De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Maes van Lanschot (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Het bericht 'Israëlische aanval treft journalisten in Libanon: vermiste verslaggever dood onder het puin gevonden' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger in Libanon, zoals het AD meldt?1
De gevolgen van het geweld in Libanon baren het kabinet ernstige zorgen, specifiek ook de slachtoffers die vallen onder hulpverleners en journalisten. Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd.
Herinnert u zich het AIV en CAVV rapport over geweld tegen hulpverleners? Zo ja, passen deze aanvallen in het patroon van afbraak van het humanitair recht?
Het kabinet heeft het rapport van AIV en CAVV over geweld tegen hulpverleners meteen bij ontvangst verwelkomd. Het is cruciaal dat manieren worden gevonden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het rapport deelt het kabinet de analyse van de AIV en CAVV dat er wereldwijd sprake is van afnemend respect voor humanitair oorlogsrecht en mede als gevolg daarvan toenemend geweld tegen hulpverleners. Zoals de VN Emergency Relief Coordinator, Tom Fletcher, het begin april verwoordde in de VN Veiligheidsraad is de toename aan gedode hulpverleners geen toeval, maar de teloorgang van het humanitaire uitgangspunt van bescherming.2 Helaas is sinds de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah ook in Libanon sprake van dergelijk toenemend geweld.
Herinnert u zich uw uitspraak «door stilte sterft de norm» als reactie op het rapport van de AIV en CAVV en hoe gaat u indachtig deze uitspraak reageren op deze aanvallen op journalisten en hulpverleners door het Israëlische leger?
Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd. Het kabinet staat pal voor respect voor het HOR, zoals kortgeleden benadrukt in de kabinetsreactie op het rapport van de AIV en CAVV. Wereldwijd zien we dat in Oekraïne, Soedan, Gaza, Libanon of de Democratische Republiek Congo steeds meer lokale en internationale hulpverleners omkomen door een gebrek aan respect voor het HOR. Dit niet adresseren leidt tot normerosie en het kabinet zet zich daarom in om deze tegen te gaan en het werk van hulporganisaties in woord en daad te steunen.
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, met in ruimere zin veiligheid van journalisten, is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten worden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moeten hun belangrijke werk in conflictgebieden in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten overal ter wereld, ook in het Midden-Oosten. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft. Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd – onder andere in de context van de Media Freedom Coalition. Vanuit het Mensenrechtenfonds heeft Nederland het Safety for Voices-programma dat ziet op fysieke, digitale, juridische en psychosociale veiligheid van journalisten en mensenrechtenverdedigers (EUR 40 miljoen voor periode 2023–2027), waarmee ook journalisten in het Midden-Oosten worden geholpen. Nederland blijft het belang van persvrijheid en veiligheid van journalisten consistent onderstrepen tegenover Israël, zowel publiek als achter de schermen, mede met het oog op het tegengaan van straffeloosheid voor dit soort misdrijven.
Deelt u de mening dat aanvallen van hulpverleners en journalisten nooit de norm mogen worden en dat hier dus actie op is vereist om het internationaal recht als norm te herstellen?
Geweld tegen hulpverleners en journalisten mag inderdaad nooit de norm worden, net zo min als straffeloosheid bij dergelijk geweld. Om straffeloosheid tegen te gaan, is bewijsmateriaal nodig op grond waarvan vervolgens doortastend gehandeld moet worden. In principe is het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden. Het kabinet roept daarom op tot transparant en onafhankelijk onderzoek naar de diverse gevallen waarbij de afgelopen tijd door het geweld tussen Israël en Hezbollah in Libanon hulpverleners en journalisten omkwamen of gewond raakten. Zie ook antwoord 7.
Deelt u de mening dat deze aanvallen door het Israëlische leger een schending zijn van het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren overeind blijft?
Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, de bemiddelende rol van de VS hierin, en roept alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de wederzijdse aanvallen te stoppen. Deze boodschap onderstreept het kabinet onverkort, zowel in samenspraak met gelijkgezinden als bilateraal. Het is van groot belang dat de onderhandelingen tussen Israël en Libanon worden voortgezet om te komen tot een duurzame diplomatieke oplossing.
Bent u bereid om deze aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger publiekelijk te veroordelen?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, inclusief journalisten en hulpverleners.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat dat er onafhankelijk onderzoek komt naar deze en andere aanvallen op hulpverleners en journalisten in Libanon, en zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ook in deze context dringt Nederland aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden om de Libanese autoriteiten hierin te ondersteunen en steunt Nederland het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 mln. over de jaren 2025–2026.
Bent u bereid om de Israëlische ambassadeur te ontbieden naar aanleiding van deze aanvallen, of welke andere actie gaat u ondernemen om druk te zetten op de Israëlische regering om deze aanvallen op journalisten, hulpverleners of burgers te stoppen?
Het kabinet beziet steeds hoe het op een effectieve wijze kan bijdragen aan verbetering van de situatie ter plaatse en blijft dit consistent onderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multilateraal verband. Dat doet het kabinet soms publiekelijk en soms achter de schermen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden en gezien de actualiteit met spoed te beantwoorden?
Ja.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. De keuze van Bernhoven om de organisatiefocus volledig te richten op het implementeren van passende zorg is de weg die dit kabinet wil inslaan. We moeten leren van de lessen die zijn geleerd bij Bernhoven en veldpartijen aanmoedigen deze lessen te benutten.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan.
Ik heb uw Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en kosten die de zorginstelling maakt. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren (kpi’s), die bijvoorbeeld gericht zijn op afspraken over passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit, met passende zorg nu en in de toekomst. Zoals beschreven in voorgaande vragen kan in sommige gevallen de bekostiging knellen bij het leveren van passende zorg. De NZa onderzoekt daarom samen met veldpartijen welke verbeteringen er nodig zijn. Ook kijken de partijen hoe de huidige bekostiging van de medische-specialistische zorg de beweging naar passende zorg beter kan ondersteunen. Tegelijkertijd biedt de contractering veel ruimte om afspraken te maken over passende zorg, door bijvoorbeeld in te zetten op meerjarenafspraken, waarbij er uitgebreidere en meer inhoudelijke afspraken worden gemaakt dan alleen afspraken over de productie. Deze afspraken in de inkoop van zorg kunnen nu al met de huidige manier van bekostigen worden gemaakt en toegepast.
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Ziekenhuizen zijn voor hun inkomsten afhankelijk van zorgverzekeraars. Tegelijk hebben ze ook eigen beleidsruimte en andere vormen van financiering.
Het kabinet vindt het wenselijk dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen en wanneer dat nodig is. Daarom gaat het kabinet actiever sturen op de organisatie van zorg in de regio. De regionale plannen over het zorglandschap moeten daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio en moeten worden door vertaald in het inkoopbeleid. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat ze sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg. Daarvoor gaan we de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Om lange-termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet enerzijds in op een passend zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio. Anderzijds zet het kabinet in op de versterking van de rol van de zorgverzekeraars. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat zij sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te bereiken, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief.
