Het bericht ‘Drugscriminelen mogen geld houden omdat justitie er zooitje van maakte’ |
|
Michiel van Nispen |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Drugscriminelen mogen geld houden omdat justitie er zooitje van maakte»?1
Ja.
Komt het vaker voor dat een dergelijke handelwijze van het Openbaar Ministerie (OM) ertoe leidt dat criminelen hun misdaadgeld mogen houden?
De conclusie van de journalist dat criminelen hun misdaadgeld mogen houden, is voorbarig. In het onderhavige geval heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld. De vraag of door de rechtbank vaker is geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in zijn ontnemingsvordering in verband met het niet (kunnen) voldoen aan een bewijsopdracht, kan niet worden beantwoord omdat dit niet centraal wordt geregistreerd.
Het afpakken van crimineel geld is een speerpunt binnen het beleid van het Openbaar Ministerie. In dat kader wordt doorlopend bezien of er mogelijkheden zijn voor verbetering. Aangezien het in casu een vonnis betreft in eerste aanleg in een individuele ontnemingszaak, waartegen nog hoger beroep loopt, bestaat er geen aanleiding om extra maatregelen te overwegen.
Wat is de oorzaak van deze door de rechter genoemde nalatige en diffuse handelwijze? Indien niet bekend is hoe dit heeft kunnen gebeuren, zal dit dan onderzocht worden?
Het betreft hier een verschil van inzicht tussen de rechtbank en het Openbaar Ministerie over de mogelijkheden van aanvullend strafrechtelijk financieel onderzoek in een ontnemingszaak waarin de veroordeelden zelf geen inzage geven in hun inkomsten uit strafbare feiten. In deze ontnemingszaak is door het Openbaar Ministerie op verschillende manieren gerapporteerd over het wederrechtelijk verkregen vermogen van het criminele samenwerkingsverband en de manier waarop dit vermogen door de leden onderling is verdeeld. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie opgedragen om de rapportage over de verdeling van het wederrechtelijk verkregen vermogen met een zogenoemde uitgebreide kasopstelling uit te breiden. Het Openbaar Ministerie heeft onderbouwd aangevoerd niet aan deze bewijsopdracht te kunnen voldoen in verband met het feit dat de voor een dergelijke kasopstelling benodigde financiële gegevens van de veroordeelden in onvoldoende mate aanwezig zijn en ook door nieuw onderzoek niet kan worden verkregen. De rechtbank is hierop tot het eerder genoemde niet ontvankelijkheidsoordeel gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft appèl ingesteld tegen deze beslissing.
Is er voldoende financiële expertise aanwezig bij het OM om dergelijke berekeningen te kunnen maken? Is er ook voldoende capaciteit om bij alle zaken die draaien om aanzienlijke geldbedragen ook daadwerkelijk over te gaan tot het maken van voordeelsberekeningen, om vervolgens het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen?
De berekeningen voor ontnemingsvorderingen worden opgesteld door specialistische medewerkers bij de opsporingsdienst die het onderzoek – onder het gezag van het Openbaar Ministerie – uitvoert, in dit geval de FIOD. Bij het Functioneel Parket – het gespecialiseerde onderdeel van het Openbaar Ministerie dat deze ontnemingszaak voor de rechter bracht – is voldoende specifieke financiële expertise aanwezig om leiding te geven aan ontnemingszaken waarbij het gaat om aanzienlijke geldbedragen. Overigens is binnen het Openbaar Ministerie iedere officier van justitie belast met het afpakken van criminele winsten en wordt bij iedere zaak die zich daarvoor leent het financiële voordeel ontnomen.
Welke maatregelen zijn volgens u nodig om ervoor te zorgen dat onduidelijkheid over de exacte omvang van het crimineel verdiende geld er in ieder geval niet toe kan leiden dat er in het geheel geen misdaadgeld wordt afgepakt? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er effectiever crimineel geld zal worden ontnomen?
Zie antwoord vraag 2.
Het EUROPOL-rapport 'From suspicion to action - Converting financial intelligence into greater operational impact' |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe duidt u de in het EUROPOL-rapport «From suspicion to action – Converting financial intelligence into greater operational impact» genoemde stelling dat de van andere Europese landen afwijkende wijze van rapporteren ertoe leidt dat Nederland 31% van de Suspicious Transaction Reports (STR’s) voor zijn rekening neemt?
Het klopt dat Nederland ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financiering van terrorisme een ander meldsysteem heeft dan de andere Europese landen. Nederland heeft bij de invulling van die verplichting bewust gekozen om die meldingsplicht op te leggen met betrekking tot ongebruikelijke transacties (OT’s) en niet, zoals in andere lidstaten, met betrekking tot verdachte transacties. Het gaat bij OT’s om transacties waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kunnen houden met witwassen of financieren van terrorisme. Vervolgens analyseert de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU-Nederland) de meldingen van OT’s en komt in bepaalde gevallen tot een verdacht verklaring van deze OT’s die zij alsdan ter beschikking stelt aan opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Van de meldingsplichtige instellingen wordt in deze systematiek niet gevraagd om te beoordelen of een transactie kwalificeert wordt als verdacht (VT) en daarmee potentieel geschikt is voor opsporing en vervolging. Die taak is bewust belegd bij de FIU-Nederland. De FIU-Nederland fungeert als deskundige «buffer» tussen de meldingsplichtige instellingen enerzijds en rechtshandhavende diensten anderzijds. Dat Nederland een ander meldsysteem heeft wordt wel genoemd in het EuropOL-rapport, maar dit is ten onrechte niet doorvertaald in de statistieken en vermelde percentages: STR’s zijn eerder vergelijkbaar met het aantal door FIU-Nederland verdacht verklaarde transacties en niet met de OT’s. Het Nederlandse meldsysteem en de werking van de FIU-Nederland alsook de samenwerking met Europol werden in 2010 in het evaluatieverslag van de Raad van Europese Unie als goede praktijken bestempeld.1 Tot slot wil ik benadrukken dat ik het als een positief gegeven zie dat Nederlandse instellingen in verhouding veel en kwalitatief goede meldingen doen.
Wat is er gebeurd met de 6.500 dossiers die door de Financial Intelligence Unit (FIU) aan de opsporings- en inlichtingendiensten zijn gezonden? In hoeveel zaken is er door de politie of andere opsporingsdiensten een opsporingsonderzoek opgestart? Bent u tevreden over het vervolg dat wordt gegeven aan informatie van de FIU?
Uit het jaarverslag 2016 van de FIU-Nederland blijkt dat er in 2016 6.516 dossiers met daarin 53.533 VT’s ter beschikking gesteld zijn aan de opsporing. De informatie van de FIU-Nederland over VT’s wordt op uiteenlopende wijzen gebruikt in de opsporing, onder meer als informatiebron (intelligence), startinformatie of bewijs. Hierbij is van belang dat in bepaalde gevallen één VT direct de aanleiding kan zijn voor een opsporingsonderzoek, terwijl in andere gevallen een reeks van samenhangende VT’s, vaak ook gecombineerd met andersoortige informatie, gezamenlijk een dossier opleveren dat aan het Openbaar Ministerie (OM) wordt overgedragen. Daar waar VT’s als sturingsinformatie worden gebruikt voor de inrichting van een strafrechtelijk onderzoek zijn deze niet als zodanig geoormerkt in eventuele verdere opsporings- en vervolgingsonderzoeken, onder meer omdat een VT nog geen redelijk vermoeden van schuld betekent als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts registreert het OM niet op grond van welke soort informatie een strafzaak is gestart. De oorspronkelijke VT wordt in een dergelijk geval niet als zodanig expliciet genoemd in het bewijsmiddelenoverzicht in het strafdossier.
Om het inzicht in het gebruik van VT’s door opsporings- en handhavingspartners te vergroten, onderneemt de FIU-Nederland verschillende activiteiten. Zo hebben de FIU-Nederland en de FIOD afspraken gemaakt over het registreren van onderzoeken die starten op basis van intelligence afkomstig van de FIU-Nederland. Ook maakt de FIU-Nederland deel uit van het Anti Money Laundering Centre (AMLC). Het AMLC beoogt door het samenbrengen van kennis en ervaring van verschillende handhavingspartners de totale landelijke informatiepositie op het gebied van witwassen te versterken en te borgen. Er zijn de laatste jaren door het OM, de FIU-Nederland en de opsporingsdiensten goede initiatieven genomen, zoals de samenwerking in het AMCL en in de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen, waardoor er steeds meer gebruik wordt gemaakt van de informatie van de FIU-Nederland.
Acht u de inschatting van EUROPOL dat het aantal meldingen zal toenemen toepasselijk voor Nederland? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de Nederlandse FIU deze toename kan verwerken? Zo nee, waarom niet?
De cijfers die zijn gebruikt in het rapport van EuropOL betreffen een periode tot en met 2014. De openbare jaaroverzichten van FIU-Nederland van 2015 en 2016 laten zien dat het aantal meldingen van OT’s in 2015 en 2016 significant is toegenomen, afgezet tegen 2014. Deze toename is te verklaren doordat de FIU-Nederland de afgelopen jaren veel heeft geïnvesteerd in het delen van kennis op trends en fenomenen met meldingsplichtige instellingen, toezichthouders, de opsporing en buitenlandse FIU’s. Daarbij komt dat meer nieuwe melders bij FIU-NL zijn geregistreerd. Met de (kwantitatieve en kwalitatieve) toename van het aantal meldingen van OT’s is logischerwijs tevens het aantal VT’s gestegen. Deze zijn ter beschikking gesteld aan de (bijzondere) opsporingsdiensten en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat het aantal meldingen van OT’s per jaar sterk kan fluctueren, dit ligt grotendeels buiten de invloedsfeer van de FIU-Nederland. Ik heb uw Kamer in de brief d.d. 4 december 20162 geïnformeerd over de ingezette capaciteitsuitbreiding van de FIU-Nederland.
Bent u het eens met de stelling van EUROPOL dat het beter zou zijn een uniform Europees rapportagesysteem te hebben? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom niet?
De FIU’s in de EU worden in het voorkomen en bestrijden van witwassen en onderliggende basisdelicten, alsmede het financieren van terrorisme, ondersteund door een gedecentraliseerd computer netwerk (FIU.NET). Decentraal houdt in dat er geen centrale database is waarin alle informatie van de EU FIU’s in opgeslagen is. De informatie die FIU's onderling op geanonimiseerde wijze en met inachtneming van de geldende privacyregelgeving delen via de beveiligde FIU.NET lijnen wordt alleen opgeslagen in de lokale database van de bij de uitwisseling betrokken FIU's. De Europese FIU’s kunnen door middel van FIU.NET snel en efficiënt informatie uitwisselen. FIU.NET is beheersmatig ondergebracht bij Europol. Ik zie gelet op het voorgaande geen reden om over te stappen naar een uniform Europees rapportagesysteem.
Daarnaast bestaat het EU FIU’s Platform (het FIU-platform). Dit platform is een informele groep van vertegenwoordigers van de FIU's die sinds 2006 actief is. Het platform wordt gebruikt voor het vergemakkelijken van de samenwerking tussen EU FIU's en om van gedachten te wisselen over samenwerking gerelateerde kwesties. Het gaat daarbij onder meer om de doeltreffende samenwerking tussen EU FIU’s alsmede tussen de EU FIU's en de FIU’s van derde landen. Ook de gezamenlijke analyse van grensoverschrijdende gevallen en trends en factoren die relevant zijn voor de beoordeling van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering, op zowel nationaal als supranationaal niveau, worden besproken.
Op internationaal niveau wordt door FIU’s informatie uitgewisseld via het beveiligde Egmont Secure Web. Dat is een applicatie die onderdeel is van de Egmont Groep, een internationaal samenwerkingsverband van FIU’s, met name gericht op het verbeteren van de internationale gegevensuitwisseling tussen de FIU’s. Met toestemming van de bevraagde FIU kan de verzoekende FIU die informatie verstrekken aan de opsporingsautoriteiten van het land van de verzoekende FIU. Verzoeken vanuit de opsporing zijn een reden voor de FIU-Nederland om via dit Egmont Secure Web verzoeken te doen. Door nauwe samenwerking tussen FIU-Nederland en de opsporing zie ik niet direct gemiste kansen.
Met de vierde EU anti-witwasrichtlijn wordt ook een basis gelegd om de samenwerking tussen EU FIU’s verder te brengen. De richtlijn omvat gedetailleerde bepalingen die er bijvoorbeeld toe moeten bijdragen dat een melding van een OT steeds terecht komt bij de FIU van de lidstaat waar het onderzoek naar de melding het best kan plaatsvinden. Informatie-uitwisseling tussen FIU’s voor analysedoeleinden, zonder verdere verwerking of verspreiding, moet op grond van de vierde EU anti-witwasrichtlijn mogelijk zijn, tenzij de uitwisseling in strijd is met fundamentele beginselen van nationaal recht. Dit schrijft de richtlijn voor.
