Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Dit is niet de bedoeling geweest van de regels voor bufferstroken. Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan afvoer van water, waterkwaliteit en ecologie.Wie een sloot wil dempen, heeft hiervoor veelal toestemming nodig. Dit kan van het waterschap zijn, maar ook van de gemeente. Zowel waterschappen als gemeenten hebben hiervoor regels.
In algemene zin is het zo dat voor grotere watergangen altijd een vergunning van het waterschap nodig voor het dempen. Voor kleinere sloten kan het soms volstaan om een melding te maken en gelden algemene regels voor dempingen van het waterschap. Het is dan ook van belang dat agrariërs altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap of toestemming nodig is voor het dempen van een specifieke sloot, omdat een demping een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft en over het algemeen de voorwaarde geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven.
De individuele waterschappen verstrekken veel informatie over de betreffende regelgeving op hun websites. Gemeenten kunnen ook een taak hebben bij de toetsing of dempingen kunnen worden toegestaan in het kader van omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen). Bij gemeenten staat in dat geval de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen het belang van ruimtelijke ordening) voorop. Via het Omgevingsloket kan worden bekeken of een vergunning in een specifiek geval nodig is.
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
Sloten vormen verbindingen in het landschap en dragen bij aan leefgebieden voor soorten zoals vogels, amfibieën en bestuivers. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Het Rijk en regionale partijen zetten daarom in op het aanleggen, beheren, herstellen en behouden van blauwe landschapselementen, zoals opgenomen in het Aanvalsplan Landschap.
Sloten vervullen ook een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen piekbuien. Zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen kunnen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Tegelijkertijd hebben sloten een drainerende werking, wat ook negatieve effecten kan hebben. Na de Tweede Wereldoorlog zijn met name op de hoge zandgronden veel extra sloten gegraven om water snel af te voeren en om van nature drassige gronden geschikt te maken voor landbouw. Dat heeft geleid tot structurele daling van de grondwaterstanden en verdroging van natuurgebieden. Het verminderen van de ontwatering door het ondieper maken of dempen van sloten kan dus ook een goede manier om de sponswerking van de bodem te verbeteren, de grondwaterstand te verhogen en om te zorgen voor hydrologisch herstel van natuurgebieden. Het hangt dus af van de specifieke locatie of het dempen van sloten problematisch is in een gebied of niet.
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
In sloten spelen zich processen af, waarbij stikstof en nitraten onder meer worden opgenomen door waterplanten. Dat betekent dat zij, tot op zekere hoogte, als filter kunnen fungeren en de druk op de waterkwaliteit in natuurgebieden kunnen beperken. Natuurlijke oevers hebben een filterende werking en bufferen water. De blauwe dooradering kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Aan de andere kan het beperken van de ontwatering door het verondiepen of dempen van sloten ook bijdragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden.
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Daarnaast volgt de Monitor Landschap2 sinds 2019 de veranderingen in het Nederlandse landschap. Elke twee jaar wordt de staat en ontwikkeling van het landschap in beeld gebracht.
De Monitor Landschap geeft overheden, onderzoekers, ontwerpers en beleidsmakers objectief inzicht in hoe het landschap verandert, door de tijd heen en op verschillende schaalniveaus. Deze informatie is ook gebruikt bij het schrijven van het Volkskrantartikel. De Monitor Landschap is gerealiseerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van LVVN. Op verzoek van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt het Planbureau voor de Leefomgeving regelmatig de rapportage «Het landschap geduid» uit, met duiding van de indicatoren van de Monitor Landschap en de Kustpactmonitor.
Voor waterschappen geldt dat zij sloten registreren in zogenoemde leggers (profielenlegger en onderhoudslegger). Niet alle sloten staan (altijd) geregistreerd in de leggers van het waterschap. Sommige sloten zijn namelijk van te geringe afmeting en behoren tot de haarvaten van het regionaal watersysteem, of ze hebben nauwelijks effect op het watersysteem. Welke sloten wel en welke sloten niet in de legger staan, is niet bij elk waterschap hetzelfde. Dit hangt samen met gebiedsspecifieke kenmerken van het betreffende beheergebied.
