De relatie tussen uitspraken van Eurocommissaris Kroes en de aandelenemissie van Ziggo |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de aandelenemissie van Ziggo flink overtekend was?1
Ja.
Is u ook opgevallen dat Ziggo volgens het prospectus de afgelopen jaren sterk stijgende winstcijfers heeft laten zien (in 2011 een EBITDA van € 834,6 miljoen, 56,5% van de omzet)? Is u tevens opgevallen dat van de omzet slechts 16,4% werd besteed aan nieuwe investeringen? Kunt u bevestigen dat dergelijke winstcijfers, zeker in verhouding tot de relatief lage benodigde investeringen, in goed concurrerende markten zelden voorkomen? Bent u het met mij eens dat deze cijfers aantonen dat consumenten al jarenlang veel te veel moeten betalen voor hun kabelabonnement?
Het is juist dat Ziggo de afgelopen jaren sterk stijgende winstcijfers heeft laten zien. Deze stijgende winstcijfers zijn enerzijds een gevolg van een toename aan inkomsten door o.a. een sterke groei van het marktaandeel op de breedbandmarkt en de verkoop van triple play pakketten en anderzijds een reductie in kosten2. De investeringen die Ziggo de afgelopen jaren heeft gedaan in een sneller netwerk lijken op dit moment voor Ziggo haar vruchten af te werpen.
Ik heb geen oordeel over de hoogte van winstcijfers en investeringsbedragen. Investeringsbeslissingen zijn nadrukkelijk aan private ondernemingen zelf. Ik wijs er overigens wel op dat de EBITDA betrekking heeft op het resultaat voor belastingen, rente en afschrijvingen en derhalve de bruto winst betreft. Een belangrijke post daarvan betreft bij Ziggo de rentelasten, die betaald moeten worden over de schulden van het bedrijf. De netto winst ligt daardoor veel lager.
Uit deze cijfers haal ik niet dat consumenten te veel betaald hebben voor hun kabelabonnement. Consumenten zijn vrij om diensten van andere aanbieders af te nemen indien ze de tarieven van kabelabonnementen te hoog vinden. Uit de groei van Ziggo in marktaandeel op de breedbandmarkt en triple play pakketten, leid ik af dat er een voor consumenten concurrerend aanbod in de markt staat. Meer specifiek voor de televisiemarkt heeft OPTA eind vorig jaar geconcludeerd dat regulering van de televisiemarkt op dit moment niet nodig is omdat de markt steeds concurrerender wordt.
Is u tevens opgevallen dat de leden van de Raad van Bestuur van Ziggo en de president-commissaris rijkelijk beloond zijn met aandelen, bijvoorbeeld de bestuursvoorzitter voor € 13,3 miljoen en de voorzitter van de raad van Commissarissen (RvC) voor € 15,8 miljoen? Wat vindt u van dergelijke astronomische beloningen? Hebt u de indruk dat de prestatie van beide heren in verhouding staat tot deze beloning en dat er nog enige relatie is met het langetermijnbelang van eigenaren, werknemers en klanten? Of past hierop wat u betreft de kwalificatie «exorbitante zelfverrijking»?
Ik ben het met de vragensteller eens dat beloningen van deze omvang zeer hoog zijn. De afwegingen voor het toekennen van een beloning moeten echter binnen de onderneming zelf worden gemaakt. Hierbij is het door de aandeelhoudersvergadering vastgestelde beloningsbeleid leidend en moet verder rekening gehouden worden met de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Het is de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen om de uitvoering van het beloningsbeleid af te stemmen op de geleverde prestaties van bestuurders, en daarbij aandacht te besteden aan het langetermijnbelang van de onderneming en al haar stakeholders en de beloningsverhoudingen binnen de onderneming.
Kent u het bericht dat Eurocommissaris Kroes in een besloten bijeenkomst met daarbij aanwezig onder anderen de bestuursvoorzitter van Ziggo zou hebben laten weten alles op alles te zullen zetten om de door de Tweede Kamer aangenomen amendementen over de openstelling van de kabel te blokkeren?2 Klopt het dat mevrouw Kroes na genoemd bericht geen mededeling heeft laten uitgaan dat zij verkeerd zou zijn begrepen? Zijn haar woorden derhalve juist weergegeven? Zo nee, bent u bereid na te gaan wat zij precies gezegd heeft?
Ja, ik ben bekend met dat bericht.
Als onderdeel van het jaarlijkse Europese kabelcongres heeft op 8 maart jongstleden in Brussel een bijeenkomst plaatsgevonden tussen een aantal kabel-ceo’s en Eurocommissaris Kroes. Tijdens deze reguliere jaarlijkse bijeenkomst is over een aantal onderwerpen gesproken, zoals de Digitale Agenda, de uitrol van glasvezelnetwerken en ook de kabelamendementen.
Na dit gesprek heeft de brancheorganisatie Cable Europe, zonder voorafgaande toestemming van mevrouw Kroes, een persverklaring uitgegeven, waarin ten onrechte bepaalde standpunten over de kabelamendementen aan mevrouw Kroes werden toegeschreven. De woordvoerder van mevrouw Kroes heeft echter gecommuniceerd dat zij nooit de opmerking heeft gemaakt die Cable Europe aan haar heeft toegeschreven. Kort daarna heeft Cable Europe het persbericht ingetrokken. Tenslotte kan ik melden dat mevrouw Kroes mij persoonlijk heeft bevestigd dat zij in de betreffende bijeenkomst slechts heeft gerefereerd aan het algemene Commissiebeleid om actief inbreuken op EU-regels te vervolgen, maar dat ze daarbij niet is ingegaan en ook geen enkele positie heeft ingenomen op de conformiteit van specifieke amendementen op de Nederlandse Telecommunicatiewet met EU-recht.
Deelt u de mening dat de uitspraken van Eurocommissaris Kroes in elk geval gezien kunnen worden als een duidelijk signaal over de opstelling van de Eurocommissaris ten opzichte van de door de Tweede Kamer aanvaarde amendementen over de openstelling van de kabel?
Neen, antwoorden op deze vragen zijn niet aan de orde. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 4. Afgaande op de persoonlijke verzekering van Eurocommissaris Kroes dat zij geen positie heeft ingenomen op de Nederlandse amendementen over de openstelling van de kabel, zie ik geen reden haar nader aan te spreken over bovenstaande kwesties.
Bent u het ermee eens dat dit signaal mogelijk invloed kan hebben gehad op de introductiekoers van Ziggo, aangezien de winstgevendheid van Ziggo mede zo groot is door het gebrek aan concurrentie?
Zie antwoord vraag 5.
Is het opmerkelijk en onverstandig dat de Eurocommissaris uitspraken heeft gedaan die van directe invloed kunnen zijn op de inschrijving voor de emissie van het aandeel Ziggo, dat dit gebeurde op vrijwel hetzelfde moment als het prospectus van Ziggo openbaar werd gemaakt, en dat ook nog in een besloten bijeenkomst in aanwezigheid van de bestuursvoorzitter van Ziggo die persoonlijk een miljoenenbelang had bij deze emissie?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u dat de Eurocommissaris zich had moeten realiseren dat uitspraken over haar houding ten opzichte van de Nederlandse wetgeving in wording, relevante informatie was voor potentiële investeerders? Kunt u bij haar nagaan of zij zich dat heeft gerealiseerd en waarom zij daar desondanks uitspraken over heeft gedaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen onderzoek te doen naar de vraag welke uitspraken de Eurocommissaris exact gedaan heeft, hoe die uitspraken tot stand zijn gekomen, hoe ze openbaar zijn geworden, welk belang daarmee gediend werd en of de Eurocommissaris op de hoogte was van dat belang en van het openbaar maken van haar uitspraken, of zij toen zij haar uitspraken deed op de hoogte was van de aanstaande beursgang van Ziggo en de publicatie van het prospectus op 9 maart, en naar de mogelijke invloed die haar uitspraken hebben gehad op de emissie van het aandeel Ziggo?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Eurocommissaris aan te spreken op haar houding ten opzichte van de Nederlandse wetgeving in wording en haar te wijzen op de grote winsten die Ziggo (en UPC) kunnen maken in Nederland door het gebrek aan concurrentie op de kabel en haar eraan te herinneren dat zij in haar functie geacht wordt het op te nemen voor eerlijke marktwerking en de positie van consumenten?
Zie antwoord vraag 5.
Advocaten die blind blijven voor verdachte transacties |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Advocaten blijven blind voor verdachte transacties»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet melden van ongebruikelijke transacties door advocaten de schijn van betrokkenheid bij witwaspraktijken in de hand werkt? Zo nee, waarom niet?
Het enkele feit dat advocaten minder ongebruikelijke transacties melden dan andere juridische beroepsgroepen, zegt niets over betrokkenheid bij witwastransacties. Hierbij moet in de beschouwing worden betrokken dat voor juridische beroepsgroepen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) een beperkte meldingsplicht geldt in vergelijking met bijvoorbeeld financiële instellingen. De meldingsplicht geldt slechts voor enkele activiteiten van advocaten, bijvoorbeeld met betrekking tot de aankoop van vastgoed (vgl. artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 12°, WWFT). Advocaten zijn verder niet meldingsplichtig voor zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding (art. 1, tweede lid, WWFT).
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen advocaten die laks zijn geweest bij het melden van ongebruikelijke transacties? Zo nee, waarom niet?
Niet de Minister van Veiligheid en Justitie, maar het Bureau Financieel Toezicht (BFT) houdt toezicht op de naleving van de meldingsplicht door de advocatuur. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft de bevoegdheid om naar aanleiding van onderzoek door het BFT tuchtrechtelijke sancties op te leggen. Bovendien is het niet melden van een ongebruikelijke transactie strafbaar op grond van artikel 1, onder 2°, van de WED. De toezichthouder kan hiervan aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Politie en Ppenbaar Ministerie kunnen ook op eigen initiatief een overtreding van de WWFT onderzoeken.
Deelt u de mening dat het toezicht door de Nederlandse Orde van Advocaten op de meldingsplicht van advocaten niet afdoende is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het bestaande toezicht op de naleving van de WWFT door advocaten niet toereikend. Daarom heb ik onlangs een nota van wijziging op het wijzigingsvoorstel van de Advocatenwet, dat thans bij uw Kamer aanhangig is (kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 32 382, nrs 2–9), ter advisering voorgelegd aan de Raad van State. Nadat de Raad van State advies heeft uitgebracht zal de betreffende nota van wijziging aan uw Kamer worden gezonden. In de nota worden de overwegingen en voorgestelde maatregelen nader toegelicht. Deze maatregelen hangen nauw samen met het concept-wetsvoorstel tot wijziging van de WWFT, dat eerdaags bij uw Kamer zal worden ingediend.
Ziet u in deze berichtgeving aanleiding om maatregelen te treffen en ziet u hier ook een rol in weggelegd voor het Bureau Financieel Toezicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De veroordeling van vijf Papua's in Indonesië |
|
Harry van Bommel |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Indonesia: Five Papuans convicted for peaceful protest» van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch?1
Ja.
Deelt u de opvatting van Human Rights Watch dat de veroordelingen van de vijf Papua’s politiek gemotiveerd is en dat de aanklacht tegen deze vijf personen ingetrokken zou moeten worden? Indien neen, waarom niet?
Uit het vonnis blijkt dat de vijf mannen zijn veroordeeld vanwege het uitroepen van de onafhankelijkheid van Papua tijdens de afsluiting van het derde Papua Congres op 19 oktober 2011. De door hen voorgelezen verklaring wordt beschouwd als een poging tot hoogverraad, omdat deze gericht is op ondermijning van de territoriale integriteit van de republiek Indonesië.
Op maandag 19 maart jl. heeft de verdediging hoger beroep aangetekend omdat het Openbaar Ministerie onvoldoende zou hebben aangetoond dat het om hoogverraad gaat. Ik wacht de uitspraak in hoger beroep af.
Kregen de vijf Papua’s naar uw mening een eerlijk proces? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Beschouwt u deze gevangenen als gewetensgevangenen? Indien neen, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Bent u bereid zich tegenover de Indonesische autoriteiten uit te spreken tegen de veroordeling van de vijf Papua’s? Indien neen, waarom niet?
Zoals aangegeven, is de rechtsgang nog niet volledig doorlopen.
Is het waar dat de gevangengenomen Papua’s, in afwachting van en/of tijdens hun proces, werden geschopt en geslagen door de politie?
Volgens mensenrechtenorganisaties en de advocaten van de gevangengenomen personen zijn zij geslagen bij de arrestatie. Volgens deze zelfde bronnen zouden zij tijdens de detentie en het proces naar omstandigheden goed zijn behandeld.
Hoeveel Papua’s zitten er momenteel om politieke redenen gevangen in Indonesië?
Diverse bronnen, waaronder mensenrechtenorganisaties, noemen verschillende aantallen, uiteenlopend van drie tot 32 personen.
Is het juist dat bij de demonstratie, waarbij de vijf Papua’s opgepakt werden, minimaal drie doden vielen en negentig gewonden? Hoe beoordeelt u het optreden van de Indonesische autoriteiten tegen de demonstranten? Deelt u de opvatting van Human Rights Watch dat het toegepaste geweld tijdens dit overheidsoptreden excessief was? Indien nee, waarom niet?
