Inspectie van Nederlandse zeilschepen in Duitsland |
|
Sander de Rouwe (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Weet u dat Nederlandse zeezeilschepen veelvuldig in Duitsland worden gecontroleerd door de Wasserschutzpolizei en dat sommige schepen tot 6 maal toe in evenzoveel maanden zijn geïnspecteerd?
Dat is mij bekend.
Deelt u de opvatting dat de inspectie van buitenlandse zeeschepen een taak is die overeenkomstig de Havenstaatrichtlijn (2009/16/ec) uitgevoerd dient te worden en dat de controles van de Wasserschutzpolizei op het gebied van frequentie, verslaglegging en kennis van de inspecteurs op gespannen voet staan met deze richtlijn?
Ik deel de opvatting dat de inspectie van buitenlandse zeeschepen een taak is die primair overeenkomstig de Havenstaatrichtlijn (2009/16/ec) uitgevoerd dient te worden. Daarnaast kunnen controles op de naleving van de ISPS Code (International Ship and Port Facility Security Code) worden verricht door de lokale bevoegde autoriteit voor maritieme beveiliging, in plaats van door havenstaatcontrole inspecteurs. In Duitsland is de Wasserschutzpolizei de bevoegde autoriteit voor deze controles. Het is niet aan mij om te beoordelen of de praktische uitvoering van deze controles door de Wasserschutzpolizei op gespannen voet staat met Europese regelgeving, dat is aan de Europese Commissie.
Deelt u de opvatting dat de controle op de naleving door schepen van de internationale normen op het gebied van veiligheid en voorkoming van verontreiniging in de eerste plaats de taak van de vlaggenstaat is en dat geschillen tussen landen over de interpretatie van deze normen ook de vlaggestaat aangaan?
Een vlaggenstaat is primair verantwoordelijk voor de controle op de naleving van internationale normen op het gebied van veiligheid, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord1 van schepen onder haar vlag. Daarnaast bestaat het systeem van Havenstaatcontrole, als tweede verdedigingslinie tegen schepen die niet aan de normen voldoen. Het besluit om een schip al dan niet te inspecteren en aan te houden wordt genomen door de havenstaat. In de richtlijn Havenstaatcontrole is bepaald2 dat de vlaggenstaat in geval van aanhouding door de havenstaat in kennis dient te worden gesteld. Geschillen tussen landen over de interpretatie van internationale regelgeving kunnen in diverse gremia en bilateraal besproken worden. Zo heb ik tijdens de transportraad van 22 maart 2012 mijn Duitse ambtgenoot Ramsauer gesproken over deze kwestie (zie ook antwoord 6).
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse autoriteiten, in gesprek moeten gaan met haar Duitse counter part over de controles door de Wasserschutzpolizei?
Ja. In Nederland heeft eerst overleg plaatsgevonden met de branchevereniging BBZ. Deze heeft hierna als eerste contact opgenomen met de Duitse inspectiedienst die deze inspecties geïnitieerd heeft, de BSH (Bundesamt fur Seeschifffahrt und Hydrographie). Daarnaast is er vanuit de Inspectie en vanuit mijn maritieme beleidsdirectie meerdere keren contact geweest met de Duitse autoriteiten, tot nu toe zonder resultaat. Daarom heb ik besloten tot het sturen van een brief over deze kwestie aan mijn Duitse ambtgenoot. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de opvatting dat, in het licht van de inspanningen van de Europese Commissie om tot nieuwe wetgeving voor zeilschepen te komen en in het licht van de lopende infractieprocedure van de Europese Commissie tegen de Deense Staat over de interpretatie van internationale normen voor zeilschepen, de Nederlandse vlaggestaat bij de Duitse autoriteiten ten minste zou moeten aandringen op terughoudendheid?
Ja, en dat is ook gebeurd. Zie mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het de inzet zou moeten zijn om vόόr begin april, wanneer de schepen richting de Oostzee vertrekken, tot een verstandhouding te komen om te voorkomen dat de zeilschepen onnodig gehinderd worden?
Ja. Hiertoe heb ik een brief aan mijn Duitse collega Ramsauer gestuurd, waarin ik aandring op terughoudendheid en zijn medewerking vraag om te voorkomen dat bij de start van het nieuwe vaarseizoen eind maart, onnodige problemen ontstaan in Duitse havens. Deze lijn heb ik nogmaals onder zijn aandacht gebracht in een bilateraal gesprek tijdens de transportraad 22 maart jongstleden.
Het verbod van LGBTI (Lesbian, Gay, Transgender and Intersex) demonstraties in Moldavië |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over het verbod van LGBTI demonstraties in veel steden in Moldavië?1
Ja.
Bent u bereid om de Moldavische autoriteiten aan te spreken op het gegeven dat de Moldavische grondwet en andere wetten expliciet uitspraken doen over vrijheid van meningsuiting en vergadering en het recht op demonstratie? Indien nee, waarom niet?
Het is aan de Moldavische autoriteiten om maatregelen van locale autoriteiten te toetsen aan de Moldavische grondwet. Het verbod is in strijd met onder meer het non-discriminatieverbod zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en andere internationale mensenrechtenverdragen en -verplichtingen. Zowel in bilateraal als in EU-verband worden de Moldavische autoriteiten hierop aangesproken. Door de ambassadeurs van EU-landen in Chişinău is, mede namens de Nederlandse ambassadeur, een gezamenlijke verklaring uitgegeven waarin het verbod wordt veroordeeld.
Bent u eveneens bereid om Moldavische autoriteiten aan te sporen om de conceptwetgeving omtrent anti-discriminatie- die de autoriteiten onder druk van o.a. religieuze organisaties voor behandeling hebben uitgesteld- zo snel mogelijk weer in behandeling te nemen? Indien nee, waarom niet?
Zowel bilateraal – als in EU-verband wordt er bij de Moldavische autoriteiten herhaaldelijk op aangedrongen de anti-discriminatiewetgeving zo snel mogelijk weer in behandeling te nemen. Minister Iurie Leancă van Buitenlandse Zaken van Moldavië heeft op een persconferentie in Chişinău op 13 maart jl. toegezegd dat de anti-discriminatiewetgeving zal worden aangenomen, zonder hier een tijdslimiet aan te verbinden. Bij de eerstvolgende bijeenkomst van de jaarlijkse EU-Moldavië mensenrechtendialoog op 23 mei in Brussel zal de noodzaak van spoedige aanvaarding van anti-discriminatiewetgeving worden benadrukt. De Nederlandse Speciaal Vertegenwoordiger voor het Oostelijk Partnerschap brengt bij zijn bezoek aan Moldavië volgende maand eenzelfde boodschap over.
Wat bent u van plan te ondernemen om de Moldavische autoriteiten te wijzen op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten, nu zij zo duidelijk in strijd handelen met die verplichtingen? Bent u bereid zowel in bilaterale contacten, als via de Europese Unie de Moldavische autoriteiten hierop in heldere bewoordingen aan te spreken en de Kamer hier op korte termijn over te informeren? Indien nee, waarom niet?
In het kader van het VN-Universal Periodic Review (UPR)-mechanisme zijn bij het mensenrechten-landenexamen van Moldavië door onder meer Nederland vragen gesteld over discriminatie van seksuele minderheden. In reactie hierop hebben de Moldavische autoriteiten zich ondubbelzinning gecommitteerd aan aanvaarding van anti-discriminatiewetgeving en bescherming van de rechten van seksuele minderheden. De Moldavische delegatie gaf hierbij aan dat er in Moldavië behoefte is aan een brede maatschappelijke discussie over dit onderwerp, gezien de weerstand van vooral conservatieve en Russisch-orthodoxe zijde. Nederland steunt organisaties die opkomen voor de rechten van seksuele minderheden in Moldavië, onder meer in het kader van het Matra-programma en een regionaal programma voor HIV/AIDS-bestrijding in Oost-Europa, en door zichtbare deelname door de Nederlandse ambassade aan het Gay Pride-festival van 10–13 mei in Moldavië.
De verkoop van Holland Casino. |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kabinet doet Holland Casino in de verkoop»1 en herinnert u zich het bericht «Verkoop Holland Casino»; PvdA: «Entertainmentbedrijf geen taak overheid»?2
Ja.
Betekent het feit dat Holland Casino een staatsbedrijf is dat de verdere ontwikkeling naar een entertainmentbedrijf met onder andere een uitbreiding van theater- en horecafaciliteiten, wordt gehinderd? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot de regels ten aanzien van markt en overheid?
Holland Casino is een private onderneming die zelfstandig opereert. Door de pseudo-aandeelhouder wordt het behandeld als ware het een staatsdeelneming. Inzake het ontplooien van nevenactiviteiten hebben de toenmalige ministers van Financiën en van Justitie uw Kamer op 24 maart 2010 een brief3 gestuurd met hun reactie op het advies van de landsadvocaat. Graag verwijzen wij u hiernaar. De brief gaat vooral in op de vraag in welke mate vernieuwing van het casinoconcept mogelijk is zonder de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het monopolie voor speelcasino’s in gevaar te brengen. Volgens de landsadvocaat is het mogelijk de kwaliteit van het aanbod te verhogen en het aanbod aantrekkelijker te maken, zolang het speelaanbod en de hoeveelheid reclame daarvoor in zijn totaliteit niet wordt vergroot. Revitalisering van de bestaande casino’s zou niet op Europeesrechtelijke bezwaren stuiten, ook als in de bestaande casino’s meer dan voorheen plaats wordt ingeruimd voor horecafaciliteiten of als er een (klein) theater wordt ingericht.
Is het waar dat het kabinet momenteel werkt aan een voorstel tot privatisering van Holland Casino? Zo ja, wat is de stand van zaken van dat voorstel, op welke termijn is de verkoop mogelijk en had de Tweede Kamer eerder kennis van een dergelijk voorstel kunnen nemen? Zo nee, betekent dat dan dat u op dit moment op geen enkele manier overweegt Holland Casino te verkopen?
Eén van de uitgangspunten van de van de in maart vorig jaar aan uw Kamer verzonden Beleidsvisie Kansspelen4 is om de beleidsdoelstellingen (voorkomen van kansspelverslaving, beschermen van de consument, tegengaan van fraude en witwassen en creëren van passend en attractief aanbod) zoveel mogelijk door het stellen van strikte regels en het uitoefenen van goed toezicht te bereiken en niet altijd vast te houden aan het huidige beginsel om per kansspelcategorie slechts één vergunning toe te laten. In het nieuwe kansspelbeleid zullen wij dan ook bezien hoe de markten geordend worden (één of meer vergunningen). Onze departementen werken momenteel hard aan voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van de kansspelmarkten voor casino’s en automatenhallen. De vraag of de overheid voor 100% eigenaar dient te zijn van Holland Casino is daar een afgeleide van. Een eventuele verkoop van Holland Casino zal derhalve bezien worden in samenhang met de voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van deze kansspeldeelmarkten. Een concreet voorstel tot privatisering is er nu derhalve niet.
Indien het antwoord op vraag drie bevestigend is, op welke wijze overweegt het kabinet Holland Casino dan eventueel te verkopen? Gebeurt dat via een veiling van de vergunning, een onderhandse verkoop, uitgifte van aandelen of anders?
