Tegenstrijdige berichten over de ‘Class for the gifted’ van het Aloysius College |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht van het Aloysius College waar waarin de school stelt dat er geen andere school bereid gevonden is om de «Class for the Gifted» voor basisschoolleerlingen uit groep 7 & 8 over te nemen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw antwoorden op eerdere vragen waarin wordt gesteld dat «het Zandvliet heeft aangegeven dat ze ook een programma voor getalenteerde leerlingen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs zullen aanbieden»?1 2
Zoals in het plan van aanpak van het bestuur van het Aloysius College reeds is gemeld, zal het huidige programma van de «Class for the Gifted» bij sluiting van de school niet kunnen worden gecontinueerd. Wel was duidelijk dat het Zandvliet College, bij voldoende aanmelding van de hoogbegaafde leerlingen afgelopen november, ook de intentie had om een programma voor hoogbegaafde leerlingen uit groep 7 en 8 basisonderwijs te gaan aanbieden per schooljaar 2016–2017. Het is u bekend dat de aanmelding van hoogbegaafde leerlingen vanuit het Aloysius College naar het Zandvliet College niet die omvang heeft gehad die was verwacht. Daarmee was ook de intentie voor een aanbod voor het basisonderwijs in eerste instantie niet meer in beeld. Pas onlangs heeft de school besloten om alsnog een soortgelijk programma aan te bieden. Dit aanbod, waarover ik uw Kamer begin december heb geïnformeerd, zal starten in april 2016 met een klas van hoogbegaafde leerlingen uit de groepen 7 en 8 van enkele basisscholen in de Haagse regio. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een eigen aanbod van het Zandvliet College en niet om een voortzetting van de «Class for the Gifted» zoals dat op het Aloysius College vormgegeven werd.
Ik betreur de onduidelijkheid die is ontstaan over het al dan niet aanwezig blijven van een programma voor hoogbegaafden in klas 7 en 8 basisonderwijs. Bestuur en directie van het Aloysius College hebben al hun energie besteed aan het vormgeven van een goed onderwijsprogramma voor de eindexamenkandidaten. Daarmee was er weinig ruimte om ook nog het programma «Class for the Gifted» vorm te geven. Niet op de hoogte zijnde van het pas onlangs bekend geworden initiatief van het Zandvliet College, heeft de rector van het Aloysius College de ouders geïnformeerd over de beëindiging van het programma en het ontbreken van een alternatief aanbod. Ik begrijp dat hiermee verwarrende informatie is ontstaan. Dat wordt door alle partijen betreurd.
Er is in de hierboven geschetste situatie een lacune ontstaan tussen het aanbod van het Aloysius College en het aanbod van het Zandvliet College. Daarom heb ik hierover contact gezocht met de interim-bestuurder van het Aloysius College. Hij onderkent dat er op deze wijze geen sprake is van een soepele overgang van het aanbod van het Aloysius College en het aanbod van het Zandvliet College. Daarom heeft hij mij toegezegd alles in het werk te stellen om vanaf januari 2016 weer een aanbod te hebben voor de hoogbegaafde leerlingen van groep 7 en 8 basisonderwijs. Hij heeft hier inmiddels een brief over gestuurd naar de ouders.
Welke maatregelen gaat u nemen om deze vorm van extra onderwijs aan getalenteerde kinderen uit groep 7 & 8 van de basisschool in stand te houden?
Zie antwoord op vraag 1.
Het bericht ‘Transitie doet administratieve lasten met 30 procent groeien’ |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de transitie in het sociale domein de administratieve lasten met 30 procent heeft doen toenemen door een gebrek aan regie en een wildgroei aan bureaucratische regels?1
Maatwerk voor en dichtbij de cliënt alsmede vermindering van administratieve lasten zijn belangrijke doelstellingen die met de decentralisaties worden nagestreefd. Dankzij de decentralisaties is bijvoorbeeld de verplichte indicatiestelling met een duur van maximaal negen weken in de jeugdzorg afgeschaft. Verschillende vormen van hulp zijn bij de Wmo en de Jeugdwet onder één financieringsstelsel gebracht. Door integrale hulpverlening – waarbij professionals meer bewegingsruimte krijgen – moeten de lasten terug kunnen.
Het is inherent aan grote stelselwijzigingen dat de vernieuwing in de uitvoering tijd nodig heeft om zich in te regelen. Aanbieders moeten met meerdere financiers (gemeenten) afspraken maken. Gemeenten en aanbieders zijn nog op zoek naar de meest optimale selectie-modellen die integrale hulpverlening en ondersteuning op een doelmatige wijze kunnen faciliteren. Ik beschik niet over een representatief onderzoek over de administratieve lasten als gevolg van de transitie. Er zijn wel diverse signalen. Er zijn positieve geluiden over een snellere toegang met minder bureaucratie, waarin professionals sneller kunnen schakelen. Er zijn ook (voorzichtige) positieve signalen over het toepassen van nieuwe inkoopmodellen die juist minder administratieve lasten met zich mee brengen. Tegelijkertijd zijn er reële klachten van met name regionaal en bovenregionaal werkende aanbieders die met meerdere financiers afspraken moeten maken.
Om de stijging van administratieve lasten te beperken heb ik in 2014 afspraken gemaakt met zorgaanbieders (verenigd in iZa) en de VNG om in projectverband gezamenlijk een zorgvuldige implementatie van het gegevensverkeer, waaronder een beperking van de administratieve lasten, te waarborgen. In 2015 hebben hier eerste acties op plaatsgevonden, waaronder een zeer forse reductieslag in het aantal productcodes en een zogenaamde modeloplegger bij eerder gesloten contracten, teneinde gestelde eisen aan verantwoordings- en beleidsinformatie vergaand te beperken.
Medio 2015 hebben op mijn initiatief de VNG en de branches van zorgaanbieders een – op basis van een met het veld tot stand gebrachte probleemanalyse – een werkagenda Administratie en ICT2 opgesteld. Inmiddels is een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie van gemeenten en zorgaanbieders ingericht die de regie voert over de activiteiten. Het doel van deze uitvoeringsorganisatie is om de informatievoorziening te stroomlijnen en de administratieve lasten rondom inkoop en verantwoording te verminderen. Dit gebeurt onder andere door het stimuleren van gemeenten en aanbieders om gebruik te maken van beschikbare standaarden en in de spotlights zetten van goede voorbeelden aangaande afspraken tussen gemeenten een aanbieders die weinig administratieve lasten met zich mee brengen.
Was het niet juist de bedoeling dat de administratieve lasten in de zorg zouden afnemen? Kunt u uw antwoord toelichten
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat deze toename in administratieve lasten mede veroorzaakt wordt door uw beleid waarin u aan de gemeenten heel veel (beleids)vrijheid heeft gelaten, waardoor elke gemeente en elke zorgorganisatie zaken in het kader van de transitie anders aanpakken en het wiel op vele verschillende manieren wordt uitgevonden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Eén van de belangrijkste doelen van de decentralisaties in het sociaal domein is dat gemeenten cliënten integraal lokaal maatwerk bieden bij hun hulpvraag en participatie in de samenleving. Deze hulpvraag is afhankelijk van de kenmerken van de persoon en diens situatie en zal als regel dan ook veelal per cliënt verschillen. Gemeenten hebben om die reden beleidsvrijheid in de wijze waarop zij maatwerk bieden aan de cliënt. Dit leidt tot een verscheidenheid aan activiteiten en diensten. Tegelijkertijd moet het mogelijk zijn dit leveren van maatwerk gepaard te doen laten gaan met zo min mogelijk administratieve lasten. Beleidsruimte sluit het slim organiseren van bedrijfsvoeringprocessen, met zo min mogelijk administratieve lasten, het gebruik maken van standaarden, geenszins uit. Administratieve processen dienen ondersteunend te zijn aan zorgverlening en niet belemmerend.
Maakt deze toename van administratieve lasten de zorg volgens u beter, of gaat de tijd die men hieraan kwijt is ten koste van een goede zorgverlening? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel, en welke gemeenten hebben gebruik gemaakt van externe inhuur van ambtenaren en/of gebruik gemaakt van externe adviesbureaus, en welke kosten waren hiermee gemoeid? Bent u bereid de Kamer hiervan een overzicht te sturen? Zo nee, waarom niet?
Er is op landelijk niveau géén informatie beschikbaar over externe inhuur van ambtenaren of adviesbureaus door gemeenten en de hiermee verbonden kosten. Ik zie daar ook geen aanleiding toe, nog los van de lasten die dat met zich meebrengt.
Zijn er verschillen tussen gemeenten als het gaat om de hoeveelheid bureaucratie en/of kosten aan externe inhuur? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in reactie op de vragen 1 en 2 heb aangegeven wordt de mate van administratieve lasten vooral in de uitvoeringspraktijk bepaald; het is aan gemeenten en zorgaanbieders om zich hiervan bewust te zijn en adequate keuzes te maken.
Welke kosten zijn er met deze toename van administratieve lasten gemoeid? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Ik beschik niet over het gevraagde inzicht. Mijn inzet is er op gericht om samen met de daarvoor verantwoordelijke partijen te streven naar minimalisering van de administratieve lasten in de langdurige zorg. Zoals onder 1 en 2 aangegeven lopen daartoe al acties.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot uw aanpak om de bureaucratie bij gemeenten en zorgorganisaties te verminderen? Zijn er al concrete resultaten zichtbaar? Zo nee, waarom niet?
In mijn reactie op de vragen 1 en 2 ben ik ingegaan op de reeds ondernomen acties. In het voorjaar van 2016 zal ik u uitgebreider informeren over de brede aanpak.
Het bericht ‘Klokkenluider aan de grond’ |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Klokkenluider aan de grond»?1
Zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen over deze kwestie al heb aangegeven zijn de misstanden waar het nu om gaat niet gewenst2. Dat geldt eens te meer als blijkt dat de werknemer die zijn recht heeft proberen te halen daar nog lange tijd de nadelen van ondervindt. Het is belangrijk dat wet- en regelgeving wordt nageleefd en dat werknemers het loon ontvangen waar zij op grond van de wet of hun cao recht op hebben.
Bent u bereid na te gaan wat het verschil van inzicht is tussen de Portugese Belastingdienst en de Nederlandse Belastingdienst? Bent u bereid om u in te spannen om dit probleem op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Belastingdienst kantoor buitenland te Heerlen is bevoegd voor de belastingaangelegenheden van inwoners van Portugal, zoals betrokkene. De Belastingdienst heeft over deze problematiek contact met betrokkene.
Bent u bereid om te onderzoeken of het waar is dat de klokkenluider geen werk kan vinden doordat hij op een zwarte lijst is geplaatst? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen als dit het geval blijkt te zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik heb vernomen dat Rimec Ltd. (thans: Mecra) beschikt over een lijst waarop de namen van werknemers staan vermeld. Aan een aantal namen is een kwalificatie of diskwalificatie toegevoegd. Op welke wijze deze lijst gebruikt wordt, of de lijst wordt verspreid naar andere bedrijven en of betrokkene daarop is vermeld is mij niet bekend. Het betreft hier een zaak tussen werkgever en werknemer. Het is dan ook aan de werknemer om de afweging te maken of er voldoende aanknopingspunten zijn om tegen de handelwijze van de Rimec/Mecra een civielrechtelijke procedure te starten.
Hebben alle benadeelde werknemers die betrokken waren bij de aanleg van de A2-tunnel in Maastricht gekregen waar zij recht op hebben? Zo ja, welk bedrag is er totaal aan de werknemers overgemaakt? Zo nee, wat is hiervan de oorzaak en welke stappen gaat u ondernemen?
Bij vonnis van 22 juli 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) een veroordeling uitgesproken ten laste van Rimec/Mecra. Deze houdt – zakelijk weergegeven – in dat Rimec/Mecra alle bepalingen van de cao Bouwnijverheid dient na te leven jegens de werknemers van haarzelf en enkele dochtervennootschappen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het Technisch Bureau Bouwnijverheid bevoegd is deze naleving door Rimec/Mecra af te dwingen en dat dit bedrijf daartoe de benodigde informatie dient te verschaffen. Rimec/Mecra is tevens veroordeeld zodanige nabetalingen te doen aan haar arbeidskrachten dat deze hebben ontvangen waarop zij conform cao recht hebben. Voorts dient het bedrijf een bedrag aan het Bedrijfstakpensioenfonds Bouw te voldoen wegens achterstallige premie.
Rimec/Mecra heeft tot nog toe niet aan deze veroordelingen voldaan. Hoger beroep tegen genoemd vonnis is momenteel aanhangig.