De Nationale Mensenrechtencommissie Komnasham en ook Human Rights Watch hebben een eerste onderzoek verricht naar de gebeurtenissen die zich op 19 oktober jl na afloop van het derde Papua congres hebben voorgedaan. Daarnaast is ook door de Indonesische autoriteiten zelf een onderzoek ingesteld. De onderzoeken bevestigen dat in de directe omgeving van het Congres drie dodelijke slachtoffers zijn gevallen, maar de omstandigheden waaronder dit is gebeurd blijven onduidelijk.
De betrokken autoriteiten stellen dat het gebruikte geweld binnen de geldende normen is gebleven. Nederland heeft over de gebeurtenissen zorg uitgesproken tegenover de Indonesische autoriteiten.
Is het waar dat er, behalve interne disciplinaire sancties, geen maatregelen zijn genomen tegen de daders van het geweld tegen de demonstranten? Indien ja, hoe beoordeelt u dit? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
De politie was tijdens het Papua Congres verantwoordelijk voor veiligheidsmaatregelen. De politie heeft laten weten dat er disciplinaire straffen, waaronder degradatie en strafoverplaatsingen, zijn opgelegd vanwege incorrect optreden na afloop van het Congres. Het is niet bekend om hoeveel personen het gaat.
Deelt u de opvatting van Human Rights Watch dat de Indonesische strafwet, op basis waarvan de Papua’s gevangengezet zijn, in strijd is met de vrijheid van meningsuiting, zoals onder andere vastgelegd in de Indonesische grondwet, en internationale verdragen waarbij Indonesië partij is?
De strafwet in Indonesië dateert nog grotendeels uit de Nederlands-Indische tijd en is nog niet volledig afgestemd op de door Indonesië geratificeerde internationale conventies, zoals het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BuPo). Als gevolg hiervan zijn onderdelen daarvan niet geheel in lijn met internationaalrechtelijke verplichtingen, bijvoorbeeld waar het gaat om de vrijheid van meningsuiting. Aan een aanpassing van de wet wordt gewerkt.
Is het waar dat een advocaat van de veroordeelde Papua’s, Gustav Kawer, bedreigd is met vervolging?2 Indien ja, houdt deze bedreiging verband met het proces?
Daarvan is mij niets bekend. Wel heeft de genoemde advocaat tijdens de zitting van 21 februari jl. opmerkingen gemaakt aan het adres van de aanklager die als beledigend zijn opgevat. Het Openbaar Ministerie heeft, zonder verder in detail te treden, in de daaropvolgende zitting naar het transcript van de eerdere zitting gevraagd, omdat daar een strafbaar feit zou zijn gepleegd. Voor zover bekend is geen aangifte gedaan.
Bent u bereid bij de Indonesische autoriteiten aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de beschuldigingen van mensenrechtenschendingen door Indonesische veiligheidsdiensten tijdens de demonstratie in oktober 2011 waarbij de vijf Papua’s werden opgepakt? Indien neen, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 8 is aangegeven, hebben verschillende organisaties en de overheid reeds onderzoek verricht naar de gebeurtenissen die zich op 19 oktober hebben voorgedaan.
Bent u bereid het optreden van de veiligheidsdiensten tegen de demonstranten mee te wegen bij de overweging om tanks aan Indonesië te verkopen? Indien neen, waarom niet?
Op 15 december 2011 is een motie van het kamerlid El Fassed aangenomen die op de kwestie van de tanks ingaat. De regering beraadt zich op deze motie.
Intensivering van de bilaterale relatie met Israël |
|
Mariko Peters (GL), Frans Timmermans (PvdA), Alexander Pechtold (D66) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw beoordeling van het bezoek van de Israëlische premier Netanyahu aan Nederland in januari jl.? Wat waren uw doelstellingen voor dit bezoek en zijn deze gehaald?
Het werkbezoek van premier Netanyahu bracht op 18 en 19 januari jl. is een gebruikelijk bezoek voor twee staten met goede bilaterale betrekkingen. Met dit bezoek geeft het kabinet mede invulling aan het regeerakkoord. Doel van het bezoek was het bespreken van het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP) en regionale ontwikkelingen, in het bijzonder Syrië, Iran en de rol van Turkije. Hierbij is het Nederlandse standpunt voor het voetlicht gebracht.
Kunt u een volledig overzicht geven van de bilaterale afspraken die tijdens het bezoek zijn gemaakt, in het bijzonder ten aanzien van de intensivering van de Nederlands-Israëlische betrekkingen?
Tijdens het bezoek is besloten dat de Nederlands-Israëlische Samenwerkingsraad voor de eerste maal bijeen zal komen op 7 juni a.s. in Israël. Ook is afgesproken te bezien op welke wijze de relatie tussen Nederland en Israël instrumenteel kan zijn voor het vredesproces tussen Israel en de Palestijnse autoriteit. Dit heeft geresulteerd in afspraken over het leveren van een containerscanner bij de grensovergang Westbank-Jordanië (Allenby/King Hussein bridge) en over de export uit Gaza.
Is het waar dat de intensivering van deze betrekkingen geformaliseerd wordt via een bilaterale samenwerkingsovereenkomst, die de Nederlandse en Israëlische regeringen de komende maanden zullen uitwerken? Zo ja, kunt u aangeven hoe deze overeenkomst tot stand komt, welke status en elementen zij zal hebben en wanneer zij ondertekend zal worden?
Zoals bij andere landen waarmee Nederland een geformaliseerde samenwerking heeft, zal een oprichtingsdocument aan deze samenwerkingsraad ten grondslag liggen. Dit document wordt de komende maanden uitgewerkt om op 7 juni a.s. ondertekend te kunnen worden. De vorm van het document is nog niet vastgelegd. Zeker is evenwel dat het geen verdrag of een anderszins volkenrechtelijk bindend document zal zijn.
Bent u bereid deze samenwerkingsovereenkomst met de Kamer te delen voordat zij ondertekend en van kracht wordt? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet wil eerst overeenstemming bereiken met Israël over de inhoud van het document. De samenwerkingsovereenkomst valt binnen de kaders van het regeerakkoord. De Tweede Kamer zal na afloop van de Samenwerkingsraad worden geïnformeerd over de uitkomsten ervan.
Zijn er naast deze overeenkomst andere bilaterale overeenkomsten die in het kader van de intensivering van de betrekkingen gesloten worden?
De Samenwerkingsraad van 7 juni a.s. kan leiden tot het afsluiten van gemeenschappelijke schriftelijke intentieverklaringen in de vorm van bijvoorbeeld een Memorandum of Understanding, een Joint Declaration of een vergelijkbaar instrument.
Bent u bereid de agenda en doelstellingen van de eerste Nederlands-Israëlische Samenwerkingsraad met de Kamer te delen? Kunt u aangeven wie hier van Nederlandse zijde bij aanwezig zal zijn?
Zoals gesteld in reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van 1 maart 2012 met kenmerk 2012Z03917/2012D08560 over intensivering van de bilaterale relatie met Israël, vinden momenteel besprekingen plaats met de Israëlische regering over de precieze invulling van de agenda van 7 juni. Beide kanten hebben kenbaar gemaakt met elkaar te willen spreken over verdere samenwerking op het gebied van onderwijs, agro-food en water. Naast de minister-president, die de Nederlandse delegatie zal leiden, zullen ook minister van EL&I en ikzelf aan de Samenwerkingsraad deelnemen.
Welke concrete en bindende afspraken heeft u met de Israëlische regering gemaakt – of zult u maken – om te voorkomen dat bedrijven en instellingen die in nederzettingen zijn gevestigd kunnen deelnemen aan samenwerkingsactiviteiten die voortvloeien uit de intensivering?
Zoals ook gesteld in antwoorden op vragen van het lid Van Bommel van 2 maart 2012 met kenmerk 2012Z03986 (zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2147), is het Nederlandse bedrijven niet verboden handelsrelaties te onderhouden met bedrijven uit Israëlische nederzettingen in de Palestijnse Gebieden. De regering ontmoedigt economische relaties met bedrijven in de bezette gebieden. De Nederlandse ambassade in Tel Aviv of andere onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallende instellingen verlenen niet actief diensten aan bedrijven die gevestigd zijn in Israëlische nederzettingen. Desgevraagd worden dergelijke diensten geweigerd. Deze lijn wordt in de context van de Samenwerkingsraad voortgezet.
Bent u bereid om juridisch advies in te winnen omtrent het risico dat bedrijven en instellingen in nederzettingen bij samenwerkingsactiviteiten betrokken raken die uit de intensivering voortvloeien? Mocht u reeds juridisch advies ter zake hebben ontvangen, zou u dat met de Kamer willen delen?
In het licht van het antwoord op vraag 7 is er geen noodzaak tot aanvragen van juridisch advies.
Zal de intensivering een mensenrechtencomponent hebben? Zo ja, waar bestaat deze uit? Zo neen, waarom niet?
De EU voert reeds een constructieve dialoog over mensenrechten met Israël in de jaarlijkse bijeenkomsten van de informele werkgroep Mensenrechten EU-Israël en ook in bilaterale contacten wordt dit onderwerp wanneer nodig afdoende aan de orde gesteld.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden, vóór het algemeen overleg over het Mensenrechtenbeleid op 11 april a.s?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Inadequate zorg na de sluiting van de afdeling immunologie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen waarin u stelt dat de zorg voor patiënten na het sluiten van de specialistische klinische immunologie afdeling in het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) goed zou zijn geborgd?1
Ja.
Herinnert u zich het debat op 15 februari 2012 waarin u heeft opgeroepen om als patiënten geen goede behandeling krijgen omdat het AZM de specialistische klinische afdeling immunologie heeft gesloten dit bij u te melden?2
Ja. In het stenogram is hierover het volgende opgenomen: «Ik geef aan dat wij afspraken hebben gemaakt met het AZM over het goed doorgeleiden van patiënten. Als het niet gebeurt, wil ik dat die patiënten zich bij mij of bij de inspectie melden, zodat wij er daadwerkelijk iets aan kunnen doen.»
Er heeft zich tussen 15 februari 2012 en 2 april 2012 één patiënt bij mijn ministerie gemeld. Deze patiënt had een vervolgrecept nodig voor haar medicatie. Mijn ministerie heeft, na haar akkoord, haar gegevens verstrekt aan het ziekenhuis. Het AZM heeft mijn ministerie laten weten nog diezelfde dag het recept verstrekt te hebben.
Vindt u dat het AZM in de volgende casus zijn belofte om voor adequate vervolgzorg bij een ander gespecialiseerd ziekenhuis te zorgen na is gekomen? Zo ja, waarom? Zo neen, wat gaat u ondernemen om het AZM aan zijn belofte te houden?3
Vooropgesteld kan en wil ik vanwege de privacy van de patiënt niet inhoudelijk op een specifieke casus ingaan. Wel kan ik u informeren over de stappen die gezet zijn om te toetsen of er inderdaad sprake is van adequate vervolgzorg en welke stappen daarop zijn gezet.
Zoals u in het stenogram van het debat van 15 februari 2012 heeft kunnen lezen heb ik toegezegd dat patiënten die niet goed doorgeleid worden zich bij mij of de inspectie voor de Gezondheidszorg (de inspectie) kunnen melden. Naar aanleiding van deze en andere signalen, heeft de inspectie getoetst of het AZM de continuïteit van zorg voor de topreferente patiënten groep waarborgt.
De inspectie heeft geconstateerd dat nieuwe patiënten die naar het AZM verwezen worden voor immunologische stoornissen inderdaad door het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) en het Universitair Medisch Centrum St. Radboud (UMCN) worden overgenomen. De inspectie heeft daarnaast geconstateerd dat de doorverwijzing van de bij het AZM reeds onder behandeling zijnde patiënten nog nauwelijks is gestart. Er zijn ruim 800 immunologische patiënten onder behandeling, waarvan naar schatting 250 met een topreferent immunologisch vraagstuk. De inspectie deelt de mening van het AZM, dat continuïteit en kwaliteit van de topreferente zorg voor al deze patiënten op het moment adequaat geregeld is, niet. De inspectie heeft het AZM gevraagd stappen te zetten om ervoor te zorgen dat het hele proces voor alle patiënten op een kwalitatief goede wijze afgerond kan worden. De inspectie continueert haar toezicht op de voortgang van dit proces.
Het AZM heeft per brief van 19 april 2012 aan alle patiënten duidelijkheid gegeven over haar handelwijze. De inspectie is van oordeel dat het AZM deze patiënten te lang in onzekerheid heeft gelaten over het al dan niet continueren van hun behandeling.
Welke ziekenhuizen hebben nu concreet de specialistische klinisch immunologische zorg met alle expertise van het AZM overgenomen? Waar kunnen de circa 3000 patiënten die op de afdeling in Maastricht werden behandeld nu terecht?
Nieuwe patiënten die naar het AZM verwezen worden voor immunologische stoornissen worden door het UMCU en het UMCN overgenomen.
In het AZM zijn nu ruim 800 immunologische patiënten onder behandeling, waarvan naar schatting 250 met een top referent immunologisch vraagstuk. Deze topreferente patiënten kunnen in het AZM onder behandeling blijven of op verzoek worden doorverwezen naar een ander centrum. Met het UMCU en het UMCN zijn hierover specifieke afspraken gemaakt.
Het bericht dat Duitsland de achtergrondpositie van ammoniak anders dan in Nederland bepaalt |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Duitsland bepaalt achtergronddepositie van ammoniak anders dan Nederland?»1
Ja.
