Voortdurende onbereikbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden |
|
Otwin van Dijk (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «112 onvoldoende bereikbaar: levensgevaarlijke risico’s voor doven en zwaar slechthorenden» op de website van Signaal?1 Herinnert u zich uw eerdere antwoorden van 26 mei 2014 over open standaarden voor KPN Teletolk?2 Herinnert u zich uw brief van 26 juni 2015, met daarin informatie over de voorzieningen voor 112 voor doven en slechthorenden?3
Ja.
Hoe verhoudt uw constatering dat «in de bereikbaarheid van 112 via deze voorziening problemen kunnen ontstaan» zich tot de conclusie in het artikel van Signaal «in meer dan de helft van de testsituaties ontvingen zij geen antwoord in tekst terug van de 112-centralisten»?
De 112-voorziening voor doven en slechthorenden zou zonder problemen moeten werken. Om die reden heeft de politie samen met de leverancier van de Signcall app in de afgelopen tijd prioriteit gegeven aan het oplossen van problemen in de 112-dienstverlening.
In mijn brief van 26 juni 2015 schreef ik dat «in de bereikbaarheid van 112 via deze voorziening [voor doven en slechthorenden] problemen kunnen ontstaan». Met «problemen» doelde ik destijds op problemen die binnen de gehele keten kunnen ontstaan. Hierbij spelen verschillende factoren een rol, die – net als bij een gewone 112-oproep – van invloed zijn op het slagen van een noodoproep, zoals dekking, type toestel en omliggende bebouwing. Ik heb toen aangegeven dat de bereikbaarheid van 112 via de apps voor doven en slechthorenden uitgebreid getest zou worden met de medewerking van belangenvereniging Signaal. De conclusie in het artikel van Signaal is gebaseerd op het resultaat van deze gezamenlijke ketentesten, die in augustus hebben plaatsgevonden.
Kort voor deze testen heeft een software-upgrade van de app door de leverancier plaatsgevonden. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de problematiek die in het artikel aan de orde is gesteld ten aanzien van de beantwoording van meldingen, werd veroorzaakt door deze software-upgrade. De oplossing hiervoor was een nieuwe software-upgrade over de gehele keten. Om deze nieuwe software-upgrade met een positief resultaat te kunnen doorvoeren, heeft een uitgebreid proces van testen en accepteren door de leverancier en de politie plaatsgevonden. Op 23 oktober jongstleden is dit proces succesvol afgerond. Daarmee is de 112-dienstverlening voor doven en slechthorenden hersteld en werkt deze, behoudens de standaardfactoren die van invloed kunnen zijn op het slagen van een oproep, naar behoren. Omdat de voorziening relatief weinig wordt gebruikt, zullen op regelmatige basis tests worden uitgevoerd met vertegenwoordigers van de doelgroep.
Met het oog op het belang van een goede kwaliteit van de 112-voorziening heb ik besloten om een onafhankelijke partij (TNO) onderzoek te laten doen naar het stelsel en mogelijkheden om de bereikbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden verder te verbeteren. De uitkomsten van dit onderzoek zullen naar verwachting eind november bekend worden.
Deelt u de constatering dat het volstrekt ontoelaatbaar is dat in een groot aantal van de gesprekken van doven en slechthorenden met 112 de verbinding niet betrouwbaar is? Zo ja, waarom laat een oplossing dan al enige tijd op zich wachten?
Zie antwoord vraag 2.
Is inmiddels duidelijk waardoor de problemen veroorzaakt worden in het bereiken van 112 door doven en slechthorenden? Zo nee, wat is de voortgang van het technisch onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u de aanbevelingen van het Europese REACH112-project volledig overgenomen? Zo nee, waarom niet en verwacht u dit nog in 2015 te gaan doen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
De Europese pilot Reach 112 heeft tot inzichten en adviezen geleid voor de dienstverlening aan doven en slechthorenden. De adviezen zijn aangeboden aan de Europese Commissie en hebben geleid tot het instellen van de internationale Total Conversation standaard. De huidige voorzieningen voor doven en slechthorenden om 112 te bereiken is gebaseerd op deze standaard. In het hierboven genoemde onderzoek van TNO is mede onderzocht of er op basis van de bevindingen uit Reach 112 aanvullende verbeteringen voor de Nederlandse situatie mogelijk zijn.
Bent u bereid de technische onderzoeken naar de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden aan de Kamer te sturen?
Ik heb een selectie gemaakt van voor u relevante rapportages van de technische onderzoeken naar de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden. Deze heb ik toegevoegd als bijlagen4 bij deze brief. Het gaat om door de leverancier opgestelde technische rapportages, waarin de gevonden knelpunten en doorgevoerde oplossingen worden genoemd.
Kunt u toezeggen dat 112 binnen drie maanden betrouwbaar bereikbaar is voor doven en slechthorenden? Zo nee, op welke termijn kunt u wel toezeggen dat doven en slechthorenden betrouwbaar het noodnummer kunnen bellen? Welke adviezen heeft u voor doven en slechthorenden als ze in de tussentijd een hulpdienst moeten bereiken?
Zie antwoord vraag 2.
Het besluit van de Europese Commissie aangaande Starbucks |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van de Europese Commissie dat stelt dat de ruling die Nederland heeft afgesloten met Starbucks staatssteun is1, en de vele berichtgeving hierover?
Ja, ik ben bekend met het besluit van de Europese Commissie (hierna: de Commissie).
Wanneer wordt het volledige besluit van de Commissie openbaar gemaakt? Wanneer stuurt het kabinet haar volledige reactie en zienswijze over het besluit naar de Kamer?
Nederland heeft de vertrouwelijke versie van het besluit ontvangen op 22 oktober jl. In het besluit heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie), overeenkomstig de mededeling van de Commissie C(2003)4582 van 1 december 2003 over geheimhouding bij beschikkingen inzake staatssteun (hierna: de Mededeling) Nederland verzocht de Commissie in kennis te stellen van vertrouwelijke informatie in het besluit die niet gepubliceerd kan worden. Nederland is op dit moment in overleg met Starbucks de vertrouwelijke gegevens in het besluit aan het inventariseren en zal richting de Commissie reageren. Naar verwachting zal daarna een volgens de in de Mededeling van de Commissie te volgen procedure over de vertrouwelijke gegevens starten. Uit de Mededeling volgt tevens een nadere omschrijving van de aard van de vertrouwelijke gegevens die beschermd kunnen worden door middel van geheimhouding. Dit kunnen zowel zakengeheimen als alle andere vertrouwelijke inlichtingen betreffen. Onder zakengeheimen wordt de informatie verstaan die verband houdt met een bedrijfsuitoefening die daadwerkelijk of potentieel economische waarde heeft, en waarvan de openbaarmaking andere ondernemingen economisch voordeel kan opleveren. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in het algemeen slechts op een verzoek tot vertrouwelijke behandeling wordt ingegaan, indien dit strikt noodzakelijk is om een zakengeheim of andere vertrouwelijke informatie te beschermen. Afronding van de overlegprocedure met de Commissie kan enige tijd duren. Het openingsbesluit inzake Starbucks Manufacturing is bijvoorbeeld een half jaar na de bekendmaking daarvan gepubliceerd2.
Ik verwacht Uw Kamer binnen enkele weken nader te kunnen informeren over de reactie en zienswijze van het kabinet op het besluit.
In hoeverre klopt de berichtgeving dat het kabinet nauw samenwerkt met Starbucks tegen het besluit van de commissie?2
Nederland voert een eigen procedure en heeft daarin ook niet in alle gevallen dezelfde belangen als Starbucks. Om deze procedure te kunnen voeren heeft Nederland wel gegevens nodig van Starbucks. Bij het bepalen van de vertrouwelijke gegevens in de besluiten van de Commissie kan Nederland niet eenzijdig bepalen welke gegevens in het besluit zakengeheimen in de zin van de Mededeling van de Commissie betreffen. Die beoordeling ligt primair bij Starbucks. Daarnaast is medewerking nodig van Starbucks bij het aanleveren van door de Commissie gevraagde informatie die soms alleen bij de lidstaat of soms alleen bij de onderneming beschikbaar is. In de Starbucks zaak heeft de Commissie er uiteindelijk ook voor gekozen om overeenkomstig artikel 7 van de Procedureverordening4 direct bij Starbucks en andere ondernemingen marktinformatie op te vragen (de zgn. Market Information Tool – MIT). In technisch complexe zaken zoals Starbucks zijn contacten met de belastingplichtige noodzakelijk om de Commissie tijdige, voldoende en juiste informatie te verschaffen die de Commissie nodig acht voor de beoordeling van de zaak.
Deelt u, onafhankelijk van of het besluit van de Commissie standhoudt voor de rechter, de mening dat de Starbucks-casus laat zien dat hier sprake is van ongewenste grondslaguitholling waardoor Starbucks aanzienlijk minder belasting betaalt dan lokale horecabedrijven, waardoor oneerlijke concurrentie ontstaat? Deelt u dus ook de mening dat de belastingconstructie van Starbucks onwenselijk is, ongeacht of deze nu wel of niet legaal is? Onderschrijft u dat de doelstelling van het actieplan Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) is om dit soort constructies onmogelijk te maken, en steunt u deze doelstelling?
Het gebruik van hybride entiteiten kan er inderdaad toe leiden dat inkomen in geen enkel land wordt belast, althans dat belasting voor zeer lange tijd wordt uitgesteld. Dat internationaal opererende bedrijven door de mogelijkheid in te spelen op verschillen tussen nationale belastingsystemen, zoals hybride instrumenten, een ongewenst concurrentievoordeel op binnenlandse bedrijven kunnen hebben is een zorg van het kabinet. Daarom omarmt het kabinet de BEPS-voorstellen op dit punt. In mijn brief van 5 oktober 2015 ben ik uitgebreid ingegaan op de uitkomsten van het BEPS project en de appreciatie daarvan door het kabinet.
De zorg om hybride mismatches staat los van de vraag of de aan Nederland toerekenbare winst juist is vastgesteld en of in dit geval een selectief voordeel is toegekend aan Starbucks. Dat is echter de enige vraag die in het kader van de huidige Starbucks-procedure en bij de beoordeling van staatssteunaspecten van belang is en beantwoord kan worden.
Op het gebruik van immateriële activa ga ik hierna in onder vragen 5 en 6.
Stelt het kabinet in een eerste reactie: «De Belastingdienst int belastingen over winst die Starbucks Manufacturing in Nederland maakt met het branden van koffiebonen. Omdat de intellectuele eigendomsrechten van Starbucks niet in Nederland zitten, worden de royalty’s voor het gebruik daarvan ook niet in Nederland belast.»?3 Klopt het voorts dat het BEPS-project van de G20 en de OESO, waar Nederland steun en medewerking aan verleent, voorziet in actieplannen 8–10 in een volledig andere wijze van winsttoerekening aan immateriële activa? Had Nederland de ruling aan Starbucks ook verleend indien de nieuwe Transfer Pricing Guidelines met betrekking tot immateriële activa die voortvloeien uit het BEPS-project reeds van kracht waren geweest, in overweging nemende dat de nieuwe Transfer Pricing Guidelines voorschrijven dat wordt gekeken naar de gehele bedrijfsvoering wereldwijd en niet kan worden volstaan met een analyse van de functies in Nederland? Welk nut heeft de uitwisseling van gegevens als Nederland toch alleen maar kijkt naar de functies in Nederland en niet controleert of de in Nederland ontbrekende functies ook daadwerkelijk in de onbelaste brievenbusmaatschappij worden uitgevoerd?
De Transfer Pricing Guidelines schrijven voor dat het vaststellen van de commerciële en financiële relaties tussen gelieerde partijen en de daaraan verbonden voorwaarden en economisch relevante omstandigheden een analyse van de groep als geheel vereist. Zodoende wordt een beter beeld verkregen van de rol van de functies, de daarmee gepaard gaande risico’s en gebruikte activa van een bepaald groepsonderdeel binnen de activiteiten van de groep als geheel. De winst van dat specifieke groepsonderdeel wordt bepaald op basis van de door dat onderdeel uitgeoefende functies, de daarmee gepaard gaande risico’s en de gebruikte activa. De vraag of andere onderdelen binnen de groep teveel of te weinig van de overige winst toebedeeld krijgen, speelt bij deze winstbepaling echter geen rol. Ook de mogelijkheid dat de winst die niet aan Nederland toe te rekenen valt niet belast wordt, bijvoorbeeld als gevolg van dispariteiten tussen verschillende belastingstelsels, zoals hybride mismatches, is hierbij niet relevant.
Het BEPS action plan constateert dat toepassing van de Transfer Pricing Guidelines kon leiden tot toerekening van winst aan entiteiten waar geen waarde toevoegende activiteiten plaatsvonden. Met name de nadruk op de contractuele allocatie van functies, risico’s en activa maakte de Transfer Pricing Guidelines kwetsbaar voor manipulatie. Daarom zijn in het kader van het BEPS project de richtlijnen rond de toepassing van het arm’s length principe verduidelijkt en versterkt. Nederland hanteert al geruime tijd een economische benadering gebaseerd op een uitgebreide analyse van feitelijk uitgeoefende functies, gedragen risico’s en gebruikte activa. Het in het verrekenprijsbesluit geformuleerde beleid inzake stalling van immateriële activa is daarvan een goed voorbeeld. De Nederlandse belastingdienst bestrijdt al jaren het kunstmatig verplaatsen uit Nederland van winst die voortvloeit uit immateriële activa. De aanpassing in de Transfer Pricing Guidelines op dit punt kunnen dan ook worden gezien als een bevestiging van het Nederlandse beleid.
De Belastingdienst zou ook met toepassing van de uitkomsten van de BEPS actieplannen 8–10 eenzelfde ruling (APA) met Starbucks zijn overeengekomen.
