| Ingediend | 29 mei 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 10 juli 2026 (na 42 dagen) |
| Indiener | Caroline van der Plas (BBB) |
| Beantwoord door | van Essen |
| Onderwerpen | bestuur rijksoverheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z11362.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2522.html |
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens. In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing van de vordering.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave.
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor deze uitsplitsing niet te maken valt.
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het «besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem (Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden. Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven kan worden.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden. Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb. Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens. Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking van dezen informatie.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden. Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen door de griffierechten niet te betalen.
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip «officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat uitgebreider is ingericht.
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het (tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen. Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens (die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige wettelijke kader.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te maken.
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 8 juni 2026 5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens» uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde termijn te beantwoorden.
Hierbij deel ik u mee dat beantwoording van de vragen gesteld door het lid Van der Plas (BBB) over het schriftelijk overleg met als onderwerp «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens» (ingezonden 29 mei 2026) niet binnen de gestelde termijn worden beantwoord. Voor een zorgvuldige beantwoording van de vragen is meer tijd nodig voor interdepartementale afstemming en voor afstemming met betrokken partijen. Uw Kamer ontvangt de beantwoording zo snel mogelijk.