De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich in het IZA al aan hebben gecommitteerd.
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
De financiering van de werving en selectie als ook het opleiden en scholen van personeel is een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering in ziekenhuizen. Daar waar er sprake is van marktfalen bij opleiden, pakt het kabinet zijn rol op. Via het instrument van de beschikbaarheidsbijdrage stelt het kabinet opleidingsplaatsen beschikbaar voor een groot aantal (medische) vervolgopleidingen voor artsen, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel in het ziekenhuis (CZO opleidingen). Daarnaast stelt het kabinet via subsidieregelingen middelen beschikbaar voor het opleiden en ontwikkelen van zorgpersoneel in ziekenhuizen. Het betreft de middelen van de Subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ, en het Stagefonds tot en met schooljaar 2026/2027.
In reactie op deze vraag heeft Bernhoven bij het Ministerie van VWS aangegeven dat zij op dit moment geen knelpunten ervaren als het gaat om rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel. Zij kunnen vacatures bovengemiddeld goed invullen, er zijn weinig moeilijk invulbare vacatures en de uitstroom ligt op jaarbasis lager dan het gemiddelde op regionaal en landelijk niveau. Waar het gaat om opleiden en scholen van personeel geeft het ziekenhuis aan binnen de FZO-regio conform de regionale ramingen op te leiden en recent een jarenlange verlenging te hebben gekregen van de accreditatie van de CZO-opleidingen. Het ziekenhuis laat tot slot weten dat veel van de medewerkers aangeven dat zij heel bewust voor Bernhoven hebben gekozen vanwege de sterke focus op passende zorg, waarbij de patiënt en de mens achter de patiënt centraal staan.
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat fusies zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Zo kunnen fusies schaalvoordelen met zich meebrengen en daarmee de doelmatigheid van zorg vergroten. Soms is een fusie ook noodzakelijk om de continuïteit van zorg te borgen, waardoor de toegankelijkheid van zorg beter geborgd, terwijl hier mogelijk hogere kosten mee gemoeid zijn. Tegelijkertijd kunnen fusies ook risico’s met zich meebrengen. Zo kunnen er door een fusie onvoldoende keuzemogelijkheden overblijven voor de patiënt of kan een ziekenhuis een te sterke economische machtpositie verkrijgen.
Het is niet aan het kabinet om fusies te beoordelen, maar aan de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouders. De NZa beoordeelt fusies op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) via de zorgspecifieke fusietoets (zft). Daarbij toetst de NZa een voorgenomen fusie op de continuïteit van cruciale zorg en de zorgvuldige betrokkenheid van cliënten, medewerkers en andere stakeholders. De ACM beoordeelt een voorgenomen fusie op grond van de Mededingingswet (Mw). Daarbij toetst de ACM op mogelijk concurrentiebeperkende effecten, zoals een vermindering van de keuzemogelijkheden en potentiële prijsstijgingen.
Het kabinet verwacht dat fuserende partijen – gegeven de beoordeling door beide toezichthouders – eerst zorgvuldig afwegen wat de gevolgen van een fusie zijn voor de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 22 april jl.4 is het kabinet daarnaast voornemens het fusietoezicht in de zorg en economie-breed aan te passen. Daarmee worden de toezichthouders beter in staat gesteld evident onwenselijke concentraties in de zorg tegen te houden (NZa) en eerlijke concurrentie economie-breed te bevorderen (ACM).
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
De lijst met ombuigingen is een ambtelijk product van het Ministerie van Financiën dat jaarlijks wordt geactualiseerd en een overzicht biedt van technische mogelijkheden om de overheidsuitgaven te verlagen (bezuinigingsmaatregelen). De ombuigingslijst is bedoeld ter ondersteuning van goed geïnformeerde besluitvorming en bevat geen oordeel over de politieke (on)wenselijkheid. De ombuigingslijst van 2026 is nog niet gepubliceerd, en ombuigingslijsten uit eerdere jaren bevatten geen algemene scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting. Wel zijn in ombuigingslijsten in eerdere jaren potentiële maatregelen opgenomen over concentratie en sluiting van SEH’s. Deze maatregelen worden beschreven op een hoog abstractieniveau. Wanneer daartoe aanleiding is, worden ombuigingsmaatregelen uit eerdere jaren als vanzelfsprekend geactualiseerd op basis van de meest recente inzichten.
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Binnen het Nederlandse zorgstelsel wordt op verschillende manieren, zowel impliciet als expliciet, en door verschillende partijen (ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid), gestuurd om te komen tot een inrichting van een zorglandschap waarin de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg worden geborgd. Voor dit kabinet is passende zorg daarbij nadrukkelijk het uitgangspunt en de norm. Een belangrijke rol bij de inrichting van het zorglandschap en de beweging naar passende zorg is weggelegd voor zorgverzekeraars, bij wie de zorgplicht is belegd. Via de contractering sturen zij op doelmatigheid, kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. Het kabinet wil deze rol versterken door zorgverzekeraars meer mogelijkheden te geven om niet-passende zorg niet langer te contracteren of te vergoeden, zodat zij gerichter kunnen sturen op passende zorg en toekomstbestendige toegankelijkheid. Het kabinet gaat de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Naast zorgverzekeraars hebben ook de medische beroepsgroepen een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij bepalen via richtlijnen en kwaliteitsnormen wat goede en passende zorg is. Dit resulteert vervolgens in regionale werkafspraken (onder andere op ROAZ-niveau), waardoor bijvoorbeeld een ambulance weet bij welke poort zij een patiënt met een specifieke ingangsklacht het beste kunnen presenteren, zodat betreffende patiënt meteen de juiste zorg ontvangt. Het kabinet stelt daarbij scherpere eisen aan de totstandkoming en actualisatie van deze normen, zodat duidelijker wordt welke zorg wel en niet passend is.
De beweging naar passende zorg vertaalt zich verder in de inrichting van het medisch zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio:
Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen.
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. We willen de voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak. We willen bijsturen waar dat nog niet zover is. De ruimte om niet mee te doen aan passende zorg wordt verkleind. Het kabinet vindt het dan ook onwenselijk als er niet-passende zorg wordt geboden, om welke reden dan ook. Niet-passende zorg is niet alleen niet wenselijk voor de patiënt en zorgprofessional, het leidt ook tot hogere zorgkosten en daarmee een hogere zorgpremie.
Daarom heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel van het passende zorg als norm maken wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over de zorginhoud van passende zorg, de rol van zorgaanbieders, de rol van zorgverzekeraars en over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet staat achter dat principe, zoals ook toegelicht in het vorige antwoord.
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden voor partijen ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en de kosten van de zorginstelling. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren(kpi’s), die gericht kunnen zijn op passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen vervullen een belangrijke rol in het zorglandschap. In het AZWA is afgesproken dat aanbieders in een regio samenwerken in netwerken, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen, zodat het regionale zorgaanbod ook in de toekomst aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. Het is aan verzekeraars en aanbieders om via de contractering onder meer passende financiële afspraken te maken.