Klopt het dat u in de kabinetsreactie op de BEPS-rapporten het volgende stelt: «Het BEPS-project heeft ook geleid tot een aanpassing van de OESO-verrekenprijsregels. Deze nieuwe regels zullen in de praktijk nauwelijks veranderingen teweeg brengen voor de wijze waarop de Belastingdienst de OESO-verrekenprijsregels toepast. Het Nederlandse beleid is immers nagenoeg in lijn met de nieuwe regels. Nederland heeft zijn beleid kennelijk overtuigend uitgelegd en uitgedragen. Ik ben blij dat andere landen deze regels ook zo gaan toepassen.»? Klopt het dat in het BEPS-rapport zelf echter wordt gesteld dat er heel veel is veranderd, en is zelfs de gehele tekst van de Transfer Pricing Guidelines vervangen? Klopt het dat hierover in het rapport wordt opgemerkt: «Tax administrations are given new tools to tackle the problem of information asymmetry to assist in determining the appropriate pricing agreements for intangibles ...»?Hoe beoordeelt u deze discrepantie in stellingen? In hoeverre neemt het kabinet BEPS serieus genoeg op het gebied van immateriële activa? Is deze uitspraak van de Commissie niet een teken aan de wand dat Nederland echt aan de slag moet met het bestrijden van belastingontwijking met behulp van immateriële activa?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat in de nieuwe OESO-verrekenprijsregels wordt gesteld dat winst moet worden toegerekend aan immateriële activa op basis van functies, activa en risico’s met betrekking tot «the development, enhancement, maintenance, protection and exploitation of intangibles»? Klopt het dat in het verrekenprijzenbesluit4 slechts wordt gesproken over functionaliteit om de risico’s te beheersen en dat de overige bewoordingen niet terugkomen in het verrekenprijzenbesluit? Bent u bereid het verrekenprijzenbesluit naar aanleiding van BEPS te herzien, en daarbij dezelfde uitgangspunten te gebruiken als in de nieuwe Transfer Pricing Guidelines? Bent u bereid in het verrekenprijzenbesluit expliciet te bevestigen dat voor de winsttoerekening aan immateriële activa de Transfer Pricing Guidelines leidend zijn, ook bij twijfel over eventuele strijdigheid van het besluit met de Guidelines?
In de BEPS voorstellen voor aanpassing van hoofdstuk VI van de OESO Transfer Pricing Guidelines staat dat alle onderdelen van een groep een passende beloning dienen te ontvangen voor de functies die zij uitoefenen, de risico’s die daarmee gepaard gaan en de activa die zij gebruiken in het kader van de ontwikkeling, de verbetering, het onderhoud, de bescherming en de exploitatie van immateriële activa. Ook het verrekenprijsbesluit geeft aan dat de uitgeoefende functies, de daarmee gepaard gaande risico’s en de gebruikte activa de beloning bepalen. Het verrekenprijsbesluit verwijst dus niet alleen naar functionaliteit om risico’s te beheersen.
In het huidige verrekenprijsbesluit staat al dat de OESO Transfer Pricing Guidelines een internationaal geaccepteerde invulling geven aan het arm’s lengthbeginsel en door Nederland worden gezien als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet VPB 1969 omschreven beginsel. Het verrekenprijsbesluit zal, nadat de komende tijd nog een aantal onderwerpen uit het BEPS project nader worden uitgewerkt, daar waar nodig worden herzien, zodat het ook na het BEPS project geheel in lijn zal zijn met de aangepaste Transfer Pricing Guidelines.
Klopt het dat niet-Europese bedrijven in Europa vaak onbelast blijven door handig gebruik van immateriële activa en het gebruik van hybride instrumenten? Kunnen dit zowel hybride financieringsinstrumenten zijn als hybride entiteiten? Concurreren hierdoor deze niet-Europese bedrijven, zoals Google en Apple, met 0% vennootschapsbelasting tegen Europese bedrijven die wel gewoon vennootschapsbelasting betalen, in Nederland met een tarief van 25%? In hoeverre acht u dit eerlijke concurrentie? Klopt het dat in het BEPS-project wordt gesteld dat indien winst niet wordt belast door het gebruik van belastingparadijzen of hybride instrumenten, de bronstaat een heffing kan opleggen om zo dubbele niet-heffing of eenzijdige aftrek te voorkomen, dit is in lijn met de motie-Groot die een Europese bronbelasting op geldstromen naar belastingparadijzen voorstelde?5 In hoeverre zijn de conclusies van BEPS aanleiding voor u om deze motie alsnog te omarmen?
Deelt u de mening dat het hoofddoel van belastingverdragen het voorkomen van dubbele belasting is, en niet het creëren van dubbele niet-belasting? Zou Nederland niet, in lijn met BEPS, agressiever structuren moeten aanpakken die ervoor zorgen dat winst wereldwijd onbelast blijft?
Belastingverdragen zijn oorspronkelijk ontworpen om dubbele belasting te vermijden. In het kader daarvan verdelen verdragen heffingsrechten tussen de verdragsluitende staten. Eén van de uitkomsten van het BEPS project is dat in de considerans van toekomstige verdragen opgenomen zal worden dat het niet de bedoeling is dat deze worden gebruikt om tot dubbele niet-belasting te komen. Daar past de nuancering bij dat er gevallen zijn waarin het geen bezwaar is dat een betaling nergens wordt belast, met name om economische dubbele belasting te voorkomen. Zo is het een vast onderdeel van het Nederlandse verdragsbeleid om er naar te streven de betaling van dividenden binnen één concern nergens te belasten. Niet in de bronstaat en, door het gebruik van de deelnemingsvrijstelling, ook niet in Nederland. De bedoeling van de deelnemingsvrijstelling om de winst van een concern niet te treffen met dubbele economische belasting zou anders ondergraven worden.
Ook zie ik geen principieel kwaad in gevallen waarin een vrijstelling in het verdrag ertoe leidt dat de aftrek in het ene land plaatsvindt tegen een hoger tarief dan het tarief waartegen het in het andere land belast wordt. Zonder een dergelijk uitgangspunt zou de soevereiniteit van een land om zijn eigen fiscale stimuleringsmaatregelen in het leven te roepen aangetast worden.
Het bovenstaande laat zien dat het gebruik van de begrippen dubbele belasting en dubbele niet-belasting niet altijd leidt tot een zinvol onderscheid tussen aanvaardbare en ongewenste situaties. Waar het om gaat is dat die gevallen bestreden moeten worden, waarin op kunstmatige wijze belasting wordt vermeden in strijd met de bedoeling van de relevante regels. Zoals eerder gezegd, speelt daarbij meer dan verdragsmisbruik.
Het artikel ‘Amsterdamse Kinderombudsman signaleert problemen bij uithuisplaatsingen’ |
|
Ybeltje Berckmoes-Duindam (VVD) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Amsterdamse Kinderombudsman signaleert problemen bij uithuisplaatsingen»?1
Ja.
Hoeveel kinderen zijn in 2014 en in de eerste helft van 2015 van hun ouders gescheiden door een tekort aan opvangplaatsen voor gezinnen, terwijl hun ouders goed in staat zijn voor hen te zorgen? In hoeveel gevallen betrof het jonge kinderen van onder de 13 jaar? Kunt u een onderscheid maken per regio en de verschillen verklaren?
Het is niet bekend hoeveel kinderen worden gescheiden van hun ouders door een tekort aan opvangplaatsen voor gezinnen, omdat dit gegeven niet centraal wordt geregistreerd.
Deelt u de mening dat het welzijn van kinderen niet gebaat is bij het scheiden van kinderen van hun ouders vanwege dakloosheid? Zo ja, wat gaat u ondernemen om het scheiden van deze gezinnen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het welzijn van kinderen niet gebaat is bij het scheiden van kinderen van hun ouders vanwege dakloosheid. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van opvang aan gezinnen die dit nodig hebben. Wanneer er onvoldoende opvangcapaciteit is om een gezin op te vangen, zijn zij verantwoordelijk voor het bieden van een passend alternatief. Het gescheiden opvangen van kinderen en hun ouders valt hier wat mij betreft niet onder.
Wat doen opvanggemeenten eraan om te voorkomen dat deze gezinnen in de maatschappelijke opvang terechtkomen? Is dit naar uw mening voldoende?
Uit de Monitor Stedelijk Kompas 2014 van het Trimbos-instituut blijkt dat vrijwel alle centrumgemeenten gezinnen met kinderen beschouwen als een bijzondere aandachtsgroep. In vrijwel alle centrumgemeenten is sprake van samenwerking met woningcorporaties voor het voorkomen van huisuitzettingen en is er sprake van afstemming tussen ketenpartners. Driekwart van de centrumgemeenten hanteert een tweedekansbeleid voor gezinnen. Tegelijkertijd signaleert het Trimbos-instituut dat de druk op de capaciteit van opvang voor gezinnen is toegenomen. Of de inzet op het voorkomen van gezinnen in de opvang voldoende is, hangt af sterk af van de lokale situatie en de mate waarin de gemeente de regie voert. Gemeenten hebben in het sociale domein steeds meer mogelijkheden om passende arrangementen te ontwikkelen en om dakloosheid te voorkomen.
Hoelang verblijft een gezin gemiddeld in de opvang en wat onderneemt u om de uitstroom van gezinnen uit de maatschappelijke opvang naar eenvoudige betaalbare huisvesting te optimaliseren?
Ik heb het Trimbos-instituut gevraagd om in 2015 onderzoek te doen naar de vraag hoe wordt omgegaan met kinderen en gezinnen in de maatschappelijke opvang en hoe lang zij daar verblijven. In de eerstvolgende voortgangsrapportage maatschappelijke opvang die ik zal doen toekomen, ga ik hier nader op in.
Het is belangrijk dat een goede doorstroom mogelijk is vanuit opvang naar een zelfstandige woning. Om dit goed te laten verlopen, moeten op lokaal of regionaal niveau gemeenten, woningcorporaties, aanbieders en huurders afspraken maken. Zij moeten een inschatting maken van de benodigde woningen en afspraken maken over beschikbaarheid van (betaalbare) woningen en eventueel benodigde begeleiding van deze groepen. Met de transitieagenda langer zelfstandig wonen stimuleren Minister Blok en ikzelf deze regionale samenwerking. In mijn brief aan de wethouders van de centrumgemeenten maatschappelijke opvang van eerder dit jaar heb ik extra aandacht gevraagd voor het maken van afspraken met woningcorporaties over beschikbare woningen ten behoeve van doorstroom uit de maatschappelijke opvang. Verder is dit onderwerp bij de halfjaarlijkse bestuurlijk overleggen, met onder andere Aedes, de VNG en GGZ Nederland, uitgebreid aan de orde gekomen en zal dat bij de volgende overleggen ook het geval zijn.
In de herziene Woningwet die per 1 juli jl. in werking is getreden, nemen prestatieafspraken tussen gemeenten, corporaties en huurders en centrale plek in. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 22 juni jongstleden heeft Minister Blok prioriteiten benoemd die de komende periode met voorrang aan de orde zouden kunnen komen in woonvisies van gemeenten en in de prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties. Tot deze prioriteiten behoren onder meer betaalbaarheid en beschikbaarheid voor de doelgroep, en het huisvesten van urgente- en zorgbehoevende- doelgroepen, waaronder gezinnen uit de opvang.
Het afbouwen van de subsidie voor de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de redenen dat u de subsidie voor de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC) afbouwt?
Gelet op de prioriteiten die ik in de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie moet stellen, heb ik beslote niet langer de ruimte om de financiële bijdrage aan de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC) te continueren. Het is ook logisch en verantwoord dat de SGC als private organisatie door het bedrijfsleven, met een bijdrage van klagers, wordt gefinancierd. Het voornemen is om de subsidie gedurende een aantal jaren langzaamaan af te bouwen, waardoor de SGC en de brancheorganisaties gezamenlijk ertoe in staat worden gesteld om de gevolgen geleidelijk op te vangen. Ook kan ik de effecte op deze manier monitoren.
Klopt het, dat er de laatste jaren reeds bezuinigd is op de subsidie voor SGC? Zo ja, kunt u daar een overzicht van geven en de redenen van de afbouw van die subsidie vermelden?
De SGC ontvangt een lumpsumsubsidie voor de kosten van de koepelorganisatie plus een subsidie voor wisselende projecten. De lumpsumsubsidie bedroeg tot 2012 € 1.266.010 en is in 2012 met € 20.000 verlaagd naar € 1.246.010. De jaarlijkse projectsubsidie is vanaf 2012 verlaagd van € 100.000 naar € 50.000. Daarnaast geldt voor de gehele rijksoverheid een algemene efficiencytaakstelling, waarvan de SGC niet is uitgezonderd.
Klopt het dat de brancheorganisaties de extra kosten die door de afbouw van de subsidie op hun bordje komen, niet kunnen en willen betalen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit voor de toekomst van de verschillende geschillencommissies en voor de rechtzoekenden?
Het is mij niet bekend welke conclusies de meer dan 50 bij de SGC betrokken brancheorganisaties verbinden aan geleidelijke afbouw van de subsidie. Ik ben ervan op de hoogte dat twee brancheorganisaties pro forma hun geschillencommissie hebben opgezegd en dat één branche in de media heeft aangegeven zijn geschillencommissie niet langer in stand te kunnen houden. Ik ga er echter vanuit dat brancheorganisaties het belang van het in stand houden van de SGC in zullen blijven zien en dat bedrijven de hogere kosten zullen willen opbrengen. Het geleidelijk afbouwen van de subsidie stelt de brancheorganisaties in staat de gevolgen daarvan op te vangen. Een goede geschillenregeling en een erkenning door de Minister van Veiligheid en Justitie dragen bij aan een verbeterde concurrentiepositie in vergelijking tot bedrijven die dit niet hebben.
In hoeverre voldoet Nederland straks nog aan de Europese Richtlijn betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen (Richtlijn 2009/22/EG) en dus aan de implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten (Kamerstuk 33 982) als de SGC de werkzaamheden onvoldoende kan voortzetten? Gaat u dan, conform de verplichting uit genoemde richtlijn en wet, zelf zorgen voor een alternatief?
Ik ben mij bewust van de rechten en plichten die voortvloeien uit de genoemde Richtlijn en implementatiewetgeving. De SGC heeft in dat kader verzocht om te worden aangewezen als instantie tot buitengerechtelijke geschilbeslechting in de zin van de implementatiewet en de Richtlijn ADR consumenten. Dit verzoek is in behandeling.
Gezien het belang dat de SGC ook voor het bedrijfsleven heeft, heb ik er vertrouwen in dat de SGC in staat zal zijn, zijn werkzaamheden voldoende uit te blijven voeren. Het voornemen is om de subsidie gedurende een aantal jaren langzaamaan af te bouwen, waardoor de SGC en de brancheorganisaties gezamenlijk ertoe in staat worden gesteld om de gevolgen geleidelijk op te vangen.