Wij kunnen nu op deze vragen geen betekenisvolle antwoorden geven. Voor de vormgeving van voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van de kansspelmarkten zijn de in de vraag genoemde doelstellingen, alsook de bescherming van de consument tegen crimineel en frauduleus handelen onaantastbare randvoorwaarden. Marktordeningsopties die daar geen of onvoldoende rekening mee houden zijn onaanvaardbaar.
Indien verkoop wordt overwogen, vindt de verkoop van Holland Casino dan in zijn geheel plaats of worden afzonderlijke locaties afzonderlijk of in clusters verkocht? Op welke wijze wordt er bij de verkoop rekening gehouden met doelstellingen ten aanzien van het voorkomen van gokverslaving of het wiswassen van geld en met de belangen van het huidige personeel van dit staatsbedrijf?
Zie antwoord vraag 4.
Betekent een mogelijke verkoop van Holland Casino dat daarmee meer ruimte wordt gecreëerd voor entertainment en online gokken in combinatie met kansspelen binnen de vestigingen van Holland Casino?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat er zes jaar geleden al belangstelling was bij Amerikaanse gokconcerns om Holland Casino over te nemen? Zo ja, waar bleek die belangstelling uit en bestaat die nog steeds?
De afgelopen jaren hebben zich op de departementen van Veiligheid en Justitie en Financiën verschillende partijen gemeld om hun belangstelling voor het exploiteren van één of meerdere casino's in Nederland kenbaar te maken. Gelet op het huidige stelsel van de Wet op de Kansspelen en de positie van Holland Casino daarin is van onderhandelingen met deze partijen geen sprake.
Zijn u op dit moment partijen bekend die geïnteresseerd zijn in een overname van Holland Casino? Bent u al met partijen in onderhandeling?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer krijgt de Kamer een kabinetsreactie over hoe de aangenomen moties met betrekking tot een breed kansspelbeleid (behorend bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelen 32 264) worden uitgevoerd?
Zoals uw Kamer bij haar regeling van werkzaamheden van 28 februari jl. heeft verzocht, zal de reactie op de aangenomen moties op korte termijn aan uw Kamer worden gezonden.
Gesjoemel met tellen van reeën |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Gesjoemel met tellen van reeën»1 en «Reeënjacht ligt aan banden»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het aantal door Drentse wildbeheereenheden getelde reeën tot 25 tot 30 procent afweek van de in eerste instantie opgegeven aantallen? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe deze situaties hebben kunnen ontstaan? Zo nee, op welke onduidelijkheden in tellingen van reewild is dit bericht dan gebaseerd?
Het is aan de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies om maatregelen te nemen voor een verantwoord faunabeheer dat is gericht op de instandhouding van een gezonde en evenwichtige doelpopulatie. Het is eveneens de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten om zo nodig handhavend op te treden. De provincies hebben een aantal taken met betrekking tot het faunabeheer neergelegd bij faunabeheereenheden (FBE), maar blijven uiteraard zelf verantwoordelijk voor een verantwoord beleid.
Om die redenen ben ik niet bereid onderzoek in te stellen naar populatiedynamiek of beheermaatregelen.
Deelt u de mening dat het stelselmatig teveel tellen van reewild om op die manier machtigingen te krijgen om extra dieren te kunnen schieten onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u maatregelen treffen?
Ja, het opzettelijk teveel dieren opgeven om er meer te kunnen schieten, vind ik niet aanvaardbaar. Het is echter de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten van de provincies om dit te onderzoeken en in voorkomende gevallen maatregelen te nemen. Zij zijn verantwoordelijk voor het faunabeheer.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze onduidelijkheden met betrekking tot het tellen van reeën ook bij andere faunabeheereenheden aan de orde zijn of zijn geweest de afgelopen jaren? Zo nee, bent u bereid om naar aanleiding van de berichtgeving over de Drentse wildbeheereenheden onafhankelijk onderzoek wildbeheereenheden hier naar in te stellen onder de overige?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe wordt gecontroleerd of faunabeheereenheden en wildbeheereenheden het reewild naar waarheid in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat jagers er belang bij hebben het aantal reeën hoger in te schatten om zo meer dieren te kunnen schieten? Zo nee, hoe verklaart u dan het gesjoemel met tellingen van reeën door de faunabeheereenheid Drenthe? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De specifiek omschreven casuïstiek in Drenthe valt binnen de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Is het waar dat jagers vanuit eigenbelang er niet bij gebaat zijn de populatie te beheren in lijn met het draagkracht van het gebied, omdat er dan minder aantallen geschoten kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Nee, jagers en wildbeheereenheden zijn niet de enigen die faunapopulaties in kaart brengen. Om een gecoördineerde en planmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen is juist de Faunabeheereenheid (FBE) opgericht. In de FBE hebben diverse betrokken maatschappelijke partijen zitting, waaronder natuurorganisaties. Daarmee is de onafhankelijkheid en objectiviteit voldoende gewaarborgd.3
Deelt u de mening dat het in kaart brengen van wildpopulaties niet aan jagers en wildbeheereenheden moet worden overgelaten vanwege de tegenstrijdige belangen zoals blijkt uit het gesjoemel met reewildtellingen? Zo nee, waaraan ontleent u de zekerheid dat wildbeheereenheden het tellen van wild ten behoeve van het bepalen van de afschotaantallen naar waarheid uitvoeren? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u het beleid ten aanzien van tellen van wildpopulaties anders inrichten?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten hoe de onafhankelijkheid van de telling van andere grote hoefdieren zoals damherten, edelherten en zwijnen gewaarborgd is? Kunt u ook uiteenzetten wat de betrokkenheid van jagers en wildbeheereenheden is bij deze tellingen en hoe belangenverstrengeling van overheidswege voorkomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre het afschot van grote hoefdieren gericht is op blijvende regulering van de populatieomvang en kunt u het succes van een dergelijke strategie duiden aan de hand van de populatieontwikkeling van de afgelopen 5 jaar gerelateerd aan afschotcijfers en uitgesplitst naar diersoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten wat de logica is van de gedachte dat de Drentse jagers na het bekend worden van het gesjoemel, in overleg met de Provincie hebben besloten met name de jacht op vrouwelijke dieren aan banden te leggen? Waren er aanwijzingen dat er in verhouding meer op vrouwelijke dieren dan op mannelijke dieren geschoten werd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u in termen van populatiedynamiek en populatiebeheersing uitleggen wat het beperken van de jacht op vrouwelijke dieren betekent voor de te verwachten aanwas van volgend jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat jagers vaak een geiten- of zeugenpot hebben waarin boetes gestort moeten worden wanneer een jager teveel vrouwelijke dieren schiet, juist omdat jagers vrouwelijke dieren zien als de garantie voor voldoende af te schieten dieren in het volgende jaar? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daar niet mee bekend.
Bent u bereid nader onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de populatiedynamiek van grote hoefdieren in relatie tot de totstandkoming van telgegevens en de rol van de jacht c.q. schadebestrijding met het jachtgeweer daarin? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat jagers ook de rollen van dierenteller, dierenpolitieagent, veldwachter, aanklager, rechter en leverancier van de poelier op zich mogen nemen, waardoor belangenverstrengeling op de loer ligt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u deze vermenging van rollen ontvlechten en objectiveren?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat het kabinet af wil van de dubbele nationaliteit |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u in deze economisch zware tijden niets belangrijkers te doen dan een maatschappelijk non-probleem zoals de dubbele nationaliteit op de agenda van de Tweede Kamer te plaatsen?1
Het aanscherpen van de plicht tot afstand van de nationaliteit van het land van herkomst bij naturalisatie of optie tot Nederlander vloeit voort uit de gedachte dat de helderheid van de rechtspositie van de burger, zowel voor de overheid als voor de burger, is gediend met een enkelvoudige nationaliteit.
Kent u het aantal volksvertegenwoordigers van CDA, VVD, PVV en bewindspersonen die willens en wetens een dubbele nationaliteit hebben? Zo ja, hoeveel?
Nee. Het hebben van een meervoudige nationaliteit wordt niet van overheidswege getoetst bij benoeming van bewindspersonen of installatie van volksvertegenwoordigers. Hiervoor is slechts van belang of betrokkene het Nederlanderschap bezit.
Getuigt het niet van schijnheiligheid om anderen lastig te vallen met dit maatschappelijke non-probleem, maar zelf wel 2 paspoorten te verkiezen?
Het verlies van het Nederlanderschap bij verkrijging van een andere nationaliteit en de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij verkrijging van het Nederlanderschap is altijd uitgangspunt geweest van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Ik wijs er overigens op dat het bezitten van twee nationaliteiten voor veel Nederlanders niet altijd het gevolg is van een vrijwillige keuze. Dubbele nationaliteit kan ook ontstaan door afstamming indien iemand geboren wordt uit twee ouders met verschillende nationaliteiten; het wetsvoorstel laat dit onverlet. Verder staan sommige landen niet toe dat hun onderdanen afstand doen van hun nationaliteit, zelfs indien betrokkene dit zou wensen.
Bent u van mening dat de bewindslieden en Kamerleden van CDA, VVD en PVV de eersten moeten zijn die hun tweede nationaliteit afleggen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u hen dat dan vragen?
Het wetsvoorstel zal alleen betrekking hebben op nieuwe gevallen, dat wil zeggen, voor personen die in de toekomst van nationaliteit veranderen. Hiervoor is niet relevant of betrokkene bewindspersoon of Kamerlid is.
Wat zegt u tegen Nederlanders in het buitenland die straks hun Nederlandse nationaliteit moeten opgeven en het gevoel hebben dat hun band met het geboorteland wordt doorgescheurd?
Het verlies van het Nederlanderschap bij vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit is reeds lang uitgangspunt van de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap. Het voorstel heeft tot strekking de thans bestaande uitzonderingen hierop te schrappen. Dit heeft geen gevolgen voor Nederlanders in het buitenland die nu reeds een dubbele nationaliteit bezitten. Het heeft wel gevolgen voor Nederlanders die in de toekomst een andere nationaliteit willen verkrijgen. Daarbij zal het Nederlanderschap overigens slechts verloren gaat indien de andere nationaliteit vrijwillig wordt aanvaard. Dit is primair een afweging van de betrokkene zelf. Overigens wijs ik er op dat de emotionele band met Nederland niet samenvalt met het bezit van de Nederlandse nationaliteit: het is mogelijk om een emotioneel band met Nederland te hebben zonder dat deze juridisch tot uitdrukking komt in het Nederlanderschap.
Het bericht dat gegevens van de veiligheidsdienst van Curaçao zijn verstrekt aan derden |
|
Eric Lucassen (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Veiligheidsgegevens Curaçao in handen van derden»?1
Hoe beoordeelt u het functioneren van de Veiligheidsdienst Curaçao (VDC) en de samenwerking tussen deze dienst en de regering van Curaçao?
Kunt u uitsluiten dat gevoelige informatie van de VDC aan derden is verstrekt?