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de invoering van budgetbekostiging SEH is een bijdrage leveren aan de transitie van de organisatie van acute zorg die nodig is om de acute zorg ook in de toekomst voor patiënten toegankelijk en van goede kwaliteit te houden. De invoering van budgetbekostiging voor de SEH gebeurt in stappen. Per 1 januari 2027 wordt de eerste stap gezet, waarna de bekostiging verder zal worden doorontwikkeld. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat de invoering macro budgetneutraal plaatsvindt.
Doordat ziekenhuizen bij de huidige bekostiging een directer financieel belang kunnen hebben bij het behandelen van patiënten op de SEH, kan het moeilijker zijn om regionale afspraken te maken over samenwerking en bijvoorbeeld het verplaatsen van zorg naar een beter passende plek in de spoedzorgketen zoals van de SEH naar de huisartsenspoed-post. Binnen de acute zorg worden de ambulancezorg en de huisartsenspoedposten al op basis van een budget bekostigd. Budgetbekostiging voor de SEH kan de productieprikkel verminderen, de ketensamenwerking bevorderen en daarmee een doelmatige inzet van schaarse capaciteit beter ondersteunen. En vanwege de garantie van een budget, biedt budgetbekostiging meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen om in een passend zorgaanbod op de SEH te kunnen voorzien.
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.
Erkenning en rechtsherstel voor de Molukse gemeenschap |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Kabinet kan geschiedenis schrijven met rechtsherstel voor Molukse gemeenschap»?1 Bent u tevens bekend met het bericht «Oud-premier Van Agt vroeg Koning om excuses aan Molukse gemeenschap»2 en het bericht «Arnhem erkent pijn Molukkers: excuses, plaquette én betalingen voor grafrechten»?3
Hoe duidt u en het kabinet de oproepen uit de bovengenoemde berichten in het licht van het feit dat op 21 maart 2026 het herdenkingsjaar 75 jaar Molukkers in Nederland is gestart?
Erkent u dat het Nederlandse overheidsbeleid rond de komst en opvang van Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951 heeft geleid tot groot onrecht met langdurige gevolgen voor hun rechtspositie, maatschappelijke positie en vertrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Is hierbij naar het oordeel van u en het kabinet sprake van een bijzondere verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden, mede in het licht van de militaire dienstverbanden en de verwachtingen die destijds door de overheid zijn gewekt?
Bent u bereid concrete voorstellen uit te werken voor vormen van rechtsherstel en de Kamer hierover voor het einde van het herdenkingsjaar te informeren?
Bent u bereid hierover actief in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en betrokken medeoverheden, en de Kamer?
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Intimidatie en ernstige overlast in de openbare ruimte zijn onacceptabel. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen op straat.
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Het is zorgelijk als burgers onvoldoende bescherming vanuit gemeenten en politie ervaren. De inzet vanuit gemeenten, Openbaar Ministerie en politie is juist ook gericht op het bieden van een leefbare woonomgeving waarin overlast wordt tegengegaan en strafbare feiten worden vervolgd.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Er is geen recent landelijk beeld beschikbaar van het aantal overlastgevende of criminele jeugdgroepen; deze zijn overigens veelal fluïde en wijzigen voortdurend in bestaan en samenstelling. Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen is reeds jaren geleden het – mede op basis van ervaringen van gemeenten – 7-stappenmodel ontwikkeld voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag. Dit 7-stappenmodel wordt door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig en op basis van nieuwe ervaringen verrijkt.
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Het is aan de bevoegde autoriteiten om zorg te dragen voor de handhaving van de openbare orde en ook hardnekkig overlastgevend en intimiderend gedrag aan te pakken wanneer dit de openbare orde verstoort of wanneer daarbij strafbare feiten worden gepleegd. De autoriteiten opereren daarbij op grond van en binnen wettelijke kaders.
In de praktijk vraagt de lokale aanpak van overlast soms om lange adem, onder andere voor de opbouw van dossiers. Ik begrijp goed dat dit heel vervelend is voor de direct omwonenden. Maar eigenrichting is nooit het antwoord. Daarvoor is geen ruimte in onze democratische rechtsstaat. Opeenvolgende kabinetten hebben de operationele formatie van de politie fors uitgebreid.
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Er is ook hard gewerkt aan het vullen van de bezetting. Als het gaat om politiecapaciteit is er in de praktijk altijd meer vraag dan aanbod. Het is aan het lokaal gezag om hierop te prioriteren en de juiste keuzes te maken op basis van hun kennis van de lokale situatie.
Enkele Preventie met Gezag-gemeenten hebben met de PmG-middelen extra capaciteit (jeugd-)boa’s kunnen organiseren. Daarnaast is het aan gemeenten hierin op basis van de lokale situatie zelf te prioriteren.
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
De burgemeester en de officier van justitie bepalen in de driehoek welke inzet en interventies worden toegepast bij de handhaving van de openbare orde en het vervolgen van strafbare feiten. Daarbij heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen rol.
Voor de aanpak van overlastgevende jeugdgroepen is een uitgebreid (wettelijk) instrumentarium en bijvoorbeeld vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid het al genoemde 7-stappenmodel beschikbaar. Het is aan de burgemeester, de officier van justitie, de politie en de gemeente om dat daar waar dat wenselijk en noodzakelijk is deze mogelijkheden toe te passen.
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Met betrokken partijen ben ik voortdurend in gesprek over wat zij nodig hebben om hun taken goed en beter uit te kunnen voeren. De burgemeester en de officier van justitie beschikken op dit moment reeds over verschillende bevoegdheden die de politie kan inzetten om overlast te bestrijden. Daartoe behoren ook de inzet van camera’s en het inzetten van extra handhavingscapaciteit. In de driehoek wordt de toepassing van deze bevoegdheden in concrete situaties afgewogen. De politie draagt zorg voor de uitvoering van deze maatregelen.
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Pieter (61) gaat per boot naar Gaza: ‘Ik ga ervan uit dat wij ook worden gekidnapt’' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla woensdag 15 april is uitgevaren richting Gaza met als doel het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza door Israël en het brengen van humanitaire goederen?
Bent u ervan op de hoogte dat er in ieder geval één Nederlandse burger aan boord is van deze vloot?1
Deelt u de mening dat het doel van deze actie, namelijk het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza en het brengen van humanitaire hulp naar de bevolking van Gaza, legitiem is en niet mag worden gehinderd? Zo ja, hoe gaat u hieraan bijdragen en bent u bereid steun uit te spreken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Israëls handelen tegen de vorige Flotilla actie, namelijk het enteren en gevangennemen, met fysiek geweld tot gevolg, van de opvarenden van de Freedom Flotilla op internationale wateren illegaal was? Zo ja, wat gaat u doen om dit deze keer te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de Israëlische regering te waarschuwen geen Nederlandse staatsburgers gevangen te nemen bij het brengen van humanitaire hulp aan Gaza, dat de opvarenden veilig blijven en met respect voor mensenrechten en het internationaal recht behandeld worden? Zo ja, op welke manieren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manieren levert u (consulaire) bijstand aan de Nederlandse opvarenden van de Freedom Flotilla? Als er geen sprake is van consulaire hulpverzoeken voorafgaand aan de Flotilla, bent u bereid actief contact te zoeken met de Nederlandse staatsburgers en ze bij te staan gezien de precaire situatie?