Klopt het dat de SGC zal stoppen met de ondersteuning van negen geschillencommissies, die gebaseerd zijn op verschillende wetten en Europese regels? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke geschillencommissies, hoe gaat u dit oplossen en wat zijn de consequenties voor de rechtzoekenden?
Dit klopt niet. Deze geschillencommissies worden volledig gefinancierd door de desbetreffende sectoren of door het departement dat de verplichting heeft ingesteld.
Hoe staat het afbouwen van de subsidie voor de SGC in verhouding tot uw wens dat deze geschillencommissies als buitengerechtelijk alternatief moeten dienen, met name waar het gaat over uw voornemen te bezuinigen op de gesubsidieerde rechtsbijstand?
Het belang van de SGC in het stelsel van buitengerechtelijke geschiloplossing behoeft niet noodzakelijkerwijs te vertalen in een subsidie. Voor private geschilbeslechtingsorganisaties ligt private financiering in beginsel in de rede.
Kijkt de commissie-Wolfsen in het onderzoek naar de effecten van de bezuinigingen op de gefinancierde rechtsbijstand ook naar de alternatieven die beschikbaar zijn voor rechtzoekenden? Is het niet op zijn minst voorbarig te noemen de subsidie af te bouwen zolang de conclusies van de commissie-Wolfsen niet bekend zijn?
Op conclusies van de Commissie-Wolfsen kan en wil ik niet vooruitlopen. Als de rapportage gereed is zal ik een standpunt bepalen ten aanzien daarvan.
Deelt u de mening dat door het wegvallen van de geschillencommissies de gerechtelijke procedures kunnen gaan toenemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is bekend hoeveel extra lasten dit meebrengt voor de begroting van het Ministerie van Veiligheid & Justitie dan wel de begroting van de Raad voor de Rechtspraak?
Van het wegvallen van geschillencommissies is vooralsnog geen sprake. Over de gevolgen van het eventueel wegvallen wil ik dan ook niet speculeren. Indien een verschuiving zou optreden van de ca. 5.000 zaken die door de SGC worden afgedaan naar de Rechtspraak (waar nu al jaarlijks 1,3 miljoen civiele zaken worden afgedaan), dan hangt het van de aard van de zaken af hoe hoog de kosten daarvan zullen zijn.
Bent u bereid uw voornemen de subsidie voor de SGC af te bouwen, te herzien gezien de negatieve consequenties voor de toegang tot het recht én de begrotingen van de Raad voor de Rechtspraak en van het Ministerie van Veiligheid & Justitie? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik aan de SGC heb meegedeeld zal ik het voornemen de subsidie af te bouwen omzetten in een definitief besluit na een zorgvuldig proces, waarin de zienswijze van de SGC zal worden betrokken.
Bent u bereid deze vragen in ieder geval een week voorafgaand aan de plenaire behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid & Justitie over 2016 te beantwoorden?
Ja, bij deze.
De vernietiging van kerken op Atjeh door de Indonesische politie onder druk van moslims |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichtgeving over de vernietiging van meerdere kerken op Atjeh door de Indonesische politie onder druk van moslims?1 Hoe duidt u deze berichtgeving?
Ja.
Recent is door verschillende islamitische groeperingen geprotesteerd tegen een aantal kerken in Singkil (Atjeh), die zonder vergunning zou zijn gebouwd.
Op 12 oktober vond een bijeenkomst plaats tussen lokale autoriteiten en religieuze leiders. Er zouden geen christelijke leiders bij deze bijeenkomst aanwezig zijn geweest. Besloten werd dat tien christelijke kerken die zonder vergunning zouden zijn gebouwd moesten worden afgebroken.
Bij protesten die hierop volgden zijn twee protestantse en één katholieke kerk afgebrand en is één moslim door een geweerschot om het leven gekomen, vier anderen raakten gewond. Om de orde te herstellen zijn naar verluidt meer dan 1.000 politiefunctionarissen naar het gebied gezonden.
Op zondag 18 oktober heeft opnieuw overleg plaatsgevonden tussen verschillende religieuze leiders en de lokale politie. Daar waren wel christelijke leiders bij betrokken. Na dit overleg is overeengekomen dat dertien andere kerken zes maanden de tijd krijgen om aan de eisen voor een vergunning te voldoen. Onder auspiciën van de politie zijn op 19 oktober drie kerken vernietigd. De christelijke inwoners weigerden zelf hun kerken af te breken. Inmiddels zijn tien kerken afgebroken.
Is er inderdaad sprake van een toenemende islamitische druk ten aanzien van christelijke groeperingen en kerken, die zich uit in geweld en agressie? Welke trends neemt u waar en hoe kunt u deze verklaren? Welke ontwikkeling is hier in het bijzonder zichtbaar als het gaat om geloofsvrijheid?
In Atjeh is waarneembaar dat recent de druk van verschillende islamitische organisaties ten aanzien van de bouw van kerken is toegenomen. In andere delen van Indonesië lijkt het aantal incidenten tegen religieuze minderheden de afgelopen jaren stabiel gebleven.
Is de verwachting gegrond dat er nog veel meer kerken vernietigd zullen worden in deze regio? Zijn inderdaad duizenden christenen deze regio inmiddels ontvlucht?
Lokale autoriteiten zullen in overleg met religieuze leiders vaststellen of er meer kerkgebouwen vernietigd zullen worden.
Het is inderdaad zo dat naar schatting 2.500–8.000 christenen Singkil zijn ontvlucht richting Noord-Sumatra. Lokale autoriteiten in Pakpak Bharat en Central Tapanuli geven aan dat het merendeel van de evacuees zal terugkeren naar Singkil.
Op welke wijze reageren de Indonesische autoriteiten op dit islamitische geweld en deze intimidatie? Is dit overheidsoptreden adequaat in uw ogen? Wordt dit ook concreet zichtbaar in de arrestatie en berechting van daders?
President Joko Widodo heeft het geweld veroordeeld en opgeroepen tot kalmte en interreligieuze verdraagzaamheid. Minister van Binnenlandse Zaken Tjaho Kumolo heeft de autoriteiten in Atjeh opgeroepen tot religieuze tolerantie.
In Atjeh is een onderzoek ingesteld. Er zijn verdachten geïdentificeerd op verdenking van brandstichting. Twintig verdachten zijn opgepakt. Daarnaast is één christen gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de dood van de moslim.
Minister voor Religie Lukman Haikm Saifuddin bezocht Atjeh op maandag 28 oktober. Hij sprak met lokale overheidsvertegenwoordigers en de lokale gemeenschap en riep op tot dialoog en het respecteren van elkaars geloof.
Bent u bereid, zo mogelijk in internationaal verband, om deze agressie te veroordelen en de Indonesische autoriteiten krachtig op te roepen om de religieuze minderheden in dit land te beschermen en hun veiligheid te garanderen?
Dit onderwerp zal in mijn eerstvolgend onderhoud met de Indonesische Minister van Buitenlandse Zaken aan de orde worden gesteld. Ook zal Ambassade Jakarta hierover spreken met vertegenwoordigers van het Ministerie van Religie.
Het artikel ‘Air France-KLM-Topman komt Franse staat tegemoet’ |
|
Mei Li Vos (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Wilma Mansveld (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Air France-KLM-Topman komt Franse staat tegemoet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichten dat de leiding van Air France afziet van de eerder voorgenomen reorganisatieplannen?
Deze berichten zijn niet juist, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de effecten van het terugdraaien van de reorganisatieplannen op de bedrijfsresultaten van Air France-KLM? Dreigen hierdoor ook in de komende jaren de aanhoudende verliezen bij Air France op KLM te worden afgewenteld?
De CEO van Air France KLM, de heer De Juniac, heeft aangegeven dat er in 2016 mogelijk alleen banen op vrijwillige basis zullen verdwijnen en mogelijk ontslagen daarna kunnen worden voorkomen wanneer de vakbonden alsnog akkoord gaan met alternatieve maatregelen om kosten te reduceren.
Er is dus geen sprake van het terugdraaien van plannen, maar is het streven om met een alternatieve invulling de doelstellingen te bereiken.
Vindt u het acceptabel dat het personeel van KLM wel verantwoordelijkheid neemt voor de noodzakelijke reorganisatie terwijl Air France personeel daar niet toe bereid is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De noodzaak om kosten te reduceren en de productiviteit te verhogen geldt voor de gehele groep Air France KLM. Zoals het antwoord op vraag 3 aangeeft heeft naast KLM ook Air France concrete doelstellingen voor kostenreductie en productiviteitsverhoging. Het management blijft in gesprek met vertegenwoordigers van het personeel om de hervormingen in te voeren.
Bent u van mening dat de inmenging van de Franse staat een rol speelt bij de besluitvorming in de top van Air France-KLM?
Air France-KLM is een privaat bedrijf, dat zijn eigen beslissingen neemt omtrent zijn bedrijfsactiviteiten in de board van Air France-KLM. Binnen deze board zijn verschillende stakeholders vertegenwoordigd, zoals Air France, KLM, de Franse staat en ook de Nederlandse staat, in de persoon van de heer De Hoop Scheffer als commissaris. Uiteraard staat het aandeelhouders vrij om hun mening te geven over het beleid van een onderneming.
Heeft u naar aanleiding van het uitstel van de reorganisatie bij Air France contact gezocht met uw Franse ambtsgenoten? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Wij onderhouden contact met onze Franse ambtsgenoten over de ontwikkelingen bij Air France KLM. Beide regeringen vinden het van groot belang dat Air France KLM blijft werken aan een voortvarende invulling van het strategisch plan Perform 2020, waarbij verlaging van het kostenniveau een belangrijk aspect is.
Zou de Nederlandse staat ook een aandeel gelijk aan tenminste het Franse aandeel moeten krijgen in Air France-KLM om de positie van de Nederlandse belangen binnen de holding te versterken? Deelt u de mening dat het de hoogste tijd wordt hier nader onderzoek naar te doen? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover nader berichten?
De oorzaak van de situatie waarin Air France KLM zich bevindt is gelegen in de marktomstandigheden. Het kopen van aandelen in Air France-KLM is opportuun als het een bijdrage zou kunnen leveren aan het oplossen van de uitdagingen waarmee KLM zich geconfronteerd ziet en het noodzakelijk is voor het borgen van de Nederlandse publieke belangen. Hoewel we het voor de toekomst niet uitsluiten, is dat op dit moment niet aan de orde. Het bedrijf zal zelf maatregelen moeten nemen om zich aan te passen aan de gewijzigde marktomstandigheden. Door het kopen van aandelen worden de marktomstandigheden niet verbeterd.
Nederland heeft bovendien al ruime invloed op de publieke belangen die gemoeid zijn met KLM, te weten markttoegang en netwerkkwaliteit2. Als aandeelhouder van KLM, als vergunningverlener van onder andere de landingsrechten en de exploitatievergunning aan KLM, via het benoemingsrecht van een commissaris in Air France-KLM en via overleg met de directies van Air France-KLM en KLM en met de Franse staat. Verder zijn, zoals bekend, bij de fusie de zogenaamde staatsgaranties overeengekomen waarvan de kern is verlengd in 2010.
Welke gevolgen heeft het afzien van de plannen voor de reorganisatie binnen Air France voor de toekomst van de holding Air France-KLM?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3.
Acht u, gelet op deze recente ontwikkelingen, de toekomst van KLM binnen deze holding nog levensvatbaar? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, vindt u dat de staat meer betrokken moet zijn bij het behouden van KLM, mede in het licht van de mainport- en hubfunctie van Schiphol?
De fusie tussen Air France en KLM in 2004 heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de huidige sterke positie van de mainport Schiphol en het uitgebreide netwerk van KLM. Belangrijk voor succesvolle voortzetting van de samenwerking tussen Air France en KLM binnen de onderneming Air France KLM is de verdere ontwikkeling van een toekomstbestendige strategie en voortvarende implementatie daarvan. Het kabinet houdt contact met de Franse regering en de top van Air France KLM en KLM over de verdere ontwikkeling van de onderneming.
Wat betreft de mainport- en hubfunctie van Schiphol, is het tevens van belang om optimale randvoorwaarden te scheppen. In dat kader kan worden gewezen op de komende actieagenda Schiphol 2016–2025 die begin 2016 aan de Kamer wordt gestuurd. De actieagenda adresseert vraagstukken die voor de korte en middellange termijn voor de mainport Schiphol en de Nederlandse luchtvaartsector aan de orde komen tegen de achtergrond van de grote uitdagingen waarvoor deze partijen staan door onder meer marktontwikkelingen en opkomende hubluchthavens elders in de wereld.
De berichten “Werkgroep: “Haven Lauwersoog is gedoemd te verdwijnen” en “Haven Lauwerseach ferdwynt as polityk neat docht” |
|
Aukje de Vries (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Werkgroep: «Haven Lauwersoog is gedoemd te verdwijnen»»1 en «Haven Lauwerseach ferdwynt as polityk neat docht»2? Wat vindt u van deze berichten?
De berichten zijn mij bekend. De conclusie dat de haven gedoemd is om te verdwijnen deel ik niet. Ik volg de ontwikkelingen en momenteel vindt onderzoek plaats naar de mogelijkheden om de bereikbaarheid van Lauwersoog te bevorderen.
Wat is de exacte situatie met betrekking tot de vaargeul naar Lauwersoog (het Westgat)? Welke problemen zijn daar op dit moment? Welke afspraken liggen er met betrekking tot het op peil houden van de vaargeul naar Lauwersoog?
De buitendelta tussen Ameland en Schiermonnikoog is een erg dynamisch gebied. Het Westgat, de toegangsgeul vanaf de Noordzee naar de vaargeul naar Lauwersoog verplaatst zich door de jaren heen regelmatig en fluctueert in diepte. De morfologische ontwikkelingen rondom het Westgat worden om die reden nauwkeurig gevolgd en de vaarwegmarkering wordt hier met enige regelmaat op aangepast om op die manier de meest optimale route aan te geven. De vorming van ondiepere delen (drempels) in dit gebied is dus niet nieuw. Doorgaans zorgt de natuurlijke dynamiek voor voldoende diepgang in één van de geulen in de buitendelta. Nu is er echter sinds 2013 sprake van een verondieping en laat de vorming van een nieuwe diepe geul langer op zich wachten. De laatste lodingen van Rijkswaterstaat (september 2015) wijzen uit dat er sprake is van een «drempel» met een minimale diepte van 4,6 meter onder NAP. Om Lauwersoog te bereiken zijn de grotere viskotters op dit moment meer afhankelijk van het getij dan voorheen. Daarom is over dit onderwerp contact tussen regio en Rijkswaterstaat over dit specifieke onderwerp.
