De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
De uitspraak is gedaan in een specifieke casus, waarin de rechter op basis van de feiten en omstandigheden van het geval tot een oordeel is gekomen. Van een nieuwe interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft de uitspraak geen blijk. Het is veeleer een toepassing van deze bepaling in de praktijk. De normen uit de AVG laten daar ook ruimte toe; zij staan een weging van belangen en een risicogebaseerde aanpak voor. Op dit moment zie ik in deze uitspraak dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de interpretatie van artikel 15 van de AVG, zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk wijzigt.
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Op dit moment biedt de AP via haar website duidelijke informatie en handvatten voor de uitoefening van het inzagerecht. Indien zij van mening is dat nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven voor een nadere duiding of actualisatie van deze handvatten, ligt het in de rede dat de AP dit zelfstandig zal bezien. Ik zie alles bijeengenomen geen reden om de AP hierom te vragen.
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Ik beschik niet over deze informatie.
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
In civielrechtelijke zaken zoals deze is het aan partijen zelf om uitvoering te geven aan een rechterlijke uitspraak. De uitspraak in kwestie is uitvoerbaar bij voorraad, wat inhoudt dat aan de uitspraak direct gevolg moet worden gegeven. Indien een partij dit nalaat, staan voor de wederpartij onder andere civielrechtelijke middelen open om nakoming af te dwingen.
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Ik heb kennisgenomen van berichten in de media, waarin wordt gesteld dat X getracht zou hebben om de andere partij een spreekverbod op te leggen. Behalve wat hierover naar buiten is gebracht, beschik ik niet over informatie op basis waarvan ik objectief kan vaststellen wat er tussen partijen is voorgevallen. Ik wil daar dan ook geen uitspraken over doen.
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
De richtlijn betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») bevat maatregelen die mensen en organisaties die actief zijn in het publieke debat, kunnen gebruiken om zich te verweren tegen juridische procedures die tégen hen worden aangespannen met het doel om hen het zwijgen op te leggen. Dergelijke rechtszaken staan ook wel bekend onder de Engelstalige afkorting SLAPP (Strategic Lawsuits Against Public Participation). Er is geen sprake van een SLAPP als een individu zelf een procedure aanspant tegen een groot internationaal techbedrijf. Als het bedrijf in reactie op de rechtszaak zelf procedures start tegen het individu of een tegenvordering indient, dan kan daar onder omstandigheden wel sprake van zijn. Het Nederlandse procesrecht voorziet in afdoende maatregelen om hiertegen op te komen. Ter uitvoering van de richtlijn moet enkel de door de richtlijn voorgeschreven maatregel van zekerheidstelling nog worden geïmplementeerd. Het betreffende wetsvoorstel is aanhangig bij Uw Kamer2.
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Bij de behandeling van handhavingsverzoeken past de ACM haar prioriteringsbeleid toe. Daarbij kijkt ACM naar de schadelijkheid van het gedrag waar het verzoek op is gericht, hoe groot het maatschappelijk belang is en in hoeverre ACM in staat is doeltreffend en doelmatig op te treden. In het kader van een beoordeling of de inzet van middelen efficiënt is, of de ingeschatte impact die optreden van ACM kan hebben, kan het reeds lopen van een civiele procedure een factor zijn die wordt meewegen om een verzoek al dan niet in behandeling te nemen. Als een civiele rechter het geschil al behandelt, kan de ACM concluderen dat haar inzet minder noodzakelijk is. De ACM heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid waar zij onafhankelijk van politieke sturing invulling aan geeft. Het kabinet kan en gaat daar niet in treden.
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Voor dit antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Dit is iets tussen partijen; het kabinet heeft hierin geen rol.
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat het bestaande instrumentarium tekort schiet. Artikel 82 AVG voorziet in een recht op schadevergoeding; de AVG sluit daarbij niet uit dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor schade die is ontstaan door schendingen van de AVG. In Nederland biedt het burgerlijk recht hiervoor mogelijkheden. Verder bestaat de mogelijkheid dat ex artikel 83 AVG een persoonlijke boete aan een bestuurder of leidinggevende wordt opgelegd, wanneer in strijd met de AVG is gehandeld en dat handelen als functioneel daderschap aan een of meer personen kan worden toegerekend.
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
De uitspraak is een belangrijke invulling van het inzagerecht uit de AVG in de praktijk. Uit de uitspraak wordt duidelijk dat weigeringsgronden slechts onder uitzonderlijke omstandigheden met succes kunnen worden ingeroepen. Voor welke andere verwerkingen deze uitspraak in het bijzonder precedentwerking heeft, kan ik niet overzien. Zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 2, heeft de uitspraak betrekking op een specifieke casus waarin de rechter op basis van concrete feiten, omstandigheden van het geval en een belangenafweging tot een oordeel is gekomen.
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Ik onderschrijf deze stelling. Dat de uitoefening van het recht op inzage zo toegankelijk mogelijk moet zijn, is ook mijn opvatting. Dit geldt voor alle rechten die onder de AVG aan de burger toekomen. De AP geeft op haar website duidelijke informatie en handvatten ten aanzien van verzoeken om inzage. Daarnaast is op de website van de AP een voorbeeldbrief voor het doen van een verzoek tot het verwijderen persoonsgegevens te vinden.
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
In het Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», is opgenomen dat het kabinet voornemens is te werken aan een herziening en vereenvoudiging van de AVG in Europees verband en in de toepassing van de huidige AVG in Nederland. Mijn ambtsvoorganger heeft daarnaast toegezegd om te gaan werken aan een brede revisie van de Nederlandse Uitvoeringswet AVG (UAVG)5. Hierbij zal ook aandacht zijn voor rechtsbescherming en de toegang daartoe.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 2 beschreven, zie ik in deze uitspraak geen nieuwe interpretatie van het desbetreffende artikel, doch vooral een toepassing in de geest daarvan. Ik heb geen aanleiding om te concluderen dat de uitleg van artikel 15 van de AVG zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk anders moet komen luiden.
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
De Digital Services Act (DSA) voorziet in artikel 43 in een jaarlijkse toezichtsvergoeding aan de Europese Commissie voor enkele aangewezen online platforms (very large online platforms, VLOP) en dat bovendien niet in alle, maar slechts in specifieke gevallen. Het betreft hier een andere systematiek dan onder de AVG, waar bedrijven niet betalen voor het toezicht of de handhaving op zichzelf, maar pas financiële gevolgen en boetes dragen als zij de regels overtreden. Ik zie geen reden voor een andere opzet onder de AVG.
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden door de belastinginspecteur geen uitspraken gedaan over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoord.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Joris Lohman (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Binnen elke politieke besluitvorming is er sprake van een belangenafweging, ook de belangen van toekomstige generaties worden hierin meegenomen.
De afgelopen periode is er een aantal verschillende acties ondernomen om ervoor te zorgen dat het belang van toekomstige generaties in de totstandkoming van beleid nog beter wordt meegenomen. Ik licht die acties hieronder toe.
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Binnen de rijksdienst is er aandacht voor het belang van een stevige lange termijn oriëntatie in beleid en besluitvorming. De maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, vragen om beleid dat niet alleen inspeelt op actuele vraagstukken, maar ook rekening houdt met ontwikkelingen die zich over langere tijd voltrekken en met de gevolgen van keuzes voor toekomstige generaties. De afgelopen jaren is deze ambitie verder geconcretiseerd in verschillende instrumenten, trajecten en werkwijzen.
Een belangrijke basis daarvoor is het Beleidskompas, de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid. Het Beleidskompas ondersteunt beleidsmakers bij het zorgvuldig doorlopen van de stappen van beleidsvorming, waaronder het in beeld brengen van gevolgen, alternatieven en betrokken belangen. Eind 2025 is het Beleidskompas uitgebreid met een verwijzing naar de nieuw ontwikkelde «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». Deze leidraad helpt beleidsmakers om langetermijneffecten en intergenerationele impact explicieter mee te wegen in de ontwikkeling van beleid. Ter ondersteuning daarvan biedt de Toolbox Toekomstgericht Beleid2 een praktische verzameling methoden, trainingen en voorbeelden. Ik licht dit nader toe bij het antwoord op vraag 5.
Daarnaast faciliteert de WRR via het project De toekomst in beleid dat beleidsmakers meer grip kunnen krijgen op de keuzes van nu door zekerheden voor 2050 te onderzoeken. Het gaat dan over gegevenheden of ontwikkelingen waarmee ons land onherroepelijk wordt geconfronteerd. Het meest bekende voorbeeld hiervan is vergrijzing. Voor tal van beleidsterreinen heeft dit gevolgen.
Ook het SGO (Overleg van Secretarissen-Generaal) heeft deze ambitie nadrukkelijk opgepakt. In zijn laatste brief3 aan de informateur stelt het SGO dat het de komende jaren actief wil investeren in tijd en ruimte om lange termijn ontwikkelingen structureel te agenderen en te betrekken bij beleidsvorming. Het doel is dat lange termijn perspectieven niet incidenteel, maar vanzelfsprekend onderdeel zijn van beleidsontwikkeling, prioritering en besluitvorming. Mede om die reden is ABDTOPConsult gevraagd om een advies dat, in samenhang met het WRR-project, op een praktische en uitvoerbare manier helpt om deze beweging te versnellen en duurzaam te verankeren.
Daarnaast dragen Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO) bij aan het langetermijndenken binnen de rijksdienst. IBO’s ontwikkelen beleidsopties voor belangrijke beleidsterreinen en bieden onafhankelijke ambtelijke analyses van complexe maatschappelijke vraagstukken die vaak meerdere kabinetsperiodes overstijgen. Zo onderzoeken het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid en het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur hoe beleid toekomstbestendig kan worden ingericht. Een ander voorbeeld is het IBO Ouderenzorg «niets doen is geen optie». Hierin is beschreven dat het huidige beleid leidt tot onhoudbare situaties in de toekomst. Naast het signaleren van het probleem worden ook beleidsopties beschreven om de ouderenzorg op lange termijn houdbaar te houden.
