Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Bruijn , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
Het bericht 'Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zeer onwenselijk is dat scholen hun onderwijs- en buitenschoolse activiteiten moeten aanpassen of annuleren vanwege de aanwezigheid en het gedrag van wolven?
Ik vind het inderdaad onwenselijk dat mensen zich genoodzaakt voelen om zich aan te passen aan de aanwezigheid van wolven in plaats van andersom. Daarom zet ik me via de Landelijke Aanpak Wolven in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen mogelijk te maken en heb ik uw Kamer meermaals opgeroepen zo spoedig mogelijk in te stemmen met de bijbehorende AMvB.
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen, ouders en leerlingen zich genoodzaakt voelen ingrijpende veiligheidsmaatregelen te nemen terwijl wolven in Nederland een beschermde status hebben?
De veiligheid van kinderen moet altijd gegarandeerd zijn. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij burgemeesters. Ik heb me, om te kunnen voldoen aan de Europese regelgeving en om lokale overheden meer mogelijkheden te geven om in te grijpen bij incidenten, ingezet om de beschermde status van wolven te verlagen. Helaas heeft de Kamer mij niet de ruimte gegeven de verlaagde status zo snel mogelijk in te voeren.
Klopt het dat provincies en terreinbeheerders weliswaar aangeven dat kamperen mogelijk is, maar dat de vereiste voorzorgsmaatregelen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn voor scholen?
Navraag bij de provincies heeft uitgewezen dat hierover geen advies is gegeven. Ook andere adviezen over eventuele voorzorgsmaatregelen zijn mij niet bekend.
Bent u van mening dat het huidige wolvenbeleid voldoende rekening houdt met de veiligheid van kinderen, recreanten en onderwijsinstellingen in gebieden waar wolven zich permanent vestigen? Kunt u het antwoord toelichten?
Nee. Het aantal wolven dat zich permanent gevestigd heeft in Nederland is in de afgelopen jaren toegenomen. Een toename van het aantal meldingen en incidenten is daarbij helaas onvermijdelijk gebleken. Ik heb gesproken met schaapherders die de wanhoop nabij zijn en met visueel beperkten wiens blindengeleidehond, en daarmee bewegingsvrijheid, ernstig bedreigd wordt. Daarnaast heb ik meerdere signalen ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van een brandbrief van Gelderse burgemeesters en eind januari een petitie uit de gemeente Barneveld, dat de situatie ernstig uit de hand dreigt te lopen. Om die reden had ik de AMvB in voorbereiding, om lokale overheden meer mogelijkheden te geven bij incidenten.
In hoeverre acht u het acceptabel dat langdurige onderwijs- en sporttradities, zoals schoolkampen en buitenactiviteiten, onder druk komen te staan door de aanwezigheid van wolven?
Ik acht dat onacceptabel.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment genomen om te voorkomen dat wolven zich blijven ophouden in de nabijheid van dorpen, scholen en recreatiegebieden?
Om te voorkomen dat wolven zich blijvend ophouden in de buurt van mensen, wordt o.a. door het Landelijk Informatiepunt Wolven gecommuniceerd wat men kan doen als men een wolf ziet en dat wolven niet moeten worden gevoerd voeren.
Ook werk ik aan een ruimtelijke visie gericht op wolven in Nederland. Deze visie geeft antwoord op de vraag welke ruimte primair wenselijk is voor wolven (en welke niet), waarbij zowel rekening wordt gehouden met de ecologie van de soort als met maatschappelijk draagvlak. Deze ruimtelijke visie betreft een visie op landelijke schaal en dient met het oog op de bevoegdheidsverdeling dan ook als ondersteuning voor aan provincies en gemeenten bij het formuleren van hun ruimtelijk beleid en/of het nemen van ruimtelijke maatregelen. Door de visie vast te stellen in nauwe samenspraak met deze andere overheden, wordt mogelijk gemaakt dat deze werken aan verdere uitwerking in ruimtelijk beleid en ruimtelijke maatregelen. De visie wordt geschreven binnen het juridische kader van wat mogelijk is binnen de beschermde status van de wolf. De ruimtelijke visie wolf biedt plaats voor de verschillende opvattingen van de verschillende provincies en agrarische en ecologische experts. In deze visie worden de onvermijdelijke keuzes benoemd in situaties waarin dierhouderij, recreatie of ander intensief menselijk gebruik niet samengaat met de aanwezigheid van wolven. De ruimtelijke visie beschouwt hiertoe de ruimte bestemd voor wolven door de lens van de ecologie, landbouw, recreatie en veiligheid en plaatst deze verschillende perspectieven naast elkaar. De visie brengt belangrijke keuzes in kaart die aan de hand van de visie genomen kunnen worden.