Rijkswaterstaat hanteert voor de vaargeul van Lauwersoog tot aan de buitendelta een streefdiepte van -5m NAP en voert hiervoor onderhoudsbagger-werkzaamheden uit. Het Westgat ligt in de buitendelta. Vanwege de grote dynamiek in dit gebied baggert Rijkswaterstaat hier niet. Deze afspraken zijn vastgelegd in de door alle bij het Waddengebied betrokken overheden opgestelde beheerplannen.
Welke gevolgen heeft de verzanding van het Westgat voor Lauwersoog, met name voor de economie en economische sectoren zoals visserij en toerisme? Klopt het dat de omzet van de haven van Lauwersoog, de visafslag en andere gelieerde bedrijven is gedaald als gevolg van de slechte bereikbaarheid?
Door de Provincie Groningen, gemeente De Marne en de Exploitatiemaatschappij Haven Lauwersoog (EHL) wordt gewerkt aan een MKBA waaruit moet blijken wat de economische effecten zijn voor de haven van Lauwersoog en in hoeverre deze effecten daadwerkelijk zijn toe te schrijven aan de verondieping van het Westgat.
Wat zijn mogelijke oplossingen voor de problemen met betrekking tot de vaargeul en welke overheden of andere partijen zijn hierbij betrokken? Waar liggen de verschillende verantwoordelijkheden met betrekking tot het onderhoud en op diepte houden van de vaargeul? Wanneer kan daarover meer duidelijkheid zijn?
Het antwoord op de vraag of er duurzaam en economisch verantwoord in de natuurlijke dynamiek ingegrepen kan worden, hangt af van de te verwachten morfologische ontwikkelingen in combinatie met de economische rentabiliteit van de vaargeulverdieping. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het onderhoud aan de vaargeul van Lauwersoog tot aan de buitendelta. Met de regio is afgesproken dat Rijkswaterstaat een onderzoek zal laten uitvoeren naar de morfologische ontwikkelingen in het Westgat en naar de vraag of het mogelijk/zinvol is in een dergelijk dynamisch gebied in te grijpen. Op basis van de uitkomsten van het RWS onderzoek en de eerder genoemde MKBA, kan een eventuele ingreep in het Westgat worden overwogen. De uitkomsten van voorgenoemde rapporten worden eind november verwacht. Overigens zal een eventuele ingreep moeten voldoen aan de gestelde afwegingskaders in de Planologische Kernbeslissing Waddenzee en de Natuurbeschermingswet.
Klopt het dat er een onderzoek plaatsvindt door de gemeente De Marne, de Exploitatiemaatschappij Haven Lauwersoog (EHL), de provincie Groningen en Rijkswaterstaat? Waar richt dat onderzoek zich op? Wanneer is dat onderzoek klaar? En hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 wordt er door provincie, gemeente en EHL een MKBA uitgevoerd en RWS voert een morfologische studie uit. Beide onderzoeken zullen naar verwachting eind november worden opgeleverd. Ik zal u daarna over de uitkomsten informeren.
Chique buurten die worden ontzien bij de opvang van asielzoekers |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chique buurt ontzien»?1
Ja
Begrijpt u dat juist asielopvang in volksbuurten – die statistisch al vaker kampen met armoede en criminaliteit – tot verzet en problemen zal leiden, zoals onlangs in het Rotterdamse Beverwaard?
Het COA heeft mij laten weten dat zij in de praktijk niet merkt dat het draagvlak voor de opvang van asielzoekers afhankelijk is van het welvaartsniveau van een buurt.
Bent u bereid, zolang u niet inzet op ENKEL opvang in de regio, gemeenten te adviseren opvang te realiseren in DIE buurten waar electorale steun bestaat voor het opvangbeleid? Zo nee, hoe gaat u volksbuurten ontzien?
Nee. Het COA maakt geen onderscheid als het gaat om het werven van opvanglocaties en adviseert gemeenten ook niet met betrekking tot buurten waar een opvanglocatie gerealiseerd wordt.
Bent u inmiddels bereid een maximumaantal asielzoekers te formuleren dat ons land aan kan, zeker in sociaal-cultureel opzicht?
Ook nadat een kraan is dichtgedraaid, moet er nog gedweild worden. Daarnaast heeft het dichtdraaien van een kraan alleen zin als de druk in de leiding erachter daardoor niet zo hoog wordt dat de leiding barst. Het kabinet wil daarom zowel vluchtelingen sober en fatsoenlijk bescherming bieden als in EU-verband maatregelen treffen om de instroom te beperken en de noodzaak tot vluchten weg te nemen. In deze inzet werken wij niet met vooraf gekozen aantallen.
Begrijpt u dat dweilen met de kraan open, in de asielkwestie, niet wordt opgelost door steeds een extra dweil te pakken, in de vorm van meer opvang, maar enkel door de kraan dicht te draaien?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in EU-verband het initiatief te nemen de Schengenakkoorden open te breken ten einde weer structurele grenscontroles mogelijk te maken?
Deze vraag is aan mij ook op 15 september jl. gesteld en heb ik met een brief aan uw Kamer op 9 oktober reeds beantwoord.
De problemen bij de overname van de afdeling Gifted Education van het Aloysius College door het Zandvliet College en het Rijswijks Lyceum |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het feit dat het Zandvliet College en het Rijswijks Lyceum hebben aangeboden om hoogbegaafdenonderwijs te bieden aan de hoogbegaafde leerlingen van het Aloysius College, maar daar onvoldoende onderwijsplaatsen voor hebben?1 2 3
Laat ik beginnen met de constatering dat de Haagse schoolbesturen in de afgelopen maanden ongeveer 1.200 potentiële plekken hebben aangeboden voor de grofweg 400 leerlingen van het Aloysius College die per 23 november over zouden komen. Door middel van een website en diverse voorlichtingsbijeenkomsten hebben ouders en leerlingen een beeld kunnen krijgen van de diverse scholen. Vervolgens hebben zij kunnen aangeven wat hun eerste, tweede of derde keus was. Uiteindelijk is gebleken dat ongeveer 90 procent van alle leerlingen terecht is gekomen op hun school van eerste keus. Ik beschouw dit als een positief resultaat.
Ook de leerlingen van de afdeling Gifted Education hebben aan deze procedure mee kunnen doen. Specifiek was voor hen aangegeven welke scholen een apart aanbod hadden voor deze getalenteerde groep leerlingen. Wel was daarbij duidelijk dat de wijze waarop het onderwijs voor de leerlingen van de afdeling Gifted Education zou worden georganiseerd, erg af zou hangen van het aantal aanmeldingen. Op de website hebben de schoolbesturen duidelijk aangegeven bij welk aantal aanmeldingen er een extra klas zou worden geformeerd. Als bijvoorbeeld twee leerlingen zich aanmelden op een school, kan uiteraard geen aparte klas worden geformeerd. Als dit er tien of twaalf zijn wel. In praktijk is echter gebleken dat van de 67 leerlingen er twaalf zich reeds elders hadden aangemeld, buiten de Haagse procedure om. De resterende 55 leerlingen van de afdeling Gifted Education hebben zich daarnaast bij twaalf verschillende scholen aangemeld. De wens van sommige ouders om als groep zoveel mogelijk bij elkaar te blijven is dus, als gevolg van de keuzevrijheid van ouders en leerlingen, niet gerealiseerd. Overigens is ook van de groep leerlingen van de afdeling Gifted Education ongeveer 90 procent geplaatst op de school van eerste voorkeur. Kortom, er zijn veel mogelijkheden geboden aan alle leerlingen, ook aan die van de afdeling Gifted Education.
Kunt u aangeven of het beoogd was in het plan van aanpak van de sluiting van het Aloysius College dat het Zandvliet College – zoals gemeld op de voorlichtingsbijeenkomst voor ouders – niet alle hoogbegaafde leerlingen op zal kunnen vangen en ouders ontmoedigd worden om hun kind aan te melden bij het Zandvliet College? Wat is de reden dat slechts enkele hoogbegaafde leerlingen zich kunnen aanmelden op het Zandvliet College?
Het beeld dat er slechts enkele hoogbegaafde leerlingen terecht konden op Zandvliet College is geen juiste weergave. De schoolbesturen in Den Haag hebben van tevoren aangegeven welke plaatsen beschikbaar zijn en bij welk aantal leerlingen een nieuwe, aparte, klas gevormd zou worden. Sommige ouders hadden echter de verwachting dat op het Zandvliet College alle leerlingen van de afdeling Gifted Education in separate klassen les zouden krijgen. Het Zandvliet College heeft van het begin af aan aangegeven dat dit niet mogelijk is. Het aanbod van het Zandvliet College voor hoogbegaafden stond op de website, is toegelicht op de voorlichtingsbijeenkomst, in separate gesprekken met ouders én middels extra brieven. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Acht u het wenselijk dat het Zandvliet College geen duidelijk programma en visie heeft voor de hoogbegaafde leerlingen van het Aloysius College? Acht u het acceptabel dat deze school de hoogbegaafde leerlingen op regulier VWO of Atheneum wil plaatsen zonder speciale lesmethoden en vakken voor hoogbegaafden? Is dit de bedoeling van het zogenaamde passend onderwijs?
Passend onderwijs beoogt dat iedere leerling die extra ondersteuning nodig heeft, ook hoogbegaafde leerlingen, een passend aanbod moeten krijgen. Daarbij leg ik scholen niet op welke visie zij moeten hanteren. Ik constateer dat het Zandvliet College wel een visie op het onderwijs aan hoogbegaafden heeft en ook een aanbod voor deze leerlingen. Die visie en dat aanbod wijken af van datgene dat het Aloysius College bood. Het Zandvliet College heeft, net als veel andere scholen, als visie dat hoogbegaafde leerlingen juist waar mogelijk geïntegreerd les krijgen met de andere leerlingen (waarbinnen wel sprake is van een gedifferentieerde aanpak). Daarnaast krijgen deze leerlingen extra begeleiding en ondersteuning.
Ook krijgen deze leerlingen een verrijkend aanbod. Zo biedt het Zandvliet College vakken als Big History, Cambridge-Engels en Chinees. Deze «blended» aanpak is overigens op veel scholen terug te vinden die zich specifiek richten op het onderwijs aan hoogbegaafden. Daarnaast heeft het Zandvliet College het aanbod meer laten lijken op de situatie bij het Aloysius College. Daar is onder meer de mogelijkheid om Chinees te volgen uit voortgevloeid. Tenslotte biedt het Aloysius College op dit moment een «Class for the gifted» voor leerlingen in het basisonderwijs. Zandvliet heeft aangegeven dat ze ook een programma voor de getalenteerde leerlingen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs zullen aanbieden. Op deze manier blijft er een gericht aanbod voor deze leerlingen behouden voor de Haagse regio.
Acht u het wenselijk dat de investeringen in en de expertise van het hoogbegaafden-programma van het Aloysius College geheel verloren dreigt te gaan en hoogbegaafde leerlingen aan hun lot worden overgelaten? Was deze situatie beoogd met het plan van aanpak van de sluiting van het Aloysius College? Kunt u dit toelichten?
Nee, dat acht ik onwenselijk. Maar zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt is dat ook niet het geval.
Acht u het wenselijk dat 14 dagen na de door u vastgestelde datum om te komen tot een plan van aanpak de leerlingen van de Gifted Education nog steeds geen passend onderwijsaanbod hebben gekregen? Is beoogd dat ouders hun kinderen inschrijven op een school die niet (geheel) tegemoet komt aan de onderwijsbehoefte van leerlingen?
Het beeld dat deze leerlingen geen passend onderwijsaanbod hebben gekregen deel ik niet. Als ik de aanmeldingen nader bekijk, concludeer ik met tevredenheid dat 90 procent van deze leerlingen terecht is gekomen op de school van eerste keuze. Dit betekent dat er ook enkele leerlingen op de school van tweede of derde keuze geplaatst zijn. Dit impliceert echter niet dat er voor hen geen sprake is van een passend aanbod. Iedere school is namelijk verplicht om een passend aanbod te bieden. Daar is ook geld voor beschikbaar. Ik heb de samenwerkingsverbanden hier specifiek extra middelen voor gegeven. Datzelfde geldt voor scholen: zij ontvangen via de prestatiebox extra geld voor de ontwikkeling van toptalenten. Het krijgen van een passend onderwijsaanbod is echter iets anders dan terechtkomen op de school van je eerste voorkeur.
Kunt en wilt u garanderen dat geen van de leerlingen van het Aloysius College na 23 november 2015 thuis komt te zitten dan wel noodgedwongen op een verkeerde onderwijsplek terecht komt vanwege de sluiting van het Aloysius College? Zo nee, welke garantie kunt u wél geven?
Schoolbesturen hebben een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Gemeenten zien toe op de naleving van de leerplicht. Beide hebben daarin dus een verantwoordelijkheid om thuiszitten te voorkomen. Ik constateer wel dat alle leerlingen die op het Aloysius College zaten zich hebben aangemeld bij een andere school. Ik constateer ook dat in 90 procent van de gevallen dit de school van eerste voorkeur was. En tenslotte zijn de leerlingen afgelopen week daadwerkelijk overgegaan naar hun nieuwe school om daar de lessen te volgen en dit is naar mijn informatie op dit moment probleemloos verlopen. Ik beschouw dit als een positief resultaat.
Past het verdwijnen van de onderwijsplekken aan hoogbegaafden in het excellenten-programma waar u geregeld mee schermt? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het onderwijsprogramma van de afdeling Gifted Education in zijn totaliteit wordt overgenomen door een andere onderwijsinstelling?
Mijn beeld is niet dat er onderwijsplekken voor hoogbegaafden verdwijnen.
Kunt u toelichten welke mogelijkheden en procedures ouders moeten doorlopen om zelfstandig een nieuwe school te starten voor hoogbegaafden? Bent u eventueel bereid om het gereserveerde budget voor deze leerlingen in het plan van aanpak van de sluiting van het Aloysius College ter beschikking te stellen aan een eventuele nieuwe school voor deze leerlingen? Zo nee, waarom niet?
