| Ingediend | 26 mei 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 24 juli 2026 (na 59 dagen) |
| Indieners | Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
| Beantwoord door | Stientje van Veldhoven (D66) |
| Onderwerpen | natuur en milieu organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z10867.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2607.html |
Ja. Vanaf de eerste sommatie Greenpeace op 11 mei 2023 tot op heden zijn er gesprekken geweest met Greenpeace en/of met een afvaardiging van de acht inwoners van Bonaire. De primair betrokken ministeries – het Ministerie van EZK, het Ministerie van IenW en het Ministerie van BZK – zijn aanwezig geweest bij deze gesprekken.
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden bindende emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, waaronder tussentijdse doelstellingen en trajecten voor de gehele periode tot 2050. De uitspraak van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit het vonnis direct moet uitvoeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Vanzelfsprekend houdt het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan. In het vonnis stelt de rechtbank een aantal eisen, maar laat de rechtbank ook ruimte voor invulling voor hoe het vonnis uitgewerkt moet worden. Momenteel wordt bezien op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan dit mitigatiebevel. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 hierover nader te informeren, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Onderdeel van het mitigatiebevel is dat inzichtelijk gemaakt moet worden wat de (resterende) emissieruimte voor Nederland is. Het kabinet neemt dit mee in de uitwerking van het vonnis. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Ja. Deze kwantificering combineert data van de mondiale emissieruimte op basis van het IPCC AR6 rapport (2023) om de opwarming van de aarde tot 1,5°C te beperken met data van het Planbureau voor de Leefomgeving, om inzichtelijk te maken welke bijdrage Nederland kan leveren aan het beperken van de klimaatverandering. Daarbij worden verschillende aannames gehanteerd om tot de becijferde emissieruimte te komen. Omdat het gaat om ramingen voor de toekomst, moet de berekening uitgaan van een bepaalde kans waarmee een scenario zich voordoet. Hierbij is gekozen voor een emissieruimte die correspondeert met een kans van 50% om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Daarnaast bevat de berekening de aanname dat Nederland naar verhouding van zijn bevolkingsomvang ten opzichte van de wereldbevolking een bijdrage levert aan het tegengaan van klimaatverandering. Historische emissies zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.
Het kabinet zal uitvoering geven aan het rechterlijk bevel om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Hierbij zal het begrip emissieruimte en de manieren waarop dit kan worden berekend, worden betrokken. Het kabinet zal bezien of een berekening op basis van bovengenoemde aannames de meest navolgbare en robuuste manier is om de emissieruimte inzichtelijk te maken. Voor het vaststellen van beleid wordt gebruik gemaakt van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bij de voorbereiding van regelgeving ter uitvoering van het vonnis wordt voorzien in een internetconsultatie, zodat er ruimte is voor inspraak.
Het kabinet treft de nodige voorbereidingen om aan de uitspraak van de rechtbank te voldoen. Hiervoor wordt een wetsvoorstel tot wijziging van de Klimaatwet voorbereid en daarvoor worden verschillende opties in kaart gebracht. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat de overweging van de rechtbank dat emissies van internationale lucht- en zeevaart bij het vaststellen van de nationale emissiereductiedoelen moeten worden meegenomen, naar de overtuiging van het kabinet niet aansluit bij de internationale aanpak, waarin deze emissies worden gereguleerd via gespecialiseerde VN-organisaties (ICAO en IMO). Dit vormt dan ook één van de gronden die in hoger beroep wordt aangevoerd.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de totale CO2-uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan de uitstoot op Schiphol in 2024. Aan de uitwerking van deze afspraak wordt momenteel gewerkt. Daarbij wordt ook bezien wat de gevolgen van het vonnis in de Klimaatzaak Bonaire zijn voor deze afspraak. De komende maanden wordt nader uitgewerkt op welke wijze de afspraak kan worden geborgd. Uw Kamer wordt hierover rond de zomer geïnformeerd via een beleidsbrief luchtvaart.
Het kabinet is bekend met dit rapport. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om in het voorjaar van 2027, indien nodig, nationaal geborgde maatregelen te treffen om het doel van 2040 te halen. Het kabinet zal dit rapport bestuderen en meenemen in de voorbereiding voor het voorjaar van 2027.
Het bevel van de rechtbank is om absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, dus inclusief landbouw.
Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de bodemprocedure van Greenpeace over de maatregelen die de Staat treft om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen, heeft voormalig Minister van LVVN uw Kamer op 11 april 2025 geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen1. De uitkomst van dit hoger beroep is nog niet bekend. Aangezien ook dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, worden – in lijn met het kabinetsbeleid – maatregelen genomen om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen. Een aantal van deze maatregelen heeft ook een effect op de reductie van broeikasgasemissies in de landbouw.
Er zijn geen actieve winningsprojecten in de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden. Voor Aruba heeft Compania Arubano di Petroleo N.V. (CAP) in 2024 een overeenkomst gesloten met Armstrong Oil & Gas Exploration (een Amerikaanse onderneming) om exploratieonderzoek uit te voeren in de territoriale wateren van Aruba. Volgens de huidige stand van zaken betreft dit nog uitsluitend studies en exploratieactiviteiten. Er vindt geen commerciële winning plaats. Het verdere verloop hangt af van de resultaten van technische evaluaties en de besluitvorming door de Arubaanse regering.
De Nederlandse Mijnbouwwet is niet van kracht in de Caribische delen van het Koninkrijk. Specifiek op de Saba Bank is de Petroleumwet Saba Bank BES van kracht. Hier heeft Saba Bank Resources N.V. een vergunning voor exploratie. Voor de CAS-eilanden geldt dat zij als autonome landen binnen het Koninkrijk zelf bevoegd zijn voor besluitvorming over eventuele opsporings- en winningsactiviteiten in hun territoriale wateren.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat eventuele winning van olie of gas in de Caribische delen van het Koninkrijk zou leiden tot een significante positie op de internationale olie- of gasmarkt. Eventuele aanvragen voor exploratie- of winningsactiviteiten worden beoordeeld op basis van de geldende wet- en regelgeving en een integrale afweging van alle relevante belangen. Daarbij moet een bedrijf voldoen aan de geldende milieu-, veiligheids- en andere vereisten. Ook worden economische, veiligheids- en geopolitieke aspecten betrokken, waarbij rekening wordt gehouden met bredere strategische belangen en afhankelijkheden.
Sinds Bonaire onderdeel werd van het land Nederland in 2010 zijn er substantiële investeringen geweest op het eiland. Aanvankelijk richtte dit zich op het op orde brengen van de basisvoorzieningen. Er is veel geïnvesteerd in verschillende domeinen, waaronder in zaken die bijdragen aan het verminderen van kwetsbaarheden van kleine eilanden zoals weerwaarschuwingssystemen, drink- en afvalwatersystemen, natuurbeheer. Al deze zaken dragen bij aan klimaatadaptatie.
Verder is recent het klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege Bonaire. Dit plan is lokaal opgesteld door de Klimaattafel Bonaire, in opdracht van het openbaar lichaam Bonaire en met ondersteuning vanuit het Rijk. In dit plan zijn verschillende maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren.
Daarnaast is het streven dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) vast te stellen. De NAS omvat ook Caribisch Nederland. In de NAS geeft het Rijk aan wat de nationale ambitie is voor klimaatadaptatie, welke concrete doelen daarbij horen en hoe we ons als Rijk de komende jaren zullen inspannen om deze ambitie en doelen te halen. Recent is de ontwerp-NAS vastgesteld. Dit ontwerp ligt nu in consultatie. Het streven is om samen met de definitieve NAS ook een uitvoeringsprogramma vast te stellen waarin ook voor Caribisch Nederland concreet wordt gemaakt hoe deze inspanningen tot uitvoer zullen komen. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zal ook het Klimaatplan Bonaire worden meegenomen.
Het vonnis van de rechtbank gaat over Bonaire. Het kabinet is er echter van doordrongen dat het net zo goed de taak heeft om de inwoners van Saba en Sint Eustatius voldoende te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het kabinet neemt die taak serieus en geeft daar invulling aan, onder meer door te werken aan de NAS en het uitvoeringsprogramma die ook Saba en Sint Eustatius beslaan. Het streven is om beide dit jaar vast te stellen. Zie hierover het antwoord op vraag 13.
Verder wordt op Saba en Sint Eustatius gewerkt aan klimaatplannen. Op Sint Eustatius is het klimaatplan vastgesteld door het Bestuurscollege. Op Saba bevindt dit plan zich in een afrondende fase. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zullen naast het Klimaatplan Bonaire ook de klimaatplannen van Saba en Sint Eustatius worden meegenomen.
