Het bericht dat de treintunnel Delft tientallen miljoenen duurder wordt |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u het bericht «Treintunnel Delft tientallen miljoenen duurder?1
Ja
Is het waar dat er nieuwe vertraging is bij de aanleg van de spoortunnel en dat de meerkosten 10 miljoen euro voor de gemeente Delft en 70 miljoen euro voor het Rijk bedragen?
Wat de kosten van de vertraging voor de gemeente zijn, is mij niet bekend.
Voor het rijk is sprake van extra kosten door enerzijds vertraging en anderzijds extra werkzaamheden. Dat er extra kosten zouden zijn was al bekend toen in 2008 de verantwoordelijkheid voor de spoortunnel door het ministerie werd overgenomen van de gemeente. Op basis van een externe audit hebben decentrale overheden toen aanvullend budget beschikbaar gesteld en is een risicoreservering op de Rijksbegroting opgenomen van 45 miljoen euro. Dat is u gemeld in juni 2008 (brief met kenmerk VENW/DGP-2008/5662).
Of de extra kosten groter zullen zijn dan de risicoreservering is nog niet bekend. Dit hangt mede af van het al dan niet optreden van risico's in de komende jaren. Samen met de betrokken partijen sturen wij op het zoveel mogelijk voorkomen van verdere kostenstijgingen.
Kunt u toelichten welke kabels en leidingen er precies zijn gevonden?
In de Phoenixstraat heeft een groot aantal netbeheerders in een zeer beperkte ruimte ter vervanging van bestaande kabels nieuwe kabels moeten leggen. De afstemming tussen deze 17 netbeheerders en de coördinatie van de uitvoering heeft substantieel tijd gekost. Bij het verleggen van kabels en leidingen, zijn ook weesleidingen2 aangetroffen, een «verlaten» waterleiding en oude kabels van de vroegere spoorlijn op maaiveld.
Kan uit het feit dat deze kabels en leidingen nu pas worden gevonden, worden afgeleid dat deze niet in het zogenaamde Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC)-systeem waren opgenomen? Zo nee, waarom zijn deze dan niet in een eerder stadium opgemerkt? Zo ja, wat is de reden voor het feit dat ze niet in het KLIC-systeem waren opgenomen en bij welke instantie of bedrijf ligt daarvoor de verantwoordelijkheid?
Het klopt dat niet alle kabels en leidingen bekend waren in KLIC. Pas met de komst van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) in juli 2010 is er een wettelijke regeling die informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en gravers (grondroerders) verplicht stelt. De inventarisaties die bij Spoorzone Delft zijn gedaan dateren van voor die tijd. Naast de niet bekende kabels en leidingen zijn er ook niet in gebruik zijnde kabels en leidingen, waarvan vaak ook de eigenaren onbekend zijn, die een probleem vormen. Met de WION is voortaan geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de liggingsgegevens van de «weesleidingen».
Kunt u toelichten wie verantwoordelijk is voor de verkeerde aannames wat betreft de grondwaterstand?
De uitvoering van het project Spoorzone Delft ligt in handen van de projectorganisatie Spoorzone Delft, een samenwerkingsverband tussen de Gemeente Delft en ProRail. De aannames voor en gegevens over de grondwaterstand in Delft zijn in 2007 door adviesbureaus aangeleverd in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de projectorganisatie. De aannames zijn tot stand gekomen op basis van alle op dat moment beschikbare informatie.
Door de projectorganisatie is nagegaan of de extra kosten verhaald kunnen worden op de adviesbureaus. Dat blijkt niet het geval.
Kan in ieder geval een deel van de kosten op de projectontwikkelaars en/ of eigenaren van de kabels verhaald worden? Waarom wel of niet?
Het verleggen van kabels en leidingen geschiedt door de eigenaren, die handelen op verzoek van de projectorganisatie. Hiervoor gelden landelijke procedures, die correct zijn toegepast bij de uitvoering. Er is geen mogelijkheid de kosten te verhalen.
Kunt u, gezien de nieuwe vertragingen, aangeven wanneer de tunnel nu in gebruik kan worden genomen?
In 2015 wordt de eerste tunnelbuis in gebruik genomen. Oplevering van een 4-sporig uitgegraven en 2-sporig ingerichte spoortunnel is gepland in 2017. De langere bouwtijd betekent helaas een langere periode ongemak voor de omgeving. Het heeft echter geen consequentie voor de treindienst, omdat het spoorviaduct langer in gebruik blijft.
Verhogen huren |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van wethouder Ossel van de gemeente Amsterdam over het verhogen van de sociale huurgrens1, en de opiniebijdrage van de heer Noort op de website van Keicentrum?2
Ja.
Deelt u de mening dat het een onverstandige beleidswijziging zou zijn om de sociale huurgrens te verhogen? Zou u uw antwoord willen toelichten?
Ja.
Dhr. Ossel haalt een al eerder beschreven onderwerp aan: huishoudens met een inkomen boven de € 33 614,– zouden moeilijk aan een woning kunnen komen. Hij geeft daarbij tevens aan, dat er weinig aanbod van huurwoningen is in de categorie tot € 800,–.
Woningcorporaties kunnen, naast hun kerntaak, ook hogere inkomens huisvesten.
Zij kunnen, met behoud van staatsteun, 10% van de vrijkomende woningen met een huur tot € 652,52 toewijzen aan huishoudens met een inkomen boven de € 33 614,–. Verder kunnen zij hogere inkomens huisvesten in duurdere huurwoningen, of aan zulke huishoudens een huurwoning (al dan niet met korting, winst- en verliesdeling) te koop aanbieden.
Als corporaties meer dan 10% van de vrijkomende woningen met een huur tot € 652,52 toewijzen aan huishoudens met een inkomen boven de € 33 614,–, zal dit leiden tot beperking van de WSW borging.
Voor wat betreft mogelijke overgangsproblematiek bij de uitvoering van de «Tijdelijke regeling...» merk ik allereerst op dat het overleg met de sector over de ongeborgde herfinanciering van bestaande leningen voor commercieel vastgoed in een afrondend stadium is gekomen. Daarnaast ben ik in overleg met de Europese Commissie en de sector over een werkzame vormgeving van regionale differentiatie.
Tevens heeft mijn departement, in overleg met de sector, informatie opgesteld ten behoeve van burgers en woningcorporaties, onder meer over de wijze van inkomenstoetsing bij toewijzing, teneinde uitvoeringsvragen zoveel mogelijk te voorkomen. Ook wordt de praktische uitwerking samen met de corporatiesector nauwlettend gevolgd.
Deelt u de mening dat de gedachtegang van de heer Noort op zich een interessante zou kunnen zijn en het onderzoeken waard? Zou u uw antwoord willen toelichten?
De gedachtegang van dhr. Noort, de huur van de woningen die vrijkomen waar mogelijk harmoniseren tot het niveau van boven de liberalisatiegrens, is een interessante. Op die wijze kan inderdaad het aanbod van vrije sector woningen worden vergroot.
Ik ben van mening dat samenwerking met en deelname van beleggers in het segment > € 652,52 een vruchtbare route kan zijn. Ik bezie daartoe, met partijen, de mogelijkheden en randvoorwaarden.
Moskeeën die medewerking weigeren aan het onderzoek naar lijfstraffen en het verspreiden van antiwesterse sentimenten |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek lespraktijken moskeeën gestrand»?1
Ja.
Deelt u de visie dat de weigering van de moskeeën om mee te werken aan het onderzoek tekenend is voor de volslagen minachting van de moskeeën voor de Nederlandse samenleving? Zo nee, hoe duidt u de weigering dan?
Deelname aan het onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut naar het pedagogisch klimaat tijdens non-formeel weekendonderwijs in moskeeën geschiedt op basis van vrijwilligheid. Het past mij niet om de keuze van de betreffende moskeeën om niet deel te nemen aan het onderzoek anders te duiden dan de beweegredenen die zij daarvoor zelf geven.
In hoeverre heeft u zich onvolledig uitgelaten over het ontbreken van concrete signalen van misstanden, daar de GGD en de gemeente Den Haag al in 2009 melding hebben gemaakt bij de politie en het Openbaar Ministerie van 49 concrete signalen van lijfstraffen?
De verwijzing naar concrete signalen van kindermishandeling in mijn brief d.d. 14 januari 20112 heeft betrekking op de resultaten van het inventariserend onderzoek dat in opdracht van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ondergetekende door GGD Nederland in de gemeenten Den Haag, Rotterdam en Eindhoven wordt uitgevoerd naar aard en omvang van concrete signalen van kindermishandeling in de sociale milieus van kinderen, waaronder ook het non-formele islamitisch weekendonderwijs valt. Dit onderzoek is onlangs van start gegaan en betreft een ander onderzoek dan het voornoemde beëindigde onderzoek naar het pedagogisch klimaat tijdens lespraktijken in twee moskeeën.
Aanleiding voor dit onderzoek van GGD Nederland vormden de signalen van kindermishandeling in 2009 in Den Haag en schriftelijke vragen daarover van uw Kamer. Dit onderzoek is naar verwachting eind 2011 afgerond. Over de aanleiding en uitvoering van dit onderzoek is uw Kamer reeds eerder geïnformeerd, per brief op 31 maart 20103, 21 september 20104 en eerdergenoemde brief van 14 januari 2011.
Zodra de resultaten van het onderzoek door GGD Nederland beschikbaar zijn, kunnen uitspraken worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid, aard en omvang van concrete signalen die in het onderzoek naar voren komen.
Bent u bereid de betreffende moskeeën in Amsterdam en Tilburg die weigeren deel te nemen aan een onderzoek naar shariapraktijken, onmiddellijk te sluiten? Zo ja, wanneer zullen deze moskee in het bijzonder en moskeeën in het algemeen worden gesloten? Zo nee, waarom niet?
De lokale overheid is bevoegd een (moskee)gebouw als zodanig te sluiten als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van verstoring van de openbare orde.
In deze specifieke casus heeft de overheid geen reden om de moskeeën te sluiten; deelname aan het onderzoek naar het pedagogisch klimaat geschiedt op basis van vrijwilligheid.
Het gebrek aan orgaandonoren |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Nederlanders kapen Belgische organen weg»?1
Ja.
Klopt het bericht dat België zesentwintig donoren per miljoen inwoners telt? Hoeveel donoren per miljoen inwoners zijn er in Nederland beschikbaar? Wat gaat het kabinet doen om het aantal beschikbare donoren te laten toenemen?
Volgens berekeningen gemaakt aan de hand van de voorlopige cijfers van Eurotransplant en de meest recente bevolkingsaantallen heeft België ongeveer vierentwintig donoren per miljoen inwoners (10,8 miljoen inwoners en 263 donoren) en heeft Nederland ongeveer dertien donoren per miljoen inwoners (16.6 miljoen inwoners en 216 donoren). In de stand van zakenbrief die ik u onlangs toezond heb ik u aangegeven wat ik doe om het aantal beschikbare donoren te laten toenemen.