De procedure voor het stichten van een nieuwe vo-school is vastgelegd in artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Voor de bekostiging van een nieuwe school van een bepaalde richting in een bepaalde gemeente moet de aanvrager voldoen aan wettelijke criteria, met name de aantoonbare aantallen potentiële leerlingen per gewenste schoolsoort. De school moet rekening houden met stichtingsnormen en de aanvraag voor een nieuwe school moet in ieder geval de verlangde richting, schoolsoort, vestigingsadres en leerlingenprognose bevatten. DUO beoordeelt of de leerlingenprognose goed is opgesteld en of de aanvraag aantoont dat het verwachte aantal leerlingen na 6 en 10 jaar de wettelijke stichtingsnormen haalt. Ik heb echter geen signalen gekregen dat de ouders van de hoogbegaafde leerlingen van het Aloysius College het voornemen hebben (gehad) een nieuwe school te starten. Ik zie geen noodzaak om, als dit toch het geval zou zijn, hier extra middelen voor ter beschikking te stellen.
Kunt u uitgebreid toelichten welke risico’s u neemt door geen warme overdracht van deze hoogbegaafden leerlingen te organiseren (zoals onderpresteren en faalangst)?
In mijn ogen is er wel degelijk sprake van een warme overdracht. Bovendien ontvangen de scholen extra middelen om de leerlingen van het Aloysius College na hun overstap te begeleiden.
Bent u bereid om straks de verantwoording te dragen voor de leerlingen van de Gifted Education die door deze ingrijpende interventie gaan onderpresteren in plaats van excelleren zoals de eerste leerlingen van de Gifted Education het afgelopen schooljaar hebben laten zien met hun slagingsresultaten?
Zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt heb ik geen aanleiding om te denken dat dit zich voor zal doen.
Het werkbezoek aan een pluimveeslachterij op 19 oktober 2015 |
|
Helma Lodders (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verzoek van de firma 2 Sisters Storteboom B.V. en de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (NEPLUVI) (namens de pluimveesector) aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om op 26 december (tweede kerstdag) en/of op zondag 27 december de slachterijen te kunnen laten draaien?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de NVWA geen toestemming geeft om de slachterijen op 26 en/of 27 december te laten draaien? Wat vindt u hiervan?
Wat vindt u van het feit dat de NVWA niet mee wil werken aan een dergelijk verzoek vanuit de sector? Past deze houding bij een organisatie die in haar ambitie en missie spreekt van het zijn van «een toezichthouder, maar ook samenwerkingspartner»? Op welke wijze wordt de rol van samenwerkingspartner ingevuld?
Kunt u aangeven waarop de afwijzing van het verzoek door de NVWA is gebaseerd? Welke grondslag heeft de afwijzing?
Bent u bekend met het feit dat supermarkten tijdens de feestdagen, zoals de kerstdagen, steeds vaker geopend zijn? Bent u bekend met het feit dat in 2014 maar liefst tweehonderd supermarkten op eerste kerstdag geopend waren? En dat dit ruim twee keer zoveel was in vergelijking met het jaar 2013? En dat op tweede kerstdag nog meer supermarkten hun deuren openen? Bent u op de hoogte van het feit dat supermarkten hun verse producten toch willen inkopen, en bij het handhaven van het negatieve besluit van de NVWA aangewezen zijn op inkoop vanuit andere landen? Wat vindt u daarvan?
Past het negatieve oordeel van de NVWA op bovenstaand verzoek in een tijd waarin het consumentengedrag verandert en supermarkten hierop inspelen? Zo ja, kunt u dit onderbouwen, en zo nee, welke actie gaat u ondernemen om dit soort voorbeelden naar de toekomst toe uit te bannen?
Bent u bereid om dit besluit van de NVWA terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat de aanvraag vanuit de sector reeds twee en een halve maand geleden is voorgelegd aan het hoofdkantoor van de NVWA? En dat hier tot driemaal toe op gerappelleerd is, maar geen reactie is vernomen tot 19 oktober jl.? Past deze werkwijze van de NVWA (waar men heel goed weet dat een eindproduct eerst drie weken in een broederij verblijft om vervolgens 42 dagen, of langer bij een traag groeiend concept, op een pluimveebedrijf te verblijven alvorens het geslacht kan worden) bij een rol als toezichthouder en samenwerkingspartner in een keten waarbij met levende dieren wordt gewerkt?
Bent u bekend met het feit dat als enkele slachterijen op tweede kerstdag of op zondag 27 december open gaan, dit voor duizend mensen werk betekent, er per slachterij slechts één toezichthouder nodig is en het maar om een beperkt aantal slachterijen gaat?
Ja, het is mij bekend dat een besluit tot openstelling op deze dag(en) gevolgen heeft voor het bedrijf en het personeel, maar ook voor de toezichthouder NVWA.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de implementatie van het verbeterplan?
Ik verwijs u hiervoor naar de derde voortgangsrapportage NVWA (Kamerstuk 33 835, nr. 17), die op 16 oktober jl. aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u bekend met een voorval binnen één van de slachterijen, waarbij tweehonderd man personeel moesten wachten op een NVWA-keuringsarts die zich verslapen heeft? Bent u ermee bekend dat de schade die de slachterij hierbij oploopt, wordt afgedaan als bedrijfsrisico voor de ondernemer, terwijl er een afspraak met NEPLUVI is gemaakt dat de schade die hierdoor ontstaat (tenminste de uren die de tweehonderd man moeten wachten), wordt vergoed? Wat vindt u hiervan?
In het planningskader (https://www.nvwa.nl/onderwerpen/toezicht-nvwa-dier/dossier/planningskader-veterinaire-keuringen-nvwa/algemene-uitgangspunten-planningskader-nvwa) zijn een aantal algemene uitgangspunten opgenomen, waaronder dat het ingeplande tijdstip bij benadering wordt gegeven. De NVWA houdt hiervoor een marge aan. Binnen deze marge betreft het een bedrijfsrisico, buiten deze marge is het risico voor de NVWA. Als een bedrijf schade lijdt door verwijtbaar handelen van de NVWA, kan zij hiervoor via de geëigende wegen een schadeclaim indienen bij de NVWA. Indien de klacht wordt erkend, wordt de klager de gelegenheid gegeven om bewijsstukken van de schade aan te leveren. De NVWA bepaalt dan de hoogte van de schade. Indien men het oneens blijft (met het afwijzen van de klacht of de hoogte van de vergoeding) kan een civiele procedure gestart worden.
Welke stappen gaat u op beide punten (afwijzing verzoek en ondernemingsrisico) ondernemen? En op welke wijze gaat u dit richting de sector rechtzetten?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 t/m 8 en 11.
Bent u bereid de sector zo spoedig mogelijk te informeren en deze vragen voorafgaand aan het Algemeen Overleg NVWA op 1 december a.s. te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de gemeente Den Haag Wmo-indicaties stelt via een digitaal rekenprogramma. |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Vond u het ook erg opvallend dat de gemeente Den Haag de (her)indicaties van zorgbehoevende mensen in een aantal gevallen bepaalt via een computer met een digitaal rekenprogramma?1
Ik heb kennisgenomen van de beantwoording van de schriftelijke vragen van de gemeenteraad van Den Haag met als kenmerk sv 2015.454 (http://www.denhaag.nl/home/bewoners/gemeente/document/Computer-berekent-thuiszorgbehoefte-SP.htm).
Waarom wordt in Den Haag de zorgvraag van mensen met een lichte zorgbehoefte berekend via een computersysteem en van mensen met een zwaardere zorgbehoefte niet?
Naar aanleiding van deze Kamervragen heb ik contact opgenomen met de gemeente Den Haag. Uit dit contact is mij het volgende gebleken.
Het college van B en W van Den Haag heeft er bij de inwerkingtreding van de Wmo 2015 in nauwe afstemming met de gemeenteraad en de cliëntenraad Dienst SZW Den Haag voor gekozen de enkelvoudige hulpvragen van cliënten voor hulp bij het huishouden en voor het gebruik van de taxibus vooralsnog te blijven afhandelen op de wijze die tot 1 januari 2015 voor hen gold. Deze werkwijze houdt in dat voor enkelvoudige aanvragen voor hulp bij het huishouden en voor het gebruik van de taxibus in principe een digitale aanvraagprocedure geldt. Door deze keuze was en is de gemeente Den Haag, aldus het college van B en W, in staat voor alle niet enkelvoudige aanvragen het in de Wmo 2015 voorgeschreven onderzoek gedegen uit te voeren.
Is het niet zo dat de procedure voor de aanvraag van zorg in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor iedereen gelijk moet zijn waarbij er sprake dient te zijn van een persoonlijk gesprek, het «keukentafelgesprek»? Zo nee, waarom niet?
In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.2 uitgebreid beschreven aan welke eisen het onderzoek moet voldoen dat volgt op een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het is aan de gemeente om daar een goede invulling aan te geven in de concrete situaties. In veel gevallen zal dat het uitgebreid onderzoek betreffen met als onderdeel daarvan het persoonlijke contact. Het is echter niet uitgesloten dat bij enkelvoudige hulpvragen het onderzoek zich – met instemming van de aanvrager – kan beperken en dat een computerprogramma wordt ingezet bij de uitvoering van het in artikel 2.3.2 Wmo 2015 voorgeschreven onderzoek.
De digitale aanvraagprocedure van enkelvoudige voorzieningen van de gemeente Den Haag voldoet op enkele onderdelen niet volledig aan de in de Wmo 2015 opgenomen eisen. Dit is voor het college van B en W aanleiding geweest om een traject te starten waarbij naar hun oordeel zeker is gesteld dat ook de digitale aanvraag van enkelvoudige voorzieningen in de nabije toekomst zal voldoen aan alle op basis van de Wmo 2015 gestelde eisen. Het college verwacht dat de nieuwe werkwijze in het eerste kwartaal van 2016 kan worden ingevoerd. Vooruitlopend op de invoering van deze nieuwe werkwijze zal het college wijzigingen op de website aanbrengen die ertoe zullen leiden dat de huidige werkwijze naar hun oordeel volledig gaat voldoen aan de Wmo 2015.
Kunt u aangeven welke andere gemeenten louter op basis van computerprogramma’s Wmo-(her)indicaties verrichten? Zo ja, welke gemeenten zijn dit? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Er is landelijk geen inzicht in de wijze waarop gemeenten het onderzoek dat volgt op een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de praktijk uitvoeren. Het is aan gemeenten om hier keuzes in te maken. De Wmo 2015 schrijft voor wie en wat bij het onderzoek betrokken moeten worden maar niet op welke wijze het onderzoek tot uitvoering dient te komen. Ook bestaat geen inzicht in de wijze waarop gemeenten onderzoeken of er aanleiding is een beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening te heroverwegen.
De gemeenteraad ziet erop toe dat het college van B en W bij de uitvoering van de Wmo 2015 conform de wettelijke regels handelt. Ik zie op grond van het nu door mij verkregen inzicht geen aanleiding daar nader onderzoek naar te doen.
Op welke wijze is de privacy van persoonsgegevens gewaarborgd in dit curieuze computerprogramma?
De gemeente Den Haag heeft naar aanleiding van het contact dat ik met hen heb gehad aangegeven dat bij de ontwikkeling en het gebruik van het computerprogramma veel aandacht is besteed aan het waarborgen van de privacy van burgers. Zo zijn de reguliere beveiligingsaspecten met betrekking tot privacy van toepassing op alle onderliggende applicaties (Digidos, Socrates, Suwinet). Deze applicaties hebben impactanalyses en penetratietesten ondergaan om passende maatregelen voor privacy in te richten. Dit alles is ondergebracht in het control statement.
Hoeveel en welke personen hebben toegang tot de gegevens in dit systeem? Welke functies en (zorg)opleiding hebben deze personen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Uit informatie van de gemeente Den Haag blijkt dat in totaal 60 medewerkers toegang hebben tot specifieke gegevens die vanuit het digitale rekenprogramma worden gegenereerd. Naast de Wmo- consulenten zijn dit ook afdelingen als klantenservice SZW (deze beantwoorden telefonische vragen van burgers over bijvoorbeeld de status) en de medewerkers van Bezwaar en Beroep.
Verder hebben er van de 60 medewerkers, 25 medewerkers de autorisatie om een voorziening te kunnen wijzigen of een andere voorziening te kunnen indiceren. Deze medewerkers hebben MBO/HBO werk- en denkniveau en hebben veelal een achtergrond vanuit de zorg.
Welke kosten zijn gemoeid met het computerprogramma dat de gemeente Den Haag hanteert?
Uit informatie van de gemeente Den Haag blijkt dat de terugkerende kosten van het computermodel per kwartaal € 19.799 bedragen. Dit betreft kosten voor onderhoud, ICT producten en software leverancier.
Worden er minder zorgprofessionals of Wmo-consulenten ingezet, omdat een computerprogramma volgens de gemeente Den Haag efficiënter is? Kunt u dit toelichten?
Uit informatie van de gemeente Den Haag blijkt dat door de inzet van het computerprogramma de administratieve belasting van de Wmo-consulent wordt verlicht. Hierdoor ontstond met name bij de invoering van de Wmo 2015 de naar het oordeel van het college van B en W noodzakelijke ruimte voor het voeren van gesprekken met cliënten die zich met een complexe hulpvraag bij de gemeente meldden. Er is aldus de gemeente Den Haag sprake van minder bureaucratie en meer middelen voor uitvoerende taken op het terrein van maatschappelijke ondersteuning.
Vindt u het berekenen van zorg via een computerprogramma getuigen van zorgvuldig onderzoek? Is dit in lijn met uw visie op de Wmo? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de beantwoording van vraag 3 blijkt, voldoet de digitale aanvraagprocedure zoals de gemeente Den Haag die tot op dit moment heeft gehanteerd naar mijn mening niet op alle onderdelen aan de in de Wmo 2015 opgenomen eisen.
Bent u bereid in te grijpen en te zorgen dat dit computerprogramma in Den Haag wordt afgeschaft en alle personen met een zorgvraag persoonlijk geholpen worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, het gebruik van een (ondersteunend) computerprogramma als onderdeel van de beoordeling van de behoefte van een cliënt aan maatschappelijke ondersteuning is op zich niet in strijd met de Wmo 2015. Uit de beantwoording van vraag 3 blijkt dat de gemeente Den Haag de nodige aanpassingen in de geldende procedure, onder andere door aanpassing van de website, aanbrengt waardoor de aanvraag van enkelvoudige voorzieningen naar het oordeel van het college ook in de structurele situatie zal voldoen aan alle op basis van de Wmo 2015 gestelde eisen. Derhalve is er voor mij geen reden om in te grijpen.
