Jongeren die worden omgekocht in jeugdgevangenissen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport van de Kinderombudsman waaruit blijkt dat klachten van jeugdige gevangenen worden afgekocht?1
Het rapport van de Kinderombudsman is gepubliceerd op 12 februari 2016. De Kinderombudsman concludeert dat het klachtrecht in de praktijk op veel onderdelen voldoet aan de eisen. De Kinderombudsman stelt daarnaast dat op een aantal punten het klachtrecht nog beter benut kan worden en doet daar aanbevelingen voor. Momenteel bereid ik samen met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een beleidsreactie aan de Kinderombudsman voor en een afschrift van deze beleidsreactie zullen wij uw Kamer doen toekomen.
Kunt u reageren op de verschillende aanbevelingen die zijn gedaan door de Kinderombudsman teneinde de klachtregeling in justitiële jeugdinrichtingen te verbeteren? Welke gaat u uitvoeren en op welke manier? Welke gaat u niet uitvoeren en waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u dezelfde mening toegedaan als uw voorganger, namelijk dat niet erg is dat het omkopen van jeugdige gevangenen met klachten onderdeel is van de informele wijze van klachtafdoening?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u de informele klachtenregeling aanpassen?
Ik geef u graag mijn standpunt over omkoping. Omkopen is volstrekt onwenselijk en behoort niet thuis in de praktijk van het klachtrecht voor jeugdigen in geslotenheid. In justitiële jeugdinrichtingen, waarop deze vragen zich toespitsen, is in de afgelopen jaren dan ook geen omkoping geconstateerd in de rapporten van de Inspectie Veiligheid en Justitie, waar het klachtrecht deel uitmaakt van een doorlichting.
Het klachtrecht garandeert dat een jeugdige altijd de gelegenheid heeft om zaken waarmee hij het niet eens is, aan een onafhankelijke instantie voor te leggen. Tegelijk is het onwenselijk, zowel vanuit het perspectief van de jeugdigen zelf als voor de inrichtingen, dat er een situatie ontstaat waarbij elke klacht alleen schriftelijk formeel kan worden behandeld. Een pedagogisch klimaat en het voorbereiden van de jeugdigen op het leven buiten de inrichting houden ook in het leren omgaan met situaties waarin men ontevreden is of zich benadeeld voelt door hierover informeel het gesprek aan te gaan. De jeugdige en zijn verhaal worden serieus genomen en als er inderdaad sprake is van tekortdoening dan kan een compensatie gerechtvaardigd zijn. De fout wordt erkend en de jeugdige wordt gecompenseerd. Een formeel klachtentraject om compensatie te krijgen is in dergelijke situaties slechts nodig als partijen het niet eens kunnen worden over de oplossing. Het staat de jeugdige altijd vrij om zijn klacht formeel door te zetten.
Niet alle klachten lenen zich voor informele klachtenafhandeling. Dan is een formele klachtprocedure de geëigende weg. Op de bevindingen en aanbevelingen in het rapport van de Kinderombudsman omtrent de klachtprocedure zal ik in de beleidsreactie ingaan.
Deelt u de mening dat het aanbieden van bijvoorbeeld beltegoed of frisdrank ertoe kan leiden dat jongeren hier misbruik van zullen maken en een dergelijke vorm van klachtafdoening derhalve niet wenselijk is? Zo nee, waarom niet? Wat is daarbij uw reactie op de bevindingen van de Kinderombudsman dat dit misbruik wel degelijk voorkomt?
Zijn er sinds september 2014 extra waarborgen in de procedure gekomen teneinde misbruik te voorkomen bij het afkopen van jeugdige gevangenen met klachten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen?
Kunt u zich vinden in de suggestie van de Kinderombudsman dat het zuiverder is als de informele klachtafdoening plaatsvindt door het aangaan van een gesprek door een onafhankelijk derde en niet door het aanbieden van compensatie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het uiteindelijk voor iedereen beter is als een klacht wordt opgelost in plaats van dat jongeren compensatie krijgen teneinde te voorkomen dat zij hun klacht handhaven? Zo nee, waarom niet?
Bijzonder bijkomende kosten voor kinderen onder voogdij en residentiële instellingen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de stelling dat gemeenten vaak niet meer bereid zijn te betalen voor bijzondere, bijkomende kosten voor kinderen die onder (gezins-)voogdij staan en in een residentiële instelling wonen?1
Uit de informatie die mij bekend is, blijkt dat tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen afspraken gemaakt worden over het tarief voor de jeugdbescherming. De vergoeding voor bijzondere kosten maakt deel uit van dat tarief. Er zijn mij geen concrete signalen bekend dat gemeenten niet meer bereid zouden zijn om te betalen voor bijzondere kosten.
In hoeverre speelt hier volgens u de inkoopgedrevenheid en het bureaucratisch getouwtrek over de kosten, waarover de Kinderombudsman eerder heeft gerapporteerd?2
Uit vragen die ik van gemeenten krijg, blijkt dat er veel behoefte is aan informatie over de wijze waarop in de praktijk moet worden omgegaan met de vergoeding van de bijzondere kosten. Dat is voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) reden geweest om samen met de VNG en Jeugdzorg Nederland een factsheet te ontwikkelen waarin de vergoeding van bijzondere kosten wordt uitgewerkt. Met deze handreiking beogen we voor de uitvoering helderheid te verschaffen over het doel, reikwijdte en de werkwijze van de vergoeding van bijzondere kosten. Deze handreiking wordt zo spoedig, nog in april, gepubliceerd.
Deelt u de mening van de hulpverlener dat het onwenselijk is dat kinderen en ouders doorverwezen worden naar de bijzondere bijstand of een beroep op fondsen moeten doen voor de bijzondere, bijkomende kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bijzondere kosten hebben betrekking op specifieke kosten die in het van belang van het kind gemaakt moeten worden. Deze bijzondere kosten komen voor vergoeding in aanmerking als er voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt.
Omdat de verlening van bijzondere bijstand een laatste vangnet is in het kader van de sociale zekerheid, kan de bijzondere bijstand in dit soort situaties niet als een voorliggende voorziening worden aangemerkt. Immers in de Participatiewet is bepaald dat er geen recht op (algemene en bijzondere) bijstand is, indien en voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorziening die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Een aanspraak op vergoeding van bijzondere kosten behoort hier in beginsel ook toe, mits de aanspraak valt binnen de reikwijdte van de vergoedingsregeling van de bijzondere kosten. Ik deel dan ook uw mening dat het in dit geval onwenselijk en niet passend is als er wordt doorverwezen naar de bijzondere bijstand als vergoeding op basis van de regeling bijzondere kosten mogelijk is.
Klopt het beeld dat de hulpverlener schetst over de plaatsing in, vaak ver van de ouderlijke woonplaats gevestigde, specialistische instellingen en dat het voor ouders financieel gezien lastig of haast onmogelijk is hun kind te bezoeken? Hoe gaat u ervoor zorgen dat financiën nooit een belemmering vormen in het behouden van het contact tussen kind en ouder?
Het kan voorkomen dat kinderen in een tehuis of pleeggezin zijn geplaatst dat relatief ver weg ligt van de woonplaats van ouders. In de regeling voor vergoeding bijzondere kosten is de mogelijkheid opgenomen dat ouders, indien dat noodzakelijk is, een vergoeding krijgen voor reiskosten.
In dit verband wijs ik er op dat nu de jeugdhulp gedecentraliseerd is naar gemeenten, er een tendens waarneembaar is dat jeugdhulp dichter bij huis wordt georganiseerd. Dit is ook beoogd. De gemiddelde afstand die ouders moeten reizen zal dan naar verwachting afnemen.
Herkent u het beeld dat de hulpverlener schetst van de stapeling van bezuinigingen en belemmeringen waarmee ouders van deze kinderen te maken hebben? Klopt het dat voorheen deze bijzondere kosten in de (gezins-)voogdij wel werden vergoed en gemeenten hier nu op bezuinigen?
Zoals ik beschreven heb in mijn antwoord op de eerste vraag, zijn mij geen concrete signalen bekend dat gemeenten bezuinigen op de bijzondere kosten. Zoals ook in de factsheet wordt opgenomen, hebben gemeenten een plicht om een financiële vergoeding beschikbaar te stellen voor bijzondere kosten die in specifieke situaties in het belang van het kind gemaakt moeten worden. Gemeenten en gecertificeerde instellingen moeten daar goede afspraken met elkaar over maken.
Verder is de financiële positie van een grote groep ouders verbeterd met de afschaffing van de ouderbijdrage per 1 januari 2016. Dit heeft tot gevolg dat ouders deze vorm van een eigen bijdrage niet meer hoeven te betalen en daardoor minder kosten maken voor hun kind dat uit huis is geplaatst. Overigens komen de ouders als zij aan de onderhoudsvoorwaarden voldoen in aanmerking voor kinderbijslag.
Hoe verhoudt de situatie waarin ouders financieel niet in staat zijn hun kind te bezoeken zich tot het betrekken van ouders bij het ondersteuningsproces van hun kind, zoals verwoord in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet?3
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u van mening dat, aangezien het hier om een specifieke en zeer kwetsbare doelgroep gaat, het niet van individuele gemeenten zou moeten afhangen of er bijzondere bijkomende kosten vergoed worden? Zo ja, hoe gaat u dit organiseren? Zo nee, waarom niet?
Bij het beoordelen van de vraag of bijzondere kosten in aanmerking komen voor vergoeding dient eerst gekeken te worden of voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt. Naast landelijke regelingen hebben gemeenten ook regelingen waarvan de uitvoering verschilt per gemeente. De beoordeling of bijzondere kosten al dan niet in aanmerking komen voor vergoeding is dan ook mede afhankelijk van de specifieke invulling van deze regelingen per gemeenten. De factsheet die met de VNG en Jeugdzorg Nederland is opgesteld, is bedoeld als leidraad om hierover tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen goede afspraken te maken.
Kunt u deze vragen voor het verzamel Algemeen overleg Jeugdhulp voorzien op 31 maart 2016 beantwoorden?
Ja.
De berichtgeving dat één op de drie artsen het falen van een collega niet meldt |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel naar aanleiding van berichtgeving op de website van het Radboudumc?1 2 3
Ja.
Wat is uw oordeel over deze berichtgeving?
In hoeverre komt de patiëntveiligheid in het geding wanneer één op de drie artsen het falen van een collega niet meldt?
Onderschrijft u de conclusie van het onderzoek dat daar waar een angstcultuur heerst de patiëntveiligheid in het geding komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke oplossing dient er volgens u te komen voor het voorkomen van een angstcultuur? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete maatregelen binnen de zorg worden genomen om hier iets aan te doen?
Kunt u naar aanleiding van eerder gestelde vragen duiden hoe het toezicht is geregeld, aangezien de Raad van Bestuur eindverantwoordelijk is?4
Deelt u de conclusie dat ondersteuning bij rehabilitatie primair moet worden georganiseerd door zorginstellingen, beroepsbeoefenaren en beroepsverenigingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op welke wijze kan er meer aandacht komen voor de manier waarop zorgverleners kunnen omgaan met het verminderd functioneren van collega’s? Hoe kan er meer aandacht komen voor de aanspreekcultuur binnen deze organisaties?
Op welke manier kan er zorg worden gedragen voor meer ondersteuning bij het omgaan met collega’s die binnen en/of buiten de instelling minder goed functioneren?
