De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Ja. Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Er vinden regelmatig gesprekken plaats tussen het Rijk, de genoemde gemeenten, en andere betrokken partijen over de verduurzaming van de gebouwde omgeving en de kansen en uitdagingen rondom de ontwikkeling van warmtenetten. Daarbij wordt in algemene zin ook over financieringsvraagstukken gesproken, echter is er geen formeel subsidieverzoek ingediend ter ondersteuning van het Amsterdamse transitiebeleid.
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
De inschatting van de gemeente gaat over de totale investeringsopgave voor warmtenetten in haar wijken tot 2050 op basis van het eerste concept-warmteprogramma. Dit bedrag omvat zowel rendabele investeringen die zichzelf terugverdienen en daarom geen subsidie nodig hebben, als investeringen met een onrendabele top waarvoor subsidie nodig is. De daadwerkelijke subsidie- en financieringsbehoefte van de gemeente is niet bekend, maar gezien het bovenstaande ga ik ervan uit dat een eventueel subsidieverzoek (flink) lager zal liggen dan het genoemde bedrag.
Er is tot 2030 nog ca. 900 miljoen euro beschikbaar voor de landelijke Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) regeling, waarmee minimaal 2,7 miljard euro aan onrendabele investeringen in warmtenetten gestimuleerd kan worden.
Daarnaast is er 174,5 miljoen euro beschikbaar voor de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) en 224 miljoen euro toegekend en gereserveerd voor de Nationale Deelneming Warmte (NDW). Gezamenlijk ondersteunen de GRW en de NDW de financierbaarheid van warmtenetten doordat dit toegang tot vreemd vermogen biedt en minder publiek kapitaal nodig is om de investeringsopgave te financieren.
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
De middelen voor de WIS, de NDW en de GRW komen uit het Klimaatfonds op de KGG begroting. De WIS regeling wordt door de RVO uitgevoerd. De GRW regeling wordt momenteel nader uitgewerkt; er is nog geen uitvoerende partij aangewezen, maar gesprekken hierover lopen met de RVO. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van Wet collectieve warmte is de NDW als zelfstandige beleidsdeelneming ondergebracht bij EBN.
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 de Actualisatie van de Startanalyse gepubliceerd. Dit is bedoeld als onafhankelijk startpunt voor gemeenten om inzicht te krijgen in de nationale meerkosten voor verschillende technische mogelijkheden om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Dit document fungeert daarmee als een onafhankelijke doorrekening van de nationale kosten van verschillende verduurzamingsopties op wijk- en buurtniveau. Onder andere op basis van deze onafhankelijke doorrekening zal de gemeente Amsterdam uiterlijk eind 2027 in haar warmteprogramma aankondigen welke keuzes gemaakt worden. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven in haar Warmteprogramma te sturen op de warmteoplossing met de laagste maatschappelijk kosten.2 Daarbij is het ook van belang om mee te wegen dat collectieve warmtesystemen kunnen voorkomen dat de druk op het elektriciteitsnet verder toeneemt en in sommige gevallen zelfs actief bijdragen aan het verminderen van netcongestie. De nationale kostenbesparing die collectieve warmtesystemen opleveren doordat er minder in de verzwaring van het elektriciteitsnet geïnvesteerd hoeft te worden kan oplopen tot ca. 1,6 miljard euro in 2040.3
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een nationale opgave die voortvloeit uit nationale en internationale klimaatdoelstellingen, zoals onder andere het Klimaatakkoord en het Verdrag van Parijs. Daarbij is afgesproken dat gemeenten een regierol vervullen in de lokale warmtetransitie in de wijk, omdat zij dichter bij de praktijk staan en een betere afweging kunnen maken voor iedere wijk wat de beste route naar klimaatneutraal is. Daarbij zijn vanuit het Rijk met onder andere de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw) kaders afgesproken waarbinnen gemeenten de regie kunnen voeren op de vormgeving van de lokale warmtetransitie. Onderdeel daarvan zijn afspraken om te sturen op de meest efficiënte verduurzamingsopties, zodat we de warmtetransitie tegen de laagste kosten voor zowel de lokale inwoners als de maatschappij realiseren. In het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam wordt ingezet op de verduurzamingsoptie met de laagste maatschappelijke kosten, echter leidt deze optie nog vaak niet tot lagere kosten voor de gebouweigenaar of de bewoner ten opzichte van het huidige fossiele alternatief. Dit geldt voor de meeste gemeenten, daarom draagt het Rijk met verschillende veelal generieke subsidie-instrumenten bij aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Subsidieverzoeken die voortvloeien uit gemeentelijk transitiebeleid worden getoetst aan de hand van de landelijke kaders en voorwaarden zoals die vastgelegd worden door het kabinet in subsidieregelingen.