Het openbaar maken van het oordeel van de Chief Information Officer van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport én het openbaar maken van de verslagen van de stuurgroep Trekkingsrecht |
|
Mona Keijzer (CDA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van EenVandaag van 1 oktober jl. waar één van de nieuwsitems ging over het opvragen van stukken met betrekking tot het persoonsgebonden budget (pgb)-trekkingsrecht?1
Ja.
Klopt het dat aan u al een aantal keren gevraagd om het oordeel van de Chief Information Officer (CIO) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het ICT-systeem van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) naar de Kamer te sturen? Bent u daar nu, in het licht van de uitzending van EenVandaag, wel toe bereid? Zo nee, kunt u motiveren waarom niet aangezien de Algemene Rekenkamer wel inzage heeft gehad (en in zijn Verantwoordingsonderzoek naar dit oordeel verwijst)?
Op 28 april jl. is het CIO oordeel vertrouwelijk ter inzage bij uw Kamer gelegd.
Bent u bereid de verslagen van de stuurgroep Trekkingsrecht openbaar te maken? Zo nee, kunt u aangeven waarom u ervoor kiest deze verslagen alleen vertrouwelijk aan de Kamerleden te willen voorleggen?
Zoals al eerder toegelicht in de antwoorden op vragen van mevrouw Keijzer van 28 april 2015 (kenmerk: 2014 -2015, aanhangsel nr. 2090) is in het verkeer met uw Kamer staande praktijk geen stukken naar de Kamer te sturen met persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren en opvattingen van externe deelnemers aan overleggen die niet van te voren op hoogte zijn gesteld van eventuele openbaarmaking. Een ieder moet zich tijdens dergelijke overleggen vrij voelen om in alle vertrouwelijkheid standpunten te delen zonder daarop naderhand aangesproken te worden. De verslagen van de stuurgroep Trekkingsrechten heb ik op 28 april jl. vertrouwelijk ter inzage aan de Kamer aangeboden.
Kunt u bovengenoemde besluiten motiveren in lijn met het «Jaar van de transparantie»? Vindt u zelf dat deze antwoorden te verenigen zijn met het verbeteren van transparantie?
Het «jaar van de transparantie» richt zich op meer en betere informatie over de kwaliteit en kosten van de zorg. De keuze voor kwaliteit moet leidend en lonend zijn voor patiënten, zorgaanbieders en verzekeraars. Transparante keuze-informatie is daarvoor cruciaal. Maximale transparantie betracht ik ook bij de openbaarmaking van stukken, zij het met inachtneming van de grenzen die wet- en regelgeving hieraan stelt, ondermeer ter bescherming van de privacy.
Bent u van mening dat het onwenselijk is als de wettelijke termijnen van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) niet gevolgd worden?
Ja. Het is mijn streven om Wob-verzoeken binnen de wettelijke termijnen af te handelen. Dit is echter helaas niet altijd mogelijk. Zoals ik ook al heb aangegeven in mijn rapportage burgerbrieven VWS 2014 – aangeboden bij brief van 4 mei 2015 met kenmerk: 761238–136154-BPZ – wordt op ongeveer de helft van het aantal verzoeken die met een besluit worden afgehandeld, binnen de wettelijke termijnen gereageerd.
Voldoet u bij dit verzoek van EenVandaag aan de wettelijke termijnen van de WOB? Zo ja, kunt u een toelichting geven? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u wel voldoen aan de wettelijke eisen?
Eenvandaag heeft een Wob-verzoek gedaan dat door mij is ontvangen op 8 mei 2015. Het Wob-besluit is genomen op 29 september 2015. Hiermee is de wettelijke termijn overschreden. Het is niet wenselijk dat dit plaatsvindt. Soms duurt besluitvorming langer dan voorzien, zo ook in dit geval. Dit kan liggen in de verschillende stappen die moeten worden genomen voordat tot besluitvorming kan worden overgegaan. Bij dit specifieke dossier heeft de besluitvorming tevens langer geduurd door de ambtelijke capaciteit in de zomerperiode. In de eerder genoemde rapportage heb ik aangegeven dat ik ernaar streef om de komende jaren meer verzoeken binnen de wettelijke termijnen af te handelen.
Campagnebrieven van de AK-partij aan Turkse Nederlanders |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Turken in Nederland krijgen brief van AK-partij: stem op ons»?1
Ja.
Weet u wie de afzender is van deze brieven, die in Duitsland gefrankeerd en verstuurd lijken te zijn?
Ik heb kennis genomen van de bedoelde berichten. Voorop staat dat het ontplooien van politieke activiteiten in Nederland geoorloofd is, ook door buitenlandse partijen, indien daarbij de wettelijke grenzen niet worden overschreden. Of sprake is van een dergelijke overschrijding staat niet vast. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft een verzoek om inlichtingen uitgestuurd. Wij kunnen nu niets zeggen over de achtergrond van deze brief en wachten de uitkomst van het verzoek om inlichtingen door het CBP af.
Heeft u inzicht in de manier waarop deze organisatie een adresbestand heeft opgebouwd van Turkse Nederlanders? Zo ja, wat is de werkwijze geweest? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te (laten) doen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat er gegevens van Nederlandse overheidsorganisaties gebruikt zijn voor het opstellen van het adresbestand? Zo ja, hoe kunt u dit uitsluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarschijnlijk is het dat er gegevens van het consulaat-generaal van Turkije of de Islamitische stichting Nederland gebruikt zijn voor de opbouw van het adresbestand voor deze brief? Zouden deze organisaties, zonder geïnformeerde toestemming, persoonsgegevens door mogen geven aan een buitenlandse politieke partij?
Zie antwoord vraag 2.
Weet u of het College bescherming persoonsgegevens (CBP) voor handhaving onderzoek doet naar de manier waarop de AK-partij deze adresgegevens verzameld heeft?
Zie antwoord vraag 2.
Welk advies heeft u voor mensen, die ongewenst deze post hebben ontvangen, om bezwaar te maken tegen deze verspreiding van hun adresgegevens en dit ongedaan te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een buitenlandse politieke partij een directe brief stuurt aan Nederlandse inwoners, ook als ze daarmee nooit ingestemd hebben? Zo ja, welke stappen wilt u hiertegen nemen? Zo nee, waarom niet?
Een politieke oproep aan Turkse Nederlanders zoals de AKP-brief is in Nederlandse ogen ongepast en staat op gespannen voet met de Nederlandse integratiedoelstellingen. Geadresseerden worden ongevraagd aangesproken als Turkse onderdanen waarmee een vanzelfsprekende binding met Turkije en de AKP wordt verondersteld. Dit is niet de realiteit: de diversiteit binnen de Turks-Nederlandse gemeenschappen is groot; deze brief wordt door velen dan ook niet op prijs gesteld en als onwenselijke beïnvloeding gezien.
Het staat kiesgerechtigde Turkse Nederlanders vrij om deel te nemen aan het democratische proces in Turkije. Voorwaarde is echter wel dat dit gebeurt op basis van transparantie en vrijwilligheid. Ik heb begrip voor Turkse Nederlanders die deze actie veroordelen. De zorgen over hoe de AKP toegang heeft gekregen tot de adressen van vele Turkse Nederlanders vind ik zeer legitiem. Ik zal daarom navraag doen bij mijn Belgische en Duitse collega naar ervaringen daar. Daarnaast wacht ik de uitkomst van het verzoek om inlichtingen door het CBP af.
Adoptie van kinderen uit Bulgarije |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Brandpunt Reporter over vermeende misstanden rondom adoptie vanuit Bulgarije?1
Ja.
Wat is uw mening over de in deze uitzending getoonde voorbeelden van misstanden rondom adoptie vanuit Bulgarije?
Wat is uw mening over het feit dat een Bulgaars parlementslid, een ambtenaar van het Bulgaarse Ministerie van Justitie en de kinderbescherming uit Bulgarije erkennen dat ze niet alles kunnen controleren of zelfs vinden dat niet alles volgens de regels verloopt?
Acht u het mogelijk dat ondanks het feit dat Bulgarije het Haags Adoptieverdrag heeft ondertekend en Bulgaarse rechters de concrete adopties toetsen, er toch onregelmatigheden met betrekking tot adoptie mogelijk zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kunt u dit uitsluiten?
Deelt u de mening dat in het geval van adoptie het belang van het kind voorop staat en dat het feit dat de voorgeschreven regels en procedure zijn gevolgd niet in alle gevallen hoeft te betekenen dat dit belang ook daadwerkelijk voorop heeft gestaan, bijvoorbeeld in het geval er corruptie in het spel was? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u daar aan? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt bij interlandelijke adoptie is dat het in het belang van het kind moet zijn. Een van de doelstellingen van het Haags Adoptieverdrag is om te waarborgen dat interlandelijke adopties op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en de grondrechten die daarbij horen worden geëerbiedigd. Ook heeft het verdrag tot doel samenwerking te verzekeren tussen de verdragslanden opdat deze waarborgen in acht worden genomen en ontvoering, verkoop van of handel in kinderen aldus wordt voorkomen. Verdragslanden zijn daarom verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de vereisten die voortvloeien uit het verdrag. Bovendien hebben verdragslanden de plicht om elkaar hierop aan te spreken. Het vertrouwensbeginsel, dat als basis dient voor deze samenwerking en controle, biedt de mogelijkheid om bij vermoedens van mogelijke misstanden elkaar aan te spreken, om opheldering te vragen en zo nodig aan te dringen op maatregelen. Indien voorgaande maatregelen niet tot het gewenste effect leiden, kan uiteindelijk door een van de verdragspartijen worden besloten om de samenwerking onder het verdrag op te schorten of te beëindigen.
Acht u het beginsel dat adopties, vanuit landen die het Haags Adoptieverdrag hebben ondertekend, te vertrouwen zijn, in alle gevallen voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kent u concrete voorbeelden van adopties naar Nederland waaruit blijkt dat het op het genoemde verdrag gebaseerde vertrouwensbeginsel in de praktijk niet bleek te werken en waar toch onregelmatigheden rondom een adoptie bekend zijn geworden? Zo ja, welke gevallen betreft dit?
Staten die bij het Verdrag zijn aangesloten zijn conform het vertrouwensbeginsel verplicht om zich te houden aan de voorwaarden die het Verdrag aan hen stelt. Daarbij heeft de in elke verdragsstaat aanwezige Centrale autoriteit de verantwoordelijkheid om toezicht te houden op de zorgvuldigheid van de adoptieprocedures in haar land. Indien de Centrale autoriteit onregelmatigheden constateert in de procedures, is het haar eigen verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen en indien noodzakelijk over te gaan tot opschorting van de interne procedures. Zo komt het voor dat de Centrale autoriteiten van zendende landen besluiten de interlandelijke adoptieprocedures (tijdelijk) op te schorten totdat maatregelen zijn genomen om de zorgvuldigheid van de procedures te waarborgen.
Acht u de naleving van het Haags Adoptieverdrag door alle ondertekenaars, voor zover dat landen zijn van waaruit kinderen naar Nederland worden geadopteerd, gegarandeerd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waaruit blijkt dat niet alle landen dat verdrag volledig naleven en hoe treedt u hiertegen op?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 6.
Acht u het wenselijk dat het Haags Adoptieverdrag gaat voorzien in een internationale autoriteit die kan toezien op de naleving van dat verdrag? Zo ja, waarom en hoe gaat u zich hiervoor inspannen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie hiertoe geen aanleiding. Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, biedt het verdrag de verdragslanden de mogelijkheid om bij vermoedens van misstanden elkaar daarop aan te spreken.
Het opnieuw sluiten van verzorgingshuizen |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Vindt u het ook zo verdrietig dat de 88-jarige mevrouw S. gedwongen moet verhuizen en weggehaald wordt uit haar vertrouwde omgeving en netwerk, omdat het verzorgingshuis Olde Heem in Kloosterburen waar ze verblijft gaat sluiten?1
Schaamt u zich niet als u het verhaal leest over mevrouw S. die samen met vele 80- en 90-jarige ouderen gedwongen moeten verhuizen, simpelweg omdat u uw bezuinigingsplaatje moet halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waarom keurt u het goed dat mensen gedwongen verhuisd worden naar een andere omgeving, waar zij vaak hun vertrouwde kennissen en familiekring kwijtraken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Meent u serieus dat mevrouw S. en anderen geholpen zijn met een goed communicatietraject zoals u eerder heeft beweerd? 2
Deelt u de mening dat de samenleving een ereschuld heeft aan de ouderen die ons land hebben opgebouwd en dat zij recht hebben op een onbezorgde oude dag in hun eigen vertrouwde woonomgeving? Zo ja, gaat u uw beleid veranderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in te grijpen en samen met Zonnehuisgroep Noord te kijken of de vier verzorgingshuizen die op de lijst staan om te gaan sluiten, opengehouden kunnen worden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is gezien de vigerende verantwoordelijkheidsverdeling aan de Zonnehuisgroep Noord, het zorgkantoor, corporaties en gemeenten om tot een oplossing te komen.
Hoeveel signalen moeten u nog worden aangeleverd, voordat u uw rekenmachine aan de kant legt en eindelijk gaat zorgen dat u oudere mensen een menswaardig bestaan biedt in hun vertrouwde omgeving met goede zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoeveel verzorgingshuizen zijn afgelopen jaar gesloten en hoeveel verzorgingshuizen worden komende tijd gesloten? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom hecht u hier geen waarde aan?
Er wordt landelijk geen lijst bijgehouden van verzorgingshuizen die sluiten. Wat wel landelijk wordt geregistreerd zijn de indicaties (CIZ) voor de diverse zorgprofielen en de gerealiseerde productie en productieafspraken (NZa). Hierover heb ik u ook eerder bericht (onder andere TK 29 389, nr. 89).