Waarom gebruiken Nederland en Duitsland een verschillende methode voor het vaststellen van achtergronddepositie, wat zijn de verschillen in methodes en welke methode dient volgens u te worden toegepast? Zo ja waarom?
Er bestaat tot op heden geen vastgelegde of voorgeschreven methode waarmee de depositie bepaald moet worden in Europa2. Nederland bepaalt de depositie op basis van berekeningen die vergeleken worden met metingen. De berekeningswijze is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten. De depositieberekeningen worden jaarlijks uitgevoerd en gerapporteerd door RIVM (www.rivm.nl/gcn).
In Duitsland worden berekeningen van de depositie uitgevoerd door TNO voor het BundesUmweltamt. TNO doet dat met een ander methode en met andere invoergegevens. Dit leidt tot verschillen die met name in de grensstreek goed zichtbaar zijn. Een deel van de verschillen is het gevolg van het toepassen van een andere rekenmethode maar ook omdat de ingevoerde emissies (lees: het beleid en de maatregelen) anders zijn.
In 2009 heeft RIVM een essentieel onderdeel in haar berekeningswijze aangepast naar aanleiding van nieuw wetenschappelijk onderzoek over het depositieproces (verklaring ammoniakgat). De berekende depositie is door deze aanpassingen aanzienlijk gedaald. Deze aanpassing is echter niet doorgevoerd in de berekeningen die TNO uitgevoerd heeft voor BundesUmweltamt uit 2007 en die geciteerd zijn in het artikel van V-focus. De Duitse overheid hanteert nog steeds de oude methode uit oogpunt van consistentie met het verleden. Nederland kiest ervoor gebruik te maken van de nieuwste inzichten.
Waarom zijn TNO en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet op de hoogte van elkaars rekenmodellen? Wat betekent het voor de Nederlandse situatie als het rekenmodel van TNO zou worden gebruikt?
RIVM en TNO geven aan dat zij op de hoogte zijn van elkaars activiteiten op dit vlak. Het beeld dat geschetst wordt in het V-focus artikel is niet correct. Als het RIVM de «TNO-methode» zou hanteren, dan zouden de deposities in Nederland aanzienlijk hoger zijn. Maar zoals aangegeven is dit niet meer in lijn met de huidige wetenschappelijke inzichten.
Welke gevolgen heeft het gebruik van verschillende methodes en wat betekent dit voor de Nederlandse ondernemers ten opzichte van onze Duitse collega’s?
Het gebruik van verschillende methodes leidt tot verschillen in de berekende depositie, waarbij de in Nederland berekende depositiewaarden lager liggen dan in Duitsland. Belangrijker dan het verschil in rekenmethode is het beleid dat door de lidstaten gevoerd wordt om ammoniakemissies te beperken. In Nederland wordt het stikstofprobleem zwaarder gevoeld dan in omringende landen. Dit komt door de specifieke omstandigheden in het dichtbevolkte Nederland, waarin (kwetsbare) natuur en veehouderijen dicht bij elkaar liggen. Nederland kent door deze hoge stikstofbelasting een strikt beleid om de voldoen aan de Europese vereisten die voortvloeien uit de Richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC-Richtlijn) en Natura 2000.
Waarom hanteert Nederland strengere regelgeving voor ammoniakdepositie dan Duitsland? Is er volgens u nog sprake van een gelijk speelveld? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 4. Zowel Duitsland als Nederland moeten voldoen aan de Europese vereisten voor de NEC-richtlijn en Natura 2000.
Heeft de Duitse regelgeving op dit gebied invloed op het behalen van de Nederlandse natuurdoelstellingen? Zo nee, waarom niet?
Ja, maar in beperkte mate. Op het moment dat Duitsland haar ammoniakbeleid aanscherpt tot het Nederlandse niveau vermindert de ammoniakimport vanuit Duitsland. Van de Duitse ammoniakuitstoot van ca. 600 kton komt 9 kton in Nederland terecht. Ter vergelijking van de Nederlandse ammoniakuitstoot van 125 kton komt 29 kton in Duitsland terecht3.
Het voornemen van de gemeente Capelle aan den IJssel om circussen met tijgers en olifanten te weren |
|
Henk Jan Ormel (CDA), Johan Houwers (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Capelle aan den IJssel alleen nog circussen zonder olifanten, leeuwen en tijgers wil toelaten binnen haar gemeentegrenzen?1
Ja.
Mogen gemeenten vanuit het oogpunt van dierenwelzijn autonome regels over dieren stellen die strijdig zijn met landelijk beleid?
Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen2 hebben gemeenten een autonome regelgevende bevoegdheid, die onder meer wordt begrensd door regelgeving op rijks- en provinciaal niveau. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is uitputtend bedoeld voor dierenwelzijnsbeleid. Uit het gemeenterecht vloeit voort dat gemeenten in zo’n geval niet bevoegd zijn om vanuit een oogpunt van dierenwelzijn eigen regels over dieren te stellen. Dit is bevestigd in een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.3
Gemeenten hebben wel de bevoegdheid om met andere oogmerken regels te stellen inzake dieren, mits deze regels niet in strijd zijn met de normen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld regels stellen over circussen in het belang van de openbare orde of veiligheid. In een concreet geval is het aan de rechter om te beoordelen of een gemeente bij het opstellen van regels binnen de grenzen van haar bevoegdheid is gebleven.
Is het waar dat de Vereniging van Nederlandse Circus Ondernemingen (VNCO) een eigen richtlijn Circusdieren heeft? Op welke wijze en door wie vindt toetsing, controle en handhaving van de richtlijn plaats?
Op 13 maart 2007 heeft de Vereniging Nederlandse Circus Ondernemingen/Breed overleg Circusdieren (VNCO/BOC) eigen richtlijnen gepubliceerd onder de titel: «Welzijn Circusdieren. Richtlijnen voor het houden en laten optreden van dieren in circussen». Het is aan VNCO/BOC om toetsing en controle te regelen.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) handhaaft de wettelijke regels, zoals het verbod op dierenmishandeling, opgenomen in artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Wat heeft het voor zin om de VNCO richtlijnen voor dierenwelzijn en het houden van niet gedomesticeerde dieren op te laten stellen als gemeenten vervolgens circussen, die zich aan de regels houden, alsnog weren?
De sector heeft toegezegd om de eigen richtlijnen te verbeteren en daarbij gebruik te maken van de informatie in het onderzoekrapport: «Welzijn van dieren in reizende circussen in Nederland» (WUR, 2009). De leden van VNCO/BOC kunnen laten zien dat zij zich positief onderscheiden van andere niet aangesloten circussen. In de brief aan de Kamer van 23 december 2011 (TK 28 286, nr. 540) heb ik toegezegd de mogelijkheden te laten onderzoeken om de richtlijnen eventueel op te laten nemen in een gids voor goede praktijk. Indien van de richtlijnen een gids voor goede praktijk wordt gemaakt dan heeft de NVWA mogelijkheden om bij controle van niet aangesloten circussen rekening te houden met de gids voor goede praktijk. Voorts verwijs ik u naar het antwoord van vraag 2.
Deelt u de mening dat, indien circussen zich houden aan de Europese en Nederlandse wet- en regelgeving en zich houden aan de richtlijn Circusdieren van de VNCO, er geen reden is om deze te weren?
Indien circussen zich houden aan de wettelijke voorschriften mag dat geen reden zijn om circussen te weren uit Nederlandse gemeenten. Aanscherping van de richtlijnen van VNCO/BOC en de bijbehorende controle hierop kunnen het welzijn en de gezondheid van de dieren nog verder verbeteren.
Welke inspanningen worden, gezien het reizende karakter van circussen, in Europees verband gedaan om ondermeer de richtlijn Circusdieren breed geaccepteerd te krijgen, minimumvoorwaarden te stellen aan het houden van circusdieren en voor de mogelijkheid om tot een verbod te komen op het gebruik van dieren die uit het wild worden gehaald?
Tot nu toe zijn er diverse activiteiten ondernomen om te komen tot Europese regelgeving.
In het kader van de onderhandelingen over de ontwikkeling van de EU-strategie bescherming en welzijn van dieren 2012–2015 is, zowel mondeling als schriftelijk, het verzoek om Europese regelgeving aangekaart en er is gevraagd om de mogelijkheden te bezien van een verbod op uit het wild afkomstige dieren in circussen. Tevens is het onderzoeksrapport «Welzijn van dieren in reizende circussen in Nederland.» (WUR, 2009) verstrekt aan de Europese Commissie. Acceptatie van de richtlijnen van VNCO/BOC door de Europese Commissie laat ik over aan deze organisaties zelf.
De financiële situatie bij woningcorporaties |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Risico’s in de corporatiesector» van Brinkgroep?1 Zo ja, wat is uw reactie op de inhoud van dit rapport? Zo nee, kunt u na kennisname van dit rapport de Kamer op korte termijn rapporteren over uw bevindingen en conclusies naar aanleiding van dit rapport?
Ja. Het rapport maakt gebruik van de openbare bronnen die er zijn voor belanghouders in de woningcorporatiesector. Dit biedt gemeenten, organisaties van huurders en anderen de gelegenheid om zich een beeld van afzonderlijke corporaties te vormen.
Ten eerste zijn de cijfers gebaseerd op de jaarcijfers van het verslagjaar. Het is mogelijk dat daarin incidentele uitschieters zitten of dat corporaties ondertussen tot bijsturing zijn overgegaan zodat dezelfde cijfers voor de daarop volgende jaren verbeteren.
Ten tweede is het goed om een onderscheid te maken tussen corporaties die relatief grote risico’s lopen maar tegelijkertijd een behoorlijke financiële buffer hebben en corporaties die maar een beperkte buffer hebben. In alle gevallen is het vanuit het oogpunt van het behoud van het maatschappelijk gebonden vermogen belangrijk om de risico’s goed te beheersen om verlies van dit vermogen te voorkomen. Bij een eventueel optredend verlies als gevolg van de aanwezige risico’s kan dus niet direct worden geconcludeerd dat de continuïteit in gevaar komt. De door het Centraal Fonds afgegeven continuïteits- en solvabiliteitsoordelen die in de rapportage worden aangehaald, richten zich met name op de balans tussen de risico’s en de aanwezige buffer.
Ten derde is het goed om er op te wijzen dat het Centraal Fonds in zijn oordeelsbrieven meer aan de orde stelt dan de «ranking». Corporaties kunnen heel gericht worden aangezet om bepaalde ongewenste situaties of posities te veranderen. De financiële toezichthouder gebruikt deze ratio’s zelf ook om zo nodig bij corporaties een nadere analyse uit te voeren. De verantwoordingsinformatie en prognose-informatie wordt mede op basis van deze ratio’s geanalyseerd. Tenslotte acht ik het goed als corporaties in het maatschappelijk verkeer bevraagd worden over ratio’s die sterk afwijken van het gangbare.
Bent u bekend met het artikel «Wake-up call voor corporaties»?2
Ja.
Onderschrijft u de zeer verontrustende constateringen van de Brinkgroep in dit artikel dat 58 woningcorporaties de rentedekkingsgraad niet halen en 13 woningcorporaties er ronduit slecht voor staan, 9 woningcorporaties voor meer dan 1 miljoen m2 aan grondposities hebben, 28 woningcorporaties meer schulden dan bedrijfswaarde hebben en 10 woningcorporaties meer dan twee keer zoveel marktrisico als gemiddeld lopen? Wat vindt u van deze constateringen en kunt u uw antwoord toelichten?
De statistiek die de Brinkgroep heeft opgesteld, is met name ontleend aan de jaarlijks door het Centraal Fonds op zijn website per individuele corporatie te publiceren Corporatie in Perspectief. Ik ga er vanuit dat de Brinkgroep de scores op de juiste wijze heeft vastgesteld. De scores hebben op zichzelf een belangrijke signaalfunctie. Bij de beantwoording van vraag 1 ben ik uitgebreid ingegaan op de betekenis van deze cijfers voor zowel de financieel toezichthouder zelf als voor andere betrokkenen bij en in de corporatiesector.
Deelt u de mening dat u uw rol als toezichthouder per direct dient te intensiveren omdat het huidige toezicht bij veel woningcorporaties met problemen, zoals geschetst in het rapport, veel te wensen overlaat? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Op basis van deze publicatie is niet de conclusie te trekken dat het financiële toezicht veel te wensen overlaat. De publicatie levert geen nieuwe gezichtspunten op.
Het is goed om daarnaast in dit verband onderscheid te maken tussen de korte en de middellange termijn. De afgelopen periode zijn als gevolg van de indiening van het wetsontwerp tot herziening van de Woningwet en recente casuïstiek veel acties in gang gezet. Deze zullen uiteindelijk van invloed zijn op de wijze waarop het toezichtsysteem zal worden vernieuwd. Voor de korte termijn zijn reeds in 2011 intensiveringen in gang gezet. Het Centraal Fonds heeft daarnaast aangegeven in 2012 explicieter aandacht te schenken aan liquiditeitsrisico’s. De ratio’s die zijn ontleend aan Corporatie in Perspectief worden hierbij betrokken. Met name de ontwikkelingen in deze ratio’s als gevolg van de voornemens van corporaties en de kasstroomprognose krijgen hierbij een belangrijke plaats. Sterke afwijkingen kunnen aanleiding zijn voor nader onderzoek en zo nodig gerichte interventies bij de betreffende corporaties.
Het bericht dat de vrije uitkering voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustasius en Saba structureel te laag zou zijn |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «No commitment to raise islands» free allowance?1
Ja.