Bij reguliere controles, de jaarlijkse schouw en het herzien van peilbesluiten worden veranderingen in het watersysteem waargenomen en wordt met perceeleigenaren gesproken over het eventueel terugdraaien, compenseren of legaliseren van het dempen van sloten.
Gemeenten registreren sloten meestal via beheerplannen, voor sloten die voor hen functioneel of juridisch relevant zijn. De keuze welke sloten worden opgenomen hangt, net als bij waterschappen, af van gebiedsspecifieke kenmerken en gemeentelijke beleidskeuzes. Over het algemeen geldt dan dat deze sloten in eigendom zijn van de gemeente, ze functioneel belangrijk zijn voor afwatering en/of onderdeel zijn van groen- of bermbeheer. In zulke plannen worden sloten vaak genoemd als onderdeel van het areaal, maar worden deze niet altijd individueel geregistreerd.
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Ik kan geen antwoord geven namens de gemeenten (en waterschappen). Wel zal ik in het Bestuurlijk Overleg Water dat periodiek gehouden wordt met onder andere decentrale overheden, aandacht vragen voor het belang van watergangen voor de nationale doelen. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
De kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater wordt periodiek gemonitord via verschillende meetsystemen, waaronder het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid van het Ministerie van LVVN. Het verdwijnen van sloten gaat ten koste van de biodiversiteit die de sloten herbergen. In de sloten komen, naast algemene soorten, ook beschermde dier- en plantensoorten voor van populaties die al jaren aanwezig zijn. Met het dempen van de sloten verdwijnen de habitats, en daarmee deze soorten in het gebied. Deze populaties staan in verbinding met andere sloten. Door het verdwijnen van sloten wordt ook deze verbinding onderbroken. Aan de andere kant kan het dempen van sloten tot verhoging van de grondwaterstand leiden, wat bij kan dragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden, wat weer gunstig is voor de biodiversiteit. Het hangt van de specifieke locatie af of het dempen van sloten op het totaal gezien positief of negatief is voor de waterkwaliteit en natuurwaarden in het gebied.
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Omwonenden die melding maken van illegale dempingen, kunnen hiervoor terecht bij de betreffende gemeente of het waterschap. Vaak kan dit ook anoniem. Signalen van mogelijke fraude binnen de LVVN-domeinen kunnen worden gemeld bij de Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Anoniem melden van fraude is ook mogelijk via het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De overheid is in het kader van haar beginselplicht tot handhaving gehouden om klachten of meldingen te onderzoeken en de melders op de hoogte te stellen van de afhandeling van hun klacht of melding. Dit betekent niet dat ook altijd opvolging wordt gegeven aan een melding van een illegale demping. Dit hangt namelijk af van het type sloot en de relevantie voor het watersysteem (zie het antwoord op vraag 4).
Intimidatie en dreigementen keur ik in alle gevallen ten zeerste af en ik raad omwonenden en lokale toezichthouders die hiermee te maken krijgen aan om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Waterschappen en gemeenten hebben vaak ook protocollen over hoe wordt omgegaan met agressie tegen en bedreigingen van medewerkers.
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Het dempen van sloten kan effect hebben op de waterhuishouding en daarmee ook op de omgeving. Het risico dat dit met zich meebrengt is locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen.
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
De relatie tussen slootdemping, perceelophoging en de staat van woningen is zeer locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen. Het is noodzakelijk dat een dergelijke analyse lokaal wordt uitgevoerd. Het instellen van een landelijk onderzoek acht ik daarmee niet zinvol.
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, dient er, ongeacht eerder gedempte sloten, binnen de betreffende ontwikkeling voldoende waterberging en -afvoer gerealiseerd te worden naar de normen voor de betreffende ontwikkeling.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Gezien de rol van al deze regionale overheden ga ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid hierover in gesprek met hen. Het betreft diverse wateropgaven, waaronder waterkwaliteit, waterkwantiteit, maar ook biodiversiteit, governance, regelgeving, en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarom heb ik dit, in aanwezigheid van het Ministerie van LVVN, op 9 april jl. besproken in het brede Bestuurlijk Overleg Water. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in aanloop naar het commissiedebat Water van 25 juni a.s.
