Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector |
|
Gidi Markuszower (PVV), Hidde Heutink (PVV) |
|
Eerenberg , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1
Ja.
Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026) en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt door batterijen en accu's in het afval?
Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.
Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?
Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden. Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen, om meer batterijen gescheiden in te zamelen.
Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand- en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere afvalstromen terechtkomen?
Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik) en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend op het landelijk verbod.
Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers? Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?
Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers. Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren. Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.
Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover dit jaar te informeren?
Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden. Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten waar nodig aan.
Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar 90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?
De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties (AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten). De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing (deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale politieke keuzes.
Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen (bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat de heffing verder wordt aangescherpt?
Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens 80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar materiaal verbrand wordt.
Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?
Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.
Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?
De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming vooruitlopen.
Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?
Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-, handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking, het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een gelijk speelveld in Nederland.
Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bioenergiecentrales niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland mogelijk kan worden gemaakt?
C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand, om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale. Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen te verkrijgen.
Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?
Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels. Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk. Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.
Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?
Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen. Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Circulaire economie?
Ja.
De berichtgeving dat nog geen 10% over is van het koraal rond Bonaire |
|
Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA), Laura Bromet (GroenLinks-PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente berichtgeving dat nog geen 10% over is van het koraal rond Bonaire?1
Ja
Bent u van mening dat het koraal bij Bonaire een van de meest kwetsbare ecosystemen van Nederland betreft en dat we alles op alles moeten zetten om het koraal nog te redden?
De koraalsystemen van Bonaire behoren inderdaad tot de meest kwetsbare ecosystemen van Nederland. Het beleid van het kabinet is erop gericht om het koraal op Bonaire te beschermen en te herstellen waar mogelijk. Samenwerking met het Openbaar lichaam Bonaire is hierbij essentieel om de drukfactoren voor het koraal te verminderen. Met het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 (NMBP) neemt het kabinet gecoördineerd maatregelen die de natuur van Bonaire en specifiek het koraal beschermen. Dit wordt onder andere gedaan door projecten gericht op het aanpakken van loslopend vee. Zij vormen een dubbele drukfactor: door overbegrazing dragen zij bij aan erosie en sedimentatie, waardoor minder licht het koraal bereikt en de groei ervan wordt belemmerd. Daarnaast dragen de huidige aantallen bij aan een verhoogde nutriëntenbelasting van het water waardoor ook de gezondheid van de koraalriffen wordt aangetast. Er zullen ook maatregelen worden genomen ter vergroting van het volume gezuiverd afvalwater, wat bijdraagt aan een betere waterkwaliteit.
Deelt het kabinet dat dit moet gebeuren door zo snel mogelijk de opwarming van de aarde te stoppen en daarnaast heel snel en veel restauratieprojecten voor het koraal op te zetten, zoals voorgesteld in het artikel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat de opwarming van het zeewater impact heeft op de staat van het koraal. In lijn met het regeerakkoord werkt het kabinet aan het halen van de klimaatdoelen en levert daarmee een bijdrage aan onder meer het tegengaan van verdere opwarming van het zeewater. Over de voortgang van het klimaatbeleid wordt uw Kamer op Prinsjesdag nader geïnformeerd. Tegelijkertijd zijn er belangrijke lokale drukfactoren voor het koraal, zoals de hoge nutriëntenlast en neerdalende slib door erosie, die verminderd moeten worden om koraalrestauratieprojecten kansrijk te maken.
In hoeverre bent u bereid om naar aanleiding van dit bericht de Nationale Klimaatadaptatie Strategie (NAS) zo aan te passen dat er direct meer capaciteit en financiële middelen beschikbaar komen om Bonaire te helpen met klimaatadaptieve maatregelen om ondere andere het koraal te beschermen?
De benodigde maatregelen om het koraal rondom Bonaire te beschermen zullen genomen worden in het kader van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP). De Minister van LVVN zal de Kamer eind dit jaar informeren over fase twee van het NMBP.
Bent u van plan om in lijn met de uitspraak (Klimaatzaak Bonaire) in januari jl. te komen met een klimaatadapatieplan dat alle ecosystemen, sectoren, mensen en kwetsbare gemeenschappen in Nederland omvat, en dat uiterlijk in 2030 wordt geïmplementeerd en dan reeds sociale en economische klimaatimpact tegengaat? Kunt u een tijdlijn schetsen hiervoor?
Het kabinet zet de nodige stappen om uiterlijk in 2030 een nationaal klimaatadaptatieplan te hebben en te implementeren dat erop is gericht om Nederland, waaronder Bonaire, weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het streven is om dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026 (NAS’26) vast te stellen, die ook Caribisch Nederland omvat. Recent heeft de ontwerp-NAS’26 ter inzage gelegen. De zienswijzen op dit ontwerp worden nu verwerkt. Het streven van het kabinet is om tegelijk met of kort na vaststelling van de definitieve NAS’26 met een nationaal uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie te komen met daarin een overzicht van de rijkinspanningen in Caribisch Nederland de komende jaren.
Bent u bekend met de kritische uitlatingen van het Bestuurscollege van Bonaire op het huidige ontwerp NAS '26, waarin wordt aangegeven dat het ontwerp onvoldoende aansluit op de lokale noden van het eiland en niet zorgt voor een gelijkwaardig beschermingsniveau? Hoe beoordeelt u deze kritische uitlatingen? Welke concrete aanpassingen gaat u in de definitieve versie van de NAS doorvoeren om tegemoet te komen aan de bezwaren van het Bestuurscollege?
Ik ben bekend met de zienswijze van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire op de ontwerp-NAS. Deze en andere zienswijzen worden nu verwerkt. In een reactienota zal worden ingegaan op de ontvangen zienswijzen. De reactienota zal tegelijkertijd met de definitieve NAS aan de Kamer worden verzonden. Dit gebeurt naar verwachting nog dit jaar.
Bent u ermee bekend dat naast de kritische uitlatingen van het Bestuurscollege van Bonaire ook de zienswijze van een brede groep maatschappelijke organisaties, waaronder Vissersbond Piskabon, landbouworganisatie Kriabon, consumentenbond Tienda pa Konsumidó en milieu en natuurorganisaties zoals Greenpeace Nederland waarschuwen dat de concept-NAS blijft steken op «verkenningen» en dat onvoldoende wordt voorkomen dat het verdwijnen van cultureel erfgoed en acute gezondheidsrisico's door extreme hitte wordt aangepakt? Welke concrete aanpassingen gaat u in de definitieve versie van de NAS doorvoeren om tegemoet te komen aan de roep om daadwerkelijke, gelijkwaardige structurele financiering en beschermingsnormen?
Ik ben bekend met deze zienswijze. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Herinnert u zich uw eerdere beantwoording van Kamervragen2 waarin u stelde dat de toepassing van Europees Nederlandse veiligheidsnormen in Caribisch Nederland niet wenselijk is en dat het beleid per eiland wordt afgestemd op basis van een risico-inschatting en beleidsafstemming? Welke stappen gaat het kabinet zetten om te garanderen dat er equivalente systemen en normen komen voor Bonaire, zodat er gelijkwaardige bescherming tussen Europees en Caribisch Nederland kan worden gegarandeerd, zoals vereist door het vonnis in de Klimaatzaak Bonaire?
Het Klimaatplan Bonaire wordt opgesteld door het Openbaar Lichaam Bonaire met ondersteuning van het Rijk. Naar verwachting wordt dit plan in het najaar van 2026 aangeboden aan het kabinet. Het Rijk gaat het OLB ondersteunen bij het bepalen van doelen en het uitvoeren van maatregelen. De Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het verankeren van een wettelijke grondslag voor waterveiligheidsnormen op de BES-eilanden noodzakelijk is om een gelijkwaardig beschermingsniveau te realiseren ten opzichte van Europees Nederland, en bent u bereid om deze wettelijke verankering toe te zeggen? Zo ja, kunt u een concreet tijdpad toezeggen voor deze wettelijke verankering Kunt u het tijdpad schetsen voor de volledige operationalisering van het Multi-Hazard Early Warning System op Bonaire, Saba en Sint Eustatius in 2027, zoals ook vereist is in het vonnis van de Klimaatzaak Bonaire?
Het kabinet onderschrijft het belang van borging van de bescherming tegen klimaatrisico's op de BES-eilanden. Of daarvoor een afzonderlijke wettelijke grondslag voor waterveiligheidsnormen nodig is, wordt betrokken bij de uitwerking van de klimaatadaptatieplannen. Op de uitkomsten daarvan wil het kabinet niet vooruitlopen.
Ten aanzien van het Multi-Hazard Early Warning System streeft het kabinet, samen met de openbare lichamen en betrokken organisaties, naar een verdere ontwikkeling van de waarschuwingsketen. Dat betreft niet alleen een technische ontwikkeling maar ook in de samenwerking binnen de veiligheidsketen. De Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd.
Kunt u motiveren in hoeverre het beginsel van «Comply or Explain» (pas toe of leg uit) is toegepast bij het opstellen van de NAS '26?
Caribisch Nederland is onderdeel van de NAS’26. Dit was nog niet het geval in de NAS uit 2016. Caribisch Nederland is daarmee een integraal onderdeel van de beleidsintensivering.