Is het waar dat u hebt toegegeven dat de vrije uitkering te laag is geweest? Hoe groot is dit tekort geweest, gespecificeerd naar de verschillende eilanden? Kunt u aangeven welke verantwoordelijkheden de openbare lichamen niet (adequaat) hebben kunnen uitvoeren als gevolg hiervan? Hoe denkt u recht te doen aan de tekorten waarmee de eilanden de afgelopen twee jaar hebben gekampt?
Is het waar dat uit het referentiekaderonderzoek blijkt dat de vrije uitkering minimaal 42,9 miljoen dollar en maximaal 61,1 miljoen dollar zou moeten zijn? Zo nee, over welke bedragen gaat het dan?
Is het waar dat u geen toezeggingen kon doen over een mogelijke verhoging van de vrije uitkering indien blijkt dat deze (structureel) te laag zouden zijn? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de toezegging2 van uw voorganger dat eventuele wijzigingen in de vrije uitkering bij de voorjaarsnota verwerkt zouden worden? Bent u alsnog bereid zich klip en klaar te conformeren aan de uitkomsten van het referentiekaderonderzoek en de vrije uitkering als zodanig te corrigeren? Bent u tevens bereid uit te sluiten dat er extra bezuinigd wordt op de vrije uitkering?
Bent u bekend met het artikel «Nobel peace price winner defends laws criminalising homosexuality in Liberia?»1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraak van president Ellen Johnson Sirleaf, die heeft aangeven twee wetsvoorstellen die homoseksualiteit verbieden openlijk te willen steunen? Deelt u de mening dat het ongepast is dat een Nobelprijswinnaar voor de Vrede dit type uitspraak doet en daarmee bijdraagt aan haat zaaien en absoluut niet aan het bevorderen van de vrede? Indien nee, waarom niet?
De uitspraken in het genoemde artikel staan haaks op herhaaldelijke mededelingen in de media van president Johnson Sirleaf dat zij geen wetsvoorstellen zal tekenen op het gebied van homoseksualiteit. De Liberiaanse overheid heeft dit bevestigd in een reactie op het artikel in The Guardian. Dit betreft dus ook de twee actuele wetsvoorstellen – afkomstig van Liberiaanse parlementsleden – die een verzwaring inhouden van de strafmaat bij seksuele activiteiten tussen mensen van hetzelfde geslacht.
Deelt u de mening dat dit type wetgeving in strijd is met tal van internationale verdragen waar Liberia aan gecommitteerd is? Indien nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om in EU-verband een open dialoog aan te gaan met de Afrikaanse Unie over homoseksualiteit, gezien het gegeven dat homoseksualiteit in 37 Afrikaanse landen verboden is? Indien ja, bent u bereid om Nederland hier een voortrekkersrol in te laten spelen, gezien het gegeven dat Rechten van lesbiennes, homo's, bi- en transseksuelen (LHBTI) een van uw prioritaire beleidsthema’s binnen het mensenrechtenbeleid is? Indien nee, waarom niet?
Nederland wil in EU verband bezien op welke wijze een dialoog over dit onderwerp met de AU kan worden aangegaan.
Bent u bereid de Liberiaanse autoriteiten te wijzen op hun internationaal- rechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten, nu zij zo duidelijk in strijd handelen met die verplichtingen? Bent u bereid zowel in bilaterale contacten, als via de Europese Unie de Liberiaanse autoriteiten hierop in heldere bewoordingen aan te spreken en de Kamer hier op korte termijn over te informeren? Indien nee, waarom niet?
Nederland wijst discriminatie af en komt actief op voor de rechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en intersex (LHBTI) personen. Het Nederlandse beleid voor rechten van LHBTI-personen streeft naar decriminalisering van homoseksualiteit en het tegengaan van discriminatie. In de reguliere contacten tussen Nederland en Liberia alsmede die van de EU wordt dit beleid uitgedragen. Zorgelijk vind ik de recente toename van aanvallen op homo-activisten in Liberia. Naar aanleiding van deze ontwikkeling is de EU in het kader van de EU-richtsnoeren voor mensenrechtenverdedigers reeds in contact met een Liberiaanse activist.
Kunt u aangeven of de receptorbenadering volgens u van toepassing is/kan zijn in Liberia? Indien ja, betekent het dat we dan, vanuit de cultuur van Liberia gezien, begrip moeten hebben voor de criminalisering van homoseksualiteit?
Vanuit de receptorbenadering zou onderzocht kunnen worden of via lokale en regionale instituties aanknopingspunten te vinden zijn voor bevordering van decriminalisering en acceptatie van homoseksualiteit.
Het bericht dat NS niet bereikbaar is vanuit het buitenland |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NS bant buitenlanders»?1
Ja.
Is het waar dat de NS vanuit het buitenland telefonisch niet bereikbaar is en dat het noodzakelijk is om een Nederlandse bankrekening te hebben om producten af te nemen van de NS?
Nee. NS heeft onlangs voor de klanten die NS vanuit het buitenland willen bellen een «gewoon» telefoonnummer tegen «gewoon» tarief in de lucht gebracht (030 – 75 15 250).
Klanten kunnen nu vanuit het buitenland wel eenmalige betalingen doen aan NS zonder een Nederlandse bankrekening te hebben. Het afgeven van maandelijkse incasso’s voor een abonnement is vanuit het buitenland nu nog niet mogelijk, daarvoor is nu wel een Nederlandse bankrekening nodig.
Volgens de huidige planning van NS zullen klanten met een buitenlandse bankrekening uiterlijk vanaf 1 juli 2013 dezelfde betalingen kunnen doen als klanten met een Nederlandse bankrekening.
Deelt u de mening dat het voor Nederlanders die in het buitenland wonen of verblijven en buitenlanders die in Nederland willen reizen, mogelijk moet zijn om op een goede manier met de NS in contact te kunnen treden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u met de NS in gesprek om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen?
Ja, die mening deel ik.
De website www.NS.nl is voor alle klanten die zich niet op een NS-station bevinden het primaire contactkanaal met NS. Deze site is ook vanuit het buitenland uitstekend bereikbaar en biedt voor de NS-klanten alle informatie die ze nodig hebben om zich vooraf op de hoogte te stellen van de services en de reismogelijkheden bij NS en de bijbehorende prijzen. Voor het geval de klant er via internet niet uitkomt, geeft de site ook een contactformulier waarmee contact met NS kan worden opgenomen. Ook kan telefonisch contact met NS worden gezocht.
Is het waar dat er vóór 2013 geen wijzigingen in het interbancaire systeem worden verwacht? Zo ja, zijn er op korte termijn andere oplossingen mogelijk zodat klanten vanuit het buitenland betalingen kunnen doen bij de NS?
Ja, het is waar dat er vόόr 2013 geen wijzigingen in het interbancaire systeem worden verwacht (zie mijn antwoord op vraag 2). Mijn indruk is dat dit niet te wijten is aan onwil of onkunde bij NS. NS is afhankelijk van de mogelijkheden die de banken kunnen bieden voor wat betreft het betalingsverkeer.
Een mogelijk verband tussen de sterftepiek in het katholieke jongensinternaat huize St. Joseph in Heel en castraties aldaar |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de Kamervragen over een hoger aantal sterfgevallen in huize St. Joseph dan normaal?1 Kent u de berichten «Inspectie wist van castreren» en «Niets vragen, castreren»2?
Ja.
Wanneer is het strafrechtelijk feitenonderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) naar de genoemde instelling in Heel afgerond?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat het onderzoek recent is afgerond en dat op dit moment wordt gewerkt aan de eindrapportage.
Hebt u aanwijzingen dat in de periode waarover het OM onderzoek zich uitstrekt er jongens uit huize St. Joseph zijn gecastreerd? Zo ja, wordt bij het onderzoek naar de sterfgevallen in deze instelling ook gekeken of er een verband bestaat tussen castraties, mogelijke strafbare feiten of het verdoezelen daarvan en sterfgevallen? Zo nee, hebt u die aanwijzingen niet omdat er geen aanwijzingen zijn of omdat het OM er niet naar heeft gezocht?
Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoek gericht op en beperkt tot de piek van sterfgevallen in de jaren 1952–1954 in Huize St. Joseph te Heel, een verzorgingstehuis voor mensen met een lichamelijke en geestelijke beperking. Deze focus komt voort uit het feit dat er concrete aanwijzingen waren voor mogelijke misdrijven die zouden hebben geleid tot sterfgevallen. Deze aanwijzingen waren duidelijk afgebakend in tijd en plaats, met een duidelijke indicatie van mogelijke betrokkenen. Uit genoemd onderzoek is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen die duidt op mogelijke castraties in Huize St. Joseph. Om die reden bestaat er voor het Openbaar Ministerie geen aanleiding nader onderzoek te doen naar mogelijke castraties en de vraag of daarbij strafbare feiten zijn gepleegd in Huize St. Joseph te Heel in de jaren 1952–1954.
Indien mogelijke castraties geen onderdeel van het strafrechtelijk feitenonderzoek vormen, kan dit dan alsnog gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Richt het strafrechtelijk feitenonderzoek van het OM naar de sterfgevallen in St. Joseph zich in de hele breedte op strafbare feiten die zich in dat instituut mogelijk hebben voorgedaan? Zo ja, wordt daarbij ook onderzocht of er sprake is van een mogelijke samenhang tussen het plegen van seksueel misbruik, mogelijke castratie, eventuele andere strafbare feiten en de sterfgevallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 3 en 4.
Indien het genoemd strafrechtelijk feitenonderzoek van het OM aanleiding geeft om dit onderzoek naar andere jaren dan de jaren 1952–1954 of andere instellingen uit te breiden, gebeurt dit dan ook? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat het hierover pas op basis van het eindrapport een gewogen standpunt kan innemen.
EU-miljarden naar topclubs |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Spaans godenvoetbal op onze zak?» over het kwijtschelden van miljoenenschulden van topclubs door de Spaanse overheid?1
Ja.
Bent u van mening dat het onwenselijk is dat topclubs in bepaalde competities grote schulden opbouwen, waardoor er zeer ruime salarissen betaald kunnen worden aan spelers, en in feite oneerlijke concurrentie met andere competities ontstaat?
Ja.
Deelt u in algemene zin de mening dat overheden en banken, die uit Europees belastinggeld gesteund worden, zeer terughoudend zouden moeten zijn in het financieel steunen van voetbalclubs die zelf voor vele miljoenen potverteren?
Ja.
Wat is uw oordeel over de uitspraken van de Spaanse staatssecretaris van sport Miguel Cardenal, waaruit blijkt dat overwogen wordt om belastingschulden en achterstallige sociale zekerheidspremies van Spaanse voetbalclubs gedeeltelijk kwijt te schelden?
Uit navraag bij de Spaanse overheid blijkt dat de Spaanse staatssecretaris voor sport van mening is dat kwijtschelding van de schulden van desbetreffende clubs door de Spaanse overheid onwenselijk is. Voetbalclubs moeten net als andere organisaties aan hun verplichtingen voldoen. Inmiddels is deze informatie ook bevestigd in de media. Ik deel deze opvatting.
Bent u van mening dat dit onwenselijk zou zijn, gezien de opdracht waar Spanje voor staat om het financieringstekort terug te dringen van 8,5% naar 5,3%, en het feit dat de jeugdwerkloosheid 51% is?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat vanaf het seizoen 2013/2014 de begrotingseisen voor Europese voetbalclubs door de Uefa strenger worden gemaakt, waarbij exorbitante schulden niet meer toegestaan worden? Welke mogelijkheden zijn er om «Financial fairplay» vanuit de Europese Unie te ondersteunen?
Ja, ik ben op de hoogte van de Financial Fair Play (FFP) regels van de UEFA.
Op 21 maart 2012 hebben de vice-president van de Europese Commissie Joaquín Almunia en de voorzitter van de UEFA Michel Platini een gezamenlijke verklaring afgegeven over de aanpak van FFP. Zowel de UEFA als de Europese Commissie streven naar een situatie waarin het betaald voetbal in Europa een gezonde financiële huishouding heeft; de UEFA door handhaving van de FFP-regels, de Europese Commissie door handhaving van de staatssteunregels.
Deze verklaring vormt de basis voor verdere samenwerking tussen de Europese Commissie en de UEFA met het oog op een eerlijke Europese voetbalcompetitie. De Europese Commissie en de UEFA gaan met elkaar in overleg over hoe de specificiteit van sport meegewogen kan worden bij de beoordeling van de verschillende fiscale maatregelen in de EU voor betaaldvoetbalorganisaties en de toekenning van andere steunmaatregelen door lidstaten.
Bij het verlenen van financiële steun aan betaaldvoetbalorganisaties (bvo’s) moeten de nationale en lokale overheden in de EU zich houden aan de staatssteunregels. Deze regels bieden het kader voor wat wel en niet mogelijk is met betrekking tot het direct of indirect financieel ondersteunen van bvo’s.
Welke mogelijkheden ziet u om met uw Europese ambtgenoten afspraken te maken om te voorkomen dat er via omwegen, zoals het kwijtschelden van belastingschulden, toch belastinggeld in het voetbal wordt gepompt?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van het feit dat Spaanse banken, zoals Bankia, aankloppen bij de Europese Centrale Bank (ECB) voor leningen terwijl zij ook honderden miljoenen euro’s in Real Mardrid stoppen?