Kunt u aangeven wat op dit moment de economische gevolgen zijn voor recreatiegebieden en toeristensector? Heeft u inzicht in de financiële schade van deze ondernemers? Kunt u het antwoord toelichten?
Als uitvoering van de motie-Van Campen/Eerdmans die de regering verzoekt zowel de directe economische impact van wolvenaanvallen, zoals sterfte van landbouwhuisdieren, als de indirecte impact, zoals op de recreatiesector, in kaart te brengen (Kamerstuk 33 576, nr. 426) wordt op dit moment door Wageningen Social & Economic research onderzoek uitgevoerd naar de economische gevolgen van de aanwezigheid van de wolf op de agrarische en toeristische sector. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor de zomer opgeleverd.
Bent u of is het ministerie inmiddels in gesprek gegaan met de betreffende scholen, sectoren, ondernemers en bewoners?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, ben ik reeds in gesprek geweest met groepen mensen die zich zorgen maken en hebben mij meerdere signalen bereikt over de ernst van de situatie.
Welke handelingsperspectieven kunnen scholen op korte termijn verwachten wanneer zij worden geconfronteerd met wolven in de directe omgeving van geplande activiteiten?
De VNG heeft het Handelingsperspectief voor burgemeesters gepubliceerd.2 Hierin staan de op dit moment geldende mogelijkheden beschreven voor burgemeesters om op te treden bij incidenten met wolven.
Wat zijn op dit moment de laatste cijfers rondom het aantal wolven(roedels) wat actief is in Nederland? Ziet u een verspreiding verder over Nederlandse provincies?
Het aantal wolvenleefgebieden in Nederland wordt geschat op 15 tot 16, bestaande uit 13 tot 14 roedels en twee solitaire wolven. Voor de verspreiding over Nederland verwijs ik u naar de website van BIJ12.3
Wanneer kan de Kamer inzicht krijgen in het nader onderzoek naar de staat van instandhouding voor de wolf?
In mijn brief over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven in Nederland van 19 september 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ik aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat van Instandhouding van wolven in Nederland, door een internationale deskundige onderzoekspartij. De opdracht hiertoe is verleend en de onderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding, naar verwachting in Q2 van dit jaar.
Deelt u de mening dat de jonge zwervende wolven een groot risico vormen voor de verkeersveiligheid en dat het onwenselijk is het ingrijpen van een dierenarts om een wolf uit zijn lijden te verlossen kan leiden tot een tuchtzaak tegen de betreffende dierenarts? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dieren in de natuur die zich verplaatsen over wegen, zoals wolven, vormen een risico voor de verkeersveiligheid. Ik vind het in het belang van het dierenwelzijn als een dierenarts een wolf uit zijn lijden verlost. Dit zou geen klacht bij het veterinair tuchtcollege moeten opleveren.
Een klacht bij het veterinair tuchtcollege kan worden ingediend tegen een dierenarts (of andere diergeneeskundige) als men twijfelt of aan de zorgplicht is voldaan. De zorgplicht staat beschreven in artikel 4.2 van de Wet dieren. De klacht kan worden ingediend door degene die als gevolg van het handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen of door de klachtambtenaar. Of de klacht ontvankelijk is bepaald het veterinair tuchtcollege. Ten aanzien van de vraag of een klacht wenselijk is of niet, geldt dat bij wet geregeld is wie een klacht mag indienen en op welke gronden. Het veterinair tuchtcollege beoordeelt inhoudelijk of de desbetreffende dierenarts in zijn of haar veterinair handelen juist gehandeld heeft of tekort is geschoten. Dit oordeel is aan het veterinair tuchtcollege.
Bent u bekend met de hernieuwde hulpvraag vanuit provincies en gemeenten die behoefte hebben aan een duidelijk handelingskader, zodat ze zonder risico voor rechtsvervolging kunnen optreden als de situatie uit de hand loopt?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Provincies en burgemeesters die te maken hebben met incidenten met wolven willen kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden. In december 2024 ben ik daarom samen met provincies gestart met de Landelijke Aanpak Wolven (LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt met verschillende onderdelen van de LAW waar ik u onlangs over heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 474). Onderdeel van de LAW was de AMvB die meer duidelijkheid had kunnen bieden voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.