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Ondanks dat de gemeente Amsterdam haar ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn heeft losgelaten, steun ik dergelijke lokale doelen ten zeerste wanneer ze bijdragen aan een efficiënte en effectieve transitie in de wijk. Hoewel het landelijk beleid gericht is op nationale doelen voor 2030 en 2050 staat het individuele gemeenten vrij om vanuit hun regierol een eigen tijdspad te kiezen dat binnen de nationale doelen past. Het kabinet gaat over de vormgeving van subsidieregelingen en voorziet in de toetsing op een doelmatige en doeltreffende inzet van beschikbare middelen. Indien de versnelde gemeentelijke aanpak daarbinnen past, dan is dit een efficiënte aanpak en bijdrage aan de nationale doelen.
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Het kabinet zet middelen in voor verduurzaming in heel Nederland. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen regio's, woningtypen en beschikbare warmteoplossingen. Het beleid is erop gericht alle huishoudens toegang te bieden tot betaalbare verduurzamingsopties, ongeacht woonplaats. Voor wat betreft de gemeente Amsterdam, hecht ik eraan nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bestuurlijke keuzes om tot de beste verduurzamingsstrategie te komen, indien een gemeentelijk warmtebedrijf daar onderdeel van is dan is het ook aan de gemeente om dat te onderbouwen en daar zelf een gepaste financiële bijdrage aan te leveren. Omdat er met de Wcw gekozen is voor een transitie van een private naar een publieke warmtesector, onder andere om de publieke belangen van de aanleg van duurzame energie-infrastructuur te borgen, is het van belang om deze overgang te faciliteren zodat de warmtesector de benodigde opschaling kan realiseren. Daarom ziet het Rijk dit als een gedeelde verantwoordelijkheid met medeoverheden en eventueel andere partijen zoals netbeheerders en zijn verschillende maatregelen in gang gezet, zoals de NDW, de GRW en de verkenning van de overname van private warmtebedrijven.
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Gemeenten zijn verplicht om de maatschappelijke en eindgebruikerskosten van verschillende verduurzamingstechnieken in de wijk tegen elkaar af te wegen en een gedragen onderbouwing te bieden indien afgeweken wordt van het goedkoopste alternatief. Zo wordt juist gewaarborgd dat er een gelijk speelveld gerealiseerd wordt en verschillende warmtebronnen in de wijk met elkaar kunnen concurreren op basis van onder andere de kosten.
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zorgvuldige afweging van alternatieven. Binnen het beleid voor de gebouwde omgeving is reeds voorzien dat gemeenten verschillende warmteopties vergelijken op basis van onder andere de kosten en onderbouwen voordat keuzes worden gemaakt. Dit is onderdeel van het warmteprogramma dat de gemeenten Amsterdam eind 2027 uiterlijk opstelt.
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
De gemeente presenteert uiterlijk eind 2027 het warmteprogramma met de verduurzamingsplannen voor de komende 10 jaar, waarbij gestuurd wordt op de meest efficiënte technieken voor iedere wijk. Dat betekent dat in sommige wijken geëlektrificeerd wordt en in andere wijken ingezet wordt op een warmtenet om de maatschappelijke kosten zo laag als mogelijk te houden. Omdat het Warmteprogramma iedere 5 jaar geactualiseerd wordt, worden toekomstige (kosten)ontwikkelingen meegenomen en kunnen keuzes aangepast worden waar nodig. Ook hier hecht ik eraan om nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt van de gemeente Amsterdam en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Omdat ik geen inzage heb in de specifieke onderbouwing van het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam, noch in de verhouding tussen rendabele en niet rendabele investeringen, kan ik geen inschatting geven van de specifieke aannames en gevolgen voor Amsterdamse inwoners en de Nederlandse belastingbetaler.
