Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Ja. Ik ben bekend met het artikel. Ik deel de opvatting dat onnodige financiële belemmeringen voor ouderen die naar een passende woning willen verhuizen, zoveel mogelijk moeten worden weggenomen. Een beslissing om te verhuizen hangt echter niet alleen samen met de financiering. Ook de beschikbaarheid van een geschikte woning, de toekomstige woonlasten, de wens om in de eigen omgeving te blijven en de praktische gevolgen van een verhuizing spelen een rol. Het kabinet zet daarom zowel in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor ouderen en het verbeteren van hun financieringsmogelijkheden, als op goede informatievoorziening over de mogelijkheden om passend te wonen en te verhuizen. Uitgangspunt blijft dat een hypotheek voor de consument verantwoord en betaalbaar moet zijn.
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Het is niet mogelijk om in absolute aantallen aan te geven hoeveel woningen of verhuisbewegingen kunnen worden gerealiseerd door het bevorderen van de doorstroming van senioren. De beschikbare CBS-gegevens over de gemiddelde lengte van verhuisketens zijn niet uitgesplitst naar leeftijdsgroep.
Wel is bekend dat oudere huishoudens bij een verhuizing relatief vaak een ruime koopwoning achterlaten. Een dergelijke verhuizing kan een verhuisketen op gang brengen, doordat de vrijgekomen woning bijvoorbeeld wordt betrokken door een gezin dat vervolgens zelf een andere woning achterlaat. Langs deze weg kunnen uiteindelijk ook woningen beschikbaar komen voor starters. De precieze omvang van dit effect kan op basis van de beschikbare gegevens echter niet worden gekwantificeerd.
Het kabinet zet daarom in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor senioren en op het wegnemen van belemmeringen voor verhuizing, zodat de doorstroming op de woningmarkt verder wordt bevorderd.
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Ik deel deze opvatting voor zover het gaat om tijdelijke doorstroomfinanciering, zoals een overbruggingshypotheek. Bij een reguliere, langlopende hypotheek is het inkomen leidend. Om de hypotheeklasten langdurig te kunnen dragen, moeten er voldoende bestendige inkomsten zijn. Vermogen of overwaarde kan die maandelijkse lasten immers niet vervangen.
Bij een kortlopende financiering die uit de verkoopopbrengst van de huidige woning wordt afgelost, kan aan het vermogen en het onderpand wél meer gewicht worden toegekend. De omvang van het vermogen, de overwaarde, de waarde van de woning en de hoogte van de bestaande hypotheekschuld bepalen dan in belangrijke mate of de lening kan worden terugbetaald. De huidige regels bieden hiervoor al ruimte. Kredietaanbieders kunnen daarnaast in individuele gevallen gemotiveerd maatwerk toepassen wanneer zij kunnen onderbouwen dat de financiering verantwoord is. Ik ga met de sector na of senioren die een woning hebben met substantiële overwaarde in de praktijk knelpunten aan de financieringskant ervaren als zij willen verhuizen en of er verbeteringen mogelijk zijn.
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Gegevens uit de CBS Woonbase laten zien dat de gemiddelde en de totale overwaarde van woningeigenaren verschillen per leeftijdsgroep. Zo bedroeg op peilmoment 1 januari 2024 voor de leeftijdsgroep van 65 jaar of ouder de gemiddelde overwaarde ongeveer € 374.000 en de totale som aan overwaarde ongeveer € 540 miljard. Onderstaande tabel geeft dit beeld voor de onderscheiden leeftijdsgroepen.
Tot 35 jaar
127
65
511
35 tot 65 jaar
260
690
2.650
65 jaar of ouder
374
540
1.440
Bron: CBS Woonbase, bewerking Ministerie van BZK.
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
De komende drie maanden richt ik mij, samen met de Minister van Financiën, vooral op het beter beschikbaar en toegankelijk maken van overbruggingsfinanciering binnen het bestaande kader. Via de uitvoering van de motie-Steen c.s. wordt daarnaast de doorstroomhypotheek uitgewerkt.
Allereerst rond ik de evaluatie van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen af. Uit de gesprekken met kredietaanbieders, adviseurs en belangenorganisaties blijkt dat voor een groot deel van de doelgroep al een oplossing mogelijk is met een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek en een overbruggingshypotheek. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders onder voorwaarden een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden zijn echter niet altijd bij consumenten bekend en de voorwaarden verschillen per kredietaanbieder.
Ik zet daarom in op betere informatievoorziening aan senioren en adviseurs en op meer eenduidigheid in de aanvraag- en adviespraktijk. Daarnaast bespreek ik met de sector of de eenmalige kosten omlaag kunnen: bij een lening met een korte looptijd drukken de kosten voor onder meer advies, taxatie en notaris relatief zwaar. Bezien wordt welke onderdelen van het proces eenvoudiger en goedkoper kunnen, zonder afbreuk te doen aan een zorgvuldig advies en een verantwoorde kredietverlening. Op het Platform Hypotheken in het najaar van 2026 zal dit onderwerp met de sector worden besproken. De Kamer zal zoals gebruikelijk over de uitkomsten van het Platform worden geïnformeerd, naar verwachting in het voorjaar van 2027.
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Binnen het huidige kader bestaan al mogelijkheden om bij de kredietwaardigheidstoets rekening te houden met de individuele situatie van senioren. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden op basis van de leennormen niet de gewenste financiering kan krijgen. Daarnaast mogen kredietaanbieders de lopende verplichtingen onder de hypotheek voor de financiering van de nog niet verkochte woning, inclusief de kosten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij het bepalen van de maximale hypotheek voor de nieuwe woning.
Ter uitvoering van de motie-Steen c.s.2 bezie ik samen met de Minister van Financiën, toezichthouders, financiële instellingen of de huidige regelgeving en de toepassing daarvan voldoende ruimte bieden om bij tijdelijke doorstroomfinanciering rekening te houden met vermogen en eventuele overwaarde. Blijkt daaruit dat een concrete belemmering bestaat in de leennormen of de toepassing daarvan, dan zal worden bezien of een aanpassing nodig en verantwoord is. Uitgangspunt blijft dat de financiering voor de consument verantwoord moet zijn.
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Ik ben bereid de mogelijkheid van rentebijschrijving nader te verkennen in de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek (zie ook antwoord op vraag 8). Rentebijschrijving kan voorkomen dat de rente gedurende de overgangsperiode direct uit het lopende inkomen moet worden betaald en kan daarmee de tijdelijke maandlasten beperken. Daar staat tegenover dat de totale lening daardoor toeneemt. De daarbij behorende financiële verplichtingen moeten wel door de consument kunnen worden nagekomen. Een dergelijke constructie kan de financiering bovendien complexer maken en zal waarschijnlijk voor de consument uiteindelijk duurder zijn. Bij de nadere verkenning als onderdeel van de verdere uitwerking moet daarom worden bezien of de voordelen voor de consument opwegen tegen de extra kosten, risico’s en uitvoeringscomplexiteit.