De trend dat cliënten langer thuis blijven wonen is al langer zichtbaar. In 1980 woonden 150.000 ouderen in een verzorgingshuis, in 2010 waren dat er 84.000 terwijl het aantal 80-plussers in dezelfde periode meer dan verdubbeld is. Het aantal verpleeghuisplekken is in dezelfde periode gestegen van ongeveer 46.000 in 1980 tot 74.000 in 2010. Het onderscheid tussen verpleeg- en verzor-gingshuizen vervaagt steeds meer. In verzorgingshuizen worden steeds zwaardere cliënten geholpen. Het aantal cliënten met een licht ZZP (ZZP VV 1 t/m 3) neemt de komende jaren geleidelijk af, terwijl het aantal plekken dat bezet is met mensen met een hoog ZZP de komende jaren kan groeien met een tempo dat gelijke tred houdt met demografische factoren.
In reactie op bovenstaande langjarige trend kunnen verzorgingshuizen die een afnemende vraag van cliënten met een licht ZZP waarnemen, zich richten op de zwaardere cliëntenpopulatie of op basis van scheiden van wonen en zorg zich richten op cliënten uit de Wmo/Zvw. In de mate waarin dit lukt, behoeven verzorgingshuizen niet te sluiten. Anderzijds geldt dat, zoals in het antwoord op de vragen 1–5 en 7 is aangegeven, sluiting van verzorgingshuizen door renovatie of nieuwbouw van alle tijden is, dus ook los van extramuralisering. Een eenduidige en informatieve registratie van verzorgingshuizen die sluiten is op grond van het bovenstaande niet goed te maken.
De afschaffing van de oldtimer vrijstelling |
|
Teun van Dijck (PVV), Pieter Omtzigt (CDA), Farshad Bashir , Roland van Vliet (Van Vliet), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u op 3 juli 2015 aan de Kamer schreef: «Met mijn brief van 14 april 2015 heb ik een realistische inschatting van de daadwerkelijke opbrengsten [van de afschaffing van de oldtimer vrijstelling] gegeven»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in uw brief van 14 april 2015 een schatting gaf van tussen de € 80 en € 146 miljoen als opbrengst van de oldtimermaatregel en u zich niet baseerde op de daadwerkelijk binnengekomen belastingopbrengsten?2
In de antwoorden op vragen gesteld op 8 mei jl. over de budgettaire opbrengst van de oldtimermaatregel heb ik geen vragen weggewuifd. In mijn brief over de oldtimermaatregel van 14 april jl. heb ik beschreven dat de budgettaire opbrengsten van de oldtimermaatregel zijn opgebouwd uit een tweetal effecten. Enerzijds betreft dit een opbrengst van niet meer vrijgestelde voertuigen, anderzijds een opbrengst als gevolg van een wijziging van het wagenpark. De geschatte opbrengst van niet meer vrijgestelde voertuigen bedraagt € 55 miljoen. Ik heb in mijn brief over de oldtimermaatregel slechts willen aangegeven dat, om de geraamde opbrengst van € 137 miljoen te halen, het tweede deel van de opbrengst, de vervangende auto’s, € 82 miljoen aan MRB zou moeten opbrengen. Om een inschatting te maken van de gerealiseerde opbrengst van de vervangende voertuigen is, aan de hand van macro-economische gegevens, gekeken naar de totale omvang van de MRB-plichtige voertuigen over de afgelopen jaren gecorrigeerd met de toename van het wagenpark. Bij het inschatten van de gerealiseerde opbrengst is vervolgens aangenomen dat een groot deel van deze extra groei het gevolg is van vervanging van eerder MRB-vrijgestelde oldtimers door MRB-plichtige personenvoertuigen. Uitgaande van een gemiddeld MRB-tarief en afhankelijk van de samenstelling van vervangende auto’s ligt het geschatte budgettaire effect van deze vervanging tussen € 25 miljoen en € 91 miljoen. De geraamde opbrengst van € 82 miljoen ligt binnen deze bandbreedte. Zoals ik heb aangegeven tijdens het notaoverleg op 12 oktober jl. heb ik de neiging om de raming van Stichting Autobelangen meer te omarmen dan de raming die in de brief van 14 april 2015 gemaakt is.
Herinnert u zich de vele kritische vragen van o.a. de leden van de fracties van het CDA, de SP en de PVV, die met onderbouwde berekeningen vroegen naar betere schattingen maar die weggewuifd werden in de antwoorden?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich dat u in het notaoverleg op 12 oktober 2015 moest toegeven dat de opbrengst waarschijnlijk tussen de € 50 en € 60 miljoen is in 2015? Kunt u een onderbouwing geven van het verschil tussen de € 41 miljoen van de Stichting autobelangen en de wijze waarop u met een paar kleine posten aan € 60 miljoen komt?
In mijn brief «Budgettaire opbrengst oldtimermaatregel» van 14 april jl. heb ik aangegeven dat naast de € 41 miljoen er nog een opbrengst is die geschat wordt op € 5 miljoen van voertuigen uit het jaar 1987, waarvan niet de volledige gegevens beschikbaar waren. Daarnaast zijn er nog voertuigen, andere dan personenauto’s (met name motoren), die een opbrengst genereren van € 9 miljoen. In totaal leveren de voertuigen die voorheen vrijgesteld waren en in de nieuwe situatie motorrijtuigenbelasting zijn gaan betalen, een opbrengst van € 55 miljoen op. Uitgaande van een opbrengst van vervangende voertuigen die Stichting Autobelangen heeft berekend (€ 9 miljoen) zou de totale opbrengst op minimaal € 64 mln uitkomen. In het notaoverleg van 12 oktober heb ik daarom aangeven dat de totale opbrengst waarschijnlijk ergens tussen de € 60 miljoen en € 70 miljoen ligt.
Kunt u aangeven hoeveel LPG- en dieselauto’s op de laatst beschikbare peildatum (1 oktober 2015?) geschorst zijn?
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal LPG- en dieselpersonenauto’s en bestelauto’s particulieren op peildatum 21 oktober 2015, die voor het eerst in gebruik zijn genomen tussen 21 oktober 1975 en 1 januari 1988, dus die op 1 januari 2014 ouder waren dan 26 jaar maar nog niet de leeftijd van 40 jaar hadden bereikt. De bedragen aan MRB uit de tabel zijn de bedragen in mln. (€) die verschuldigd zijn als het volle tarief (exclusief opcenten) verschuldigd zou zijn.
Aantal LPG- en dieselpersonenauto’s en bestelauto’s particulieren die voor het eerst in gebruik zijn genomen tussen 21-10-1975 en 01-01-1988 (peildatum 21 oktober 2015)
aantal
MRB
aantal
MRB
aantal
MRB
aantal
MRB
voltarief
6.967
8,0
1.794
2,3
692
0,6
9.453
10,9
kwarttarief
4.788
10,3
378
0,8
419
0,7
5.585
11,8
vrijgesteld
56
0,1
13
0,0
15
0,0
84
0,1
Kunt u aangeven hoeveel LPG- en dieselauto’s op de laatst beschikbare peildatum (1 oktober 2015?) het volle tarief Motorrijtuigenbelasting betalen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de kosten en de opbrengsten zouden zijn om diesel- en LPG-auto’s onder hetzelfde overgangsrecht te brengen als benzineauto’s per 1/1/2016 inclusief de berekeningen en de aannames?
Ik ga er vanuit dat gevraagd wordt naar het verruimen van het overgangsrecht naar oldtimers die rijden op diesel of LPG en op dit moment tussen 26 en 40 jaar oud zijn. Zoals blijkt uit bovenstaande gaat het om een totaal van 45.039 diesel- en LPG-auto’s. Er zijn op dit moment 29.917 diesel- en LPG-auto’s waarvan het kenteken is geschorst en 15.122 diesel- en LPG-auto’s waarvan het kenteken niet is geschorst.
Het voorzien in een overgangsregeling voor diesel- en LPG-auto’s heeft waarschijnlijk een grote aanzuigende werking, bestaande uit onder andere de volgende effecten:
Indien voor LPG- en dieselvoertuigen dezelfde overgangsregeling als voor benzinevoertuigen zou gaan gelden, zou dit leiden tot:
Hierbij is aangenomen dat voor de helft van de dieselvoertuigen en 10% van de LPG-voertuigen deze keuze wordt gemaakt. Ten aanzien van LPG-auto’s is slechts een percentage van 10% aangenomen omdat voor deze groep geldt dat er waarschijnlijk gelet op de mate van het gebruik heel bewust is gekozen voor het betalen van de MRB.
Aangenomen is dat ongeveer 50% van de huidige geschorste voertuigen ontschorst worden.
Hierbij is aangenomen dat ongeveer de helft van de dieselauto’s die de afgelopen 2 jaar geëxporteerd zijn, weer geïmporteerd worden. Ten aanzien van LGP-auto’s is slechts een percentage van 10% aangenomen. Dit, omdat heel bewust is gekozen voor export, terwijl de mogelijkheid bestond om de tank eruit te halen en als benzineauto van de overgangsregeling gebruik te maken.
Onder al deze aannames is zou de derving € 9 miljoen en de opbrengst € 3 miljoen bedragen, per saldo een derving van € 6 miljoen. De maatregel is per saldo budgettair neutraal bij een kwarttarief met een maximum van € 350.
Los van het voorgaande is het van belang dat de oldtimer-maatregel ook vanuit milieuoogpunt is getroffen. De inperking van de oldtimerregeling heeft geleid tot een forse afname van met name het aantal diesel- en LPG-oldtimers. De forse import van deze oldtimers is omgeslagen in een export. Dat heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Het alsnog invoeren van overgangsrecht voor diesel- en LPG-oldtimers zal zoals hiervoor gezegd een aanzuigende werking met zich brengen. Ook kunnen nu geschorste voertuigen ontschorst worden. Het betreft type oldtimers die degelijk en betrouwbaar zijn, en daarmee zeer geschikt voor veelvuldig gebruik. Deze auto’s leveren een belangrijke ongewenste bijdrage aan de emissies. Het invoeren van overgangsrecht voor LPG- en diesel oldtimers is om die reden niet verenigbaar met de milieudoelstelling die in het regeerakkoord is genoemd.
Kunt u aangeven tegen welk tarief het brengen van de diesel- en LGP-auto’s onder het overgangsrecht per 1/1/2016 kostendekkend zou zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen vóór 24 oktober 2015 beantwoorden, zodat uw antwoorden gebruikt kunnen worden voor de stemmingen over de moties en voor de eerste termijn van het wetgevingsoverleg over het Belastingplan?
Dat is helaas niet gelukt.
Het aandacht vragen voor gendercide tijdens het staatsbezoek aan China |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich mijn unaniem aangenomen motie, waarin de regering werd verzocht om in haar genderbeleid op buitenlands terrein extra aandacht te besteden aan het bestrijden van het ombrengen van meisjes om reden van geslacht of het aborteren om die reden?1
Ja.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat tijdens het staatsbezoek aan China aandacht wordt gevraagd voor het ombrengen van meisjes of het uitvoeren van abortussen om die reden («gendercide»)? Welke mogelijkheden ziet u daartoe?
Het tegengaan van geweld tegen meisjes en vrouwen, met inbegrip van ongeboren meisjes, is één van de beleidsprioriteiten van Nederland. Het kabinet brengt dit onderwerp ter sprake in relevante multilaterale en bilaterale besprekingen met landen waar deze praktijk zich veel voordoet. Tijdens de onlangs gehouden bilaterale mensenrechtenconsultaties met China is door de mensenrechtenambassadeur aandacht gevraagd voor het voorkomen van abortus van meisjes om reden van geslacht. Van Chinese zijde is gesteld dat het artsen en specialisten wettelijk niet is toegestaan tijdens de zwangerschap het geslacht van het kind bekend te maken. Tevens heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit onderwerp besproken met zijn ambtsgenoot tijdens het staatsbezoek aan China. Zij hebben gesproken over de uitdagingen van de Chinese overheid om het verbod op gender screening met name in de rurale gebieden te handhaven. Zijn counterpart gaf aan dat gendercide de aandacht heeft van de Chinese overheid en er daar ook een campagne tegen heeft lopen. Ook via de ambassade in Peking houdt Nederland het onderwerp nauwlettend in de gaten. In internationale bijeenkomsten agendeert Nederland het onderwerp als onderdeel van zijn bredere inzet op bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes.
Welke diplomatieke mogelijkheden gaat u benutten om de gendercide onder de aandacht te brengen van de Chinese regering?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze vragen voor het staatsbezoek aan China te beantwoorden?
Het kabinet neemt in beantwoording van de vragen de uitkomsten van het staatsbezoek mee, waardoor de beantwoording niet voorafgaand aan het staatsbezoek heeft plaatsgevonden. Zie voor de uitkomsten het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid de Kamer na het staatsbezoek over de uitkomsten te informeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kosten van RADAR |
|
Mona Keijzer (CDA), Sharon Gesthuizen (GL), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waaruit blijkt dat de waarde van de leveringsovereenkomst voor RADAR met Capgemini in totaal 1.585.812,– euro (incl. BTW) bedroeg?
De waarde van de leveringsovereenkomst kan worden onderbouwd met drie vertrouwelijke stukken, die ik aanvullend op de eerdere stukken vertrouwelijk voor u ter inzage zal leggen:
In de Specificatie ziet u dat CapGemini niet één fixed price voor de bouw heeft geoffreerd. Capgemini heeft een fixed price geoffreerd voor de bouw én beheer én onderhoud in een «keuzemenu». Dienst Justis heeft echter niet voor dit complete menu gekozen. Een aantal onderdelen van de offerte heeft Dienst Justis niet bij Capgemini afgenomen, bijvoorbeeld licenties die Dienst Justis zelf heeft aangeschaft. De waarde van de leveringsovereenkomst is daardoor een berekening achteraf van de wél afgenomen onderdelen voor de bouw.
Bij het beantwoorden van uw vraag heb ik geconstateerd dat in mijn brief van 27 augustus 2015 (Kamerstuk 29 911, nr. 116) in het antwoord op vraag 4 van de SP-fractie twee fouten zijn gemaakt. Ik betreur deze fouten zeer en wil deze herstellen.
In een bijlage treft u het nieuwe antwoord op vraag 4 aan. Hoewel de cijfers zijn aangepast, is de inhoudelijke strekking van het antwoord ongewijzigd.