Vanwege onder meer de specifieke klimaatdreigingen en geografische kenmerken van de BES-eilanden verschillen de adaptatieopgaven voor Caribisch Nederland wel van die voor Europees Nederland maar het doel is hetzelfde: een klimaatbestendig Nederland. Voor zowel het Europees als Caribisch deel van de NAS’26 is de afspraak dat elke bewindspersoon verantwoordelijk blijft voor de adaptatieopgave binnen het eigen domein, inclusief de financiering en uitvoering hiervan.
In hoeverre worden de aanbevelingen uit de Klimaatplannen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius concreet meegenomen bij het opstellen van de definitieve versie van de NAS '26?
Bij de totstandkoming van de definitieve NAS’26 en het bijbehorende uitvoeringsprogramma zullen ook de afzonderlijke klimaatplannen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius worden meegenomen.
Bent u bereid deze klimaatplannen, als deze zijn afgerond, voorafgaand aan het Wetgevingsoverleg (WGO) Water te delen met de Kamer?
Ja, deze zullen naar verwachting als bijlage op de «verzamelbrief water» met de Kamer worden gedeeld.
Herinnert u zich de recente antwoorden over het Deltafonds3 waarin gesteld wordt dat opties voor een meer structurele financieringssystematiek worden «verkend»? Wanneer komt het kabinet exact met definitief uitsluitsel over deze structurele borging? Welke specifieke instanties, ministeries (zoals Financiën en I&W) en lokale bestuursorganen worden concreet betrokken bij het vormgeven van dit structurele financiële kader?
Het tijdstip waarop het kabinet definitief uitsluitsel kan geven over de verkenning van de opties is nog niet precies bekend. Verkenning van de opties vraagt de nodige voorbereiding en afstemming tussen de betrokken Ministeries van BZK, Financiën en IenW. Mogelijk is ook externe advisering wenselijk. De Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voor Prinsjesdag?
Ja
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
In de kamerbrief van 18 december 2025 staan het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (Taskforce) beschreven: De Taskforce komt tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De te verwachten resultaten van de Taskforce zijn een risicoclassificatie voor verschillende typologieën van staalslaktoepassingen en een handreiking voor bevoegde gezagen. Daarnaast zal gekeken worden hoe en op welke wijze relevante kennis over toepassing van staalslak publiekelijk beschikbaar kan worden gesteld.
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter de burgemeester van Haarlem de heer Jos Wienen. Vanuit IPO is gedeputeerde Sjaak Simonse (Flevoland) en vanuit VNG zijn de wethouders Suzanne Klaassen (Beverwijk) en Eva van Esch (Arnhem) bereid gevonden om op persoonlijke titel deel te nemen aan de Taskforce. Verder zijn de Unie van Waterschappen, Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland op ambtelijk niveau vertegenwoordigd in de Taskforce.
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aan het Bestuurlijk Overleg Bodem (BO) nemen namens het IPO twee gedeputeerden deel: de gedeputeerde van de provincie Zeeland en de gedeputeerde van de provincie Flevoland. Het resultaat van de Taskforce wordt aangeboden aan het BO te zijner tijd. De gedeputeerde van Flevoland is op persoonlijke titel lid van de Taskforce.
Voor de Ooster- en Westerschelde loopt er een aparte actielijn waarbij de gedeputeerde Natuur van de provincie Zeeland betrokken is (zie het antwoord op vraag 10).
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Ja. In mijn brief heb ik aangegeven dat mijn voornemen is om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu- en gezondheid. Zoals ook aangegeven is de handreiking bedoeld ter ondersteuning van de bevoegde overheden bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu. Een handreiking doet niets af aan de bevoegdheden van lokale bevoegde gezagen om maatwerkregels op te stellen.
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt het initiatief om een handreiking op te stellen die kan helpen bij de vergunningverlening. Ten eerste wordt de handreiking gebaseerd op objectief literatuuronderzoek en de actuele stand van de wetenschap. Ten tweede worden er expertsessies georganiseerd waarvoor zowel kennisinstellingen als partijen met praktijkervaringen in het veld worden uitgenodigd. Ook wordt de op dat moment beschikbare informatie van RIVM hiervoor gebruikt.
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
De expertsessies staan gepland voor de tweede helft van dit jaar (september/oktober en december) en er wordt op dit moment bekeken wie daarbij aanwezig moeten zijn.
De expertsessies worden georganiseerd om een handreiking op te kunnen stellen als praktisch toetsingskader om bevoegde gezagen (zoals de omgevingsdiensten) te ondersteunen bij het beoordelen van de milieu- en gezondheidsrisico's (zoals uitloging en pH-verhoging) bij vergunningaanvragen. Het ligt niet voor de hand om daar vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, maatschappelijke organisaties of externe juristen worden betrokken. Deze partijen kunnen wel input geven op het voorgenomen besluit tot het invoeren van een verbod tenzij de toepassing veilig kan en er een vergunning is verleend via de internetconsulatie waarvan de start gepland staat in september.
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
De voorzitter van de Taskforce is gevraagd op basis van zijn ervaring als lokaal bestuurder. De stelling in de vraag is onjuist. Een burgemeester voert op dit onderwerp ook geen eigen beleid. De Taskforce staat los van beslissingen die het college van B&W van de gemeente Haarlem, als bevoegd gezag, heeft genomen of zal nemen over locaties waar staalslakken zijn aangetroffen in de gemeente Haarlem.
Voor wat betreft het collegebeleid in Haarlem heb ik het volgende begrepen: Er is vorig jaar vooruitlopend op een nationaal beleid, door de gemeente Haarlem een meldplicht voor het toepassen van staalslakken ingesteld. Daarnaast is er onderzoek gedaan door de gemeente waar staalslakken zijn gebruikt en is advies van de GGD-GHOR ingewonnen. Op een locatie zijn op basis daarvan de staalslakken afgedekt (recreatieschap in overleg met gemeente) en op de andere locatie worden de staalslakken op basis van advies GGD op dit moment niet verwijderd of aangepast. Verdere landelijke regeling of adviezen worden afgewacht door de gemeente Haarlem.
De door de Taskforce op te stellen handreiking voor bestaande toepassingen staalslak biedt handvatten hoe om te gaan met bestaande toepassingen door bevoegde gezagen. De Taskforce zelf stelt geen beleid op.
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Zie het antwoord op vraag 1. De Taskforce kijkt naar het type van toepassingen van staalslak en mogelijke maatregelen op basis van de risicoclassificatie. De Taskforce is niet het gremium waar wordt gesproken over een schadefonds of een andere vorm van financiering en het herstellen van schade van staalslakken en zal dan ook daarover geen uitspraken doen. In de Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond 2023 t/m 20301 hebben IenW, VNG, IPO en UvW afspraken gemaakt over het financieel kader van de aanpak van bodem- en grondwaterverontreinigingen. In dat kader kan mogelijke financiering aan de orde komen.
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
De periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, is verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027, zie ook de Kamerbrief van 5 juni 20262. Op 18 juni 2026 had ik bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van gedeputeerde staten van Zeeland, de Vereniging Zeeuwse Gemeenten, de visserijsector en de natuur- en milieuorganisaties. In de Kamerbrief van 2 juli 20263 heb ik aan u aangegeven dat daar is afgesproken om een expertsessie te organiseren met als doel te achterhalen of er kennishiaten zijn t.a.v. de lange termijneffecten van toepassingen met staalslak in de Ooster- en Westerschelde. Deze expertsessie zal in het najaar plaatsvinden en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik met de gesprekspartners van het bestuurlijk overleg Zeeland staalslak overleggen over het vervolg.
De expertsessie voor de Ooster- en Westerschelde staat los van de expertsessie die in het kader van de handreiking vergunningverlening worden georganiseerd (zie het antwoord op vraag 7).
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Ja.
De gevolgen van de Braziliaanse verkiezingen voor het Amazonegebied en ontbossing |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Sjoerd Sjoerdsma (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van Carbon Brief1 dat het Braziliaanse beleid en de uitkomst van de presidentsverkiezingen van grote invloed kunnen zijn op de toekomst van het Amazonegebied en de mate van ontbossing?
Deelt u de opvatting dat de bescherming van het Amazonewoud van groot belang is voor het tegengaan van klimaatverandering en de bescherming van biodiversiteit, en dat deze bescherming zwaar moet wegen in het Nederlandse en Europese buitenland-, klimaat- en handelsbeleid?
Erkent u dat de politieke koers van een toekomstige Braziliaanse regering gevolgen kan hebben voor ontbossing, de handhaving van milieuwetgeving en de bescherming van inheemse gemeenschappen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete diplomatieke en politieke stappen zet u om de Braziliaanse regering aan te sporen ontbossing tegen te gaan, bestaande natuurbescherming te handhaven en inheemse gemeenschappen te beschermen? Bent u bereid deze inzet op te voeren wanneer dreigt dat de Braziliaanse regering de bescherming van het Amazonegebied afzwakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bijdrage van de veehouderij aan ontbossing in het Amazonegebied? Welke mogelijkheden ziet u om de Europese afhankelijkheid van geïmporteerd rundvlees te verminderen en de consumptie van dierlijke producten terug te dringen als maatregel tegen ontbossing? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre deze maatregelen ontbossing tegen kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt u, mede in Europees verband, om te voorkomen dat de vraag naar producten op de Europese markt bijdraagt aan ontbossing in Brazilië? Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het EU-Mercosurverdrag?