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Ik heb geen inzage in de onderbouwing van dit bedrag van de gemeente Amsterdam en het is niet mijn rol maar die van de gemeenteraad om deze op waarde te schatten en hierop democratische controle uit te oefenen. Ik vertrouw erop dat het college en de gemeenteraad hun taken in dezen goed uitoefenen.
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Nee, er is geen formeel vastgelegd maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie. Maar voor individuele regelingen wordt in principe wel een maximumbedrag opgenomen. Het is niet eenduidig hoe dit in de praktijk uitwerkt per woning, aangezien sommige regeling een maximumbedrag per aansluiting of project kennen (bv. WIS) terwijl andere regelingen een maximale subsidie per energie-eenheid (SDE++), het type maatregel (ISDE) of het inkomen (Nationaal Warmtefonds). Zo is het maximumbedrag in de WIS regeling 7.000 euro per aansluiting, voor de subsidieregeling aardgasvrije woningen (SAH) was dat in de laatste openstellingsronde maximaal 6.000 euro en voor de ISDE is de maximale subsidie voor een warmtenetaansluiting 3.775 euro.
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
De volatiliteit op internationale energiemarkten is de afgelopen maanden aanzienlijk toegenomen als gevolg van geopolitieke spanningen. De hoge kosten voor energie waar we mee geconfronteerd worden onderstrepen de urgentie om onze maatschappij en economie weerbaarder te maken en onze afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen af te bouwen. Hoewel dergelijke infrastructuur komende winter nog geen verlichting zal bieden, is het van belang om nu wel deze ontwikkeling in gang te zetten en de komende decennia onze eigen lokale energiebronnen te bouwen en onze energievoorziening te diversifiëren.
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Het is op basis van de berichtgeving niet duidelijk welke steun en hoeveel de gemeente nodig heeft van het Rijk en in hoeverre eventuele toekomstige subsidieverzoeken passen binnen de landelijke subsidiekaders en beschikbare budgetten.
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
In het coalitieakkoord heeft het kabinet zich gecommitteerd aan behoedzaam begrotingsbeleid. Tevens stelt het akkoord dat het kabinet vol blijft inzetten op het realiseren van warmtenetten en bereid is om via een staatsdeelneming binnen de huidige financiële kaders private warmtebedrijven over te nemen en te participeren in nieuwe ontwikkelingen.
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Isolatiemaatregelen zijn ook van belang, maar met isolatie alleen kunnen we niet van het gas af. Daarom is het van belang om ook duurzame energieopwekking en installaties zoals warmtenetten te stimuleren. Daarnaast werken we ook aan het betaalbaar maken van warmte. De huidige tariefregulering koppelt de warmtetarieven aan de gastarieven, maar met de implementatie van de Wcw wordt toegewerkt naar kostengebaseerde tarieven waardoor warmteafnemers alleen nog betalen voor de kosten van het eigen warmtenet. Hierdoor zal in de toekomst een toename in de gasprijs niet terug te zien zijn in de kosten van afnemers van een duurzaam warmtenet. Hierdoor is het de verwachting dat in wijken waar een warmtenet de duurzame optie met de laagste maatschappelijke kosten is op termijn zal kunnen concurreren met het fossiele alternatief.
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Eventuele financiële ondersteuning aan het gemeentelijke transitiebeleid zal via de gebruikelijke procedures met uw Kamer gedeeld worden. In principe verloopt financiële ondersteuning door het Rijk via de openstelling van generieke subsidieregelingen met een specifiek doel en worden subsidieaanvragen getoetst aan de voorwaarden en criteria van de specifieke regeling om te waarborgen dat de beschikbare middelen op doelmatige en doeltreffende wijze besteed worden binnen de geldende nationale en Europese juridische (staatssteun)kaders. Een onafhankelijke audit van de doelmatigheid van het eerdere verduurzamingsbeleid van specifiek de gemeente Amsterdam is niet aan de orde, omdat de Wgiw vastlegt aan welke verplichtingen gemeenten moeten voldoen bij de planning en onderbouwing van het transitiebeleid. Daarmee heeft de gemeente de regie over de lokale beleidsafweging met betrekking tot de warmtetransitie en borgt de Wgiw de kwaliteit van het beleidsproces.