In de afgelopen jaren is er een veelheid aan instrumenten ontwikkeld, uiteindelijk gericht op het voorkomen van fouten en disfunctioneren:
Veilig melden systeem, protocollen veilig melden, IFMS (individueel functioneren medisch specialisten), kwaliteitsvisitaties en herregistratie. Hiermee is er veel meer aandacht gekomen voor het evalueren en verbeteren van het individuele professionele handelen. Daarnaast is een belangrijke manier om fouten te voorkomen om continu te zorgen voor het up to date houden van kennis en vaardigheden. En continue aandacht in opleiding en na- en bijscholing voor veilig melden.
Dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van instellingen en professionals.
Op welke manier kan er zorg voor worden gedragen dat er in de opleiding meer aandacht wordt gegeven aan hoe om te gaan met het signaleren van disfunctioneren?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening van de onderzoeker van het rapport dat iedere zorgverlener tijdens een tuchtzaak begeleiding aangeboden moet krijgen? Zo ja, op welke wijze gaat hierin worden voorzien?
Dat vind ik een verantwoordelijkheid voor de werkgever en voor de beroepsverenigingen.
Het bericht ‘De kust zou leeg blijven. Toch gaat het volbouwen door’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De kust zou leeg blijven. Toch gaat het volbouwen door»?1
Ja.
Op grond van welke regelgeving wordt uitvoering gegeven aan deze bouwplannen?
De in het bericht genoemde bouwplannen betreffen Groote Keeten (Noord-Holland, gemeente Schagen), Nieuwvliet-Bad (Zeeland, gemeente Sluis), Hollum (Fryslân, gemeente Ameland). Het gaat hierbij om locaties welke buiten (landwaarts van) het kustfundament liggen.
Of op die locaties gebouwd mag worden, wordt bepaald door de regels van gemeenten en provincies op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals het plaatselijke bestemmingsplan, de provinciale ruimtelijke verordening en de regels omtrent bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ook de waterbeheerder kan regels omtrent het bouwen hebben gesteld ter bescherming van de waterveiligheid. Voorts kan op grond van de natuurwetgeving toestemming zijn vereist voor bouwplannen.
De regels over de kust in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) hebben geen betrekking op locaties buiten het kustfundament.
Hoe beoordeelt u de juridische grondslag voor deze bouwplannen? Is hier sprake van handelen naar de geest en letter van de wet? Indien uitwegen gezocht worden, door wie gebeurt dat volgens u en wat bent u voornemens daartegen te doen?
De in het bericht genoemde projecten betreffen locaties welke buiten (landwaarts van) het kustfundament liggen. Deze vallen onder de bevoegdheid van de desbetreffende gemeente en provincie. Voor een toelichting op de juridische grondslag verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat het projecten betreft die gestart zijn vooruitlopend op de ondertussen ingetrokken voorgenomen uitbreiding tot bouwen in de duinen buiten de bebouwde kom? Zo nee, waarom niet?
Per brief van 15 februari 20162 heb ik aangegeven geen uitvoering te geven aan de voorgestelde wijzigingen van het Barro voor zover deze betrekking hebben op de kust. Dit betekent dat de nu geldende regels voor de kust, binnen de begrenzing van het kustfundament, ongewijzigd blijven. Lopende en toekomstige plannen zullen aldus worden getoetst aan deze, nu geldende, regels.
De in het bericht genoemde projecten betreffen locaties welke buiten (landwaarts van) het kustfundament liggen. De regels over de kust in het Barro hebben geen betrekking op locaties buiten het kustfundament. Genoemde projecten vallen aldus buiten de scope van het Barro. Dit zou ook ongewijzigd blijven met de, niet tot uitvoering gebrachte, voorgestelde wijzigingen van het Barro voor zover deze betrekking hebben op de kust.
Het bericht dat er weer een storing was op de Botlekbrug |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over een recente storing aan de Botlekbrug?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten waarom deze storing aan de Botlekburg pas na zeven uur was opgelost? Zo nee, waarom niet?
Op 16 februari 2016 om circa 17.00 uur bleek de brug in storing te zijn, waardoor deze gestremd was, zowel voor auto’s als voor de hoge scheepvaart. Het bleek een grendelstoring te zijn, maar de oorzaak van de storing was moeilijk vast te stellen, omdat het probleem niet visueel waarneembaar was. In eerste instantie is mogelijk gemaakt dat de brug handmatig bediend kon worden. Hierdoor kon het wegverkeer vanaf 16 februari 2016 om circa 23.30 uur weer van de brug gebruik maken. De brug bleef gestremd voor de hoge scheepvaart.
Op 17 februari 2016 bleek dat de oorzaak van de storing een defect onderdeel van de vergrendeling was. Vanaf 20.00 uur werden tijdblokken van een paar uur ingesteld, afwisselend voor weg- en scheepvaartverkeer. Deze tijdblokken zijn gecommuniceerd.
Hierna is de software van de vergrendeling aangepast, zodat de brug bediend kon worden, terwijl de betreffende grendel buiten werking was.
Op 19 februari 2016 om 20.00 uur was de storing tijdelijk opgelost en werd de brug weer volledig beschikbaar gesteld voor het weg- en het vaarwegverkeer. De reparatie aan het defecte onderdeel van de vergrendeling vraagt langere tijd. Dit kan buiten de normale bediening van de brug plaatsvinden.
Hoe lang moet de regio Spijkenisse nog afhankelijk zijn van de onbetrouwbare Botlekbrug, aangezien de storing van de afgelopen nacht al de 53ste storing van deze brug is?
Er heeft een onafhankelijke review plaatsgevonden op de storingen en de afhandeling van de storingen op de nieuwe Botlekbrug. De resultaten van deze review zal ik begin maart aan de Tweede Kamer versturen, waarbij ook aanbevelingen voor het vervolg worden opgenomen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het transport van gevaarlijke stoffen via de N59 moet? Bent u bereid met transportondernemers te kijken naar alternatieve routes?
De N59 is de met de Veiligheidsregio afgestemde alternatieve route voor gevaarlijke stoffen. Via deze route wordt voorkomen dat gevaarlijke stoffen door tunnels vervoerd worden en wordt zo min mogelijk door woonkernen gereden.
Overleg tussen mijn departement en de transportsector is in voorbereiding.
Kunt u aangeven hoeveel schade de transportsector heeft opgelopen door de storingen en daarbij zowel wegverkeer als scheepvaartverkeer betrekken? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op eerdere Kamervragen (nr. 2016D901753, 18 januari 2016) over opgelopen schade, betreur ik dat vervoerders om moeten rijden als de brug is gestemd. De door de transportsector genoemde bedragen kan ik niet beoordelen, omdat dit niet wordt geregistreerd.
Op welke wijze wordt de bouwer van deze brug aansprakelijk gesteld voor de schade? Is er een garantietermijn afgesproken en is de laatste betalingstermijn al voldaan?
De Botlekbrug is onderdeel van een langlopend contract, waarbij de opdrachtnemer voor 20 jaar de brug onderhoudt. De laatste betalingstermijn is nog niet aan de orde, omdat betalingen nog gedurende de gehele looptijd van het contract plaatsvinden. De bouwer van de brug neemt maatregelen voor het herstellen en tegengaan van storingen en draagt de kosten daarvoor. Schade als gevolg van storingen kan op basis van het contract niet op de bouwer worden verhaald.
Heeft u (extern)onderzoek laten verrichten naar de opleveringsstaat van de brug? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de conclusies?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht “Tonnen voor opinieplatform” |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tonnen voor opinieplatform»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er voor het initiatief «RaamopRusland» een subsidie van bijna 3 ton is aangevraagd?
Ja.
Op welke subsidiemogelijkheid doen de aanvragers een beroep?
De subsidieaanvraag is ingediend voor het programma Projecten Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB), vallend onder artikel 4 van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welk deel van de begroting van dit initiatief zou bij toekenning van de gevraagde subsidie uit subsidie van uw ministerie bestaan?
De eenmalige subsidie betreft de startfase (eerste drie jaar) van het initiatief en behelst o.a. de kosten voor de bouw, hosting en onderhoud van een website, personeelskosten t.b.v. redactie en onderzoek, reiskosten, en honoraria voor freelancers. De totale begroting voor deze eerste drie jaar bedraagt EUR 364.000. Eventuele kosten buiten de ingediende begroting worden niet gedekt door de subsidie.
Waarin verschilt «RaamopRusland» van andere journalistieke of opiniërende media waar geen subsidie aan wordt verleend?
Het projectvoorstel Raam op Rusland betreft geen journalistiek of opiniërend project, maar de oprichting van een kennisplatform, waarbij nauw samengewerkt zal worden met Nederlandse kennisinstellingen, waaronder verschillende universiteiten, en het bedrijfsleven. De subsidie is toegekend aan de stichting Raam op Rusland, die conform haar statuten geen journalistieke inslag of doelstellingen heeft. De activiteiten van Raam op Rusland passen binnen het beleidsdoel om relevante feiten over de actuele ontwikkelingen in Rusland toegankelijk te maken voor een breder publiek.
Voor de volledigheid zij vermeldt dat uit deze subsidie geen activiteiten in relatie tot het referendum over de associatieovereenkomst met Oekraïne gefinancierd zullen worden. De website van «Raam op Rusland» zal pas later in het voorjaar operationeel worden.
Zijn er vergelijkbare initiatieven die subsidie van uw ministerie ontvangen? Zo ja, welke zijn dit en wat bedraagt die subsidie?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassades in het buitenland verstrekken regelmatig subsidie aan projecten gericht op het vergroten en uitwisselen van kennis met betrekking tot belangrijke onderwerpen van buitenlands beleid. Het project «Raam op Rusland» is niet direct vergelijkbaar met andere initiatieven die subsidie ontvangen.
Bestaat het risico dat met deze subsidieverlening financiering ontstaat van gewoon journalistiek werk dat de deelnemende journalisten ook zonder deze subsidie zouden verrichten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het betreft hier geen journalistiek project. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Het bericht ‘Overbetuwenaar betaalde jarenlang teveel rioolbelasting’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overbetuwenaar betaalde jarenlang teveel rioolbelasting»?1
Ja.
Is het wettelijk toegestaan dat een gemeenteraad geld overhevelt vanuit het «rioolpotje» naar de algemene reserves? Zo nee, hoe kan het dat dit in de gemeente Overbetuwe wel is gebeurd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat de heffing niet meer mag bedragen dan de kosten voor het riool?
Destijds is er in de gemeente Overbetuwe voor gekozen om een egalisatiereserve in te stellen voor de rioolheffing, teneinde de hoogte van de heffing van jaar op jaar niet teveel te laten fluctueren. Deze reserve werd gevuld uit eventuele meeropbrengsten van de rioolheffing op rekeningbasis. Kostendekkendheid op begrotingsbasis is het toetscriterium, echter niet op rekeningbasis zoals in het onderhavige geval. Hierdoor kunnen overschotten ontstaan. Jurisprudentie wijst uit dat dit acceptabel is zolang dit niet meerjarig het geval is en niet meer dan een bepaald percentage, meestal 10%. In dit concrete geval oordeelde het gerechtshof dat er door het feit dat de investeringen te hoog geraamd waren en middels de onttrekking aan de reserve er een overschrijding van de kostenlimiet van meer dan 10% ontstond.