Erkent u dat het Mercosurverdrag de druk op de natuur, waaronder in het Amazonegebied, kan vergroten? Zo nee, waarop baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat de extra handelsmogelijkheden leiden tot meer ontbossing?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een handelsverdrag nieuwe of ruimere toegang tot de Europese markt voor rundvlees biedt, terwijl er ernstige vragen bestaan over de controle op productiemethoden en naleving van Europese normen? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat het Mercosurverdrag extra handelsvoordelen oplevert voor een Braziliaanse regering die natuurbeschermingsregels afzwakt of klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt? Welke mogelijkheden heeft de EU om handelsvoordelen op te schorten wanneer Brazilië zijn klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt?
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rond de tijdelijke importstop op rundvlees uit Brazilië2, en welke invloed heeft dit op het handelsdeel en het nog te ratificeren deel van het Mercosurverdrag? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat de invoer pas wordt hervat pas nadat aanvullende controles en waarborgen zijn vastgesteld, die naleving van Europese regels aantoonbaar verzekeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich in te zetten voor herziening, opschorting of beëindiging van de handelsvoordelen uit het Mercosurverdrag voor bijvoorbeeld rundvlees als blijkt dat die voordelen leiden tot extra druk op natuurgebieden, waaronder het Amazonegebied, of tot invoer van producten die niet aantoonbaar voldoen aan Europese productie- en gezondheidsnormen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het rapport van de NAM over bodemdaling door gaswinning onder Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de NAM «Gaswinning Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen»?
Wat vindt u ervan dat het advies aangeeft dat de grenzen van bodemdaling door gaswinning onder Waddenzee dichterbij komen?
Onderschrijft u dat in de komberging Zoutkamperlaag de bodemdaling plus zeespiegelstijging nu al 4,33 mm per jaar bedraagt, bij een grens van 5 mm?
Hebt u er kennis van genomen dat het rapport een gemiddelde hoogwaterstijging bij Lauwersoog van 4,3 mm per jaar over 2007–2025 vermeldt, terwijl in de toets op de gebruiksruimte wordt gerekend met 3,65 mm? Hoe verklaart u dit verschil?
Hoe beoordeelt u dat vijf van de dertien Natura 2000-broedvogelsoorten niet meer in het Lauwersmeer broeden, en dat de gemeten maaivelddaling daar beduidend groter is dan de gemodelleerde bodemdaling?
Hebt u er kenis van genomen dat volgens het rapport de Wulp, Kanoet en Tureluur in het beïnvloedingsgebied harder achteruit gaan dan in de rest van de Nederlandse Waddenzee? Waarom leidt dit niet tot de conclusie dat een effect van gaswinning niet kan worden uitgesloten? Gaat u hier nader onderzoek naar doen?
Valt een hervatting van de productie in de velden Vierhuizen-Oost en Lauwersoog-Oost binnen het bestaande winningsplan? Wordt deze vooraf getoetst aan de huidige, krappe marges?
Klopt het dat de NAM beroep heeft ingesteld tegen het geldende Gebruiksruimtebesluit, omdat zij het zeespiegelstijgingsscenario te conservatief vindt? Wat is de stand van die procedure? Hoe verhoudt het aanvechten van dit scenario zich tot het «hand aan de kraan»-principe, waarop de NAM zichzelf beroept?
Bent u bereid uit te sluiten dat het meegroeivermogen of het zeespiegelscenario wordt versoepeld om meer winning mogelijk te maken?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de NAM zelf beoordeelt of er een relatie is tussen natuurachteruitgang en haar eigen gaswinning? Bent u bereid om te regelen dat deze beoordeling onafhankelijk plaatsvindt?
Het artikel 'Noodfonds Energie opent op 4 januari, 'verborgen energiearmoede niet opgelost' |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Noodfonds Energie opent op 4 januari, «verborgen energiearmoede niet opgelost»»?1
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een groep huishoudens is, naar schatting rond de 124.000 mensen, die hun kachel niet aanzetten uit angst voor hoge energiekosten en toch niet in aanmerking komen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie juist omdat zij te lage kosten hebben?2
Kunt u deze huishoudens met verborgen energiearmoede en onderconsumptie alsnog toegang geven tot een tegemoetkoming uit het Noodfonds Energie?
Zouden energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers kunnen helpen bij het signaleren van deze huishoudens met energiearmoede bij het Noodfonds Energie of deze huishoudens kunnen aanmelden bij het Noodfonds Energie? Aangezien vanuit deze partijen, zeker vanuit energiecoaches, vele praktijksignalen naar boven kunnen worden gehaald?
Welke ideeën heeft u overwogen om mensen die, omdat ze bang zijn voor een te hoge energierekening, toch te compenseren vanuit het Noodfonds Energie? Waarom zijn deze ideeën afgevallen? Hoe wilt u er (in de toekomst voor zorgen) dat deze groep ook op compensatie kan rekenen?
Op welke manier kunnen energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers (die worden genoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 29 september) bijdragen aan het benaderen van mensen die mogelijk al wel recht hebben op compensatie vanuit het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Is het mogelijk dat gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers hun data gebruiken om ook zoveel mogelijk mensen waarbij vermoedelijk onderconsumptie plaatsvindt, benaderen om hen op de hoogte te stellen van het Noodfonds Energie?
Hoe zorgt u ervoor dat deze cyclus van de noodzaak van financiële compensatie in de komende jaren doorbroken wordt? Welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
Ernstige hinder en slaapverstoring in de woonomgeving door windturbines en de totstandkoming van landelijke windturbinenormen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de RIVM/CBS-rapporten van de Onderzoeken Beleving Woonomgeving (OBW) naar hinder en slaapverstoring?1
Kunt u voor de jaren 2019 tot en met 2024 aangeven welk percentage van de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder volgens het Onderzoek Beleving Woonomgeving ernstige geluidhinder respectievelijk ernstige slaapverstoring door windturbines rapporteerde?
Kunt u deze percentages per jaar vertalen naar geschatte aantallen Nederlanders en daarbij de betrouwbaarheidsintervallen, steekproefomvang en eventuele gevolgen van afronding vermelden?
Hoe verklaart u dat de gerapporteerde ernstige slaapverstoring door windturbinegeluid gemiddeld 0,1 procent bedroeg in 2019 tot en met 2022, 0,4 procent in 2023 en 0,3 procent in 2024? Zijn deze verschillen statistisch significant en hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Welke oorzaken van deze verschillen zijn onderzocht en welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken?
Is onderzocht of de ontwikkeling van ernstige hinder en slaapverstoring samenhangt met veranderingen in het aantal windturbines, de tiphoogte, het vermogen, de rotordiameter of de afstand tot woningen? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens een informatiebijeenkomst voor de gemeenteraad van Amersfoort op 15 april 2025 een percentage van 0,0 procent ernstige slaapverstoring door windturbines is gepresenteerd, terwijl het meest recente Onderzoek Beleving Woonomgeving over 2023 uitkwam op 0,4 procent, en hoe verklaart u dit verschil en wat zegt dit volgens u over de wijze waarop actuele RIVM-gegevens over windturbinehinder hun weg vinden naar decentrale overheden?2
Acht u het wenselijk dat gemeenten en provincies besluiten over windturbineprojecten kunnen baseren op cijfers die afwijken van de meest recente RIVM-onderzoeken en, zo nee, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het RIVM en het kabinet om dergelijke situaties te voorkomen?
Welke concrete waarborgen gelden voor de actualiteit en volledigheid van informatie die door of namens het RIVM, GGD’en en door de overheid ondersteunde expertisepunten over windturbines wordt verstrekt?
Welke kennis ontbreekt momenteel nog over de gevolgen van langdurige blootstelling aan windturbinegeluid, laagfrequent geluid en infrageluid voor hinder, slaap en gezondheid en, voor zover dergelijke kennis ontbreekt, acht u de huidige wetenschappelijke basis voldoende om te bepalen welke afstand en welk geluidsniveau nodig zijn om omwonenden voldoende te beschermen?
Welke resultaten moet het lopende RIVM-onderzoek naar de blootstelling-responsrelatie tussen windturbinegeluid, hinder en slaapverstoring opleveren, wanneer worden deze resultaten verwacht en kunnen deze nog worden verwerkt in de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Waarom behoren kinderen jonger dan 16 jaar niet tot de doelpopulatie van het OBW en via welk onderzoek worden hinder en slaapverstoring door windturbinegeluid bij deze groep wel vastgesteld?
Op welke wetenschappelijke gegevens baseert het kabinet zich bij de bescherming van kinderen tegen nachtelijk windturbinegeluid, zolang rechtstreeks onderzoek onder deze leeftijdsgroep ontbreekt?
Welke concrete rol spelen ernstige hinder en slaapverstoring bij de vaststelling van de landelijke normen voor geluid en afstand, welk beschermingsniveau wil het kabinet daarmee voor omwonenden bereiken en hoe wordt daarbij omgegaan met bestaande onzekerheden over mogelijke gezondheidseffecten?