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , van Essen , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
De verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek en berichtgeving inzake de verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat als gevolg van de klimaatverandering het risico op extreem hoge waterstanden is toegenomen?
Het onderzoek geeft aan dat de frequentie van hoge waterstanden voor de Nederlandse kust viermaal hoger is dan in 1900. Dit onderzoek is een analyse van bestaande data. Diezelfde data worden gebruikt in onze modellen en analyses voor belastingen van waterkeringen en actualisaties daarvan. Daarbij gaat het in het onderzoek en het artikel om events met een kans van voorkomen van eens in de honderd jaar. De Nederlandse kust is bestand tegen veel extremere events. De uitkomsten van dit onderzoek leiden daarom niet tot een (extra) dreiging voor onze waterkeringen langs de kust.
Vindt u het ook zorgelijk dat, terwijl de verwachting is dat de gevolgen van de klimaatverandering de komende decennia alleen maar groter zullen worden, extreem hoge waterstanden nu al zoveel vaker voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Langs de Noordzeekust zijn wij goed voorbereid op de waterstanden en golfbelastingen die kunnen volgen uit stormomstandigheden. Periodiek worden de databases voor hydraulische belasting van de waterkeringen geactualiseerd. Dat gebeurt op basis van voortschrijdend inzicht, waaronder de actuele wind- en waterstandstatistieken en de meest recente KNMI-klimaatscenario’s.
Wat doet u om de risico’s, dat de kans op extreem hoog water nog verder en sneller toe zal nemen, te beperken?
Het Rijk zorgt er samen met de waterschappen voor dat de kustverdediging op orde is. Dat wordt onder meer gedaan door instandhouding en voorbereiding van vernieuwing van de stormvloedkeringen en door uitvoering van de kustlijnzorg zodat de zandige Noordzeekust kan meegroeien met de zeespiegelstijgingen. Daarnaast vindt monitoring plaats en wordt ervoor gezorgd dat kennis en instrumenten beschikbaar zijn om tijdig te kunnen anticiperen op klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan is het Kennisprogramma Zeespiegelstijging dat de afgelopen jaren gelopen heeft: de Kamer heeft op 19 juni jl. een brief ontvangen over de stand van dit Kennisprogramma (Kamerstukken 36 800 J, nr. 28).
Welke consequenties hebben deze nieuwe berekeningen voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)?
Zoals bij antwoord 3 aangegeven, worden alle nieuwe inzichten die invloed hebben op de kans op mogelijke waterstanden periodiek verwerkt in een database met zgn. hydraulische belastingen op de waterkeringen. Keringbeheerders beoordelen met behulp van die hydraulische belastingen of de verwachte overstromingskans van de keringen voldoet aan de normen die daarvoor gelden. Dat leidt dan tot een geactualiseerd beeld in de huidige beoordelingsronde van waterkeringen die loopt tot 2035. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Heeft u goed in beeld waar langs de Europees-Nederlandse kust de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
De meest risicovolle plekken zijn de plekken waar de kust niet zelf kan meegroeien met de zeespiegelstijging, zoals bij kustplaatsen. Deze zwakke schakels zijn in de periode 2007–2016 versterkt. De waterschappen beoordelen als keringbeheerders iedere 12 jaar of de waterkering langs de kust blijft voldoen aan de waterveiligheidsnormen. Momenteel voldoet vrijwel de hele Noordzeekust al aan de strenge waterveiligheidsnormen. Waar voorzien wordt dat deze niet meer voldoen, worden deze keringen aangepakt in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De HWBP-programmering wordt jaarlijks bij de begroting en in het Deltaprogramma gepubliceerd. Met deze systematiek werken we voortdurend aan het op tijd versterken van de keringen (dijken, duinen, dammen) en daarmee aan het op orde houden van de waterveiligheid, ook aan de kust.