Verder zijn tijdens de JBZ-Raad d.d. 18 mei 2017 EU-prioriteiten voor de aanpak van georganiseerde en ernstige internationale criminaliteit voor de periode 2018–2021 vastgesteld.3 Eén van die prioriteiten is de aanpak van crimineel geld, witwassen en ontnemen. Nederland en Frankrijk zijn gedeeld trekker van deze prioriteit en zullen dit met andere landen verder oppakken en met ondersteuning van Europol gezamenlijke onderzoeken ter bestrijding van het betreffende probleem starten.
De conclusie dat de internationale samenwerking onvoldoende zou zijn, deel ik niet. Wel zijn verbeteringen mogelijk. Die worden onder meer met de voorziene wijziging van de vierde EU anti-witwasrichtlijn mogelijk gemaakt. In het voorstel van de Europese Commissie voor wijziging van de vierde EU anti-witwasrichtlijn zijn bepalingen opgenomen om de samenwerking tussen EU FIU’s nog verder te ontwikkelen. Onder meer is opgenomen een verruiming van de bevoegdheid van EU FIU’s om inlichtingen te vorderen bij de meldingsplichtige instellingen die onder de richtlijn vallen en om informatie te delen met de andere EU FIU’s. Deze voorstellen hebben de steun van Nederland in de nog lopende onderhandelingen.4 Ook het richtlijnvoorstel waarmee de strafbaarstelling van het delict witwassen in de EU wordt geharmoniseerd, beoogt bij te dragen aan de internationale samenwerking bij de bestrijding van witwassen.5
Deelt u de stelling van EUROPOL dat de symmetrische uitwisseling van informatie tussen FIU’s (en dus niet direct tussen FIU’s en buitenlandse opsporingsdiensten) leidt tot gemiste kansen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met de stelling dat nog onvoldoende internationaal wordt samengewerkt om witwassen tegen te gaan, terwijl deze vorm van criminaliteit in steeds grotere mate over de grenzen heen plaatsvindt? Welke obstakels belemmeren het effectief internationaal samenwerken in het tegengaan van witwassen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke dialoog is op Europees niveau momenteel gaande om Europese samenwerking in het tegengaan van witwassen te versterken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met de stelling dat Europol een grotere rol kan spelen wat betreft de Europese samenwerking om witwassen tegen te gaan? Waarom wel of waarom niet? Wat is naar uw mening de rol van Europol in het tegengaan van deze vorm van criminaliteit?
Blijkens het rapport zet de financiële inlichtingendienst van Europol in op drie terreinen om georganiseerde criminaliteit en terrorisme te bestrijden door middel van financiële inlichtingen en onderzoeken: het Analyseproject (AP) Sustrans inzake het witwassen van geld; AP Asset Recovery, gewijd aan het opsporen en herstellen van criminele opbrengsten; en FIU.NET gericht op samenwerking en informatie-uitwisseling tussen EU FIU's. De activiteiten van EuropOL op het gebied van de aanpak van crimineel geld en witwassen zijn verder neergelegd in het Europol Programming Document 2017–2019.6
Ik waardeer deze inzet en bijdrage van EuropOL bij de bestrijding van witwassen. Zoals omschreven in het antwoord op vragen 4 tot en met 7 wordt er momenteel op vele terreinen gewerkt aan de (verbetering van de) samenwerking tussen FIU’s, zowel op internationaal als op Europees niveau.
Het bericht dat orkaan Irma is de zwaarste orkaan is die de Bovenwindse Eilanden ooit heeft getroffen |
|
Selçuk Öztürk (DENK), Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Irma zwaarste orkaan ooit op Bovenwindse Eilanden»?1
Ja.
Kunt u een (getalsmatige) analyse geven van de (menselijke en materiële) schade die is geleden op de eilanden Sint-Maarten, Saba en Sint-Eustatius als gevolg van de orkaan?
De schade op Sint-Maarten als gevolg van Orkaan Irma is enorm. Naast de materiële schade zijn er op Sint Maarten, voor zover bekend, vier doden gevallen en in de hele regio, inclusief Saba en Sint-Eustatius, zijn tientallen mensen gewond geraakt. Het is nog niet mogelijk om een getalsmatige analyse te geven van de materiële schade die is geleden op de eilanden Sint-Maarten, Saba en Sint-Eustatius. Momenteel zijn er teams, zowel nationaal als internationaal, ter plaatse om een assessment te maken van de materiële schade. Duidelijk is dat nagenoeg de gehele bevolking in meer of mindere mate schade aan private eigendommen heeft.
Op welke wijze biedt de Nederlandse regering ondersteuning aan de getroffen gebieden? Kunt u aangeven of de geboden ondersteuning, zowel vanuit uw optiek als vanuit de optiek van de eilandbewoners, voldoet?
Zie voor de beantwoording van deze vraag mijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 18 september 2017 (Kamerstuk 34 773, nr. 2).
Op welke wijze gaat de Nederlandse overheid de wederopbouw van de gebouwen en de infrastructuur op de eilanden ondersteunen en hoeveel middelen maakt de regering hiervoor vrij?
Het is nu nog te vroeg om aan te geven op welke wijze de Nederlandse overheid de wederopbouw van de gebouwen en de infrastructuur op de eilanden gaat ondersteunen en hoeveel middelen de regering hiervoor vrijmaakt. Vooralsnog ligt de focus vooral op noodhulp en het weer op gang krijgen van de vitale infrastructuur. Uiteraard zal ik uw Kamer informeren wanneer hier meer duidelijkheid over is.
Waren de lokale overheden en de Nederlandse overheid goed genoeg voorbereid op de orkaan?
In Sint Maarten en door de overige landen binnen het Koninkrijk zijn voorbereidingen getroffen om de eilanden bij te staan, schade te beperken en mogelijke gevolgen het hoofd te bieden. Al vóór de passage van de orkaan was militaire bijstand vanuit de eilanden aangevraagd en door Nederland toegezegd. Vanuit Curaçao en Aruba waren reeds voor de orkaan bijna 100 Nederlandse militairen naar Sint Maarten, 13 naar Sint Eustatius en 13 naar Saba gestuurd en zijn voorbereidingen getroffen om zo snel mogelijk na de passage van Irma extra militairen die kant op te kunnen sturen. Twee schepen van de Marine zijn vanaf Curaçao en Aruba vertrokken om na het passeren van Irma meteen extra militairen en hulpgoederen af te leveren. Er worden ieder jaar op de Caribische eilanden van het Koninkrijk zogenoemde «hurricane excercises» uitgevoerd, onder leiding van het Ministerie van Defensie. Echter, een orkaan van deze omvang heeft zich niet eerder of zelden in deze mate voor gedaan.
Bent u bereid om deze vragen, gezien de ernst van het natuurgeweld, met grote urgentie te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het project met de slimme camera’s in de haven van Rotterdam stil ligt. |
|
Ronald van Raak (SP), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken van het project met de slimme camera’s in de Rotterdamse haven?1
De stand van zaken is dat de ondertekening van een convenant door de betrokken – publieke en private – partners aanstaande is. Er is dan ook geen aanleiding voor het Kabinet om nu in gesprek te gaan met deze partners. Als de vereiste handtekeningen gezet zijn, zal de – gefaseerde – uitwerking plaatsvinden en kunnen de camera's door de betreffende partners in het kader van hun onderscheidenlijke werkzaamheden uitgelezen gaan worden. Volgens de huidige planning van de partners zal na afronding van de aanbesteding de operationele realisatie van het cameraproject in de periode 2018–2021 plaatsvinden.
Worden de camera’s inmiddels uitgelezen? Zo ja, wie leest deze camera’s uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er een patstelling is tussen de partners die het cameraproject moeten financieren? Zo ja, bent u bereid om met deze partners in gesprek te gaan zodat dit probleem snel kan worden opgelost?
Zie antwoord vraag 1.
Kloppen de schattingen dat slechts eenvijfde deel van de cocaïnesmokkel wordt onderschept?
Het is mij niet bekend waarop de schatting van een vijfde is gebaseerd. Over de totale hoeveelheid cocaïne die Nederland binnenkomt heb ik geen informatie. Wel is mij duidelijk dat de handel in en smokkel van cocaïne als dreiging wordt gekwalificeerd, zoals ook door de politie is gedaan in het Nationaal Dreigingsbeeld 20172. Cijfers over inbeslagnames laten zien dat door het HARC team Rotterdam, een samenwerkingsverband van Zeehavenpolitie, Douane, FIOD en Openbaar Ministerie, met betrekking tot 2016 de inbeslagneming van 13.312 kg cocaïne is geregistreerd.
Bent u het eens met het voornemen van de burgermeester van Rotterdam, om te kijken of de camera’s gekoppeld kunnen worden aan de meldkamer van de politie? Zo ja, heeft dit personele implicaties?
De beelden van de huidige camera’s in de haven van Rotterdam kunnen al worden doorgezet naar de meldkamer van de politie. Dat gebeurt indien daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld bij incidenten of ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. De extra camera’s die in de haven zullen worden geplaatst kunnen op dezelfde wijze worden gekoppeld. De extra camera’s worden – zoals nu ook het geval is – niet «live» uitgekeken en dit heeft dan ook geen verdere personele implicaties.
Functioneert inmiddels de «Haventafel», waarover eerder gesproken is, om de problematiek omtrent de drugsinvoer in de Rotterdamse haven te bespreken?2
De eerste bijeenkomst van de Haventafel heeft plaatsgevonden op 5 september jongstleden. Daarbij zijn goede afspraken gemaakt over de inrichting van dit publiek-private overlegmodel.
Het ontbreken van meetresultaten ammoniakconcentraties |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat ammoniakconcentraties in stikstofgevoelige natuurgebieden, gemeten door middel van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN), sinds 2014 niet meer worden vermeld op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?1 Kunt u aangeven wat hiervan de reden of oorzaak is?
Ja. Vanwege technisch-inhoudelijke redenen zijn de metingen van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) vanaf 2014 niet geactualiseerd. Eind 2015 is van meetprocedure gewisseld, waarbij is gebleken dat er een kleine systematische fout gecorrigeerd moest worden. De correctie op deze systematische fout is inmiddels afgerond. Uit efficiëntie-overwegingen is besloten om de actualisatie van de website in één keer te realiseren. Het RIVM geeft aan dat de meetdata van 2015 en 2016 in september op de website van het MAN worden geplaatst.
De meetgegevens zijn dan weer voor iedereen toegankelijk.
Bent ervan op hoogte dat ook in publicaties van het RIVM geen actuelere cijfers worden gebruikt dan die van 2014? Hangt dit samen met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS)?
Het samenvallen van de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) met het technisch probleem van de website van RIVM berust louter op toeval. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de gemeten concentraties ammoniak voor eenieder inzichtelijk moeten zijn per natuurgebied?
Ja.
Hoe is deze informatievoorziening momenteel toegankelijk voor omwonenden, natuurliefhebbers en bedrijven? Bent u van zins om deze gegevens weer openbaar te publiceren?
Het RIVM geeft aan dat de meetdata van 2015 en 2016 in september van dit jaar worden geplaatst op de website van het MAN.
Kunt u de Kamer inlichten over de huidige status van het MAN?
Het MAN is een doorlopend meetnet van de ammoniakconcentraties boven natuurgebieden. Het MAN bestaat momenteel uit 70 Natura2000-gebieden die onder het PAS vallen. Daarnaast worden metingen gedaan in 13 niet-Natura2000-gebieden. Het volledige MAN omvat 279 meetpunten. Op deze meetpunten wordt maandelijks de ammoniakconcentratie gemeten.
Het bericht dat Fox-IT zeggenschap van de staat afhoudt |
|
Ronald van Raak (SP), Maarten Hijink (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de afspraken die gemaakt worden of zijn met Fox-IT?1 2
Na de overname van Fox IT door het Britse NCC Group heeft de MIVD aan Fox IT aanvullende voorwaarden gesteld in het kader van de ABDO. Alle partijen hebben baat bij een zorgvuldige uitwerking van deze voorwaarden. De gesprekken hierover tussen Defensie en Fox IT verlopen constructief en bevinden zich in een afrondende fase.
Klopt het dat Fox-IT nog niet aan alle afspraken heeft voldaan?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat onze staatsgeheimen veilig zijn, omdat u eerder stelde dat deze door de nog te maken en de al gemaakte afspraken gewaarborgd zouden moeten worden?
Zoals gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1349) in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Verhoeven (D66), worden eventuele risico’s voor de beveiliging van staatsgeheimen zo veel mogelijk ondervangen door geldende wettelijke voorschriften op het gebied van de bescherming van staatsgeheimen, alsmede door de specifieke contractuele beveiligingseisen die aan een privaat bedrijf worden opgelegd respectievelijk gesteld en die zijn gericht op het voorkomen van ongewenste toegang tot gevoelige informatie. De Staat houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke en contractuele beveiligingseisen.