Alle Europese banken in het eurogebied kunnen een lening aangaan bij de ECB in het kader van de Long Term Refinancing Operation. Het is een individuele beslissing van een bank om al dan niet gebruik te maken van deze faciliteit. Er worden vanuit de ECB aan de leningen van de LTRO-faciliteit geen aanvullende eisen gesteld hoe dit geld moet worden besteed. Dit is beslissing van de deelnemende banken zelf. Gezien de onafhankelijkheid van de ECB treed ik niet in het afwegingskader van de ECB.
Hoe staat het met de financiële positie van de Nederlandse voetbalclubs in het betaald voetbal?
Van de 36 betaald voetbalorganisaties in Nederland scoren er 9 onvoldoende volgens de meest recente meting met het Financieel Rating Systeem (FRS) van de KNVB. Deze score is gebaseerd op de jaarcijfers en prognosecijfers van seizoen 2011/’12. De indeling in categorieën van het FRS is een graadmeter voor de financiële positie.
Zero tolerance bij de wietpas |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de burgermeester van Maastricht de harde lijn kiest tegen coffeeshops?1
Is het in lijn met uw beleid dat de burgermeester de coffeeshop van een overtredende coffeeshophouder wil sluiten zonder eerst een waarschuwing te geven? Zo ja, denkt u niet dat, met name als het gaat om een nieuwe regeling, coffeeshophouders de ruimte moeten krijgen deze nieuwe maatregel zich eigen te maken en dat daarom in eerste instantie een waarschuwing redelijk is? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de burgemeester om het coffeeshopbeleid binnen het landelijke kader (de Opiumwet en de gedoogcriteria) vast te stellen en daarover de regie te voeren. Gemeenten staat het vrij om binnen dat landelijk kader een coffeeshopbeleid met eigen accenten te voeren.
Is het waar dat 60% van de 2,5 miljoen coffeeshopbezoekers in Maastricht uit het buitenland komen? Heeft u de overtuiging dat deze 1,5 miljoen buitenlandse coffeeshopbezoekers na invoering van de zogenaamde wietpas de stad Maastricht niet meer bezoeken? Zo nee, waarom niet? Waar gaan die 1,5 miljoen buitenlanders dan hun joint halen? Welk gevolg heeft dat voor de stad? Zo ja, waar haalt u die overtuiging vandaan?
Het voornaamste effect zal zijn dat de drugstoeristen niet meer naar ons land zullen komen voor hun cannabis. Veel drugstoeristen blijken immers juist te komen omdat ze in de coffeeshops rustig en veilig cannabis kunnen consumeren (zie hierover ook het rapport «Geen deuren maar daden» van de Commissie Van de Donk). Thuis kunnen ze ook gebruik maken van al bestaande illegale markten. Een toegangsbeperking bij de coffeeshops voor niet ingezetenen zal naar verwachting leiden tot een verminderde toestroom, waardoor ook de omvang van de coffeeshopmarkt en de daaraan verbonden nevenverschijnselen zullen afnemen.
Heeft u kennisgenomen van de opmerking van de burgermeester van Maastricht dat de burgers er recht op hebben dat de wet wordt gehandhaafd? Weet u of de burgermeester ook de wet gaat handhaven als het gaat om illegale verkoop van cannabis aan buitenlandse bezoekers aan de stad? Zo ja, hoe gaat de burgermeester dat doen?
Het is aan de lokale driehoek om de handhavingsprioriteiten te bepalen en de daarvoor benodigde instrumenten te kiezen. Het is landelijk beleid dat een belangrijke prioriteit in de handhaving ligt op het tegengaan van de illegale handel en het tegengaan van het drugstoerisme. Dit geldt ook voor Maastricht.
Bent u met de burgermeester van Maastricht van mening dat het huidige beleid een erfenis is van zijn voorganger? Hoe beoordeelt u die erfenis?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de brieven van 27 mei 2011 en 26 oktober 2011 die het kabinet uw Kamer over de voorgenomen aanscherping van het drugsbeleid heeft gezonden (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 24 077, nr. 259 en Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 24 077, nr. 265). Daarin zijn alle relevante aanleidingen, voorafgaande stappen en overwegingen uiteengezet.
Wat van het College bescherming persoonsgegevens van de zogenaamde wietpas?
De vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie heeft mij op 24 november 2011 verzocht het CBP om advies te vragen over de privacyaspecten die verbonden zijn aan de invoering van de clubpas. Ik heb dit verzoek doorgeleid aan het CBP, en wacht het gevraagde advies af.
Het bericht dat kantoren vaak energiezuiniger kunnen |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kantoren kunnen vaak energiezuiniger»?1
Ja.
Klopt het dat veel, met name energiezuinige, kantoren onnodig veel energie verspillen door verkeerd gebruik? Zo ja, bent u bereid om met de eigenaren en gebruikers in gesprek te gaan om dit gedrag aan te pakken?
De stelling dat veel, met name energiezuinige, kantoren onnodig veel energie verspillen door verkeerd gebruik, is gebaseerd op een onderzoek van Jones Lang LaSalle2. Dit onderzoek is gebaseerd op een relatief kleine steekproef met slechts 24 gebouwen met een groen label (A,B of C-label). Echt duurzame kantoren met een A++ label komen voor zover mij bekend niet voor in het onderzoek.
In het onderzoek wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen het energiegebruik van het gebouw voor verwarming, ventilatie, koeling en verlichting enerzijds en het persoonsgebonden energiegebruik door stekkerapparatuur als computers en printers anderzijds. Zeker in moderne, intensief gebruikte kantoren is dit persoonsgebonden energiegebruik aanzienlijk. Voorts geven de onderzoekers aan dat in nieuwere kantoren met een groen label het serviceniveau hoger is en vaker gebruik wordt gemaakt van hoogwaardige voorzieningen. Uit onderzoek is bekend dat betere ventilatie, verwarming en koeling leiden tot een hogere productiviteit. Dit is in het onderzoek niet meegewogen. Tenslotte melden de onderzoekers ook een hogere bezettingsgraad in kantoren met een groen label. Dit maakt dat het energiegebruik weliswaar per m2 iets toeneemt, maar per medewerker daalt. Ook dit is in het onderzoek niet meegewogen.
Op basis van het voorgaande geeft het genoemde onderzoek weinig basis om uitspraken te kunnen doen over het werkelijke energiegebruik van kantoorgebouwen
Doet dit probleem zich ook voor bij overheidsgebouwen? Welke besparing is hier financieel en energietechnisch te halen? Wat gaat u doen om deze besparing daadwerkelijk te realiseren?
Zoals bij vraag 2 is aangegeven, is er op basis van dit onderzoek van Jones Lang LaSalle geen uitspraak te doen over het werkelijke energieverbruik van kantoorgebouwen. Door de Rijksgebouwendienst is reeds enkele jaren geleden geconstateerd dat er structureel te veel energie wordt verbruikt door onvoldoende aandacht aan de goede werking van klimaatinstallaties, onder andere door onjuist gebruik daarvan. Daarom is gestart met een programma waarbij dit wordt verbeterd en verzekerd.
Nazorg bij ruiming in de veehouderij om dierziekte |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bestaat er volgens u behoefte aan nazorg voor gezinnen en eigenaren van veehouderijen, die een ruiming vanwege een dierziekte moeten meemaken? Zo ja, op welke terreinen en in welke vormen is volgens u behoefte aan nazorg?
Ja, uit de evaluaties van verschillende dierziektecrises komt naar voren dat er bij de getroffen veehouder behoefte is aan nazorg. Welke vorm van nazorg nodig is, hangt af van de aard van het bedrijf en de omstandigheden van het gezin. Uit de Q-koorts evaluatie kwam bijvoorbeeld naar voren dat de onzekerheid over de economische en bedrijfsmatige gevolgen van de ruimingen een belangrijke bron van stress is. Ik heb u hierover geïnformeerd in mijn brief van 24 juni 2011 (TK 28 286, nr. 406).
Is het waar dat ten tijde van de Mond-en-klauwzeer (MKZ)-ruimingen in 2001 geen enkele vorm van nazorg beschikbaar was voor de getroffen gezinnen en andere bij het bedrijf betrokkenen? Zo nee, welke nazorg heeft er dan plaatsgevonden?
Tijdens de MKZ-crisis was de psychosociale hulpverlening nog niet optimaal georganiseerd. Ik verwijs u hiervoor naar de brief van 15 maart 2002 over de MKZ-evaluatie (TK 27 622, nr. 95). Tijdens deze crisis waren met name brancheorganisaties, sociale omgeving en kerken actief in de ondersteuning van mensen. Destijds was de rol van de overheid hierbij niet zo vanzelfsprekend waardoor de hulpverlening van die kant langzamer op gang kwam. Ook was het voor de veehouder moeilijk om de verschillende mogelijkheden voor hulp in beeld te krijgen.
Is er nu nazorg beschikbaar voor veehouderijen die vanwege een dierziekte worden geruimd? Zo ja, in welke vorm? Welke lessen zijn daarbij getrokken uit de MKZ-crisis en de bestrijding van de Q-koorts?
De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) heeft op basis van de Wet publieke gezondheid een belangrijke taak in het organiseren van de psychosociale hulpverlening na rampen en crises. De procedures die de GGD volgt, zijn opgenomen in het GGD Rampen Opvang Plan (GROP). In het nazorgtraject wordt zo veel mogelijk aangesloten op het reguliere zorgaanbod dat bijvoorbeeld huisartsen, maatschappelijk werk en de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) beschikbaar stellen.
De evaluaties van de MKZ-crisis in 2001 en de bestrijding van de Q-koorts in 2011 hebben verbeterpunten opgeleverd (zie ook het antwoord op vraag 1). Deze zijn door de GGD meegenomen bij de invulling van het GROP.
Voor veehouders die geconfronteerd worden met ruimingen heeft (Z)LTO eveneens een nazorgaanbod voor haar leden. De behoefte aan nazorg is individueel bepaald.
Het jaarlijks mislopen van 2 miljard aan belastinginkomsten |
|
Roland van Vliet (PVV) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het krantenbericht «Fiscus loop jaarlijks 2 miljard aan oninbare schulden mis»?1
Ja. Op 12 april 2012 is het rapport «Miljarden voor het oprapen» verschenen dat de AbvaKabo FNV heeft gemaakt over de Belastingdienst. Op 13 april 2012 heeft de vaste commissie voor Financiën hier enkele schriftelijke vragen over gesteld. Deze antwoorden dienen mede als antwoord op de schriftelijke vraag «Worden schulden tot € 1500 van particulieren en tot € 5000 van bedrijven niet meer geïnd?».
Is het waar dat er jaarlijks een bedrag van € 4,4 miljard aan belastingen niet op tijd wordt betaald? Is het waar dat van dat bedrag van € 4,4 miljard er uiteindelijk € 2 miljard wordt afgeschreven?
Het bedrag van € 4,4 miljard is niet het bedrag dat jaarlijks niet op tijd wordt betaald. Het betreft namelijk de omvang van de openstaande (nog niet ontvangen) belastingvorderingen met een betalingsachterstand op peildatum 31-12-2011.
In 2011 is € 1,8 miljard aan belastingvorderingen afgeschreven. Dit bedrag heeft echter geen directe relatie met het bedrag van € 4,4 miljard aan openstaande vorderingen. Weliswaar zal een deel van deze openstaande vorderingen niet inbaar zijn. Maar er ontstaan ook continu nieuwe vorderingen. Van het totaal van de belasting- en premieopbrengsten is uiteindelijk een klein deel (circa 1%) niet inbaar.
Op een zeker moment constateert de Belastingdienst dat het niet zinvol is om verdere invorderingsmaatregelen te nemen. Zoals hierboven vermeld is in 2011 € 1,8 miljard aan belastingvorderingen afgeschreven. Voor ruim 65% daarvan is dat onvermijdelijk omdat door de economische situatie van de belastingschuldige (faillissement, onvermogen) activa ontbreken waarop de ontvanger zich kan verhalen of andere schuldeisers voorrang hebben, ruim 10% omdat er geen verhaal mogelijk is omdat de belastingschuldige onvindbaar is (adres onbekend of vertrokken naar het buitenland), en minder dan 25% op grond van doelmatigheidsafwegingen. De restwaarde van de categorie die om doelmatigheidsredenen is afgeschreven is aanzienlijk lager dan de nominale waarde van de vordering. Een aantal standaard invorderingsmaatregelen heeft op deze categorie vorderingen al plaatsgevonden en het beproeven van verdere invorderingsmaatregelen zal het invorderingsverlies zeer beperkt tegengaan. Toch vind ik dit deel te hoog en ik heb de Belastingdienst gevraagd met plannen te komen om dit omlaag te brengen.
Een afgeschreven vordering blijft nog wel invorderbaar tot het moment van verjaring (het moment van verjaring kan worden gestuit of geschorst door de ontvanger). Als alsnog betaald wordt of verrekend kan worden, wordt dit bedrag afgeboekt op de vordering.
In onderstaande tabel is voor de jaren 2009–2011 aangegeven welke belastingvorderingen zijn geïnd en welke afgeschreven.
Bestaat het bedrag van € 4,4 miljard alleen uit belastingen of zitten daar ook de toeslagen bij? Indien die € 4,4 miljard alleen de belastingen betreft, hoe groot is het bedrag dan dat nog moet worden teruggevorderd aan toeslagen?
Het bedrag van € 4,4 miljard bestaat alleen uit openstaande vorderingen van belastingen en premies.