Het bericht dat de politie zelf drugs gaat testen |
|
Nine Kooiman (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Politie test zelf drugs»?1
Mede in het licht van de conclusies van de Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek (Commissie Winsemius) zijn het NFI, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) continu met elkaar in gesprek om te bezien waar door middel van innovaties het forensisch onderzoek sneller, beter en efficiënter kan plaatsvinden. Het in het bericht genoemde project, dat NFiDENT wordt genoemd, is één van de uitkomsten van dit proces. Dergelijke samenwerking sluit ook goed aan bij de gedachte van de zogeheten driejaarlijkse signalering die momenteel wordt uitgevoerd. Deze driejaarlijkse signalering is een strategische verkenning naar trends, knelpunten en kansen in het forensisch onderzoek en de samenwerking tussen de betrokken partijen.2
Het doel van deze nieuwe werkmethode is om op locatie identificatie van de meest voorkomende drugs uit te kunnen laten voeren door de politie zonder dat dit afdoet aan de eigenschappen bewijswaardig, snel, eenvoudig, robuust, veilig en efficiënt.
Er zijn inderdaad pilots met deze werkmethode uitgevoerd in de politie-eenheden Noord-Nederland en Den Haag. De uitkomsten van de pilots laten zien dat het met deze werkwijze relatief eenvoudig is om drugstesten door de Forensische Opsporing van de politie zelf uit te laten voeren. Het NFI interpreteert vervolgens de gegevens en rapporteert deze terug aan de politie en het OM. De resultaten kunnen direct worden gebruikt in het verdere opsporingsproces en later voor de bewijsvoering. Hiermee is het proces van vondst tot rapportage enorm versneld zonder dat is afgedaan aan de betrouwbaarheid en de kwaliteit in vergelijking met het reguliere verdovende middelen onderzoek bij het NFI.
Kunt u meer vertellen over de conclusies die zijn getrokken uit de pilots die zijn gehouden in Noord-Nederland en Den Haag?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de doorlooptijden van drugstesten als ze uitgevoerd worden door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en wat zijn de doorlooptijden als de politie het zelf doet? Hoe zijn deze doorlooptijden berekend?
De totale doorlooptijd in de bestaande werkwijze bij het NFI bedraagt 19 tot 21 dagen. In de pilots is aangetoond dat de doorlooptijd met behulp van NFiDENT verkort kan worden tot 24 uur.
Is er bij afloop van de pilots ook onderzocht of de testen kwalitatief hetzelfde waren als wanneer het NFI deze zou hebben uitgevoerd? Zo ja, wat is de uitkomst? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat dit eerst duidelijk moet zijn voordat de politie deze taak overneemt van het NFI?
Ja, de pilots zijn afgesloten met vergelijkend kwalitatief onderzoek. Hierbij zijn in totaal 66 zaken met NFiDENT én met het bestaande proces verwerkt. De uitkomsten waren in alle gevallen gelijk. Uit alle testen is geconcludeerd dat NFiDENT bewijswaardige resultaten levert en van gelijkwaardige kwaliteit is als het reguliere verdovende middelen onderzoek bij het NFI.
Hoe lang hebben specialisten van het NFI een opleiding gevolgd voordat zij dergelijke drugstesten mochten uitvoeren? Waarom wordt een tweedaagse cursus voldoende geacht voor agenten om drugstesten zorgvuldig en goed uit te kunnen voeren?
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de technische handeling ten behoeve van de analyse door de politie en de interpretatie en rapportage door het NFI. Voor de technische handeling door de politie is een tweedaagse opleiding voldoende omdat het om medewerkers uit de Forensische Opsporing gaat, die al over forensisch bewustzijn beschikken en omdat door de technologie en de speciaal voor NFiDENT ontwikkelde software de apparatuur relatief eenvoudig te bedienen is. De interpretatie en rapportage blijft gedaan worden door een deskundige van het NFI, die hiervoor een meerjarige opleiding heeft gevolgd.
Hoeveel extra capaciteit kost het binnen de politieorganisatie om de drugstesten uit te voeren? Waar wordt deze capaciteit vrij gemaakt?
De uitkomsten van de pilots laten zien dat de tijdsbesteding voor de politie per saldo gelijk blijft. De extra tijdsinvestering voor het zelf uitvoeren van de test onder de nieuwe werkwijze valt weg wanneer die tijdsduur wordt afgezet tegen de tijdsduur die onder de huidige werkwijze gepaard gaat met het versturen naar het NFI, de bijbehorende administratie en de wachttijd.
Vindt u dat er genoeg capaciteit is binnen de politieorganisatie om de drugstesten uit te voeren?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de precieze redenen dat de politie zelf de drugstesten uitvoert? Heeft dat alleen te maken met het capaciteitsgebrek bij het NFI?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is er geen geld vrijgemaakt voor extra capaciteit bij het NFI om drugstesten uit te voeren, zoals gebeurd is in Schiphol, of is er niet onderzocht of een snellere testmethode is?
De politie, het OM en het NFI hebben samen gekeken naar nieuwe, snelle en effectieve methoden voor het uitvoeren van drugstesten. Het uitvoeren van drugstesten door de politie met NFiDENT is daar de uitkomst van. Dit zorgt voor een aanzienlijke verkorting van de doorlooptijd en levert resultaten van gelijkwaardige kwaliteit als het reguliere verdovende middelen onderzoek bij het NFI. Daarnaast heb ik vanaf 2016 € 5 mln. extra beschikbaar gesteld voor het forensisch onderzoek. Dit kan onder andere gebruikt worden voor extra capaciteit op onderzoeksgebieden waar daar behoefte aan is.
Politie-eenheden zullen zelf de komende jaren de drugstesten gaan uitvoeren, maar wat gebeurt er daarna?
Het is niet de bedoeling dat de politie complex laboratoriumonderzoek van het NFI over gaat nemen. Als technologie het mogelijk maakt om op eenvoudige wijze sporen veilig te laten stellen en te laten identificeren door de politie kan dat. Daarbij worden doorloopsnelheid, capaciteitsinzet, financiën, opsporingsbelang en bewijswaarde voor de rechtbank voortdurend gewogen.
Het bericht “Nederlanders hebben weinig kennis van zorg” |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederlanders hebben weinig kennis van zorg»?1
Ja.
Wat vindt u van de gemiddelde score van een 5,3 die door de ondervraagden werd behaald bij een zorgkennisquiz?
Ik ben voorzichtig met de kennis als onvoldoende te bestempelen; daarvoor kan ik het onderzoek onvoldoende beoordelen op representativiteit en vergelijkbaarheid met onderzoeken naar andere (verzekerings)producten. Achter het gemiddelde van 5,3 gaat een grote spreiding schuil. Sommige mensen scoren heel hoog, anderen juist weer lager. Bovendien is het een gemiddelde van alle antwoorden. Ik denk dat het belangrijker is dat mensen weten dat de huisarts buiten het eigen risico valt – daar richten we ons in de informatievoorziening ook op – dan de algemene kennis of logopedie al dan niet in het basispakket valt. Dat laatste is alleen relevant voor mensen die hiervan gebruik maken of dat denken te gaan doen.
Ik vind het overigens wel wenselijk om het kennisniveau op het terrein van de Zorgverzekeringswet waar mogelijk te vergroten. Op het Ministerie van VWS en ook op andere plekken wordt voortdurend gewerkt aan het vergroten van kennis over zorgverzekeringen. Vanaf december 2015 is de eindejaarscampagne gestart www.meerwetenoverzorg.nl met specifieke aandacht voor het gespreid betalen van het eigen risico, het eigen risico in relatie tot de spoedeisende hulp of de huisarts(-enpost), wachtlijstbemiddeling, zorgtoeslag, de zorgverzekering als je 18 wordt (premie betalen en zorgtoeslag ontvangen) en zwangerschap in relatie tot de zorgverzekering (geen eigen risico verloskundige zorg en kraamzorg)en het eigen risico. Daarnaast zijn de website van rijksoverheid.nl en de zorgverzekeringslijn.nl recent geactualiseerd, is een voorbeeldartikel opgesteld voor patiënten- en consumentenorganisaties en regionale bladen en in 2016 zal er een voorlichtingsteam van VWS het land in gaan om mensen uitleg te geven over bovengenoemde onderwerpen; juist om mensen te bereiken die de informatie zelf mogelijk niet direct zoeken of kunnen vinden op internet.
Deelt u de mening dat het een zorgelijk signaal is dat de kennis van Nederlanders over zorgverzekeringen waarschijnlijk onvoldoende is, en dat bijvoorbeeld 44% van de ondervraagden niet wist wat voor soort basisverzekering zij hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is volgens u de belangrijkste oorzaak van deze lage mate van kennis over de werking van zorgverzekeringen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze lage mate van kennis voor een groot deel kan worden verklaard door de ingewikkeldheid van het zorgverzekeringssysteem en onduidelijke informatie over zorgpolissen?
Dat valt uit het opinieonderzoek niet op te maken. Ik zie het als een combinatie van zaken, waarbij bijvoorbeeld ook een rol speelt dat gezonde mensen de neiging hebben zich minder in zorgverzekeringen te verdiepen. Bij het kiezen van een zorgverzekering moet een verzekerde een aantal vragen echt voor zichzelf beantwoorden: welke zorg verwacht ik volgend jaar nodig te hebben? Wil ik een vrijwillig eigen risico? Wil ik me aansluiten bij een collectiviteit? Uit onderzoek van bijvoorbeeld de ACM blijkt, dat mensen steeds beter stilstaan bij dergelijke vragen. Zo hield in 2013 (ten opzichte van 2014) 2% van de bevolking rekening met zijn gezondheidssituatie bij het overstappen naar een andere polis. In 2014 (ten opzichte van 2015) was dat al toegenomen naar 18%. Ik beschouw dat als een goede ontwikkeling, dat mensen zichzelf de vraag stellen welke zorgverzekering het beste bij hen past. De NZa, Consuwijzer van de ACM, de NPCF, de consumentenbond en ook rijksoverheid.nl doet verzekerden een handreiking om te komen tot een afgewogen keuze om wel of niet over te stappen.
Welke mogelijkheden ziet u voor de versimpeling van het systeem, en de verbetering van de begrijpelijkheid van het systeem en zorgverzekeringen?
Van belang is om de wijzigingen beperkt te houden. Er is de afgelopen jaren bijvoorbeeld vaak iets veranderd op het terrein van het eigen risico (no claim, eigen bijdrage, etc.), de hervorming langdurige zorg (wijkverpleging naar de Zvw). Ik zie daarnaast duidelijke communicatie als algemene randvoorwaarde. De NZa stelt in de regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten eisen aan de informatie die een zorgverzekeraar hoort te verstrekken. Om de informatie transparant te houden hebben ook zorgverzekeraars aangegeven in hun actieplan Kern Gezond dat zij zich zullen houden aan duidelijke en begrijpelijke uitleg over de polis. Zorgverzekeraars hebben daarin aangegeven dat verzekerden en zorgaanbieders snel en gemakkelijk moeten kunnen inzien welke zorg voor een verzekerde, gelet op zijn of haar polis, is gecontracteerd. Ik zie dit jaar polisvoorwaarden voorbij komen, van bijvoorbeeld De Friesland, die zeer leesbaar zijn en geen verwijzingen naar andere artikelen meer bevatten. De vergelijkingssites spelen vaak een nuttige rol bij het inzichtelijk maken van producten in het overstapseizoen en het aanleveren van de juiste informatie aan deze sites is ook onderdeel van het NZA-toezicht.
In de monitor van het overstapseizoen die ik thans laat uitvoeren, wordt gekeken naar de informatie op websites van verzekeraars. Hoe worden de polissen aangeboden, welk taalniveau wordt er gebruikt, hoe vindbaar is de informatie op de websites etc.? Ik verwacht dat dit onderzoek het inzicht vergroot in de wijze waarop verzekeraars verzekerden werven en bestaande verzekerden proberen te behouden. Waar gaat het goed, waar kan het beter?
Kunt u een uiteenzetting geven van de rollen die u ziet weggelegd voor de verschillende partijen in het veld zoals de zorgverzekeraars, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het Zorginstituut, zorgverleners, verzekerden en uw ministerie om deze ontwikkeling in gang te zetten?
Zorgverzekeraars zijn het eerste loket waar de burger kijkt voor zijn zorgverzekering. Deze informatie moet dus volledig, correct en begrijpelijk zijn. Ik zie het actieplan Kern Gezond als goede stap en verwacht dat verzekeraars die lijn zullen voortzetten voor het verbeteren van informatievoorziening aan verzekerden.
