| Ingediend | 20 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 8 juni 2026 (na 49 dagen) |
| Indiener | Diederik Boomsma (CDA) |
| Beantwoord door | Letschert |
| Onderwerpen | onderwijs en wetenschap organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z08370.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2171.html |
Ja
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Zie antwoord vraag 4.
Zie antwoord vraag 4.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zie antwoord vraag 7.
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Op 20 april 2026 heeft het lid Boomsma (JA21) schriftelijke vragen gesteld over het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar behoefte aan is buiten de boot vallen. Tot mijn spijt is beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk, omdat voor de beantwoording aanvullende informatie over inschrijfcijfers en studentenaantallen benodigd is. Ik zal de vragen binnen de daarvoor geldende termijn van 6 weken beantwoorden.