Hoe beoordeelt u de bescherming van gegevens die door de VDC worden verzameld en opgeslagen? Welke gevolgen heeft het lekken van deze gegevens voor de belangen van het Koninkrijk?
Kunt u ingaan op het gerucht dat de Colombiaanse veiligheidsdienst betrokken is bij het lekken van gevoelige informatie door de VDC? Welke rol speelt deze dienst op Curaçao en past dit binnen het veiligheidsbeleid van het Koninkrijk?
Wordt er door Nederlandse diensten gevoelige informatie uitgewisseld met de VDC? Bent u van plan het verstrekken van gevoelige informatie aan de VDC direct te stoppen, nu getwijfeld kan worden aan de bescherming van dit soort gegevens? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de regering van Curaçao om opheldering te vragen over de reeks incidenten rond de VDC en de rol hierin van premier Schotte? Bent u bereid om zelf een onderzoek in te stellen wanneer Curaçao die opheldering weigert te geven? Zo nee, waarom niet?
Zelfdoding onder veteranen |
|
Angelien Eijsink (PvdA), André Bosman (VVD), Jasper van Dijk (SP) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Ken u het artikel «Zelfmoord? Bij militairen Sst!»?1
Ja.
Is het waar dat uw ministerie noch een andere organisatie cijfers bijhoudt van zelfmoord onder veteranen?
Ja. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt, als enige organisatie in Nederland, gegevens bij over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Het CBS maakt hierbij gebruik van de «melding doodsoorzaak» die is voorgeschreven in de Wet op de Lijkbezorging. Of hierbij sprake is van een veteraan wordt door het CBS niet geregistreerd. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Is het waar dat u geen verhoogd percentage zelfmoorden onder veteranen vermoedt op basis van onderzoek onder oud-Balkangangers? Zo ja, kunt u aangeven waarom u deze missie dermate vergelijkbaar acht met andere Nederlandse missies dat een dergelijke conclusie valt te trekken?
Met mijn brief van 11 mei 2011 (Kamerstuk 27 580, nr. 17) heb ik de Kamer het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over Balkan-veteranen aangeboden, getiteld «Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan deployment». Voor dit onderzoek zijn 18 000 (oud) militairen – die op de Balkan zijn ingezet – meer dan tien jaar gevolgd. In deze groep bevonden zich ook militairen die na de missie op de Balkan elders voor missies zijn ingezet. Bij dit onderzoek is geen statistisch significant hoger percentage zelfdoding geconstateerd dan bij een vergelijkbare deel van de Nederlandse bevolking. Het RIVM wijst erop dat de onderzoeksperiode langer is dan die van andere internationale onderzoeken en dat dit onderzoek daardoor meer zeggingskracht heeft gekregen.
Voor de missies naar de Balkan geldt, net als voor andere missies, dat zich bij militairen psychische klachten kunnen ontwikkelen ten gevolge van de uitzending. Dat de situatie in de Verenigde Staten verschilt met die in Nederland kan zijn terug te voeren op verschillen in uitzendduur, verschillen in begeleiding voor, tijdens en na een missie en een andere wijze waarop de zorg voor militairen en veteranen is ingericht.
Kunt u uiteenzetten waarop uw ministerie de opvatting baseert dat een hoger dan gemiddeld zelfmoordpercentage in de VS niet van toepassing is op Nederland «omdat de Nederlandse militaire uitzendingen korter zijn, de begeleiding voor, tijdens en na de missie intensiever is, en de medische zorg anders is ingericht»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Defensie een proactieve houding zou moeten hebben bij onderzoek naar gevallen van zelfdoding door veteranen? Zo nee, waarom niet?
Een medewerker van Defensie die kampt met problemen kan zich wenden tot uiteenlopende zorgverleners. Deze zullen hem of haar proberen te helpen de problemen de baas te worden en escalatie van het probleem te voorkomen. Elke defensie-eenheid kent bovendien een Sociaal Medisch Team (SMT) dat de problematiek van de werknemer kan bespreken. Van het SMT maken onder meer de commandant, de bedrijfsarts, de maatschappelijk werker en de geestelijk verzorger deel uit. Preventie, het aanbieden van toereikende zorg en mogelijkheden voor snelle interventie door hulpverleners zijn belangrijke factoren bij het voorkomen van zelfdoding. Wanneer bekend is dat een militair door zelfdoding om het leven is gekomen, zullen hulpverleners en commandanten in overleg met het SMT nagaan of betere hulp mogelijk was geweest. Dit geldt ook voor het LZV indien het een veteraan betreft die via het LZV zorg heeft ontvangen.
In het antwoord op vraag 2 heb ik uiteengezet dat alleen het CBS informatie ontvangt over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Soms krijgt Defensie informatie over zelfdoding van oud-militairen en veteranen. Deze informatie is echter niet toereikend voor een betrouwbare registratie van zelfdoding. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Deelt u de mening dat het registeren van zelfdodingen van veteranen inzicht kan geven in de mogelijke problematiek van zelfdoding onder veteranen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat met het registeren van zelfdodingen, eventuele oorzaken hiervan kunnen worden achterhaald en op deze manier de voor- en nazorg voor uitgezonden militairen kan worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u vanaf heden in de jaarlijkse Veteranennota informatie over zelfdoding onder veteranen opnemen?
Indien de studie zoals bedoeld in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 leidt tot inzicht in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013 in de Veteranennota worden opgenomen.
De toespraak van de minister voor de VN Mensenrechtenraad van 29 februari 2012 |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u in een toespraak voor de VN Mensenrechtenraad gezegd dat de «receptor benadering» onderdeel uitmaakt van het Nederlands mensenrechtenbeleid?1
Ik heb het volgende gezegd over de receptorbenadering:
«Human rights are universal. But that doesn’t mean to say that all countries are identical. What matters is not how citizens» rights are safeguarded but that they are safeguarded. Communication is needed, not confrontation because respect for human rights cannot be imposed from outside. For our policy to be effective, we should respond to what countries are already doing in the field of human rights. This is what we call in The Netherlands the «receptor approach» for human rights policies.»
Zo ja, wanneer is de «receptor benadering» officieel onderdeel gaan uitmaken van het Nederlands mensenrechtenbeleid? Kunt u precies aangeven in welk beleidsdocument, brief aan de Kamer of in welke memorie van toelichting dit staat?
In de mensenrechtenstrategie heb ik aangegeven te streven naar een effectiever mensenrechtenbeleid. Ik en voorstander van het aanspreken van landen op hun mensenrechtenschendingen door het aangaan van dialoog en te concentreren op communicatie in plaats van confrontatie. Het gaat er niet om hoe, maar dat de mensenrechtensituatie verbetert. Uitvoering van de receptorbenadering wordt op dit moment verkend in een pilot zoals in de motie Van der Staaij c.s. verzocht.
Waarom heeft u nog steeds niet voldaan aan het verzoek van de Kamer om in een brief toe te lichten wat u nu verstaat onder de «receptor benadering»?
De brief is aan de Kamer verzonden.
Deelt u de mening dat u de Kamer bruuskeert, zo niet schoffeert, door te beloven eerst in een brief te zullen onderbouwen wat de «receptor benadering» precies is, om vervolgens, dit geheel nagelaten hebbend, in internationaal overleg de «receptor benadering» als staand Nederlands mensenrechtenbeleid te presenteren? Zo ja, waarom doet u dit? Zo nee, waarom niet?
De toespraak sluit aan bij hetgeen ik met de Kamer heb gewisseld.
Nu u de «receptor benadering» als Nederlands mensenrechtenbeleid heeft gepresenteerd voor de VN Mensenrechtencommissie, wilt u dan per omgaande de toegezegde brief aan de Kamer doen toekomen over dit nieuwe Nederlandse beleid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Het bericht 'Talloze lijntjes Duitse gokmaffia lopen naar Nederland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Enveloppen in Huis ter Duin. Talloze lijntjes Duitse gokmaffia lopen naar Nederland», dat ingaat op de betrokkenheid van Nederlanders bij omkoping en bedrog in het internationale voetbal?1
Ja.
Ziet u een rol voor uzelf weggelegd om een bijdrage te leveren aan het bewaken van de integriteit van de Nederlandse sport?
De sportwereld is primair verantwoordelijk voor de integriteit van de sport en geeft daar ook invulling aan. Zo zet de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB) fors in op preventieve maatregelen zoals voorlichting aan clubs, reglementswijzigingen en samenwerkingsverbanden op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Aanvullend zie ik een rol voor de regering door op nationaal en Europees niveau kennis te delen en de Nederlandse sportwereld in staat te stellen om preventieve projecten te voeren, zoals het verhogen van de weerbaarheid van scheidsrechters.
Welke bijdrage kunt u aan de sportsector leveren om de bewustwording van het gevaar van match fixing te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het Openbaar Ministerie bij het opsporen en vervolgen van match fixing?
Indien concrete informatie voorhanden zou komen over match fixing in Nederland en er zou een verdenking van niet ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht) rijzen, dan zou opsporing en vervolging door het Openbaar Ministerie ter zake van dat artikel mogelijk kunnen zijn. Tot op heden hebben de Nederlandse autoriteiten echter geen informatie verkregen die zou duiden op strafbare feiten die in dit verband in Nederland begaan zouden zijn.
Indien het buitenland in het kader van een onderzoek naar match fixing aan de Nederlandse autoriteiten een verzoek tot rechtshulp doet om behulpzaam te zijn bij buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken dan wordt conform de toepasselijke regels rechtshulp verleend. Ook een verzoek tot overlevering wordt dienovereenkomstig behandeld.
Indien het buitenland informatie over in Nederland gepleegde strafbare feiten aan de Nederlandse autoriteiten geeft of enige strafvervolging overdraagt, dan zal die informatie worden onderzocht dan wel zal het verzoek tot strafvervolging in behandeling worden genomen.
Wanneer is er sprake van een «aanleiding» zoals genoemd in het artikel (BLZ.116) voor het Openbaar Ministerie om op verzoek van sportbonden actie te ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke ontwikkelingen zijn er op dit moment in internationaal en Europese verband om match fixing een halt toe te roepen en de integriteit van de sport te beschermen?
De strijd tegen match fixing staat hoog op de agenda van de Europese Unie en van de Raad van Europa. Zo is bij de EU een werkgroep die zich bezighoudt met goed bestuur in de sport, waarbij match fixing één van de onderwerpen op de agenda is. Voorts is op 15 maart jl. tijdens een bijeenkomst van de Sportministers van de Raad van Europa besloten de onderhandelingen te starten die zouden kunnen leiden tot een Conventie ter bestrijding van match fixing.
De aanvallen van Japanse walvisjagers op bemanning van Sea Shepherd rond de Zuidpool |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de ontwikkelingen rond de illegale Japanse walvisjacht en de acties van Sea Shepherd Conservation Society (SSCS) gevolgd sinds de Japanse walvisvloot in december weer is uitgevaren naar Antarctica, met SSCS in haar kielzog?
Ja.
Is het u bekend dat Japanse walvisjagers een bemanningslid van Sea Shepherd Conservation Society, die een harpoenschip probeerde af te remmen, met een waterkanon van zijn jetski hebben afgestoten waardoor hij in het ijskoude water terecht kwam?1 Hoe beoordeelt u het gebruik van waterkanonnen tegen mensen op jetski’s in termen van veiligheid op zee?
