit Hengelo, Borne en Hof van Twente straks reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 1 heeft Achmea mij gemeld met de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente een contract te hebben. Verder verwijs ik u graag naar mijn reactie op vraag 3 waarin ik heb toegelicht dat het niet tot stand komen van een contract in principe geen knelpunt hoeft te zijn zolang de zorgverzekeraar zijn zorgplicht naleeft en zijn verzekerden tijdig en voldoende informeert over de consequenties. De NZa houdt hier toezicht op.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer mensen gedwongen moeten wisselen van apotheek? Deelt u voorts de mening dat gedwongen wisselen van apotheker problemen kan opleveren, bijvoorbeeld bij ouderen of chronisch zieken die hun vertrouwde apotheek veelvuldig bezoeken, waardoor hun medicijngebruik bekend is bij de apotheker? Deelt u tevens de mening dat de veiligheid van medicijngebruik hierdoor achteruit gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het wisselen van apotheek kan voor sommige mensen vervelend zijn. Ik ga er echter vanuit dat zorgverzekeraars apotheken contracteren die goede kwaliteit van zorg leveren en zich dus op de hoogte stellen van het meest actuele geneesmiddelengebruik van de patiënt. Dit is vastgelegd in de beroepsnormen van apothekers en «de Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten» verplicht hiertoe. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u er aan doen om te zorgen dat patiënten die verzekerd zijn bij Achmea bij alle apotheken blijvend terecht kunnen, zonder contant te moeten afrekenen of een eigen bijdrage te moeten betalen?
Het is niet mijn verantwoordelijkheid om op te treden in de contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Zolang Achmea zijn verzekerden goed en tijdig informeert en zijn zorgplicht nakomt is er voor mij geen reden om stappen te ondernemen.
Vindt u niet ten principale dat de keuzevrijheid van patiënten om hun apotheek naar keuze te kunnen kiezen in het geding is bij een dergelijk financieel conflict tussen een verzekeraar en een apotheker? Zo neen, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Zorgverzekeraars hebben de verantwoordelijkheid gekregen om de zorg toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief op niveau te houden in het belang van zijn verzekerden. Hiertoe sluiten zorgverzekeraars contracten met zorgaanbieders en het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt. De verzekerde kan jaarlijks de verzekeraar kiezen die het beste bij hem past. De ene verzekeraar zal selectiever contracteren, de andere wat ruimer. Ingeval van een naturapolis dienen verzekerden er rekening mee te houden dat zij alleen recht hebben op een volledige vergoeding van zorg indien zij naar een door de verzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder gaan. Een verzekerde kan echter altijd naar de zorgaanbieder van eigen keuze gaan, maar indien er geen contract is afgesloten zal hij of een restitutiepolis moeten hebben of mogelijk een deel van de kosten zelf moeten betalen.
Het bericht: “Rechter kent wet niet goed“ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechter kent wet niet goed»?1
Ja.
Klopt het dat er in Nederland onnodig veel mensenhandelaren op vrije voeten komen omdat rechters de wet niet voldoende kennen?
Uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat het aantal vrijspraken in mensenhandelzaken relatief hoog is. Om onnodige vrijspraken in mensenhandelzaken te voorkomen is specialisatie en opbouw van expertise binnen de gerechten nodig. In antwoord op schriftelijke vragen van het lid Van der Steur van 28 december 20122 informeerde ik uw Kamer reeds over de nodige afspraken die in dit kader binnen het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) zijn gemaakt. Sinds 1 januari 2013 is per gerecht de behandeling van mensenhandelzaken geconcentreerd bij een klein aantal rechters en juridisch medewerkers met expertise op dit gebied. Mensenhandelzaken die worden aangebracht door het Landelijk Parket worden afgedaan bij vier speciaal daartoe aangewezen gerechten. Daarmee is gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel om te specialiseren binnen de rechterlijke macht.
Hoe verhoudt dit zich tot hetgeen in het regeerakkoord staat, namelijk dat mensenhandel harder bestreden zal worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, waarin zij aangeeft dat zij in haar laatste onderzoek heeft laten zien dat er vrijspraken zijn geweest als gevolg van een gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de uitspraak van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dat het heel lastig is om een mensenhandelaar op te sporen? Deelt u de mening dat het dan erg onbevredigend is dat een dergelijke crimineel vervolgens wordt vrijgelaten door gebrek aan kennis bij rechters? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat voorkomen moet worden dat dergelijke criminelen vrijkomen door een gebrek aan kennis bij rechters. Juist om die reden is ingezet op specialisatie en expertiseopbouw binnen de Rechtspraak.
Welke maatregelen gaat u nemen om er per direct voor te zorgen dat rechters geen mensenhandelaren meer vrij laten wegens gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel, maar in plaats daarvan de onlangs verhoogde straffen opleggen?
Zie antwoord vraag 2.
Vervolgingen en veroordelingen wegens majesteitsschennis |
|
Gerard Schouw (D66), Alexander Pechtold (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Majesteitsschennis is springlevend»?1
De stelling in het artikel dat er in het afgelopen decennium sprake is van een toename van het aantal vervolgingen wegens majesteitsschennis wordt niet ondersteund door de cijfers die ik van het Openbaar Ministerie (OM) heb ontvangen. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.
Herinnert u zich de mondelinge vragen over het politieoptreden op 1 februari 2013 waarbij iemand wegens het uiten van kritische teksten over de monarchie weggestuurd is?2
Ja.
Hoeveel burgers zijn vanaf 2000, gespecificeerd per jaar, veroordeeld voor majesteitsschennis? Op grond van welke wetsartikelen zijn zij veroordeeld?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal personen dat volgens cijfers van het OM in eerste aanleg is veroordeeld voor het overtreden van artikel 111 (belediging Koning), artikel 112 (belediging echtgenoot Koning etc.) en artikel 113 (verspreiden etc. van beledigend geschrift/afbeelding) van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012.
111
1
2
1
1
1
1
2
1
1
1
112
1
1
1
113/1
113/2
1
Hoeveel zaken heeft het Openbaar Ministerie (OM) sinds 2000, gespecificeerd per jaar, ingeschreven in verband met ondermijning van de koninklijke waardigheid? Op grond van welke wetsartikelen stelde het OM vervolging in?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zaken dat het OM inschreef op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. De toename van de instroom in het jaar 2002 kan worden verklaard uit de aanhoudingen die zijn verricht op de dagen rond het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima.
111
3
3
5
1
5
2
1
2
1
1
112
2
3
1
113/1
1
21
1
1
113/2
1
Het onderstaande overzicht betreft het aantal zaken waarin het OM een verdachte dagvaardde op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. Daarnaast legde het OM in 2012 in één zaak een OM-strafbeschikking op voor overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.
111
2
1
1
2
2
1
2
1
1
112
2
1
113/1
113/2
1
Waarom is het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het einde van de jaren negentig toegenomen?
Uit cijfers van het OM blijkt dat in 1998 één persoon werd gedagvaard op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht en in 1999 vier personen op grond van dit artikel en een op grond van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze cijfers en de cijfers over de periode 2000–2012 deel ik uw conclusie dat er sprake is van een toename van het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het eind van de jaren negentig niet.