Met deze instrumenten, analyses en opdrachten wordt beoogd het lange termijn denken steviger en structureler te verankeren in de strategische beleidsontwikkeling. Daarmee wordt ook beter geborgd dat de belangen van toekomstige generaties zichtbaar worden meegewogen bij de totstandkoming van beleid.
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
Nederland beschikt over onafhankelijke adviesraden die bij wet zijn ingesteld om regering en parlement gevraagd en ongevraagd te adviseren. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft de wettelijke taak om de onafhankelijk, op wetenschap gebaseerd advies te geven over ontwikkelingen die de samenleving op de lange termijn kunnen beïnvloeden. Onder de Kaderwet adviescolleges vallen daarnaast diverse strategische adviesraden die onafhankelijk maar betrokken adviseren op de hoofdlijnen van beleid in het domein dat zij bestrijken, met een oriëntatie op de (middel)lange termijn.4 Dit biedt ruimte om, ongevraagd of op verzoek van regering of parlement, aandacht te besteden aan de lange termijn en de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties. Van deze mogelijkheid wordt ook gebruik gemaakt.5
Net als de Raad van State vind ik daarnaast dat ook kennisinstellingen, de planbureaus en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) belangrijk zijn voor het ontwikkelen van toekomstgericht beleid, omdat zij (onder meer) onderzoek doen naar langetermijnopgaven Ook benoemt de Raad van State dat de diverse Hoge Colleges van Staat, waaronder de Raad zelf, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman met rapportages en bevindingen een bijdrage leveren aan het langetermijndenken.
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Sinds eind 2025 verwijst het Beleidskompas, zijnde de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid, naar de «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». De leidraad bevat drie methoden om langetermijneffecten en intergenerationele impact mee te wegen bij beleidsontwikkeling: de Generatiescan, de «Toekomst aan Tafel» en de Generatietoets. De Generatiescan is een snelle check op mogelijke effecten voor toekomstige generaties. «De Toekomst aan Tafel» is een participatieve methodiek om de stem van toekomstige generatief actief te betrekken. De Generatietoets is een verdiepende analyse voor beleidsvoorstellen waarbij significante intergenerationele effecten te verwachten zijn, zoals grote infrastructuurprojecten, hervormingen van het pensioenstelsel of beleid met substantiële gevolgen voor de staatsschuld.
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Het uitgangspunt dat er oog moet zijn voor de lange termijn en belangen van toekomstige generaties onderschrijf ik. In juli 2025 hebben de leden Sneller (D66) en Chakor (GL-PVDA) een motie ingediend die eveneens zag op het verkennen van de mogelijkheden voor het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties. In reactie op die motie heeft het kabinet toen onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan een instrumentarium dat ook het belang van toekomstige generaties zou moeten borgen. Inmiddels is de «Leidraad Toekomstgericht beleid» onderdeel van het Beleidskompas geworden en daarmee in werking getreden. Ook wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven.
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Het kabinet verwelkomt de Europese inzet op intergenerationele rechtvaardigheid. De strategie is in maart 2026 officieel gepresenteerd door de Europese Commissie en heeft als doel om langetermijn denken te incorporeren in het maken van beleid in de gehele Europese Unie. De strategie is niet-bindend en legt daarmee geen wettelijke verplichting op aan de EU-lidstaten. De strategie is voorgelegd in de Raad Buitenlandse Zaken, waarin Onze Minister van Buitenlandse Zaken bijeenkomt met alle Ministers van Buitenlandse Zaken van alle EU-lidstaten.
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Intergenerationele afwegingen maken al onderdeel uit van bestaande beleids- en besluitvormingsprocessen. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang met lopende trajecten op het gebied van demografie, overheidsfinanciën, brede welvaart en lange termijn beleid.
Het kabinet verwelkomt de Europese strategie en ziet deze als bevestiging van de ingeslagen weg. De kern van een intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie is voor Nederland al geborgd via de «Leidraad Toekomstgericht Beleid», verankerd in het Beleidskompas. Daarnaast wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven. Voorts zijn langjarige beleidsprogramma’s ook voorbeelden van nationale activiteiten die het belang van toekomstige generaties meewegen. Het Nationaal Deltaprogramma bijvoorbeeld legt vast hoe de overheid Nederland nu en in de toekomst beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoet water en werkt aan een klimaatbestendige inrichting van het land. Het Programma Energiehoofdstructuur brengt in kaart welke nationale energie-infrastructuur richting 2050 nodig is en waar die kan worden gerealiseerd.
Op het gebied van langdurige zorg komt het toekomstgerichte perspectief ook terug. Eerder is met veel partijen binnen het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) gewerkt aan de langjarige houdbaarheid en kwaliteit van wonen, ondersteuning en zorg die aansluit bij de voorkeuren van ouderen zelf. Dit programma is opgevolgd door het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Het Beleidskompas was de centrale werkwijze van dit akkoord waardoor ook ouderen en hun netwerk zijn betrokken. Hieruit zijn voor de lange termijn rode draden geformuleerd die leidend zijn voor de toekomst van de ouderenzorg. Daarnaast laat het kabinet het RIVM onderzoek doen naar de lange termijn vraagontwikkeling in de ouderenzorg.7
De voorstellen van de Commissie kunnen bijdragen aan verdere reflectie op de wijze waarop toekomstige generaties structureel worden meegenomen in beleid. Het kabinet zal bezien welke lessen en aanknopingspunten uit het Europese traject relevant zijn voor de Nederlandse context en hoe deze kunnen aansluiten bij bestaande nationale instrumenten en beleidsprocessen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
Ja.
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Nederland sluit niks uit op het gebied van productie van militair materieel, zolang dit in lijn is met nationale regelgeving en internationale verdragen en past binnen de fysieke leefomgeving. Zo verkent het Ministerie van Defensie op dit moment de mogelijkheden voor coproductie van kapitale en drone- munitieproductie in Nederland. Het kabinet zet dit met prioriteit voort en streeft ernaar munitieproductie binnen drie jaar te realiseren, afhankelijk van factoren die buiten de invloedssfeer van Defensie liggen, zoals vergunningverlening.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden.
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren.2 Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.3 Daarnaast werken we hieraan samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de defensie-industrie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
De oorlog in Oekraine laat het sterk toegenomen belang van kortere innovatiecycli zien die zich rechtstreeks vertalen in inzetbare gevechtscapaciteiten. Het is daarom zaak om de vereiste zorgvuldigheid bij verwervingsprocedures te betrachten en tegelijkertijd ruimte in te bouwen voor flexibiliteit en, conform de doelstellingen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.4 Zie hiervoor het antwoord onder vraag 14.
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland.
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden tussen Fire Point en het Ministerie van Defensie of Economische Zaken en Klimaat over mogelijke productie in Nederland omdat de producent deze interesse niet kenbaar heeft gemaakt. Om deze reden is er ook niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek, zie het antwoord op vraag 9 en 10.
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven. Nederland verwelkomt alle initiatieven in het kader van Build with Ukraine en gaat graag met producenten in gesprek over mogelijkheden voor samenwerking met Nederlandse bedrijven, waarbij gezamenlijk wordt verkend hoe productie in Nederland vorm kan krijgen.
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Op 2 september 2025 maakte Denemarken bekend dat Fire Point zich in Denemarken vestigt om vaste raketbrandstof te produceren. De Deense regering maakt gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren.
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.5 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Zie antwoord vraag 12.
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.6 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.7 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Om deze reden nemen we actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee de coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven mogelijk gemaakt wordt. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend. Op 16 april jl. is hier een belangrijke volgende stap in gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne.
We zoeken actief naar volgende projecten die de industriesamenwerking met Oekraine verder versterken en verwelkomen aanvullende initiatieven voor gezamenlijke productie in Nederland. Over de status van lopende gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven kan geen uitspraak gedaan worden in het kader van commerciële vertrouwelijkheid.
Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
De conferentie in Santa Marta en het Fossil Fuel Treaty Initiative |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u schetsen hoe de inbreng voor de routekaart eruit zal zien, aangezien u in de brief aan de Kamer (Kamerstuk 31 793, nr. 299) stelt dat Colombia en Nederland een constructieve impuls willen geven aan de ontwikkeling van een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, zoals aangekondigd door het Braziliaanse voorzitterschap van COP30?
De Nederlandse inbreng voor de Routekaart van het Braziliaanse COP30 voorzitterschap is onderdeel van de EU-inbreng.1 Daarnaast was het COP30-voorzitterschap aanwezig bij de conferentie in Colombia, om enerzijds de Braziliaanse plannen voor de Routekaart toe te lichten, en anderzijds uit de discussies mee te nemen wat voor het verdere proces van de Routekaart nuttig kan zijn. Colombia en Nederland zijn gevraagd om het eindrapport met de samenvatting van alle discussies formeel aan hen te overhandigen. Dit zal plaatsvinden tijdens de London Climate Action Week eind juni. Verder zullen Nederland en Colombia de resultaten van de conferentie ook overhandigen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Verwacht u concrete tijdslijnen voor uitfasering van de verschillende fossiele brandstoffen in te brengen, waar de koploperlanden zich aan moeten committeren?
Nee. Zoals met uw Kamer gewisseld in aanloop naar de conferentie, is er in Santa Marta niet onderhandeld over nieuwe afspraken, maar is de focus bewust gelegd op uitvoering van bestaande afspraken.
Wat bedoelt u met bredere terugkoppeling van de conferentie aan het COP-voorzitterschap? Welke andere terugkoppelingen gaat u doen naast de inbreng voor de roadmap, en met welke intentie?