Bent u in contact met andere landen waarvan de burgers opvarenden van de Freedom Flotilla zijn? Zo ja, bent u bereid gezamenlijk op te trekken tegen de Israëlische regering om te zorgen dat internationaal recht en toegang van humanitaire hulp wordt geborgd? Zo nee, waarom niet?
Als er opnieuw illegale kidnappings en mishandelingen plaatsvinden, is het kabinet dan bereid om eindelijk actie te ondernemen richting het Israëlische kabinet? Welke maatregelen mogen we verwachten?
Bent u bereid om voor deze missie bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid contact te houden met de Global Sumud Flotilla om te zorgen dat de (Nederlandse) opvarenden veilig zijn en op bijstand kunnen rekenen? Zo ja, op welke manier bent u van plan dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de toevoer van deze humanitaire hulp door de Flotilla niet voldoende zullen is om de humanitaire noden in Gaza op te lossen? Zo ja, hoe gaat u hier dan aan concreet aan bijdragen?
Bent u het eens met het laatste AIV- en CAVV-advies over bescherming van hulpverleners, waarin zij stellen dat stille diplomatie niet voldoende is als het gaat om het tegengaan van geweld tegen hulpverleners? Welke consequenties verbindt u daaraan indien geweld tegen de hulpverleners van de Flotilla plaatsvindt?
Welke maatregelen bent u bereid om te nemen tegen de Israëlische regering om de genocide in Gaza te stoppen? Wanneer bent u bereid om de Palestijnse staat te erkennen, om de Israëlische ambassadeur te ontbieden, om de leden van de regering Netanyahu op een sanctielijst te zetten, om een handelsembargo in te stellen, of om een wapenembargo in te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1
Ja, dat ben ik.
Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?
Het beleid van de collectieve erkenning richt zich op alle gemeenschappen in Nederland, waaronder de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen. Om een pleisterplaats te bieden aan al deze gemeenschappen is in 2019 Museum Sophiahof van Indië tot nu (hierna: Sophiahof) opgericht.
Het Moluks Historisch Museum (MHM) te Utrecht moest in 2012 noodgedwongen sluiten vanwege onvoldoende structurele inkomsten. Vervolgens is MHM een aantal jaar als kenniscentrum gehuisvest geweest in het Moluks Kerkelijk Centrum te Houten, waar de toekomst van de organisatie ook onzeker was. Omdat de geschiedenis van de Molukse gemeenschap nadrukkelijk onderdeel vormt van de collectieve erkenning en om deze geschiedenis toch te borgen, ontvangt MHM subsidie om deze rol te kunnen vervullen. Deze subsidie ontvangt MHM niet zozeer als apart museum, maar als onderdeel van de Sophiahof. Daarbij staat VWS garant voor de huisvestingskosten van de Sophiahof.
In de Sophiahof is, naast MHM, een aantal andere organisaties gehuisvest die verschillende rollen vervullen.2 Met deze partners ben ik een traject gestart hoe gezamenlijk de samenwerking, visieontwikkeling en strategische richting van de Sophiahof verder uit te werken, om daarmee de Sophiahof dé nationale plek te maken voor alle gemeenschappen van de collectieve erkenning. Ik wil graag dit traject dat naar verwachting tot eind 2027 loopt (met mogelijke uitloop tot 2028), afwachten. Om ervoor te zorgen dat de Molukse geschiedenis een goede plek in dit traject krijgt, is aan MHM toegezegd de projectsubsidie voor de komende jaren voort te zetten.
Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?
Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi'' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1
Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?
Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?
Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht «Ukraine Creates UK-Backed «A1» AI Hub to Develop EW-Resistant Drones and Predict Russian Moves»?1
Ja.
Naar aanleiding van uw bezoek aan Oekraïne in maart 2026 werd bekend dat Nederland intensief gaat meekijken bij de Oekraïense inzet van drones op het slagveld, om meer te leren over de mogelijkheden voor Nederlandse productie en innovatie van onbemenste systemen; sluit dit aan op het initiatief in de berichtgeving?
Nee, dit staat los van het in de berichtgeving genoemde initiatief. Nederland is bekend met het Oekraïense AI-centrum A1, ook wel het Center of Innovations and Defence Technologies Development. Vanuit Defensie wordt contact gezocht met de initiatiefnemers van dit centrum, onder meer in het kader van lessons learned en mogelijke samenwerking.
Heeft de Nederlandse industrie toegang tot de beschikbare informatie en zo ja, hoe waarborgt u dat deze informatie eerlijk toegankelijk is voor alle geïnteresseerde marktpartijen?
Defensie heeft op dit moment zelf geen directe toegang tot deze specifieke informatie, omdat Nederland niet betrokken is bij dit initiatief. Daardoor beschikt Defensie ook niet over een informatiepositie die met de Nederlandse defensie-industrie kan worden gedeeld of waarvoor Defensie de toegang kan reguleren. Nederlandse bedrijven die zelf actief zijn in Oekraïne kunnen uiteraard via hun eigen contacten met Oekraïense eindgebruikers operationele feedback of gefilterde informatie ontvangen. Dat betreft echter geen door Defensie beheerde of via Defensie beschikbaar gestelde informatiepositie. Tegelijkertijd wordt verkend op welke wijze Nederland in de toekomst kan aansluiten bij initiatieven gericht op kennis- en informatie-uitwisseling, mede om lessen uit Oekraïense innovaties breder toegankelijk te maken voor relevante Nederlandse stakeholders.
Is Nederland ook voornemens om zelf een soevereine database aan te vullen voor het trainen van AI-modellen (al dan niet met Europese partners)? Wordt de Nederlandse industrie aangesloten bij een mogelijk initiatief?
Geschikte data voor het trainen van AI-modellen voor militaire doeleinden is schaars. Daarom erkent Defensie het belang van een database met dergelijke data. Defensie verkent verschillende mogelijkheden voor het verkrijgen van data van hoogwaardige kwaliteit, waarmee robuuste militaire AI kan worden ontwikkeld. Denk hierbij ook aan alternatieven zoals synthetische data. Industriepartners worden actief betrokken.
Ziet u ook een kans om als Nederland koploper in Europa te worden in het ontwikkelen van verantwoorde AI? Wat gaat u op korte termijn initiëren om dit te bewerkstelligen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de verantwoorde ontwikkeling, verwerving en inzet van militaire AI. Met de eerste Responsible AI in the Military Domain (REAIM) Summit in het voorjaar van 2023 heeft Nederland het thema verantwoorde AI in het militaire domein voor het eerst op de internationale agenda gezet. Nederland was bij alle REAIM summits co-host, in 2023, 2024 en 2025. Daarnaast speelt Nederland een actieve rol in de Governmental Group of Experts on Lethal Autonomous Weapon Systems (GGE LAWS). Van 2024 tot en met 2026 zit Nederland deze groep voor. Het doel is om consensus te bereiken over elementen van toekomstige afspraken over autonome wapensystemen. Tijdens de GGE LAWS bijeenkomsten gaat het ook over de huidige en toekomstige rol van AI in LAWS. Nederland blijft nauw betrokken bij het mogelijke vervolg van REAIM en de GGE LAWS. Daarnaast is Defensie nadrukkelijk bezig met het proces van verantwoorde verwerving van AI. Tot slot wordt onderzocht hoe Defensie militaire AI kan verifiëren en valideren voor veilig gebruik en inzet.