Heeft u goed in beeld waar langs de kust in Caribisch Nederland de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
Ja. Voor de eilanden is voor de kustgebieden via risicoprofielen in beeld gebracht waar ze het meest kwetsbaar zijn voor overstromingen vanuit zee. Voor Bonaire gaat het met name om laaggelegen kustdelen, waaronder delen van Kralendijk, die bij zeespiegelstijging, stormopzet en kusterosie kwetsbaar kunnen zijn.
Voor Saba en Sint Eustatius ligt de opgave vooral bij kust- en haveninfrastructuur en erosiegevoelige locaties.
De verdere prioritering en uitwerking van maatregelen vindt plaats via de eilandelijke klimaatplannen en het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het aankomende commissiedebat Water d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
De PPWR en de consequenties voor composteerbare verpakkingen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van producenten van composteerbare en biobased verpakkingen over de gevolgen van de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u dat een aantal biologisch afbreekbare materialen niet is ingedeeld in recyclingcategorieën binnen de PPWR en door sorteerders en recyclers wordt geweigerd in zowel de PMD- als de papierketen?
Op basis van deze Europese verordening moeten alle verpakkingen per 2030 recyclebaar zijn. Daarna worden de eisen van wat als recyclebaar telt in de tijd steeds strenger. In de PPWR wordt recyclebaarheid bepaald voor verpakkingscategorieën (bv. houten verpakkingen) op een indicatieve lijst aan de hand van eigenschappen van de verpakking (bv. uit hoeveel verschillende materialen de verpakking is gemaakt). Niet alle materialen zijn ingedeeld in deze indicatieve lijst. De Europese Commissie (verder: Commissie) heeft de bevoegdheid deze lijst te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege nieuwe materiaalontwikkelingen.
De indicatieve lijst houdt geen rekening met nationale verwerkingsmethoden, maar is een algemene lijst met materialen met als doel design-for-recycling te harmoniseren. Of een verpakking wel of niet op de indicatieve lijst staat, staat dus los van of een verpakking in Nederland wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden. In Nederland bestaan voor inwoners wel/niet lijsten die aangeven in welke afvalbak een bepaald product mag. Het kan zijn dat de huidige wel/niet lijsten ertoe leiden dat bepaalde producten niet in het pmd-afval of in de papierbak mogen. Producenten van verpakkingen kunnen afspraken maken met gemeenten, inzamelaars, sorteerders en verwerkers om de wel/niet lijst aan te passen. Zo is in 2026 de wel/niet lijst voor pmd-afval aangepast zodat koffiecapsules ook bij het pmd-afval mogen.
Deelt u de analyse van de sector dat deze weigering ertoe leidt dat deze materialen automatisch een lagere of nulscore op recyclebaarheid krijgen en van de markt worden geweerd?
Vanaf 2030 worden verpakkingen ingedeeld in recyclebaarheidsklassen op grond van de PPWR. Verpakkingen met een te lage recyclebaarheidsklasse mogen niet op de markt worden gebracht. Hoe de recyclebaarheidsklasse wordt bepaald, wordt in 2028 door de Commissie vastgelegd in een gedelegeerde handeling. De Commissie heeft in een gesprek met mijn ministerie aangegeven dat ze bij de uitwerking rekening willen houden met alle materialen, wat ook past bij de intentie om bio(vezel)gebaseerde verpakkingen te stimuleren1. Indien nodig zal Nederland de Commissie blijven oproepen om alle materialen mee te nemen in deze gedelegeerde handeling. Zoals toegelicht in vraag 2, staat de recyclebaarheidsklasse in de PPWR los van of een verpakking in Nederland op dit moment wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden.
Welke gevolgen verwacht u van de PPWR voor Nederlandse bedrijven die investeren in dergelijke verpakkingen?
De PPWR harmoniseert het verpakkingenbeleid in Europa. Investeringszekerheid is gebaat bij geharmoniseerde Europese wetgeving. De recyclebaarheidseisen zijn onmisbaar in een circulaire economie waarin wij minder nieuwe grondstoffen gebruiken. Het is van belang dat (nieuwe) verpakkingen en verpakkingsmaterialen zo worden ontworpen dat zij aan deze eisen voldoen. Sommige (technische) aspecten van de PPWR worden uitgewerkt via gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het is belangrijk dat deze handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Het kabinet zal blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor biogebaseerde, composteerbare en innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Bent u voornemens om gebruik te maken van artikel 9, tweede lid, PPWR om aanvullende verpakkingstoepassingen als verplicht composteerbaar aan te wijzen, en welke inhoudelijke criteria hanteert u daarbij in relatie tot de uitdagingen en doelen van de gft-inzameling in Nederland?
