Het bericht ‘Parlement Ghana akkoord met wet die lhbti's celstraf oplevert’ |
|
Bente Becker (VVD), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «parlement Ghana akkoord met wet die lhbti's celstraf oplevert»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het Ghanese parlement nu met een meerderheid een wet heeft aangenomen die het illegaal maakt voor mensen om zich te identificeren als lhbti+’er en daarnaast ook het vormen of financieren van een lhbti-gemeenschap strafbaar stelt?
Het kabinet vindt het zorgelijk dat de zogenaamde Human Sexual Rights and Family Values wet is aangenomen door het parlement van Ghana.
Mensenrechtenexperts, waaronder de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, wijzen op de verdragen en afspraken waar Ghana partij bij is en die in strijd zijn met deze wetgeving, waaronder het Afrikaans handvest voor de rechten van de mens en de volkeren en van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Daarnaast lijken bepalingen in deze wet op gespannen voet te staan met in de Ghanese Grondwet beschermde mensenrechten.
Hoe kijkt u aan tegen een mogelijke heksenjacht op lhbti+’ers in Ghana nu in de aangenomen wet wordt aangemoedigd om lhbti+’ers aan te geven bij de Ghanese autoriteiten?2
Op dit moment is de wet weliswaar aangenomen door het parlement, maar nog niet bekrachtigd door de president. Desalniettemin is het kabinet bezorgd dat het debat over de Proper Human Sexual Rights en Ghanaian Family Values wet al heeft geleid tot toenemende dreiging voor de lhbtiq+-gemeenschap in Ghana.
Welke acties heeft het kabinet ondernomen om de mensenrechtensituatie in Ghana, waaronder de fundamentele rechten van lhbti+’ers, te verbeteren?
De mensenrechtensituatie, waaronder de rechten van lhbti+’ers, is regelmatig onderwerp van bilaterale gesprekken met Ghana. De Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken en de ambassade in Accra hebben bij vertegenwoordigers van de Ghanese overheid tijdens eerdere ontmoetingen de zorgen van het kabinet uitgesproken over de bescherming van minderheden in Ghana. Nederland verleent verder steun aan organisaties die zich inzetten voor mensenrechten in Ghana.
Ook in EU-kader is tijdens het reguliere partnerschapsdialoog met Ghana meermaals de zorg uitgesproken over de mensenrechten van leden van de lhbtiq+-gemeenschap.
Ontvangt de Ghanese regering, via Nederlandse dan wel Europese gelden voor ontwikkelingssamenwerking, steun voor lhbti+’ers in Ghana? Zo ja, op welke manier en wanneer bent u van plan dit onder de aandacht te brengen bij uw collega Ministers in Europa?
Nederland draagt bij aan de verbetering van de positie van lhbtiq+ door het Ghanese maatschappelijk middenveld en multilaterale instellingen te steunen. Er is vanuit Nederland en de EU geen directe financiering via de Ghanese overheid voor specifiek de lhbtiq+-gemeenschap.
Is het kabinet dan wel de ambassade in contact getreden met de Ghanese regering naar aanleiding van deze aangenomen wet? Zo ja, wat is er uit dit contact voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit zo snel mogelijk te doen?
Voor aanname van de wet door het parlement heeft Nederland hier meermaals met de regering van Ghana over gesproken en zijn visie duidelijk gemaakt. In de diplomatieke contacten met de Ghanese autoriteiten zal Nederland zijn zorgen blijven uitspreken.
Daarnaast is Nederland in Ghana aangesloten bij een groep van gelijkgezinde landen die er gezamenlijk over in gesprek gaan met de Ghanese regering. In dit verband is er ook contact geweest met de autoriteiten nadat de wet door het parlement werd aangenomen.
Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de mogelijkheden voor het kabinet om actie te ondernemen in nationaal en internationaal verband, met als doel de fundamentele rechten van lhbti+’ers in Ghana te beschermen? Welk signaal kunt u afgeven in internationaal verband en/of op bilateraal niveau om dit beleid te ontmoedigen?
Nederland heeft, als covoorzitter van de internationale diplomatiewerkgroep binnen de Equal Rights Coalition, de ontwikkelingen in Ghana meermaals geagendeerd.
In nationaal verband volgt de Nederlandse ambassade in Accra de kwestie nauwgezet en onderhoudt contact met verschillende (Ghanese) ngo’s. Daarnaast heeft de Nederlandse ambassade in Accra contact met de lhbtiq+-gemeenschap zelf, luistert naar hun zorgen en naar hun ideeën over de aanpak die volgens hen het beste werkt.
Bent u voornemens om, net als de Verenigde Staten, Ghana op te roepen om de wetgeving te herzien? Zo ja, op welke termijn en op welke manier zal u dit doen?
Vanwege de kwetsbare positie van lhbtiq+-personen in Ghana, de gevoeligheid van het onderwerp, de autonomie van het Ghanese parlement, en het scherpe publieke debat, bekijkt het kabinet voortdurend bij welke steun en benadering de lhbtiq+-gemeenschap in Ghana het meeste baat heeft. Hierbij staan uiteraard de belangen, de veiligheid en het welzijn van de lhbtiq+-gemeenschap in Ghana voorop. De huidige inschatting is dat publiekelijke uitspraken door Nederland in deze fase van het wetgevingsproces averechtse consequenties kunnen hebben.
Zie tevens het antwoord op vraag 4 en vraag 7.
Hebben vertegenwoordigers namens de Nederlandse overheid contacten met de Ghanese regering en/of parlementsleden die dit beleid hebben geïntroduceerd? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze relaties per direct verbroken moeten worden?
De wet is het initiatief van een groep volksvertegenwoordigers van vooral de oppositiepartij NDC. De ambassade heeft, mede omdat dit vanwege bestaande sentimenten van buitenlandse inmenging op dit dossier negatief zou kunnen uitwerken, geen contacten met de parlementsleden die de wet hebben ingediend. De ambassade zal doorgaan met het onderhouden van contacten met de regering.
Bent u naar aanleiding van deze berichtgeving bereid OS-gelden aan Ghana stop te zetten? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet van ontwikkelingssamenwerking in Ghana (combinatieland handel en OS) is gericht op de wederzijdse belangen tussen Ghana en Nederland waaronder handel, investeringen, het tegengaan van terrorisme, het bevorderen van mensenrechten, goed bestuur en het versterken van het maatschappelijk middenveld. De financiering hiervoor loopt via maatschappelijke organisaties en multilaterale organisaties.
Op dit moment is de wet nog niet bekrachtigd door de president. Als het wetgevingsproces is afgerond zal het kabinet steun aan bestaande en toekomstige programma’s zo nodig opnieuw bekijken.
De Dual Fuel tractoren van Blue Fuel Solutions |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de innovatie van Blue Fuel Solutions om bestaande «Stage V»-tractoren om te bouwen tot Dual Fuel-tractoren die deels op waterstof rijden? Hoe waardeert u de emissiereductie die hierbij kan oplopen tot 45 procent? Bent u het ermee eens dat dit een prachtige innovatie is die flink kan bijdragen aan de vergroening van de agrarische sector en het groenbeheer?
Ik sta positief tegenover iedere poging om emissies terug te brengen.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat er al sinds 2021 contact is met de RDW over goedkeuring van deze Dual Fuel-tractoren, maar dat dit tot op heden nog niet heeft geleid tot typegoedkeuring van deze voertuigen? Klopt het dat in eerste instantie is aangegeven dat de regeling voor typegoedkeuring direct na de zomer van 2022 opgesteld zou zijn? Kunt u uitleggen waarom dit nog niet gelukt is?
Mijn ministerie is in gesprek met de initiatiefnemers. Voor de goedkeuring van dit type voertuigen moet een zogenaamde artikel 35 procedure-worden gestart. Hierbij is het betreffende voertuig minimaal gedurende 36 maanden in de gehele EU toegestaan in afwachting van de aanpassing van de Verordening om een definitieve goedkeuring te kunnen afgeven. Zodra de aanvraag in behandeling wordt genomen kan de lidstaat het voertuig op nationaal gebied toelaten.
Mijn ministerie en de RDW staan klaar om deze procedure te starten, maar om deze procedure te starten heeft de initiatiefnemer toestemming nodig van de eerstefasefabrikant, oftewel de fabrikant van het voertuig waarop de Dual Fuel-techniek wordt toegepast. De initiatiefnemer zou ook de tweedefasefabrikant kunnen worden, met toestemming van de eerstefasefabrikant. Zodra de initiatiefnemer goedkeuring van de fabrikant heeft ontvangen dient het bedrijf een emissietest conform de eisen uit 2016/1628 Vo uit te laten voeren door een geaccrediteerde/aangewezen technische dienst. Dit om zekerheid te verkrijgen over de duurzaamheid van Dual Fuel-tractoren op de lange termijn. Bovenstaande is 4 december jl. tijdens een overleg op het departement en ook in eerdere overleggen door de RDW aan de initiatiefnemers toegelicht. Ik ben nog in afwachting van de resultaten van deze emissietesten.
Tot slot dient de initiatiefnemer ervoor te zorgen dat het voertuig aan de overige punten van de constructie-eisen en veiligheidseisen voldoet als gesteld in de Verordening. Als hieraan is voldaan kan een traject voor typegoedkeuring worden gestart.
Kunt u aangeven waarom de afgegeven tijdelijke goedkeuring is ingetrokken door de RDW? Wat is ervoor nodig deze tijdelijke goedkeuring opnieuw af te geven en/of te komen tot definitieve goedkeuring?
Er is tot op heden geen sprake van een goedkeuring voor het gebruik van waterstof voor deze voertuigcategorie. De betreffende tractoren zijn in het verleden geregistreerd als dieselvoertuigen, waarmee op onjuiste gronden een kenteken is verkregen. Vanwege het ontbreken van een goedkeuring voor het gebruik van waterstof als energiedrager kan de RDW niet anders dan de kentekens intrekken. Om tot een tijdelijke goedkeuring te komen dient een artikel 35-procedure (zie antwoord op vraag 2) te worden opgestart.
Hoe kunt u verklaren dat uw ministerie en/of het RDW nu pas aangeven dat door het ontbreken van regelgeving er een artikel 35-procedure1 bij de Europese Commissie dient te worden doorlopen? Klopt het dat uw ministerie heeft aangegeven in te zetten op aanpassing van de betreffende regelgeving ná het starten van de artikel 35-procedure? Zo ja, waarom?
De artikel 35-procedure is al vanaf de start van de gesprekken in 2021 als oplossing benoemd. Vanaf de start van de artikel 35-procedure is er sprake van een tijdelijke goedkeuring in de gehele EU voor een periode van minimaal 36 maanden. Gedurende die periode heeft de EC de tijd om te werken aan een definitieve goedkeuring. Waarbij het niet zeker is dat de Commissie die betreffende artikel 35 aanvraag ook daadwerkelijk honoreert. Ik kan hieromtrent geen garanties geven. Wel is de RDW graag bereid om de gesprekken met de fabrikant voort te zetten en nadere toelichting te geven op de voorwaarden en de vormgeving van de benodigde emissietest.
Welke stappen heeft u gezet of gaat u zetten in het geval Nederlandse regelgeving achterwege blijft om de artikel 35-procedure te versnellen en de Europese Commissie te overtuigen van het nut en de veiligheid van de Dual Fuel-tractor?
Het heeft de voorkeur om dit op Europees niveau te regelen in plaats van op nationaal niveau. Een nationale voorlopige goedkeuring heeft een kortere duur (24 maanden) en geldt enkel in Nederland. Bovendien zijn ook voor een nationale goedkeuring voornoemde emissietesten noodzakelijk. Om de Commissie te overtuigen is een formele artikel 35 aanvraag benodigd. Onderdeel van deze aanvraag zal minimaal een impactanalyse op de veiligheid van het waterstof systeem alsmede van het voertuig zijn, zodat het milieubeschermingsniveau en voertuigveiligheidsniveau zijn gewaarborgd.
Klopt het dat de RDW de mogelijkheid heeft om een voorlopige EU-typegoedkeuring te verlenen in afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie? Is de RDW bereid hier gebruik van te maken? Zo nee, waarom niet?
Vanaf de start van de artikel 35-procedure heeft de RDW de juridische basis om de betreffende voertuigen voorlopig goed te keuren voor gebruik op nationaal grondgebied.
Klopt het dat de RDW geadviseerd heeft voorlopig in te zetten op individuele emissiekeuring waarbij voor elke tractor een emissietest uitgevoerd moet worden? Kunt u aangeven of dit ertoe zou leiden dat elke individuele tractor door de RDW gekeurd moet worden? Erkent u dat dit tot financiële kosten als tijdsbelasting zal leiden?
Nee, dit heeft de RDW niet geadviseerd. Enkel het moederproduct dient getest te worden. Een nieuwe test is enkel nodig wanneer het moederproduct wijzigt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de RDW om zo spoedig te komen tot (wijziging van) benodigde regelgeving om te komen tot typegoedkeuring van de Dual Fuel-tractoren, zodat deze innovatieve tractoren zo snel mogelijk weer de weg op kunnen?
Er heeft al overleg plaatsgevonden tussen mijn departement, de RDW en de initiatiefnemers, ik ben voornemens dit voort te zetten langs bovengenoemde lijnen.
Het artikel 'Netbeheerder: elektrische auto's niet opladen tussen 16.00 en 21.00 uur' |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Netbeheerder: elektrische auto's niet opladen tussen 16.00 en 21.00 uur»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Bent u het ermee eens dat een goed werkende laadinfrastructuur cruciaal is voor alle mensen die elektrisch rijden en willen rijden in de toekomst?
Ja, ik ben het ermee eens dat een goed werkende laadinfrastructuur cruciaal is.
Hoe verklaart u de uitspraken van netbeheerder Stedin in het licht van de acties die worden ondernomen binnen de Nationale Agenda Laadinfrastructuur, waar alle partijen die hierin een rol hebben aan tafel zitten?
In het kader van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur zijn afspraken gemaakt met partijen, waaronder Stedin, over de toepassing van slim laden om netcongestie door laden te kunnen voorkomen (zie ook vraag 7 en 8). Het bericht van Stedin verbaasde me dan ook.
Hoe kan het dat Stedin al ferme uitspraken doet over niet laden op bepaalde tijdstippen, terwijl er nog geen sprake is van transparantie van prijzen bij laadpalen en van andere mogelijkheden voor slim laden?
Het is van groot belang dat de prijzen van laden inzichtelijk zijn, ook wanneer slim wordt geladen. Dit staat echter los van het voorstel van Stedin. Het grootste risico op overbelasting van het elektriciteitsnetwerk doet zich voor op piekmomenten op een dag (tussen 16.00 en 21.00 uur). Daarom wordt breed gekeken naar alle mogelijke opties om de belasting van het net in die uren te beperken.
Hoe verhoudt de uitspraak van de netbeheerder zich tot de Elektriciteitswet, waarin staat dat netbeheerders verplicht zijn iedereen die dat verzoekt van elektriciteit te voorzien? Bent u van plan in te grijpen op het moment dat deze maatregel ook daadwerkelijk wordt ingevoerd?
Hoe kijkt u aan tegen het effect wanneer verschillende netbeheerders verschillende tijdstippen zouden invoeren voor het niet gebruiken van laadpalen voor auto’s, waarmee het voor automobilisten ondoenlijk wordt om te laden?
Het is van groot belang voor de transitie naar emissievrije mobiliteit dat gebruikers van elektrische auto’s voldoende mogelijkheden behouden om hun voertuigen op te laden, in lijn met de motie van het lid De Groot2. Vanwege netcongestie op piekmomenten is het noodzakelijk maatregelen te treffen om de elektriciteitsvraag af te vlakken. Hiervoor is een breed aantal maatregelen van belang, waaronder slimme laaddiensten. Bij effectieve uitwerking van maatregelen voor slim laden is een geharmoniseerd aanbod door netbeheerders daarbij randvoorwaardelijk. Netbeheerders zijn bovendien niet bevoegd om tijdstippen voor gebruik van laadpalen voor te schrijven. Dit is aan gemeenten, provincies en laadpaalexploitanten (zie ook het antwoord op vraag 5). Maatregelen voor slim laden zijn onder andere uitgewerkt in de handreiking netbewust laden3, zoals ook opgenomen in de Actieagenda congestie laagspanningsnetten4.
Hoe gaat u er met betrokken partijen voor zorgen dat duidelijkheid en handelingsperspectief centraal komt te staan voor de elektrische rijders, nu en in de toekomst?
Zoals ook in het antwoord op vraag 6 benoemd, is het, in lijn met de motie van het lid De Groot5, van belang dat gebruikers van elektrisch vervoer voldoende mogelijkheden behouden om hun voertuigen op te laden. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst die ik met netbeheerders en regionale overheden heb gesloten6, zijn afspraken gemaakt over het implementeren van het Nationaal Opschalingsprogramma Slim Laden voor Iedereen. Onderdeel van dit programma is de landelijke toepassing van netbewust laden bij openbaar toegankelijke laadpalen. Dit houdt in dat met verlaagd vermogen geladen kan worden indien sprake is van (dreigende) schaarste aan netcapaciteit in een bepaald gebied. Uitgangspunten voor slim laden zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking en overeenstemming met overheden, marktpartijen, netbeheerders en belangenverenigingen van eindgebruikers, waaronder de Vereniging Elektrische Rijders (VER) en ANWB. In de Actieagenda congestie laagspanningsnetten7 is een onderzoek aangekondigd naar de potentiële bijdrage van onder meer laadpalen aan het efficiënt netgebruik.
Hoe bent u in gesprek met de netbeheerders om te voorkomen dat dergelijke rigoureuze maatregelen genomen gaan worden?
In het kader van de samenwerkingsovereenkomst slim laden en de Actieagenda congestie laagspanningsnetten worden gesprekken met netbeheerders gevoerd. Over het garanderen van voldoende mogelijkheden voor het opladen van elektrische voertuigen, in lijn met de motie van het lid De Groot8, heb ik ook contact met de Minister voor Klimaat en Energie. Ik vertrouw erop dat alle partijen de gemaakte afspraken over implementatie van slim laden, conform de handreiking netbewust laden, zullen nakomen. De uiteindelijke beslissing over de toepassing van slim laden ligt bij de laadpaalexploitant en/of de concessieverlener.
Welke stappen worden er gezet om met slimme oplossingen te komen voor het gevaar dat het stroomnet overbelast raakt?
In het kader van de samenwerkingsovereenkomst Regionale Aanpak laadinfrastructuur 2 zijn afspraken gemaakt over het implementeren van het Nationaal Opschalingsprogramma Slim Laden voor Iedereen. Onderdeel van dit programma is de landelijke toepassing van netbewust laden bij openbaar toegankelijke laadpalen zoals beschreven in de handreiking netbewust laden (zie ook vraag 6 en 7).
De levensgevaarlijke situatie die kan ontstaan bij de sluiting van de geboortezorg in Zoetermeer |
|
René Claassen (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zoetermeer vreest «levensbedreigende situaties» als sluiting geboortezorg in ziekenhuis doorgaat»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek dat is uitgevoerd door GGD Haaglanden naar de gevolgen van de sluiting van de afdeling verloskunde in het Haga Ziekenhuis Zoetermeer?
Ik heb kennisgenomen van het onderzoek dat is uitgevoerd door GGD Haaglanden. Ik heb van het HagaZiekenhuis begrepen dat zij de uitkomsten van het rapport zal meenemen bij de uiteindelijke besluitvorming. In april 2024 neemt het HagaZiekenhuis een voorgenomen besluit over hoe de geboortezorg in de Zoetermeerse regio ook in de toekomst goed, veilig, bereikbaar én betaalbaar kan worden georganiseerd.
In totaal worden/zijn drie onderzoeken uitgevoerd waarin verschillende aspecten worden belicht die meegenomen worden om tot een zorgvuldig besluit te komen. Het Netwerk Acute Zorg West (NAZW) heeft een impactanalyse gemaakt over de effecten op de capaciteit en bedrijfsvoering voor de geboortezorg in de regio bij acute sluiting van geboortezorg in HagaZiekenhuis Zoetermeer. De GGD heeft in opdracht van de gemeente Zoetermeer de effecten op zwangeren en hun baby’s onderzocht bij sluiting. Onderzoeksbureau SiRM kijkt in opdracht van het HagaZiekenhuis hoe de geboortezorg toekomstbestendig kan worden ingericht. SiRM levert dit onderzoek begin april met een advies aan de raad van bestuur op.
Vanuit het HagaZiekenhuis heeft men laten weten dat het GGD-rapport met aandacht gelezen wordt en dat de uitkomsten meegewogen zullen worden in de besluitvorming in april. Ook spreekt het HagaZiekenhuis met andere ziekenhuizen in de regio, zorgpartners en zorgverzekeraars over dit onderwerp. Mocht het ziekenhuis het voorgenomen besluit nemen om de afdeling acute verloskunde te sluiten, dan zullen alle stappen uit de procedure van de AMvB acute zorg worden gevolgd, onder andere betrokkenheid van gemeenten en inwoners.2
Waarom staat u toe dat de levens van 1.100 baby’s per jaar in gevaar komen door de aangekondigde sluiting van de afdeling verloskunde of springt u voor deze pasgeborenen in de bres?