Het Ministerie van VWS informeert het algemeen publiek ieder jaar over de veranderingen in het basispakket van het jaar erop. Naast de veranderingen in het basispakket besteden we in een voorlichtingscampagne ook aandacht aan maatschappelijk actuele onderwerpen. Dit jaar gaat het over het eigen risico, de zorgtoeslag in het algemeen en de zorgtoeslag voor 18-jarigen, kiezen van een nieuwe zorgverzekering, bezoek aan de Spoedeisende hulp (SEH) en huisarts/huisartsenpost en wachtlijstbemiddeling. In alle voorlichtingsuitingen verwijzen we naar www.meerwetenoverzorg.nl. Dit jaar zal er voor het eerst een voorlichtingsteam actief het land intrekken om mensen actief te benaderen en te informeren.
De NZa stelt bij de uitvoering van haar taken het algemeen consumentenbelang voorop en ziet erop toe dat zorgverzekeraars en aanbieders transparant zijn over hun producten en diensten. Zorgaanbieders moeten in ieder geval informatie over de tarieven en de kwaliteit van hun prestaties en diensten verschaffen. Verzekeraars moeten inzicht geven in de premies en de kwaliteit van de aangeboden producten en diensten en de wijze van dienstverlening. De NZa werkt aan een consumentensite met meest gestelde vragen over de zorg.
Conform artikel 64 en 65 van de Zvw geeft het Zorginstituut (Zinl) aan zorgverzekeraars, zorgaanbieders en burgers voorlichting over de aard, inhoud en omvang van de verzekerde prestaties. NZa en Zinl bieden op hun eigen websites specifieke informatie aan voor verzekerden.
In hoeverre wordt volgens u nu ingezet op de ontwikkeling van begrijpelijke informatie over zorgverzekeringen en de werking van de Zorgverzekeringswet?
Zie mijn antwoord op vraag 2, 3, 4, 6 en 7.
Deelt u de mening dat een dergelijke ontwikkeling kan bijdragen aan een sterkere positie van de verzekerde binnen het systeem?
Die mening deel ik met u. Het is onnodig dat mensen niet overstappen omdat zij bijvoorbeeld denken niet geaccepteerd te zullen worden. Zorgverzekeraars geven dit jaar bij iedere basisverzekering aan dat iedereen geaccepteerd zal worden voor die verzekering. Als mensen daardoor het gevoel hebben dat er een drempel vervalt is dat een groot goed.
In verlengde daarvan benoem ik regelmatig dat ook de medische selectie voor de aanvullende verzekering nog maar voor 5% van de polissen geldt en dan alleen bij de aller zwaarste pakketten, in het bijzonder specifieke tandartsverzekeringen. Mensen zijn onvoldoende op de hoogte dat het aantal medische selecties voor aanvullende verzekeringen al enorm is afgenomen de afgelopen jaren. Dat is jammer, want daardoor ervaren mensen mogelijk onnodig drempels. Zoals hierboven aangegeven probeer ik via diverse kanalen mensen daarop te wijzen. Als we door uitleg dergelijke misverstanden kunnen wegnemen, zal dat verzekerden meer het gevoel geven dat zij als kritische verzekerde hun eigen afweging kunnen maken bij het kiezen van een polis.
Op welke manier wordt informatie over zorgverzekeringen betrokken in het centraal informatiepunt, dat als speerpunt (het verbeteren van de informatievoorziening voor zorgvragers) is toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar?
Het centraal informatiepunt, dat als speerpunt (het verbeteren van de informatievoorziening voor zorgvragers) is toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar, had vooral betrekking op de hervorming langdurige zorg en jeugd. Informatie over de zorgverzekering is vorig jaar meegenomen in de eindejaarscampagne met de bijbehorende voorlichtingscampagnesite «De zorg verandert mee». Het centraal informatiepunt zal vanaf 2016 worden vervangen door regelhulp, met name gericht op de langdurige zorg en maarschappelijke ondersteuning.
Momenteel loopt de jaarlijkse eindejaarscampagne. De eindejaarscampagne is 1 december 2015 van start gegaan. De doelstelling van de campagne is het kennisniveau van de burgers over met name het eigen risico van de zorgverzekering te laten toenemen. Zoals reeds aangegeven zullen wij in aanvulling op de publiekscampagne via media ook aanwezig zijn op beurzen en markten waar veel publiek komt met de inzet van een voorlichtingsteam. Deze inzet zal plaatsvinden van januari–mei 2016. In die periode wordt de voorlichting over de zorgverzekering vooral gericht op de categorie 18–39 jaar en 65 plus.
Het bericht dat Nederland interesse heeft in de transactietaks |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland heeft interesse in transactietaks»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland voornemens is zich aan te sluiten bij de kopgroep, die onderhandelt over de transactietaks? Zo ja, waarom?
De Oostenrijkse Minister Schelling heeft tijdens zijn persconferentie gedurende de Ecofin Raad van 8 december de indruk gewekt dat de onderhandelingen over de FTT vorderen en dat Nederland zich zou hebben aangemeld voor de FTT groep. Dat is niet het geval. De onderhandelingen lopen moeizaam en Nederland heeft zich niet aangemeld om te participeren aan deze versterkte samenwerking. Wel heb ik mijn zorgen geuit over de mogelijke grensoverschrijdende effecten van een mogelijke FTT.
Kunt u aangeven waarom Estland is afgehaakt en zich niet meer kon vinden in de plannen?
Estland vreest dat de kosten om een FTT in te voeren niet opwegen tegen de baten. Zo kan een FTT leiden tot verplaatsing van de aandelenhandel naar gebieden buiten de FTT zone waardoor de belastinginkomsten voor Estland laag zullen uitvallen.
Kunt u aangeven in hoeverre aan de drie keiharde voorwaarden uit het regeerakkoord is voldaan, te weten dat pensioenfondsen gevrijwaard blijven, er geen disproportionele samenloop is met de huidige bankenbelasting en dat de inkomsten volledig moeten terugvloeien naar de lidstaten? Staan deze voorwaarden nog steeds overeind?
Op dit moment is er nog geen akkoord bereikt over de FTT. De onderhandelingen zijn nog steeds gaande. Mocht de FTT groep in de toekomst tot een akkoord komen dan zal ik dit akkoord beoordelen aan de hand van de genoemde criteria in het regeerakkoord. Zoals eerder in uw Kamer toegezegd, zal ik deze appreciatie dan met de Kamer delen.
Wat betekent het voor de financiële sector en de pensioenfondsen als de transactietaks straks wordt ingevoerd door Nederland of door andere lidstaten?
Op dit moment kan ik daar geen concrete uitspraken over doen omdat er nog geen concreet voorstel op tafel ligt. Wel zal de FTT, mocht deze door Nederland worden ingevoerd, effecten hebben op de financiële sector omdat de marktprijs van financiële instrumenten door deze belasting wordt verhoogd.
Klopt het dat het Verenigd Koninkrijk heeft aangegeven een gang te maken naar de Europese rechter? Zo ja, wat is de stand van zaken hiervan en waarom sluit Nederland zich niet hierbij aan?
Het Verenigd Koninkrijk overweegt een gang naar het Hof van Justitie over de FTT. Deze overweging kan pas plaatsvinden op het moment dat er een concreet FTT voorstel is en als er duidelijk is wat de schade van dit voorstel voor het Verenigd Koninkrijk betekent. Het Verenigd Koninkrijk moet namelijk aantonen dat de Britse belastingrechten zijn geschaad door de FTT heffing.
Gaat u in keiharde bewoordingen het signaal afgeven in Brussel dat belastingheffing een nationale bevoegdheid is en dat Nederland nooit en te nimmer zal instemmen met een transactietaks of welke Europese taks dan ook? Zo neen, waarom niet?
Ik ga geen signaal afgeven omdat Brussel al weet dat belastingheffing een nationale bevoegdheid is. Aan de andere kant is het belangrijk om te realiseren dat Nederland niet alleen op de wereld staat en dat internationale afspraken (ook over belastingen) om bijvoorbeeld fraude en belastingontwijking te bestrijden zowel voor Nederland als voor andere landen van groot belang zijn. Op deze manier kunnen gezamenlijke stappen worden gezet die een land in zijn eentje niet kan maken. In mijn optiek is het belangrijk om een balans te slaan tussen beide principes.
Bent u het er mee eens dat we beter snel afscheid kunnen nemen van de Europese Unie, voordat we straks helemaal niets meer te zeggen hebben over ons land?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat de politie-pc’s brandhout zijn |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht politie-pc brandhout?1
De Telegraaf schetst in het bericht een te somber beeld van de ICT bij de politie. Ik herken dit beeld alleen uit de tijd van het onderzoek «ICT politie 2010» van de Algemene Rekenkamer. De politie heeft haar ICT sindsdien sterk verbeterd.
Naar aanleiding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer heeft mijn ambtsvoorganger het Aanvalsprogramma Informatievoorziening in 2013 gestart. De gelijknamige Review Board houdt toezicht op de uitvoering daarvan. Ik informeer de Kamer halfjaarlijks over de voortgang van de uitvoering van het Aanvalsprogramma. Dit is laatstelijk gebeurd op 31 augustus 20152.
Sinds de start heeft de politie onder andere de volgende belangrijke resultaten behaald:
In de laatste voortgangsrapportage politie heb ik de Kamer geïnformeerd dat de vernieuwing van de ICT langer zal duren, omdat ik binnen de beschikbare financiële middelen en menscapaciteit bij de eenheden, het Politie Diensten Centrum en de Staf korpsleiding, voorrang geef aan het op orde brengen van de basis van de Nationale Politie. De politieorganisatie heeft derhalve meer tijd nodig om de gewenste vernieuwing van de ICT goed te realiseren.
Politiemensen hebben onlangs de gebruikstevredenheid en de bruikbaarheid van de ICT met een 6+ beoordeeld. Het streefcijfer is een 7. De politie is er dus nog niet. De vernieuwing van de ICT zal hieraan een aanzienlijke bijdrage leveren.
Wanneer was u op de hoogte van dit tekort bij de politie? Was u hiervan op de hoogte voor de behandeling van de begroting Veiligheid en Justitie?
De korpschef heeft mij op 2 november 2015, na de aanbieding van de begroting 2016 aan de Kamer op Prinsjesdag, gemeld dat hij de (concept) portfolio informatievoorziening (IV) 2016 niet kan realiseren binnen het financiële IV-kader van de politiebegroting 2016. Ik heb op 23 november 2015, voor de begrotingsbehandeling op 25/26 november 2015, de Kamer hierover geïnformeerd3.
Wat gaat u doen, nu u weet hoe hoog het tekort op de ICT-voorzieningen is? Komt u nog voor de Voorjaarsnota met een voorstel geld hiervoor vrij te maken?
Het niet kunnen realiseren van de concept IV-portfolio binnen het beschikbare financiële IV-kader betreft vooralsnog 2016. In het tussenbericht over de herijking4 heb ik reeds aangegeven dat ik ten aanzien van de IV-portfolio 2016 en de herijking van het Aanvalsprogramma scherpe keuzes zal maken. Deze keuzes kunnen effect hebben op het tempo van eerdere toezeggingen aan de Kamer en de nog vast te stellen uitvoeringsplanning van de herijking. De (financiële) uitvoering van de IV-portfolio 2016 zal ik vervolgens strikt bewaken.
Zoals aangekondigd bij de begrotingsbehandeling laat ik momenteel een onderzoek uitvoeren naar de verhouding tussen het personele en materiële budget van de politie. In dat onderzoek worden ook de risico's van de financierbaarheid van de informatiseringsportefeuille van de Nationale Politie meegenomen. De uitkomst van dit onderzoek zal ik met uw Kamer delen en betrekken bij de Voorjaarsbesluitvorming 2016 van het Kabinet.
Daarnaast heb ik in de bovengenoemde brief aangekondigd dat de politie een zelfbeoordeling van de financiële sturing zal doen en dat ik een extern onderzoek daarnaar zal laten doen. Ik heb de Commissie van toezicht op het beheer politie gevraagd om het externe onderzoek voor haar rekening te nemen.
Deelt u de mening dat goede ICT-voorzieningen belangrijk zijn voor politiepersoneel om het werk goed uit te kunnen voeren en zelfs gevaarlijke situaties kan opleveren wanneer informatie kwijtraakt?
Ja, ik deel de mening dat goede ICT-voorzieningen belangrijk zijn voor politiemensen om hun werk op het terrein van zowel operatiën als bedrijfsvoering goed te kunnen uitvoeren en dat informatie voor hen beschikbaar, beveiligd en betrouwbaar moet zijn.