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
In het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een zoneringsaanpak rondom gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante drukfactoren op het betreffende gebied en de KRW-doelen, waaronder hydrologisch herstel. In een samenhangende aanpak, met oog voor de bredere bijdrage van groene en blauwe dooradering in het landelijk gebied voor natuur en hydrologie, wordt vervolgens bezien wat nodig is om de weg naar systeemherstel in te zetten.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
Wat is de rationale achter elk van die regels?
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
De conferentie in Santa Marta en het Fossil Fuel Treaty Initiative |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u schetsen hoe de inbreng voor de routekaart eruit zal zien, aangezien u in de brief aan de Kamer (Kamerstuk 31 793, nr. 299) stelt dat Colombia en Nederland een constructieve impuls willen geven aan de ontwikkeling van een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, zoals aangekondigd door het Braziliaanse voorzitterschap van COP30?
Verwacht u concrete tijdslijnen voor uitfasering van de verschillende fossiele brandstoffen in te brengen, waar de koploperlanden zich aan moeten committeren?
Wat bedoelt u met bredere terugkoppeling van de conferentie aan het COP-voorzitterschap? Welke andere terugkoppelingen gaat u doen naast de inbreng voor de roadmap, en met welke intentie?
Worden de uitkomsten van de Santa Marta conferentie door Nederland meegenomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat uiterlijk rond Prinsjesdag 2026 naar de Kamer komt?
Erkent u dat voor een geloofwaardige inzet op de conferentie in Santa Marta, een stevige nationale inzet vereist is, aangezien in de brief wordt verwezen naar het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies; in dit uitfaseerplan staat: «Vanwege de demissionaire status van dit kabinet is een verdere afbouw van fossiele brandstofsubsidies dan reeds aangekondigd aan een volgend kabinet.»?
Wanneer komt u met plannen voor verdere afbouw van fossiele subsidies in Nederland?
Wat is uw inzet op het agendapunt ISDS tijdens de conferentie in Santa Marta, gezien de internationaal steeds sterker wordende roep om het huidige ISDS-systeem te hervormen?
Bent u bereid om, samen met Colombia en andere gelijkgezinde staten, te verkennen of een internationale coalitie kan worden gevormd gericht op de gezamenlijke afbouw van ISDS?
Kunt u daarnaast toezeggen om op korte termijn – mede vanwege de energiecrisis – de prikkels in kaart te brengen die op dit moment het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleren; en daarbij naast prijsprikkels (fossiele subsidies en productkortingen) ook reclame, sponsoring en influencers mee te nemen?
Wat is uw standpunt ten aanzien van verantwoord desinvesteren uit fossiele brandstofactiva?
Bent u bekend met het Fossil Fuel Treaty Initiative1?
Deelt u de opvatting dat het niet ondertekenen van de Treaty de geloofwaardigheid van Nederland als organisator van de conferentie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit initiatief te ondertekenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u tot ondertekening overgaan?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de conferentie in Santa Marta op 24 april?
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Drugs in COA-locaties |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over signalen van drugshandel in COA-locaties?1
Wat is uw reactie hierop? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de beelden die in de reportage getoond worden met betrekking tot vermeende drugshandel vanuit de COA-locatie in Budel?
Welke (recente) cijfers zijn u bekend over drugshandel, -bezit en -gebruik in COA-locaties?
Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd in COA-locaties?
Wat wordt verstaan onder de categorie «door het OM afgehandelde drugsmisdrijven» in het jaarlijkse WODC-onderzoek naar incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties (in 2024 respectievelijk 30 en 15 zaken)?2
Van hoeveel drugsgerelateerde zaken was vorig jaar in COA-locaties sprake onder andere in de in het onderzoek genoemde categorieën, zoals «incidenten» of «afdoening politie»?
Wat is de standaardprocedure wanneer een bewoner van een COA-locatie zich schuldig maakt aan het dealen van drugs?
Wat is de standaardprocedure wanneer er sprake is van harddrugsbezit bij een bewoner van een COA-locatie?
Kunt u van beide gevallen aangeven hoe vaak hiervan de afgelopen vijf jaar sprake is geweest, in welke COA-locaties en tot welke straffen en sancties dit heeft geleid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Asiel en Migratie beantwoorden?