Berichten dat aangevoerde grond voor de aanleg van een aarden wal bij Emmen is besmet met de wratzieke |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren ongerust: grond voor aarden wal bij Emmen is besmet met aardappelziekte» en het bericht «LTO is blij met maatregelen rond besmette grond in Emmen, maar zorgen zijn niet weg»?1 2
Ja.
Waarom is er in deze situatie pas lang na het aanvoeren van deze besmette grond onderzoek op basis van bodemmonsters gedaan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Op basis van de fytosanitaire regelgeving voor bodemorganismen was er geen aanleiding voor grondonderzoek. De maatregelen die binnen de EU gelden voor schadelijke bodemorganismen in de akkerbouw zijn gericht op het voorkomen van opbouw van populaties door de teelt van waardplanten en het voorkomen van verspreiding via het geoogst product en het gebruik van machines op landbouwpercelen. In dit geval was de aangevoerde grond aan de rand van een landbouwperceel opgeslagen. Daarbij heeft de ondernemer kenbaar gemaakt dat de grond bedoeld was voor een grondwal en niet voor agrarische doeleinden. De NVWA heeft in dit geval toch grondonderzoek uitgevoerd om tegemoet te komen aan de zorgen van de telers in de omgeving. Het onderzoek richtte zich op de nematoden G. rostochiencis en G. pallida (de veroorzakers van aardappelmoeheid), M. chitwoodi en M. fallax, en Synchytrium endobioticum (de veroorzaker van wratziekte).
Waarom zijn er pas meer dan een jaar na het aanvoeren van deze grond maatregelen genomen om besmetting van andere percelen te voorkomen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven bestond op basis van de fytosanitaire regelgeving voor bodemorganismen geen aanleiding voor grondonderzoek. Om tegemoet te komen aan de zorgen van de telers in de omgeving is toch onderzoek uitgevoerd. Nadat uit dit onderzoek bleek dat 2 van de 15 onderzochte monsters besmet waren met sporen van Synchytrium endobioticum zijn maatregelen genomen om verspreiding tegen te gaan.
Welke verplichtingen bestaan er om (uit het buitenland) aangevoerde grond te testen op gewasziekten en andere besmettingen en welke (overheids)instanties zijn hierbij betrokken?
Er bestaat geen fytosanitaire verplichting om grond die wordt aangevoerd naar landbouwpercelen of locaties in de omgeving daarvan te laten onderzoeken op aanwezigheid van voor planten schadelijke organismen.
Waarom hebben deze verplichtingen er in dit geval niet toe geleid dat de besmetting van de grond met de wratziekte in een eerder stadium aan het licht kwam?
Uit mijn antwoord op vraag 4 blijkt dat er geen verplichting tot het uitvoeren van grondonderzoek bestaat.
Volstaan wat u betreft de lokaal getroffen maatregelen of dienen er vervolgstappen te worden gemaakt om te voorkomen dat besmette grond wegwaait en zich verspreidt over andere landbouwpercelen?
Ja, de lokaal getroffen maatregelen volstaan om het risico op verspreiding te voorkomen.
Wat zijn de gevolgen als er toch besmetting van landbouwpercelen optreedt en op welke wijze kunnen akkerbouwers, indien dit zich voordoet, worden gecompenseerd?
Indien in de omgeving van het bewuste perceel een besmetting met wratziekte wordt vastgesteld op een landbouwperceel volgt een besmetverklaring en een teeltverbod voor bepaalde gewassen voor de duur van 20 jaar. Deze maatregelen vloeien voort uit EU-regels. Akkerbouwers worden niet door de overheid gecompenseerd. Voor hen staat de mogelijkheid open om degene die de besmette grond heeft aangevoerd civielrechtelijk aansprakelijk te stellen.
Is hier volgens uw informatie sprake van een incident of komt dergelijke besmetting van grond met gewasziekten door het aanvoeren van grond ook elders in Nederland voor? Indien dit laatste het geval is, om hoeveel gevallen gaat dit?
Voor zover bij de NVWA bekend komen situaties zoals in het onderhavig geval niet vaak voor. Voor aardappelverwerkende bedrijven is een officiële erkenningsregeling van kracht, waarmee Nederland uitvoering geeft aan een eis van de Europese bestrijdingsrichtlijn voor aardappelmoeheid (2007/33/EG). Telers die aardappelen telen op een door de NVWA voor aardappelmoeheid besmet verklaard perceel, dienen ervoor te zorgen dat de aanhangende grond van het geoogste product fytosanitair veilig wordt verwerkt. Dit maakt de NVWA mogelijk door afzet van de aardappelen bij één van de 50 door de NVWA voor dit doel erkende bedrijven/bedrijfslocaties (stand 27 maart 2020). Deze bedrijven mogen tarragrond afzetten in de landbouw op door de NVWA-registreerde landbouwpercelen. Voor deze percelen gelden maatregelen om verspreiding tegen te gaan. Op 27 maart jl. waren 62 percelen voor dit doel geregistreerd. De NVWA heeft geen gegevens over de hoeveelheid afgezette grond en van de afzet van tarragrond door erkende bedrijven buiten de landbouw.
Welke mogelijkheden ziet u om beter te waarborgen dat aangevoerde grond vrij is van besmettingen, bijvoorbeeld door vooraf meer en beter te testen?
Deze mening deel ik. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de ondernemers en de verwerkende bedrijven. Zij dienen geen risico’s te nemen bij het aanvoeren van grond. Het aanwenden van grote hoeveelheden aangevoerde grond van elders vindt incidenteel plaats. Het meest voorkomende verspreidingsrisico van besmette grond betreft het verslepen van grond tussen percelen met machines en het verstuiven van de grond. Via voorlichting werken de sectororganisaties en de NVWA aan bewustwording.
De situatie dat Oeigoeren in China het slachtoffer zijn geworden van dwangarbeid en andere mensenrechtenschendingen. |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «China dwingt 80.000 Oeigoeren tot werk in fabrieken van bekende merken»?1
Ja.
Bent u bekend met het rapport van Australische onderzoekers waaruit blijkt dat 80.000 Oeigoeren verplicht worden ingezet in fabrieken van grote bedrijven?2
Ja.
Klopt het dat tienduizenden Oeigoeren worden gedwongen om arbeid te verrichten in fabrieken van bekende merken? Zo ja, deelt u de mening dat dit in strijd is met de mensenrechten en dat dit op het hoogst mogelijke niveau bestreden moet worden?
Het rapport doet de schatting dat tussen 2017 en 2019 80.000 mensen naar Chinese fabrieken buiten Xinjiang zijn gebracht onder omstandigheden die «sterk lijken op dwangarbeid». Het rapport baseert zich op openbare Chinese bronnen, satellietbeelden, wetenschappelijk onderzoek en verslaggeving ter plekke.
Acht van de elf ILO-indicatoren van dwangarbeid zijn volgens het rapport mogelijk van toepassing op de Oeigoerse fabrieksarbeiders:
Het kabinet keurt, waar dan ook ter wereld, gedwongen arbeid in alle gevallen af. Het verbod op dwangarbeid maakt deel uit van de fundamentele arbeidsnormen van de ILO, waar ook China aan gehouden is. Het kabinet kan de conclusies van het ASPI-rapport niet op basis van eigenstandige informatie bevestigen maar ziet voldoende aanleiding om dit in EU- en VN-verband aan de orde te stellen.
Om welke merken gaat het?
Volgens het ASPI-rapport zou het gaan om: Abercrombie & Fitch, Acer, Adidas, Alstom, Amazon, Apple, ASUS, BAIC Motor, BMW, Bombardier, Bosch, BYD, Calvin Klein, Candy, Carter’s, Cerruti 1881, Changan Automobile, Cisco, CRRC, Dell, Electrolux, Fila, Founder Group, GAC Group (automobiles), Gap, Geely Auto, General Motors, Google, Goertek, H&M, Haier, Hart Schaffner Marx, Hisense, Hitachi, HP, HTC, Huawei, iFlyTek, Jack & Jones, Jaguar, Japan Display Inc., L.L.Bean, Lacoste, Land Rover, Lenovo, LG, Li-Ning, Mayor, Meizu, Mercedes-Benz, MG, Microsoft, Mitsubishi, Mitsumi, Nike, Nintendo, Nokia, The North Face, Oculus, Oppo, Panasonic, Polo Ralph Lauren, Puma, Roewe, SAIC Motor, Samsung, SGMW, Sharp, Siemens, Skechers, Sony, TDK, Tommy Hilfiger, Toshiba, Tsinghua Tongfang, Uniqlo, Victoria’s Secret, Vivo, Volkswagen, Xiaomi, Zara, Zegna en ZTE. Het kabinet kan dit niet op basis van eigenstandige informatie bevestigen noch ontkrachten.
Zijn er producten die door middel van dwangarbeid in China zijn geproduceerd op de Nederlandse markt gekomen? Zo ja, bent u bereid om deze producten van de markt te laten halen?
Het kabinet kan niet met zekerheid vaststellen noch uitsluiten dat er producten op de Nederlandse markt zijn die geproduceerd zijn door middel van dwangarbeid. Ook aan de grens is dit niet vast te stellen.
Het kabinet verwacht van bedrijven dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) onderschrijven en daarmee misstanden in hun gehele productieketen, zoals waar volgens het rapport sprake van is in Xinjiang, voorkomen en/of aanpakken. Het is aan bedrijven zelf om in dit kader met gepaste zorgvuldigheid te ondernemen, door de internationale ketens in kaart te brengen, risico’s – zoals mensenrechtenschendingen – te identificeren en hier gepaste actie op te ondernemen. Het is van belang dat bedrijven zich specifiek bewust zijn van het risico op dwangarbeid in Xinjiang en daarnaar handelen.
Voor 25 maart 2020 stond een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, RVO en andere stakeholders te organiseren kennissessie voor Nederlandse bedrijven over mensenrechten, ketentransparantie en mogelijke risico’s bij het ondernemen in China gepland. In verband met de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus is besloten om deze bijeenkomst tot nader order uit te stellen. Zodra de situatie het toelaat, zal deze alsnog plaatsvinden. Het onderwerp dwangarbeid en de situatie van de Oeigoeren zullen hierbij expliciet aan de orde komen. Ook zullen de conclusies van het ASPI-rapport worden besproken. Voor ondernemers is op de website van de RVO informatie beschikbaar over maatschappelijk verantwoord ondernemen, zowel in algemene zin, als toegespitst op China.
Hoe reëel is het dat desbetreffende bedrijven niet op de hoogte zijn geweest van de mensenrechtenschendingen in de fabrieken?
Zie antwoord vraag 5.
Welke sancties kunnen vanuit de Europese Unie of Nederland genomen worden tegen desbetreffende 27 fabrieken waar door middel van dwangarbeid goederen worden gemaakt voor bekende merken?
Op dit moment is er geen EU-raadsbesluit op basis waarvan sancties ingesteld kunnen worden tegen bedrijven die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen in China. Er lijkt onder de EU-lidstaten geen draagvlak te bestaan om dergelijke sancties in te stellen.
Het kabinet blijft zich inzetten om bedrijven te wijzen op hun verantwoordelijkheid om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen, conform de OESO-Richtlijnen. Met betrekking tot ondernemen in China heeft het kabinet, in lijn met de motie Voordewind (35207–22), extra middelen vrijgemaakt om in te zetten op bewustwording en het vergroten van kennis ten aanzien van China onder bedrijven en stakeholders (zoals de regionale ontwikkelingsmaatschappijen) in Nederland, en maakt kennis over de mensenrechtensituatie in China daar een integraal onderdeel van. Zo is bijvoorbeeld het Convenant Duurzame Kleding en Textiel hierover geïnformeerd, opdat het convenant haar leden kan inlichten over de risico’s op dwangarbeid in China.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 en 6 zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken met andere belanghebbenden een kennissessie voor Nederlandse bedrijven organiseren over mensenrechten, ketentransparantie en risico’s bij het ondernemen in China. Het onderwerp dwangarbeid en de situatie met betrekking tot de Oeigoeren komen daarbij expliciet aan de orde. De conclusies van het ASPI-rapport zullen daar ook worden besproken. Voor ondernemers is op de website van de RVO informatie beschikbaar over maatschappelijk verantwoord ondernemen, zowel in algemene zin, als toegespitst op China.
Hoe is het mogelijk dat tussen 2017 en 2019 zeker 80.000 Oeigoeren vanuit de westelijke autonome regio Xinjiang werden overgeplaatst naar fabrieken in andere delen van het land om dwangarbeid te verrichten, maar dat dit nu pas bekend wordt?
Het ASPI-rapport is het eerste rapport dat systematisch op basis van openbare Chinese bronnen, satellietbeelden, wetenschappelijk onderzoek en verslaggeving ter plekke onderzoek doet naar dwangarbeid onder Oeigoeren buiten Xinjiang.
Was de Nederlandse regering al eerder bekend met de dwangarbeid in desbetreffende fabrieken? Zo ja, sinds wanneer?
Nee.
Welke concrete acties gaat u in bilateraal en multilateraal verband ondernemen om de overduidelijke mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoeren te stoppen met betrekking tot dwangarbeid?
Het kabinet blijft bereid om zowel bilateraal als multilateraal aandacht te vragen voor de mensenrechten van Oeigoeren en andere moslimminderheden in China. Zo heeft het kabinet er conform de motie Van Helvert c.s. (32 735, nr. 281) reeds voor gezorgd dat de EU op 10 maart jl. in de VN-mensenrechtenraad zorgen over dwangarbeid door Oeigoeren heeft uitgesproken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven en consumenten ervan op de hoogte gesteld worden dat bij producten uit China de mogelijkheid bestaat dat er sprake is van dwangarbeid?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Heeft u de veroordeling door de Kamer van de grootschalige internering en onderdrukking van de Oeigoeren door de Chinese overheid reeds overgebracht aan de Chinese autoriteiten, zoals in motie-Kuzu (Kamerstuk 32 735, nr. 275) aan u is gevraagd? Zo nee, waarom nog niet en wanneer gaat u dit wel doen? Zo ja, wanneer en hoe heeft u dit gedaan?
Ja. De veroordeling door het parlement is overgebracht aan de Chinese autoriteiten.
Heeft u de Chinese regering, zoals in motie-Kuzu (Kamerstuk 32 735, nr. 276) aan u is gevraagd, zowel bilateraal als in internationaal verband, opgeroepen om de heropvoedingskampen voor Oeigoeren te sluiten en de onderdrukking van de Oeigoeren te stoppen? Zo ja, wanneer en hoe heeft u dit gedaan? Zo nee, waarom heeft u dit nog niet gedaan en wanneer gaat u dit wel doen?
Het kabinet spant zich samen met EU-partners in om tijdens de VN-Mensenrechtenraad gepaste aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie in Xinjiang. Nederland heeft deze maand, onder agendapunt 4 van de VN-Mensenrechtenraad, op nationale titel onder andere zorgen uitgesproken over de vrijheid van religie van moslims in China. Daarnaast heeft de EU, mede dankzij aandringen van Nederland, in duidelijke termen zorgen uitgesproken over onder andere de politieke heropvoedingskampen in Xinjiang.
Ook vóór het indienen van de motie Kuzu heeft het kabinet zich ingespannen voor de mensenrechten van Oeigoeren in China. Zo heeft premier Rutte op 29 mei 2019 de mensenrechten van de Oeigoeren opgebracht in zijn gesprek met de Chinese vicepresident Wang Qishan, heeft Nederland in juni 2019 een gezamenlijke brief aan de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad onderschreven, en zich in oktober 2019 met succes ingezet voor de totstandkoming van een gezamenlijke verklaring over Xinjiang in de Derde Commissie van de AVVN.
Het artikel ‘Vewin: Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging voor PFAS bieden onvoldoende bescherming voor drinkwater’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vewin: Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging voor PFAS bieden onvoldoende bescherming voor drinkwater»?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hogere Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen (INEV’s) adviseert voor de gehaltes PFOA en GenX in grondwater dat gebruikt wordt voor drinkwatervoorziening, dan voor drinkwater?
De richtwaarden voor drinkwater zijn bedoeld om de kwaliteit van drinkwater als eindproduct («uit de kraan») te garanderen. Hiervoor gelden strenge eisen, omdat ook rekening wordt gehouden met blootstelling via andere voedselbronnen.
INEV’s worden door de bevoegde overheden gebruikt om de ernst van een bodemverontreiniging te beoordelen. Dit is niet alleen gericht op drinkwater. Of en welke maatregelen worden genomen hangt onder meer af van de mate van vervuiling en de kosteneffectiviteit. Soms is een bodemsanering de oplossing, maar meestal zijn er andere oplossingen zoals een zuiveringsstap in de drinkwaterbereiding.
De richtwaarden en normen voor drinkwater zijn altijd van toepassing op water dat bedoeld is voor consumptie.
Staat u achter het advies van het RIVM? Kunt u uw antwoord duidelijk toelichten?
Ik neem het advies van het RIVM over. Het RIVM- advies is gebaseerd op de meest actuele kennis en sluit aan bij de Regelgeving omtrent verontreinigingen in grondwater en drinkwater.
Wat is de status van het advies van het RIVM? Kunt u uw antwoord toelichten?
INEV’s worden net als interventiewaarden door bevoegde gezagen gebruikt om de ernst van een bodemverontreiniging te kunnen beoordelen. INEV’s zijn een soort voorlopige interventiewaarden die door het RIVM op dezelfde manier worden berekend als interventiewaarden. Ze zijn voorlopig omdat er in de onderbouwing van de INEV nog informatie ontbreekt waardoor de waarde nog zou kunnen veranderen. In dit geval wordt een evaluatie verwacht van gezondheidskundige innamegrenzen door de Europese Voedselautoriteit (EFSA). Als de nieuwe informatie door de EFSA is gepubliceerd, zal het RIVM de wetenschappelijke onderbouwing van de EFSA-evaluatie beoordelen. Op basis van deze beoordeling zal worden besloten of er aanleiding is om de normafleiding aan te passen en zal het RIVM interventiewaarden berekenen.
Bent u het eens met de stelling dat het tegenstrijdig is dat op grond van de nu voorliggende INEV’s geconcludeerd zou kunnen worden dat er geen sprake is van verontreiniging van grondwater voor de drinkwatervoorziening, terwijl tegelijkertijd hiermee de indicatieve richtwaarden voor het drinkwater worden overschreden?
Nee, ik ben het niet eens met die stelling. INEV’s en drinkwaternormen kunnen niet gelijk gesteld worden, omdat zij andere beschermingsdoelen dienen. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe oordeelt u over de stelling dat door dit verschil tussen INEV’s en drinkwaternormen ongewenste discussies kunnen ontstaan over de vraag of beschermende maatregelen voor de drinkwatervoorziening noodzakelijk zijn, terwijl normen zonder meer duidelijk én veilig moeten zijn?
De huidige INEV’s en drinkwaternormen zijn duidelijk én veilig. Zoals in mijn antwoord op vraag vijf is verwoord, hebben de INEV’s en drinkwaternormen andere beschermingsdoelen.
Waarom wordt een hogere waarde van deze persistente stoffen voorgesteld, terwijl al bekend is dat zij schadelijk zijn voor mens en milieu?
INEV’s liggen voor alle stoffen vaak (veel) hoger dan de hergebruikswaarden voor grond omdat ze een heel ander doel dienen. Op basis van de INEV’s kan de ernst van een bodemverontreiniging worden vastgesteld door bevoegde gezagen en vervolgens bepalen of en, indien ja, welke beheersmaatregelen nodig zijn. Voor hergebruikswaarden geldt dat die altijd en overal voor een veilig gebruik van de bodem mogelijk maken. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de blootstelling aan stoffen op andere wijzen dan via de bodem.