Deelt u de mening, zoals in het artikel naar voren komt, dat het huidige tekort alleen is voor het in stand houden van slecht werkende ICT-voorzieningen? Zo ja, wat is uw plan voor de vervanging van deze slecht werkende voorzieningen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de korpschef heeft bij het opstellen van de concept IV-portfolio 2016 de hoogste prioriteit gegeven aan het in stand houden en het onderhouden van de bestaande ICT-voorzieningen en de continuïteit van het politiewerk. De vernieuwing van de bestaande ICT-voorzieningen zal zoals ook aangegeven in de herijking langer vergen, zie ook de beantwoording van vraag 1. Dit betekent niet dat de vernieuwing stil ligt. De uitrol van MEOS-smartphones en de nieuwe informatievoorzieningen voor de operationele processen briefing en executie & signalering worden bijvoorbeeld voortgezet.
Deelt u de mening van de vakbond NPB dat er een onderzoek moet komen naar de aansturing van ICT-projecten bij de politie? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel de mening van de vakbond NPB niet. In het verleden hebben reeds meerdere externe onderzoeken naar de ICT plaatsgevonden, waaronder de governance van ICT-projecten. De politie is mede naar aanleiding van deze onderzoeken gericht bezig met het verder professionaliseren van het ICT-projectportfoliomanagement, zowel op het terrein van de sturing als de beheersing van de ICT-projectportfolio. Daarnaast zal de Review Board, conform de Kaderwet adviescolleges, medio 2016 een evaluatieverslag opstellen. Voorts wacht ik af of en zo ja wanneer, de Algemene Rekenkamer onderzoek naar de ICT bij de politie zal doen als vervolg op het onderzoek in 2010.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg politie op 14 januari?
Ik zal ervoor zorgdragen dat de Kamer de beantwoording van de vragen van het lid Kooiman ontvangt voor het Algemeen Overleg Politie dat op 20 januari 2016 voorzien is.
Coffeeshops die in verzet komen tegen de komst van scholen in de buurt |
|
Peter Oskam (CDA), Michel Rog (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de precieze voorwaarden in de afspraak die in het vorige decennium tussen de VNG en het kabinet werden gesloten omtrent het afstandscriterium nogmaals schetsen?1 Kunt u voorts een limitatieve opsomming geven van de redenen waarom het niet mogelijk zou zijn voor gemeenten een afstandscriterium te hanteren van 250 meter?
In 2008 is tussen de VNG en de toenmalige ministers van Justitie en BZK afgesproken dat gemeenten met één of meer coffeeshops in 2011 voor coffeeshops een afstandscriterium van minimaal 250 meter tot scholen hanteren óf andere drempelverhogende maatregelen treffen. Vervolgens is bij brief van 19 november 20122 aan u gemeld dat vanwege de keuze voor lokaal maatwerk het afstandscriterium niet via de landelijke regels – te weten de Aanwijzing Opiumwet- wordt opgelegd. Dit omdat lokaal maatwerk past bij het verkleinen van de zichtbaarheid van coffeeshops voor scholieren. Gemeenten zijn dus niet verplicht een afstandscriterium op te nemen in het lokale coffeeshopbeleid. De conclusie kan dan ook niet getrokken worden dat gemeenten geen afstandscriterium hebben omdat het niet mogelijk zou zijn. Het is immers een keuze van het lokale bestuur om dit criterium toe te passen.
Hoeveel procent van de gemeenten heeft niet alleen het afstandscriterium in het lokale beleid opgenomen, maar houdt zich ook aan het criterium van (minimaal) 250 meter? Hoeveel en welke gemeenten hanteren een ruimere grens van 350 meter?
Uit het meest recente rapport «Coffeeshops in Nederland 2014»3 blijkt dat 84,5% van de 103 gemeenten met een coffeeshop een afstandscriterium heeft vastgesteld in het lokale beleid. Van de gemeenten met een afstandscriterium hebben er 78 (89,7%) een minimale afstand tussen een coffeeshop en een onderwijsinstelling vastgelegd. De meeste gemeenten (55,2%) hanteren een afstand van 250 meter of minder. 34,5% van de coffeeshopgemeenten hanteert een afstand van meer dan 250 meter. Een relatief kleine groep gemeenten met een afstandscriterium kiest ervoor om de afstand niet specifiek vast te leggen of de afstand af te laten hangen van de locatie van de coffeeshop of het type onderwijsinstelling. Ik heb geen informatie over welke gemeenten dit zijn.
Behoort tot de drempelverhogende maatregelen, die kunnen worden genomen indien men zich niet houdt aan het afstandscriterium, ook de mogelijkheid om een coffeeshop (tijdelijk) te sluiten? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze mogelijkheid onder de aandacht te brengen alsmede concreet bespreken met de VNG?
Een gemeente kan in het lokale beleid een afstandscriterium opnemen en op basis daarvan besluiten de vergunning van een coffeeshop in te trekken. Het (tijdelijk) sluiten van een coffeeshop is echter geen drempelverhogende maatregel die gemeenten opnemen om het afstandscriterium te handhaven.
Op pagina 23 van het aan uw Kamer gestuurde rapport «Coffeeshops in Nederland 2014»4 staat een overzicht van de vestigingscriteria. Voorbeelden van drempelverhogende maatregelen zijn, naast het afstandscriterium: geen verbinding tussen woning en coffeeshop, niet bij daklozen- en of verslaafdenopvang en niet bij horeca, winkels en bedrijven. Pagina 25 bevat een overzicht van de overige criteria zoals mogelijke vereisten ten aanzien van de openingstijden en eisen met betrekking tot het personeel.
Kunt u een overzicht geven van de drempelverhogende maatregelen die zijn genomen in iedere gemeente die zich niet heeft gehouden aan het afstandscriterium van 250 meter?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u in elk geval ten aanzien van de coffeeshophouders in Amsterdam die de «Amsterdamsche School» wilden uitkopen, de coffeeshop die mocht blijven nadat de nabij gelegen scholengemeenschap (4e Gymnasium) was vertrokken en de coffeeshophouder die belette dat in zijn omgeving de Vinse School zich niet mocht vestigen, aangeven waarom het niet mogelijk is het afstandscriterium te handhaven? Welke drempelverhogende maatregelen zijn genomen per betrokken coffeeshop?
Het verkleinen van de zichtbaarheid van coffeeshops voor scholieren is lokaal maatwerk. Of het mogelijk is een afstandscriterium te implementeren en te handhaven is dan ook aan het lokale bestuur en aan de lokale driehoek.
De gemeente Amsterdam hanteert het beleid dat een school zich kan vestigen indien het bestemmingsplan dit toelaat. Of er een coffeeshop in de buurt gevestigd is maakt voor de school niet uit. Per situatie wordt bekeken wat de consequenties zijn voor de betreffende coffeeshop.
Waarom wilt u, gelet op uw verantwoordelijkheid voor de bestrijding van drugstoerisme en georganiseerde drugsmisdaad, zich niet bemoeien met de handhaving op lokaal niveau van het afstandscriterium, indien dit overduidelijk, zoals in Amsterdam het geval is, met voeten wordt getreden? Bent u bereid in elk geval met de gemeente Amsterdam in gesprek te gaan over de onwenselijkheid van het aldaar gevoerde beleid?
Naast de criteria uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie kunnen gemeenten in het lokale coffeeshopbeleid zelf additionele criteria toevoegen, zoals het afstandscriterium. Gemeenten zijn geenszins verplicht een afstandscriterium op te nemen in het lokale coffeeshopbeleid. Het ligt dan ook niet in de rede om hierover contact te zoeken met de burgemeester van Amsterdam.
Waarom is het ingezetenencriterium wél als zodanig opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet maar wordt hierin geen aandacht besteed aan (handhaving van) het afstandscriterium? Is dat niet vreemd, omdat juist de aanwijzing ook ziet op de bestuurlijke en aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops?
Zoals vermeld bij het antwoord op vraag 1 is vanwege de keuze voor lokaal maatwerk het afstandscriterium niet via de landelijke regels – te weten de Aanwijzing Opiumwet- opgelegd. Het overgrote deel van gemeenten met één of meer coffeeshops hanteert wel een afstandscriterium.
Deelt u de mening dat zowel de wettelijke inbedding als de concrete handhaving van het afstandscriterium verbeterd dienen te worden? Welke stappen gaat u hiertoe nemen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het huidige beleid voldoet en voorts onderneem ik geen stappen om hier een wijziging in aan te brengen.
De lancering van een medium range ballistische raket door Iran |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iran tests another mid-range ballistic missile in breach of UN resolutions»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Iran wederom een test heeft uitgevoerd waarbij een ballistische raket is gelanceerd die een nucleaire lading kan dragen?
Iran heeft op 21 november jl. een ballistische raket gelanceerd. Het is thans niet bekend welk type raket dat betrof. Wel kan worden gesteld dat deze raket, evenals de op 10 oktober jl. gelanceerde ballistische raket, zeer waarschijnlijk valt binnen de «Categorie 1 Systemen», zoals door het Missile Technology Control Regime (MTCR) gedefinieerd. Deze systemen hebben een bereik groter dan 300 km en een payload van minimaal 500 kg. Op basis van de richtlijnen van het MTCR kan worden gesteld dat «Categorie 1 Systemen» in theorie in staat zijn om massavernietigingswapens te vervoeren.
Is deze lancering wederom een schending van VNVR-resolutie 1929? Zo ja, deelt u de mening dat deze schending geadresseerd, onderzocht en, indien bewezen, gesanctioneerd moet worden?
VN-Veiligheidsraadresolutie 1929 (2010) verbiedt Iran activiteiten te ondernemen die gerelateerd zijn aan ballistische raketten die in staat zijn een nucleair wapen te dragen. Het kabinet is van mening dat, evenals bij de andere door Iran gelanceerde ballistische raketten de afgelopen jaren, door middel van de geëigende VN-mechanismen dient te worden onderzocht of een raket een massavernietigingswapen zou kunnen dragen. VNVR-resolutie 1929 stelt een Expertpanel in dat gemelde schendingen kan onderzoeken en draagt het Iran Sanctiecomité op effectief te reageren op schendingen. Het ligt in dit stadium niet voor de hand om buiten het multilaterale kader dit vraagstuk bij Iran aan de orde te stellen.
Bent u voornemens deze schending aanhangig te maken bij de VN-Veiligheidsraad? Wordt daartoe overleg gevoerd met andere landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan uw ongenoegen over deze lancering kenbaar te maken bij de Iraanse regering? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welk gevolg heeft het door de Verenigde Staten aanhangig maken bij de VN-Veiligheidsraad van een ballistische raketlancering door Iran in oktober van dit jaar gekregen? Is deze lancering inmiddels aangemerkt als schending van VNVR-resolutie 1929? Zo ja, is dit reeds gevolgd door sancties?
Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten hebben op 21 oktober jl. het Iran Sanctiecomité gevraagd de rakettest van 10 oktober jl. te onderzoeken. Het Comité heeft in november unaniem besloten dat het Expertpanel een onderzoek moest beginnen naar de lancering en heeft het panel gevraagd hierover terug te rapporteren. Op 11 december heeft het Expertpanel zijn rapport ingediend bij het Sanctiecomité, met als hoofdconclusie dat de lancering van de ballistische raket op 10 oktober jl. een schending betreft van paragraaf 9 van VNVR-resolutie 1929 (2010). Op 15 december heeft de voorzitter van het Sanctiecomité een briefing gegeven aan de VNVR. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten hebben in hun reactie gesteld dat de VNVR actie moet ondernemen tegen deze schending. De Amerikaanse Ambassadeur Power stelde met krachtige bewoordingen dat de VNVR zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Ook hebben VS, VK en Frankrijk aangegeven Iran in multilateraal kader te zullen blijven aanspreken op zulke schendingen. Het kabinet steunt deze aanpak ten volle. De VNVR zal zich de komende tijd moeten buigen over een reactie, maar het lijkt er op dat er binnen de Raad geen overeenstemming zal zijn over het instellen van nieuwe sancties.
Het verzoek om OVSE/ODIHR-waarnemers te laten observeren bij het aanstaande referendum |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie van de OVSE/ODIHR (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa / Office for Democratic Institutions and Human Rights) op een verzoek om waarnemers te sturen?1
Ja.
Hoe duidt u het gegeven dat er gevraagd is om OVSE/ODIHR-waarnemers toe te laten bij het aanstaande referendum over de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne?