Deelt u de mening dat belediging van het Staatshoofd niet zwaarder bestraft behoeft te worden dan belediging van gewone burgers of bevolkingsgroepen, maar dat het Staatshoofd naar de rechter kan wanneer hij zich belasterd voelt, vergelijkbaar met de situatie in België en Groot-Brittannië? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht wordt opzettelijke belediging van de Koning gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. Het gaat hier om een bijzondere strafbaarstelling in vergelijking tot de misdrijven die in artikelen 261 en verder van het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld. In die artikelen worden verschillende vormen van belediging onderscheiden, zoals smaad, laster en eenvoudige belediging, en met straffen bedreigd die naar de mate van de ernst van het delict variëren. In dat kader bevat artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht strafverhogingen voor vormen van belediging die onder meer het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening betreffen. De strafwetgever heeft voor het misdrijf van artikel 111 geen aanleiding gezien om onderscheidingen aan te brengen in de vormen van strafbare belediging. Gelet op de personen tegen wie dat misdrijf wordt gepleegd, draagt blijkens de wetsgeschiedenis elke belediging een zodanig ernstig karakter dat de onderscheidingen van de artikelen 261 en verder wat betreft de strafsancties en kwalificaties buiten aanmerking blijven3. Ik zie thans geen aanleiding om van deze overwegingen afstand te nemen.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging zwaarder wegen dan de artikelen betreffende majesteitsschennis? Zo nee, waarom niet?
De strafbaarstellingen van belediging kunnen indruisen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van betoging. De vraag wanneer een beperking op deze rechten kan worden gerechtvaardigd, moet naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld.
Deelt u de mening dat het OM geen prioriteit moet geven aan majesteitsschennis en de relevante artikelen als dode letter dient te beschouwen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u het OM hiertoe opdracht geven?
De handhaving van strafbaarstellingen van belediging en majesteitsschennis heeft geen prioriteit.
Bent u bereid een wetsvoorstel voor te bereiden om belediging van burgers en leden van het Koninklijk Huis gelijk te bestraffen en bij de Kamer in te dienen, waarbij de artikelen 111,112,113 en 114, tweede lid, Wetboek van Strafrecht alsook de artikelen 118,119,121 en 122, tweede lid, Wetboek van Strafrecht BES worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?
Om de redenen zoals verwoord in antwoord op de vragen 6 en 7 luidt het antwoord op deze vraag ontkennend.
Het rapport Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart» van Panteia en Significance?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat studenten gemiddeld € 1355 meer kwijt zijn aan reiskosten bij afschaffing van de ov-kaart zonder aanpassing van het reisgedrag en € 1053 na aanpassing van het reisgedrag? Welke kans ziet u om studenten effectief te compenseren voor de extra kosten bij afschaffing van de ov-kaart?
Het is goed dat de openbaar vervoerbedrijven een eerste aanzet hebben gedaan in het inzichtelijk maken van de kosten als gevolg van de voorgenomen besparing op de reisvoorziening. De berekeningen in het rapport van Panteia en Significance zijn echter gebaseerd op de aanname dat de huidige reisvoorziening wordt afgeschaft en er geen andere voorziening voor in de plaats komt. Dit terwijl het nadrukkelijke streven van het kabinet is om wél een alternatief vervoersarrangement voor studenten vorm te geven. De (financiële) effecten voor studenten zullen dan aanmerkelijk kleiner zijn.
Welke vorm het arrangement precies krijgt en welke effecten zich zullen voordoen, is nog onbekend. De openbaar vervoerbedrijven hebben hierop ook invloed aangezien het nieuwe vervoersarrangement in samenwerking en onderhandeling met de vervoerbedrijven zal worden vormgegeven.
Niettemin zal de gemiddelde student vanaf 1 januari 2016 met hogere reiskosten te maken krijgen. Dat is een gevolg van de bewuste keuze van het kabinet om te besparen op de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud en reizen teneinde de vrijkomende middelen te investeren in de kwaliteit van onderwijs.
Ondersteunt u de conclusie dat de student na afschaffing van de ov-studentenkaart 45% minder met het ov gaat reizen dan hij nu gratis reist? Acht u dit een wenselijk scenario?
Dit percentage zal naar verwachting lager uitvallen wanneer een alternatief vervoersarrangement is vorm gegeven.
Hoeveel reizen studenten maken met het openbaar vervoer is uiteindelijk hun eigen afweging. Op dit moment kunnen studenten doordeweeks danwel in het weekend vrij reizen met de reisvoorziening die door de overheid wordt bekostigd. Dat betekent dat overheidsmiddelen deels niet doelmatig worden besteed. Ongeveer 30% van het totaal aantal gereisde kilometers wordt gemaakt met een niet-onderwijsgerelateerd doel.
Ondersteunt u de conclusie dat naar schatting 50.000 studenten ervoor zullen kiezen op zichzelf te gaan wonen als gevolg van de afschaffing van de ov-studentenkaart? Denkt u dat er betaalbare woonruimte voor deze studenten beschikbaar is?
Ik ondersteun de conclusie niet. In het onderzoek wordt als uitgangspunt genomen dat de reisvoorziening wordt afgeschaft terwijl de invloed van een alternatief vervoersarrangement niet in het onderzoek is meegenomen (zie ook mijn antwoord op vraag 2. Veel is afhankelijk van de uiteindelijke vorm van het nieuwe vervoersarrangement.
De landelijke monitor studentenhuisvesting die door Kences samen met het ministerie van BZK in 2012 is ontwikkeld, volgt de vraag-/aanbodverhouding per stad. Deze monitor is te vinden op www.wonenalsstudent.nl.
Ondersteunt u de conclusie dat het aanbod van openbaar vervoer zal dalen met gemiddeld tussen de 12,5% (bus, tram, metro) en 10,4% (trein)? Vindt u dit een wenselijk scenario?
Studenten vormen een substantieel deel van openbaar vervoerreizigers (oplopend tot 25 à 40% in de spits). Daar is deel van het openbaar vervoersysteem op gebouwd en ook de businesscases van de verschillende vervoerders. Echter, zoals ook in de antwoorden op de vragen 2 en 3 is aangegeven, zullen de effecten op het openbaar vervoer lager uitvallen dan vermeld in het rapport omdat er wordt voorzien in een alternatief vervoersarrangement voor studenten. Daarnaast zijn in het onderzoeksrapport niet alle effecten meegewogen. Zoals een mogelijk minder grote druk van studenten op de ochtendspits. Wanneer minder materieel in de spits ingezet hoeft te worden of er meer ruimte voor andere betalende reizigers ontstaat, kan dat een positief effect hebben op het openbaar vervoer en leiden tot het beter benutten van de beschikbare capaciteit. Bij de vormgeving van het nieuwe vervoersarrangement zullen daarom zowel positieve als negatieve effecten worden meegewogen.
Zoals ik ook in mijn hoofdlijnenbrief Studiefinanciering van 18 januari 2013 heb aangegeven, zal ik bij de voorbereiding van het vormgeven van het nieuwe vervoersarrangement samenwerken met onder meer de minister van Infrastructuur en Milieu, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de decentrale overheden.
Ondersteunt u de conclusie dat de afschaffing van de ov-jaarkaart zal leiden tot extra milieuschade en files als gevolg van een toename van het autogebruik? Acht de u dit wenselijk?