Er namen 57 landen deel aan de conferentie. Deze groep vertegenwoordigt een derde van het mondiale fossiele energieverbruik en een vijfde van de mondiale productie van fossiele brandstoffen. Nederland en Colombia zullen nu de uitkomsten van de conferentie met zoveel mogelijk landen en betrokkenen delen. De inzet is daarbij om te laten zien wat landen op nationaal niveau en gezamenlijk al kunnen doen om de transitie weg van fossiele brandstoffen te realiseren en te versnellen. In dit kader zullen de uitkomsten onder meer worden aangeboden aan het COP30-voorzitterschap en aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, António Guterres. Vanzelfsprekend ben ik ook in gesprek met het COP31-voorzitterschap om te bespreken hoe we de uitkomsten van de conferentie tijdens COP31 het best onder de aandacht kunnen brengen. Hierover heb ik tijdens de Copenhagen Climate Ministerial constructieve gesprekken gevoerd met de verantwoordelijk Ministers van beide inkomende voorzitters, Turkije en Australië.
Worden de uitkomsten van de Santa Marta conferentie door Nederland meegenomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat uiterlijk rond Prinsjesdag 2026 naar de Kamer komt?
Ja, de uitkomsten van de Santa Marta conferentie worden in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) meegenomen.
Erkent u dat voor een geloofwaardige inzet op de conferentie in Santa Marta, een stevige nationale inzet vereist is, aangezien in de brief wordt verwezen naar het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies; in dit uitfaseerplan staat: «Vanwege de demissionaire status van dit kabinet is een verdere afbouw van fossiele brandstofsubsidies dan reeds aangekondigd aan een volgend kabinet.»?
De conferentie kende geen inhoudelijke onderhandelingen omtrent nationale inzet. Bovendien had Nederland als covoorzitter de verantwoordelijkheid voor het geheel van de conferentie, niet alleen de eigen inbreng. Maar uiteraard is ook gedurende de conferentie de Nederlandse inzet op de uitfasering van fossiele brandstofsubsidies stevig neergezet. Daarbij heeft Nederland aangegeven hoe het kabinet jaarlijks via de Miljoenennota transparantie over eigen fossiele subsidies geeft. Ook is gerefereerd naar de keuze voor structurele maatregelen in tijden van energiecrisis om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder af te bouwen. Ten slotte onderstreept het Nederlands voorzitterschap van de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS) de Nederlandse internationale inzet op uitfasering van en transparantie over fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet heeft zich op de conferentie in Santa Marta wederom hard gemaakt voor deelname aan deze coalitie en het committeren aan de doelen die COFFIS nastreeft.
Wanneer komt u met plannen voor verdere afbouw van fossiele subsidies in Nederland?
Nederland werkt aan een routekaart voor de verantwoorde afbouw van fossiel, in de vorm van de Actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem. Deze Actualisatie wordt dit jaar nog gepubliceerd met een onderdeel over de verantwoorde afbouw van fossiel. De afbouw van fossiele brandstoffen moet hand in hand gaan met de afbouw van fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet zet voornamelijk in op uitfasering van deze subsidies in EU-verband. Het belangrijkste onderdeel hiervan is de inzet op een sterk EU-ETS. De herziening van het EU-ETS die dit jaar loopt is hierbij cruciaal.2
Nederland pleit onder andere voor uitbreiding van het EU-ETS naar andere sectoren, waaronder afvalverbrandingsinstallaties en kleine zeeschepen. Ook blijft het kabinet zich inzetten voor verbeterde transparantie over fossiele subsidies op EU-niveau, onder meer door hier nadrukkelijk aandacht voor te vragen bij de herziening van de Europese governance-verordening.3 Nederland heeft daartoe een consultatiereactie ingediend met aanbevelingen om de methode voor de monitoring en rapportage van fossiele regelingen te verbeteren.4 Hierbij is het voor Nederland belangrijk dat het totaal van heffingen en subsidies in kaart wordt gebracht, net zoals Nederland in de Miljoenennota doet; daarnaast wordt – in aansluiting op de Nederlandse inzet en die van de EU-werkgroep onder COFFIS – gepleit voor een Europese aanpak omtrent uitfasering. Juist tijdens de energiecrisis is een gecoördineerde aanpak nog belangrijker vanwege het zoveel mogelijk behouden en creëren van een gelijk speelveld. Voor Nederland is het daarbij belangrijk dat maatregelen die kunnen leiden tot fossiele brandstofsubsidies van tijdelijke aard zijn en de transitie naar een klimaatneutrale economie niet ondermijnen.
Wat is uw inzet op het agendapunt ISDS tijdens de conferentie in Santa Marta, gezien de internationaal steeds sterker wordende roep om het huidige ISDS-systeem te hervormen?
Het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (Investor-State Dispute Settlement, ISDS)5 was één van de onderwerpen die landen gedurende de conferentie ter tafel brachten. Nederland is al langere tijd voorstander is van een hervorming van het ISDS-mechanisme en zet in op een modernisering van het systeem op zowel nationaal-, Europees- als multilateraal niveau. Zo vormt de Nederlandse Modeltekst Investeringsbeschermingsovereenkomsten6, die een gemoderniseerde vorm van ISDS bevat, de onderhandelingsinzet van Nederland bij bilaterale onderhandelingen hierover. In deze Modeltekst zijn bijvoorbeeld verschillende bepalingen over duurzame ontwikkeling opgenomen, waaronder een bepaling die voorziet in een herbevestiging van de plichten voorvloeiend uit multilaterale overeenkomsten op het gebied van milieubescherming, zoals de Overeenkomst van Parijs.
Bent u bereid om, samen met Colombia en andere gelijkgezinde staten, te verkennen of een internationale coalitie kan worden gevormd gericht op de gezamenlijke afbouw van ISDS?
Nederland is voorstander van de hervorming van het ISDS-systeem, in plaats van afbouw. Dat doen we, naast modernisering op nationaal niveau, ook in internationaal verband, zowel op Europees als op multilateraal niveau (VN en OESO), in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen.
Kunt u daarnaast toezeggen om op korte termijn – mede vanwege de energiecrisis – de prikkels in kaart te brengen die op dit moment het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleren; en daarbij naast prijsprikkels (fossiele subsidies en productkortingen) ook reclame, sponsoring en influencers mee te nemen?
Dit doet het kabinet reeds jaarlijks in de Miljoenennota; ook zijn ze weergegeven in het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies. Ten aanzien van reclame en sponsoring verwijs ik naar een eerdere beantwoording van Kamervragen door mijn voorganger van 24 april 2025.7 In algemene zin geldt dat reclame, waaronder sponsoring en influencers, onder toezicht staat van de Reclame Code Commissie en/of het Commissariaat voor de Media. Er bestaat momenteel geen eensluidende, breed gedeelde en ook juridisch geaccepteerde definitie van fossiele reclame. Dit geldt eveneens voor overige prikkels in de vraag. Een separate inventarisatie is tot slot inhoudelijk complex door de kort-cyclische aard van reclameboodschappen.
Wat is uw standpunt ten aanzien van verantwoord desinvesteren uit fossiele brandstofactiva?
De huidige geopolitieke ontwikkelingen maken duidelijk dat disrupties van internationale waardeketens voor fossiele brandstoffen en olieproducten nog altijd veel invloed hebben op energie- en mobiliteitsprijzen, die doorwerken in onze economie. Daarom zet dit kabinet zich in voor een divers aanbod van energie en grondstoffen en een afbouw van de vraag naar fossiele brandstoffen, door over te stappen op schone energie. Alleen als de vraag substantieel daalt, zal de prikkel tot productie van fossiele brandstoffen en bijbehorende investeringen afnemen. In lijn met de daarover gesloten sectorakkoorden zal het kabinet op gecontroleerde wijze en in lijn met het afnemen van de vraag afbouwen, zonder echter in de tussentijd de importafhankelijkheid te laten oplopen.
Bent u bekend met het Fossil Fuel Treaty Initiative1?
Ik ben hier mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het niet ondertekenen van de Treaty de geloofwaardigheid van Nederland als organisator van de conferentie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Voor de conferentie zijn landen uitgenodigd die actief werken aan hun transitie weg van fossiele brandstoffen. Dat waren landen die de Treaty steunen, maar ook landen die lid zijn van andere internationale coalities en initiatieven, zoals de Beyond Oil and Gas Alliance (BOGA), het Clean Energy Transition Partnership (CETP) en onze eigen coalitie gericht op het uitfaseren van fossiele subsidies, COFFIS. Verschillende landen zijn lid van een of meerdere coalities, maar niet van allemaal en dat is voor de geloofwaardigheid van de conferentie ook niet nodig gebleken. De deelnemende landen zijn uitgenodigd op basis van onder meer hun bereidheid om op constructieve wijze te praten over de transitie weg van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid dit initiatief te ondertekenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u tot ondertekening overgaan?
Nederland deelt hetzelfde doel als dit initiatief – een wereld zonder fossiele brandstoffen – maar ziet een verschillend pad daar naartoe. De bestaande afspraken in het VN-klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs bieden samen met verschillende (multilaterale) fora en overlegorganen voor Nederland op dit moment voldoende houvast om toe te werken naar een klimaatneutrale toekomst waarin we de langetermijn opwarming van de aarde beperken tot 1.5°C – inclusief het uitfaseren van fossiele brandstoffen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de conferentie in Santa Marta op 24 april?
Vanwege de voorbereidingen van de conferentie is het niet mogelijk gebleken de vragen voor 24 april te beantwoorden.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne niet naar Nederland komt vanwege te veel bureaucratie |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat het Oekraïense bedrijf Fire Point, dat volgens het item van Nieuwsuur interesse had om delen van de productie naar Nederland te brengen, daar nu van afziet omdat de bureaucratie in Nederland te zwaar en te traag zou zijn?1
We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke productie in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Herkent u het beeld dat het in Nederland in sommige gevallen anderhalf jaar kan duren voordat een defensiebedrijf een productielijn mag opzetten? Zo ja, welke vergunningen, procedures en toetsingen zijn daarbij in de praktijk meestal de oorzaak van de vertraging?