Het HagaZiekenhuis heeft nog geen besluit genomen over de toekomst van de afdeling acute verloskunde in Zoetermeer. Er wordt hiervoor een zorgvuldig proces doorlopen waarbij de uitkomsten van drie onderzoeken worden meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming. Daarnaast is de aanname in de vraag onjuist dat de levens van 1100 baby’s in gevaar komen als de afdeling acute verloskunde in Zoetermeer zou sluiten. Een eventuele sluiting van de afdeling acute verloskunde in Zoetermeer kan alleen aan de orde zijn als de toegankelijkheid van kwalitatief goede verloskundige (ziekenhuis)zorg in de regio op een andere manier geregeld is.
Deelt u de zorgen over de toegenomen reistijd voor zwangere vrouwen, de capaciteitsproblemen in de omliggende locaties en de druk op de ambulancediensten? Zo nee, waarom niet?
De drie onderzoeken die in het antwoord op vraag 2 zijn genoemd geven inzicht in onder meer de gevolgen voor onder andere de toegenomen reistijd, de capaciteit bij omliggende locaties en ambulancedienste. Het HagaZiekenhuis zal deze en andere aspecten meenemen in de besluitvorming. Het is aan het HagaZiekenhuis om, in overleg met de zorgverzekeraars en met betrokkenheid van gemeenten en inwoners, op basis hiervan een zorgvuldige afweging te maken over de toekomst van de geboortezorg in Zoetermeer. De zorgverzekeraars hebben de verantwoordelijkheid om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen voor de verzekerden in de regio.
Komt de sluiting van de afdeling verloskunde voort uit geldgebrek of kostenbesparing? Zo ja, bent u bereid een financiële oplossing te zoeken?
Er is nog geen besluit genomen over de toekomst van geboortezorg in Zoetermeer. Over het algemeen is te zeggen dat verschillende aspecten bepalen of zorg goed, betaalbaar en toegankelijk kan worden georganiseerd. Dat is veel breder dan de kosten. Voorbeelden hiervan zijn de kwaliteit van zorg, de arbeidsmarkt, de benodigde faciliteiten, het zorgaanbod in de omgeving en het profiel van het ziekenhuis. Zorgverzekeraars, die verantwoordelijk zijn voor de zorginkoop en daarmee voor de financiering van de zorg, zijn nauw betrokken bij de besluitvorming. Er is hier geen rol of verantwoordelijkheid voor de Minister voor Medische Zorg.
Bent u het ermee eens dat dit opnieuw een voorbeeld is om de acute verloskunde en de gehele acute zorgketen buiten de marktwerking te plaatsen en te bekostigen op basis van beschikbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillende vormen van beschikbaarheidsbekostiging. Een beschikbaarheidbijdrage, zoals die er nu is voor de acute verloskunde en de spoedeisende hulp, is een subsidie die vanuit de overheid in uitzonderlijke gevallen voor bepaalde aangewezen vormen van zorg wordt toegekend. Zoals in de Kamerbrief3 bij de aanbieding van het advies bekostiging acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is geschetst, biedt een beschikbaarheidbijdrage geen garantie dat de zorg ook daadwerkelijk wordt aangeboden. Dat is aan de zorgaanbieder. Ook is het geen oplossing voor een personeelstekort of eventuele financiële problemen van ziekenhuizen.
De NZa adviseert daarom een andere vorm van beschikbaarheidsbekostiging voor de SEH-zorg, namelijk budgetbekostiging. Met deze wijze van bekostigen wordt de inkooprol van zorgverzekeraars behouden en is er de mogelijkheid tot lokaal maatwerk en passende inkoop van de acute zorg. Dit kan bijdragen aan de borging van samenhang in de inkoop van de betreffende zorg en aanpalende zorg in de regio. Voordat hierover een goede afweging kan worden gemaakt, is eerst beter begrip nodig van de potentiële gevolgen voor de praktijk, zoals de administratieve lasten. Zoals in de eerdergenoemde Kamerbrief is aangegeven, is het aan een volgend kabinet om een besluit te nemen over het vervolgproces.
Vindt u het niet passend om, aangezien u het besluit over een eventuele wijziging in de bekostiging van de acute zorg aan een nieuw kabinet overlaat, te zorgen dat er voorlopig geen sluitingen meer plaatsvinden?
Binnen de huidige wet- en regelgeving is het aan het bestuur van een ziekenhuis om, in samenwerking met de zorgverzekeraar, besluiten te nemen over wijzigingen in het zorgaanbod. Ze zijn daarbij gebonden aan de geldende normen en verplicht om de procedure uit de AMvB acute zorg te volgen, inclusief betrokkenheid van belanghebbenden zoals gemeenten. Ik heb als Minister geen rol en geen juridische instrumenten om een sluiting te voorkomen.
Het bericht 'Veel agressie tegen artsen op spoedeisende hulp: ‘We willen hulp van de politie én de politiek’' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel agressie tegen artsen op spoedeisende hulp: «We willen hulp van de politie én de politiek»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u het signaal dat agressie tegen artsen op de spoedeisende hulp en tegen zorgmedewerkers in het algemeen nog altijd een groot probleem is en de afgelopen jaren is toegenomen?
Agressie tegen zorgmedewerkers is nooit acceptabel. Helaas komt agressie wel voor en dat beschouw ik inderdaad een groot probleem.
Via de werknemersenquêtes (WNE) van het programma Arbeidsmarkt in Zorg en Welzijn is voor de periode 2019–2022 bekend welk aandeel van de werknemers in de zorg jaarlijks te maken heeft met verschillende vormen van agressie en ongewenst gedrag. Er is geen duidelijke trend zichtbaar in het aandeel werknemers dat in die periode met verbale agressie, fysieke agressie of bedreiging/intimidatie te maken krijgt. Wel geeft in de afgelopen jaren steeds twee van de vijf medewerkers aan dat agressie is toegenomen. Het kan zijn dat dit veroorzaakt wordt door een toenemende ernst van de incidenten. Echter, zoals gezegd, agressie is nooit acceptabel. Zorgverleners zouden te allen tijde hun werk veilig moeten kunnen doen.
Op welke manier gaat u het huidige beleid intensiveren om dit toenemende probleem het hoofd te bieden?
Het huidige beleid richt zich zowel op preventie, opvang en nazorg als op aangiftebereidheid. Waar het gaat om preventie, goede opvang en nazorg is de werkgever primair verantwoordelijk. Om hen hierbij te ondersteunen heb ik subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn, om gericht aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een aanpak die aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche. Voor vijf branches is een aanvraag gedaan, en voor een groot deel van deze aanpakken geldt dat die inmiddels zijn ontwikkeld en nu worden geïmplementeerd of verspreid. Een deel van de andere partijen heeft gebruik gemaakt van de MDIEU-regeling van SZW. Ook partijen uit de eerste lijn kunnen gebruik maken van de subsidiemogelijkheden. Er zijn gesprekken geweest met vertegenwoordigers van partijen uit de eerste lijn over hun ideeën om onderzoek te laten doen naar agressie in de eerste lijn en het ontwikkelen van een branchegerichte aanpak. Dit heeft nog niet geresulteerd in een subsidieaanvraag.
De aangiftebereidheid in de sector wil ik stimuleren. Ik heb hiervoor een podcast laten maken die deze week is opgeleverd en binnenkort online komt. In deze podcast gaan politie, een zorgorganisatie en een slachtoffer van agressie in gesprek over het doen van aangifte. Op ditzelfde thema organiseer ik regionale bijeenkomsten. In elke van de tien politieregio’s is inmiddels medewerking toegezegd door coördinatoren publieke taak van politie en/of OM. De eerste bijeenkomst staat gepland op 22 april 2024.
Op beide punten wil ik op dit moment niet intensiveren, ik vind het van belang dat eerst de nieuw ontwikkelde brancheaanpakken worden geïmplementeerd en dat de regionale bijeenkomsten plaatsvinden. Het is wel van groot belang dat werkgevers die hier nog niet of te weinig op inzetten, op korte termijn aan de slag gaan met preventie, opvang, nazorg en aangiftebeleid. Ik zal dit tijdens het bestuurlijk overleg arbeidsmarkt van 7 maart aanstaande (nogmaals) bespreken.
Verder zal ik tijdens de regionale bijeenkomsten alert zijn op signalen dat verdere intensivering op het punt van aangiftebereidheid nodig of gewenst is. Daarnaast zal dit jaar een evaluatie van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) plaatsvinden. Als uit de evaluatie concrete knelpunten naar voren komen, dan zal ik hierover in gesprek treden met mijn collega van Justitie en Veiligheid.
Waar ik de komende jaren wel op wil intensiveren is het gesprek over de normstelling. Het komt voor dat zorgmedewerkers het idee hebben dat agressie er nu eenmaal bij hoort. Agressie komt voor, maar is niet normaal. Er lopen op dit moment gesprekken met een partij die het handelingsperspectief voor zorgverleners bij agressie wil schetsen en daarmee ook het gesprek over de normstelling op gang wil brengen.
Los daarvan hebben veel ziekenhuizen geïnvesteerd in private beveiliging en kunnen zij afspraken maken met de politie waar het bijvoorbeeld agressie op de Spoedeisende Eerste Hulp betreft.
De VVD heeft in een eerder ingediend puntenplan2 een reeks maatregelen genoemd om agressie tegen zorgmedewerkers aan te pakken, hoe gaat u deze maatregelen meenemen in het beleid?
Het puntenplan gaat onder andere in op preventie, namelijk het screenen van patiënten bij binnenkomst en een praktische training in de opleidingen. Ik heb beide punten op de agenda van het bestuurlijk overleg (BO) arbeidsmarkt gezet. De deelnemers aan het BO geven aan dat screening al (voldoende) in bestaande werkwijzen aan bod komt, danwel geen toegevoegde waarde heeft. Er is geen behoefte aan ondersteuning bij het ontwikkelen van een dergelijke screening. Deelnemers geven verder aan dat er (afdoende) trainingen zijn op het gebied van agressie.
In het puntenplan is ook een bewustwordingscampagne opgenomen. Ik heb communicatiedeskundigen gevraagd wat de beste en meest efficiënte manier zou zijn om agressie tegen zorgmedewerkers tegen te gaan. Zij hebben gekeken welke gedragsbepalers bijdragen aan agressie tegen mensen met een publieke of maatschappelijke taak en op welke manier die factoren zijn te beïnvloeden met behulp van communicatie. Gerichte externe communicatie op de locatie en contactmomenten waarop mogelijk agressie kan plaatsvinden blijkt verreweg het meest effectief te zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om het communiceren van gedragsregels. Dat betekent praktisch dat een brede publiekscampagne, met tv, radio en buitenreclame weinig effectief is. Wel kan ik meedenken over een toolbox voor communicatie op en rond de werkvloer en kan ik faciliteren dat succesvolle (communicatie)initiatieven tegen agressie binnen de zorgsector worden gedeeld, indien het veld aangeeft daar behoefte aan te hebben.
Het puntenplan noemt verder een taakstrafverbod bij geweld tegen hulpverleners en een verplichte cursus voor mensen die agressief gedrag vertoond hebben tegen zorgmedewerkers. Zie hiervoor de antwoorden op vraag 7 en 8.
Verder bevat het puntenplan een punt over aangifte doen, namelijk dat de werkgever aangifte doet bij geweld tegen zorgpersoneel en hulpverleners, tenzij de werknemer dit niet wil. Ik ben hier groot voorstander van. Ik organiseer daarom regionale bijeenkomsten, zodat werkgevers en regionale functionarissen van politie en OM elkaar leren kennen, ervaringen uit kunnen wisselen en werkgevers beter op de hoogte zijn van de Eenduidige Landelijke Afspraken en het aangifteproces. Er is inmiddels een toezegging uit elke van de tien politieregio’s om mee te werken aan deze bijeenkomsten. De eerste bijeenkomst vindt 22 april plaats.
Tot slot bepleit het puntenplan het mogelijk maken van het beëindigen van de behandelrelatie bij het onheus bejegenen of vertonen van agressief gedrag. Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het, in lijn met de in het artikel genoemde gedachte en in lijn met de maatregel uit het door de VVD eerder ingediende puntenplan, ermee eens dat daar waar mogelijk zorgverleners in de gelegenheid gesteld moeten kunnen worden om de behandelrelatie met een patiënt die agressief gedrag vertoond te beëindigen? Hoe gaat u dit daar waar mogelijk vereenvoudigen?
Zorgverleners kunnen de behandelingsovereenkomst met een patiënt opzeggen als er een gewichtige reden aanwezig is. Dat volgt uit artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek. Met deze mogelijkheid moet de zorgverlener zeer terughoudend omgaan; hij of zij hoort rekening te houden met de gezondheidstoestand en afhankelijkheid van de patiënt. In de wet wordt niet uitgewerkt wat precies wordt verstaan onder «gewichtige redenen». Wel illustreert de KNMG-richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» (2021) met voorbeelden wat gewichtige redenen kunnen zijn. Deze voorbeelden zijn afkomstig uit (de toelichting bij) de wet en uit uitspraken van (tucht)rechters over dit thema.
Een van de mogelijk gewichtige redenen is dat de patiënt zeer onheus of agressief gedrag vertoont. Niet elke uiting van onheus of onaangepast gedrag vormt echter grond voor eenzijdige opzegging van de behandelovereenkomst. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden. Ook dient de arts bepaalde zorgvuldigheidseisen in acht te nemen. Een en ander is nader geduid in de richtlijn van de KNMG3.
Inmiddels is deze richtlijn een aantal jaar van kracht. Ik ga in gesprek met de KNMG over deze richtlijn, onder andere over de vraag of deze naar hun ervaring afdoende bekend is en voldoende handvatten bevat voor zorgverleners.
In het door de VVD ingediende puntenplan wordt ook (extra) inzetten op praktische trainingen in de opleiding voor zorgmedewerkers als preventieve maatregel genoemd, waarvan u heeft aangegeven dat mee te nemen in de eerstvolgende bijeenkomst reflectiegroep agressie, is hier al meer duidelijkheid over? Zo niet, wanneer verwacht u dit?
Ik heb tijdens het commissiedebat arbeidsmarktbeleid van 27 september aangegeven dit te bespreken bij de volgende bijeenkomst van de reflectiegroep agressie en het te agenderen tijdens het bestuurlijk overleg arbeidsmarkt. Er is sinds 27 september 2023 nog geen bijeenkomst van de reflectiegroep geweest. Ik ben voornemens om het volgende overleg van de reflectiegroep voor de zomer plaats te laten vinden. Wel heb ik dit punt op de agenda gezet van het bestuurlijk overleg van 14 november 2023 (zie ook het antwoord op vraag4.
Wat is de stand van zaken omtrent de motie van de leden Van den Hil en Agema3 over een verplicht anti-agressieprogramma voor mensen die agressief gedrag tegen zorgmedewerkers vertonen?
De motie over een gedragsinterventie in de vorm van een verplichte cursus wordt opgepakt in samenwerking met mijn collega van Justitie en Veiligheid. Op dit moment wordt verkend hoe een interventie, zoals beschreven in de motie, aansluit bij het bestaande kader waarin gedragsinterventies kunnen worden opgelegd en bij de reeds bestaande gedragsinterventies die zien op agressiebeheersing. Mijn collega van Justitie en Veiligheid treedt hierover ook in overleg met de reclassering. De reclassering adviseert namelijk over het opleggen van een gedragsinterventie en de reclassering controleert vervolgens of de gedragsinterventie wordt gevolgd.
Wat is de stand van zaken omtrent de motie Agema c.s.4 over minimaal een gevangenisstraf voor daders van agressie tegen zorgpersoneel?
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer op 20 oktober jl.7 geïnformeerd dat er op dit moment gewerkt wordt aan een aangepast wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod, dat een taakstrafverbod regelt bij vormen van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak. Daarbij wordt opnieuw gekeken naar de precieze afbakening van het wetsvoorstel en worden ook de aangenomen moties van uw Kamer meegenomen.
Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid heeft aangegeven tijdens het tweeminutendebat politie van 1 februari jl. wordt het wetsvoorstel voorbereid maar is het aan een nieuw kabinet om daar wel of niet stappen op te zetten.
Wat is de stand van zaken omtrent de motie van de leden Bushoff en Van den Hil5 over aangifte door de werkgever namens de werknemer de norm laten zijn bij agressie en geweld in de zorg- en welzijnssector?
Over de stand van zaken heb ik uw kamer geïnformeerd in de Voortgangsrapportage programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (6 juli 20239). Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage beschouw ik de motie daarmee als afgedaan.
Wat is de stand van zaken omtrent de motie van het lid Van den Hil6 over een gecoördineerde aanpak van geweld en agressie tegen zorgmedewerkers?
Over de gecoördineerde aanpak van agressie en geweld tegen zorgverleners heb ik uw kamer geïnformeerd in de Voortgangsrapportage programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (6 juli 202311). Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage beschouw ik de motie daarmee als afgedaan.
Het aanpassen van antwoorden op schriftelijke vragen over de landelijke vrijstellingslijst en het toch niet uitvoeren van een aangenomen motie, vlak na gesprekken met de jagerslobby |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Kamer een motie van de Partij voor de Dieren heeft aangenomen, waarmee de regering wordt verzocht om diersoorten die in hun voortbestaan worden bedreigd per direct van de landelijke vrijstellingslijst af te halen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat u op 15 februari 2024 in antwoorden op schriftelijke vragen het volgende schreef aan de Kamer: «Om aan de motie tegemoet te komen, zal ik voorbereidingen treffen voor het intrekken van de vrijstelling en de aanwijzing van konijn, houtduif en kauw»?2
Ja. Op 15 februari 2024 heb ik uw Kamer, in antwoord op vragen van het lid Akerboom (PvdD) over de landelijke vrijstellingslijst (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2023–2024, nr. 1045), geïnformeerd over de wijze waarop ik uitvoering wil geven aan de motie van het lid Akerboom, 36 410 XIV, nr. 9, waarin wordt opgeroepen de soorten die in hun voortbestaan worden bedreigd per direct van de vrijstellingslijst af te halen. Door een menselijke fout is op 15 februari 2024 een verkeerde versie van mijn antwoord verstuurd, hetgeen ik betreur.
Het is juist dat mijn ministerie stappen heeft gezet om de vrijstellingen voor konijn, houtduif en kauw in te trekken. Het uitvoeren van de motie is echter complexer dan vooraf voorzien. In januari is in gesprekken met de provincies en andere partijen gebleken dat aan het intrekken van de vrijstellingen meer haken en ogen zitten dan eerder gedacht.
De versie waaraan u refereert was in een eerder stadium wel aan mij voorgelegd, ik heb toen aangegeven dat die ook afgestemd moest worden met provincies en andere stakeholders. Op basis hiervan is de beantwoording aangepast. De verstuurde antwoorden waren dus antwoorden die niet mijn akkoord hadden. Hierop heeft een rectificatie plaatsgevonden. Zoals in de gerectificeerde beantwoording is aangegeven, heb ik meer tijd nodig om de uitvoering van de motie af te stemmen met provincies en betrokken partijen, en om de consequenties hiervan beter in beeld te brengen.
Kunt u bevestigen dat er op 19 februari 2024 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen ambtenaren van het Ministerie van LNV en de Jagersvereniging?3
Ja. Op die dag was een overleg met Land en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), Federatie Particulier Grondbezit (FPG), Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) gepland, om het proces rond uitvoering van genoemde motie van het lid Akerboom te bespreken. Dit overleg was al gepland om plaats te vinden op die datum, vóór verzending van de antwoorden op vragen van het lid Akerboom, zie bijlagen docnr 1 en docnr 2.
Kunt u in detail omschrijven (met een tijdslijn) hoe dit gesprek zo snel tot stand is gekomen? Is hierover sinds de beantwoording van de Kamervragen op 15 februari 2024 telefonisch, app- en/of mailcontact over geweest en zo ja tussen wie precies? Van wie kwam het initiatief en wat is er gezegd?
De tijdlijn is de volgende:
Kunt u uitleggen of het normaal is dat deze lobbyclubs door het Ministerie van LNV zo snel (binnen vier dagen na beantwoording van de Kamervragen) worden bediend? Kunt u drie concrete voorbeelden noemen van een situatie waarbij bijvoorbeeld dierenwelzijnsorganisaties op deze manier en zo snel zijn bediend? Zo nee, waarom niet?
Het proces dat u hier schetst is geen gebruikelijke gang van zaken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, komt het proces zoals u dat schetst ook niet overeen met de gang van zaken bij de rectificatie van de beantwoording van de vragen over de landelijke vrijstellingslijst. Mijn medewerkers zijn door de KNJV op de vergissing geattendeerd en hebben daarop een rectificatie in gang gezet. Het is niet zo dat het besluit op verzoek van de vier genoemde partijen is aangepast. De beantwoording was al eerder n.a.v. een signaal van de provincies aangepast.