Ja, ik ben daarmee bekend. Nederland hecht aan het recht op demonstratie, ook op volle zee. Wel dienen zowel de demonstraties zelf als ook de maatregelen daartegen niet de veiligheid op zee in gevaar te brengen.
Op basis van de beschikbare informatie ben ik niet in staat om een inhoudelijk oordeel te vellen over deze specifieke situatie. Een dergelijk antwoord kan alleen gegeven worden op basis van een gedegen onderzoek in een justitiële procedure. Deze kan door de betrokken partijen geïnitieerd worden.
Het Openbaar Ministerie heeft op basis van de beschikbare informatie tot dusverre geen aanleiding gezien onderzoek te verrichten naar de incidenten die in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden. Voor zover mij bekend is er ook door Sea Shepherd Conservation Society geen aangifte gedaan bij het Japanse Openbaar Ministerie van de gedragingen van de Japanse walvisjagers.
Bent u er van op de hoogte dat Japanse walvisjagers vanuit hun harpoenschip inzittenden van een rubberboot van Sea Shepherd Conservation Society hebben aangevallen met grijphaken en bamboestokken, en dat een Sea Shepherd vrijwilliger, een Franse fotograaf, en een cameraman van Animal Planet hierbij verwondingen hebben opgelopen?2 Deelt u de mening dat dit een zeer gevaarlijke tactiek is, omdat de grijphaken de opblaasbare boten kunnen lek slaan, en de grijphaken, mochten ze zich vasthaken in de kleding van de bemanningsleden, de opvarenden uit hun boot zouden kunnen rukken? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u het gebruik van grijphaken en bamboestokken tegen mensen in rubberbootjes in termen van veiligheid op zee?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Zie mijn antwoord op vraag 2.
Zou u kunnen concluderen dat waterkanonnen, grijphaken en bamboestokken bij bovengenoemde incidenten als «wapen» zijn ingezet? Zo ja, vindt u dit geoorloofd? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er met deze aanvallen door Japanse walvisjagers in minder dan een maand tijd de veiligheid op zee ernstig in gevaar is gebracht? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee waarom niet?
Beide partijen zijn al in december 2011 opgeroepen door Nederland, Australië, de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland tot het nemen van hun verantwoordelijkheid teneinde de veiligheid op zee niet in gevaar te brengen. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Kunt u mede in het licht van bovengenoemde incidenten, uiteenzetten welk vervolg u heeft gegeven aan de gezamenlijke waarschuwing die Nederland samen met Australie, de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland heeft afgegeven, te weten: «Wie de veiligheid op zee in gevaar brengt, kan worden aangeklaagd»?3 Heeft u inmiddels actie ondernomen om een aanklacht in te dienen tegen de Japanse walvisjagers? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? Kunt u uiteenzetten wat er – in termen van feitelijke informatie – precies voor nodig is om een deugdelijke aanklacht in te kunnen dienen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen hoe u kunt weten wat zich precies afspeelt in de wateren rond Antarctica als er geen autoriteiten vanuit Nederland of de internationale gemeenschap aanwezig zijn om te registreren wat er gebeurt? Kunt u bevestigen dat de internationale gemeenschap de registratie van de jaarlijks terugkerende schending van het moratorium op de walvisjacht volledig te danken heeft aan Sea Shepherd Conservation Society, omdat Japan zonder hun aanwezigheid nog steeds in alle stilte op walvissen zou kunnen jagen, tegen alle internationale verdragen in?
Indien zich een incident heeft voorgedaan is het lastig vast te stellen wat er precies is gebeurd. Nederland stelt zich daarom op de hoogte van de gebeurtenissen van beide kanten.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn om controle op de naleving van het moratorium op de walvisjacht te laten uitvoeren door de autoriteiten van de internationale gemeenschap? Zo ja, waarom zijn er nog steeds geen autoriteiten aanwezig in de wateren rond Antarctica om in elk geval de schending van het moratorium te registreren om Japan zo te kunnen aanklagen wegens schending van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
De walvisvangst vindt volgens Japan plaats in het kader van wetenschappelijk onderzoek, hetgeen is toegestaan onder het moratorium van de IWC. In de IWC heeft Japan medestanders die er mee instemmen om walvissen te doden voor wetenschappelijk onderzoek. Het betreft hier geen schending van het internationaal recht. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat er geen controle is door de internationale gemeenschap in Antarctische wateren.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze u van plan bent om te gaan met mogelijke nieuwe geweldplegingen van de walvisvaarders richting demonstranten op zee? Op welke wijze werkt u samen met Nieuw-Zeeland, Australië en de Verenigde Staten, met wie u dit gezamenlijke statement heeft gemaakt, om geweld van walvisvaarders richting demonstranten op zee te voorkomen? Wat is hierbij de inzet en specifieke rol van Nederland?
Nederland heeft regelmatig contact met zowel de Japanse regering als ook Sea Shepherd Conservation Society, juist om te voorkomen dat de confrontaties in de Antarctische wateren uit de hand lopen. Tevens wordt op basis van de ontvangen informatie bezien of, gezien de zwaarte van een specifiek incident, zelfstandig onderzoek verricht dient te worden. Waar mogelijk en wenselijk zal Nederland daarbij samenwerken met een of meer andere partijen van de Gemeenschappelijke Verklaring. Daarnaast trekt Nederland met genoemde landen en andere gelijkgezinden op in internationale fora zoals de IWC en de IMO als gesproken wordt over de veiligheid op zee.
Wat is de reden dat u de gezamenlijke verklaring van Nederland, Nieuw Zeeland, Australie en de VS over de veiligheid op zee niet samen met de Japanse regering heeft uitgedaan?
Tijdens de IWC 63 is een resolutie door Japan ingediend inzake veiligheid op zee waarin het recht op vreedzame demonstratie op volle zee wordt erkend en op aandringen van Nederland, Nieuw Zeeland, Australië en de VS alle betrokken overheden o.m. aangespoord worden om de kapiteins van alle schepen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid op zee als hoogste prioriteit. De gemeenschappelijke verklaring gaat evenwel verder dan alleen de veiligheid op zee. In de verklaring wordt immers ook afstand genomen van de dodelijke walvisvangst voor wetenschappelijke doeleinden. Juist dit laatste, zo belangrijke onderdeel van de verklaring, is voor Japan een stap te ver.
de publicatie 'Ondernemingsraad en pensioen' |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Ondernemingsraad en Pensioen» uit de Serie Publicaties van het VU Expertisecentrum Pensioenrecht, geschreven door mr. dr. Mark Heemskerk (hierna: de auteur)?
Ja
Deelt u de mening van de auteur dat het geldend recht is dat de Ondernemingsraad (OR) instemmingsrecht op grond waarvan artikel 27, eerste lid 1 sub a, van de Wet op de ondernemingsraden heeft over zowel de pensioenovereenkomst als de uitvoeringsovereenkomst?
Ja. Ondernemingsraden hebben conform artikel 27 ten aanzien van regelingen die ondergebracht zijn bij een pensioenverzekeraar instemmingsrecht over zowel de pensioenovereenkomst als de uitkeringsovereenkomst (zie Aanhangsel van de Handelingen 2009/10, 2601 en Kamerstukken 2007/08, 31 226, nr. G).
Brengt het voorgaande u ertoe genoemd wetsartikel te verduidelijken?
Nee. Ik zie in de praktijk geen problemen met betrekking tot de huidige formulering.
Deelt u de mening van de schrijver dat de instemming van de OR de individuele medewerker niet bindt?
Ja. In beginsel bindt instemming van de OR de individuele medewerker niet. Wel kan in voorkomende gevallen in het arbeidscontract van een individuele medewerker zijn opgenomen, dat wijziging van specifieke arbeidsvoorwaarden bindend is als de OR hiermee heeft ingestemd. Dan bindt instemming van de OR de medewerker wel.
Is het waar dat aanpassing in fiscale pensioenwetgeving niet dwingend doorwerkt in de pensioenovereenkomst?
Ja. De fiscale wetgeving bepaalt alleen de (voorwaarden voor) fiscale facilitering van pensioen. Deze regelgeving staat in beginsel los van de civielrechtelijke mogelijkheden voor de vormgeving van de pensioenovereenkomst. Tegelijkertijd heeft deze wetgeving in de praktijk grote invloed op de uiteindelijke pensioenregeling. Zowel werkgevers als werknemers willen immers in aanmerking blijven komen voor toepassing van de omkeerregel. Overigens kunnen werkgevers een eenzijdig wijzigingsvoorbehoud hebben overeengekomen voor gewijzigde fiscale regelgeving.
Is het mogelijk dat aanpassing van fiscale pensioenwetgeving leidt tot compensatie-eisen door de OR en/of individuele medewerker?
Ja. Een pensioenovereenkomst is een afspraak tussen werkgevers en werknemers. Zij hebben altijd de mogelijkheid over een eerder gesloten overeenkomst te heronderhandelen. Het kan zijn dat er bij de totstandkoming van de overeenkomst afspraken zijn gemaakt over compenserende maatregelen bij wijziging van fiscale pensioenwetgeving.
Het artikel 'Saoedi-Arabië verbiedt vrouwen deel te nemen aan Olympische Spelen' |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Saoedi-Arabië verbiedt vrouwen deel te nemen aan Olympische Spelen»1 en «PVV pleit voor Arabische vrouwen bij OS»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar en onverenigbaar is met het Olympisch Handvest als een land, zoals in dit geval Saoedi-Arabië, potentiële atleten niet naar de Olympische Spelen laat gaan, omdat ze bijvoorbeeld vrouw zijn? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering acht het onaanvaardbaar om bepaalde bevolkingsgroepen, zoals in dit geval vrouwen, uit te sluiten van deelname aan een evenement zoals de Olympische Spelen.
Nationale Olympische Comités (NOC’s) hebben echter het recht om zelf te bepalen wie zij uitzenden naar de Olympische Spelen. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft gelijke deelname van mannen en vrouwen hoog in het vaandel staan. Er is een speciaal programma door het IOC in het leven geroepen om NOC’s te stimuleren om gelijkheid tussen mannen en vrouwen na te streven.
Er vinden momenteel nog gesprekken plaats tussen het IOC en het Saoedisch Olympisch Comité over de mogelijkheden om Saoedische vrouwen alsnog op te laten nemen in de Olympische delegatie voor Londen 2012. Ik hoop op een positief besluit door het Saoedisch Olympisch Comité in deze.
Bent u bereid het Internationaal Olympisch Comité (IOC) op te roepen landen, die atleten niet aan de Spelen mee laten doen enkel en alleen omdat ze bijvoorbeeld vrouw zijn, geheel uit te sluiten van deelname aan de Spelen en hiervoor internationaal steun te vergaren bij uw collegae? Zo nee, waarom niet?
Neen, het IOC hanteert als autonome organisatie zijn eigen beleid in deze.