Het bericht in de Linda 'Nicole (45) is door Long Covid al vier jaar niet thuis geweest: ik zie mijn kinderen een keer per week’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de ervaringen van mensen zoals Nicole (45), van wie het leven op zijn kop staat door post-covid of PAIS?1
Krijgen mensen met complexe Long Covid-problematiek voldoende ondersteuning /begeleiding om de juiste zorg te vinden?
Kunt u een update geven van de stand van zaken van biomedisch en klinisch onderzoek met financiering via ZonMw naar post-covid?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het Post-Covid Netwerk Nederland en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van stichting C-support en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de post-covid expertisecentra en hun werkzaamheden en financiering?
Is bekend hoeveel mensen met ernstige post-covidproblematiek langdurig zorg en ondersteuning nodig hebben, zoals zorg met verblijf? Zo nee, wilt u dit inzichtelijk maken?
Hoeveel plaatsen voor langdurige zorg met verblijf voor (jongere) mensen zijn er beschikbaar in Nederland en is dit voldoende? Kunnen mensen met post-covid hier ook gebruik van maken?
Welke mogelijkheden ziet u om plekken waar zorg met verblijf wordt aangeboden, zoals revalidatiecentra, logeerhuizen en hospices, te ondersteunen om mensen met post-covid beter te kunnen helpen?
Klopt het dat post-covid-expertisecentra door middel van een lotingsysteem mensen behandelen? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel mensen hierdoor wel en niet geholpen kunnen worden?
Zo ja, waarom is er voor een lotingssysteem gekozen? Waarom is er niet gekozen om de meest kwetsbare mensen eerst te behandelen?
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Ja, ik heb in het bericht gelezen over de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging. Dat is aan verenigingen zelf. Daarbij is het aanbevelingswaardig dat sportverenigingen helder en consistent communiceren over hun reglement richting hun leden. Het is aan het bestuur van de vereniging om te bezien of de vastgelegde regels en de communicatie daarover voldoende op elkaar zijn afgestemd.
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Sportverenigingen hebben de vrijheid om hier afspraken over te maken en dit vast te leggen in hun reglementen. Dat betekent dat zij leden in beginsel kunnen verplichten om na het sporten te douchen of zich op te frissen. NOC*NSF geeft aan dat douchen na trainingen en wedstrijden wordt gestimuleerd, onder meer vanuit hygiënisch oogpunt en ter bevordering van herstel en blessurepreventie.
Het is belangrijk dat sportverenigingen het beleid rondom sociale veiligheid zorgvuldig vormgeven, rekening houdend met persoonlijke grenzen, privacy en de ontwikkelingsfase van minderjarigen. In de praktijk gaan verenigingen in gesprek met leden, sporters en ouders, bieden ruimte voor maatwerk en maken alternatieven mogelijk. Diverse sportbonden adviseren en ondersteunen hun verenigingen daarbij, onder andere aan de hand van handreikingen en adviezen op hun websites.
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging.
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het is aan verenigingen zelf om hun beleid te ontwikkelen en hierover reglementen te laten vaststellen door hun ledenvergadering. NOC*NSF voegt daaraan toe dat er geen landelijke, richtlijnen zijn die specifiek voorschrijven of en hoe sportverenigingen omgaan met het douchen door minderjarigen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht 'Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: ‘Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht’' |
|
Peter de Groot (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
De rechtspositie van reservisten |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Financieele Dagblad waarin gepleit wordt dat de rechtspositie van reservisten, en die van hun werkgever, beter moet worden beschermd?1
Deelt u de analyse uit het genoemde artikel dat de huidige rechtspositie van reservisten, met name bij langdurige inzet of bij letsel, onduidelijk is en te veel afhankelijk is van individuele afspraken of cao-bepalingen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe de huidige juridische kaders zijn vormgegeven rondom inzet, verlof, loondoorbetaling en aansprakelijkheid van reservisten?
Bent u het met arbeidsrechtspecialist Nataschja Hummel eens dat reservisten in feite «twee werkgevers» hebben en dat dit zonder heldere wetgeving voor onduidelijkheid en risico’s zorgt, zowel voor de werknemer als de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Acht u de huidige kostenvergoeding, van € 55 per dag bij langdurige inzet van een reservist, toereikend en eerlijk ten opzichte van werkgevers die loyaal meewerken aan nationale veiligheid?
