De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
De deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie van het lid Paternotte c.s. Kamerstuk 26 150, nr. 227), de motie van de leden Van der Burg en Paternotte (Kamerstuk 35 207, nr. 94) en de motie van het lid Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2871) die allen het kabinet oproepen om voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties te pleiten?
Bent u bereid om, net als vorig jaar, voorafgaand en tijdens de eerstvolgende World Health Assembly publiekelijk stelling te nemen dat Taiwan aan de bijeenkomsten van de WHO zou moeten mogen deelnemen?
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.