Ik ondersteun de conclusie niet. De in het rapport genoemde effecten zijn om bovengenoemde redenen erg voorbarig. In het rapport wordt bovendien alleen gespeculeerd over mogelijke negatieve effecten van veranderingen rond de reisvoorziening. Daartegenover kunnen ook de positieve effecten worden geplaatst. Bijvoorbeeld kunnen studenten voor de korte afstanden ervoor kiezen de fiets te nemen in plaats van een bus. Dat is goed voor gezondheid en milieu.
Hoe verhoudt de afschaffing van de ov-studentenkaart zich tot het actieplan «Groei op het spoor»?
Met de uitvoering van het Actieplan «Groei op het spoor» is er naar gestreefd om de trein aantrekkelijker te maken voor steeds meer mensen, door drempels weg te nemen. Over de voortgang wordt uw Kamer regelmatig door de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu geïnformeerd. De huidige studentenreisvoorziening maakt geen deel uit van de maatregelen uit het Actieplan.
Voor studenten streeft het kabinet naar een aantrekkelijk alternatief vervoersarrangement, zodat de trein een goede manier blijft om in de studieperiode te reizen. Daarnaast kan groei op het spoor op verschillende manieren worden gerealiseerd. Dat studenten waarschijnlijk minder kilometers over het spoor zullen afleggen, betekent niet dat er per saldo geen groei mogelijk is. Het is denkbaar dat de lege plaatsen van studenten snel worden opgevuld door andere betalende reizigers die bijvoorbeeld op dit moment drukke treinen mijden. Middelen die nu worden gereserveerd voor investeringen in materieel kunnen dan anders worden besteed, bijvoorbeeld aan veiligheid en comfort, wat uiteindelijk zou kunnen resulteren in groei op het spoor.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de hoofdlijnenbrief studiefinanciering voorzien voor 13 februari 2013?
Bij dezen.
De positie van forensische accountants bij onderzoek naar fraude |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Maak advocaat leidend bij fraude»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, aangezien forensische accountants sinds kort ook onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, het de intentie van de wetgever is geweest dat in geval deze accountants bij een onderzoek in een onderneming op frauduleuze transacties uit het verleden stuiten, die inderdaad gemeld dienen te worden? Zo ja, welke sancties staan er op het niet melden van dergelijke transacties? Zo nee, waarom niet?
Melding van een dergelijke transactie kan verplicht zijn voor zover de accountant van die transactie heeft kennisgenomen ten behoeve van zijn dienstverlening aan een cliënt en die transactie een handeling of samenstel van handelingen betreft van of ten behoeve van die cliënt. In geval van overtreding van de meldingsplicht zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties en maatregelen mogelijk. Het Bureau Financieel Toezicht kan als toezichthouder een boete of een dwangsom opleggen. Verder is het onterecht niet melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar met hechtenis van ten hoogste zes maanden (in geval van opzet: twee jaren), een taakstraf of geldboete van maximaal 19.500 euro. Het maximum van de geldboete is hoger bij veroordeling van een rechtspersoon en indien de betrokken transacties een waarde vertegenwoordigen van meer dan 4875 euro.
Deelt u de mening dat als een forensisch accountant opeens op verdachte zaken uit het verleden stuit waarbij er sprake is van gegevens waarvan de melding wettelijk verplicht is, het melden van die gegevens ook beoogd is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het uitgangspunt, zoals dat blijkt uit de zinsneden dat «het te laat is om de forensisch accountant te weerhouden van zijn meldplicht», een in ieder geval naar de intentie van de wet verkeerd uitgangspunt is? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op beide vragen is ja. Per 1 januari 2013 is de WWFT op een aantal punten inhoudelijk gewijzigd. Eén van de wijzigingen betrof de werkzaamheden van de forensische accountancy. Forensische accountancyopdrachten, ongeacht of deze samenhangen met het samenstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening, vallen onder de WWFT. Het uitgangspunt van de wet is dat ongebruikelijke transacties die onder de meldplicht vallen dienen te worden gemeld. Het niet naleven van die meldplicht kan bestuursrechtelijk of strafrechtelijk worden gesanctioneerd.
Klopt het in het bericht gestelde dat als een advocaat de leidende persoon in een forensisch onderzoek is, dat de door die advocaat ingeschakelde forensisch accountant geen meldplicht zou hebben? Zo ja, hoe kant een leidende rol van een advocaat in deze worden afgebakend? Zo ja, deelt u de mening dat daarmee op een niet door de wetgever beoogde manier aan die meldplicht wordt ontkomen en dat dit niet in het belang is van fraudebestrijding bij ondernemingen? Zo ja, wat gaat u doen om de forensisch accountant die onder leiding van een advocaat onderzoek doet toch aan zijn meldplicht te houden? Zo nee, waarom niet en wilt u de relevante beroepsgroepen dan uitdrukkelijk op hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de meldplicht wijzen?
Of de forensisch accountant een meldplicht heeft hangt af van de rol die de advocaat vervult die opdrachtgever is van de forensisch accountant. Indien de advocaat werkzaamheden verricht waarop voor hemzelf het verschoningsrecht van toepassing is, dan mag de forensisch accountant zich op het afgeleide verschoningsrecht beroepen en geldt geen meldplicht. Dit doet zich voor bij werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van de WWFT: de bepaling van rechtspositie van de cliënt, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Blijkens de wetsgeschiedenis dient dit restrictief te worden uitgelegd2. Voorkomen dient te worden dat door het enkel inschakelen van een advocaat het toezicht en de meldplicht illusoir worden gemaakt (misbruik afgeleid verschoningsrecht). In ieder concreet geval dient dan ook te worden toegelicht wat de rol en functie is van de advocaat. Als de advocaat werkzaamheden verricht waarop het verschoningsrecht niet van toepassing is, bijvoorbeeld als mediator of curator, dan kan de forensisch accountant geen beroep doen op het afgeleid verschoningsrecht en geldt de meldplicht onverkort.
Bestaan er beroepsgroepen die wel onder de Wwft en daaruit voortvloeiende meldplicht vallen, maar waarbij dat niet opgaat als zij hun beroep uitoefenen onder de regie of leiding van een beroepsbeoefenaar waarvoor een verschoningsrecht geldt? Zo ja, welke beroepsgroepen betreft dit? Zo ja, ziet u dit als een probleem en hoe gaat u dit oplossen?
Het in antwoord op vraag 4 ten aanzien van forensische accountants gestelde geldt ook voor alle andere beroepsgroepen die onder de Wwft vallen, zoals autohandelaren en belastingadviseurs. Met inachtneming van de in antwoord 4 gemaakte kanttekening over de restrictieve uitleg die misbruik van het afgeleid verschoningsrecht moet voorkomen zie ik dat niet als een probleem.
Een vuurwerkverbod tijdens het broedseizoen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter naar aanleiding van het afsteken van vuurwerk tijdens het broedseizoen?1 Wat vindt u ervan dat de gemeente Weesp een vergunning had afgegeven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, terwijl het verstoren van broedende vogels en hun jongen verboden is volgens de Flora- en faunawet?
Het aangehaalde persbericht refereert aan de uitspraak van de Rechtbank van Amsterdam van 18 december 2012. Deze uitspraak gaat niet over een vergunning van de gemeente Weesp, maar over de afwijzing van een handhavingsverzoek door de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken. Anders dan het bericht vermeld, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat het afsteken van vuurwerk in Weesp in 2011 in strijd zou zijn geweest met de verboden van de Flora- en faunawet. De rechtbank vernietigt de beslissing van Dienst Regelingen omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank besluit vervolgens om de rechtsgevolgen van de beslissing in stand te laten, omdat de Stichting flora en faunabescherming Weesp onvoldoende had aangetoond dat met het afsteken van het vuurwerk in strijd zou zijn gehandeld met de verboden van Flora- en faunawet.