Bent u het eens dat eerst de omvang en locaties van de verontreiniging in kaart zou moeten worden gebracht, voordat er überhaupt normen worden vastgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
INEV’s of interventiewaarden zijn juist nodig om de ernst van een bodemverontreiniging vast te kunnen stellen. Zonder normen kunnen omvang en locaties van verontreiniging niet worden vastgesteld of in kaart worden gebracht. Er wordt op dit moment een inventarisatie gedaan van locaties waar PFAS is gebruikt en mogelijk in verhoogde concentraties kan worden aangetroffen, de zogenaamde aandachtlocaties. Aan de hand van deze inventarisatie kunnen de Wbb-bevoegde gezagen met de INEV’s in de hand beoordelen of er op desbetreffende locaties sprake is van een ernstige bodemverontreiniging.
Op basis van de beoordelingen van de Wbb-bevoegde gezagen wordt een overzicht opgesteld van de omvang en locaties van (ernstige) verontreinigingen in Nederland. Samen met de andere overheden zal op basis van deze beoordelingen een plan van aanpak voor de locaties met ernstige verontreiniging worden opgesteld. Ook in de voortgangsbrief PFAS van 13 februari 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 46) heb ik u aangegeven dat de resultaten van de inventarisatie van de aandachtslocaties (zogenaamde hotspots), onderzoeken van het RIVM naar deze INEV’s en de definitieve interventiewaarden, alsmede de bestuurlijke afspraken met medeoverheden over dit onderwerp in samenhang moeten worden beschouwd. De uitkomsten hiervan deel ik voor het einde van het jaar met u gelijktijdig met het definitieve handelingskader PFAS en de afspraken met decentrale overheden over eventuele financiële consequenties.
Bent u het eens met de stelling dat ten allen tijde voorkomen moet worden dat schadelijke stoffen in het drinkwater of grondwater terecht komen?
Het is inderdaad wenselijk dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat schadelijke stoffen in het drinkwater of grondwater terecht komen. Dit is een belangrijk uitgangspunt van de regelgeving.
Klopt het dat bevoegde gezagen pas bij overschrijding van de INEVs voor drinkwater verplicht zijn om te onderzoeken of maatregelen voor bescherming van de drinkwatervoorziening noodzakelijk zijn?
De INEV geeft een eerste indicatie. Indien de INEV overschreden wordt moet het bevoegd gezag kijken of, en zo ja welke, maatregelen nodig zijn. Een verdere toelichting vindt u in het antwoord onder vraag 2. In principe hoeft een bevoegd gezag niets te doen als de waarde onder de INEV zit, maar het bevoegd gezag kan altijd een afweging maken of er sprake is van een bijzondere situatie en dus of het maatregelen wil treffen. Drinkwaterbedrijven nemen overigens altijd zelf maatregelen als de drinkwaternorm niet gehaald wordt en kunnen in die situaties in overleg gaan met het desbetreffende bevoegde gezag.
Het bericht ‘Defensie-medewerkers mogen werkelijke schade chroom-6 claimen’. |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovenbedoeld bericht, alsook van de uitspraak van het Gerechtshof in Den Bosch waarover in dat bericht word gesproken?1
Ja.
Bent u bereid in dezen af te zien van nadere rechtsmiddelen? Zo nee, waarom niet?
(Oud-)medewerkers van de POMS-locaties die ziek zijn geworden en hun nabestaanden kunnen een uitkering aanvragen op basis van de collectieve rechtspositionele Uitkeringsregeling. Zij kunnen op grond van deze regeling op laagdrempelige wijze een forfaitair bedrag tussen de 5.000 euro en 40.000 euro als immateriële schade (smartengeld) en 3.850 euro voor de materiële schade ontvangen. Dit wordt uitgekeerd zonder dat hoeft te worden aangetoond hoe hoog de materiële en immateriële schade is. Als er meer schade is dan de uitkering, dan kan een claim worden ingediend bij Defensie voor een vergoeding van de werkelijke materiële en immateriële schade. Dit is maatwerk en daarvoor moet wel nadere (medische) informatie worden verstrekt. Omdat de schade en persoonlijke situatie voor iedere (oud-)medewerker anders zal zijn, zal dit op individuele basis worden beoordeeld. Deze letsel- en overlijdensschadeclaims worden afgewikkeld door het Dienstencentrum Juridische Dienstverlening. Uit de uitspraak van het Hof van 10 maart jl. volgt dat zodra Defensie voor een bepaalde aandoening een uitkering heeft verstrekt op grond van de Uitkeringsregeling, de aansprakelijkheid voor het ontstaan van die aandoening daarmee vaststaat. De hoogte van de werkelijk geleden schade moet volgens het Hof echter nog steeds worden vastgesteld aan de hand van het medisch dossier van de betrokken (oud-)medewerker en informatie van de (oud-)medewerker over de schade. Defensie bestudeert de uitspraak echter nog en ik kan nog geen uitspraak doen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.
Bent u bereid de uitspraak van de rechter, dat slachtoffers van chroom-6 bovenop de door u getroffen regeling recht hebben op vergoeding van de werkelijk door hen geleden schade, toe te passen op alle slachtoffers die een uitkering op basis van de door u getroffen regeling hebben ontvangen? Zo ja, hoe gaat u een en ander vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welk gedeelte van de voor de afhandeling van het chroom-6-schandaal gereserveerde middelen is inmiddels uitgekeerd aan slachtoffers, respectievelijk welk gedeelte resteert nog?
Het budget dat voor chroom-6 is gereserveerd, is opgenomen in artikel 9 van de defensiebegroting en is hierop zichtbaar. De reservering op de begroting betreft een inschatting. Als mensen recht hebben op een vergoeding dan zal Defensie die betalen, ongeacht welk bedrag hiervoor binnen de begroting is gereserveerd. De gereserveerde middelen betreffen dus geen maximum. Op dit moment is de reservering voldoende om de vergoedingen uit te betalen. In totaal is 2,7 miljoen euro netto aan uitkeringen Coulanceregeling toegekend en 1,6 miljoen euro netto aan uitkeringen Uitkeringsregeling. Wat betreft letsel- en overlijdensschadeclaims verwijs ik u naar mijn brief «Stand van zaken chroom-6 Defensie» van 28 februari 2020 (Kamerstuk 35 300 X, nr. 60).
De Beleidsregels exploitatievergunning speelautomatenhallen Heerlen 2020 |
|
Martijn van Helvert (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Beleidsregels exploitatievergunning speelautomatenhallen Heerlen 2020?1
Ja.
Klopt het dat de vergunningen voor het vestigen en exploiteren van een speelautomatenhal worden verdeeld middels loting? Wat vindt u daarvan? Komt dat vaker voor?
Gemeenten moeten bij het verdelen van schaarse exploitatievergunningen potentiële gegadigden de mogelijkheid bieden om naar de beschikbare vergunningen mee te dingen. Als daarbij aan het formele gelijkheidsbeginsel wordt voldaan en dus aan alle gegadigden gelijke kansen worden geboden, is geen enkele verdelingsprocedure uitgesloten. Zoals uitgewerkt in de Handreiking van de VNG «Schaarse rechten» (november 2018, p. 24) zijn zowel een vergelijkende toets als een loting toegestaan.
Het is mij niet bekend of loting vaker voorkomt als het gaat om verlening van dergelijke vergunningen.
Hoe kan een gemeente als Heerlen waarborgen dat de burger daadwerkelijk effectief beschermd wordt tegen kansspelverslaving als de vergunning voor het vestigen en exploiteren van een speelautomatenhal simpelweg wordt verloot? Een vergunning zou toch moeten worden verleend aan de exploitant die op inhoudelijke gronden de beste partij is om het aanbod te doen? De drempel voor toetreding is middels een lotingssysteem toch per definitie een minimum vereiste?
De Wet op de kansspelen formuleert vereisten waar de houder van een vergunning aan moet voldoen. Om de beleidsdoelen van het kansspelbeleid zo veel mogelijk te realiseren is het wenselijk dat deze vereisten zo goed mogelijk worden ingevuld. Het is mogelijk en voor de hand liggend om die invulling mee te wegen bij de beoordeling van de vergunningaanvraag.
In het kader van medebewind is het aan gemeenten om de Wet op de kansspelen uit te voeren. Binnen de grenzen van de wet- en regelgeving zijn gemeenten vrij om te bepalen hoe zij de verlening van vergunningen vormgeven.
De gemeente Heerlen heeft voor de weg van de loting gekozen. In de Beleidsregels exploitatievergunningen speelautomaten Heerlen 2020 vindt de verdeling van de beschikbare vergunningen plaats door middel van loting van de ontvankelijke aanvragen. De getrokken aanvragen komen in volgorde van de uitkomst van de loting in aanmerking voor een inhoudelijke toets aan de hand van de bepalingen in de beleidsregels over het voorkomen van gokverslaving, het beschermen van de openbare orde, veiligheid, het woon- en leefklimaat, gezondheid en toegangscontrole en over de passendheid binnen de omgeving. Bij een positieve uitkomst van deze toets volgt een vergunningverlening. Als de vergunning (definitief) is afgewezen, komt de volgende getrokken aanvraag voor toetsing in aanmerking
Zou het niet veel beter zijn als de gemeente Heerlen de vergunning zou gunnen aan de partij die de burger, aantoonbaar, het beste kan beschermen tegen kansspelverslaving en die de beste papieren heeft waar het gaat om het tegengaan van criminaliteit en witwassen?
Zie antwoord vraag 3.
Het vastlopen van de rechtspraak |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Was u verrast, een dag na het algemeen overleg strafrechtketen, door het bericht dat de rechtspraak vastloopt? Sinds wanneer had u kennis van deze cijfers? Waren deze cijfers u al bekend vóór of tijdens dit debat over de strafrechtketen op 5 maart?1
Nee. Zoals wij in onze brieven 13 maart 2019 en 3 juli 20192 hebben toegelicht is de problematiek van de zittingscapaciteit niet nieuw. Het kabinet heeft vorig jaar geld vrijgemaakt voor de Rechtspraak, onder meer om in de prijsperiode 2020–2022 de capaciteit op orde te krijgen en achterstanden weg te werken. Dat in 2020 niet aan de vraag naar zittingscapaciteit kon worden voldaan was voorzien. De omvang daarvan, de cijfers die in het krantenartikel zijn genoemd, is gebaseerd op een eerste interne analyse die kort voor het Algemeen Overleg tussen de woordvoerders van het College van procureurs-generaal en het Ministerie was gedeeld. Een definitieve rapportage zou nog volgen.
Wat is uw inhoudelijke reactie op dit bericht? Deelt u deze analyse en de geuite zorgen? Klopt het dat ongeveer 10% van de zaken niet afgehandeld zal worden in 2020?
Zoals hiervoor aangegeven was het de verwachting dat niet volledig aan de vraag naar zittingscapaciteit zou kunnen worden voldaan. Met het oog hierop was door het OM en de rechtspraak gezamenlijk opdracht gegeven in kaart te brengen waar de knelpunten zitten en daarvoor aanbevelingen te doen. Deze analyse zou in de maand april worden opgeleverd, maar is door de coronacrisis inmiddels achterhaald. De maatregelen die in verband met het coronavirus getroffen zijn, hebben grote impact op de mogelijkheden van OM en Rechtspraak om strafzaken af te doen. Werkvoorraden zijn daardoor verder opgelopen. De inspanningen van de Rechtspraak en het OM gezamenlijk zijn er nu op gericht om zoveel mogelijk zaken met behulp van audiovisuele middelen te behandelen en zodra dat mogelijk is, de werkprocessen weer op reguliere wijze te hervatten. Wat de impact van de coronamaatregelen is op de zittingscapaciteit en de voorraden en hoe deze problematiek moet worden aangepakt zal hierna worden bepaald. Wij hebben u hierover op 23 april 2020 nader geïnformeerd.3
Wat vindt u van de gemiddelde wachttijd van veertien maanden? Verwacht u dat dit gemiddelde zal afnemen, gelijk blijven of toenemen?
Wij zijn met de Rechtspraak en het OM niet tevreden over de doorlooptijden in de strafrechtketen. Het OM en de Rechtspraak hebben daarom al maatregelen getroffen met betrekking tot de zittingscapaciteit. Zo wordt gezorgd voor centraal inzicht in het aanbod van strafzaken door de parketten en de beschikbare capaciteit bij de gerechten zodat in een situatie van tijdelijke onder- en overcapaciteit effectiever kan worden ingezet op onderlinge bijstand van rechters en/of juridisch medewerkers. Ook hebben OM en Rechtspraak een zogenaamde «rookmeldersgroep» opgericht die met gezag signaleert waar zich problemen (kunnen gaan) voordoen en adviezen kan geven aan OM en gerechten voor deze onderlinge bijstand. Waar mogelijk wordt al onderlinge bijstand tussen de gerechten verleend. Bij uw Kamer is een wetsvoorstel aanhangig dat voorziet in meer mogelijkheden voor het verlenen van onderlinge bijstand tussen de gerechten. Dit neemt niet weg dat planning van strafzaken een complex proces is dat om dagelijkse afstemming tussen Rechtspraak, OM en advocatuur vraagt.
Het kabinet heeft vorig jaar structureel in de Rechtspraak geïnvesteerd zodat de Rechtspraak stappen kan zetten om de organisatie en de kwaliteit van het werk te verbeteren. De rechterscapaciteit is momenteel nog niet op de gewenste sterkte. De afgelopen jaren zijn er ruim 200 nieuwe rechters geworven; veel rechters zijn in opleiding en kunnen nog niet volledig worden ingezet. De meeste gerechten verwachten de komende jaren door vacaturevervulling op sterkte te zijn.
Ook ondersteunen wij de aanpak van het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB). Zoals is toegelicht in onze brief van 26 juni 2019 heeft het BKB onder meer ketenbrede normen voor de aanpak van doorlooptijden bij 7 zaakstromen vastgesteld. Wij gaan ervan uit dat de aanpak van het BKB op termijn leidt tot kortere doorlooptijden. De realiteit is echter ook dat door de maatregelen die het OM en Rechtspraak in verband met het coronavirus hebben moeten nemen, de werkvoorraden nu (tijdelijk) zijn toegenomen. De gezamenlijke inspanning is om nieuwe vertraging zoveel mogelijk te beperken, onder meer door zaken met behulp van audio-visuele middelen te behandelen. Over de manier waarop Rechtspraak en OM in afstemming met de advocatuur de zittingen hervatten en opgelopen achterstanden worden ingelopen, hebben wij u op 23 april 2020 geïnformeerd.4
Hoe verhoudt dit bericht zich tot uw beloften tijdens het algemeen overleg strafrechtketen om de doorlooptijden te verkorten, en het optimisme dat u tijdens dit debat uitstraalde?
Wij zijn tevreden over de reeds getroffen en in gang gezette maatregelen die in het antwoord op vraag 3 zijn opgesomd. Er zijn belangrijke stappen in de ketensamenwerking gezet, zoals de aanpak van doorlooptijden en de aanpak van de digitalisering van de keten waarbij de eerste concrete resultaten al zijn geboekt. Dit laat onverlet dat er, zoals de Minister van JenV tijdens het AO Strafrechtketen toelichtte, duidelijk knelpunten zijn in de strafrechtketen. Hier komt de vertraging in de doorlooptijden als gevolg van de coronacrisis nog bij. De verwachting is dat de tijdens het AO toegelichte doorlichting van de strafrechtketen meer inzicht gaat geven in de knelpunten.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de doorlooptijden te verkorten?
Wij ondersteunen de maatregelen die hiervoor zijn toegelicht en zullen mede op basis van de uitkomst van de doorlichting beoordelen of er nadere maatregelen moeten worden genomen om het functioneren van de strafrechtketen te verbeteren.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de voorzitter van Slachtofferhulp Nederland dat deze vertragingen dramatisch zijn voor slachtoffers? Kunt u inhoudelijk reageren op de klacht dat slachtoffers onvoldoende inhoudelijk op de hoogte worden gebracht?
Wij onderschrijven de uitspraak van de voorzitter van Slachtofferhulp Nederland dat ook slachtoffers de negatieve gevolgen van de vertragingen ondervinden. Wij betreuren dit zeer. Zoals de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal al in het krantenbericht toelicht moet de informatieverstrekking aan slachtoffers worden verbeterd. De slachtoffer-coördinatoren van het OM vervullen hier een belangrijke functie in. Onlangs is geld beschikbaar gesteld om ongeveer 40 fte extra slachtoffer-coördinatoren aan te trekken.
Wat is uw reactie op de suggestie van de voorzitter van Slachtofferhulp Nederland om slachtoffers met enige regelmaat proactief te informeren over de stand van zaken via zogenaamde updates? Wat zou er voor nodig zijn, zowel qua proces als menskracht, om dit te realiseren?
Wij vinden dit een goede suggestie en gaan met het OM in overleg hoe dit vormgegeven kan worden.
De dwangsom bij niet tijdig beslissen door de overheid |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de overheid zich altijd in zou moeten spannen om tijdig te beslissen, waar het gaat om zaken met rechtsgevolgen voor burgers, vooral omdat een behoorlijke overheid nu eenmaal tijdig besluiten moet nemen en niet slechts vanuit financiële overwegingen omdat niet tijdig beslissen forse dwangsommen met zich meebrengt?
Ja.
Zijn de redenen voor het invoeren van de dwangsom bij niet tijdig beslissen door de overheid naar uw mening nu nog steeds van toepassing, en werkt deze wet zoals deze bedoeld is, namelijk dat de overheid gestimuleerd wordt tijdig beslissingen te nemen?
De overheid probeert op verschillende manieren, waaronder door middel van wetgeving, de kwaliteit van de uitvoering van overheidstaken te verbeteren. Tijdige besluitvorming is voor de burger een belangrijke graadmeter om die kwaliteit aan af te meten. Regels die tijdige besluitvorming stimuleren, kunnen bijdragen aan die tijdigheid en daarmee aan de kwaliteit van de uitvoering van overheidstaken. Uit een evaluatie van onder meer de dwangsom bij niet tijdig beslissen uit 20131 bleek dat van dit instrument een preventieve werking uitgaat, omdat dwangsommen de termijnoverschrijdingen duidelijk zichtbaar en kwantificeerbaar maken. Mogelijke reputatieschade op persoonlijk en organisatorisch niveau heeft volgens de evaluatie de aandacht voor tijdige besluitvorming versterkt. De evaluatie geeft ook aan dat niet alle versnelling van de besluitvorming aan de dwangsom kan worden toegerekend, omdat ook overigens aandacht bestaat voor verbetering van de kwaliteit van de uitvoering. Als neveneffecten van de dwangsom bij niet tijdig beslissen worden in de evaluatie genoemd: dat de dwangsom wordt misbruikt door middel van het indienen van oneigenlijke Wob-verzoeken, dat de kwaliteit van de besluitvorming soms onder druk komt te staan van de beslistermijn en dat door bestuursorganen soms een «oneigenlijk» gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om de beslistermijn op te schorten. Deze effecten zijn volgens de evaluatie geen reden om af te zien van instrumenten als de dwangsom bij niet tijdig beslissen. Wel heeft inmiddels een wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur plaatsgevonden, waardoor die wet per 1 oktober 2016 is uitgezonderd van de dwangsom bij niet tijdig beslissen om misbruik tegen te gaan. Voorts is, in verband met de specifieke problematiek, wetgeving in voorbereiding om de dwangsom bij niet tijdig beslissen buiten werking te stellen voor asielzaken.2
Kunt u toelichten wat de verschillen zijn met de procedure voor de dwangsom bij niet tijdig beslissen door de Belastingdienst? Waarom werkt dit anders, zowel qua procedure als bedrag? Waarom is daar ooit voor gekozen, en vindt u die argumenten nu nog steeds doorslaggevend?