De rechtbank oordeelt dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. De rechtbank erkent wel dat er sinds 2023 goede stappen zijn genomen om tot passende maatregelen te komen. Het kabinet zal deze inspanningen doorzetten en samen met het Openbaar Lichaam Bonaire doen wat voor de inwoners van Bonaire nodig is.
Er zijn verschillende gevolgen van klimaatverandering. Mede als gevolg van de geografische en klimatologische omstandigheden op deze eilanden zullen deze gevolgen zich op verschillende wijze manifesteren op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). In 2016 is een onderzoek naar de gevolgen door overstromingen uit zee en hevige neerslag uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit onderzoek is in 2024 geactualiseerd aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario’s. Voor andere gevolgen van klimaatverandering worden soortgelijke analyses voorbereid in het kader van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). De situatie tussen Europees Nederland en de BES-eilanden en tussen de BES-eilanden onderling verschilt. Daardoor is het niet mogelijk en niet wenselijk om overal dezelfde veiligheidsnormen te hanteren en is er reden voor maatwerk. Er wordt dan ook per eiland een inschatting gemaakt van de relevante risico’s en hierop wordt het beleid afgestemd. Hierbij geldt het grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel als uitgangspunt.
Bij de verdere uitwerking van het waterveiligheidsbeleid voor Bonaire zal het discriminatieverbod worden betrokken. Het kabinet gaat daarbij voor de BES-eilanden uit van een beschermingsniveau dat, rekening houdend met de lokale omstandigheden, vergelijkbaar is met dat van Europees Nederland. Van belang is dat de aard en gevolgen van overstromingen op Bonaire wezenlijk verschillen van die in Europees Nederland, dat wordt gekenmerkt door de ligging in een laaggelegen delta met polders, rivieren en primaire waterkeringen. Bonaire daarentegen, is grotendeels boven de zeespiegel gelegen en heeft vooral te maken met tropische stormen en daardoor veroorzaakte stormvloeden en de effecten van hevige neerslag die met name samenhangen met onvoldoende afwatering. Het handelingsperspectief op Bonaire richt zich dan ook op het tijdig waarschuwen, inzet van de crisisorganisatie en ruimtelijke ordening.
Overigens wordt in Europees Nederland voor waterveiligheid gewerkt met het principe van meerlaagsveiligheid. Dit houdt in dat we overstromingsrisico’s aanpakken via drie pijlers: preventie (dijken en keringen), ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing. Een vergelijkbare benadering ligt ook voor Bonaire in de rede. Verder is relevant dat er momenteel geen wettelijke grondslag is voor het vastleggen van waterveiligheidsnormen voor de BES-eilanden.
In het ontwerp van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) worden de doelen en inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. De verdere uitwerking van deze doelen vindt plaats in de uitvoeringsstrategie, die naar verwachting eind 2026 gelijktijdig met definitieve NAS wordt vastgesteld.
In het kader van de Klimaattafel Bonaire is de afgelopen jaren gewerkt aan voorstellen om de weerbaarheid van Bonaire tegen onder meer zeespiegelstijging, oceaanopwarming en kusterosie te vergroten. Naar verwachting zullen de aanbevelingen van de Klimaattafel, waaronder die ten aanzien van kustbescherming, worden betrokken bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsprogramma om zo tijdig maatregelen te treffen die bijdragen aan het verminderen van klimaat gerelateerde risico’s.
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer momenteel via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Er is op dit moment niet voorzien om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten. De inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van Caribisch Nederland te vergroten tegen de verschillende gevolgen van klimaatverandering zullen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen.
Niet alle EU fondsen zijn toegankelijk voor de BES-eilanden, sommige programma’s echter wel zoals BESTLIFE 2030 en Life IP. De Kamer is in 2023 geïnformeerd over de fondsen waarvoor de LGO in aanmerking komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 410 IV, nr. 35). Daarnaast is het ook niet altijd makkelijk om vanuit de BES-eilanden een succesvol aanvraag in te dienen. Om het identificeren van geschikte fondsen en het succesvol indienen van aanvragen te bevorderen, heeft Nederland in 2023 een speciaal gezant voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen benoemd., De speciaal gezant zet zich in voor betere benutting van fondsen van de EU voor de BES-eilanden.
Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint-Maarten hebben binnen de Europese Unie (EU) allen de status van landen en gebieden overzee (LGO). De geoormerkte financiële middelen voor de LGO zijn per Meerjarig Financieel Kader (MFK)-periode geregeld in het LGO-besluit. Het Franse Saint Martin heeft echter de status van ultraperifeer gebied (UPG) en is daarom, in tegenstelling tot de LGO, onderdeel van de interne markt van de EU. Dit gaat samen met de toegang tot Europese structuurfondsen, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daartegenover staat dat de UPG’s alle interne marktregels moeten toepassen, met uitzondering van enkele uitzonderingen.
Voor de horizontale/thematische, niet geoormerkte, fondsen geldt dat de Europese Commissie in de huidige MFK-periode (2021–2027) de toegang tot de verschillende fondsen voor de LGO heeft verbeterd. Deze ambitie wordt voortgezet in het voorstel voor het nieuwe LGO-besluit, waarbij wordt ingezet op het verbeteren van de aansluiting van de LGO op de brede EU-financieringsarchitectuur. Er bestaan echter wel verschillen tussen de LGO en UPG ten aanzien van EU financiering. In het verslag van EU-rapporteurs Roelien Kamminga (VVD) en Jorien Wuite (D66) uit 2023 wordt gedetailleerd weergegeven om welke fondsen het gaat.2
De verschillen in herstel tussen het Franse Saint-Martin en het Nederlandse Sint Maarten na orkaan Irma (2017) komen voornamelijk door verschillen in politieke structuren, toegang tot EU-middelen, financieringsstructuren en bestuurscapaciteit. Saint-Martin is Frans gebied, terwijl Sint-Maarten een autonoom land is binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Saint-Martin had hierdoor de voordelen van snelle toewijzing van EU-gelden zoals Noodfondsen, centrale coördinatie door Parijs, en integratie in Franse noodplannen. Frankrijk zegde direct € 1,2 miljard toe voor alle Franse Caribische eilanden. Nederland stelde € 550 miljoen beschikbaar aan Sint-Maarten, waarmee snelle noodhulp is geboden voor de acute gevolgen van de orkaan en vervolgens steun is geleverd via het Trustfonds wederopbouw Sint Maarten van de Wereldbank, waarvan de projecten voorspoedig verlopen.
Er is inderdaad een grote kans op een El Niño3, en ook dat het een relatief zware El Niño kan worden. El Niño zorgt in de regio van de CAS en BES eilanden doorgaans voor een kleinere kans op orkanen, hogere temperaturen en minder neerslag. In termen van risico betekent het dus een lagere kans op orkanen (maar de kans op een orkaan blijft natuurlijk altijd bestaan tijdens het orkaanseizoen), een hogere kans op droogte en daarbij horende impacts waaronder gezondheidsrisico's gerelateerd aan droogte en hitte, en gevolgen voor biodiversiteit en landbouw. In het kader van weerbaarheid worden met alle eilanden kennis en planvorming op gebied van crisisbeheersing uitgewisseld, onder andere tijdens de Week van de crisisbeheersing Caribische delen van het Koninkrijk. Crisisbeheersing is verder een landsaangelegenheid.
Het gebrek aan uitvoeringskracht en specialistische expertise is een terugkerende uitdaging. Het Rijk werkt met het Openbaar Lichaam Bonaire aan structurele verbetering hierin. Daarnaast zal bij de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) en het bijbehorende uitvoeringsprogramma bezien worden of er aanvullende inspanningen nodig zijn om deze klimaatplannen uit te voeren.
Het kabinet zet zich samen met de eilandelijke overheden en energiebedrijven in voor de verdere verduurzaming van de energievoorziening op de BES-eilanden. De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat middelen beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van duurzame energie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De uitvoering van deze projecten beslaat meerdere jaren en draagt eraan bij dat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import. Op Saba en Sint Eustatius verlopen de verduurzamingsprojecten voorspoedig. Er zijn plannen voor 90% duurzame energie op Saba (huidig 38%) en 85% op Sint Eustatius (huidig 55%)4. De elektriciteitsproducent van Bonaire beschikt over middelen en geheel uitgewerkte plannen voor de verdere verduurzaming met zonne- en windenergie tot 70% duurzame elektriciteit. Een uitdaging bij de realisatie is de vergunningverlening door het openbaar lichaam Bonaire.