Kunt u aangeven hoeveel werkgevers momenteel gebruikmaken van cao-bepalingen of eigen beleid ten behoeve van reservistenverlof?
In hoeverre wordt de inzet van reservisten momenteel belemmerd door juridische onduidelijkheid of terughoudendheid van werkgevers?
Kunt u een overzicht geven van welke wet- en regelgeving volgens u belemmerend kan zijn voor werkgevers om met hun werknemers af te spreken dat zij naast hun werk reservist kunnen worden?
Kunt u inzichtelijk maken hoe andere NAVO-landen de inzet en bescherming van reservisten juridisch hebben verankerd en wat Nederland daarvan kan leren?
Wat is uw mening met betrekking tot het pleidooi om de rechtspositie van reservisten wettelijk vast te leggen, in plaats van over te laten aan cao-afspraken?
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Ernstige verwondingen, ontbrekende registratie en risico’s bij de inzet van politiehonden. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Heeft u er kennis van genomen dat een student van de Radboud Universiteit, nadat deze door een politiehond werd gebeten, twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, vijf keer is geopereerd, vijf maanden heeft moeten herstellen, en levenslang is misvormd?2 Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat het vooraf nooit met zekerheid is in te schatten hoe een hond in een hoogstressvolle situatie reageert, wie wordt gebeten, en welke verwondingen daarbij worden toegebracht?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren herhaaldelijk is gebleken dat politiehonden in stressvolle situaties onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat leidt tot onbedoelde bijtincidenten en (ernstige) verwondingen?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden daarmee kan worden aangemerkt als een zeer zwaar en onvoorspelbaar geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord om een geweldsmiddel in te zetten waarbij er een hoge onzekerheid is hoeveel schade er wordt aangericht en aan wie? Zo ja, waarom?
Herinnert u zich dat u in eerdere in antwoorden op Kamervragen hebt aangegeven dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers, arrestanten of omstanders gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Kunt u bevestigen dat werkgevers op basis van artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet een lijst moeten bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, ziekenhuisopname of verzuim van meer van drie werkdagen? Kunt u bevestigen dat deze verplichting ook voor de politie geldt?
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht verschaffen van de bijtincidenten met politiehonden in de afgelopen vijf jaar die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onlangs een landelijk meldpunt tegen hondenbeten heeft gelanceerd, met als doel inzicht te krijgen in hoeveel en wat voor bijtincidenten per jaar plaatsvinden?
Deelt u de mening dat inzicht in het totale aantal bijtincidenten door politiehonden relevant is om een volledig beeld te krijgen van hondenbeten en om de proportionaliteit van de inzet van politiehonden te kunnen beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de politie te verzoeken om deze gegevens voortaan structureel te registreren? Bent u bereid om deze gegevens periodiek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat de inzet van politiehonden daarnaast ook nog eens grote welzijnsrisico’s voor de honden zelf met zich meebrengt, zoals extreme stress en verwondingen die zelfs kunnen leiden tot de dood?4
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het buiten beeld blijven van bijtincidenten door politiehonden bij het Landelijk Meldpunt tegen hondenbeten. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten? Wat is uw reactie op deze beelden?1
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) als doel heeft gesteld om het aantal hondenbeten te verminderen, omdat deze «heftig» zijn en «grote gevolgen hebben voor zowel het slachtoffer als betrokkenen»?2
Bent u ervan op de hoogte dat hondenbeten door politiehonden tot dusverre niet worden geregistreerd, ondanks de grote gevolgen voor betrokkenen?3
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LVVN graag inzicht wil krijgen in de omvang van het probleem van hondenbeten en daarom vorige week een landelijk meldpunt heeft gelanceerd?
Kunt u aangeven of het aantal hondenbeten door politiehonden expliciet wordt meegenomen in dit landelijke meldpunt tegen hondenbeten? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid om de politie op te roepen om deze gegevens alsnog bij te houden en te delen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat politiehonden tijdens hun inzet geregeld worden geconfronteerd met stressvolle en gevaarlijke situaties, waarbij het niet te voorkomen is dat geweld tegen de honden wordt gebruikt, ze gewond raken, pijn lijden of zelfs komen te overlijden?
Kunt u bevestigen dat het voorzien van een comfortabele en veilige omgeving voor dieren, het zorgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn een belangrijk onderdeel is van de Wet dieren?