Navraag bij de provinciale toezichthouder leert dat bij de vaststelling van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2008–2012 uitgebreid stil is gestaan bij de vorming van de bestemmingsreserve in het licht van de geldende regelgeving. In dit rioleringsplan is het uitgangspunt vastgelegd dat de gemeenteraad de bevoegdheid houdt om in principe de bestemming van de gereserveerde middelen voor riolering te wijzigen. De gemeenteraad van deze gemeente had het rioleringsplan al verlengd tot 2013. Besloten is om vanwege financieel moeilijke omstandigheden en het feit dat onderhouds- en renovatiekosten door technische ontwikkelingen dalen het deel dat niet meer nodig was voor de rioolkosten uit deze bestemmingsreserve te halen en toe te voegen aan de algemene middelen. Er bleven daarna in de bestemmingsreserve riolering voldoende financiële middelen beschikbaar om toekomstige tariefsstijging van de rioolheffing nog een aantal jaren af te vlakken. Een van de argumenten daarbij was dat het deel dat wordt ingezet voor creëren van structurele financiële ruimte een tariefsverhoging van de OZB ten minste beperkt zo niet voorkomt. Deze zou anders noodzakelijk zijn om de begrotingstekorten te dekken, dan wel bijvoorbeeld een bezuiniging op andere gemeentelijke uitgaven.
Kunt u aangeven of er ook in andere gemeenten op deze wijze wordt geschoven met budgetten?
Op centraal niveau worden de redenen voor balansmutaties van gemeenten niet bijgehouden. De gemeentebesturen verantwoorden budgettaire schuiven aan de gemeenteraad bij begrotingswijzigingen en de jaarrekening.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een inwoner via de rechter zijn gelijk moet krijgen over het op deze wijze schuiven met budgetten door de gemeente?
Het stelsel van rechtsbescherming is juist bedoeld om de burger te beschermen tegen handelen van een overheidsapparaat. Het is daarbij ook gebruikelijk dat een burger die het niet eens is met zijn aanslag of de mate van kostendekkendheid van de rioolheffing dit geschil voor legt aan de rechter indien er in bezwaarfase geen overeenstemming ontstaat. Overigens is het nog mogelijk om cassatie in te stellen tegen deze uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het oordeel is nog niet definitief.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van de portefeuillehoudende wethouder in dezen, die stelt dat hij niet denkt aan terugbetalen, omdat «dat geld later via de rioolheffing of de ozb weer bij de burgers moet worden teruggehaald»?
De uitspraak van het gerechtshof is zoals gezegd nog niet definitief. In het belastingrecht is het zo dat vaak, zoals ook in dit geval, de verordening alleen ten aanzien van de belanghebbende wordt vernietigd. Dit heeft geen direct rechtsgevolg voor andere belastingplichtigen. Wel is het zo dat indien er nog zaken onder de rechter zijn, bij de uitspraak gekeken zal worden naar deze uitspraak.
Welke rol ziet u in (een) dergelijke kwestie(s) voor uzelf?
Ik heb geen rol in deze, daar de rechter als onafhankelijke macht oordeelt. Ik kan en wil daar niet in treden. De uitvoering van de regelgeving door gemeenten gaat mij wel aan. Ik blijf daar op toe zien, maar gemeenten hebben een autonome positie waarin zij binnen de regelgeving hun eigen keuzes maken die passen bij de lokale situatie.
Hulp aan vrouwelijke en minderjarige slachtoffers van ontvoeringen door Boko Haram in Nigeria |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Bad Blood»1 van International Alert en Unicef over de situatie van Nigeriaanse vrouwen en kinderen die na een ontvoering door Boko Haram trachten terug te keren in hun gemeenschappen?
Ja. International Alert heeft samen met Unicef dit rapport gepubliceerd. International Alert is een strategische partner van BZ.
In hoeverre bent u verrast door de bevindingen in dit rapport?
Ik ben niet verrast door de bevindingen in dit rapport. Schaamte, stigmatisering en verstoting zijn helaas bekende problemen waar slachtoffers van seksueel geweld mee kampen.
In welke vorm en mate worden deze vrouwen reeds ondersteund en waar ziet u, al dan niet vanuit Nederland, mogelijkheden voor verbetering?
Nederland levert hulp aan de slachtoffers van Boko Haram in de getroffen gebieden in noordoost Nigeria. Zo geven we EUR 5,6 miljoen aan de Dutch Relief Alliance, bestaande uit de Nederlandse organisaties Save the Children, Oxfam Novib, Stichting Vluchteling en Tear. Dit programma houdt zich onder andere bezig met de training van gemeenschapsleiders op het gebied van traumaverwerking en verwijst slachtoffers zo nodig door naar gespecialiseerde hulp.
Naast deze directe steun geeft Nederland ook algemene bijdragen aan internationale noodhulporganisaties en -fondsen die in Nigeria minderjarige en vrouwelijke slachtoffers van Boko Haram bijstaan. Organisaties als Unicef, IOM, en International Alert bieden psychosociale hulp aan deze groep vanuit het besef dat dit cruciaal is voor het bouwen aan een toekomst voor de slachtoffers. Unicef heeft in 2015 meer dan 120.000 kinderen die zijn blootgesteld aan geweld en mishandeling van psychosociale hulp voorzien. International Alert heeft in de getroffen gebieden radioprogramma’s gelanceerd over stigmatisering en seksueel geweld en geeft hierover workshops in vluchtelingenkampen. De EU financiert in noordoost Nigeria een humanitair programma dat zich voornamelijk richt op gezondheidszorg en bescherming van vluchtelingen en slachtoffers van geweld door Boko Haram.
Ook de Nigeriaanse overheid biedt slachtofferhulp. Er is onder andere een centrum voor Post Traumatic Stress Disorderopgericht in Kano en een opvangcentrum geopend voor slachtoffers.
Deelt u de opvatting dat de meeste hulp die vanuit onder andere Nederland naar Nigeriaanse kinderen en vrouwen gaat veelal preventief is, en daarmee niet de juiste hulp biedt aan deze reeds beschadigde groep? Zo ja, bent u bereid om hier gezien deze groeiende problematiek in bij te sturen?
Nee, deze opvatting deel ik niet. De meeste hulp ondersteunt de opvang en reintegratie van slachtoffers van Boko Haram. Wel is het zo dat bevrijde kinderen en vrouwen vaak verstoten worden uit hun gemeenschap en daardoor moeilijk toegang hebben tot humanitaire hulp. Het probleem is niet zozeer het gebrek aan hulp, maar dat de geboden hulp de doelgroep niet altijd bereikt. Waar mogelijk vestigen we de aandacht op dit probleem, bijvoorbeeld via de Nederlandse ambassade in Abuja, onze contacten met de internationale hulporganisaties en onze inbreng in het beleidsproces in Brussel. Met de campagne #FutureForOurGirls heb ik ook zelf op Internationale Vrouwendag, samen met Unicef en International Alert, aandacht gevraagd voor de uitsluiting van vrouwen en meisjes en opgeroepen tot directe zorg voor deze kwetsbare groep.
Wat is de stand van zaken betreffende de betrokkenheid van de Nederlandse ambassade bij het verbeteren van de positie van meisjes en vrouwen, waar Minister Koenders tijdens het Algemeen overleg over Nigeria en Boko Haram in april 2015 over sprak?
De rol van de ambassade in Abuja richt zich vooral op het monitoren en volgen van de humanitaire hulpinspanningen van de internationale gemeenschap, zowel VN-instellingen als NGOs, inclusief de Dutch Relief Alliance. De ambassade brengt regelmatig bezoeken aan het noordoosten, onder andere om in beeld te krijgen hoe de hulpinspanningen verlopen, en heeft bij de VN aangedrongen op een meer actieve informatievoorziening. De VN houdt nu reguliere briefings voor de internationale gemeenschap over de situatie in het noordoosten, waardoor internationale donoren een beter beeld hebben van de ontwikkelingen en de respons van de VN. Ook brengt de ambassade het onderwerp van kwetsbare vrouwen en kinderen op bij verschillende gesprekspartners, waaronder het Victims Support Fund van de Nigeriaanse overheid en het Presidential Initiative to the North East. De Nederlandse ambassadeur in Abuja bracht de kwestie recent ter sprake in een onderhoud met de gouverneur van de noordoostelijke deelstaat Borno en onderhoudt intensief contact met een aantal maatschappelijke organisaties in Nigeria.
Wat doet de Nederlandse regering eraan om te zorgen dat deze vrouwen voldoende psychosociale en medische hulp ontvangen?
Zie antwoord vraag 3.
Het opheffen van sancties tegen Wit-Rusland |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese ministers van Buitenlandse Zaken op 15 februari jl. hebben besloten om de sancties tegen 170 individuen en 3 bedrijven uit Wit-Rusland volledig op te heffen?1 Zo ja, kunt u dit besluit en de discussie in de Raad Buitenlandse Zaken toelichten?
Op de Raad Buitenlandse Zaken van 15 februari jl. heeft de EU besloten om de actieve sancties tegen Wit-Rusland met een jaar te verlengen, en de sancties tegen de 170 individuen en 3 bedrijven, die reeds in oktober waren opgeschort in reactie op de vrijlating van de laatste zes internationaal erkende politieke gevangenen, niet te verlengen. De hiertoe dienende wetteksten zullen binnenkort worden gepubliceerd. Dientengevolge zal het sanctiepakket tegen Wit-Rusland bestaan uit een wapenembargo en gerichte maatregelen tegen vier personen die verband houden met de verdwijning van een aantal personen uit de oppositie in de jaren 1999–2000. Dit besluit is een weerslag van het tweezijdige belang om enerzijds positief te engageren met Wit-Rusland, omdat dialoog meer kans geeft op duurzame transformatie naar een democratische rechtsstaat dan verdere isolatie, en anderzijds om druk te blijven behouden middels het sanctie-instrument in het licht van de nog gebrekkige voortgang op het gebied van de mensenrechten.
Kunt u bevestigen dat besluitvorming over sanctieregimes volgens het Lissabon-verdrag geschiedt op basis van unanimiteit in de Raad en dat de derhalve de expliciete instemming van alle lidstaten, dus ook van Nederland, was vereist om tot opheffing van de genoemde sancties over te gaan? Zo ja, kunt u de Nederlandse inzet in de discussie en de instemming met het besluit toelichten?
Op basis van het Verdrag van Lissabon heeft de Raad unaniem besloten tot deze gedeeltelijke verlenging van de sancties. Het uitblijven van unanimiteit ten aanzien van dit besluit, zou hebben betekend dat alle sancties tegen Wit-Rusland op 29 februari 2016 automatisch zouden verlopen. Er was een deel van de Raad dat actief pleitte voor een dergelijke volledige opheffing van het bestaande sanctiepakket tegenover Wit-Rusland. In dat krachtenveld was het niet haalbaar om vast te blijven houden aan het volledige sanctiepakket. Nederland heeft tijdens de discussies gepleit tegen volledige opschorting en gewezen op het belang van het houden van voldoende druk op Wit-Rusland om het land aan te blijven sporen om voortgang te maken op mensenrechtengebied.
Bent u nog steeds van mening dat de presidentsverkiezingen in oktober 2015, «in het geheel niet vrij en eerlijk» waren?2 Wordt dit oordeel naar uw mening bevestigd in het eindrapport van de OVSE/ODIHR-waarnemingsmissie van 28 januari jl.?3 Zo ja, hoe moet opheffing van de sancties in dit licht worden gezien?
Bent u nog steeds van mening dat er in Wit-Rusland sprake is van substantiële beperkingen op de persvrijheid, repressie van vrijwel het gehele maatschappelijke middenveld en wetgeving op basis waarvan eenieder die deelneemt aan ongeautoriseerde bijeenkomsten strafrechtelijk vervolgd kan worden? Zo ja, hoe moet opheffing van de sancties in dit licht worden gezien?
Klopt het dat voor de voormalige politieke gevangenen nog steeds ernstige belemmeringen op hun burgerlijke en politieke vrijheden gelden? Zo ja, hoe moet opheffing van de sancties in dit licht worden gezien?