Eventuele bijkomende maatregelen worden in nauwe samenwerking met de betrokken stakeholders op de eilanden uitgewerkt. Daarbij wordt gekeken naar welke aanvullende stappen technisch, financieel en bestuurlijk haalbaar zijn om de verduurzaming van de energievoorziening verder te versnellen, rekening houdend met de lokale omstandigheden en de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energievoorziening. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat blijft hierover in gesprek met de openbare lichamen, energiebedrijven en andere betrokken partijen en zal waar nodig ondersteuning bieden in de vorm van expertise, facilitering en financiering.
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat verstrekt structurele subsidies om de kosten voor netbeheer van elektriciteit op Bonaire te verlagen. Hierdoor zijn deze kosten de afgelopen jaren teruggebracht tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat in Europees Nederland. Daarnaast investeert het kabinet in de uitbreiding van duurzame energie op het eiland. Door het vergroten van het aandeel duurzame energie wordt de afhankelijkheid van invoer van fossiele brandstof verminderd, wat bijdraagt aan lagere energiekosten voor inwoners. Zie hierover het antwoord op vraag 26.
Voor de toenemende hitte ondersteunt het kabinet de publieke gezondheid via de openbare lichamen, waarbij ook aandacht is voor hittestress, Zo verkent de GGD Bonaire wat er nodig is om een hitteplan op te stellen. Het kabinet verkent ook hoe kennis te ontwikkelen over wateroverlast door extreme neerslag binnen de verschillende lagen van meerlaagsveiligheid. Dit betreft zowel het modelleren van de gevolgen van extreme neerslag als het opzetten van een regenwaterbeheerplan. Deze verkenningen zullen ook leiden tot betere inzichten over aanvullende stappen en de benodigde financiering hiervan.
Aangespoelde sargassum kan verwijderd worden op plaatsen waar het hinder veroorzaakt langs de kust. In de eerste fase van het Natuur en Milieu Beleidsplan zijn daarom door het kabinet middelen ter beschikking gesteld voor Bonaire voor de aanschaf van apparatuur en materialen om sargassum langs de kust op te ruimen. Indien er in Caribisch Nederland grote problemen ontstaan met aangespoeld sargassum zal het kabinet in gesprek gaan over een gepaste oplossing.
Het vonnis gaat over Bonaire. Bonaire maakt deel uit van het land Nederland. Curaçao, Aruba en Sint Maarten (CAS-landen) maken geen deel uit van het land Nederland maar zijn autonome landen binnen het Koninkrijk. Dat staatkundige verschil maakt dat de rechtsoverwegingen uit het vonnis niet 1-op-1 van toepassing zijn voor de CAS-landen.
In artikel 43 Statuut is opgenomen dat elk land zorgdraagt voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Daarmee is het primair een taak van de landen om ervoor te zorgen dat de mensenrechten gerealiseerd en beschermd worden. In het geval dat niet lukt of kan, kan het Koninkrijk via de waarborgfunctie ingrijpen. De vier landen van het Koninkrijk zijn het erover eens dat dit een ultimum remedium is.
Op dit moment is niet voorzien om een meerjarig Koninkrijksbreed Klimaatfonds op te richten. De CAS-eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor het financieren van inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van de CAS-eilanden te vergroten tegen de gevolgen van klimaatverandering. Wel is actieve ondersteuning mogelijk via kennisuitwisseling als bijdrage aan de klimaatadaptatie strategie op de eilanden.
Het Koninkrijk der Nederlanden is als geheel verdragspartij bij het VN Raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst van Parijs is op internationaal niveau alleen voor Europees Nederland aanvaard. Dit betekent dat de territoriale gelding van de Overeenkomst van Parijs beperkt is tot het Europese deel van het Koninkrijk. De uit de verdragen voortvloeiende verplichtingen zijn dan ook alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk. Ook de dataverzameling van broeikasgasemissies en de rapportage aan de UNFCCC en aan de Europese Commissie hebben alleen betrekking op het Europese deel van het Koninkrijk.