Hoe weegt u het risico van het niet zelf hebben van een soevereine database voor het trainen van AI-modellen en van welke landen verwacht u afhankelijk te zijn?
De data waarop de AI-modellen worden getraind is grotendeels afkomstig en in beheer van Defensie. Daarnaast zullen er technische maatregelen worden getroffen om de daadwerkelijke uitkomsten van de AI-modellen te kunnen valideren, voordat deze daadwerkelijk (operationeel) worden ingezet. Bijvoorbeeld door eerst in een simulatieomgeving te werken. Op dit moment onderzoekt Defensie op Europees niveau met welke aanbieders en partnerlanden hiervoor een samenwerking kan worden gestart.
Sluit u aan bij de gedachten dat we de standaarden voor militair gebruik van AI niet aan externe machten overlaten, maar dat we die zelf bepalen?
Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op het militair gebruik van AI. Het gebruik van AI in het militaire domein mag niet leiden tot schendingen van dit recht. Dit zijn bestaande afspraken. Daarnaast onderschrijft Nederland bijvoorbeeld de NAVO-principes voor het verantwoord gebruik van AI. Voor de effectiviteit van nieuwe internationale afspraken, specifiek ten aanzien van AI in het militaire domein, is het van belang dat staten die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van state-of-the-art AI hieraan meedoen. Nederland zet zich op verschillende manieren actief in om nieuwe afspraken te maken, bijvoorbeeld in het kader van REAIM en van de GGE LAWS.
Ziet u mogelijkheden om aan te haken op het samenwerkingsverband tussen Duitsland en Oekraïne, die hun defensiesamenwerking verder hebben geïntensiveerd door een memorandum te tekenen op het gebied van delen van data van het slagveld, waarbij Duitsland ook toegang krijgt tot real-time DELTA battlefield management system?
Ja, Defensie ziet deze mogelijkheden. Defensie kijkt expliciet naar en werkt samen met Oekraïne om lessen van het slagveld te vertalen o.a. door het delen van relevante informatie. In het deel van de organisatie belast met de militaire steun aan Oekraïne wordt actief gekeken naar innovatie en zo genoemde Lessons Learned en de disseminatie daarvan. Daarnaast werkt Defensie aan het verbinden van Nederlandse en voor Defensie relevante kennisinstellingen met Oekraïense kennis en innovatie instituten
Ziet u het belang van in Europees verband initiatieven organiseren voor een strategisch autonome battlefield management architectuur die interoperabiliteit tussen de (gefragmenteerde) Europese systemen waarborgt?
Ja. Defensie onderschrijft het belang van samenwerking in Europees verband gericht op een meer strategisch autonome battlefield management architectuur. Interoperabiliteit tussen nationale systemen is essentieel voor het effectief gezamenlijk optreden van Europese krijgsmachten, onder meer binnen NAVO- en EU-verband.
Onderneemt Defensie andere initiatieven om een strategisch autonome battlefield management architectuur te maken? Zo niet, kunt u een risicoafweging van afhankelijkheden geven? Zo ja, bent u bereid een plan van aanpak te maken en te delen?
Defensie heeft reeds een aantal battlefield management architecturen in gebruik, zowel aangekocht als zelf ontwikkeld. De insteek is dat primaire componenten van toekomstige battlefield management architecturen in de basis door Defensie zelf ontwikkeld worden.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de eigenaar van Ticketmaster schuldig is bevonden aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eigenaar Ticketmaster schuldig aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten in VS»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over het betreffende jury-oordeel in deze rechtszaak in de Verenigde Staten tegen het bedrijf Live Nation, dat onder andere eigenaar is van Ticketmaster.
Herkent u dat dezelfde combinatie van ticketverkoop, concertpromotie en afspraken met zalen ook in Nederland grotendeels via dit ene concern verloopt?
Het concern Live Nation is ook in Nederland op verschillende aanverwante markten een belangrijke speler, onder meer via dochterbedrijven Ticketmaster en Mojo Concerts. Dat neemt niet weg dat de marktstructuur en concurrentiedruk in Nederland en Europa anders is dan in de Verenigde Staten.
Er zijn in Nederland bijvoorbeeld ook andere partijen actief die toegangskaarten voor concerten, festivals en andere evenementen verkopen, evenementen initiëren en promotie verzorgen. Zalen, poppodia en festivals in Nederland kunnen daarmee in beginsel kiezen uit verschillende bedrijven die namens de organisatie de kaartverkoop verzorgen. Daarnaast kent Nederland een andere opzet van het podia- en zaalaanbod, met een sterke inbedding in het lokale en regionale cultuuraanbod. De conclusies in de Amerikaanse rechtszaak zijn dan ook niet één-op-één toepasbaar op de situatie in Nederland.
Krijgt u signalen van consumenten, kleinere zalen en onafhankelijke promotors over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster?
Het kabinet is niet bekend met signalen van consumenten en kleinere zalen over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) doet in de regel geen mededelingen over signalen die zien op de naleving van de consumenten- en mededingingsregels door individuele partijen. Ten aanzien van Ticketmaster ontvangt de ACM maandelijks slechts enkele signalen over uiteenlopende onderwerpen met betrekking tot de (door)verkoop van toegangskaarten, bijvoorbeeld over het herroepingsrecht. Echter die signalen duiden niet op een achterliggend collectief consumentenprobleem.
TicketSwap heeft bij de ACM in 2023 een handhavingsverzoek ingediend, omdat Ticketmaster de doorverkoopmogelijkheden van mobiele tickets zou beperken. De ACM heeft de gedragingen van Ticketmaster onderzocht en een aantal mededingingsrisico’s geïdentificeerd. Ticketmaster heeft aan de ACM toezeggingen gedaan om aan deze risico’s tegemoet te komen. Hiervoor verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de New Competition Tool zo vorm te geven dat deze ook kan worden ingezet tegen structurele marktmacht in verticaal geïntegreerde markten zoals ticketing, zonder dat er een recente fusie nodig is?
Het doel van een nieuwe marktremediebevoegdheid (MRB; oftewel: New Competition Tool) voor de ACM is dat hiermee structurele concurrentieverstoringen in markten gerichtkunnen worden geadresseerd. Uitgangspunt bij de verdere vormgeving van deze bevoegdheid is dat concurrentieverstoringen als gevolg van toegenomen marktconcentraties of marktmacht onder de reikwijdte kunnen vallen. Gedacht moet worden aan concurrentieverstoringen waarbij geen sprake is van een overtreding van de Mededingingswet.