Welke andere organisaties waren vertegenwoordigd bij dit gesprek?
Bij dit gesprek waren vertegenwoordigers aanwezig van LTO, FPG, KNJV en NOJG.
Kunt u bevestigen dat het tijdens dit gesprek is gegaan over de antwoorden op de schriftelijke vragen?
Ja, de beantwoording van betreffende Kamervragen en het per abuis versturen van niet door mij geaccordeerde antwoorden zijn tijdens het gesprek aan de orde gekomen. Dit vormde echter niet de aanleiding voor het gesprek.
Kunt u bevestigen dat onder andere de jagerslobby tijdens dit gesprek hun ongenoegen heeft geuit over de voorbereidingen die worden getroffen over het beperken van de jacht op konijnen, houtduiven en kauwen?
Nee. Tijdens het gesprek hebben de vier partijen aandacht gevraagd voor een zorgvuldig proces rond besluitvorming over uitvoering van de motie. Ik deel die opvatting. Er is niet specifiek ongenoegen geuit over het beperken van de jacht op betreffende soorten.
Ter specificatie, er is hier geen sprake van beperken van de jacht op deze soorten, maar van het intrekken van vrijstellingen. De jacht op konijnen is niet geopend, de jacht op houtduiven is toegestaan. Kauwen staan niet op de wildlijst.
Kunt u het verslag van dit gesprek en alle correspondentie hierover (de correspondentie over de aanloop naar het gesprek en de conclusies en afronding erna) delen met de Kamer (uiteraard kunnen namen worden weggelaten)? Zo nee, waarom niet?
In de bijlage treft u een intern verslag van het gesprek, de uitnodiging voor het gesprek en de terugkoppeling die richting de vier partijen is gegeven.
Kunt u bevestigen dat uw ambtenaren hebben aangegeven later die week een terugkoppeling te geven over hoe er nu verder met de antwoorden wordt omgegaan?
Mijn ambtenaren hebben aangegeven een bevestiging te geven wanneer de rectificatie gerealiseerd was. U treft de terugkoppeling aan KNJV, NOJG, LTO en FPG in de bijlage.
Kunt u bevestigen dat uw antwoorden op de schriftelijke vragen op 20 februari 2024, één dag na het plaatsvinden van dit gesprek, zijn aangepast?4
Op 19 februari 2024 is de rectificatie bij de Kamerleden gerealiseerd, reeds voor het gesprek met betreffende partijen plaatsvond. Met enige vertraging is dit ook op e website van de Kamer aangepast. Volledigheidshalve verwijs ik naar het rectificatiebericht dat ter illustratie geanonimiseerd bij de stukken gevoegd is. Zoals in de tijdlijn aangegeven was het besluit om meer tijd voor afstemming te nemen al daarvoor genomen, te weten op basis van signalen die wij van de provincies hebben ontvangen.
Kunt u bevestigen dat onder meer de eerder genoemde passage is geschrapt en is vervangen door: «Ik ben met provincies en betrokken belangenorganisaties in gesprek over hoe invulling aan deze motie te geven»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat u de Kamer niet heeft geïnformeerd over deze wijziging, maar dat simpelweg de oorspronkelijke antwoorden offline zijn gehaald en zijn vervangen door de aangepaste antwoorden? Waarom heeft u de Kamer hierover niet geïnformeerd?
Zoals aangeven betrof het hier een rectificatie van een foutief verstuurde versie. Na constatering van deze fout is, conform de gebruikelijke werkwijze in dit soort gevallen, een rectificatie gestuurd aan de griffie, waarna de juiste versie online geplaatst is.
Wordt de hierboven geschetste gang van zaken − waarbij specifieke belangenclubs op zeer korte termijn na beantwoording van Kamervragen op gesprek worden uitgenodigd en waarna vervolgens de beantwoording van Kamervragen wordt aangepast − overal binnen het ministerie, maar ook bij andere ministeries, gezien als een standaardproces? Kunt u drie andere recente voorbeelden noemen waarbij dit zo is gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is geen standaardprocedure. Zoals aangegeven bij de antwoorden op vragen 4 en 5 vonden de rectificatie en het gesprek met betreffende partijen zeer kort na elkaar plaats. De verzending van onjuiste, niet door mij geaccordeerde antwoorden vormde echter niet de aanleiding voor het gesprek, waarvan de voorbereidingen al eerder, te weten op 9 februari 2024, in gang waren gezet. Het besluit om meer tijd te nemen voor een goede afstemming is tot stand gekomen op basis van signalen die wij van de provincies hebben ontvangen, niet op verzoek van de belangenorganisaties.
Ziet u in dat de hierboven geschetste gang van zaken overkomt alsof u bent gezwicht voor de jagerslobby? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat het hier een ongelukkige samenloop van omstandigheden betreft die kan leiden tot verkeerde beeldvorming. Ik hecht waarde aan een zorgvuldige afstemming met alle betrokken partijen en streef ernaar de consequenties van besluiten zo goed mogelijk in beeld te hebben.
Erkent u dat de opdracht van de Kamer, zoals verwoord in de aangenomen motie, belangrijker is dan de wens van de jagerslobby?
Ik neem aangenomen Kamermoties buitengewoon serieus. Ik ben mij er tegelijkertijd van bewust dat het intrekken van vrijstellingen grote consequenties kan hebben voor provincies en andere betrokken partijen. Ik hecht daarom waarde aan zorgvuldige afstemming met deze partijen. Zoals ik heb aangegeven is daar in dit geval meer tijd voor nodig.
Erkent u dat als het gaat om de landelijke vrijstellingslijst voor de soorten die worden bedreigd de Kamer primair beslist en niet de provincies?
Als Minister voor Natuur en Stikstof ben ik bevoegd besluiten te nemen over landelijke vrijstellingen (in de Omgevingswet: «vergunningsvrije gevallen»). Bij aanpassing van de lijst van schadeveroorzakende soorten in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) wordt de Kamer betrokken middels een voorhangprocedure.
Een besluit over het intrekken van landelijk vrijstellingen kan echter ingrijpende gevolgen hebben voor de provincies. Ik vind het belangrijk de samenwerking daarover op te zoeken.
Erkent u dat het voor de rechtsstaat en vertrouwen in de overheid belangrijk is om de wet na te leven en dus ook de Natuurbeschermingswet die stelt dat dieren die in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, niet bejaagd mogen worden? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard hecht ik belang aan het naleven van wetten door iedereen, dus ook door de overheid. Ik vind het ook belangrijk mijn verantwoordelijkheid te nemen voor de bescherming van soorten die in hun voortbestaan worden bedreigd.
U verwijst naar wetgeving over bejagen. Hierop is sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet van toepassing. Specifiek met betrekking tot de jacht gold onder de Wet natuurbescherming dat de jacht niet kon worden geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.
Ten aanzien van de landelijke vrijstellingen, in de Omgevingswet «vergunningsvrije gevallen», is in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (het Bkl) opgenomen dat deze alleen als zodanig kunnen worden aangewezen voor zover het vergunningsvrije geval niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort.
Kunt u bevestigen dat u alsnog voorbereidingen treft om de vrijstelling en de aanwijzing van konijn, houtduif en kauw zo snel mogelijk in te trekken? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt u dat met de Natuurbeschermingswet en de heldere opdracht van de Kamer?
Ik voer de motie uit en tref voorbereidingen voor het intrekken van de vrijstellingen voor houtduif, kauw en konijn. Zoals aangegeven in mijn brief (kenmerk DGNV / 45745616), die tegelijkertijd met deze beantwoording naar uw Kamer wordt gestuurd, zal ik uw Kamer in juni informeren over de wijze waarop ik voornemens ben invulling te geven aan uw motie.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals ik u op 20 maart 2024 (ah-tk-20232024-1283) heb laten weten vroeg zorgvuldige beantwoording van uw vragen meer tijd dan de daartoe gestelde termijn van drie weken.
Het item bij Kassa over het tekort aan medische hulpmiddelen in de thuiszorg |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Kassa gezien zo ja, wat vond u van dit item?1
Ja, ik heb de uitzending van Kassa gezien. De signalen zoals geschetst in de uitzending van Kassa, evenals de daarin besproken V&VN enquête, zijn mij bekend.
Ik vind het zorgelijk te horen dat zorgprofessionals en patiënten problemen ervaren met het bestellen en de levering van medische hulpmiddelen. Uit de enquête blijkt dat 69 procent van de zorgprofessionals hier maandelijks last van heeft, om verschillende redenen. Ik vind het dan ook van belang dat hierop actie wordt ondernomen en sluit mij aan bij de aanzet die mijn voorganger hier reeds toe heeft gedaan, zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 4.
Hoewel de uitkomst van de enquête van V&VN een duidelijk signaal afgeeft, vind ik het een goede zaak dat V&VN heeft laten weten vervolgonderzoek in te stellen, aangezien dit kan bijdragen aan verdere duiding.
Wat vindt u ervan dat uit een peiling van de V&VN blijkt dat ruim tweederde van de verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten problemen ervaart bij het bestellen van hulpmiddelen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat hulpmiddelenleveranciers middels dit verstrekkingsysteem wijkverpleegkundigen «opzadelen» met meer administratieve lasten?
De extramurale hulpmiddelenzorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Dit betekent dat het in eerste instantie aan zorgverzekeraars is hier invulling aan te geven. De afgelopen jaren hebben veel zorgverzekeraars ervoor gekozen de extramurale hulpmiddelenzorg te contracteren via medisch speciaalzaken. Uit de signalen van onder meer de uitzending van Kassa komt naar voren dat in deze huidige organisatie relatief meer administratieve lasten worden ervaren door wijkverpleegkundigen ten opzichte van de vorige situatie, waarin hulpmiddelen vaak via de apotheek werden verstrekt. Uiteraard vind ik het onwenselijk dat hierbij een hoge lastendruk wordt ervaren. Hoewel ik als Minister in principe niet ga over hoe zorgverzekeraars invulling geven aan de extramurale hulpmiddelenzorg, vind ik het goed dat er door zorgverzekeraars en het veld inmiddels stappen worden gezet naar een passende organisatie hiervan. Zie hiervoor ook mijn antwoord op de onder meer de vragen 4 en 5.
Overigens zou ik graag toevoegen dat uit de enquête van V&VN blijkt dat 77 procent van de respondenten aangeeft niet op de hoogte te zijn van de mogelijkheid een melding te kunnen doen over knelpunten bij hulpmiddelen.
Ook blijkt uit de enquête dat een groot deel van de respondenten ervaren knelpunten niet meldt.
Ik zou daarom zorgprofessionals willen oproepen om ervaren knelpunten in de hulpmiddelenzorg te melden bij de zorgverzekeraars en toezichthouders aangezien dergelijke signalen noodzakelijk zijn om het beleid waar nodig aan te passen.
Kunt u vertellen hoe u uitvoering geeft aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s.?2
Mijn voorganger heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de uitvoering van de motie-Van den Berg3. Hij gaf aan dat de NZa eind december 2023 een brief heeft gepubliceerd over de organisatie van de (spoed)hulpmiddelenzorg4. In deze brief agendeerde de NZa de problemen waar ook de motie-Van den Berg aan refereerde. De NZa riep in deze brief zorgverzekeraars, zorgverleners, leveranciers en andere veldpartijen op de spoedhulpmiddelenzorg passend te organiseren, per uiterlijk 1 juli. Recent heeft de Kwaliteitsraad Hulpmiddelen en Zorg aangegeven dit proces te begeleiden, dat bedoeld is om de door de NZa geconstateerde knelpunten aan te pakken. De Kwaliteitsraad Hulpmiddelen en Zorg is de officiële opvolger van het Bestuurlijk Overleg Hulpmiddelen. De leden van de Kwaliteitsraad zijn hulpmiddelengebruikers, zorgprofessionals, zorgaanbieders/leveranciers, fabrikanten en zorgverzekeraars.
Ik laat mij nauwgezet informeren over de vorderingen die de partijen maken aan deze tafel.
Kunt u aangeven of en zo ja, welke verbeteringen er zijn te constateren sinds de motie-Van den Berg c.s. door de Kamer op 4 april 2023 is aangenomen?
Ja. Sindsdien hebben alle zorgverzekeraars laten weten de zogenaamde «Palliakit» te vergoeden. De Palliakit is een box met hulpmiddelen die preventief kan worden ingezet bij terminale palliatieve patiënten om snel te kunnen handelen als er een plotselinge verslechtering of een acuut probleem optreedt. Ook zijn er door veel verzekeraars specifieke afspraken gemaakt over de levering van blaaskatheters in spoedsituaties. Zorgverzekeraars doen op dit moment hun best om deze informatie zoveel mogelijk bij verzekerden en zorgprofessionals onder de aandacht te brengen. Ik vind dit een goed voorbeeld van hoe spoedzorg passend georganiseerd kan worden. Ik reken erop dat veldpartijen met elkaar afspraken maken hoe ook andere vormen van hulpmiddelenzorg waar (acute) beschikbaarheidsproblemen optreden passend georganiseerd kunnen worden. Regionale voorraden van bepaalde producten horen wat mij betreft bij de mogelijke oplossingen waar het veld naar kan kijken.
Delen alle organisaties de randvoorwaarden die door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in kaart zijn gebracht waar passende extramurale hulpmiddelenzorg in spoedsituaties aan moet voldoen, waaronder de voorwaarde dat een hulpmiddel in geval van spoed 24 uur per dag en 7 dagen per week in de buurt van de patiënt voorradig moet zijn?
De acht randvoorwaarden die de NZa in haar brief heeft opgeschreven zijn geformuleerd op basis van de gesprekken die de NZa heeft gevoerd met partijen binnen de hulpmiddelenzorg (wijkverpleegkundigen, huisartsen, apothekers, hulpmiddelenleveranciers en zorgverzekeraars). Of alle betrokken organisaties in de hulpmiddelenzorg de in kaart gebrachte randvoorwaarden (volledig) onderschrijven, kan ik u niet zeggen. Wel kan ik u melden dat de partijen hun betrokkenheid hebben uitgesproken bij het doel van goede en tijdige toegankelijkheid van de hulpmiddelenzorg, ook in spoedsituaties. Hoe de door de NZa geconstateerde knelpunten precies op te lossen, is op dit moment onderwerp van gesprek aan de overlegtafel van de Kwaliteitsraad Hulpmiddelen en Zorg.
Hoe ver zijn organisaties met de door de NZa opgelegde deadlines met betrekking tot het passend organiseren van DISW-hulpmiddelenzorg in spoedsituaties?
Omdat de vragen 7 tot en met 9 inhoudelijk aan elkaar raken, beantwoord ik deze graag samen.
Ik heb met de NZa contact gehad over de voortgang op deze acties. Zij heeft mij laten weten op dit moment nog gesprekken te voeren in de regio om de stand van zaken te inventariseren. Verder geeft de NZa aan dat het vooralsnog niet lijkt dat partijen al hebben voldaan aan de oproep om per 1 maart 2024 een ambitie en een visie te hebben bepaald. Echter, zij gaf aan dat de deadline blijft staan om per 1 juli de spoedstroom passend te hebben georganiseerd. Zoals hierboven aangegeven zijn partijen hierover op dit moment met elkaar in gesprek onder begeleiding van de Kwaliteitsraad Hulpmiddelen en Zorg.
Ik heb met de NZa besproken wat zij kan doen mochten partijen per 1 juli 2024 de spoedstroom voor DISW-hulpmiddelen niet passend georganiseerd hebben. Uiteindelijk is het aan zorgverzekeraars om zorg, en dus ook de hulpmiddelenzorg in spoedsituaties, passend te organiseren vanuit hun zorgplicht.
De NZa kan in haar rol als toezichthouder via divers toezichtinstrumentarium toezien op de zorgverzekeraars. Voor uitoefening van deze rol door de NZa is het voor hen van belang officiële signalen over knelpunten te ontvangen, vandaar ook mijn oproep problemen te melden bij zorgverzekeraars en toezichthouders.
Tot slot, ik acht het van groot belang dat de hulpmiddelenzorg passend georganiseerd is, voor zowel patiënten als zorgverleners. Ik vertrouw erop dat partijen hier, in reactie op de brief van de NZa, in gezamenlijkheid uitkomen. Mochten partijen er niet in slagen een voor patiënten en zorgverleners bevredigende oplossing te vinden, dan ben ik bereid wettelijke maatregelen te verkennen.
Hebben alle partijen per 1 maart 2024 een passend georganiseerde spoedstroom voor DISW-hulpmiddelen, inclusief handvatten hoe deze te implementeren in een regio?
Zie antwoord vraag 7.
Als partijen geen ambitie en visie hebben, wat zijn hiervan dan de consequenties voor deze organisaties?
Zie antwoord vraag 7.
Welke rol speelt de zorgverzekeraar vanuit hun zorgplicht, aangezien die moet regelen dat de verstrekking van extramurale hulpmiddelen passend georganiseerd is?
Uw vraag geeft eigenlijk al het antwoord. Het klopt dat de zorgverzekeraar vanuit zijn zorgplicht verantwoordelijk is voor een passende verstrekking van extramurale hulpmiddelen. Extramurale hulpmiddelen maken immers onderdeel uit van de Zorgverzekeringswet.
Vindt u dat er bij de verstrekking van hulpmiddelen (zeker bij spoed) een voorname rol van de apotheker moet zijn? Waarom wel of waarom niet?
Ik deel de lijn die mijn voorganger eerder heeft gedeeld in reactie op de Motie van den Berg c.s.5 Het belangrijkste is dat patiënten zo snel als nodig de hulpmiddelen moeten kunnen gebruiken. Er zijn verschillende modellen, waarvan verstrekking via de apotheek er een is. Zoals ook blijkt uit de voorgaande antwoorden zijn de zorgverzekeraars in eerste instantie aan zet om vanuit hun zorgplicht te borgen dat ook de verstrekking van extramurale hulpmiddelen passend georganiseerd is. Het lijkt mij een goede zaak als zij ook apotheken betrekken bij hun overwegingen.
Het bericht ‘Caribische eilanden krijgen gelijk na gemopper over bureaucratie Nederland’ |
|
Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Caribische eilanden krijgen gelijk na gemopper over bureaucratie Nederland»?1
Ja. In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft adviesbureau IdeeVersa in de zomer van 2023 onderzoek gedaan naar de eilandelijke taken en financiële middelen van de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Het eindrapport heb ik op 29 september jl. aan uw Kamer aangeboden.2 Het onderzoek richt zich op de benodigde hoogte van de vrije uitkering van de eilanden in verhouding tot de taken van de openbare lichamen. Vervolgens heb ik de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) gevraagd te reflecteren op de uitkomsten en aanbevelingen van dit rapport, als ook vanuit de expertise van het ROB naar de financiële en bestuurlijke verhoudingen te kijken. Het artikel op NU.nl verwijst naar dit advies. Ik ben de ROB zeer erkentelijk dat ze dit hebben willen doen en voor de uitgebrachte adviezen en aanbevelingen.
Deelt u de zorgen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba over de bureaucratische wijze waarop zij extra budgetten moeten aanvragen voor extra taken die zij moeten uitvoeren, zoals het onderhouden van een zeehaven of een luchthaven? Zo nee, waarom niet?
Ik zie het advies van de ROB als een steun in de rug van het traject dat ik met de eilanden en overige departementen volg op weg naar verbetering van de financiële en bestuurlijke verhoudingen. Daarbij is de problematiek van structurele financiering en de knelpunten rondom investering, onderhoud en vervanging van infrastructuur, zoals een zeehaven of een luchthaven, inderdaad een zorgpunt. Hier heb ik ook bij het aanbieden van het rapport van IdeeVersa aan uw Kamer aandacht aan besteed.
Deelt u de mening van de Raad voor het Openbaar Bestuur dat de huidige procedures «onnodig belastend» zijn voor de BES-eilanden en dat het «de besturen van de eilanden belet om een afgewogen financieel beleid te voeren»? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend is, ben ik bezig met een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (WolBES) en de Wet financiën openbare lichamen BES (FinBES). De internetconsultatie is eind september afgerond en ik ben nu met de openbare lichamen in gesprek over hun reactie op de herziening van deze wetten. Eén van de voornemens die is opgenomen in de herziening van de FinBES is om de openbare lichamen meer ruimte te gaan bieden, door onder meer een getrapt financieel toezichtmodel te introduceren. Hiermee wordt maatwerk per openbaar lichaam mogelijk. Verder onderzoek ik de leenmogelijkheden van de openbare lichamen.