Als minister van VWS kan en wil ik me daar niet direct mee bemoeien. Nederland zal in internationaal verband wel aandacht blijven vragen voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
Het bericht 'Meisje pleegt zelfmoord om beleid minister' |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Meisje pleegt zelfmoord om beleid minister»?1
Het Kamerlid Bouwmeester (PvdA) heeft mij vragen gesteld over het bericht «Meisje pleegt zelfmoord om beleid minister» (2012Z03946). Op 16 maart 2012 is echter bekend geworden dat deze berichtgeving niet juist is gebleken. Bijgaand treft u het persbericht van ParnassiaBavo Groep waaruit dit blijkt2.
Ik ben van mening dat antwoord op de gestelde vragen daarmee niet aan de orde is.
Ik vertrouw er op u zo afdoende geïnformeerd te hebben.
Bent u bereid onderzoek te laten verrichten naar de omstandigheden waaronder deze zelfmoord heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 1.
Wat komt er terecht van uw toezegging dat er in acute situaties toch zorg zal worden verleend als er al telefonisch wordt afgeweerd met de eigen bijdrage van 200 euro per patiënt?
Zie antwoord vraag 1.
De Chinese deportaties van Noord-Koreaanse vluchtelingen naar hun vaderland |
|
Henk Jan Ormel (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Frans Timmermans (PvdA), Alexander Pechtold (D66), Wim Kortenoeven (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat China consequent doorgaat met het deporteren van Noord-Koreaanse vluchtelingen naar hun vaderland?1
Ja.
Is de inschatting juist dat jaarlijks zo’n 5000 Noord-Koreanen door China worden teruggestuurd naar hun land? Is er enig zicht op wat hen staat te wachten bij terugkeer in Noord-Korea?
Berichten in internationale media over grote aantallen Noord-Koreanen die jaarlijks door China zouden worden teruggezonden, worden door UNHCR niet geverifieerd omdat UNHCR geen toegang heeft tot Noord-Korea en het grensgebied met China.
Noord-Korea heeft illegale grensoversteek opgenomen in de strafwet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen «illegaal de grens oversteken», waarop twee jaar werk- of heropvoedingskamp als straf staat, en «de grens oversteken om de republiek omver te werpen», waarop een straf staat van vijf tot tien jaar detentie in een werk- of heropvoedingskamp.
Op welke wijze heeft u zich in de afgelopen periode ingespannen – mede in internationaal verband – om deze Chinese deportaties bij de Chinese autoriteiten aan te kaarten? Welke resultaten heeft dit opgeleverd?
De Nederlandse regering is bezorgd over het lot van Noord-Koreanen die door China worden teruggestuurd. Deze zorgen worden in de (beperkte) contacten tussen Nederland en Noord-Korea gemeld, zoals tijdens bezoeken van de Nederlandse ambassadeur te Seoul aan Noord-Korea. Zowel Nederland als de EU heeft China eerder aangesproken op het principe van non-refoulementen toegang van UNHCR bepleit.
De problematiek wordt door Chinese autoriteiten ontkend. Zie ook antwoord op vraag 4.
Is China gevoelig voor internationale druk hieromtrent? Hoe kan deze druk verder door u en de internationale gemeenschap worden opgebouwd?
China beschouwt deze Noord-Koreanen niet als vluchtelingen in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen uit 1951 (Vluchtelingenverdrag) en het bijbehorende Protocol uit 1967, maar als illegale, economische migranten. Hierdoor voelt China zich niet gebonden aan de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag. China ziet dit als een bilaterale aangelegenheid.
Is het bericht juist dat Zuid-Korea de kwestie onlangs heeft aangekaart bij de VN-Raad voor de Mensenrechten? Kunt u deze stap nader toelichten? Wat zouden hiervan de gevolgen kunnen zijn?
Zuid-Korea heeft op 27 februari jl. tijdens het High Level Segment van de 19e zitting van de Mensenrechtenraad opgeroepen vluchtelingen uit Noord-Korea bij te staan. De Zuid-Koreaanse oproep leidde tot de tegenwerping van Noord-Korea en China dat het hier slechts ging om het irregulier oversteken van de grens vanwege economische motieven.
Ik verwacht niet dat het huidige Noord-Koreaanse of Chinese beleid door deze oproep significant zal wijzigen (zie antwoord vraag 4).
Bent u bereid om Zuid-Korea zoveel mogelijk bij te vallen in deze actie en wilt u tevens op Europees niveau bij uw collega's in de Raad Buitenlandse Zaken bepleiten dat ook zij zich serieus inzetten voor deze zaak? Op welke wijze en op welke termijn kunt u dit doen?
Nederland en de EU vragen aandacht voor de situatie van Noord-Koreaanse vluchtelingen, zoals bij de mensenrechtenconsultaties EU-China en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan China.
In hoeverre is er gevolg gegeven aan de Motie Voordewind c.s. (31 200 V, nr. 134) waarin er wordt aangedrongen op arbitrage tussen China en het UNHCR om deze kwestie definitief op te lossen? Bent u bereid hier bij herhaling op aan te dringen?
In een brief aan de Tweede Kamer van 1 juli 2008 (31 200 V) en in een brief aan de Tweede Kamer van 6 november 2008 (31 700 V) staat aangegeven op welke wijze er wordt aangedrongen op arbitrage tussen China en het UNHCR. UNHCR heeft aangegeven dat arbitrage niet de weg is die de UNHCR zou willen volgen. Een beroep doen op de arbitrageclausule zou de kwestie politiseren en daarmee zou de relatie met China onder druk komen te staan.
De vrijwilligersvergoeding |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Arnhem1, waarin de rechter heeft bepaald dat een aan een ANBI2 teruggeschonken vrijwilligersvergoeding aftrekbaar is, en dat het niet van belang is of de ANBI over voldoende liquide middelen beschikte om de vrijwilligersvergoeding uit te betalen?
Ja.
Deelt u de mening dat alle bezwaren tegen aanslagen waarin de teruggeschonken vrijwilligersvergoeding opgevoerd werd als aftrekpost en die zijn afgewezen op basis van het feit dat de ANBI niet over voldoende liquide middelen beschikte, nu alsnog ambtshalve dienen te worden toegekend?
Nee.
Indien u niet bereid bent tot ambtshalve toekenning van die bezwaren, hoe gaat u dan alle mensen, wiens bezwaar is afgewezen, in de gelegenheid stellen om op een eenvoudige en laagdrempelige manier kennis te nemen van het feit dat zij wederom bezwaar kunnen indienen?
Er is geen sprake van een mogelijkheid om wederom bezwaar te kunnen indienen.
Een belastingplichtige kan slechts één bezwaarschrift indienen tegen een aanslag. Wel kan hij tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gaan, als de termijn daarvoor nog niet is verstreken. Deze mogelijkheid is op de uitspraak vermeld.
Overigens is het niet zo dat ik mij verenig met het oordeel van de Rechtbank Arnhem in haar uitspraak van 21 februari 2012. Tegen die uitspraak zou de inspecteur in beginsel hoger beroep hebben ingesteld, ware het niet dat hij ter zitting van de rechtbank al heeft meegedeeld dat het beroep van de belanghebbende op de meerderheidsregel slaagt (de rechtbank heeft dat verwoord in onderdeel 3 van de uitspraak). De inspecteur heeft daaraan gevolg gegeven en de aanslag direct na de uitspraak verminderd, zodat hij daarmee de mogelijkheid van hoger beroep in processuele zin heeft geblokkeerd. Dat neemt echter niet weg dat ik deze uitspraak van de rechtbank inhoudelijk niet zal volgen. Ik houd uitdrukkelijk vast aan mijn tot op heden gevoerde beleid3. Zou bij de beoordeling van de giftenaftrek geen acht mogen worden geslagen op de financiële mogelijkheden van de instelling om een toegezegde vergoeding daadwerkelijk te kunnen uitbetalen, dan wordt de deur opengezet naar allerlei opzetjes waarin de kern van de giftenregeling, de vrijgevigheid, wordt ondermijnd. Ik merk bovendien op dat een eerdere uitspraak van de Rechtbank Arnhem in een vergelijkbare andere zaak wel in overeenstemming is met het destijds geldende beleid (zoals dat met ingang van 1 januari 2012 is opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001). Het gaat hierbij om de in mijn brief van 10 juni 2011 aangehaalde uitspraak van 19 april 20114. Uit die uitspraak blijkt dat de rechter van oordeel is dat van vrijgevigheid geen sprake kan zijn als de ANBI onvoldoende middelen heeft om de toegezegde vergoedingen te betalen.
Invoer van producten uit nederzettingen van de Westelijke Jordaanoever |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het antwoord van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 15 februari 2007 dat niet uitgesloten wordt «dat er ook bij invoer uit nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden sprake kan zijn van onjuiste dan wel onvolledige informatie op het etiket over de precieze oorsprong van het product»?1 Wat is uw informatie over deze praktijk sinds 1 januari 2007? Kunt u de gegevens daarvan aan de Kamer sturen?
Er is geen algemene etiketteringsplicht. De beoordeling of de etikettering van de betreffende goederen correct is, komt bij de controle van oorsprong niet aan de orde. Er is geen een-op-een koppeling tussen de douanerechtelijke oorsprong en de oorsprongsaanduidingen op etiketten.
In het kader van de algemene levensmiddelenwetgeving mag er geen onjuiste (vrijwillige of verplichte) herkomstvermelding op het etiket staan. Dit wordt gezien als misleiding van de consument. De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) voert hierop controles uit.
Deelt u de zorgen van het Europees Parlement over het feit dat bepaalde bedrijven blijven doorgaan met de export van uit de Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden afkomstige producten op grond van de Associatieovereenkomst EU-Israël?2 Zo ja, op welke wijze bent u voornemens daartegen maatregelen te nemen? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Het aantal gevallen waarin dat achteraf is gebleken dat ten onrechte preferentie is genoten, is uitermate gering. Dit wordt geschat op enkele gevallen per jaar. Bij invoer wordt onder andere gecontroleerd op preferentiële oorsprong en wordt bezien of ten invoer aangegeven producten al dan niet in aanmerking komen voor de tariefpreferenties die de EU krachtens het associatieverdrag met Israël toekent aan producten die van Israëlische oorsprong zijn. De douane stelt vast of aan deze criteria is voldaan aan de hand van een lijst met postcodes en plaatsaanduiding van nederzettingen. Mede op aandringen van het EP overweegt de Europese Commissie (EC) momenteel openbaarmaking van deze lijst met als doel om te voorkomen dat nederzettingenproducten gebruik maken van de tariefpreferenties.
Bent u voornemens uitvoering te geven aan de resolutie van het Europees Parlement die lidstaten vraagt «ervoor te zorgen dat hun douaneautoriteiten de technische regeling daadwerkelijk toepassen naar de geest van het arrest van het Europees Hof van Justitie op de gecumuleerde producten die naar de EU worden geëxporteerd op grond van de diagonale cumulatie als bepaald in het regionale verdrag»?3 Zo ja, op welke wijze zult u daar uitvoering aan geven? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Een gevaar van omzeiling van de controle geldt op dit moment voor de landen waarmee Israël vrijhandelsakkoorden heeft gesloten. Naast de EU en de EVA-landen zijn dat Jordanië en Turkije. De EVA-landen passen dezelfde technische regeling toe als de EU. De Europese Commissie heeft toegezegd aan Jordanië en Turkije te vragen om dezelfde technische regeling toe te passen. Dat is ook de te volgen aanpak bij uitbreiding van het aantal partnerlanden.