Het gehele jaar door vindt er op ambtelijk niveau overleg plaats met het Caribisch deel van het Koninkrijk, met een intensivering richting de COP. Alle zes de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk worden gevraagd om een gezamenlijke inzet te formuleren voor de COP, die wordt opgenomen in de Koninkrijksinstructie. Deze inzet wordt op het hoogste niveau (ministerieel voor de landen en met de gezaghebber op de eilanden) afgestemd en geaccordeerd op de CAS-eilanden, de BES-eilanden en uiteindelijk in de Rijksministerraad. De zes Caribische delen van het Koninkrijk worden ook in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de COP. Tijdens COP28 heeft bijvoorbeeld de MP van Curaçao deelgenomen en tijdens COP29 hebben de BES-gezant en ambtelijke vertegenwoordiging van Curaçao deelgenomen. Tijdens COP25 en COP26 is er ministeriële deelname geweest van respectievelijk Curaçao en Aruba. Tijdens COP21 is er op politiek niveau deelname geweest van alle drie de CAS-landen.
Zoals in vraag 18 is toegelicht zullen de benodigde inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering verder uitgewerkt worden in het uitvoeringsprogramma bij de NAS. In dit proces worden ook de klimaatplannen van alle drie de BES eilanden betrokken.
Het uitvoeringsprogramma zal ook een financiële paragraaf bevatten waarin duidelijk wordt gemaakt wat de benodigde financiering is om dit uit te voeren. Zoals in antwoord 20 is toegelicht zullen de inspanningen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen. Afhankelijk van de type inspanning zal gekeken worden of hier structureel meerjarig financiering voor nodig is.
De Monumentenwet Bes vormt het kader voor beheer en behoud van cultureel erfgoed op Bonaire. Dit wordt nader ingevuld door de monumenteneilandsverordeningen. Binnen deze kaders is het de taak van het Openbare Lichaam Bonaire (OLB) om het cultureel erfgoed te beschermen, bijvoorbeeld door aanwijzing als monument en door ruimtelijke bescherming. Het Rijk ondersteunt daarbij. De huisjes van slaafgemaakten zijn door het OLB aangewezen als monument.
Onderzoek toont aan dat de huisjes van tot slaafgemaakten in 2050 dreigen te verdwijnen door zeespiegelstijging indien er geen maatregelen worden getroffen. De effecten van klimaatverandering op cultureel erfgoed zijn relatief nieuw en hangen sterk samen met andere opgaven zoals kustbescherming en natuur. Er zal daarom integraal verkend moeten worden wat passende maatregelen zijn en hoe dit in het klimaatbeleid van Bonaire past, zoals opgenomen in de ontwerp-NAS’26. Het Rijk ondersteunt het OLB hier bij.
De ontwerp NAS is momenteel ter inzage gelegd. De hoofdstukken over CN zijn vertaald naar het Engels en Papiaments, om de inspraak toegankelijk te maken voor de inwoners van Caribisch Nederland. Bonaire heeft een klimaatplan opgesteld waarbij veel aandacht is besteed aan de consultatie van de inwoners van het eiland. Dit klimaatplan vormt de basis voor de uitwerking naar prioriteiten en uitwerking.
Het ligt voor de hand dat maatregelen die lokaal genomen kunnen worden ook lokaal geleid zullen worden. Het opstellen van de eilandelijke klimaatplannen is dan ook in opdracht van de openbare lichamen gebeurd, met ondersteuning vanuit het Rijk. In die processen is ruime aandacht besteed aan lokale participatie. Daar waar er sprake is van grotere processen waar het Rijk in grotere mate bij betrokken is, zal dat altijd in nauwe afstemming zijn met de openbare lichamen.
Het kabinet is bekend met deze motie aan het Bestuurscollege. Bij de voorbereiding van het hoger beroep beziet het kabinet over welke onderdelen van de uitspraak er grieven worden ingediend. Voor de VN-klimaattop hanteren we de aanpak zoals beschreven in het antwoord op vraag 32. De CAS en BES formuleren hierbij hun inzet voor de COP, als onderdeel van de Koninkrijksinstructie. Op deze wijze nemen we de belangen van de Caribische delen van het Koninkrijk, en dus ook Bonaire, mee tijdens de COP.
Ja.
De vragen van de leden Van Oosterhout en Tseggai (beiden GroenLinks-PvdA) over de klimaatzaak Bonaire (2026Z10867, ingezonden op 26 mei 2026) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord vanwege interdepartementale afstemming. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.