Heeft Wit-Rusland recent stappen genomen om de doodstraf af te schaffen of de toepassing van de doodstraf stop te zetten? Zo nee, hoe moet de opheffing van de sancties in dit licht worden gezien?
Deelt u de opvatting van de VN Speciale Rapporteur voor Wit-Rusland, Miklós Haraszti, dat er sinds de presidentsverkiezingen van oktober geen verandering te zien is in de sombere mensenrechtensituatie in Wit-Rusland?4 Zo ja, hoe moet opheffing van de sancties in dit licht worden gezien?
Heeft u in voorbereiding op besluitvorming over de sancties in de RBZ contact gezocht met mensenrechtenverdedigers en de oppositie in Wit-Rusland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was uw reactie op de gezamenlijke oproep van acht oppositieleiders «to keep visa and financial restrictions (sanctions) against Belarusian officials who were directly involved in the repression against political opponents or in the falsification of the elections results», alsmede op hun verzoek om pas na de parlementsverkiezingen van later dit jaar een definitief besluit over de sancties te nemen?5
Nederland houdt voortdurend nauw contact met mensenrechtenverdedigers en leden van de oppositie in Wit-Rusland, zo ook in de afgelopen maanden voorafgaand aan het nieuwe sanctiebesluit. Nederland heeft nota genomen van het pleidooi van de acht oppositieleiders. Uitstel van het sanctiebesluit tot na de parlementsverkiezingen lag echter niet in de rede, vanwege het aflopen van de sancties op 29 februari 2016. Zie verder ook de beantwoording van vraag 1 t/m 7.
Heeft u kennisgenomen van reacties van Wit-Russische oppositieleiders op het EU-besluit de sancties, tegen hun gezamenlijke oproep in, toch op te heffen? Zo ja, wat is bijvoorbeeld uw reactie op oppositieleider Andrei Sannikov die spreekt van «a very unfortunate decision that would have negative consequences for the Belarusian people, civil society and independent media» en stelt dat «it is a very clear signal to the dictatorship that it can continue with its practices»?6
Nederland is op de hoogte van de diverse reacties vanuit verschillende delen van de Wit-Russische oppositie en het maatschappelijk middenveld. Het besluit van de EU gaat gepaard met Raadsconclusies, die een signaal aan de Wit-Russische autoriteiten geven dat verdere ontwikkeling van de bilaterale relatie met de EU afhangt van verdere verbeteringen op het gebied van mensenrechten.
Bent u bekend met het bericht «Kremlin welcomes EU’s decision to lift sanctions on Belarusian President Lukashenko»?7 Zo ja, hoe kijkt u aan tegen deze uitlatingen van de Russische regering?
Ja, het kabinet is bekend met de uitlatingen en neemt hier nota van.
Waar doelde u op toen u na afloop van de Raad Buitenlandse Zaken stelde dat de sancties ook weer opnieuw ingesteld kunnen worden?8 In welke situatie zult u voor hernieuwde instelling van de sancties pleiten? In hoeverre spelen het verloop van de aankomende parlementsverkiezingen en ontwikkelingen in de mensenrechtensituatie hierbij een rol?
Sanctiebesluiten dienen, conform het Verdrag van Lissabon, immer met unanimiteit te worden genomen. Indien er sprake is van substantiële verslechtering van de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, zou dat kunnen leiden tot een situatie waarin de EU unaniem zal besluiten het huidige sanctiepakket tegen Wit-Rusland weer aan te scherpen. Op dit moment wenst het kabinet niet te speculeren op mogelijke ontwikkelingen in de toekomst. Echter zolang Wit-Rusland in gebreke blijft op het gebied van de eerbiediging van mensenrechten, blijft Nederland in EU-verband pleiten voor een gebalanceerd beleid van druk en dialoog in de relatie met Wit-Rusland.
Klopt het dat hernieuwde instelling van de sancties opnieuw een besluit op basis van unanimiteit in de Raad vergt en dat derhalve de expliciete instemming van alle lidstaten vereist is? Zo ja, hoe denkt u te zijner tijd die unanimiteit te kunnen bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 11.
Wat zegt het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken om de sancties tegen Wit-Rusland op dit moment op te heffen over de EU als waardengemeenschap? Deelt u de inschatting dat het er alle schijn van heeft dat fundamentele Europese waarden als democratie en respect voor mensenrechten in dit geval plaats hebben moeten maken voor geopolitieke en/of economische overwegingen?
Zoals geïdentificeerd in de Raadsconclusies van 15 februari 2016, is het streven naar fundamentele waarden als respect voor mensenrechten, democratie en rechtsstatelijkheid de basis voor de relatie tussen de EU en Wit-Rusland. De sancties tegen Wit-Rusland zijn onderdeel van een breder pakket aan druk- en dialoogmiddelen in de relatie met Wit-Rusland, dat toeziet op dit streven. Het besluit tot gedeeltelijke opheffing van de sancties tegenover Wit-Rusland is een uiting van de breed gedragen opvatting dat naast gebruik van het sanctie-instrument de druk op Wit-Rusland nadrukkelijker binnen het dialoogspoor ingevuld kan worden.
De fusie tussen Ziggo en Vodafone |
|
John Kerstens (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over de fusie tussen Ziggo en Vodafone?1
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat Vodafone en Liberty Global een gemeenschappelijke onderneming willen oprichten, waarvan beide partijen voor 50 procent eigenaar zijn.
Wat is uw oordeel over deze overname en de gevolgen voor respectievelijk de telefonie-, TV- en internetmarkt?
Liberty Global (moederbedrijf van kabelexploitant Ziggo) en Vodafone willen een gemeenschappelijke onderneming (ook wel joint venture) oprichten van Ziggo en Vodafone Nederland. Beide ondernemingen zijn voor 50 procent aandeelhouder in die onderneming. Er is dus geen sprake van een overname door een van beide partijen. Met deze joint venture ontstaat een tweede nationale vast/mobiele speler in Nederland. Dit geeft mogelijk een nieuwe impuls aan de concurrentie op gecombineerde abonnementen voor mobiele en vaste diensten, zoals internet en televisie. KPN is op dit moment de enige partij in Nederland die in staat is om, zonder andere partijen, deze gecombineerde diensten aan te bieden. Ziggo en Vodafone zijn op dit moment nog afhankelijk van andere netwerkpartijen om gecombineerde vast/mobiele bundels aan te bieden. Intensievere concurrentie op dit soort gecombineerde diensten kan leiden tot lagere prijzen of meer investeringen in vaste en mobiele netwerken of diensten.
Tegelijkertijd vind ik dat er voldoende mogelijkheden moeten blijven bestaan voor de andere telecomaanbieders op de Nederlandse markt om te concurreren.
De Nederlandse telecommarkt kent een unieke positie in Europa door de aanwezigheid van twee nationale vaste netwerkspelers. Ik vind het belangrijk dat bij de beoordeling van deze plannen goed aandacht wordt geschonken aan de specifieke karakteristieken van de Nederlandse markt.
De gevolgen voor de concurrentiemogelijkheden van de andere twee mobiele netwerkspelers op de mobiele markt verdient de aandacht. Daarnaast is het, om voldoende concurrentie op de telefonie-, televisie- en internetmarkt te waarborgen, wat mij betreft nodig dat andere aanbieders toegang hebben tot de vaste netwerken. In een situatie waarin vaste netwerkaanbieders KPN en Ziggo een vergelijkbaar sterke positie hebben, betekent dat toegang tot zowel de netwerken van KPN als Ziggo. Dat is ook, zoals ik uw Kamer al heb gemeld, mijn inzet bij de onderhandelingen over de herziening van het Europese telecomkader waarvoor de Europese Commissie naar verwachting na de zomer voorstellen zal doen.
Kunt u aangeven hoe de nieuwe marktstructuur op deze markten er voortaan uit zal zien? Welke marktaandelen ontstaan er nu?
Vodafone en Ziggo zijn op dit moment beiden actief op zowel de mobiele als de vaste telecommunicatiemarkten. Vodafone heeft een beperkte marktomvang op de vaste markten en Ziggo een beperkte marktomvang op de mobiele markt. De marktaandelen uit het derde kwartaal van 2015 zouden er in een situatie van een joint venture als volgt uitzien.
Vodafone/Ziggo
45 – 50%
50 – 55%
35 – 40%
25 – 30%
KPN
40 – 45%
30 – 35%
50 – 55%
45 – 50%
Tele2
0 – 5%
0 – 5%
0 – 5%
–
T-Mobile
–
–
–
20 – 25%
Online (M7)
0 – 5%
5 – 10%
0 – 5%
–
Overig
0 – 5%
0 – 5%
0 – 5%
–
Marktaandelen per derde kwartaal 2015 (bron: de ACM).
Tele2 en Ziggo waren in het derde kwartaal van 2015 nog actief als MVNO op de mobiele netwerken van T-Mobile en Vodafone.
Door wie zal de fusietoets uitgevoerd worden, door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) of de Europese Commissie? Wanneer zal hier duidelijkheid over zijn?
Dat is op dit moment nog niet bekend. Liberty Global en Vodafone moeten hun plannen allereerst melden bij de Europese Commissie. Wanneer dat is gebeurd, publiceert de Europese Commissie de melding. De ACM kan binnen 15 werkdagen nadat de Europese Commissie een dergelijke melding publiceert, een zogenaamd verwijzingsverzoek doen. Als de ACM een verwijzingsverzoek indient, is het aan de Europese Commissie om binnen uiterlijk 65 werkdagen na de melding te besluiten of de beoordeling van de voorgenomen plannen van Vodafone en Liberty Global wordt verwezen naar de ACM. Als de Europese Commissie vindt dat de concentratie mogelijk significante gevolgen heeft voor de Europese interne markt, dan behandelt de Europese Commissie de zaak.
Is voortaan in elk of één van deze markten sprake van een economische machtspositie in de zin van artikel 24 van de Mededingingswet? Kunt u de ACM verzoeken hier onderzoek naar te doen?
Dat is op dit moment niet te zeggen, maar dit is onderdeel van de beoordeling door de relevante mededingingsautoriteit. De Europese Commissie of de ACM beoordeelt of de oprichting van de joint venture de concurrentie op een of meer relevante markten op significante wijze belemmert, in het bijzonder als gevolg van het ontstaan of versterken van een machtspositie.
Kan de nieuwe marktstructuur zo spoedig mogelijk meegenomen worden in nieuwe en lopende marktanalyses?
De ACM moet alle relevante voorzienbare marktontwikkelingen meenemen in haar marktanalyses. Er is echter pas zekerheid over de oprichting van de joint venture als de Europese Commissie of de ACM, na een beoordeling van de concurrentiegevolgen, goedkeuring verleent voor de oprichting. Dat is een proces dat naar verwachting nog een aantal maanden in beslag gaat nemen. De ACM kan pas dan bekijken wat de gevolgen zijn voor haar marktanalyses.
Welke remedies zijn er in dit geval denkbaar? Kunt u of de ACM hier nog maatregelen aan toevoegen?
De beoordeling van concentraties en het oplossen van mededingingsproblemen is voorbehouden aan de ACM en de Europese Commissie.
Ik heb daarin geen rol en kan ook geen maatregelen opleggen. Het is aan de onafhankelijke mededingingsautoriteit die de zaak beoordeelt om te constateren tot welke mogelijke concurrentieproblemen de oprichting van de joint venture kan leiden. Afhankelijk van de ernst van de geconstateerde concurrentieproblemen kan dit leiden tot het verbieden van de oprichting van de joint venture of tot de noodzaak voor Vodafone en Liberty Global om passende remedies voor te stellen om de concurrentieproblemen te remediëren. Als de Europese Commissie de zaak beoordeelt, kan de ACM geen maatregelen toevoegen.