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Klopt het dat de Oekraïense droneproducent Fire Point heeft afgezien van vestiging in Nederland vanwege complexe regelgeving en langdurige vergunningstrajecten?
Nee. We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Beschouwt u het niet doorgaan van deze vestiging als een gemiste kans voor de Nederlandse defensiecapaciteit, de ontwikkeling van de defensie-industrie en het opdoen van kennis en expertise op het gebied van drone-innovatie?
Deelt u de analyse dat de snelheid van innovatie cruciaal is, gezien het feit dat militaire technologie in Oekraïne zich binnen maanden ontwikkelt en al heel snel veroudert? Zo ja, hoe wordt het inkoopproces van Defensie erop ingericht om innovatie te stimuleren en belonen?
De oorlog in Oekraïne heeft geleid tot een ongekende stroomversnelling in militaire innovatie. Deze ervaringen zijn van onschatbare waarde om mee te nemen in de versterking van de Nederlandse krijgsmacht, waaronder op het gebied van innovatie. Defensie trekt hier dan ook belangrijke lessen uit. Tegelijkertijd is het van belang om te waken voor een te eenzijdige focus op Oekraïne, aangezien de specifieke kenmerken van deze oorlog niet zonder meer representatief zijn voor andere toekomstige militaire conflicten.
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.2 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.3 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Welke concrete stappen zet het kabinet om Nederland aantrekkelijker te maken voor internationale defensiebedrijven, met name op het gebied van drones en andere innovatieve, hightech wapensystemen?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.4 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande procedures nog passend zijn bij de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaatzet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Welke rol spelen bankgaranties, voorfinanciering, auditvereisten en andere financiële waarborgen momenteel bij het vertragen van samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven?
Op defensiebedrijven uit Oekraïne zijn dezelfde voorwaarden voor bankgaranties, contractaudits, e.d. van toepassing als op bedrijven uit elk ander land. Om vertraging in samenwerking met Oekraïense bedrijven te voorkomen, worden er ook bankgaranties van Oekraïense banken geaccepteerd. Indien de situatie daar om vraagt kan er gemotiveerd van de vraag om een bankgarantie worden afgeweken. Dit wordt door het Ministerie van Defensie per casus op basis van een risicoanalyse beoordeeld. De minimale eisen voor het aangaan van een verplichting en de verantwoording van publieke middelen blijven van toepassing. Deze regels worden gehandhaafd om de doel- en rechtmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
Bent u bereid om, waar verantwoord en juridisch mogelijk, standaard ruimer gebruik te maken van voorfinanciering of andere versnelde financieringsvormen als alternatief voor trage of belemmerende bankgaranties?
Sinds begin dit jaar heeft Defensie versoepelingen in het bevoorschottingsbeleid doorgevoerd. Waar bedrijven geen bankgarantie kunnen leveren bij een voorschot van Defensie, wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het belang van de opdracht enerzijds en het beheersen van financiële en contractuele risico’s anderzijds. Ook blijft Defensie kijken naar alternatieven voor de bankgarantie en andere manieren om de financiering van de defensie-industrie nader te faciliteren. Daarbij blijft Defensie benadrukken dat ook de commerciële financiële sector daarin een rol heeft.
In hoeverre acht u het wenselijk dat andere Europese landen, zoals Denemarken, sneller kunnen schakelen door regelgeving aan te passen, terwijl Nederland hierin achterblijft? Heeft u in kaart gebracht welke regels of procedures in Denemarken anders worden toegepast dan in Nederland?
Omdat er (nog) geen sprake is geweest van het verkennen van de mogelijkheid van het bouwen van een productiefaciliteit voor een Oekraïense producent, is er nog niet in kaart gebracht welke regelgeving hierbij beperkend zou zijn. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Recent is het eerste coproductieproject gestart, zie antwoord op vraag 4.
Juridisch gezien maakt de Deense regering gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren. Voor het verbeteren van het vestigingsklimaat neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven situaties. Ik neem de berichten dat bewoners ervaren dat zij onvoldoende zeggenschap hebben, doordat woningcorporaties ingrijpende verduurzamingswerkzaamheden als «groot onderhoud» classificeren in plaats van «renovatie», serieus. De primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig proces ligt echter bij de corporatie zelf. Of werkzaamheden groot onderhoud of renovatie betreffen hangt af van de aard van de werkzaamheden en maatregelen. De woningcorporatie is aanspreekbaar op de wijze waarop bewoners daarin worden betrokken. De wet maakt onderscheid tussen «dringende werkzaamheden» en «renovatie»: bij «renovatie» worden voorheen niet aanwezige voorzieningen aangebracht waardoor het wooncomfort geacht wordt te zijn gestegen. Wanneer slechts sprake is van vervanging van kapotte of versleten onderdelen of voorzieningen is er sprake van onderhoud. Voor renovatiewerkzaamheden is instemming van de huurder vereist2, voor onderhoudswerkzaamheden niet. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter.
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Dat dit onderwerp van gesprek is, is bij mij bekend. De Woonbond heeft eind januari 2026 een brandbrief gepubliceerd over signalen van huurders die zich onvoldoende betrokken voelen bij verduurzamings- en renovatietrajecten, mede in relatie tot betaalbaarheid, draagvlak en de ervaren gevolgen voor hun woonlasten en woongenot.3
De verantwoordelijkheid voor een juiste classificatie van werkzaamheden ligt in eerste instantie bij de woningcorporaties zelf. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter. Ook kunnen huurders zich onder omstandigheden melden bij de huurcommissie en is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de corporatie. Corporaties zijn verplicht een onafhankelijke klachtencommissie in te richten. Corporaties hebben 2,2 miljoen sociale huurwoningen in eigendom en een investeringsopgave van 115 miljard euro. Ik kan niet in individuele gevallen beoordelen of er sprake is van renovatie of onderhoud.
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
De signalen in het Trendbeeld over bewonersparticipatie die door SVWN in de in 2025 uitgevoerde visitaties bij 36 corporaties zijn gesignaleerd zijn door mij met belangstelling ontvangen.5 Deze signalen zijn voor mij mede aanleiding geweest om een onderzoek te laten doen naar de stand van zaken ten aanzien van huurdersparticipatie bij corporaties in Nederland. In 2016 vond een eerste onderzoek plaats naar hoe huurdersorganisaties bij corporaties invulling geven aan belangenbehartiging van huurders op basis van de Woningwet 2015. Reden was de invoering van de Woningwet 2015 en de rol die huurders op basis van de wet kregen. Tien jaar na dit onderzoek is het zinvol om dit onderzoek weer te laten plaatsvinden. Ik zal op basis van een tweede onderzoek over meer input beschikken om een onderbouwde reactie te kunnen geven en hierbij naast een vergelijking met het eerste onderzoek ook signalen uit het Trendbeeld 2015 meenemen. In de eerste helft van 2027 verwacht ik de uitkomsten van het onderzoek.
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat deel ik niet. Zoals aangeven in vraag 1 zijn de aard van de maatregelen en werkzaamheden leidend. Woningcorporaties staan voor een zeer omvangrijke verduurzamings- en renovatieopgave: op basis van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) moeten zij honderdduizenden woningen verbeteren, wat leidt tot lagere energierekeningen en meer wooncomfort voor huurders. Corporaties pakken die opgave voortvarend op. Uiteraard betrekken zij daarbij ook de financiële gevolgen, maar de kwalificatie moet wel in alle gevallen in lijn zijn met de juridische definitie en de geest van de wet.
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
Ik beschik niet over deze cijfers. Er bestaat geen centrale registratie die bijhoudt hoe verduurzamingswerkzaamheden zijn geclassificeerd en in hoeveel gevallen huurders of hun vertegenwoordigers daar anders over oordeelden. Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 2 is het niet aan mij om individuele gevallen te beoordelen. Er zijn andere mogelijkheden die huurders hebben als zij de beoordeling van de corporatie in twijfel trekken.
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het ontwerpwetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht, gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl, richt zich specifiek op verduurzaming in de vorm van energiebesparende of energieleverende voorzieningen, en niet op renovaties in algemene zin. Het ontwerp gaat uit van een scherpere rol voor de huurdersvertegenwoordiging. Dit ontwerp biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur nader te definiëren welke maatregelen vallen onder het begrip verduurzaming.
Daarnaast is de voorgenomen aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving van belang met het oog op het uitfaseren van EFG-labels bij huur. Deze aanpassing is erop gericht dat huurwoningen aan energetische minimumeisen moeten voldoen per 1 januari 2029. Een ontwerp hiervoor is eveneens gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl. Om de verhuurder in staat te stellen om tijdig aan de eis voldoen, moet de huurder op enig moment vóór 2029 meewerken wanneer de verhuurder de woning wil aanpassen voor het bouwvoorschrift.
In het licht van de hiervoor genoemde ontwerpen zal ik bezien of het noodzakelijk is om het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie scherper te beschrijven met het oog op de positie van de huurder.
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Ik deel de mening dat de positie van huurders van belang is bij warmtenetten.
Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt deze positie geborgd. Zo borgt de Wgiw goede participatie en een helder democratisch proces bij aansluiting op een warmtenet. Huurders hebben hierdoor, net als andere bewoners, en gebouweigenaren, de mogelijkheid inbreng te leveren bij de totstandkoming van het warmteprogramma en vervolgens de wijziging van het omgevingsplan.
De prioritering van verduurzaming, waaronder de aanleg van warmtenetten, is een gezamenlijke zaak van corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties maken samen lokale prestatieafspraken. Huurdersorganisaties kunnen ook op die manier invloed uitoefenen op lokale afspraken over warmtenetten.