Vindt u het feit dat de onderhandelingen zo stroef verlopen niet een teken dat de afhankelijkheid van dit ene bedrijf veel te groot is? Zo ja, bent u bereid onze staatsgeheimen elders te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1349) in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Verhoeven (D66), kan de Nederlandse Staat opdrachten verstrekken aan bedrijven voor de ontwikkeling van beveiligingsproducten. De Nederlandse Staat stelt hoge eisen aan dergelijke producten. De hiervoor benodigde kennis en techniek zijn in sommige gevallen slechts aanwezig bij enkele gespecialiseerde bedrijven. Er zijn in Nederland maar in beperkte mate alternatieve leveranciers beschikbaar voor de dienstverlening op het terrein van beveiligingsproducten. De Nederlandse overheid beschikt over de expertise om toe te zien op de ontwikkeling, veiligheid en kwaliteit van deze producten.
Waarom wil Fox-IT en hun Britse eigenaar onze eisen niet vastleggen in de statuten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het verstandig zou zijn als de overheid zelf de kennis en kunde in huis haalt om de staatsveiligheid te waarborgen? Hoe wenselijk vindt u het dat we daarvoor op dit moment afhankelijk zijn van private bedrijven die ieder moment van eigenaar kunnen wisselen?
Zie antwoord vraag 4.
Martelingen in Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Villagers tortured under custody in Kurdish province: report» en bent u bekend met het rapport «Mass torture and ill-treatment in Turkey»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Turkse autoriteiten zich vorige maand schuldig hebben gemaakt aan marteling van gevangenen in Sapatan, in het zuidoosten van Turkije? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Het kabinet kan de individuele berichten uit de aangehaalde rapporten niet bevestigen. De conclusie dat er in toenemende mate sprake is van marteling en daaropvolgende straffeloosheid, is buitengewoon zorgelijk. Deze constateringen passen in het bredere beeld dat het niet goed gaat met de rechtsstaat in Turkije. Het kabinet heeft de zorgen hierover veelvuldig gedeeld. Turkije heeft zich als ondertekenaar van het Folterverdrag (Convention Against Torture) en als lid van de Raad van Europa en kandidaat-lidstaat van de EU verplicht om fundamentele mensenrechten te respecteren.
Herkent u zich in het in het rapport geschetste beeld dat marteling in Turkije sinds de mislukte coup een systematisch karakter heeft gekregen en dat daders steevast vrijuit gaan vanwege een cultuur van straffeloosheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland en de Europese Unie om de druk richting Turkije op te voeren opdat het land deze wrede mensenrechtenschendingen staakt?
Zowel in bilateraal als in EU-verband heeft Nederland Turkije consequent opgeroepen om de beginselen van rechtsstaat, waaronder het respecteren van mensenrechten, fundamentele rechten, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van vermoeden van onschuld, te waarborgen. Nederland blijft zich hier via verschillende kanalen sterk voor maken en Nederland blijft dit op consequente wijze opbrengen, bijvoorbeeld in EU-verband en via het spoor van de Raad van Europa. Dit leidde er recent toe dat de EU deze problematiek gezamenlijk en duidelijk opbracht binnen de OVSE en de VN Mensenrechtenraad.
Het Committee to Prevent Torture (CPT) van de Raad van Europa wordt nog steeds door de Turkse autoriteiten in staat gesteld om onafhankelijk onderzoek naar marteling te doen. De bevindingen van het CPT kunnen alleen niet openbaar gemaakt worden zonder toestemming van het gastland. Nederland blijft er bij elke zich hiervoor lenende gelegenheid op aandringen dat Turkije de CPT-rapporten vrijgeeft.
De Nederlandse inzet is naast het consequent opbrengen van onze zorgen omtrent de rechtsstaat in Turkije, ook gericht op ondersteuning van het maatschappelijk middenveld.
Bent u bereid er bij de Turkse autoriteiten op aan te dringen dat onafhankelijk onderzoek naar marteling in het land mogelijk wordt, dat bevindingen kunnen worden gepubliceerd en dat mensenrechtenorganisaties toegang krijgen tot detentiecentra waar marteling plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Het op straat belanden van gevoelige gegevens van 1800 kwetsbare leerlingen |
|
Bente Becker (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gevoelige gegevens 1.800 kwetsbare kinderen op straat»?1
Ja.
Klopt het dat maar liefst 21 gemeenten in het openbare aanbestedingsproces voor het leerlingvervoer de leerlinggegevens niet hebben geanonimiseerd, waardoor het mogelijk werd om via internet de huisadressen, geboortedata, schoollocaties en roostertijden van kwetsbare kinderen in te zien?
Ja, ik ben bekend met deze problematiek.
Deelt u de mening dat ouders erop moeten kunnen rekenen dat de (lokale) overheid prudent met de gegevens van kinderen omgaat en zich daarbij houdt aan de Wet bescherming persoonsgegevens? Hoe verklaart u dat gemeenten daar in dit geval te weinig oog voor hebben gehad?
Daar ben ik het uiteraard mee eens. Gemeenten dienen altijd wanneer er persoonsgegevens in het geding zijn te handelen conform de Wet bescherming persoonsgegevens. Waarom de betreffende gemeenten daar in dit geval te weinig oog voor hebben gehad is mij niet bekend. De gemeenten zijn daarover verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad.
Kunt u aangeven of er andere openbare gemeentelijke aanbestedingen zijn waar een risico bestaat op het openbaar geraken van privacygevoelige informatie van inwoners? Zo ja, welke?
De gemeenten kunnen allerlei taken die betrekking hebben op individuele burgers uitbesteden bij openbare aanbesteding. Bijvoorbeeld wijkteams en maatschappelijke ondersteuning. Dit wordt niet bijgehouden op rijksniveau.
Bent u bereid gemeenten naar aanleiding van deze gebeurtenis nog eens actief te wijzen op de eisen uit de Wet bescherming persoonsgegevens en daarbij gemeenten van elkaar te laten leren?
In het kader van het interdepartementale en interbestuurlijke Programma sociaal domein vormt Uitwisseling Persoonsgegevens en Privacy één van de thema’s waar specifiek aandacht aan zal worden besteed. Daarnaast wordt er op dit moment gewerkt aan een handreiking voor aanbesteding in het sociaal domein, daarin zal ook aandacht zijn voor privacy.
Zal het wetsvoorstel pseudonimiseren van leerlinggegevens ook een rol spelen in het gebruik van leerlinggegevens door gemeenten en kunnen daarmee situaties zoals deze, in elk geval voor wat betreft leerlinggegevens, worden voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?2
Het wetsvoorstel pseudonimiseren van leerlinggegevens is niet gericht op het gebruik van leerlinggegevens door gemeenten. Dit ligt voor situaties als deze ook niet voor de hand: voor dergelijke aanbestedingen volstaat een eenmalige uitwisseling van gegevens, waarbij het kunnen identificeren van leerlingen niet noodzakelijk is.
Het wetsvoorstel pseudonimiseren heeft tot doel een veiliger, betrouwbaarder en meer efficiënte digitale uitwisseling van leerlinggegevens door onderwijsinstellingen met andere partijen mogelijk te maken. Daarbij richt het voorstel zich in eerste instantie op het pseudonimiseren van leerlinggegevens voor de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen en het digitaal afnemen van toetsen en examens.
Het wetsvoorstel voorziet wel in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur andere gevallen aan te wijzen, waarvoor per geval een ander pseudoniem wordt gegenereerd. Dit zal alleen plaatsvinden nadat uit nader onderzoek en een privacy impact assessment nut en noodzaak van het introduceren van een ander pseudoniem evident is. Dat zal slechts in gevallen zijn waarbij een kwalitatief hoogwaardige, unieke en persistente identiteit van leerlingen nodig is om het doel van de gegevensverwerking te bereiken.
Heeft u kennisgnomen van de stelling in de berichtgeving dat Tenderned niet verantwoordelijk is voor de verspreiding van de leerlinggegevens, maar dat de gemeenten zelf die deze gegevens aanleverden? Erkent u dat Tenderned weliswaar niet verantwoordelijk is, maar als publieke organisatie wel degelijk een rol kan spelen om aanbestedende partijen te wijzen op de Wet bescherming persoonsgegevens? Bent u bereid dit bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland onder de aandacht te brengen?
Ja. Het afgelopen jaar werden door aanbestedende diensten ruim 99.000 documenten geüpload op TenderNed (als onderdeel van PIANOo gehuisvest binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Bij registratie op TenderNed worden zij erop gewezen dat de inhoud van die documenten hun verantwoordelijkheid blijft. Daarnaast wordt een extra melding in TenderNed toegevoegd, om aanbestedende diensten voorafgaand aan het openbaar maken van documenten nogmaals te wijzen op hun verantwoordelijkheid als het gaat om privacygevoelige informatie. Dit blijft primair een verantwoordelijkheid van de aanbestedende diensten zelf. Ik deel wel uw mening dat PIANOo, als expertisecentrum aanbesteden, een informerende rol kan spelen richting aanbestedende diensten. Deze rol pakt PIANOo ook. PIANOo heeft in reactie op de verspreiding van leerlingengegevens meer informatie geplaatst over hoe als aanbestedende dienst om te gaan met gevoelige informatie in een aanbesteding.3
Erkent u dat door toenemende digitalisering van leerlinggegevens het risico in de toekomst groter wordt dat gevoelige informatie toegankelijk wordt voor derden en dit ook bewustwording bij scholen vraagt? Zo ja, welke acties onderneemt u hiertoe?
Ik ben het hiermee eens. Dagelijks vertrouwen miljoenen ouders hun kinderen toe aan de school en zij moeten erop kunnen rekenen dat leerlingen én hun gegevens veilig zijn. De toenemende digitalisering vraagt om bewustwording en het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. Waar vroeger de kast met leerlinggegevens op slot werd gedraaid en de sleutel op een veilige plek bewaard, moet hetzelfde gebeuren met digitale gegevens. Dit kan alleen op de scholen zelf gebeuren.
Om het bewustzijn op scholen te vergroten en ervoor te zorgen dat zij zorgvuldig omgaan met leerlinggegevens, heb ik afspraken gemaakt met de PO-Raad, VO-raad en Kennisnet over de uitvoering van verschillende activiteiten. Zo wordt in oktober wederom de jaarlijkse Maand van de Informatiebeveiliging en Privacy georganiseerd. Dan staat dit thema hoog op de agenda in workshops en campagnes.
De sectororganisaties en Kennisnet bieden scholen een toegankelijke aanpak voor het op orde brengen van de informatiebeveiliging en privacy.4 Daarin zijn hulpmiddelen opgenomen, zoals een voorbeeldprotocol datalekken, een model privacyreglement, een voorbeeld sociale mediaprotocol, voorbeeldteksten om ouders te informeren over privacy op school, een online «Quickscan privacy» en een voorbeeldbrief voor toestemming van ouders voor gebruik van foto's en video's beschikbaar voor scholen.
Ook hebben de sectororganisaties met aanbieders van digitale onderwijsmiddelen een privacyconvenant afgesloten.5 Deze afspraken zijn uitgewerkt in een modelbewerkersovereenkomst die scholen kunnen gebruiken om goede afspraken te maken met aanbieders van digitale onderwijsmiddelen op het gebied van privacy. Steeds meer scholen maken hier gebruik van.
Tot slot starten de PO-Raad en VO-raad dit najaar met een onderzoek (monitor) naar de stand van zaken met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy op scholen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot uw toezegging om met de sectoren primair en voortgezet onderwijs standaarden te ontwikkelen voor de digitale veiligheid van leerlinggegevens? Zijn deze standaarden er in het najaar, op het moment dat u hebt toegezegd de Kamer over de voortgang te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, voor het onderwijs is een standaard ontwikkeld, het zogeheten «certificeringsschema informatiebeveiliging en privacy». Leveranciers kunnen deze standaard gebruiken om de beveiliging van leerlinggegevens op een passend niveau te krijgen en dit aantoonbaar te maken aan scholen. De standaard voorziet in een set van maatregelen die verzekeren dat gegevens van leerlingen goed beveiligd zijn.6 Er zijn steeds meer leveranciers die deze standaard gebruiken, mede omdat het een invulling is van de eisen die de Europese Algemene verordening gegevensbescherming stelt. Het gebruik van de standaard wordt verder gestimuleerd in samenhang met de invoering van het wetsvoorstel pseudonimiseren. Ik ben hier nader op ingegaan in de beantwoording van de schriftelijke inbreng van uw Kamer, die ik u begin deze week heb doen toekomen.
Het bericht dat op station Amsterdam Centraal slimme reclameborden worden ingezet |
|
Cem Laçin , Maarten Hijink (SP) |
|
Sharon Dijksma (PvdA), Klaas Dijkhoff (VVD), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Reclameborden op A'dam CS weten wanneer en hoelang jij kijkt»?1
Ja.
Hoeveel slimme reclameborden gebruiken Exterion en eventuele andere exploitanten in Nederland?