Kunt u uiteenzetten hoeveel gemeentes de afgelopen 5 jaar toestemming hebben gegeven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, Bevrijdingsdag of een ander evenement in het broedseizoen? Zo nee, waarom niet?
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om een ontbrandingstoestemming voor een individueel vuurwerkevenement te verlenen. Centrale registratie van afgegeven toestemmingen vindt plaats via het Landelijk Meld- en Informatiepunt. Hieruit blijkt dat de afgelopen 5 jaar tijdens Koninginnedag en Bevrijdingsdag respectievelijk 318 en 58 toestemmingen zijn afgegeven voor het ontbranden van professioneel vuurwerk.
Hoe verklaart u dat gemeenten toestemming geven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag en/of Bevrijdingsdag, gelet op het feit dat een groot gedeelte van de beschermde inheemse vogels op dat moment bezig is met het broedproces en er dan geen verstorende werkzaamheden of activiteiten mogen plaatsvinden, terwijl vuurwerk een zeer verstorende werking heeft op vogels?2 Deelt u de indruk dat er onvoldoende kennis is over de bepaling in de Flora- en faunawet die een verstorende activiteit, zoals het afsteken van vuurwerk, in het broedseizoen verbiedt?
De Flora- en faunawet verbiedt het opzettelijk verstoren van vogels. Daarvan is ook sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben. Organisatoren en gemeenten moeten daar rekening mee houden als zij tijdens Koninginnedag of Bevrijdingsdag vuurwerk willen (laten) afsteken. Zij zullen tijdens de voorbereiding onderzoek moeten doen naar de geschiktheid van de locatie van afsteken in relatie tot enerzijds de vogels die in de omgeving hun nest of broedplaats hebben, en anderzijds de omvang en duur van het vuurwerk dat ze willen afsteken. Leidt het vuurwerk tot onaanvaardbare verstorende effecten voor de aanwezige vogels, dan zal een geschiktere locatie gezocht moeten worden.
Deelt u de mening dat vanwege het grote risico dat broedvogels verstoord worden door vuurwerk, gemeenten uit voorzorg geen vergunning zouden moeten afgeven voor het afsteken van vuurwerk bij evenementen tijdens het broedseizoen? Zo neen, hoe verhoudt uw mening zich ten opzichte van het voorzorgsprincipe en het «nee, tenzij» principe dat ten grondslag ligt aan de Flora- en faunawet?
Ik deel uw mening niet. De bescherming van vogels wordt geborgd door de verboden van de Flora- en faunawet. De risico’s die het afsteken van vuurwerk vormen voor vogels, verschillen van geval tot geval. Die situatie leent zich niet voor het instellen van een landelijk vuurwerkverbod ter bescherming van vogels tijdens het broedseizoen, maar vraagt om maatwerk. Het verbod om vogels opzettelijk te verstoren in combinatie met de beoordelingsruimte van een organisator bij de keuze van de locatie, vormt daarbij de invulling van het «nee, tenzij»-principe.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om een landelijk verbod in te stellen op het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, Bevrijdingsdag en andere evenementen tijdens het broedseizoen? Bent u bereid gemeentes in ieder geval alvast op te roepen het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag en Bevrijdingsdag en andere evenement tijdens het broedseizoen uit voorzorg niet toe te staan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag. |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Miljoenenfraude met toeslagen kinderopvang»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat er ondanks de in 2011 aangekondigde maatregelen tegen oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag alsnog voor miljoenen mee gefraudeerd kan worden?
Het bericht over miljoenenfraude met de kinderopvang gaat over de jaren 2009 en 2010. Deze zaak is begin 2011 aan het licht gekomen. De aangekondigde maatregelen tegen oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag zijn in 2012 ingevoerd. Deze maatregelen golden derhalve nog niet toen de hierboven genoemde zaak speelde. De kans op een dergelijk omvangrijke fraudezaak is aanmerkelijk kleiner geworden door de invoering van deze maatregelen in 2012. Over deze maatregelen bent u per brief van 13 mei 20112 geïnformeerd.
Kunt u inzicht geven in de omvang van het oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag sinds 2011? Hoeveel subsidie is er hierdoor weggelekt?
Op 20 augustus 2012 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief aan uw Kamer gezonden met betrekking tot de aanpak van fraude bij de toeslagen3. Hierin is gemeld dat tot dusver voor circa € 40 miljoen aan fraude bij de toeslagen vastgesteld kon worden en een aantal dossiers met een belang van nog eens € 40 miljoen strafrechtelijk zouden worden vervolgd.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de in 2011 aangekondigde maatregelen om oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag tegen te gaan? In hoeverre hebben de maatregelen ertoe geleid dat het oneigenlijk gebruik is teruggedrongen?
Deze aangekondigde maatregelen in de brief van 13 mei 2011 zijn veelomvattend. Er zijn zowel in de wet- en regelgeving als in de handhaving maatregelen genomen om de fraude en oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag terug te dringen. De verscherping van de regelgeving, de invoering van het Nieuwe Toeslagensysteem met ingang van 1 januari 2012 en het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om bepaalde risicopopulaties bij de jaarovergang van 2011 naar 2012 niet geautomatiseerd een nieuwe toekenning te geven, hebben bijgedragen aan de afname van het aantal aangevraagde toeslagen in 2012. De effectiviteit van de fraudemaatregelen is niet één op één aan te tonen omdat ook andere factoren (conjunctuur, verlaging van de toeslag) bepalend zijn voor de ontwikkeling van het aantal aanvragen van kinderopvangtoeslag. Omdat de omvang van het oneigenlijk gebruik niet te meten is, is het lastig aan te tonen in welke mate dit als gevolg van de genomen maatregelen is verminderd.
Bent u in licht van dit nieuwe geval van omvangrijke fraude van mening dat de in 2011 aangekondigde maatregelen afdoende zijn? Bent u voornemens om nieuwe maatregelen te treffen om oneigenlijk gebruik tegen te gaan? Zo ja, welke?
De genoemde fraude heeft betrekking op de jaren 2009 en 2010. Vanaf vorig jaar zijn verschillende maatregelen genomen om misbruik en oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag tegen te gaan. Het gaat dan ondermeer om de maximering van het aantal vergoede opvanguren, aanscherping van controles door Belastingdienst/Toeslagen, hogere boetes en het beperken van het aanvragen van de kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht. Ik ben niet voornemens om nu al aanvullende maatregelen te nemen. Wanneer ik daar aanleiding toe zie, zal de Kamer daar over informeren.
Energiebesparing in de gebouwde omgeving |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat de Franse minister van Milieu voornemens is om kantoren en winkels te verplichten om ’s avonds het licht uit te doen om energiebesparing te realiseren en lichtvervuiling tegen te gaan? Zo ja, wat vindt u van die voornemens?
Ja, ik heb kennis genomen van deze voornemens en ik ben van mening dat indien er sprake is van onnodig aanlaten van verlichting eenvoudig energie kan worden bespaard door het ’s nachts uitschakelen van verlichting.