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Exacte aantallen zijn mij niet bekend; zie ook het antwoord op vraag 5. Bekend is dat rechters in een aantal gevallen hebben geoordeeld dat de aansluiting op een warmtenet als dringende werkzaamheden kan worden aangemerkt. Meest recent heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 10 april 2026 geoordeeld dat huurders van corporatie Woonwaard in Alkmaar moesten meewerken aan aansluiting op het warmtenet, omdat het mislopen van subsidie en gemeentelijke afspraken de werkzaamheden dringend maakten.6 Van corporaties verwacht ik dat zij, ook als zij juridisch geen instemming hoeven te vragen, huurders tijdig en transparant informeren en betrekken bij de plannen. Dit vloeit ook voort uit Wet overleg huurders en verhuurder.
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Niemand zou maandenlang onder dergelijke omstandigheden moeten hoeven wonen. Een woning moet een veilige en leefbare plek zijn. Corporaties hebben in dergelijke situaties een belangrijke verantwoordelijkheid om hun zorgplicht als verhuurder volledig na te komen. Huurders hebben de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of de rechter te wenden inzake de huurprijs. In een dergelijke procedure kan worden beoordeeld of sprake is van (geluids)overlast of gebreken die aanleiding geven tot huurverlaging. Daarnaast kunnen huurders bij de rechter vorderen dat maatregelen worden genomen om de overlast te beperken, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van een wisselwoning, en kunnen zij een schadevergoeding eisen voor geleden schade. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover een oordeel te geven. Los van de juridische kwalificatie van de werkzaamheden verwacht ik van corporaties dat zij oog hebben voor de positie van huurders en actief zoeken naar passende oplossingen wanneer bewoners langdurig met ernstige overlast of schade worden geconfronteerd. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden, betekenen dat een wisselwoning beschikbaar wordt gesteld of dat schade aan de inboedel wordt vergoed.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
In de NPA en de wet zijn kaders opgenomen: verduurzaming gaat gepaard met betaalbare woonlasten, huurders worden na verduurzaming niet geconfronteerd met onredelijke huurverhogingen en de isolatie van woningen bij zittende huurders mag niet leiden tot huurverhoging. Daarnaast leidt verduurzaming van sociale huurwoningen tot meer wooncomfort en meer grip op de energierekening.
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Nee, de beoordeling of sprake is van «dringende werkzaamheden» dan wel «renovatie» is aan de rechter, de Hoge Raad heeft dit ook bevestigd.7
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Ik erken dat er een structureel verschil bestaat in de positie van corporaties en individuele huurders. De drempel om naar de rechter te stappen is voor veel huurders hoog. De wet biedt echter ook andere wegen. De Overlegwet regelt het recht op informatie van huurdersorganisaties en bewonerscommissies. Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het delen van informatie met bewoners en het faciliteren van een bewonerscommissie; zij kunnen een bewonerscommissie ook een vergoeding verstrekken om deskundige ondersteuning in te huren. Ook kunnen huurders een klacht indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie.
In de NPA 2025–2035 is daarnaast afgesproken dat woningcorporaties en bewoners periodiek evaluaties uitvoeren over de kwaliteit van verrichte renovaties en waar nodig verbeteringen aanbrengen. Dit zijn bestaande instrumenten die de ongelijkheid kunnen verminderen zonder dat de rechter eraan te pas hoeft te komen.
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
Ja ik deel de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is. Daarom kent de huidige wetgeving ook veel waarborgen voor die zeggenschap. Uiteraard werkt deze waarborg, net als elk systeem, niet feilloos. Om die reden worden huurdersorganisaties betrokken, bestaat de huurcommissie, kunnen huurders een klacht indienen of naar de rechter.
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Ja, ik ben bekend met eerdere berichtgeving, meest recentelijk in september 2025.
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
De Blauwe Haven is ontstaan uit een bundeling van projecten in de Eenheid Rotterdam, om politiemedewerkers met mentale overbelasting zoals PTSS en burn-out te helpen bij hun herstel.
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet.
In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn drie disciplinaire individuele onderzoeken gestart naar mogelijk plichtverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. Verder heeft de korpsleiding mij laten weten dat de andere twee onderzoeken eveneens zijn afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit). Over het exacte aantal meldingen kan ik, vanwege privacybelangen en het lopende onderzoek, geen uitspraken doen.
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Ik vind het van groot belang dat medewerkers zich gehoord en veilig voelen en dat de politie zich maximaal blijft inzetten om met mogelijke melders in contact te komen.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam van het LTIO in de afgelopen maanden heeft gesproken met tientallen mensen, zowel melders als getuigen. Tijdens het onderzoek bereikten het team signalen dat sommige mensen mogelijk terughoudend waren om een officiële verklaring af te leggen. Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld is door de korpsleiding gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Deze geheimhouder bekijkt samen met de melder of onder bepaalde voorwaarden een formele verklaring (op naam) kan worden afgelegd. Dat laatste is nodig om de verklaring in het onderzoek te kunnen opnemen. De korpsleiding heeft mij laten weten dat zich enkele personen bij de geheimhouder hebben gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
De politie werkt hard aan het creëren van een veilige meldomgeving, onder meer via de direct leidinggevende, vertrouwenspersonen, diverse meldkanalen en extra begeleiding van betrokkenen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met signalen van terughoudendheid en angst. Tot slot biedt de politie aan de getroffen medewerkers extra zorg en ondersteuning door medewerkers van het team Veilig en Gezond werken (VGW) en specialisten uit de bedrijfshulpverlening. Dit betreft onder andere geestelijk verzorgers, bedrijfsmaatschappelijk werkers en een korpspsychologen.
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Het onderzoeksteam heeft in de eerste fase van het oriënterend onderzoek getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zijn (voormalig) medewerkers op diverse manieren opgeroepen om hun verhaal te doen op een voor hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Bij de geheimhouder hebben zich enkele personen gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat op basis van de beschikbare informatie die voldoende concreet was om nader te onderzoeken, er drie disciplinaire individuele onderzoeken zijn gestart naar mogelijk plichtsverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
De politie geeft aan dat dit niet betekent dat het onderzoek zich per definitie heeft beperkt tot deze personen. Ook kan nieuwe informatie aanleiding geven om het onderzoek uit te breiden.
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat signalen van grensoverschrijdend gedrag volledig en zorgvuldig onderzocht moeten worden.
Het instellen van en de wijze van onderzoek doen dient steeds te worden bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek naar de Blauwe Haven te waarborgen heeft de politie deze ondergebracht bij het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverstijgende onderzoeken met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant, in nauw contact met het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam in de eerste fase van het oriënterend onderzoek vooral heeft getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Vervolgens hebben de bevindingen geleid tot drie individuele onderzoeken gericht op medewerkers waarbij het vermoeden was van plichtsverzuim. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 2, 3 en 5.
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet. In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Ik heb begrepen dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld, sprak het LTIO in de afgelopen maanden met tientallen mensen, zowel met melders als getuigen. Hierbij is door het onderzoeksteam gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen als comfortabel ervaren manier. Dit uitgebreid oriënterend onderzoek heeft vervolgens geleid tot drie disciplinaire onderzoeken. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Volgens de gebruikelijke procedure worden meldingen die duiden op een vermoeden van plichtsverzuim allereerst intern door de organisatie onderzocht door middel van een disciplinair onderzoek.1 In geval van het vermoeden van strafbare feiten wordt dit onderzoek geleid door het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat de wijze van onderzoek doen altijd wordt bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Gelet op de ernst van de meldingen bij de Blauwe Haven en de omvang van het oriënterend onderzoek, is door de korpsleiding besloten om het onderzoek te laten doen door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverschrijdende onderzoeken, vaak met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant in geval van strafbare feiten, in nauw contact met het Openbaar Ministerie. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het onderzoek, zoals thans wordt uitgevoerd door het LTIO.
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Het uitgangspunt is en blijft dat elke melding serieus wordt genomen en op elke overschrijding van de norm een reactie volgt. Ik vind het belangrijk dat drempels voor melden zo laag mogelijk zijn. De omvang van het onderzoek wordt bepaald op basis van feiten, meldingen en onderzoeksbevindingen. Als nieuwe signalen daartoe aanleiding geven, kan het onderzoek worden uitgebreid.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Grensoverschrijdend gedrag past niet binnen de politieorganisatie en moet daarom consequent worden aangepakt. Binnen de politieorganisatie, maar ook in de maatschappij, is er terecht veel aandacht voor het tegengaan van ongewenst gedrag waaronder uitsluiting, pestgedrag, seksueel overschrijdend gedrag en discriminatie en racisme. Binnen de politie wordt daarom ingezet op versterking van sociale veiligheid, leiderschapsontwikkeling, het bevorderen van het melden van misstanden. Daarbij horen onder meer trainingen en gesprekken, een duidelijke normstelling in geval van ongewenst gedrag, een verbeterde opvolging van signalen en het versterken van vertrouwensstructuren. Ik spreek regelmatig met de korpsleiding over dit belangrijke thema en ik zal dit blijven doen.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Het kabinet kan het afwijkende beeld dat uit de rapportage van de meldweken naar voren komt niet goed verklaren. Om meer inzicht te krijgen in deze signalen uit de praktijk is er mede daarom op korte termijn een gesprek ingepland met de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en de Vereniging Jonge Apothekers (VJA). Het kabinet is zich er natuurlijk terdege van bewust dat het wisselen van medicijnen voor patiënten erg vervelend kan zijn en bijvoorbeeld stress kan opleveren. Tegelijk is het goed te melden dat verantwoord wisselen van geneesmiddel mogelijk is. In de Leidraad Verantwoord Wisselen2 zijn door alle betrokkenen, waaronder vertegenwoordigers van apothekers, voorschrijvers en patiënten, heldere afspraken vastgelegd over welke medicijnen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Ook is duidelijk vastgelegd wat de rol van voorschrijver en apotheker hierin is. Dat wisselingen in geval van tekorten bij veel patiënten tot gezondheidsverslechtering zou leiden zou niet zo moeten zijn. Temeer daar het bij veruit de meeste van de wisselingen gaat om een wisseling tussen producten met dezelfde werkzame stof maar dan met een andere verpakkingsgrootte, van een ander merk, of geïmporteerd uit een ander land. Alleen in uitzonderlijke gevallen, als er geen enkele andere optie is, vinden er wisselingen plaats tussen medicijnen met een andere werkzame stof. En zeker dan wordt door de betrokken zorgverleners een uiterst zorgvuldige afweging gemaakt. Dat neemt niet weg dat het kabinet er samen met veldpartijen, waaronder ook de apothekers, in goede samenwerking alles aan blijft doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 snapt het kabinet dat het wisselen van medicijnen voor patiënten vervelend kan zijn en stress kan opleveren, en in uitzonderlijke gevallen zelfs kan leiden tot suboptimale zorg. Daarom blijft het kabinet er samen met de veldpartijen, waaronder ook de apothekers, alles aan doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Het kabinet heeft in het antwoord op vraag 3 uit de eerdere set vragen3 over dit bericht laten weten de signalen van de apothekers te kennen. Ook heeft het kabinet laten weten deze signalen serieus te nemen en mee te nemen in de gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de gesprekken die het kabinet voert over de uitvoering van de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)4 om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. De afspraken beogen om de impact van tekorten te verminderen, niet alleen voor de patiënt maar ook voor apotheekteams. In het kader van de afspraken maken de koepels van zorgverleners en zorgaanbieders uit de sector zo goed als mogelijk inzichtelijk wat de impact van tekorten is bij hun achterban en deelt de uitkomsten met het Ministerie van VWS. Op dit moment legt het Ministerie van VWS met de betrokken stakeholders de laatste hand aan een werkagenda om de afspraak uit te voeren. Zodra iedereen de werkagenda heeft ondertekend, deelt het kabinet deze met de Kamer. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 te informeren over de inhoud van de werkagenda.