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Gesprek kan tekort aan orgaandonoren verminderen»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat het «verbeteren» van de gesprekken met nabestaanden kan leiden tot het verminderen van het tekort aan organen?
Ik geloof ook dat het verbeteren van de gesprekken met nabestaanden kan leiden tot het verminderen van het tekort aan orgaandonoren. Zoals ik in de bijlage bij de stand van zakenbrief die ik u onlangs toestuurde aangaf, wordt in Nederland momenteel op meerdere manieren onderzocht op welke wijze deze gesprekken beter kunnen worden gevoerd.
Wat is de rol van de functionaris als bedoelt in artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie? Zijn er inmiddels in alle ziekenhuizen protocollen en functionarissen? Zo ja, hoe functioneert dit in de praktijk?
De rol van de in artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie bedoelde functionaris staat in de artikelen 18, eerste lid en 20 van die wet beschreven. Hij of zij controleert bij een potentiële donor het donorregister, voert het donatiegesprek met de naasten als er geen positieve wilsverklaring in het register wordt gevonden, informeert de naasten over de uitnameprocedure als er een positieve wilsbeschikking in het register staat en meldt een donor aan bij het orgaancentrum, de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). Het modelprotocol orgaan- en weefseldonatie van de NTS dient in de regel als basis voor het locale protocol orgaan -en weefseldonatie. Het probleem zit hem mijns inziens niet zozeer in het opstellen en invoeren van protocollen en het aanwijzen van functionarissen, dat is in het overgrote deel van de ziekenhuizen geregeld. Het voeren van een goed donatiegesprek borg je echter niet door daarvoor in een protocol een functionaris aan te wijzen, dat doe je door ervoor te zorgen dat die functionarissen getraind zijn in dat soort gesprekken. Daar valt zoals gezegd nog winst te behalen.
Klopt het dat artsen tijdens hun opleiding nauwelijks worden getraind in gesprekken over orgaandonatie? Bent u van mening dat artsen tijdens hun opleiding hier wel in getraind zouden moeten worden? Zo ja, op welke wijze gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Het is gedeeltelijk waar dat artsen tijdens hun opleiding nauwelijks worden getraind in gesprekken over orgaandonatie, het curriculum is zo overvol dat daarvoor simpelweg geen ruimte is. Veel ziekenhuizen vangen dit wel op door deze training aan arts-assistenten te geven die in dat ziekenhuis worden opgeleid. Ik verwacht zelf meer van het gericht trainen van professionals op de Intensive Care die het meest met orgaandonatie in aanraking komen. Mijn voorganger heeft in 2007 subsidie gegeven voor het project Communicatie rond Donatie van de NTS. In het kader van dit project is al aan veel ziekenhuizen de mogelijkheid geboden om hun personeel te trainen. Binnenkort verschijnen resultaten van het onderzoek dat naar aanleiding van dit project is gedaan. Het project laat hoopgevende resultaten zien op het vlak van het verhogen van het toestemmingspercentage door nabestaanden. Zoals aangegeven in de stand van zakenbrief zal ik samen met de NTS bekijken of en hoe de succesvolle aanpak uit het project breed kan worden geïmplementeerd.
De online campagne van Cordaid voor Zuid-Soedan |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de online fondsenwervingscampagne van Cordaid voor de vluchtelingen in Zuid-Soedan, waarbij Cordaid mensen oproept de grafische reclame-uiting van de campagne op hun website te plaatsen, in ruil waarvoor de websitebeheerder, die de reclame-uiting op zijn website plaatst, het merendeel van het gedoneerde geld ontvangt?1
Ja, ik gaf al eerder aan in een reactie richting PowNews dat ik geschrokken ben over de informatievoorziening met betrekking tot de relatief hoge kosten voor deze specifieke actie.
Bent u bekend met de wijze waarop deze campagne wordt gefinancierd? In hoeverre wordt subsidiegeld gebruikt voor deze campagne?
Voor de financiering van deze online campagne wordt geen subsidie gebruikt die is verstrekt door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Alle door Cordaid gemaakte kosten voor fondsenwerving worden gefinancierd uit de middelen die Cordaid ophaalt op de particuliere fondsenmarkt, conform de regels van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)-keurmerk.
Moet worden geconstateerd dat waarschijnlijk het overgrote deel van de opbrengst van deze actie gaat naar de personen die de betreffende reclame-uiting op hun website zetten en een kleiner deel naar een door Cordaid ingeschakeld reclamebureau?
Het is de verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht en de Directie van Cordaid om te bepalen welke wervingsacties gepast zijn, aangezien er geen overheidssubsidie gebruikt wordt. Cordaid heeft aangegeven lessen te trekken uit deze online campagne met zijn relatief hoge kosten en in de communicatie aan donateurs volledige transparantie na te streven en donateurs te informeren over de bestemming van hun giften en de kosten van fondsenwerving. Ik verwijs naar de website van Cordaid (www.cordaid.nl) waar zij een reactie geven op veelgestelde vragen betreffende de kosten van de advertentiecampagne. In hun reactie geven zij onder meer aan dat de algemene kosten van fondsenwerving van Cordaid binnen de door het CBF gestelde bovengrens van 25% voor fondsenwerving vallen. Zij verzekeren dat van de donatie van Euro 6,- voor Zuid-Soedan, Euro 0,84 aan kosten voor fondsenwerving wordt besteed.
Deelt u de mening dat door deze opzet slechts een klein percentage van het binnenkomende geld bij de vluchtelingen in Soedan terechtkomt en dat deze regeling strijdig is met het uitgangspunt (o.a. vanuit het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)-keurmerk) dat hooguit 25 procent van het geld dat voor dergelijke goede doelen wordt binnengehaald, op mag gaan aan administratie, reclame e.d.? Welke consequenties zijn verbonden aan het niet naleven van de genoemde 25 procentnorm?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dergelijke «klikacties» met relatief kleine donatiebedragen, bijvoorbeeld 6 euro, waarbij de kosten hoger kunnen zijn dan het gedoneerde bedrag, geen gepast middel zijn om geld op te halen voor goede doelen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Cordaid, als «goed doel», haar naam niet dient te verbinden met een dergelijke hoog risico op verlies gevende actie en dat er geen gebruik gemaakt dient te worden van het door de overheid verkregen budget om dergelijke verliezen te dekken?
Zoals vermeld betreft het hier geen activiteit waarbij overheidssubsidie is gebruikt. De Raad van Toezicht en de Directie van Cordaid bepalen in dat geval waaraan de naam van de organisatie wordt verbonden.
Het niet goed uitvoeren van onderzoek naar plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het onderzoek naar de doodsoorzaak van plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen, dat sinds januari 2011 is verplicht, niet of niet goed wordt uitgevoerd?12
Ja. Het bericht is echter niet juist. De NODO-procedure is nog niet ingevoerd; er is dus geen sprake van een verplichting.
Wat betekent het in de praktijk, wanneer een arts contact met de gemeentelijke lijkschouwer moet opnemen maar bij twijfel verder onderzoek nog niet kan worden verricht volgens de in de wet vastgelegde procedure? Betekent dit, dat de gemeentelijke lijkschouwer in alle gevallen dan ook zelf zal schouwen en nader onderzoek zal verrichten?
Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts sinds 1 januari 2010 vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven óf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer.
Kunt u zich voorstellen dat het op dit moment, zonder NODO-procedure (Nader Onderzoek Doodsoorzaak), voor lijkschouwers onduidelijk is welke taak zij moeten uitvoeren? Zo ja, vindt u dit gewenst?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is alleen het contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer vanaf 1 januari 2010 een nieuwe taak. De beslissing die de lijkschouwer neemt na dit contact blijft dezelfde als voorheen. Bovendien is hierover zowel door het Rijk als door de betrokken artsenorganisaties voorlichting verstrekt.
Bij de invoering van de NODO-procedure zal bezien worden op welke wijze de gemeentelijk lijkschouwers voldoende toegerust kunnen worden voor de beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding van de NODO-procedure? Waarom is de NODO-procedure nog niet in werking getreden, waarom is er kennelijk vertraging opgetreden en wie is daarvoor verantwoordelijk, welke concrete stappen moeten er nog gezet worden en wanneer kan de NODO-procedure wel in werking treden?
In april 2010 heeft de KNMG een advies opgeleverd over de inrichting van de NODO-procedure. Aan de hand daarvan is in september 2010 door een extern adviesbureau een berekening van de uitvoeringskosten gemaakt. Daaruit blijkt dat de inrichting van de NODO-procedure, op de door de KNMG geadviseerde wijze, zeer hoge kosten met zich brengt. Ook komen er signalen uit de medische sector dat deze inrichting niet breed gedragen wordt als optimale organisatie van de NODO-procedure en worden er vanuit de sector alternatieven aangereikt.
Daarom overweeg ik op welke andere wijze de NODO-procedure op effectieve en efficiënte wijze kan worden ingericht. Een goed alternatief zou kunnen zijn om aan te sluiten bij een project dat TNO samen met de Universiteit Twente uitvoert inzake de preventie van kindersterfte. Daartoe wordt de haalbaarheid onderzocht van het installeren van speciale teams die een multidisciplinaire evaluatie uitvoeren in alle gevallen van het overlijden van een kind. Deze werkwijze wordt in de Angelsaksische landen ook wel aangeduid met de term «Child Death Review». In Engeland wordt voorafgaand aan deze multidisciplinaire evaluatie een onderzoek uitgevoerd dat de «Rapid Response» wordt genoemd. Deze «Rapid Response» heeft als doel om in korte tijd onderzoek te doen naar de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. De NODO-procedure heeft dezelfde doelstelling. Daarom wordt nu bekeken of het instellen van dergelijke mobiele «Rapid Response» teams in het kader van de uitvoering van de NODO-procedure een goede en effectieve werkwijze is.
Ik acht het van belang dat de NODO-procedure op korte termijn kan worden ingevoerd en streef er dan ook naar hierover spoedig een beslissing te nemen, in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welk ministerie is verantwoordelijk voor de hele procedure rondom de NODO? Welke minister of staatssecretaris is hiervoor verantwoordelijk?
De NODO-procedure valt onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Betrokkenheid van de Minister van VWS is echter onontbeerlijk gezien haar deskundigheid van het medische veld.
Klopt het dat de vertraging in de uitwerking van de NODO-procedure veroorzaakt wordt door onenigheid tussen overheid en de KNMG over de financiering? Zo ja, kunt u de standpunten van beide partijen nauwkeurig weergeven?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijke gevolgen kan het nog niet in werking treden van de NODO-procedure concreet hebben voor ouders van overleden minderjarigen en voor zorgverleners? Welk signaal kan er uitgaan van een verplichte melding bij onverwacht overlijden van een minderjarige, wanneer niet-natuurlijke dood niet met zekerheid kan worden uitgesloten, terwijl de vervolgprocedure nog niet gereed is?
Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Alleen het verplichte contact tussen behandelend arts en gemeentelijk lijkschouwer is nieuw sinds 1 januari 2010, verder is de procedure niet anders dan voorheen. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer. Dat is een verbetering ten opzichte van de oude procedure, toen de arts nog geheel zelfstandig een verklaring van overlijden kon afgeven en gevallen van mogelijk niet-natuurlijk overlijden soms onopgemerkt konden blijven. Er is dan ook bewust gekozen om het verplichte contact al op 1 januari 2010 van kracht te laten worden. Als een niet-natuurlijke dood vervolgens ook door de gemeentelijk lijkschouwer niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld.
Klopt het dat, zonder de NODO-procedure, vaker dan nodig een door justitie gelast onderzoek volgt, en dat dit een extra belasting vormt voor ouders die niets valt te verwijten? Zo ja, wat is uw mening hierover, en per wanneer wordt dit opgelost? Hoeveel door justitie gelaste onderzoeken hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden en met welke uitkomst?
Het Openbaar Ministerie heeft geen cijfers over het aantal onderzoeken dat door de officier van justitie wordt gelast in gevallen waarin de gemeentelijk lijkschouwer geen verklaring van (natuurlijk) overlijden kan geven bij het onverklaard overlijden van minderjarigen. Als de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden na de schouw als «onverklaard» beoordeelt, zal hij, totdat de NODO-procedure (die niet onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie plaatsvindt) in werking is getreden, contact opnemen met de officier van justitie.
Als er een redelijk vermoeden bestaat dat sprake is van een strafbaar feit kan de officier van justitie een gerechtelijke sectie gelasten die erop is gericht vast te stellen of een strafbaar feit tot het overlijden heeft geleid.
Bent u van mening dat op dit moment, wanneer de NODO-procedure eindelijk in werking is getreden, voldoende waarborg bestaat om te voorkomen dat gevallen van verwaarlozing of mishandeling van minderjarigen onopgemerkt blijven? Zo ja, bent u derhalve van mening dat (huis)artsen en andere zorgverleners over voldoende kennis en ervaring beschikken om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling in alle gevallen te herkennen? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe is dit te rijmen met de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het rapport over jeugdzorg?
Met de verplichting voor de behandelend arts het overlijden van een minderjarige te melden bij de gemeentelijk lijkschouwer en zijn bevindingen te toetsen, het toerusten van gemeentelijk lijkschouwers op een goede beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen en het uitvoeren van de NODO-procedure zelf wordt de mogelijkheid om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling bij minderjarigen te herkennen mijn inziens voldoende gewaarborgd. Wat overigens geen garantie geeft voor het onopgemerkt blijven van genoemde gevallen in voorkomende situaties.
Zou het niet beschikbaar zijn van de NODO-procedure in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat behandelend arts en lijkschouwer eerder zullen overgaan tot het afgeven van een verklaring van natuurlijke dood, ook wanneer een niet-natuurlijke doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten? Zo nee waarom niet en hoe kunt u dit garanderen, gezien de huidige situatie? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Nee. Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer.
Als een natuurlijke dood vastgesteld wordt, wordt een verklaring van overlijden afgegeven. Als er geen twijfel bestaat aan de natuurlijke aard van het overlijden, maar de doodsoorzaak onbekend is, bestaat de mogelijkheid tot het verrichten van neutraal medisch onderzoek naar de doodsoorzaak (de zogenaamd klinische obductie) indien de betrokken arts en de ouders dat belangrijk vinden. Als een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens, bij het vermoeden van een strafbaar feit, een gerechtelijke sectie gelasten.
Door de invoering van de NODO-procedure zullen gevallen van onverklaard overlijden bij minderjarigen nader onderzocht worden en zal een beter onderscheid gemaakt kunnen worden tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Tot die tijd geldt de hierboven genoemde procedure.
Het bericht dat de Verenigde Staten (VS) niet bereid waren Nederland te helpen bij het beperken van geluidsoverlast van AWACS |
|
Jasper van Dijk (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over de via Wikileaks naar buiten gebrachte berichten dat de VS geen hulp aan Nederland wilde bieden bij het beperken van de geluidsoverlast door AWACS-toestellen?1
Ja.
Hebben de VS tussen het moment dat de Board of Directors (BOD) van het AWACS-programma de opdracht gaven voor «re-engening / re-platforming of the AWACS-fleet» op 27 juni 2002 en het eerste ambtsbericht van april 2007 blijk gegeven van twijfels rond de haalbaarheid van het stiller maken van de AWACS-toestellen?
Zoals uiteengezet in de brief van heden van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk 2011–2000011311) mag van de zijde van het kabinet geen antwoord worden verwacht op vragen over de juistheid van de inhoud van de vermeende Amerikaanse ambtsberichten.
Zoals bekend maakt Nederland zich in internationaal verband reeds geruime tijd sterk voor structurele oplossingen van de geluidsproblematiek van de vliegbasis Geilenkirchen. Als een van de mogelijke oplossingen is de vervanging van de AWACS-motoren onderzocht. In juni 2007 verzochten de Navo-ministers van Defensie op initiatief van Nederland de Board of Directors van de NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Organisation (NAPMO) een uit 2004 stammende business case inzake de vervanging van de Navo AWACS-motoren opnieuw te bezien. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 15 oktober 2007 (Kamerstuk 31 200 X en 31 200 XI, nr. 16). Over de uitkomsten van de herziene business case is de Kamer geïnformeerd met de brief van 24 april 2008 (Kamerstuk 31 200 XI, nr. 109). Het bleek dat er vanuit financieel-economisch perspectief geen positieve business case was om de motoren van de AWACS-vliegtuigen te vervangen.
Waarom heeft de Nederlandse regering ook na april 2007 jegens de Tweede Kamer volgehouden dat stillere motoren een bijdrage zouden kunnen leveren aan de geluidsproblematiek, terwijl de VS volgens ambtsberichten aan de ambassadeur in Washington te kennen hadden gegeven daar grote terughoudendheid bij te zullen betrachten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat (zoals blijkt uit het ambtsbericht van februari 2008) de toenmalig minister van Milieu bij collega’s uit de Europese Unie lobbyde voor de inzet van een vluchtsimulator, terwijl haar collega van Defensie op dat moment nog twijfelde aan de haalbaarheid van dat voorstel?
De toenmalige minister van Milieu heeft in de EU bepleit de mogelijkheid te onderzoeken om geluidseisen te stellen aan de Navo AWACS-vliegtuigen. Hierover is de Kamer in april 2008 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 31 200 XI, nr. 109). Defensie heeft de Navo hierover geïnformeerd. In dezelfde brief is gemeld dat het investeren in een moderne vluchtsimulator op de vliegbasis Geilenkirchen één van de mogelijke maatregelen is die kan bijdragen aan het verminderen van de geluidsbelasting van Geilenkirchen en het beperken van het aantal vliegtuigbewegingen. Mede door inspanningen van Nederland heeft de Navo in juni 2008 besloten te investeren in een moderne vluchtsimulator (Kamerstuk 31 700 XI, nr. 66). Deze simulator is eind 2010 in gebruik genomen.
Heeft u, zoals toegezegd in uw brief van 18 juni 2010, de BOD op de hoogte gesteld van de strekking van de motie Jansen c.s.2 over het verzoek van het parlement aan de regering zo nodig de binnenvliegregeling te gebruiken en heeft u een reactie van de BOD ontvangen? Zo ja, hoe luidde die? Zo nee, bent u bereid daar alsnog om te vragen?
Conform de door de Kamer aangenomen motie heeft Nederland in de Board of Directors van de NAPMO gemeld dat het parlement de regering heeft verzocht per 1 januari 2012 desnoods de Navo-binnenvliegregeling te gebruiken om in 2012 een geluidsreductie van 35 procent te bereiken. De NAPMO BOD heeft daarvan kennis genomen.
De brandweer Rotterdam-Rijnmond die in de helft van de gevallen te laat komt |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Waarom komt de brandweer Rotterdam-Rijnmond in de helft van de gevallen te laat?1
De conclusie dat de brandweer Rotterdam-Rijnmond in de helft van de gevallen te laat zou zijn, is afkomstig van onderzoeksbureau Suurenbroek dat in opdracht van de VRR onderzoek deed naar o.a. plaatsing materieel, straatsnelheden bestand en snel interventie voertuigen. Het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio laat weten dat zij deze conclusie niet onderschrijft. De veiligheidsregio stelt op basis van eigen analyse en het conceptrapport van de NVBR «Opkomsttijden basisbrandweerzorg: realisatie 2009», dat in circa 75% van de gevallen de incidentlocatie binnen de voorgeschreven norm wordt bereikt. Deze norm is conform het in de regio vastgestelde minimumniveau basisbrandweerzorg.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de opkomsttijden snel weer voldoen aan de in de wet gestelde eisen?
Het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio is primair verantwoordelijk voor het vaststellen van het niveau van veiligheid. De Wet veiligheidsregio’s biedt de mogelijkheid voor het Algemeen Bestuur af te wijken van de standaardnorm en legt dit aldus vast. Zoals ook hierboven geschetst toont de regionale analyse dat in circa 75% van de gevallen de incidentlocatie binnen de voorgeschreven norm wordt bereikt. Deze norm is conform het in de regio vastgestelde minimumniveau.
Het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio heeft de contra-expertises uitgebreid met de centrale ondernemingsraad besproken en bestudeerd. Diverse aanbevelingen worden door het Algemeen Bestuur meegenomen dan wel heroverwogen. De definitieve keuzes hierbij worden genomen en gedragen door het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio.
Wat is het effect van de bezuinigingen van 4,5 miljoen euro op de opkomsttijden van de brandweer? Hoe kunt u verzekeren dat de brandweerzorg op orde blijft, in het bijzonder in Albranswaard, Delfshaven en Lansingerland?
Met de bezuinigingsvoorstellen, welke beschreven zijn in het beleidsdocument «VRR in breder perspectief,» heeft het Algemeen Bestuur keuzes gemaakt in de wijze waarop de VRR aan de opgelegde taakstelling van 4,5 miljoen voldoet. Hierbij is de keuze gemaakt om naast bezuinigen ook om te buigen en te investeren in de organisatie. Daarbij wordt o.a. ingezet op het vergroten van veiligheidsbewustzijn van de burger middels het programma «Brandveilig Leven» en het inzetten van snelle interventievoertuigen (SIV). Ook valt het fuseren van enkele kazernes binnen dit scenario.
Het Algemeen Bestuur van de VRR heeft op 23 februari 2011 ingestemd met de voorstellen uit »VRR in breder perspectief». De opkomsttijden zoals beschreven in het materieelspreidingsplan – zijnde onderdeel van «VRR in breder perspectief» – voldoen aan de gestelde normtijden zoals vastgelegd door de regio.
Bij eventuele sluiting van kazernes wordt de dekking zo optimaal mogelijk gehouden door activiteiten van het programma Brandveilig Leven te implementeren. Eveneens worden de eerder genoemde SIV’s ingezet, in combinatie met tankautospuiten.