Deelt u nog steeds de mening dat «Two is not enough», oftewel dat er geen duopolie op de telecommarkt mag ontstaan, omdat hiermee onvoldoende concurrentie en innovatie zal ontstaan?
Ja. Gezien de economische realiteit dat deze vaste netwerken moeilijk te dupliceren zijn, is wat mij betreft blijvende toegang tot deze netwerken voor alternatieve aanbieders nodig om voldoende concurrentie en innovatie te behouden. Voldoende concurrentie tussen deze partijen en de aanbieders van diensten over de netwerken, draagt bij aan investeringen en kwaliteitsverbeteringen.
Vindt u ook dat de toegangsregulering met betrekking tot de toegang tot het netwerk van KPN in stand moet blijven, zoals het nu is?
Ik ben van mening dat in een markt met twee vergelijkbaar sterke spelers, er toegang tot de netwerken van beide spelers mogelijk moet zijn. Of de oprichting van deze joint venture binnen het bestaande telecomkader moet leiden tot aanpassing van de toegangsregulering tot het netwerk van KPN, is aan de ACM. Mijn inzet is om te zorgen dat de Europese regels blijvende toegang tot zowel de vaste netwerken van KPN als die van Ziggo waarborgen.
Vindt u daarnaast dat er nu weer een nieuwe aanleiding is om de toegang tot het kabelnetwerk van Ziggo te regelen?
Het was al de Nederlandse inzet om het Europese telecomkader geschikt te maken voor een marktstructuur als de Nederlandse en toegang tot beide vaste netwerken mogelijk te maken. De plannen van Vodafone en Liberty Global maken deze inzet des te belangrijker.
Kunt u in Brussel bij de Europese Commissie aandringen op nieuwe regels, die mogelijk maken dat er betere toegangsregulering komt voor toegang tot alle belangrijke telecomnetwerken?
Ik heb in december 2015 in reactie op de consultatie van de Europese Commissie mijn standpunt aan de Europese Commissie gestuurd. Uw Kamer heb ik daarover geïnformeerd in de Geannoteerde Agenda ter voorbereiding van de Telecomraad.2 In mijn reactie op de consultatie van de Europese Commissie stel ik voor om, naast aanpassing van het bestaande toegangsregime op basis van aanmerkelijke marktmacht, een onderhandelingsverplichting in te voeren voor netwerkpartijen. Dit biedt aanvullende garanties voor toegang tot netwerken in het geval aanmerkelijke marktmacht niet kan worden aangetoond. Tijdens het EU voorzitterschap ruim ik daarnaast tijd in om de discussie over het telecomkader verder te brengen. De Europese Commissie komt naar verwachting in september 2016 met nieuwe voorstellen.
Klopt het dat de fusie tissen Ziggo en UPC heeft geleid tot 1.000 boventallige medewerkers? Hoeveel medewerkers hebben inmiddels elders een baan gevonden?
Liberty Global rapporteert dat de integratie van UPC en Ziggo, die in december 2015 is afgerond, tot een inkrimping van het fusiebedrijf met 600 fulltime employees (Fte’s) heeft geleid.3 Het is niet bekend hoeveel van deze medewerkers een andere baan hebben gevonden.
Hoeveel banen gaat de fusie tussen Ziggo en Vodafone kosten? Op welke manier gaan deze bedrijven, de vakbonden en het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen) deze mensen helpen om weer aan het werk te komen?
Hierover is nog niets bekend. De verantwoordelijkheid voor de werknemers ligt in eerste instantie bij de bedrijven zelf. Een goed sociaal plan is daarbij van groot belang. De oprichting van de joint venture moet echter nog worden voorgelegd en beoordeeld door de mededingingsautoriteit. Dat betekent dat er op dit moment nog geen sociaal plan met de vakbonden is overeengekomen en dat ook nog niet bekend is wanneer dat het geval zal zijn.
Hoe gaat het nieuwe fusiebedrijf er uitzien? Is sprake van een overname van Vodafone Nederland door Ziggo (zoals bij de overname van 2014), of zal er een gezamenlijk Nederlands dochterbedrijf zijn van Ziggo en Vodafone?
Er is geen sprake van een overname of een fusie. Vodafone en Liberty Global willen een gemeenschappelijke onderneming oprichten waarvan beide partijen voor 50 procent eigenaar zijn. Vanwege verschillen in financiële waardering betaalt Vodafone 1 miljard euro aan Liberty Global om een gelijkwaardig aandeel te krijgen in de joint venture. De opbrengsten van de joint venture worden gelijk verdeeld tussen Vodafone en Liberty Global. Partijen hebben aangegeven dat de joint venture voorlopig de merknamen Vodafone en Ziggo blijft voeren.
Kunt u aangeven hoe u de nutsfunctie, die (vast) internet inmiddels inneemt, gaat waarborgen? Hoe denkt u dit te kunnen blijven waarborgen als de marktwerking niet meer werkt, door een gebrek aan concurrentie?
Snel internet is een belangrijke voorziening die een groot aantal maatschappelijke en economische activiteiten mogelijk maakt. Concurrentie blijft het belangrijkste middel om te zorgen dat er voldoende geïnvesteerd wordt in de Nederlandse netwerken. De concurrentiegevolgen van de plannen van Liberty Global en Vodafone worden nu eerst beoordeeld door de mededingingsautoriteit, die als het nodig is remedies kan verlangen om concurrentieproblemen te voorkomen, of de oprichting van de joint venture kan verbieden. Daarnaast heb ik u aangegeven hoe ik denk dat het Europese telecomkader aangepast moet worden, om te waarborgen dat er voldoende concurrentieprikkels blijven op de Nederlandse telecommunicatiemarkten. Er zijn gebieden waar op dit moment niet door de markt zelfstandig wordt geïnvesteerd in snel internet. Daar ligt een rol voor gemeenten en provincies om, samen met lokale initiatieven en marktpartijen de uitrol van snel internet te bevorderen. Het is daarbij voor provincies en gemeenten mogelijk om binnen het Europese staatssteunkader financiële steun te geven. Ik faciliteer regionale en lokale overheden en lokale initiatieven met onder andere informatievoorziening en kennisuitwisseling.
De onderhoudskosten van de Gouden Koets en de Glazen Koets |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn de kosten voor het onderhoud van de Gouden Koets en de Glazen Koets een staatsgeheim?
Wat zijn de gemaakte kosten voor het vooronderzoek van de restauratie van de Glazen Koets?
Wat was het bedrag dat oorspronkelijk begroot was voor het onderhoud van de Glazen Koets, en hoe is dat bedrag opgebouwd?
Wat waren de totale kosten van het onderhoud van de Glazen Koets, en hoe zijn die kosten uitgesplitst?
Wat is het bedrag dat begroot is voor het onderhoud van de Gouden Koets, en hoe is dat bedrag opgebouwd?
Wat zijn de gemaakte kosten voor het vooronderzoek van de restauratie van de Gouden Koets?
Bent u bereid het onderzoeksrapport naar de staat van de Gouden Koets openbaar te maken?
Fiscaal onderdak Rostec |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Rosoboronexport, 100% dochterbedrijf van Rostec, wapens verkoopt van alle Russische fabrikanten, waaronder de BUK-luchtdoelraketten waarmee de MH17 is neergeschoten?
Op de openbaar toegankelijke website van OSJC Rosoboronexport, een in Rusland gevestigd bedrijf, staat vermeld dat dit bedrijf is opgericht door middel van presidentieel decreet 1834 van de Russische Federatie d.d. 4 november 2000, dat dit bedrijf een beschermde status als exclusief bemiddelingsbedrijf voor wapenexport/import van en naar Rusland geniet, en dat deze bemiddeling alle typen conventionele wapens, militair en dual-use materieel en diensten betreft.
Op de openbaar toegankelijke website van Rostec, een eveneens in Rusland gevestigd bedrijf, staat vermeld dat Rostec 100% bezit van de aandelen van OJSC Rosoboronexport.
Kunt u bevestigen dat de directeur van Rostec, de heer Sergey Chemezov, op de sanctielijst van de Verenigde Staten is geplaatst in 2014, omdat het bedrijf de leverancier van Russische wapens is?
De EU en de VS hebben gerichte sancties ingesteld tegen personen en entiteiten die bij hebben gedragen aan en/of hebben geprofiteerd van de ondermijning of bedreiging van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne.
De heer Chemezov is op 12 september 2014 op de EU-sanctielijst geplaatst, waarbij de volgende motivering is opgenomen (uitvoeringsverordening (EU) Nr. 961/2014 van de Raad van 8 september 2014): «Sergei Chemezov is een trouwe bondgenoot van Poetin. Beiden waren zij KGB-officieren in Dresden, en hij is lid van de Hoge Raad van „Verenigd Rusland». Dankzij zijn banden met de Russische president kon hij worden bevorderd in hoge functies in bedrijven onder zeggenschap van de staat. Hij is voorzitter van Rostec, het belangrijkste conglomeraat op het gebied van defensie en industriële productie onder zeggenschap van de Russische staat. Ingevolge een besluit van de Russische regering is Technopromexport, een dochteronderneming van Rostec, voornemens energiecentrales op de Krim te bouwen, waardoor de integratie van deze regio in de Russische Federatie wordt bevorderd. Daarnaast heeft Rosoboronexport, een dochteronderneming van Rostec, haar steun verleend aan de integratie van defensie-ondernemingen van de Krim in de Russische defensie-industrie, en op die manier de illegale inlijving van de Krim in de Russische federatie geconsolideerd.»
De heer Chemezov is op de VS-sanctielijst geplaatst op basis van Executive Order (presidentieel decreet) nr. 13661. Dit werd op 28 april 2014 bekend gemaakt door middel van een verklaring van het Ministerie van Financiën van de VS, met een onderbouwing die vergelijkbaar is met de hierboven weergegeven EU-motivering.
Wat is de aanleiding geweest om te besluiten Sergey Chemezov in 2014 (alsnog) op de Europese sanctielijst te plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de uitkomsten van het door u in september 2014 toegezegde onderzoek naar Rostec en Sergey Chemezov?1
In het debat over de uitkomsten van de Europese Raad op 2 september 2014 zegde de Minister-President toe dat Nederland (en de EU) niet zal nalaten individuen op de sanctielijst te plaatsen indien er op basis van de sanctiecriteria redenen hiertoe zijn. Op 12 september 2014 is de heer Chemezov op de EU-sanctielijst geplaatst.
Klopt het dat Rostec nog steeds een brievenbus heeft op de Zuidas?2
Het bedrijf Rostec is in Rusland gevestigd, niet in Nederland. In het mediabericht waar onder voetnoot (2) naar wordt verwezen, wordt melding gemaakt van een minderheidsbelang van Rostec in een in Nederland gevestigde joint venture genaamd Alliance Rostec Auto BV. Dit minderheidsbelang staat ook vermeld op de openbaar toegankelijke website van Rostec.
Op grond van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan het kabinet geen verdere informatie verstrekken over individueel belastingplichtige (rechts)personen.