Bent u voornemens om conform het advies van de ROB de BES-eilanden een vaster budget te geven? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang om verbeteringen in de financiële verhoudingen door te voeren. Dat tonen het onderzoek van IdeeVersa en ook het ROB-advies ook aan. Ik ben in gesprek met departementen over de financiering van de eilandelijke taken, de toereikendheid van de vrije uitkering en in hoeverre bijzondere uitkeringen structureel kunnen worden gemaakt of aan de vrije uitkering kunnen worden toegevoegd. Daarnaast onderzoek ik de mogelijkheden tot het introduceren van een Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) voor Caribisch Nederland, waarin de openbare lichamen en het Rijk periodiek reflecteren op de uitvoering van de bestaande en nieuwe eilandelijke taken en de financiering daarvan. Via dit bestuurlijk overleg kan snel worden ingespeeld op veranderingen die van invloed zijn op de uitvoering van eilandelijke taken. Dit draagt daarmee bij aan de robuustheid en toekomstbestendigheid van het stelsel. Over de uitkomsten van de besprekingen zal ik uw Kamer informeren voor de zomer. Dit ook in de wetenschap dat verbeteringen in de financiële verhouding met de eilanden ook de aandacht zal moeten krijgen van een nieuw kabinet.
Deelt u de mening dat het takenpakket van de BES-eilanden zeker niet in alle opzichten gelijkwaardig is aan dat van de gemeenten in Europees Nederland en dat het daarom logisch is dat de financiële bijdrage daarop passend moet worden afgestemd? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het takenpakket van de BES-eilanden zeker niet in alle opzichten gelijkwaardig is. Dit heeft te maken met het gegeven dat de openbare lichamen ook taken uitvoeren die vergelijkbaar zijn met taken van onder meer waterschappen en provincies in Europees Nederland. Verder is er sprake van een geïsoleerde ligging op een ander continent en met een ander klimaat. Dit maakt dat de kostenstructuur afwijkt ten opzichte van Europees Nederlandse gemeenten. Onderzoeksbureau IdeeVersa heeft dit gegeven dan ook betrokken in zijn onderzoeksrapport.
Kunt u een overzicht geven van de taken die de BES-eilanden uitvoeren waarvoor zij op dit moment geen vast budget krijgen en waarvoor zij dus extra budget moeten aanvragen? Kunt u hierbij ook aangeven om welke bedragen dit per eiland gaat over de afgelopen vijf jaren?
De financiering van de BES-eilanden is net als bij Europees Nederlandse gemeenten een complex geheel van taken en middelen in de vrije uitkering, bijzondere uitkeringen en eigen inkomsten. Dit is dan ook de reden dat ik onderzoek heb laten doen door IdeeVersa. In het onderzoek (kenmerk: 36 410 IV, nr. 8), met bijbehorende bijlagen, zijn alle financiële stromen in beeld gebracht. Om hier beter zicht op te krijgen ben ik gestart met het inrichten van een onderhoudssysteem, zoals gebruikelijk bij het gemeentefonds, waardoor de uitgaven van de openbare lichamen beter gevolgd kunnen worden.
Kunt u aangeven op welke wijze de extra taken die de eilanden moeten uitvoeren op het gebied van openbaar vervoer van/naar de eilanden zijn georganiseerd? Op welke wijze wordt voorkomen dat de kosten voor inwoners die bijvoorbeeld een reis naar een ander eiland moeten maken voor studie, werk of medische redenen te duur worden?
Vanaf 2024 heeft het kabinet € 30 miljoen extra uitgetrokken om de koopkracht van de inwoners van Bonaire, Saba en Sint Eustatius te verbeteren. Vanaf 2025 wordt dit bedrag verhoogd naar jaarlijks € 32 miljoen. Onderdeel van het pakket is dat er jaarlijks extra geld gaat naar beter openbaar vervoer op de 3 eilanden en lagere vervoerskosten.
Studenten afkomstig van de BES-eilanden kunnen op grond van de Wet Studiefinanciering BES in aanmerking komen voor studiefinanciering voor een studie op een van de (andere) BES-eilanden, de overige Caribische regio, de VS of Canada. De bedragen in de Wsf BES verschillen per bestemming. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende kostenniveaus op die bestemmingen. Studenten ontvangen een hoger bedrag wanneer zij op een ander eiland studeren, dan wanneer zij op het eigen eiland blijven studeren. Naast deze beurs is er de mogelijkheid voor studenten om een lening aan te gaan tegen gunstige voorwaarden.
Indien er sprake is van intereilandelijk woon-werkverkeer betreffen de reiskosten in eerste instantie een aangelegenheid tussen werkgevers en werknemers. Daarnaast werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) momenteel aan een uitkering om betaald verlof mogelijk te maken voor werknemers die als begeleider optreden bij medische uitzending.
Verder komt het in Caribisch Nederland in de praktijk vaak voor dat men voor medisch onderzoek of -behandeling genoodzaakt is om buiten het eiland waar ment woont zich te laten behandelen of onderzoeken. De zorgverzekering BES is de zorgverzekering voor inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De grondslag voor deze verzekering is vastgelegd in het Besluit Zorgverzekering BES. Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN), een directie van het Ministerie van VWS, is verantwoordelijk voor het uitvoeren van dit Besluit. Indien verzekerde inwoners een verwijzing hebben en zij voor medische redenen een reis moeten maken wordt vervoer geregeld door ZJCN. Hiervoor zijn er geen kosten voor de verzekerde. Onder vervoer wordt verstaan vluchten naar een ander eiland of land en het vervoer bij aankomst van het vliegveld naar de accommodatie. Verder betreft dit het vervoer tussen accommodatie en specialist. Indien verzekerden een langer verblijf hebben vanwege medische redenen kunnen zij 1 keer per week vervoer inzetten voor het halen van boodschappen. Indien de verzekerde opgenomen moet worden kan er één keer per dag een beroep gedaan worden op het heen en terug brengen van begeleiders/bezoek. ZJCN heeft hiervoor contracten met reisorganisaties en aanbieders van luchtvervoer en grondvervoer welke speciaal ingezet worden voor patiënten. Op het eiland waar de inwoner woonachtig is, is deze in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer naar het vliegveld. Inwoners krijgen hiervoor een transportvergoeding. Verder krijgen inwoners die op medische uitzending moeten een daggeldvergoeding. Deze vergoeding is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten om te kunnen eten en drinken. De hoogte van de vergoeding verschilt per bestemming. Naast vervoer voor medische uitzendingen, kunnen inwoners die rolstoelgebonden zijn, ook op het eiland waar zij woonachtig zijn (Bonaire, Saba of St. Eustatius) een beroep doen op vervoer naar medische afspraken. Hier zijn geen kosten aan verbonden. Voor de inzet van vervoer is voorafgaande toestemming van ZJCN nodig, tenzij er sprake is van een noodsituatie.
Op welke wijze worden de BES-eilanden (financieel) ondersteund bij het op orde krijgen en houden van medische voorzieningen?
De directie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) van het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het zorgbeleid en de wetgeving van de zorg in Caribisch Nederland. Daarbij zorgt de directie voor de uitvoering van de zorgverzekering en de tweedelijns jeugdzorg. Sinds 2010 draagt het Ministerie van VWS zelf de verantwoordelijkheid voor de financiering van zorg en jeugdzorg. Hiervoor gaat ZJCN (zorg)contracten aan met lokale zorgaanbieders op de eilanden. De lokale eilandsbesturen hebben geen verantwoordelijkheid in het organiseren van medische voorzieningen in het kader van de zorgverzekering. Er vindt echter wel regelmatig afstemming plaats tussen de lokale overheden en ZJCN.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het geplande commissiedebat Verzameldebat BES?
Ja. Daarnaast ben ik voornemens voorafgaand aan het debat een verzamelbrief aan u toe te zenden met de laatste ontwikkelingen rondom Caribisch Nederland.
De brief ‘Reactie op verzoek om informatie voorafgaand aan het WGO jeugd 29-01-2024 over de invulling van de taakstelling 511 mln op jeugd (36410-XVI-110)’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Volgt er nog een uitgebreidere brief, inclusief diepere analyses omtrent de mogelijke maatregelen die tot bijbehorende structurele besparingen zullen leiden? Zo ja, op welke termijn is deze te verwachten? Neemt u in deze volgende brief alle opties mee uit eerdere onderzoeken en rapporten, inclusief financiële doorrekeningen en omvang van beoogde doelgroep? Zo nee, wat is de reden dat u de summiere tabel voldoende acht voor het besluit om geen invulling te geven aan de besparingsopgave?
In mijn brief van 29 januari jl. heb ik alle mogelijke maatregelen die in het jeugddomein genomen kunnen worden om invulling te geven aan de aanvullende besparingsopgave met de Kamer gedeeld. Het gaat om maatregelen die aanvullend zijn op de Hervormingsagenda en waarvoor het Rijk aan zet is. Bij het maken van deze lijst van maatregelen heb ik eerdere onderzoeken en rapporten meegenomen. Uit de in beeld gebrachte maatregelen komt naar voren dat invoering van een eigen bijdrage noodzakelijk is om de besparing van € 511 mln in te kunnen vullen. Bij een eigen bijdrage zijn verschillende varianten qua vormgeving mogelijk om de besparing van € 511 mln (deels) in te vullen. De invulling hiervan vergt nadere politieke keuzes, alvorens verdiepende analyses naar de exacte effecten uitgevoerd kunnen worden. Het is aan een nieuw kabinet om over de structurele invulling van de besparingsopgave te besluiten of de besparing te schrappen door middel van het vinden van alternatieve dekking. Indien er op korte termijn geen nieuw kabinet is gevormd, zal het demissionaire kabinet zijn verantwoordelijkheid nemen om een passende oplossing te zoeken voor de ingeboekte besparingen, mede in het licht van de overheidsfinanciën.
Verwacht u dat het uitblijven van financiële duidelijkheid voor de sector negatieve gevolgen heeft voor kinderen en jongeren die op dit moment wachten op een effectieve behandeling? Denkt u dat de vlotte uitvoering van de Hervormingsagenda door dit uitblijven onder druk kan komen te staan? Zo ja, ontvangt de Kamer dan binnenkort duidelijkheid over het financiële kader?
De invulling van de besparing van € 511 mln is expliciet een Rijksverantwoordelijkheid. Het gaat hierbij om maatregelen die aanvullend zijn op de Hervormingsagenda en waarvan is afgesproken met de VNG dat deze voor rekening en risico van het Rijk komen. Dat wil zeggen dat het Rijk aan zet is voor de vormgeving van de maatregelen of indien de maatregelen tot een (gedeeltelijk) lagere besparing leiden, dat de uitname uit het gemeentefonds (gedeeltelijk) wordt teruggedraaid door het Rijk. De invulling van de besparing vormt daarmee geen belemmering om conform de afspraken de maatregelen uit de Hervormingsagenda uit te voeren. Ook heeft het feit dat nog niet helder is hoe de besparing ingevuld gaat worden geen gevolgen voor kinderen en jongeren die op dit moment zorg nodig hebben.
De reeks van de besparingsopgave van € 511 mln is al verwerkt in het gemeentefonds en in het overeengekomen Meerjarig Financieel Kader van de Hervormingsagenda. Als het Rijk er niet in slaagt om de besparing tijdig in te vullen, dan wordt daar in het voorjaar van het voorafgaande jaar duidelijkheid over gegeven. De besparingsopgave voor 2024 is reeds teruggedraaid. Bij de komende Voorjaarsnota zal de Tweede Kamer verder worden geïnformeerd.
Wat verstaat u in uw brief van 29 januari jl. onder «op korte termijn» als het gaat om een oplossing zoeken voor de ingeboekte besparingen?
Zie antwoord bij vraag 2. Als het Rijk er niet in slaagt om de besparing tijdig in te vullen, dan wordt daar in het voorjaar van het voorafgaande jaar duidelijkheid over gegeven. De besparingsopgave voor 2024 is reeds teruggedraaid. Bij de komende Voorjaarsnota zal de Tweede Kamer verder worden geïnformeerd.
Wat is de reden dat u voor de optie van een eigen bijdrage, slechts één voorbeeld noemt? Welke andere varianten zijn in kaart gebracht en in hoeverre zijn daarbij analyses gemaakt van verschillende soorten doelgroepen, verschillende soorten bijdragen en verschillende soorten behandelvormen?
Er zijn verschillende varianten van een eigen bijdrage mogelijk. Daarbij is de vormgeving bepalend voor de hoogte van de opbrengst. Ik heb meerdere varianten laten uitwerken langs verschillende parameters: inkomensafhankelijk of inkomensonafhankelijk; wel of geen drempel voor huishoudens met een laag inkomen; (maximale) hoogte eigen bijdrage per maand; eigen bijdrage per kind of per huishouden; en het uitzonderen van bepaalde vormen van zorg.
Het voorbeeld dat ik heb genoemd in mijn brief van 29 januari jl. betrof een variant met een inkomensafhankelijke eigen bijdrage die gemaximeerd is per huishouden per jaar. Dit voorbeeld was bedoeld om een beeld te geven van de mogelijke opbrengst bij die parameters. Het is uiteraard mogelijk om de parameters anders in te vullen en zo tot andere varianten te komen.
In hoeverre is gekeken naar de mogelijkheid om eigen bijdragen te vragen bij behandelvormen die niet in de database bewezen-effectief voorkomen en/of de geadviseerde behandelduur overschrijden, zodat er meer verband wordt aangebracht tussen effectiviteit en collectieve financiering? Bent u bereid dit soort mogelijkheden in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer daarover informatie verwachten?
Het doel van de databank Effectieve jeugdinterventies verenigt zich niet met het wel of niet moeten betalen van een eigen bijdrage. De databank Effectieve jeugdinterventies bevat beschrijvingen van programma's voor steun en hulp bij opgroeien en opvoeden. Deze interventies zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie beoordeeld. Het overgrote deel van interventies in Nederland staat niet in de databank; het betekent daarom niet dat interventies die er niet in staan, niet effectief zijn. Soms is opname in de databank niet haalbaar. Bijvoorbeeld omdat de interventie maar op kleine schaal wordt uitgevoerd en opname in de databank in verhouding te veel tijd en middelen vraagt van een ontwikkelaar. De mogelijkheid om eigen bijdragen te koppelen aan behandelvormen die niet in de databank staan, is dan ook niet in kaart gebracht.
In hoeverre vindt u de door u genoemde afspraak over «de meest effectieve behandelduur meenemen in het kader van effectiviteit (kwaliteitskader en richtlijnen) maar ook in het kader van reikwijdte» concreet? Wat wordt nu al gedaan om beter inzicht te krijgen in de trajectduren en de stijging van de trajectduur? Op welke termijn kunt u de Kamer nadere analyses toezenden daarover?
Voor het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp zijn in de Hervormingsagenda afspraken gemaakt over een duurzame structuur voor kwaliteit en blijvend leren. De Kwaliteit en Blijvend leren organisatie (waarin professionals, aanbieders, gemeenten, cliënten en kennisinstituten zijn vertegenwoordigd) is nu operationeel en zal hier uitvoering aan geven. Zij hebben onder andere de opdracht om op basis van een nog op te stellen werkagenda een gezamenlijke set gedragen kwaliteitskaders voor de jeugdhulp op te stellen inclusief de implementatie hiervan. Bij het opstellen van kwaliteitskaders en richtlijnen is het belangrijk dat de meest effectieve behandelduur waar mogelijk wordt benoemd. De Kwaliteit en Blijvend Leren organisatie heeft dit uitgangspunt meegekregen vanuit de Hervormingsagenda, evenals het uitgangspunt om bij het ontwikkelen van kwaliteitsproducten uit te gaan van «normaliseren». Gezien bovenstaande zie ik op dit moment geen reden om aanvullend met aanbieders en wetenschappers te komen tot een antwoord op de vraag of het niet voor de hand ligt om als er geen bewezen effectieve behandelingen voorhanden zijn, normaliseren een betere «behandelrichting» is.
Naast bovenstaande afspraak is in de Hervormingsagenda is opgenomen in paragraaf 2.1.9 (hoofdstuk reikwijdte):
Bovengenoemde afspraak wordt op dit moment verder uitgewerkt. De eerste stap hierin is een verdiepend onderzoek op basis van de CBS-cijfers om in een aantal regio’s in gesprek te gaan over de mogelijke oorzaken van een stijgende (dan wel dalende) trajectduur. Op basis hiervan kunnen meer concrete afspraken worden opgesteld. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Q-consult en zal rond de zomer gereed zijn en met uw Kamer worden gedeeld.
Welke acties onderneemt u om te zorgen dat aanbieders van jeugdhulp de effectiviteit van behandelingen beter aantonen? Bent u bereid om in overleg met aanbieders en wetenschappers te komen tot een antwoord op de vraag of het niet voor de hand ligt om als er geen bewezen effectieve behandelingen voorhanden zijn, normaliseren een betere «behandelrichting» is?
De KNMG-gedragscode |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Constaterende dat op pagina 42 van de KNMG-gedragscode staat «Klimaatverandering en milieuvervuiling tasten de leefomgeving en gezondheid van mensen steeds meer aan», handelt een arts, die publiekelijk te kennen geeft dat hij of zij van mening is dat klimaat(verandering) de gezondheid niet «steeds meer aan[tast]» en dus geen bedreiging vormt voor de gezondheid van mensen, in strijd met de KNMG-gedragscode, ja of nee?»
Ik begrijp dat u als antwoord een ja of nee verwacht. Zoals op 13 februari jl.1 en op 28 februari jl.2 gemeld kan ik op deze vraag niet met ja of nee antwoorden.
Het bericht 'Thom kwam met z’n rolstoel wel de Domtoren op, maar station Maarssen is ‘onmogelijke horde’' |
|
Cor Pierik (BBB), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er na maanden nog steeds geen informatie beschikbaar is gesteld over toegankelijkheidsvoorzieningen in stationsgebouwen, zoals eerder toegezegd in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van der Plas (BBB) over het artikel «Rolstoelgebruiker Annemarie in de kou laten staan door NS»?1
Naar aanleiding van uw eerdere schriftelijke vragen d.d. 25 augustus 2023 is meegedeeld dat algemene informatie zal worden toegevoegd op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over toegankelijkheidsvoorzieningen in stationsgebouwen, waaronder liften en hellingbanen. Deze actie is nog niet afgerond, maar zal de komende tijd worden uitgevoerd. Bedoeling is om op de site van de rijksoverheid te verwijzen naar de online-informatie die elders reeds wordt aangeboden op de website van ProRail.2 Voor meer informatie daarover zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om te onderzoeken of er een specifiek instrument voor toegankelijkheid op stations kan worden gecreëerd, bijvoorbeeld in de vorm van een meetinstrument dat meet of een station toegankelijk is en of er bijvoorbeeld een alternatief beschikbaar is in geval van uitval van een lift?
Via het Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV) komt binnenkort informatie over de toegankelijkheid van stations, waaronder de werking van liften, beschikbaar zodat (online) reisplanners en appbouwers dit op termijn kunnen opnemen in hun systemen. Het ontsluiten van deze data past binnen de ambitie van het Bestuursakkoord Toegankelijkheid OV 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord).
ProRail heeft in februari 2024 real time beschikbaarheidsinformatie over liften in een testomgeving vrijgegeven via het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten DOVA en daarmee is een eerste mijlpaal richting real-time beschikbaarheidsinformatie van liften voor reizigers behaald. Nadat ProRail de definitieve real time beschikbaarheidsinformatie over liften aan DOVA heeft geleverd, heeft NS ongeveer acht maanden nodig om deze informatie om te zetten in reisinformatie (eerste versie). Op dit moment is nog niet duidelijk wanneer ProRail de definitieve real time beschikbaarheidsinformatie over liften kan leveren aan DOVA.
De reisinformatie die NS op basis van deze data kan ontwikkelen over de liften waarvan ProRail de eigenaar is, is nu nog beperkt tot informatie of de lift het doet of niet. Als de dataset van ProRail wordt verbreed met prognoses voor herstel en/of alternatieven bij een defecte lift kan deze reisinformatie worden verrijkt tot voor reizigers meer betekenisvolle reisinformatie. Zodra ProRail start met de levering van bredere datasets onderzoekt NS op welke wijze en op welke termijn de rudimentaire reisinformatie over defecte liften kan worden uitgebreid zodat er meer betekenisvolle reisinformatie kan worden geleverd. Op dit moment is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer ProRail in staat is om deze informatie toe te voegen aan de dataset.
Totdat deze actuele data beschikbaar komen, is er online informatie beschikbaar over liften die voor langere duur (een week of langer) stil staan. Die informatie wordt wekelijks geüpdatet in de reisplanner van NS. Uitgebreide informatie over die procedure is te vinden op de website van ProRail.3 Dat is echter geen real-time informatie. Het kan dus nog steeds zijn dat reizigers voor een niet functionerende lift komen te staan die na de laatste update defect is geraakt.
Kan dit instrument mogelijk worden opgenomen als onderdeel van de Europese regelgeving betreffende toegankelijkheid?
De afgelopen jaren is er hard gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer. Het uiteindelijke doel is om het openbaar vervoer voor iedereen toegankelijk te maken in 2040, conform het VN-Verdrag Handicap. Dit is reeds vastgelegd in het Toekomstbeeld OV 2040. Voor de spoorsector wordt hieraan sinds 2006 gewerkt via het Implementatieplan Toegankelijkheid, waarmee in totaal ongeveer € 550 miljoen geïnvesteerd wordt in betere toegankelijkheid van stations waaronder de aanleg van liften en hellingbanen.