Zowel vanuit de interpretatie van de PPWR, als vanuit hoe het Nederlandse circulaire economiebeleid is ingericht, is het kabinet op dit moment niet voornemens om nationaal te regelen dat verpakkingen verplicht composteerbaar moeten zijn. Hieronder wordt dit vanuit beide aspecten toegelicht.
De PPWR verplicht dat alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn. Verpakkingen mogen daarnaast ook composteerbaar zijn, maar bepaalde verpakkingen moeten composteerbaar zijn. Deze verplicht composteerbare verpakkingen zijn uitgezonderd van de eis om recyclebaar te zijn. Voor alle lidstaten geldt dat koffiepads, theezakjes en stickeretiketten voor groente en fruit verplicht composteerbaar moeten zijn. Verder hebben lidstaten volgens artikel 9, tweede lid, de keuze om andere specifieke verpakkingen verplicht composteerbaar te maken. Dit tweede lid bestaat uit twee delen. Ten eerste mogen lidstaten reeds bestaande nationale wetgeving die bepaalde verpakkingen verplicht composteerbaar maakt, behouden. Deze regelgeving moet dan al 12 augustus 2026 van kracht zijn. Nederland heeft zulke wetgeving niet. Ten tweede mogen lidstaten bepaalde plastic draagtasjes en niet-metalen koffiecapsules verplicht composteerbaar maken.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is gericht op het behouden van grondstoffen in de economie. De recyclebaarheid van verpakkingen staat daarom voorop. Composteren van verpakkingen is een laagwaardigere vorm van materiaalbehoud dan recycling; verpakkingen dragen geen nutriënten bij aan het compost, en compost kan, in tegenstelling tot recyclaat, niet worden toegepast in nieuwe verpakkingen. Daarnaast heeft het Nederlandse afvalbeleid o.a. duidelijkheid en consistentie voor de consument als uitgangspunt. Onderscheid maken tussen composteerbare verpakkingen, gemaakt van biologisch afbreekbare materialen, en dezelfde verpakkingen gemaakt van fossiele, niet composteerbare materialen, is lastig. Als bijvoorbeeld composteerbare saladebakjes bij het gft-afval moeten en andere bakjes die er wellicht hetzelfde uitzien bij het pmd-afval, dan leidt dit tot verwarring bij de consument. Dit kan leiden tot vervuiling van zowel het gft-afval als het pmd-afval en daarmee tot problemen in zowel het recyclingproces als in de compostering. Tot slot hanteren Nederlandse composteerinstallaties over het algemeen korte doorlooptijden waardoor composteerbare verpakkingen niet genoeg tijd hebben om volledig af te breken. Hierdoor kunnen (delen van) deze verpakkingen in het compost aanwezig blijven als vervuiling. Op basis hiervan volgt dat het verplicht composteerbaar stellen van aanvullende verpakkingen niet wenselijk is.
Hoe weegt u bij deze beslissing de rol en bijdrage van composteerbare en biobased verpakkingen bij de vermindering van fossiel grondstoffengebruik, CO2-uitstoot en het opbouwen van een circulaire economie versus alternatieven? Kunt u daar inzicht in verschaffen?
Verpakkingen die zowel recyclebaar als composteerbaar zijn, kunnen een grote bijdrage leveren aan de circulaire economie, doordat ze compatibel zijn met verschillende afvalverwerkingsstructuren in de Europese Unie. In het Nederlandse circulaire economiebeleid streven we naar het vervangen van primaire grondstoffen door gerecyclede grondstoffen en duurzame biogrondstoffen, waarbij gerecycled de voorkeur heeft2. Biogebaseerde verpakkingen die recyclebaar zijn, al dan niet composteerbaar, worden vanuit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen gezien als een hoogwaardige en dus wenselijke toepassing van biogrondstoffen3. Daarbij is het belangrijk dat de biogrondstoffen een duurzame oorsprong hebben en dat de totale vraag naar biogrondstoffen beperkt blijft. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een biogebaseerde doelstelling in de PPWR, met bijbehorende duurzaamheidscriteria.