Met een MRB kan de ACM gericht onderzoek doen naar dergelijke concurrentieverstoringen en tijdelijke maatregelen (remedies) opleggen of aan de wetgever adviseren die specifiek gericht zijn op het geconstateerde marktfalen. Indien concurrentieverstoringen in de ticketing markt worden geconstateerd, kan de MRB worden ingezet om maatregelen te nemen in deze markt. Hiervoor is een recente fusie geen vereiste.
Wat vindt u van dynamic pricing en service fees die pas aan het einde van het bestelproces zichtbaar worden? Zijn de huidige consumentenregels hier toereikend, en worden ze in de praktijk nageleefd?
Een verkoopprijs moet onder het consumentrecht aan het begin van het bestelproces reeds worden vermeld inclusief onvermijdbare bijkomende kosten zoals servicekosten. Als de onvermijdbare bijkomende kosten vast zijn, moeten ze in de verkoopprijs zijn verwerkt. Als de onvermijdbare bijkomende kosten variabel zijn, dan moeten ze bij de verkoopprijs worden vermeld.
Dynamische beprijzing, waarbij de ticketprijs fluctueert, is in opkomst bij de verkoop van toegangskaarten. In andere markten, zoals bij hotels, vliegtickets en taxi’s is dit al langer gebruikelijk.2 Het is primair aan organisatoren en artiesten om hier bij de verkoop van toegangskaarten zelf afwegingen in te maken. In het kader van de aankomende Digital Fairness Act wordt door de Europese Commissie een maatregel overwogen rondom dynamische beprijzing van tickets. Op basis van deze mogelijke maatregel zouden ticketverkopers verplicht kunnen worden om transparant te zijn over hoeveel tickets er beschikbaar zijn voor de startprijs en/of de huidige prijs weer te geven op het moment dat consumenten in de virtuele wachtrij staan. Ik sta positief tegenover deze mogelijke maatregel. Het voorstel van de Europese Commissie voor de Digital Fairness Act wordt in Q4 van dit jaar verwacht.
Welke bestaande bevoegdheden – artikel 24 Mededingingswet, (Europese) mededingings- en consumentenregels – kunt u nu al inzetten, vooruitlopend op nieuwe wetgeving?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) kan op grond van haar bestaande bevoegdheden onderzoek doen en handhavend optreden als sprake is van een overtreding van de mededingings- of consumentenregels. Zo kan de ACM besluiten tot een onderzoek naar misbruik van een economische machtspositie. ACM is hierin onafhankelijk en bepaalt haar eigen prioriteiten.
In 2024 heeft de ACM een toezeggingsbesluit genomen over Ticketmaster om mededingingsrisico’s weg te nemen bij de doorverkoop van tickets. De ACM had onderzoek gedaan naar de voorwaarden van Ticketmaster bij de doorverkoop van mobiele tickets. Ticketmaster heeft in dat kader toegezegd dat consumenten die hun mobiele Ticketmaster-tickets willen doorverkopen dat kunnen blijven doen buiten het platform van Ticketmaster. Onlangs heeft de Rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een handhavingsverzoek van het bedrijf Ticketswap besloten om het besluit van de ACM volledig in stand te laten.3
Op dit moment zie ik zelf geen reden tot aanvullend (wetgevend) ingrijpen in de markt voor ticketing.
Zet u zich in Brussel in voor een Europese aanpak van marktmacht in de ticketingsector?
De Europese mededingingsregels bieden in beginsel een afdoende kader om misbruik van marktmacht op Europees niveau tegen te gaan. Voor wat betreft de problematiek rond woekerhandel bij de (door)verkoop van tickets heeft het kabinet in 2025 aangegeven eventuele toekomstige Europese initiatieven voor een effectieve aanpak voor de gehele EU te zullen steunen.
In het kader van het eerder vermelde voorstel voor een Digital Fairness Act (verwacht in Q4 2026) wordt door de Europese Commissie een maatregel overwogen op basis waarvan professionele doorverkoop van tickets voor winst verboden zou worden. Nederland heeft aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van deze beleidsoptie en aandacht gevraagd de handhaafbaarheid hiervan. Sommige partijen die tickets professioneel doorverkopen zijn namelijk buiten de EU gevestigd.
Kunt u de Kamer vóór het zomerreces informeren over de voortgang van de call-in bevoegdheid en NCT, gesprekken met de ACM over ticketing, en de Nederlandse inzet in Europa?
Voor wat betreft de Nederlandse markt voor (door)verkoop van toegangskaarten is de Kamer laatst bij brief van 27 maart 20254 geïnformeerd dat uit gesprekken met ACM en stakeholders naar voren kwam dat de markt zich snel ontwikkelt en innoveert en dat daarbij geen van de belanghebbenden een verbod op doorverkoop wil. Zodra er ontwikkelingen zijn met betrekking tot doorverrkoop in Europa, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Momenteel werk ik aan de voorbereiding van een conceptwetsvoorstel ter invoering van een marktremediebevoegdheid. In het commissiedebat marktordening en consumentenbescherming van 19 maart jl. heb ik toegezegd om in het najaar met een internetconsultatie te willen starten en uw Kamer voorafgaand nader te informeren. Eerder vind ik gelet op de nog te maken beleidskeuzes en te melden voortgang niet opportuun.
Voor de call-in bevoegdheid heeft het Kamerlid Bushoff (PRO) op 16 april jl. een initiatiefwetsvoorstel bij uw Kamer ingediend.5 Ik heb uw Kamer aangegeven hier in beginsel positief tegenover te staan. Wanneer het initiatiefwetsvoorstel in uw Kamer wordt behandeld, zal ik daar namens het kabinet op reageren.
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Omroep Gelderland «Minister Yeşilgöz informeerde de Kamer verkeerd over incident tracker op marineschip»?1
Ja.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland nog aan boord was van de Zr.Ms. Evertsen terwijl het schip toen al klaar was met een oefening waarbij het verzenden van een AIS-signaal verplicht was?
Ja. Zoals gemeld aan uw Kamer (referentie 2026Z08829) op 23 april jl., is het schip vertrokken voor een oefening nadat de tracker, via post aan boord was gekomen bij het havenbezoek. Het automatic identification system (AIS) heeft gedurende de gehele oefening aangestaan, waardoor het schip te volgen was via openbare trackingwebsites. Het AIS is aan het einde van de oefening uitgezet, waarna het schip koers zette naar het operatiegebied. Het schip is vervolgens een korte periode zichtbaar geweest door de tracker terwijl het AIS was uitgeschakeld. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland op zaterdagochtend 28 maart, toen het schip in de buurt van Cyprus was, nog niet was uitgeschakeld?
Zie antwoord vraag 2.
Had de Zr.Ms. Evertsen op zaterdagochtend 28 maart haar missie al hervat?
Zie antwoord vraag 2. Op 27 maart is de tracker via de militaire post aan boord gekomen. Op 28 maart heeft de bemanning de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt, voordat het schip haar missie hervatte.