Bij parlementsverkiezingen is het gebruikelijk dat Nederland OVSE/ODIHR waarnemers uitnodigt om bij de verkiezingen aanwezig te zijn. Het raadgevend referendum over het associatieakkoord met Oekraine op 6 april 2016, is de eerste keer dat een referendum in Nederland wordt gehouden onder de Wet op het raadgevend referendum (Wrr). In de Wrr is artikel J39 van de Kieswet niet van toepassing verklaard. In artikel J39 wordt een bevoegdheid verleend aan de Minister van Buitenlandse Zaken voor het uitnodigen van waarnemers bij verkiezingen, ter uitvoering van een verdrag of een internationale afspraak. Een referendum is echter geen verkiezing. Om die reden is in de Wrr geen regeling voor waarnemers opgenomen. In de memorie van toelichting op de Wrr wordt gesteld dat er geen behoefte was aan een regeling voor waarnemers. De Wrr bevat echter geen verbod op de aanwezigheid van waarnemers, zodat, ondanks het ontbreken van een regeling daartoe, waarnemers aanwezig kunnen zijn bij het uitbrengen van de stemmen, mits met instemming van de burgemeester en de voorzitter van het stembureau.
Deelt u de mening dat, gezien het feit dat het de eerste keer is dat er gebruik wordt gemaakt van de Wet raadgevend referendum 2015 en verschillende gemeenten hebben aangegeven dat zij – in verband met de kosten – minder stemlokalen open gaan stellen, de aanwezigheid van OVSE/ODIHR-waarnemers van meerwaarde is? Zo neen, waarom niet?
Ik zie geen verband tussen de aanwezigheid van waarnemers en het aantal stemlokalen. Transparantie van de procedure is altijd het uitgangspunt bij zowel verkiezingen als referenda. Het aantal beschikbare stemlokalen doet daaraan niets af.
Bent u, daar het een voorwaarde is dat er een verzoek gedaan wordt door de regering van een OVSE-lidstaat, bereid een formele uitnodiging te versturen om de OVSE/ODIHR dit referendum te laten observeren?
Hoewel de Wrr daartoe niet verplicht, zal het kabinet OVSE/ODIHR uitnodigen bij het aankomende referendum waarnemers te zenden om aanwezig te kunnen zijn bij het uitbrengen van de stemmen. Zoals u bekend uit het antwoord van ODIHR aan GeenPeil, zal ODIHR als autonome instelling evenwel zelf bepalen of het daadwerkelijk tot waarneming kan en zal komen en op welke wijze de waarneming wordt vormgegeven.
Arbeidsmigratie binnen Europa |
|
Marit Maij (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Parijs» en Brexit blazen arbeidsmigratie van Europese agenda»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het voorkomen van onderbetaling, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt waarmee vrij verkeer van werknemers te vaak gepaard gaat óók een urgent probleem is dat snel (mede) in EU-verband moet worden aangepakt?
Zoals bekend deel ik de zorgen van de vragenstellers over de gevolgen van het vrije verkeer binnen Europa. Ook de Europese Commissie deelt inmiddels dit standpunt. De Commissie wil de oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt in de EU steviger aanpakken. Volgens EU Commissaris Thyssen van Werk, Sociale Zaken en Arbeidsmobiliteit is het slecht voor het imago en de geloofwaardigheid van de EU als daar niets tegen wordt gedaan.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er bijvoorbeeld vertraging ontstaat rondom de noodzakelijke aanpassing van de Detacheringsrichtlijn? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat er spoedig een grondige herziening van de Detacheringsrichtlijn tot stand komt? Op welke wijze gaat u hierop inzetten in het kader van het Nederlandse voorzitterschap in 2016?
Gezien het belang dat de Europese Commissie aan dit onderwerp hecht verwacht ik niet dat er onnodige vertraging ontstaat. Commissaris Thyssen hoopt dat het Arbeidsmobiliteitpakket binnenkort wordt uitgebracht, zodat in de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid die op 7 maart 2016 plaatsvindt een eerste gedachtewisseling kan plaatsvinden. Nederland heeft als reactie op de mededeling van de EU Commissaris om met een Arbeidsmobiliteitpakket te komen, aangegeven, dat zij als Voorzitter dit pakket graag verder wil brengen. Nederland zal haar concrete standpunt formuleren als de inhoud van het Arbeidsmobiliteitpakket bekend is.
Bent u bereid om in Nederland alvast aan de slag te gaan met de aanpak van schijnzelfstandigheid, de problemen rondom het door de belastingdienst met de uitzendbranche overeengekomen ET-convenant en het A1-formulier, onder meer naar aanleiding van signalen hierover van de FNV? Zo ja, wat zijn uw voornemens met betrekking tot deze onderwerpen? Op welke termijn gaat u op deze punten actie ondernemen?2
In mijn brief van 2 oktober 2015 waarin ik de kabinetsreactie op het IBO-advies ZZP heb gegeven, ben ik ingegaan op mogelijkheden om schijnzelfstandigheid te bestrijden (EK, vergaderjaar 2015–2016, Bijlage bij Kamerstuk 34 036, letter H).
Wat betreft de door deze leden genoemde problematiek rondom buitenlandse uitzendkrachten heb ik tijdens het AO arbeidsmigratie van 23 september 2015 aangegeven dat het complexe materie blijkt te zijn. Eenvoudige oplossingen zijn niet voorhanden. Zodra er duidelijkheid over is zal ik, samen met de Staatssecretaris van Financiën, de Tweede Kamer informeren.
Ook ben ik bezig de problemen rond het A1-formulier aan te pakken. De Administratieve commissie voor de coördinatie van sociale zekerheidsystemen van de EU heeft een werkgroep ingesteld die als taak heeft de problemen rond de A1-verklaring te inventariseren en met oplossingen te komen. Nederland is voorzitter van deze werkgroep.
De veel te hoge prijs die Nederland betaalt voor kankergeneesmiddelen |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland betaalt hoofdprijs voor medicijnen tegen kanker»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht over het onderzoek van het NKI en drie andere Europese kankercentra (gepubliceerd in The Lancet Oncology) over prijsverschillen van dure geneesmiddelen in Europa.
Hoe duidt u het gegeven dat Nederland, als het gaat om de negen kankergeneesmiddelen die het meeste zorggeld opslokken, bij zeven daarvan in de top-3 staat van meest betalende landen?
Dit onderzoek is gebaseerd op de prijzen die ziekenhuizen in verschillende landen betalen voor dure kankergeneesmiddelen. Het laat zien dat de prijzen van dure kankergeneesmiddelen vaak het hoogste liggen in de meer welvarende landen, zoals Nederland. In het onderzoek, uitgevoerd op basis van de cijfers van 15 landen, staat Nederland voor 7 van de 9 geneesmiddelen in de top 3. Het is nadelig voor Nederland dat wij relatief veel blijken te betalen voor kankergeneesmiddelen. Tegelijkertijd ondersteunt dit mijn beeld dat er klaarblijkelijk nog veel lucht in de prijzen van dure geneesmiddelen zit en de prijzen van deze dure geneesmiddelen omlaag kunnen. Ik ben mede daarom voorstander van meer transparantie over de prijzen. Dit onderzoek onderstreept het belang daarvan. Verder vind ik dat er wat moet gebeuren aan de hoge prijzen van (innovatieve) geneesmiddelen in het algemeen. Ik kom hier op terug in de visie geneesmiddelen die ik u in het eerste kwartaal van 2016 heb toegezegd.
Kunt u aangeven hoe het komt dat Spaanse kankercentra 40% korting op de officiële verkoopprijs van bijvoorbeeld het medicijn ipilimumab (tegen melanoom) krijgen en Nederland slechts 2 procent?
Waarom bij dit specifieke geneesmiddel in Spanje een hogere korting wordt verstrekt door de fabrikant is mij niet bekend. Wel laat dit zien dat het belangrijk is de inkoopmacht te versterken, zodat we ook in Nederland hogere kortingen kunnen bedingen. Dit onderwerp loopt daarom mee in mijn gesprek met de sector over een integraal pakket aan maatregelen rond de dure geneesmiddelen. Dit integrale pakket aan maatregelen wordt meegezonden met de visie geneesmiddelen die ik u in het eerste kwartaal van 2016 heb toegezegd.
Deelt u de visie dat het nooit zo mag zijn dat Nederland te veel betaalt voor kankergeneesmiddelen en deze geneesmiddelen om die reden niet in het verzekerde pakket terecht komen? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk om nieuwe innovatieve geneesmiddelen toegankelijk en betaalbaar te houden, ook voor de lange termijn. Daar zet ik mij voor in. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat er iets aan de prijzen van geneesmiddelen gebeurt. In mijn visie geneesmiddelen die ik u in het eerste kwartaal van 2016 heb toegezegd kom ik op het betaalbaar en toegankelijk houden van innovatieve geneesmiddelen terug.
Het bericht ‘Vluchtelingen ingezet voor nijpend personeelstekort’ |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vluchtelingen ingezet voor nijpend personeelstekort»?1
Ja
Is er onder de ruim 600.000 werklozen en ruim 400.000 bijstanders die Nederland telt – alsmede onder de ongeveer 300.000 ZZP’ers met amper opdrachten – geen enkele kandidaat te vinden om dit probleem op te lossen? Zo neen, waarom niet?
De personeelstekorten treden op in specifieke sectoren, zoals in de techniek, waarin al langere tijd geprobeerd wordt om vacatures te vervullen. Dit kan bijvoorbeeld liggen aan geringe populariteit van sommige beroepen of aan onvoldoende afstemming tussen opleiders en arbeidsmarkt. Aangezien het om personeelstekorten gaat die al sinds lange tijd bestaan, is er geen sprake van uitsluiten van anderen. Eerder is het tegenovergestelde het geval; Nederlandse werkgevers hebben baat bij de kennis en kunde die vluchtelingen (met een verblijfsvergunning) kunnen meebrengen.
Waarom is dit project specifiek op vluchtelingen gericht, waardoor anderen worden uitgesloten? Deelt u de mening dat dit een onacceptabele bevoordeling van vluchtelingen ten koste van anderen is? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid dit project te (laten) beëindigen? Zo neen, waarom niet?
Nee, ik ben niet van plan dit project te laten beëindigen, want het past binnen het kabinetsbeleid om vluchtelingen een bijdrage te laten leveren aan de samenleving. Vluchtelingen die in ons land mogen blijven, moeten zo snel mogelijk integreren en aan het werk.
Bent u bereid de sociale implosie en de verdere verpaupering van Nederland te voorkomen door de grenzen te sluiten voor asielzoekers? Zo neen, waarom niet?
Nederland biedt bescherming aan personen die vluchten voor oorlog, vervolging of onmenselijke behandeling. Asielaanvragen worden op individuele basis beoordeeld. Als een asielzoeker geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar enkel vanwege economische motieven een asielaanvraag doet, wordt deze afgewezen en verkrijgt men geen verblijfsrecht in Nederland.
Het bericht "Salaris bobo's Friese thuiszorg verdubbeld" |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Salaris bobo's Friese thuiszorg verdubbeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, zelfs al is het voor Patyna een in totaal kostenneutrale verhoging, van het meer dan verdubbelen van de persoonlijke beloningen van de toezichthouders een signaal uit gaat dat de topmensen van deze thuisorganisatie lak hebben aan versobering als het om hun eigen bezoldiging gaat? Zo nee, waarom niet?
Zorggroep Plantein en zorggroep Tellens zijn per 1 januari 2016 gefuseerd en verder gegaan onder de naam Patyna. Patyna heeft inmiddels kenbaar gemaakt dat het besluit tot het verhogen van de vergoedingen van de voorzitter en leden van de raad van toezicht naar aanleiding van de maatschappelijke verontwaardiging daarover, is herroepen. De bedragen blijven volgens Patyna gelijk aan de vergoedingen die de voorzitter en leden van de raad van toezicht ontvingen bij Plantein en Tellens, te weten € 10.500 respectievelijk € 7.000.
Kunt u zich voorstellen dat de verdubbeling van de beloning van de toezichthouders van Patyna door thuiszorgmedewerkers in het land, waarvan banen en salarissen onder druk staan, als een klap in hun gezicht kan worden ervaren? Zo ja, waarom kunt u zich dit voorstellen? Zo nee, waarom kunt u zich dit niet voorstellen?
Binnen de grenzen die de wet, in het bijzonder de WNT, stelt is het aan de instelling en de topfunctionaris om te bepalen wat een passende beloning is. Dat het wettelijk maximum maatschappelijk gezien niet altijd als passend wordt beschouwd, blijkt uit de reacties die een dergelijk besluit uitlokt.
Voldoen de vergoedingen voor de toezichthouders bij de thuiszorgorganisatie Patyna aan de eisen die de Wet Normering Topinkomens (WNT) daaraan stelt? Zo nee, waarom niet?