Deelt u de opvatting van het Europees Parlement om de Europese Commissie op te dragen samen te werken met de douaneautoriteiten van de lidstaten om een oplossing te vinden die erop gericht is de technische regeling van het Associatieakkoord tussen Israël en de EU om te zetten in een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme?4 Zo ja, op welke wijze zult u daar aan werken? Indien neen, waarom niet?
Uitgangspunt van de Nederlandse Douane is dat importeurs weten van wie ze producten betrekken en waar die producten zijn verkregen. In geval van twijfel over de plaats van verkrijging kan de Douane geraadpleegd worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 werkt de Europese Commissie aan openbaarmaking van een postcodelijst, aan de hand waarvan kan worden nagegaan of producten in aanmerking komen voor preferenties. Als de postcodelijst openbaar wordt, hoeft de Douane voor dat doel niet meer geconsulteerd te worden.
Deelt u de opvatting van het Europees Parlement dat de in vraag twee genoemde praktijk «een slag in het gezicht van het internationale EU-beleid» is en dat door deze praktijk misbruik wordt gemaakt «van de uitgebreide mogelijkheden voor een legitieme preferentiële toegang tot de interne markt van de Unie»? Indien ja, op welke wijze bent u voornemens hiertegen maatregelen te nemen? Indien neen, waarom niet?
Het aantal gevallen, waarbij achteraf is gebleken dat ten onrechte preferentie is genoten, is uitermate gering. De Europese Commissie controleert de preferentiële oorsprong van producten uit Israël en de door Israël bezette gebieden.
Deelt u het verzoek van het Europees Parlement aan de Europese Commissie om een zwarte lijst op te laten stellen van bedrijven die in deze praktijken volharden en de lidstaten daarvan op de hoogte te stellen? Zo ja, op welke wijze neemt u maatregelen om een dergelijke lijst mogelijk te maken? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Het is aan de Europese Commissie om te bepalen of het opstellen van een zwarte lijst van bedrijven die in deze praktijken volharden zinvol en wenselijk is. Instelling van een dergelijke maatregel valt daarom onder de verantwoordelijkheden van de Europese Commissie.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan «overweging N» uit de resolutie van het Europees Parlement waarin wordt gesteld dat de douaneautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten de waarachtigheid moeten controleren van de opgaven betreffende de preferentiële oorsprong van producten die in de EU worden ingevoerd?5
Het is staande praktijk om achteraf te controleren bij de importeur.
Deelt u de opvatting dat, indien Nederland niet verhindert dat producten uit de Israëlische nederzettingen van de bezette Palestijnse gebieden invoert, Nederland meewerkt aan de exploitatie van de bezetting? Indien neen, kunt u dat toelichten?
Nederland volgt de internationale lijn. Er is geen verbod op de invoer van producten van nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever.
Bent u bereid om tijdens de eerste bijeenkomst in juni a.s. van de nieuwe samenwerkingsraad Nederland-Israël er bij uw Israëlische collega’s op aan te dringen dat bepaalde bedrijven die tot nu toe doorgaan met de export van uit de Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden afkomstige producten op grond van de Associatieovereenkomst EU-Israël hiermee stoppen? Indien neen, waarom niet?
Zolang er geen aanwijzingen zijn van systematische ontwijking of ontduiking van regelgeving is er aanleiding dit aan de orde te stellen in de samenwerkingsraad Nederland-Israël.
De bouw van een megastal bij Vlagtwedde |
|
Rik Grashoff (GL), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de gemeente Vlagtwedde om toestemming te verlenen voor een melkveebedrijf van 1 000 melkkoeien, 800 stuks jongvee en een bouwblok van 10 hectare in Bourtange?1
Ja.
Hoe verhoudt deze omvang zich tot de door u eerder genoemde bovengrens van 300 grootvee eenheden?
Ik heb eerder aangegeven dat een zeer gering percentage van de bedrijven een grotere omvang heeft dan wat overeenkomt met een bedrijf waar één of twee gezinsinkomens uit behaald kunnen worden. Bestaande bedrijven die qua omvang daar boven zitten komen dus ook voor. Zoals ik in mijn visie veehouderij heb aangegeven, biedt het huidige ruimtelijke ordenings- en milieuinstrumentarium provincies en gemeenten de mogelijkheden te sturen op een goed woon- en leefklimaat.
In hoeverre is met een stal van dergelijke omvang nog sprake van een duurzame en maatschappelijk verantwoorde veehouderij, gelet op aspecten als leefomgeving en volksgezondheid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u met ons van mening dat de koe in de wei hoort, niet in de ligbox? Zo nee, waarom niet?
Weidegang is een belangrijk thema van de partners in de Duurzame Zuivelketen. FrieslandCampina en andere zuivelbedrijven hebben in 2011 mooie initiatieven met stimulerende maatregelen ontplooid om verreweg het grootste gedeelte van de Nederlandse melkkoeien tijdens de zomer-maanden in de wei te laten grazen. Het is aan de partners in de gehele keten om hieraan invulling te geven. In overleg met hen zal ik bezien hoe verdere voortgang kan worden geboekt.
Deelt u de mening dat na de gigastal in Grubbenvorst en bovengenoemde stal het moment daar is voor een noodwet, zoals u in het algemeen overleg Intensieve veehouderij heeft aangegeven te overwegen als er een spoor aan het ontstaan is van gigantische bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Vlagtwedde heeft bij brief van 13 maart 2007 de aanvrager bericht de vestiging van het nieuwe melkveebedrijf aan de Bourtangerweg te Vlagtwedde in beginsel aanvaardbaar te achten, dit onder voorbehoud van onder meer de te voeren planologische procedure, de op grond van de milieuwetgeving te stellen eisen, een goede landschappelijke inpassing en de instemming van het college van Gedeputeerde Staten.
De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijke ordeningsbeleid ligt primair bij de provincies en gemeenten.
Bij deze trend van grootschalige ontwikkeling zal ik op basis van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel ingrijpen en een grens stellen. Overigens zal ik er bij de betreffende provincie en gemeente op aandringen om geen onomkeerbare stappen te zetten tot het advies van de Gezondheidsraad gereed is.
Bent u bereid om de met de provincie Groningen in overleg te gaan om de aanleg van deze megastal te voorkomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u, omdat Provinciale Staten van Groningen op 7 maart a.s. spreken over het proces rond deze grootschalige melkveehouderij te Vlagtwedde, deze vragen uiterlijk op 5 maart 2012 beantwoorden?
Zie antwoord op vraag 6.
Het artikel 'Politici verzwegen bewust omvang Oost-Europese misdaad' |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Knapen (CDA) , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Politici verzwegen bewust omvang Oost-Europese misdaad»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Europese politici bewust de aard en de omvang van de Oost-Europese misdaad toegedekt hebben in de aanloop naar de toetreding van Oost-Europese landen tot de Europese Unie? Zo ja, waaruit valt dit af te leiden en in welke gevallen speelde dit? Zo nee, waarom bent u het hier niet mee eens?
Het probleem van misdaad uit Oost-Europa is in aanloop naar de respectievelijke toetredingen niet bewust verzwegen of toegedekt. Het nemen van maatregelen voor het bestrijden van georganiseerde criminaliteit maakt deel uit van het toetredingsproces tot de Europese Unie (specifiek Hoofdstuk 24 van de toetredingsonderhandelingen: rechtspraak, vrijheid en veiligheid, betreffende o.a. de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken). Zowel in de Europese Raad als in nationale parlementen is hierover gesproken.
Dat laat onverlet dat criminele bendes die opereren vanuit oostelijke Europese lidstaten inmiddels een reëel probleem vormen. De aanpak hiervan is een prioriteit van de regering, waarbij nauw wordt samengewerkt met betrokken landen en organisaties als EUROPOL.
Is dit probleem bewust verzwegen of is dit probleem onderschat?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze werd de afgelopen jaren in de Raad van Ministers het probleem van georganiseerde misdaad in Oost-Europa besproken? Op welke wijze wordt daar nu over gesproken wanneer het gaat om de evaluaties van landen die in een toetredingsproces tot de Europese Unie zitten? Op basis van welke gegevens wordt dit besproken? Is dit voor verbetering vatbaar?
Intra-Europese misdaadbestrijding heeft de volle aandacht van de JBZ-raad en is een terugkerend onderwerp op de agenda. Onder meer in het «Comité Interne Veiligheid», COSI, bespreken EU-lidstaten en de EU-agentschappen belast met rechtshandhaving regelmatig de initiatieven, acties en voortgang in de samenwerking binnen de EU op het terrein van bestrijding van georganiseerde criminaliteit.
Voor het overige verwijzen wij naar de brief over rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa die de Minister van Veiligheid en Justitie mede namens de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel binnenkort naar uw Kamer zal sturen.
Het EU-uitbreidingsproces is aan strikte regels gebonden. Landen met toetredingsperspectief moeten wat betreft bestrijding van criminaliteit voldoen aan de criteria voortvloeiend uit eerdergenoemd Hoofdstuk 24 van de toetredingsonderhandelingen. De Europese Commissie rapporteert over de implementatie van deze criteria. Daarbij worden misdaadcijfers in betrokken landen meegenomen, maar bijvoorbeeld ook de capaciteit van aanklagers en rechters om misdadigers te vervolgen en te berechten. Het kabinet zal er scherp op blijven toezien dat kandidaat-lidstaten pas kunnen toetreden tot de EU als zij hebben aangetoond dat de hervormingen die zij hebben doorgevoerd duurzaam en onomkeerbaar zijn. De eind vorig jaar door de Europese Commissie voorgestelde, en door de Raad goedgekeurde, aangepaste onderhandelingsmethodiek, waarbij in nieuwe toetredingsprocessen de onderhandelingen over Hoofdstukken 23 (over de rechterlijke macht en fundamentele rechten) en 24 als eerste geopend zullen worden, zal hier naar verwachting aan bijdragen. Nederland zal er daarbij op blijven aandringen dat het aannemen van wetten op dit terrein maar één kant van de medaille is. Belangrijker nog is de uitvoering en handhaving van wetgeving. Nederland zal de kandidaat-lidstaten blijven beoordelen op hun «staat van dienst» (track record) op dat gebied. Van het louter afvinken van wetten kan geen sprake zijn. Nederland wil zien dat de wetgeving ook leidt tot duurzame en onomkeerbare maatschappelijke en politieke transformatie in de betreffende landen.
Hoe kan in de toekomst voorkomen worden dat dit probleem zich weer voordoet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe werd in het verleden het probleem van de georganiseerde misdaad in Oost-Europese landen en de gevolgen van toetreding tot de Europese Unie door deze landen voor bestaande lidstaten op dit gebied in kaart gebracht? Is dit voor verbetering vatbaar en zo ja, hoe kan dit verbeterd worden?
Zie antwoord vraag 4.