Welke regels gelden voor windprojecten waarover gemeenten en provincies besluiten, voordat de nieuwe landelijke windturbinenormen in werking treden?
Hoe voorkomt u dat in deze tussenperiode projecten worden vergund op basis van lokaal vastgestelde normen die omwonenden minder bescherming bieden dan de toekomstige landelijke normen en welke gevolgen heeft het voor reeds verleende vergunningen, indien de landelijke normen uiteindelijk strenger blijken te zijn?
Mogelijke bemoeienis van de bestuursvoorzitter van Wageningen University & Research met een stikstofsymposium |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van wetenschapsjournalist Arnout Jaspers van 6 oktober 2026 over de annulering van het symposium «Van Habitatrichtlijn naar doelgericht natuurbeheer», dat op 13 oktober bij het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI) in Den Haag zou plaatsvinden?
Klopt het dat dr. ir. Sjoukje Heimovaara, voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen University & Research (WUR), contact heeft opgenomen met het bestuur van KIVI over dit symposium?
Zo ja, wanneer heeft dit contact plaatsgevonden, op wiens initiatief en wat was de precieze aanleiding voor dit contact?
Klopt het dat Heimovaara daarbij haar «bezorgdheid» heeft uitgesproken over het symposium, mede gezien het landelijk debat, en zo ja, waaruit bestond deze bezorgdheid precies?
Heeft de samenstelling van het sprekersprogramma, waaronder de deelname van wetenschappers en onderzoekers met uiteenlopende opvattingen over het Nederlandse stikstof- en natuurbeleid, een rol gespeeld bij deze bezorgdheid? Zo ja, welke sprekers of inhoudelijke standpunten waren voor WUR aanleiding tot zorgen en waarom?
Heeft Heimovaara of een andere vertegenwoordiger van WUR KIVI op enigerlei wijze verzocht, geadviseerd of aangemoedigd om het programma te wijzigen, bepaalde sprekers te weren of het symposium niet door te laten gaan?
Klopt het dat KIVI na het contact met Heimovaara de aankondiging en het programma van het symposium van zijn website heeft verwijderd en het symposium heeft geannuleerd? Zo ja, wat was volgens KIVI de reden voor deze beslissing?
Bestaat er volgens u een causaal verband tussen de interventie vanuit WUR en de beslissing van KIVI om het symposium te annuleren? Bent u bereid dit bij zowel WUR als KIVI na te gaan en de Kamer hierover te informeren?
Acht u het passend dat een bestuurder van een publiek gefinancierde universiteit zich vanuit haar bestuurlijke functie mengt in de programmering van een extern wetenschappelijk symposium vanwege zorgen over deelnemende wetenschappers of de inhoudelijke richting van het debat?
Hoe verhoudt een dergelijke handelwijze zich volgens u tot het beginsel van academische vrijheid, zoals neergelegd in artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek?
Hoe verhoudt een dergelijke handelwijze zich volgens u tot de in mei 2025 door de Nederlandse universiteiten uitgedragen verklaring over academische vrijheid, waarin onder meer wordt benadrukt dat verschillende opvattingen moeten kunnen worden gedeeld en bevraagd en dat het wetenschappelijke debat vrij en mogelijk moet blijven?
Deelt u het uitgangspunt dat juist bij maatschappelijk en politiek omstreden wetenschappelijke onderwerpen, zoals stikstof en natuurbeleid, ruimte moet bestaan voor wetenschappers die gevestigde aannames, modellen en beleidsuitgangspunten kritisch bevragen, mits zij hun standpunten wetenschappelijk kunnen onderbouwen?
Bent u bereid bij WUR een feitelijke reconstructie op te vragen van alle contacten tussen leden van het College van Bestuur of andere functionarissen van WUR enerzijds en KIVI anderzijds over dit symposium, en de Kamer hierover zo volledig mogelijk te informeren?
Welke waarborgen acht u noodzakelijk om te voorkomen dat institutionele of bestuurlijke druk vanuit universiteiten ertoe leidt dat wetenschappelijke bijeenkomsten worden afgelast of onderzoekers vanwege afwijkende wetenschappelijke inzichten van het debat worden uitgesloten?
Zonering rond Natura 2000-gebieden |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bevestigt u dat u in de beantwoording van de Kamervragen expliciet erkent dat zonering niet alleen wordt ingezet voor het verminderen van stikstofdepositie, maar ook om te sturen op mestgebruik, gewasbeschermingsmiddelen, waterkwaliteit, wateronttrekking en de gewenste vorm van landbouw?1
Hoe kan de noodzaak van zonering per gebied volgens u nog worden onderzocht, terwijl het kabinet al heeft gekozen om in principe rondom gehele Natura 2000-gebieden te zoneren en daarbij ook andere doelen dan stikstofreductie nastreeft? Spreekt u zichzelf niet rechtstreeks tegen door te zeggen dat de noodzaak en gebiedsselectie nog openliggen, terwijl de vorm, omvang en bredere doelen van de zonering al zijn bepaald?
Waarom heeft u 121 gebieden op een openbare lijst geplaatst, terwijl u tegelijkertijd stelt dat eerst nog moet worden aangetoond of zonering noodzakelijk is en welke drukfactor daarmee moet worden aangepakt? Is dit zorgvuldig bestuur?
Wat vindt u ervan dat boeren in onzekerheid worden gehouden, terwijl banken, financiers, potentiële kopers en bedrijfsopvolgers nu al rekening kunnen houden met mogelijke zonering? Vindt u het aanvaardbaar dat een voorlopige lijst nu al gevolgen kan hebben voor investeringen, financiering, bedrijfsopvolging en de waarde van agrarische bedrijven?
Wie draagt de schade als bedrijven nu al nadelige gevolgen ondervinden en hun gebied later alsnog van de lijst wordt verwijderd?
Hoe verhoudt deze handelwijze zich volgens u tot het beginsel van een betrouwbare overheid?
Begrijpt u dat boeren weinig vertrouwen hebben in een overheid die eerst hun bedrijf op een kaart zet, daarmee onzekerheid en mogelijke financiële schade veroorzaakt en pas daarna onderzoekt welk probleem daar eigenlijk moet worden opgelost? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer een volledig overzicht verstrekken van alle Natura 2000-gebieden die nu op de voorlopige lijst staan, maar waar geen stikstofgevoelig areaal als overbelast is aangemerkt? Kunt u daarbij per gebied aangeven welk aandeel van het stikstofgevoelige areaal daadwerkelijk overbelast is?
Kunt u per gebied aangeven of de mogelijke zonering uitsluitend wordt overwogen vanwege andere drukfactoren dan stikstof?
Kunt u per gebied aangeven wat het concrete doel is in dat gebied?
Erkent u dat de stroken van 500 tot 1.000 meter rond sommige Natura 2000-gebieden dus feitelijk geen stikstofzones zijn, maar zones waarmee het kabinet ook wil ingrijpen in bemesting, gewasbescherming, watergebruik en de inrichting van agrarische bedrijven? Waarom worden deze vergaande doelen niet duidelijk en afzonderlijk aan boeren en de Kamer gecommuniceerd?
Waarom presenteert het kabinet deze zonering als onderdeel van een stikstofpakket dat de vergunningverlening moet lostrekken, terwijl u nu zelf erkent dat zones ook kunnen worden opgelegd rond gebieden waar geen stikstofoverbelasting bestaat? Welke bijdrage levert zonering vanwege waterkwaliteit, verdroging of gewasbeschermingsmiddelen precies aan het oplossen van de stikstofproblematiek en het hervatten van de vergunningverlening?
Op welke wettelijke grondslag wilt u landbouwbedrijven binnen deze zones beperkingen opleggen wegens drukfactoren die niet met stikstof samenhangen? Welke Europese of nationale verplichting rechtvaardigt een generieke zone van 500 of 1.000 meter wanneer niet per bedrijf is aangetoond dat het aan de betreffende verslechtering bijdraagt?
Waarop baseert u de stellige bewering dat uitsluitend met brede zonering kan worden gedaan wat nodig is om de natuur te herstellen?
Bent u bereid de conceptlijst met gebieden in te trekken, en deze pas definitief voor zonering aan te wijzen nadat openbaar, gebiedsspecifiek en toetsbaar is bewezen dat sprake is van dreigende verslechtering door stikstofoverschreiding, dat landbouw binnen de voorgestelde zone daar aantoonbaar aan bijdraagt en dat een minder ingrijpende maatregel niet volstaat?
Hoe kunt u, als u daartoe niet bereid bent, volhouden dat dit beleid noodzakelijk, proportioneel en zorgvuldig is?
De vloedgolf van PFAS door de groei van de AI-industrie en datacenters |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , de Bat , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er een «vloedgolf van PFAS» aan komt om te voldoen aan de vraag van de AI-industrie, met name voor koelsystemen in datacenters?1
Hoe reflecteert u op de zorg dat de huidige ambities om PFAS-gebruik te verminderen, als recent benoemd door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij Radar, mogelijk onhaalbaar worden als het gebruik van PFAS sterk toeneemt door de groei van datacenters voor AI-toepassingen?