Ik bezie dit samen met de Minister van Financiën, financiële instellingen en toezichthouders. De uitkomsten hiervan betrek ik bij de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek. Uw Kamer wordt hierover, conform de motie-Steen c.s., uiterlijk in het voorjaar van 2027 geïnformeerd.
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
De motie-Steen c.s. verzoekt de regering om, in overleg met financiële instellingen en toezichthouders, de introductie van een doorstroomhypotheek mogelijk te maken, de benodigde aanpassingen in regelgeving en toezicht uit te werken en uw Kamer hierover binnen een jaar te informeren, inclusief een implementatieplan.
De uitvoering van de motie bouwt voort op de gesprekken die in het kader van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen al met kredietaanbieders, adviseurs en ouderen- en consumentenorganisaties zijn gevoerd. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, wordt in de praktijk voor bestaande klanten gebruikgemaakt van een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek met een overbruggingsfinanciering. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden bieden voor een groot deel van de senioren een oplossing, maar niet voor de gehele doelgroep.
De komende periode breng ik nader in kaart in welke situaties het bestaande hypotheekaanbod onvoldoende aansluit bij de financieringsbehoefte van senioren en welke toegevoegde waarde een doorstroomhypotheek daarin kan hebben. Aandachtspunten daarbij zijn dat een losse overbruggingshypotheek vanwege de korte looptijd relatief kostbaar is en zich niet altijd goed laat inpassen in de bestaande systemen en keteninfrastructuur. Daarnaast moet duidelijk worden of de groep waarvoor een afzonderlijk product meerwaarde heeft, voldoende groot is. Tevens speelt daarbij de vraag of kredietaanbieders bereid zijn dit product aan te bieden. Daarnaast worden de kenmerken en randvoorwaarden nader uitgewerkt, waaronder de looptijd, de wijze waarop de overwaarde en het onderpand kunnen worden betrokken bij de beoordeling, de betaalbaarheid en de aflossing.
Ik ga hierover samen met de Minister van Financiën verder in gesprek met de toezichthouders, financiële instellingen, adviseurs, de Nationale Hypotheek Garantie en betrek de uitwerking bij het Platform Hypotheken in het najaar van 2026.
Zoals verzocht ontvangt uw Kamer uiterlijk in het voorjaar van 2027 een implementatieplan. Daarin ga ik nader in op de uitkomsten van de gesprekken, het vervolg en het bijbehorende tijdpad.
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) houden hier onafhankelijk toezicht op. Op 16 januari jl. heeft DNB gecommuniceerd over nadere aandacht in het prudentiële toezicht voor aflossingsvrije hypotheken. DNB geeft aan dat, ten opzichte van volledig aflossende hypotheken, (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheken extra risico’s voor financiële instellingen hebben en het daarom essentieel is dat financiële instellingen deze risico’s adequaat beheersen. DNB noemt daarbij een aantal elementen, die tezamen naar verwachting leiden tot een afname van het volume aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland. De AFM heeft op 16 januari jl. aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat hun klanten, voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft aan hypotheekverstrekkers duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat bestaande klanten door eventuele maatregelen om prudentiële risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen.
Wij onderschrijven het belang van adequate risicobeheersing en het is goed dat er vanuit aandacht is voor de risico’s voor banken die uitgaan van (aflossingsvrije) hypotheekverstrekking. Dit is ook in het belang van consumenten. Tegelijkertijd verwachten wij van de prudentiële toezichthouders dat zij rekening houden met de bredere effecten van toezichtsmaatregelen. Verschillende banken hebben na de DNB-publicatie aanscherpingen in hun beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken aangekondigd. Deze aanscherpingen kunnen gevolgen hebben, onder meer wanneer consumenten hun hypotheeksituatie willen wijzigen, bijvoorbeeld bij funderingsherstel, isolatiemaatregelen of bij verhuizing. Ook verwachten de ECB en DNB dat banken bij het verstrekken van hypotheken vanuit prudentieel oogpunt mede rekening houden met pensioeninkomen op het moment dat de looptijd van de hypotheek de pensioenleeftijd overschrijdt, en met de levensverwachting van de consument. Deze verwachtingen kunnen van invloed zijn op de hypotheekverstrekking. De Minister van Financiën heeft in gesprekken met de toezichthouders aandacht gevraagd voor deze bredere effecten van hun toezichtmaatregelen.
Op 13 mei jl. heeft DNB een aanvullend bericht gepubliceerd waarin wordt verduidelijkt hoe banken vanuit prudentieel perspectief rekening dienen te houden met het pensioeninkomen en de levensverwachting van kredietnemers. Dit bericht specificeert onder andere dat banken bij het beoordelen van het (toekomstig) inkomen in de pensioenperiode, indien de contractuele looptijd van de hypothecaire financiering de wettelijke pensioenleeftijd van de kredietnemer(s) overschrijdt, relevante factoren zoals inflatie mogen meewegen. Onze indruk is dat dit de banken meer duidelijkheid biedt bij de toepassing van het prudentiële kader en eraan kan bijdragen dat een deel van de mogelijke negatieve gevolgen voor doorstroming worden weggenomen.
Voor wat betreft belemmeringen in de doorstroming in brede zin verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
Het prudentiële toezicht van de ECB en DNB is gericht op de naleving door banken van de verplichting om de risico’s die verbonden zijn aan de bancaire dienstverlening adequaat te beheersen. Het gaat hierbij om (het beheersen van) de risico’s die individuele financiële instellingen lopen door hun hypotheekverstrekking. Er is geen sprake van generieke beperkingen die aan alle onder toezicht staande instellingen zijn opgelegd. Het is aan de instellingen zelf om te beoordelen op welke wijze zij de aan hypotheekverstrekking verbonden risico’s beheersen. De ECB en DNB beoordelen in de uitoefening van hun toezicht of dit op adequate wijze gebeurt. Het is dus ook aan banken om te bezien wanneer zij maatwerk toepassen. Het wettelijk kader voor hypotheekverstrekking, specifiek de leennormen, biedt hier ook ruimte voor.
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek actief blijven benaderen en, waar nodig, stimuleren om tijdig inzicht te krijgen in hun financiële situatie en passende maatregelen te treffen. Aanbieders en adviseurs zien dit belang zelf ook. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders daarbij het klantbelang centraal stellen en blijven hierover met aanbieders in gesprek. Zoals ook hierboven genoemd, heeft de AFM aan banken duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen. Hier heeft de AFM ook publiekelijk aandacht voor gevraagd. In het licht van al het voornoemde zien wij nu geen aanleiding om tot aanvullende afspraken te komen.