In het algemeen kan worden bevestigd dat onderdeel van de substance-vereisten is dat de bestuursbesluiten in Nederland worden genomen. Hiervoor dienen de bestuursvergaderingen regelmatig fysiek in Nederland te worden gehouden. Hierbij zij opgemerkt dat, hoewel de substance eisen daarvoor natuurlijk wel een indicatie zijn, de vestigingsplaats van een onderneming niet afhankelijk is van die substance-vereisten. Een bedrijf dat niet voldoet aan de substance-vereisten kan nog steeds in fiscale zin inwoner zijn in Nederland. Wel kunnen er consequenties volgen bij het niet voldoen aan de substance-vereisten. Zo kan er geen zekerheid vooraf worden verkregen in de vorm van een APA (Advance Pricing Agreement) of ATR (Advance Tax Ruling) en kan er, in het geval van een dienstverleningslichaam, informatie over dit lichaam worden uitgewisseld met het buitenland.
Klopt het dat Sergey Chemezov als aandeelhouder verplicht is om jaarlijks een aandeelhoudersvergadering bij te wonen? Hoe kan hij aan deze eis voldaan hebben met de aan hem opgelegde sancties?
Zie antwoord vraag 5.
Indien Chemezov niet aan deze eis voldaan heeft, kan Rostec toch niet langer voldaan hebben aan de zogenaamde «substance-eisen»? Hoe is het in dat geval mogelijk dat Rostec nog steeds fiscaal onderdak krijgt in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is precies het effect geweest van het plaatsen van Sergey Chemezov op de Europese sanctielijst? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen Chemezov als persoon en als directeur van Rostec? Wat waren de effecten op de bedrijven Rostec en Rosboronexport?
Door de plaatsing van dhr. Chemezov op de EU-sanctielijst is hij onderworpen aan reisbeperkingen naar en door het grondgebied van EU-Lidstaten. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen voorgenomen privé of zakenreizen. Verder moeten eventuele bezittingen van dhr. Chemezov in de EU worden bevroren, en mogen geen middelen of tegoeden aan hem ter beschikking worden gesteld. De sancties tegen de persoon van dhr. Chemezov zijn niet van toepassing op andere personen die werkzaam zijn voor de bedrijven waarvan hij bestuurder is, noch op deze bedrijven zelf als rechtspersoon.
Kunnen bedrijven waarvan vast staat dat zij zich medeplichtig maken aan oorlogsmisdaden (of deze mogelijk maken), uit Nederland worden geweerd?
Een vestigingsplaats van een bedrijf wordt vastgesteld op basis van nationaal recht en verdragen met andere landen. De vestigingsplaats in Nederland is niet afhankelijk van de soort werkzaamheden die het bedrijf, dan wel een verbonden bedrijf in het buitenland, uitvoert. In algemene zin kan gezegd worden dat Nederland in nationaal en in internationaal verband vorderingen maakt met maatregelen om belastingontwijking aan te pakken.
Bent u bereid het (fiscaal) huisvesten van deze bedrijven definitief te beëindigen?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen valt dat uitgerekend de verkoper van de BUK raket, het wapen waarmee de MH17 werd neergeschoten, extra winst maakt dankzij belastingparadijs Nederland?
Nee, het kabineet deelt deze mening niet. Er is nog niet vastgesteld wie (mede)verantwoordelijkheid draagt voor het neerhalen van vlucht MH17. Het strafrechtelijk onderzoek is nog gaande.
De proef met het publieke middel voor online inloggen bij de overheid |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van RTL «Deze elektronische identiteitskaart vervangt straks DigiD»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de volgende opgevoerde quote van de woordvoerster van het ministerie: «Wanneer iedereen met zijn ID-kaart kan inloggen, is nog niet duidelijk, de invoering zal nog wel enkele jaren op zich laten wachten»?
De elektronische Nederlandse Identiteitskaart (verder: eNIK) is naar verwachting eind 2017 voor iedereen beschikbaar. Het is echter aan de burger zelf om te beslissen wanneer een geldige NIK omgewisseld wordt voor een eNIK.
De NIK is 10 jaar geldig. Tot nu toe is uitgegaan van een natuurlijk vervangingspatroon, dit in verband met kosten en uitvoeringsvraagstukken. In dat geval moet rekening gehouden worden met een maximale omwisselingtermijn van 10 jaar. Ik laat onderzoeken of en zo ja hoe deze omwisselingstermijn kan worden verkort.
Overigens wordt thans ook ingezet op de versterking van het huidige publieke middel DigiD door middel van een extra controle na het inloggen door het uitlezen van gegevens op de chip van een wettelijk identiteitsdocument, zoals de Nederlandse identiteitskaart en het rijbewijs. Deze optie is op dit moment onderwerp van een pilot.
Voor de algehele invoering van de eNIK is de woordvoerster van het ministerie derhalve uitgegaan van een langere periode dan enkele jaren.
Hoe verhoudt de hierboven genoemde uitspraak zich tot de motie-De Caluwé (Kamerstuk 26 643 nr. 376) dat er in 2017 in ieder geval één publiek middel moet zijn?
Ik houd vast aan eerdere berichtgeving2 en de door u ingediende motie dat een publiek middel in 2017 beschikbaar moet zijn.
Wat is uw reactie op de vermelding in het artikel dat de proeven dit hele jaar lopen, terwijl u steeds heeft aangegeven dat de proeven medio dit jaar afgerond en geëvalueerd worden?
Conform afspraak met uw Kamer zijn er proeven opgezet. Aan de hand van deze proeven en de evaluatie brengt, op verzoek van uw Kamer, de ingestelde commissie Kuipers een advies uit aan mijn collega van Economische Zaken en mijzelf, waarna het kabinet medio 2016 een standpunt over de uitrol van onder andere het publieke authenticatiemiddel en de inzet van private authenticatiemiddelen zal voorbereiden.3
De meeste proeven lopen tot medio 2016. Enkele proeven in het BSN-domein, waaronder die in de zorg, starten later (april 2016) en hebben daarom ook een einddatum na medio 2016.
Voorop staat dat in alle gevallen het een kleinschalige beproeving van nieuwe middelen betreft, waarbij het niet gaat om een feitelijk grootschalige uitrol. Er wordt vastgehouden aan de afspraak met de Kamer dat een multimiddelenstrategie beproefd wordt.
Overigens is het praktisch onmogelijk om de proeven in het BSN-domein grootschalig te verlengen na medio 2016. Immers het BSN-koppelregister, welke noodzakelijk is voor de toegang van een privaat middel tot het BSN-domein, is ingericht voor de pilotfase met een beperkte verwerkingscapaciteit. Voor een definitieve uitrol moet het BSN-koppelregister aangepast worden om meer te kunnen verwerken.
Ik wijs er voor de volledigheid op dat, zoals de Kamer gemeld is, dit jaar ook proeven worden gedaan tussen bedrijven en hun klanten op basis van het onder verantwoordelijkheid van mijn collega van Economische Zaken gemaakte Idensys afsprakenstelsel. Omdat deze proeven zich afspelen in het private domein is de doorlooptijd van deze proeven en/of de definitieve uitrol van de middelen aan deze partijen zelf.
Wat is uw reactie op uitlatingen van professor Hoepman in genoemd artikel, dat wij straks zelf geen sleutel in handen hebben, maar uitsluitend de tussenpersoon, oftewel «de conciërge»?
De metafoor van de authenticatiedienst als conciërge versimpelt de complexiteit van digitale toegangsdiensten, maar laat daardoor ook veel zaken buiten beschouwing. De authenticatiedienst is gebonden aan strikte voorschriften, waaronder eisen inzake de bescherming van persoonsgegevens en Europese eisen.4
Ik vind net als de heer Hoepman dat de gebruiker in controle moet zijn van zijn eigen digitale identiteit, transacties en persoonsgegevens. In de digitale wereld is het de taak van de authenticatiedienst om de gebruiker te ondersteunen in het veilige gebruik van zijn authenticatiemiddel. Daarbij moet de privacy van burgers natuurlijk goed beschermd worden. Voor mij staan deze eisen centraal bij een onafhankelijke beoordeling van de pilots en de verdere uitrol.
Wat is uw reactie op uitlatingen van professor Hoepman, dat commerciële aanbieders straks weten waar wij allemaal inloggen, terwijl u steeds heeft aangegeven dat dit soort verzameling van gegevens (hotspots) niet gaat plaatsvinden?
Zoals in de Tweede Kamerbrief van 14 december 20155 is gesteld worden voor authenticatiediensten in het publieke domein strikte informatiebeveiligingsnormen gesteld, die verplichte versleuteling, eisen aan de opslag van persoonsgegevens en dataminimalisatie borgen. Ook worden er privacybeschermende maatregelen genomen. Bijvoorbeeld om het verzamelen van de gegevens over het inloggedrag van een gebruiker tegen te gaan.
Voor de pilotfase is een Privacy Impact Assessment (PIA) uitgevoerd, waarbij getoetst is aan feitelijke en technische nationale en Europese juridische privacyvereisten.6 Uit de PIA is gebleken dat voor de pilotfase de privacymaatregelen adequaat zijn, maar dat voor een eventuele structurele fase bovengenoemde maatregelen in de rede liggen.
Het gratieverzoek van een Nederlands staatsburger gedetineerd in een Amerikaanse gevangenis |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief van 18 november 2015 waarin u aangaf dat u voornemens was om naast het «parole» verzoek voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden, tevens een gratieverzoek van de heer Singh, zodra dit voorligt, op humanitaire gronden bij de Amerikaanse autoriteiten te zullen ondersteunen?1
In mijn brief aan uw Kamer van 18 november 2015 (Kamerstuk 30 010, nr. 25) gaf ik aan dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het parole-verzoek voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden bij de Amerikaanse autoriteiten heeft ondersteund. In mijn brief aan uw Kamer van 17 februari 2016 (30 010, nr. 26) gaf ik aan dat dit eveneens gold voor het gratieverzoek dat de heer S. ondertussen bij de Amerikaanse autoriteiten had ingediend. Tijdens een onderhoud van de Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten met naaste medewerkers van de gouverneur is de Nederlandse steun op grond van humanitaire redenen onlangs opnieuw overgebracht. De Minister-President heeft de verzoeken andermaal ondersteund in een brief aan de gouverneur van Californië ter dankzegging voor zijn bezoek. Hiermee zijn de Amerikaanse autoriteiten goed bekend met de expliciete Nederlandse steun voor de verzoeken van de heer S.
Kunt u aangeven of dat gratieverzoek inmiddels voorligt bij de Amerikaanse autoriteiten? Indien ja, heeft u in dat geval het gratieverzoek inmiddels gesteund? Indien nee, waar ligt dat aan en wanneer verwacht u dat het verzoek wel zal voorliggen zodat u het kunt ondersteunen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Minister-President eind januari 2016 in de Verenigde Staten een gesprek heeft gehad met gouverneur Brown? Is tijdens dat gesprek ook gesproken over de situatie van de heer Singh en het gratieverzoek? Zo ja, wat is daarover uitgewisseld en met welke uitkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke termijn verwacht u dat de Amerikaanse autoriteiten zullen beslissen op beide voorliggende verzoeken?
Ik wil niet speculeren over het antwoord op de vraag wanneer de Amerikaanse autoriteiten gaan beslissen op de verzoeken van de heer S.
De aankondiging van ING om te stoppen met het aanbieden van hypotheken voor woonboten |
|
Albert de Vries (PvdA), Jan Vos (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het besluit van ING om te stoppen met het aanbieden van hypotheken voor woonboten?
Ja.
Klopt het dat met het terugtrekken van ING mensen voor een hypotheek op een woonboot alleen nog maar terecht kunnen bij de Rabobank? Waarom zijn zo weinig banken actief op deze deelmarkt? Deelt u de mening dat een gebrek aan aanbieders niet in het belang is van de klant?