NS heeft aangegeven dat er op 21 september 2017 74 van dit type reclameborden op treinstations stonden. Het is op voorhand niet zeker of er sprake is van verwerking van persoonsgegevens, omdat niet duidelijk is of de camera's identificeerbare beelden verwerken. Alle exploitanten dienen zich, wanneer zij persoonsgegevens verwerken, te houden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving. Wanneer een exploitant zich hier niet aan houdt, kan dit een reden zijn voor de Autoriteit Persoonsgegevens om vragen te stellen, onderzoek te doen en eventueel een sanctie op te leggen. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft aangekondigd informatie in te winnen en, indien hier aanleiding voor is, maatregelen te nemen. Alle borden vallen binnen de bevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Het is ons niet bekend hoeveel van de in het bericht bedoelde type reclameborden worden gebruikt door Exterion en eventuele andere exploitanten in Nederland, noch welke data en technieken hiervoor worden gebruikt. Naar aanleiding van de maatschappelijke onrust heeft Exterion overigens bekend gemaakt dat de camera's voorlopig zijn uitgeschakeld.2
Welke data verzamelen de slimme reclameborden van Exterion op Amsterdam Centraal en welke technieken worden hiervoor gebruikt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunnen mensen voorkomen dat hun beeltenis gekoppeld wordt aan andere gegevens die door apparaten worden uitgezonden? Zo ja, hoe?
Wij hebben geen aanwijzing dat er gegevens die door apparaten worden uitgezonden, worden gekoppeld aan de beeltenis van mensen.
In welke mate gebruiken staatsdeelnemingen en andere bedrijven digitale volgsystemen en welke data wordt hiermee verzameld? Deelt u de mening dat bedrijven dit alleen zouden moeten kunnen doen als zij hiervoor uitdrukkelijk toestemming hebben van burgers via een «opt-in» van gebruikers?
Staatsdeelnemingen verschillen in hun rechtspositie onder de Wbp niet wezenlijk van andere bedrijven. Het is in zijn algemeenheid niet mogelijk om een overzicht te geven van bedrijven die data verzamelen, noch van de technieken waarmee data worden verzameld. Dit is immers geen limitatieve verzameling van bedrijven en technieken. Staatsdeelnemingen en andere bedrijven dienen in al hun handelen, en daarmee ook in de verwerking van persoonsgegevens, binnen de grenzen van de wet te blijven. Verwerking van persoonsgegevens is alleen toegestaan wanneer dit rechtmatig geschiedt voor een welbepaald doel en proportioneel is. Toestemming of «opt-in» is hiervoor één van de grondslagen, maar niet de enige. De verwerking van persoonsgegevens kan bijvoorbeeld ook noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een overeenkomst, voor het vervullen van een wettelijke plicht, of in het gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke zijn. De Wbp bepaalt voor alle verwerkingsverantwoordelijken wanneer een nieuwe verwerking van persoonsgegevens moet worden gemeld. In beginsel wordt een nieuwe geautomatiseerde verwerking gemeld, tenzij een verwerking is vrijgesteld. Overigens is het in casu niet duidelijk of er sprake is van verwerking van persoonsgegevens. Wij zien geen aanleiding om staatsdeelnemingen te verplichten advies te vragen aan de Autoriteit Persoonsgegevens in andere gevallen dan in de wet is voorgeschreven.
Kunt u een overzicht geven van bedrijven die data verzamelen en technieken waarmee zij data verzamelen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en dit onderzoek met de Kamer te delen?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre bespreekt u de exploitatie van de ruimte op stations met de NS en Prorail om ervoor te zorgen dat die exploitatie binnen de kaders van de wet plaatsvindt?
NS exploiteert de stations in Nederland. Voor een groot deel vindt de exploitatie plaats door derden. Alle exploitanten hebben zelfstandig de verplichting om voor wat betreft hun exploitatie zich te houden aan wet- en regelgeving. NS geeft aan dat zij ook in haar contracten met derden vastlegt dat deze zich dienen te houden aan wet- en regelgeving.
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft regelmatig overleg met NS en Prorail, ook specifiek over stations. De voorliggende vragen over reclameborden zijn in het overleg niet naar voren gekomen, omdat NS geen aanleiding had te denken dat het wellicht niet binnen de kaders van de wet zou plaatsvinden.
Kunt u aangeven waarom de NS zelf niet onderzoekt of de exploitatie van deze borden binnen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) plaatsvindt?
De exploitant Exterion is zelfstandig verantwoordelijk dat de exploitatie binnen de grenzen van de Wbp plaatsvindt. Dit geldt ook voor eventuele verwerking van persoonsgegevens met behulp van de cameratoepassing in de borden en exploitant zal daarom in dat kader zelf een afweging moeten maken. In april 2017 heeft NS naar aanleiding van een vraag van een journalist bij de exploitant van de borden, Exterion, navraag gedaan over de werking van de borden. Daarbij heeft Exterion expliciet aangeven dat met de gebruikte techniek geen beelden worden vastgelegd of persoonsgegevens worden verwerkt en dat zij voldoen aan wet- en regelgeving. Op basis van de verklaring van Exterion was er voor NS geen aanleiding om te veronderstellen dat Exterion mogelijk niet in overeenstemming met privacy wet- en regelgeving zou handelen.
Vragen staatsdeelnemingen advies aan organisaties als de Autoriteit Persoonsgegevens over innovaties die mogelijk de Wbp of andere wetgeving overtreden? Zo nee, kunt u aangeven waarom dit niet gebeurt en bent u bereid hen hier opdracht toe te geven?
Zie antwoord vraag 5.
Voorziet u problemen met de opkomst van dergelijke apparatuur enerzijds en de verwachte toename van het aantal apparaten met netwerktoegang door het zogenaamde «internet of things»?
De opkomst van deze apparaten en het «internet of things» hangt nauw samen met keuzes van consumenten. Wanneer in dit kader verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt, zal dit, net als in andere situaties, wel binnen de grenzen van de wet moeten blijven. Transparantie over het gebruik van deze apparatuur is ons inziens van groot belang om consumenten in staat te stellen bewust om te gaan met het beschermen van hun privacy en te voorkomen dat hierover maatschappelijke onrust ontstaat.
De werking van de Wet Damocles |
|
Attje Kuiken (PvdA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het bericht «Angelique toch onschuldig na vondst drugs van ex»1 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2017?2
In hoeverre is deze uitspraak afwijkend van de bestaande jurisprudentie ten aanzien van de werking van artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles) met betrekking tot het sluiten van woningen?
Betekent deze uitspraak dat voortaan het aantreffen van drugs in een woning niet meer afdoende grond voor een burgemeester kan zijn om de betreffende woning te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de vrees dat als de aanwezigheid van drugs in een woning niet langer afdoende grond voor sluiting op grond van de Wet Damocles biedt, burgemeesters dan een belangrijk instrument gaan missen in de strijd tegen drugs? Zo ja, gaat u de wetgeving op dit punt aanpassen? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen burgemeesters een dergelijk pand dan wel sluiten?
De werking van de Wet Damocles |
|
Attje Kuiken (PvdA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Angelique toch onschuldig na vondst drugs van ex»1 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2017?2
Ja.
In hoeverre is deze uitspraak afwijkend van de bestaande jurisprudentie ten aanzien van de werking van artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles) met betrekking tot het sluiten van woningen?
Deze uitspraak wijkt niet af van de bestaande jurisprudentie. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat mag worden aangenomen dat drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking indien de aangetroffen hoeveelheid groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik3. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs dan voor eigen gebruik is in beginsel aannemelijk dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken4. Dit laatste is in deze zaak blijkbaar aan de orde. In de uitspraak wijst de Afdeling op de «door de burgemeester niet weersproken toelichting van appellante op haar situatie gedurende de periode van het politieonderzoek». Kennelijk heeft betrokkene in deze zaak voldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs niet in de woning aanwezig waren ten behoeve van de verkoop, aflevering of verstrekking.
Betekent deze uitspraak dat voortaan het aantreffen van drugs in een woning niet meer afdoende grond voor een burgemeester kan zijn om de betreffende woning te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. De burgemeester kan de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van 13b Opiumwet ontlenen aan de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand. De burgemeester hoeft daarvoor niet aan te tonen dat er daadwerkelijk handel heeft plaatsgevonden. De bewijslast voor het tegendeel ligt bij de betrokkene.
Deelt u de vrees dat als de aanwezigheid van drugs in een woning niet langer afdoende grond voor sluiting op grond van de Wet Damocles biedt, burgemeesters dan een belangrijk instrument gaan missen in de strijd tegen drugs? Zo ja, gaat u de wetgeving op dit punt aanpassen? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen burgemeesters een dergelijk pand dan wel sluiten?
Nee, ik deel deze vrees niet. De uitspraak bevestigt slechts de bestaande jurisprudentie dat de sluitingsbevoegdheid niet kan worden toegepast als betrokkene aannemelijk maakt dat ondanks de aangetroffen hoeveelheid drugs, niet voldaan is aan het wettelijke criterium dat in het pand drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren.
Fraude op Schiphol |
|
Barbara Visser (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Jij een klus op Schiphol, ik een nieuwe dakkapel» van 26 augustus 2017 (hierna NRC-artikel)?1
Ja
Herkent u zich in de stelling in het NRC-artikel dat de in het artikel genoemde fraudezaak geen incident is, maar het bijproduct van een informele bedrijfscultuur waar «voor-wat-hoort-wat» geldt, een ondoorzichtige administratie en tal van bouw- en onderhoudsproblemen die veelal hun oorsprong vinden bij de afdeling Schiphol Real Estate? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit nader onderbouwen? Zo ja, welke stappen heeft u genomen of gaat u nemen om deze problemen aan te pakken om herhaling in de toekomst te voorkomen?
Schiphol is primair verantwoordelijk voor de eigen bedrijfsvoering en het integriteitsbeleid. Schiphol kent de risico’s van integriteitincidenten en voert een actief integriteitsbeleid. Als er een mogelijk incident wordt gemeld, wordt dit door Schiphol onderzocht. Dat is ook bij de in het NRC-artikel aangehaalde fraude-incident het geval geweest. Naar aanleiding van dit incident heeft Schiphol, naast het fraudeonderzoek, ook extern onderzoek laten verrichten naar hoe de risico’s op fraude en andere integriteitsrisico’s bij Schiphol Real Estate verminderd kunnen worden. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat het fraude-incident moeilijk voorkomen had kunnen worden. Wel zijn er aanbevelingen gedaan om zowel «hard controls» en «soft controls» te verbeteren ten einde de risico’s op toekomstige fraudes te verminderen. Schiphol heeft de staat als aandeelhouder in het derde kwartaal van 2016 over dit fraudegeval geïnformeerd en over het feit dat Schiphol hier aangifte van had gedaan. Het FIOD-onderzoek naar dit incident is op dit moment in volle gang.
Schiphol rapporteert de grotere zaken waarbij aangifte wordt gedaan altijd in haar jaarverslag. Dat waren er twee in de afgelopen vijf jaar. Daarnaast worden er arbeidsrechtelijke sancties opgelegd in het geval van integriteitsschendingen, zoals bijvoorbeeld ontslag bij grote zaken en berisping of schorsing bij kleinere vergrijpen.
In 2014 is er intern een nieuw integriteitsprogramma gestart en zijn de regels voor integriteit aangescherpt. De gedragscodes zijn opnieuw vastgesteld en zowel intern als extern met haar leveranciers gecommuniceerd. Schiphol geeft aan hier aandacht aan te blijven schenken en dit zeer serieus te nemen. Schiphol hanteert een zero tolerance-beleid en zet in op preventie van en sanctie bij integriteitsschendingen. Er is onder andere een e-learningprogramma opgezet. Voorts is een dilemmaspel ontwikkeld om discussie in teams over dit onderwerp los te maken. Ik onderschrijf de aanpak van Schiphol.
Welke afspraken zijn er gemaakt met de Schiphol Group over beheersing van de «asset»kosten, aangezien ruim 50% van de kosten van de luchthavenactiviteiten direct gerelateerd is aan de infrastructuur (de «assets») van Amsterdam Airport Schiphol?2 Kunt u deze afspraken ook doorvertalen naar het forse voorgenomen investeringsprogramma (onder andere de nieuwe pier), voor de komende jaren van Schiphol? Welke garanties heeft u dat deze werkzaamheden doelmatig en doeltreffend zullen worden uitgevoerd?
De staat bevraagt met regelmaat de directie en raad van commissarissen van Schiphol, net als andere staatsdeelnemingen, actief over onder meer het kostenniveau en de efficiëntie van de bedrijfsvoering, zowel in het kader van de reguliere bedrijfsvoering als ook bij het beoordelen van investeringsvoorstellen.