Kunt u ons heel precies informeren wat de feiten zijn met betrekking tot de aanwezigheid van de tracker op het schip en hoe zich dit verhoudt tot de feiten gemeld door Omroep Gelderland op 21 april? Als u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd, of verkeerde informatie heeft gegeven, waarom is dat gebeurd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Zoals ik uw Kamer meldde tijdens de plenaire afronding, was het operationele risico beperkt, mede doordat het AIS was ingeschakeld tijdens de oefening. Naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., heb ik dit verduidelijkt in de brief die uw Kamer op 23 april jl. ontving.
Wanneer was u ervan op de hoogte dat verstrekte informatie niet klopte en waarom heeft u toen de Tweede Kamer niet geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 5. Ik heb de Kamer proactief op de hoogte gebracht tijdens de plenaire afronding van 16 april jl. Om onduidelijkheid te voorkomen heb ik naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., en op verzoek van het lid Piri, op 23 april jl. uw Kamer opnieuw geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u uw uitspraken dat de aanwezigheid van de tracker aan boord van het schip geen risico vormde voor het schip? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de aanwezigheid van de tracker op het moment dat het schip mogelijk haar werkelijke missie al had hervat?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Welke stappen hebt u ondernomen om te voorkomen dat kwaadwillenden de locatie van militaire schepen, landvoertuigen of militair materieel of personeel op missie kunnen achterhalen?
Zoals gemeld heeft Defensie haar richtlijnen aangepast om dergelijke post eerder te onderscheppen.
Bent u ervan op de hoogte dat Defensie meer informatie deelt over bijvoorbeeld het versturen van post aan defensiemedewerkers op marineschepen dan andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat doen? Waarom kiest Nederland hiervoor en ziet u aanleiding om vanuit veiligheidsoverwegingen dit te wijzigen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8. Defensie hecht er aan dat het personeel op een veilige en verantwoorde wijze post kan ontvangen van het thuisfront. Het thuisfront is een essentiële steun voor onze militairen die vaak lang van huis zijn.
Waarom heeft u geen artikel 100-brief gestuurd met betrekking tot de missie van de Zr.Ms. De Ruyter?
Op 17 februari 2026 is uw Kamer door mij en de Minister van Buitenlandse Zaken middels een Kamerbrief geïnformeerd over de beoogde maritieme presentie van Zr.Ms. De Ruyter in de Indo-Pacific (Kenmerk 29 521, nr. 504).
Gedurende de reis levert Zr.Ms. De Ruyter associated support aan een aantal operaties wanneer het door de betreffende operatiegebieden vaart. Dit betekent dat het schip waarnemingen deelt met deze operaties, maar niet onder de bevelsstructuur valt.
Hoe verschilt de missie van de Zr.Ms. De Ruyter van de missie van de Zr.Ms. Karel Doorman begin 2024 waarbij associated support wel genoeg reden gaf voor een artikel 100-brief?
Onderweg naar de Indo-Pacific passeert Zr.Ms. De Ruyter de Rode Zee. Gedurende deze doorvaart zal het schip associated support leveren aan de EU-operatie Aspides.
In 2024 is Zr.Ms. Karel Doorman ingezet binnen Aspides. Het schip heeft destijds voor een periode van vier maanden gezorgd voor logistieke ondersteuning en medische capaciteit in direct support van de operatie. Daarnaast heeft het schip gefungeerd als vlaggenschip van de operatie. Gelijktijdig heeft het schip associated support geboden aan de VS-geleide Operatie Prosperity Guardian. Omdat Zr.Ms. Karel Doorman middels direct support voor een langere periode heeft bijgedragen aan Aspides is de Kamer destijds conform het artikel 100 Toetsingskader 2014 geïnformeerd.
Bent u bereid om heel zorgvuldig te kijken naar missies van Defensie en als er twijfel is of een missie in aanmerking komt voor een artikel 100-procedure, deze procedure wel te volgen in plaats van dit niet te doen?
Het kabinet hecht eraan de Kamer zorgvuldig en tijdig te informeren over de inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde conform artikel 100 van de Grondwet. Het Toetsingskader 2014 wordt daarbij toegepast en is nadrukkelijk bedoeld voor de besluitvorming van de regering en het overleg daarover met het parlement als het gaat om uitzending van militaire eenheden die in de uitoefening van hun taak wellicht ook wapengeweld moeten toepassen of het risico lopen daaraan te worden blootgesteld. Indien dat het geval is wordt de Kamer conform het toetsingskader geïnformeerd.
Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat universiteiten bij uitstek de plekken in de samenleving zijn voor open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische kernwaarden. Het is aan de instellingsbesturen om, bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten, in iedere casus een nieuwe afweging te maken of iemand kan komen spreken. Daarbij moeten zij zowel de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsook de veiligheid op de campus waarborgen. Ik vertrouw erop dat zij die afwegingen weloverwogen maken en dat dat ook in dit geval is gebeurd. Zo heeft de UvA mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?
Ik deel niet uw opvatting dat de academische vrijheid is ingeruild voor ideologische censuur. Wel is en blijft het van groot belang dat de academische vrijheid gewaarborgd en actief beschermd wordt. Vanwege de signalen dat de academische vrijheid onder druk staat, lopen er verschillende trajecten die bijdragen aan het inzicht in de academische vrijheid in Nederland en het handelingsperspectief om deze beter te borgen en beschermen. De KNAW werkt bijvoorbeeld aan twee adviezen; juridische borging van academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Het is van belang dat deze twee vrijheden van elkaar worden onderscheiden. Daarnaast start ik, naar aanleiding van motie Heite, een onafhankelijk onderzoek naar de zorgen over het gebrek aan pluriformiteit in de wetenschap waarvan ik de resultaten dit najaar verwacht.2
Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Ik neem afstand van de suggestie dat universiteiten veiligheid als smoes inzetten of als argument misbruiken om onwelgevallige sprekers te weren. Zoals toegelicht onder vraag 2 vertrouw ik erop dat universiteiten in elke casus een weloverwogen afweging maken, waarbij zij veel waarde hechten aan de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben daar niet toe bereid en ik heb ook geen indicaties dat hier sprake van zou zijn.
Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken niet dat dergelijke incidenten bijdragen aan een angstcultuur. Het is te betreuren dat evenementen soms vanwege veiligheidsredenen moeten worden afgezegd. Iedereen moet zich veilig voelen om mee te doen aan het open debat, waar de ruimte is voor verschillende perspectieven en waar het ook mag schuren. Zoals eerder aangegeven in vraag 2 zetten bestuurders zich elke dag weer in voor academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, maar hebben ze daarbij ook de ingewikkelde taak om de veiligheid te waarborgen.
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is. De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen) afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen. Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Zie antwoord vraag 3.
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen, maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid geldt dat de kosten volgens de onderzoekers € 70.000 tot € 100.000 per voltijdsbaan bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij een grotere vraaguitval. Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten meegenomen voor het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB.