Momenteel vindt een proef plaats om te kijken hoe deze SIV’s zo optimaal mogelijk ingezet kunnen worden. Aan het einde van het jaar worden de resultaten van deze proef met het Algemeen Bestuur gedeeld teneinde besluitvorming te kunnen laten plaats vinden.
De dekking voor Albrandswaard zal gewaarborgd zijn door de in het Algemeen Bestuur reeds vastgestelde plannen. Voor de locaties Delfshaven en Lansingerland zal op verzoek van het Algemeen Bestuur verder onderzoek gedaan worden naar de locaties van materieel en gewenste dekking. De prestaties met betrekking tot de brandweerzorg worden momenteel zorgvuldig door het Algemeen Bestuur VRR gemonitord.
Bent u bereid een inhoudelijke reactie te geven op het onderzoek dat in opdracht van de Centrale Ondernemingsraad van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is gedaan, en deze naar de Kamer te sturen?
Gezien de verantwoordelijkheid van het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio’s, die is vastgelegd in de Wet veiligheidsregio’s, past mij terughoudendheid bij het geven van een oordeel. De inhoudelijke rapportages zijn door de centrale ondernemingsraad, het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio en de directie van de VRR in de afgelopen maanden uitgebreid besproken en diverse aanbevelingen uit de rapportages worden door het Algemeen Bestuur meegenomen danwel heroverwogen
Hoe zijn op dit moment de opkomsttijden in de andere veiligheidsregio’s?
Ik beschik niet over een actueel overzicht van de opkomsttijden die de verschillende regio’s hanteren. Het op rijksniveau vastleggen van de opkomsttijden en een landelijk dekkingsplan, past niet bij de decentrale bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg.
De toegenomen naleving van leeftijdsgrenzen voor games en films |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de leeftijdsgrenzen op games en films steeds beter worden gehandhaafd door bioscopen, speelgoedzaken en bibliotheken?1
Ja.
Deelt u de mening dat een dergelijk handhavingsniveau nimmer bereikt had kunnen worden met een strafrechtelijk verbod op gewelddadig beeldmateriaal? Zo nee, waarom niet?
De verbeterde naleving van de leeftijdsgrenzen van de Kijkwijzer voor films en PEGI voor games is tot stand gekomen dankzij een breed scala aan maatregelen die door de private en publieke partijen zijn overeengekomen. Zaken als de introductie van e-learning voor het winkelpersoneel over de betekenis van de (leeftijds)pictogrammen en communicatie over de wettelijke plicht tot naleving, zijn kracht bijgezet door controle op de naleving te intensiveren via de inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren. Een eventueel strafrechtelijk verbod op extreem gewelddadig beeldmateriaal staat los van de preventieve inspanningen om de naleving te verbeteren en zou alleen de verspreiding van een specifieke categorie beeldmateriaal voorkomen hebben.
Deelt u de mening dat de entertainmentbranche er blijkbaar steeds beter in slaagt om mogelijk gewelddadig beeldmateriaal uit handen te houden van te jonge spelers? Zo ja, welke voorlopige conclusies verbindt u hieraan voor de wenselijkheid om een verbod op gewelddadige games te introduceren?
Ik constateer dat de audiovisuele branche er steeds beter in slaagt jongeren te beschermen tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal en zich daarmee aan haar bij wet opgelegde verplichting houdt. Een pluim verdienen vooral de bioscopen, bibliotheken en speelgoedzaken met nalevingspercentages die inmiddels (ruim) boven de vijftig procent zitten. De slechte naleving door onder meer gameshops (28,6%, TNS-Nipo 2010) blijf ik zorgwekkend vinden, maar is voor mij thans geen aanleiding de invoering van een verbod op extreem gewelddadige games te overwegen.
Bent u bereid de voorbereiding van wetgeving die voorziet in een strafrechtelijk verbod op de openbaarmaking of verspreiding van extreem gewelddadige games, zoals in het vooruitzicht gesteld door uw ambtsvoorganger2, per onmiddellijke ingang te staken, nu blijkt dat de branche een substantiële vooruitgang heeft geboekt in de naleving van de gestelde leeftijdsgrenzen? Zo nee, waarom niet?
De toenmalige Minister van Justitie heeft ter uitvoering van de motie Van der Staaij c.s. de mogelijkheid en wenselijkheid van een strafrechtelijk verbod op de verspreiding van extreem gewelddadig beeldmateriaal verkend en de consequenties ervan voor de naleving, handhaving en effectiviteit in ogenschouw genomen. Bij brief van 28 juni 2010 heeft hij uw Kamer laten weten dat een dergelijk verbod juridisch mogelijk is en vanuit een oogpunt van bescherming van jongeren tegen schadelijke invloeden wenselijk kan zijn, mits dit verbod beperkt blijft tot een kleine categorie extreem gewelddadige games. Echter, vanwege de beperkte effectiviteit in termen van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid gaf hij er de voorkeur aan eerst de al ingeslagen weg te vervolgen om in samenwerking met de audiovisuele branches de naleving aan het einde van de distributieketen te verbeteren (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 684, nr. 279). Er zijn daarna geen voorbereidingen getroffen voor wetgeving die een verbod op extreem gewelddadige games mogelijk moet maken.
Vindt u een dergelijk verbod überhaupt wenselijk?
Ik constateer dat het beleid van verbetering en intensivering van de naleving van de leeftijdsgrenzen zijn vruchten afwerpt. Het lijkt mij verstandiger daarop in te zetten.
Deelt u de mening dat alle inspanningen erop gericht moeten zijn op het vangen van échte in plaats van virtuele boeven? Zo nee, waarom niet?
De geloofwaardigheid van de rechtsstaat is erbij gebaat, wanneer alle wet- en regelgeving serieus wordt genomen. Weliswaar worden vanuit capaciteitsoverwegingen prioriteiten gesteld in de opsporing en vervolging, maar dit ontslaat de overheid niet van de plicht om ook toe te zien op naleving van wetten die in sommiger ogen wellicht van geringer belang zijn. De bescherming van jongeren tegen voor hen schadelijk te achten beeldmateriaal is in diverse internationale overeenkomsten vastgelegd en bovendien in nationale wetgeving waaronder artikel 240a Sr verankerd. Ten slotte is de confrontatie op jonge leeftijd met gewelddadig beeldmateriaal geïdentificeerd als een risicofactor voor agressief gedrag. Dit betekent niet dat iedere jongere die geweldsbeelden ziet, zich agressief zal gaan gedragen, maar dat de kans daarop wel groter wordt. Ook vanuit preventieve overwegingen is het derhalve van belang dat deze bescherming door de overheid wordt geboden.
Het bericht 'WOII moet weer centrale plek krijgen' |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Martin Bosma (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «WOII moet weer centrale plek krijgen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de praktijken die in dit bericht worden beschrijven, namelijk dat Holocaust-lessen worden aangepast ten behoeve van moslims?
Ik heb er kennis van genomen dat «Holocaustonderwijs» op sommige scholen mét lessen over het Midden-Oosten wordt gegeven.
In welke mate gebeurt dit?
Er is geen landelijk overzicht van de precieze wijze waarop alle leraren hun lessen inrichten. In essentie is dit de professionele verantwoordelijkheid van leraren waar de overheid geen bemoeienis mee heeft. Een vorig jaar in opdracht van Elsevier uitgevoerde enquête onder 339 docenten in vmbo, havo en vwo geeft evenwel een indicatie van de mate waarin leraren kennelijk aanleiding zien hun onderwijs in te richten zoals in het artikel wordt beschreven. Uit deze enquête kwam naar voren dat één op de vijf ondervraagde geschiedenisdocenten in de vier grote steden «weleens heeft meegemaakt» dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake kon brengen, omdat vooral islamitische leerlingen er moeite mee zouden hebben2.
Uit de observatie dat één op de vijf geschiedenisleraren dit «weleens heeft meegemaakt» kan overigens niet geconcludeerd worden dat het structureel en in algemene zin in het Nederlandse onderwijs moeilijk of zelfs onmogelijk is om de Holocaust in het onderwijs te bespreken, laat staan dat geschiedenisdocenten het onderwerp niet behandelen. Voor verreweg de meeste leraren op de meeste scholen is het evident dat de verschrikkingen van de Holocaust in de klas, bijvoorbeeld in het geschiedenisonderwijs, ter sprake worden gebracht. Waar het door onaangepast gedrag van leerlingen wél tot problemen zou leiden, verdienen leraren en scholen alle maatschappelijke en politieke steun om álle leerlingen te onderwijzen over deze zware thematiek.
Deelt u de mening dat de Shoah, de moord op zes miljoen Joden, volstrekt uniek is in de geschiedenis en dat het onderwijs hierover dus niet dient te worden vermengd met andere gebeurtenissen?
De Shoah is volstrekt uniek in de geschiedenis, het is een cruciale zwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis. Van leraren geschiedenis mag verwacht worden dat zij zich bewust zijn van deze uniciteit en dat zij hiervan bij de uitwerking van hun lessen ook uitgaan. De manier waarop leraren hun onderwijs inrichten is hun eigen professionele verantwoordelijkheid, de overheid heeft hier geen bemoeienis mee.
Het bericht dat de onderzoeksraad snel meer veiligheidsmaatregelen op het spoor wil |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «onderzoeksraad acht maatregelen op spoor nodig»?1
Ja.
Deelt u de conclusies van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat er snel maatregelen nodig zijn om het spoor veiliger te maken? Zo nee, waarom niet?
Op de door de Onderzoeksraad voor Veiligheid aan mij gerichte aanbevelingen zal ik binnen de daarvoor vastgestelde termijn reageren. Zoals bekend bedraagt de reactie termijn voor bestuursorganen op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad zes maanden (Vide artikel 56 Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid).
Voorts ben ik van oordeel dat de staat van de veiligheid van het Nederlandse spoor goed is, (zie hiervoor ook het rapport Trendanalyse 2009, Trends in de veiligheid van het spoorwegsysteem in Nederland, Kamerstuk 29 893, nr.104).
Mijn beleid is het huidige hoge veiligheidsniveau duurzaam te bestendigen door te streven naar permanente verbetering van de veiligheid van het railvervoer. De STS-aanpak is een van de speerpunten. Dit is verwoord in de Derde Kadernota Rail Veiligheid die op 28 juni 2010 naar de Tweede Kamer is gezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 893, nr. 106).
Kunt u aangeven, gelet op het advies om snel maatregelen te nemen, op welke termijn u van plan bent dat te zullen doen? Om welke maatregelen gaat het dan?
In de onder 2 genoemde brief heb ik aangegeven dat absolute veiligheid niet bestaat en dat het niet realistisch is te verwachten dat er nooit incidenten of ongevallen zullen plaatsvinden. Van belang is veiligheidsrisico’s zo goed mogelijk in kaart te brengen en de juiste maatregelen te treffen om deze risico’s te beheersen.