Deelt u de mening dat het ’s avonds en ’s nachts aan laten van verlichting in lege kantoor- en winkelpanden verspilling van energie is?
Ik deel de mening dat het onnodig aan laten van verlichting energieverspilling is. Dit geldt ’s nachts, maar ook overdag. Als het donker is kan het in verband met de veiligheid noodzakelijk zijn dat er ’s nachts lampen branden in lege kantoor- en winkelpanden. Dit is een voorwaarde die soms door verzekeringsmaatschappijen wordt gesteld. Daarnaast zijn er uitzonderingen voor onder andere noodverlichting, publieke verlichting en specifieke momenten.
Deelt u de mening dat het besparen van energie een makkelijke en goedkope maatregel is om de broodnodige energietransitie dichterbij te brengen?
Het verbeteren van de energie-efficiëntie is een eenvoudige en kosteneffectieve optie om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. Efficiënt energiegebruik verbetert de concurrentiepositie van bedrijven, leidt tot lagere energiekosten voor de burger en levert een bijdrage aan het reduceren van broeikasgassen. Dat wil echter niet zeggen dat energiebesparing ook altijd gemakkelijk te realiseren is. Het potentieel en instrumentarium is per sector heel verschillend, en energiegebruikers hebben niet altijd de goede (financiële) prikkels en de benodigde informatie om te investeren in energiebesparing.
Als een dergelijke maatregel in Nederland ingevoerd zou worden, hoeveel energie zou er dan naar schatting jaarlijks bespaard kunnen worden?
Op basis van een schatting van ECN blijkt dat in kantoren en winkels 536 miljoen kWh ofwel 2PJ elektriciteit kan worden bespaard door het uitschakelen van onnodige verlichting buiten bedrijfstijd. De schatting gaat ervan uit dat in 10% van de werkruimtes in kantoren en winkels op werkdagen ’s avonds en ’s nachts het licht aan blijft. Uitgaande van een verbruik van 3500 kWh per huishouden zou het gaan om een besparing die gelijk is aan de elektriciteitsbehoefte van ca. 150.000 huishoudens.
Bent u bereid om in navolging van de Franse regering kantoren en winkelpanden te verplichten om ’s avonds en ‘s nachts het licht uit te doen als er niemand meer aanwezig is in deze panden? Zo nee, waarom niet en op welke wijze bent u dan voornemens om ook kantoren en winkels te laten participeren in het besparen van energie? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit realiseren?
Een verplichting om alle verlichting uit te schakelen ligt in Nederland niet voor de hand. Zowel in de bouw- als in de milieuregelgeving zijn reeds bepalingen opgenomen om onnodig gebruik van verlichting te voorkomen.
In het kader van de bouwregelgeving zijn minimumeisen vastgesteld voor de energieprestatie van nieuwe gebouwen. Aanwezigheidsdetectie, daglichtschakeling en een veegschakeling voor het uitschakelen van verlichting op momenten dat dit mogelijk is, dragen bij aan een hogere energieprestatie van het gebouw en zijn onderdeel van deze eisen. Deze maatregelen worden ook gewaardeerd in de bepalingsmethoden voor de bestaande bouw.
Daarnaast geldt voor bestaande gebouwen op grond van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit dat bedrijven verplicht zijn energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Hieronder vallen ook kantoorgebouwen en winkelpanden met een energieverbruik van meer dan 50.000 Kwh. Een maatregel die zich in de meeste gevallen binnen deze vijf jaar terugverdient en die in die gevallen dus onder deze verplichting valt, is bewegingsdetectie. Bij toepassen van bewegingsdetectie zal geen sprake zijn van overbodige verlichting. Bij bovenstaande dient wel te worden aangetekend dat het met oog op de veiligheid niet altijd opportuun is om de verlichting geheel uit te schakelen.
Welke overige kansen ziet u voor energiebesparing in de gebouwde omgeving en op welke wijze wilt u deze kansen benutten?
Conform mijn toezegging bij de begrotingsbehandeling voor Wonen en Rijksdienst in december 2012, zal ik in het voorjaar van 2013 komen met een nadere uitwerking voor energiebesparing in de gebouwde omgeving.
De hermelijnen koningsmantel die zou worden gedragen t.b.v. staatsieportretten en de kroning. |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Staatsieportretten Beatrix vervangen» en «Laat die cape op zolder!; Dieuwke Grijpma onderzocht geschiedenis van koningsmantel» van 30 januari jl. over de herkomst van het bont van de koningsmantel?1 2
Ja
Kunt u aangeven of de koningsmantel is afgezet met bont afkomstig van hermelijnen of met imitatiebont? Zo nee, waarom niet?
De historische mantel is afgezet met bont afkomstig van hermelijnen. Na de inhuldiging in 1980 is in de mantel geen bont meer verwerkt. Hiertoe bestaat evenmin enig voornemen.
Zal de troonopvolger bij de inhuldiging op 30 april 2013 en tijdens het maken van de staatsieportretten een koningsmantel afgezet met bont van hermelijnen dragen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, nu de hermelijn in Nederland en Europa een beschermde diersoort is?
Deelt u de mening dat het niet passend zou zijn als de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten een koningsmantel draagt met hermelijnenbont, terwijl de hermelijn een beschermde inheemse diersoort is volgens de Flora- en Faunawet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het bovendien niet passend zou zijn als de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten een mantel draagt van hermelijnenbont, terwijl uit opinieonderzoeken blijkt dat de meerderheid van de bevolking bont afwijst en er sinds dit jaar een wettelijk verbod is op het fokken van pelsdieren voor bont? Zo ja, bent u bereid er voor te zorgen dat de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten geen mantel gevoerd met hermelijnenbont zal dragen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het Besluit van 23 april 1980, tot het voeren van het Koninklijk wapen, waar in Art. 3 en Art. 6 staat dat het wapen «kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, beide van goud, en gedekt door een baldakijn van purper geboord van goud, en dragende de Koninklijke kroon» niet langer meer in overeenstemming is met de geest van de Nederlandse wet, nu het verboden is om dieren te fokken voor bont? Zo ja, bent u bereid om het Besluit op de kortst mogelijke termijn, in ieder geval vóór 30 april 2013, te wijzigen zodat er geen officiële aanbeveling is tot het dragen van bont door het staatshoofd? Zo nee, waarom bent u hier niet toe bereid?
Nee, zie het antwoord op de vragen 2 tot en met 5.
Drugssmokkel via de Antwerpse Haven. |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de precieze politiecijfers met betrekking tot de invoer van cocaïne in Nederland vanuit overige lidstaten van de Europese Unie (EU)? Welk percentage komt er bij benadering doorheen en zijn dus niet in deze cijfers verwerkt?1
Welk bedrag wordt door het Openbaar Ministerie (OM) jaarlijks ontnomen aan criminelen wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnesmokkel?
Welke maatregelen worden er precies getroffen nu de hoofdverdachten van deze smokkel in het merendeel van de gevallen de Nederlandse nationaliteit hebben? Zijn deze personen al in beeld bij het OM? Zo nee, hoe wordt ervoor gezorgd dat deze personen zo spoedig mogelijk worden geïdentificeerd en aangepakt?