Zal Nederland zich in de Raad inzetten voor het maken van een prioriteit van de aanpak van georganiseerde misdaad door landen in het toetredingsproces en het verbinden van consequenties voor het toetredingsproces van deze landen aan het niet boeken van voldoende vooruitgang en het opbouwen van een track record bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft Nederland inmiddels voldoende zicht op de omvang van dit probleem? Zo ja, wat is deze omvang en wat zijn de gevolgen voor Nederland? Wat valt hieraan te doen? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat er wel voldoende zicht hierop komt?
Wij verwijzen naar de hiervoor genoemde brief over rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa die uw Kamer is toegezegd. De betrokken bewindspersonen zullen in die brief deze en andere aspecten in hun samenhang presenteren en behandelen.
Is het volgens u nodig dat er een korpschef met een portefeuille Oost-Europese misdaad komt? Wat zijn hiervan de voordelen en is dit praktisch wenselijk en uitvoerbaar? Als u het hier niet mee eens bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de samenwerking tussen Europese opsporingsdiensten wordt verbeterd zodat meer misdrijven kunnen worden opgelost? Welke vooruitgang is hierop geboekt de afgelopen jaren en zal dit de komende jaren verder verbeteren?
Zie antwoord vraag 8.
Is het waar dat arbeidsmigranten uit Oost-Europa over het algemeen geen band hebben met de criminele bendes en dus niet verantwoordelijk zijn voor deze misdrijven?
Dat lijkt het geval te zijn. In het rapport-Koopmans inzake Lessen uit Recente Arbeidsmigratie (www.tweedekamer.nl/nieuws/kamernieuws/newspage969_rapport_tclura.jsp) wordt geconstateerd dat criminaliteit gepleegd in Nederland door mensen uit Midden- en Oost-Europa niet zo zeer is toe te schrijven aan arbeidsmigranten, maar juist aan mensen die louter met een crimineel motief naar Nederland komen.
Stakingen in het onderwijs |
|
Ton Elias (VVD) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de situatie dat vele scholen – onder meer de Jenaplanschool Wittevrouwen te Utrecht, De Rank te Schagen en de brede school Annie M.G. Schmidt te Amsterdam – hebben meegedeeld dat de school gesloten is tijdens de voorgenomen onderwijsstaking op dinsdag 6 maart 2012 en dat leraren de facto niet de keus hebben om les te geven? Hoe beoordeelt u het feit dat de werkgever besluit te gaan staken en door de school te sluiten leraren de mogelijkheid ontneemt onderwijs te verzorgen?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen. Staken is een recht van werknemers. Dat geldt ook voor het onderwijspersoneel. Het stakingsrecht betreft werknemers en niet scholen. Scholen kunnen hun leraren niet verplichten mee te doen met protesten tegen onderwijsplannen van het kabinet. Leraren die willen werken moeten daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Als leraren hun normale werkzaamheden door omstandigheden niet kunnen uitoefenen, moet er in overleg met de school worden gezocht naar een maatwerkoplossing.
Heeft u kennisgenomen van het besluit van het College van Bestuur van Scholengroep Spinoza om de scholen op donderdag 26 januari 2012 te sluiten en personeel actief op te roepen te gaan staken?2 Zo ja, hoe beoordeelt u het actief oproepen tot staking door schoolbesturen?
Nee, ik ken dit besluit niet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is staken een recht van de werknemer en niet van de werkgever. Schoolbesturen zijn als werkgever verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs en de goede voortgang van het onderwijs.
Bent u bekend met de stelling dat een school gesloten wordt als 30% of meer van de leraren staakt?3 Zo ja, waar is die op gebaseerd?
Nee.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat verschillende scholen ouders voor een voldongen feit stellen door hen mede te delen (vaak per mail of brief) de school te sluiten bij de staking op dinsdag 6 maart 2012?
Ja.
Hoe oordeelt u over het gegeven dat ouders in zulke gevallen geen inspraak hebben in het besluit een school al dan niet te sluiten?
Het bevoegd gezag dient bij een staking tijdig en goed overleg te voeren met de medezeggenschapsraad. Ook moeten de ouders tijdig op de hoogte worden gebracht. Voor ouders van leerlingen in zowel het basisonderwijs, als het voortgezet onderwijs, als het (voortgezet) speciaal onderwijs is het essentieel goed en tijdig geïnformeerd te worden door de school.
Deelt u de mening dat ouders terecht bezwaar maken tegen het sluiten van scholen, omdat het hen opzadelt met extra kosten voor kinderopvang dan wel noodzaakt tot het opnemen van een extra vrije dag?3 Zo ja, vindt u dat scholen een oplossing moeten bieden voor ouders die niet de mogelijkheid hebben opvang te regelen of een vrije dag te nemen?
Leerlingen kunnen niet zo maar naar huis worden gestuurd. De school heeft in het kader van de medezeggenschap immers met de ouders (en in het voortgezet onderwijs ook de leerlingen) afspraken gemaakt over de planning van de onderwijstijd en deze vastgelegd in de schoolgids. Als blijkt dat er ouders zijn die geen enkele mogelijkheid hebben om hun kinderen op die dag op te (laten) vangen, dan is het schoolbestuur er verantwoordelijk voor dat er gedurende de dag passende opvang wordt georganiseerd, desnoods via externe buitenschoolse opvang. Ook in het voortgezet onderwijs zouden schoolbesturen bij staking een alternatief, zoals een noodrooster, moeten regelen.
Bij voorkeur vindt de opvang van leerlingen plaats door de basisschool zelf. Mocht dat niet kunnen, dan kan de school externe buitenschoolse opvang regelen. Als ouders hierom verzoeken, heeft de school ook een wettelijke zorgplicht voor de organisatie van externe buitenschoolse opvang, met dien verstande dat de kosten voor rekening van de ouders komen. Gelet daarop, is het natuurlijk zaak dat de school hier alleen voor kiest als het echt niet anders kan.
In de uitzonderlijke situatie dat het door overmacht niet mogelijk blijkt om een alternatief te bieden, is van belang dat ouders zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd zodat zij zelf maatregelen kunnen treffen.
Deelt u de mening van sommige ouders dat het vreemd is dat leraren van overheidswege worden doorbetaald wanneer zij staken, dan wel uit de stakingskas worden betaald, terwijl deze ouders zelf extra kosten moeten maken? Zo nee, waarom niet?
Werknemers hebben stakingsrecht. Het is echter een zaak van werkgevers en werknemers of er al dan niet wordt gekort op het salaris. Ik heb wel aangegeven dat ik de meest geëigende weg hiervoor de stakingskas vind. Die wordt immers ook door contributies voor dat doel gevuld.
Een staking heeft per definitie maatschappelijke consequenties. Om deze consequenties zo goed mogelijk op te vangen, moet tijdig en goed gecommuniceerd worden met ouders, leerlingen en personeel. Het is echter niet zo dat het bevoegd gezag automatisch verantwoordelijk is voor alle kosten die voortvloeien uit de maatschappelijke consequenties van de staking.
Heeft u kennisgenomen van het besluit van sommige scholen die hun deuren sluiten op de dag van de staking om eveneens geen voor- en naschoolse opvang aanbieden? Zo ja, is dit wettelijk toegestaan? Wanneer dit niet wettelijk toegestaan is, welke eventuele acties kunt u ondernemen tegen scholen die hiertoe wel besloten hebben?
Zie het antwoord op vraag 6. Ik ben niet van plan specifieke acties te ondernemen jegens de scholen die geen voorziening hebben getroffen.
Bent u er mee bekend dat volgens de gespecialiseerde vakbondspers4 veel werkgevers hun docenten na de vorige staking van 26 januari jl. niet hebben gekort op hun salaris? Hoe beoordeelt u dit besluit van de werkgevers, waarover u de vragen die destijds zijn gesteld tijdens het mondelinge vragenuur van 31 januari jl. nog niet kon beantwoorden?
In het mondelinge vragenuur van 31 januari jl. gaf ik aan dat ik de meest geëigende weg hiervoor de stakingskas vind, maar dat ik er formeel niet over ga: het is een zaak van werkgevers en werknemers of er al dan niet wordt gekort op het salaris. Op het al dan niet doorbetalen van het salaris bij een staking kan het ministerie van OCW geen invloed uitoefenen.
Kunt u inmiddels aangeven hoeveel scholen hun leraren doorbetaalden na de staking van donderdag 26 januari jl.?
Nee, dat heb ik niet laten onderzoeken.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV, dat het inhalen van de gestaakte uren door leraren tegen het stakingsrecht is?5 Zo ja, hoe beoordeelt u die stellingname?
Van de stellingname van mevrouw Jongerius heb ik kennis genomen. In Nederland hebben werknemers het recht om te staken. Dat geldt ook voor het onderwijspersoneel. Wel moet bij stakingsacties in het onderwijs de overlast voor de schoolorganisatie, voor de leerlingen en voor de ouders zo beperkt mogelijk worden gehouden. Ook moet er voldaan worden aan de wettelijke eisen, onder meer die ten aanzien van onderwijstijd. Daarbij wordt niet de leraar (de werknemer) maar het bevoegd gezag (de werkgever) aangesproken.
Leerlingen hebben recht op voldoende onderwijs. Daarvoor worden scholen betaald uit publieke middelen. Als vanuit het toezicht van de inspectie blijkt dat een school niet voldoende onderwijstijd heeft gerealiseerd, kan dit leiden tot een gedeeltelijke terugvordering van de bekostiging, naar rato van het aantal te weinig gegeven uren. Als een school door de staking niet aan de urennorm voldoet, wordt het bevoegd gezag daarop aangesproken, niet de leraren. Het aanspreken van scholen om ervoor te zorgen dat zij voldoende onderwijstijd realiseren (hetzij door meer te programmeren, hetzij door adequate opvang van lesuitval, hetzij door later inhalen van uitgevallen lessen), gaat dan ook niet in tegen het stakingsrecht van leraren.
Kunt u uw eerdere aankondiging dat de Inspectie voor het Onderwijs zal kijken naar de urenrealisatie van scholen en of voldoende onderwijsuren zijn gerealiseerd, nogmaals bevestigen? Hoe verhoudt dit zich tot de onder vraag 11 genoemde stelling van de FNV-voorzitter?
Voor het voortgezet onderwijs zal de inspectie nog één of enkele jaren steekproefsgewijs specifiek toezicht houden op de naleving van de onderwijstijd. Ik streef ernaar dat thema zo snel mogelijk te laten «indalen» in het reguliere, risicogerichte toezicht. Voor het basisonderwijs is dat al het geval.
Zie verder het antwoord op vraag 11.
Herinnert u zich uw brief van 31 maart 2011 inzake het passend onderwijs6 waarin u stelt dat de schoolbesturen de kosten voor het vervoer van leraren naar de landelijke manifestatie passend onderwijs te Nieuwegein op 9 februari 2011 hebben betaald? Herinnert u zich uw antwoord op vragen tijdens het mondelinge vragenuur van 31 januari 2012, nl. dat het vervoer niet betaald zou zijn door de schoolbesturen? Kunt u definitief bevestigen dan wel ontkrachten dat de schoolbesturen het vervoer voor stakende leraren hebben betaald?
