Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het toezenden van een informatieve brief?
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief, is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens. In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing van de vordering.
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen bij de gecombineerde opgave?
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave.
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben een abonnement op een agrarisch weekblad?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor deze uitsplitsing niet te maken valt.
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het «besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens bent om over hen openbaar te maken?
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem (Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden. Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede zienswijze te kunnen geven?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen bij RVO en/ of de Minister?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een derde-belanghebbe een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende betreffen? Zo nee, waarom niet?
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Waarom worden derde-belanghebbende niet gewezen op hun recht om ook mondeling een zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven kan worden.
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan derde-belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden. Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb. Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk over gaat tot actieve openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens. Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking van dezen informatie.
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking inrichten?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden. Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo-procedure Woo/2023/066?
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/ of u om het griffierecht te betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen door de griffierechten niet te betalen.
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten te betalen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip «officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat uitgebreider is ingericht.
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden kwalificeren als «officiële documenten»?
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het (tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen. Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073?
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens (die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd? Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het bezwaar?
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige wettelijke kader.
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te maken.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 8 juni 2026 5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens» uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde termijn te beantwoorden.
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Waarom geeft u wel een algemeen antwoord1 over het belang van de aanhouding van Jos Leijdekkers, maar weigert u in te gaan op de concrete beschuldigingen2 dat voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers?
Waarom beroept u zich op operationele vertrouwelijkheid om geen antwoord te geven op vragen over de politieke verantwoordelijkheid van voormalig Minister Brekelmans? Welk concreet operationeel of veiligheidsbelang wordt volgens u geschaad door te bevestigen of te ontkennen of voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden?
Deelt u de mening dat, indien voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden en daarmee zijn eigen belang boven het landsbelang heeft gesteld, de Kamer en de Nederlandse samenleving het recht hebben dit te weten? Zo nee, waarom niet?
Aangezien u deze vraag in de beantwoording van de eerdere Kamervragen onbeantwoord heeft gelaten, verzoek ik u nogmaals het volgende aan te geven: welke rol heeft voormalig Minister Brekelmans gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers en heeft hij daarbij vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van die voorgenomen operatie?
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Het kabinet staat pal voor kwalitatieve en toegankelijke abortuszorg. De abortuszorg die abortusartsen en huisartsen bieden – zonder verplichte minimale beraadtermijn voor vrouwen – is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Dat is een groot goed. Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
Voor het kabinet staan niet het aantal zwangerschapsafbrekingen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen te verlagen. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg
en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan verschillende activiteiten om deze regie te versterken.2
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het kabinet niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het toezenden van een informatieve brief?
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief, is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens. In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing van de vordering.
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen bij de gecombineerde opgave?
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave.
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben een abonnement op een agrarisch weekblad?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor deze uitsplitsing niet te maken valt.
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het «besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens bent om over hen openbaar te maken?
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem (Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden. Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede zienswijze te kunnen geven?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen bij RVO en/ of de Minister?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een derde-belanghebbe een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende betreffen? Zo nee, waarom niet?
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Waarom worden derde-belanghebbende niet gewezen op hun recht om ook mondeling een zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven kan worden.
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan derde-belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden. Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb. Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk over gaat tot actieve openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens. Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking van dezen informatie.
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking inrichten?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden. Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo-procedure Woo/2023/066?
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/ of u om het griffierecht te betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen door de griffierechten niet te betalen.
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten te betalen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip «officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat uitgebreider is ingericht.
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden kwalificeren als «officiële documenten»?
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het (tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen. Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073?
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens (die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd? Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het bezwaar?
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige wettelijke kader.
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te maken.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 8 juni 2026 5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens» uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde termijn te beantwoorden.
Het niet ingaan op de eerder gestelde vragen over de politieke consequenties van de extreemrechtse geweldsfantasie van Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Waarom heeft u in antwoord op de op 15 mei 2026 gestelde Kamervragen slechts het woordvoeringslijntje herhaald waarover de vragen juist waren gesteld en verwijst u steeds naar hetzelfde riedeltje dat juist de vragen opriep?1
Dit is mijn reactie op de gestelde vragen.
Herinnert u zich de grondwettelijke verhoudingen nog tussen het parlement en het kabinet, nu u zelf premier bent?
Ja.
Begrijpt u dat de Kamer heeft recht heeft u ter verantwoording te roepen over uw beleid, uw uitspraken en uw optreden, en dat, als de Kamer gebruik maakt van dat recht, u die verantwoording dan ook zult moeten afleggen?
Ja.
Kunt u alsnog ingaan op de gestelde vragen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een dag beantwoorden, aangezien ze echt zo moeilijk niet zijn, terwijl het gevaar van groeiend extreemrechts geweld zeer dringend om effectief optreden vraagt van uw regering?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
De AIVD en NCTV constateren een groeiende normalisatie van het rechts-extremistische narratief. In het AIVD jaarverslag van 2025 staat dat, binnen de rechts-extremistische beweging, er veel personen en subgroepen zijn die het rechts-extremistische geluid willen normaliseren en dit breed geaccepteerd proberen te krijgen. Daarbij presenteren ze hun gedachtegoed veelal in een mildere vorm om zo acceptabeler over te komen, terwijl ze achter de schermen het rechts-extremistische doel van een «blanke etnostaat» nastreven.
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Ja. Dit kabinet zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen de vele dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. Daar waar het gaat om het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed acht het kabinet het van belang om zich daartegen uit te spreken en te normeren.
Voor het tegengaan van extremisme bestaat een breed instrumentarium. Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Het kabinet veroordeelt elke vorm van geweld. Op dit moment wordt er nog volop onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken door het OM en de politie. De conclusies en exacte duiding moeten hieruit volgen, maar dat er meerdere uitingen zijn gedaan die geduid kunnen worden als rechts-extremistisch, zoals het tonen van prinsenvlaggen gecombineerd met bepaalde leuzen, is evident. Dit is absoluut verwerpelijk en onacceptabel. Zoals ook toegelicht in het debat van 26 mei 2026, richt dit geweld schade aan die veel dieper gaat dan alleen tastbare vernieling: het gaat om mensen. Inwoners van steden die niet meer over straat durven, de mensen in de opvanglocaties en medewerkers en vrijwilligers die in angst afwachten tot het geweld voorbij is, hulpverleners die in de vuurlinie staan en bestuurders die geïntimideerd en bedreigd worden. Het kabinet acht dit onacceptabel.
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de termijn.
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Egypte is een belangrijke strategische partner voor Nederland in de regio. Mijn bezoek bood de gelegenheid voor verdieping van onze bilaterale relatie op thema’s als handel, migratiesamenwerking en humanitaire hulp.
Onderdeel van mijn bezoek was o.a. een succesvolle handelsmissie op tuin- en akkerbouw die bijdroeg aan kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, maar ook als doel had nader inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke uitdagingen waar Egypte momenteel voor staat. Ook bood mijn bezoek de gelegenheid de samenwerking op het gebied van water verder te verdiepen, o.a. door betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Nederland en Egypte vieren dit jaar 50 jaar watersamenwerking.