Per 1 januari 2016 geldt er een nieuwe ministeriële regeling voor de zorg met aan het verlaagde WNT-2 maximum aangepaste staffels. Het bezoldigingsmaximum van de leden respectievelijk de voorzitter van een raad van toezicht bedraagt 10 respectievelijk 15% van het voor de instelling geldende bezoldigingsmaximum op grond van die regeling. Toezicht op de naleving hiervan vindt achteraf plaats door de toezichthouder op de WNT in de zorg, het CIBG.
Is het op grond van die wet, en dan met name artikel 2.2, toegestaan dat ook vicevoorzitters van een raad van toezicht een bezoldiging van maximaal 15% van 178.000 euro krijgen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Hoeveel vicevoorzitters mogen er zijn? Zo nee, hoe verhoudt zich dat tot het bericht dat de vicevoorzitter van Patyna bijna 25.000 euro verdient?
Nee. Voor een vicevoorzitter geldt evenals voor leden van de raad van toezicht een norm van 10% van het voor de instelling geldende bezoldigingsmaximum. Zie ook het antwoord onder 4.
Deelt u de mening, er vanuit gaande dat de in het bericht genoemde bezoldigingen conform de WNT zijn, dat uit niets blijkt dat thuiszorginstellingen ook verplicht zijn om bezoldigingen te verhogen laat staan meer dan te verdubbelen?
De WNT en de regeling voor de zorg bevatten maximumbedragen, geen minimumbedragen. Uit de WNT kan dus geenszins een verplichting worden afgeleid om een bezoldiging te verhogen.
Deelt u de mening dat verdubbelingen van bezoldigingen voor toezichthouders volstrekt onwenselijk zijn? Zo ja, wat kunt u doen om dergelijke verdubbelingen te voorkomen? Zo nee, waarom vindt u dat niet onwenselijk?
Verhogingen van de bezoldiging zijn mogelijk binnen de grenzen van de wet. Men mag de grenzen van de wet opzoeken, maar niet overschrijden. Binnen die grenzen moet men binnen de sector en de desbetreffende instelling eigen afwegingen maken.
Bij hoeveel thuiszorgorganisaties zijn er, sinds de maximumpercentages die toezichthouders mogen verdienen verhoogd zijn, beloningen daadwerkelijk verhoogd of gaan die binnenkort verhoogd worden?
De maximumpercentages voor toezichthouders zijn met ingang van 2015 verhoogd. De jaarrekeningen van de thuiszorgorganisaties van 2015 zijn nog niet opgesteld. Deze gegevens zijn dus nog niet beschikbaar.
Is er sprake van dat, door de verhoging van de genoemde percentages, er bij toezichthouders in de thuiszorg een «race to the top» is begonnen om zo hoog mogelijke bezoldigingen binnen te halen? Zo ja, wilt u dan met deze organisaties of hun koepelorganisatie gaan overleggen om matiging af te spreken?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 8. Overigens verwijs ik u naar de WNT-jaarrapportage die jaarlijks aan de Kamer wordt verzonden. Hierin treft u alle gegevens over bezoldigingen van toezichthouders.
In hoeverre is het een thuiszorgorganisatie toegestaan om bij vaststelling van topinkomens vertegenwoordigers van het personeel en klanten te raadplegen?
Het is aan de instelling zelf om te bepalen wie men raadpleegt voor de vaststelling van de hoogte van de bezoldiging van bij de instelling werkzame topfunctionarissen.
Deelt u de mening dat dit wenselijk is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Raadplegen van vertegenwoordigers van personeel en klanten kan naar mijn idee bijdragen aan het maatschappelijk draagvlak voor de hoogte van de bezoldiging.
Deelt u de mening dat dergelijke inspraakmogelijkheden wettelijk verankerd zouden moeten worden? Zo ja, waarom, en hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is een verantwoordelijkheid van de instelling. Overigens is een wijziging van de Wet op de Ondernemingsraden in voorbereiding die de positie van de ondernemingsraden met betrekking tot beloningsverhoudingen binnen (grote) ondernemingen expliciteert.
Het bericht dat medische websites gezondheidsgegevens lekken |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Medische websites lekken gezondheidsgegevens»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat websites van medische organisaties, zoals ziekenhuizen en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG), gezondheidsinformatie van bezoekers doorgeven aan commerciële bedrijven?
Het is aan de Autoriteit Persoonsgegevens, voorheen College Bescherming Persoonsgegevens, om te oordelen in hoeverre praktijksituaties als deze aan wet- en regelgeving voldoen. Deze regels voor de omgang met persoonsgegevens in Nederland zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Daarnaast treedt per 1 januari 2016 de Wet meldplicht datalekken in werking. Voor een toelichting op deze wetten en regelgeving en het toezicht hierop verwijs ik u naar de Autoriteit Persoonsgegevens.
Ik vind oneigenlijk gebruik van persoonsgegevens verkregen uit gezondheidssites of apps zeer onwenselijk. Juist ook omdat ik vanwege de positieve effecten groot voorstander ben van het gebruik van consumenten eHealth en eHealth apps. Uit onderzoek blijkt dat de inzet van consumenten eHealth, bijvoorbeeld in het geval van telemonitoring bij COPD en hartfalen, positieve effecten heeft op de kwaliteit van leven van patiënten en dat het leidt tot minder ziekenhuisbezoek. Het kan mensen ook stimuleren in een gezondere leefstijl en meer beweging.
Dat mensen zelf informatie verzamelen over hun gezondheid en dat eventueel delen met hun zorgverleners is niet nieuw. Dat doen ze nu ook al door bijvoorbeeld gebruik te maken van een zwangerschapstest, weegschaal of thermometer. Door de snelle ontwikkeling van eHealth nemen de gegevens die kunnen worden gemeten en verzameld wel snel toe. De voordelen hiervan zijn groot, maar er zijn ook mogelijke risico’s. Naast toezicht is daarom «privacy by design» belangrijk. In dat licht is het zeer onwenselijk als persoonsgegevens als big data en voor commerciële doeleinden gebruikt worden met consequenties voor patiënten zonder dat deze daar weet van hebben.
Daarom wil ik, naast mijn vertrouwen in het toezicht op de relevante wet- en regelgeving, met de leden van het Informatieberaad bespreken of er mogelijkheden zijn om extra waarborgen te realiseren.
Overigens gaat het hier om een onderwerp dat ook speelt voor niet medische websites en voor buitenlandse websites. Dit vraagt erom dat consumenten in algemene zin bewust zijn van de sporen die men onbewust of ongewenst achterlaat bij online verkeer.
Deelt u de mening dat het bijzonder onwenselijk is dat websites, zoals thuisarts.nl en tweedstedenziekenhuis.nl, databedrijven toestaan gegevens van bezoekers te verzamelen, zonder de bezoekers hier expliciet over te informeren? Is er naar uw mening sprake van oneigenlijk gebruik van gegevens? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken op welke schaal dit nog meer voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind oneigenlijk gebruik van persoonsgegevens verkregen uit gezondheidssites of apps, hoe groot of klein in omvang ook, onwenselijk. Gezien mijn eHealth ambities vraagt dit mogelijk om extra waarborgen, zodat gegevens niet ongemerkt verzameld, verkocht of gebruikt worden. Ik zal daartoe met de leden van het Informatieberaad bespreken of er mogelijkheden zijn om extra waarborgen te realiseren.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen voor de patiënt/verzekerde zijn als dergelijke gezondheidsgegevens worden gevolgd en opgeslagen? Heeft u helder aan welke bedrijven de data zijn doorverkocht? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat deze praktijken per direct verboden moeten worden, omdat deze privégegevens tot het individu behoren, en geen onderdeel mogen zijn van een lucratief winstmodel van organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
De stremming van het treinverkeer tussen Bad Nieuweschans en Leer |
|
Henk Nijboer (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Spoorbrug doorboord, vijf jaar geen trein tussen Groningen en Duitsland» en «Doorboorde spoorbrug over Ems is total loss: minstens vijf jaar geen treinverkeer mogelijk»?1
Ja.
Is het waar dat de komende vijf jaar geen treinen kunnen rijden tussen Bad Nieuweschans (Groningen) en het Duitse Leer? Bent u bereid bij uw Duitse collega’s aan te dringen op spoedig herstel van de brug?
De eerste inschatting van DB Netz, de Duitse spoorweginfrabeheerder, is dat het vervangen van de spoorbrug 3 tot 5 jaar in beslag zal nemen. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat de brug zelf alsook de fundering total loss is, waardoor de gehele planprocedure om te komen tot een nieuwe brug (incl. inspraak procedures etc.) zal moeten worden doorlopen. Meer duidelijkheid over de doorlooptijd wordt begin 2016 verwacht.
Op korte termijn zal ik mijn Duitse ambtscollega een brief sturen, waarin ik aandacht zal vragen voor de huidige hinder en zal benadrukken dat het in het belang van de (grensoverschrijdende) reiziger en de vervoerder is, om een spoedig herstel te bevorderen. Ik zal hem in deze brief ook vragen te kijken naar financieringsmogelijkheden die toekomstrobuuste oplossingen mogelijk moeten maken.
Hoeveel reizigers worden per dag getroffen door deze stremming? Welke economische consequenties heeft de stremming bij benadering voor reizigers, bedrijven en overheden aan Nederlandse c.q. aan Duitse zijde?
De afgelopen drie jaar is door de provincie Groningen, in nauwe samenwerking met vervoerder Arriva, veel gedaan om het internationaal reizen tussen Groningen en Niedersachsen te verbeteren en onder de aandacht te brengen van de reiziger. Dit heeft geresulteerd in een reizigersgroei van circa 200 reizigers per dag die de grens passeerden in 2012, naar ruim 700 reizigers per dag in november 2015.
Met name het goederenvervoer zal hinder ondervinden door deze stremming. Als gevolg van de stremming kan in januari niet gestart worden met het drie tot vijf keer per week rijden van een goederentrein van Veendam via Leer naar Bremen (en verder naar Malmö).
Tenslotte zullen de provincie Groningen en de Landesnahverkehrsgesellschaft Niedersachsen (LNVG) nadelen ondervinden in hun proces om te komen tot een verbeterde verbinding tussen Groningen en Leer. Naar verwachting zal het behaalde reizigersgroei niet kunnen worden vastgehouden. De komende tijd zal samen met de vervoerder en DB Netz worden gezocht naar een verdere verbetering van het alternatief vervoer.
Zijn er – gezien de bijzondere situatie – mogelijkheden om de vervanging van de spoorbrug te versnellen? Zijn er aan Nederlandse zijde belemmeringen die de vervanging van de spoorbrug verlengen? Zo ja, bent u bereid zich in te spannen om ervoor te zorgen dat deze belemmeringen niet leiden tot een langere duur van de vervanging?
Uiteraard is DB Netz volop bezig met het onderzoek naar de oorzaak, maar ook naar de mogelijkheden om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Mij zijn geen belemmeringen voor de vervanging van de spoorbrug aan Nederlandse zijde bekend.
Welk alternatief wordt geboden aan reizigers die de komende jaren hinder ondervinden als gevolg van deze stremming? Bent u bereid om u – samen met provincie, Arriva en Duitse overheden – in te spannen voor een oplossing waarbij reizigers zo min mogelijk hinder ondervinden van de stremming?
Op dit moment heeft de regionale concessiehouder, vervoerder Arriva, vervangende busdiensten ingezet. De provincie Groningen, LNVG en Arriva gaan verdere verbeteringen voor de alternatieve (bus)dienstregeling onderzoeken, zodat de gevolgen voor de reiziger zoveel mogelijk worden beperkt.
Welke gevolgen heeft de vernieling van deze spoorbrug voor de plannen om een snelle(re) treinverbinding tussen Groningen en Bremen te realiseren?
Zie beantwoording vraag 3 voor de hinder voor de huidige reizigers. In overleg met de betrokken partijen (waaronder de provincie Groningen, Niedersachsen en Berlijn) wordt op dit moment nagegaan wat de gevolgen zijn voor de realisatie van een snelle(re) treinverbinding tussen Groningen en Bremen. Zodra dat bekend is, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Wat betekent deze stremming voor de rijksbijdrage voor de grensoverschrijdende spoorverbinding Groningen-Bremen? Gelden de op 7 juni 2014 gestelde voorwaarden – namelijk voor 1 juli 2016 duidelijkheid over de grootste problemen, verschillende varianten, kosteneffectiviteit en kostenverdeling Nederland-Duitsland – om aanspraak te kunnen maken op de rijksbijdrage nog steeds?2 Bent u – gezien de bijzondere situatie bereid om hier flexibel mee om te gaan? Zo nee, waarom niet?