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een docente van het ROC Nijmegen minderjarige leerlingen in de klas heeft geronseld voor pro-Palestina-demonstraties en hen heeft blootgesteld aan eenzijdige, activistische en antisemitische propaganda?1
Deelt u de mening dat het ronselen van leerlingen voor demonstraties, het verspreiden van boycotapps tegen Israëlische producten wat kan worden gezien als een antisemitische boycot en het tonen van activistische en antisemitische propaganda in een klaslokaal niets met onderwijs te maken heeft en een vorm is van politieke en ideologische indoctrinatie?
Deelt u de mening dat het door een docent in het onderwijs suggereren dat «Joden» of «pro-Joden» genocide zouden steunen en het vals framen van Israël als een «genocidale staat» antisemitisch is en rechtstreeks bijdraagt aan een onveilig en intimiderend klimaat voor Joodse leerlingen op school en bovendien olie op het vuur gooit van Jodenhaat in Nederland?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze docente actief is binnen Extinction Rebellion (XR) en «Docenten voor Palestina» en haar antisemitische activisme zichtbaar verweeft met haar onderwijs aan minderjarige studenten, en acht u dit verenigbaar met de vereiste politieke en ideologische neutraliteit van het onderwijs?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om antisemitisme in het onderwijs hard aan te pakken en Joodse leerlingen te beschermen, en bent u bereid landelijk en afdwingbaar vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen en het verboden is om leerlingen op te roepen tot politieke acties, demonstraties en boycots, met daaraan verbonden duidelijke sancties bij overtreding?
Een politieagent die werd aangevallen door een politiehond. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Kunt u bevestigen dat het vanuit de Arbeidsomstandighedenwet belangrijk is om werknemers en derden te beschermen tegen gevaren?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden een zeer zwaar geweldsmiddel is, zoals ook aangegeven door de politie, en tevens een onvoorspelbaar geweldsmiddel is, gezien de incidenten?2 Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de Arbeidsomstandighedenwet voorschrijft dat de werkgever de arbeid zodanig moet organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1a)?
Kunt u bevestigen dat de gevaren en risico’s zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1b)?
Kunt u aangeven of en hoe de politie (periodiek) evalueert of en in welke mate de inzet van politiehonden gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening noodzakelijk is, ondanks de nadelige invloed op de veiligheid van de werknemers?
Bent u ermee bekend dat op eerdere Kamervragen over een politiehond die werd neergeschoten nadat die zich tegen het eigen arrestatieteam keerde, de Minister van Justitie en Veiligheid aangaf dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Hoe verhoudt dit zich tot artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet, die voorschrijft dat een werkgever een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen?
Kunt u bevestigen dat werkgevers onder de Arbeidsomstandighedenwet verplicht zijn om risico’s vooraf goed in kaart te brengen en een plan op te stellen om ongelukken en schade waar mogelijk te voorkomen?4
Kunt u aangeven of er een plan is opgesteld om politieagenten die in aanraking komen met politiehonden te beschermen tegen mogelijke schade en in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit de Arbeidsomstandighedenwet?
Kunt u aangeven of de politie een Risico Inventarisatie en Evaluatie heeft opgesteld waarin expliciet is opgenomen hoe alle agenten die in aanraking komen met politiehonden worden beschermd tegen bijtincidenten? Kunt u aangeven in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit Arbeidsomstandighedenwet?
Bent u bereid om met de Minister van J&V en de politie in overleg te treden om te kijken hoe politieagenten en derden beter kunnen worden beschermd tegen (ernstige) verwondingen door beten van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij door het kabinet altijd ondubbelzinnig veroordeeld.
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Dergelijke berichten over ontvoeringen van Alawitische vrouwen en meisjes zijn bij het kabinet bekend en zijn zeer verontrustend. In alle contacten, zowel bilateraal als in EU-verband, onderstreept het kabinet het belang van het borgen van de rechten en veiligheid van álle Syrische gemeenschappen. Ook zet het kabinet zich, eveneens in EU-verband, in voor het bevorderen van de mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid in Syrië. Hiertoe dragen wij bij aan het monitoren, documenteren en onderzoeken van mogelijke mensenrechtenschendingen, onder meer via het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism. Duidelijkheid ten aanzien van deze berichten over ontvoeringen kan op verschillende manieren worden bereikt, waaronder via deze bestaande mechanismen.