Mijn bezoek was ook een goede gelegenheid voor het bevestigen van de goede bilaterale migratiesamenwerking met Egypte als migratiepartnerland. Egypte is een belangrijk herkomst- en transitland voor migranten en vangt veel vluchtelingen op.
Een ander doel van dit bezoek was steun uitspreken voor de rol die Egypte speelt bij het leveren van humanitaire hulp aan Gaza. Ik heb ook de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza en het belang van humanitaire toegang benadrukt.
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende partijen gesproken over de situatie van vluchtelingen in Egypte. Egypte speelt een belangrijke rol bij de opvang van vluchtelingen uit de regio. Onderwerpen hierbij waren onder andere de impact van de recente ontwikkelingen in Soedan en het Midden-Oosten en de visie en verwachtingen van Egypte ten aanzien van de vluchtelingenrespons. Ik heb in die gesprekken ook de kwetsbare positie van vluchtelingen aan de orde gesteld. Tevens heb ik besproken hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan de situatie van vluchtelingen in Egypte, waar er momenteel nog uitdagingen liggen, en hoe we de samenwerking kunnen versterken. Een voorbeeld van deze Nederlandse inzet is het PROSPECTS partnerschap, dat beoogt onder meer Soedanese vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in Egypte toegang te geven tot bescherming en basisdiensten zoals onderwijs. Daarnaast steunt Nederland Save the Children, dat in Egypte werkt aan de bescherming van kinderen van vluchtelingen en behandeling van ongeveer 600 patiënten, voornamelijk kinderen, uit Gaza. Deze patiënten en hun begeleiders krijgen medische behandeling in private klinieken, inclusief noodzakelijke nazorg voor psychosociale zorg, prothesen en fysiotherapie. Ik heb de Palestijnse medische evacuees uit Gaza en hun begeleiders gesproken om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Tijdens mijn bezoek aan Egypte heb ik een beter eigen inzicht gekregen van de situatie van patiënten, waaronder kinderen, uit Gaza die voor een medische behandeling in Egypte verblijven. Duidelijk is dat Egypte een essentiële rol speelt in de medische hulpverlening aan patiënten uit Gaza. Van alle landen uit de regio vangt Egypte het grootste aantal medische evacuees uit Gaza op.
Nederland draagt middels diplomatieke inzet en een additionele bijdrage van EUR 25 miljoen bij aan de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. Financiële middelen worden via onze vaste humanitaire partners, zoals de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, de Dutch Relief Alliance en VN-organisaties, ingezet ter ondersteuning van zowel de acute als structurele medische capaciteit in Gaza en de regio.
Samen met deze organisaties blijft het kabinet kijken welke stappen het verder kan nemen ter versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. De observaties tijdens mijn bezoek aan Egypte neem ik daarin mee. In lijn met mijn inbreng hierover tijdens het Commissiedebat Humanitaire Hulp van 9 april jl. is uw Kamer toegezegd dat in deze afweging de optie van een medische evacuatie van patiënten net buiten Gaza ook meegenomen kan worden.
Aangezien het een groep kwetsbare patiënten betreft, wil het kabinet deze afweging in alle zorgvuldigheid doen. U wordt hierover zo snel als mogelijk geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Ja. Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende organisaties gesproken over de opvang en behandeling van vluchtelingen in Egypte. Deze organisaties hebben hun zorgen met mij gedeeld. In mijn gesprekken met de Egyptische autoriteiten heb ik waardering uitgesproken voor het feit dat Egypte zoveel vluchtelingen langdurig opvangt. Daarbij heb ik echter ook opgeroepen tot een humane aanpak, met name waar het gaat om detentie of uitzetting van kinderen. De autoriteiten zegden toe naar schrijnende situaties, zoals het scheiden van gezinnen, te zullen kijken. Onze PROSPECTS partners zijn goed gepositioneerd om hierbij te ondersteunen, ondermeer bij de ontwikkeling van het Egyptische asielsysteem.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Egypte ligt in een regio getekend door conflict en vangt al jaren heel veel vluchtelingen op, terwijl het land zelf vele uitdagingen kent. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de positie van vluchtelingen bij aanhoudende conflicten en toenemende noden. Nederland ondersteunt Egypte om het waardig opvangen van vluchtelingen mogelijk te maken door o.a. het PROSPECTS programma. Dit gaat gepaard met de verwachting dat Egypte vluchtelingen daadwerkelijk bescherming biedt.
Nederland benadrukt, zowel bilateraal als in multilateraal en EU verband, richting Egypte dat behandeling van migranten en vluchtelingen in lijn met internationaal recht en mensenrechten moet plaatsvinden. In lijn met motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3199) bepleit Nederland dat een deel van de EUR 200 miljoen onder het EU partnerschap die is gereserveerd voor migratiesamenwerking besteed moet worden aan de verbetering van bescherming en opvang van asielzoekers en vluchtelingen. Ook in de verdere uitwerking van het EU partnerschap met Egypte zal Nederland aandacht blijven vragen voor de meest kwetsbaren, zoals vluchtelingen.
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Er zijn vele Soedanese én niet-Soedanese actoren betrokken, met uiteenlopende en vaak wisselende belangen.
Egypte heeft sterke historische, politieke, economische, militaire en maatschappelijke banden met Soedan. Vanwege deze banden vervult Egypte een sleutelpositie bij het vinden van een politieke oplossing voor het conflict in Soedan. Om die reden is Egypte ook onderdeel van de Quad. De Quad is een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte dat zich momenteel inspant om een staakt-het-vuren te bereiken. Nederland spreekt Egypte, net als andere landen in de regio, aan op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing, en benadrukt daarbij het belang van het naleven van internationaal recht en een staakt het vuren.
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Het kabinet deelt de zorg van de vragenstellers over de impact van buitenlandse steun op het verloop van het conflict in Soedan. Nederland spreekt met alle landen in de regio over de situatie in Soedan. In deze gesprekken brengt Nederland stelselmatig zorgen over de humanitaire situatie naar voren, benadrukt het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan in algemene zin, en onderstreept het de noodzaak van een staakt-het-vuren als eerste stap richting een politieke oplossing.
Daarnaast pleit Nederland binnen de Europese Unie voor een versterkte diplomatieke inzet richting relevante regionale actoren en multilaterale organisaties die betrokken zijn bij het conflict in Soedan (de VN, AU, IGAD en de League of Arab States).
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Ik heb tijdens mijn contacten met Egypte de crisis in Soedan en de noodzaak tot beëindiging van het geweld aan de orde gesteld. Egypte vervult, mede gezien zijn nauwe banden met Soedan, een belangrijke rol bij het bevorderen van een politieke oplossing voor het conflict en kan in Quad-verband een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een mogelijk staakt-het-vuren.
Nederland zal Egypte, evenals andere landen in de regio, blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing. Dat geldt voor alle vormen van steun die het conflict verlengen of verhevigen, aan zowel de RSF en gelieerde milities als de SAF.