Het publiceren van tien gemeenten op trede 3 van de interventieladder met betrekking tot de Spreidingswet |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Op grond waarvan zijn specifiek deze tien gemeenten nu op trede 3 van de interventieladder binnen het interbestuurlijk toezicht geplaatst?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak die voortkomt uit de verdeelbesluiten. Dit zijn de eerste gemeenten waarmee ambtelijke gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Waarin wijken deze gemeenten af van andere gemeenten die eveneens op 9 april jl. een brief (en op 26 mei jl. een vervolgbrief) van u hebben gehad over interbestuurlijk toezicht naar aanleiding van het verdeelbesluit inzake de eerste cyclus van de Spreidingswet?
Er wordt gestart met de gemeenten die nog geen opvangplekken hebben. Het gaat in totaal om veel gemeenten waarmee gesprekken gevoerd moeten worden. Er vinden de komende maanden nog meer ambtelijke gesprekken plaats.
Hoeveel gemeenten verwacht u nog meer op trede 3 te gaan plaatsen en op welke termijn? Kunt u het proces schetsen dat hieraan ten grondslag ligt?
Op 28 mei voldeden 107 gemeenten niet en 116 gemeenten gedeeltelijk. Met al deze gemeenten zullen de komende maanden ambtelijke gesprekken gevoerd worden waarbij gestart wordt met de gemeenten die niet voldoen. Parallel zullen ook de bestuurlijke gesprekken gevoerd worden.
Aan de gemeenten wordt bij de stappen van het interbestuurlijk toezicht maximaal de gelegenheid geboden zelf alsnog de benodigde opvangplekken te realiseren. Ik hoop vanzelfsprekend er met gemeenten uit te komen.
Op grond waarvan wordt bepaald of bij gemeenten sprake is van «voldoende voortgang» om plaatsing op trede 3 te voorkomen, zoals o.a. in de vervolgbrief interbestuurlijk toezicht van 26 mei jl. wordt vermeld? Kunt u dit zo concreet mogelijk toelichten?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak en er is geen concreet zicht op de realisatie van opvangplekken dit jaar. Deze gemeenten zijn geselecteerd op basis van de volgorde waarin de gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Doel van het gesprek in trede 3 is het maken van afspraken over de realisatie van voldoende opvangplekken en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.
Klopt het dat u heeft aangegeven van de nu aangewezen gemeenten «nul op rekest» heeft gekregen naar aanleiding van uw brief van 9 april jl.? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat in ieder geval de gemeente Beverwijk aangeeft wel degelijk een bestuurlijke reactie op deze brief te hebben gegeven en daarop ook een reactie van het ministerie teruggekregen te hebben?1
Op 9 april jl. hebben gemeenten een brief ontvangen in het kader van het interbestuurlijk toezicht. In deze brief is, mede vanwege de actuele opvangsituatie, urgentie kenbaar gemaakt van het voldoen aan de wettelijke taak. Ook in de brief van 26 mei jl. is de urgentie van de opgave nogmaals onderstreept. De gemeente Beverwijk, alsook de andere gemeenten die geplaatst zijn op trede 3 van het interbestuurlijk toezicht, voldoen niet aan de wettelijke opgave die voortkomt vanuit het verdeelbesluit.
Klopt het tevens dat één of meerdere van deze gemeenten de plaatsing op trede 3 uit de media moest(en) vernemen? Zo ja, vindt u dit een gepaste manier om met gemeenten om te gaan?
Wanneer opschaling naar trede 3 plaatsvindt worden gemeenten hierover vooraf door mijn ministerie per brief geïnformeerd. Aan de betreffende gemeenten is een bericht verstuurd over de opschaling naar trede 3. Dit vond plaats voordat externe berichtgeving hierover plaatsvond. In het vervolg zal zo vroeg mogelijk duidelijkheid aan de gemeenten worden geboden alvorens externe communicatie zal plaatsvinden.
Bent u bereid deze verdere escalatie binnen een operatie waar toch al geen maatschappelijk draagvlak voor bestaat te staken? Zo nee, waarom niet?
De wet wordt uitgevoerd zo lang deze nodig is. Daarbij blijft de opgave op dit moment groot, zoals de actuele situatie in Ter Apel laat zien. Deze hoge opvangdruk toont de noodzaak van deze wet aan. Daarom benadrukt dit kabinet de volledige uitvoering en toepassing van de Spreidingswet om hiermee voldoende duurzame opvangplekken te realiseren. Het interbestuurlijk toezicht is onderdeel van de uitvoering van de wet.
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
Bevoegdheden van boa's |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vanuit de landelijke leiding van de Nationale Politie is gecommuniceerd naar de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht dat vanaf 1 mei 2026 er geen nieuwe handhavingsarrangementen meer worden aangegaan, in afwachting van verdere besluitvorming over de uitvoering van de herziening van het boa-stelsel?
De politie heeft mij laten weten dat er geen stop is op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. De politie benadrukt voor een gelijkwaardige en complementaire samenwerking met boa’s te staan. Wel zijn er gevallen geweest waarbij het afsluiten van dergelijke overeenkomsten tijdelijk is opgeschort omdat er over de invulling van de te maken afspraken onduidelijkheid bestond. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen, waarmee de processen voor het afsluiten van dergelijke overeenkomsten weer opgepakt kunnen worden. De politie streeft ernaar deze afspraken landelijk op een eenduidige wijze vorm te geven.
Zo ja, op welke grondslagen is dit gebaseerd? En is dit geschied in overleg met u?
In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de invulling daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen. Een algehele stop op het afsluiten van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten zou ook een zeer ongelukkige ontwikkeling zijn met het oog op de samenwerking tussen politie en boa’s en de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s. Voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s is immers een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst vereist.
In dit kader wil ik erop wijzen dat het een taak van de politie – Korpschef, als direct toezichthouder – is om toe te zien op een goede samenwerking tussen boa en politie, zowel op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 39 BBO) als de Politiewet 2012 (artikel 10 PW). Het vastleggen van samenwerkingsafspraken in een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dan ook een verdere verankering van een reeds bestaande verplichting. Binnen het boa-bestel zijn reeds veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten en ik hoop dat de partijen die dit nog niet hebben gedaan alsnog snel hun afspraken op papier zullen vastleggen. Het initiatief hiertoe ligt bij boa-werkgevers dan wel de politie. Landelijke formats voor handhavingsarrangementen voor domeinen I en II zijn beschikbaar gesteld als bijlage bij de boa-brief aan de Tweede Kamer van oktober 2025.1
Bent u het eens met de stelling dat hierdoor een situatie is ontstaan waarin werkgevers wel aan een wettelijke verplichting moeten voldoen, maar dit feitelijk niet meer kunnen, dit omdat sinds 1 mei 2026 een vastgesteld handhavingsarrangement tussen de boa-werkgever, het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie een verplichte voorwaarde is voor het aanvragen of verlengen van geweldsmiddelen?