Voor de Belastingdienst zijn er ten opzichte van het reguliere regime voor de dwangsom bij niet tijdig beslissen door de overheid alleen verschillen op het terrein van toeslagen. Dit is geregeld in artikel 12, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Deze afwijkende dwangsomregeling geldt sinds 1 januari 2013. De regeling houdt in dat wat betreft beschikkingen op aanvraag van de Belastingdienst/Toeslagen de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend van toepassing is op beschikkingen die betrekking hebben op de definitieve toekenning van de toeslag, alsmede op beslissingen op bezwaarschriften tegen de laatstgenoemde beschikkingen. De reguliere dwangsomregeling geldt dus bijvoorbeeld niet als het gaat om beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen die zien op het verlenen of automatisch verlenen van een voorschot, de wijziging van een verleend voorschot alsmede de afhandeling van bezwaarschriften tegen deze beschikkingen. Evenmin geldt de reguliere dwangsomregeling voor herzieningen van definitieve toekenningen, voor bezwaren tegen deze herzieningen dan wel bij bijvoorbeeld verzoeken in een bijzondere situatie. Voorts blijft de werkingssfeer van de dwangsomregeling beperkt tot definitieve toekenningen die leiden tot een nabetaling of terugvordering ter grootte van een bedrag van ten minste € 30,–. In situaties waarin de reguliere dwangsomregeling wel van toepassing is gelden bovendien lagere dwangsombedragen (€ 10,– per dag met een maximum van € 100,–, tenzij het financiële belang minder dan € 100,– bedraagt; dan is de dwangsom maximaal € 30,–). De redenen daarvan zijn de massaliteit van het proces van Belastingdienst/Toeslagen en het feit dat voor de diverse afzonderlijke toeslagen relatief lage bedragen (kunnen) worden uitgekeerd. Deze redenen zijn nog steeds van toepassing en geven daarom geen aanleiding het beleid aan te passen. Tenslotte kan de Minister bij ministeriële regeling de dwangsomregeling buiten toepassing verklaren in geval van een ernstige verstoring in het uitvoeringsproces.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de voor toeslagen geldende afwijkende dwangsomregeling vooral is ingegeven door argumenten die betrekking hebben op de uitvoerbaarheid en het beperken van het financiële risico voor de overheid.
Wat is het totale bedrag dat in het jaar 2019 door de overheid is uitgekeerd aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen?
Naar aanleiding van de gestelde vragen is getracht bij de departementen na te gaan welke dwangsommen in de periode 2015–2019 zijn uitgekeerd. Gebleken is dat deze cijfers niet overal en niet uniform worden bijgehouden. Zo hebben sommige departementen bedragen uit hun financiële administratie gehaald. In die gevallen ontbreken aantallen. In sommige gevallen zijn alleen gegevens over bezwaarschiften bekend. Het Ministerie van AZ heeft geen dwangsommen aangetroffen. Bij de Ministeries van BZK, SZW en EZK zijn geen gegevens bekend. Bij het Ministerie van VWS zijn alleen gegevens uit de bezwaarfase bekend, bij LNV alleen uit de bezwaarfase voor zover die door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) wordt uitgevoerd en deze gegevens worden geregistreerd. Gelet op het bovenstaande is afgezien van een uitvraag bij zelfstandige bestuursorganen en decentrale overheden. De verwachting bestaat dat hiermee een grote inspanning zou worden gevraagd, die niet in verhouding staat tot de te verwachten opbrengst. De beschikbare gegevens van de departementen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Hierbij worden de bedragen in euro genoemd, met tussen haakjes (indien beschikbaar) het aantal malen dat een dwangsom is uitgekeerd.
2015
2016
2017
2018
2019
FIN/Belastingdienst1
300.000
(309x)
553.000
(878x)
420.000
(624x)
101.000
(231x)
125.000
(386x)
I en W (ILT)
21.720
10.052
9.580
5.518
5.814
BZ
1.460
(5x)
2.480
(5x)
460
(1x)
1.260
(1x)
1.442
(1x)
JenV IND
86.000
293.000
750.000
1.500.000
6.600.000
JenV Overig
281.828
230.370
120.109
21.580
53.538
JenV Totaal
367.828
523.370
870.109
1.521.580
6.653.538
VWS (bezwaarschriften)
8.010
4.060
3.320
3.220
2.976
LNV (bezwaarschriften RVO)
6.760
(6x)
40.040
(61x)
384.510
(372x)
96.048
(130x)
165.890
(169x)
DEF2
308.410
151.440
91.200
110.010
71.844
OCW/DUO (aanvragen)
13.220
(44x)
13.730
(36x)
12.350
(15x)
28.660
(59x)
Nog niet beschikbaar
OCW/DUO (bezwaar)
3.850
(12x)
5.200
(15x)
7.300
(22x)
7.530
(21x)
Nog niet beschikbaar
Hierbij wordt opgemerkt dat het totaalbedrag aan betaalde dwangsommen zowel de dwangsommen op het terrein van belastingen als toeslagen omvat. Het aantal toegekende dwangsommen heeft voor de jaren 2015 en 2016 uitsluitend betrekking op belastingen en sinds 2017 bevatten deze aantallen ook die voor toeslagen. Alleen voor 2018 en 2019 kan in de aantallen ook een onderscheid worden gemaakt tussen belastingen en toeslagen. In 2018 hadden 122 dwangsommen betrekking op toeslagen en in 2019 waren dat er 244. Dit verschil heeft te maken met het feit dat het onderscheid niet eerder administratief werd bijgehouden.
Voor zover in de administratie zichtbaar geboekt als dwangsom, hierdoor kunnen enkele dwangsommen die mogelijk op andere wijze geboekt zijn niet in deze getallen meegenomen worden.
Kunt u een overzicht geven van de jaarlijkse omvang van de dwangsommen die door de verschillende overheden zijn uitgekeerd wegens niet tijdig beslissen de afgelopen vijf jaar, per ministerie, maar ook per overheidsorganisatie, zoals de IND, Belastingdienst, etc.?
Zie antwoord vraag 4.
Welke overheidsorganisaties zijn de sterkste stijgers en dalers bij de uitkering van dwangsommen en wat is uw verklaring hiervoor? Wordt dit geanalyseerd en wordt hier voortdurend van geleerd?
Bestuursorganen zijn op verschillende manieren bezig met het bewaken van de kwaliteit van de dienstverlening. Hiervoor is niet altijd een voortdurende analyse van het aantal dwangsommen nodig. Ook zonder voortdurende analyse kunnen gebleken knelpunten worden opgelost. Zo heeft de dwangsom geleid tot een toename van het aantal Wob-verzoeken, met als oogmerk het innen van een dwangsom. Naar aanleiding hiervan is de Wob gewijzigd, waardoor voor Wob-verzoeken de dwangsom bij niet tijdig beslissen is vervallen. Deze wijziging heeft bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie geleid tot een aanzienlijke vermindering van het aantal betaalde dwangsommen (in 2016 nog € 230.310, nu nagenoeg niets meer). Sommige bestuursorganen analyseren het aantal dwangsommen. Zo geeft OCW/DUO aan dat in 0,1% van het aantal aanvragen een ingebrekestelling volgt. Slechts in enkele gevallen leidt dit tot een dwangsom, meestal omdat niet tijdig gegevens van derden zijn verkregen. Een dergelijke analyse is niet meteen relevant voor andere bestuursorganen.
Het aantal dwangsommen is in de meeste gevallen een afgeleide van het aantal aanvragen of het aantal bezwaarschriften. RVO heeft voor LNV bijvoorbeeld in de periode 2015–2019 ten minste 2.000.000 primaire besluiten geslagen en er zijn ruim 50.000 bezwaarprocedures afgedaan. Die 50.000 bezwaarschriften hebben in 738 gevallen tot een dwangsom geleid. Een stijging in absolute getallen wil dus niet zeggen dat procentueel meer bezwaarschriften niet tijdig worden afgedaan. Wijzigingen in het aantal aanvragen en bezwaarschriften worden veroorzaakt door verschillende factoren. Deze aantallen kunnen per jaar sterk fluctueren. Het al dan niet analyseren van het aantal dwangsommen heeft daarop geen invloed.
Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor de opgelopen doorlooptijden voor asielzaken. De belangrijkste is een vroegtijdige afschaling van personeel in 2017 in combinatie met de externe factor van een licht verhoogde asielinstroom en een financieringssystematiek die niet verder reikte dan de korte termijn, waarbij onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande werkvoorraad. Zie ook de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 3 maart 2020.3 Daarin zijn maatregelen aangekondigd waarmee deze achterstanden worden weggewerkt, waarnaar kortheidshalve zij verwezen. Daarnaast bereidt het kabinet nadere maatregelen voor ten aanzien van de toepassing onder de Vreemdelingenwet van de dwangsomregeling uit de Algemene wet bestuursrecht. Zie hiervoor de in het antwoord op vraag 2 genoemde brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 9 april 2020.
Het maximaal aantal afwezigheidsdagen in verpleeghuizen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van Radar, waaruit blijkt dat de regelgeving met betrekking tot het maximaal aantal afwezigheidsdagen (vakantieverlof) van een bewoner van een verpleeghuis een beperking kan zijn voor het willen zorgen voor een dierbare?1
Ja.
Tot mijn spijt heeft de beantwoording door de aanpak van de coronacrisis langer geduurd.
Klopt het dat bewoners van verpleeghuizen sinds 2018 maximaal twee weken per keer en maximaal 42 dagen per jaar afwezig mogen zijn en dat bij overschrijding de bekostiging van het zorgkantoor kan worden gestopt voor de dagen bovenop deze maxima en daarmee ook de zorgovereenkomst?
Het totaal aantal afwezigheidsdagen dat een zorgaanbieder in een jaar2 kan declareren wanneer de cliënt niet in de instelling verblijft, is volgens de opgave van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) 146 dagen per jaar. Het betreft 42 dagen vakantieverlof met een maximum van twee weken per keer. Daarnaast kunnen cliënten nog wekelijks twee dagen (52 x 2 dagen = 104 dagen per jaar) aaneengesloten elders verblijven. De NZa heeft per 1 januari 2020 mogelijk gemaakt dat de weekenddagen ook doordeweeks kunnen worden opgenomen. Bij een afwezigheid langer dan twee weken aaneengesloten ontvangt de zorgaanbieder geen bekostiging en kan de zorgovereenkomst worden beëindigd.3 ActiZ laat desgevraagd weten dat het zeer zelden voorkomt dat een zorgovereenkomst om deze reden wordt beëindigd. In die sporadische voorkomende gevallen hebben zorgaanbieder en zorgkantoor de plicht om vervangende zorg te regelen.
Vindt u het proportioneel als zorgaanbieders verloven van langer dan 42 dagen of twee weken achtereen weigeren terwijl zij alleen over de extra dagen geen bekostiging ontvangen?
Voor de kwaliteit van leven van bewoners van een verpleeghuis is het van belang dat er sociale contacten zijn met familieleden en vrienden buiten het verpleeghuis. Dat kan door af en toe op bezoek te gaan, maar ook door cliënten enige tijd bij hun familieleden te laten verblijven. Of en hoe lang dit verblijf elders mogelijk is, is maatwerk. Ook in die situaties dat er een wens is van verblijf, langer dan twee weken. Daarnaast is van belang dat het verblijf buiten de instelling het welzijn van de cliënt niet mag schaden. De zorginstelling is ook dan verantwoordelijk voor het (medisch) welzijn van de cliënt en moet zich ervan vergewissen of verblijf elders verantwoord is en wat er voor nodig is om dit in goede banen te lijden. Goede afspraken met familie en eventueel betrokken extramurale aanbieders die de zorg op het vakantieadres regelen zijn van belang voor het kunnen zorgdragen voor het (medisch) welzijn van de cliënt. Uit navraag bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de brancheverenigingen ActiZ en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), blijkt dat in enkele tientallen situaties per jaar sprake is van een wens tot verlof die niet past binnen de voorwaarden van de onder vraag 2 genoemde beleidsregels.
Vindt u het proportioneel dat verloven van langer dan twee weken achtereen hierdoor misschien niet mogelijk zijn, ook als de persoon verder het hele jaar geen verlof opneemt?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het niet bewonderenswaardig, en zelfs iets wat aangemoedigd zou moeten worden, dat bijvoorbeeld een dochter haar moeder enkele weken per jaar op vakantie wil nemen en de zorgtaken volledig zelf verleent?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er de mogelijkheid moet zijn om af te kunnen wijken van regels en maatwerk mogelijk moet zijn als hiermee de zorg voor elkaar wordt bevorderd en misschien zelfs de kwaliteit van leven?
De NZa stelt de regels op voor de bekostiging van zorg. Dit doet zij in nauwe betrokkenheid met ZN en branche- en cliëntenorganisaties. Naast dat sprake moet zijn van doelmatige en verantwoorde zorg van goede kwaliteit is efficiënt omgaan met de capaciteit van verblijfszorg ook één van de opgaven waar we allen voor staan. Daarom zijn er grenzen aan het betalen van wonen en op het moment dat de cliënt niet in de instelling verblijft. Echter, ook voor mensen die in een instelling wonen, is nauw contact met hun naasten van belang voor de kwaliteit van leven. Over de signalen, zoals ook in deze vragen verwoord, heb ik contact opgenomen met de NZa. De NZa heeft mij laten weten bereid te zijn om met zorgkantoren en zorgaanbieders/ brancheverenigingen knelpunten in de regels en nadere voorwaarden rondom de bekostiging van de afwezigheidsdagen te bespreken en zo nodig aan te passen, opdat er voldoende mogelijkheden zijn om maatwerk af te spreken.
Vanwege de coronacrisis komt het de afgelopen maanden voor dat mantelzorgers hun verwanten die in Wlz-instellingen wonen bij hen thuis verzorgen. Bij een langere afwezigheid in de instelling dan veertien dagen, krijgen de instellingen de omzetderving die hiermee gepaard gaat gecompenseerd via de NZa beleidsregel SARS-CoV-2 virus. Voor instellingen binnen de gehandicaptenzorg heb ik de regeling ten aanzien van de omzetderving verlengd tot 1 augustus 2020. Voor instellingen binnen de ouderenzorg tot 1 september 2020.
Bent u bereid in overleg te gaan met zorgaanbieders en zorgkantoren om eventueel belemmerende regelgeving aan te passen om meer maatwerk te kunnen bieden voor mensen die met gegronde redenen langer verlof willen hebben vanuit het verpleeghuis, waarbij ook aandacht is voor het voorkomen van onnodig lang leegstaande bedden (met het oog op de schaarste en de lange wachtlijsten)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Zie antwoord vraag 6.
Zou u kunnen onderzoeken of de regeling rondom het deeltijdverblijf een passende oplossing is voor de genoemde casussen in de aflevering van Radar en of er wellicht aanpassingen aan deze regel nodig zijn om hier maatwerk te kunnen bieden?
Deeltijdverblijf is ontstaan vanuit de wens om het thuis kunnen blijven wonen langer mogelijk te maken. Hiermee kan ook een meer geleidelijke overgang van thuis wonen naar het uiteindelijk volledig wonen in een instelling worden bewerkstelligd. De basisprincipes bij deeltijdverblijf zijn dat er sprake is van een vast patroon van aan- en afwezigheid in de insteling. Daarnaast moet het thuis wonen van een cliënt nog verantwoord zijn op de dagen dat deze niet in de instelling verblijft. Op de dagen dat de cliënt thuis verblijft, is de plek in de instelling beschikbaar voor een andere cliënt die afwisselend thuis en in de instelling verblijft. Ik vind het niet wenselijk om wijzigingen aan te brengen aan deze basisprincipes. Oplossing voor (de incidenteel gemelde) knelpunten bij het flexibel kunnen logeren bij familie zou moeten worden gezocht in de vorm van maatwerk binnen de 146 afwezigheidsdagen oftewel verlofdagen.
Bent u bereid mensen beter op de hoogte te brengen van de mogelijkheid tot deeltijdverlof?
Ik vind het belangrijk dat mensen goed op de hoogte zijn van de mogelijkheid tot deeltijdverlof. Of dit nu vakantieverlof is of deeltijdverblijf. Het goed informeren van mensen daarover is primair aan de zorgkantoren en zorgaanbieders. Ook cliëntenorganisaties delen deze informatie via hun kanalen.
Kunt u onderzoek doen in hoeverre het mogelijk is om lange verloven meer toe te staan en de tijdelijk vrijkomende verpleeghuisplaatsen in te zetten voor logeerzorg, waarbij ouderen kunnen wennen aan een plek in het verpleeghuis en mantelzorgers ontlast worden?
Een cliënt die structureel in een instelling woont, heeft daar een eigen kamer die is ingericht naar zijn/haar smaak met eigen spullen; dat is zijn/haar woning. Deze kamer zou voor de periode dat de cliënt vakantie heeft moeten worden uitgeruimd. Daarnaast is de woonruimte die leegstaat niet per definitie geschikt voor logeerzorg, bijvoorbeeld als sprake is van een gesloten afdeling en de cliënt die wenst te logeren, daarop niet is aangewezen. Verder kan wisseling van bewoners op een groep tot onrust leiden. Ik zie hier weinig mogelijkheden om deze capaciteit te gebruiken om te wennen aan een plek in het verpleeghuis of ter ondersteuning van mantelzorgers. Voor deze doeleinden kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid «logeren» in een instelling voor een periode van maximaal 156 etmalen per jaar of via deeltijdverblijf. Hiervoor zijn in instellingen doorgaans aparte ruimten beschikbaar.
Het bericht dat de overheid al jaren weet van vermissingen van Vietnamese kinderen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Overheid weet al jaren van vermissingen Vietnamese kinderen»?1
Het fenomeen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen die met onbekende bestemming vertrekken is al langere tijd bekend binnen de migratieketen. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) vormen een kwetsbare groep en het is onwenselijk dat zij met onbekende bestemming vertrekken uit de opvanglocaties. Daarom zijn in het verleden reeds afspraken gemaakt over, bijvoorbeeld, de plaatsing van Vietnamese minderjarigen in de beschermde opvang. Deze afspraken zijn gemaakt om deze minderjarigen te beschermen tegen mensenhandel. Om een beter beeld te krijgen van de problematiek heeft mijn voorganger in april 2019 opdracht gegeven om twee onderzoeken te laten doen naar het vertrek met onbekende bestemming van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Deze onderzoeken zijn afgerond en ik heb uw Kamer per brief d.d. 23 maart jl. geïnformeerd over de resultaten van deze onderzoeken.3
Klopt het dat medewerkers van de beschermde opvanglocaties al in 2015 signalen afgaven die wijzen op kinderhandel en dat de rapportage van de opvang stelt dat er sprake is van een «trend»?
In de kwartaalrapportage van de Jade Zorggroep van 2015 is de opvallende instroom van Vietnamese jongens en meisjes benoemd, alsmede dat al deze jongeren met onbekende bestemming zijn vertrokken uit de opvang. Het COA ving deze jongeren op in de beschermde opvang. De beschermde opvang is geen gesloten opvang, waarmee de kans blijft bestaan dat jongeren uit deze opvang vertrekken. In de kwartaalrapportage van Jade is aangegeven dat de groep van Vietnamese kinderen zeer moeilijk te «deprogrammeren» viel in een korte tijd in de beschermde opvang. Vanzelfsprekend heeft de beschermde opvang geprobeerd, binnen de mogelijkheden die er zijn, de jongeren zo lang als mogelijk in de opvang te houden. Hierover is uw Kamer ook geïnformeerd in mijn brief d.d. 23 maart jl. 4 Daarnaast rapporteert het COA deze signalen aan het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM).
Waarom is de Kamer daar niet onmiddellijk over geïnformeerd?
In 2015 heeft de Inspectie Jeugdzorg in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de beschermde opvang. Over dit onderzoek is uw Kamer per brief van 7 maart 2016 geïnformeerd.5 In deze brief is expliciet genoemd hoeveel Vietnamese amv’s er met onbekende bestemming uit de beschermde opvang zijn vertrokken in 2015. Ook staat in de brief dat de Vietnamese amv’s in vier groepen uit de beschermde opvang zijn vertrokken en welke maatregelen medewerkers treffen om het vertrek van amv’s tegen te gaan. In de Kamerbrief over de hertoets van de kwaliteit van de beschermde opvang d.d. 6 september 2017 is uw Kamer wederom geïnformeerd over de hoeveelheid Vietnamese amv’s die met onbekende bestemming zijn vertrokken in 2016 en de eerste maanden van 2017.6 In de beantwoording op verschillende Kamervragen is uw Kamer hier de afgelopen jaren ook over geïnformeerd.7
Waarom is dit evenmin gebeurd in antwoord op de verschillende vragen die de afgelopen jaren vanuit de Kamer zijn gesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom verklaarde toenmalig Staatssecretaris Harbers in antwoord op Kamervragen geen informatie te hebben «dat een smokkelnetwerk betrokken is bij de verdwijning van minderjarige Aziatische migranten»?2
Mijn voorganger heeft verklaard dat er bij de uitvoeringsorganisaties geen informatie bekend is dat een smokkelnetwerk betrokken zou zijn bij de vermissing van minderjarige Vietnamese migranten. Dit was toentertijd ook het geval.