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
De goede bilaterale relatie met Egypte, onder andere op het gebied van handel en onze watersamenwerking, biedt de mogelijkheid in gesprekken ook zaken aan te kaarten waar de Nederlandse en Egyptische standpunten uiteenlopen.
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en binnen de gestelde termijn beantwoord.
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Ambtelijke uitwerking van verschillende opties en advisering daarop in verschillende fases van het besluitvormingsproces zijn gebruikelijk en gaan vooraf aan een uiteindelijk besluit van het kabinet in samenwerking met betrokken medeoverheden.
Het kabinet heeft niet de conclusie getrokken dat het dorp Moerdijk weg moet. Het kabinet is voornemens om een gezamenlijk besluit met de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk te nemen over de ontwikkelrichting voor het haven- en industriecluster Moerdijk en de toekomst van het dorp Moerdijk. Verkenningen en onderzoeken maken onderdeel uit van besluitvormingstrajecten, maar zijn daarbij nadrukkelijk geen beslissingen. Het uitgangspunt is te allen tijde geweest dat beslissingen zoveel mogelijk voortkomen uit draagvlak en goed overleg met bewoners en bestuurders. Daarbij hebben de betrokken bewindspersonen lopend contact met de bewoners van het dorp Moerdijk. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei is meerdere keren in gesprek gegaan met bewoners. Het eerste gesprek heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden met de dorpstafel van Moerdijk. De bewindspersonen uit het vorige kabinet zijn in januari 2025 op werkbezoek geweest in het dorp Moerdijk, waar zij ook met inwoners hebben gesproken.
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
In het BO Leefomgeving van 6 september 20242 is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een globaal beoogd programma voor een houdbaar toekomstperspectief voor de Powerport regio Moerdijk. Na dit besluit werken het kabinet en regio gezamenlijk aan een integraal gebiedsgericht toekomstperspectief. Parallel lieten eerste ruimtelijke verkenningen zien dat de ruimtebehoefte van energie-infrastructuur, circulaire economie en goederenvervoer het ruimteaanbod binnen de hekken van het bestaande haven- en industriecluster Moerdijk en het Amerterrein ver overstijgt. Daarom werd de verkenning verbreed naar het vinden van ruimte «buiten de hekken» van de bestaande terreinen op drie schaalniveaus: lokaal, regionaal en nationaal.
In het BO Leefomgeving van 11 juni 20253 is door het kabinet en regio geconstateerd dat de ruimtevraag van de Powerport regio Moerdijk ook bij een minimaal pakket van onafwendbare en zeer aannemelijke ontwikkelingen niet past binnen de bestaande (milieu)ruimte van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Toen is ook besloten om – naast maximale inzet op inbreiding en herstructurering – het haven- en industriecluster van Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg strategisch uit te breiden. Voor Moerdijk worden twee ontwikkelrichtingen verkend: in oostelijke en zuidoostelijke richting t.o.v. het haven- en industriecluster Moerdijk.
In het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 20254 is geen besluit genomen over de ontwikkelrichting (oost of zuidoost) voor Moerdijk. Het kabinet en regio hebben afgesproken een gezamenlijke voorkeur voor een ontwikkelrichting uit te spreken eind juni 2026. Alleen de gemeente Moerdijk heeft haar voorkeur uitgesproken op 1 december 2025. Het kabinet en de provincie Noord-Brabant hebben die voorkeur nog niet uitgesproken.
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Er is nog geen besluit genomen over de toekomst van het dorp Moerdijk. Het kabinet is nog met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over de toekomst van het dorp en de uitbreiding van het haven- en industriecluster. Ook zijn het kabinet, de gemeente en de provincie in gesprek met inwoners van het dorp over hun zorgen en het proces tot aan besluitvorming.
De informatie die openbaar gemaakt kon worden is gedeeld met de gemeenteraad en provinciale staten. Deze informatie is terug te vinden op de website van de gemeente Moerdijk5 en provincie Noord-Brabant6.
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Het kabinet is zich ervan bewust dat een besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk en de omliggende regio veel impact heeft op inwoners en ondernemers uit de regio. Het kabinet neemt dit besluit daarom niet lichtvaardig en blijft in gesprek met gemeente, provincie, inwoners en ondernemers uit de regio.
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Zie antwoord op vraag 3, er is nog geen besluit genomen. Het kabinet heeft de afgelopen periode informatie gedeeld met de Tweede Kamer via Kamerbrieven en de beantwoording van Kamervragen7 8 9 10. De Kamerbrieven met betrekking op Moerdijk staan genoemd bij het antwoord op vraag 2.
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Zie antwoord op vraag 5, het kabinet heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het proces afgelopen periode en de informatie die daaraan ten grondslag heeft gelegen.
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Het kabinet en de regionale overheden hebben vorig jaar geparticipeerd met inwoners en ondernemers uit de regio over de twee scenario’s die op dat moment voorlagen. Participanten zijn meegenomen in de opgave zoals die toen voorlag en hebben kunnen aangeven welke randvoorwaarden zij belangrijk vinden bij een oostelijke of zuidoostelijke uitbreiding van het haven- en industriecluster. Deze participatieronde is afgerond in november 2025.
Na het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 2025 is gecommuniceerd dat er nog geen besluit genomen kon worden over de ontwikkelrichting voor Moerdijk. Het kabinet heeft recent met een Kamerbrief aangegeven meerdere scenario’s te willen verkennen, waarbij een minder ingrijpend scenario nadrukkelijker in beeld is gekomen. In dat scenario wordt gekeken naar een kleinere uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk waarbij ook het dorp Moerdijk kan blijven bestaan. Hierover is nog niet geparticipeerd met inwoners en ondernemers.
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
Ja.
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Henk Vermeer (BBB), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
De kosten van het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u gebruik heeft gemaakt van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor uw bezoek aan de Zr. Ms. Evertsen?1
Ja, er is gebruik gemaakt van een gecharterd vliegtuig.
Wanneer is het besluit genomen om dit bezoek op de betreffende datum te laten plaatsvinden?
In de dagen in aanloop naar dit bezoek is dit besluit genomen.
Is bij de planning van dit bezoek meegewogen terughoudend te zijn in verband met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart?
De aanvang van de inzet van Zr. Ms. Evertsen en haar bemanning is leidend geweest bij de planning van dit bezoek.
Is overwogen het bezoek op een ander moment te plannen, zodat gebruik kon worden gemaakt van de Gulfstream, het regeringsvliegtuig of een lijnvlucht? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Was er sprake van een operationele noodzaak die verhinderde dat het bezoek naar een datum werd verplaatst waarop het regeringsvliegtuig, de Gulfstream of een lijnvlucht beschikbaar was?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die, vanuit een oefening, naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn waardering en steun te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Waarom moest het bezoek binnen één dag plaatsvinden? Was het mogelijk geweest om het bezoek te spreiden of te combineren, waardoor gebruik van een lijnvlucht wel tot de mogelijkheden zou hebben behoord?
Bezoeken aan troepen worden kort gehouden om de inzet niet nodeloos te verstoren.
Kunt u de samenstelling van de delegatie nader specificeren en motiveren?