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde fiscale regelingen om een deel van de financieringsopgave te vullen en heeft er voor gekozen om het verlaagde btw-tarief op sierteelt af te schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling wordt afgeschaft.
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt. Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het Ministerie van Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte is echter niet voorbehouden aan het hanteren van een verlaagd btw-tarief. Uit de evaluatie van verlaagde tarieven in 20233 blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig instrument is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te realiseren. Een groot aantal gemeenten, provincies en waterschappen bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen te nemen. Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het btw-compensatiefonds compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen van sierteelt naar het algemene btw-tarief voor gemeentes en provincies niet tot een hogere btw-last leidt.
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Ja.
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
De UvA heeft mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden. Ik betreur het dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden onvoldoende kan worden gegarandeerd en een bijeenkomst daarom geannuleerd moet worden.
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Ik onderschrijf dat de academische vrijheid op universiteiten actief beschermd moet worden. De vrijheid van meningsuiting dient overal actief beschermd te worden. Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving voor een open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden, zoals o.a. kritisch denken, onafhankelijkheid, respect en transparantie. Instellingen zijn hier primair verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in.
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Ja, ik deel deze opvatting. Ik acht het van belang dat er op universiteiten ruimte is voor debat over maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden.
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
De instellingsbesturen hebben de ingewikkelde taak om zowel het open debat, alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten wordt per casus, in overleg met betrokken partijen, een afweging gemaakt of iemand kan komen spreken. Het beoordelen van de risico's van bijeenkomsten, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek. Ik vertrouw erop dat zij deze afwegingen weloverwogen maken. Het is niet aan mij als Minister om mij in die afweging te mengen.
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 3 betreur ik het als een bijeenkomst vanwege veiligheidsredenen niet door kan gaan. Ik verwacht van instellingen dat zij zich maximaal inspannen om de randvoorwaarde van veiligheid te borgen en hierover op lokaal niveau met de veiligheidsdriehoek overleg te plegen. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat zij zich hier ten volle van bewust zijn en voor inzetten. Ik herken dan ook niet het beeld dat instellingen relatief snel afschalen of afgelasten. Als hierover zorgen leven binnen de academische gemeenschap op de instellingen, dan kunnen zij hierover met het College van Bestuur in gesprek.
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Zie antwoord vraag 7.
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Over de wijze waarop instellingen deze balans bewaken hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer op 3 juli en 18 december 2025 geïnformeerd met de brieven over veiligheid op universiteiten en hogescholen.2 In de bijlage bij de brief van 3 juli gaan de koepelorganisaties VH en UNL specifiek in op de kaders, richtlijnen en handreikingen die zij hiervoor gebruiken en hoe de sectorale coördinatie van hun veiligheidsbeleid is ingericht.
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
Ik vind het belangrijk dat universiteiten zich blijvend inzetten voor diversiteit en inclusie zodat er een leer- en werkomgeving wordt gecreëerd waar iedereen zich kan ontplooien. Onder deze diversiteit valt niet alleen de genoemde sociaal-demografische diversiteit maar ook intellectuele en ideologische diversiteit. Het bevorderen van intellectuele en ideologische diversiteit is een kernwaarde van het hoger onderwijs en niet alleen uitgangspunt in deze kaders, maar ook in de uitvoering van de brede maatschappelijke opdracht van de instellingen.
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Hoger onderwijsinstellingen staan in het midden van de samenleving en vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat doen zij door binnen hun instellingen het academische debat te stimuleren. Ik acht het van belang dat hierbij ruimte is voor diversiteit aan perspectieven, ook binnen politiek-maatschappelijke thema’s. Hierbij is het belangrijk dat academische kernwaarden. Daarnaast hebben zij de taak om met een veelvoud aan opvattingen om te gaan in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en hiervoor een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap om te zorgen dat alle perspectieven aan bod komen, en om gevrijwaard te blijven van een bias op basis van politieke of maatschappelijke voorkeuren. Ik onderken de zorgen die leven dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen onder druk staan. Naar aanleiding van de motie Heite laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.3
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Universiteiten zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. De universiteiten zijn onlangs gestart met het versterken van het academisch debat door in iedere universiteit een dialoogmaker aan te stellen. Zij organiseren binnen de instellingen verschillende debatten over schurende onderwerpen die juist als doel hebben het academische debat binnen de academische gemeenschap op goede wijze te voeren.
Ik heb geen zicht op wat er allemaal georganiseerd wordt op universiteiten en hoe vaak situaties zoals genoemd in het artikel voorkomen. Voor de situaties waar het artikel naar verwijst, heeft het instellingsbestuur een complexe afweging gemaakt, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik vertrouw erop dat de instelling hier per casus weloverwogen beslissingen in maakt.
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Instellingen hebben gezamenlijk via hun Platform Integrale Veiligheid de handreiking «Controversiële sprekers» ontwikkeld, een handelingskader voor de omgang met controversiële sprekers en ongewenste beïnvloeding. Het richt zich op een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur. In de bij vraag 9 genoemde brief van de koepelorganisaties UNL en de VH geven de instellingen aan dat zij deze handreiking hebben verwerkt in het instellingsbeleid.
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Ik vind het wenselijk dat universiteiten, voor zover mogelijk, transparant zijn over dit soort besluiten. Vanwege veiligheid zal er niet altijd volledige transparantie mogelijk zijn. Zoals aangegeven onder vraag 13, hebben de instellingen een zorgvuldig intern proces ingericht voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Momenteel werkt de KNAW aan een advies over vrijheid van meningsuiting binnen de wetenschappelijke sector. Daarnaast start ik, naar aanleiding van de motie Heite, een onafhankelijk onderzoek waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.4 Tot slot heeft uw Kamer met de motie Claassen verzocht om concrete afspraken te maken met de universiteiten ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid en uw Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten.5 Hierover ben ik met Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek. Ik wil de uitkomsten van deze trajecten afwachten voordat ik andere acties onderneem. Dit najaar wil ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het advies van de KNAW, het onderzoek naar de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap en de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de voorgenoemde motie Claassen. Hierbij wil ik uw Kamer ook informeren over het advies van de KNAW inzake de juridische borging van academische vrijheid die ik dit jaar verwacht te ontvangen. De voorgenoemde uitkomsten wil ik in samenhang voorzien van mijn beleidsreactie en uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Nee, ik ben hier niet toe bereid. Bij iedere casus moeten de instellingsbesturen een eigen, complexe afweging maken of iemand kan komen spreken. Zoals toegelicht onder vraag 13 hanteren de onderwijsinstellingen een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven ook als deze afwijkend of schurend zijn. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. Het is niet aan mij als Minister om mij hierin te mengen. Dat is namelijk de essentie van academische vrijheid.
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
Ik acht het openstaan voor perspectieven en ervaringen van anderen en het kunnen uitwisselen van standpunten, compromissen sluiten en omgaan met meerderheids- en minderheidsstandpunten zeker van belang voor de democratische vorming. Daarnaast is het leren voeren van het academisch debat onderdeel van het academisch onderwijs.