Inmiddels is ruim 90% van alle treinstations in Nederland toegankelijk voor mensen met een beperking. Ten aanzien van het rijdend treinmaterieel geldt dat per eind 2021 al het NS-sprintermaterieel toegankelijk is. Voor regionale treinen geldt dat deze ook beschikken over een toegankelijke instap.
In mijn antwoorden op schriftelijke vragen van het Kamerlid Van der Graaf (ChristenUnie) d.d. 3 november 20234 over defecte toegankelijkheidsvoorzieningen op station Breda heb ik erop gewezen dat binnen het programma toegankelijkheid ook wordt gekeken naar herstel van verzakte perrons. Dit is onderdeel van de reguliere beheertaak van ProRail. ProRail geeft aan dat zij elk station in principe driejaarlijks meten op toegankelijkheidskenmerken. De zelfstandige instap voor mensen met een beperking is overigens niet alleen afhankelijk van de hoogte en afstand van het perron, maar ook van het type materieel waarmee de vervoerder rijdt.
Nadat deze voorzieningen zijn aangelegd moeten die worden onderhouden en dat vereist een extra inspanning, onder andere vanwege de gevoeligheid voor storingen als gevolg van bijvoorbeeld vandalisme en wateroverlast. ProRail geeft daar prioriteit aan zoals in deze antwoorden wordt beschreven (onder andere extra inzet op reparaties en het plaatsen van sensoren). En als in enkele gevallen een lift het tijdelijk niet doet wordt altijd voor vervangend vervoer gezorgd.
Deze inspanningen staan niet op zichzelf, maar moeten worden gezien in de bredere context van internationale verdragen, Europese en nationale wet- en regelgeving en (interdepartementale) beleidsprogramma’s om reizen met het openbaar vervoer voor mensen met een beperking te verbeteren. Zo zijn sinds respectievelijk 2011 en 2012 het Besluit en de Regeling toegankelijkheid van het openbaar vervoer van kracht en heeft Nederland in 2016 het VN-Verdrag Handicap geratificeerd.
Voorts geeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onder meer met het Bestuursakkoord verder invulling aan de ambitie om vanuit het VN-verdrag Handicap de toegankelijkheid van het openbaar vervoer te vergroten. Met het programma «Iedereen onderweg» wordt daarnaast toegewerkt naar een Nederland waarin iedereen die in staat is om naar bijvoorbeeld de supermarkt of het stadhuis te gaan ook met het openbaar vervoer kan reizen, dus met trein, tram, bus of metro.
Waarom worden de verplichtingen van ProRail en de rijksoverheid, op grond van artikel 2a van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte om zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid, op dit moment niet nageleefd?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat gestrande reizigers naar de rechter kunnen stappen als ProRail en de rijksoverheid hun algemene verplichting niet uitvoeren?
Voor wat betreft de algemene verplichting in geval van een liftstoring, waaraan wordt voldaan, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
In geval een algemene verplichting niet wordt nageleefd geldt het volgende. Ook reizigers met een beperking kunnen nationale rechtsmiddelen aanwenden. Zij kunnen een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens of een juridisch geschil aan de rechter voorleggen. Om de rechtsbescherming verder te borgen heeft het kabinet in het voorjaar van 2023 het principebesluit5 genomen om de facultatieve protocollen bij het VN-Verdrag Handicap en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind te ratificeren. Wanneer ratificatie heeft plaatsgevonden kunnen personen met een beperking na uitputting van de nationale rechtsmiddelen, indien zij dat nodig achten, een klacht indienen bij het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap als zij menen slachtoffer te zijn van een schending van het Verdrag door de Nederlandse Staat.
Wat is de reden dat ProRail al zes maanden problemen heeft met het bestellen van onderdelen voor het herstel van de lift en roltrap op station Maarssen? Hoe kan het dat deze problemen niet eerder zijn opgelost, gezien de algemene verplichting tot toegankelijkheid?
De lift is sinds 1 maart jongstleden weer in bedrijf. Dit neemt niet weg dat de lift veel te lang buiten dienst is geweest en reizigers hierdoor overlast hebben ervaren. Aan herstel van de roltrap wordt nog gewerkt. Een roltrap is geen standaard toegankelijkheidsvoorziening is, maar een voorziening die comfort biedt aan de reiziger en normaliter alleen te vinden is op grotere stations. Ondanks dat vindt ProRail het vervelend als een roltrap defect is. Desalniettemin verwacht ik dat als deze voorzieningen er zijn, deze ook naar behoren werken en zo kort als mogelijk in storing zijn.
ProRail is de afgelopen tijd druk bezig geweest om de problemen op te lossen. Wateroverlast is de oorzaak van de defecte lift en roltrap op dit station, waardoor de apparatuur van beide installaties in de ruimte waarin deze staat opgesteld medio november 2023 defect is geraakt.
In eerste instantie dacht ProRail dat alleen de machinekamer was ondergelopen. Daarom werd die met een reguliere pomp leeggepompt. Binnen een dag was deze ruimte weer volgelopen. Het water bleek uit de kruipruimte te komen. Daarop is een grotere pomp geplaatst waarna diverse tankwagens met water zijn afgevoerd. Ook na plaatsing van de grote pomp bleef het water binnenstromen. Het water bleek via een leegstaand casco door de kruipruimte in de machinekamer te komen. Omdat de ruimte zo vochtig was moest de ruimte enkele weken droog geblazen worden voordat de schade van defecten onderdelen geïnventariseerd kon worden. De machinekamer is nu droog en de schade aan de apparatuur is geïnventariseerd. Het definitief oplossen en het voorkomen dat er «weer» water in de machinekamer komt is complex en zal langere tijd in beslag nemen.
ProRail zoekt nu naar een definitieve oplossing om ervoor te zorgen dat er geen water de machinekamer binnenkomt.
Deelt u de mening dat ProRail en de rijksoverheid op dit moment hun algemene verplichting niet uitvoeren? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat deze verplichting wel wordt nageleefd? . Wat is de verwachte datum waarop de lift en roltrap op station Maarssen weer operationeel zijn? Bent u ervan op de hoogte dat de verwachting is dat de reparaties nog niet voltooid zullen zijn eind deze maand?
ProRail voldoet aan de algemene verplichting en bij een eventuele storing biedt hij een alternatief. Als eerste biedt ProRail een alternatief voor liftafhankelijke reizigers wanneer een lift niet werkt. Naast een storing kan het ook zijn dat er onderhoud aan een lift wordt uitgevoerd waardoor de lift niet beschikbaar is.
Er zijn al diverse maatregelen ingevoerd. Indien een reiziger met een beperking strandt ten gevolge van niet-functionerende voorzieningen van ProRail geldt dat er afspraken zijn gemaakt tussen NS en ProRail. Indien de toegankelijkheidsvoorziening zich bevindt op een treinstation, draagt ProRail er zorg voor dat een gestrande reiziger met een beperking een vervangende oplossing krijgt aangeboden. ProRail heeft in het kader van deze verantwoordelijkheid uitvoeringsafspraken met NS gemaakt.
De liften van ProRail zijn voorzien van een blauwe sticker op de deur of op het kozijn. Hierop staat het telefoonnummer van de melddesk van NS. Indien de reiziger voor een niet werkende lift staat kan de reiziger naar dit nummer bellen om de storing aan te melden (indien dit nog niet is gedaan) en kan de melddesk de reiziger doorverbinden naar de klantenservice van NS die de reiziger van een alternatief reisadvies voorziet.
Als de storing van de lift reeds bekend is en de monteur de storing niet meteen op kan lossen dient de monteur een gele storingssticker (of in geval van gepland onderhoud een gele onderhoudssticker) op de liftdeur te plakken. Deze sticker is groter dan de blauwe sticker en hierop staat het telefoonnummer van de klantenservice van NS. De klantenservice kan de reiziger helpen met een alternatief reisadvies.
Naast de verbetertrajecten die ProRail met zijn onderhoudspartijen in gang heeft gezet om storingen binnen het systeem te verminderen richt ProRail zich op het terugdringen van storingen met een externe oorzaak. ProRail heeft een project gestart specifiek voor wateroverlast die hinder veroorzaakt aan liften en roltrappen op stations. Vanwege de complexe aard zullen definitieve oplossingen relatief veel tijd in beslag nemen. Voorts worden er op dit moment op de meest vandalisme gevoelige stations camera’s geïnstalleerd die gericht worden op liften. Verder heeft ProRail een aantal kleinere acties in gang gezet, zoals een pilot met sterkere drukknoppen die minder snel vernield kunnen worden en het plaatsen van blauwe liftstickers op een dusdanige manier dat deze moeilijk kunnen worden verwijderd.
Zijn er naast station Maarssen nog andere stations met hetzelfde probleem van ontoegankelijkheid? En zo ja, kunt u ons een overzicht geven van hoe groot het probleem van ontoegankelijke stations op dit moment is?
Zoals in het antwoord op vraag is meegedeeld is de lift sinds 1 maart jongstleden weer in gebruik. De roltrap is inmiddels 23 jaar oud. ProRail wijst erop dat onderdelen schaars zijn. De onderdelen worden medio maart geleverd. Verwacht hersteldatum van de roltrap is 22 maart 2024.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de problemen met water op station Maarssen worden opgelost en de lift en roltrap snel weer gebruikt kunnen worden?
Helaas is dit het geval. Op 10 maart 2023 waren 8 liften en roltrappen langer dan gebruikelijk stil. Daarvan zijn 7 liften en 2 roltrappen defect als gevolg van wateroverlast.
De totale stilstand (langer dan een week) van alle ProRail liften en roltrappen is bij liften rond 3% en bij roltrappen rond 1%.
Gemiddeld is een lift in 2023 in totaal 9 keer in storing geweest. Van de gemiddeld 9 storingen in 2023 betreft meer dan de helft (5 van de 9 gevallen) een storing met externe oorzaak, zoals wateroverlast, aanrijding, vandalisme etc. Bij 4 van de 9 gevallen gaat het om een interne storing (technisch falen).
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Spoor op 7 maart 2024?
Zie het antwoord op vraag 6.
Olievervuiling op Bonaire |
|
Bart van Kent |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de berichten over olievervuiling aan de kust van Bonaire?1 2
Een dergelijk incident heeft grote impact voor een prachtig stukje Nederland. Dat geldt voor de inwoners, het bestuur, de crisisorganisatie maar ook voor de natuur en biodiversiteit. Ik betreur de gevolgen voor alle getroffenen in welke zin dan ook en heb begrip voor de zorgen die leven op Bonaire. Het Kabinet ondersteunt het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) waar mogelijk bij de bestrijding van de verontreiniging, zowel gedurende als na de crisisfase.
Kunt u de Kamer informeren over de ontstane milieu en natuurschade op Bonaire?
Zoals beschreven in de informerende brief [IENW/BSK-2024/83781] aan de vaste Commissie voor Koninkrijksrelaties lijkt de impact op de natuur en biodiversiteit vooralsnog beperkt. De exacte en lange termijn schade aan de natuur is op dit moment nog niet vast te stellen.
Welke maatregelen zijn reeds genomen om het onderwatermilieu, de kustnatuur en bewoners te beschermen tegen de olievervuiling en welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
In de eerder genoemde informerende brief staan zowel de preventief als correctief genomen maatregelen beschreven waaronder de ondersteuning van militairen. Daarnaast is beschreven hoe de monitoring vanuit de lucht en via satellieten voortgezet wordt. Afgaande op de verantwoordelijken ter plaatse is de situatie onder controle en zijn nadere maatregelen op dit moment niet nodig.
Hoe schat u de risico’s op gezondheidsschade en sterfte in voor mens en dier?
Het risico op gezondheidseffecten voor de mens wordt als klein ingeschat en ook de impact op de natuur en biodiversiteit lijkt vooralsnog beperkt. De exacte en lange termijn schade aan de natuur is op dit moment nog niet bekend. Er is door het Openbaar Lichaam Bonaire aan de lokale natuurorganisaties gevraagd naar de verwachtingen van de lange termijn gevolgen op de natuur in relatie tot de olievervuiling.
Klopt het dat de olie afkomstig is uit het verlaten tankschip Gulfstream?
Die kans is aannemelijk. Het is echter op dit moment niet uit te sluiten dat de substantie afkomstig is uit een andere bron. Er zijn geen feiten die stellig onderbouwen dat het uit de Gulfstream komt. Resultaten vanuit het laboratoriumonderzoek moeten daar duidelijkheid over geven. Die resultaten zijn nog niet bekend.
Wat kunt u doen om de veroorzaker van de ontstane schade aansprakelijk te stellen en de ecologische aantasting als gevolg van dit ongeluk voor de langere termijn in kaart te brengen?
Er wordt bezien of er mogelijkheden zijn om schade te kunnen verhalen. Op dit moment ontbreekt het daarvoor nog aan voldoende informatie. Zo is de eigenaar van het schip nog niet achterhaald, mede omdat de sleepboot «Solo Creed» direct na het ontstaan van de lekkage is verdwenen.
De exacte en lange termijn schade aan de natuur is op dit moment nog niet bekend. Er is door het Openbaar Lichaam Bonaire aan de lokale natuurorganisaties gevraagd naar de verwachtingen van de lange termijn gevolgen op de natuur in relatie tot de olievervuiling.
Het bericht 'Netanyahu: leger zal hoe dan ook Rafah binnenvallen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Netanyahu: leger zal hoe dan ook Rafah binnenvallen»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Bent u op de hoogte van het standpunt van de Israëlische regering dat een «totale overwinning» op Hamas niet mogelijk is zonder een Israëlisch offensief in Rafah?
Ja, dit standpunt is mij bekend. Israël heeft herhaaldelijk verklaard Rafah binnen te zullen gaan, maar de timing en omvang van een dergelijk militair ingrijpen zijn vooralsnog onduidelijk.
Kunt u toelichten van welke humanitaire gevolgen het kabinet uitgaat in het geval van een Israëlisch offensief in Rafah?
Er bevinden zich meer dan anderhalf miljoen mensen in Rafah en deze mensen maken reeds een ernstige humanitaire crisis door. Het is moeilijk voor te stellen dat grootschalig militair optreden in een gebied met zoveel mensen niet zal leiden tot vele burgerslachtoffers en de humanitaire noden nog verder zal doen oplopen. Nederland heeft daarom in gesprekken met Israël en in samenspraak met gelijkgezinde landen herhaaldelijk aangegeven dat een grondoffensief in Rafah niet te rechtvaardigen is en vermeden dient te worden.
Bent u ook van mening dat het onmogelijk is om de ca. 1,5 miljoen Gazanen die zich momenteel in Rafah bevinden tijdig op een veilige en menswaardige manier te evacueren, óók wanneer het tot een eventuele tijdelijke gevechtspauze komt?
Volgens experts is een deugdelijke evacuatie van een dergelijk groot aantal mensen ondoenlijk onder de huidige omstandigheden. Ook bij een eventuele evacuatie dienen de bepalingen van het humanitair oorlogsrecht leidend te zijn.
Verwacht u dat Hamas compleet uitgeschakeld zal zijn na een offensief in Rafah? Kunt u aangeven op welke bronnen u zich beroept in uw antwoord?
Hoewel de capaciteit van Hamas om aanvallen op Israël uit te voeren lijkt te zijn aangetast, is Hamas nog niet uitgeschakeld en lijkt het geenszins bereid te zijn de strijd te staken. Of dat na een eventuele Israëlische grondoperatie in Rafah wel het geval zou zijn, valt moeilijk te voorspellen.
Welke acties onderneemt u (al dan niet in internationaal verband) richting de Israëlische regering nu die aangeeft Rafah hoe dan ook te zullen binnenvallen, en daarmee de oproepen uit de internationale gemeenschap om niet over te gaan tot een Israëlisch offensief in Rafah negeert? Kunt u in uw antwoord ingaan op mogelijke acties die u bereid bent te nemen, buiten het doen van oproepen en voeren van diplomatieke gesprekken om?
In gesprekken met Israël dringt Nederland erop aan om niet over te gaan tot een grootschalig militair offensief in Rafah. Het is moeilijk te zien hoe een dergelijk offensief in een gebied met zoveel mensen niet zal leiden tot vele burgerslachtoffers en een grotere humanitaire catastrofe. Een grootschalig militair grondoffensief in Rafah in deze omstandigheden zal dan ook politieke gevolgen hebben. Dit is onderstreept door Minister-President Rutte tijdens zijn bezoek aan Israël en dit heb ik ook eerder overgebracht aan de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken. Daarnaast steunt Nederland VNVR resolutie 2728 waarin wordt opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren dat moet leiden tot het duurzaam beëindigen van de gewelddadigheden. Het is daarnaast belangrijk dat de partijen gehoor geven aan VNVR resolutie 2728 en Nederland pleit dan ook voor het uitvoeren van de resolutie, zowel in bilateraal als in multilateraal verband.
Staat u nog steeds achter uw eigen woorden dat «alles er nu op [is] gericht om ervoor te zorgen dat [Netanyahu] niet grootscheeps militair ingrijpt terwijl alle mensen nog in Rafah zitten»?2 Welke huidige – en mogelijk toekomstige – acties omvatten de definitie van «alles» uit het bovenstaande citaat?
Ja, zie het antwoord op vraag 6.
Steunt het Nederlandse kabinet een tweestatenoplossing in het conflict?
Het kabinet acht de tweestaten-oplossing, waarbij een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat naast elkaar bestaan, de enige reële weg naar duurzame vrede. Hoewel een tweestaten-oplossing op dit moment ver uit het zicht is, blijft Nederland zich hiervoor in internationaal verband inzetten.
Bent u ervan op de hoogte dat de Israëlische regering tegen een tweestatenoplossing is, en daarmee tegen de doelstelling van het Nederlandse kabinet voor een erkende Palestijnse staat?
Hoewel de Israëlische regering en het parlement hebben verklaard de eenzijdige erkenning van een Palestijnse staat niet te zullen accepteren, sloot Israël de mogelijkheid van een tweestaten-oplossing niet expliciet uit. Een dergelijke regeling kan volgens Israël uitsluitend tot stand komen door directe onderhandelingen tussen beide partijen.
Hoe zorgt u ervoor dat de Nederlandse steun aan Israël niet onbedoeld bijdraagt aan een eenstaatoplossing? Kunt u in uw antwoord aangeven hoe u de middelen (in de vorm van welke steun het kabinet biedt) en het doel dat het kabinet voor ogen heeft (een tweestatenoplossing) zich tot elkaar verhouden?
Het Nederlandse beleid met betrekking tot Israël is gericht op een tweestaten-oplossing en spreekt zich uit tegen acties die dit verhinderen. Zo beschouwt het kabinet Israëlische nederzettingen in bezet gebied als een groot obstakel voor het bereiken van een tweestaten-oplossing en strijdig met internationaal recht. Het kabinet heeft zich dan ook altijd uitsproken tegen de Israëlische nederzettingenpolitiek. Het kabinet verbindt hier ook gevolgen aan, bijvoorbeeld door ontmoedigingsbeleid te voeren t.a.v. economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in nederzettingen. Conform dit beleid ondersteunt de Nederlandse overheid geen activiteiten van bedrijven die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen, of deze direct faciliteren. Ook voert Nederland EU-wetgeving uit met betrekking tot juiste en niet misleidende herkomstaanduiding.
Bent u bereid bovenstaande vragen los van elkaar te beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid de antwoorden binnen een week aan de Kamer te doen toekomen gezien de uiterst gespannen situatie in Gaza, en in het specifiek de situatie in Rafah?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het toenemend geweld tegen zorgverleners |
|
Max Aardema (PVV), René Claassen (PVV), Fleur Agema (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel «Veel agressie tegen artsen op spoedeisende hulp, we willen hulp van politie en de politiek»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met het debat uit januari 2023 waarin uw voorganger stelde dat zorgverleners hun werk gewoon veilig moeten kunnen doen, zonder te worden uitgescholden, te worden belaagd, te worden aangevallen of te worden geïntimideerd, online of fysiek? Wat zijn deze woorden waard? Wat is er in de tussentijd veranderd?
Ja, ik ben bekend met dit debat uit januari 2023. En ik ben van mening dat zorgverleners gewoon veilig hun werk moeten kunnen doen. Dat is helaas niet altijd het geval en daarom ga ik door met de aanpak van agressie in de zorg.
Dit doe ik op verschillende punten. Ten aanzien van agressie is de werkgever primair verantwoordelijk om voor preventie, goede opvang en nazorg op de werkvloer te zorgen. Om hen hierbij te ondersteunen heb ik subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn, om gericht aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een aanpak die aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche.
Verder is het van belang dat in de sector het gesprek gevoerd wordt over de normstelling. Agressie komt voor, maar is niet normaal. Er lopen op dit moment gesprekken met een partij die het handelingsperspectief voor zorgverleners wil schetsen als zij te maken hebben gehad met agressie en daarmee ook het gesprek over de normstelling op gang wil brengen.