De in mijn antwoorden op eerdere vragen5 van het lid Van der Steur opgenomen constatering dat het merendeel van de hoofdverdachten van cocaïnehandel- en smokkel in Nederland een Nederlandse achtergrond heeft, ziet op resultaten van strafrechtelijke onderzoeken. Deze hoofdverdachten zijn zodoende bekend bij het OM.
De prioritaire aanpak van cocaïnehandel- en smokkel houdt ondermeer in dat Nederlanders en in Nederland actieve personen die zich met (de voorbereiding van) internationale cocaïnehandel bezighouden worden opgespoord en vervolgd. De 100%-controles op Schiphol van bepaalde vluchten vloeien ook voort uit deze prioriteitsstelling. Ik verwijs voor de verdere invulling van de prioriteitsstelling graag naar het Nationaal Dreigingsbeeld 2012 en de beleidsreactie daarop. Deze beide documenten zijn op 13 maart 2013 aan uw Kamer worden gezonden.
Wat wordt er bedoeld met het antwoord dat er grote prioriteit wordt toegekend aan de bestrijding van cocaïnehandel en -smokkel? Wat voor maatregelen en inzet van politie en justitie worden er aan die prioritering verbonden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het in de praktijk mogelijk om wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel en -smokkel te ontnemen? Hoe vaak komt het voor dat dit niet lukt? Welke maatregelen worden er getroffen om ervoor te zorgen dat ook in deze gevallen kan worden gekomen tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel? Kunt u een overzicht geven van de straffen die zijn opgelegd voor deze vorm van smokkel en het aantal verdachten dat met succes veroordeeld is?
Het ontnemen van uit cocaïnehandel en -smokkel verkregen vermogen is mogelijk. In de praktijk dient hiertoe zicht te worden verkregen op uitgaven en/of vermogensbestanddelen ten behoeve van het maken van de voordeelsberekening en/of de executie van een opgelegde ontnemingsmaatregel. Dit is lastiger naarmate er meer vermogen is ondergebracht in het buitenland, zeker als het gaat om een land waarmee Nederland geen – op ontneming toegesneden – rechtshulprelatie heeft. Ik onderhoud contacten met andere landen om eventuele belemmeringen voor het ontnemen zoveel mogelijk weg te nemen. Mijn inzet in EU-verband is gericht op wederzijdse erkenning van ontnemingsbeslissingen. Verder zijn met de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming per 1 juli 2011 de mogelijkheden om criminele winsten af te pakken uitgebreid. Zo is het mogelijk geworden na een opgelegde ontnemingsmaatregel een strafrechtelijk executie onderzoek te starten om vermogensbestanddelen op te (blijven) sporen.
Het OM heeft mij meegedeeld dat geen overzichten beschikbaar zijn van gevallen waarin ontnemen niet lukt, of van de straffen die zijn opgelegd voor deze vorm van smokkel en het aantal verdachten dat met succes is veroordeeld.
Waarom bestaat er geen voornemen om de taakomschrijving van de Koninklijke Marechaussee uit te breiden naar de bestrijding van cocaïnehandel en -smokkel?
Waarom wordt slechts op ad hoc basis samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk bij de bestrijding van drugssmokkel, zeker nu qat recent strafbaar is gesteld? Is er extra inzet vereist in de landen waarmee Nederland op ad hoc basis samenwerkt om tot een betere bestrijding van drugssmokkel te komen? Is er geen aanleiding om structureler samen te werken met andere EU-lidstaten om de smokkel van drugs tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen heeft België genomen om deze vorm van smokkel tegen te gaan? Hoe beoordeelt u die inspanningen in vergelijking met de aanpak in Rotterdam? Hoeveel kilo cocaïne wordt jaarlijks in België in beslag genomen en hoe verhoudt zich dat met de vangsten in Rotterdam?
Ouderen die letterlijk in de kou zitten. |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het verhaal van mevrouw. W. dat haar vader in een verzorgingshuis verblijft waar de temperatuur ver onder de maat is? Wilt u uw antwoord toelichten?1
Ik heb hierover een brief van mevrouw W. ontvangen en direct daarna contact op laten nemen met het verzorgingshuis. De directeur heeft verteld dat er door een technisch probleem in één van de pompen een periode is geweest waarbij op sommige kamers de temperatuur niet boven de 21,5 graden Celsius kwam. Er is een nieuwe pomp besteld, die vanuit Duitsland moest komen en niet per direct beschikbaar was. De Vijverhof heeft in de kamers waar het volgens de bewoners te koud was extra bijverwarmd. De pomp is direct bij levering vervangen.
Zorggroep Drenthe, waartoe de Vijverhof behoort, heeft een onderhoudscontract voor de CV installatie. Er is in 2011 een onderdeel van de CV installatie vervangen, er is namelijk een nieuwe zogenaamde expansieautomaat geplaatst. En in december 2012 is een mechanische ontgasser geplaatst. Dit om voor deze winter problemen met lucht in de radiatoren te voorkomen.
Op basis van de verkregen informatie kan ik niet zeggen dat de Vijverhof geen onderhoud pleegt. Hoewel de Vijverhof geen nieuw gebouw is, is de installatie wel goed in orde en wordt er dus wel degelijk onderhoud gepleegd.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen, die veelal de hele dag op hun kamer verblijven, in de kou moeten zitten? Zo ja, hoe gaat u oplossen dat in verzorgingshuis «De Vijverhof» met spoed achterstallig onderhoud wordt opgelost, zodat bewoners niet meer in de kou hoeven te leven? Indien u deze mening niet deelt, wilt u dan uitgebreid antwoorden met welke reden u deze mensen in de kou laat zitten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het feit dat het betreffende verzorgingshuis aangeeft hier geen geld voor uit te willen trekken om dit probleem op te lossen, terwijl het in 2011 een eigen vermogen had van € 14.004.458? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het normaal dat zorginstellingen geen onderhoud willen plegen, terwijl zij meer dan voldoende reserves hebben om onderhoud te kunnen betalen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het de juiste prioriteit van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Zorggroep Drenthe dat er meer dan € 52.759 beschikbaar is voor een auto van de zaak, maar ondertussen bewoners in de kou zitten? Zo nee, gaat u de bestuurder aansprakelijk stellen voor slecht onderhoud van de zorginstelling waar hij verantwoordelijk voor is? Zo nee, waarom niet?3
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 1 tot en met 4 heb aangegeven, heb ik geenszins de indruk dat sprake is van slecht onderhoud. Verder is het niet mijn directe verantwoordelijkheid de bedrijfsvoering van een individuele instelling te beoordelen.
Is temperatuur een kwaliteitscriterium waar de Inspectie op controleert? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de Inspectie een aanwijzing te geven bij deze instelling langs te gaan?
Temperatuur is geen apart criterium waar de inspectie op toeziet. Wel zal de inspectie bij inspectiebezoek hierover indien opportuun een opmerking maken bij de bestuurders. De inspectie had voor komend voorjaar reeds een inspectiebezoek gepland bij deze instelling, waarbij zij natuurlijk deze klacht zal meenemen en daar extra aandacht aan zal besteden.
Is u bekend hoeveel zorginstellingen in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg temperaturen hanteren die ver onder de maat zijn? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Wilt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit is mij niet bekend. Gelet op de in de regel adequate klachtenregelingen bij instellingen zie ik hier voor mij geen onderzoekstaak.