Wel zijn er altijd sterke vermoedens geweest van mensensmokkel. Om deze reden zijn er afspraken gemaakt om Vietnamese amv’s standaard in de beschermde opvang te plaatsen.
De indicaties van mensensmokkel die worden genoemd in de artikelen van nos.nl en Argos, die waren reeds bekend bij de uitvoeringsorganisaties, onder andere bij het COA. Op grond hiervan is in het verleden meermaals strafrechtelijk onderzoek gedaan naar zowel mensenhandel als mensensmokkel. Echter op grond van enkel deze indicaties kon nog niet gesteld worden dat er sprake is van een concreet mensensmokkelnetwerk. Wel hebben inmiddels een aantal onderzoeken geleid tot losstaande veroordelingen op grond van mensensmokkel. Voor meer informatie hierover verwijs ik u naar het EMM-onderzoek over Vietnamese amv’s en mijn brief aan uw Kamer, d.d. 23 maart jl., over dit onderzoek.
Erkent u dat de Kamer niet of tenminste onvolledig is geïnformeerd?
De verklaring van mijn voorganger dat er geen indicaties waren van een mensensmokkelnetwerk was correct. Tot op heden is er geen bewijs dat er sprake is van een georganiseerd mensensmokkelnetwerk. De vermoedens en signalen van mensensmokkel zijn er echter al langere tijd. De opmerkingen in de kwartaalrapportages van Jade en Xonar zijn op zichzelf echter niet voldoende om te spreken van een strafbaar feit. Daar is eerst een strafrechtelijk onderzoek voor vereist en het is uiteindelijk aan de rechter om te beslissen of er sprake is geweest van een strafbaar feit. Inmiddels zijn er een aantal losstaande veroordelingen geweest op grond van mensensmokkel.
Waar blijft het onderzoek naar de verdwijning van Vietnamese kinderen dat afgelopen najaar gereed zou zijn?3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel eens dat het belangrijk is dat de bestaande signalen van georganiseerde mensenhandel bij vermiste Vietnamese kinderen serieus genomen moeten worden omdat deze kinderen moeten kunnen rekenen op actieve bescherming door de overheid en dat de daders moeten worden gestopt? Zo ja, welk gevolg gaat u daaraan geven?4
Ik ben het eens met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel dat wanneer zich signalen van georganiseerde mensenhandel voordoen, deze zeer serieus genomen moeten worden. Dit geldt des te meer voor signalen die betrekking hebben op kwetsbare groepen, zoals bijvoorbeeld gestelde alleenstaande minderjarige vreemdelingen. In mijn brief aan uw Kamer omtrent de twee onderzoeken naar vertrek met onbekende bestemming van amv’s d.d. 23 maart jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen ik in dit kader tref. In deze brief ga ik ook specifiek in op Vietnamese amv’s.
Het bericht 'Deeltijdbaan met bijstand werkt niet' |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Deeltijdbaan met bijstand werkt niet»?1
De in het artikel in Trouw geschetste knelpunten zijn mij bekend. Samen met Divosa werk ik in het project Simpel Switchen in de Participatieketen aan de in het artikel geschetste knelpunten, waaronder het wegnemen of verminderen van inkomensonzekerheid.
Erkent u dat het mensen in de bijstand niet makkelijk wordt gemaakt om te gaan werken in deeltijd of in een baan met flexibele uren?
Het is geen kwestie van «niet makkelijk maken». Het uitgangspunt van de sociale zekerheid is dat de bijstand fungeert als een vangnet. Dit vangnet is bedoeld om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Onderdeel van dit vangnet is dat daar verplichtingen tegenover staan zoals het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Wanneer het inkomen uit deze arbeid lager is dan de bijstandsnorm heeft men recht op aanvullende algemene bijstand. Bij het vaststellen van de hoogte van de (aanvullende) bijstand wordt rekening gehouden met de inkomsten uit arbeid en (indien van toepassing) de vrijlating van inkomsten.
Ik ben mij ervan bewust dat dit voor mensen met een deeltijdbaan, gecombineerd met een bijstandsuitkering, tot complexe situaties en inkomensonzekerheid kan leiden, zeker wanneer sprake is van wisselende inkomsten. Dit kan mensen bij voorbaat ervan weerhouden om (meer uren) te gaan werken. Daarom werk ik in het project Simpel Switchen in de Participatieketen samen met Divosa en gemeenten aan oplossingsrichtingen om deeltijdwerken met een aanvullende bijstandsuitkering minder complex te maken.
Bent u bereid de bijverdienmogelijkheden te verruimen zodat alle mensen in de bijstand een percentage kunnen houden van hetgeen zij bijverdienen?
De Participatiewet kent vanwege het vangnetkarakter een vrijlating van inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 215,– per maand voor een periode van maximaal zes maanden. Deze zes maanden hoeven niet aaneengesloten te zijn en kunnen voor verschillende periodes van arbeidsinkomsten worden ingezet. Voor een alleenstaande ouder geldt een vrijlating van inkomsten uit arbeid tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 134,35 per maand voor een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden. In het kader van de experimenten Participatiewet konden de aangewezen gemeenten een ruimere vrijlating van inkomsten toepassen. De vrijlating in het experiment bedroeg 50% van het inkomen tot maximaal € 199,– per maand gedurende 24 maanden (Staatsblad 2017, 69). Uw Kamer wordt t.z.t. geïnformeerd over de doeltreffendheid en de effecten van de experimenten Participatiewet in de praktijk.
Wanneer komt u met oplossingen voor de mensen die naast de bijstand in deeltijd werken en problemen hebben met verschillende uitbetalingsdata, wisselende inkomsten, de dreiging van het wegvallen van toeslagen en een gebrek aan overzicht over het inkomen?
In de Voortgangsbrief Simpel Switchen van 20 november 20192 heb ik uw Kamer geïnformeerd over verschillende oplossingsrichtingen, zoals de Rekentool Simpel Switchen. Deze rekentool helpt gemeenten en UWV om voor uitkeringsgerechtigden transparant te maken wat werken in combinatie met onder andere een bijstandsuitkering of een Wajonguitkering voor het gezinsinkomen betekent. Naar verwachting is de rekentool in het voorjaar van 2020 beschikbaar. De rekentool is behalve een hulpmiddel voor de klantmanager, ook beschikbaar voor onafhankelijke cliëntenondersteuning.
Ook het aspect van de toeslagen heb ik benoemd in bovengenoemde voortgangsbrief. In het IBO Toeslagen is gezocht naar verbeteringen binnen het bestaande toeslagenstelsel en naar alternatieven voor het huidige stelsel van toeslagen. Het aspect van een toekenning op maandbasis in plaats van op jaarbasis is in het IBO aan de orde geweest. Het IBO en de kabinetsreactie op het IBO worden binnenkort naar uw Kamer gezonden.
Erkent u dat mensen in de bijstand die halverwege het jaar een baan vinden het risico lopen hun toeslagen over het gehele jaar te verliezen, waardoor zij er feitelijk niet op vooruit gaan en zelfs vaak in de schulden terecht komen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of toeslagen voortaan per maand toegekend kunnen worden, zodat een bijstandsgerechtigde die bijvoorbeeld op 1 juni een baan krijgt, niet voor het hele jaar zijn toeslagen verliest, maar tot juni zijn toeslagen behoudt omdat dit dan wordt gebaseerd op het maandinkomen?
Zie antwoord vraag 4.
De registratie van kinderen die kort na geboorte zijn overleden maar waarvan geen akte van overlijden is opgemaakt |
|
Carla Dik-Faber (CU), Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat artsen in het verleden (onder andere in de jaren ’80) bij het binnen korte tijd na geboorte overlijden van een kind advies gaven geen aangifte te doen van geboorte en overlijden en dat ouders die dit advies volgden derhalve geen akte hebben van overlijden?
Tot 1 januari 1995 bepaalde de wet dat in geval van een levenloos geboren kind of een kind dat levend ter wereld was gekomen en overleed voordat de termijn voor het doen van geboorteaangifte was verstreken, uitsluitend een akte van levenloos geboren kind werd opgemaakt. Het was toen niet mogelijk om een akte van overlijden te laten opmaken voor kinderen die kort na de geboorte overleden.
Vanaf 1 januari 1995 werd onderscheid gemaakt tussen levenloos geboren kinderen en kinderen die kort na de geboorte overleden. In het laatstgenoemde geval werd voortaan zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.
Er is navraag gedaan bij de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie (NVOG) over de handelwijze van artsen in de periode vóór 1 januari 1995. De NVOG heeft laten weten dat er voor kinderen die kort na de geboorte overleden geen richtlijn bestond en de NVOG geen concrete gevallen bekend zijn waarin het advies werd gegeven om geen aangifte te doen bij de burgerlijke stand.
Klopt het dat ouders in een dergelijke situatie wordt geadviseerd om de rechter te verzoeken het register van geboorte en overlijden aan te vullen met een geboorteakte en een overlijdensakte? Wat is de procedure die ouders vervolgens hiervoor moeten doorlopen?
De Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat
en de nationaliteit (hierna: de Commissie) heeft over dit onderwerp een Officiële Mededeling uitgebracht in 20171 die eind 2019 nog is aangevuld.2 Zij onderkent in haar advies dat zich de situatie kan voordoen dat er geen akte is opgemaakt nadat een kind levend ter wereld is gekomen, maar is overleden voor de aangifte van geboorte.
Voor dat geval stelt de Commissie dat een of beide ouders of de ambtenaar van de burgerlijke stand zich kan wenden tot de rechter voor het toevoegen van de ontbrekende akten aan de registers, overeenkomstig de procedure bedoeld in art. 1:24 lid 1 BW.
Klopt het dat ouders in zo’n geval wordt verteld dat zij hiertoe juridische bijstand van een advocaat moeten inschakelen? Klopt het tevens dat wanneer een ambtenaar van de burgerlijke stand van de betreffende gemeente de officier van justitie aanschrijft om deze te vragen de rechtbank te verzoeken aanvulling van de registers te gelasten, een dergelijk verzoek niet door het openbaar ministerie in behandeling wordt genomen?
Voor het indienen van een verzoek bij de rechtbank op grond van art. 1:24 lid 1 BW is de tussenkomst van een advocaat nodig. Navraag bij het Openbaar Ministerie heeft uitgewezen dat verzoeken van een ambtenaar van de burgerlijke stand aan de Officier van Justitie om ambtshalve een procedure ex art. 1:24 BW te voeren daar niet bekend zijn. In dit verband wordt opgemerkt dat een ambtenaar van de burgerlijke stand -naast het Openbaar Ministerie- bevoegd is om zelfstandig een zodanig verzoek aan de rechter te doen.
Ook hij wordt beschouwd als «belanghebbende» in de procedure ex art. 1:24 BW. Ons zijn enkele gevallen bekend waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand de betrokken ouders op deze wijze ten dienste is geweest.3
Ik begrijp dat, zij het dat in bepaalde gevallen een beroep op de rechtsbijstand mogelijk is.
Ik zal in overleg met de beroepsvereniging van ambtenaren van de burgerlijke stand, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), in kaart brengen wat de omvang van de problematiek is en op basis daarvan nagaan of er aanleiding is om -aanvullend op de bestaande mogelijkheden- ouders nader tegemoet te komen. Ik verwacht Uw Kamer in de tweede helft van dit jaar over de uitkomsten te kunnen berichten binnen de reguliere halfjaarlijkse voortgangsrapportage van het wetgevingsprogramma personen- en familierecht.
Begrijpt u dat het inschakelen van een advocaat voor ouders een kostbare procedure is, terwijl wanneer er wel een overlijdensakte is opgemaakt dit proces zonder tussenkomst van een advocaat kan worden gevolgd?
Ik verwijs naar het antwoord op de vorige vraag.
Ziet u mogelijkheid het proces zodanig aan te passen dat ook registratie zonder tussenkomst van een advocaat mogelijk is, bijvoorbeeld middels de geschetste route via de ambtenaar van de burgerlijke stand en de officier van justitie? Zo nee, ziet u mogelijkheid om voor deze kleine groep te bezien hoe maatwerk kan worden getroffen wanneer het inschakelen van een advocaat om financiële redenen niet haalbaar blijkt?
Bij de eerste inschrijving van een persoon als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) worden op diens persoonslijst gegevens over de kinderen opgenomen. Er worden echter geen gegevens opgenomen over kinderen die al zijn overleden, zonder zelf ingeschreven te zijn geweest.
Zo worden mogelijk pijnlijke situaties voorkomen waarin een ouder verplicht is om bij de aangifte van verblijf en adres inlichtingen over overleden kinderen te verschaffen.
Sinds de inwerkingtreding van de wetswijziging van 3 februari 2019 in verband met het opnemen van gegevens over levenloos geboren kinderen, of omtrent wie een Nederlandse akte is opgemaakt waarin vermeld is dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven was (Stb. 2019, 3 en 32), heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties signalen ontvangen dat in de praktijk behoefte blijkt te zijn aan verdere uitbreiding van de mogelijkheden om deze kinderen in de BRP op te nemen.
Om daarin te voorzien wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel dat onder meer voorziet in de mogelijkheid om op verzoek van de ouder die als ingezetene in de BRP is of wordt ingeschreven, op diens persoonslijst gegevens op te nemen over een kind dat levenloos is geboren of van wie een akte is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven was. Hierbij is niet langer relevant of de ouder ten tijde van de geboorte van het kind als ingezetene of als niet-ingezetene was ingeschreven in de BRP.
Kan u voorts nader toelichten waarom een kind van in Nederland woonachtige ouders, die ten tijde van de geboorte van hun kind in het buitenland woonden, niet kan worden geregistreerd?
Het aanwijzen van het gebied Zuid-Limburg tot NOVI-gebied |
|
Erik Ronnes (CDA), Kelly Regterschot (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat zijn de gehanteerde randvoorwaarden of criteria waaraan een regio of gebied moet voldoen om als «NOVI-gebied» te worden aangewezen?
Er wordt reeds gewerkt aan diverse interbestuurlijke, gebiedsgerichte trajecten zoals bijvoorbeeld het Nationaal Programma Groningen, de bereikbaarheids-programma’s voor de metropoolregio’s Amsterdam, Utrecht en Rotterdam-Den Haag, de woondeals en het IBP Vitaal Platteland. Voor een aantal omvangrijke transities die essentieel zijn voor de inrichting van Nederland wil het kabinet stappen zetten. Dat was de aanleiding om in het ontwerp van de NOVI de zogenoemde «NOVI-gebieden» te introduceren. Dit betreft gebieden met grote integrale opgaves/transities die essentieel zijn voor Nederland, waarbij samenwerking Rijk-regio en verder denken dan bestaande kaders mogelijk noodzakelijk is, met toegevoegde waarde ten opzichte van de huidige inzet.
Het kabinet denkt daarbij bijvoorbeeld aan de enorme ruimtelijke opgave in havengebieden. De transitie van de havens (naar circulair, niet-fossiel, duurzaam) in relatie tot wat dit betekent voor de omgeving van deze havens is een megaoperatie en vraagt een coördineerde rol van de rijksoverheid. De grote transitie van het landelijk gebied is een ander exemplarisch voorbeeld (duurzame toekomst landbouw, versterking natuur, milieu en leefbaarheid). We zijn daar als Rijk en regio dan ook niet voor niets in meerdere gebieden met het IBP Vitaal platteland gestart. Ook bodemdaling, de water-, klimaat- en energieopgave, de veenweideproblematiek en grensoverschrijdende ontwikkeling van grensregio’s vragen om nieuw perspectief.
Bij het aanwijzen van een beperkt aantal NOVI-gebieden gaat het om de volgende criteria: grote integrale opgaves of transities die essentieel zijn voor Nederland, waarbij samenwerking Rijk-regio en verder denken dan bestaande kaders mogelijk noodzakelijk is, met toegevoegde waarde ten opzichte van de huidige inzet. Aandachtspunten daarbij zijn vanzelfsprekend een geografische balans over ons land, aandacht voor alle prioriteiten uit de NOVI, gerichtheid op brede welvaart van Nederland en een langjarig commitment. Het aanwijzen moet dus ook duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte van de huidige trajecten die Rijk en regio al samen oppakken, die waar mogelijk vereenvoudigen en niet onnodig daarmee dubbelen. Dit past bij wat hierover in de ontwerpNOVI is verwoord.
Deze voorbeelden illustreren om welke opgave (in de fysieke leefomgeving) het kan gaan in NOVI-gebieden. De eerste keuzes voor gebieden gebeurt later dit jaar bij het vaststellen van de NOVI. Daarvoor zal er ook bestuurlijk overleg plaats vinden. Op elk moment kunnen eventueel nieuwe gebieden worden toegevoegd of kan de aanpak beëindigd worden als gewenste resultaten zijn behaald.
Welke inzet vanuit het Rijk of welke verwachtingen kunnen aangewezen «NOVI-gebieden» ontleden aan het feit dat men als «NOVI-gebied» is aangewezen?
Bij de NOVI-gebieden wordt extra aandacht gegeven aan en inzet geleverd door Rijk en regio. Dat moet eraan bijdragen dat we de grote, essentiële transities die de NOVI agendeert ook in de praktijk vooruithelpen en daarmee de ambities uit de NOVI waar maken. Vanzelfsprekend doen we dit alleen daar waar die extra inzet toegevoegde waarde biedt bovenop datgene wat we nu al doen in de betreffende regio. Voor een aantal gebieden kan de benoeming tot «NOVI-gebied» een noodzakelijke impuls betekenen, zowel inhoudelijk als qua sturing of governance.
Vanuit het Rijk zal meer dan één ministerie betrokken zijn; het meest betrokken ministerie bij het betreffende gebied zal het proces van rijkszijde trekken. In NOVI-gebieden zullen we werken aan het opzetten van een gezamenlijk Rijk-regio-programma per gebied, inzet van rijksadviseurs en eventuele extra ruimte in de regelgeving. Integraal en samen de complexe en urgente gebiedsgerichte opgaven analyseren (onder meer met ontwerpend onderzoek) en vanuit een langjarig commitment tussen Rijk en regio een gewenste aanpak formuleren, is de kern van de aanpak. Voor elk NOVI-gebied zal een plan van aanpak met mijlpalen worden opgesteld, zo mogelijk als aanvulling en nadere aanscherping of verbreding van een bestaande aanpakken. Ook als voor het halen van de doelen buiten de bestaande kaders acties noodzakelijk zijn, kunnen deze worden verkend. De status NOVI-gebied geeft extra zichtbaarheid aan de gezamenlijke inspanningen, resultaten en knelpunten. Hiermee geven we als één overheid concreet uitvoering aan de NOVI.
Kent u de wens van de Kamer om bij de aanwijzing van NOVI-gebieden rekening te houden met de rol die stedelijke gebieden buiten de Randstad kunnen vervullen in de aanpak van het verstedelijkingsvraagstuk?1
Ja, deze is verwoord in de motie van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 682, nr. 44).
Hebt u kennisgenomen van het document waarin de provincie Limburg voorstelt Zuid-Limburg aan te wijzen als NOVI-gebied, en dat als toelichting dient op de reeds eerder door deze provincie gedane voordracht (d.d. 27 september 2019) om Zuid-Limburg aan te wijzen als NOVI-gebied?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het artikel «Rijk moet met deltaplan voor krimpregio’s komen», waarin de directeur van het Planbureau pleit voor meer Rijksaandacht voor krimpregio’s?3
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de regio Zuid-Limburg, de sterkst verstedelijkte regio van Nederland na de Randstad én krimpregio, een waardevolle en wezenlijke bijdrage aan Nederland levert (en heeft geleverd) en daar met steun van de landelijke overheid nu en in de toekomst nog meer kansen kan verzilveren? Zo nee, waarom niet?