Is er in de periode tussen de leveringsovereenkomst ter waarde van 1.585.812,– euro en de meerwerkafrekening bij de beëindiging van de overeenkomst (via een vaststellingsovereenkomst ter waarde van 1.849.365,– euro) verder meerwerk aan Capgemini betaald? Zo ja, kunt u dit meerwerk en de waarde daarvan toelichten?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 4 aangegeven welke bedragen gemoeid waren met de inzet van Capgemini voor de ontwikkeling van RADAR en welk bedrag voor meerwerk daaraan was verbonden, te weten: € 1.849.365 (incl. BTW). Daarbij heb ik aangegeven dat het hier gaat om het deel meerwerk dat betrekking had op de interface met de Kamer van Koophandel (KvK) aan de Dienst Justis-zijde, zoals uitgelegd in de antwoorden op de vragen 36 en 37 van het CDA.
Los daarvan is meerwerk aan Capgemini betaald voor de ondersteuning door Capgemini aan de zijde van de KvK, zodat een maatwerkkoppeling naar Dienst Justis ontwikkeld kon worden. Dit staat in het antwoord op vraag 10 vermeld. Mijn inschatting is dat dit meerwerk rond de € 350.000 incl. BTW heeft gekost. Omdat dit meerwerk is gecontracteerd in een pakket waar ook ander meerwerk in zat, zou voor precisering van dit bedrag een uitsplitsing van facturen moeten plaatsvinden.
Welke kosten zijn er totaal gemaakt voor de externe inhuur voor de ontwikkeling van specifiek RADAR als onderdeel van het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 9 en 10 van de SP en vraag 18 van het CDA aangegeven dat voor het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen (HTR), waar het project RADAR onderdeel van was, tientallen externen zijn ingezet voor onder andere project- en programmamanagement, procesaudits, functiepuntentellingen en juridisch advies.
Op het Rijks ICT Dashboard is destijds gepubliceerd dat de externe inhuur voor de ontwikkeling van RADAR als onderdeel van het programma HTR € 7,8 miljoen heeft gekost. Bij controle van het dashboard is mij gebleken dat de in 2013 aangeleverde gegevens op dit moment niet worden getoond. Ik zal dit laten herstellen. Het bestand met de betreffende gegevens is tevens bijgevoegd.
Kunt u deze kosten uitsplitsen en specificeren per ingehuurde persoon, functie, termijn van inhuur en uurtarief? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 32 van het CDA aangegeven dat een overzicht van gehanteerde uurtarieven beschikbaar is vanuit de contracten met Capgemini en Sogeti, deze contracten heb ik vertrouwelijk ter inzage laten leggen.
De door u gevraagde uitsplitsing en specificatie per ingehuurde persoon, functie, termijn van inhuur en uurtarief kan ik alleen leveren na een aanzienlijke inspanning. De administratieve bescheiden uit de betreffende periode zouden opnieuw handmatig moeten worden doorgelopen voor alle ingehuurde personen. De administratie van het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen is destijds niet ingericht op het eenvoudig genereren van de door u gevraagde informatie, de gegevens zijn bijvoorbeeld verspreid over meerdere informatiesystemen. Ik geef u daarom in overweging mee, met het oog op administratieve lastendruk, af te zien van deze inspanning. Indien u aangeeft uw vraag te handhaven, dan zal ik u een planning doen toekomen, met een streefdatum van beantwoording in de eerste helft van 2016.
Kunt u aangeven waar precies in het Rijks-ICT Dashboard transparant is gerapporteerd over de totale kosten van externe inhuur voor ICT voor Herziening Toezicht Rechtspersonen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom kon de dienst Justis na de contractbreuk met Capgemini in de overgangsperiode de medewerkers van Capgemini wel aansturen, terwijl dat in de jaren daarvoor niet het geval was ondanks de miljoenen euro’s die toen aan projectmanagers zijn uitgegeven?
In mijn brief van 27 augustus heb ik in het antwoord op vraag 4 van de SP en vraag 7 van het CDA aangegeven dat Dienst Justis in de overbruggingsperiode naar een nieuwe leverancier de medewerkers van Capgemini rechtstreeks aanstuurde. Daarmee was sprake van een fundamenteel andere werkwijze dan daarvoor, toen Capgemini zelf haar eigen medewerkers aanstuurde, omdat Capgemini verantwoordelijk was voor het opleveren van RADAR volgens fixed price en fixed date principe. De rechtstreekse aansturing door Dienst Justis van de medewerkers van Capgemini bood meer ruimte om adequaat in te spelen op gewijzigde inzichten.
Er is overigens geen sprake geweest van contractbreuk zoals uw vraagstelling stelt. Dienst Justis en Capgemini hebben een vaststellingsovereenkomst getekend, die duidelijke afspraken bevatte over hoe de leveringsovereenkomst werd beëindigd, maar ook duidelijke afspraken bevatte naar de toekomst.
Een juridische analyse van de visie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op de Kip van Morgen |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dierenwelzijn in Nederland; civielrechtelijke regeling voor de «Kip van Morgen»»?1
Ja.
Zou volgens u een informele zienswijze van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) moeten voldoen aan de motiverings- en bewijsverplichtingen die gelden voor een besluit? Zo nee, waarom niet?
De ACM is net als elk overheidsorgaan gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel. In een informele zienswijze dient de ACM haar oordeel te motiveren. Wel ligt de lat hierbij lager dan bij een formeel besluit waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. Een informele zienswijze betreft geen formeel besluit van de ACM. Het instrument is bedoeld om ondernemingen in een vroegtijdig stadium duidelijkheid te verschaffen over de visie van de ACM op een concrete nieuwe rechtsvraag waarbij een groot economisch of maatschappelijk belang is betrokken.
Een informele zienswijze is een voorlopig oordeel en bindt de ACM en de betrokken ondernemingen niet. Het staat de ACM en eventuele andere bevoegde autoriteiten, zoals de Europese Commissie, vrij om in voorkomende gevallen anders te oordelen als daartoe aanleiding is.
Deelt u de constatering dat met de analyse van de ACM publieke belangen zoals duurzaamheid en dierenwelzijn eigenlijk niet meewegen omdat de ACM enkel kijkt naar wat de consument over heeft voor duurzaamheid of dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze constatering niet. De ACM volgt bij de beoordeling van duurzaamheidsinitiatieven de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid en haar eigen visiedocument mededinging en duurzaamheid. Bij deze beoordeling worden publieke belangen, zoals milieu en dierenwelzijn, meegenomen. Ik vind wel dat nog duidelijker gemaakt kan worden wat wel en niet kan en hoe bepaalde belangen meegenomen kunnen worden. Daartoe wordt de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid aangepast. Ik verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen.
Deelt u de constatering dat onder verwijzing naar het Wouters-arrest bij de toepassing van het kartelverbod rekening gehouden moet worden met het publieke belang dat met de betreffende afspraken mogelijk gediend wordt en dat in het geval van de Kip van Morgen niet hoeft te worden aangetoond dat de afspraken efficiëntievoordelen opleveren die ten goede komen aan de portemonnee van de eindgebruikers?
Bij de toepassing van het kartelverbod dient inderdaad rekening te worden gehouden met de publieke belangen die door de afspraak mogelijk worden gediend. Het Wouters arrest en andere jurisprudentie dienen hierbij te worden meegenomen. De concrete beoordeling of het kartelverbod al dan niet van toepassing is, is aan de ACM.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen nadere invulling te geven aan de leer van de inherente beperkingen?
In mijn brief aan eurocommissaris Vestager van 29 juni jl. heb ik aandacht gevraagd voor ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven binnen de leer van de inherente beperkingen. Op basis van de briefwisseling tussen de eurocommissaris en mij zijn medewerkers van de Europese Commissie en van mijn ministerie met elkaar in contact. Wanneer het overleg met de Europese Commissie is afgerond, kom ik daar bij uw Kamer op terug.
Deelt u de mening dat de ACM zonder uitvoerige motivering heeft vastgesteld dat bij de Kip van Morgen sprake is van een overtreding van het kartelverbod, terwijl sprake is van een inkoopafspraak en niet van prijs- en marktverdelingsafspraken of een capaciteitsreductiekartel? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Wel had ik graag gezien dat de afspraken rond de Kip van Morgen mogelijk waren geweest binnen de kaders van de Mededingingswet, omdat ik positief sta tegenover duurzaamheidsinitiatieven die door bedrijven of maatschappelijke organisaties worden genomen. De concrete beoordeling is echter aan de ACM.
Bent u van mening dat bij een mededingingstoets duurzaamheidswaarden niet alleen gemonetariseerd moeten worden, maar dat ook de voordelen die zich op langere termijn zullen voordoen meegewogen dienen te worden zoals de voorganger van de ACM in het verleden ook deed?
Ik ben inderdaad van mening dat bij een mededingingstoets de duurzaamheidsvoordelen die zich op langere termijn zullen voordoen, waarvan voldoende aannemelijk is dat ze zich daadwerkelijk gaan voordoen, meegewogen dienen te worden. Dit is ook genoemd in artikelen 2a en 2b van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid (Stcrt. 2014, 13375).
Vindt u dat de Willingness to pay-methode om het belang van consumenten in geld uit te drukken onvoldoende rekening houdt met het publiek belang en dat hierbij aanvullende onderzoeksmethoden gebruikt hadden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Bij de analyse van de Kip van Morgen door de ACM zijn verschillende onderzoeksmethoden gebruikt. Zo is gebruikgemaakt van de «willingness to pay»-methode om de waardering van consumenten van de effecten voor dierenwelzijn mee te nemen. Daarnaast is er, via een andere methode waarbij schaduwprijzen zijn gehanteerd, gekeken naar de waardering van de milieueffecten en de effecten voor de volksgezondheid. Bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid zal er aandacht zijn voor mogelijke andere methoden.
Bent u voornemens de in het artikel genoemde commentaarpunten, onder meer het expliciet meewegen van langetermijneffecten, mee te nemen bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Bent u bereid voor het eind van het jaar de gewijzigde Beleidsregel mededinging en duurzaamheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, wanneer kan de Kamer de gewijzigde Beleidsregel verwachten?
Ja. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven, verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen (Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196 nr. 354).
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met de Europese Commissie over de Europese mededingingsregels in relatie tot duurzaamheid?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur?
Ja.
De mogelijkheid tot het inzetten van mensenrechtenambassadeurs op AZC’s |
|
Keklik Yücel (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de aan u gerichte brief van Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON) waarin zij pleiten voor het inzetten van mensenrechtenambassadeurs op asielzoekerscentra (AZC’s)?
Ja.
Bent u bekend met de signalen dat het recht op zelfbeschikking en recht op vrijheid van godsdienst in AZC’s onder druk kan komen te staan als gevolg van de diversiteit onder de grote instroom van vluchtelingen?
Het COA ontvangt de signalen waar Vluchtelingen-Organisaties Nederland (VON) naar verwijst ook. Het gaat om meldingen van bewoners die zich onveilig voelen wegens hun religie, seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit. Ook andere organisaties, zoals het COC en Stichting de Gave, ontvangen vergelijkbare signalen. Het COA voert regelmatig overleg met diverse organisaties over deze signalen en over verbetermaatregelen.
COA medewerkers zijn getraind om signalen te herkennen en hierover in gesprek te gaan met betrokkenen. Het COA tolereert geen beledigende en discriminerende uitingen over religie, sekse, seksuele geaardheid, leeftijd, etniciteit of nationaliteit. Asielzoekers die anderen discrimineren, bijvoorbeeld op grond van hun religie, seksuele oriëntatie of genderidentiteit, worden hierop aangesproken. Op de COA locaties geldt vrijheid van godsdienst. Een individuele bewoner mag zijn of haar religie uitoefenen door bijvoorbeeld te bidden op de eigen kamer, in afstemming met eventuele andere bewoners van diezelfde privéruimte. Het is daarentegen niet toegestaan om gemeenschappelijke ruimtes te gebruiken als bijvoorbeeld gebedsruimte. De reden is dat dergelijke ruimtes voor iedereen vrij toegankelijk moeten zijn. Uiteraard staat het bewoners vrij om buiten de COA locaties deel te nemen aan activiteiten van religieuze aard.
Wat is uw reactie op het idee van VON om getrainde mensenrechtenambassadeurs in te zetten voor het faciliteren van gesprekken onder vluchtelingen en zij zodoende inzicht in essentiële Nederlandse waarden geven aan de vluchtelingen?
Ik heb de suggestie van VON voor mensenrechtenambassadeurs doorgeleid naar het COA. Net als de suggestie van Protestantse Kerk Nederland (PKN) om asielzoekers voorlichting en training te geven over de vrijheid van religie, bijvoorbeeld via een organisatie zoals Amnesty International of een universiteit. Beide ideeën passen in de voorlichting die het COA momenteel geeft aan alle bewoners.
Alle asielzoekers die bij het COA worden opgevangen, krijgen voorlichting over artikel 1 van de Grondwet: het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod. Recent heeft het kabinet besloten om de Grondwet in het Arabisch beschikbaar te stellen voor asielzoekers die in de opvang komen. Ook hangen er op COA locaties posters met een anti-discriminatie boodschap. Verder is er op locaties een sociale kaart beschikbaar. Dit is een document waarop voor de bewoners in kaart wordt gebracht wat er in de omgeving allemaal te vinden is qua belangenverenigingen, kerken, moskeeën, enzovoort. De kaart wordt gebruikt om bewoners door te verwijzen als zij behoefte hebben aan specifieke informatie en ondersteuning. Input vanuit maatschappelijke en religieuze organisaties op het vervolmaken van deze sociale kaarten is welkom.
Het COA heeft mij laten weten dat de ideeën van VON en andere organisaties kunnen bijdragen aan het verder verbeteren van de bovengenoemde voorlichting over Nederlandse grondrechten. Het COA bekijkt momenteel, in overleg met enkele maatschappelijke en religieuze organisaties, hoe de reeds bestaande voorlichting kan worden uitgebreid of op welke wijze COA medewerkers nog meer geschoold kunnen worden op het gebied van geven van voorlichting. Het COA gaat daarom graag het gesprek aan met VON om te bespreken welke mogelijke bijdrage de genoemde mensenrechtenambassadeurs kunnen leveren. Het streven is een bredere voorlichting aan te bieden over grondrechten en democratie, conform de motie van de leden Kuiken en Marcouch.
Deelt u de mening dat deze mensenrechtenambassadeurs kunnen bijdragen aan het vergroten van kennis en inzicht in de waarden die men in Nederland belangrijk vindt?
Zie antwoord vraag 3.