Een onlangs verleende vergunning voor een nertsenhouderij. |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeente Putten in de week voordat de Wet verbod pelsdierhouderij in werking is getreden nog snel een vergunning heeft verleend voor een nieuwe nertsenhouderij?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ik ken het bericht. Het verlenen van omgevingsvergunningen is een gemeentelijke aangelegenheid met een toetsing op milieu en bouwaspecten en staat los van de Wet verbod pelsdierhouderij.
Kunt u aangeven hoe de vergunningverlening zich verhoudt tot het in werking treden van de Wet verbod pelsdierhouderij en aangeven waarom de gemeente Putten deze vergunning nog heeft verleend terwijl algemeen bekend was dat er een verbod op nertsenhouderijen aankwam?
Met ingang van 15 januari 2013 geldt er op grond van de Wet verbod pelsdierhouderij een verbod op het houden, doden of doen doden van pelsdieren. Onder voorwaarden mogen bestaande nertsenhouders tot 1 januari 2024 nertsen blijven houden. De Wet verbod pelsdierhouderij vereist onder andere dat een nertsenhouder een omgevingsvergunning heeft vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet. De wet stelt geen nadere regels over de afgifte van de omgevingsvergunning.
Een omgevingsvergunning voor milieu kan op grond van artikel 2.14, derde lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) slechts in het belang van het milieu worden geweigerd. Het verbieden van het houden van nertsen is niet gebaseerd op overwegingen van milieu, maar op de ethische overweging. Deze overweging kan niet bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor milieu worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Die kent ook een eigen, limitatief, toetsingskader. Op grond van de Wabo is er voor de gemeente dus geen mogelijkheid om een vergunning te weigeren met het oog op de Wet verbod pelsdierhouderij. Het verlenen van een omgevingsvergunning kan tevens noodzakelijk zijn met het oog op welzijnsinvesteringen of de verplaatsing van een nertsenhouderij.
De Wet verbod pelsdierhouderij verhindert het starten van een nertsenhouderij met de eventueel verkregen omgevingsvergunning. Slechts als aan de voorwaarden van de Wet verbod pelsdierhouderij wordt voldaan, kunnen bestaande nertsenhouders tot 1 januari 2024 nertsen houden. Deze voorwaarden zijn onder andere dat een pelsdierhouder op 15 januari 2013 in het bezit was van een geldige omgevingsvergunning voor het houden van pelsdieren en in het bezit was van huisvestingsplaatsen ten behoeve van het houden van pelsdieren. Tevens moest de ondernemer zich uiterlijk 11 februari 2013 hebben gemeld bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken.
Aangezien de meldtermijn bij de Dienst Regelingen inmiddels verstreken is, kunnen er vanaf nu geen nieuwe ondernemingen meer opstarten.
De Wet verbod pelsdierhouderij is binnen een korte termijn van enkele weken in werking getreden. Hiermee is voorkomen dat er nog veel nieuwe ondernemingen op konden starten. Gelet op deze korte termijn is het mogelijk dat er nog gemeentelijke vergunningaanvragen in behandeling zijn. In de Eerste Kamer is tijdens het debat van 11 december 2012 reeds dat er geen mogelijkheden zijn om daarin in te grijpen. Gelet op het hierboven gestelde, is dat ook niet noodzakelijk.
Hoe beoordeelt u deze gang van zaken rondom deze vergunningverlening en het handelen van de gemeente Putten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, handelde de gemeente Putten volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bent u van mening dat de gemeente Putten onjuist heeft gehandeld gezien de toekomstige ontwikkelingen? Zo ja, waarom? zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de komst van deze nieuwe nertsenhouderij tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Indien de ondernemer voldoet aan het gestelde in de Wet verbod pelsdierhouderij kan ik geen stappen ondernemen.
Het advies van CVZ over geestelijke gezondheidszorg (ggz) in het basispakket. |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over de maatschappelijke onrust over het advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) over ggz in het basispakket? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik wil er met enige nadruk op wijzen dat het om een concept-advies gaat en dat daarin reacties uit de consultatie nog verwerkt worden. Ik hecht overigens aan een zo breed mogelijk draagvlak voor maatregelen die het basispakket betreffen. Met het oog daarop en mede vanwege de discussie die dit concept-advies over de geneeskundige geestelijke gezondheidzorg, deel 2 teweeg heeft gebracht, heb ik in de uitzending van Buitenhof op 10 februari jl. het zorgveld opgeroepen om mee te denken over alternatieve pakketmaatregelen.
Wat vindt u van de uitspraken van de voorzitter van het CVZ dat het concept-advies niet gewijzigd gaat worden, omdat het CVZ «geen inhoudelijke bezwaren» heeft gehoord?1
De voorzitter van het CVZ heeft met deze uitspraak gereageerd op de oproep het concept-advies, dat ter consultatie aan alle betrokken organisaties is voorgelegd, in te trekken. Het intrekken van het concept-advies achtte hij niet opportuun. Daarbij gaf hij aan dat het CVZ openstaat voor een dialoog en goed naar de kritiek zal luisteren. Het concept-advies is tenslotte een consultatiedocument.
Om voldoende ruimte te bieden voor een zorgvuldige inspraakprocedure heeft de Adviescommissie Pakket (ACP) op 22 februari een (extra) consultatiebijeenkomst over dit concept-advies gehouden. Begin april zal de ACP naar verwachting haar advies aan het bestuur van het CVZ vaststellen. Deze procedure met een extra consultatiebijeenkomst zorgt ervoor dat de reacties van betrokkenen op het ter consultatie voorgelegde concept-advies nauwgezet worden gewogen.
Gelet hierop acht ik het niet opportuun te reageren op de reacties op het concept-advies.
Deelt u die mening van het CVZ? Beoordeelt u de vele reacties op het concept-advies niet inhoudelijk?2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 Kunt u aangeven wat u beschouwt als een inhoudelijke bijdrage en wat niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van een lid van de Advies Commissie Pakket (ACP) dat «er wel een lans voor te breken is dat een aantal zaken uit de ggz-zorg wordt gehaald. Als de ggz-professional niet duidelijk kan maken waar de afkappunten van een behandeling liggen, heeft-ie een groot probleem. Als de ggz-professional geen eigen verantwoordelijkheid neemt, neemt de overheid de regie over.»?15 Zo ja, hoe komt u bij deze redenering? Zo neen, wat is dan uw opvatting?
Ik acht het niet passend te reageren op een uitspraak van een afzonderlijk ACP-lid. De procedure is dat de ACP over een concept-rapport adviseert aan het bestuur van het CVZ, waarna het CVZ zijn rapport of advies vaststelt en aan mij zendt.
Overigens vind ik het van belang dat behandelingen – ook in de GGZ- zo veel mogelijk op basis van behandelrichtlijnen en -standaarden plaatsvinden. Afwijkingen van die richtlijnen en standaarden moeten behandelaren kunnen beargumenteren.
Welke wetenschappelijke onderbouwing hanteert het lid van de ACP hier? Vindt u het juist dat een lid van een adviescommissie zo (politiek) stelling neemt, terwijl er juist nog «een gesprek» moet plaatsvinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat het CVZ in uw opdracht handelt om «een ordening aan te brengen in wat onder geneeskundige ggz verstaan moet worden en ten laste van de daarvoor bestemde budgetten gebracht kan worden»? Wilt u uw verzoek aan de Kamer zenden?16
Ja. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 15 juni 2012 aan de Tweede Kamer waarin ik een reactie geef op enkele CVZ-adviezen (Kamerstukken II 2011/12, 29 689, nr. 394). In de paragraaf waarin ik mijn standpunt op het CVZ-rapport Geneeskundige GGZ, deel 1 heb gegeven, heb ik aangegeven dat ik het van belang vind dat het CVZ de afbakening van de verzekerde geneeskundige GGZ nader uitwerkt.