Er is geen stop op het aangaan van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten, zoals gemeld bij vraag 1 en 2. Zoals ook staat aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, is samenwerking tussen de boa’s en de politie reeds een wettelijk vereiste. Het doel of belang van een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dat de betrokken partijen hebben nagedacht over samenwerking en ondersteuning. Het is voor het vaststellen van een samenwerkingsovereenkomst dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten. Er zijn al veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten.
Overigens, dat ook het Openbaar Ministerie, als het gezag op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, betrokken dient te worden bij deze afspraken heeft een praktische reden en betekent niet dat deze ook tekenende partij is bij de te maken afspraken.
Hoe is het mogelijk dat een wettelijke verplichting op dezelfde dag in werking treedt als waarop de mogelijkheid om aan die verplichting te voldoen, feitelijk wordt beëindigd?
Zie hiervoor de beantwoording bij vragen 1 en 2.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat boa's hun geweldsbevoegdheden verliezen door een bestuurlijke impasse?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 staat benoemd, zijn de onduidelijkheden over de invulling van de te maken afspraken weggenomen. De processen voor het aangaan van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten kunnen daarmee verder worden opgepakt. Daarmee is geen sprake van een bestuurlijke impasse.
Met de aanpassingen van de Beleidsregels boa op 1 mei van dit jaar zijn de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s aangepast. Een van de nieuwe criteria is de aanwezigheid van een handhavingsarrangement óf samenwerkingsovereenkomst met de politie. Het vereiste handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst ziet enkel op de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s, niet op de toekenning van geweldsbevoegdheden (politiebevoegdheden, artikel 7, eerste, derde en vierde lid, Politiewet 2012), opsporingsbevoegdheden of vrijheidsbeperkende middelen.
Ik wil benadrukken dat enkel voor de boa’s voor domein I, indien deze aanspraak willen maken op geweldmiddelen, een handhavingsarrangement vereist is. Dit was ook al vereist vóór de aanpassingen van de toekenningscriteria in de Beleidsregels boa. Voor de overige domeinen volstaat tevens een samenwerkingsovereenkomst. Deze samenwerkingsovereenkomsten zijn vormvrij, terwijl het in de rede ligt om voor het afsluiten van een handhavingsarrangement aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde formats. Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 staat aangegeven is dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten; er gelden geen minimale vereisten voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst, ook niet op welk niveau deze afspraken gemaakt zouden moeten worden. Het is belangrijk om te beseffen dat er slechts een gesprek hoeft plaats te vinden tussen de boa-werkgever en de politie waarna de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Specifieke gremia zijn dus niet nodig voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. Een samenwerkingsovereenkomst zou daarmee eenvoudiger af te sluiten moeten zijn dan een handhavingsarrangement.
Op welke termijn kunnen organisaties weer handhavingsarrangementen sluiten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2; er worden nog altijd handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten. In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de randvoorwaarden en de inhoud daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen en gesprekken tussen partijen over het afsluiten van handhavingsarrangementen en samenwerkingsovereenkomsten kunnen weer worden voortgezet.
Welke tijdelijke oplossing wordt er geboden om de veiligheid van boa's en de continuïteit van de handhaving te waarborgen?
Er is geen stop op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. Daarmee is er geen probleem waar een tijdelijke oplossing voor moet worden geboden. Het eventueel opschorten van deze overeenkomsten als voorwaarde voor het toekennen van geweldmiddelen heeft niet de voorkeur, omdat deze overeenkomsten bijdragen aan een betere samenwerking tussen de politie en de boa. Het doel van de overeenkomsten is namelijk dat de betrokken partijen beter weten beter wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit zal resulteren in een zo veilig mogelijke en daarmee adequate taakuitvoering van de boa.
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Ja.
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Alle taxichauffeurs en -ondernemers in Nederland moeten voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wet Personenvervoer 2000 (Wp2000), hier ziet de ILT op toe. Deze verplichtingen gelden ongeacht de markt die wordt bediend. Omdat de kwaliteit van het taxivervoer op de opstapmarkt achterbleef, hebben gemeenten in 2011 de bevoegdheid gekregen om, in aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die voor álle taxichauffeurs en -ondernemers geldt, extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt in hun gemeente. In 2023 is de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 geëvalueerd, hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd.1 Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten niet meer passend zouden zijn.
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
De ILT maakt geen onderscheid tussen de opstap- en de bestelmarkt in de wijze van toezicht. Ook in de meldingen wordt hierin geen onderscheid gemaakt. De ILT heeft in de afgelopen vijf jaar 140 meldingen ontvangen over fraude met taxi-gerelateerde zaken. Deze zien onder andere op hoge ritprijzen, de taxameter, fraude met ondernemers- of chauffeurskaarten, en op snorders.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
De ILT houdt toezicht op de opstap- én de bestelmarkt en heeft hiervoor bestuurs- en strafrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden zijn erop gericht een goede controle uit te kunnen voeren, overtredingen te stoppen, en te bestraffen. De ILT houdt toezicht via digitale-, bedrijfs- en objectinspecties. In welke deelmarkt vervoer wordt aangeboden heeft invloed op de te controleren punten uit de wet- en regelgeving: de opstapmarkt heeft enkele aanvullende eisen zoals het kunnen aanbieden van een ritbewijs, aanwezigheid en gebruik van de taxameter, en het kenbaar maken van de tarieven in de taxameter. De afschrikwekkende werking wordt behalve door de bevoegdheid ook bepaald door de (gepercipieerde) pakkans.
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Uit het evaluatieonderzoek dat in 2024 aan de Kamer is aangeboden blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten leiden tot gebreken in het toezicht.2 De ILT en de gemeenten houden toezicht op verschillende onderdelen van de taxisector. Waar mogelijk, afhankelijk van capaciteit en beschikbaarheid, werken de partijen samen, ook met andere handhavende partijen zoals politie en de Koninklijke Marechaussee.
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Ja, die opvatting deel ik. Wanneer reizigers een taxi bestellen weten zij voorafgaand aan de rit wat deze gaat kosten. Op de opstapmarkt weet een reiziger dit niet van tevoren en zijn chauffeurs verplicht een taxameter te gebruiken en gelden er maximumtarieven. Het is chauffeurs ook toegestaan vooraf een vaste ritprijs overeen te komen met een reiziger.