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat doorlopend in contact met alle Syrische gemeenschappen en diaspora, waaronder de Druzische. In recente contacten, waaronder op 5 februari met de Minister-President, hebben diverse vertegenwoordigers van deze gemeenschappen hun zorgen geuit en vragen gesteld over het beleid van het kabinet. In deze gesprekken werden deze zorgen erkend en is dezerzijds het kabinetsbeleid gedeeld ten aanzien van de bescherming van (religieuze) gemeenschappen in Syrië, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief van d.d. 19 september jl.
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Het kabinet is bekend met dergelijke berichtgeving, maar heeft op dit moment geen indicaties dat sprake is van doelgerichte vrijlatingen van IS-gevangenen door het Syrische leger.
Ten aanzien van de veiligheid geldt dat het kabinet, met alle betrokken nationale- en internationale partners, de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houdt, specifiek ten aanzien van de IS-gevangenen.
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet draagt op verschillende manieren bij aan de bescherming van de diverse gemeenschappen in Syrië, waaronder via bilaterale en multilaterale contacten, door onze bijdragen aan stabilisatie, door het ondersteunen van mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en door gerichte inzet van sancties middels de EU.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Syrië en heeft als doel religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Voor meer over het kabinetsbeleid ten aanzien van de bescherming van Syrische minderheden verwijs ik u graag door naar de eerder genoemde Kamerbrief van 19 september jl.
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Op Nederlands initiatief zijn sancties ingesteld tegen groepen en individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan sektarisch geweld. Mocht geverifieerde berichtgeving of onderzoek hiertoe aanleiding geven, dan kan het kabinet zich, via de EU, opnieuw hard maken voor het instellen van aanvullende gerichte sancties.
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De recente gebeurtenissen in noordoost-Syrië zijn met grote zorg door het kabinet gevolgd. Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen zijn zeer ernstig.
Ten aanzien van het grootschalige geweld in Latakia van maart 2025 en in Sweida van juli 2025 acht het kabinet van groot belang dat de verantwoordelijken voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen ter verantwoording worden geroepen. Het kabinet verwelkomt in dit kader de publicatie van het rapport van de VN Commission of Inquiry van 14 augustus 2025 en acht het van belang dat de aanbevelingen worden opgevolgd en de daders gestraft. Het kabinet blijft dit proces nauwlettend volgen en wacht in dit kader het rapport van de VN Commission of Inquiry ten aanzien van de gewelddadigheden in Sweida af.
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, juist omdat economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid, iets waar álle Syrische gemeenschappen bij gebaat zijn. Tegelijkertijd heeft het kabinet zich binnen de EU hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de bredere Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en zal – waar nodig – passende en proportionele maatregelen nemen.
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Op 30 januari jl. zijn de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) tot een overeenkomst gekomen, onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren en integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat. De betrokken partijen zijn sindsdien begonnen met de praktische implementatie van deze overeenkomst, waarbij sprake lijkt van een relatief rustige en gestabiliseerde situatie in het noordoosten. Het kabinet verwelkomt de overeenkomst van 30 januari en heeft, samen met landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk consequent opgeroepen tot een duurzame oplossing en het belang van dialoog om die te bereiken.
De budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent om vastgoed uit zonderen van de vermogensaanwasbelasting in box 3 door hiervoor een vermogenswinstbelasting te hanteren?
Ja. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2028 het werkelijke rendement te belasten in box 3. De belasting wordt als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Klopt het dat u in het toetsingskader fiscale regelingen aangeeft dat deze uitzondering voor vastgoed «in de eerste jaren kan oplopen tot één miljard euro per jaar» maar niet aangeeft wat de totale budgettaire derving is?
Dat klopt. Ten behoeve van het toetsingskader fiscale regelingen is een eerste indicatie gegeven voor de kosten van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, ten opzichte van een volledige vermogensaanwasbelasting. Recent is een gedetailleerde raming gemaakt, zie onderstaande tabel. De raming voor de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting op aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen staat in het toetsingskader.
3.538
3.225
2.925
2.721
2.506
2.335
2.176
2.065
1.925
533
Klopt het dat u in hetzelfde toetsingskader fiscale regelingen wél aangeeft wat de totale budgettaire derving is bij de uitzondering voor startups? Waarom heeft u hier wel het totale bedrag genoemd en bij de uitzondering voor vastgoed niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eerder in het verslag over het wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3 hebben gevraagd wat de budgettaire gevolgen zijn van deze uitzondering voor vastgoed en dat daarop uw antwoord was dat deze uitzondering voor vastgoed de komende tien jaar zo’n 23 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
In de nota naar aanleiding van het verslag is een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA beantwoord over de budgettaire gevolgen als gekozen zou worden voor een volledige vermogensaanwasbelasting in plaats van het hybride stelsel (bij gelijkblijvende parameters).1 Daaruit valt inderdaad af te leiden dat het cumulatieve budgettaire belang van een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de eerste 10 jaar uitkomt op circa 23 miljard euro. De structurele opbrengsten van een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting (met gelijke parameters) zullen gelijk zijn.