Tot slot wil ik de aangiftebereidheid in de sector stimuleren. Ik heb hiervoor een podcast laten maken die deze week is opgeleverd en binnenkort online komt. In deze podcast gaan politie, een zorgorganisatie en een slachtoffer van agressie in gesprek over het doen van aangifte. Op ditzelfde thema organiseer ik regionale bijeenkomsten. In elk van de tien politie-eenheden is inmiddels medewerking toegezegd door coördinatoren Veilig Publieke Taak van politie en/of het Openbaar Ministerie (OM). De eerste bijeenkomst staat gepland op 22 april 2024.
De aanpak van agressie, of het nu in de zorg is of in andere delen van de maatschappij, is een taai vraagstuk dat niet van de ene op de andere dag, of binnen een jaar, kan worden opgelost. Wat ik wel kan doen is het actief onder de aandacht blijven brengen en over de hele linie – preventie, opvang en nazorg, het gesprek over de norm en het doen van aangifte – activiteiten ondersteunen of op gang brengen.
Hebben er naar aanleiding van dit debat gesprekken plaatsgevonden met de sector, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) over het verbeteren van de aanpak van agressie in de zorg verlopen? Zo ja, wanneer en met wie en wat zijn de gemaakte afspraken?
Er hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden. In het voorjaar en de zomer van 2023 hebben gesprekken plaatsgevonden met werkgeversorganisaties over ervaringen met en eventuele knelpunten in de nazorg aan zorgmedewerkers die met agressie te maken hebben gekregen, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7. Tijdens het bestuurlijk overleg arbeidsmarkt in september stonden drempels rondom aangifte doen op de agenda. De opbrengsten daarvan zijn meegenomen in de voorbereidingen van de regionale bijeenkomsten over aangiftebereidheid.
Met (regionale) medewerkers van de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over een bijdrage aan de regionale bijeenkomsten over aangiftebereidheid. Uit elke politie-eenheid is inmiddels een positieve reactie van de politie, het OM of beide.
Kunt u een overzicht geven van het aantal ingediende aangiftes en hoe deze zijn afgedaan door justitie? Zo nee, waarom niet?
Het registreren van het aantal incidenten van geweld en agressie en het stimuleren van de melding- en aangiftebereidheid binnen een beroepsgroep is een belangrijke verantwoordelijkheid van de werkgever.
Aangiften van agressie en geweld waarbij medewerkers met een publieke taak slachtoffer zijn, worden geregistreerd met een apart label «Veilige Publieke Taak» door de politie en het Openbaar Ministerie, omdat hiervoor specifiek beleid is ontwikkeld voor de behandeling van deze aangiften en de vervolging daarvan (de Eenduidige Landelijke Afspraken). Er wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende beroepsgroepen (zorg, openbaar vervoer, rechters, officieren van justitie, notarissen, scheidsrechters, politici, medewerkers van energieleveranciers, drinkwaterleveranciers en andere nutsvoorzieningen, medewerkers van gemeenten, provincies, Rijk, et cetera) vanwege de diversiteit aan publieke taken. Op basis van de systemen van de politie en het Openbaar Ministerie is het dus niet mogelijk de cijfers uit te splitsen naar het aantal aangiften en afdoeningen van agressie en geweld specifiek tegen zorgmedewerkers.
In 2021 registreerde de politie 3271 aangiften waarbij het label «Veilig Publieke Taak» is geregistreerd. In 2022 registreerde de politie 3498 aangiften met het label «Veilig Publieke Taak». In 2023 registreerde de politie 3561 aangiften met dit label. In de genoemde aantallen zijn de aangiften die gaan over geweld tegen politieambtenaren niet meegenomen.
Het Openbaar Ministerie (OM) registreert jaarlijks de instroom van verdachten die verdacht worden van geweld tegen mensen met een publieke taak. In 2021 stroomden 9893 verdachten binnen die verdacht worden van geweld tegen mensen met een publieke taak en in 2022 stroomden 9911 verdachten in. Daarbij dient meegegeven te worden dat in de cijfers van het OM ook de instroom van verdachten is meegenomen die verdacht worden van geweld tegen politieambtenaren.
Over 2022 is bekend dat in 58% van de Veilige Publieke Taak-zaken de zaak door het OM aan de rechter voorgelegd. Dat is meer dan gemiddeld. De overige 42% wordt afgehandeld door het OM. Van de 42% wordt 27% door het OM afgedaan met een strafbeschikking, transactie of voorwaardelijk sepot. Het gaat dan vooral om de lichtere delicten zoals belediging of het niet opvolgen van een bevel. Tot slot wordt 16% van de VPT-zaken onvoorwaardelijk geseponeerd, waarvan circa 45% vanwege het ontbreken van wettelijk bewijs. Het sepotpercentage is minder dan gemiddeld.
Is het doen van aangifte van agressie tegen zorgmedewerkers door werkgevers inmiddels de norm geworden? Zo nee, waarom niet?
Mijn streven is dat de werkgevers de aangiften doen en niet de slachtoffers zelf, omdat de agressie en het geweld bij de uitoefening van het werk heeft plaatsgevonden. Het slachtoffer treedt dan op als getuige. Hierdoor valt veel last bij slachtoffers weg en is er een duidelijke signaalwerking dat werkgevers achter hun medewerkers staan. Uiteraard doet de werkgever alleen aangifte na toestemming van het slachtoffer en ook kan het slachtoffer besluiten toch zelf de aangifte te doen. De werkgever heeft dus niet alleen een belangrijke taak in het voorzien in een veilige werkomgeving voor de medewerkers door het nemen van preventieve maatregelen, maar heeft ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij het doen van meldingen en aangiften als agressie of geweld tegen de medewerkers heeft plaatsgevonden.
In een deel van de Cao’s is opgenomen dat de werkgever beleid ontwikkelt en implementeert omtrent aangifte doen, de werknemer ondersteunt bij aangifte doen en/of aangifte doet namens de werknemer. Dat betekent nog niet dat het de algemene norm is dat de werkgever aangifte doet namens de werknemer. Daar is dus ruimte voor verbetering. Ik streef er daarom naar om het doen van aangifte, en het liefst aangifte door de werkgever, te bevorderen. Ik organiseer regionale bijeenkomsten waar werkgevers in zorg en welzijn, politie en OM bij elkaar gebracht worden om de juiste kennis en informatie uit te wisselen over de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) en knelpunten in het aangifteproces te bespreken met het doel ze weg te nemen. Daarnaast heb ik een podcast laten maken waarin politie, een zorgorganisatie en een slachtoffer van agressie in gesprek gaan over het doen van aangifte. Er wordt in die podcast veel informatie gegeven over het aangifteproces. Ook de rol van de werkgever komt daarbij aan de orde.
Hoe vaak is de 200% straf voor geweld tegen zorgverleners toegepast?
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) vormt het handelingskader voor de politie en het Openbaar Ministerie als het gaat om de opvolging van aangiften van geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak. Hierin staan onder andere afspraken over een harde daderaanpak. Op basis van de ELA, de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen en de toepasselijke richtlijnen voor strafvordering hanteert het OM een 200% hogere strafeis als uitgangspunt.
Op dit moment wordt via het WODC een onderzoek uitgevoerd dat enerzijds beoogt inzicht te bieden in de wijze waarop strafeisen en straffen voor delicten tegen mensen met een veilig publieke taak worden bepaald door officieren van justitie en rechters en anderzijds beoogt inzicht te bieden in de straffen die worden geëist en opgelegd bij deze delicten. Ook kijkt het onderzoek naar de mate waarin een strafverhoging wordt toegepast. De resultaten van het onderzoek worden voor de zomer van 2024 verwacht. Het streven is het onderzoek voor de zomer aan uw Kamer toe te zenden.
Wat is de voortgang van de aangenomen motie over met brancheorganisaties en werkgevers ervaringen en knelpunten bij de zorg voor beschadigde werknemers in kaart brengen? En van de aangenomen motie over het altijd en spoedig opvolgen van aangiftes van agressie tegen zorgmedewerkers?2 3
Er hebben gesprekken plaatsgevonden met brancheorganisaties of sociaal fondsen in de ouderenzorg, jeugdzorg, gehandicaptenzorg, huisartsenzorg, apothekerszorg, GGZ, ziekenhuizen, UMC’s en ambulancezorg. Deze gesprekken zijn inmiddels afgerond.
Er komt een aantal rode draden uit die gesprekken naar voren. Verschillende gesprekspartners geven aan dat de impact van agressie en eventuele schade afhankelijk is van zowel de aard en ernst van de agressie als van de persoon. Agressie heeft vele vormen en het komt bij iedereen anders aan. De opvang is dan ook maatwerk.
De wijze van opvang is gevarieerd, in grote lijnen begint het met intercollegiale opvang en/of opvang door de leidinggevende. Een tweede stap is een nazorgteam, een bedrijfsopvangteam, opvang door bedrijfsmaatschappelijk werk of de arboarts. Dit kan zowel intern als extern belegd zijn. De laatste stap is de gespecialiseerde opvang. Soms kiest een slachtoffer ook voor een andere route bijvoorbeeld lotgenotencontact.
Geen van de partijen heeft duidelijke signalen over knelpunten in de opvang en de nazorg. Over het algemeen zijn procedures en protocollen aanwezig. Gesprekspartners geven echter ook aan dat het verschilt per werkgever hoe deze worden gebruikt en/of opgevolgd. Dit is ook afhankelijk van de affiniteit die de Raad van Bestuur van de betreffende instelling hier mee heeft, van het MT, de cultuur binnen de organisatie en de individuele leidinggevende. Binnen individuele organisaties kunnen er dus wel knelpunten zijn. De primaire verantwoordelijkheid om dit goed op te pakken ligt bij de werkgevers zelf. Ik ondersteun werkgevers hierbij door subsidiegelden beschikbaar te stellen aan vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn, om aan de slag te gaan met de (door) ontwikkeling van een aanpak die aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche.
Een ander punt dat door een deel van de gesprekspartners wordt genoemd is dat er ten aanzien van agressie een cultuur heerst van «het hoort er bij». Dat betekent ook dat mensen niet altijd een beroep doen op nazorg. Er lopen op dit moment gesprekken met een partij die het handelingsperspectief voor zorgverleners wil schetsen als zij te maken hebben gekregen met agressie en daarmee ook het gesprek over de normstelling op gang wil brengen: wat is wel en niet acceptabel, wat hoort er wel en niet bij? Door dit gesprek te voeren wordt ook de bewustwording op gang gebracht dat agressie niet normaal is.
Voor wat betreft de motie over het altijd en spoedig opvolgen van aangiftes van agressie tegen zorgmedewerkers kan ik uw Kamer meegeven dat in de Eenduidig Landelijke Afspraken staat opgenomen dat de politie en het Openbaar Ministerie hoge prioriteit geven aan de opsporing en vervolging van verdachten van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak, waaronder zorgmedewerkers. Dit jaar worden de Eenduidig Landelijke Afspraken geëvalueerd. Als uit de evaluatie concrete knelpunten naar voren komen, dan zal ik hierover in gesprek treden met mijn collega van Justitie en Veiligheid.
Hoe staat het met de voortgang van de aangenomen motie over het taakstrafverbod bij delicten tegen zorgmedewerkers?4
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer op 20 oktober jl.5 geïnformeerd dat er op dit moment gewerkt wordt aan een aangepast wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod, dat een taakstrafverbod regelt bij vormen van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak. Daarbij wordt opnieuw gekeken naar de precieze afbakening van het wetsvoorstel en worden ook de aangenomen moties van uw Kamer meegenomen.
Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid heeft aangegeven tijdens het tweeminutendebat politie van 1 februari jl. wordt het wetsvoorstel voorbereid maar is het aan een nieuw kabinet om daar wel of niet stappen op te zetten.
Op welke termijn kunnen de betreffende wetsartikelen in het Wetboek van Strafrecht aangepast worden zodat alle geweldsdelicten tegen politieagenten, brandweerlieden of ambulancepersoneel niet meer kunnen worden bestraft met alleen een taakstraf, geldboete en/of voorwaardelijke gevangenisstraf?
Zie antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat het ernstig is dat ziekenhuizen hun beveiligers moeten uitrusten met steekwerende vesten en (body)camera's? Zo nee, waarom niet? Welk alternatief kunt u de ziekenhuizen bieden in plaats van particuliere beveiliging?
Ja, ik vind het ernstig dat ziekenhuizen hun beveiligers moeten uitrusten met dergelijk materiaal. Agressie tegen zorgverleners is te allen tijde onacceptabel. Helaas komt het echter voor dat er agressie plaatsvindt in ziekenhuizen en dat de aanwezigheid van beveiligers gewenst is. Het is aan ziekenhuizen zelf of ze particuliere beveiliging inhuren of beveiligers in dienst nemen.
Kunt u een overzicht geven van de kosten die gemoeid zijn met de beveiliging van ziekenhuizen, inclusief steekwerende vesten en camera’s?
Nee, ik heb hier geen overzicht van tot mijn beschikking.
Vindt u net als uw voorganger dat zorginstanties deze beschermingsmiddelen zelf moeten ophoesten, ten koste van gelden die ingezet kunnen worden aan patiënten die daadwerkelijk zorg nodig hebben? Zo ja, waarom? Waar ligt de grens voor u?
Ja, die mening deel ik. Individuele zorginstellingen geven geld uit aan verschillende zaken die niet met de directe patiëntzorg te maken hebben. Ik ga niet over de uitgaven van individuele zorginstellingen.
Kunt u een overzicht geven van de stand van zaken inzake de ontwikkeling en het inzetten van het opleggen van een verplichte anti-agressiecursus aan hen die geweld plegen jegens zorgverleners?
De motie over een gedragsinterventie in de vorm van een verplichte cursus wordt opgepakt in samenwerking met mijn collega van Justitie en Veiligheid. Op dit moment wordt verkend hoe een interventie, zoals beschreven in de motie, aansluit bij het bestaande kader waarin gedragsinterventies kunnen worden opgelegd en bij de reeds bestaande gedragsinterventies die zien op agressiebeheersing. Mijn collega van Justitie en Veiligheid treedt hierover ook in overleg met de reclassering. De reclassering adviseert namelijk over het opleggen van een gedragsinterventie en de reclassering controleert vervolgens of de gedragsinterventie wordt gevolgd.
Kunnen zorgverleners inmiddels weigeren om iemand te behandelen die geweld tegen hen heeft gebruikt? Zo nee, wat bent u voornemens te doen om dat te bewerkstelligen?
Alleen als er een gewichtige reden aanwezig is kunnen zorgverleners de behandelingsovereenkomst met een patiënt opzeggen. Dat volgt uit artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek. De hulpverlener moet zeer terughoudend omgaan met deze mogelijkheid; de hulpverlener behoort rekening te houden met de gezondheidstoestand en afhankelijkheid van de patiënt.
Wat precies wordt verstaan onder «gewichtige redenen» is in de wet niet uitgewerkt. Wel illustreert de KNMG-richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» (2021) met voorbeelden wat gewichtige redenen kunnen zijn. Deze voorbeelden zijn afkomstig uit (de toelichting bij) de wet en uit uitspraken van (tucht)rechters over dit thema. Een van de mogelijk gewichtige redenen is dat de patiënt zeer onheus of agressief gedrag vertoont. Niet elke uiting van onheus of onaangepast gedrag vormt echter grond voor eenzijdige opzegging van de behandelovereenkomst. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden. Ook dient de arts bepaalde zorgvuldigheidseisen in acht te nemen. Een en ander is nader geduid in de richtlijn van de KNMG6.
Deze richtlijn is inmiddels een aantal jaar van kracht. Ik ben voornemens in gesprek te gaan met de KNMG over deze richtlijn, onder andere over de vraag of deze naar hun ervaring afdoende bekend is en voldoende handvatten bevat voor zorgverleners.
Verder is het zo dat in verschillende ziekenhuizen wordt gewerkt met het gele en rode kaartensysteem. Iemand die zich onacceptabel heeft gedragen krijgt een gele kaart, met de mededeling dat de toegang tot het ziekenhuis voor een bepaalde periode wordt ontzegd bij herhaling van dergelijk gedrag. De politie wordt op de hoogte gesteld dat er een gele kaart is uitgereikt. Bij zeer ernstige vormen van ongewenst gedrag kan een rode kaart worden uitgereikt, met de mededeling dat de toegang tot het ziekenhuis voor een bepaalde periode is ontzegd. Er wordt aangifte gedaan en de politie wordt op de hoogte gesteld van het uitreiken van de rode kaart. Dat geldt ook voor mensen die al een gele kaart hebben en zich binnen een bepaalde periode weer onacceptabel gedragen. Er is wel een uitzondering op de ontzegging van de toegang, namelijk als er sprake is van acute nood. Er gaat echter wel een krachtig signaal uit van een gele of rode kaart.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Arbeidsmarkbeleid in de zorg op 6 maart 2024?
Ja, dat kan ik.
Het bericht dat Friese gemeenten miljoenen tekortkomen op jeugdzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Friese gemeenten miljoenen tekortkomen op jeugdzorg?1
Ik ben mij bewust van de uitdagingen binnen het domein van de jeugdzorg. De uitgaven in de jeugdzorg zijn de afgelopen jaren hard gestegen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid werk ik samen met gemeenten en andere betrokken partijen aan deze uitdagingen. Zo zijn in de Hervormingsagenda Jeugd afspraken gemaakt de jeugdzorg kwalitatief te verbeteren en ook het stelsel (financieel) houdbaar te maken.
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de financiële positie en adequate uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden die op hen rusten. De gemeenteraad stelt jaarlijks een begroting vast en de gemeente dient ervoor te zorgen dat deze structureel en reëel in evenwicht is. Dit geldt ook voor de Friese gemeenten. De provinciaal financieel toezichthouder (gedeputeerde staten) besluit ieder jaar of er sprake is van structureel en reëel evenwicht en onder welke vorm van toezicht de gemeente voor het begrotingsjaar valt.
Hoe duidt u de tekorten op het jeugdzorgbudget van deze gemeenten? Wijt u deze aan het gemeentelijke beleid of speelt hier ook het gebrek aan financiering van gemeenten?
De gemeenteraad stelt jaarlijks een begroting vast en de gemeente dient ervoor te zorgen dat deze structureel en reëel in evenwicht is. Dit geldt ook voor de Friese gemeenten. Binnen de kaders van de wet- en regelgeving, zoals de Jeugdwet, is het aan de individuele gemeenten hoe ze hun ontvangsten uit het gemeentefonds inzetten. De middelen uit de algemene uitkering van het gemeentefonds zijn beleids- en bestedingsvrij voor gemeenten.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de uitgaven van gemeenten aan jeugdzorg hoger zijn dan de middelen die zij hiervoor vanuit het Rijk hebben ontvangen. Sinds 2019 heeft het Rijk jaarlijks extra middelen verstrekt aan gemeenten. Een Commissie van Wijzen heeft vervolgens in 2021 een uitspraak gedaan over de ontwikkeling van de uitgaven in relatie tot het budget en heeft geadviseerd over het beschikbaar stellen van aanvullende middelen en het nemen van (besparings)maatregelen. Dit heeft geleid tot de Hervormingsagenda die in juni 2023 met de VNG en andere partijen is afgesloten. Hierin zijn afspraken gemaakt om het jeugdstelsel inhoudelijk te verbeteren en het stelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst.
Een commissie van deskundigen zal zwaarwegend advies geven aan het Rijk en de VNG ten aanzien van de uitvoering van de maatregelen en de gepleegde inspanningen, mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling («mid-term review»). De commissie wordt gevraagd in januari 2025 een eerste advies te formuleren.
In hoeveel gemeenten spelen dit soort tekorten op het jeugdzorgbudget nog meer?
Ik beschik niet over een overzicht van welke gemeenten een tekort op jeugdzorg hebben.
Wat zijn de gevolgen van deze tekorten voor jongeren die jeugdzorg nodig hebben in deze gemeenten? Krijgen zij hier nog steeds toegang toe of komen zij hierdoor in de knel?
Op basis van de Jeugdwet moeten gemeenten hulp bieden aan jongeren die, naar het oordeel van het college, jeugdhulp nodig hebben. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad erop toe te zien dat deze jeugdhulpplicht wordt nagekomen.
Ook moet elke gemeente zorgen dat er onafhankelijke cliëntondersteuners zijn. Deze ondersteuners helpen mensen hun ondersteuningsbehoeften helder te krijgen en de juiste hulp te vinden.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat jongeren hierdoor minder zorg of slechtere zorg krijgen dan zij nodig hebben?
Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat deze jeugdhulpplicht wordt nagekomen en dat de gemeente hulp biedt aan de jongeren die, naar het oordeel van het college, jeugdhulp nodig hebben.
Met de in juni 2023 afgesloten Hervormingsagenda willen betrokken partijen ervoor zorgen dat jeugdigen en gezinnen wanneer dit nodig is zo snel als mogelijk passende ondersteuning en zorg ontvangen. Daarnaast beogen we met deze Hervormingsagenda het stelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst. Zoals toegelicht in de voortgangsbrief Jeugd van 18 december 2023 zijn partijen hard aan de slag met de uitvoering van de in de Hervormingsagenda beschreven maatregelen.