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Uw Kamer is op 24 maart jongstleden geïnformeerd over de aanpassingen van het taxibeleid die mede naar aanleiding van het evaluatierapport samen met de betrokken partijen worden verkend.3 Ik ben voornemens dit najaar een onderzoek te starten naar het rekenen van zogenoemde woekerprijzen op de opstapmarkt en ik verken een aantal aanpassingen van de wet- en regelgeving waardoor er effectiever toezicht kan worden gehouden op de sector.
Het evaluatierapport wijst ook op de veranderende structuur van de taximarkt door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ook in andere sectoren groeit het gebruik van platforms en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt daarom aan de implementatie van de Europese richtlijn platformwerk. Ik wil aankomend jaar verkennen of het nuttig is om in aanvulling daarop taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer.
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Ja, dat klopt. Mijn voorganger heeft op 9 januari jl. gereageerd op de brief van de gemeenten en in zijn reactie toegelicht welke aanpassingen van het taxibeleid worden verkend. Zie de beantwoording van vraag 7.
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Ja, dat klopt.
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheid die gemeenten hebben om extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op specifiek de opstapmarkt in hun gemeente niet meer relevant is. Wel constateert het rapport dat de structuur van de taximarkt is veranderd door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ik wil daarom verkennen op het nuttig is om, in aanvulling op de implementatie van de richtlijn platformwerk, taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer. Zie verder de beantwoording van de vragen 2 en 7.
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Wanneer taxichauffeurs opereren op de opstapmarkt en taxivervoer aanbieden op straat, bijvoorbeeld vanaf een standplaats, moeten zij voldoen aan aanvullende landelijke en eventueel gemeentelijke eisen. Zie de beantwoording van vraag 4. Op het moment dat chauffeurs de bestelmarkt bedienen en een vooraf bestelde rit uitvoeren, gelden deze aanvullende eisen niet. Voor toezichthouders is het dus noodzakelijk eerst vast te stellen op welke markt een chauffeur opereert voordat kan worden bepaald of de regels juist worden nageleefd. Dit gebeurt op basis van de ritregistratie en de informatie die toezichthouders krijgen van chauffeurs en reizigers. Het evaluatierapport constateert dat het voor gemeentelijke toezichthouders niet altijd makkelijk is om te verifiëren op welke markt een chauffeur opereert.
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Uit de evaluatie blijkt niet dat dit op grote schaal voorkomt. Alle taxichauffeurs en -ondernemers moeten zoals gezegd voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wp2000; aan het toezicht daarop door de ILT kunnen zij zich niet onttrekken. Op eventuele extra kwaliteitseisen die gemeenten stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt zien gemeentelijke boa’s toe.
Niet alle genoemde «misstanden» zijn overigens strafbaar volgens de landelijke wet- en regelgeving. De Wp2000 kent geen vervoerplicht. Het staat chauffeurs vrij een aangeboden rit al dan niet te accepteren. Ritweigering op discriminatiegronden is natuurlijk wel verboden. Er is daarnaast geen verplichting om «op de meter te rijden» wanneer chauffeur en reiziger voorafgaand aan de rit een ritprijs zijn overeengekomen. Ook het bijdragen aan verkeersopstoppingen of omrijden zijn niet strafbaar. Gemeenten kunnen deze dingen wel verbieden middels een plaatselijke verordening voor chauffeurs op de opstapmarkt.
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Het evaluatieonderzoek concludeert dat de taxiwet- en regelgeving over het algemeen naar behoren werkt. Zie verder de beantwoording van vraag 7 voor de aanpassingen van het taxibeleid die worden verkend mede naar aanleiding van het evaluatierapport.
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Zie de beantwoording van de vragen 7 en 8.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
De taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is zoals gezegd recent geëvalueerd. Over de resultaten van die evaluatie en welke aanpassingen van het taxibeleid nu worden verkend, is uw Kamer geïnformeerd.4, 5
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zie de beantwoording van de vragen 5, 12, en 15.
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Zoals gezegd geldt voor alle taxichauffeurs en -ondernemers al dezelfde landelijke wet- en regelgeving. Dat gemeenten in aanvulling daarop extra kwaliteitseisen kunnen stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt acht ik nog altijd relevant.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?
Ja.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
In de kamerbrief van 18 december 2025 staan het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (Taskforce) beschreven: De Taskforce komt tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De te verwachten resultaten van de Taskforce zijn een risicoclassificatie voor verschillende typologieën van staalslaktoepassingen en een handreiking voor bevoegde gezagen. Daarnaast zal gekeken worden hoe en op welke wijze relevante kennis over toepassing van staalslak publiekelijk beschikbaar kan worden gesteld.
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter de burgemeester van Haarlem de heer Jos Wienen. Vanuit IPO is gedeputeerde Sjaak Simonse (Flevoland) en vanuit VNG zijn de wethouders Suzanne Klaassen (Beverwijk) en Eva van Esch (Arnhem) bereid gevonden om op persoonlijke titel deel te nemen aan de Taskforce. Verder zijn de Unie van Waterschappen, Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland op ambtelijk niveau vertegenwoordigd in de Taskforce.
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aan het Bestuurlijk Overleg Bodem (BO) nemen namens het IPO twee gedeputeerden deel: de gedeputeerde van de provincie Zeeland en de gedeputeerde van de provincie Flevoland. Het resultaat van de Taskforce wordt aangeboden aan het BO te zijner tijd. De gedeputeerde van Flevoland is op persoonlijke titel lid van de Taskforce.
Voor de Ooster- en Westerschelde loopt er een aparte actielijn waarbij de gedeputeerde Natuur van de provincie Zeeland betrokken is (zie het antwoord op vraag 10).
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Ja. In mijn brief heb ik aangegeven dat mijn voornemen is om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu- en gezondheid. Zoals ook aangegeven is de handreiking bedoeld ter ondersteuning van de bevoegde overheden bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu. Een handreiking doet niets af aan de bevoegdheden van lokale bevoegde gezagen om maatwerkregels op te stellen.
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt het initiatief om een handreiking op te stellen die kan helpen bij de vergunningverlening. Ten eerste wordt de handreiking gebaseerd op objectief literatuuronderzoek en de actuele stand van de wetenschap. Ten tweede worden er expertsessies georganiseerd waarvoor zowel kennisinstellingen als partijen met praktijkervaringen in het veld worden uitgenodigd. Ook wordt de op dat moment beschikbare informatie van RIVM hiervoor gebruikt.
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
De expertsessies staan gepland voor de tweede helft van dit jaar (september/oktober en december) en er wordt op dit moment bekeken wie daarbij aanwezig moeten zijn.
De expertsessies worden georganiseerd om een handreiking op te kunnen stellen als praktisch toetsingskader om bevoegde gezagen (zoals de omgevingsdiensten) te ondersteunen bij het beoordelen van de milieu- en gezondheidsrisico's (zoals uitloging en pH-verhoging) bij vergunningaanvragen. Het ligt niet voor de hand om daar vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, maatschappelijke organisaties of externe juristen worden betrokken. Deze partijen kunnen wel input geven op het voorgenomen besluit tot het invoeren van een verbod tenzij de toepassing veilig kan en er een vergunning is verleend via de internetconsulatie waarvan de start gepland staat in september.