Klopt het dat u tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 19 januari 2026 hebt erkend dat deze uitzondering voor vastgoed de komende dertig jaar zo’n 42 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
Het klopt dat de vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de komende dertig jaar cumulatief een budgettair belang van zo’n € 42 miljard heeft. Echter, het kabinet heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Ook bij een volledige vermogensaanwasbelasting zou het kabinet gekozen hebben voor een budgetneutrale invoering ten opzichte van het basispad. Het basispad is in dit geval het stelsel dat gold tot en met 2022 inclusief alle structurele wijzigingen sindsdien en exclusief de kosten van de hersteloperaties. Zodoende zouden de parameters van een stelsel met volledige vermogensaanwasbelasting worden aangepast zodat de opbrengst overeenkomt met de opbrengst van het hybride stelsel dat in het huidige wetsvoorstel is opgenomen. Er kan dus niet geconcludeerd worden dat een stelsel op basis van volledige vermogenswinstbelasting € 42 miljard meer oplevert in de eerste 30 jaar dan het voorgestelde hybride stelsel.
Wat is het totale bedrag dat deze uitzondering voor vastgoed gaat kosten, dus het totale bedrag (cumulatief) totaan het moment dat de structurele opbrengsten van vermogensaanwas en vermogenswinst aan elkaar gelijk zijn?
Het moment waarop de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid ligt verder in de toekomst dan het jaar tot waar op dit moment geraamd kan worden (2060). Het is dus niet mogelijk om een reeks te presenteren tot het moment dat de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid.
Hoe is het mogelijk dat dit totale bedrag nooit eerder is gecommuniceerd richting de Kamer, terwijl het hier gaat om een nieuwe fiscale regeling die de overheid meer dan 42 miljard euro aan budgettaire derving gaat kosten?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat, in tegenstelling tot wat door sommige Kamerleden in het wetgevingsoverleg werd beweerd, deze budgettaire derving nooit wordt ingelopen omdat je bij een vermogenswinstbelasting constant (nieuwe) belastinginkomsten naar de toekomst doorschuift?
Het klopt dat bij een vermogenswinstbelasting de derving die in de eerste jaren ontstaat in latere jaren niet meer wordt ingelopen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt pas belasting geheven op het moment van vervreemding. Dit betekent dat per jaar maar over een deel van de vermogensbestandsdelen belasting wordt geheven. Stel dat de gemiddelde bezitsduur 4 jaar is (in werkelijkheid is dit bij woningen aanzienlijk langer). Dan wordt per jaar over een kwart van de vermogensbestandsdelen belasting geheven. Pas als alle vermogensbestandsdelen minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld is de vermogenswinstbelasting volledig ingegroeid, maar de ontstane derving niet ingelopen.
Kunt u, in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet, heel stevig onderbouwen waarom deze fiscale uitzondering voor vastgoed doelmatig zou zijn, gelet op de budgettaire derving van minstens 42 miljard euro?
Voor alle vermogensbestanddelen geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. Voor onroerende zaken wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De waardeontwikkeling wordt daardoor in de heffing betrokken bij vervreemding. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor bezitters van onroerende zaken. Bezitters van onroerende zaken betalen in veel gevallen namelijk op een later moment belasting over hun vermogenswinst. Bij de indiening van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is als onderbouwing van de gemaakte beleidskeuzes opgemerkt dat in het wetsvoorstel een balans is gezocht tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement. Dit is onder andere tot uitdrukking gekomen in het vermogenswinststelsel voor onroerende zaken (en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen) en in de forfaitaire vaststelling van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is van mening dat deze balans met het ingediende voorstel zo goed als mogelijk gevonden is en dat het voorstel daarmee ook doelmatig is.
Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, dan zou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten tot uitdrukking komende) waardestijging bij een beperkt aantal belastingplichtigen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen. Indien belastingplichtigen in liquiditeitsproblemen komen bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid tot een betalingsregeling bij de Belastingdienst. In het geval dat dit geen soelaas biedt, zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over de vermogensaanwas van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Daarbij komt dat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. Als gevolg hiervan zouden deze bezitters van onroerende zaken eventueel met schuldproblematiek te maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Kunt u aangeven wat de totale budgettaire derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting (cumulatief, tot aan het moment dat de opbrengsten structureel gelijk zijn)?