Deelt u de opvatting dat de gezondheid van mensen altijd een van de voornaamste uitgangspunten moet zijn bij beleid? Zo nee, waarom niet en hoe onderbouwt u dat?
Deelt u de zorg dat de groei van datacenters dankzij onder andere de groei van vraag naar AI zal zorgen tot meer PFAS en dus een verslechterende volksgezondheid? Zo ja, waarom is er geen stevigere inzet vanuit het kabinet tegen de verdere uitbreiding van datacentercapaciteit?
Erkent u dat de ontwikkeling van AI flinke maatschappelijke kosten met zich meebrengt, zoals een hoog stroomverbruik, PFAS-gebruik, grondstoffenvraag en risico’s op desinformatie door nepafbeeldingen en -video’s? Ziet u, gezien deze risico’s, nog steeds een overwegend groot maatschappelijk nut in de verdere ontwikkeling van AI? Zo ja, hoe onderbouwt u dat? Hoe gaat u borgen dat gezondheid van mens, dier en milieu voldoende (in lijn met wetenschappelijke adviezen, ook over voorzorg) beschermd wordt? Welke keuzes maakt u als het gaat om verdeling van stroomcapaciteit en grondstoffen?
Hoeveel PFAS wordt er op dit moment in Nederlandse datacenters gebruikt en geloosd (direct en indirect)? Beschikt u over deze cijfers, bijvoorbeeld per type koelsysteem of per datacenter? Als deze data niet beschikbaar is, bent u dan bereid op korte termijn een onderzoek in te stellen hiernaar, en transparantie hierover af te dwingen van datacenterexploitanten en tot die tijd voorzorgsmaatregelen te treffen?
Hoe groot schat u het risico in dat PFAS uit datacenters weglekt naar de leefomgeving, bijvoorbeeld via lucht, bodem of water? Welke maatregelen zijn er nu om dit te voorkomen, en hoe wordt dit gecontroleerd? En hoe zit dit aan het einde van de levensduur?
Welke stappen gaat het kabinet zetten om te voorkomen dat de groei van datacenters leidt tot meer PFAS in de leefomgeving? Wordt hierbij ook gedacht aan strengere regels, vergunningsvoorwaarden, monitoring, en het verplichten van PFAS-vrije koeltechnologieën?
Kunt het rapport met betrekking tot het lozingsverbod voor PFAS zo snel mogelijk delen met de Kamer, aangezien het vorige kabinet al had aangekondigd dat zo'n lozingsverbod een optie is en de Kamer al heel lang wacht op actie? Kunt u concreet aangeven wanneer precies in het najaar van 2026 de Kamer dit rapport zal ontvangen? En bent u bereid hierin ook strenge regels rond het gebruik van PFAS in datacenters en de mogelijkheid tot een lozingsverbod voor datacenters (ook lozingen op het riool) op te nemen?
Deelt het kabinet de wens om zo snel mogelijk toch een PFAS-verbod in Nederland te introduceren, gezien de enorme schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid, het milieu en water door groeiende vraag naar PFAS-houdende producten en activiteiten?
Deelt u de opvatting dat zogenaamde «milieuvriendelijke» koelingsmethoden op basis van PFAS helemaal niet milieuvriendelijk zijn, en dus niet als zodanig aangemerkt mogen worden? Kunt u garanderen dat koelingsmethoden op basis van PFAS in Nederland niet als «milieuvriendelijke» maatregel wordt ingezet bij datacenters, en hoe gaat u deze greenwashing tegen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken’ |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , de Bat , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken»?1
Weet u hoeveel stroom en water onze datacentra opslokken?
Zo ja, kunt u deze gegevens publiceren en duidelijk maken welke datacentra het meest verbruiken?
Wat is uw reactie op het artikel en het onderzoek van Lighthouse Reports?
Deelt u de mening dat het publieke belang van transparantie over het stroomverbruik, zwaarder weegt dan het zogenaamd bewaken van bedrijfsgeheimen?
Wat is uw visie op enerzijds het digitaal autonoom maken van Nederland en Europa, en anderzijds de groeiende vraag om stroom en water voor datacentra?
Klopt het dat deze bedrijven hun milieudata zoals stroom en waterverbruik moeten publiceren?
Hoeveel verbruiken de overheidsdatacentra? Kunt u hier actuele gegevens over delen?
Hoe zorgt u ervoor dat het stroomverbruik van datacentra niet ten koste gaat van het verbruik door huishoudens en ander maatschappelijk belangrijk gebruik?
Bent u bereid in de onderhandelingen over het Europese Tech Sovereignty Package te pleiten voor duurzaamheids- en transparantieverplichtingen voor datacentra?
Welke plannen heeft u om overheidsdatacentra te verduurzamen?
Kunt u de aanname van netbeheerder Tennet, dat per 2030 ongeveer 10 tot 15 procent van de Nederlandse stroom naar datacentra gaat, onderbouwen? Hoe wordt de Energy Efficiency Directive (EED) Europees of in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf dat weigert om aan de EED-richtlijnen te voldoen?
Kunt u laten weten welke bedrijven zich momenteel niet aan deze eisen houden?
Hoe en door wie worden andere milieuregels voor datacentra gehandhaafd?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat Digitale autonomie van 19 november 2026 beantwoorden?
De opbrengsten en publieke kosten van windenergie op zee |
|
Mona Keijzer |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Bent u bekend met het wetenschappelijk memo van TU Delft van 19 december 2025, waarin staat dat de opbrengst van grootschalige windparken sterk afhangt van de gekozen aannames?1
Welke aannames over de jaarlijkse elektriciteitsproductie zijn gehanteerd bij de besluitvorming over publieke investeringen in wind op zee en hoe gevoelig zijn deze berekeningen voor lagere opbrengsten?
Herinnert u zich uw reactie van 20 januari 2026 waarin schrijft u dat de lagere opbrengst uit het onderzoek van Ferreira c.s. te conservatief is (Kamerstuk 33 561, nr. 100)? Van welke jaarlijkse elektriciteitsproductie gaat u nu uit en is deze aanname ook gebruikt bij de berekening van de benodigde publieke middelen?
Kunt u voor ieder operationeel Nederlands windpark op zee aangeven hoeveel elektriciteit bij de aanleg jaarlijks werd verwacht, hoeveel in 2024 en 2025 daadwerkelijk is geproduceerd en hoeveel publieke middelen met de aanleg en aansluiting van het park waren gemoeid?
Welke gevolgen hebben deze praktijkcijfers voor de beoordeling van de doelmatigheid van de publieke uitgaven aan de nog te bouwen windparken?
Hoeveel publiek geld is tot nu toe uitgegeven, toegezegd of gereserveerd voor de aanleg en aansluiting van windparken op zee?
Hoeveel publiek geld verwacht u de komende jaren nog nodig te hebben voor de geplande uitbreiding van wind op zee en hoe bent u voornemens dit te financieren?
Kunt u uitsplitsen welk deel van de publieke kosten voor wind op zee bestaat uit subsidies, welk deel uit netaansluitingen, welk deel uit netverzwaring en welk deel uit overige investeringen?
Welke gevolgen heeft een lagere elektriciteitsproductie dan waarmee nu wordt gerekend voor de benodigde publieke ondersteuning en voor de kosten per geproduceerde MWh?
Welke criteria gebruikt u om te beoordelen of de publieke uitgaven aan wind op zee doelmatig zijn en worden daarbij de totale publieke kosten afgezet tegen de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid elektriciteit?
Bent u bereid voor nieuwe grote financiële verplichtingen voor wind op zee onafhankelijk te laten toetsen wat bestaande windparken daadwerkelijk hebben opgeleverd, wat de totale publieke kosten daarvan waren en welke lessen daaruit moeten worden getrokken voor nieuwe investeringen?
Heeft het kabinet een maximumnorm voor de publieke kosten per daadwerkelijk geproduceerde MWh elektriciteit uit wind op zee? Zo ja, welke?
Vanaf welk niveau van tegenvallende elektriciteitsproductie zou het kabinet eerdere investeringsbeslissingen achteraf als ondoelmatig beoordelen?
Kunt u deze vragen allemaal afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Verschillen in nitraatmetingen tussen Europese lidstaten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording van de vragen over mestbeleid van april 2024 (Kamerstuk 2024D15537), waarin is aangegeven dat de meetnetten van verschillende lidstaten niet één-op-één vergelijkbare resultaten opleveren?
Kunt u uiteenzetten welke verschillen er bestaan tussen de nitraatmetingen in Nederland en die in nabij gelegen landen, zoals Duitsland, België en Denemarken? Kunt u daarbij aangegeven op welke diepte wordt gemeten, hoe meetlocaties worden gekozen en wat de meetfrequentie is?
In hoeverre komen deze verschillen in meetmethoden voort uit nationale politieke keuzes?
Aan welke concrete eisen moeten meetnetten voldoen om volgens de Nitraatrichtlijn een representatief beeld te geven? Wie beoordeelt of de meetnetten van de verschillende lidstaten aan deze eisen voldoen?
Kunt u uitleggen hoe de Europese Commissie (EC) rekening houdt met deze verschillen bij de beoordeling van waterkwaliteit en mestbeleid van lidstaten?