Het openstaande bedrag van de toeslagvorderingen met een betalingsachterstand is bijna € 0,7 miljard (peildatum 31-12-2011). Het grootste deel hiervan (bijna € 0,6 miljard) bestaat uit nog lopende betalingsregelingen.
De heffing en invordering van de premies werknemersverzekeringen loopt via de Belastingdienst, welk bedrag aan premies werknemersverzekeringen wordt er niet tijdig betaald? Hoeveel van die premies werknemersverzekeringen moet er nog van betaald worden en hoeveel wordt daar jaarlijks op afgeschreven?
De premies werknemersverzekeringen maken onderdeel uit van de loonheffingen.
Van de ontvangen loonheffingen is in 2011 € 4,1 miljard niet tijdig afgedragen. Het aandeel van de premies werknemersverzekeringen daarin bedraagt ruim € 0,5 miljard.
Voor de loonheffingen zijn er openstaande belastingvorderingen met een betalingsachterstand voor een bedrag van bijna € 950 miljoen (peildatum 31-12-2011). Het aandeel van de premies werknemersverzekeringen hierin bedraagt ca. € 125 miljoen.
In 2011 is op de loonheffingsvorderingen ruim € 350 miljoen afgeschreven. Het aandeel van de premies werknemersverzekeringen hierin bedraagt ca. € 45 miljoen.
Kinderbijslag wordt niet via de Belastingdienst betaald, hoeveel kinderbijslag wordt er jaarlijks teveel betaald? Hoeveel van de teveel betaalde kinderbijslag moet er nog van terugbetaald worden en hoeveel wordt daar jaarlijks op afgeschreven?
Jaarlijks wordt er tussen de € 5 en 6 miljoen teveel aan kinderbijslag uitbetaald op een totaal van € 3,37 miljard. Hiervan wordt gemiddeld 90% verrekend of terugbetaald. De resterende 10% van de teveel betaalde uitkering wordt afgeboekt, ofwel 0,015% van de uitkeringslasten.
Is het waar dat er binnen de rijksoverheid verschillende instellingen zijn die zich bezighouden met het invorderen van achterstallige premies, belastingen en andere bijdragen? Is het mogelijk dat er dan verschillende instanties van de centrale overheid gelijktijdig bij een schuldenaar invorderen? Is het mogelijk dat er dan verschillende overheden gelijktijdig bij een schuldenaar aan de deur staan om in te vorderen? Hoe denkt u dit innings- en invorderingsproces efficiënter te maken?
In de gestelde vragen worden denkrichtingen geopperd om het innings- en invorderingsproces bij de Rijksoverheid efficiënter te maken. Mede met het oog daarop heeft het kabinet in december 2010 besloten tot het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst. Onderdeel hiervan is het project Rijksincasso, dat als doel heeft om alle rijksincasso’s (inclusief de deurwaardersactiviteiten) beheerst en beheersbaar te clusteren bij het CJIB, dat zich zodoende doorontwikkelt tot Rijksincassodienst. Uit de verkenningsfase van dit project komt naar voren dat een stapsgewijze aanpak het meest haalbaar is, en dat ten eerste het rijksbreed clusteren van de «afgedwongen incasso» (het deurwaarderstraject) het meest logisch is. Hierover zal deze zomer in de Ministerraad worden besloten. Gegeven de omvang van de inningen van de Belastingdienst en het specifieke karakter van de fiscale wet- en regelgeving, is de Belastingdienst uitgesloten van deze opdracht. Naast de beoogde bundeling bij het CJIB zal de Belastingdienst het enige onderdeel in de rijksdienst zijn dat incasso in eigen beheer uitvoert.
Worden er tussen de rijksbelastingdienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau gegevens uitgewisseld?
De vraag of er tussen de rijksbelastingdienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau gegevens worden uitgewisseld beantwoord ik bevestigend. Zo verstrekt de Belastingdienst aan het CJIB onder meer inlichtingen ten behoeve van het verhaal van straffen, maatregelen en administratiefrechtelijke sancties. Het CJIB verstrekt gegevens aan de Belastingdienst die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Belastingdienst.
Is het waar dat een speciale uitgave (in verband met de ledenvergadering van 19 april 2011) van «Verhaal», het vakblad van de AVB (Algemene Vereniging van Belastingdeurwaarders), van maart 2011 naar de dienstleiding is gezonden maar daar nooit een reactie op is gekomen? Wilt u op de onderstaande passages reageren aan de hand van onderstaande specifieke vragen: Ad 1: Blijkt hier niet uit dat de invordering per belastingregio verschilt? Is er dan nog wel sprake van een uniform landelijke invorderingsbeleid? Is het mogelijk dat dit gebeurt door een keuze op regionaal managementniveau? Is er dan geen sprake van rechtsongelijkheid? Ad 2: Wordt hier niet gesteld dat de Belastingdienst de reguliere werkzaamheden niet aan kan, vanwege capaciteitsproblemen, en dat een verzekering van u aan de Kamer lachwekkend overkomt, met name op het punt van het capaciteitsprobleem? Wat is uw reactie hierop?. Ad 3: Het lijkt er op dat er budgettair ruimte is gemaakt in de begrotingen voor oninbaarlijden, en het lijkt alsof dit doelstellingen geworden zijn, is dat zo? Het lijkt alsof het invorderen doorgaat tot dat de begrote post oninbaar bereikt is, is dat zo? Is dit niet een soortgelijke redenering als bij de bezwarenafhandeling: bepaald werk wordt niet gedaan omdat het te weinig oplevert, dus ondoelmatig is? In hoeverre is deze werkwijze toe te rekenen aan de aansturing door management binnen de Belastingdienst die van het primaire proces weinig kaas gegeten heeft en meer denkt in termen van prestatienormen, prestatie-indicatoren en doelstellingen? Ad 4: Hoe plaatst u het uit doelmatigheidsoverwegingen oninbaarlijden met het beginsel «égalite devant les charges publiques» (draagkrachtbeginsel) en het gelijkheidsbeginsel?
De AVB stuurt altijd een aantal exemplaren van haar ledenblad «Verhaal» naar de dienstleiding van de Belastingdienst en enkele functionarissen van het ministerie van Financiën. Dit is uitsluitend ter kennisneming. De leiding van de Belastingdienst beschouwt de AVB niet alleen als belangenbehartiger van de beroepsgroep belastingdeurwaarders, maar staat ook open voor de zienswijzen die de AVB heeft op de beleidsontwikkelingen op het terrein van de invordering. Er bestaan vaste kanalen waarin de dienstleiding van de Belastingdienst het gesprek aangaat met de AVB en de AVB betrekt bij de beleidsontwikkeling. Als voorbeeld kan dienen dat een lid van het Managementteam van de Belastingdienst alsmede een senior beleidsambtenaar van het ministerie van Financiën op het terrein van de invordering hebben gesproken op de in de vraag al gememoreerde ledenvergadering van 19 april 2011 en daarbij de dialoog met de leden van de AVB niet hebben geschuwd. In november 2011 heeft de Directeur-generaal Belastingdienst gesproken op een congres van de AVB om het beleid van de Belastingdienst toe te lichten en vragen te beantwoorden. Ook heeft de AVB meegedaan aan de themadag invordering die in november 2011 is gehouden op het ministerie van Financiën.
Ad 1
Tot en met november 2009 bestonden er geen specifieke beheersafspraken en maakte elke regio procesafwegingen voor zich. Uit de inventarisatie die in 2009 heeft plaatsgevonden zijn ca 40 verschillende manieren naar voren gekomen die werden toegepast om het invorderingsproces te beheersen. Na november 2009 is binnen het voorzittersoverleg van de regio’s van de Belastingdienst afgesproken om daar meer uniformiteit in aan te brengen. Ik verwijs naar de antwoorden van mijn ambtsvoorganger van 22 februari 2010 op de Kamervragen van het lid Remkes over het invorderingsbeleid van de Belastingdienst (Vergaderjaar 2009–2010) waarin deze afspraken zijn toegelicht.
In de opzet van de gemaakte afspraken worden in de invordering enkele indicatieve kwantitatieve grenzen gehanteerd om te komen tot een differentiatie van de toepassing van het meer intensieve invorderingsinstrumentarium. Met betrekking tot het karakter van deze grenzen zij erop gewezen dat het hier gaat om interne instructies die niet zijn gepubliceerd en geen externe werking hebben en die al helemaal geen externe rechtskracht hebben. Het is dan ook ongelukkig dat cijfermatige bedragen in de openbaarheid zijn gekomen waardoor een zwart wit beeld ontstaat die niet strookt met de geleidelijke en proportionele escalatie van invorderingsinstrumenten bij niet of te late betaling. Verder dient bedacht te worden dat deze grenzen niet dwingend zijn. Het lokale management kan er voor kiezen in individuele gevallen zoals fraude de meer intensieve invorderingsinstrumenten ook onder deze grenzen in te zetten. Ook zijn er onder de grensbedragen vangnet maatregelen aanwezig in de vorm van (onvoorspelbare) ANPR en wijkgerichte acties alsmede uitzonderingen op de grenzen voor specifieke doelgroepen en werkstromen. Overigens zullen deze grenzen worden heroverwogen. Naast de hiervoor genoemde grenzen kent de invordering een vrij groot aantal efficiency grenzen voor kleine bedragen (variërend in orde van grootte van € 3 tot € 35) die zijn ingebouwd in het systeem. De kosten van invordering zijn in deze gevallen evident hoger dan de baten.
Verschillen tussen belastingregio’s worden tot een minimum beperkt door een verschuiving van werkzaamheden en capaciteit tussen regio’s en door de implementatie van het project Professionaliseren, Systematiseren en Uniformeren (PSU) binnen de invordering. In het algemeen overleg dat ik op 9 februari 2012 heb gehad met de vaste commissie voor Financiën over de Belastingdienst heb ik toegezegd dat in de halfjaarsrapportage van juli 2012 de stand van zaken wordt weergegeven van de verbetering van de processen van invordering en de bijbehorende automatisering.
Ad 2
In het onder «Ad 1» van het antwoord op vraag 8 genoemde werkafspraken is nadrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat voor specifieke doelgroepen, met voorbijgaan aan de beheersafspraken invorderingscapaciteit beschikbaar wordt gesteld (zogenaamde specials). Het invorderen van aanslagen inkomensheffing opgelegd naar aanleiding van ten onrechte uitbetaalde voorlopige teruggaven is zo'n special. Dit houdt in dat alle wettelijke mogelijkheden die de ontvanger ten dienste staan (w.o. het leggen van beslag op zaken van belastingschuldige) in deze gevallen worden ingezet. Hierbij wordt wel vooraf getoetst in hoeverre het inzetten van deze mogelijkheden ook daadwerkelijk effectief zal zijn. Dat de ten onrechte uitbetaalde voorlopige teruggaven altijd worden teruggevorderd, betekent dan ook niet dat dit in alle gevallen leidt tot een 100% terugbetaling.
Ad 3
In de begroting worden alleen de ontvangsten geraamd, niet de oninbare bedragen. Er bestaat geen doelstelling om minimaal voor een bepaald bedrag aan vorderingen af te schrijven.
Wel is het beleid erop gericht om vorderingen, waarvoor geen invorderingsmogelijkheden meer bestaan, niet langer dan noodzakelijk in het werkpakket te houden en, zodra daar aanleiding toe is, af te schrijven. Het afschrijven van vorderingen kan als een «verliespost» worden beschouwd. De Belastingdienst monitort daarom het verloop van de afboekingen, ten einde tijdig te kunnen reageren als de omvang van de afgeschreven bedragen groter wordt dan gebruikelijk. Deze monitoring vindt plaats door steeksproefgewijze kwaliteitscontrole achteraf van individuele posten. Op concernniveau van de Belastingdienst werd voor de interne monitoring in 2011 een signaalwaarde gehanteerd van 1%. Dit houdt in dat het bedrag van de afboekingen niet hoger mocht worden dan 1% van de totale kasopbrengst. De afboekingen bleven in 2011 met 0,88% ruim binnen deze waarde.
Ad 4
De ontvanger heeft de mogelijkheid om vorderingen, waarvoor geen invorderingsmogelijkheden meer bestaan, af te schrijven. Bij de beslissing daartoe worden ook doelmatigheidsredenen betrokken. In fraude gevallen wordt ervoor gekozen de duimschroeven in de invordering aan te draaien, ook wanneer dit op basis van een kosten batenafweging niet aangewezen zou zijn. Voorbeeld daarvan is de in ad 2 genoemde terugvordering van ten onrechte uitbetaalde voorlopige teruggaven. De mix van doelmatigheidsoverwegingen en adequaat en slagvaardig reageren om ongewenst ontwikkelingen de kop in te drukken draagt bij aan een maatschappelijk gezien optimale inzet van invorderingscapaciteit. Dit versterkt de effectuering van de ambitie dat wie kan betalen de verschuldigde belastingen en premies ook moet betalen. Het zo veel mogelijk effectueren van deze ambitie past naar mijn oordeel naadloos in het draagkrachtbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
Wilt u de onderstaande specifieke vragen beantwoorden, die betrekking hebben op de in juni 2011 door de AVB en de VMHF (Vereniging van Hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën) aan u geschreven brief geschreven: Ad 1: Kunt u commentaar geven op deze passage, «betalen doen de bangen, en de dapperen die worden niet aangepakt»? Is er dan geen sprake van rechtsongelijkheid? Ad 2: Kunt u commentaar geven op deze passage? Graag een inzicht in de ontwikkeling van het horizontale en het verticale toezicht, en de middelen (formatie) die daarvoor zijn vrijgemaakt? Ad 3: Kunt u commentaar geven op deze passage? Kunt u inzicht geven in de mate waarin vaststaande schulden niet meer worden ingevorderd?