Onderdeel van de delegatie waren ikzelf als Minister, de commandant van het Commando Zeestrijdkrachten, de commandant van het Joint Force Command, twee adjudanten, een woordvoerder en een cameraman (en noodzakelijke beveiliging).
Heeft de prijs per persoon (€ 10.333) voor deze privévlucht een rol gespeeld bij het vaststellen van de omvang en samenstelling van de delegatie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op basis van welke criteria is de delegatie vastgesteld?
Nee. De delegatie is samengesteld zoals dat gebruikelijk is, waarbij gekeken wordt naar wie vanuit zijn/haar functie een toegevoegde waarde heeft bij het bezoek. Op basis daarvan wordt er bij de planning van reizen uiteraard rekening gehouden met de noodzakelijk omvang van de delegatie en de daarmee gemoeide kosten.
Zijn er eerder vergelijkbaar hoge kosten gemaakt voor het vervoer van een bewindspersoon naar uitgezonden Nederlandse militairen?
Een dergelijk bezoek en het incidenteel moeten aanwenden van een privétoestel is niet uniek voor bewindspersonen met een portefeuille die ook betrekking heeft op zaken buiten de landsgrenzen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het maken van vergelijkingen tussen verschillende reizen complex is, zeker waar het reizen naar inzetgebieden betreft die gekenmerkt worden door specifieke operationele en veiligheidsomstandigheden.
Deelt u de opvatting dat bij dienstreizen met publieke middelen altijd de meest doelmatige en soberste reismogelijkheid gekozen moet worden? Voldoet het gebruik van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor een eendaags bezoek van enkele uren volgens u aan deze criteria?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernstinzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe bent u ambtelijk geadviseerd over onder andere de timing en de kosten van dit bezoek?
Zoals gebruikelijk is bij het plannen van reizen ben ik ambtelijk geadviseerd over mogelijkheden, waarbij de timing een van de aspecten is. Over de kosten ben ik vooraf niet geïnformeerd. Daar is een afweging gehanteerd passend bij een departement dat genoodzaakt is veel internationale reizen te maken.
Heeft u achteraf spijt van uw besluit om met een privévlucht ter waarde van € 92.997 af te reizen naar Cyprus?
Nee, ik heb geen spijt van het besluit om met een ingehuurde vlucht te vliegen. Zoals gezegd deel ik de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd vind ik dat dit bezoek cruciaal was om waardering en steun aan onze militairen over te brengen. Daar sta ik voor.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór maandag 30 maart?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: ‘Het citaat klopt niet’' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: «Het citaat klopt niet»»?1
Ja.
Welke zwaarwegende redenen had u om in een toonaangevende buitenlandse krant nepnieuws te verspreiden?
In de Kamerbrief van 26 maart (2026D13974) heb ik een toelichting gegeven op mijn uitspraken in dit interview. Op 12 maart bracht ik een werkbezoek aan de provincie Utrecht in het kader van woningbouw en beperkende factoren hiervoor, zoals stikstof en netcongestie. Tijdens dit werkbezoek waren journalisten aanwezig, waaronder een verslaggever van The Guardian.
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen. Hoewel ik hiermee bedoelde te onderstrepen dat we samen veel voor elkaar kunnen krijgen, heeft dit voorbeeld voor verwarring gezorgd. Ik had dit voorbeeld niet moeten gebruiken en mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen. Daar trek ik lering uit.
Is deze werkwijze toonaangevend voor uw verdere werkwijze als dienaar van de Kroon? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister en de uitdagingen rond woningbouw en netcongestie, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. In gesprek met The Guardian had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen.
Waarom heeft u de fout pas erkend nadat de Volkskrant hier verder onderzoek naar gedaan heeft?
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen.
De tekst is niet vooraf ingezien. Na publicatie zag ik dat het voorbeeld voor verwarring zorgde. Daarover heb ik in de brief van 26 maart toelichting gegeven.
Vindt u dit passen bij het door het huidige kabinet uitgedragen mantra over de nieuwe bestuurscultuur? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Was het hiervoor benoemde voor u de aanleiding om de Kamer middels uw brief van 25 maart jl. niet tijdig en volledig te kunnen en/of willen beantwoorden?
Nee. Ik heb uw Kamer op 26 maart via eerder genoemde brief geïnformeerd over resterende vragen over mijn interview in The Guardian.
Vindt u uw handelen passen binnen het grondwettelijke recht van het parlement op informatie, zoals beschreven in artikel 68 van de Grondwet? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister in lijn met het coalitieakkoord, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. Ik had mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen om te voorkomen dat er verwarring zou kunnen ontstaan. Hierover heb ik de Kamer op 26 maart geïnformeerd.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 31 maart a.s., beantwoorden?
Ja.
Een privéjet voor Minister Yeşilgöz van bijna 93.000 euro voor een ééndaags bezoek |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat voor een eendaags werkbezoek een privéjet is ingehuurd voor 92.997 euro?1
Ja.
Welke concrete noodzaak rechtvaardigde deze uitzonderlijk dure keuze? Welke alternatieven zijn onderzocht en wie heeft hiervoor toestemming gegeven?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen met de verantwoordelijk commandanten om mijn waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Klopt het dat dit allemaal «volgens de regels» is gegaan, en zo ja, beseft u hoe totaal wereldvreemd dit overkomt op Nederlanders die hun energierekening en boodschappen nauwelijks nog kunnen betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als deze. Dit gaat om militairen die dezelfde Nederlanders veilig houden, die plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Deelt u de mening dat deze bijna 93.000 euro beter besteed had kunnen worden aan de inzetbaarheid en ondersteuning van onze militairen, in plaats van aan een duur pr-moment voor de Minister?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
De Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Was de Algemene Bestuursdienst (ABD) ervan op de hoogte dat het cv van Nathalie van Berkel niet correct was? Zo nee, waarom niet?
Voor werving & selectieprocedures volgt de Algemene Bestuursdienst de NVP1-sollicitatiecode. Gegevens die een sollicitant in een sollicitatieproces verstrekt zijn vertrouwelijk. Daarom kan ik verder geen uitspraken doen over deze procedure.
Overigens gaat het in deze situatie niet om een ABD-functie maar om dienstverlening door de ABD samen met een extern werving & selectie bureau aan een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).
Worden de cv’s van ambtenaren die vallen onder de ABD gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Voor ABD-vacatures kent de ABD een uitgebreid werving- en selectieproces waarin een kandidaat op verschillende momenten getoetst wordt op zijn ervaring, vaardigheden en kwaliteiten. Voorafgaand aan publicatie van een functie worden de functie-eisen vastgesteld in samenspraak met de vacaturehouder. Dit kan een specifieke opleidingseis zijn, maar vaker wordt een wo-werk- en -denkniveau gevraagd in combinatie met relevante werkervaring. In de selectiegesprekken wordt getoetst of een kandidaat over de juiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt voor de functie.
Na afloop van de selectiegesprekken vindt voor de voorkeurskandidaat een referentiecheck plaats om eerdere werkervaring te toetsen. Daarnaast kan een assessment deel uitmaken van het selectieproces. Dit gebeurt altijd voor kandidaten die van buiten de Rijksoverheid solliciteren en voor kandidaten die niet eerder een functie op hetzelfde niveau hebben vervuld.