Is onderzocht in welke mate de keuze voor een meetmethode invloed heeft op het aantal gerapporteerde overschrijdingen van de nitraatnorm? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Deelt u de opvatting dat verschillen in meetmethoden op zichzelf geen reden mogen zijn om Nederlandse boeren strengere maatregelen op te leggen dan boeren elders in Europa? Hoe wordt bij de onderbouwing van het Nederlandse mestbeleid gewaarborgd dat dit niet gebeurt?
Kunt u uiteenzetten welke ruimte Nederland heeft om de meetmethoden beter te laten aansluiten bij die van andere lidstaten? Welke mogelijkheden worden nog niet benut en waarom niet?
Kunt u uitleggen wat sinds de beantwoording van april 2024 is gedaan om de vergelijkbaarheid van nitraatmetingen tussen lidstaten te verbeteren? Bent u bereid hierover met de EC en de betrokken lidstaten afspraken te maken en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Mestbeleid?
De resultaten van de IPCEI Waterstof-subsidies uit 2022 en de gevolgen voor nieuwe waterstofsubsidies |
|
Mona Keijzer |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht dat de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie op 2 december 2022 aan de Kamer schreef dat Nederland in de tweede golf van de Important Projects of Common European Interest (IPCEI) Waterstof in totaal 783,5 miljoen euro verdeelt over grootschalige projecten voor de productie van waterstof met elektriciteit?
Hoeveel projecten hebben subsidie gekregen, en staan die allemaal in de openbare projectendatabase van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)? Zo nee, welke ontbreken en waarom?
Kunt u voor elk van deze IPCEI-projecten aangeven hoeveel capaciteit er was voorzien, hoeveel er is gebouwd, wanneer de productie oorspronkelijk zou starten, wanneer dat nu wordt verwacht en hoeveel waterstof er tot nu toe is geproduceerd?
Kunt u voor elk van deze IPCEI-projecten aangeven welk bedrag aan subsidie is verleend, hoeveel daarvan is bevoorschot, of de subsidie al is vastgesteld en zo ja tot welk bedrag, hoeveel is ingetrokken of teruggevorderd, en welk bedrag nog als openstaande verplichting op de begroting staat?
Wat was de CO2-reductie die bij de subsidieverlening per IPCEI-project werd verwacht, hoeveel is daarvan tot nu toe gerealiseerd, en wat zijn daarmee de subsidiekosten per vermeden ton CO2?
Op 15 februari 2022 schreef de toenmalige Minister dat «projecten met duurzame waterstoftechnologie nog niet commercieel haalbaar» waren;1 van welke specifieke aannames werd bij de IPCEI-subsidieronde uitgegaan en hoe verhouden deze zich tot de huidige werkelijkheid? Kunt u de berekeningen die destijds zijn gebruikt aan de Kamer sturen?
Wordt de IPCEI-subsidieronde uit 2022 onafhankelijk geëvalueerd, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer, en zo ja, wanneer ontvangt de Kamer die evaluatie? Zo nee, bent u bereid daartoe opdracht te geven?
Naast IPCEI Waterstof is geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse (OWE) en volgens de brief van 14 juli 2025 was daarvoor toen nog 2,1 miljard euro beschikbaar;2 kunt u een overzicht geven van alle middelen die sinds 2022 zijn vrijgemaakt voor de productie van waterstof met elektriciteit, met per regeling en per jaar het gereserveerde, het verleende en het uitbetaalde bedrag, en aangeven wat er met dit budget van 2,1 miljard euro is gebeurd?
Welke voorwaarden gelden in de volgende OWE-ronde voor het tijdig bouwen van de gesubsidieerde installaties, en wat gebeurt er met de subsidie als een project niet wordt gebouwd?
Bent u bereid de Kamer, voordat een nieuwe OWE-ronde wordt opengesteld, te informeren over de resultaten van de eerdere IPCEI- en OWE-rondes, uitgedrukt in gebouwde capaciteit, geproduceerde waterstof en uitbetaalde subsidie?
In de begroting voor 2027 stelt u dat bedrijven «alleen met een directe subsidie» voldoende zekerheid hebben om te investeren in elektrolyse;3 hoeveel subsidie is naar verwachting nog nodig, en tot welk jaar, voordat de productie van waterstof met elektriciteit in Nederland zonder subsidie commercieel haalbaar is?
Kunt u deze vragen allemaal afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Trump overweegt exportverbod diesel, 'zou heel Europa veel last van hebben'’ |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsartikel «Trump overweegt exportverbod diesel, «zou heel Europa veel last van hebben»»?1
Heeft u aanleiding om te denken dat er op korte termijn mogelijk een exportverbod op Amerikaans geproduceerde diesel kan worden ingevoerd?
Kunt u inzicht geven over hoeveel diesel Nederland en de Europese Unie momenteel uit de Verenigde Staten importeren en welk percentage van het Nederlandse en Europese dieselverbruik daarmee wordt gedekt?
Hoe heeft de import afhankelijkheid van olie en olieproducten vanuit de Verenigde Staten zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat zijn de oorzaken van deze ontwikkeling?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor de beschikbaarheid en prijs van diesel in Nederland?
Zijn er voldoende alternatieve leveranciers die op korte termijn in staat zijn het volume op te vangen, en zo ja welke?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor Nederlandse huishoudens?
Welke gevolgen zou het hebben voor de Nederlandse raffinaderijen; hebben zij nog ruimte om een deel van de wegvallende productie op te vangen?
Wordt er met lidstaten van het Internationaal Energieagentschap overleg gevoerd over onder welke omstandigheden er opnieuw strategische dieselvoorraden zouden worden vrijgegeven en hoe deze ook weer worden aangevuld en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Wordt er in de Europese Unie een reactie voorbereidt op een Amerikaans exportverbod en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Hoe beoordeelt u het strategische belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland en Europa voor de voorzieningszekerheid, mede in het licht van de huidige krapte en een eventueel exportverbod?
Deelt u de constatering van de Secretaris-Generaal van de NAVO dat speciaal voor de operationele capaciteiten van onze strijdkrachten voldoende raffinagecapaciteit cruciaal is?
Wanneer verwacht u de visie op raffinage met de Tweede Kamer te delen en hoe betrekt het kabinet de behoefte van de Nederlandse krijgsmacht en onze NAVO-verplichtingen?
Het nieuws dat gegevens over het energie-en watergebruik van datacenters ontbreken |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Trouw Toenemend verzet werkt irritatie bij datacentra: «Het zijn cave people»1 en Van driekwart van datacentra is volstrekt onduidelijk over water- en stroomgebruik2?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van slechts 104 datacenters gegevens heeft over de milieubelasting, terwijl er in ieder geval 186 commerciële datacentra gevestigd zijn in Nederland met een vermogen van meer dan 500 kilowatt?
Hoe wordt gehandhaafd dat datacenters gegevens over hun elektriciteit- en waterverbruik rapporteren? Welke maatregelen kan het Rijk of het RVO nemen als datacenters deze gegevens niet of onvolledig aanleveren?
Worden gegevens over de milieubelasting van datacentra, zoals het energie- en watergebruik, aangemerkt als bedrijfsgevoelige informatie?
Bent u het ermee eens dat het publieke belang van transparantie over de milieubelasting van datacenters zwaarder weegt dan het bedrijfsgeheim? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat uit het toenemende lokale verzet tegen de vestiging van datacenters blijkt dat het gaat om een publiek belang?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde in 2024 dat het elektriciteitsgebruik van datacenters was gegroeid naar 4,6% van het landelijk elektriciteitsverbruik. Wat was het aandeel van datacenters in het Nederlandse elektriciteitsverbruik in 2025?
Is het kabinet bereid zich binnen de Europese Unie in te zetten voor meer transparantie over de milieubelasting van datacenters, bijvoorbeeld door rapportage en openbaarmaking van belangrijke gegevens te verplichten en hierop hand te haven?
Bent u het eens met de Europese Commissie dat de datacentrumcapaciteit in de Europese Unie in de komende vijf tot zeven jaar zou moet verdrievoudigen? Vindt u dat dit ook geldt voor de Nederlandse datacentrumcapaciteit?
De vestiging van de Amerikaanse medicijnfabriek Eli Lilly in Katwijk |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram , Herbert , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Katwijk kan haast geen nee zeggen tegen komst van enorme pillenfabriek» in Trouw?1
Klopt het dat er vanuit de Rijksoverheid en door Ministers druk is uitgeoefend op gemeente Katwijk en wethouders om te zorgen dat de pillenfabriek in Katwijk wordt toegelaten? Hebben Ministers hierover gebeld met Katwijkse bestuurders zoals in de krant staat? Zo ja, wat hebben de Ministers aan de gemeente Katwijk gevraagd? Zo nee, hoe is dit wel gegaan?
Waarom is in de bestuurlijke afspraken als voorwaarde opgenomen dat Eli Lilly zich daadwerkelijk in Katwijk vestigt? Welke overwegingen zijn daarbij gemaakt en wie is daarbij betrokken geweest? Op welke wijze is rekening gehouden met belangen van omwonenden, gezondheid, natuur en milieu? Kunt u per rijksbijdrage en per overige afspraak uiteenzetten welke gevolgen het heeft als Eli Lilly zich niet in Katwijk vestigt, waaronder welke bijdragen en afspraken in dat geval vervallen, worden gewijzigd of onverkort van kracht blijven?