Het klopt dat ING en Rabobank op dit moment de enige twee marktpartijen zijn die volledige financiering voor woonboothypotheken aanbieden. Met het wegvallen van ING blijft de Rabobank over als enige aanbieder van woonboothypotheken. Er zijn weinig aanbieders die zich richten op woonboothypotheken omdat woonboothypotheken complex zijn en bijzondere kennis is vereist om woonboten op de juiste waarde te kunnen taxeren. Ook is kennis nodig van de verschillende gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op woonboten. Het zou inderdaad beter zijn voor de klant indien de klant de keuze heeft uit meerdere aanbieders.
Kunt u aangeven hoeveel hypotheekbezitters door dit besluit van ING worden geraakt? Wat zijn voor hen de gevolgen van het besluit van ING? Betekent dit dat zij hun hypotheek moeten oversluiten naar een andere bank? Hoe verhoudt het besluit van ING zich tot zijn zorgplicht, gelet op het gegeven dat mensen met een hypotheek op een woonboot amper mogelijkheden hebben om deze over te sluiten?
Voor de huidige klanten van ING die een woonboothypotheek hebben afgesloten, verandert er voor hun bestaande hypotheek niets. De huidige klanten van ING hoeven daarom niet hun hypotheek over te sluiten naar een andere bank. ING zal die klanten blijven bedienen.
Deelt u de mening dat deze zorgelijke ontwikkeling grote gevolgen kan hebben voor woonbooteigenaren? Hoe groot acht u de kans dat woonbooteigenaren worden geconfronteerd met onverkoopbare woningen en waardedalingen? Ziet u mogelijkheden om hier in overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken iets aan te doen?
Tot 1 oktober 2016 kunnen nog woonboothypotheken worden afgesloten bij ING. Consumenten die daarna een woonboot zouden willen kopen, dienen op zoek te gaan naar een andere aanbieder van hypotheken (bestaande aanbieder of nieuwe markttoetreder) voor woonboten. De Rabobank heeft aangegeven geen aanleiding te zien om te stoppen met het verstrekken van woonboothypotheken. Door het wegvallen van de ING voor dit marktsegment ontstaat er meer ruimte voor andere aanbieders om tot deze markt toe te treden Een andere mogelijkheid is om de aankoop op andere wijze financieren, bijvoorbeeld met eigen middelen of met een persoonlijke lening. De rente van een persoonlijke lening is wel hoger dan de rente voor een hypotheek maar ook voor persoonlijke leningen geldt dat de rente aftrekbaar is als de lening is bestemd voor de aanschaf, verbetering of verbouwing van een woonboot die als hoofdverblijf dient en een vaste ligplaats heeft. De lening moet uiteraard aan alle voorwaarden voor aftrek voldoen, waaronder de voorwaarde dat deze tenminste annuïtair wordt afgelost. Zolang woonboothypotheken kunnen worden afgesloten bij andere aanbieders of er andere financieringsmogelijkheden zijn, hoeft het besluit van ING om te stoppen met woonboothypotheken niet tot onverkoopbare woningen en waardedalingen te leiden.
Er zal overleg worden gevoerd met de Nederlandse Vereniging van Banken en worden gevraagd of zij ideeën hebben over hoe ervoor kan worden gezorgd dat er meer aanbieders van woonboothypotheken op de markt kunnen komen.
Het bericht ‘Raad vaak buitenspel bij opvanglocaties vluchtelingen’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Raad vaak buitenspel bij opvanglocaties vluchtelingen»?1
Ja
Kunt u aangeven hoe het kan dat raadsleden niet of niet volledig worden betrokken door de betreffende colleges van B&W in de te maken keuzes omtrent de opvanglocaties van vluchtelingen? Wat is volgens u de reden dat raadsleden bij deze keuzes niet of niet volledig worden betrokken door de betreffende colleges van B&W?
Uit de aangehaalde enquête blijkt dat een ruime meerderheid van de raadsleden stelt dat ze tijdig zijn geïnformeerd over de locatie dan wel het soort opvang dat in de gemeente georganiseerd gaat worden. Daarnaast stelt een beperkt deel van de raadsleden dat zij niet (voldoende) betrokken waren bij de keuze voor een opvanglocatie. Het al dan niet betrekken van raadsleden bij de keuze omtrent opvanglocaties kan meerdere redenen hebben. Uit de aangehaalde enquête blijkt bijvoorbeeld dat de raad mandaat kan hebben gegeven aan het college om een dergelijk besluit te nemen. Ook zijn er gevallen waarbij het college geoordeeld heeft dat er geen noodzaak of geen tijd was om de raad te informeren. Dat laatste lijkt voornamelijk het geval bij (crisis-)noodopvang.
Kunt u aangeven wat voor effect u denkt dat het niet betrekken van raadsleden in deze keuzes heeft op het draagvlak in de samenleving met betrekking tot de opvang van vluchtelingen?
Ik ga niet speculeren over wat de effecten kunnen zijn. Zoals ook gesteld in het vorige antwoord vind ik wel dat dergelijke besluiten door het college van B&W met de gemeenteraad besproken moeten worden. Voor draagvlak in de gemeente is een goede discussie in de Raad nodig. Dat kost tijd, maar die tijd is nodig voor een zorgvuldig en gedragen beleid.
Bent u het ermee eens dat in een tijd waarin het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen afneemt, het zeer onwenselijk is dat gekozen lokale volksvertegenwoordigers niet of niet volledig betrokken worden bij keuzes omtrent de opvanglocatie voor vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid u zodanig in te spannen dat raadsleden volledig worden betrokken door de betreffende colleges in de te maken keuzes van opvanglocaties voor vluchtelingen? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke overwegingen laat ik aan de gemeente. Ik biedt gemeenten hierbij wel ondersteuning om te komen tot een zorgvuldig besluitvormingsproces. Het Ondersteuningsteam asielzoekers en vergunninghouders (OTAV) speelt hierin een rol. Het OTAV is een samenwerkingsverband van BZK, V&J, andere departementen en VNG.
Vanuit het OTAV wordt momenteel gewerkt aan een handreiking voor gemeenten die overwegen om een opvang voor asielzoekers te realiseren en/of om statushouders op te vangen, en die een zorgvuldig besluitvormingsproces willen doorlopen. De handreiking is eind februari gereed. De handreiking zal de belangrijkste vragen bij gemeenten beantwoorden en hulp bieden bij het vormgeven van een goede aanpak. Aan de orde komen onder andere huisvesting, betrokkenheid raad, relatie met bewoners, democratisch proces, keuze voor aanpak en beveiliging van bestuur en ambtenaren.
De handhaving REC dioxine-uitstoot |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huisartsen: «Gezondheidsrisico's REC Harlingen onacceptabel»» van Omroep Fryslân?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de ernstige overschrijding van de normen (1,6 keer de toegestane jaaruitstoot in één maand) voor dioxine in oktober 2015 door de Reststoffen Energie Centrale (REC) in Harlingen?
Het is mij bekend dat op 1 en 2 oktober 2015 sprake was van een verhoogde dioxine-uitstoot.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat er dioxine in het milieu kan worden uitgestoten, zeker gezien de afspraken in het Verdrag van Stockholm?
Dioxines zijn zeer zorgwekkende stoffen waarvan de uitstoot geminimaliseerd moet worden om de gezondheid te beschermen. Hiertoe zijn Europese en internationale afspraken gemaakt, zoals het Verdrag van Stockholm over persistente organische verontreinigende stoffen, zoals dioxines.
Klopt het dat dioxines tot de Zeer Zorgwekkende Stoffen behoren, waarvoor in Nederland de wettelijke verplichting geldt om de emissies te minimaliseren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de analyses uit de rapporten van Toxico Watch, onderzoeksbureau Environnement S.A. en Mobility for the Environment over de situatie bij de REC?
Ja.
Klopt het dat de REC overschrijdingen van de normen voor dioxines, koolmonoxide, koolwaterstoffen en stof op 1 oktober 2015 niet gemeld heeft bij bevoegd gezag? Zo nee, wanneer heeft deze melding plaats gevonden? Zo ja, is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hierover ingelicht?
De provincie Fryslân is verantwoordelijk voor het toezicht op het bedrijf. Uit informatie van de provincie blijkt dat het bedrijf de verhoogde emissies van dioxines, koolmonoxide en koolwaterstoffen laat heeft gemeld. De ILT komt pas in beeld indien zij een vermoeden heeft van taakverwaarlozing door de provincie. In dat geval kan de ILT interveniëren.
Klopt het dat de REC structureel gebruik maakt van een omleiding langs de filters van de centrale (bypass) om de installatie (zijnde de ketel plus gasreiniging) van de afvalverbrander «door te spoelen»? Zo nee, kunt u dit toelichten? Zo ja, is dit naar inzicht van u en de ILT in overeenstemming met de milieuvergunning?
De (Europese) milieuregelgeving eist van exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties dat zij de emissies altijd beperken. Tijdens technisch onvermijdelijke storingen zijn de emissiegrenswaarden wel minder streng, maar daar staat tegenover dat slechts een beperkt aantal storingsuren is toegestaan. Daarna wordt de installatie stilgelegd. De provincie Fryslân controleert REC op deze milieuregels en treedt zo nodig handhavend op. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Klopt het dat de bypass oogluikend is toegestaan door de De Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO), zoals de deskundigen stellen in de genoemde rapporten? Zo ja, welke acties ondernemen u en de ILT om dit in de toekomst te voorkomen?
Een bypass kan onderdeel van het ontwerp van een afvalverbrandingsinstallatie zijn. Deze mag dan uitsluitend worden gebruikt wanneer dit onvermijdelijk is tijdens technische storingen. De provincie Fryslân controleert REC op deze milieuregels en treedt zo nodig handhavend op. De wet biedt ook derden, zoals omwonenden, de mogelijkheid een officieel verzoek te doen bij in dit geval de provincie Fryslân om te handhaven.
Klopt het dat de meters die de overschrijding van stof hadden moeten meten op 1 oktober 2015 al vanaf het moment dat de REC in gebruik is genomen in 2011 verkeerd hingen en ongeschikt waren? Zo nee, waarom niet?
De (Europese) milieuregelgeving eist dat emissies representatief worden gemeten. Internationale meetnormen geven bindende standaarden. De provincie Fryslân heeft technisch onderzoek laten verrichten door onafhankelijke deskundigen. Hieruit blijkt dat de installatie aan de stand der techniek voldoet. Wel zijn er technische verbeteringen mogelijk. Eén daarvan is een groter meetbereik voor stof, zodat ook tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden stofemissies voldoende nauwkeurig kunnen worden gemeten. De provincie Fryslân controleert REC op uitvoering van deze en andere aanbevelingen.
Klopt het dat door gebruik van de bypass dioxine en zware metalen die stof bevatten ongefilterd naar buiten geblazen is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen? Zo ja, valt dit als regulier bedrijf binnen de bestaande vergunning, zoals FUMO stelt?
Het klopt dat tijdens het gebruik van de bypass afgassen ongefilterd worden uitgestoten. Tijdens deze storingsmomenten gelden specifieke voorschriften voor ongewone voorvallen, waaronder minder strenge emissiegrenswaarden. Zie ook de antwoorden op vraag 7 en 8.
Is de ILT op de hoogte van deze zaak?
De ILT is op de hoogte. Het signaal, dat mogelijk oogluikend iets is toegestaan, heeft de ILT aanleiding gegeven nadere informatie op te vragen bij de provincie Fryslân om de taakuitvoering door de provincie te onderzoeken. De ILT bestudeert momenteel deze informatie.