In mijn recente brief van 14 januari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 29 893, nr. 118) heb ik een aantal maatregelen beschreven, die door de spoorsector worden genomen om te voorkomen dat treinen een rood sein passeren. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze brief.
Deelt u de conclusie dat de spoorbedrijven ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dat Prorail hierin dan het voortouw moet nemen?
Ik deel de conclusie dat de spoorbedrijven ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. In de brief van 28 juni 2010 van mijn ambtsvoorganger (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 893, nr.103 ) is aangegeven welke extra maatregelen naast de implementatie van ATB-Vv genomen worden om het aantal STS-passages en de daaraan verbonden risico’s terug te dringen. Mede naar aanleiding van het treinincident in Barendrecht op 24 september 2009 heeft de spoorbranche in aanvulling daarop een aantal verbetermaatregelen op het gebied van de railveiligheid genomen. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 14 januari 2011 (Kamerstuk 29 893, nr. 118). Op dit moment heeft ProRail als voorzitter van de Stuurgroep aanpak STS-problematiek hierin al het voortouw.
Kunt u deze vragen, gezien de urgentie van de aanbevelingen van het rapport, binnen vijf werkdagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat misdrijven niet kunnen worden opgelost door computerfalen |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat door problemen met het BVH-computersysteem de politie Zuid-Holland-Zuid vele honderden misdrijven niet heeft kunnen oplossen?1
Ja.
Klopt het bericht dat dit systeem cruciale informatie over mogelijke verdachten is kwijt geraakt? Zo ja, heeft dit zich ook in andere politieregio’s voor gedaan?
BVH-gebruikers in de regio Zuid-Holland-Zuid en een aantal andere regio’s hebben gekampt met storingen. Er zijn geen cruciale gegevens kwijt geraakt, omdat de BVH wordt ondersteund door een apart systeem waarin gegevens worden opgeslagen. Bij storingen kunnen gegevens worden teruggeplaatst. Hoewel dit tot ongemak kan leiden voor BVH-gebruikers, gaan er geen gegevens verloren.
Indien deze informatie klopt, kunt u aangeven om hoeveel verdachten het bij benadering zou gaan? Is deze informatie nog terug te halen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe denkt u de problemen met het BVH en het BVO-systeem op korte en lange termijn op te lossen?
De maatregelen op korte termijn zijn gericht op het verbeteren van de gebruiksvriendelijkheid en betrouwbaarheid van de basisvoorzieningen. Zie ook mijn brief aan uw Kamer (Tweede Kamer, 2010–2011, 32 500 VII, nummer 6). Op langere termijn zullen beide systemen worden verbeterd en/of vernieuwd. De mogelijke scenario’s worden thans onderzocht. In de uitwerking van een zeer gedegen aanpak voor de verbetering en/of vernieuwing moeten de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer worden meegenomen. De Algemene Rekenkamer zal naar verwachting voor de zomer haar rapport over de basisvoorzieningen afronden.
Het rapport 'Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet' |
|
Arjan El Fassed (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen in het rapport «Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet» van de Campagne tegen Wapenhandel»?1
Ja.
Klopt het dat ongeveer 98 procent van de aangemelde doorvoer zonder controle door mag, omdat de oorsprong of bestemming van de strategische goederen een EU of NAVO-land is?
Nee. Er is in beginsel controle op alle doorvoer van militaire goederen, tenzij het om verplaatsingen van het eigen materieel van de NAVO-partners gaat. Voor handelstransacties via Nederlands grondgebied geldt altijd een vergunningplicht of een meldplicht. Een meldplicht is van toepassing als er sprake is van een doorvoer van of naar een bondgenoot, te weten andere EU-lidstaten, NAVO-partners of Zwitserland, Australië, Nieuw-Zeeland of Japan, en een vergunningplicht is van toepassing in alle andere gevallen. Doorvoer naar bondgenoten wordt vervolgens doorgelaten als er geen aanwijzingen zijn dat de goederen naar een andere bestemming worden verscheept, en bij doorvoer vanuit bondgenoten wordt gekeken of de betreffende bondgenoot een uitvoervergunning heeft afgegeven voor de bestemming van de goederen. Als dat laatste het geval is, toetst Nederland die doorvoertransactie niet nog eens zelf, maar wordt de toetsing door de betreffende bondgenoot gerespecteerd. Wel is het zo dat in de praktijk de overgrote meerderheid van de doorvoertransacties onder een uitvoervergunning van een bondgenoot plaatsvindt en dat dus meer dan 90% van de doorvoer van militaire goederen niet aan een eigen Nederlandse toetsing wordt onderworpen.
Is het waar dat in de periode die beschreven wordt in het rapport, niet een keer een ad hoc vergunningsplicht is opgelegd? Zo nee, in welke geval, met welke type strategische goederen en voor welke bestemming en oorsprong was dat het geval?
Ja. De mogelijkheid om de ad hoc vergunningplicht op te leggen is bij het introduceren van de standaardvergunningplicht voor zendingen van niet-bondgenoten naar niet-bondgenoten in 2008 verbreed, om bij een doorvoerzending die afkomstig is van een bondgenoot in te kunnen grijpen als de exportcontrole van die bondgenoot ontlopen lijkt te worden. Dat kan het geval zijn als bij doorvoer blijkt dat er geen door de bondgenoot afgegeven uitvoervergunning getoond kan worden of als de bestemming van het uitgaande vervoersmiddel niet te rijmen is met de bestemming op zo’n uitvoervergunning. Dat heeft zich in de in het rapport beschreven periode niet voorgedaan.
Klopt het dat op 4 november 2008, in de Rotterdamse haven, een vracht van 20 000 Tjechische automatische geweren zijn aangemeld met bestemming Sri Lanka?
Ja.
Acht u de kans groot dat Nederland voor een zelfde vracht in dezelfde periode een exportvergunning zou hebben verleend? Kunt u dit toelichten?
Ik acht de kans niet groot, maar dit concrete geval heeft Nederland niet getoetst. Nederland was in die periode buitengewoon terughoudend in het toekennen van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka. Er was geen sprake van een wapenembargo. Derhalve werd elke aanvraag op eigen merites getoetst, onder andere met inachtneming van de eindgebruiker en het eindgebruik.
Waarom is gezien de situatie die wordt geschetst in uw antwoord op eerdere Kamervragen2 niet overwogen om contact op te nemen met de Tjechische autoriteiten of een ad hoc vergunningsplicht op te leggen, gezien de ernst van de interne situatie en het risico op schendingen van mensenrechten?
Bij doorvoerzendingen uit een andere EU-lidstaat, NAVO-partner of vergelijkbare bondgenoot, moet het bewijs worden geleverd dat de bondgenoot een vergunning heeft afgegeven. Als dat het geval is, wordt die uitvoervergunning gerespecteerd.
Indien de vergunning ontbreekt, of het vermoeden bestaat dat er een omleidingsrisico is en dat de goederen niet bij de vermelde eindgebruiker zullen terechtkomen, dan zal de Douane een melding doorgeven aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en zal aldaar in overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken besloten worden of een consultatie met de verschepende bondgenoot en/of een ad hoc vergunningplicht geboden is.
Is er in 2008, 2009 of 2010 contact geweest met de Tjechische autoriteiten over de doorvoer van wapens naar Sri Lanka? Zo ja, heeft u de Tjechische autoriteiten ofwel bilateraal ofwel in Europees verband aangesproken over deze doorvoer van wapens naar Sri Lanka?
Nee. Na 4 november 2008 heeft er ook geen doorvoer van militaire goederen vanuit Tsjechië naar Sri Lanka meer plaatsgevonden.
Hoe beoordeelt u «denials» voor exportvergunningen aan Suriname maar het gebrek aan beperkingen op doorvoer via Nederland naar Suriname? Kunt u dit toelichten?
In Nederland ligt het omleidingsrisico ten grondslag aan alle afgewezen exportvergunningen voor Suriname. De afgewezen aanvragen gaan immers altijd om de uitvoer van losse vuurwapens naar particulieren of naar wapenhandelaren in Suriname, waarbij Nederland kijkt naar de «bekendheid en goede naam» van de schietvereniging waar de betreffende ontvanger lid van is, of naar de «bekendheid en goede naam» van de betreffende handelaar. Als daar onduidelijkheid over bestaat, dan acht Nederland het omleidingsrisico te groot. Overigens komt het regelmatig voor dat informatie over de schietvereniging en/of de handelaar wel voldoet aan de Nederlandse eisen. Dan wordt er een vergunning afgeven, nadat een bewijs is ontvangen dat de Surinaamse autoriteiten geen bezwaar hebben tegen de invoer van het betreffende wapen.
In het geval van doorvoer naar Suriname geldt, zoals in alle doorvoergevallen, dat Nederland erop vertrouwt dat bondgenoten een volledige toetsing uitvoeren. Nederland wenst deze toetsing niet over te doen. Hierbij wordt benadrukt dat het omleidingsrisico een toetsingsgrond is voor al onze bondgenoten. Is het land van herkomst geen bondgenoot, dan geldt een Nederlandse vergunningplicht en toetst Nederland zelf.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen een «denial» voor wapendoorvoer naar Ecuador van Servië en het gebrek aan beperkingen voor Tjechische doorvoer naar Ecuador? Kunt u dit toelichten?
Servië is geen bondgenoot van Nederland en heeft zich – ondanks het Servische alignment met Gemeenschappelijk Standpunt – niet gecommitteerd aan de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Derhalve is bij doorvoer van militaire goederen vanuit Servië door Nederland sprake van een vergunningplicht van de Nederlandse autoriteiten. Als EU-lidstaat is Tsjechië juridisch gebonden aan de onvoorwaardelijke toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (in december 2008 aangenomen en voorheen een EU Gedragscode).
De berichten dat een Nederlands bedrijf dat gesteund wordt door de overheid betrokken is bij 'slavernij' |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een Nederlands bedrijf is betrokken bij «slavernij» in Argentinië?1
De beschuldiging in de media van betrokkenheid bij «slavernij» is een ernstige aanklacht tegen een Nederlands bedrijf, welke tot op heden niet is onderbouwd door een formele aanklacht. De berichten over «slavernij» kwamen juist op het moment dat het debat tussen de Argentijnse regering en de verenigde landbouworganisaties over interventies in de tarwe- en maïshandel een hoogtepunt bereikte. Aan het begin van dit verkiezingsjaar is de Argentijnse regering door de recente berichten in staat geweest de arbeidsomstandigheden als een nieuw thema te agenderen en in de betrekkingen op te voeren. De in de media gebruikte termen als «slavernij», «mensenhandel» en «concentratiekampen» zijn afkomstig van de Argentijnse krant Página/12. Ik beschik niet over informatie die erop wijst dat deze omstandigheden aan de orde zouden zijn bij dit bedrijf.