Ad 1
De in de vertrouwelijke brief van het VHMF en de AVB van juni 2011 aangehaald passage wordt niet correct samengevat door niet betalende belastingplichtigen als «dapper» te kwalificeren. De VHMF en de AVB geven aan dat de indruk bestaat dat compliante belastingplichtigen eerder en vooral dwingender worden aangesproken op openstaande schulden dan de niet compliante belastingplichtigen. In de gesprekken met VHMF en AVB naar aanleiding van deze brief heeft de leiding van de Belastingdienst toegelicht waarom deze indruk niet strookt met de feitelijke praktijk. Ook niet compliante ondernemers en particulieren krijgen te maken met intensieve invorderingsmaatregelen wanneer zij volharden belastingschulden niet te betalen. Rechtsongelijkheid is dan ook niet aan de orde.
Ad 2
Ongeveer de helft van de medewerkers (ruim 15 000) is werkzaam bij de belastingregio’s. Het zwaartepunt van het horizontaal toezicht ligt bij het segment MGO/ZGO. Bij het segment MKB is dit aanzienlijk kleiner.
De keuze voor de weging van de componenten dienstverlening, verticaal toezicht en horizontaal toezicht is niet in beton gegoten. Het is verstandig de weging van deze componenten te scherpen aan praktijkervaringen, externe signalen en maatschappelijke wensen en ontwikkelingen. In de gesprekken die de dienstleiding van de Belastingdienst met de VHMF heeft gevoerd zijn deze onderwerpen grondig besproken. In een vruchtbaar gesprek hebben alle deelnemers hun eigen accenten kunnen leggen. De zienswijze van de VHMF en de AVB wordt betrokken in de toekomstige beleidsontwikkeling. Zo hebben de VHMF en de AVB deelgenomen aan een strategische themadag over invordering dat in november 2011 heeft plaatsgevonden. De VHMF was ook uitgenodigd voor de themadag inning die de Belastingdienst op 3 april jongstleden heeft gehouden. Het eind mei te verwachten rapport van de Cie. Stevens over horizontaal toezicht is een goed moment om de mix van de componenten dienstverlening, verticaal toezicht en horizontaal toezicht de revue te laten passeren.
Ad 3
De stelling dat op grote schaal vaststaande schulden niet worden ingevorderd is onjuist. Het over 2011 oninbaar geleden bedrag aan belastingen en premies beloopt 0,88% van de totale ontvangsten en vertoont een lichte terugloop ten opzichte van voorgaande jaren.
Hoeveel formatie is er in de afgelopen jaren en voor de toekomst ingeruimd voor invorderings- en deurwaarderswerkzaamheden? Kunt u een cijfermatige onderbouwing geven, in het bijzonder daarbij aandacht gevend aan het aspect van de vergrijzing en het benodigde kennisniveau?
Van de formatie 2012 is in totaal ruim 2000 FTE ingezet op invorderings- en deurwaarderswerkzaamheden. De vergrijzing en uitdiensttreding zijn niet direct van invloed op het kennisniveau van het personeelsbestand. Er is voldoende potentieel om personeel op te leiden en te laten doorstromen.
Voor de toekomst zet de Belastingdienst in op procesverbeteringen, digitalisering en efficiëntere en effectievere invorderingsinstrumenten om met minder FTE de handhaving in invordering op peil te houden. Door sturing op de verhouding directe/indirecte uren is bij een krimpend personeelsbestand het aantal directe uren de laatste jaren vrijwel gelijk gebleven.
Is het uit doelmatigheidsoverwegingen een optie om de invordering van de rijksbelastingschulden uit te besteden aan de gerechtsdeurwaarders of incassobureaus?
De tabel in het antwoord op vraag 2 laat zien dat de scores van de effectiviteit van de invordering over de jaren 2009–2011 als goed kunnen worden gekenschetst, maar er altijd naar mogelijkheden voor verbetering moeten worden gezocht. Ook valt op dat het om stabiele uitkomsten gaat met als positieve trends een toename van tijdig betalen van 90 tot 93 % en een lichte daling van het afschrijvingspercentage tot 0,88% over 2011. In het kader van zoeken naar mogelijkheden tot verbetering zal een pilot worden onderzocht die zich concentreert op het deel van de afgeschreven bedragen dat niet onvermijdelijk is. Grondige verkenning en analyse zal duidelijk maken of hiervoor een haalbare businesscase is te maken die ook past binnen de begrotingsregels en waarvoor politieke en maatschappelijke steun bestaat.
Is het uit doelmatigheidsoverwegingen een optie om de invordering van belastingschulden, zowel van rijksbelastingen als van lokale belastingen, en overige schulden die een schuldenaar heeft bij een overheid in te laten vorderen door een team van belastingdeurwaarders samengesteld uit deurwaarders van de rijksbelastingdiensten en deurwaarders van lokale overheden?
Samenwerking tussen deurwaarders van rijksbelastingdiensten en van lokale overheden kan een optie zijn. Gemeenten kunnen zelf bepalen hoe zij de invordering van schulden vorm geven. Sommige gemeenten voeren deze taak zelf uit, andere gemeenten besteden dit uit. Zij maken daarbij zelf een doelmatigheidsafweging. Recent hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen besloten om al bestaande voorbeelden van dergelijke interbestuurlijke shared services -op andere terreinen – breder onder de aandacht te brengen. Het kabinet zal voorstellen om dit specifieke onderwerp in dit traject onder te brengen, en een verkenning naar de mogelijkheden van gezamenlijke invordering van schulden uit te laten voeren.
Ziet u iets in de omvorming van de belastingdeurwaarder tot een overheidsdeurwaarder die dan bevoegd is om te exploiteren en te executeren in alle schuldvorderingen die de overheid heeft op haar burgers? Zou dit ook niet de nodige marktwerking kunnen brengen in een verstard beroep als de gerechtsdeurwaarder?
Binnen het programma Compacte Rijksdienst en daarbinnen het project Rijksincasso is nauwe samenwerking tussen de beoogde Rijksincassodienst en andere instanties, waaronder bijvoorbeeld schuldhulpverlening beoogd. Behalve dat dit leidt tot meer integrale dienstverlening richting burgers, brengt een dergelijke aanpak naar verwachting een hoger inningspercentage en lagere deurwaarderskosten met zich mee. Zoals geantwoord op vraag 6, is de Belastingdienst echter om gegronde redenen uitgesloten van de beoogde rijksbrede clustering van innings- en incassoactiviteiten; wel kan overleg plaatsvinden tussen de Belastingdienst en het toekomstige Rijksincassokantoor. De gerechtsdeurwaarder is een ondernemer belast met de uitvoering van in de wet beschreven ambtshandelingen. Niet valt in te zien hoe verdere clustering bijdraagt aan een betere marktwerking.
Tien dagen na de verzending van de aanmaning wordt overgegaan tot actieve inning, wat verstaat u onder actieve inning? Is de fase van de inning niet de fase die ligt tussen de aanslagoplegging en het verstrijken van de betalingstermijn?
In de Invorderingswet 1990 wordt onderscheid gemaakt tussen de invordering in eerste aanleg en de dwanginvordering. De invordering in eerste aanleg vangt aan met het verzenden of uitreiken van het aanslagbiljet. De fase van de dwanginvordering vangt aan met het verzenden van de aanmaning. In het artikel in de Volkskrant wordt de term «actieve inning» gebruikt. In dit artikel wordt actieve inning opgevat als de fase die intreedt als 10 dagen na het versturen van de aanmaning nog niet is betaald. De term «actieve inning» is echter geen wetstechnische term en is ook niet een in de praktijk gangbaar begrip. Om verwarring te voorkomen heeft het mijn voorkeur deze terminologie niet te gebruiken.
Hoe is het mogelijk dat er tien dagen na het verstrijken van de betalingstermijn al een betalingsachterstand is van twee maanden? Het is toch mogelijk om direct na het verstrijken van de betalingstermijn een aanmaning te verzenden en dan 14 dagen na het verzenden van de aanmaning een dwangbevel uit te vaardigen? Waarom dan twee maanden later?
Een formele betalingsachterstand ontstaat pas na beëindiging van de betalingstermijn. Dat is het kenmerk van een betalingstermijn waarin de belastingschuldige in de gelegenheid wordt gesteld de middelen te verzamelen om de verschuldigde belasting te kunnen betalen. In het normale geautomatiseerde invorderingstraject wordt na verloop van een aantal dagen na het verstrijken van de betalingstermijn een aanmaning verstuurd. Dat niet direct na afloop van de laatste vervaldag van de betalingstermijn een aanmaning wordt verstuurd, houdt verband met het feit dat nog een betaling onderweg kan zijn. Als direct na afloop van de laatste vervaldag tot het verzenden van aanmaningen zou worden overgegaan, zouden teveel herstelboekingen moeten plaatsvinden, omdat als reeds betaald is de aanmaning als niet verzonden moet worden beschouwd. De stelling in het artikel van de Volkskrant dat 10 dagen na het verzenden van de aanmaning «de belastingplichtige de uiterste betaaldatum van ongeveer twee maanden dan al heeft overschreden» begrijp ik zo dat in het artikel voor de berekening van de periode van 2 maanden wordt uitgegaan van de dagtekening van de aanslag. In het algemeen geldt voor belastingaanslagen een betalingstermijn van 6 weken. In dat geval kan het inderdaad zo zijn dat als de aanmaning wordt verzonden sprake is van een tijdsverloop van ongeveer 2 maanden sinds de dagtekening van de aanslag. Het is niet zo, zoals de heer Van Vliet vreest, dat er een tijdsverloop zit van 2 maanden tussen het versturen van de aanmaning en het uitvaardigen van het dwangbevel.
Welke rol speelt de «klantvriendelijke» betalingsherinnering in dit proces van vertraging bij de invordering? Moet deze betalingsherinnering niet worden afgeschaft, immers, de aanmaning is een vermaning tot betalen waarvoor ook nog kosten in rekening worden gebracht?
De betalingsherinnering wordt verzonden voordat de aanmaning wordt verzonden. Als met betrekking tot een belastingschuld niet naar aanleiding van een betalingsherinnering wordt betaald, wordt vervolgens na een aantal dagen een aanmaning verzonden. Het gaat om een minieme «vertraging» in het invorderingsproces. De vraag of deze betalingsherinnering dan niet moet worden afgeschaft, gelet op het feit dat de aanmaning een vermaning is tot betalen waarvoor ook nog kosten in rekening worden gebracht, beantwoord ik ontkennend.
Zoals in het nader rapport inzake het wetsvoorstel tot wijziging van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kamerstukken II 2002/03, 28 917, A, p. 3) is opgemerkt is het doel van de betalingsherinnering het bevorderen van coöperatief gedrag waardoor het aantal belastingplichtigen in de fase van de dwanginvordering zal worden teruggedrongen. Deze doelstelling doet nog steeds opgeld. Bovendien wordt niet in alle gevallen een betalingsherinnering verzonden. Zo wordt een betalingsherinnering alleen verzonden voor niet zakelijke belastingaanslagen en dan alleen nog aan compliante belastingplichtigen. Zij die bijvoorbeeld eerder een aanmaning hebben gekregen voor een andere belastingaanslag komen niet voor een betalingsherinnering in aanmerking.
Kunt u een overzicht maken en toesturen van de verloop van het heffings- en invorderingstraject van alle belastingen, premies en heffingen? Kunt u deze informatie in het reguliere, periodieke overleg met de Kamer over de Belastingdienst opnemen?
Allereerst verwijs ik naar de antwoorden van mijn ambtsvoorganger van 22 februari 2010 op de Kamervragen van het lid Remkes over het invorderingsbeleid van de Belastingdienst (Vergaderjaar 2009–2010) waarin de gemaakte keuzes bij het verloop van het invorderingstraject zijn toegelicht. In het antwoord op vraag 8 ad 1 heb al eerder gewezen op deze antwoorden.
Er bestaan twee verschillende manieren waarop belastingen en premies worden geheven, namelijk de aanslagbelastingen en de aangiftebelastingen. Bij de aanslagbelastingen reikt de inspecteur een aangiftebiljet uit aan de belastingplichtige. Op basis van de ingevulde aangifte legt de inspecteur een aanslag op. Bij de aangiftebelastingen doet de belastingplichtige aangifte over een bepaald tijdvak en draagt de belastingplichtige er zorg voor dat binnen de geldende betalingstermijn het aangegeven bedrag wordt betaald. Indien het verschuldigde bedrag niet tijdig wordt betaald of de inspecteur constateert dat de aangifte onjuist of onvolledig is dan legt de inspecteur een naheffingsaanslag op. Met het verzenden of uitreiken van het aanslagbiljet (aanslag of naheffingsaanslag) start de invordering in eerste aanleg. De betalingsverplichting ontstaat op het moment van de dagtekening van de aanslag of naheffingsaanslag. Een betalingsachterstand ontstaat nadat de betalingstermijn is verstreken van de aanslag of naheffingsaanslag. Na de betalingsherinnering, de aanmaning en de betekening per post van het dwangbevel wordt de invordering voortgezet op het regiokantoor. Daar vindt een splitsing plaats in de behandeling: particulieren en ondernemers en in die laatste categorie wordt onderscheid gemaakt naar starters, zelfstandigen zonder personeel en MKB+.