Waarom zijn rijksmiddelen voor bereikbaarheid en afspraken over woningbouw gekoppeld aan de vestiging van één individueel bedrijf, terwijl de bestuurlijke afspraken zelf ook spreken over autonome verkeersgroei en over de reeds bestaande woningbouwopgaven in Valkenhorst en Zijlhoek-De Woerd?
Kunt u zich voorstellen dat dit als een vorm van chantage wordt gezien door inwoners van Katwijk? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens het overleg met de gemeente Katwijk de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de Rijksoverheid of de provincie Zuid-Holland bevoegdheden zou inzetten indien de gemeente niet zou meewerken aan de vestiging van Eli Lilly? Zo ja, wanneer is dit besproken, door welke vertegenwoordigers van het Rijk en op welke wettelijke bevoegdheden werd daarbij gedoeld?
Kunt u in het kader van artikel 68 van de Grondwet een overzicht geven van de contacten die bewindspersonen, secretarissen-generaal, directeuren-generaal en andere vertegenwoordigers van het Rijk in maart en april 2025 met het gemeentebestuur van Katwijk hebben gehad over de mogelijke vestiging van Eli Lilly, inclusief datum, deelnemers en onderwerp van het contact? Bent u bereid de bijbehorende verslagen, e-mails en andere bestuurlijke stukken aan de Kamer te verstrekken?
Op welke informatie baseerde u aanvankelijk de verwachting dat de vestiging van Eli Lilly een belangrijke onderzoeks- en ontwikkelingscomponent zou bevatten? Wanneer werd u ervan op de hoogte dat informatie van Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) volgens het college van burgemeester en Wethouders van Katwijk juist leek te wijzen op «veel productie en weinig Research & Development», en heeft dit geleid tot een herbeoordeling van de meerwaarde van de vestiging voor het Leiden Bio Science Park?
Klopt het dat onder de Omgevingswet afzonderlijk toestemming kan worden verleend voor het realiseren van een industrieel gebouw, terwijl nog geen definitief besluit is genomen over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteiten waarvoor dat gebouw is bedoeld? Zo ja, acht u het wenselijk dat hierdoor een megafabriek reeds grotendeels of geheel kan worden gebouwd voordat vaststaat dat het beoogde productieproces milieurechtelijk kan worden toegestaan? Welke mogelijkheden heeft u om de bouw op te schorten tot een besluit is genomen over de milieuvergunning, in het licht van de zorgen van de inwoners van Katwijk?
Deelt u de zorgen van omwonenden over het grote waterverbruik van de beoogde fabriek van Eli Lilly, mede gezien de bestaande druk op de drinkwatervoorziening in de regio? Kunt u schetsen hoeveel water de megafabriek gaat verbruiken en hoeveel huishoudens met die hoeveelheid zouden kunnen worden voorzien?
Hoe wordt geborgd dat het watergebruik van de fabriek niet ten koste gaat van de drinkwatervoorziening voor inwoners, natuur, woningbouw en andere maatschappelijke functies, en dat lozingen van proces- en afvalwater geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit?
Hoe beoordeelt u de zorgen van omwonenden over de mogelijke gevolgen van luchtverontreiniging, chemische emissies, geluid, geur en andere milieubelasting van de megafabriek voor hun gezondheid en leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige bewoners van Valkenhorst? Bent u bereid te bevorderen dat vóór ingebruikname een onafhankelijke nulmeting wordt uitgevoerd?
Begrijpt u de zorgen van omwonenden over de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden brandbare en andere gevaarlijke stoffen op een locatie nabij bestaande en toekomstige woongebieden en recreatievoorzieningen? Hoe wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele bedrijfsduur onafhankelijk wordt gecontroleerd op de hoeveelheden gevaarlijke stoffen, de Seveso-drempelwaarden en de naleving van veiligheidsvoorschriften, en dat omwonenden vooraf duidelijk weten wat zij bij een calamiteit moeten doen?
Bent u bereid om te overleggen met gemeente Katwijk en haar inwoners om te kijken of de komst van de megafabriek alsnog moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden, gezien het besluitvormingsproces?
De spiegelei-gebiedsgerichte aanpak |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overijssel eist maatwerk: «Maak van stikstofzone geen pannenkoek, maar een spiegelei»»1 waarin wordt gesteld dat maatwerk in zones rond Natura 2000-gebieden beter aansluit bij wat nodig is dan algemene maatregelen?
Kunt u bevestigen dat provincies binnen de zonegerichte aanpak per Natura 2000-gebied invulling kunnen geven aan het additionaliteitsvereiste en dat daarbij wordt gekeken naar de drukfactoren die in dat specifieke gebied relevant zijn en naar maatregelen die effectief en proportioneel zijn?
Deelt u de opvatting dat de staat van instandhouding, de natuurdoelanalyse en de gebiedsanalyse inzicht moeten geven in welke drukfactoren het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in een gebied belemmeren en dat het dan doelgerichter kan zijn om maatregelen te nemen die rechtstreeks op die drukfactoren aangrijpen dan te werken met een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Kunt u bevestigen dat de zonegerichte aanpak daarom ruimte moet bieden voor gebied specifiek maatwerk en dat wanneer gerichte maatregelen op de relevante drukfactoren aantoonbaar additioneel, effectief en proportioneel bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen deze in de plaats kunnen komen van onderdelen van een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Hoe kijkt u aan tegen de spiegelei-benadering die in het artikel wordt voorgesteld? Kunt u bevestigen dat deze methodiek van het gericht kijken naar wat nodig is, zoals het rekening houden met dominante windrichting, perceelsgrenzen, et cetera, effectiever is dan het trekken van een grens met een passer rond een gebied van bijvoorbeeld 500 meter?
Hoe kijkt u aan tegen wat in het artikel wordt geschetst over dat maatregelen een goede uitleg verdienen, waarbij in de combinatie van maatregelen ook een goede boterham verdiend moet kunnen blijven worden? Deelt u de mening dat economisch perspectief cruciaal is voor het doen slagen van de gezoneerde aanpak?
De bijdrage van boomsingels aan reductie van de stikstofdepositie |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat boomsingels om veehouderijbedrijven en in bufferzones om stikstofgevoelige natuur een effectieve rol kunnen spelen bij het wegvangen van stikstofuitstoot en het verlagen van depositiebijdragen op nabijgelegen natuurgebieden1?
Deelt u de mening dat de aanplant van boomsingels naast andere maatregelen een relevante bijdrage kan leveren aan het verminderen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats (bij stallen mogelijk meer dan 15 procent reductie)?
Is de veronderstelling juist dat boomsingels nu geen rol spelen bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele stallen?
In hoeverre wordt bij berekeningen van de regionale ammoniakuitstoot, -verspreiding en depositie rekening gehouden met de genoemde rol van boomsingels bij veehouderijbedrijven?
In hoeverre is opvolging gegeven aan het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een impactanalyse uit te voeren naar de bijdrage van landschapselementen, als windsingels, aan de reductie van concentraties en deposities2? Zo niet, wordt dit alsnog opgepakt?
Is de constatering juist dat in Duitsland bedrijven ruimte hebben om middels fijnmazigere verspreidingsberekeningen ten opzichte van het standaardmodel te laten zien dat ze minder depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden? Zo ja, ziet u mogelijkheden hiertoe voor Nederlandse bedrijven?
Heeft u kennisgenomen van de Britse tool voor het berekenen van de ammoniakreductie door boomsingels?
Ziet u mogelijkheden om ervoor te zorgen dat bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele bedrijven rekening gehouden kan worden met de aanwezigheid van een goed ontwikkelde boomsingel, bijvoorbeeld door gebruik van een tool vergelijkbaar met de hiervoor genoemde Britse tool?
Hebben provincies ruimte om de aanwezigheid van genoemde boomsingels te verdisconteren in hun emissie- en depositieberekeningen? Zo ja, hoe?
Op welke wijze wordt de aanleg van boomsingels om veehouderijbedrijven gestimuleerd, gelet op de bijdrage aan de reductie van de stikstofuitstoot en andere milieu en natuurvoordelen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de bijdrage van boomsingels aan het verminderen van de stikstofproblematiek op enigerlei wijze erkend gaat worden, zodat het loont om deze aan te planten, te versterken en te behouden?
Het gebrek aan gegevens over het energie- en watergebruik van datacenters |
|
André Flach (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat van veel datacenters in Nederland geen informatie beschikbaar is over het energie- en watergebruik1?
Hoe waardeert u de gebrekkige beschikbaarheid van genoemde gegevens, gelet op de geldende verplichtingen op basis van de Energie-Efficiëntierichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan via onder meer de Omgevingsregeling en op de netcongestie- en milieuproblematiek?
Is de constatering juist dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) slechts van 104 datacenters gegevens heeft ontvangen, terwijl in Nederland meer dan 180 datacenters aanwezig zijn die verplicht zijn om onder meer gegevens over energie- en watergebruik te verstrekken? Zo ja, kunt u hier een verklaring voor geven?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat alle meldingsplichtige datacenter hun gegevens met betrekking tot energie- en watergebruik gaan verstrekken?