Zoals beschreven in het antwoord op vragen 4 en 5, zouden bij gelijkblijvende parameters de opbrengsten van een volledige vermogensaanwasbelasting in de eerste 10 jaar uitkomen op circa € 23 miljard euro meer dan in het voorgestelde hybride stelsel, oplopend tot circa € 42 miljard de eerste 30 jaar. De incidentele derving van een volledige vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de € 5 miljard in de eerste 5 jaar.2 Het kabinet heeft altijd het uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt.
Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden gelijktijdig met de toegezegde antwoorden op openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg?
De antwoorden op de openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg zijn op 22 januari 2026 verzonden.3 Het is helaas niet gelukt om de beantwoording op deze vragen in die brief op te nemen.
Het bericht 'Sluipmoordenaar op de werkvloer: 3.000 doden per jaar door schadelijke stoffen' |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat jaarlijks ruim 3.000 mensen in Nederland overlijden aan beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, en dat circa één miljoen werknemers hiermee in aanraking komen?1
Deelt u de zorg dat blootstelling aan gevaarlijke stoffen vaak onzichtbaar is en dat gezondheidsschade zich pas na jaren openbaart, waardoor risico’s in de praktijk worden onderschat door werkgevers én werknemers?
Hoe vaak en op welke schaal worden er in Nederland daadwerkelijk blootstellingsmetingen op persoonsniveau uitgevoerd, zoals beschreven in het artikel, en in hoeveel gevallen gebeurt dit op initiatief van de werkgever versus naar aanleiding van toezicht of handhaving door de Arbeidsinspectie?
Kunt u aangeven om welke sectoren of beroepsgroepen het gaat waar de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet direct zichtbaar is, maar waar desondanks nog onvoldoende maatregelen worden genomen om de risico’s op blootstelling te beperken?
Acht u het huidige toezicht en de handhaving voldoende, met name bij bedrijven waar geen zichtbare uitstoot of «klassieke» industriële risico’s aanwezig lijken te zijn? Zo ja, waarop baseert u dat; zo nee, welke verbeteringen acht u noodzakelijk?
Erkent u het beeld dat richtlijnen op de werkvloer tekortschieten, zoals wordt gesteld in dit artikel? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen structureel terug te dringen?
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Het bericht dat de kinderrechter Jeugdbescherming Noord ontslaat in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde. |
|
Bente Becker (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kritische kinderrechter ontslaat Jeugdbescherming Noord in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde» in het Dagblad van het Noorden d.d. 16 januari 2026 inzake de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:78)?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een rechter op deze wijze de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) beëindigt?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van het verscherpte toezicht vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op Jeugdbescherming Noord?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van de kritische rapporten «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» en «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid? Kunt u in antwoord op deze vraag ook toelichten of en zo ja welke systeemverantwoordelijkheid u ziet wanneer een rechter ook in deze casus zo expliciet concludeert dat «geen verantwoorde hulp» is geleverd?
Deelt u de mening dat het belang van het kind bij partnerdoding altijd voorop zou moeten staan? Klopt het dat bij partnerdoding zonder strafrechtelijke vervolging (bijvoorbeeld door overlijden van de verdachte) in de praktijk soms terughoudendheid ontstaat om de feiten als uitgangspunt te nemen? Hoe voorkomt u dat kinderen hierdoor in onzekerheid blijven?
Vindt u het wenselijk dat er door een GI kan worden afgeweken van het «Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding» wanneer sprake is van partnerdoding? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat hier in de toekomst sprake van kan zijn?
Is er momenteel sprake van een zekere vorm van prioritering binnen de hulpverlening die wordt geboden door de GI’s, bijvoorbeeld op basis van de ernst van een casus? Zo ja, op welke wijze is dit ingericht? En leidt partnerdoding tot een prioritering van hulpverlening aan kinderen die onder voogdij geplaatst worden bij een GI?
Kunt u de Kamer informeren welke concrete maatregelen u neemt om te voorkomen dat kinderen na partnerdoding/femicide opnieuw schade oplopen door gebrek aan regie, expertise of tijdige hulp vanuit de GI of een andere instantie?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Jeugd d.d. 2 februari 2026?
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?