Bent u zich ervan bewust dat deze tekorten nog verder op zullen lopen als er geen oplossing komt voor het zogeheten «ravijnjaar» in 2026, wanneer gemeenten bijna vier miljard euro minder inkomsten dreigen te krijgen? Wanneer komt u met een oplossing voor het ravijnjaar?
Op 14 december jl. heeft de Minister van BZK uw kamer geïnformeerd (Kamerstuk 36 410, nr. 832) dat een gezamenlijke notitie is opgesteld over de «Plussen en minnen op hoofdlijnen» van de financiën van de medeoverheden. Dit leidde in het Bestuurlijk Overleg over de Financiële verhoudingen met de medeoverheden (BOFv) van 21 november jl. tot een gesprek over de balans van ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht.
In maart en april heeft nog tweemaal een BOFv plaatsgevonden. Uw Kamer is over de uitkomsten hiervan geïnformeerd als onderdeel van de Voorjaarsnota (hoofdstuk 4.7 medeoverheden).
Ziet u dat de huidige inrichting van de jeugdzorg (en de zorg in brede zin), met marktwerking waarbij allerlei commerciële bureaus en aanbieders veel geld uit de zorg kunnen halen niet goed werkt om jongeren de zorg te geven die zij nodig hebben?
In de jeugdhulp is geen sprake van vrije marktwerking. Met aanvullende vormen van regulering worden grenzen aan de marktwerking gesteld met als doel daar waar nodig de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van jeugdhulp aan kwetsbare kinderen te waarborgen. Ik ben het ermee eens dat we perverse prikkels in de jeugdhulp moeten terugdringen. In de Hervormingsagenda Jeugd zijn afspraken gemaakt hoe dergelijke perverse prikkels worden aangepakt, onder meer door versterking van de inkooprol door gemeenten via standaardisatie van de inkoop en contracten en verdere regulering van de markt door o.a. de AMvB reële prijzen en het wetsvoorstel «Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders».
Beseft u dat de bezuinigingspolitiek op de jeugdzorg sinds 2015 de problemen vooral erger heeft gemaakt, zeker in combinatie met het feit dat de markt niet uit de jeugdzorg is gehaald?
Dat deel ik niet. De decentralisatie in 2015 is gepaard gegaan met een taakstelling die qua orde van grootte niet in verhouding staat tot de extra uitgaven die we in latere jaren hebben gezien. De taakstelling was expliciet onderdeel van de afspraken met de VNG in het kader van de decentralisatie. De uitvoering door gemeenten zou immers leiden tot doelmatigere inzet van de middelen. Vanaf 2019 zijn jaarlijks aanvullende middelen beschikbaar gesteld (in 2019 € 400 mln, oplopend tot ruim € 850 mln in 2021). Vervolgens heeft een Commissie van Wijzen in 2021 een uitspraak gedaan over de ontwikkeling van de uitgaven in relatie tot het budget en geadviseerd over het beschikbaar stellen van aanvullende middelen en het nemen van maatregelen. Dit heeft geleid tot de Hervormingsagenda die in juni 2023 met de VNG en andere partijen is afgesloten.
Bent u nog steeds van mening dat het onverantwoord is om de geplande bezuiniging van 511 miljoen euro op de jeugdzorg door te zetten? Zo ja, bent u bereid om deze ook daadwerkelijk te schrappen zodat de jeugdzorg niet nog verder in de knel komt?
In de Voorjaarsnota zijn hier nadere afspraken over gemaakt, zie Voorjaarsnota 2024 pagina 56.
De relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie in algemene zin? Hoe verplaatst deze stikstof zich?
In het natuur- en stikstofdossier gaat het bij depositie over het neerdalen van stikstofcomponenten uit de lucht. De stikstofcomponenten komen in de lucht als gevolg van activiteiten zoals wegverkeer (stikstofoxiden) en het houden van dieren (ammoniak), de emissie. Hoe, waar, en in welke mate die emissie weer op de bodem deponeert, hangt af van heel veel variabelen zoals het weer, de locatie van de emissie, de emissiehoogte, en de terreinruwheid. In algemene zin geldt dat een halvering van de emissie van een specifieke bron, ook ongeveer een halvering van de depositie als gevolg van die specifieke bron betekent.
Meer algemene informatie is te vinden op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).1
Voor een specifieke situatie, waarbij de locatie en de karakteristieken van de emissiebron bekend zijn, kan de relatie tussen die emissie en de bijbehorende depositie bepaald worden met behulp van AERIUS Calculator.
Wat is de relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie door wilde dieren? Hoe verplaatst deze stikstof zich?
Er is geen specifieke uitspraak te doen over die relatie, daarvoor is het afhankelijk van te veel variabelen. Dat geldt ook voor de manier waarop de stikstofemissie verplaatst.
Wordt hierbij rekening gehouden met de insleep van stikstof in Natura2000-gebieden? Ganzen, zwijnen en herten fourageren immers vaak buiten Natura2000-gebieden, terwijl de rust en verblijfgebieden zich binnen Natura2000-gebieden bevinden.
Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen op 16 februari 20242 is dit bekend en wordt hier tot op zekere hoogte rekening mee gehouden.
Hoeveel van de 1,9 kiloton stikstofemissie door wilde dieren met een oorsprong van buiten Natura2000-gebieden komt terecht in Natura 2000-gebieden?
Er is een inschatting gemaakt van de totale ammoniakemissie naar de lucht afkomstig wilde dieren in Nederland. Bij die analyse is geen berekening gemaakt hoeveel daarvan binnen Natura 2000 terechtkomt en hoeveel daarbuiten.
Wat is het effect hiervan op deze Natura 2000-gebieden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verdedigt u uw stelling dat 1,9 kiloton stikstofemissie door wilde dieren slechts van beperkte impact is op de doelstellingen van het stikstofbeleid en het behoud van Natura 2000-gebieden?
In 2021 was de totale ammoniakemissie van Nederlandse bronnen 122 kiloton. De bijdrage van wilde dieren is met 1,9 kiloton dus ongeveer 1,5% op het totaal aan emissies. De totale ammoniakemissie van Nederlandse bronnen zorgt voor iets minder dan de helft van de totale depositie op Natura 2000-gebieden (de andere helft komt van stikstofoxiden en buitenlandse bronnen).
De bijdrage van wilde dieren op de totale stikstofdepositie is bij benadering dus minder dan 1% en daarmee beperkt.
Hoe wordt de variabiliteit in foerageergedrag en rustpatronen van verschillende watervogelsoorten en hoefdieren meegenomen in de emissieberekeningen van stikstof en welke stappen worden genomen om deze factoren nauwkeuriger te kunnen beoordelen in toekomstig onderzoek?
Zoals aangegeven in de beantwoording van uw eerdere Kamervragen op 16 februari 20243 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar biogene emissies. Op dit moment ziet het RIVM, mede vanwege de geringe bijdrage, geen aanleiding om hier nader onderzoek op uit te voeren.
De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
Erkent u dat de fecaliën van (water)vogels, hoefdieren, huisdieren en paarden die terecht komen in Natura2000-gebieden met een oorsprong van buiten deze gebieden, van veel grotere directe invloed kan zijn in de stikstofbelasting in Natura2000-gebieden dan de depositie van ammoniak en stikstofoxide in gasvorm via de lucht?
Nee. De uitwerpselen van (water)vogels, hoefdieren, huisdieren en paarden kunnen lokaal een negatief effect hebben op de biodiversiteit, maar de hoeveelheden verschillen sterk per soort en per gebied en zijn daardoor niet in het algemeen te vergelijken met stikstofdepositie uit de lucht. In sommige locaties binnen Natura 2000-gebieden kan de bijdrage aan vermesting van huisdieren zoals honden, relatief groot zijn. Dat is bij beheerders veelal bekend, zie ook het antwoord op vraag 16. Stikstofdepositie uit de lucht vindt overal binnen een gebied plaats en heeft naast een vermestend effect ook een verzurend effect. De invloeden zijn dus moeilijk met elkaar te vergelijken.
Klopt het dat één wintergans (in rust) in een Natura2000-gebied verantwoordelijk is voor 14 mol N (stikstof) per hectare en in slaap op het water er ongeveer 100 gram poep per dag in het water terecht komt? Heeft dit laatste invloed op de waterkwaliteit?
Mij is de oorsprong van deze cijfers niet bekend.
Het algemene effect van (wilde) dieren is uitgewerkt in het antwoord op vraag 8. Daarnaast is in de beantwoording van de eerder genoemde Kamervragen op 16 februari 2024 aangegeven dat de totale stikstofdepositie door vogeluitwerpselen gering is. Studies waaronder die van Wageningen Environmental Research (WEnR) in de provincie Utrecht concluderen dat de bijdrage van watervogels aan de stikstofdepositie als klein kan worden beschouwd.4
Klopt het dat bij de berekening van de stikstofdepositie in de Natura2000-gebieden er geen rekening wordt gehouden met de stikstofemissie van wilde dieren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 wordt de berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
In de natuurdoelanalyses is uitgegaan van de gerapporteerde totale depositie en is veldonderzoek in de gebieden zelf uitgevoerd.
Klopt het dat er ook in de natuurdoelanalyses geen rekening wordt gehouden met stikstofemissie door wilde dieren?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe groot is de omvang van ontbrekende data over soorten ten tijde van aanwijzing van de Natura2000-gebieden?
De inschattingen van de stikstofemissie naar de lucht die afkomstig is van wilde dieren zijn niet voor historische jaren berekend.
Tegelijk geldt, net als bij de eerdere antwoorden, dat ook ten tijde van de aanwijzing de totale depositie werd gekalibreerd op basis van metingen.
Wat voor gevolgen heeft het ontbreken van deze data?
Zoals in eerdere antwoorden aangegeven wordt de totale depositie gekalibreerd op basis van metingen om zo te corrigeren voor eventueel ontbrekende data. Omdat de bijdrage van wilde dieren aan de totale emissie van stikstof naar de lucht zo beperkt is, worden hier geen generieke beleidsmaatregelen op gericht.
Op welke manier en wanneer wordt deze ontbrekende data aangevuld?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat als er referentiedata ontbreekt en er slechts data beschikbaar is van één meetmoment, dit kan leiden tot de conclusie dat de staat van de natuur kan verslechteren?
Bij het opstellen van de natuurdoelanalyses deed zich inderdaad soms de situatie voor dat er beperkingen waren in de beschikbaarheid van data over de referentiesituatie. In deze gevallen is gebruik gemaakt van een «beste schatting» op basis van wat wel bekend is. Hiervoor zijn bestaande (historische) bronnen gebruikt en in combinatie met een onderbouwde beredenering. Daarbij is het van belang dat de gebruikte redenering navolgbaar is, daar toetst de Ecologische Autoriteit ook op. Dit betekent dus dat het ontbreken van gegevens over de referentiesituatie niet per se hoeft de leiden tot een conclusie dat verslechtering niet is uit te sluiten.
Bent u bekend met het onderzoek van de universiteit van Gent over de effecten van uitwerpselen van honden op de natuur?1
Ja.
Welke conclusies verbindt u hieraan?
Het onderzoek heeft het aantal honden in natuurgebieden geteld en op basis daarvan een berekening gemaakt. Het onderzoek heeft niet specifiek gekeken naar het aantal uitwerpselen dat is achtergelaten door honden in de natuur, waardoor het gemiddelde volume van urine en uitwerpselen slechts een schatting is. Dat laat onverlet dat ik het raadzaam vind dat natuurbeheerders bezoekers van natuurgebieden blijven wijzen op de schade die hondenpoep en -urine toe kan brengen aan de natuur.
Klopt het dat er onderzoeken zijn met hierin scenario’s waarin hondeneigenaren hondenpoep opruimden en hiermee de stikstofdepositie met 56 procent is gedaald?
De genoemde 56% daling van de stikstofbijdrage betreft alleen het aandeel van de honden zelf. Het is geen daling ten opzichte van de totale stikstof die in de natuur terecht komt. De stikstof in uitwerpselen van honden moet worden onderscheiden van de atmosferische stikstofdepositie, omdat de effecten en hun locaties heel verschillend zijn.
Bent u bereid om ook dergelijke onderzoeken in Nederland te laten uitvoeren?
Ook in Nederland wordt lokaal onderzoek gedaan naar hondenpoep in natuurgebieden. Bijvoorbeeld ten behoeve van het beheerplan in het Ulvenhoutse bos.
Borselse Voorwaarden |
|
Sandra Beckerman |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het besluit van de gemeenteraad van Borsele van 11 januari 2024 om in te stemmen met de bouw van nieuwe kerncentrales onder een aantal voorwaarden waaronder de definitieve opslag van kernafval?1 2
Ja daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op de voorwaarde dat er tijdens de vergunningverlening voor nieuwe kerncentrales in Zeeland al een concreet plan moet zijn voor de eindberging van radioactief afval evenals dat de eindberging in 2050 in gebruik zijn genomen? Hoe verenigt u deze harde eisen van Borsele met de ambities van het kabinet op het gebied van kernenergie?
De Borsele Voorwaarden Groep (BVG) heeft op verschillende thema’s (Voorwaardenpakketten) voorwaarden gepresenteerd ten behoeve van het overleg tussen het Kabinet, de provincie Zeeland en de gemeente Borsele voor de mogelijke bouw van twee nieuwe kernreactoren binnen de gemeente Borsele. Begin april neemt de Minister voor Klimaat en Energie deze in ontvangst en zal deze richting uw Kamer sturen.
Het Kabinet zal in overleg met de provincie Zeeland en de gemeente Borsele tot een gezamenlijk en evenwichtig pakket aan afspraken moeten komen over de bouw van de nieuwe reactoren. Hierop kan niet op onderdelen vooruit worden gelopen. Zoals eerder aangeven zijn de voorwaarden hierbij zwaarwegend, maar kunnen er geen garanties worden gegeven. Het ontwerpen van een besluitvormingstraject voor de eindberging van radioactief afval maakt overigens3 deel uit van de herziening van het NPRA (Nationaal Programma radioactief Afval), waar een routekaart naar eindberging onderdeel van zal zijn.
Bent u, in het licht van dit besluit, bereid om het staand Nederlands beleid om een eindberging pas per 2130 te realiseren te herzien? Zo ja, op welke manier wilt u zorgen voor een dergelijke eindberging in het jaar 2050?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat eerst moet worden beantwoord waar en hoe nucleaire afval opgeslagen wordt voordat überhaupt gesproken kan worden over de bouw van nieuwe kerncentrales? Zo nee, kunt u uitleggen waarom het kabinet bereid is hier een risico in te nemen?
Het huidige beleid ten aanzien van radioactief afval ziet op het in bedrijf nemen van een geologische eindberging in 2130. Tot die datum ligt het afval bovengronds opgeslagen bij de Centrale Opvang voor radioactief Afval (COVRA) in Zeeland. Het afval ligt daar veilig, dus vanuit veiligheidsperspectief is er voor het Kabinet geen aanleiding de eindberging eerder in bedrijf te nemen.
Deelt u de mening van adjunct-directeur COVRA, Ewoud Verhoef dat bovengrondse opslag niet langer dan honderd jaar wenselijk is?3 Zo ja, is dit te rijmen met het gestelde beleid van het kabinet op dit gebied?
Het huidige beleid is dat het radioactief afval vanaf 2130 wordt overgebracht van de bovengrondse opslag bij COVRA naar de eindberging. De uitspraken van de plv. directeur van COVRA sluiten hierop aan.
Op welke manier wordt de zogeheten routekaart voor de eindberging van kernafval voorbereid? Wie zijn daarbij betrokken? Doen daar ook maatschappelijke organisaties aan mee? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet; en bent u bereid die organisaties alsnog aan deze voorbereidingen deel te laten nemen?
Op dit moment werk ik, in samenwerking met o.a. de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën aan een actualisatie van het Nationale Programma radioactief Afval (NPRA). Gepland is dat dit geactualiseerde NPRA in het derde kwartaal van 2025 wordt afgerond en aan uw Kamer aangeboden.
Om de maatschappij hierbij te betrekken (burgers, overheden, belangorganisaties) is ervoor gekozen een mer-traject (milieueffectrapportage) te starten voor dit NPRA. Van 3 oktober tot en met 13 november 2023 kon iedereen een zienswijze indienen op de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Ook is de Commissie MER om advies gevraagd5.
De nota van antwoord n.a.v. zienswijzen wordt nu opgesteld, en ik verwacht deze medio april aan de Kamer te kunnen aanbieden. Daarna zal een milieueffectrapport worden opgesteld waarvoor ook zienswijzen ingediend zullen kunnen gaan worden.
Wordt opslag in zoutkoepels, ondanks de vele zorgen over beweging van de koepels, lekkage en instroom van water, nog overwogen? Zo ja, kunt u deze zorgen weerleggen?
COVRA werkt op dit moment aan safety cases voor een eindberging in verschillende aardlagen waaronder zoutkoepels6. Dit bekent niet dat hiervoor al een keuze is gemaakt. In de safety case worden de risico’s van het ontwerp van een eindberging in zoutkoepels beschouwd, en wordt ook aangegeven hoe de risico’s geadresseerd kunnen worden.
Ik heb het Rathenau Instituut gevraagd met een voorstel te komen hoe publieksparticipatie bij het proces van keuze voor de eindberging kan worden vormgegeven. Het Rathenau Instituut heeft aangegeven in juli van dit jaar met haar eindrapport te komen. Als dit rapport beschikbaar is zal ik dit met de Kamer delen. De resultaten van het rapport zullen worden betrokken bij de verdere vormgeving van de in antwoord op vraag 2 en 3 bedoelde routekaart.
Worden de zoutkoepels bij Ternaard, Pieterburen, Bourtange, Onstwedde, Schoonloo, Gasselte-Drouwen, Hooghalen en Anloo nog overwogen voor opslag van kernafval? Hoe reageert u op lokaal weerstand tegen opslag van kernafval in deze zoutkoepels?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe kijkt u naar de ervaringen van de Duitse overheid met betrekking tot kernafval in zoutkoepels, zoals bijvoorbeeld in Asse en Morsleben? Is het kabinet nog steeds van mening dat dit wenselijk is, ondanks deze voorbeelden?
De opslagen in Asse en Morsleben zijn gesitueerd in voormalige zoutmijnen en niet in zoutkoepels. Voor het omgaan met de risico’s van een eindberging in (bijvoorbeeld) zoutkoepels verwijs ik naar de antwoorden op vraag 7 en 8.
Oliewinning onder Rotterdam |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken rondom de oliewinning onder Rotterdam?
Op 9 juni 2022 heb ik ingestemd met het winningsplan voor oliewinning onder Rotterdam. Hier is onder meer door de gemeente Rotterdam beroep tegen ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ik ben in afwachting van de zitting. Deze is op dit moment nog niet gepland.
Bent u bereid in contact te treden met Bewonersgroep Oud-Charlois en actiegroep Stop Oliewinning Rotterdam die zich keren tegen de oliewinning en tijdens het wachten op de uitspraak van de Raad van State over de oliewinning beter geïnformeerd willen worden over de activiteiten in de grond onder hun huizen en de consequenties daarvan nu en in de toekomst?
Ja. Ik vind het erg vervelend dat bewoners zich zorgen maken over de activiteiten in de grond onder hun huizen en de consequenties daarvan nu en in de toekomst. Ik ga daarover graag met hen in gesprek.
Wat bent u bereid te doen om de informatiepositie over de oliewinning, de mogelijke verkoop van het veld en mogelijke andere activiteiten in de bodem van de bewoners (in totaal 70.000 woningen) boven het olieveld te verbeteren?
Zoals aangegeven bij vraag 2 ben ik bereid om in contact te treden met bewoners. Ik vind het daarnaast essentieel dat de exploitant, in dit geval de NAM, de bewoners goed informeert. Daarom heb ik NAM gevraagd de informatievoorziening te verbeteren.
Bent u bekend met het beroepschrift van de gemeente Rotterdam van 20 juli 2022 richting de Raad van State? Kunt u uitgebreid ingaan op de bezwaren van de gemeente Rotterdam in dit beroepschrift?
Ja, ik ben bekend met het beroepschrift van de gemeente Rotterdam en heb in mijn verweerschrift aan de Afdeling ook gereageerd op de geuite bezwaren. Nu deze beroepszaak nog onder de rechter is, kan ik verder niet inhoudelijk ingaan op de inhoud van het beroepschrift en mijn verweer.
Deelt u de zorgen van de gemeente Rotterdam over de mogelijke cumulatie van effecten en de risico’s die oliewinning met zich meebrengt voor geothermieprojecten, waardoor de klimaattransitie ook wordt gehinderd?
Nee, die zorgen deel ik niet. Op dit moment zijn er geen geothermieprojecten in de nabijheid van het Rotterdam olieveld. Indien er in de toekomst plannen zijn om geothermieprojecten te ontwikkelen en daarvoor putten te boren, dienen deze toekomstige projecten rekening te houden met ondergrondse activiteiten die al plaatsvinden. Ik heb op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat voortzetting van de oliewinning de toekomstige mogelijkheden voor geothermie belemmert.