In dat kader heeft Schiphol reeds langer geleden de aandeelhouders bericht dat uit observaties blijkt dat er ruimte is voor verbetering op het gebied van asset- en contractmanagement. Vervolgens heeft Schiphol onafhankelijk onderzoek laten doen naar haar investerings- en aanbestedingsproces. Dit onderzoek van KPMG heeft bevestigd dat Schiphol marktconform inkoopt, maar gegeven de vaak bijzondere omstandigheden waaronder verbouw en nieuwbouw op de luchthaven plaatsvindt en de bijzondere vereisten ten aanzien van veiligheid, liggen prijzen hoger dan bij een gemiddeld (bouw)project. Schiphol is in 2013 gestart met het programma Asset Wise!, waar ook naar verwezen wordt in de kamerbrief van 1 juni 2015. Dit programma heeft ertoe geleid dat de aandacht voor kostenoptimalisatie verder is aangescherpt en noodzakelijke organisatieverbeteringen zijn ingevoerd. Zo wordt bij investeringsbeslissingen meer aandacht geschonken aan de kosten over de gehele levensduur van de investering («Total Cost of Ownership») en is de regie op contracten met aannemers (main contractors) verbeterd. In het kader van dit programma heeft Schiphol ook de aanwezige kennis op het vlak van kostenexpertise gebundeld en versterkt door de oprichting van het Cost Expertise Center (CEC). Uiteraard blijft er altijd ruimte voor verdere professionalisering en kwaliteit van de organisatie en de staat als aandeelhouder blijft hier, net als bij de andere staatsdeelnemingen, aandacht voor vragen.
Tot slot biedt de herziene regelgeving met betrekking tot de tariefregulering van de luchthaven Schiphol een prikkel voor Schiphol om investeringen binnen budget uit te voeren. Deze regelgeving, die per 1 juli 2017 in werking is getreden, bevat onder meer een efficiencyprikkel. Deze prikkel houdt onder andere in dat eventuele overschrijdingen van (grote) investeringen tijdelijk ten laste van Schiphol komen en daarmee voor een bepaalde periode niet worden doorbelast in de luchthaventarieven. Hiermee heeft de overheid Schiphol een prikkel gegeven werkzaamheden doelmatig en doeltreffend uit te voeren.
Deelt u de conclusie uit het KPMG-rapport uit 2013 dat Schiphol de bouwkosten slecht onder controle heeft en verbouwingen vaak duurder uitvallen dan gemiddeld? Zo nee, kunt u dat nader onderbouwen? Kunt u zich hierbij de eerdere berichtgeving uit de Telegraaf van 8 mei 2017 «Schiphol verkwist miljoenen in de bouw» herinneren?3 Welke maatregelen zijn sindsdien genomen? Tot welke resultaten heeft het programma AssetWise concreet geleid?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u zich in de kritiek in het NRC-artikel dat de meerjarenonderhoudsbegroting een rommeltje is en te weinig technische kennis aanwezig is bij Schiphol Real Estate? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen en welke stappen gaat u nemen om deze problemen aan te pakken om herhaling in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Sinds 2011 worden alle gebouwen van Schiphol Real Estate (SRE) minimaal één keer per jaar geïnspecteerd conform de in de markt algemeen geaccepteerde norm voor de conditiemeting van de technische staat van een gebouw (NEN2767) door zowel een gecertificeerde inspecteur van de technisch beheerder alsmede de door SRE ingeschakelde bouwbedrijven. De meerjaren onderhoudsbegroting wordt daarmee op objectieve en professionele wijze per object vastgesteld en dient voor Schiphol Real Estate onder meer als basis voor het jaarlijks uit te voeren planmatig onderhoud aan de gebouwenportefeuille. Schiphol geeft aan over voldoende technische kennis te beschikken zowel via eigen medewerkers als via externe inhuur. Het proces dat Schiphol voert verschilt niet wezenlijk met andere vastgoedondernemingen.
Herkent u zich in de kritiek in het NRC-artikel dat de kwaliteit van de bouwwerken op Schiphol te wensen over laat? Zo nee, waarom niet?
Voor het benodigde dagelijks onderhoud, preventief onderhoud en de verplichte keuringen zijn door Schiphol Real Estate onderhoudscontracten met bouwbedrijven afgesloten. De minimale conditiescore volgens de gehanteerde norm (NEN2767) is daarin als prestatie eis vastgelegd voor alle bouw- en installatiedelen waarvoor Schiphol Real Estate binnen de gebouwen verantwoordelijk is. De conditiescores en het uitgevoerde preventief onderhoud worden periodiek gecontroleerd door een gecertificeerde inspecteur van een extern gecontracteerde technisch beheerder. Wanneer zaken niet naar tevredenheid worden opgeleverd dan wordt hier via duidelijke afspraken actie op genomen.
Schiphol heeft bericht dat er geen andere gebouwen dan het Hilton gebouw zijn met gebreken van een dergelijke omvang. Daarbij geeft Schiphol aan dat een externe expert heeft bevestigd dat de brandveiligheid van het Hilton gebouw te allen tijde gewaarborgd was en de veiligheid van gasten en werknemers nooit in geding is geweest. Er is vanzelfsprekend wel sprake van gebruikelijk onderhoud aan gebouwen als gevolg van veroudering en normaal gebruik. Schiphol geeft aan dat er geen huurders in panden zijn getrokken die niet aan de veiligheidseisen voldoen.
Hoe verhoudt de kritiek uit het NRC-artikel zich tot de uitkomsten van het onderzoek naar het investerings- en aanbestedingsproces, waar Schiphol opdracht toe heeft gegeven, waar u in uw brief van 1 juni 2015 aan de Kamer aan refereert?4
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de luchthaven er de afgelopen jaren achter gekomen is dat diverse gebouwen serieuze gebreken vertonen, zoals het recente voorbeeld van het Hilton hotel? Is het waar dat in sommige panden huurders ingetrokken zijn, voordat aan alle eisen was voldaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de omvang hiervan en wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 6.
Herkent u zich in het geschetste beeld, door onder andere diverse aanschrijvingen en lasten onder dwangsom van de brandweer en de gemeente Haarlemmermeer, dat er tenminste vragen te stellen zijn over de technische problemen van de Schiphol-panden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hebben hierover inmiddels gesprekken met Schiphol plaatsgevonden? Zijn hierbij de technische problemen en brandveiligheid aan de orde gekomen en welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Het uitgangspunt is uiteraard dat de objecten in eigendom van Schiphol voldoen aan wet- en regelgeving, ook op het gebied van brandveiligheid. Daarnaast hanteert Schiphol voor sommige gebouwen een hoger veiligheidsniveau dan wettelijk vereist in verband met het waarborgen van de continuïteit van het luchthavenproces. Schiphol controleert regelmatig of het gebruik en de inrichting van het vastgoed in lijn is met het beoogde veiligheidsniveau en niet strijdig is met wet- en regelgeving. Indien uit deze inspecties blijkt dat er gebreken zijn worden deze in nauw overleg met het bevoegd gezag verholpen.
Het bevoegd gezag voert tevens inspecties uit om de brandveiligheid te borgen. Indien tijdens deze inspecties onverhoopt blijkt dat eventuele gebreken niet (tijdig) zijn verholpen of dat het gebruik in strijd is met een vergunning ontvangt Schiphol en/of de huurder een formele aanschrijving. Als gevolg van wijzigingen in wet- en regelgeving, veroudering van het vastgoed en wijzigingen in inrichting en/of gebruik door huurders krijgt Schiphol en/of haar huurders nu en dan aanschrijvingen vanuit het bevoegd gezag. Op basis van een dergelijke aanschrijving treedt Schiphol en/of de huurder in overleg met het bevoegd gezag om tot een oplossing te komen binnen een gestelde termijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Luchtvaart op 13 september 2017?
Het is helaas niet gelukt om de antwoorden voor het algemeen overleg Luchtvaart naar de Kamer te sturen.
Het bericht ‘Stop leningen aan politieagenten voor afkopen dienstplicht Turkije’ |
|
Raymond Knops (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTLNieuws van vrijdag 11 augustus 2017 «Stop leningen aan politieagenten voor afkopen dienstplicht Turkije»?
Ja.
Kunt u aangeven hoe vaak er gebruik is gemaakt van de regeling die het mogelijk maakt voor politieagenten om tot 6.000 euro rentevrij te lenen om de Turkse dienstplicht af te kopen?
Zoals bericht aan RTL Nieuws in reactie op hun WOB-verzoek is het over de periode van 2013 tot en met 2017 van 24 politiemensen bekend dat ze gebruik hebben gemaakt van de regeling om een lening af te sluiten om de dienstplicht af te kopen en om buitengewoon verlof voor de duur van de verkorte basisopleiding en eventueel aansluitend vakantieverlof te krijgen.
Hoe beoordeelt u de huidige regeling en de soortgelijke regeling bij Defensie, mede gezien de recente ontwikkelingen in Turkije? Kunt u in uw antwoord meenemen dat de afkoopsom voor het afkopen van de Turkse dienstplicht recentelijk is verlaagd naar 1.000 euro, maar de regeling nog steeds een lening van maximaal 6.000 euro mogelijk maakt en dat men thans nog betaald verlof kan krijgen voor het volgen van een verkorte basisopleiding die niet meer verplicht is?
Door de versoepeling van de Turkse regelgeving in 2016 (de verlaging van de afkoopsom en het eerdere besluit van de Turkse autoriteiten dat er geen verplichting meer is tot het vervullen van de verkorte basisopleiding in Turkije) is de noodzaak voor de Regeling faciliteiten bij afkoop Turkse dienstplicht voor politieambtenaren komen te vervallen. Deze regeling wordt daarom binnenkort afgeschaft.
De gevolgen van de versoepeling van de Turkse regelgeving zijn thans bij de Minister van Defensie in beraad. De regeling die het Ministerie van Defensie heeft getroffen, is onderdeel van de arbeidsvoorwaardelijke afspraken met de centrales van overheidspersoneel. Aanpassing van die regeling is onderwerp van overleg met de centrales.
Herinnert u zich de motie-Hernandez (Kamerstuk 33 000 X, nr. 55) waarin de Kamer zich reeds in 2011 uitsprak om per direct een einde te maken aan de Regeling faciliteiten Turkse dienstplicht defensieambtenaren? Bent u bereid deze motie alsnog uit te voeren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de regelingen bij politie en defensie niet meer van deze tijd zijn en moeten worden stopgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Fraudejagers ministerie neuzen honderden keren in ov-chipkaarten studenten’ |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Fraudejagers ministerie neuzen honderden keren in ov-chipkaarten studenten»?1 en eerder dit jaar «Rechter: fraudetoets studiefinanciering door zzp'er of payroller mag niet»?2
Ja.
Hoe toetst de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) de middelen die hij inzet bij de opsporing van fraude? Voldoet DUO bijvoorbeeld al aan de nieuwe privacywetgeving (Algemene verordening gegevensbescherming)?
DUO toetst de middelen die zij inzet bij de opsporing van fraude op basis van de geldende wet- en regelgeving. Meer specifiek de Wet studiefinanciering 2000, de Wet bescherming persoonsgegevens en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin wordt geregeld dat iedere burger recht heeft op eerbiediging van het privéleven (EVRM). Op basis hiervan dient de inzet van middelen altijd proportioneel te zijn. Het garandeert de burger dat gegevens die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer niet gebruikt mogen worden voor andere doeleinden dan waarvoor ze geregistreerd zijn. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is alleen geoorloofd indien er sprake is van een gerechtvaardigd, zwaarwegender belang, in dit geval het tegengaan en bestrijden van misbruik van overheidsgelden.
Sinds de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) per 25 mei 2016 is DUO, net als andere overheidsorganisaties, bezig met de invoering daarvan. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de twee jaar die daarvoor gegeven is, zodat DUO op 25 mei 2018, bij het van toepassing zijn van de AVG, daaraan voldoet.
Met verwijzing naar het eerste artikel waarin staat dat DUO risicoprofielen hanteert om in te schatten welke studenten mogelijk frauderen, welke criteria heeft DUO om te bepalen welke studenten in dit risicoprofiel vallen?
Op basis van het risicoprofiel is DUO in staat om op efficiënte wijze de woonsituatie van studenten te controleren. Hierbij gaat het om een (on-)logische combinatie van het adres van de studerende, het adres van de ouder(s) en de vestigingsplaats van de onderwijsinstelling, gecombineerd met objectieve kenmerken van de student zoals leeftijd, onderwijssoort en woonsituatie.
Hoe waarborgt u dat huisbezoeken op basis van risicoprofielen redelijk en billijk gebeuren (bijvoorbeeld, een student die net verhuisd is maar er nog niet aan toe gekomen is om al zijn/haar spullen mee te verhuizen, kan anders in de problemen komen)?