Daarnaast zijn LEF (Landelijk Eerstelijns Farmacie) en de VJA (Vereniging Jonge Apothekers) naar aanleiding van de brandbrief uitgenodigd voor een gesprek over de signalen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden.
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
In de vraag worden drie maatregelen genoemd: de Leidraad Verantwoord Wisselen, de «ijzeren voorraad» (die tegenwoordig de veiligheidsvoorraad genoemd wordt) en de afspraken onder het AZWA. Kortheidshalve gaat het kabinet hier alleen op deze drie maatregelen in. Voor alle andere afgeronde, lopende en voorgenomen maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren verwijst het kabinet naar de recent verstuurde voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen5 en kabinetsreactie Periodieke Evaluatie Beschikbaarheid Medische producten.6
In de Leidraad Verantwoord Wisselen zijn afspraken vastgelegd over het wisselen van geneesmiddelen en de verantwoordelijkheid van onder andere arts en apotheker hierbij. Deze werkafspraken bieden duidelijkheid aan apotheker, patiënt, voorschrijver en zorgverzekeraar welke geneesmiddelen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Veldpartijen hebben de Leidraad in eigen beheer. Periodiek wordt de Leidraad door veldpartijen onderling geëvalueerd en geüpdatet. Daar is het kabinet niet bij betrokken. Omdat de Leidraad mede tot stand is gekomen om mogelijke ongewenste effecten van het preferentiebeleid te ondervangen, worden de effecten van de Leidraad Verantwoord Wisselen meegenomen bij de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. In deze evaluatie worden ook de effecten van dit beleidsinstrument op het apotheekteam onder de loep genomen.
De AZWA-afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen hebben op dit moment nog geen effect omdat deze afspraken pas recent door de deelnemende veldpartijen akkoord zijn bevonden. De deelnemers starten dit jaar met de uitvoering. De timing van mijlpalen en uiteindelijke afronding verschilt per deelafspraak. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 nader te informeren over de inhoud en uitvoering van deze werkagenda. Daarbij zal het kabinet ook ingaan op de beoogde impact van de werkagenda «aan de balie.»
Dan ten slotte de «ijzeren voorraad». Het traject om grotere voorraden van geneesmiddelen in de productie- en distributieketen aan te leggen stamt uit 2019. Bij de start van het traject was het voornemen inderdaad om het aanhouden van in totaal vijf maanden voorraad te verplichten. Dit beleidsvoornemen is in meerdere stappen bijgesteld tot de huidige acht weken in totaal, zoals de beleidsregel over de verplichte veiligheidsvoorraad op dit moment vereist.7 Hier is de Kamer op verschillende momenten nauwgezet over geïnformeerd.8, 9, 10 De huidige hoogte van de veiligheidsvoorraad van in totaal acht weken is gebaseerd op een balans tussen enerzijds het risico op leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen en anderzijds de negatieve neveneffecten die een (hoge) voorraad kent. Bij die negatieve neveneffecten kan gedacht worden aan spillage, aan ongelijke verplichtingen tussen Europese lidstaten en aan onnodige financiële risico’s voor leveranciers en groothandels. Bovenop deze wettelijke veiligheidsvoorraden heeft het kabinet een subsidie verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen door groothandels. Eind vorig jaar heeft adviesbureau Strategies in Regulated Markets (SiRM) in opdracht van branchevereniging BG Pharma een onderzoek uitgevoerd naar het effect van deze extra voorraden op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.11 Hierin constateert SiRM dat er in 2025 minder en minder lange geneesmiddelentekorten zijn optreden bij volgesorteerde groothandels.
Dit effect blijkt het grootst bij geneesmiddelen waarvoor een (extra) voorraad is aangelegd, zoals de verplichte veiligheidsvoorraad en de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen onder de subsidie.
De genoemde maatregelen maken zoals aangegeven deel uit van een veel breder pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren, waarover het kabinet de Kamer regelmatig informeert. In 2025 konden voor het tweede jaar op rij minder tekorten worden gemeld in de data van apothekers.12 Tegelijkertijd – zoals terecht in de vraag wordt opgemerkt – ondervonden in 2025 nog steeds circa 3,5 miljoen Nederlanders de gevolgen van tekorten en kost het oplossen van tekorten een grote inzet van zorgpersoneel. Daarom kan de Kamer ervan op aan dat het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor het kabinet een prioriteit blijft.
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Op de vraag in hoeverre de kosten en baten van het preferentiebeleid tegen elkaar opwegen kan het kabinet inderdaad – zoals in de vraag terecht geconstateerd – lopende de onafhankelijke evaluatie naar dit instrument geen uitspraken doen. U kunt de uitkomsten van het onderzoek en de reactie van het kabinet daarop eind 2026 tegemoet zien.
In de tussentijd is het kabinet niet van plan een tijdelijke maatregel te nemen. Het kabinet kan zich namelijk niet mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars en apotheken in de zorgcontractering met elkaar vastleggen over de uitvoering van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen. Als apotheken van oordeel zijn dat de afspraken die zij hierover met zorgverzekeraars hebben gemaakt niet redelijk en billijk zijn of onverwachts ongewenste gevolgen hebben, kunnen zij hierover in gesprek gaan met de zorgverzekeraar, al dan niet via de zorgmakelaar die in hun opdracht de onderhandelingen heeft gevoerd. Ook kunnen zij dit meenemen bij hun inzet in de onderhandelingen voor het nieuwe contractjaar (2027).
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Het kabinet is bekend met de trend dat het aantal fabrikanten per geneesmiddelen afneemt. De rol van het preferentiebeleid daarin kan het kabinet echter niet vaststellen. Mogelijk brengt de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid daar verandering in. Eén van de effectgebieden waar de onafhankelijke evaluatie naar gaat kijken is het effectgebied geneesmiddelenmarkt. Het onderzoeksbureau zal daarbij ook onderzoeken of het preferentiebeleid impact heeft op het aantal aanbieders van geneesmiddelen.
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Het model van laagste prijs plus bandbreedte (LPG+), waar in vraag 8 van de eerdere set vragen13 over dit bericht aan gerefereerd werd, is een bestaande variant van het inkoopmodel Laagste Prijs Garantie (LPG). Zowel LPG als LPG+ worden in de inkoop toegepast door zorgverzekeraars, naast het preferentiebeleid. Het aandeel van LPG en LPG+ is in de afgelopen jaren afgenomen naarmate meer geneesmiddelen zijn opgenomen in het preferentiebeleid en naarmate meer zorgverzekeraars preferentiebeleid zijn gaan voeren. Wel worden de modellen vaak toegepast als alternatief model in geval een preferent aangewezen product niet leverbaar is. Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen gaat het dus voor zover het kabinet bekend niet om een nieuw alternatief, maar om een beproefd en gangbaar inkoopmodel. LPG en varianten daarop komen dan ook met enige regelmatig aan de orde in gesprekken van het kabinet met veldpartijen.
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het lijkt het kabinet zinvol om deze evaluatie af te wachten.
Daar komt bij dat het kabinet zich niet kan en wil mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars, apotheken, groothandels en leveranciers met elkaar maken over de toepassing van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen, al dan niet als onderdeel van de zorgcontractering.
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Alle leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen is gevraagd om informatiebronnen die zij van belang achten voor het onderzoek aan te leveren. Ook de KNMP, de ASKA, de NApCo en OptimaFarma zijn lid van deze werkgroep en daarmee in de gelegenheid om de volgens hen van belang zijnde informatie over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie in te brengen. Bij verzending van deze antwoorden staat de uitvraag nog open. In het eindrapport van de evaluatie, dat de Kamer eind 2026 zal ontvangen, wordt een overzicht opgenomen van alle geraadpleegde bronnen zodat de lezer zich een oordeel kan vormen of de verschillende perspectieven op dit onderwerp voldoende zijn meegenomen.
De onderzoeksfase van de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau,. In algemene zin acht het kabinet het voor het maken van goed beleid van bijzonder groot belang dat bewindspersonen en ambtenaren in nauw contact staan met de praktijk en de burger, niet alleen met de vertegenwoordigers of koepels daarvan. In dat kader is het goed te vermelden dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onlangs, op 4 mei 2026, op werkbezoek is geweest bij een apotheek en dat in de toekomst waarschijnlijk nog regelmatig zal doen. Ook de bij deze vraagstukken betrokken ambtenaren hebben regelmatig contact met apothekers, het gesprek met de vertegenwoordigers van LEF en VJA is daar een voorbeeld van.