De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit volgt uit de Gedragscode Integriteit Rijk. Daarin is beschreven dat integriteit al iets is om rekening mee te houden voordat je in dienst treedt als rijksambtenaar. Zo moet een persoon eerlijk zijn in de informatie die hij of zij bij de sollicitatie verstrekt en geen relevante informatie achterhouden. Bij het afleggen van de ambtseed zweert of verklaart een rijksambtenaar dat hij of zij correcte informatie heeft gegeven en niets heeft verzwegen wat voor het ambt van belang kan zijn. Uiteraard onderschrijft ik deze uitgangspunten volledig.
Is het, wat u betreft, acceptabel dat ambtenaren, die onderdeel uitmaken van de ABD, hun cv hebben «opgepoetst» met onwaarheden? Of is dit onverenigbaar met de integriteit van het openbaar bestuur?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2. De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit is ook opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en in de ambtseed.
Bent u bereid de cv’s van ambtenaren die onderdeel uitmaken van de ABD – of op zijn minst de ambtenaren die behoren tot de Topmanagementgroep van de ABD – door een extern bureau te laten controleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven kent de ABD een zorgvuldig werving- selectieproces waarbij werkervaring en vaardigheden op verschillende momenten getoetst worden. Daarnaast heeft iedere kandidaat zelf primair de verantwoordelijkheid om correcte informatie bij een sollicitatie te verstrekken en om geen relevante informatie achterhouden, zoals ook is opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en de ambtseed. Het inschakelen van een extern bureau voor het toetsen van cv’s van de huidige groep topambtenaren vind ik niet proportioneel. Wel vind ik het van belang om de waarde die de overheid hecht aan integriteit te onderstrepen bij sollicitaties voor topambtelijke functies. Eerder is aangegeven dat zal worden bezien of de aandacht voor integriteit in het bestaande aannamebeleid voor rijksambtenaren vergroot moet worden.2 Daarbij zal voor topambtenaren, naast de huidige checks in de werving- en selectie procedure, voor de eindkandidaat een extra opleidingsverificatie plaatsvinden.
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het bericht gaat over een raamovereenkomst die het Rijksvastgoedbedrijf op 7 oktober 2025 heeft gegund. Deze overeenkomst gaat over het beheer van bestaande laadinfrastructuur en, als dat nodig is, de levering en plaatsing van nieuwe laadpalen bij Rijksvastgoed.
Een raamovereenkomst heeft geen afnameverplichting. Dat betekent dat er niet automatisch een vast aantal laadpalen wordt geplaatst. Per locatie wordt beoordeeld of plaatsing nodig is en hoe dit past binnen de geldende technische en beveiligingskaders.
Het kabinet vindt het belangrijk om veiligheid goed mee te wegen. Daarom worden bij dit soort aanbestedingen vooraf eisen gesteld voor functie, techniek en beveiliging. Voor locaties met een hoger risico kunnen extra eisen gelden.
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Aanbestedingen moeten passen binnen de geldende regels op nationaal, Europees en internationaal niveau. Die regels gaan uit van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarnaast is er aandacht voor beveiligingseisen en het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid.
Binnen die regels worden aanbestedingen ingericht met duidelijke, objectieve en wettelijke eisen. Het gaat dan om functionele eisen, technische eisen en beveiligingseisen. Inschrijvingen worden op basis van die eisen beoordeeld. Dat geldt ook voor deze raamovereenkomst.
Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.2
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
Bij deze aanbesteding zijn vooraf eisen vastgesteld voor functie, techniek en beveiliging. Deze eisen gaan onder meer over informatiebeveiliging en gegevensbescherming. Ook gaan ze over een veilige aansluiting op bestaande energie- en netwerkinfrastructuur.
Daarbij wordt aangesloten op de Rijksbrede kaders voor informatiebeveiliging en op de geldende wet- en regelgeving. Het denken staat op dit punt niet stil: als het nodig is scherpen we geldende wet- en regelgeving aan.
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Slimme en verbonden apparatuur kan cyberrisico’s met zich meebrengen. Dit geldt ook voor slimme laadpalen. Het gaat daarbij niet alleen om de aansluiting op het energienet, maar ook om gegevensverwerking en de systemen waarmee laadpalen worden beheerd en gemonitord.
In de aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf zijn daarom beveiligingseisen opgenomen voor digitale veiligheid en voor een veilige aansluiting op het energienetwerk. Deze eisen sluiten aan op de Rijksbrede beveiligingskaders. Per locatie wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, passend bij het risicoprofiel.
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
Bij de beoordeling van technologie en leveranciers wordt gekeken naar de manier waarop gegevens worden verwerkt en beschermd. Ook wordt gekeken naar afspraken in contracten en naar naleving van Nederlandse en Europese regelgeving. Verder wordt gekeken naar de inrichting van systemen, gegevensstromen en maatregelen om risico’s te beheersen.
Systemen die bij Rijksvastgoed worden toegepast moeten voldoen aan de nationale en Europese regels voor gegevensbescherming en informatiebeveiliging. De beoordeling richt zich daarom op concrete risico’s en maatregelen.
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Bij de inrichting van laadinfrastructuur wordt ook gekeken naar uitwisselbaarheid en beheerbaarheid. Denk aan interoperabiliteit, onderhoud, ondersteuning en vervangbaarheid. Zo wordt de continuïteit geborgd. In de raamovereenkomst is als eis opgenomen dat de software moet zijn gebaseerd op open standaarden.
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Het kabinet voert actief beleid om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen en zo onze veiligheid te vergroten3. Dit beleid wordt uitgevoerd binnen de geldende Europese en nationale wet- en regelgeving.
In dat kader gelden aanvullende beveiligingseisen voor overheidsopdrachten met veiligheidsrisico’s. Sinds 1 januari 2026 geldt Rijksbreed het kader Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO) voor opdrachten met risico’s voor de nationale veiligheid.
Bij aanbestedingen wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen marktwerking, aanbestedingsregels en veiligheidsbelangen. Waar nodig worden extra eisen gesteld, passend bij het risicoprofiel van de opdracht.
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet beziet voortdurend hoe open strategische autonomie en veiligheid kunnen worden versterkt binnen de geldende Europese en nationale kaders. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang tussen aanbestedingsregels en bredere veiligheids- en afhankelijkheidsvraagstukken.
Eventuele beleidswijzigingen moeten passen binnen het Europese aanbestedingsrecht en internationale verplichtingen. Bij aanbestedingen kunnen partijen alleen worden uitgesloten op wettelijke gronden, bijvoorbeeld bij sancties. Daarnaast gelden internationale afspraken over toegang tot overheidsopdrachten, zoals de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en EU-handelsovereenkomsten. Daardoor kunnen partijen niet zomaar worden uitgesloten alleen vanwege herkomst.