Huisbezoeken worden uitsluitend gepland als het risicoprofiel daar aanleiding toe geeft. Voor de huisbezoeken heeft DUO een protocol opgesteld waarin is aangegeven hoe de huisbezoeken ter plekke moeten worden uitgevoerd en waar de controleur zich aan te houden heeft. Bij de selectie van de te controleren gevallen wordt rekening gehouden met het feit of de student recent is verhuisd. Tijdens het huisbezoek wordt de situatie ter plekke beoordeeld en wordt informatie ingewonnen bij betrokkene. Van iedere controle wordt een gedetailleerde rapportage opgesteld. Dit wordt ter beoordeling aan de medewerkers gezonden die vaststellen of sprake is van fraude. Deze medewerkers stellen uiteindelijk op grond van alle beschikbare informatie vast of wel of niet sprake is van fraude. Bij de beschikking of het voornemen tot het opleggen van een boete, wordt het rapport altijd meegezonden. De student kan vervolgens bezwaar aantekenen tegen dit besluit. Ik ben van mening dat met deze werkwijze sprake is van een redelijke en billijke procedure waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de student.
Hoe beoordeelt u het onwettelijk gebruik van de OV-kaartgegevens van studenten voor controles? Wat zijn alternatieve methodes om fraude op te sporen?
De rechtbank Den Haag heeft op 8 mei jl. uitsproken dat er onvoldoende juridische grondslag is voor het gebruiken van reisgegevens van een student en dat dit in strijd is met artikel 8 EVRM. Tegen deze uitspraak is hoger beroep aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep. Aangezien deze zaak onder de rechter is, kan ik hierover op dit moment geen nadere uitspraken doen.
Hoe kwalificeert u het feit dat dit de tweede keer in korte tijd is dat DUO de fout is ingegaan bij opsporingsactiviteiten? Deelt u de mening dat dit een teken aan de wand is?
De twee casussen genoemd in vraag 1, hebben inhoudelijk geen relatie met elkaar. Ik heb alle vertrouwen dat DUO de handhaving en fraudeafhandeling zorgvuldig voorbereidt en uitvoert. Onderdeel hiervan is dat studerenden bezwaar mogen aantekenen als zij vraagtekens plaatsen bij de rechtsgeldigheid van de uitvoering. Het is voorstelbaar dat door nieuwe inzichten het beleid en de uitvoering aangepast moeten worden. Dit draagt dan bij aan de verdere verbetering en versterking van het studiefinancieringsstelsel.
Bent u bereid om DUO tot de orde te roepen en duidelijke opsporingsrichtlijnen te geven die de privacy van burgers in acht nemen?
De standaard opdracht aan DUO is de geldende handhavings- en opsporingsbeginselen voor een bestuursorgaan te volgen. DUO is een professionele organisatie die haar verantwoordelijkheid neemt voor het rechtmatig uitvoeren van de wet- en regelgeving. Tegen de uitspraak over de aanpak «misbruik met de uitwonendenbeurs» is hoger beroep aangetekend. Met DUO wacht ik die behandeling af.
De berichten 'Gemeente blind' en 'Bilal L. bleek wolf in schaapskleren te zijn' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Ingehuurde jeugdwerker propageerde jihad, gemeente Amsterdam blind» en «Bilal L. bleek wolf in schaapskleren te zijn»?1
Ja.
Waar komt de zieke gedachte vandaan dat juist een veroordeelde terreurverdachte, die ronselde voor de jihad en die diverse politici, waaronder de tweede ondertekenaar van deze vragen heeft bedreigd en wilde vermoorden, de perfecte deradicaliseringswerker zou kunnen zijn?
Gemeente Amsterdam heeft in de beantwoording van raadsvragen kenbaar gemaakt dat ze in het verleden gebruik hebben gemaakt van ervaringsdeskundigen die, vanuit hun eigen ervaring en beleving, hun verhaal delen.2 gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor de Amsterdamse lokale aanpak jihadisme en de uitvoering daarvan en geeft autonoom vorm aan dit beleid. Hierin maakt de gemeente Amsterdam eigen afwegingen in de wijze waarop zij invulling geven aan hun beleid en de uitvoering daarvan.
Wist de burgemeester van Amsterdam van de aanstelling van Bilal Lamrani?
Ja.
Hoeveel «Bilals», dan wel islamitische sleutelfiguren waar u graag mee pronkt, werken er in Nederland nog meer als jongerenwerker en/of deradicaliseringsexpert?
Sleutelfiguren zijn onmisbaar om de weerbaarheid van kwetsbare jongeren te versterken. Bij de selectie van deze sleutelfiguren dient uiteraard voorkomen te worden dat met personen wordt samengewerkt die anti-integratieve en antidemocratische boodschappen verkondigen. De gemeente Amsterdam heeft besloten om in de toekomst geen personen in te zetten die zelf een radicaliseringsproces hebben doorgemaakt.
Bent u bereid grote schoonmaak te houden door het complete welzijnswerk in Nederland door te laten lichten op de in het artikel genoemde onvergeeflijke misstanden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de burgemeester van Amsterdam stevig aan de spreken op deze grove nalatigheid aangaande de mensen die hij als burgervader juist behoort te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om Bilal Lamrani per direct zijn Nederlandse nationaliteit af te nemen en er voor te zorgen dat hij nooit meer voet kan zetten op Nederlandse bodem? Bent u bereid hetzelfde te doen met soortgelijke gevallen? Zo nee, waarom niet?
Ik doe over individuele zaken geen mededelingen. Er zijn twee grondslagen om het Nederlanderschap in te kunnen intrekken in verband met terrorisme. Dit kan wanneer een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf.3 Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het Nederlanderschap in te trekken van personen die 16 jaar of ouder zijn, zich buiten het Koninkrijk bevinden en zich hebben aangesloten bij een organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.4 Ik heb deze organisaties aangewezen.5 In beide gevallen kan intrekking van het Nederlanderschap alleen indien de persoon hierdoor niet staatloos wordt. Ik zet deze maatregelen in in die gevallen waarin dat mogelijk en opportuun is.
Nationale veiligheidseisen bij aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Vodafone, CM en Ziggo winnen bij IWR2017»?1
Ja.
Wat is de reden dat u op 10 juli 2017 een uitstel van beantwoording stuurt op de vragen over nationale veiligheidseisen bij aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid, terwijl volgens het bovenstaande bericht blijkt dat de opdracht dan al gegund is?2
De reden van uitstel was de overdracht van de beantwoording van de Minister van Economische Zaken aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De beantwoording staat los van de opdracht gunning.
Kunt u aangeven of de privacy bij CM Telecom volledig is geborgd in relatie tot de aanbesteding? Zo ja, op welke wijze? Op welke wijze is bij de aanbesteding het privacybeleid van CM Telecom meegenomen, waarin bijvoorbeeld staat dat persoonlijke gegevens aan derden kunnen worden verstrekt en persoonlijke gegevens kunnen worden overgebracht naar een land of gebied buiten de Europese Economische Ruimte, indien dat land of gebied een passend niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkenen heeft in verband met de verwerking van persoonsgegevens?3
Het privacy beleid en de algemene voorwaarden van CM Telecom zijn in het contract IWR2017 SMS Gateway niet van toepassing. In het contract zijn de algemene voorwaarden van het Rijk (ARBIT2016) van toepassing verklaard en is bepaald dat dient te worden voldaan aan Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).4 Hiermee is de privacy bij CM Telecom volledig geborgd.
Kunt u nader toelichten waarom de rijksbrede aanbesteding voor mobiele communicatiediensten IWR2017 volgens u geen cruciale communicatiediensten zijn? Waarom is deze aanbesteding volgens u niet gerelateerd aan essentiële veiligheidsbelangen dan wel gevoelige informatie? Hoe kijkt u hier specifiek tegenaan met betrekking tot persoonsgegevens en de verkeersgegevens?
IWR2017 Mobiele Communicatiediensten betreft een aanbesteding van telefoniediensten («simkaarten») voor gebruik op het publieke telefonienetwerk.
Deze telefoniediensten zijn niet bestemd voor gerubriceerde communicatie. Mobiele communicatiediensten moeten voldoen aan de Telecommunicatiewet (Tw) en de Wet bescherming persoonsgegeven (Wbp). Deze wetgeving biedt bescherming ten aanzien van persoonsgegevens en verkeersgegevens. Zie ook de beantwoording van de vragen van de leden Hijink en Van Raak (beiden SP) over de aanbesteding van mobiele telefonie 5
Kunt u aangegeven wat u bij deze aanbesteding met betrekking tot verkeersgegevens heeft geëist, mede in het kader van het voornemen om dergelijk digitaal verkeer onder het briefgeheim van de Grondwet te laten vallen?
Bij de aanbesteding treedt de overheid – gelet op het feit dat zij een contract sluit met een private partij – op als een contractsluitende partij in een horizontale verhouding. Als het gaat om bescherming van de inhoud van communicatie is hier niet de normering vanuit de Grondwet aan de orde, maar worden verkeersgegevens beschermd door de eerdergenoemde Wbp en door artikel 18.13 van de Telecommunicatiewet (Tw). Dit artikel bepaalt dat bij het opstellen van maatregelen en regels de bescherming van de persoonlijke levenssfeer alsmede de bescherming van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim en het geheim van daarmee vergelijkbare technieken in acht moeten worden genomen.
Wat houdt het maatregelenpakket in, waarvan de Minister van Veiligheid en Justitie in de zijn brief aan de Kamer over de voortgang van de uitvoering van het kabinetsbeleid inzake economische veiligheid heeft de aangeven dat het is ontwikkeld met het oog op de selectiefase en contractuele voorwaarden?4 Hoe is het maatregelenpakket toegepast bij de selectiefase en hoe wordt het maatregelenpakket toegepast in het contract? Hoe gaat op basis van het maatregelenpakket de komende jaren de monitoring en handhaving van de afspraken eruit zien?
Het maatregelenpakket waar de Minister van Veiligheid en Justitie in genoemde brief aan de Tweede Kamer naar verwijst ziet onder meer op de ontwikkeling van praktische instrumenten die gebruikt kunnen worden om mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid bij inkoopopdrachten en aanbestedingen te signaleren en het toepassen van instrumenten gericht op het beheersen van deze risico’s. Deze instrumenten betreffen:
Over de ontwikkeling van deze instrumenten wordt momenteel overleg gevoerd met de Centrale Directeuren Inkoop van de departementen, de Commissie Bedrijfsjuridisch Advies (beheerder algemene rijksvoorwaarden) en stakeholders.
In de aanbesteding IWR2017 Mobiele Communicatiediensten kon met deze instrumenten nog geen rekening worden gehouden.
Wat vindt u van de strengere regels in Zwitserland op het gebied van aanbestedingen van telecommunicatiediensten door de Zwitserse overheid? Wat zijn de ervaringen in Zwitserland op dit gebied? Hoe kijkt u aan tegen deze strengere regels in relatie tot de Nederlandse aanbesteding rijksbrede aanbesteding voor mobiele communicatiediensten IWR2017, nu in het rapport «Vitale vennootschappen in veilige handen» wordt gemeld dat naar aanleiding van de inschrijving van UPC Cablecom op de aanbesteding van telecommunicatiediensten, waar de Zwitserse overheid gebruik van zou gaan maken, de Federale Raad van Zwitserland in 2014 heeft besloten dat buitenlandse bedrijven niet langer met de Zwitserse regering of daaraan gerelateerde entiteiten mochten samenwerken wanneer het werk betrekking heeft op de kritieke infrastructuur van Zwitserland?
Over de strengere regels in Zwitserland op het gebied van aanbestedingen van communicatiediensten door de Zwitserse overheid wijs ik er op dat de positie van Zwitserland niet vergelijkbaar is met die van Nederland. Zwitserland is geen lid van de EU en het is geen EER land. Als gevolg daarvan is Zwitserland niet gebonden aan EU-wetgeving ten aanzien van aanbestedingen en privacy. De Nederlandse aanbesteding IWR2017 Mobiele Communicatiediensten moet voldoen aan de Europese regelgeving. Deze regelgeving kent beperkingen, waardoor het in beginsel niet mogelijk is buitenlandse ondernemingen uit te sluiten van de mededinging, zoals eerder aangegeven in de beantwoording van de vragen van het lid Van den Berg-Jansen (CDA) over nationale veiligheidseisen bij aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid van 14 juni 2017 7 IWR2017 MCD is een aanbesteding voor mobiele telefoniediensten op het publieke telefonienetwerk waarbij geen sprake is van essentiële veiligheidsbelangen of gerubriceerde communicatie.
Welke maatregelen heeft u genomen om ervoor te zorgen dat de Rijksdiensten gaan voldoen aan de Richtlijn houdende maatregelen om een hoog gemeenschappelijk niveau van netwerk- en informatiebeveiliging in de Unie te waarborgen in relatie tot deze aanbesteding?
De door u genoemde EU-Richtlijn wordt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie omgezet in nationale wetgeving. De Rijksdienst en de telecomsector vallen in beginsel niet onder de richtlijn. Bij de aanbesteding IWR2017 Mobiele Communicatiediensten is geen sprake van essentiële veiligheidsbelangen of gerubriceerde communicatie. Om die reden zijn er geen maatregelen genomen met betrekking tot genoemde Richtlijn.