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Ja.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het TNO-rapport 'Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk' |
|
Daniël van den Berg (JA21), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Ik deel de constatering dat Nederland wat betreft robotisering van de industrie achterblijft ten opzichte van de internationale koplopers zoals Zuid-Korea, China en Duitsland. Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plek qua robotdichtheid, aldus het rapport. Maar de mate van robotisering moet ook worden bezien in de context van de samenstelling van de Nederlandse industrie die in vergelijking met andere landen bijvoorbeeld een betrekkelijk kleine auto-industrie heeft terwijl in deze sector wereldwijd veel robots geïnstalleerd zijn.2
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Deze exacte cijfers worden niet jaarlijks bijgehouden door de regering of het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2023 heeft het CBS hier een enquête over uitgestuurd. De CBS Internationaliseringsmonitor Digitalisering 2023 – III laat zien dat medium- en medium-hoog technologische bedrijven (respectievelijk 38% en 35% van de bedrijven) in Nederland vaker robots in het productieproces gebruiken dan laag- en hoogtechnologische bedrijven (respectievelijk 25% en 20% van de bedrijven). De categorie medium- en medium-hoogtechnologische sectoren omvat sectoren zoals de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektronische industrie. Ook maken bedrijven met boven de 100 werkzame personen vaker gebruik van robots dan bedrijven met minder dan 100 werkzame personen.3 Daarnaast laat een dataset van het CBS uit 2025 over ICT-gebruik bij kleine bedrijven zien dat bedrijven met meer dan 250 werkzame personen vaker gebruik maken van robotondersteunde procesautomatisering en servicerobots of autonome voertuigen (respectievelijk 25% en 15% van de bedrijven) dan bedrijven met minder dan 250 werkzame personen (respectievelijk 2% en 1% van de bedrijven).4
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens u op dit moment het zwaarst?
Over het algemeen spelen verschillende macro-economische factoren zoals handelsbarrières, loonkosten en conjunctuur een rol. Daarnaast zijn onder meer de vaardigheden van personeel, digitale gereedheid en acceptatie van het bedrijf en de hoge investeringen met lange terugverdienkosten belemmeringen voor adoptie van robotisering. Het is lastig om aan te geven welke van deze factoren het zwaarste weegt. De mate waarin deze factoren de adoptie van robotisering verhinderen kan namelijk per bedrijf verschillen. Een bedrijf met een lagere liquiditeit zal bijvoorbeeld minder snel in robots investeren dan een kapitaalkrachtiger bedrijf.
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid en concurrentiekracht?
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering. Bijvoorbeeld door het Centraal Planbureau (CPB),5 het Joint Research Center (JRC) van de Europese Commissie,6 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),7 de Internationale Federatie van Robotica (IFR)8 en wetenschappelijke studies.9 In algemene zin laten deze studies zien dat robotisering in de korte termijn kan bijdragen aan gematigde productiviteitsverhoging via een hogere benuttingsgraad van productielocaties, een vermindering van fouten en snellere doorlooptijden. Effecten op productiviteitsverhoging zijn vaak vertraagd zichtbaar door implementatiekosten, organisatorische aanpassingen en leercurves van werknemers.
Op middellange termijn kan robotisering een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen van de maakindustrie via een verbetering van de kwaliteit, schaalbaarheid en kostenefficiëntie van productie.
Op de lange termijn kan robotisering ook een bijdrage leveren aan de leveringszekerheid. Zo kunnen kostenvoordelen en hogere kwaliteit leiden tot reshoring van productie vanuit het buitenland naar Nederland en maakt robotisering ons minder afhankelijk van schaars technisch personeel. Voor leveringszekerheid is het van belang om naast robotadoptie ook enige vorm van controle te hebben over relevante software, hardware, technische (onderhouds-) skills en componenten. Een risico is namelijk dat Nederland met een hogere mate van robotisering ook meer afhankelijk wordt van de benodigde besturingssystemen, grondstoffen en onderdelen, zoals batterijen en chips.
Deze studies geven een vergelijkbaar beeld als het TNO-rapport Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk.
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt?
Het kabinet heeft, samen met de EU en de provincies de Europese Digitale Innovatiehubs (EDIH’s) verlengd tot en met 2028. De vijf EDIH’s hebben tot doel om de digitalisering van het innovatieve- en innovatievolgend mkb in vooral de maakindustrie te versnellen. Daarbij gaat het er om dat mkb-bedrijven daadwerkelijk de stap zetten naar toepassing van digitalisering, inclusief automatisering en robotisering. Hiertoe krijgen ze ondersteuning bij het in kaart brengen van hun digitaliseringsvraag, het berekenen van hun business-case en testen van technologie vóór investering, het trainen van medewerkers en management en het vinden van passende partners en financiering. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Dit is een agenda van en voor de maakindustrie om de digitalisering van het mkb te versnellen. Hiertoe worden mkb-ondernemers geactiveerd, bijvoorbeeld via bijeenkomsten, en methodieken ontwikkeld. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal uitgerold door de EDIH’s. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een standaard stappenplan om de digitale fabriek te realiseren. Over het bereik van de EDIH’s in de eerste periode (2023–2025) zijn voorlopige cijfers beschikbaar: Ruim 10.000 mkb-bedrijven hebben gebruik gemaakt van de diensten van de EDIH’s. De definitieve cijfers voor alle EDIH’s zijn in juli beschikbaar.
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
Ja, er bestaan belangrijke fiscale prikkels die innovatie en investeringen van bedrijven en ondernemers stimuleren, waaronder die in robotica, zoals bijvoorbeeld de WBSO10 en de Innovatiebox11. Daarnaast zijn er Fieldlabs zoals Robo-house die specifiek gericht zijn op robotisering.
Ten aanzien van regeldruk/administratieve lastenverlichting wordt er scherp gekeken naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en onnodige regels te schrappen. Ook voor de WBSO en de Innovatiebox wordt gekeken naar hoe de aanvraag makkelijker kan. Of daarmee het investeringsproces echt versnelt is de vraag, omdat dit ook van andere factoren afhangt.
Het kabinet zet daarnaast in op structurele vermindering van regeldruk voor ondernemers. Zo is de ambitie om voor de zomer voor 500 regels de regeldruk te verminderen voor ondernemers, waarbij uw Kamer in juli over de tussenstand wordt geïnformeerd. Hierna is de kabinetsambitie om jaarlijks 500 regels voor burgers en ondernemers te schrappen of vereenvoudigen.
In de Prinsjesdagbrief (september 2026) over de WBSO wordt u verder geïnformeerd over de WBSO en de Innovatiebox, en in het bijzonder over administratieve lastenverlaging voor deze regelingen.
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
De energiekostenstijging heeft een beperkt effect voor sectoren die veel robots inzetten zoals de auto en elektronische industrie. In algemene zin geldt dat een kostenstijging ertoe kan leiden dat bedrijven bepaalde investeringsbeslissingen uitstellen.
De gevolgen van netcongestie worden breed gevoeld in de samenleving en de economie. Bedrijven lopen aan tegen oplopende wachtrijen voor een nieuwe of zwaardere aansluiting. Dat geldt ook voor bedrijven die een bestaande productiefaciliteit willen uitbreiden of een nieuwe faciliteit willen bouwen waarin met behulp van robotica wordt geproduceerd.
Ten aanzien van vergunningsverlening behoeft de inzet van robots in het productieproces over het algemeen geen aparte vergunning, zo lang deze aan de bestaande regels voor o.a. machines en arbeidsveiligheid voldoet. Bij de bouw van een nieuwe productiefaciliteit of een aanpassing van een fabriekshal moet een ondernemer soms wel een vergunning aanvragen, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet.
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Het kabinet houdt niet centraal bij in welke mate individuele Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten.
Wel brengt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle strategische afhankelijkheden (RSAs) in kaart op nationaal niveau. In de kabinetsaanpak en voortgangsbrieven Strategische Afhankelijkheden en de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) geeft het kabinet aan dat op basis van deze (RSA) analyses handelingsopties worden ontwikkeld om risico’s te mitigeren, zoals diversificatie van leveranciers, versterking van Europese productiecapaciteit, versterking van publiek-private samenwerking en strategische voorraden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden, onder meer via Europese risicobeoordelingen van kritieke technologieën. Daarbij is ook aandacht voor risico’s van extraterritoriale wetgeving, en voor het versterken van de Europese digitale en technologische weerbaarheid.
De specifieke uitkomsten van de RSA-analyses zijn vanwege gevoeligheden niet openbaar.
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Er is geen specifieke kabinetsinzet ten aanzien van standaardisatie voor industriële robotica. In bredere zin sluit de inzet van het kabinet rondom standaardisatie aan op het Europese beleid, zoals de Europese Normalisatiestrategie.12 Zo zet het kabinet bij herziening van de Normalisatieverordening in 2026 in op het sneller ontwikkelen van Europees geharmoniseerde standaarden. Daarnaast zet het kabinet in op het vergroten van de Nederlandse en Europese invloed binnen internationale standaardisatieorganisaties om zo invloedrijk te blijven op internationaal toneel.
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Open source is een concept dat vooral een rol speelt bij de ontwikkeling en distributie van software, inclusief robotica software. Het kabinet staat in beginsel positief tegenover open source software omdat dit de mededinging, leveringszekerheid en innovatie ten goede kan komen. Tegelijkertijd kan ook commerciële software, waarbij de broncode van software proprietary is, een bijdrage leveren aan het borgen van deze publieke belangen, dus ook in de ontwikkeling van robotica software. In de praktijk zal de toepassing van open source componenten case-by-case bepaald moeten worden op zijn merites. De veiligheid en daarmee de kosten van de ontwikkeling van (open source) software worden uiteindelijk bepaald door de kwaliteit van de ontwikkelings- en onderhoudsprocessen.
