| Ingediend | 17 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 3 juni 2026 (na 47 dagen) |
| Indieners | Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
| Beantwoord door | Aerdts , David van Weel (VVD) |
| Onderwerpen | openbare orde en veiligheid organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z08236.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2138.html |
Ja.
De uitspraak is gedaan in een specifieke casus, waarin de rechter op basis van de feiten en omstandigheden van het geval tot een oordeel is gekomen. Van een nieuwe interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft de uitspraak geen blijk. Het is veeleer een toepassing van deze bepaling in de praktijk. De normen uit de AVG laten daar ook ruimte toe; zij staan een weging van belangen en een risicogebaseerde aanpak voor. Op dit moment zie ik in deze uitspraak dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de interpretatie van artikel 15 van de AVG, zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk wijzigt.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Op dit moment biedt de AP via haar website duidelijke informatie en handvatten voor de uitoefening van het inzagerecht. Indien zij van mening is dat nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven voor een nadere duiding of actualisatie van deze handvatten, ligt het in de rede dat de AP dit zelfstandig zal bezien. Ik zie alles bijeengenomen geen reden om de AP hierom te vragen.
Ik beschik niet over deze informatie.
In civielrechtelijke zaken zoals deze is het aan partijen zelf om uitvoering te geven aan een rechterlijke uitspraak. De uitspraak in kwestie is uitvoerbaar bij voorraad, wat inhoudt dat aan de uitspraak direct gevolg moet worden gegeven. Indien een partij dit nalaat, staan voor de wederpartij onder andere civielrechtelijke middelen open om nakoming af te dwingen.
Ik heb kennisgenomen van berichten in de media, waarin wordt gesteld dat X getracht zou hebben om de andere partij een spreekverbod op te leggen. Behalve wat hierover naar buiten is gebracht, beschik ik niet over informatie op basis waarvan ik objectief kan vaststellen wat er tussen partijen is voorgevallen. Ik wil daar dan ook geen uitspraken over doen.
De richtlijn betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») bevat maatregelen die mensen en organisaties die actief zijn in het publieke debat, kunnen gebruiken om zich te verweren tegen juridische procedures die tégen hen worden aangespannen met het doel om hen het zwijgen op te leggen. Dergelijke rechtszaken staan ook wel bekend onder de Engelstalige afkorting SLAPP (Strategic Lawsuits Against Public Participation). Er is geen sprake van een SLAPP als een individu zelf een procedure aanspant tegen een groot internationaal techbedrijf. Als het bedrijf in reactie op de rechtszaak zelf procedures start tegen het individu of een tegenvordering indient, dan kan daar onder omstandigheden wel sprake van zijn. Het Nederlandse procesrecht voorziet in afdoende maatregelen om hiertegen op te komen. Ter uitvoering van de richtlijn moet enkel de door de richtlijn voorgeschreven maatregel van zekerheidstelling nog worden geïmplementeerd. Het betreffende wetsvoorstel is aanhangig bij Uw Kamer2.
Bij de behandeling van handhavingsverzoeken past de ACM haar prioriteringsbeleid toe. Daarbij kijkt ACM naar de schadelijkheid van het gedrag waar het verzoek op is gericht, hoe groot het maatschappelijk belang is en in hoeverre ACM in staat is doeltreffend en doelmatig op te treden. In het kader van een beoordeling of de inzet van middelen efficiënt is, of de ingeschatte impact die optreden van ACM kan hebben, kan het reeds lopen van een civiele procedure een factor zijn die wordt meewegen om een verzoek al dan niet in behandeling te nemen. Als een civiele rechter het geschil al behandelt, kan de ACM concluderen dat haar inzet minder noodzakelijk is. De ACM heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid waar zij onafhankelijk van politieke sturing invulling aan geeft. Het kabinet kan en gaat daar niet in treden.
Voor dit antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Dit is iets tussen partijen; het kabinet heeft hierin geen rol.
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat het bestaande instrumentarium tekort schiet. Artikel 82 AVG voorziet in een recht op schadevergoeding; de AVG sluit daarbij niet uit dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor schade die is ontstaan door schendingen van de AVG. In Nederland biedt het burgerlijk recht hiervoor mogelijkheden. Verder bestaat de mogelijkheid dat ex artikel 83 AVG een persoonlijke boete aan een bestuurder of leidinggevende wordt opgelegd, wanneer in strijd met de AVG is gehandeld en dat handelen als functioneel daderschap aan een of meer personen kan worden toegerekend.
De uitspraak is een belangrijke invulling van het inzagerecht uit de AVG in de praktijk. Uit de uitspraak wordt duidelijk dat weigeringsgronden slechts onder uitzonderlijke omstandigheden met succes kunnen worden ingeroepen. Voor welke andere verwerkingen deze uitspraak in het bijzonder precedentwerking heeft, kan ik niet overzien. Zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 2, heeft de uitspraak betrekking op een specifieke casus waarin de rechter op basis van concrete feiten, omstandigheden van het geval en een belangenafweging tot een oordeel is gekomen.
Ik onderschrijf deze stelling. Dat de uitoefening van het recht op inzage zo toegankelijk mogelijk moet zijn, is ook mijn opvatting. Dit geldt voor alle rechten die onder de AVG aan de burger toekomen. De AP geeft op haar website duidelijke informatie en handvatten ten aanzien van verzoeken om inzage. Daarnaast is op de website van de AP een voorbeeldbrief voor het doen van een verzoek tot het verwijderen persoonsgegevens te vinden.
In het Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», is opgenomen dat het kabinet voornemens is te werken aan een herziening en vereenvoudiging van de AVG in Europees verband en in de toepassing van de huidige AVG in Nederland. Mijn ambtsvoorganger heeft daarnaast toegezegd om te gaan werken aan een brede revisie van de Nederlandse Uitvoeringswet AVG (UAVG)5. Hierbij zal ook aandacht zijn voor rechtsbescherming en de toegang daartoe.
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 2 beschreven, zie ik in deze uitspraak geen nieuwe interpretatie van het desbetreffende artikel, doch vooral een toepassing in de geest daarvan. Ik heb geen aanleiding om te concluderen dat de uitleg van artikel 15 van de AVG zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk anders moet komen luiden.
De Digital Services Act (DSA) voorziet in artikel 43 in een jaarlijkse toezichtsvergoeding aan de Europese Commissie voor enkele aangewezen online platforms (very large online platforms, VLOP) en dat bovendien niet in alle, maar slechts in specifieke gevallen. Het betreft hier een andere systematiek dan onder de AVG, waar bedrijven niet betalen voor het toezicht of de handhaving op zichzelf, maar pas financiële gevolgen en boetes dragen als zij de regels overtreden. Ik zie geen reden voor een andere opzet onder de AVG.
Gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden door de belastinginspecteur geen uitspraken gedaan over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen.
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoord.
Hierbij deel ik u, mede namens de Staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat, mede dat de schriftelijke vragen van de leden Kathmann (GroenLinks-PvdA) en Dassen (Volt), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens (ingezonden 17 april 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.