Kunt u aangeven welk deel van de datacenters die genoemde gegevens verstrekt hebben de betreffende gegevens als bedrijfsvertrouwelijk heeft aangemerkt?
Is de veronderstelling juist dat bij milieu-informatie de overheid de afweging kan maken om het publieke belang van transparantie zwaarder te laten wegen dan het belang van de individuele bedrijven?
Hoe weegt u in het geval van datacenters, mede gelet op de grote impact van hun energie- en watergebruik op het energiesysteem en het lokale watersysteem, het publieke belang van transparantie ten opzichte van het belang van de individuele bedrijven?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer transparantie komt inzake het energie- en watergebruik van individuele datacenter?
Het rapport 'Mind the gap' van WISE Nederland over de kosten van eindberging van radioactief afval |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport Mind The Gap van de World Information Service on Energy (WISE) Nederland?1
Wat kost volgens het kabinet de eindberging van het hoogradioactieve afval van vier nieuwe kerncentrales en/of additionele SMR’s? Als dat onbekend is, acht u het dan verantwoord onomkeerbare bouwbesluiten te nemen zonder deze kosten te kennen?
Klopt het dat COVRA’s verwachte uitgaven voor de eindberging tussen de jaarrapporten 2023 en 2024 zijn gestegen van 2,31 miljard euro naar 10,9 miljard euro? Heeft deze bijna-vervijfvoudiging gevolgen gehad voor de tarieven en contractprijzen van afvalproducenten?
Klopt het dat de prijzen in de langlopende afvalcontracten tussen COVRA en de exploitanten van Borssele en Petten vele jaren vastliggen, geen risico-opslag kennen en niet openbaar zijn? Bent u bereid ten minste de prijs- en risicobepalingen openbaar te maken, zodat de Kamer kan controleren of «de vervuiler betaalt» wordt nageleefd?
Klopt het dat de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) in 2020 na inspectie vaststelde dat ziekenhuizen feitelijk financiële risico’s droegen die bij de exploitanten van Borssele en Petten thuishoren, dit strijdig achtte met het Nationaal Programma, een dwangsom voorbereidde maar weer introk, en de Staatssecretaris wees op het ontbreken van een regelgevend kader voor de financiering van de eindberging? Welke opvolging kreeg dit, naast de beleidsregel van 2024 die alleen de tariefstelling betreft?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de jaarlijkse toevoegingen aan de eindbergingsreserve moeten stijgen van circa 2,5–4,5 miljoen euro nu naar 35–70 miljoen euro om de eindbergingsrekening van het voorgenomen beleid in 2130 te dekken? Welk mechanisme in het huidige stelsel zou die stijging moeten realiseren?
Bent u bereid, naar Fins en Zweeds voorbeeld, een bergingsheffing per kilowattuur kernstroom in te voeren, zodat de stroom die het afval veroorzaakt ook de eindberging betaalt? Zo nee, hoe geeft u dan invulling aan «de vervuiler betaalt»?
Bent u bereid, naar Zweeds voorbeeld, de eindbergingskostenraming periodiek onafhankelijk te laten toetsen, met de bevoegdheid de bijdragen van afvalproducenten daarop aan te passen? En bent u bereid financiële zekerheden van exploitanten te verlangen voor het geval een producent omvalt voordat zijn afval is betaald, een risico dat zich bij de ontmanteling van Dodewaard al heeft voorgedaan?
Klopt het dat Nederland medeoprichter is van de European Repository Development Organisation (ERDO), dat COVRA het secretariaat voert en dat het Nederlandse beleid tweesporig is (nationale óf multinationale eindberging)? Deelt u de analyse dat grootschalige nieuwbouw het multinationale spoor feitelijk afsluit, waardoor een besparingsmogelijkheid van miljarden euro’s op het bestaande afval verloren gaat? Is dit in de besluitvorming meegewogen?
Bent u bereid de Kamer vóór enig onomkeerbaar besluit over nieuwbouw een integraal overzicht van de afvalkosten te sturen met per scenario de volledige verwachte kosten van opslag, eindberging en eventuele opwerking, inclusief de dekking daarvan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het eerstvolgende commissiedebat over kernenergie beantwoorden?
De uitwerking van de Europese regels ten aanzien van verpakkingen (PPWR) en de uitwerking op micro-ondernemers |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt u ervoor dat de uitvoering van de PPWR (Packaging and Packaging Waste Regulation) ook voor micro- en kleine ondernemingen werkbaar is, zodat zij kunnen profiteren van de Europese interne markt?
Welke mogelijkheden ziet u om de administratieve uitvoering van verplichtingen op grond van de Extended Producer Responsibility (EPR) voor kleine ondernemers te vereenvoudigen, zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van producenten en positieve impact op circulariteit?
Hoe kijkt u naar het voorstel van de Europese Commissie om de verplichting tot een Authorised Representative bij grensoverschrijdende verkoop tijdelijk op te schorten en wat zou er volgens u na deze tijdelijke maatregel moeten gebeuren?
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor één Europees registratiemechanisme voor EPR-verplichtingen, vergelijkbaar met de btw-One-Stop-Shop?
Bent u bereid te pleiten voor verdere harmonisatie van registratie-, rapportage- en gegevensvereisten, zodat ondernemers niet per lidstaat met verschillende systemen worden geconfronteerd?
Hoe kan harmonisatie volgens u juist bijdragen aan méér ambitie op het gebied van circulariteit en producentenverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door naleving eenvoudiger te maken?
Bent u in gesprek met Nederlandse micro- en kleine ondernemers over de verdere uitwerking van de PPWR, zodat de regels ook voor deze groep werkbaar zijn en tegelijkertijd positieve impact hebben?
Het artikel 'Kernafvalrekening van kabinetsplannen loopt mogelijk op tot €31 miljard' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de eindberging van het hoogradioactieve afval € 16 tot 31 miljard kan gaat kosten, waarvan € 12 tot 23 miljard bovenop de tot nu toe beoogde bedragen? Zo nee, wat gaat het dan wel kosten?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de eindberging van kernafval hoogstwaarschijnlijk meer gaat kosten dan het gehele bouwbudget van de nieuw te bouwen kerncentrales?
Vindt u het verantwoordelijk bestuur dat het totale kostenplaatje van de bouw van kerncentrales niet in volle transparantie met de Kamer en de kiezers wordt gedeeld?
Is de Kamer, naar uw mening, fatsoenlijk geïnformeerd over de volledige kosten van de bouw van kerncentrales?
Waarom zijn de besluiten over de bouw van nieuwe kerncentrales en de eindberging van het afval van elkaar gescheiden?
Hoe verklaart u dat de kostenraming van COVRA in een jaar tijd bijna vervijfvoudigde? Bent u bereid het kostenramingsmodel aan te passen? Wordt deze al aangepast?
Bent u van mening dat de Kamer moet vertrouwen op de huidige ramingen gezien de discrepanties die worden besproken in dit artikel?
Kunt u bevestigen dat de bijdragen van producenten van radioactief materiaal aan het eindbergingsfonds van COVRA zijn vastgelegd in langlopende afspraken waarvan de bedragen niet openbaar zijn? Bent u bereid deze bedragen alsnog openbaar te maken?
Waarom zit er geen risico-opslag op het fonds voor eindberging van radioactief materiaal? Bent u bereid deze alsnog in te stellen?
Bent u bereid, conform aanbeveling 1 uit het WISE rapport, een volledige opbergkostenrekening te publiceren voordat er onomkeerbare besluiten worden genomen over nieuwe kerncentrales? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 2, een bergingsheffing op nucleaire elektriciteit van 0,35 tot 0,7 cent per kilowattuur in te voeren, zoals Finland en Zweden die kennen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 3, een einde te maken aan de vertrouwelijkheid van de kernafvalcontracten tussen COVRA en de exploitanten van Borssele en Petten, en deze ten minste wat betreft prijs en risicoverdeling openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 4, een onafhankelijke periodieke kostentoets in te richten naar Zweeds model, met de bevoegdheid om de bijdragen van producenten aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 5, financiële zekerheden te garanderen van nucleaire exploitanten voor het geval een exploitant omvalt voordat zijn afval betaald is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 6, een volledige kostenbasis te laten opstellen voor de berging van laag- en middelradioactief afval, NORM-afval en de bovengrondse opslag, zodat ook deze ontbrekende helft van de rekening in beeld komt? Zo nee, waarom niet?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie-Beckerman c.s. (Kamerstuk 32 645, nr. 149), die de regering verzoekt de Groninger zoutkoepels Pieterburen, Onstwedde en Bourtange definitief te schrappen van de lijst van mogelijke opslagplaatsen voor kernafval?
Is het bij u al bekend op wat voor manier kernafval uit de te bouwen kerncentrales en bestaande kerncentrales langdurig wordt opgeslagen? Zo nee, hoe is het mogelijk om een reële raming te maken van de kosten?
Vindt u het verantwoord dat er kerncentrales gebouwd gaan worden zonder een plan te hebben voor de eindberging van kernafval en zonder een volledig overzicht te hebben van de kosten hiervan?