Al de opgaven die de NOVI beschrijft kunnen alleen aangepakt worden als we heel Nederland benutten, en ook zorgen voor een duurzame aansluiting tussen alle delen van Nederland. De ambitie is om voor alle gebieden het ontwikkelpotentieel zo volledig mogelijk te benutten. In Omgevingsagenda’s maken Rijk en medeoverheden landsdelige afspraken en bijbehorende strategieën over de ontwikkeling van de leefomgeving in gebieden. Voor Limburg en Noord-Brabant is hiermee een start gemaakt. Naar verwachting zal deze in het najaar van 2021 gereed zijn. Zuid-Limburg zal een onderdeel worden van deze agenda. In de Omgevingsagenda bepalen we of, en zo ja welke gezamenlijke inzet nodig is om de Zuid-Limburgse opgaven op te pakken en (Eurregionale) kansen te verzilveren.
Deelt u de mening dat de geschetste problematieken van deze verstedelijkte regio, in combinatie met de vele kansen die deze regio biedt, zoals in het document van de provincie Limburg beschreven, aandacht verdienen van de landelijke overheid door een aanwijzing tot NOVI-gebied in de eerste tranche, naast en in aanvulling op de toekenning van de reeds toegekende Regiodeal Parkstad Limburg? Zo nee, waarom niet?
De specifieke problematieken en kansen van Zuid-Limburg hebben de aandacht van het kabinet. Zo hebben wij met een rijksbijdrage van € 40 mln. een regiodeal gesloten voor de ontwikkeling van brede welvaart in Parkstad. In het kader van het gestarte interbestuurlijk programma Leefbaarheid en Veiligheid is Heerlen-Noord een van de zestien geselecteerde stedelijke vernieuwingsgebieden. We werken samen in het interbestuurlijk programma vitaal platteland aan duurzaam water- en bodembeheer in het Zuid-Limburgse heuvelland. Eerder is geïnvesteerd in het realiseren van de A2-traverse Maastricht en momenteel wordt hard gewerkt aan het realiseren van een doorgaande treinverbinding tussen Aken, Heerlen, Maastricht en Luik (drielandentrein). Vanwege de huidige demografische ontwikkeling en de bijkomende stapeling van opgaven werkt het Ministerie van BZK actief samen met de regio’s, buurlanden en andere Rijksdepartementen om grensoverschrijdende groeipotentieel in grensregio’s zoals Zuid-Limburg te verzilveren en een impuls te geven aan de leefbaarheid en economische vitaliteit. Dit richt zich ook op het wegnemen van grensbarrières. Middels twee expertisetrajecten werkt het actieprogramma bevolkingsdaling onder andere aan de kennisuitwisseling over de woningmarkt en energietransitie in gebieden met bevolkingsdaling. De Proeftuin Chemelot (IBP-programmalijn regionale economie als versneller) is in opstart. We hebben oog voor de specifieke opgaven voor de transitie van lineaire naar meer circulaire productie en de verduurzaming van Chemelot (zie ook de antwoorden op vragen van de leden Amhaouch en Agnes Mulder (beiden CDA) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over het bericht «Chemelot zet vol in op energie- en chemiesnelweg» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2413).
Het kabinet zal bij het vaststellen van de NOVI, en voorafgaand daaraan in bestuurlijk overleg met de mede-overheden, haar keuze maken voor welke gebieden in Nederland op dit moment het ruimtelijk fysieke instrument «NOVI-gebied» ingezet wordt, en voor welke gebieden dit later aan de orde kan zijn. Zuid-Limburg zal daarin zeer zeker, ook vanwege de bestuurlijke energie die er in Limburg zelf op zit, in worden meegewogen.
Deelt u de mening dat de regio Zuid-Limburg vanwege de sociaal-economische problematiek, de fysieke leegstand van veel gebouwen in relatie tot de Woningmarktagenda, de huidige arbeidsmarktsituatie, de slechtere score van de inwoners op de gezondheidslijstjes in combinatie met de status van krimpregio ondersteuning nodig heeft in de vorm van een aanwijzing tot NOVI-gebied? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat juist de regio Zuid-Limburg een sterke grensregio kan worden, met veel nieuwe banen en mogelijkheden voor mensen in de Euregio Maas-Rijn, met een aanwijzing tot NOVI-gebied, die als katalysator voor deze ontwikkeling kan dienen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de huidige samenwerkingsvormen en bestuurlijke organisatievormen in Zuid-Limburg zodanig zijn dat, na de aanwijzing van Zuid-Limburg tot NOVI-gebied, een doorontwikkeling van deze regio geborgd is? Zo nee, waarom niet?
Die doorontwikkeling zal niet alleen daarvan afhangen. De bestuurlijke samenwerking en uitvoeringskracht van de samenwerkingsverbanden in Zuid-Limburg heeft onze aandacht, in het bijzonder de samenwerking in Parkstad Limburg. In dit kader is mijn ministerie in gesprek met de gemeenten in Parkstad om te komen tot versterking van de bestuurs- en uitvoeringskracht. Dit op basis van een verkenning die de gemeenten onlangs hebben afgerond naar de mogelijkheden voor herijking van de intergemeentelijke samenwerking. Dit traject in Parkstad wordt nadrukkelijk in het brede perspectief van de bestuurlijke samenwerking in heel Zuid-Limburg geplaatst.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóórdat de definitieve NOVI naar de Kamer wordt gestuurd?
Ja, bij dezen.
De gevolgen van de Kraanwatercrisis voor de Volksgezondheid |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Lood in water bij 14 Amsterdamse basisscholen en 56 wooncomplexen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Kraanwatercrisis een bedreiging voor de Volksgezondheid vormt en dat de overheid moet optreden om de volksgezondheid te beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer komt u eindelijk in actie met een plan om mensen te beschermen?
Ik begrijp de zorg van mensen over de mogelijke aanwezigheid van loden leidingen. Uit het advies van de Gezondheidsraad: «Loodinname via drinkwater» blijkt opnieuw dat de inname van lood via het drinkwater negatieve gezondheidseffecten kan hebben, vooral op de hersenontwikkeling van kinderen. Het is daarom goed dat mensen zich ervan bewust zijn dat dit kan spelen in een woning of gebouw van vóór 1960. In de kabinetsreactie2 op het advies van de Gezondheidsraad heeft de Minister van I&W, mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport en mijzelf een groot aantal acties aangekondigd om de loodproblematiek aan te pakken. Deze acties zijn ingezet en toegezegd is om over de ingezette acties en over de nadere invulling van het plan van aanpak in april 2020 aan de Kamer verslag te doen. De hierover aangekondigde brief is enigszins vertraagd in verband met de Coronacrisis en zal voor het zomerreces worden verzonden.
Is het bij u bekend dat er bij een gezin met vier kinderen 115 mg lood in het kraanwater is aangetroffen, dat dit gezin er al 18 jaar woont en alle gezinsleden met een of meerdere ernstige, medische gevolgen te maken hebben en de kinderen leer- en concentratieproblemen ondervinden?
Ja. Ik heb kennis genomen van het bericht dat hierover op 14 februari 2020 op de website van PvdA Amsterdam-Noord is verschenen3.
Wat doet de overheid voor mensen wanneer zij langjarig zijn blootgesteld aan loodvervuiling en kampen met ernstige klachten?
Voor mensen met gezondheidsklachten is in Nederland een uitgebreid stelsel van gezondheidszorg beschikbaar. Bezien moet worden of dergelijke klachten te relateren zijn aan blootstelling aan lood of dat er andere oorzaken aan ten grondslag liggen. Echter, gezondheidsschade als gevolg van chronische loodvergiftiging is helaas niet te herstellen. Daarom zet de overheid in op het voorkomen van loodvergiftiging door het stellen van normen aan het gehalte aan lood in voedsel, drinkwater en allerhande producten.
Welke maatregelen nemen kinderdagverblijven en basisscholen om de gezondheid van kinderen te beschermen? Gaat u maatregelen nemen om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat kinderdagverblijven en scholen de kinderen een veilige omgeving bieden. Veilig drinkwater hoort daar bij. Vanuit deze verantwoordelijkheid hebben de beheerders van de betreffende gebouwen de plicht om te onderzoeken of er sprake is van loden waterleidingen in het gebouw, als dat zo is deze te saneren en in afwachting daarvan een alternatieve watervoorziening aan te bieden.
De overheid zal er op toezien dat beheerders van kinderdagverblijven en scholen hun verantwoordelijkheid nemen. Zoals ik eerder heb aangegeven verwacht ik van gemeenten dat zij zich er voor inzetten dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of gemeentelijke gebouwen nog loden leidingen bevatten en zo ja, dat deze zo snel mogelijk loodvrij worden gemaakt. Als het gaat om kindlocaties in het algemeen verwacht ik dat GGD’en hier een rol inspelen. Met hen wordt overlegd om na te gaan of zij voldoende initiatieven nemen om toezicht uit te oefenen en op welke manier zij daarbij kunnen worden ondersteund. Vanwege de Coronacrisis verloopt deze afstemming trager dan gewenst. Ik zal u hierover binnenkort nader informeren, in de toegezegde brief over de stand van zaken van de acties uit de kabinetsreactie bij het Gezondheidsraadrapport.
Kunt u een overzicht bieden per gemeente van de uitkomsten van onderzoeken naar de aanwezigheid van loden leidingen en de ondernomen acties?
Vooral de gemeente Amsterdam is tot nog toe actief geweest om vanuit de gemeente inzicht te krijgen in het aantal adressen waar nog (delen van) loden leidingen aanwezig zijn. De nadruk ligt daarbij op huurwoningen, kindlocaties en gemeentelijk bezit. De gemeente heeft een veelomvattende loodaanpak ingezet en doet daarover regelmatig verslag aan de Raad.
Ook enkele andere gemeenten hebben onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld kindlocaties. Nog niet alle gemeenten hebben actie ondernomen op het terrein van loden leidingen. Gemeenten zouden er in elk geval zorg voor moeten dragen dat het gemeentelijk bezit veilig is. De VNG kan hier een informerende en stimulerende rol spelen. GGD’en kunnen een rol spelen bij het loodvrij maken van kindlocaties.
Het onderzoeken en in kaart brengen van de eventuele aanwezigheid van resterende (stukken) loden leidingen is uiteindelijk een zaak van de gebouweigenaren, om vervolgens te kunnen saneren.
Welke rechten hebben huurders die jarenlang met lood vergiftigd kraanwater hebben gedronken, omdat verhuurders hebben geweigerd deze te vervangen? Hebben mensen recht op compensatie als een verband kan worden aangetoond tussen langdurige loodinname en gezondheidsklachten?
Verhuurders hebben loden leidingen over het algemeen vervangen, bijvoorbeeld bij renovatie of mutatie. Wanneer duidelijk wordt dat er nog loden leidingen aanwezig zijn en een verhuurder expliciet weigert deze loden leidingen te vervangen, dan kan de huurder naar de huurcommissie voor huurverlaging of naar de rechter voor huurverlaging en om het saneren van de loden leidingen af te dwingen. Wanneer er nog loden leidingen aanwezig zijn of wanneer niet bekend is of deze nog aanwezig zijn, dan geldt het advies om tot het moment van vervanging ander water te drinken. Voorlichting hierover is van groot belang.
De wet kent de mogelijkheid van een schadevergoeding in het geval van een onrechtmatige daad. Schade moet dan wel worden aangetoond.
Welke gezondheidsklachten bij volwassenen worden in verband gebracht met langdurige loodinname?
De Gezondheidsraad geeft in haar signaleringsadvies van 6 november 2019 aan dat langdurige inname van lood bij volwassenen het risico kan vergroten op hart- en vaataandoeningen en chronische nierziekte.
Gaat u mensen beter informeren over de gezondheidsgevolgen van langdurige loodinname? Op welke wijze worden mensen op dit moment voorgelicht? Vindt u dat bijvoorbeeld de GGD mensen moet informeren?
Voorlichting is een belangrijk onderdeel van de aanpak van loden leidingen. Mensen kunnen zich via verschillende kanalen informeren over het feit dat het drinken van water uit loden leidingen nadelige gevolgen voor de gezondheid kan hebben. Het uniformeren van de verschillende boodschappen was één van de acties die de Gezondheidsraad adviseerde en die inmiddels is uitgevoerd.
Met de GGD’en vindt overleg plaats over de mogelijkheden van een meer gerichte voorlichtingscampagne. De ontwikkelingen rond het Coronavirus maken zo’n campagne op de korte termijn echter moeilijk te realiseren.
Vindt u ook dat gemeenten mensen actief moeten benaderen en wijzen op de mogelijke aanwezigheid van loden leidingen? Zo ja, wanneer gaat u dit afdwingen? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat mensen in het ongewisse blijven met alle gevolgen voor de gezondheid van dien?
Ik vind het belangrijk dat van alle gebouwen en woningen met een bouwjaar vóór 1960 wordt vastgesteld of er nog loden leidingen aanwezig zijn. Idealiter worden alle eigenaren en/of gebruikers van panden van vóór 1960 dan ook nog een keer actief benaderd om hen erop te wijzen dat er in het pand nog (stukken) loden leiding aanwezig kunnen zijn. Voor verschillende eigenaren/gebruikers kan dit op verschillende manieren plaatsvinden. Ik onderzoek nog wat voor de verschillende groepen de beste methode is. Een campagne via de GGD’en is op dit moment moeilijk te realiseren.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een alternatieve watervoorziening moet komen totdat de leidingen zijn vervangen? Heeft u daarbij ook oog voor ouderen en mensen die minder goed ter been zijn, omdat zij niet in staat zijn om naar een tappunt te lopen?
Als er sprake is van loden waterleidingen, of wanneer niet bekend is of die er nog zijn, dan is het gebruik van ander water inderdaad aanbevolen, zolang de leidingen niet zijn vervangen. Dit kan water uit flessen of pakken zijn, of er kan een alternatief watertappunt worden gebruikt of aangelegd. Ik zie heel goed dat het halen van water uit de winkel of van een apart watertappunt extra belastend is voor mensen die slecht ter been zijn. Een mogelijkheid is om te laten bezorgen of om een (tijdelijk) tappunt aan te leggen na de watermeter. De mogelijkheid van het (tijdelijk) gebruik van filters is onvoldoende onderzocht voor de Nederlandse situatie om dit vanuit de overheid te kunnen aanbevelen.
Bent u van mening dat de verhuurder zou moeten opdraaien voor de kosten van flessenwater als alternatieve watervoorziening niet voorhanden is? Zo ja, hoe gaat u dit afdwingen? Zo nee, waarom niet?
Een verhuurder is verplicht het gebrek te herstellen, dat wil zeggen de leidingen te saneren. In afwachting daarvan geldt een advies voor het drinken van ander water. Ook kan de huur tijdelijk worden verlaagd via de huurcommissie of de rechter zolang het herstel nog niet heeft plaatsgevonden. Hoewel de verhuurder hier formeel niet toe is verplicht acht ik zeer wenselijk dat de verhuurder de huurder faciliteert bij het drinken van ander water, bijvoorbeeld door het installeren van een tijdelijk tappunt na de meter.
Bent u bereid de aanwezigheid van loden leidingen aan te merken als formeel gebrek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
De huurcommissie heeft in haar Gebrekenboek, aansluitend op de norm uit de drinkwaterregelgeving, een loodconcentratie van gemiddeld meer dan 10 microgram/L benoemd als een gebrek. Het ligt in de lijn der verwachting dat een rechter de lijn van de huurcommissie volgt.
Ik heb eerder aangekondigd dat ik daarnaast de mogelijkheid van een meldingsplicht bij verkoop of verhuur te willen onderzoeken. Verder onderzoek ik
de mogelijkheid van een verbod op loden leidingen voor bestaande bouw waarbij ik naast de voordelen voor de volksgezondheid ook kijk naar aspecten als uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. In de toegezegde brief over de stand van zaken van de acties uit de kabinetsreactie bij het Gezondheidsraadadvies kom ik op dit onderzoek terug.
Ben u bereid eigenaren van openbare gebouwen en verhuurders te verplichten loden leidingen te vervangen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
De aanwezigheid van een te hoge loodwaarde in het kraanwater geldt als een gebrek. Verhuurders zijn daarmee verplicht loden leidingen te vervangen.
Zoals ik eerder heb aangegeven verwacht ik van gemeenten dat zij zich ervoor inzetten dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of gemeentelijke gebouwen nog loden leidingen bevatten en zo ja, dat deze zo snel mogelijk loodvrij worden gemaakt. Ook het Rijksvastgoedbedrijf onderneemt een dergelijke actie.
Heeft het ministerie destijds gecontroleerd of verhuurders zich aan de afspraak hebben gehouden om in 2005 alle loden leidingen te hebben vervangen? Zo ja, hoe is het mogelijk dat 200.000 woningen nog loden leidingen hebben? Zo nee, waarom is daar niet toe besloten?
Verhuurders hebben destijds een inspanningsverplichting afgesproken. Het beleid van verhuurders was erop gericht loden leidingen te vervangen, en er zijn sindsdien ook veel loden leidingen vervangen, bijvoorbeeld bij renovatie of mutatie. Ook bij sloop en vervangende nieuwbouw zijn loden leidingen verdwenen. Er is geen registratie van bijgehouden. Het was onbekend hoeveel resterende (stukken) loden leidingen er in 1998 nog waren en ook hoeveel er nu nog zijn. Het getal van 200.000 is een schatting van de Gezondheidsraad. De drinkwaterbedrijven troffen in het kader van de steekproefsgewijze monitoring van de drinkwaterkwaliteit in de periode 2014–2018 bij metingen van binnenhuisinstallaties in 1,1% van de genomen monsters een loodconcentratie boven de 10 microgram/L aan. Dit waren individuele metingen, niet bekend is wat dit betekent voor de gemiddelde loodwaarde van het drinkwater aan het betreffende tappunt, waar de norm betrekking op heeft.
Wat is uw oordeel over het feit dat verhuurders in strijd met de afspraken hebben geweigerd loden leidingen te vervangen en daarmee willens en wetens huurders gezondheidsschade hebben berokkend?
Als loden leidingen in huurwoningen nog niet zijn vervangen betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat verhuurders geweigerd hebben loden leidingen te vervangen. In dat geval had de huurder zich immers bij overschrijding van de norm tot de huurcommissie of rechter kunnen wenden. Het kan ook zijn dat leidingen over het hoofd zijn gezien of dat er onvoldoende onderzoek is gedaan. Ik verwacht dat verhuurders dit onderzoek nu alsnog doen, en hiertoe ook zelf het initiatief nemen en niet wachten tot ze aangesproken worden door hun huurders.
Klopt het dat de aanwezigheid van loden leidingen in 2005 door de Huurcommissie is ingedeeld in «categorie c« (overige ernstige gebreken)? Zo ja, welke indeling gold daarvoor en op basis van welke argumenten is overgegaan tot een andere indeling? Wat zijn de gevolgen van een andere indeling?
Lood in drinkwater is zo’n 20 jaar geleden door enkele huurcommissies als gebrek aangemerkt, en later door de huurcommissies gezamenlijk in het Gebrekenboek opgenomen. Het besluit huurprijzen woonruimte kent drie categorieën gebreken: de A-, B- en C-gebreken, waarvan de A-gebreken het ernstigst zijn. Bij aanwezigheid van deze gebreken is in afwachting van herstel een huurkorting van respectievelijk maximaal 80, 70 of 60% mogelijk. De inhoud van de categorie C-gebreken is niet geheel in het Besluit huurprijzen woonruimte benoemd maar kan door de huurcommissie in het Gebrekenboek nader ingevuld worden, hetgeen dus ten aanzien van de loden leidingen is gebeurd. In alle gevallen dient de huurverlaging die door de huurcommissie wordt toegekend ertoe om de verhuurder te bewegen het geconstateerde gebrek te herstellen. Op grond van het algemene huurrecht is een verhuurder verplicht gebreken te herstellen.