De berichten dat er een grote brand heeft plaatsgevonden bij de Esso-raffinaderij in het Botlekgebied |
|
Cem Laçin |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over een grote brand die op maandag 21 augustus woedde bij de Esso-raffinaderij in het Botlekgebied?1 2
Ja.
Hoe is het mogelijk dat omwonenden wel werden geconfronteerd met rookwolken, neerslaande roetdeeltjes en een zware oliegeur, maar dat zij niet terecht konden op de website van de regionale hulpdiensten? Klopt de bewering van de Veiligheidsregio dat de website werd overbelast door enerzijds onderhoud en anderzijds het grote aantal bezoekers? Zo ja, deelt u de mening dat deze website bij uitstek een platform is dat te allen tijde in de lucht dient te zijn?
In de VRR is afgesproken dat de crisiscommunicatie bij zowel incidenten met lokale effecten als incidenten met regionale effecten door de VRR wordt gecoördineerd. De VRR heeft mij aangegeven dat zij de bevolking tijdens het incident bij ExxonMobil (Esso) op diverse manieren en op diverse momenten heeft geïnformeerd. De website www.rijnmondveilig.nl was, naast Twitter, Facebook, NL-Alert en nieuwsmedia, één van de middelen die in dit geval gebruikt is voor crisiscommunicatie. De website rijnmondveilig.nl was tijdens het incident gedurende circa drie kwartier niet bereikbaar vanwege de vele bezoekers. Nadat de website weer bereikbaar was, is hierop voortdurend actuele informatie geplaatst. De VRR meldt mij maatregelen te hebben genomen om de kans op soortgelijke problemen te verkleinen en onderzoekt of daarnaast aanvullende maatregelen nodig zijn om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen.
Klopt het dat een eerste NL-Alert pas een uur na het uitslaan van de brand werd verzonden en dat de informatie in dat bericht niets vermeldde over de locatie van de brand?3
De VRR heeft aangegeven dat er omstreeks 21:30 uur brand is uitgebroken bij Esso en dat omstreeks 22:30 uur een eerste NL-Alert bericht door de veiligheidsregio is verzonden. Dit bericht was onvolledig. Enkele minuten later is een tweede NL-Alert verstuurd waarin de locatie van de brand en een verwijzing naar www.rijnmondveilig.nl stonden vermeld.
Deelt u de mening van dat geen of onvolledige communicatie via de daarvoor bestemde kanalen weinig vertrouwen geeft in het geval van calamiteiten? Hoe denkt u dit in de toekomst te voorkomen?
Belangrijk is dat de bevolking kan rekenen op goede crisiscommunicatie. Het evalueren van incidenten en leren van daarbij opgedane ervaringen worden daarom door de hiervoor verantwoordelijken van grote betekenis geacht. Dat doen veiligheidsregio’s afzonderlijk en in gezamenlijkheid. Ook de Inspectie, bedoeld in artikel 57 Wvr, besteedt daaraan met regelmaat aandacht.
Wat is u bekend over de vrijgekomen roetdeeltjes? Hoe worden de omwonenden geïnformeerd over gezondheidsrisico’s? Op welke wijze worden zij door Esso gecompenseerd voor mogelijk geleden schade?
Onder regie van de DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) is er onderzoek gedaan naar de vrijgekomen roetdeeltjes. Na het incident heeft Esso een informatiebijeenkomst georganiseerd voor de omwonenden. Hierbij waren ook DCMR, de VRR, de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) en de gemeente Nissewaard aanwezig. De GGD heeft de omwonenden tijdens deze informatieavond, mede op basis van het onderzoek van DMCR, geïnformeerd over de gezondheidsrisico’s. Deze informatie en antwoorden over veel gestelde vragen over gezondheidsrisico’s staan ook op de website van de gemeente Nissewaard en op www.rijnmondveilig.nl. Esso heeft daarnaast een speciaal telefoonnummer geopend voor publieksvragen. Esso heeft aangegeven de door de brand veroorzaakte schade te compenseren door roetdeeltjes op te ruimen en overige schade te vergoeden.
Beseft u dat dit het tweede (of eigenlijk derde) recente incident is in de regio Rijnmond na het incident bij Shell Pernis, waarbij de communicatie richting bewoners tekortschiet? Sluit u een samenhang tussen beide missers uit? Deelt u de mening dat de communicatie bij al deze incidenten gezamenlijk moet worden onderzocht?4
De VRR heeft mij aangegeven dat de crisiscommunicatie bij de betrokken incidenten via diverse middelen en kanalen heeft plaatsgevonden. De VRR evalueert momenteel deze crisiscommunicatie, in samenwerking met de bij dit incident betrokken organisaties.
Het bericht “Albanese maffia slaat hier zijn tentakels uit” |
|
Mona Keijzer (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Albanese maffia slaat hier zijn tentakels uit»?1
Ja
Klopt het dat het aantal Albanese verdachten verdubbeld is in 2016?
Uit de vertrouwelijke rapportage van de politie en het RIEC Amsterdam over de aard en omvang van criminaliteit gepleegd door personen met de Albanese nationaliteit blijkt dat er in 2016 ongeveer 700 verdachten met de Albanese nationaliteit zijn aangehouden, in 2015 waren dat er 330. Deze rapportage leg ik tot het einde van het jaar ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.2
Klopt het dat er alleen al in Amsterdam 36 onderzoeken zijn tegen Albanees sprekenden?
Ja, dat klopt. Sinds 2016 zijn er in Amsterdam 36 onderzoeken verricht. Een deel van deze onderzoeken is inmiddels afgesloten.
Kunt u een beschrijving geven van de problematiek van de Albanese criminaliteit in Nederland en hoe die zich de afgelopen jaren ontwikkeld heeft?
Het aantal incidenten met personen met de Albanese nationaliteit is in absolute en relatieve aantallen laag. Daarbinnen geldt wel dat het aandeel zware delicten met een georganiseerd karakter relatief hoog is. De problematiek concentreert zich in Rotterdam en Amsterdam. Hierbij gaat het zowel om criminele activiteiten als drugshandel, alsmede om de problematiek rondom de Albanese inklimmers in Hoek van Holland en andere ferryterreinen.
Alhoewel dit kabinet geen specifiek doelgroepenbeleid voert, heeft de problematiek rondom personen met de Albanese nationaliteit de volle aandacht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, alsmede de politie, het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarbij wordt actief ingezet op de integrale bestrijding van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Bij het aanpakken van de problematiek rondom de inklimmers wordt er actief door de KMar en zeehavenpolitie opgetreden.
Bent u bereid om de suggestie van officier van justitie te volgen en opnieuw een visumplicht in te voeren? Bent u ervan op de hoogte dat onder verordening 2017/371, die op 1 maart 2017 is ingegaan, een land een melding kan doen als in een periode van twee maanden een toegenomen risico voor of een onmiddellijke bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten, met name een wezenlijke toename van ernstige strafbare feiten verband houdend met onderdanen van dat derde land en gestaafd door objectieve, concrete en relevante informatie en gegevens van bevoegde autoriteiten zich heeft voorgedaan?2
Het kabinet is bekend met de door u aangehaalde verordening. Hierin zijn afspraken opgenomen over de monitoring van visumvrije landen door de Europese Commissie. In dit kader heeft de Europese Commissie een monitor aangekondigd voor de Westelijke Balkan, waaronder Albanië. Deze monitor wordt aan het einde van dit jaar verwacht. Het kabinet wil de uitkomsten van deze rapportage met daarin objectieve, concrete en relevante informatie en gegevens van bevoegde autoriteiten eerst ontvangen alvorens het kabinet tot een afweging komt om een beroep te doen op de noodremprocedure.
Het kabinet wil hierbij opmerken dat de samenwerking met Albanië op de terreinen van het tegengaan van illegale immigratie, grensoverschrijdende criminaliteit en terugkeer goed is, en de wil tot samenwerking groot. Daarbij blijven we het gesprek aangaan met Albanië, zowel bilateraal als op EU-niveau, ten aanzien van gewenste aanvullende stappen.
Bent u ervan op de hoogte dat u op basis van die kennisgeving een onderzoek dient in te stellen, dat onderzoek naar de Raad en het parlement dient op te sturen en de vrijstelling van de visumplicht kan worden opgeschort?
Na een eventuele notificatie door een lidstaat, is het aan de Europese Commissie om onderzoek te doen en vervolgens per uitvoeringshandeling te besluiten om de visumvrijstelling al dan niet op te schorten. De Europese Commissie weegt daarbij de geconstateerde problemen tegen de bredere belangen van de EU af. De lidstaten wordt gevraagd hier akkoord op te verlenen. Indien na negen maanden geen verbetering heeft opgetreden, kan de opschorting worden verlengd door een besluit per gedelegeerde handeling. Zowel de Raad als het Europees parlement kunnen bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling van de Europese Commissie.
Bent u bereid die kennisgeving binnen twee weken te doen? Zo nee, onder welke omstandigheden zou u deze kennisgeving dan wel willen doen?
Zie hiertoe mijn beantwoording van vraag 5.
Bent u ervan op de hoogte dat de National Crime Agency in het Verenigd Koninkrijk in haar National Strategic Assesment on organanized crime concludeerde dat «Albanian crime groups have established a high profile influence within UK organised crime, and have considerable control across the UK drug trafficking market, with particular impact and high level influence on the cocaine market» en «The threat faced from Albanian crime groups is significant. London is their primary hub, but they are established across the UK.»?3
Ja.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat de Franse politie constateert dat «En progression constante depuis 2010, la criminalité organisée albanophone est une menace réelle pour la sécurité intérieure de l'espace Schengen»?4
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het Italiaanse anti-maffia agentschap rapporteert dat Albanezen de grootste groep buitenlanders vormen die opgepakt worden voor misdrijven, gerelateerd aan maffia, verdovende middelen en smokkel?5
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede gelet op de huidige situatie, de status van kandidaat-lid van de Europese Unie, voor Albanië, terwijl het land niet voldoet aan de voorwaarden?
De Raad is bij het verlenen van de kandidaat-lidstatus aan Albanië niet over één nacht ijs gegaan. In het uitbreidingspakket van 10 oktober 2012 deed de Commissie de aanbeveling aan de Raad om aan Albanië de status van kandidaat-lid te verlenen, onder de voorwaarde dat Albanië de komende periode een aantal nog openstaande voorwaarden vervult7. De Raad van 11 december 2012 noch de Raad van 17 december 2013 konden met deze aanbeveling instemmen8. De Raad besloot op 24 juni 2014 dat het tussentijdse voortgangsrapport van de Commissie van 4 juni 2014 voldoende voortgang liet zien met betrekking tot de in december 2013 door de Raad geïdentificeerde punten en kende Albanië kandidaat-lidstatus toe9. De hervorming van de justitiële sector en het verder werken aan het opbouwen van een solide track record in het onderzoeken, vervolgen en veroordelen van corruptie en georganiseerde misdaad op alle niveaus zijn twee van de vijf voorwaarden voor verdere stappen in het toetredingsproces.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Wij hebben er naar gestreefd de antwoorden zo snel mogelijk te beantwoorden, maar dit is helaas niet binnen twee weken gelukt.
Was u bekend met de achterstanden bij de Belastingdienst omdat vermogende particulieren een fonds voor gemene rekening aanvragen?1
In de jaren tot 2015 werden er jaarlijks enkele tientallen open fondsen voor gemene rekening bij de Belastingdienst aangemeld ter registratie. In 2015 waren dit er circa 200 en in 2016 circa 300. In 2017 zijn er tot medio augustus ongeveer 550 aanmeldingen ontvangen. De Belastingdienst beoordeelt of deze aanmeldingen voldoen aan de voorwaarden om te kwalificeren als een open fonds voor gemene rekening. Doordat tot op heden ruim 25% van de aangemelde fondsen niet voldoet aan de voorwaarden, is het aantal nieuwe open fondsen voor gemene rekeningen lager dan het aantal aanmeldingen.
Kortom er zijn duidelijk meer aanmeldingen, al blijft het in absolute aantallen relatief beperkt ten opzichte van het totaal aantal belastingplichtigen in box 3. De Belastingdienst zal deze ontwikkeling goed blijven volgen, en uw Kamer zal – in lijn met de Motie Bashir/Grashoff2 – daarover geïnformeerd worden. Op dit moment vind ik het, ook gegeven de demissionaire status van het kabinet, niet opportuun om wettelijke maatregelen te treffen.
Met welke reden is het fonds voor gemene rekening gecreëerd? Is dit bedoeld als manier om belasting op vermogen te omzeilen alsmede de belanghebbende van vermogen toch weer te anonimiseren?
Een fonds voor gemene rekening is een samenwerkingsverband tussen participanten (hierna wordt uitgegaan van natuurlijke personen) ter verkrijging van voordelen voor de participanten door het voor gemene rekening beleggen van gelden. Een fonds voor gemene rekening heeft geen specifieke rechtsvorm en komt tot stand bij overeenkomst, waarbij geen notariële akte vereist is.