Belastingschulden van particulieren
Gedurende het hele proces van het invorderen van belastingschulden van particulieren worden indien er openstaande schulden zijn, teruggaven verrekend met die openstaande schulden. Vorig jaar oktober is bijvoorbeeld de automatische verrekening Voorlopige Teruggaaf (VT) ingevoerd zodat dit proces zonder een capaciteitsbeslag op de medewerkers kan worden uitgevoerd. Ook loopt de belastingschuldige gedurende het hele traject dat er openstaande vorderingen zijn, de kans bij handhavingsacties te worden aangesproken op zijn openstaande verplichtingen.
De belastingschulden van particulieren, die niet verrekend kunnen worden, ondergaan een aantal invorderingspogingen, te beginnen met de overheidsvordering voor aanslagen motorrijtuigenbelasting. Voor overige schulden en de overblijvende vorderingen motorrijtuigenbelasting wordt in beginsel (vereenvoudigd) derdenbeslag gelegd op de inkomsten uit dienstbetrekking of op de inkomensuitkering van de schuldenaar (de loonvordering); daarbij dient overigens rekening te worden gehouden met de (wettelijke) beslagvrije voet. Leidt de loonvordering evenmin tot succes dan wordt er ten aanzien van aanslagen motorrijtuigenbelasting direct een signalering ingebracht bij de Rijksdienst voor het wegverkeer zodra sprake is van het in de regelgeving voorgeschreven minimumaantal van 5 onbetaald gebleven aanslagen motorrijtuigenbelasting. Door de signalering kan de belastingschuldige niet langer een auto op zijn naam krijgen. Na deze maatregelen worden de openstaande vorderingen en nieuw opkomende schuld opgespaard. Bij het overschrijden van een indicatieve kwantitatieve grens of indien daartoe aanleiding bestaat naar aanleiding van specifieke signalen, wordt de post bekeken op verhaalsmogelijkheden. Scoort deze toets positief dan gaat de belastingdeurwaarder aan de slag. Bij negatieve uitkomst worden de aanslagen gepauzeerd in afwachting van mogelijke verrekening. In de praktijk blijkt dat met die verrekening nog een substantieel bedrag boven water komt (ca. € 47 000 000 op jaarbasis). Ook na het bereiken van de pauzefase worden de schulden meegenomen bij handhavingsacties.
Belastingschulden van ondernemers
Belastingschulden van ondernemers worden pas aan de belastingdeurwaarder ter hand gesteld nadat gebleken is dat de ondernemer belastingschulden blijft creëren. Hier geldt een indicatieve kwantitatieve grens met daarbij een tijdgrens van een half jaar. Dat wil zeggen dat aan ondernemers met belastingschulden tot een indicatieve kwantitatieve grens en ouder dan een half jaar geen actieve invorderingsaandacht wordt besteed. Overigens wil dat niet zeggen dat deze schulden onbetaald blijven want ook hier is verrekening mogelijk met eventuele toekomstige teruggaven. Boven die indicatieve kwantitatieve grens, of eerder indien daartoe aanleiding bestaat naar aanleiding van specifieke signalen, gaat de belastingdeurwaarder op stap om tot dwanginvorderingsmaatregelen over te gaan. De praktijk van de Belastingdienst leert dat de ondernemer die belastingschulden onbetaald laat, in de loop van de verjaringstermijn (5 jaar) meestal op enig moment de fase bereikt waarin de totale belastingschuld de indicatieve kwantitatieve grens overstijgt. Zodra dit gebeurt wordt de deurwaarder ingeschakeld. Overigens worden, zoals ik in het antwoord op vraag 8 ad 1 heb aangegeven, deze grenzen thans heroverwogen.
Zijn er groepen/sectoren/regio’s aan te wijzen waarvan het betalingsgedrag een hoger risico op niet-betaling oplevert? Wordt er dan maatwerk toegepast waardoor er een «speciale» behandeling is die ervoor zorgt dat het geld zo snel mogelijk wordt ingevorderd?
Zie antwoord vraag 17.
De informatievoorziening aan de Tweede Kamer in het kader van de plannen voor Olympische Spelen in 2028 |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Aan wie is de «Nota (ter beslissing) Kabinetsbrief «verkennende studies Olympische Spelen»» van 11 oktober 2011 allemaal gezonden?1
De concept-nota is binnen de beleidsdirectie Sport gewisseld.
Bent u over het ene discussiepunt, waarover nog geen ambtelijke overeenstemming bereikt was, geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer bent u geïnformeerd over de ambtelijke discussie?
Ja, zie hiervoor mijn brief van 23 maart 2012 met bijlagen waar ik nader ben ingegaan op dit onderwerp (kamerstuk 30 234, nr. 34).
Kende u de inzet van uw eigen ambtenaren om niet de investeringskosten of het kostenbatensaldo in de brief op te nemen? Zo nee, waarom kende u de inzet van uw ambtenaren niet? Zo ja, wanneer bent u geïnformeerd?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt uw uitspraak dat de Kamer alle cijfers heeft gehad zich met de noot in de genoemde Nota, waarin staat dat de € 8 miljard van het ministerie van Financien niet genoemd is in de Verkenning van Maatschappelijke Kosten en Baten (VMKB)? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid een inhoudelijke reactie te geven op de aanbevelingen van de Second Opinion op de VMKB van het CPB, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en SCP? Kunt u uw antwoord toelichten, kunt u daarbij ook ingaan op het feit dat u dit rapport niet hebt toegezonden aan de Kamer?4
Zie antwoord op vraag 2. De second opinion is gevraagd als input voor het beleidsproces ter voorbereiding op een volwaardige MKBA. Voor geïnteresseerden is de second opinion op de sites van de betrokken planbureaus gepubliceerd.
De situatie omtrent de Oekraïnse oppositieleider Avakov |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de huidige ontwikkelingen omtrent de Oekraïense oppositieleider Arsen Avakov, die volgens meerdere berichten vervolgd zou worden door de Oekraïense autoriteiten?
Op 26 januari jl. opende de Openbaar Aanklager van de regio Kharkiv een strafrechtelijk onderzoek tegen de heer Arsen Avakov op grond van vermeende malversatie met aankoop van land. Op 21 maart jl. deelden Oekraïense autoriteiten mee dat de heer Avakov was opgenomen op de lijst van gezochte personen van Interpol. Op 26 maart werd de heer Avakov gearresteerd in Italië.
Kunt u aangeven welke mogelijke rol Interpol heeft gespeeld in deze casus?
Ik heb geen inzicht in de procedure die heeft geresulteerd in de aanhouding van de heer Avakov door de Italiaanse autoriteiten. Nederland was en is daarbij geen partij. Wel wijs ik erop dat de Constitutie van Interpol handelingen door Interpol, zoals plaatsing op een signaleringslijst, vanwege een politieke, militaire, religieuze of etnische achtergrond verbiedt. Interpol toetst zelf per signalering of hiervan sprake is.
Deelt u de mening dat na meerdere rechtszaken in Oekraïne die door de internationale gemeenschap werden beschouwd als illegitiem en politiek, Nederland en de Europese Unie de vinger aan de pols dienen te houden in vergelijkbare gevallen? Hoe krijgt dit concreet vorm?
Het is mogelijk dat de vervolging van de heer Avakov een politieke achtergrond heeft en past in een breder patroon van politiek gemotiveerde vervolgingen en veroordelingen van oppositiepolitici, zoals oud-premier Timosjenko en oud-minister van binnenlandse zaken Loetsenko. Door de EU is bij monde van HV Ashton en Commissaris Füle bij herhaling verklaard dat de veroordeling van betreffende oppositiepolitici niet voldoet aan internationale standaarden van een eerlijke, transparante en onafhankelijke rechtsgang.
De achteruitgang van de rechtsstaat in Oekraïne vervult de gehele EU met zorg. Nederland en de EU volgen de ontwikkelingen op de voet, en spreken de Oekraïense autoriteiten op verschillende niveaus, zowel bilateraal als in EU-verband, aan op de achteruitgang van de rechtsstaat. Daarbij wordt Oekraïne aangespoord om wetgeving op het gebied van strafrecht en bestuursrecht, en de implementatie hiervan, in overeenstemming met internationale normen en standaarden te brengen.
Hoe spreekt u, zowel in bilaterale contacten als via de Europese Unie en de relevante VN instrumenten, Oekraïne aan op internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten en staatsrechtelijkheid? Bent u bereid te bevorderen dat artikelen die normale politieke besluitvorming voorwerp van het strafrecht maken uit de Oekraïense Strafwet gehaald worden en dat aanklachten tegen voormalige bewindspersonen en bestuurders die op deze artikelen zijn gebaseerd worden ingetrokken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in uw contacten de casus-Avakov specifiek te adresseren?
Mijn ambtgenoot, minister Grysjtsjenko van Buitenlandse Zaken, heeft op 4 april een werkbezoek aan Den Haag gebracht. Ik heb hem bij die gelegenheid aangesproken op de achteruitgang van de rechtsstaat, met verwijzing naar relevante zaken.
De zaak Bilderbeek |
|
Harry van Bommel , Paulus Jansen |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Onderschrijft u het feitenrelaas zoals beschreven in het recent verschenen boek «De Olievlek»? Zo nee, op welke punten niet?1
Ik heb kennisgenomen van het boek. Ik kan slechts een oordeel geven over zaken die mij regarderen. In aanvulling op de hieronder gegeven antwoorden verwijs ik naar de antwoorden op vragen van de leden Van der Staaij (SGP), Koenders (PvdA), Ormel (CDA), Van Baalen (VVD) en Bakker (D66) d.d. 3 juli 2006 en van de leden Azough en Diks (beiden SP) d.d. 6 november 2008.
Welke stappen heeft de Nederlandse overheid ondernomen om de beide broers Bilderbeek in Columbia bij te staan zowel humanitair, diplomatiek als juridisch?
De heer H. van Bilderbeek kreeg na zijn arrestatie in september 2004 consulaire bijstand. Hij werd door de Nederlandse ambassade in Bogota regelmatig bezocht. De Nederlandse ambassade in Bogota heeft bovendien meerdere malen bij de Colombiaanse autoriteiten tot op het politiek hoogste niveau aandacht gevraagd voor de lange duur van het proces en voor de gezondheidssituatie van de heer Van Bilderbeek. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de heer Van Bilderbeek op 20 oktober 2008 in de gelegenheid werd gesteld om in een door hem zelf gekozen ziekenhuis buiten de gevangenis te worden behandeld. In maart 2009 heeft de heer Van Bilderbeek aangegeven geen belangstelling meer te hebben voor consulaire bijstand.
Mijn ambtsvoorganger heeft zowel met de minister van Buitenlandse Zaken als met de vicepresident van Colombia gesproken over de zaak Van Bilderbeek. De toenmalige minister-president heeft de kwestie onder de aandacht gebracht van president Uribe tijdens de EU-LAC top in Lima (15–16 mei 2008).
De Nederlandse ambassade in Bogota heeft voorts naar aanleiding van een klacht van de heer Van Bilderbeek een vertrouwensadvocaat ingeschakeld om na te gaan of het proces aan de geldende rechtsregels voldeed. De vertrouwensadvocaat heeft geen schending van het recht op eerlijke rechtsgang of van het recht op verdediging van de heer Van Bilderbeek vastgesteld.
Wat is uw reactie op de constatering dat voormalig minister van Buitenlandse Zaken Verhagen de broers Bilderbeek tegenwerkte?2 Waarom duurde het verlenen van een paspoort zo lang?
Het destijds vigerend beleid bepaalde dat autoriteiten van derde landen geïnformeerd worden over het voornemen om over te gaan tot verstrekking van een reisdocument aan Nederlanders die in het derde land verwikkeld zijn in een lopende strafvervolging. Tevens voorzag het beleid in de mogelijkheid een paspoort te weigeren in het geval van het risico van onttrekking aan (verdere) rechtsvervolging in het buitenland.
De paspoortaanvraag van Van Bilderbeek is op grond van dit beleid geweigerd. De heer Van Bilderbeek is tegen dit besluit in bezwaar en beroep gegaan. De rechter heeft het beroepschrift op 8 december 2010 gegrond verklaard en gelast de heer Van Bilderbeek een paspoort te verstrekken. Op 7 januari 2011 is het paspoort aan hem uitgereikt.
Kunt u, in aanvulling op de antwoorden van uw ambtsvoorganger op schriftelijke vragen terzake3, een auctualisering geven van de acties die door of namens de Nederlandse regering zijn ondernomen na het algemeen overleg van 1 oktober 2008?4
De Nederlandse ambassade in Bogota heeft naar aanleiding van een klacht van de heer Van Bilderbeek in januari 2009 een vertrouwensadvocaat ingeschakeld om na te gaan of het proces aan de geldende rechtsregels voldeed. De vertrouwensadvocaat heeft geen schending van recht op eerlijke rechtsgang of recht op verdediging van de heer Van Bilderbeek vastgesteld.
Op 8 december 2010 heeft de bestuursrechter gelast om een paspoort te verstrekken. Het paspoort werd op 7 januari 2011 door de Ambassade Bogota aan de heer Van Bilderbeek uitgereikt.