De berichten vormden evenwel aanleiding voor mijn ministerie om in gesprek te gaan met het bedrijf. Het bedrijf werpt de beschuldigingen verre van zich en onderbouwt deze ontkenning met uitgebreide documentatie2; hieruit komt naar voren dat het bedrijf de lokale wetgeving naleeft en procedures toepast om adequate arbeidsomstandigheden bij de rurale seizoensarbeid te bewerkstelligen. De wet regelt tot in detail de verschillende aspecten van seizoensarbeid. Het bedrijf geeft aan dat het betere arbeidsvoorwaarden hanteert dan in de sector gebruikelijk is. Wat betreft beschuldigingen over werkomstandigheden, zoals overtredingen van de Hygiëne Code, kan ik geen oordeel geven. Mocht er op dit punt een overtreding zijn begaan, dan zal die resulteren in een administratieve sanctie.
Wat is uw reactie op het bericht dat dit bedrijf zich hieraan schuldig maakt, terwijl het een «lening» kreeg van de overheid via de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die onderdeel is van de instrumenten waarmee de Nederlandse overheid Nederlandse bedrijven die in het buitenland zaken doen, ondersteunt?2
Voorwaarde voor het verstrekken van een lening door de FMO aan een bedrijf in een ontwikkelingsland is dat de klant van de FMO aan bepaalde sociale en milieucriteria voldoet, dan wel bereid is daaraan te voldoen. In dit geval heeft het Argentijnse dochterbedrijf dat de lening heeft ontvangen zich bereid verklaard aan deze sociale en milieucriteria te voldoen4. De FMO houdt toezicht op de uitvoering. De FMO heeft, naar aanleiding van de berichten in de pers, een nieuw onderzoek laten uitvoeren door een onafhankelijke consultant. Het rapport van dit onderzoek is naar verwachting medio maart 2011 beschikbaar.
Voor de volledigheid merk ik op dat de betreffende lening aan de Argentijnse dochteronderneming geen directe lening van de overheid betreft. De staat bezit 51 procent van de aandelen in de FMO. De FMO steunt bedrijven in ontwikkelingslanden door middel van leningen, participaties, garanties en andere investeringen.
Hoe strookt de betrokkenheid bij «slavernij» van dit bedrijf met de verwachting van de Nederlandse regering dat bedrijven de invloed die zij hebben op de bedrijfsvoering van henzelf en hun partners in de keten in het buitenland ruimhartig aanwenden om Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) zoveel mogelijk in de praktijk te brengen?
Wat betreft betrokkenheid bij «slavernij» verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Met het Nederlandse moederbedrijf is gesproken over de manier waarop hun MVO-beleid is vormgegeven, ook richting de Argentijnse dochteronderneming. Het bedrijf heeft aangegeven geschrokken te zijn van de beschuldigingen en dat deze hard zijn aangekomen bij zowel het management als de werknemers. De directie heeft laten weten sociale verantwoordelijkheid, integriteit en goede zorg voor de werknemers van groot belang te achten, en dat het bedrijf hiertoe zorgvuldige procedures hanteert, zoals ook blijkt uit de documentatie. Een geformaliseerd MVO-beleid, opgesteld in overleg met de stakeholders, ontbreekt nog bij het Nederlandse moederbedrijf. De directie heeft aangekondigd dit op te stellen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de informatie en instrumenten die beschikbaar zijn bij o.a. MVO Nederland.
Heeft dit bedrijf in het kader van de ontvangen overheidssteun, of in het kader van andere overheidssteun, een MVO-verklaring ondertekent? Zo ja, welke gevolgen zal het schenden van de MVO-verklaring hebben?
Ja, het bedrijf heeft een MVO-verklaring ondertekend voor een project in Rusland uitgevoerd in 2001–2002 onder het toenmalige PSO-programma. Er is geen direct verband tussen de beschuldigingen in de media en de in 2001 ondertekende MVO-verklaring. Deze MVO-verklaring is niet van toepassing op de lening van de FMO aan het Argentijnse dochterbedrijf uit 2010. Het bedrijf heeft voor zover bekend geen andere MVO-verklaringen ondertekend.
Bent u bijvoorbeeld bereid om de steun in te trekken en reeds verleende steun terug te vragen?
Indien sprak is van grove schending van contractuele afspraken, dan kan de FMO zijn investering terug trekken. Dit is contractueel vastgelegd.
Bent u bereid om het bedrijf een stevige boete op te leggen, conform de strekking van de motie Gesthuizen,3 alsmede het standpunt van het voormalig Kabinet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u verder bereid om actiever toe te zien op de naleving van de MVO-verklaring door bedrijven die deze hebben ondertekend?
Nee, ik zie geen directe aanleiding om mijn beleid op dit punt te veranderen. Eind 2007 is door het onafhankelijke onderzoeksbureau Berenschot een evaluatieonderzoek gedaan naar MVO in het financieel buitenlandinstrumentarium. Uit het onderzoek komt naar voren dat het MVO-toetsingskader, dat bestaat uit de inspanningsverklaring ten aanzien van de OESO-richtlijnen en concrete toegangseisen op terrein van milieu en sociaal, voldoende waarborg vormt voor het MVO-niveau bij de aanvragers6.
De herkeuringen voor mensen met een SW-indicatie |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Handhaaft u de zin in het regeerakkoord: «Huidige WSW-ers worden niet herkeurd en kunnen gewoon op hun WSW-werkplaats blijven werken»?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De genoemde tekst uit het regeerakkoord betekent dat de huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw niet verandert voor de groep mensen die op dit moment een Wsw-indicatie heeft, en op grond daarvan een dienstbetrekking heeft. Met deze afspraak wordt ook geborgd dat beschut werken mogelijk blijft voor mensen die alleen daartoe in staat zijn.
Bent u ermee bekend dat de herkeuringen voor WSW-ers gewoon doorgang vinden?2 Hoe verhoudt deze brief zich tot de tekst in het regeerakkoord? Kunt u dit toelichten?
De huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw houdt ook in, dat een deel van de mensen die beschikken over een Wsw-indicatie periodiek herkeurd worden. Op grond daarvan is het logisch dat de herkeuringen voor deze groep SW-ers gewoon doorgang vinden.
Gaat u de herkeuringen voor de huidige SW-geïndiceerden afschaffen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, moeten de SW-geïndiceerden die worden herkeurd gaan voldoen aan de nieuwe herkeuringseisen (die de instroom moeten gaan beperken)?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven ben ik, gelet op de afspraak uit het regeerakkoord, niet van plan de huidige systematiek van rechten en plichten uit de Wsw voor mensen die op dit moment een dienstbetrekking op grond van de Wsw hebben te wijzigen.
'De Tbs-paradox' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De paradox van tbs»? Het gaat bijna altijd goed, maar het imago is slecht»?12 Hoe beoordeelt u de werking van het tbs-systeem? Wat vindt u van het imago van tbs? Vindt u het terecht dat tbs een tamelijk slecht imago heeft?
Ik heb kennis genomen van het artikel. Voor die veroordeelden die lijden aan een stoornis van de geestvermogens is de tbs-maatregel een belangrijk instrument binnen het sanctiearsenaal. Belangrijker dan de vraag naar het imago van de tbs acht ik de vraag hoe het tbs-stelsel verder kan worden verbeterd. Over de mogelijkheden daartoe zal ik uw Kamer op korte termijn een beleidsbrief doen toekomen.
Klopt de gang van zaken, zoals beschreven in het artikel? Hoe is het mogelijk dat de behandelaar ter zitting mondeling kwam toelichten dat het risico op recidive miniem was en derhalve onvoorwaardelijk ontslag voor een tbs’er adviseerde, maar dit niet mocht opschrijven omdat dit de directeur in conflict met u zou brengen?
Nee, dit klopt niet. Ten behoeve van het verlengen van een tbs-maatregel moet een advies afkomstig van het hoofd van de inrichting aan de rechter worden overlegd. Dit advies komt tot stand op basis van een bespreking van het hoofd van de inrichting met verschillende disciplines, waaronder de psychiatrie. Ter zitting kan het advies door de inrichting worden toegelicht. Alleen uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld zeer recente ontwikkelingen, kunnen een grond zijn om ter zitting een wijziging in het advies aan te brengen.
Hoe beoordeelt u het verwijt dat het intrekken van de verlofmachtiging in deze zaak een politieke beslissing is geweest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken mij niet in de beschreven gang van zaken. Er is geen sprake van het intrekken van een verlofmachtiging, maar van het niet verlenen van een machtiging tot onbegeleid verlof. In deze beslissing is de afweging of het verlenen van deze machtiging tot onbegeleid verlof de veiligheid van de samenleving in het geding brengt, leidend geweest.
Is het waar dat het aantal onbegeleide verloven met 70 procent is gedaald? Kunt u een overzicht geven met het aantal onbegeleide verloven over de afgelopen jaren, waarin ook de periode voor de tijdelijke commissie onderzoek tbs is meegenomen? Wat is uw reactie op het verwijt dat de andere kant is dat je mensen binnenhoudt die best al naar buiten hadden gekund?
Vanaf 2003 daalde het aantal nieuw gestarte onbegeleide verloven van ongeveer 290 naar een dieptepunt van ongeveer 110 in 2006. Sindsdien groeit het aantal nieuwe machtigingen voor onbegeleid verlof jaarlijks. In 2010 startten er ruim 210 nieuwe onbegeleide verloven. Het is niet uit te sluiten dat in sommige gevallen verlof later wordt verleend dan mogelijk zou zijn geweest. Ik meen dat ten deze de veiligheid van de maatschappij prevaleert.
Met betrekking tot het al dan niet onnodig binnenhouden van tbs-gestelden merk ik het volgende op. Met het verlofbeleid wordt beoogd dat de fpc’s niet langer dan noodzakelijk wachten met het indienen van de aanvraag voor de verschillende verlofmodaliteiten. Ook wil ik dat het moment van aanvragen tussen de verschillende fpc’s meer vergelijkbaar wordt. Op deze wijze kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk op passend niveau worden behandeld, volgens het adagium «zo laag als kan, zo hoog als moet». Dit heb ik nader toegelicht in de beleidsbrief die ik 17 februari jl. aan uw Kamer heb doen toekomen.
Wat is uw reactie op de opmerking van de psycholoog is dat de huidige lengte van een verlofaanvraag van 25 pagina’s wel overdreven is en verantwoord kan worden teruggedrongen?
Het aanvragen van verlof kent een vast format. De lengte van de verlofaanvragen is echter een aandachtspunt. Omdat er grote verschillen zijn in de wijze van opmaak en de lengte van de verlofaanvragen is er in mei 2010 een werkconferentie voor de FPC’s georganiseerd door de Directie Forensische Zorg in samenwerking met het AVt. Als vervolg hierop zal worden gekeken naar een efficiëntere wijze van invulling van het vaste format.
Deelt u de vrees dat door alle politieke druk het gebrek aan professionele autonomie en de angstcultuur in de tbs-sector veel goede psychiaters, psychotherapeuten en andere medewerkers het voor gezien houden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze denkt u dat te gaan voorkomen?