De Europese aanbestedingsregels worden op dit moment herzien. Binnen het kabinet coördineert het Ministerie van Economische Zaken de Nederlandse inbreng. In dat verband wordt in Europees verband ook gesproken over een mogelijk EU-voorkeursprincipe. Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.4
Uw Kamer wordt over de voortgang en eventuele keuzes geïnformeerd via Kamerbrieven en voortgangsbrieven over economische veiligheid, open strategische autonomie en aanbestedingsbeleid.
Het handelen van de overheid in de mogelijke overname van Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Waren Logius, de overheid in brede zin, de betrokken Minister(s) en/of het kabinet – al dan niet in combinatie – vooraf op de hoogte van de overname van Solvinity (het bedrijf achter het DigiD-platform), vóórdat dit publiekelijk bekend werd?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025.
In april 2025 heeft Solvinity onder embargo ook een directeur bij het Ministerie van JenV geïnformeerd dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat.
Het Ministerie van BZK en het Ministerie van JenV hebben de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Zo ja: op welk moment is (één van) deze overheidspartijen hierover voor het eerst geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft de overheid, of één van haar diensten, de mogelijkheid gekregen om Solvinity zelf over te nemen of in eigen handen te brengen?
De overheid is als (grote) afnemer geïnformeerd over het feit dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Tevens is door Solvinity gepeild bij Logius en het Ministerie van JenV of de overheid geïnteresseerd is om Solvinity over te nemen. De overheid of een van haar diensten heeft niet overwogen om Solvinity zelf over te nemen of in eigen handen te brengen.
Het kabinet hecht aan het uitgangspunt dat publiek eigenaarschap of het actief beïnvloeden van de eigendomsstructuur van bedrijven niet behoort tot de kerntaken van de overheid en geen doel op zich is. Eigenaarschap van bedrijven is in principe een marktaangelegenheid. Wel beschikt Nederland over een breed instrumentarium ter borging van de economische veiligheid, waaronder de continuïteit van vitale (overheids)processen. Dit bestaat onder andere uit het stelsel van investeringstoetsing, exportcontrolebeleid, en beveiligingsmaatregelen in het vitaal stelsel, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 1 juli 2025.1
Ten behoeve van toekomstige vergelijkbare gevallen wordt een procedure ontwikkeld om bij mogelijke wisseling van zeggenschap bij leveranciers van vitale en kritieke dienstverlening van de overheid, de informatie die contracthouders ontvangen van leveranciers, ook gestroomlijnder te delen met de ambtelijke en politieke top van de betrokken ministeries. Hiervoor wordt een handelingskader opgesteld.
De snel veranderende geopolitieke situatie en veranderde machtsverhoudingen in de wereld, vragen om een overheidsbrede aanpak in de waarborging van onze digitale autonomie en soevereiniteit. Hiervoor is in december 2025 een visie op digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid gepubliceerd als onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringstrategie (NDS). In de herziening van het cloudbeleid wordt explicieter aangegeven hoe risico’s ten aanzien van extraterritoriale inmenging moeten worden beoordeeld. Daarnaast zijn er verscheidene aanstaande Europese initiatieven, zoals het wetsvoorstel voor een Cloud and AI Development Act en de aanbeveling van de Europese Commissie voor een single EU-wide cloud policy for public administrations and public procurement.2
Zo ja: wat is er met die informatie en/of mogelijkheid gedaan, en welke afwegingen zijn daarbij gemaakt?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is de Kamer hierover tijdig, juist en volledig geïnformeerd?
In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Kathmann is eerder gemeld dat onder embargo is medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat.3
Zou u vanwege het aanstaande debat over de overname deze vragen met urgentie willen beantwoorden?
Hierbij zijn uw vragen met urgentie en voor het aanstaande debat beantwoord.
Het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
U schrijft in uw beantwoording dat u «op persoonlijke titel» bent uitgenodigd en deelneemt aan het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum, kunnen we daaruit concluderen dat de uitnodiging die u van de YGL Foundation in januari 2025 per e-mail heeft ontvangen dus losstaat van het feit dat u op 2 juli 2024 als Minister van Defensie tot het kabinet bent toegetreden? Betekent dit logischerwijs ook dat in de uitnodiging die u heeft ontvangen dus niet wordt verwezen naar uw ministersambt? Kan de Tweede Kamer deze e-mail met de uitnodiging die u heeft ontvangen doorgestuurd krijgen? Heeft u misschien ook enig idee waarom u, los van uw ministersambt, op persoonlijke titel, bent genomineerd en uitgenodigd door de YGL Foundation?1
De Young Global Leaders Foundation gaat over de selectie van de kandidaten. In de uitnodiging wordt inderdaad niet verwezen naar mijn ministersambt.
U weigert in uw beantwoording, hoewel u dit wordt gevraagd, te reflecteren op de uitspraak van de bedenker en oprichter van de YGL Foundation, de heer Klaus Schwab, een uitspraak waarin hij stelt dat het Young Global Leaders programma – een programma waarvoor u dus, kort na uw beëdiging als Minister, bent genomineerd en uitgenodigd, een uitnodiging waar u, op persoonlijke titel, ook op bent ingegaan – door het World Economic Forum wordt gebruikt om wereldwijd, citaat, «kabinetten te penetreren», waarom? Is dit niet een terechte vraag die een volksvertegenwoordiger, die geacht wordt de regering te controleren, behoort te stellen als een lid van het kabinet deelneemt aan een dergelijk omstreden programma, een vraag die door het kabinet vervolgens ook beantwoord zou moeten worden?
De heer Schwab kiest zijn eigen woorden. Ik blijf dan ook bij mijn eerdere antwoord dat het niet aan mij is om uitspraken van hem te recenseren.
Het kabinet onderschrijft uw visie op het World Economic Forum niet. Zoals in eerdere beantwoording gesteld is de mening van het kabinet dat het World Economic Forum een nuttig platform biedt voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Is het naar uw mening wenselijk en verstandig, voor een lid van het kabinet, om op persoonlijke titel deel te nemen aan een programma waarvan de oprichter en bedenker, in het openbaar nota bene, zélf heeft aangegeven dat daarmee wordt beoogd om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Mede in het licht van het antwoord op vraag 2 zie ik geen bezwaren om op persoonlijke titel deel te nemen aan het YGL-programma.
Het WOO-verzoek Garnalenvergunningverlening |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Woo-besluit van 7 augustus 2025 waaruit blijkt dat Rijkswaterstaat Noord-Nederland (RWS-NN) vertrouwelijke conceptdocumenten, waaronder de Passende Beoordeling (PB) garnalenvisserij, heeft gedeeld met externe partijen zoals de Waddenacademie en de Waddenvereniging?
Ja, dit besluit is bekend. De conceptversie van de PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). De PB is door RWS gedeeld met de Waddenacademie ten behoeve van een onafhankelijke review. Wat hierbij niet goed is gegaan, is dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken bij het opstellen van de vragen voor deze review. Hoewel het ging om afstemming over inhoudelijke vragen, had RWS dit niet moeten doen, al is het maar om te voorkomen dat hiermee de schijn is ontstaan dat in dit dossier actief wordt opgetrokken met de Waddenvereniging om de garnalenvisserij te beperken.