Welke norm voor loodconcentraties in water wordt gehanteerd in de Europese Unie? Heeft Nederland altijd dezelfde norm gehanteerd? Zo nee, waarom hanteerde Nederland een afwijkende norm?
In de Europese Unie geldt op basis van de EU Drinkwaterrichtlijn (1998) sinds 2013 een norm voor de concentratie lood in voor menselijke consumptie bestemd water van gemiddeld 10 microgram/L (daarvoor 50 microgram/L). Bij de aanpassing van Waterleidingwet en -besluit in 2000, is ter implementatie van de EU Drinkwaterrichtlijn in Nederland al de norm van 10 μg/l aan de kraan ingevoerd. Dit is destijds in Nederland besloten op basis van een advies van de Gezondheidsraad uit 1997 om de loodnorm te verlagen van 50 naar 10 microgram/L vanwege de gezondheidseffecten voor jonge kinderen. Bij de aanstaande herziening van de EU-Drinkwaterrichtlijn gaan scherpere voorschriften gelden. U wordt hier in de toegezegde brief nader over geïnformeerd.
Nu blijkt dat verschillende methodes worden gehanteerd om de loodconcentratie in het water te bepalen, gaat u duidelijkheid verschaffen en een methode voorschrijven? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom acht u het verschaffen van duidelijkheid niet belangrijk?
Wanneer door visuele inspectie niet duidelijk is of er nog (stukken) loden leidingen aanwezig zijn dan kan een test een indicatie geven of er loden leidingen aanwezig zijn. Hiervoor heeft het RIVM recent een methodiek gepubliceerd: de stagnatiemethode. Deze is te vinden op de website van het RIVM. Hierbij wordt de loodwaarde gemeten na een periode van zes uur stilstand. Dat geeft de meeste kans om loden leidingen op te sporen.
Om te bezien of de loodnorm in het drinkwater wordt overschreden moet een andere methode worden toegepast. Dit kan met de methode van proportionele monstername. Bezien wordt nog of hier een eenvoudiger methode mogelijk is.
Om te zien wat de gemiddelde loodwaarde in een drinkwatergebied is, is een methode voorgeschreven waarbij bij verschillende gebouwen op verschillende momenten van de dag het loodgehalte gemeten wordt. De resultaten worden gemiddeld en dit geeft dan een beeld van de gemiddelde loodbelasting in een distributiegebied, maar niet van de overschrijding van de drinkwaternorm bij individuele gebouwen.
Tot welke organisatie kunnen huurders zich wenden bij geschillen over de meetmethode of geschillen over het al dan niet tijdig verwijderen van loden leidingen?
Huurders kunnen zich bij geschillen over het herstel van gebreken zoals een te hoge loodconcentratie in het drinkwater wenden tot de huurcommissie bij woningen met een gereguleerde huurprijs en tot de rechter.
Het bericht dat werkgevers in zee gaan met kleine vakbonden om cao’s te sluiten met voor hen gunstige voorwaarden |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw reactie op de reportage van Human en VPRO’s Argos, waaruit blijkt dat steeds meer werkgevers in zee gaan met kleine vakbonden om collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) te sluiten met voor hen gunstige voorwaarden?1
Ik heb kennisgenomen van de reportage. Het afsluiten van cao’s is een zaak van werkgevers en werknemers. In ons stelsel staan contractsvrijheid en vrijheid van vereniging centraal en bepalen cao-partijen zelf met wie zij cao-onderhandelingen voeren en een collectieve arbeidsovereenkomst afspreken. Er worden geen eisen gesteld aan de partijen die een cao willen afsluiten, anders dan een statutaire bevoegdheid hiertoe. Een cao kan dus ook met een kleinere bond worden afgesloten.
De discussie over het functioneren van het cao-stelsel en de representativiteit en legitimiteit van vakbonden is niet nieuw. Wat in de discussie telkens naar voren komt is dat het vooral van belang is dat cao’s, cao-afspraken en de rol van vakbonden positief beoordeeld worden. Het is uiteindelijk het feitelijk draagvlak dat telt.
Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2019 blijkt dat er voldoende draagvlak voor de cao en de inzet van vakbonden bestaat. Zo zijn de meeste werknemers tevreden tot heel tevreden (75,7%) over hun cao en tevreden tot heel tevreden (76%) over de vertegenwoordiging van hun belangen door vakbonden.
Herkent u het beeld dat werkgevers gaan shoppen bij kleine vakbonden, zoals Alternatief Voor Vakbond (AVV), Landelijke Belangen Vereniging (LBV) en Qlix die amper leden hebben, om cao’s af te sluiten waar vaak vele tienduizenden werknemers mee te maken krijgen?
Zoals gezegd in mijn antwoord op vraag 1 bepalen cao-partijen zelf met wie zij cao-onderhandelingen voeren en een collectieve arbeidsovereenkomst afspreken. Het cao-overleg is niet in beton gegoten en de ervaring leert dat vakbonden die eerder niet meededen, bij de volgende cao-onderhandelingen vaak weer aan tafel zitten.
Uit de rapportage cao-afspraken die ik jaarlijks aan uw Kamer aanbied, blijkt dat het aantal cao’s dat wordt afgesloten de afgelopen jaren iets is gedaald, van 701 cao’s in 2014 naar 651 cao’s in 2018. Het aantal werknemers dat onder een cao valt is echter iets toegenomen, van 5,5 miljoen in 2014 naar 5,6 miljoen in 2018.
Uit een eerste onderzoek naar 600 bedrijfstakken en ondernemingen blijkt dat op peildatum augustus 2018 FNV in 80% van de bedrijfstakken en ondernemingen betrokken was bij de totstandkoming van de actuele cao. CNV was in diezelfde periode bij 60% van de cao’s betrokken en De Unie bij 21% van de cao’s. In 9% van de bedrijfstakken en ondernemingen (51 van de 600) zijn geen van deze drie bonden partij, maar één of meer van de overige bonden, zoals AVV en LBV, maar ook bonden voor specifieke sectoren of beroepsgroepen zoals VHP en VNV.
Of er sprake is van een toename van het aantal cao’s dat met één van de overige bonden is afgesloten is op dit moment niet met zekerheid te zeggen. Daarom zal ik nader onderzoek doen naar de ontwikkeling van cao’s over een langere periode om een beter overzicht te kunnen geven van de betrokkenheid van vakbonden bij de totstandkoming van cao’s.
Klopt het dat afgelopen jaren tientallen cao’s zijn afgesloten door AVV, LBV en Qlix in sectoren met in totaal vele tienduizenden werknemers? Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal door «minibonden» afgesloten cao’s de afgelopen tien jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de cao voor callcenters die bekend staat als «de slechtste cao van Nederland» die, omdat die is ondertekend door minivakbond Qlix, nu van toepassing is op tienduizenden werknemers?
Zoals gezegd is het afsluiten van cao’s een zaak van werkgevers en werknemers. Het onderhandelen over arbeidsvoorwaarden en de afspraken die partijen maken zijn afhankelijk van de omstandigheden in de betreffende sector. Ik speel daarbij geen rol en het is dan ook niet aan mij om hier een oordeel over te vellen.
Wat is uw reactie op de cao Schilders waarbij grote bonden als FNV en CNV met duizenden leden in de branche zijn gepasseerd doordat werkgevers in zee gingen met de in de schildersbranche totaal onbekende LBV?
Zoals gezegd is het aan cao-partijen om te bepalen op welke wijze en met wie zij de onderhandelingen ingaan. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Wat is uw reactie op het gegeven dat minibond AVV volgens het jaarverslag 2018 voor 95 procent van hun inkomsten afhankelijk is van bijdragen van werkgevers? Vreest u niet dat dit de onafhankelijkheid aantast, zoals ook de bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen stelt?
In ons stelsel profiteren ook ongebonden werknemers van de inspanningen aan de overlegtafel door werkgevers(verenigingen) en werknemersverenigingen. Het uitgangspunt is dat een vakbond zich opstelt in het belang van alle werknemers in de betreffende sector en niet alleen opkomt voor de belangen van hun eigen leden. In dat kader wordt in veel cao’s afgesproken dat de betrokken vakbonden een werkgeversbijdrage ontvangen als vergoeding voor de bijdrage aan het cao-overleg. Vakbonden ontvangen dus naast inkomsten uit ledencontributies, vaak ook bijdragen van werkgevers.
Op grond van artikel 2 van ILO-verdrag 98 geldt dat werknemersorganisaties beschermd moeten worden tegen inmenging van werkgevers of werkgeversorganisaties. Werkgevers- en werknemersverenigingen moeten onafhankelijk van elkaar zijn. Dat wil zeggen dat ze vrij moeten zijn van inmenging van de één in de zaken van de ander bij de oprichting, de uitoefening van werkzaamheden en het beheer van hun organisaties. De werkgevers of werkgeversorganisaties mogen geen (financiële) steun verlenen aan werknemersorganisaties met het doel hen onder hun controle te brengen of te beïnvloeden. Wanneer een klager meent dat sprake is van overtreding van deze bepaling, zal hij aannemelijk moeten maken dat door het verlenen van steun met financiële of andere middelen aan werknemersorganisaties beoogd is om deze organisaties onder controle van werkgevers of werkgeversorganisaties te plaatsen.
De ILO kent bovendien een toezichtmechanisme waarin naleving van de regels uit de verdragen wordt gecontroleerd. Zo dienen lidstaten te rapporteren over de wijze waarop de principes uit ILO-verdragen worden nageleefd. Deze rapportages worden geanalyseerd door een onafhankelijke Commissie van Experts. Uit deze analyses vloeit een rapport voort dat jaarlijks tijdens de Committee on the Application of Standards (CAS) wordt besproken. De conclusies van het CAS ten aanzien van landen waar problemen zijn met de implementatie of de uitvoering van ILO-verdragen worden aan de Internationale Arbeidsconferentie gepresenteerd en daar geaccordeerd.
Het toezichtmechanisme van de ILO kent ook de procedure van het Committee on the Freedom of Association (CFA). Hier kunnen werknemers- en werkgeversorganisaties bijvoorbeeld een klacht indienen wanneer in een lidstaat het principe van collectief onderhandelen, zoals vastgelegd in ILO-Verdrag 98, niet correct zou worden nageleefd. Het CFA oordeelt of sprake is van niet correcte naleving en kan vervolgens aanbevelingen doen aan de betreffende lidstaat.
Wat is uw reactie op de door minibond AVV afgesloten cao Retail Non-Food, waarbij 269 stemmen voor een cao voor bijna 200.000 werknemers mogelijk hebben gemaakt? Bent u van mening dat het «draagvlakmodel» van AVV goed werkt?
Allereerst wil ik erop wijzen dat bij de cao Retail Non-Food naast AVV ook de werknemersorganisaties CNV Vakmensen en De Unie als cao-partij zijn aangesloten. Dat gezegd hebbende wil ik benadrukken dat het van groot belang is dat er draagvlak bestaat voor cao-afspraken en dat het aan cao-partijen is om dit te bewerkstelligen. De SER heeft in 2013 advies uitgebracht over de mogelijkheden het draagvlak van cao-afspraken te verbreden («Verbreding draagvlak cao-afspraken»). De SER raadt in haar advies aan niet alleen de eigen achterban, maar ook niet-leden te betrekken bij de totstandkoming van de cao. Sindsdien zijn door verschillende vakbonden initiatieven ontplooid om een breder draagvlak te creëren. Het is niet aan mij om een waardeoordeel te geven over specifieke cao-onderhandelingen en de wijze waarop partijen het proces daarbij hebben vormgegeven.
Hoe staat u tegenover het idee van de bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen om een representativiteitstoets als voorwaarde te stellen voor het algemeen verbindend verklaren van een cao?
Binnen ons systeem wordt bij een verzoek tot algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen getoetst of de cao al geldt voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen en dus representatief is. Hierbij is de verhouding tussen het aantal werknemers in dienst van de gebonden werkgevers ten opzichte van het totaal aantal werknemers in de bedrijfstak bepalend voor het oordeel of voldaan is aan het meerderheidsvereiste. Het aantal vakbondsleden is hierbij geen criterium.
Zoals gezegd is de discussie over het functioneren van het cao-stelsel en de representativiteit en legitimiteit van vakbonden niet nieuw. In 2012 is het debat hierover aanleiding geweest de SER te vragen of er nagedacht moet worden over een herstructurering van het cao- en avv-stelsel. In het hierboven genoemde SER-advies «Verbreding draagvlak cao-afspraken» concludeert de SER dat een herstructurering van het stelsel niet nodig is om draagvlak en effectiviteit te behouden. Ook de tevredenheidscijfers uit de NEA 2019 en de geschetste ontwikkelingen in de rapportage cao-afspraken geven niet direct aanleiding om een herstructurering te overwegen. Dit betekent niet dat het onderwerp geen blijvend punt van aandacht is.
Deelt u de zorgen dat het cao-stelsel wordt ondergraven door minibonden die amper leden hebben en financieel vrijwel geheel afhankelijkheid zijn van werkgevers? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om, zoals ook de bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen voorstelt, dit onderwerp op de agenda te zetten van de polder, bijvoorbeeld in de sociaaleconomische Raad (SER) of bij de Stichting van de Arbeid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ons stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming is van groot belang voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen en positieve sociaaleconomische ontwikkelingen. Samen met het instrument van algemeenverbindendverklaring (avv) zorgen cao’s voor stabiele arbeidsverhoudingen, arbeidsrust, een gelijk speelveld en wordt zelfregulering door sociale partners mogelijk gemaakt. Het is daarom van wezenlijk belang ons cao-stelsel te beschermen. Het draagvlak voor cao-afspraken is daarvoor een belangrijke voorwaarde. Op dit moment concludeer ik dat er voldoende waardering bestaat. Om het cao-stelsel te behouden en te beschermen is het echter van belang dat het draagvlak voor cao-afspraken en de tevredenheid over cao’s ook gewaarborgd blijft. Daarom ben ik bereid het onderwerp te agenderen bij de sociale partners en met hen hierover in gesprek te gaan.
De resultaten van het drijfmestonderzoek van Vanhoof en Nigten |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomsten van het drijfmestonderzoek van de heren Vanhoof en Nigten?1
Ja.
Hoe waardeert u het feit dat uit het onderzoek het belang van voerkwaliteit, mestkwaliteit en bodembiologie blijkt, terwijl in het beleid deze aspecten relatief weinig aandacht krijgen en hier niet op gestuurd wordt?
Inzetten op goed voer, goede mestkwaliteit en bodemkwaliteit vind ik van groot belang. Hiervoor is ook uitdrukkelijk aandacht in onder andere mijn visie op Landbouw, Natuur en Voedsel, het nationaal bodemprogramma en de aanpak van het kabinet om stikstofemissies te verminderen (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 5, Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 76, Kamerstuk 30 015, nr. 58, Kamerstuk 35 334, nr. 1 en 44). Goed voer, goede mestkwaliteit en bodemkwaliteit zijn ook in het belang van de boer zelf en hij/zij kan hierin de juiste keuzes maken. Het is belangrijk dat het beleid een integrale afweging mogelijk maakt, waar mogelijk zonder negatieve afwentelingen op andere milieucompartimenten.
In hoeverre deelt u de analyse in het genoemde onderzoek voor wat betreft het effect van emissiearme vloeren op mestkwaliteit, ammoniakvorming en explosiegevaar?
In oktober 2019 heeft het CBS een rapport gepubliceerd over een studie naar stikstofverliezen uit stallen en mestopslagen, waaruit blijkt dat de N-verliezen uit mest gemiddeld groter zijn dan eerder is berekend. Momenteel stelt de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) op mijn verzoek een advies op over de mogelijke implicaties van de CBS-studie en te nemen acties (zie ook Kamerstuk 35 334, nr. 45 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1004). Dit advies wordt begin september 2020 verwacht. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en ik laten ook een onderzoek uitvoeren naar de veiligheid van emissiearme vloeren. Het onderzoek moet inzicht bieden in de veiligheid van emissiearme vloeren en de verschillen daarin ten opzichte van gangbare roostervloeren. De uitkomsten worden in najaar 2020 verwacht (zie ook Kamerstuk 29 383, nr. 345). Wij zullen de onderzoekers vragen om de resultaten van het drijfmestonderzoek daarbij te betrekken.
Kunt u aangeven of, en zo ja welk, onderzoek er loopt naar de risico’s van emissiearme vloeren? Wordt de analyse zoals geschetst in het genoemde rapport van Vanhoof en Nigten daarbij betrokken?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre deelt u de analyse in het genoemde onderzoek voor wat betreft het mogelijke effect van de gebruikte toedieningstechniek (zodebemester, sleufkouter of bovengronds uitrijden) op ammoniakemissie, uitspoeling en bodemleven?
Ik waardeer het dat de onderzoekers gegevens hebben verzameld over stikstof in mest en de relatie met het toedienen ervan. De uitgevoerde analyses roepen echter nog wel vragen op. Er is meer inzicht nodig in de afwegingen die zijn gemaakt en hoe de deelnemende bedrijven geselecteerd zijn. Zo valt bijvoorbeeld op dat maar ongeveer de helft van de 135 bemonsterde bedrijven meegenomen is in de gebruikte analyses waaruit de belangrijkste conclusies zijn getrokken. Het zou waardevol zijn als het onderzoek in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift wordt gepubliceerd omdat zo’n publicatie een wetenschappelijke review vereist.
Hoe waardeert u de uitkomsten van het onderzoek in het licht van uw visie op kringlooplandbouw?
Ik waardeer het dat deze groep boeren zich inzet om de kringloop op hun bedrijf te sluiten. Ik waardeer het ook dat deze boeren extra informatie hebben willen verzamelen om onderzoek naar hun aanpak mogelijk te maken.
Bent u voornemens vervolgonderzoek uit te zetten op basis van het genoemde onderzoek, met inachtneming van de reactie van de Wageningen Universiteit, en de onderzoekers Vanhoof en Nigten daarbij te betrekken?2
In eerste instantie is het van belang dat de onderzoeksresultaten wetenschappelijk gereviewd worden, zoals gebruikelijk bij de publicatie van resultaten in wetenschappelijke artikelen. Indien de resultaten na wetenschappelijke review en publicatie er aanleiding toe geven, kan vervolgonderzoek op zijn plaats zijn.
Bent u voornemens de aspecten voerkwaliteit, mestkwaliteit en bodembiologie de aandacht te geven die ze verdienen in het licht van de opgaven met betrekking tot ammoniakemissie, waterkwaliteit, bodembeheer en kringlooplandbouw? Zo ja, hoe?
Bij de opgaven die nu voorliggen worden integrale afwegingen gemaakt, waarbij meerdere aspecten die bijdragen aan het sluiten van kringlopen mee worden genomen. Dat betreft ook voerkwaliteit, mestkwaliteit en bodembiologie. Daarbij is het van belang dat bij genomen maatregelen afwenteling op andere thema’s wordt voorkomen.
Ziet u mogelijkheden voor validatie en toepassing van de relatief goedkope Solvita-methode voor het meten van ammoniakemissie uit mest, zodat deze ammoniakemissie beter in beeld gebracht kan worden en ondernemers gestimuleerd worden om gericht maatregelen te nemen?
De Solvita-methode wordt momenteel niet gebruikt in de Nederlandse meetmethoden voor ammoniakemissie. In het rapport van Vanhoof en Nigten wordt deze methode genoemd als een goedkope en toegankelijke manier voor het meten van ammoniakemissie in mestmonsters. Op dit moment lijkt inzet van de Solvita-methode voor (landelijke) metingen niet opportuun. Naast het potentieel voor ammoniakemissie van de mest zijn voor de ammoniakemissie nog veel andere factoren van belang, zoals temperatuur, windsnelheid en grashoogte. Deze worden in de Solvita-methode niet meegenomen.