De rijksbijdrage voor de grensoverschrijdende verbinding Groningen-Bremen was gereserveerd onder enkele specifieke voorwaarden, waaronder de vermelding dat er uiterlijk medio 2016 vorderingen zouden zijn gemaakt met de uitwerking van de planvorming. Wat de effecten op lange termijn zijn, is nu nog niet te zeggen. Ik wacht de nadere berichten daarover van de provincie Groningen eerst af.
Wat betekent deze stremming voor de bij de EU verworven gelden à 8,3 miljoen euro voor een studie naar de spoorverbinding Groningen-Bremen?3 Ziet u – nu deze spoorbrug ernstig beschadigd is – mogelijkheden om extra Europese middelen te verwerven voor deze verbinding?
De 8,3 miljoen die het project heeft ontvangen voor studie naar de spoorverbinding Groningen-Bremen wordt ingezet voor de noodzakelijke onderzoeken in de planuitwerkingsfase en blijft derhalve staan. Risico is dat het deels opnieuw moeten laten uitvoeren van de onderzoeken resulteert in het niet halen van de planning die met Innovation and Networks Executive Agency (INEA) is afgesproken. De provincie Groningen heeft dit bij INEA gemeld en zal, zodra hier meer duidelijkheid over is, INEA nader informeren. Voor de beantwoording van uw vraag over de extra Europese middelen, verwijs ik u graag naar de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid u in te spannen om ervoor te zorgen dat de nieuwe brug aan Duitse zijde zodanig wordt aangelegd, zodat deze past bij de ambities die er liggen voor een snelle(re) treinverbinding tussen Groningen en Bremen?
De aanvaring met de brug is een bijzonder ongelukkige situatie voor de huidige dienst. Echter, in het project biedt dit ook de gelegenheid om samen met de Duitse betrokken partijen na te denken over een structurele oplossing die recht doet aan de ambities voor een snelle(re) verbinding tussen Groningen en Bremen. Ook hierover is het project, met als trekkende partij de provincie Groningen, met de Duitse partijen in gesprek.
Het aan werk helpen van bijstandsgerechtigden |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Neem onze werklozen in plaats van Polen of Roemenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat voor veel functies waarvoor werknemers uit Oost-Europa geworven worden ook in Nederland gegadigden te vinden zijn?
Deelt u de mening dat de aanpak in Nijmegen zoals weergegeven in het artikel navolging verdient? Bent u bereid om hierbij een actieve rol te vervullen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Navraag bij de gemeente Nijmegen leert dat de wethouder van Werk en Inkomen en Economische Zaken, als hij bedrijfsbezoeken aflegt bij ondernemers in de regio, de groep werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt actief onder de aandacht brengt. Voor hen zijn de beschikbare banen schaars, terwijl ook deze groep werk zoekt om uit de bijstandsuitkering te komen.
Ik juich toe dat gemeenten zich actief inzetten om de kansen op de arbeidsmarkt van werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt te vergroten. Dit sluit aan bij de verantwoordelijkheid en opdracht van gemeenten op grond van de Participatiewet om mensen met een bijstandsuitkering te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling. Het is ook goed om te merken dat ondernemers deze groep een kans willen geven.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de motie Dijkgraaf c.s. (Kamerstuk 29 817 nr. 121) waarmee de regering verzocht is te onderzoeken hoe sectoren waarin veel vraag is naar laaggeschoolde arbeid ontvankelijker kunnen worden voor arbeidsbeperkten? Wat heeft de uitvoering van deze motie tot nu toe opgeleverd?
De motie Dijkgraaf c.s. dateert van 5 februari 2013. De intentie van de motie wordt door de regering onderschreven. Op 11 april 2013 hebben sociale partners en het kabinet afspraken gemaakt in het sociaal akkoord. Deze afspraken zijn onder meer gericht op versterking van de arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten en omvatten de afspraak dat werkgevers in de markt en de overheid 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking creëren met een quotum als stok achter de deur. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en op 1 mei 2015 de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Daarmee is het wettelijk kader beschikbaar voor bedrijven, sectoren en regio’s, gemeenten en UWV om daadwerkelijk extra banen te creëren voor mensen met arbeidsbeperkingen. Ik stel vast dat partijen momenteel over een breed front aan de gemaakte afspraken werken. De inspanningen worden door mij voortdurend gevolgd; uiteraard wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Het bericht dat Veilig Thuis tekort schiet in haar taken |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel waarin wordt gesteld dat Veilig Thuis tekort schiet in haar aanpak van huiselijk geweld?1
In dit artikel wordt gerefereerd aan (deel)rapporten van de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over de Veilig Thuis-organisaties (VT-organisaties) in de regio’s Groningen, Hollands Midden, Drenthe en Gelderland-Zuid. Ook ik heb deze signalen van de inspecties ontvangen. In de voortgangsrapportage Geweld in Afhankelijkheidsrelaties (VGR GIA) die ik u mede namens de ministers van Veiligheid en Justitie (VenJ) en Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) in januari 2016 stuurde, ben ik uitgebreid ingegaan op de noodzakelijke verbetering en doorontwikkeling van Veilig Thuis. Dit vraagt een krachtige aanpak die ik samen met de VNG en de Minister van VenJ in gang heb gezet. De nadere uitwerking van dit project zal ik u binnenkort toesturen.
Het eindrapport van de inspecties verwacht ik eind februari 2016. Zodra ik dit rapport heb ontvangen, zal ik het binnen de gebruikelijke termijnen aan u sturen.
Wat is de huidige stand van zaken omtrent de wachttijd van deze instellingen, gelet op het feit dat de genoemde Veilig Thuis organisaties al in augustus 2015 zijn bezocht?
Op basis van de deelrapportages van de inspecties hebben de VT-organisaties en de verantwoordelijke gemeenten onmiddellijk actie ondernomen. Zo hebben de gemeenten in de regio’s Gelderland-Zuid, Drenthe, Groningen en de gemeenten van Hollands Midden extra financiële middelen beschikbaar gesteld aan de VT-organisaties voor het wegwerken van de wachttijden. Alle tot nu toe onderzochte VT-organisaties hebben of zullen binnenkort aan de inspecties verbeterplannen en verbetermaatregelen presenteren. Komend jaar zullen de inspecties toetsen of de verbeterplannen daadwerkelijk hebben geleid tot verbeteringen in de praktijk.
Om vinger aan de pols te houden en te onderzoeken waar we kunnen ondersteunen, zal VWS in overleg treden met de verantwoordelijk wethouders van de betreffende Veilig Thuis regio’s over de oorzaken van de ontstane wachtlijsten en de maatregelen die getroffen zijn.
Bent u ervan op de hoogte dat uit het artikel blijkt dat op de wachtlijst ook zaken staan met «hoge prioriteit», wat strijdig is met de uitspraak van de Staatssecretaris van VWS tijdens het Algemeen overleg Kindermishandeling/Geweld in afhankelijkheidsrelaties van 11 november jl., dat er altijd op «acute situatie gereageerd wordt»? Hoe verklaart u deze tegenstelling?2
Het is zeer onwenselijk dat acute crisiszaken op de wachtlijst van Veilig Thuis staan en dat geen contact opgenomen wordt met de betreffende gezinnen. Gemeenten en VT-organisaties werken er hard aan om dit probleem op te lossen. Het is goed dat de IGZ en IJZ in het najaar grondig onderzoek hebben gedaan zodat snel kon worden ingegrepen. Dat is ook gebeurd, de VT-organisaties genoemd in het artikel in NRC Next hebben extra financiële middelen van de gemeenten ontvangen voor het wegwerken van de wachtlijsten.
In het afgelopen najaar zijn alle VT-organisaties ook door VWS samen met VNG en VenJ bezocht. Waar de ronde van VWS langs de VT-organisaties bedoeld was om globaal inzicht te krijgen in de successen en knelpunten van deze organisaties, was de toezichtronde van de IJZ en IGZ bedoeld om van alle VT-organisaties te bepalen in hoeverre zij voldoen aan (wettelijke) randvoorwaarden, in hoeverre zij zicht houden op de veiligheid en ervoor zorgen dat acuut onveilige situaties worden opgeheven.
VT-organisaties hebben tijdens de ronde van VWS, VenJ en VNG benadrukt dat bij alle binnenkomende meldingen direct nagegaan wordt of sprake is van een crisissituatie en dat indien nodig onmiddellijk wordt ingegrepen.
Conclusie van de inspecties is, zo blijkt uit de deelrapporten die ik vanaf november heb ontvangen, dat niet alle bezochte VT-organisaties voldoen aan de (wettelijke) randvoorwaarden. Niet alle VT-organisaties hebben een actueel beeld van de veiligheid van alle leden van gezinnen en huishoudens, vooral bij zaken die op de wachtlijst staan en dat het hierbij ook gaat om zaken met hoge prioriteit.
Klopt het dat in sommige gevallen geen contact is geweest met gezinnen op de wachtlijst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe komt dat, en op welke manier gaat u dit verbeteren? Hoe kunt u garanderen dat er tussen deze meldingen ook zaken zijn waarop acuut gereageerd dient te worden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke acties gaat u ondernemen om de enorme wachtlijstproblematiek bij de Veilig Thuis organisaties op te lossen?
Zowel de VT-organisaties, de gemeenten, de VNG, de Minister van VenJ als ik beseffen de urgentie van de problemen bij de VT-organisaties. Zoals al aangegeven hebben de betrokken VT-organisaties in overleg met hun gemeenten, verbeterplannen gemaakt. Samen met de VNG en de minster van VenJ neem ik een krachtige doorontwikkeling van Veilig Thuis ter hand. Kortom, alle betrokkenen zetten alles op alles om gevaarlijke situaties te voorkomen. Voor de voorgenomen verbeteringen verwijs ik naar de VGR GIA die u in januari 2016 heeft ontvangen.
Kunt u garanderen dat door de problemen bij Veilig Thuis geen kinderen en gezinnen in gevaar zijn gekomen? Kunt u dit antwoord uitgebreid toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de resultaten van de pilot waarin adviezen geregistreerd worden door Veilig Thuis? Wat zijn de gevolgen van een eventuele uitrol hiervan op de toch al forse wachtlijsten van de organisaties?
Om te voorzien in de behoefte aan experimenteerruimte, heeft het kabinet een Experimentenwet aangekondigd waarmee een aantal gemeenten voor een specifieke periode in de gelegenheid wordt gesteld af te wijken van wettelijke bepalingen. De gemeente Tilburg wil bij wijze van experiment op basis van adviesvragen bij Veilig Thuis Midden-Brabant persoonsgegevens registreren van mogelijke slachtoffers van kindermishandeling en huiselijk geweld. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en VWS onderzoeken met de gemeente Tilburg onder welke voorwaarden dit experiment kan worden vormgegeven, waarbij in ieder geval aandacht uitgaat naar de zorgvuldigheid van de gegevensverwerking, de laagdrempeligheid van Veilig Thuis en het effect van dit experiment op de bereidheid van professionals om contact op te nemen met Veilig Thuis. Uiteraard wordt ook de draagkracht van Veilig Thuis bij dit onderzoek meegenomen. Naar verwachting zal in het voorjaar van 2016 een wetsvoorstel over experimenteerruimte voor gemeenten door de Minister van BZK bij uw Kamer worden ingediend. De beoogde datum van de inwerkingtreding is 1 januari 20173.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de samenwerking tussen Veilig Thuis en gemeenten, scholen, sociale wijkteams, politie en justitie?
Het ondersteuningsprogramma Veilig Thuis van de VNG heeft op 4 september 2015 het model: «samenwerkingsafspraken tussen de VT-organisaties, de Nationale Politie en het Openbaar Ministerie voor de terreinen huiselijk geweld, kindermishandeling en zorgmeldingen jeugd van de politie», gepresenteerd. Uit de ronde langs de VT-organisaties blijkt dat dit model door de VT-organisaties gebruikt wordt om op regionaal niveau samenwerkingsafspraken te maken met de politie en OM.
Uit de ronde langs de VT-organisaties bleek ook dat in 2015 hard is gewerkt aan samenwerkingsafspraken met sociale wijkteams en scholen. En dat het maken van deze samenwerkingsafspraken veel inzet en tijd vraagt van de VT-organisaties.
Het bericht dat een man al dertien jaar ten onrechte vastzit in Guantánamo Bay |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man zit dertien jaar vast in Guantánamo wegens naamverwisseling»?1
Ja
Hoe beoordeelt u het dat Al-Shamiri dertien jaar onrechtmatig vastzat, en de vele fouten die zijn gemaakt tijdens die dertien jaar?