Kunt u bevestigen dat RWS-NN de Passende Beoordeling van de garnalenvisserij informeel heeft ontvangen van (destijds) het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) en deze vervolgens heeft gedeeld met de Waddenacademie en natuurorganisaties? Zo ja, op grond van welke bevoegdheid is dit gebeurd?
RWS heeft de PB op ambtelijk niveau ontvangen van het toenmalige Ministerie van LNV en deze vervolgens ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. De Waddenvereniging heeft voorafgaand aan de review aan RWS suggesties gedaan voor vragen over de PB richting de Waddenacademie. Dit laatste is geen wenselijke gang van zaken.
De Minister van IenW draagt de zorg voor het (doen) treffen van instandhoudings- en passende maatregelen voor die Natura 2000-gebieden die een oppervlaktewaterlichaam zijn in beheer van het Rijk.1 Het monitoren en evalueren van voorziene maatregelen in de Waddenzee maakt onderdeel uit van deze regierol, die binnen mijn ministerie bij RWS is neergelegd.
Acht u het wenselijk en rechtmatig dat een agentschap onder uw ministerie zonder mandaat stukken van een ander ministerie (destijds LNV) deelt en gebruikt om vergunningverlening te beïnvloeden?
Vanuit de rol van voortouwnemer van het Natura-2000 beheerplan Waddenzee, heeft RWS (mede namens de bevoegde gezagen, inclusief LNV) destijds een evaluatie van het beheerplan op laten stellen. Vanwege inhoudelijke verschillen tussen de bevindingen uit deze evaluatie en de PB, heeft RWS de PB voor een review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld en heeft de review na afronding gedeeld met het Ministerie van LVVN, als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Deze handelwijze van RWS past bij de rol van voortouwnemer alleen moet hierbij wel gemarkeerd worden dat de toetsingskaders in een Natura 2000-beheerplan enerzijds en vergunningverlening anderzijds wel van elkaar kunnen verschillen.
Door het actief betrekken van de Waddenvereniging bij de review door RWS, is helaas het onjuiste beeld ontstaan, dat RWS en Waddenvereniging samen optrekken om de garnalenvisserij te beperken. Dit past uiteraard niet bij de rol van voortouwnemer.
Hoe beoordeelt u het feit dat RWS-NN vragen aan de Waddenacademie heeft opgesteld in overleg met natuurorganisaties, die vervolgens worden gebruikt in procedures tegen het vergunningsbeleid van de Minister van (destijds) LNV?
Zowel de PB als de review van de Waddenacademie (inclusief de reviewvragen) zijn openbare informatie. Al deze informatie was voor LVVN beschikbaar bij het maken van afwegingen vanuit zijn rol als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen.
Hoe beoordeelt u dat RWS-NN actief een review bij de Waddenacademie heeft uitgevraagd, waarbij vragen deels in overleg met natuurorganisaties zijn geformuleerd en gericht waren op het onderbouwen van negatieve aannames over de garnalenvisserij?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom Rijkswaterstaat, die formeel slechts procesmanager is bij beheerplannen, actief beleid beïnvloedt op terreinen die behoren tot de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV, en daarbij zelfs «munitie levert» aan partijen die het beleid van de Minister van LNV aanvechten?
RWS heeft hier de rol van «voortouwnemer». Dit is een regierol, dat betekent onder andere dat moet worden nagegaan of de in het beheerplan voorziene maatregelen in de toekomst daadwerkelijk worden ondernomen om de instandhoudingsdoelen te realiseren.2 Daarmee kan het ook relevant zijn om adviserend op te treden in relatie tot het beleid welke onder de verantwoordelijkheid van de Minister en Staatssecretaris van LVVN vallen.
Hoe beoordeelt u dat de review van de Waddenacademie gebaseerd was op een eerdere, nooit gepubliceerde versie van de Passende Beoordeling? Acht u dit zorgvuldig en juridisch houdbaar?
Vanwege de vertrouwelijkheid van sommige gegevens is het niet per definitie toegestaan om conceptversies van een PB te delen met andere partijen. Wel staat het een aanvrager zelf altijd vrij om zelf actief een conceptversie te delen met, bijvoorbeeld, natuurorganisaties. De conceptversie van de betreffende PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). Er bestond in dit geval geen juridisch beletsel om de PB voor onafhankelijke review voor te leggen aan een kennisregisseur als de Waddenacademie.
De PB die RWS aan de Waddenacademie heeft voorgelegd was op dat moment in de begeleidende mail omschreven als volledig en juist, dit volgt ook uit de geopenbaarde Woo-stukken. RWS heeft daarom deze versie van de PB ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld. Wel zou het, met de kennis van nu, beter zijn geweest om de definitieve versie van de PB te hanteren voor de beoogde review.
Kunt u toelichten waarom er geen bezwaar is gemaakt tegen het feit dat een niet-openbaar document (de Passende Beoordeling) informeel is gedeeld en gebruikt in een review en juridische procedures?
Bezwaar is op grond van de Algemene wet bestuursrecht alleen mogelijk tegen besluiten in de zin van deze wet. Het delen van een rapport is geen besluit, maar een feitelijk handelen.
Het initiatief tot het delen van de PB met de Waddenacademie kwam vanuit RWS; Deze handelwijze wordt in het specifieke licht van de hierboven bij antwoord 6 beschreven rol in relatie tot het beheerplan niet bezwaarlijk geacht.
Gelet op de conclusie van de Waddenacademie dat toepassing van het voorzorgsbeginsel betekent dat garnalenvisserij niet kan worden vergund zolang er wetenschappelijke onzekerheden bestaan: deelt u de zorg dat deze interpretatie ertoe leidt dat in Natura 2000-gebieden in de praktijk nauwelijks nog vergunningen kunnen worden verleend, aangezien er altijd wetenschappelijke onzekerheden bestaan?
Het voorzorgsbeginsel ligt besloten in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.3 Daarin staat dat er redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan dat activiteiten negatieve effecten hebben op de beschermde natuur, vandaar de noodzaak tot een PB. De PB moet boven redelijke wetenschappelijke twijfel verheven zijn, vandaar in bepaalde gevallen de noodzaak tot een review.
Die weging vindt plaats door het vergunningverlenend bevoegd gezag, in dit geval LNV (nu LVVN). Het is dus niet zo dat per definitie nauwelijks nog vergunningen verleend zouden kunnen worden. Juist ook met het verbinden van specifieke voorschriften aan een vergunning of nader inperken van hetgeen is aangevraagd, kan bij eventuele wetenschappelijke onzekerheid, toch tot vergunningverlening worden overgegaan. Het ligt dus genuanceerder dan de conclusie van de Waddenacademie mogelijk doet veronderstellen.
Hoe verhoudt de door RWS-NN destijds voorgestelde beperkte vergunningsduur van een tot drie jaar zich tot het beleid van de Minister van LNV om vergunningen voor langere perioden (zes jaar) te verlenen? Is er overleg geweest om deze tegenstrijdige visies te harmoniseren?
In algemene zin kan worden gezegd dat het afstemmen van de looptijd van een natuurvergunning op die van het Natura 2000-beheerplan een goede manier is om activiteiten in een gebied te reguleren en zo te sturen op het kunnen behalen van de doelen.