Kijkt u hierbij ook de ervaring in ander EU-landen, zoals Italië, waar ze ervoor gekozen hebben specifieke producten verplicht composteerbaar te maken om zo contaminatie in de gft-stroom te verminderen? Hoe weegt u deze ervaringen bij het bepalen van de meest geschikte aanpak voor de Nederlandse situatie?
De afvalinzamelings- en verwerkingsinfrastructuur in Italië en Nederland verschilt en kan daarom niet vergeleken worden. Gft-afval wordt in Nederland voornamelijk industrieel gecomposteerd met korte doorlooptijd. Hierdoor kunnen deze verpakkingen leiden tot vervuiling van de gft-stroom. In Italië vindt meestal eerst een vergistingsstap plaats waardoor composteerbare verpakkingen ook meer tijd hebben om volledig af te breken. Overigens is het Nederlandse circulaire economiebeleid gericht op het behouden van grondstoffen in de economie.
Recycling van verpakkingen heeft daarom de voorkeur, omdat recycling van verpakkingen leidt tot een hoogwaardigere vorm van materiaalbehoud dan composteren.
Hoe gaat u invulling geven aan artikel 48 PPWR om inzameling, sortering en verwerking van composteerbare en andere innovatieve verpakkingsmaterialen te organiseren of te faciliteren?
Artikel 48 verplicht lidstaten onder andere om ervoor te zorgen dat er systemen en infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval en om de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken. Composteerbare en andere innovatieve verpakkingen worden niet specifiek benoemd in dit artikel.
In Nederland is een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Voor de inzameling van verpakkingsafval van huishoudens maken producenten afspraken met gemeenten over het gebruik van de gemeentelijke inzamelsystemen en ontvangen gemeenten daarvoor een vergoeding. Deze gescheiden ingezamelde afvalstromen dienen vervolgens via de geldende minimumstandaarden verwerkt te worden.
In aanvulling op het bovenstaande heeft Nederland een statiegeldsysteem om hoogwaardige recycling van drankverpakkingen te faciliteren, en ondersteunt het de ontwikkeling van nieuwe recyclingtechnieken voor plastic verpakkingen via onder andere Circular Plastics NL4.
Bent u van plan om vóór 12 augustus 2026 met de relevante stakeholders in gesprek te gaan over de Nederlandse inzet op zowel artikel 9 als artikel 48?
Wat betreft artikel 9 is in het antwoord op vraag 5 toegelicht dat er geen nationale wettelijke verplichting rondom composteerbare verpakkingen bestaat. Daarnaast is het de Nederlandse voorkeur om beleid te voeren wat zoveel mogelijk gericht is op het behoud van grondstoffen waarbij in dit geval recycling de voorkeur heeft boven compostering. Wat betreft de rest van de PPWR, blijft het Ministerie van EZK in gesprek met belanghebbenden over bepalingen waar nationale ruimte mogelijk en wenselijk is. Deze bepalingen zullen ook breed via internetconsultatie worden voorgelegd. Ten slotte start vanaf september de Ketentafel Verpakkingen, die een structureel overleg tussen het Rijk en de verpakkingenketen faciliteert. Daar zal de PPWR ook een belangrijk onderwerp zijn.
Bent u bereid om vóór het commissiedebat Circulaire Economie van 1 juli 2026 de Kamer te informeren over de Nederlandse inzet ten aanzien van de invulling van de PPWR?
De PPWR is een Europese verordening, die van toepassing is vanaf 12 augustus 2026. Het merendeel van de maatregelen in de verordening is rechtstreeks van toepassing en behoeft dus geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving. De verordening laat op onderdelen ruimte voor nationale keuzes. Die keuzes worden conform kabinetsbeleid beleidsarm en lastenluw geïmplementeerd. Het uitvoeringsbesluit zal via een internetconsultatie worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Daarna informeer ik de Kamer graag over dit traject.