In het spraakgebruik wordt onderscheid gemaakt tussen «open» en «besloten» fondsen voor gemene rekening. Een besloten fonds voor gemene rekening is fiscaal transparant. Dat wil zeggen dat het fonds als zodanig niet zelfstandig belastingplichtig is, maar de participanten in het fonds wel. De participanten zijn dan over het algemeen belastingplichtig in box 3.
De fondsen zoals hier aan de orde betreffen zogenoemde «open» fondsen voor gemene rekening. Open fondsen voor gemene rekening missen weliswaar rechtspersoonlijkheid maar onderscheiden zich in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk van naamloze vennootschappen die het beleggen van gelden in effecten of vastgoed ten doel hebben.3 De open fondsen voor gemene rekening zijn dan ook vanwege de beoogde neutraliteit van belastingheffing ten opzichte van beleggingsmaatschappijen (die wel rechtspersoonlijkheid bezitten) al sinds 1969 belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Sinds de invoering van de Wet op de vennootschapsbelasting in 1969 is de behandeling van het fonds voor gemene rekening niet inhoudelijk gewijzigd. De participanten in een open fonds voor gemene rekening met belangen van 5% of meer zijn belastingplichtig in box 2.4
Er is sprake van een open fonds voor gemene rekening als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden die worden gesteld in wet- en regelgeving5:
Een fonds meldt zich bij de Belastingdienst voor het verkrijgen van een fiscaal nummer. De Belastingdienst toetst dan of materieel aan voorstaande voorwaarden wordt voldaan. Alleen als aan de eerste vier voorwaarden wordt voldaan is sprake van een fonds voor gemene rekening en indien wordt voldaan aan de laatste voorwaarde (de bewijzen van deelgerechtigdheid zijn vrij verhandelbaar), is sprake van een open fonds voor gemene rekening. Het open fonds voor gemene rekening wordt dan geregistreerd en krijgt een fiscaal nummer toegekend. Indien de bewijzen van deelgerechtigdheid niet vrij verhandelbaar zijn, is er sprake van een besloten fonds voor gemene rekening.
Vindt u het legitiem dat eigendomsconstructies niet terug te vinden zijn in het openbare Handelsregister met het fonds voor gemene rekening? Zo nee, hoe gaat u hier een einde aan maken? Zo ja, hoe verhoudt dit fonds voor gemene rekening zich tot het (internationale) beleid dat de uiteindelijk belanghebbende (ultimate benficial owner – UBO) van vermogen altijd bekend moet zijn?
Uit de media en uit informatie op websites van belastingadviseurs valt op te maken dat het UBO-register mogelijk aanleiding kan vormen om een fonds voor gemene rekening op te richten. Daarbij lijken met name privacyoverwegingen een rol te kunnen spelen. Zoals ook hiervoor is toegelicht, wordt momenteel onderzocht of de verplichting tot het registreren van UBO-informatie ook moet gaan gelden voor fondsen voor gemene rekening.
Het streven is dat in de zomer van 2018 het Nederlandse UBO-register operationeel is. Een concept wetsvoorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden is recent geconsulteerd. Op dit moment worden alle consultatiereacties zorgvuldig bestudeerd en verwerkt. Verwacht wordt dat het UBO-wetsvoorstel begin 2018 aan de Tweede Kamer kan worden toegezonden.
De verplichting tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden in een centraal register vloeit voort uit de vierde Europese anti-witwasrichtlijn. De implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn heeft in verschillende lidstaten, waaronder Nederland, vertraging opgelopen, waardoor de implementatietermijn van 26 juni 2017 niet is gehaald. De invoering van het UBO-register is een omvangrijk project – met een grote ICT-component – dat de nodige tijd kost. Hierbij zij opgemerkt dat in het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie dat strekt tot wijziging van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn onder meer is voorgesteld om de bepalingen met betrekking tot het UBO-register te herzien. In de onderhandelingen over dit richtlijnvoorstel, die zich in de zogenoemde triloogfase bevinden, wordt ook gesproken over een langere implementatietermijn ten aanzien van de verplichting om informatie over uiteindelijk belanghebbenden te registreren.6
Ziet u in het opkomen en gebruiken van het fonds voor gemene rekening een ongewenst gevolg van de regelgeving om transparantie te krijgen over wie de uiteindelijke eigenaar is van vermogen? Ziet u mogelijkheden om ook met gebruik van een fonds voor gemene rekening de uiteindelijk belanghebbende altijd bekend te laten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u, mede in het licht van het belang van het UBO-register ter bestrijding van witwassen, terrorismefinanciering en het tegengaan van belastingontwijking, dat het aanprijzen van een fonds voor gemene rekening door fiscale adviseurs aantoont dat moraliteit ver te zoeken is en dat duidelijke en strenge wetgeving onvermijdelijk is omdat deze adviseurs altijd hun klanten zullen blijven begeleiden naar ongewenste en/of onvoorziene sluipmogelijkheden in de wet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer zijn welke wijzigingen omtrent het fonds voor gemene rekening gedaan en welke hebben geleid tot belastingontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanvragen voor een nummer bij de Belastingdienst zijn inmiddels gedaan? Betreft dit particulieren of bedrijven? Welke nationaliteiten of vestigingslanden hebben deze particulieren en/of bedrijven? Kunt u de Kamer infomeren over de aard van de aanvragen?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er particulieren of bedrijven die een fonds aanvragen die bekend zijn bij de Belastingdienst vanwege verhullende (buitenlandse) constructies in het verleden? Zo ja, hoeveel? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht sturen?
Particulieren die een fiscaal nummer voor een open fonds voor gemene rekening aanvragen en gaan participeren in dat nieuw opgerichte fonds, zijn op reguliere wijze bekend bij de Belastingdienst. Vermogende particulieren die een fonds voor gemene rekening gebruiken doen dit niet om het vermogen buiten het zicht van de Belastingdienst te brengen, maar veelal uit privacyoverwegingen. De Belastingdienst blijft wel bij een dergelijke anonimiseringsstructuur zicht houden op de participanten in deze fondsen voor gemene rekening en hun vermogen.
Acht u het wenselijk dat door middel van fondsen voor gemene rekeningen mensen wiens inkomen bestaat uit rendement op vermogen dankzij deze fiscale constructies eerder recht op zorg- en/of huurtoeslag kunnen krijgen? Zo nee, welke maatregelen bent u bereid op dit vlak te nemen? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Zoals hiervoor ook aangegeven, is het fiscale voordeel dat kan worden behaald met het onderbrengen van vermogen in een fonds voor gemene rekening afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Naast het fiscale voor- of nadeel kan het onderbrengen van vermogen in een fonds voor gemene rekening ook gevolgen hebben voor toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen. Voor toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen wordt gebruikgemaakt van het verzamelinkomen en een eventuele vermogenstoets of vermogensinkomensbijtelling. In het verzamelinkomen is het inkomen opgenomen uit box 1, box 2 en box 3. Overheveling van vermogen naar een andere box kan invloed hebben op de wijze waarop het inkomen wordt bepaald (daadwerkelijk genoten inkomen/rendement versus fictief rendement), maar in alle gevallen blijft het vastgestelde inkomen deel uitmaken van het verzamelinkomen. Als in een regeling een vermogenstoets is opgenomen, wordt in het algemeen aangesloten bij de grondslag van box 3 (sparen en beleggen). Wordt vermogen uit box 3 gehaald, bijvoorbeeld door aankopen of schenkingen te doen of bijvoorbeeld een (duurdere) eigen woning aan te schaffen, dan vermindert hierdoor de grondslag van box 3. Ook het onderbrengen van vermogen in een open fonds voor gemene rekening kan leiden tot een vermindering van de box 3-grondslag. Dit werkt in theorie door naar de vermogenstoets van de huur- en zorgtoeslag en de vermogensinkomensbijtelling. In de praktijk acht ik de kans dat dit grote budgettaire effecten met zich brengt op het vlak van toeslagen echter niet zo groot. Mijn verwachting is dat vermogende particulieren in het algemeen een dusdanig inkomen hebben dat zij op basis daarvan niet of slechts in beperkte mate in aanmerking komen voor zorg- of huurtoeslag. Ook is het waarschijnlijk dat het overgrote deel van deze groep een eigen woning heeft en om die reden geen aanspraak heeft op huurtoeslag. Kans op enig budgettair effect is mogelijk wel aanwezig waar het gaat om de hoogte van de eigen bijdrage voor mensen die intramurale zorg ontvangen (Wet langdurige zorg). Iemand die in een intramurale Wlz-instelling woont, die een vermogen heeft dat meer bedraagt dan de vrijstelling in box 3 en die dat vermogen onderbrengt in een open fonds voor gemene rekening of een andere rechtsvorm in box 2, betaalt dan een lagere eigen bijdrage.
Hoe ver bent u gevorderd met het formuleren van Nederlandse wetgeving en regels over de bekendheid van de UBO? Is het juist dat Nederland te laat is met het implementeren van de Europese afspraken op dit terrein? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘We horen niets meer van OM’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «We horen niets meer van OM»?1 Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wat is de reden dat het op 2 april 2017 mishandelde homostel uit Arnhem, dat door meerdere jongens aangevallen is met een betonschaar, nog steeds niets heeft gehoord van het Openbaar Ministerie (OM) met betrekking tot het verloop van het strafproces?
Sinds het voorval op 2 april 2017 zijn de slachtoffers een aantal malen geïnformeerd over de stand van zaken in het onderzoek. Aanvullend technisch onderzoek was noodzakelijk. Een dergelijk onderzoek kost uiteraard tijd. Het definitieve proces-verbaal is op 11 augustus jl. ingezonden naar het OM en inmiddels ook verstrekt aan betrokken raadslieden. In overleg met alle procespartijen wordt momenteel een zittingsdatum gepland. Ook is er na de berichtgeving in de media nog contact geweest met de advocaat van de slachtoffers.
Kent u de VVD-slogan «Slachtoffers verdienen de aandacht, niet de dader»?2 Zo ja, waarom handelt u daar niet naar en welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het OM slachtoffers, zoals het op 2 april 2017 mishandelde homostel, niet in de kou laat staan?
Slachtoffers verdienen de aandacht. Ik heb met het OM afspraken gemaakt over een goede bejegening en informatievoorziening aan slachtoffers. Deze afspraken komen deels voort uit de op 1 april 2017 aangenomen Wet minimumnormen voor de rechten, ondersteuning en de bescherming van slachtoffers. Het OM moet het slachtoffer op de hoogte houden over de voortgang van zijn zaak indien het slachtoffer dit wenst. Daarnaast kan het slachtoffer de officier van justitie gedurende het strafproces en de fase van de tenuitvoerlegging te allen tijde verzoeken om hem te informeren over de voortgang van de zaak en andere informatie die relevant is voor het slachtoffer. In deze zaak zijn er diverse momenten geweest waarop de slachtoffers zijn geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de belangen van deze slachtoffers zwaarder moeten wegen dan de belangen van de daders? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom geeft het OM dan aan terughoudend te zijn met informatie omdat de verdachten allemaal minderjarig zijn, aangezien ze wel een volwassen daad hebben begaan?
Slachtofferbelangen wegen zwaar mee. In elke zaak worden de belangen tegen elkaar afgewogen. Wanneer het gaat om minderjarige verdachten, zoals in de onderhavige casus, is het standaard beleid om terughoudend te zijn met het delen van inhoudelijke informatie in verband met privacybelangen van de verdachten. Ook wordt bij minderjarigen in beginsel, in lijn met verdragen waarbij Nederland partij is, terughoudendheid betracht in vordering c.q. toepassing van voorlopige hechtenis. In de onderhavige zaak zijn alle verdachten voorgeleid aan de rechter-commissaris. Deze heeft besloten de vordering bewaring af te wijzen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is aan de slachtoffers dat deze verdachten niet vastzitten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit zo snel mogelijk te veranderen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat ook minderjarige daders van gruwelijk geweld zwaar gestraft moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Elk delict verdient een passende reactie. Wat passend is kan per casus verschillen. Het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht is dat het gedrag van minderjarigen door begeleiding, behandeling en heropvoeding bijgestuurd kan worden.
Wanneer komt u tot het heldere inzicht dat het invoeren van minimumstraffen de enige manier is om ervoor te zorgen dat daders van gruwelijk geweld, zoals in dit geval het toeslaan met een betonschaar, daadwerkelijk zwaar gestraft worden?
Bij brief van 12 februari 20133 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de Kamer geïnformeerd over de intrekking van het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van minimumstraffen in geval van recidive bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld (minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven). Deze intrekking was onderdeel van de uitvoering van het huidige Regeerakkoord. In lijn hiermee acht ik de invoering van minimumstraffen in het algemeen niet wenselijk. Dit delict, dat ik ten zeerste betreur, brengt mij niet tot een ander standpunt.