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig in te richten en te beheren?
Het is in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun bedrijfsprocessen cyberveilig te houden, als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid voor hun eigen bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een rol voor de overheid in het ondersteunen van bedrijven in cyberveiligheid en weerbaarheid. Nationaal Cybersecuritycentrum (NCSC)13 biedt één loket voor bedrijven met een breed scala aan bronnen om de digitale weerbaarheid van alle bedrijven in Nederland te versterken. Op grond van de subsidieregeling «Mijn Cyberweerbare Zaak» kunnen kleinere mkb-er tot 50 medewerkers subsidie krijgen voor het nemen van cybersecuritymaatregelen. Daarnaast onderzoekt het kabinet een passend vervolg op de subsidieregeling «Versterken Cyberweerbaarheid», die was gericht op het creëren van samenwerkingsverbanden en het stimuleren van uitwisseling van kennis en kunde over cyberweerbaarheid.
Daarbij moeten aanbieders van producten met digitale componenten (alle hardware, software en componenten) die na 11 december 2027 op de markt komen in het kader van de Europese Cyber Resilience Act aan essentiële cybersecurityvereisten gaan voldoen en actief informatie over incidenten en kwetsbaarheden gaan delen. De uitvoeringswet van de verordening die dit gaat regelen is aangeboden aan Staten-Generaal. Het aannemen van deze wet maakt het onder andere mogelijk voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) om markttoezicht te houden op fabrikanten, importeurs en distributeurs van digitale producten en voor het NCSC om een meldpunt in te richten voor incidenten en geëxploiteerde kwetsbaarheden.
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Nee. Het kabinet monitort het tekort aan technisch geschoold personeel via het Actieplan Groene en Digitale Banen. Er is met name een kwantitatieve mismatch tussen het aanbod van technisch geschoolden en de vraag op de arbeidsmarkt. Dat komt onder meer door de vergrijzing, toenemende vraag naar technisch geschoold personeel en minder leerlingen en studenten die kiezen voor een bèta- of techniekopleiding. In 2023 was 18,6% van de studenten ingeschreven in bèta- of technische opleiding, aanzienlijk minder dan het EU gemiddelde 26,9%.14
Het tekort aan talent, waaronder bètatechnici, is een belangrijke belemmering voor het Nederlandse verdienvermogen. Dit constateert ook het rapport Wennink. Alleen meer leerlingen en studenten opleiden voor technische beroepen is onvoldoende om het tekort terug te dringen. Het kabinet werkt daarom aan een nationale talentstrategie. Binnen deze strategie worden instrumenten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit nadrukkelijker gericht op sectoren die cruciaal zijn voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Uw kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de Talentstrategie.
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Robotisering in de civiele maakindustrie kan worden toegepast in de defensie- en dual-use industrie door relevante best practices uit het civiele domein toe te passen voor defensieproductie. Voorbeelden die al eerder publiekelijk zijn gedeeld, zijn o.a. de productie van defensiematerieel door VDL en de samenstelling en productie van onderdelen van militaire satellietcapaciteit door de bestaande toeleveringsketen van hoogwaardige productiemethoden uit de semicon industrie in te zetten.
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda noodzakelijk is?
Ik zie geen aanleiding voor een integrale reactie, te meer daar ik in onderhavige antwoorden al ben ingegaan op diverse aspecten die in dit rapport aan bod komen. Wat betreft een nationale robotiseringagenda wordt robotisering in ieder geval meegenomen in de gerichte programma’s van het industriebeleid met focus, in het bijzonder in de programma’s machinebouw en digitale diensten en AI. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Ik geef de voorkeur aan een gefocuste integrale aanpak boven een veelvoud aan aparte agenda’s.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
De grote kostenstijging van de 24-uurs bezorging van rouwkaarten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf juli voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur een apart en aanzienlijk hoger tarief zal gaan gelden dan het reguliere posttarief? Zo ja, hoe wordt dit tarief vastgesteld?
Ja, voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur gaat per 1 juli 2026 inderdaad een hoger tarief gelden. Voor rouwpost is PostNL bezig een apart proces in te richten, waarbij deze post via het pakketnetwerk meegenomen en bezorgd wordt. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in het hogere tarief. Burgers hebben ook de mogelijkheid om een brief niet als rouwbrieven aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief binnen twee dagen bezorgd tegen het tarief van reguliere UPD-post.
De tariefruimte en tarieven voor de UPD-post worden elk jaar getoetst door de ACM, waarna PostNL daarbinnen de tarieven per UPD-postsoort kan vaststellen. Na de beoordeling door de ACM, zal PostNL hierover extern communiceren wat de definitieve tarieven worden.
Vind u het wenselijk dat nabestaanden in een periode van rouw mogelijk geconfronteerd worden met fors hogere kosten voor het informeren van familie en kennissen?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan bezorging van rouwpost binnen één dag richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief.
De burger heeft ook de keuze om rouwpost niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen de voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Daarbij hebben mensen ook de mogelijkheid om rouwpost met een langere overkomstduur tegen een lager tarief te versturen, of te kiezen voor een digitaal bericht. Dat wordt al veel gedaan.
Hoe groot is het aandeel van rouwpost binnen de universele postdienst, zowel in aantallen als in verhouding tot het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Vindt u dat er voldoende wettelijke of beleidsmatige waarborgen bestaan om een tijdige, toegankelijke en betaalbare bezorging van rouwpost te bewerkstelligen?
In het gewijzigde Postbesluit heb ik de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Daarmee blijft de wettelijke verplichting voor de UPD-verlener om rouwpost en medische post binnen 24 uur te bezorgen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten.
Zolang PostNL invulling geeft aan de wettelijke verplichting om rouwpost binnen één dag te bezorgen, is het aan PostNL om eventueel ook dit soort post als een reguliere UPD-brief te bezorgen waarbij een andere overkomstduur of tarief van toepassing is. Het is vervolgens aan de burger om op basis van deze opties een keuze te maken.
In hoeverre bent u van mening dat rouwpost een bijzondere maatschappelijke functie vervult die een uitzonderingspositie rechtvaardigt ten opzichte van reguliere post?
Ik ben van mening dat tijdige en betrouwbare bezorging in het geval van zowel rouwpost als medische post belangrijk is. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit ook gekozen voor andere wettelijke kwaliteitseisen voor bezorging van rouwpost en medische post ten opzichte van de reguliere UPD-post. Daarmee is bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een betrouwbaarheid van 95% nog steeds gewaarborgd. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat het een dusdanig bijzondere maatschappelijke functie vervult om daarvoor een uitzondering te maken.
Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten voor rouwpost te beperken, bijvoorbeeld via een sociaal tarief, compensatieregeling of uitzonderingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de prijsstijging van de rouwpost voor mensen in tijden van rouw zwaar kan vallen, is het PostNL dat ervoor kiest om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. De verhoging is namelijk een weerspiegeling van stijgende kosten. Verder past het binnen de wettelijke tariefruimte.
Welke rol spelen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en het kabinet bij de beoordeling van nieuwe tarieven voor spoedpost, waaronder rouwpost?
Rouwpost en medische post zijn onderdeel van de UPD. De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. Eind mei 2026 verstrekt PostNL de gegevens aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor 2027.
Het staat PostNL overigens vrij om te bepalen hoe ze de bezorging van UPD-post, waaronder rouwpost, logistiek organiseert. PostNL kan ervoor kiezen rouwpost via haar pakketnetwerk te bezorgen.
Het kabinet heeft de wettelijke kaders bepaald waarbinnen de ACM de tariefruimte voor de UPD vaststelt. De ACM toetst of de tarieven van UPD-producten daarbinnen passen. Het kabinet heeft geen rol bij de vaststelling van tarieven die PostNL rekent voor UPD en niet-UPD post.
PostNL heeft aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct buiten de UPD komt voor consumentenpost met bezorging binnen 24 uur. Rouwpost en medische post vallen niet onder dit prioriteitsproduct. Daarnaast bieden ook andere marktpartijen prioriteitsproducten aan. Het prioriteitsproduct van PostNL wordt binnen één dag (D+1) bezorgd en PostNL zal hiervoor een hogere prijs rekenen dan voor de UPD-post. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en het tarief ervan maakt dan ook geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Verwacht u dat de aangekondigde wijzigingen ook gevolgen zullen hebben voor medische post of andere maatschappelijk urgente poststromen? Zo ja, welke?
Zoals in vraag 3 en 5 toegelicht, heb ik in het gewijzigde Postbesluit gekozen voor behoud van de huidige wettelijke verplichting van de UPD-verlener om bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een hoge bezorgzekerheidseis van ten minste 95% aan te bieden. De voorgenomen wijziging in het Postbesluit om de overkomstduur naar D+2 te verlengen voor reguliere UPD-post vanaf 1 juli 2026 heeft dus geen invloed op de overkomstduur en bezorgzekerheid van rouwpost en medische post.
PostNL heeft ervoor gekozen om medische post – net als rouwpost – vanaf juli 2026 via het pakkettennetwerk te gaan bezorgen tegen een hoger tarief. Het voorgenomen nieuwe tarief voor medische post is vergelijkbaar met het voorgenomen nieuwe tarief voor rouwpost binnen de UPD en is onderdeel van de tariefmelding bij de ACM. Voor rouwpost en medische post die binnen twee dagen wordt bezorgd, hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post.
Bent u bereid in overleg te treden met PostNL en relevante stakeholders om te voorkomen dat tijdige bezorging van rouwpost voor mensen onbetaalbaar wordt, en de Kamer hierover te informeren?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD ben ik regelmatig in contact met de ACM, PostNL en andere relevante stakeholders. Het is aan de ACM om te toetsen of de voorgenomen tarieven van PostNL voor producten onder de reikwijdte van de UPD vallen binnen de door de ACM volgens de wettelijke kaders vastgestelde tariefruimte.