Zonder aansluiting van de verschillende sporen kan het zijn dat een paar jaar na vergunningverlening extra maatregelen nodig blijken vanuit de Natura 2000-beheerplannen met opnieuw extra (in)spanning voor de vissers. RWS heeft deze redeneerlijn op ambtelijk niveau kenbaar gemaakt bij LVVN. Dit punt is door LVVN doorvertaald in een viertal evaluatiemomenten van de vergunning, in lijn met de Natura 2000-beheerplan-cycli.
Hoe waarborgt u dat interne verschillen van inzicht tussen Rijkswaterstaat en de Minister van LNV niet leiden tot juridische zwakte en onduidelijkheid in beleid, waardoor natuurorganisaties gemakkelijker procedures kunnen winnen?
Er is hier sprake van verschillende rollen en bevoegdheden en niet van een juridische zwakte. Het is aan de voortouwnemer om andere bevoegd gezagen, in dezen LVVN als bevoegd gezag voor de vergunningverlening, te wijzen op een mogelijke spanning met de in het Natura2000-beheerplan vastgestelde doelen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag zelf hoe dit gewogen wordt.
Erkent u dat deze handelwijze het vertrouwen in de overheid schaadt en vissersgezinnen in grote onzekerheid heeft gebracht, doordat hierdoor de vergunningverlening jaren vertraging opliep?
RWS heeft mij verzekerd dat hier niet vanuit verkeerde intenties is gehandeld, maar vanuit een adviserende rol richting LVVN, die voortkomt vanuit de rol van voortouwnemer. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen. Ik herken echter niet dat dit de oorzaak is van een jarenlange vertraging van de vergunningverlening. Ik begrijp natuurlijk dat een vertraging in de vergunningverlening voor vissersgezinnen in zijn algemeen bijzonder vervelend is.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de rol van RWS-NN in dit dossier, specifiek naar de vraag of Rijkswaterstaat buiten haar mandaat is getreden en hoe de samenwerking met natuurorganisaties is verlopen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, had de vraagstelling van de review niet vooraf door RWS gedeeld moeten worden met de Waddenvereniging. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn. Voor het overige heeft RWS gehandeld binnen de rol van voortouwnemer van het Natura 2000-beheerplan. Een nader onderzoek heeft wat mij betreft geen meerwaarde.
Kunt u bevestigen dat uw ministerie de Passende Beoordeling informeel heeft gedeeld met RWS-NN, en hoe beoordeelt u dat deze vervolgens is gebruikt om vergunningverlening te frustreren en juridische procedures te voeden?
Nee, RWS heeft de PB niet informeel vanuit het Ministerie van IenW ontvangen, maar op ambtelijk verzoek rechtstreeks van het Ministerie van LNV.
Deelt u de analyse dat de door de Waddenacademie gehanteerde interpretatie van het voorzorgsbeginsel dusdanig streng is dat feitelijk geen enkele activiteit in Natura 2000-gebieden meer kan worden vergund? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 9.
Hoe beoordeelt u de constatering dat natuurorganisaties deze review en door Rijkswaterstaat aangeleverde notities inzetten om rechtszaken te voeren tegen het beleid van u als Minister van Infrastructuur en Waterstaat?
Er zijn in deze context geen rechtszaken bekend tegen het beleid van het Ministerie van IenW.
Wat zegt dit volgens u over de onafhankelijkheid van de Waddenacademie?
Ik zie geen aanleiding vraagtekens te zetten bij de onafhankelijkheid van de Waddenacademie.
Wat zegt dit volgens u over de rol van Rijkswaterstaat?
Zie het antwoord op de vragen 1,2, 3 en 4.
Erkent u dat deze werkwijze bijdraagt aan rechtsonzekerheid en wantrouwen bij vissers, die het gevoel hebben dat beleid gebaseerd wordt op politieke voorkeuren in plaats van objectieve wetenschap?
Ik ben het met u eens dat vissers gebaat zijn bij zekerheid en duidelijkheid vanuit de overheid. De wetgever heeft de Minister van IenW de taak gegeven – toebedeeld aan RWS – om zorg te dragen voor het (doen) nemen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de betreffende Natura2000-gebieden.
Het verlenen van vergunningen voor visserij is echter niet aan de Minister van IenW. Wel kan RWS, namens de Minister van IenW, bij het betreffende bevoegd gezag voor vergunningverlening aangeven wat de mogelijke consequenties zijn van het verlenen van de vergunning op de in het Natura 2000-beheerplan geformuleerde doelen. Het is vervolgens aan het vergunningverlenend bevoegd gezag om hier een besluit over te nemen.
Bent u bereid om, mede op basis van het recente onderzoek van Wageningen University & Research waarin eerdere aannames worden weerlegd, de huidige en voorgenomen beperkingen voor de garnalenvisserij te herzien en vissers waar nodig te compenseren, omdat zij hierdoor onnodig lang in onzekerheid hebben gezeten?
Voor compensatie voor de onzekerheid omtrent de vergunningverlening wordt geen grond gezien. Het is niet duidelijk naar welke publicatie hier specifiek verwezen wordt, maar bij de actualisatie van de beheerplannen wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie, waaronder onderzoeken van de WUR.
Hoe verklaart u dat twee onderdelen van de rijksoverheid (RWS-NN en het Ministerie van LNV) elkaar in dit dossier tegenwerken, met vissers als direct slachtoffer?
Er is in dit dossier samenwerking tussen LVVN – over beleid omtrent de garnalenvisserij – en RWS als voortouwnemer in diverse N2000-beheerplannen. Flankerend daaraan speelt de vergunningverlening vanuit LVVN. Uiteindelijk ligt de regulering van de visserij bij LVVN als het vergunningverlenend bevoegd gezag.
Bent u bereid de Kamer te informeren hoe wordt voorkomen dat in de toekomst opnieuw «wetenschap op bestelling» wordt georganiseerd door overheidsorganisaties of in samenwerking met natuurorganisaties?
Er is geen sprake geweest van «wetenschap op bestelling». RWS heeft de Waddenacademie verzocht een onafhankelijke review uit te voeren op de PB. Het is achteraf gezien geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn.
Bent u bereid om, gelet op de ernst van deze gang van zaken, de directeur-generaal van Rijkswaterstaat uit te nodigen voor een hoorzitting in de Tweede Kamer om publiekelijk verantwoording af te leggen over het delen van vertrouwelijke documenten met externe partijen en het beïnvloeden van wetenschappelijke beoordelingen, alsmede de samenwerking met natuurorganisaties bij het formuleren van juridische argumenten tegen het beleid van de rijksoverheid zelf?
In de voorgaande antwoorden is aangegeven hoe het proces rond het delen van de PB verlopen is en welke rol RWS hier in had. Het is op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer aan de vaste commissie voor IenW om te bepalen wie zij voor een hoorzitting uitnodigt.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bij een aantal vragen is ervoor gekozen om te werken met verwijzingen naar eerdere antwoorden, om zo veel mogelijk dubbelingen te voorkomen.