Bent u bekend met het feit dat Rotterdam gevoelig is voor bodemdaling en de negatieve effecten groot kunnen zijn?
Ik ben bekend met de effecten van de bodemdaling als gevolg van de oliewinning in Rotterdam. Deze effecten heb ik beoordeeld in mijn besluit op het winningsplan. De bodemdaling die vanaf nu nog verwacht wordt is minder dan 2 cm. Dat maakt dat de totaal opgetreden bodemdaling door de oliewinning sinds de start van de oliewinning in 1984 maximaal 7 cm zal zijn in 2035. Het Staatstoezicht op de mijnen (SodM) en TNO onderschrijven dat de samengestelde bodemdaling veroorzaakt door alle velden in de omgeving inclusief historische en toekomstige productie maximaal 7 cm zal zijn.
Bent u bekend met het feit dat de oliewinning juist plaats zou vinden onder een sociaaleconomisch kwetsbaar gebied? Wordt dit meegenomen in het vegrunningstraject?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik heb ingestemd met de oliewinning, die hier sinds 1984 plaatsvindt, omdat deze veilig kan worden uitgevoerd. Sociaaleconomische factoren spelen geen rol in de beoordeling of een winning veilig is. Ik verleen alleen een vergunning als de winning veilig en verantwoord kan plaatsvinden. Dit geldt voor alle gebieden waar mijnbouwactiviteiten plaatsvinden.
Kunt u nader ingaan op de inschatting van de gemeente Rotterdam dat 25 procent van de bodemdaling te wijten is aan oliewinning? Kunt u daarbij de actuele en lokale meetgegevens in ogenschouw nemen?
Ik ben bekend met de inschatting van de gemeente Rotterdam dat tenminste 25% van de bodemdaling in dit gebied wordt veroorzaakt door de oliewinning. Deze conclusie kan mijns inziens niet worden getrokken uit de data van de InSAR-bodemdalingsmetingen, op grond van het meetplan Zuid-Holland.
Ik heb begrepen dat de gemeente zich baseert op InSAR data. Die data betreft enkel de totale bodemdaling in dit gebied. De autonome bodemdaling varieert bovendien sterk in dit gebied. Daarmee is het op basis van InSAR data niet mogelijk om een percentage te geven van het aandeel van de bodemdaling in dit gebied dat wordt veroorzaakt door de oliewinning. Binnen dit gebied kan het percentage sterk verschillen.
Daarnaast concluderen TNO, SodM en Tcbb naar aanleiding van het winningsplan dat deze bodemdaling geen of zeer beperkte effecten zal hebben op de veiligheid van omwonenden, schade aan gebouwen of infrastructurele werken.
Periodiek wordt de bodemdaling gemeten op grond van het meetplan van de NAM. Dit meetplan behoeft de goedkeuring van SodM. Deze metingen laten zien dat de gemeten bodemdaling als gevolg van de oliewinning plaatsvindt binnen de marges van de (eerdere) berekeningen. Mocht deze gemeten bodemdaling afwijken van de berekeningen uit het winningsplan, dan moet NAM de winning op grond van dit winningsplan stopzetten. SodM ziet hierop toe.
Hoe wordt er zorggedragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor eventuele toekomstige gevolgschade door boringen?
NAM is op grond van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor mijnbouwschade. Voor het geval NAM of diens rechtsopvolger betalingsproblemen hebben, failliet is verklaard of niet meer bestaat, is er een Waarborgfonds Mijnbouwschade opgericht. Dit fonds is bedoeld als vangnet voor bewoners die schade hebben door mijnbouw, maar zij dit niet meer op het mijnbouwbedrijf of de rechtsopvolger kunnen verhalen.
Is er periodieke monitoring georganiseerd op bodemindaling die los staat van de reguliere bodemindaling waar het westen van het land in zijn algemeenheid last van heeft en zodat er duidelijke knip gemaakt kan worden tussen verzakkingsschade door natuurlijke verzakking en door boringen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De toegestane bodemdaling is vastgelegd in het wettelijke besluit over de winning. Vervolgens moet NAM jaarlijks een meetplan ter goedkeuring indienen bij SodM, waarin NAM beschrijft hoe zij de bodemdaling meet. Hiermee kan onderscheid worden gemaakt tussen bodemdaling door olie- en gaswinning en andere oorzaken. Deze meetplannen worden gepubliceerd op de website www.nlog.nl/meetplannen.
Kunt u met een voorstel komen om een rechtvaardig deel van de mijnbouwopbrengsten ten gunste te laten komen van de sociale en economische positie van het gebied en de bewoners?
Nee, ik heb reeds in 2022 ingestemd met het winningsplan. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 7 februari 2024 (Kamerstuk 32 849, nr. 240) heb ik in 2023 een verkenning laten uitvoeren naar een mogelijke andere lustenverdeling bij mijnbouwactiviteiten, mede in het kader van de Contourennota Mijnbouw. Op basis van dit rapport kan gesteld worden dat een nieuw herverdeelmodel wenselijk kan zijn, maar dat het herverdeelproces gecompliceerd is en een alternatieve verdeling van risico’s met zich meebrengt. Uiteindelijk moet voorkomen worden dat herverdeling tot nieuwe ongelijkheden leidt. Het kiezen voor een ander herverdeelmodel is daarom inherent een politieke keuze. Deze keuze is aan een nieuw kabinet.
De beïnvloeding van de Eritrese diaspora door de Eritrese regering |
|
Sarah Dobbe , Michiel van Nispen (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rellen Den Haag kunnen ook werk regering Eritrea zijn»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de mogelijke beïnvloeding van de Eritrese diaspora in Nederland door de Eritrese regering? Kunt u een uitgebreide toelichting geven?
Zoals ook aangegeven in een brief aan uw Kamer in 20162 is het beeld van sociale druk binnen de Eritrese gemeenschap niet volledig eenduidig. Mogelijk vindt dit wisselende beeld zijn oorsprong voor een deel in een generatieverschil tussen personen die voor, dan wel na de onafhankelijkheid het land hebben verlaten. Het is niet vast te stellen of de druk die sommige Eritreeërs ervaren een direct gevolg is van invloed die de Eritrese overheid zou uitoefenen in Nederland op personen van Eritrese afkomst. Het kabinet erkent dat de sociale druk die Eritreeërs in Nederland kennelijk ervaren niet kan worden genegeerd. Hiervoor zijn verschillende maatregelen genomen, zie meer hierover onder het antwoord op vraag 4.
In algemene zin geldt dat sinds 2018 het kabinet een nationale aanpak tegen Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI) hanteert, waarover uw Kamer meermaals is geïnformeerd. Deze aanpak bestaat uit drie sporen, te weten het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijk/strafrechtelijke spoor. Deze integrale OBI-aanpak wordt voortdurend bezien op effectiviteit en actualiteit. Hiertoe is in 2018 de zogenoemde OBI-tafel opgericht, onder coördinatie van de NCTV. Dit is een periodiek, interdepartementaal overleg waarbij de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangesloten, alsmede de nationale politie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Indien ons signalen bereiken over onwenselijke beïnvloeding wordt niet geschroomd stevig in te grijpen. Zo is in 2017 de Tijdelijk Zaakgelastigde van het Eritrese ambassadekantoor in Den Haag persona non grata verklaard na berichtgeving over het innen van diasporabelasting met dwang. In 2020 is daarnaast een lokale medewerker van ditzelfde ambassadekantoor weggestuurd omdat hij zich voordeed als consul en geld ophaalde. Uw Kamer is destijds over deze zaken geïnformeerd.
Tot op heden zijn bij ons geen signalen bekend dat er bij de recente rellen sprake was van aansturing door of vanuit het Eritrese regime. Wel is de Eritrese ambassadeur in België, onder wiens ressort Nederland valt, uitgenodigd voor een gesprek (zie ook het antwoord op vraag 7).
Welke maatregelen gaat u nemen om onwenselijke beïnvloeding door de Eritrese regering nog verder te voorkomen? Kunt u een uitgebreide toelichting geven?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de maatregelen, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie (Kamerstuk 22 831, nr. 125) op het rapport naar aanleiding van de motie Karabulut voldoende uitgevoerd en hebben zij het gewenste effect gehad? Kunt u een uitgebreide toelichting geven?
Met bovengenoemde kabinetsreactie van december 2016 heeft de regering maatregelen aangekondigd n.a.v. de moties die werden aangenomen tijdens een debat over de invloed van Eritrea in Nederland. Deze maatregelen betreffen 1) Het uitvoeren van een onderzoek naar de inning van diasporabelasting 2) Het onderzoeken of een centraal meldpunt voor Eritreeërs een zinvolle en doelmatige aanvulling is op bestaande mogelijkheden, 3) Het bevorderen van integratie en participatie van de Eritrese gemeenschap in Nederland, in samenwerking met de gemeenschap zelf, 4) Het opstellen van een handreiking voor lokale overheden en hulpverlening en de situatie in Eritrea en Nederland nauwlettend volgen. Hieronder per maatregel de stand van zaken.
Over de uitkomsten van het onderzoek naar de inning van diasporabelasting werd uw Kamer in 2018 reeds geïnformeerd.3 Zie hierover meer bij het antwoord op vraag 5.
Betreffende het meldpunt, is in de beantwoording van Kamervragen van 26 juli 20184 aangegeven dat het kabinet nog steeds van mening is dat een speciaal meldpunt voor Eritreeërs, zoals waar de motie onder andere toe oproept, niet nodig is. In plaats van een nieuw meldpunt in het leven te roepen zetten de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid in op het wijzen op de mogelijkheden rondom de gang naar de politie. Daarnaast is uw Kamer op 6 april 2023 geïnformeerd over de algemene geïntensiveerde aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI), die tot doel heeft mogelijke drempels die burgers ervaren bij het doen van OBI-meldingen zoveel mogelijk te verlagen, als ook door het centraal bijeenbrengen van OBI-meldingen trends en dreigingen op dit gebied eerder te kunnen onderkennen.5 Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan de uitvoering van de motie Becker die oproept tot het inrichten van een breed meldpunt voor slachtoffers van OBI.6 U wordt later dit jaar geïnformeerd over de voortgang van de geïntensiveerde aanpak van OBI. Deze motie zal daar onderdeel van uitmaken.
De Expertise Unit Sociale Stabiliteit heeft, conform de toezegging in de kabinetsreactie van december 2016, een netwerk opgebouwd binnen de Eritrese gemeenschap in Nederland. Daarnaast zijn gemeenten individueel ondersteund bij vraagstukken over de lokale Eritrese gemeenschappen en daar waar nodig in contact gebracht met (leden van) dit netwerk. Dit netwerk is nog steeds actief.
Tot slot heeft het Ministerie van SZW in 2017 een «Handreiking voor ondersteuning van Eritrese nieuwkomers bij hun integratie» laten opstellen, met als doel een beschrijving te geven hoe de participatie en integratie van Eritrese statushouders wordt vormgegeven en voor elk beleidsterrein dat daarmee gemoeid is, best practices en tips te delen.
Dankzij deze maatregelen werden de oplopende spanningen van de afgelopen maanden binnen de Eritrese gemeenschap gesignaleerd door de Expertise Unit Sociale Stabiliteit. Van oktober 2023 tot en met januari 2024 zijn hierover (signaal)gesprekken gevoerd met verschillende ministeries, gemeenten en de gemeenschap zelf.
Blijft u bij het standpunt dat het innen van diasporabelasting niet kan worden verboden binnen de huidige rechtsgronden, zoals u onder andere verwoord heeft in het schriftelijk overleg uit 2019?2 Ziet u noodzaak en/of mogelijkheden om de wet te wijzigen om dit wel mogelijk te maken?
Zoals ook aangegeven in een Kamerbrief van 9 november 20188 zijn de afgelopen jaren op verzoek van uw Kamer verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de Eritrese diasporabelasting en de wijze van inning van deze belasting. Uit deze onderzoeken is gebleken dat de inning van diasporabelasting niet onrechtmatig is. In het algemeen geldt dat staten de vrijheid hebben om, binnen de grenzen van het internationale recht, hun belastingstelsel in te richten en hierbij maatregelen te nemen om zich te verzekeren van de inning van belasting. De onderzoeken bevestigden tevens dat het in het Nederlandse belastingstelsel niet mogelijk is om de heffing en de inning van de Eritrese diasporabelasting in Nederland te verbieden. De inning is sinds een ministeriële regeling uit 20169 wel verboden als deze gepaard gaat met fraude, dwang, afpersing en andere strafbare feiten, of wanneer zij in strijd is met het op Eritrea van toepassing zijnde sanctieregime. Dat is niet gebleken.
Het kabinet blijft de situatie ten aanzien van de inning van diasporabelasting nauwgezet volgen. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van dwang, intimidatie of fraude bij de inning van de diasporabelasting, is het van groot belang dat personen die dwang of intimidatie ervaren hiervan aangifte doen bij de politie, zodat hieraan strafrechtelijke opvolging kan worden gegeven.
Zijn er na het incident uit 2020 nog meer incidenten geweest met de Eritrese ambassade met betrekking tot het innen van de diasporabelasting en/of de beïnvloeding van de Eritrese diaspora door de Eritrese regering? Is de Kamer daarover geïnformeerd? Kunt u een uitgebreide toelichting geven?
Bij het kabinet zijn geen incidenten bekend na 2020 waarbij is vastgesteld dat diasporabelasting werd geïnd door de Eritrese ambassade onder dwang.
Bent u van plan een onderzoek in de stellen naar de beïnvloeding van de Eritrese diaspora door de Eritrese regering? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in 2016 reeds opdracht gegeven voor een kwalitatief onderzoek om inzicht te krijgen in het netwerk van Eritrese (zelf)organisaties in Nederland, de mate en aard van de (buitenlandse) aansturing van Eritrese (zelf)organisaties in Nederland door de Eritrese overheid en/of daaraan gelieerde organisaties en de mate en aard van de ervaren druk onder Eritreeërs in Nederland. Hierover is uw Kamer geïnformeerd (Kamerstukken II, 2016–2017, 22 831, nr. 125)10. Er zijn bij het kabinet geen verdere indicaties die erop wijzen dat de uitkomsten van dit eerdere onderzoek niet meer in overeenstemming zijn met de huidige situatie.
Wel heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Eritrese ambassadeur in Brussel, onder wiens ressort Nederland valt, in een gesprek duidelijk kenbaar gemaakt dat Nederland verwacht dat de ambassade signalen van eventuele spanningen rondom evenementen onder de aandacht brengt bij de Nederlandse autoriteiten. Tevens is benadrukt dat verwacht wordt dat de ambassade zich inspant om een de-escalerende rol te spelen bij spanningen binnen de Eritrese gemeenschap.
Bent u bereid bereid om, bij een eventueel onderzoek, ook de verschillende groeperingen in Nederland in kaart te brengen en de beïnvloeding van deze afzonderlijke groepen in het onderzoek mee te nemen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht ‘Nederlandse geheime dienst maakte decennia gebruik van naziapparaat’ |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Was u ervan op de hoogte dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) gebruik maakte van dossiers verzameld door de Gestapo en Sicherheitsdienst, waar onder andere martelbekentenissen tussen zitten en verzetsstrijders worden weggezet als terroristen, om voormalige verzetsstrijders en activisten uit de Tweede Wereldoorlog te bespioneren?1 Deelt u de mening dat het gebruik van nazidocumenten door de BVD absoluut moet worden veroordeeld? Gaat u dat ook doen?
De aanwezigheid van documenten van de Duitse bezetter in BVD dossiers is midden jaren negentig beschreven in het proefschrift van Dick Engelen, die bij de BVD werkzaam was. Diens boek werd geschreven en uitgegeven in opdracht van toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken mevrouw Dales, zoals ook in de door u aangehaalde berichtgeving staat vermeld.2
De nazidocumenten, waaronder die van de Sicherheitsdienst, kwamen op diverse manieren bij de BVD en diens voorlopers terecht. Dossiers waarin dergelijke documenten werden vastgelegd hadden betrekking op verschillende soorten onderzoek, zoals het onderkennen van mogelijk direct na de oorlog in Nederland achtergebleven Duitse spionagenetwerken, het in kaart brengen van vaak al voor de oorlog bestaande door de Sovjet-Unie aangestuurde spionagenetwerken, en het in kaart brengen van leden van de Communistische Partij van Nederland (CPN) in de naoorlogse periode.
Er bestaat geen overzicht van de nazidocumenten die in het bezit waren van de BVD en diens voorlopers. Evenmin is er een overzicht van hoe dergelijke documenten daar terecht zijn gekomen, of van de dossiers waarin deze zijn vastgelegd. Tenslotte is er geen overzicht van de ethische, juridische en operationele overwegingen van toentertijd met betrekking tot het gebruik van informatie uit nazidocumenten. Derhalve kan ik op een aantal van uw vragen slechts in algemene zin antwoord geven.
Artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en het VN-Verdrag tegen foltering bevatten een absoluut verbod op marteling. Foltering voor het verkrijgen van informatie maakt hiervan deel uit. Het spreekt voor zich dat ik folteringen verwerp. Het is ontoelaatbaar dat langs deze weg informatie wordt verkregen, en ook dat via foltering verkregen informatie wordt gebruikt.
Tevens kan ik in algemene zin stellen dat de BVD onderzoeken die in de berichtgeving worden beschreven plaatsvonden binnen andere wettelijke kaders dan het huidige. Zoals mijn ambtsvoorganger en ik op uw eerdere vragen hebben geantwoord waren de bevoegdheden van de BVD en diens voorgangers slechts summier wettelijk vastgelegd en geldt dat deze onderzoeken in de context van toenmalige bedreigingen van de nationale veiligheid moeten worden gezien.3 4
Overigens staat in de door u aangehaalde berichtgeving onder andere dat de BVD «informatie verzamelde via het naziapparaat» en dat «de Nederlandse staat na de oorlog de methoden van de bezetter heeft gebruikt.»5 Deze wijze van formuleren wekt de indruk dat de BVD organisaties als de Sicherheitsdienst zou hebben ingezet en zich bediende van hun werkwijzen waaronder foltering. Ik weerspreek deze suggesties met kracht. De BVD dateert van 1949 en bediende zich op geen enkele wijze van martelingen of soortgelijke methoden van de nazi’s.
Deelt u de mening dat het gebruik van nazidossiers van geëxecuteerde verzetsstrijders en de Erelijst van Gevallenen om hun netwerken en activiteiten in kaart te brengen complete misbruik van deze informatie is?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het gebruik van martelbekentenissen van verzetsstrijders en gevangenen door de BVD om verzetsstrijders en hun netwerken verder te bespioneren?
Zie antwoord vraag 1.
Worden documenten van de Gestapo en Sicherheitsdienst nog steeds gebruikt door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD?)
Nee.
Kunt u reageren op de uitspraak van hoogleraar Kees Ribbens, die vindt dat het wetenschappelijk neutraliteit van het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) en voorganger Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) zijn aangetast doordat de BVD nazidocumenten voor spionage gebruikte? Mocht RIOD de BVD weigeren om documenten mee te geven? Waarom is er niet bekend hoe de BVD toegang had tot deze dossiers? Kunnen we hieruit de conclusie trekken dat het gebruik van nazidocumenten door de BVD onrechtmatig en onrechtvaardig was?
Zie antwoord vraag 1.
Geeft de AIVD het NIOD toegang tot alle archieven van de BVD om onderzoek te doen naar de relatie tussen de instellingen tijdens de Koude Oorlog? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht grote waarde aan onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek, ook naar de geschiedenis van de BVD en diens voorlopers. Dit is dan ook een belangrijke reden om in de afgelopen jaren een groot aantal dossiers over te brengen naar het Nationaal Archief. Dit maakt grondig en gericht onderzoek mogelijk, en stelt onderzoekers in staat de in de archiefstukken vervatte informatie in hun historische context te plaatsen en hierover te publiceren. Als het NIOD voornemens is om onderzoek te doen dan zal de AIVD zijn medewerking verlenen, zoals de AIVD dat ook in eerdere onderzoeken door het NIOD heeft gedaan.
Hoe kijkt u naar het voorstel van Martijn Eickhoff, directeur van het NIOD, om onderzoek te doen naar de relatie tussen de BVD en het RIOD?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het ermee eens dat onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek kan bijdragen aan het herstel van vertrouwen in de veiligheidsdiensten dat, waaronder door deze onthullingen, een knauw heeft gekregen?
Ik ben niet van mening dat «het vertrouwen in de veiligheidsdiensten» is geschaad. Evenmin acht ik een «grootschalig onderzoek» naar «de handelwijze» van de BVD nodig. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 en 7 aangaf maakt de AIVD onderzoek mogelijk naar de geschiedenis van de BVD en diens voorlopers, niet alleen door dossiers uit het archief over te brengen naar het Nationaal Archief maar onder meer ook door medewerking te verlenen aan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, zoals door het NIOD.
Met een terugblik op eerder gestelde schriftelijke vragen over de BVD2 3, deelt u de mening dat grootschalig onderzoek naar de handelwijze van de BVD nodig is?
Zie antwoord vraag 8.