Is er contact geweest tussen de FUMO en de ILT? Zo ja, kunt u de uitkomsten daarvan delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Zijn er tot nu toe acties geweest van de ILT om de handhaving door FUMO bij de REC in Harlingen te optimaliseren? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid de ILT hiertoe opdracht te geven?
Zie antwoord vraag 11.
Een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake coffeeshops |
|
Nine Kooiman (SP), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe duidt u de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 3 februari 2016, waarin de politierechter onder meer stelt dat de overheid ervoor heeft gezorgd dat de handel in cannabis in handen is van de georganiseerde misdaad en dat dezelfde overheid deze situatie bovendien in stand houdt?1
Het is aan de rechter om binnen de kaders van de wet te oordelen over zaken die aan hem worden voorgelegd. Zo ook in onderhavig geval. Ik treed niet in dit oordeel.
Hoe legt u de praktische werking van het huidige gedoogbeleid uit, waarin de teelt en toevoer van cannabis vrijwel altijd in de illegaliteit en daarmee het criminele circuit plaatsvinden? Bent u het ermee eens dat uit dit beleid een tegenstrijdigheid in de praktijk voortvloeit, namelijk dat ondernemers die legaal cannabis verkopen niet anders kunnen dan cannabis in te kopen uit het criminele circuit? Zo ja, wat zou in uw ogen een oplossing hiervoor kunnen zijn?
Er wordt gewezen op een inconsistentie tussen de gedoogde verkoop van cannabis in coffeeshops en het illegale karakter van de levering aan de coffeeshop. Deze bestaat evenwel al zo lang als de verkoop van kleine hoeveelheden cannabis voor eigen gebruik in coffeeshops wordt gedoogd en was van aanvang af onderkend. U kent het standpunt van het kabinet met betrekking tot het coffeeshopbeleid. Het coffeeshopbeleid, waar een meerderheid van uw Kamer zich meermaals achter heeft geschaard2, omvat alleen het onder strikte voorwaarden verkopen van kleine hoeveelheden cannabis door coffeeshops. Het is de verantwoordelijkheid van de coffeeshophouder om zich aan de gedoogcriteria uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie te houden en zijn bedrijfsvoering daarop in te richten.
Kunt u zich iets voorstellen bij de kritiek van de politierechter dat «de wetgever de strafrechter te kijk zet als een instelling die geen oog heeft voor de realiteit, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat bestuurders van diverse gemeenten zonder oponthoud wijzen op de wenselijkheid en de noodzaak van regulering»? Zo nee, waarom niet?
Ik treed niet in het oordeel van de rechter. Dat neemt niet weg dat ik mij net als lokale bestuurders bewust ben van de problemen van criminaliteit en overlast rondom illegale hennepteelt. Regulering van de hennepteelt voor de coffeeshops is geen oplossing voor deze problemen. Het grootste gedeelte van de hennepteelt is immers bestemd voor de export (onderzoek hieromtrent aangeboden aan uw Kamer op 17 december 2014, Kamerstukken TK 24 077, nr. 339); slechts een klein deel gaat naar de Nederlandse coffeeshops. Regulering zal naar verwachting van zeer beperkt nut zijn bij het beter kunnen bestrijden van de georganiseerde criminaliteit die zich met de hennepteelt bezighoudt. De gezamenlijke, geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit en overlast moet worden voortgezet. Door samen krachtig op te trekken kan grootschalige drugscriminaliteit en de daarmee gepaard gaande overlast verder worden teruggedrongen.
Bovendien is het in het licht van de internationale afspraken waar Nederland zich aan heeft verbonden, op dit moment niet mogelijk om over te gaan tot (experimenten met) regulering van de teelt. Zoals uit het onderzoek «Internationaal recht en cannabis, een beoordeling op basis van VN-drugsverdragen en EU-drugsregelgeving van gemeentelijke en buitenlandse opvattingen pro regulering van cannabisteelt» volgt, stuit eventuele regulering op juridische bezwaren. De conclusies van het rapport, dat mijn ambtsvoorganger op 21 maart 2014 aan uw Kamer heeft gezonden (Kamerstuk 24 077, nr. 316), zijn nog steeds actueel.
Wat is uw reactie op het door de politierechter in de uitspraak geschetste dilemma, dat veel verdachten hun zaken netjes willen regelen en gewoon belasting betalen en op die manier bijdragen aan de schatkist, maar voor de inkoop van cannabis noodgedwongen zaken moeten doen met leveranciers die de wet overtreden?
Zie antwoord vraag 2.
Is de regering in dit kader bereid om experimenten toe te staan, waarbij wetenschappelijk wordt onderzocht wat de effecten zijn van de verkoop van gecontroleerd geteelde cannabis in coffeeshops of in cannabis social clubs en daarvoor een Opiumwetontheffing te verlenen?
Nee. Het coffeeshopbeleid omvat alleen het onder strikte voorwaarden verkopen van kleine hoeveelheden cannabis door coffeeshops. De afgelopen jaren heeft uw Kamer zich bij meerdere gelegenheden in meerderheid achter dit beleid van het kabinet geschaard. Zoals ik heb gesteld in mijn brief aan de Kamer in reactie op de door de Tweede Kamer aangenomen motie Oskam (Kamerstukken TK 24 077, nr. 346) is het gemeenten niet toegestaan over te gaan tot het experimenteren met gereguleerde hennepteelt, aangezien het telen van hennep strafbaar is op grond van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Bovendien blijkt uit het bovengenoemde rapport dat de door u geschetste experimenten niet onder een Opiumwetontheffing te brengen zijn.
Het onderzoek inzake de kunstroof in het Westfries Museum in Hoorn |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Mona Keijzer (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Eenvandaag over de Hoornse kunstroof?1
Ja.
Deelt u de mening, die door verschillende bronnen in het programma naar voren gebracht wordt, dat Oekraïne het onderzoek totaal niet serieus neemt, ondanks allerlei concrete aanwijzingen vanuit Nederland?
Nee, die mening wordt niet gedeeld. Niet alleen hebben de Oekraïense autoriteiten zelf bij meerdere gelegenheden aangegeven serieus onderzoek te doen, ook het Openbaar Ministerie (OM) heeft de indruk dat het onderzoek door de Oekraïense autoriteiten serieus ter hand wordt genomen. Onlangs heeft het OM in Oekraïne overleg gehad met de Oekraïense (opsporings)autoriteiten over deze zaak, waarbij afspraken zijn gemaakt. Bovendien heeft de Minister van Veiligheid en Justitie gisteren gesproken met zijn Oekraïense ambtgenoot van Justitie over deze zaak. Daarbij heeft de Oekraïense Minister van Justitie aangegeven dat de Oekraïense autoriteiten zich ten volle inspannen om deze zaak tot een goed einde te brengen.
Klopt het dat de naam van Y.V. al op 6 oktober 2015 door de Nederlandse autoriteiten is doorgegeven aan de Oekraïense autoriteiten en dat hij maanden later nog steeds niet is gehoord terwijl hij toch wel degelijk betrokken blijkt?
De Oekraïense autoriteiten hebben een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Het is niet aan het Nederlandse kabinet om uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen acties genomen lijken te zijn tegen de heer Borys Humeniuk, de man die in juli en augustus 2015 tegen vertegenwoordigers van de ambassade en de vertegenwoordiger van het museum meldde toegang te hebben tot alle gestolen schilderijen en het gestolen zilverwerk, en daar zelfs een foto overhandigde?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat president Poroshenko zijn geheime dienst de SBU opdracht heeft gegeven de kwestie te onderzoeken, terwijl de vertegenwoordiger van het museum al op 7 december 2015 tijdens een persconferentie aangaf dat dezelfde SBU bij de zaak betrokken is, iets wat onlangs ook door een bron binnen de SBU aan de krant Vesti is bevestigd?
Naar aanleiding van het Nederlandse rechtshulpverzoek is door de Oekraïense openbaar aanklager besloten een onderzoek in te stellen. Dit wordt uitgevoerd door de bevoegde opsporingsautoriteiten, waaronder de SBU. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 2.
Wordt u door de autoriteiten in Oekraïne op de hoogte gehouden van de concrete voortgang van het onderzoek? Zo ja, bent u bereid deze informatie – al dan niet vertrouwelijk – met de Kamer te delen?
Tussen de bevoegde opsporingsautoriteiten in Nederland en Oekraïne bestaat goed en frequent contact. Gezien het een lopend strafrechtelijk onderzoek betreft, worden hierover geen mededelingen aan de Kamer gedaan.
Bent u tevreden over de acties die Oekraïne neemt in deze zaak? Zo nee, welke zaken belemmeren dan de concrete oplossing van deze zaak?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Wij hebben begrip voor het gevoel van urgentie dat leeft bij het museum en de gemeente Hoorn nu er aanwijzingen zijn dat de schilderijen zich mogelijkerwijs in Oekraïne zouden bevinden. Echter, het strafrechtelijk onderzoek met Oekraïne loopt, zoals gebruikelijk, op basis van een rechtshulpverzoek van het OM en wij hebben geen aanwijzingen dat er op dit moment belemmeringen zijn die de voortgang van het onderzoek in de weg staan.
Zijn er meer zaken waarin de samenwerking met Oekraïne in onderzoek en vervolging niet optimaal verloopt? Zo ja, welke?
De samenwerking met Oekraïne verloopt naar tevredenheid.
Kunt u deze vragen binnen de reguliere termijn van 3 weken beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het lot van gewonde Koerden in de Turkse stad Cizre |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over de situatie in de Turkse stad Cizre?1
Ja.
Wat is het lot van de in de kelder vastzittende Koerden? Zitten zij nog steeds vast in het kruisvuur tussen PKK-strijders en speciale eenheden van het Turkse leger? Om hoeveel personen gaat het? Hoeveel zijn daarvan momenteel nog in leven?
Op zondagavond 7 februari heeft de politie een kelder ontzet in Cizre waarin een onbekend aantal mensen zich een aantal weken lang schuil hield. Hierbij is een onbekend aantal mensen omgekomen. Volgens Turkse autoriteiten betreft het PKK-strijders. Volgens HDP betreft het gewonde burgers, waaronder kinderen.
Zoals u bekend blijft het kabinet bij partijen erop aandringen de wapens neer te leggen en het vredesproces te hervatten, zeker nu de burgerbevolking letterlijk tussen twee vuren ligt en mensen, zoals in dit geval, geen medische hulp konden krijgen door het voortdurende geweld. Het kabinet herhaalt ook dat de Turkse regering in haar recht staat om maatregelen te nemen tegen terroristische bedreigingen, ook als die uitgaan van de PKK. Die moeten proportioneel zijn en respect voor mensenrechten en internationaal humanitair recht dient voorop te staan. Nederland en de EU brengen dit zeer geregeld op bij de Turkse autoriteiten en benadrukken dat dit nu te meer klemt nu de burgerbevolking zo lijdt onder de huidige vijandelijkheden.
Wat is inmiddels ondernomen om deze personen te bevrijden uit hun benarde positie? Zijn er pogingen gedaan om noodzakelijke medische zorg aan hen te verlenen? Zijn die pogingen succesvol geweest? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 2.
Is er binnen de intensieve contacten tussen Europa, Nederland en Turkije, met name gericht op de vluchtelingenproblematiek, aandacht voor deze kwestie? Hebben de EU en Nederland bij Turkije aangedrongen op het bieden van hulp aan de vastzittende Koerden in Cizre? Zo ja, op welke manier en wat is het resultaat daarvan geweest? Zo nee, waarom niet en bent u van plan dit alsnog te doen? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 2.