Waarom antwoordt u op eerdere vragen dat een huisarts slechts mag doorverwijzen naar de ggz als er sprake is van een stoornis? Kunt u aangeven per wanneer dat beslist is?17
In zijn rapport Geneeskundige GGZ, deel 1 heeft het CVZ duidelijk aangegeven dat voor vergoeding van geneeskundige GGZ het onderscheid tussen psychische klachten en een psychische stoornis essentieel is. Hiermee heeft het CVZ aangegeven dat er sprake moet zijn van een psychische stoornis wil er sprake zijn van geneeskundige GGZ die behoort tot het verzekerde Zvw-pakket. In de in het antwoord op vraag 6 genoemde brief van 15 juni 2012 heb ik dit standpunt onderschreven. De in deze vraag bedoelde antwoorden zijn daarmee in lijn.
De juisheid van de berichten dat Deutsche Bank een toezegging doet aan boeren die met hun hele financiering naar een andere bank gaan. |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht LTO: Deutsche Bank doet toezegging1 en het persbericht van LTO, «Deutsche Bank maakt ruimte voor overstap naar andere bank»?2
Ja.
Is het u bekend dat er over de toezegging van Deutsche Bank (DB) waar in deze berichten melding van wordt gemaakt, nog veel onduidelijkheid heerst?
Het is mij bekend dat er onduidelijkheid is ontstaan over hoe Deutsche Bank omgaat met klanten die een leningdeel moeten herfinancieren en al dan niet willen overstappen naar een andere bank. Ik vind het van belang dat deze onduidelijkheid wordt weggenomen en ik heb hierover contact opgenomen met Deutsche Bank en Deutsche Bank heeft mij het volgende aangegeven.
Deutsche Bank heeft in december 2012 door middel van een persbericht een aanscherping van haar strategische focus aangekondigd waarin zij te kennen heeft gegeven zich meer te willen richten op «bedrijven en organisaties die behoefte hebben aan handelsfinanciering, ondersteuning bij internationaal betalingsverkeer en hoogwaardige financiële vraagstukken». In dit persbericht is de precieze inhoud van de strategie nog niet bekend gemaakt. Deutsche Bank heeft aangegeven hierbij te streven haar klanten binnenkort, in april 2013, nader te informeren over haar aangescherpte strategie.
Ten aanzien van de reeds ontstane onduidelijkheid bij klanten ten aanzien van hun financiering heeft Deutsche Bank aangegeven altijd samen met de klant op zoek te gaan naar een passende oplossing, indien de klant als gevolg van de strategische focus wordt geraakt. Een passende oplossing zal afhangen van onder andere het totaalpakket aan diensten dat wordt afgenomen, de bedrijfseconomische positie van de onderneming en de aard van de gestelde zekerheden. Eventuele oplossingsrichtingen die voor dergelijke situaties gangbaar zijn betreffen onder andere het eenmalig verlengen van de financiering van één van de leningdelen, het aanpassen van de gevraagde zekerheden of een vorm van ondersteuning bij overstap naar een andere partij, waarbij ook kan worden gekeken naar de boeteclausule.
Kunt u bij DB navragen of de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken klopt, aangezien van medewerkers van de bank vernomen wordt dat DB toch te allen tijde boetes zal heffen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat u ervan vindt dat bedrijven die bij een andere bank een lening kunnen ontvangen met een gering rentevoordeel ten opzichte van hun leningenpakket bij DB, bij het overzetten van de leningen alsnog met een grote boete van enkele tienduizenden euro’s, ineens te betalen, geconfronteerd kunnen worden, terwijl de baten van dat rentevoordeel pas over de looptijd van de nieuwe lening genoten zullen worden? Deelt u de mening dat dergelijke bedrijven hierdoor alsnog vastzitten aan hun lening bij DB, terwijl ze nooit bewust hebben gekozen voor een lening bij DB?
Ik zal bij de beantwoording van deze vragen eerst ingaan op herfinanciering van leningdelen en de rol van boeteclausules hierbij. Vervolgens op de specifieke situatie bij Deutsche Bank.
Bij financieringscontracten gelden vaak boeteclausules bij vervroegde aflossing of overstap naar een andere financier. Dit komt omdat financiers zelf ook operationele en financieringskosten moeten maken, voordat zij een klant van langlopende financiering kunnen verschaffen. Indien klanten altijd zonder boetes zouden kunnen overstappen, zou dat strategisch gedrag bij hen kunnen uitlokken. Zij zouden bijvoorbeeld als de rente daalt telkens naar een andere financier kunnen overstappen. Dit veroorzaakt echter instabiliteit en zou de financiers met grote lasten opzadelen. Om deze reden zijn er boeteclausules in dergelijke financieringscontracten opgenomen.
Deutsche Bank heeft een strategische keuze gemaakt zich in de toekomst niet meer op een bepaalde groep klanten te richten. Bestaande klanten blijven hierbij echter gebonden aan het financieringsaanbod dat deze ondernemers destijds geaccepteerd hebben. Onderdeel van dit aanbod is dat tussentijdse opzegging van de financiering tot een boete zal leiden. Er kan zich hierbij een situatie voordoen waarbij Deutsche Bank de ondernemer niet meer wil herfinancieren en dat de betreffende ondernemer bij een andere financier een lagere rente kan bedingen dan de klant voorheen bij Deutsche Bank betaalde. Zoals eerder aangegeven zal Deutsche Bank in gesprek gaan met de desbetreffende klanten en gezamenlijk met de klant op zoek gaan naar een passende oplossing.
De strategiewijziging van Deutsche Bank is een zelfstandige bedrijfseconomische beslissing, het is niet aan mij om rechtstreeks in te grijpen in de strategische beslissing van een individuele bank. Wel vind ik het niet meer dan vanzelfsprekend dat Deutsche Bank samen met haar klanten op zoek gaat naar een passende oplossing. Ik verwacht van alle banken dat zij altijd het belang van de klant centraal stellen.
Kunt u bij DB navragen hoe omgegaan wordt met de boeteclausules, als er verschillende leningdelen zijn, waarbij voor het ene leningdeel een hogere rente betaald moet worden bij een andere bank, terwijl voor het andere leningdeel een lagere rente betaald moet worden bij een andere bank?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de toezegging van het boetevrij vertrekken ook geldt voor bedrijven die een renteswap hebben? Kunnen die bedrijven ook boetevrij weg bij DB?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er aan de onzekerheid over het leningenbeleid van DB snel een einde moet komen? Kunt u er bij DB op aandringen dat de bank het gewijzigde leningenbeleid van de bank, inclusief de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken, zwart op wit zet, zodat voor alle bedrijven met leningen bij DB duidelijk is waar zij aan toe zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat alle bedrijven alsnog boetevrij moeten kunnen vertrekken bij DB, omdat DB tussentijds de voorwaarden heeft gewijzigd?
Zie antwoord vraag 4.