Bent u voornemens de verplichte rijenbemesting per 2021 in het licht van genoemde onderzoeksresultaten en de tegenvallende uitkomsten van de proeven met rijenbemesting op het proefbedrijf van de Wageningen Universiteit in Vredepeel te heroverwegen?3
Op 18 mei 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de implementatie van maatregelen uit het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, waaronder rijenbemesting bij de teelt van mais op zand- en lössgrond (Kamerstuk 33 037, nr. 368). Op basis van de uitkomsten vanuit de PPS Ruwvoer en Bodem, uitgevoerd op proefboerderij de Vredepeel, en de ervaringen uit de praktijk die mij ten ore zijn gekomen, heb ik besloten deze maatregel anders in te vullen, om hiermee een verdere verbetering van de waterkwaliteit te realiseren dan in de praktijk werd voorzien bij invoering van de rijenbemesting. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar voornoemde Kamerbrief.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het voor 7 april 2020 ingeplande algemeen overleg Mestbeleid?
Het genoemde algemeen overleg was tot nader orde uitgesteld.
De excuses en schadevergoeding voor slachtoffers van Zusters van de Goede Herder |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel dat vrouwen die als meisje dwangarbeid moesten verrichten bij de Zusters van de Goede Herder zich nog altijd niet erkend voelen in hun leed, nu zij de schadevergoeding voor slachtoffers te mager vinden?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat vele slachtoffers teleurgesteld zijn met de door u voorgestelde regeling?
Ik heb kennisgenomen van de brief van de Stichting Kinderdwangarbeid Meisjes Goede Herder van 24 februari jl. en de daarbij gevoegde reacties van slachtoffers op het pakket aan erkenningsmaatregelen zoals gepresenteerd tijdens de bijeenkomst op 21 februari jl.
Ik kan mij indenken dat slachtoffers op een andere regeling hadden gehoopt en dat zij in dat opzicht teleurgesteld zijn in de erkenningsmaatregelen, waaronder de voorgestelde regeling.
In mijn brief van 19 december aan uw Kamer heb ik aangegeven dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft te nemen voor het feit dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden waardoor de ongeoorloofde dwangarbeid van de meisjes heeft kunnen voortduren.6 Voor (het doen uitoefenen van) de ongeoorloofde dwangarbeid an sich draagt de overheid geen verantwoordelijkheid; daar zijn de instellingen van de Goede Herder voor verantwoordelijk en ook op aan te spreken.
Met de voorgestelde regeling wil ik erkenning bieden voor het leed dat is veroorzaakt door het onvoldoende toezicht van de overheid. Net zoals ik erkenning wil bieden voor het leed dat is veroorzaakt door het geweld in de jeugdzorg zoals onderzocht door de Commissie de Winter. Ik wil en kan daarbij geen onderscheid maken in de aard of zwaarte van het leed. Ik heb daarom gekozen voor een onverplichte tegemoetkoming van één bedrag voor alle slachtoffers en dat is bepaald op € 5.000,–. Waarom ik dit een redelijk bedrag acht, licht ik nader toe in het antwoord op vraag 9 en 10.
Oorspronkelijk zou op 23 maart jl. een bijeenkomst hebben plaatsgevonden waar ik in gesprek zou gaan met de vrouwen die destijds in de instellingen van de Goede Herder verbleven. Tijdens die bijeenkomst had ik de vrouwen ook persoonlijk mijn erkenning voor het hen aangedane leed willen overbrengen. Die erkenning verdienen zij ook voor het feit dat zij door hun verblijf in De Goede Herder een stigma bij zich dragen dat tot op de dag van vandaag nog zijn sporen nalaat. Ook de keuze voor de vormgeving en hoogte van de financiële tegemoetkoming had ik daar willen toelichten. Helaas is dit gesprek door de corona-crisis niet doorgegaan. Zodra de situatie dat toelaat zal ik dat gesprek alsnog aangaan.
Heeft u kennisgenomen van de brief van slachtoffers van 24 februari 2020, die ook aan u is gestuurd, waarbij in de bijlage zeer teleurgestelde reacties van verschillende slachtoffers te lezen zijn? Kunt u deze teleurstelling begrijpen?2, 3, 4, 5
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u ervoor gekozen om de afwikkeling van de schadevergoeding van deze slachtoffers gelijk te trekken met de slachtoffers van geweld in de jeugdzorg, zoals door u beschreven in reactie op het rapport van de Commissie-De Winter?
Uit het rapport van de Commissie De Winter blijkt dat ook de slachtoffers van geweld in jeugdzorg een zeer pluriforme groep vormen. Niet alleen is er sprake van verschillende vormen, verschillende duur en verschillende intensiteit van geweld, ook de impact hiervan is voor elk slachtoffer anders geweest.
De regeling vormt de basis voor een tegemoetkoming van € 5.000,– aan alle slachtoffers die leed ondervonden als gevolg van fysiek of psychisch geweld tijdens hun verblijf in jeugdinstellingen. Ik vind het doenlijk noch wenselijk om daarbij onderscheid te maken tussen leed veroorzaakt door ongeoorloofde dwangarbeid in de instellingen van de Goede Herder en leed dat is veroorzaakt door andere vormen van geweld in de jeugdzorg. Het toezicht van de overheid is in al deze situaties in vergelijkbare mate tekort geschoten.
Daarbij geldt dat de financiële regeling onderdeel vormt van een veel breder erkenningspakket. Bij de toepassing van de overige voorzieningen uit het pakket kan in overleg met de slachtoffers die zich melden juist maatwerk worden geboden om aan hun specifieke behoefte tegemoet te komen (zie ook mijn antwoord op vraag 6). Ik verwijs terzake ook naar mijn brieven van 19 december en heden.7
Deelt u de mening dat de beide slachtoffergroepen, zoals in vraag 4 beschreven, zeer verschillen, qua omvang, schade, rol van de overheid bij het veroorzaken van het leed, de bewijslast van wat gebeurd is en de urgentie vanwege de gemiddelde leeftijd van de slachtoffers?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat de slachtoffers van de Goede Herder andere noden hebben dan de slachtoffers van geweld in de jeugdzorg, bijvoorbeeld het ontbreken van een behoefte aan begeleiding aan mensen die reeds op leeftijd zijn?
De (hulp)behoefte van slachtoffers is persoonlijk bepaald en hierdoor zeer verschillend. Dat geldt zowel voor de slachtoffers van de ongeoorloofde dwangarbeid in de instellingen van de Goede Herder als voor de slachtoffers van geweld in de jeugdzorg. Om het hulpaanbod voor slachtoffers te verbeteren, wordt een centraal informatie- en expertisepunt ingericht zoals gemeld in de bief van 21 februari jongstleden.8 Hierbij wordt vanzelfsprekend maatwerk geboden, gelet op de behoefte van degene die zich meldt.
Acht u een gelijkschakeling qua financiële genoegdoening van de slachtoffers van kinderdwangarbeid bij de Goede Herder en slachtoffers van geweld in de jeugdzorg gerechtvaardigd?
Ja, ik acht dit gerechtvaardigd. Zie het antwoord op vragen 4, 5 en 6.
Welke waardering geeft u aan het feit dat de slachtoffers van de Goede Herder mede hun recht tot onderwijs is onthouden met alle, onder meer economische, gevolgen van dien voor de rest van hun leven?
Dat dit heeft kunnen bestaan betreur ik zeer. Het is wrang om te moeten constateren dit zoveel invloed heeft gehad op het verdere leven van deze meisjes. De verhalen van slachtoffers hebben mij zeer getroffen. Voor de erkenning van het tekortschietend toezicht van de overheid heb ik aan dit feit echter geen andere waardering toegekend dan aan andere situaties waarop de regeling ziet. De argumenten daarvoor heb ik in het antwoord op vraag 4 en 5 gegeven.
Heeft u het gevoel dat de door u aangekondigde maatregelen voldoende tegemoetkomen aan het erkennen en de noodzakelijke genoegdoening voor wat de slachtoffers van jarenlange kinderdwangarbeid is aangedaan?
De regeling beoogt een financiële tegemoetkoming te geven als erkenning voor het leed dat slachtoffers is aangedaan.9 Het is zoals hierboven vermeld geen compensatie van kosten of schade voortkomend uit het toegebrachte leed.
Wij hebben ons bij het ontwerp van de regeling nadrukkelijk laten leiden door de wensen en ideeën van slachtoffers en ervaringsdeskundigen. Dit heeft onder meer geleid tot de keuze voor een regeling van een financiële tegemoetkoming waarbij de procedure en bewijslast eenvoudig zijn en waarbij één bedrag wordt toegekend. Juist om discussies en teleurstelling over het classificeren van de ernst van het ondergane leed te vermijden. Deze keuze wordt ondersteund door de uitkomsten van de evaluatie van de regelingen in het kader van de Commissie Samson. Uit die evaluatie is gebleken dat de hoge bewijslast bij de civielrechtelijke regeling (het Statuut) helaas voor veel afwijzingen en secundaire victimisatie heeft gezorgd.
Daarom wordt nu een eenvoudige bestuursrechtelijke regeling opgesteld met een bedrag dat vergelijkbaar is met bedragen die het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitkeert voor psychisch letsel bij stelselmatig huiselijk geweld. Dit bedrag is ook gelijk aan het hoogste bedrag van de regeling die naar aanleiding van het tweede rapport van de commissie Deetman is getroffen voor slachtoffers van geweld in de Rooms Katholieke Kerk.
Ik ben ervan op de hoogte dat Ierland en Noord-Ierland regelingen troffen voor slachtoffers van dwangarbeid. In andere landen waar de orde van De Goede Herder op eenzelfde wijze actief was (zoals Frankrijk, Australië, Verenigde Staten en Canada) of waar mogelijk door andere organisaties een vergelijkbaar regime werd gevoerd, bestaan voor zover mij bekend geen aparte financiële regelingen voor slachtoffers van arbeidsuitbuiting als minderjarige.
Waarom heeft u gekozen voor een bedrag van 5.000 euro per persoon, terwijl het kan gaan om vrouwen die als meisje tussen hun veertiende en eenentwintigste jaar kinderdwangarbeid onder vreselijke omstandigheden hebben moeten verrichten en geen onderwijs aangeboden hebben gekregen? Op basis waarvan is dat bedrag berekend en vastgesteld? Erkent u dat dit in geen verhouding staat tot de bedragen die in andere landen voor dezelfde feiten zijn vastgesteld?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid te bezien of de voorgestelde schadevergoeding voor de slachtoffers van kinderdwangarbeid wel passend is? Bent u bereid een regeling te overwegen, waarbij de schadevergoeding verhoogd kan worden en afhankelijk wordt van hoe lang het verblijf en de kinderdwangarbeid bij de Goede Herder heeft geduurd?
Zoals bij de antwoorden op de andere vragen uiteengezet heb ik welbewust en beargumenteerd gekozen voor één bedrag. Tevens heb ik toegelicht waarom ik de hoogte van de tegemoetkoming passend acht. Ik sta nog steeds achter deze keuzes.
Bent u het met de slachtoffers eens dat de zaak nu een zeer snelle afhandeling verdient, vooral vanwege de leeftijd van de slachtoffers die dit achter zich willen laten, rust willen vinden en het laatste deel van hun leven niet alleen maar met de Goede Herder bezig kunnen en willen zijn?
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van heden heb omschreven, deel ik de wens dat de financiële regeling en de overige maatregelen zo spoedig mogelijk worden gerealiseerd. De regeling moet worden vastgelegd in een Ministeriële Regeling. Daaraan wordt hard gewerkt. Gegeven de daarvoor geldende procedure is publicatie in het najaar het vroegst haalbare moment. Ondertussen is de organisatie die de regeling gaat uitvoeren, het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM), al aan de slag met de voorbereiding van de uitvoering van de regeling. Hierin past het SGM de geleerde lessen uit de uitvoering van de financiële regelingen Samson toe en sluit het SGM zo veel mogelijk aan op de behoefte van slachtoffers om de beoogde erkenning te bereiken.
Deelt u de mening dat een eerlijke regeling de noodzaak bij slachtoffers om tegen de overheid en/of de congregatie De Goede Herder te procederen zou kunnen verminderen, en dat dit voor iedereen te prefereren is, vooral ook omdat de overheid de eigen verantwoordelijkheid moet erkennen voor de bijdrage aan de kinderdwangarbeid?
Naar mijn mening vormt het erkenningspakket als geheel een «eerlijk» aanbod en een passende erkenning van de tekortschietende rol van de overheid daarbij. Uiteraard hoop ik dat slachtoffers dat ook zo ervaren en daardoor niet meer de behoefte voelen om te procederen tegen de overheid. Zoals ik ook in mijn brief aan uw Kamer van heden heb aangegeven, zijn de instellingen van de Goede Herder zelf verantwoordelijk geweest voor het door de slachtoffers doen uitoefenen van de ongeoorloofde dwangarbeid en daarop ook in rechte aan te spreken.
Deelt u voorts de mening dat een rechtszaak van slachtoffers tegen de Staat en/of de congregatie wegens de verjaringstermijnen voor civielrechtelijke claims, zeker op de korte termijn een onzekere afloop heeft, terwijl de meeste slachtoffers juist behoefte hebben aan snelle duidelijkheid en afsluiting, voor zover mogelijk, middels een rechtvaardige regeling?
Zie antwoord vraag 13.
Betreurt u de onduidelijkheid die is ontstaan rondom de afspraak tussen u en de slachtoffers op 23 maart 2020 en de verwarring met een eerdere bijeenkomst met andere slachtoffers? Hoe heeft dat kunnen gebeuren?
Alle verwarring die rondom de bijeenkomsten op 21 februari en 23 maart is ontstaan, betreur ik zeer. Die is voor een belangrijk deel gelegen in de manier waarop het aparte onderzoek naar De Goede Herder en de totstandkoming van het erkenningspakket voor de totale groep slachtoffers in de jeugdzorg (commissie De Winter) als twee aparte processen georganiseerd zijn geweest. Op vrijdag 21 februari is een bijeenkomst voor slachtoffers «De Winter» georganiseerd. Voor de slachtoffers Goede Herder was een aparte bijeenkomst op 23 maart in voorbereiding. Beide bijeenkomsten zijn in overleg met de betrokken lotgenotenorganisaties voorbereid. Er is ook steeds overleg geweest tussen de betrokken medewerkers, maar dit heeft niet geleid tot de juiste focus op het betrekken van de slachtoffers van de Goede Herder bij de organisatie van de bijeenkomst op 21 februari. Dat had wel gemoeten. De vrouwen van De Goede Herder zijn bij de voorbereiding van die bijeenkomst als aparte groep onvoldoende betrokken.
De aparte bijeenkomst zoals gepland op 23 maart 2020 voor de groep slachtoffers Goede Herder heeft in verband met de Corona-crisis geen doorgang kunnen vinden. Deze bijeenkomst zal zo spoedig als mogelijk alsnog -in overleg met de betrokken belangenorganisatie(s)- worden georganiseerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór 17 maart 2020 beantwoorden?
Het beantwoorden van deze vragen voor 17 maart is helaas niet gelukt.
De invoer van een lading visolie afkomstig uit West-Sahara |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat op of omstreeks 5 maart 2020 een tankerschip met de naam Oramalia in de haven van Rotterdam is aangekomen met een lading visolie, die volgens de papieren afkomstig is uit Laayoune in Marokko?
Op 6 maart 2020 is een tankerschip met de naam Oromalia in de haven van Rotterdam aangekomen. Vervolgens is het tankerschip Oromalia op 7 maart 2020 doorgevaren naar de haven van Amsterdam. De Douane kan vanwege haar geheimhoudingsplicht op basis van EU-douanewetgeving geen informatie verstrekken over de aangiften die zijn ingediend voor de lading op het desbetreffende schip (zie artikel 12 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie).
Klopt het dat de betreffende lading visolie in werkelijkheid afkomstig is uit Al Ajoen, de hoofdstad van West-Sahara? Indien u hier geen kennis van heeft, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is de betreffende lading van het tankerschip door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gecontroleerd? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd, gelet op de taak van de NVWA om toe te zien op de juiste documentatie van het herkomstland?
Onrechtmatige economische activiteiten zijn uiteraard niet goed. Economische activiteiten in de Westelijke Sahara zijn echter niet per definitie onrechtmatig. Om die reden heeft het kabinet steun verleend aan de uitbreiding van de geografische reikwijdte van de handelsafspraken met Marokko in overeenstemming met internationaalrechtelijke randvoorwaarden en op voorwaarde dat relevante uitspraken van het EU-Hof worden geëerbiedigd. Zie ook de beantwoording van Kamervragen van het lid Diks over dit onderwerp d.d. 17 september 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 3217).
De NVWA maakt bij importcontrole gebruik van een door de Europese Commissie vastgestelde lijst van bedrijven die erkend zijn voor export van visserijproducten naar de EU. Deze lijst is gepubliceerd op de website van DG SANTE en bevat ook bedrijven in de Westelijke Sahara.1 Voor de NVWA is deze lijst leidend bij importcontrole. Wanneer uit de controle blijkt dat zendingen met visolie voldoen aan de EU-regelgeving die van toepassing is en de visolie geproduceerd is door bedrijven op de EU-lijst, worden deze toegelaten tot de EU.
Is er visolie afgeladen van het betreffende tankerschip in Nederland? Zo ja, welke herkomst is voor de lading geregistreerd? Wie is de afnemer en wat is de eindbestemming?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat in Europese regels is vastgelegd dat visolie voor menselijke consumptie voor de Europese markt alleen mag worden geproduceerd in een land dat op een goedgekeurde lijst staat, en dat West-Sahara ontbreekt op deze lijst? Maakt dit de invoer van visolie uit West-Sahara onwettig?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat, mede gelet op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie d.d. 21 december 2016 (C-104/16 P), anders omgegaan moet worden omgegaan met de invoer van producten uit Marokko en producten uit West-Sahara? Zo nee, kunt u beargumenteren waarom niet?
Op 21 december 2016 heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat het Associatieakkoord tussen de EU en Marokko en bijbehorende protocollen (import, oorsprongsregels) niet van toepassing zijn op de Westelijke Sahara (Zaak C-104/16 P). Dit had tot gevolg dat producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara niet meer onder verlaagde invoerrechten of nulrechten zoals afgesproken in het Associatieakkoord mochten worden geïmporteerd in de EU. In plaats daarvan vielen deze producten onder het algemene markttoegangsschema van de EU binnen de Wereldhandelsorganisatie.
Naar aanleiding van de Hofuitspraak hebben de Europese Commissie en Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) op basis van een door de Raad vastgesteld onderhandelingsmandaat met Marokko onderhandeld over uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen bij het Associatieakkoord tot de Westelijke Sahara.
De Europese Commissie en EDEO hebben zich daarbij ingezet om een brede groep vertegenwoordigers en belangenorganisaties, inclusief vertegenwoordigers van het Polisario Front, zo goed mogelijk te betrekken. Het overgrote deel van de geconsulteerde partijen heeft zijn visie gedeeld met de Europese Commissie. Enkele groepen, zoals de Sahrawi Association of Victims of Human Rights Violations, hebben daarvan afgezien. De uitkomsten van de consultaties zijn door de Europese Commissie verwerkt in een verslag.2 Het kabinet steunt de Commissie in de brede consultatie waarin meerdere partijen zijn gehoord en is van mening dat de Commissie en EDEO alle redelijke en haalbare stappen hebben ondernomen om de bevolking van de Westelijke Sahara adequaat te betrekken. De instemming van Polisario Front is daarbij niet doorslaggevend.
Uitbreiding van de geografische reikwijdte is op 19 juli 2019 in werking getreden nadat beide partijen hun goedkeuringsprocedures hadden doorlopen. Sindsdien kunnen producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara weer onder dezelfde verlaagde invoerrechten of nulrechten worden geïmporteerd in de EU.
Uw Kamer is geïnformeerd over de inzet van de Europese Commissie en EDEO in dit kader en de Nederlandse positie ten aanzien van uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen via de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken van 16 juli 2018 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1895), in antwoorden van het kabinet op het schriftelijk overleg Raad Buitenlandse Zaken van 16 juli 2018 (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1896) en in de beantwoording van Kamervragen van het lid Diks over dit onderwerp d.d. 17 september 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 3217).