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
De voorzitter van de Taskforce is gevraagd op basis van zijn ervaring als lokaal bestuurder. De stelling in de vraag is onjuist. Een burgemeester voert op dit onderwerp ook geen eigen beleid. De Taskforce staat los van beslissingen die het college van B&W van de gemeente Haarlem, als bevoegd gezag, heeft genomen of zal nemen over locaties waar staalslakken zijn aangetroffen in de gemeente Haarlem.
Voor wat betreft het collegebeleid in Haarlem heb ik het volgende begrepen: Er is vorig jaar vooruitlopend op een nationaal beleid, door de gemeente Haarlem een meldplicht voor het toepassen van staalslakken ingesteld. Daarnaast is er onderzoek gedaan door de gemeente waar staalslakken zijn gebruikt en is advies van de GGD-GHOR ingewonnen. Op een locatie zijn op basis daarvan de staalslakken afgedekt (recreatieschap in overleg met gemeente) en op de andere locatie worden de staalslakken op basis van advies GGD op dit moment niet verwijderd of aangepast. Verdere landelijke regeling of adviezen worden afgewacht door de gemeente Haarlem.
De door de Taskforce op te stellen handreiking voor bestaande toepassingen staalslak biedt handvatten hoe om te gaan met bestaande toepassingen door bevoegde gezagen. De Taskforce zelf stelt geen beleid op.
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Zie het antwoord op vraag 1. De Taskforce kijkt naar het type van toepassingen van staalslak en mogelijke maatregelen op basis van de risicoclassificatie. De Taskforce is niet het gremium waar wordt gesproken over een schadefonds of een andere vorm van financiering en het herstellen van schade van staalslakken en zal dan ook daarover geen uitspraken doen. In de Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond 2023 t/m 20301 hebben IenW, VNG, IPO en UvW afspraken gemaakt over het financieel kader van de aanpak van bodem- en grondwaterverontreinigingen. In dat kader kan mogelijke financiering aan de orde komen.
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
De periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, is verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027, zie ook de Kamerbrief van 5 juni 20262. Op 18 juni 2026 had ik bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van gedeputeerde staten van Zeeland, de Vereniging Zeeuwse Gemeenten, de visserijsector en de natuur- en milieuorganisaties. In de Kamerbrief van 2 juli 20263 heb ik aan u aangegeven dat daar is afgesproken om een expertsessie te organiseren met als doel te achterhalen of er kennishiaten zijn t.a.v. de lange termijneffecten van toepassingen met staalslak in de Ooster- en Westerschelde. Deze expertsessie zal in het najaar plaatsvinden en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik met de gesprekspartners van het bestuurlijk overleg Zeeland staalslak overleggen over het vervolg.
De expertsessie voor de Ooster- en Westerschelde staat los van de expertsessie die in het kader van de handreiking vergunningverlening worden georganiseerd (zie het antwoord op vraag 7).
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Ja.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De vindbaarheid van de Waterbus in digitale reisplanners |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat de Waterbus, ondanks dat deze onderdeel is van het openbaar vervoer en door reizigers hoog wordt gewaardeerd, in digitale reisplanners niet altijd als volwaardig reisalternatief zichtbaar is?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de opvatting dat reizigers moeten kunnen rekenen op volledig en betrouwbaar reisadvies, waarin relevante vervoersopties op een logische en evenwichtige wijze worden meegenomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze opvatting deel ik.
Klopt het dat de Waterbus in sommige reisplanners pas als aantrekkelijk alternatief verschijnt wanneer reizigers handmatig specifieke instellingen aanpassen, bijvoorbeeld door expliciet «fiets» te selecteren voor voor- en natransport?
Dit klopt. Reisplanners worden gemaakt door marktpartijen die zelf beslissen welke reisinformatie wordt opgenomen en op welke wijze deze wordt getoond. En dus is het mogelijk dat door een marktpartij gemaakt keuze de reiziger meer moeite moet doen voor de gewenste reisinformatie. Marktpartijen maken gebruik van de open data van de Nationale Data OV (NDOV)-loketten. Deze NDOV-loketten zorgen voor de distributie van actuele reisinformatie van het openbaar vervoer in Nederland.
Hoe beoordeelt u het dat een bestaande OV-verbinding hierdoor mogelijk onvoldoende zichtbaar is voor reizigers die niet al bekend zijn met deze optie?
Het is voor de reiziger vervelend als niet alle beschikbare opties direct vindbaar zijn. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er over de opname van concessievervoerders en andere OV-aanbieders in digitale reisplanners en in hoeverre wordt daarbij gestuurd op volledigheid en gebruiksvriendelijkheid van reisinformatie?
In vrijwel alle OV-concessies is opgenomen dat vervoerders correcte en actuele dienstregelings- en realtime-reisinformatie moeten leveren. Het NODV is vervolgens de raadpleegbare dataset. Zie ook het antwoord op vraag 3.
In hoeverre is de constatering juist dat kleinere vervoerders, zoals personenvervoer over water, in tegenstelling tot grote vervoerders als de NS en platforms als 9292 en Google Maps, soms te maken krijgen met beperkte prioriteit of relatief hoge drempels om goed geïntegreerd te worden in breed gebruikte reisplanners?
De Waterbus valt onder de concessie van de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland kan als concessieverlener voorschrijven welke ov-data gedeeld moet worden en in welk format aan het NDOV-loket. De provincie gaat echter niet over hoe marktpartijen in de reisplanners deze brondata van het NDOV-loket omzetten in een passend reisadvies.
De wijze waarop reisopties worden weergegeven is aan de aanbieders van reisplanners zelf. Zij hanteren daarvoor hun eigen algoritmen en criteria, bijvoorbeeld ten aanzien van reistijd, overstappen en de relevantie van reisopties. Ik herken dat kleinere vervoerders hierdoor minder mogelijkheden kunnen hebben om invloed uit te oefenen op de wijze waarop hun aanbod in reisplanners wordt weergegeven dan grotere marktpartijen. Juist daarom werkt de Europese Commissie aan nieuwe regelgeving.
Om een open en eerlijke markt voor ticketverkoop en reisinformatiediensten te bevorderen, en daarmee ook een gelijker speelveld te creëren voor kleinere vervoerders, heeft de Europese Commissie op 13 mei 2026 wetgevingsvoorstellen gepubliceerd over multimodale digitale mobiliteitsdiensten en de verkoop van treintickets. De voorstellen moeten onder meer zorgen voor betere toegang tot ticket- en reisinformatie. Daarnaast bevatten zij regels die aanbieders van mobiliteitsplatforms verplichten reisopties van verschillende vervoeraanbieders op transparante en non-discriminatoire wijze weer te geven. Op 19 juni 2026 is het BNC-fiche met de Nederlandse inzet aan de Tweede Kamer aangeboden1.