Hier blijkt sprake te zijn van een misverstand. In het mondelinge vragenuur van 31 januari 2012 verwees ik niet naar genoemde brief van 31 maart 2011 inzake passend onderwijs, maar naar de kort daarvoor door mij beantwoorde Kamervragen van het lid Elias (VVD) over het door scholen betalen van vervoer naar een LAKS-demonstratie (ingezonden 22 december 2011, beantwoord 16 januari 2012).
In de brief van 31 maart 2011 gaf ik aan dat schoolbesturen inderdaad de kosten voor het vervoer naar de manifestatie passend onderwijs te Nieuwegein op 9 februari 2011 hebben betaald. In de beantwoording van de vragen over het door een school betalen van vervoer van leerlingen naar een LAKS-demonstratie schreef ik dat de gemaakte kosten voor de leerlingenraad van de betreffende school waren, dat deze kosten zijn betaald door verkoop van buskaarten aan de leerlingen die naar de LAKS-demonstratie gingen (en daar toestemming voor hadden), dat de directie van de betreffende school hier op geen enkele manier bij betrokken is geweest en dat er dan ook geen onderwijsgeld is ingezet voor het vervoer van de leerlingen.
Hoe beoordeelt u de houding van een meerderheid van de schoolbesturen, verenigd in de VO-Raad, die reeds op voorhand per resolutie verklaarde dat zij een democratisch genomen besluit inzake het wetsvoorstel «Onderwijstijd» niet zal uitvoeren?7
Ook scholen voor voortgezet onderwijs dienen zich te houden aan de wet. Ik heb de VO-raad inmiddels mijn reactie op de resolutie laten weten.
Deelt u de mening dat het keer-op-keer demonstreren tegen het wetsvoorstel en de eerder geuite plannen, zonder nieuwe standpunten naar voren te brengen, leerlingen onnodig de dupe laat zijn door afwezigheid van docenten?
Staken is een recht van werknemers. Dat geldt ook voor het onderwijspersoneel. Schoolbesturen zijn als werkgever verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs en de goede voortgang van het onderwijs.
Ik ben van mening dat uitval van lessen daarbij zo veel mogelijk moet worden voorkomen. De inspectie ziet toe op het realiseren van voldoende onderwijstijd. Uren die als gevolg van een staking uitvallen, tellen niet mee als onderwijstijd.
Kent u het bericht dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen katholieke instellingen veel langer moeten wachten op een schadevergoeding dan voorzien?1 Herinnert u zich de vragen over het aantal sterfgevallen in katholieke instellingen voor verstandelijk gehandicapte kinderen?2
Ja.
Is het waar dat de compensatiecommissie van het Meldpunt Seksueel Misbruik RKK slachtoffers half december 2011 heeft toegezegd om binnen zes weken, maar uiterlijk begin februari, uitsluitsel te geven en dat vorige week pas de aanvragers van een vertraging op de hoogte zijn gesteld?
Blijkens informatie van het onafhankelijke Meldpunt Seksueel Misbruik RKK is eind februari aan de eerste 47 aanvragers van compensatie bericht dat de behandeling van hun aanvragen meer tijd in beslag heeft genomen dan de Compensatie Commissie aanvankelijk heeft aangenomen. De voorzitter van de Compensatie Commissie heeft aangegeven dat de vertraging zeer wordt betreurd, maar een zorgvuldige beoordeling meer tijd vergt dan aanvankelijk was voorzien en dat de Compensatie Commissie haar uiterste best doet alle aanvragen zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen de toegezegde termijn van zes weken te behandelen.
Ik kan niet op basis van de vertraging in de afhandeling van de eerste compensatieverzoeken een oordeel geven over de opvolging die de Rooms-Katholieke Kerk geeft aan de aanbevelingen van de Commissie Deetman. De Rooms-Katholieke Kerk moet enige tijd worden gegund om de aangekondigde maatregelen tot uitvoering te brengen. Het is vervolgens primair aan de Commissie Deetman om bij de eerste monitoring met een oordeel te komen over de opvolging van de aanbevelingen.
Deelt u de mening dat met bovenbeschreven gang van zaken het belang van eendrachtig handelen binnen de Rooms-Katholieke Kerk om nu en in de toekomst samen met de slachtoffers door erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg bij te dragen aan herstel van het aangedane leed, zoals verwoord in de eerste aanbeveling van de commissie-Deetman, in het geding is gekomen en daarmee naar onvoldoende wordt opgevolgd door de Rooms-Katholieke Kerk? Zo ja, welke middelen staan u ter beschikking om hier wat aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de opvatting dat de Staat onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van mensenrechten binnen de kerkelijke instellingen, gezien het feit dat uit het rapport van de commissie-Deetman blijkt dat seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van 1945–2010 van structurele aard was en een grote omvang kende?
In mijn brief aan uw Kamer van 13 februari 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33000-VI, nr. 82) en tijdens het debat naar aanleiding van het rapport van de Commissie Deetman op 31 januari en 15 februari 2012 ben ik ingegaan op de rol van de overheid zoals die in verschillende onderzoeken aan de orde komt en is gekomen. Ik memoreer hier dat de Commissie Samson onderzoek doet naar seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in een instelling of pleeggezin zijn geplaatst, bekendheid van de overheid met deze signalen en de reactie van de overheid hierop alsook huidige mechanismen voor het signaleren van seksueel misbruik. Zoals ik tijdens het debat heb aangegeven, kunnen concrete klachten over de rol van de politie en het Openbaar Ministerie aan mijn departement worden gezonden. Over een half jaar zal worden bezien welke conclusies hieruit moeten worden getrokken.
Uit de bevindingen van de Commissie Deetman ten aanzien van de omvang en de aard van het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk kunnen geen algemene conclusies worden getrokken over het toezicht van de Staat op de naleving van de mensenrechten. Waar het betreft seksueel misbruik in horizontale relaties, zoals bij het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk, staat de rol van de Staat vanuit het oogpunt van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ter discussie als enig overheidsorgaan wist of behoorde te weten van seksueel misbruik en heeft nagelaten (preventieve) maatregelen te nemen. Ik verwijs u voor het juridisch kader naar de bijlage bij de brief aan uw Kamer van 31 maart 2010 van de toenmalige Ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VI, nr. 91). Mede gelet op de uitkomsten van de onderzoeken door de Commissie Deetman en de heer Steenhuis heb ik daarvoor nu geen aanwijzingen.
Hebt u concrete aanwijzingen dat de justitiële autoriteiten wetenschap hebben gehad of hadden moeten hebben van dergelijke misdragingen binnen katholieke instellingen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, kunt u dan bevestigen dat deze autoriteiten geen rol hebben gespeeld in het willens en wetens negeren van misdragingen binnen katholieke instellingen in de hele periode van 1945–2010?
Uit de mij op dit moment ter beschikking staande gegevens heb ik geen aanwijzingen dat de justitiële autoriteiten wetenschap hebben gehad van (de aard en omvang van) misbruikzaken binnen Rooms-Katholieke instellingen, anders dan de zaken die aan de politie en het Openbaar Ministerie ter kennis zijn gebracht. Evenmin heb ik aanwijzingen dat er sprake is geweest van het willens en wetens negeren van misdragingen binnen katholieke instellingen in de periode 1945–2010. In het rapport van de Commissie Deetman komen diverse van deze zaken aan de orde, waarin door de politie onderzoek is verricht en het Openbaar Ministerie tot vervolging is overgegaan.
Wat was de rol van de overheid, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) bij specifiek en actief het tegengaan van misbruik binnen de Rooms-katholieke Kerk in de periode 1945 tot 2010?
Voor zover ik heb kunnen nagaan was er bij de overheid, de politie en het Openbaar Ministerie geen afzonderlijke (beleidsmatige) aandacht voor specifiek het tegengaan van seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Daarbij dient bedacht te worden dat er in de naoorlogse decennia zowel politiek als bestuurlijk relatief weinig aandacht was voor zedenmisdrijven en de bestrijding ervan. De achtergrondstudies bij het rapport van de Commissie Deetman geven hiervan een beeld.
Voor zover van zaken melding werd gedaan bij de politie of het Openbaar Ministerie werden die als individuele zaak beoordeeld en afgehandeld. Bij grotere onderzoeken waarin katholieke instellingen een rol speelden werd met het oog op de gewenste afstand wel de rijksrecherche met het onderzoek belast. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het onderzoek naar misstanden in de Rooms-Katholieke instelling in Harreveld.
Hoe verklaart u het feit dat ondanks de grote omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van 1945–2010 het aantal zaken dat uiteindelijk voor de rechter kwam gering is?
Het onderzoek van de Commissie Deetman heeft laten zien dat het zwaartepunt van de misbruikzaken ligt in de periode 1945–1970 en dat misbruik toen nauwelijks door slachtoffers bij de overheid werd gemeld. In het rapport van de Commissie Deetman worden als verklarende factoren onder meer genoemd de taboesfeer rondom seksualiteit, de zwijgcultuur en drempels voor slachtoffers om aangifte te doen. Dit verklaart waarom het aantal zaken dat uiteindelijk voor de rechter is gekomen gering is.
Is het waar dat priesters lagere straffen voor seksueel misbruik kregen dan andere individuen in de samenleving? Zo ja, hoe verklaart u deze voorkeursbehandeling? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De mij ter beschikking staande systemen kunnen geen inzicht bieden in de door rechters gehanteerde strafmaat in zedenzaken in het verleden, waar het gaat om de vergelijking van straffen die aan priesters of andere Rooms-Katholieke geestelijken zijn opgelegd en de straffen die in vergelijkbare gevallen aan anderen werden opgelegd. Hierbij is tevens van belang dat er weinig vergelijkingsmateriaal is omdat er destijds nauwelijks aangifte werd gedaan en er maar een beperkt aantal zaken tegen Rooms-Katholieke geestelijken aan de rechter is voorgelegd. Ik heb geen aanwijzingen dat vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke Kerk van de justitiële autoriteiten een voorkeursbehandeling genoten.
Waarom duurt het langer dan de in september 2011 voorziene paar maanden was voordat de uitkomst van het feitenonderzoek van het OM naar de sterfgevallen in de zwakzinnigeninstelling Sint Joseph in Heel bekend wordt? Welke aspecten?
De beschikbare onderzoekscapaciteit en het lokaliseren en benaderen van betrokkenen, alsmede het lokaliseren en ontsluiten van relevante archieven hebben ertoe geleid dat het feitenonderzoek tot begin maart 2012 heeft voortgeduurd. Procureur-generaal Moraal heeft tijdens de hoorzitting van uw Kamer op 18 januari 2012 meegedeeld dat het onderzoek naar verwachting dit voorjaar zal zijn afgerond. Momenteel wordt gewerkt aan de eindrapportage.
Is de eerdere vraag of het OM of andere delen van de rechterlijke macht al jaren eerder zouden kennis zouden hebben gehad over het aantal sterfgevallen nog steeds onderwerp van onderzoek? Zo ja, is het vinden van een antwoord op die vraag mede de reden voor de langere duur van het feitenonderzoek?
Deze vraag is nog steeds onderwerp van onderzoek, maar is niet bepalend voor de duur ervan.