Welke stappen hebben de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) sinds de in vraag 6 genoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie ondernomen om overeenstemming te bereiken met het Front Polisario over de toepassing van handelsafspraken tussen de Europese Unie en Marokko in West-Sahara?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat een nieuwe uitspraak wordt verwacht van het Europese Hof van Justitie over West-Sahara, in het bijzonder over de naleving van haar eerdere uitspraak in 2016? Zo ja, wanneer wordt deze uitspraak precies verwacht? Kunt u de Kamer informeren over de consequenties van de uitspraak zodra deze er ligt?
Er zijn momenteel drie zaken bij het Gerecht van de Europese Unie aanhangig (T-279/19, T-344/19 en T356/19) waarin Front Polisario verzoekt om nietigverklaring van respectievelijk: 1) Besluit (EU) 2019/217 van de Raad van 28 januari 2019 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko anderzijds; 2) Besluit (EU) 2019/441 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst; en 3) Verordening (EU) 2019/440 van de Raad van 29 november 2018 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko en het bijbehorende uitvoeringsprotocol.
Het is nog niet bekend wanneer het Gerecht uitspraak in deze zaken zal doen.
Kunt u instaan voor de betrouwbaarheid van de handelscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) tussen Nederland en West-Sahara? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dit kunt? Zo nee, hoe apprecieert u dit?
Het CBS baseert zich voor de in- en uitvoerstromen met landen en gebieden buiten de Europese Unie op beschikbare informatie uit gegevens van de Douane. Deze zijn ontleend aan de douaneaangiftes van bedrijven. Het valt niet te garanderen dat hiermee de handel tussen Nederland en de Westelijke Sahara volledig in kaart wordt gebracht.
Het kabinet hecht dan ook waarde aan de afspraken die de Europese Commissie en Marokko hebben gemaakt in het kader van uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen bij het Associatieakkoord tot de Westelijke Sahara over jaarlijkse informatie-uitwisseling via het associatiecomité.3 Dit om een beter beeld te krijgen van de economische ontwikkeling in de Westelijke Sahara en uitvoer van de Westelijke Sahara naar de EU. Deze informatie wordt gebruikt om het rapport van de Europese Commissie en EDEO over de economische ontwikkeling in het gebied te actualiseren.
Wordt de herkomst van producten uit de West-Sahara door de douane zorgvuldig geregistreerd, of is het risico aanwezig dat producten uit West-Sahara soms als afkomstig uit Marokko worden aangeduid?
Op grond van Europese douanewet- en regelgeving, wordt de marktdeelnemer die een aangifte bij de Douane indient om goederen in het vrije verkeer te brengen met toepassing van een preferentiële regeling, geacht de oorsprong van de goederen aan te geven en in het bezit te zijn van het daarvoor vereiste originele oorsprongsbewijs. Dit oorsprongsbewijs moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in het land van uitvoer. De Douane controleert risicogericht op de juistheid van de oorsprong van goederen. Dat geldt ook voor goederen die zijn aangegeven met als oorsprong Marokko. Ik zie derhalve geen aanleiding om de handelwijze van de Douane te laten onderzoeken.
Het is daarnaast aan het bedrijfsleven om de herkomst van producten juist en niet-misleidend weer te geven op het etiket van het betreffende goed. De NVWA is verantwoordelijk voor toezicht en de handhaving en doet dit op basis van staand interventiebeleid. Consumenten kunnen, indien zij vermoeden dat er sprake is van misleiding over de herkomst van een product, een klacht indienen bij de NVWA.
Bent u bereid de zorgvuldigheid van de registratie door de douane van producten afkomstig uit West-Sahara te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Toegang tot politieopleiding te krap afgesteld’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toegang tot politieopleiding te krap afgesteld» van 28 februari 2020?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat, gelet op de opdracht om de komende jaren 17.000 nieuwe agenten te werven en op te leiden zonder af te doen aan bestaande kwaliteitseisen van werving en opleiding, alle zeilen bijgezet zullen moeten worden om die instroom te realiseren? In hoeverre is er in dat kader ruimte voor creativiteit, proeftuinen en regelluwe trajecten? Welke initiatieven lopen er thans?
Ja, de politiecapaciteit staat onder druk. De vervanging van de uitstroom en de uitbreiding van de operationele sterkte vormt een stevige uitdaging. Dat vraagt om nieuwe collega’s die eerder inzetbaar zijn en daarom wordt de huidige basisopleiding vernieuwd. Er zijn hiervoor al meerdere maatregelen genomen. In 2018 is de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak met specifieke inzetbaarheid, geïntroduceerd. Deze ambtenaar kan, vanwege die specifieke inzetbaarheid, voor de uitoefening van zijn werkzaamheden volstaan met een kortere, specifieke politieopleiding. Daarnaast wordt er een nieuwe basispolitieopleiding ontwikkeld. Deze opleiding is korter dan de huidige opleiding. Dit zal leiden tot sneller inzetbare capaciteit, maar doet daarbij niet af aan de kwaliteit van de opleiding. Tot slot wordt de mogelijkheid verkend om het aantal instroommomenten bij de Politieacademie te verhogen. Ik kan u naar verwachting voor de zomer 2020 nader informeren over de uitkomsten van de vernieuwing van de basispolitieopleiding en de te nemen vervolgstappen.
Welke mogelijkheden zijn er voor kandidaat-agenten zonder een reguliere vooropleiding om (alsnog) toegang te krijgen tot de basispolitieopleiding? Is het in het artikel genoemde artikel 6, derde lid, van de Regeling Aanstellingseisen 2002 nog steeds een geldig artikel en wordt deze mogelijkheid in de praktijk daadwerkelijk benut? Is de Politieacademie ingericht op deze soort instroom? Kunt u uitleggen wat de zogenaamde 21+ toets inhoudt? Geldt die toets nog?
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002 kunnen kandidaten die niet voldoen aan de gestelde vooropleidingseisen een toelatingstoets afleggen. Het voornoemde artikel is nog steeds van kracht. In de praktijk blijkt dat er nagenoeg geen behoefte is aan de toelatingstoets, omdat geworven en geselecteerde aspiranten over een voldoende vooropleiding blijken te beschikken.
In het regulier onderwijs wordt er ook gebruik gemaakt van een dergelijke toelatingstoets: de 21+ toets. Dit is een toelatingsonderzoek op grond waarvan reguliere onderwijsinstellingen studenten zonder een mbo-niveau 4-, havo- of vwo-diploma kunnen vrijstellen van de vooropleidingseisen voor een hbo-studie. Dit is geregeld in artikel 7, negenentwintigste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In het toelatingsonderzoek wordt nagegaan of een kandidaat voldoende capaciteiten bezit, bijvoorbeeld wat betreft de Nederlandse taal, Engels en wiskunde, om aan een hbo-studie te beginnen. Deze toets is nog steeds van kracht.
Kunt u aangeven hoeveel kandidaten in 2019 via de «weg» van het derde lid in de basisopleiding zijn ingestroomd? Qua percentage, welk onderdeel maakt deze instroom uit van het geheel?
In de praktijk wordt er nauwelijks gebruikgemaakt van de mogelijkheid om via een toelatingstoets in te stromen bij de Politieacademie. In 2019 stroomden er geen kandidaten op deze wijze in. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het rapport «Evaluatie Pilot Initiële Instroom» van de Eenheid Amsterdam (december 2019)? Erkent u de aantoonbare resultaten van deze pilot, met name daar waar het gaat om succesvol werven van kandidaten die in eerste instantie onterecht uit het selectieproces waren gevallen, de zogenaamde «positieve missers»? Herkent u de in de conclusie verwoorde spanning tussen de eenheid Amsterdam en de landelijke dienst In-, Door- en Uitstroom (IDU)? Kunt u aangeven welke positieve, in de pilot benutte interventies door IDU als niet relevant werden beschouwd en waarom dat zo is?
De politie heeft mij laten weten dat het hier gaat over een conceptrapport dat nog niet afgerond is. Indien de resultaten van de pilot daar aanleiding toe geven, zal ik uw Kamer hierover informeren in het halfjaarbericht politie van eind dit jaar.
Bent u bekend met de «Beleidsregel overgangsbeleid loopbaanpad na afronding basispolitieopleiding allround politiemedewerker (MBO4)» (juni 2019)? Bent u bekend met artikel 2, onderdeel f (politiedienstjaren), van deze beleidsregel? Deelt u de opvatting dat de bepaling «indien er een onderbreking is geweest van langer dan zes maanden, dan tellen alleen de politiedienstjaren na deze onderbreking mee», een forse contra-indicatie is voor potentieel herintredende (ex)dienders om opnieuw bij de politie te gaan werken? Bent u bereid, gelet op de bestaande personeelskrapte, zo spoedig mogelijk deze beperking op te heffen dan wel substantieel te beperken?2
De Beleidsregel Overgangsbeleid Loopbaanpad na afronding basispolitieopleiding Allround Politiemedewerker (mbo4) is bedoeld voor personeel dat al in dienst van de politie is, niet voor herintreders.
De beleidsregel is gericht op zittend personeel dat in een vergelijkbare situatie verkeert als de aspiranten die vanaf 2021 instromen en waarvoor de Beleidsregel Loopbaanpad Basispolitieopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) zal gelden. Dit zittende personeel is nog niet terechtgekomen op de functie met het niveau waarvoor zij zijn geworven, geselecteerd en opgeleid (vergelijkbaar met mbo-niveau 4). Zij krijgen onder bepaalde voorwaarden de garantie dat zij alsnog worden geplaatst op een functie op dit niveau. De groep die onder het overgangsbeleid valt, is aanzienlijk. Bevordering van zittend personeel geschiedt daarom gefaseerd. Het aantal politiedienstjaren is hierbij bepalend voor het moment waarop zittend personeel bevorderd wordt.
Voor herintredende politiemensen geldt een aparte procedure. Zij moeten eerst een herintrederscursus volgen om weer bekwaam te worden om het vak van politiemedewerker te kunnen en mogen uitoefenen. Het gaat hierbij om maatwerktrajecten, waarbij rekening wordt gehouden met de termijn dat de politiemedewerker heeft gewerkt, de termijn dat hij of zij niet als politiemedewerker heeft gewerkt en welke werkervaring de herintreder meebrengt.
Het staatsbezoek aan Indonesië |
|
Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van het programma tijdens het staatsbezoek deze week aan Indonesië, ook van het nogal omvangrijke economische programma? Klopt het dat het aanbieden van excuses aan de bevolking van Indonesië voor het gewelddadige koloniale verleden niet op het programma staat?
Het programma van het staatsbezoek aan Indonesië werd op 7 februari jl. gepubliceerd op de website van het Koninklijk Huis.1 Zoals de Rijksvoorlichtingsdienst op 10 maart aankondigde, is het programma van het staatsbezoek aangepast vanwege het bootongeluk dat op maandag 9 maart plaatsvond op de rivier in het Sebangau National Park op het eiland Kalimantan.2 Het bezoek aan Kalimantan dat op donderdag 12 maart gepland stond, kwam uit respect voor de nabestaanden te vervallen. Het programma zoals dat op vrijdag 13 maart stond gepland op Sumatra werd zo veel mogelijk op donderdag 12 maart gevolgd.
Het programma van de handelsmissie is als bijlage bij deze antwoorden gevoegd.3
Tijdens de persverklaring op 10 maart heeft Z.M. de Koning, in navolging van eerdere uitspraken door Nederlandse bewindspersonen en ambassadeurs, spijt en excuses uitgesproken over geweldsontsporingen van Nederlandse zijde in de jaren na de proclamatie.
Kunt u een overzicht geven van alle excuses, spijtbetuigingen etcetera die de afgelopen jaren zijn aangeboden vanwege (een aspect van) het koloniale verleden in Indonesië?
In augustus 2005 sprak toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Bot zijn diepe spijt uit voor de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. Bot stelde daarbij dat deze scheiding langer had geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.
In december 2011 bood toenmalig Nederlands ambassadeur in Jakarta, de heer De Zwaan, namens de Nederlandse regering excuses aan voor de tragedie die op 9 december 1947 in Rawagede had plaatsgevonden. In september 2013 sprak De Zwaan over de standrechtelijke executies zoals begaan door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes en Rawagede. Namens de Nederlandse regering bood hij zijn excuses aan voor deze excessen. Tevens kondigde hij een schadevergoeding aan voor weduwen wier mannen daar waren omgekomen tijdens standrechtelijke executies door Nederlandse militairen.
In 2016 sprak toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Koenders in Rawagede met nabestaanden van slachtoffers. Ook hij bood daarbij excuses aan.
Waarom zijn nooit brede excuses aangeboden voor het gewelddadige koloniale verleden, terwijl reeds lang is erkend dat Nederland aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond?
Op 10 maart 2020 heeft de Koning tijdens het staatsbezoek aan Indonesië, in navolging van eerdere uitspraken door Nederlandse bewindspersonen en ambassadeurs, spijt en excuses uitgesproken over geweldsontsporingen van Nederlandse zijde in de jaren na de proclamatie.
Als u nu geen excuses aan wilt bieden, ziet u dan mogelijkheden dat in de nabije toekomst wel te doen, bijvoorbeeld op 17 augustus als Indonesië 75 jaar onafhankelijkheid viert, of als het nu lopende historische onderzoek naar het koloniale verleden is afgerond? Zo nee, waarom niet en wanneer dan wel?
Zie antwoord vraag 3.
Strengere regulering en betere certificering van zowel installateurs en installatiebedrijven met betrekking tot kleinschalige duurzame energie installaties |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over branden met pelletkachels?1
Ja.
Kent u de brief die de Stichting Nederlandse Haarden- en Kachelbranche (NHK) naar u heeft gestuurd op dinsdag 25 februari 2020 over deze Kamervragen, waarin zij pleit voor strengere eisen vanuit de overheid aan de installatie van pelletkachels?
Ja.
Deelt u de analyse van NHK dat door het op de markt dumpen van goedkope toestellen van slechte kwaliteit en onjuiste installaties er problemen zijn veroorzaakt?
In het antwoord op vraag 4 van de eerdere vragen over branden bij pelletkachels (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1845) heb ik aangegeven dat de oorzaken van de problemen zowel kunnen liggen in het verkeerde gebruik van de pelletkachel als in een onjuiste installatie.
Vindt u het ook opvallend dat een branchevereniging zelf genoodzaakt is om te vragen om de subsidies voor pelletkachels te staken gezien de slechte regulering van pelletkachels?
Ik merk allereerst op dat de genoemde oproep in de brief van de NHK voor zover ik heb kunnen nagaan niet afkomstig was van de NHK zelf. Het bij mij bekende verzoek is verwoord in een op 8 maart 2018 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat gerichte brief van het Platform Houtrook en Gezondheid waarin de NHK als deelnemer actief is. In die brief vraagt het Platform aandacht voor het tegenstrijdige signaal dat de overheid af zou geven door enerzijds het luchtbeleid te richten op verbetering van de luchtkwaliteit en anderzijds pelletkachels te subsidiëren die indien zij een aardgasgestookte installatie vervangen bijdragen aan emissies van onder meer fijnstof. Het Platform vroeg in genoemde brief om deze tegenstrijdigheid te beëindigen. Deze oproep, die niets te maken had met de in de eerdere vragen genoemde brandveiligheid, is mede aanleiding geweest om conform de afspraken in het Klimaatakkoord specifiek aandacht te besteden aan de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de stimulering van biomassaketels en pelletkachels en het uiteindelijk op basis van deze evaluatie stoppen van de subsidie op deze technieken.
Verder teken ik hierbij aan dat de NHK zich niet uitsluitend richt op pelletkachels, maar op alle hout, pellets en gasgestookte haarden en kachels en dat de oproep om te stoppen met subsidie op pelletkachels niet werd gedeeld door andere brancheorganisaties zoals bijvoorbeeld de Nederlandse branchevereniging pelletkachel industrie (Nbpi).
Deelt u de mening dat het jammer is dat de overheid heeft verzaakt in regulering en handhaving rondom pelletkachels en dat alle aanbiedingen hieromtrent vanuit de branche zelf, zoals het opleiden van inspecteurs, zijn genegeerd door de overheid?
Nee, die mening deel ik niet. Rondom de vormgeving van de ISDE-regeling waarmee tot en met 2019 de aanschaf en installatie van pelletkachels is gesubsidieerd is gesproken met een aantal stakeholders waaronder de NHK, de Nbpi, branche organisaties inzake andere via de ISDE gestimuleerde technieken en de koepelorganisatie NVDE (Nederlandse Vereniging Duurzame Energie). Marktpartijen zijn door mijn ministerie diverse malen gevraagd om te komen tot een voorstel ten aanzien van de eisen van de installatie en installateur en alhoewel sommige partijen daarbij hun eigen specifieke kwaliteitsborging aandroegen, kwam het niet tot een breed gedragen en geaccepteerd voorstel.
Uiteindelijk is toen in de regeling bepaald dat pelletkachels moeten voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de norm EN 14785 en bijlage II, onderdeel 2, van Verordening (EU) 2015/1185. Daarnaast is in de regeling bepaald dat de subsidieaanvrager een bewijs moet overleggen dat de installatie voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd door een deskundige installateur. Deze eis geldt dus ook voor de pelletkachel. EZK heeft deze minimumeis opgenomen om de kwaliteit van de installatie en installateur te verbeteren, mede met de verwachting dat dit marktpartijen zou stimuleren om hun eigen certificaten op elkaar aan te laten sluiten. In afwachting daarvan heeft mijn ministerie bij de campagne «energie besparen doe je nu» speciaal aandacht gegeven aan installateurs die voldeden aan verdergaande eisen en deze zo te belonen voor hun inspanningen om kwaliteit te leveren.
Voor wat betreft de handhaving, RVO.nl heeft op basis van handhavingsbezoeken en controles verschillende subsidieaanvragen afgewezen of ingetrokken.
Deelt u de analyse dat op het gebied van duurzame energie steeds vaker door de sector zelf wordt aangedrongen op meer regulering en certificering vanuit de overheid?
Een aantal brancheorganisaties geeft inderdaad, mede naar aanleiding van de op 19 december 2019 aangenomen motie van het lid van der Lee over betere kwaliteitsborging van installateurs (Kamerstuk 32 813, nr. 438), aan dat zij over dit onderwerp in gesprek willen gaan. Daarbij is het niet zo dat alle brancheorganisaties aandringen op meer regulering en verplichte certificering vanuit de overheid. Overigens heeft mijn ministerie in gesprekken met de branche organisaties over de ISDE steeds aangegeven open te staan voor striktere eisen rondom de kwaliteitsborging, mits het draagvlak daarvoor breed was en zich niet beperkte tot één of enkele brancheorganisatie(s).
Deelt u de analyse dat betere certificering van installateurs en installatiebedrijven een oplossing is voor de brandproblemen met pelletkachels, de problemen rondom warmtepompen die soms slecht worden geïnstalleerd en de hogere verzekeringspremies als gevolg van slecht geïnstalleerde zonnepanelen?
Een kwalitatief goede installatie kan inderdaad een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van de problemen zoals genoemd in vraag 7. Ter uitvoering van de in het antwoord bij vraag 6 genoemde motie en zoals aangekondigd in mijn antwoorden op de eerdere vragen over branden bij pelletkachels (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1845) zal ik daarover in gesprek gaan met de relevante brancheorganisaties. In de gesprekken zal ongetwijfeld ook worden gekeken naar (verplichte) certificering van installateurs en installatiebedrijven en mogelijke scherpere regulering vanuit de overheid. Ik zal de kamer daarover na afronding van die gesprekken nader informeren.
Deelt u de mening dat de energietransitie gebaat is bij strengere regulering en betere certificering omdat consumenten dan niet achteraf geconfronteerd worden met problemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid zich in te spannen voor strengere regulering en betere certificering van zowel installateurs als installatiebedrijven met betrekking tot kleinschalige duurzame energie installaties?
Zie antwoord vraag 7.