In hoeverre geldt dat ook voor concessieverleners, omdat zij geen sturingsmogelijkheden hebben op informatie die voor de reizigers beschikbaar komt en de ontwikkelagenda rond ov-reisinformatie?
Er is voor gekozen om vervoerders wettelijk te verplichten reisinformatie te verstrekken aan de NDOV-reisinformatieloketten, maar het aan marktpartijen te laten op welke wijze het gebruik van deze informatie wordt gebruikt in hun reisplanners.
Deelt u de mening dat dit kan leiden tot minder efficiënt gebruik van bestaande vervoerscapaciteit en suboptimale reisadviezen voor reizigers? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid – als systeemverantwoordelijke – om te bevorderen dat reizigers een zo volledig mogelijk overzicht krijgen van beschikbare reisopties?
Door toenemende digitalisering van het mobiliteitssysteem is het belang van de beschikbaarheid en vindbaarheid van mobiliteitsdata toegenomen. Daarom heeft de Rijksoverheid het Digitaal Stelsel Mobiliteitsdata (DSM) opgericht. Binnen het stelsel maken publieke en private aanbieders en afnemers van data afspraken over bijvoorbeeld standaarden en datakwaliteit, zodat gegevens op een betrouwbare en uniforme manier kunnen worden uitgewisseld. Hiermee geven de stelselpartijen tevens invulling aan Europese wet- en regelgeving over het digitaal toegankelijk maken van belangrijke mobiliteitsinformatie zoals dienstregelingen en tarieven in het ov. Daardoor kunnen aanbieders van mobiliteitsdiensten deze gegevens gebruiken in bijvoorbeeld routeplanners en navigatieapps. Reizigers krijgen zo betere en actuelere reisinformatie.
Het systeem voor reizigersinformatie werkt in de basis goed, en ik zie geen aanleiding om het te veranderen. Wel houd ik samen met het Samenwerkingsverband Decentrale Vervoersautoriteiten (DOVA) vinger aan de pols bij de reisinformatieketen van het openbaar vervoer en kijken we samen hoe de reisinformatie voor de reiziger steeds verder verbeterd kan worden.
Deelt u de opvatting dat dit een aanjagende rol zou kunnen zijn bij het doorontwikkelen van landelijke reisplanners naar echt multimodale reisplanners? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 9. Deze aanjagende rol wordt al aangenomen.
Bent u ermee bekend dat onderzoek van Rover uit 2024 in het rapport «Reisadvies op Maat» heeft laten zien dat alle reisplanners nog niet multimodaal zijn en de «fiets» in voor- en natransport geen volwaardige plek heeft?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Wat is de status van de opvolging van de aanbevelingen van het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata (NTM) die in 2024 door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is gevraagd een marktverkenning uit te voeren naar een maatschappelijke reisplanner?
Ik ben bekend met het rapport. Dit betreft een kleinschalige marktverkenning naar de zogenoemde «maatschappelijke reisplanner»: een multimodale reisplanner die duurzame en gezonde reisopties faciliteert en reizigers inzicht biedt in de verschillende beschikbare reisopties. Uit het rapport blijkt dat reisplanners op dit moment nog niet volledig aan deze maatschappelijke uitgangspunten voldoen. Een belangrijke oorzaak is dat bepaalde typen mobiliteitsdata nog niet via het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata beschikbaar worden gesteld of dat de kwaliteit van deze data nog onvoldoende is. Binnen het DSM wordt hieraan gewerkt. Ik verwijs hiervoor tevens naar het antwoord op vraag 9. De uitkomsten van de marktverkenning zijn daarnaast gedeeld met de betrokken partijen en de bredere mobiliteitssector. Daarmee wordt aandacht gevraagd voor het belang van het beschikbaar stellen en delen van kwalitatief goede (multimodale) mobiliteitsdata. Dit draagt eraan bij dat reizigers beter in staat worden gesteld om de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd te kiezen.
Hoe beziet u de onvolledigheid van multimodale reisplanners, waarin bestaande alternatieven zoals de Waterbus en anderen vaak pas na een handmatige zoekopdracht zichtbaar worden, in het licht van de grote bereikbaarheidsopgaven en de komende werkzaamheden aan bruggen, tunnels en andere infrastructuur?
Zie het antwoord op vraag 1 en 9.
Ziet u mogelijkheden om deze alternatieven beter vindbaar en daarmee beter benutbaar te maken?
Zie de antwoorden op de vragen 3 en 9.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met betrokken partijen en de Kamer te informeren over mogelijkheden om multimodale reisinformatie te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Deze gesprekken vinden reeds plaats, zie ook het antwoord op vraag 9.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat er 2216 pleegouders gestopt zijn in 2025.
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Er zijn diverse redenen waarom pleegouders stoppen.
Voorop staat dat een verschil bestaat tussen bestandspleegouders en netwerkpleegouders. Een deel van de pleegkinderen kan binnen het eigen netwerk opgevangen worden, bijvoorbeeld bij een familielid. In dat geval is sprake van netwerkpleegzorg. Het andere deel van pleegkinderen woont in een bestandpleeggezin, zij kennen de pleegouders nog niet voorafgaand aan de start van de plaatsing. We weten op basis van de Factsheet Pleegzorg 2025 dat meer dan helft van pleegouders die stopt (56%) netwerkpleegouder is. Bij netwerkpleegzorg geven de pleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
In 2019 hebben het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) onderzoek gedaan naar waarom pleegouders stoppen3. Er zijn positieve redenen waarom pleegouders stoppen, bijvoorbeeld als een pleegkind zelfstandig gaat wonen of weer terug gaat naar eigen ouders. Daarnaast zijn er voor pleegouders omstandigheden die ertoe leiden dat zij het besluit nemen om te stoppen: problemen met het zorgsysteem (waaronder de samenwerking met jeugdbescherming of pleegzorgbegeleiding), de impact op het eigen gezin, de problematiek van het pleegkind en een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind.