Uw vrees deel ik niet. Er is een tekort aan psychiaters in het algemeen en specifiek aan forensische psychiaters. Ik zie geen verband met de genoemde beweringen. Ook heb ik niet de indruk dat er een gebrek aan professionele autonomie of een angstcultuur is.
Is het wel eens voorgekomen dat medewerkers van penitentiaire inrichtingen en tbs-klinieken die hebben gesproken met journalisten, sancties opgelegd hebben gekregen? Zo ja, hoe vaak? Om welke sancties ging het in deze gevallen?
Als rijksambtenaren een disciplinaire maatregel opgelegd krijgen, geschiedt dat door de directeur van de betreffende inrichting, op basis van de daartoe geldende regels in het ARAR. Hiervan wordt geen centrale registratie gedaan.
Is het waar dat één van de in het artikel genoemde tbs’ers vanwege zijn medewerking aan dit artikel op dit moment in de separeercel zit? Zo nee, waarom dan wel? Zo ja, waarom is hier toe besloten?
Nee. Het hoofd van de inrichting is bevoegd vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, onder andere voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.Medewerking verlenen aan een artikel is geen grond om een patiënt in afzondering te plaatsen.
Een reddingsplan voor de huizenmarkt |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tijd voor een reddingsplan huizenmarkt»?1
Ja.
Steunt u de oproep van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), om te komen tot een reddingsplan van de huizenmarkt?
De betrokkenheid van veel partijen bij de woningmarkt is een goede zaak. Eerder is met uw Kamer besproken dat er op korte termijn een ronde tafel zou zijn met de belangrijkste partijen op de woningmarkt in het kader van de Woonvisie, die op dit moment wordt opgesteld. Alle partijen zouden daarbij hun visie geven op de maatschappelijke opgaven in het woondomein én wat hun eigen actieve rol daarbij kan zijn. Dit levert een belangrijke bijdrage aan de Woonvisie van het kabinet. Op 9 februari is er op mijn initiatief een eerste gesprek met partijen geweest.
Bent u bereid om initiatief te nemen of te participeren in een dergelijk overleg met als doel alle belangengroepen tot overeenstemming te krijgen en een nationaal woningakkoord te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het eens met de stelling van de voorzitter van de NVM dat «de huidige overheidsfinanciering in de woningmarkt eigenlijk een auto is, die is afgereden»? Zo nee, waarom niet?
Uit het artikel waarnaar u verwijst, kan worden opgemaakt dat de heer Hukker hier doelt op de hypotheekrenteaftrek. Ik ben het niet met deze stelling eens. De hypotheekrenteaftrek is een belangrijke voorwaarde om het vertrouwen in de woning(bouw)markt te laten terugkeren. Zekerheid op dit punt is cruciaal voor het herstel uit de crisis.
Bent u het met de voorzitter van de NVM eens dat er te veel overheidssubsidies en belastingen zijn die een gezonde doorstroming op de woningmarkt belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Het is zaak dat de doorstroming op de woningmarkt wordt verbeterd. Om de doorstroming, die als gevolg van de economische crisis is teruggevallen, weer op gang te krijgen is het van belang het vertrouwen in de woning(bouw)markt te laten terugkeren. Daarvoor is de hypotheekrenteaftrek van groot belang. Tegelijkertijd neemt het kabinet verschillende stappen in het woningmarktbeleid om tot een vrijere woningmarkt te komen en de doorstroming structureel te bevorderen.
Herkent u het beeld dat de voorzitter van de NVM schetst dat veel mensen al meerdere jaren een hypotheek van twee ton euro hypotheek zonder betalingsproblemen kunnen afbetalen, maar dat door de nieuwe regels niet meer mogen lenen dan 190 000 euro? Wat is uw standpunt erover?
Het kabinet is eerder ingegaan op de aanpassing van de NHG-regels in antwoord op de vragen van de leden Monasch en Plasterk over het effect van de aanscherping van de Nationale Hypotheek Garantie op starters (TK 2010–2011, aanhangselnr. 1138) en op de vragen van het lid Ortega-Martijn over de positie van starters op de woningmarkt (TK 2010–2011, aanhangselnr. 745). Hetzelfde geldt voor de vragen over de aanpassing van het toetskader hypothecaire kredietverlening, waarbij verwezen kan worden naar de brieven d.d. 29 november 2011 van de Minister van Financiën aan uw Kamer (TK 2010–2011, 29 507, nr. 94) en aan de Nederlandse Vereniging van Banken (TK 2010–2011, bijlage bij 29 507, nr. 94). Overigens zijn in de voorstellen voor aanscherping van het toetskader uitzonderingen gemaakt voor het oversluiten van bestaande hypotheken.
Het Europees Arrestatie Bevel en overlevering van een Nederlander aan Polen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kent u de zaak van de heer D., die overgeleverd dreigt te worden aan Polen?1
Ja.
Welke mogelijkheden hebben Nederlanders om zich in Nederland te verdedigen tegen beschuldigingen uit andere EU-lidstaten? In hoeverre wordt door de Nederlandse rechter getoetst of het verzoek een Nederlander over te leveren al dan niet terecht is gedaan, bijvoorbeeld of er een begin is van bewijs en of het niet gaat om verjaarde feiten?
Iemand die wordt beschuldigd van een strafbaar feit zal zijn verdediging moeten voeren tegenover de autoriteiten die de beschuldiging uiten of die daartoe zijn aangewezen. Dat geldt ook wanneer in een andere EU-lidstaat tegen een Nederlander een beschuldiging wordt geuit. Een Nederlander die in het buitenland wordt verdacht van een strafbaar feit kan ook vanuit Nederland contact opnemen met de buitenlandse justitiële autoriteiten om te bezien hoe zijn zaak wordt afgehandeld.
Bij een EAB bepaalt de uitvaardigende autoriteit of er voldoende bewijs is om een EAB uit te vaardigen. Een overleveringsprocedure is geen strafproces en daarom ziet de toetsing door de overleveringsrechter niet op het bewijs. Wel wordt in sommige gevallen bezien of de feiten verjaard zijn. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak van de heer Disselkoen blijkt, dat de kwestie van de verjaring uitvoerig is behandeld en dat de overlevering gedeeltelijk is geweigerd op grond van de verjaring.
Waarom kunnen medische redenen geen rol spelen in overleveringszaken? Deelt u de mening dat wel degelijk gekeken moet kunnen worden naar de gezondheidstoestand bij de beoordeling van de vraag of iemand overgeleverd kan worden?
Bij de parlementaire behandeling van de Overleveringswet is aan de orde geweest welke rol medische omstandigheden van betrokkene een rol kunnen spelen bij de overlevering. Ik verwijs naar Kamerstukken II, 2002–2003, 29 042, nr. 3, blz. 26 en 27. Kort samengevat houdt de wettelijke regeling in, dat bij de uitvoering van een beslissing tot overlevering, de zogeheten feitelijke overlevering, de overlevering kan worden uitgesteld om gezondheidsredenen van de opgeëiste persoon. Ingevolge de wet is dat uitstel beperkt tot de situatie waarin het gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene niet verantwoord is om te reizen.
Is het de rechter op grond van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel toegestaan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren indien dit bevel is uitgevaardigd in strijd met het evenredigheidsbeginsel? Zo nee, bent u bereid zich hier in Europees verband voor in te spannen dat dit wel wordt toegestaan? Zo ja, mogen daarbij ook de omstandigheden van het geval worden betrokken, zoals de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (bijvoorbeeld gezondheid, gezinssituatie, leeftijd) en de omstandigheid dat de verzoekende autoriteit andere wegen openstaan om haar doel te bereiken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kaderbesluit en dus de Overleveringswet bevatten geen grond op basis waarvan de overlevering wegens het ontbreken van de evenredigheid kan worden geweigerd. Uit het antwoord op de kamervragen van het lid Van der Steur (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1259), waarnaar ik verwijs, blijkt dat er tussen Nederlandse en Poolse justitiële autoriteiten overleg is gevoerd over de toepassing van het EAB.
De gezinssituatie en leeftijd van de opgeëiste persoon zijn omstandigheden die vóór de invoering van het EAB werden bezien bij de beoordeling van de vraag of de uitlevering niet van bijzondere hardheid was voor betrokkene. Echter, over de toepassing van de zogeheten hardheidsclausule is tijdens de onderhandelingen over het EAB uitvoerig gesproken met als uitkomst dat deze weigeringsgrond niet kan worden toegepast.
Deelt u, gelet op voorbeelden uit het verleden, de zorgen over de omstandigheden in Polen met betrekking tot de detentieomstandigheden, de medische zorg in detentie, de mogelijk lange duur van het voorarrest, de beschikbaarheid van tolken en toegang tot advocaten? Bent u bereid uw zorgen hieromtrent over te brengen aan uw Poolse ambtgenoot? Zo nee, waarom niet?
Het Poolse recht kent de vrijlating op borgtocht en de schorsing van de voorlopige hechtenis. Beide vormen van (voorlopige) vrijlating zijn door de Poolse justitiële autoriteiten ook ten aanzien van de heer Disselkoen toegepast.
De procedurele rechten van verdachten, waarop vragenstelster doelt, staan op de agenda van de Europese Unie. In 2009 kwam het kaderbesluit betreffende toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis tot stand dat in 2012 moet zijn ingevoerd. Die regeling bevat de mogelijkheid om de voorlopige hechtenis in de ene lidstaat te schorsen en het toezicht op de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de EU lidstaat waar hij woont. Verder noem ik de richtlijn over tolken en vertaling en de lopende onderhandelingen over het recht op informatie. In de tweede helft van dit jaar komt de commissie naar verwachting met een richtlijn over rechtsbijstand. Hieruit blijkt dat versterking van de rechten van de verdachte Uniebreed en dus ook door Polen wordt gedragen. Ik zie tegen die achtergrond geen aanleiding om naast het overleg dat met Poolse justitiële autoriten wordt gevoerd over de toepassing van het EAB, overleg te voeren met mijn Poolse ambtgenoot.
Wat houdt de toezegging door de Poolse autoriteiten dat zij de heer D. voldoende zorg kunnen bieden1 precies in?
In het kader van de voorbereiding van de feitelijke overlevering van de heer Disselkoen heeft het parket Amsterdam, in verband met de medische klachten van betrokkene, bij de Poolse justitiële autoriteiten navraag gedaan over de mogelijkheid van medische verzorging na de overlevering. Dit is onder de gegeven omstandigheden een gebruikelijke gang van zaken. De Poolse autoriteiten hebben laten weten dat hij tijdens zijn detentie recht heeft op medische bijstand, waarbij zo nodig ook artsen van buiten de penitentiaire inrichting kunnen worden betrokken.
Kunt u zich de zorgen van de heer D. over de mogelijk zeer lange duur van het voorarrest in Polen voorstellen, ook gelet op bekende voorbeelden uit het verleden? Wat is de gemiddelde duur van het voorarrest in Polen?
Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam blijkt, dat de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting in het verleden al is begonnen in aanwezigheid van de heer Disselkoen, maar vervolgens is geschorst. Daarna hebben de Poolse autoriteiten zijn zaak opnieuw op de zitting gebracht, waarbij betrokkene niet is verschenen. Dat was de reden voor de uitvaardiging van het EAB. Hieruit mag worden afgeleid, dat na overlevering van betrokkene zijn proces zal worden voortgezet en dat er niet eerst nog onderzoek moet plaatsvinden. Uit het EAB blijkt dat hij in Polen kan verzoeken de voorlopige hechtenis te schorsen. Gegevens over de gemiddelde duur van voorarrest in Polen zijn niet beschikbaar.
Welke garanties heeft de Nederlandse overheid geëist ten aanzien van de duur van het voorarrest? Welke overige voorwaarden en waarborgen zijn er door Nederland van Polen geëist, bijvoorbeeld ten aanzien van detentieomstandigheden en zorgvuldigheid van het strafproces?
Geen. Wel is aandacht gevraagd voor de gezondheidstoestand van betrokkene, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 6.
Op welke wijze gaat u toezien op een eerlijk strafproces in Polen? Welke ondersteuning vanuit Nederland kan deze meneer verwachten?
Ik moet ervan uitgaan dat een strafproces in een EU-lidstaat eerlijk verloopt. Wat betreft ondersteuning van Nederlandse zijde, kan de Nederlandse ambassade betrokkene, mits hij dat wenst, consulaire bijstand verlenen.
Zijn alternatieven voor overlevering verkend tussen Nederland en Polen voor dit concrete geval, zoals de mogelijkheid van videoverhoor, of de afspraak dat betrokkene niet in voorarrest wordt geplaatst en wel beschikbaar zal zijn voor verhoor en strafproces? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te bespreken met de Poolse autoriteiten?
Neen. Het is aan de justitiële autoriteiten die de strafzaak behandelen om te bepalen op welke wijze zij een persoon voor de rechter brengen. Uit de antwoorden op de voorgaande vragen blijkt dat de zaak van de heer Disselkoen al een lange voorgeschiedenis heeft. Betrokkene had, nadat hij niet voldeed aan de afspraak om terug te keren naar Polen, ook zelf contact op kunnen nemen met de Poolse autoriteiten om te bezien of er alternatieve mogelijkheden waren om zijn zaak tot een einde te brengen.
Bent u bereid er voor te zorgen dat de overlevering wordt uitgesteld, in ieder geval tot deze Kamervragen zijn beantwoord? Zo nee, waarom niet?
Betrokkene heeft zich zoals bekend helaas niet gemeld met het oog op zijn overlevering. Hij zal worden aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van de overleveringsbeslissing en vervolgens worden overgeleverd.
Het bericht dat Nederlanders Belgische organen wegkapen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel Nederlanders het afgelopen jaar in België een Belgisch orgaan getransplanteerd hebben gekregen?
Eurotransplant registreert geen nationaliteit, maar registreert uit welk land donoren en ontvangers afkomstig zijn. De cijfers die Eurotransplant over 2010 beschikbaar heeft, zijn voorlopige cijfers, de mogelijkheid bestaat dus dat die nog veranderen.
In 2010 zijn 28 in Nederland woonachtige patiënten in Belgische centra getransplanteerd. 4 Keer werd een hart getransplanteerd, 12 keer een lever, 2 keer een nier in combinatie met een lever, 2 keer een long, 7 keer een nier en 1 keer een nier in combinatie met een pancreas.
Daartegenover staat dat in 2010 2 uit Nederland afkomstige personen in België donor zijn geworden, zij hebben 6 organen afgestaan. Er zijn geen uit België afkomstige personen in Nederland donor geworden.
Kunt u aangeven om welke organen het hierbij ging?
Zie antwoord vraag 1.
Wat was de reden dat deze Nederlandse patiënten in België deze organen getransplanteerd hebben gekregen?
In de Europese Unie kunnen patiënten op basis van vrij verkeersjurisprudentie medische zorg in een andere lidstaat gebruiken. De reden waarom deze uit Nederland afkomstige patiënten een orgaan getransplanteerd hebben gekregen in België is dat zij ervoor hebben gekozen om in België te worden behandeld. De keuze kan zijn ingegeven door het grotere aanbod aan organen in België, maar kan ook een geografische achtergrond hebben. Inwoners van de grensstreken richten zich vaak op voorzieningen die dichtbij zijn, ook wanneer die voorzieningen zich over de grens bevinden.
Waren deze organen ten tijde van de transplantatie niet in Nederland beschikbaar?
Dat is mij niet bekend, deze patiënten stonden in België op een wachtlijst. Of zij in Nederland, wanneer zij daar op een wachtlijst hadden gestaan, op hetzelfde moment getransplanteerd hadden kunnen worden hangt af van vele omstandigheden zoals de mate van urgentie, de plek op de wachtlijst en het specifieke aanbod van organen in Nederland op dat moment. Je kunt immers niet elk orgaan bij iedereen transplanteren, er moet wel sprake zijn van een match.
Stonden deze Nederlandse patiënten ook op een Nederlandse wachtlijst?
Nee, binnen Eurotransplant kun je maar in één land op de wachtlijst staan. Sta je in België op de wachtlijst, dan kun je niet ook in Nederland op de wachtlijst staan.
Daarnaast wil ik nogmaals aangeven dat de nationaliteit van de patiënten op de wachtlijst bij Eurotransplant niet bekend is, alleen waar de betreffende patiënt woont. Het zou dus ook nog zo kunnen zijn dat het in Nederland woonachtige Belgen betreft die in België op een wachtlijst stonden.
Hoeveel van de behandelde Nederlandse patiënten gebruikten ook andere Belgische zorg omdat zij in de grensstreek woonachtig zijn?
Van de 28 transplantaties die in 2010 bij uit Nederland afkomstige patiënten werden uitgevoerd zijn 17 transplantaties uitgevoerd bij personen die woonachtig zijn in de grensstreek met België en werden 11 transplantaties uitgevoerd bij personen die niet in de grensstreek wonen. Onder de grensstreek met België wordt verstaan: Zeeuws Vlaanderen, Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Noord-Brabant en Limburg onder de denkbeeldige lijn Roosendaal, Tilburg, Eindhoven en Weert. Volgens het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) zijn de lasten van grensoverschrijdende zorg in de afgelopen 5 kwartalen met 39,4 procent gestegen. Verzekerden kiezen, mede door de werelddekking van de Zvw, dus steeds vaker voor behandelingen in het buitenland. Inwoners van de grensstreken richten zich op medische voorzieningen in de buurt.
Kunt u aangeven of deze patiënten door Eurotransplant als Nederlanders of Belgen worden gerekend?
Eurtransplant «rekent» niet in nationaliteiten. De patiënten worden gerekend als patiënten van een Belgisch centrum op de Belgische wachtlijst.
Kunt u aangeven of er ook Belgische patiënten waren die op dat moment wachtten op een van deze beschikbare organen?
Het is wel aannemelijk dat er ook Belgisch patiënten waren die wachtten op een orgaantransplantatie. Of zij langer hebben moeten wachten en ook in aanmerking zouden zijn gekomen voor dat specifieke orgaan in plaats van een uit Nederland afkomstige patiënt hangt af van de mate van urgentie en de match tussen donor en ontvanger. De uit Nederland afkomstige ontvanger in het Belgische centrum was volgens allocatieregels van Eurotransplant op dat moment de meest geschikte patiënt in België voor het beschikbare orgaan.
Moeten Belgische patiënten langer wachten op een beschikbaar orgaan omdat Nederlandse patiënten in België een Belgisch orgaan hebben ontvangen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is uw reactie op de stelling van professor Vanhaecke dat door een aanpassing van de Nederlandse wet het aantal Nederlandse donoren meer in overeenstemming kan worden gebracht met het aantal Belgische donoren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de eerder door het lid Dijkstra gestelde vragen over het bericht dat het ADR-systeem leidt tot meer orgaandonoren (2010Z19392).
Was Nederland in het afgelopen jaar een nettodonateur van organen aan Eurotransplant? Zo ja, welke organen werden «geëxporteerd» en welke «geïmporteerd»?
Binnen Eurotransplant wordt er gestreefd naar een redelijk evenwicht tussen de deelnemende landen. In 2010 werden er door Nederland evenveel organen geïmporteerd als geëxporteerd.
Voert u gesprekken met Eurotransplant over het aantal Nederlanders dat organen uit het buitenland ontvangt en het aantal Nederlandse organen dat naar het buitenland wordt «geëxporteerd»? Zo ja, wat is de inhoud van deze gesprekken?
Eurotransplant verricht zijn werkzaamheden voor Nederland in opdracht van de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). De NTS is een zelfstandig bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de toewijzing van organen. Mijn invloed op en verantwoordelijkheid voor de NTS in haar hoedanigheid als ZBO beperkt zich tot het door de NTS gehanteerde systeem voor de toewijzing van organen. Wanneer zou blijken dat het door NTS gehanteerde systeem voor orgaanuitwisseling met andere landen niet goed zou functioneren zou dat voor mij reden zijn om daarover met NTS en Eurotransplant in overleg te treden. Daarvan is, zoals ook blijkt uit het antwoord op vraag 11, geen sprake.
Noch de NTS, noch Eurotransplant is een officieel adviesorgaan van mijn departement. De NTS maakt wel deel uit van de Coördinatiegroep Orgaandonatie en heeft in dat verband in 2008 geadviseerd om het ADR-systeem in te voeren. Mijn standpunt ten aanzien van invoering van het ADR-systeem gaf ik u reeds in stand van zakenbrief die ik u onlangs toezond en in de antwoorden op eerdere vragen van het lid Dijkstra over het bericht dat het ADR-systeem leidt tot meer orgaandonoren (2010Z19392).
Heeft Eurotransplant u geadviseerd over hoe er meer Nederlandse organen beschikbaar zouden kunnen komen? Zo ja, hoe luidde dit advies?
Zie antwoord vraag 12.
Het bizarre idee banen exclusief beschikbaar te stellen voor niet-westerse allochtonen |
|
Hero Brinkman (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «PvdA: geef migrant topbaan stadhuis»?1
Ja, ik ken het artikel dat overigens dateert van 7 januari 2010 en niet van 2011.
Deelt u de visie dat het exclusief beschikbaar stellen van hogere functies in het ambtelijk apparaat voor niet-westerse allochtonen volslagen idioot is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar de beantwoording van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, mede namens de minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op de vragen die de PVV een jaar geleden over ditzelfde artikel gesteld heeft (kenmerk 20100007662).
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om de mogelijke uitvoering van dit onzalige idee van de Amsterdamse collegepartijen PvdA en GroenLinks tegen te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit voornemen zich tot het regeerakkoord, waarin helder wordt gesteld dat er een einde wordt gemaakt aan het diversiteits/voorkeursbeleid o.a. op basis van etniciteit?
Zie antwoord vraag 2.