De details van deze zaak zijn niet bekend bij het kabinet. In algemene zin geldt dat het kabinet van mening is dat alle gedetineerden die in Guantánamo vastzitten recht hebben op berechting overeenkomstig internationale standaarden of vrijgelaten dienen te worden indien hen niets ten laste kan worden gelegd.
Hoeveel gevangenen zitten er nog op Guantánamo Bay opgesloten die nooit zijn aangeklaagd of veroordeeld voor een misdrijf?
Na aantreden van president Obama is in 2009 door een Amerikaanse interagency review (inclusief zes Amerikaanse instanties – Department of Defense, Department of Homeland Security, Department of Justice, State Department, Joint Chiefs of Staff, Director of National Intelligence) de status bepaald van alle gedetineerden die zich op dat moment nog in Guantánamo Bay bevonden. Dit heeft geleid tot een categorisering van alle gedetineerden waarbij een groep is geïdentificeerd van mensen wier detentie moet worden beëindigd omdat zij niet zijn aangeklaagd en/of veroordeeld voor enig misdrijf. Deze groep is goedgekeurd voor overdracht («approved for transfer»). Op dit moment resteren nog 48 personen uit deze groep approved for transfer in Guantánamo Bay.
Daarnaast resteert er een groep van 49 personen die momenteel nog niet binnen deze categorie valt. Om deze gedetineerden uitzicht te geven op overplaatsing en/of berechting heeft president Obama Periodic Review Boards ingesteld. Deze Periodic Review Boards bepalen periodiek of gedetineerden kunnen worden toegevoegd aan de groep «approved for transfer» omdat zij naar hun oordeel niet langer een bedreiging vormen voor de (inter)nationale veiligheid of een andere status verdienen.
In totaal resteren 107 gedetineerden in Guantánamo Bay.
Bent u bereid om er bij uw Amerikaanse collega op aan te dringen Guantánamo Bay zo spoedig mogelijk te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat het bestaan van de detentiefaciliteit te Guantánamo Bay in strijd is met het internationaal recht en dat deze zo snel mogelijk gesloten moet worden. Het Nederlandse standpunt is bij de Amerikaanse autoriteiten bekend.
Kunt u een overzicht geven van welke andere landen gevangenen uit Guantánamo Bay hebben opgenomen in eigen land en hoeveel?
De New York Timesheeft inzichtelijk gemaakt welke landen gevangenen uit Guantánamo Bay hebben opgenomen. Dit overzicht is te vinden via http://projects.nytimes.com/guantanamo/transfer-countries.
Het kabinet is niet op de hoogte van de beweegredenen van al deze landen om tot opname over te gaan. Nederland maakt hierin een eigen afweging die los staat van conclusies van andere landen.
Kunt u toelichten wat de redenen en argumentatie was van die landen om gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen in eigen land? Kunt u daarbij ook toelichten waarom u dan nog steeds weigert dit te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat u nog steeds geen stappen heeft gezet om gevangenen uit Guantánamo Bay die in de groep «approved for transfer» vallen in Nederland op te nemen?
Er is nog geen besluit genomen over het Amerikaanse verzoek tot opname van 1–2 gedetineerden die in de groep «approved for transfer»vallen. Pas nadat de Amerikaanse regering verdere betekenisvolle stappen heeft gezet richting sluiting van de detentiefaciliteit inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden, zal het kabinet dit verzoek in overweging nemen.
Sluit u volledig uit dat u op termijn enkele van deze gevangen in Nederland opneemt?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak is de Nederlandse regering door de Verenigde Staten, formeel en informeel, verzocht om gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Op 7 oktober 2014 heeft de toenmalige Amerikaanse Minister van Defensie, Chuck Hagel, tijdens een ontmoeting met de Nederlandse Minister van Defensie gevraagd of de Nederlandse overheid bereid zou zijn bij te dragen aan de sluiting van de detentiefaciliteit Guantánamo Bay door enkele gevangenen op te nemen.
Dit verzoek is sindsdien door de VS op politiek en ambtelijk niveau verschillende malen opgebracht, onder andere in gesprekken met de Minister-President, Vice-Minister-President en de meest betrokken bewindspersonen.
Het verzoek kwam ook aan de orde in het gesprek van het Koninklijk Paar met President Obama op 1 juni 2015. Met mijn Amerikaanse ambtsgenoot heb ik het verzoek laatstelijk besproken tijdens onze ontmoeting in Alaska op 30 augustus 2015.
De relatie met Ethiopië |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u een appreciatie geven van het artikel «Ethiopië, het regenseizoen bestaat niet meer»?1
Het artikel is gebaseerd is op een bezoek aan twee gebieden in Ethiopië. De bezochte gebieden, de Centrale Riftvallei en de vallei van de Omo-rivier, zijn beide getroffen door droogte, net zoals andere traditioneel door droogte getroffen gebieden, zoals noordoost Amhara. Zoals gesteld in het artikel klopt het dat de regenval in het zuiden van het land de laatste jaren is verminderd en ook onregelmatiger is geworden. De droogte heeft daarentegen in het dicht bevolkte westelijke hoogland van Ethiopië minder hard toegeslagen. De Ethiopische regering verwacht dat de trend van stijgende groei in de landbouwsector zich ook dit jaar zal voortzetten, zij het iets verminderd.
Uit het artikel wordt duidelijk dat de problematiek in de twee gebieden niet alleen een kwestie is van klimaatverandering maar verweven is met andere ontwikkelingen, zoals toenemende bevolkingsdruk, armoede, vervuiling en overexploitatie van de natuurlijke hulpbronnen land en water.
Over welke «klimaatslimme» oplossingen hebben Fanatahun Gezsie en Desalegn Tebratu van het Ministerie van Milieu van Ethiopië het? Speelt Nederland hierbij een rol? Zo ja, welke?
Klimaatslimme oplossingen in Ethiopië worden gezocht in alle sectoren van de economie. Volgens het in oktober jl. gepresenteerde tweede vijfjarenplan van de Ethiopische regering, het Growth and Transformation Plan II, zal meer dan 50% van de maatregelen om broeikasgassen uit de atmosfeer te verwijderen en/of de uitstoot van broeikasgassen te verminderen in de landbouwsector genomen moeten worden. Daarbij wordt onder meer gedacht aan biologische bodembeschermingsmaatregelen in het kader van stroomgebiedsbeheer. In de veehouderij probeert men door het vergroten van efficiency in de keten, verbetering van weidegronden en verbetering van veterinaire diensten hieraan bij te dragen. Ook verwacht men een grote rol van landbouwmechanisatie in het terugbrengen van uitstoot van broeikasgassen.
Nederland draagt op verschillende manieren bij aan het vinden van klimaatslimme oplossingen. Het gaat om zowel oplossingen die de uitstoot van broeikasgassen helpen verminderen als maatregelen gericht op aanpassingen aan klimaatverandering. Nederland doet dit door bij te dragen aan grote overheidsprogramma’s op het gebied van landbouwontwikkeling (zoals een bijdrage van het Agricultural Growth Programme – AGP), maar ook door projecten van ngo’s en onderzoekinstellingen, veelal in partnerschap met het bedrijfsleven.
Is er in Ethiopië wel geleerd van de kennis die in Kenia door de jaren is opgebouwd over ecologische kwetsbaarheid van het Rift Valley gebied? Zo ja, hoe?
De Keniase en Ethiopische delen van de Centrale Riftvallei hebben op het gebied van ecologische kwetsbaarheid en socio-economische basis veel gemeen, waardoor er veel potentie is om van elkaar te leren.
Hierbij is het door Nederland ondersteunde «Horn of Africa Regional Environment Centre and Network» (HoA-REC&N) instrumenteel. Het HoA-REC&N is een samenwerkingsverband van verschillende milieugeoriënteerde ngo's en kennisinstellingen in de Hoorn van Afrika, waaronder Ethiopië en Kenia.
Tevens is het door Nederland ondersteunde «Initiative for Sustainable Landscapes» van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) actief in de Ethiopische Centrale Rift Vallei. Dit programma behelst het oprichten van een platform van bedrijven die in de Rift Vallei zijn gevestigd om uitdagingen gerelateerd aan waterschaarste, waterkwaliteit en bodemdegradatie te helpen adresseren.
Kan een uitsplitsing van de projecten worden gegeven die optellen naar de 33,7 miljoen euro bestemd voor de toename van voedselzekerheid in Ethiopië?2 Wat zijn bij ieder project de te behalen doelen voor de Nederlandse overheid? Hoe worden lokale kleinschalige boeren en boerinnen en maatschappelijke organisaties betrokken in de ontwikkeling én uitvoering van projecten?
Zie de tabel in bijlage 13, waarin informatie is opgenomen over onder andere de te behalen doelen voor de Nederlandse overheid en de betrokkenheid van lokale kleinschalige boeren, boerinnen en maatschappelijke organisaties in de ontwikkeling en uitvoering van projecten. Voor kwantitatieve doelen en indicatoren van de activiteiten waar Nederland aan bijdraagt, zie de volgende link naar de website van de Nederlandse ambassade: http://ethiopia.nlembassy.org/binaries/content/assets/postenweb/e/ethiopie/netherlands-embassy-in-addis-ababa/services/list-of-food-security-projects-funded-by-ekn-with-budget-2016.pdf.
Hoe zien de voorgestelde projecten op het terrein van waterbeheer eruit, waar in het artikel aan gerefereerd wordt? Wat zijn doelen en middelen en hoe weten we of het effectief zal zijn? Is het project vooral voor Nederlandse bedrijven opgezet of ook voor de lokale bevolking?
Het project in de Centrale Rift Vallei waar het artikel naar verwijst en waarin goed waterbeheer een centrale rol speelt, is het Gambella en CRV Landscape management project van HoA-REC&N. Dit project past een landschapsbenadering toe, wat inhoudt dat alle stakeholders betrokken worden bij duurzame planning, beheer en gebruik van de natuurlijke hulpbronnen in het gebied. Er wordt gewerkt aan een effectief systeem van beheer dat de verschillende partijen (boeren en boerinnen, bedrijven, lokale overheden, ngo’s en onderzoeksinstellingen) bij elkaar brengt. Gemeenschappen dragen onder andere bij door geërodeerde gebieden tijdelijk af te sluiten voor begrazing en houtkap waardoor de vegetatie zich kan herstellen. Daarna wordt een gebruiksplan opgesteld en gehandhaafd. Lokale en internationale kennisinstellingen spelen vooral een rol in de monitoring van waterkwaliteit en -kwantiteit. Het onlangs gestarte project van het Initiatief Duurzame Handel (zie vraag 3) zal in het gebied opererende private sector spelers actiever betrekken bij activiteiten gericht op duurzaam landschapsbeheer.
Wat wordt de specifieke bijdrage aan de verwachte voedselhulp van de VN aan Ethiopië die is gevraagd door de Ethiopische regering?
Nederland geeft een bijdrage van 5 miljoen euro aan het Common Humanitarian Relief Fund (CHF) van OCHA in Ethiopië. Dit op verzoek van de VN die hierin nauw samenwerkt met de Ethiopische overheid. Tevens heeft Nederland een verzoek van de Dutch Relief Alliance (DRA) ingewilligd om de ergste nood te lenigen. Hiermee is een bedrag gemoeid van 8,63 miljoen euro dat besteed wordt via 11 Nederlandse ngo’s actief in Ethiopië. Deze bijdrage is afgestemd met de VN in Ethiopië. Verder heeft de Nederlandse ambassade ruim 9 miljoen euro voor het Productive Safety Net Programme (PSNP) van de Ethiopische overheid van 2016 naar 2015 geschoven om vroegtijdig in te kunnen spelen op de mogelijke gevolgen van de droogte. De overheid heeft deze Nederlandse bijdrage inmiddels besteed.
Welke projecten hebben mede als doel om een structurele oplossing te bieden aan het mogelijk voorkomen van toekomstige hongersnoden?
Alle projecten in bijlage 14 onder Pillar 2: increase agricultural productivity and market access en Pillar 3: Increase competitiveness of agribusiness, income and employment moeten bijdragen aan het voorkomen van hongersnoden. Zij dragen bij aan een duurzame verhoging van landbouwproductie, versterking van marktmechanismen en een grotere afzetmarkt voor voedselproducten. Daarnaast wordt versterking van economische kansen en vergroting van werkgelegenheid nagestreefd, wat zowel een verbeterde voedselproductie als een grotere weerbaarheid van de bevolking tot gevolg heeft. Ook het RESET programma onder Pillar 1: Reduce household vulnerability dat zich specifiek op weerbaarheid richt zal aan een structurele oplossing bijdragen.