In het eerdergenoemd onderzoek uit 2019 kwam naar voren dat gemiddeld genomen pleegouders voor 6 jaar pleegouder blijven.4 Ik wil – in lijn met de oproep van de NVP – aanvullend onderzoek laten doen naar waarom pleegouders stoppen en wat pleegouders juist helpt om door te gaan. Ik wil dit nieuwe onderzoek dit najaar starten, hierover voer ik momenteel voorbereidend overleg met de sector. Ik verwacht de resultaten voor de zomer van 2027 en zal de Kamer over de voortgang informeren
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Jaarlijks wordt het aantal wachtenden op pleegzorg door Jeugdzorg Nederland in kaart gebracht in de Factsheet Pleegzorg. De cijfers over 2026 worden voor de zomer van 2027 gepubliceerd. Jeugdzorg Nederland rapporteert5 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Voorop staat dat en passende plek prioriteit is bij plaatsing, omdat alleen op deze manier stabiliteit en duidelijkheid aan een pleegkind wordt gegeven.
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Verschillende maatschappelijke factoren en ontwikkelingen in de pleegzorg zijn hierop van invloed, het is lastig om een directe oorzaak aan te wijzen. Maatschappelijke factoren die invloed hebben zijn bijvoorbeeld de stijgende kosten van levensonderhoud en een onzekerdere wereld, de vergrijzing en toenemende vraag naar mantelzorg waardoor er minder vrijwilligers te vinden zijn – waaronder pleegouders. Het zorgen voor een pleegkind met een zware zorgvraag kost veel tijd. Pleegouders werken tegenwoordig vaak beiden, waardoor er minder tijd is om voor een pleegkind te zorgen dan vroeger.
Daarnaast is pleegzorg erg veranderd. De afgelopen jaren wordt steeds meer ingezet op kinderen tijdelijk bij pleegouders te plaatsen en weer terug naar huis te kunnen laten gaan. Langdurige, perspectief biedende plaatsingen die vroeger gebruikelijk waren, zijn minder de basis. Wanneer een plaatsing beëindigt doordat een kind vertrekt, zien we tegenwoordig vaak dat pleegouders zich niet meer opnieuw inzetten voor een nieuw kind. Bij netwerkplaatsingen zien we dit vooral, terwijl dit type plaatsingen steeds vaker voorkomt. Zie ook mijn antwoord onder 3. Aanvullend zetten we in de pleegzorg steeds meer in op gedeeld opvoederschap, met betrokkenheid van de eigen ouders. Dit vraagt van pleegouders dus meer dan «alleen een kind opvangen». Dit is soms anders dan pleegouders hadden verwacht of gehoopt dat pleegzorg zou zijn. Al deze ontwikkelingen en factoren zijn van invloed op het aantal pleeggezinnen.
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
Ik ben voornemens de campagne te verlengen t/m 2027. Met de sector ben ik ondertussen in gesprek over welke landelijke inzet op werving benodigd is voor 2028 en verder.
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
De huidige campagne van «Jouw huis een 2e thuis» wordt positief ontvangen. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder. Aanvullend ben ik voornemens de campagne te verlengen t/m 2027 en ben ik met de sector in gesprek over 2028 en verder, zoals ook genoemd onder vraag 7.
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten zij erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
In mijn antwoord op vraag 7 ben ik ingegaan op de inzet op de werving van pleegouders. Voor het behoud van pleegouders is het versterken van de reguliere belgeleiding cruciaal, zie ook mijn antwoord onder 9. Hier zet ik met de sector op in. Aanvullend zal ik zoals eerder genoemd onderzoek doen waarom pleegouders stoppen (zie antwoord 4). Over de uitvoering van motie Hamstra zal ik de Kamer voor het WGO Jeugd van dit najaar nader informeren, zoals verzocht in de motie.
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?1
De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20222 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.
Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Daarnaast werk ik, zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij die na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus in de AMvB die reeds wordt opgesteld ligt bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden?
Zie het antwoord op uw derde vraag. De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.
Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.
Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk?
De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde «Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen». Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.
In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.
Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?
De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Dat wolf Bram illegaal, 5 uur later dan volgens de vergunning was toegestaan, is gedood |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat wolf Bram (GW3237) op 1 december 2025 om 23.10 uur is doodgeschoten, ruim 5 uur later dan volgens vergunning was toegestaan?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat uit de documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn gekomen, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
Via bovengenoemd bericht is deze informatie tot mij gekomen.
Wat vindt u ervan dat uit documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn geworden, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Omdat ik hier niet de rol van bevoegd gezag heb, is het niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Weet u dat de toezichthouder in het controlerapport concludeerde dat het afschot van Bram een overtreding is van voorschrift m uit de vergunning en daarmee een overtreding van artikel 5.5. eerste lid onder g uit de Omgevingswet, maar desondanks besloot niet tot handhaving over te gaan? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik in mijn antwoorden op vragen 2 en 3 heb aangegeven is deze informatie via de door u aangehaalde bericht tot mij gekomen. Ik heb met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag, het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Vindt u dat de Omgevingswet moet worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? In welke gevallen moet de Omgevingswet volgens u wel of niet worden gehandhaafd (kunt u daar heel specifiek in zijn)?
In het algemeen ben ik van oordeel dat regelgeving zoveel als mogelijk moet worden gehandhaafd. In dit specifieke geval heb ik niet de rol van bevoegd gezag en het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over naleving.
Op welk moment (tijdstip en datum) was u op de hoogte van het afschot van wolf Bram?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Een specifieke datum en tijdstip zijn niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van het moment van de doding? Zo ja, wanneer heeft u die kennis gekregen?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Wanneer dit precies was, is niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van de strikte vergunningsvoorschriften en in het bijzonder van het voorschrift dat uiterlijk tot 17.33 uur mocht worden gedood?
Vergunningen en de daaraan verbonden voorwaarden afgegeven door andere overheden, worden in de regel niet met het Rijk gedeeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat elke afwijking van de zeer strikte vergunningsvoorschriften, een overtreding is van voorschriften? Deelt u de mening dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften ontoelaatbaar is? Zo ja, welke gevolgen heeft dat? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 3 en het feit dat ik met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag heb.
Deelt u de mening dat wolven waardevolle en beschermde diersoorten zijn en dus niet lichtzinnig moet worden omgegaan met overtredingen van vergunningsvoorschriften rondom bijvoorbeeld het doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
De wolf is een beschermde diersoort. Deze verdient de bescherming die hoort bij deze beschermingsstatus. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 3.
Ziet u het gevaar van precedentwerking van het afwijken van vergunningsvoorschriften, zeker gezien er waarschijnlijk al regelmatig sprake is van stroperij en dus het illegaal doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit betreft een individueel geval, ik zie geen aanleiding voor precedentwerking. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Indien u een gevaar ziet in precedentwerking, welke stappen zal u daartegen zetten? Indien u daar niet toe bereid bent, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 11 heb aangegeven, zie ik geen aanleiding voor precedentwerking.
Bent u bereid een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de doding van wolf Bram? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan doen?
Ik zie geen aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek. De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Kunt u de vragen één voor één en voor 8 juli beantwoorden?
Het is door het zomerreces niet gelukt om de vragen binnen deze termijn te beantwoorden.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.