Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot achterstalling onderhoud waterveiligheid |
|
André Rouvoet (CU), Emile Roemer (SP), Alexander Pechtold (D66), Femke Halsema (GL), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet wil dat «achterstallig onderhoud op dit gebied [vergroting van de waterveiligheid om te kunnen blijven voldoen aan geldende normen] wordt uitgevoerd»?1
Ja.
Wat betekent dit, gezien de huidige tekorten voor de uitvoering van de werkzaamheden als gevolg van de 2e toetsingsronde en de nog te volgen resultaten van de 3e toetsingsronde?
Volgend uit de wettelijke systematiek wordt sinds 2007 gewerkt aan het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2). Mijn voorganger heeft afgelopen jaar een aanzienlijk financieel tekort gemeld op het lopende verbeterprogramma.
Conform de wettelijk systematiek, volgen dit jaar de toetsresultaten van de Derde Toetsing. Die zal leiden tot een nieuw verbeterprogramma (het HWBP3), waarvan de kosten nu nog niet kunnen worden ingeschat.
Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
In de Waterwet zijn per dijkring de waterveiligheidsnormen vastgelegd en is vastgelegd dat iedere zes jaar wordt beoordeeld of de waterkeringen aan de norm voldoen en dus hoog en sterk genoeg zijn. In 2011 volgen de resultaten van de Derde Toetsing. Conform de Waterwet komen daarna in 2017 de resultaten van de Vierde Toetsing beschikbaar.
Wat is het uitgangspunt per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Omdat de wettelijke systematiek een periodieke 6-jaarlijkse toetsing voorschrijft, is het uitgangspunt per 1 januari 2011 het toetsbeeld van 2006. Echter dit jaar volgt een nieuw actueel toetsbeeld en zodra nieuwe toetsresultaten van de derde toetsronde compleet bekend zijn, zal dit als uitgangspunt dienen.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken en met welke middelen?
Allereerst zal het kabinet onverminderd doorgaan met de lopende uitvoeringsprogramma’s zoals bijvoorbeeld het HWBP2, Maaswerken, Ruimte voor de Rivier, Zwakke Schakels Kust en het handhaven van de basiskustlijn door zandsuppleties. Daarnaast wordt doorgegaan met het Deltaprogramma en zal worden gewerkt aan de voorbereiding van het HWBP3.
Zoals, tijdens een debat in de Tweede Kamer op 13 december 2010 door mij is toegezegd, zal ik vóór de begroting 2012 een integraal veiligheidsprogramma aanbieden dat inzicht zal bieden wat de waterveiligheidsopgave de komende jaren zal zijn en welke kosten daarmee gepaard zullen gaan.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Dat wordt in de begrotingscyclus meegenomen en derhalve in de verantwoordingen van IenM (hoofdstuk 12 en Infrastructuurfonds) verwerkt. Daar bovenop ontvangt de Kamer specifieke voortgangsrapportages van de belangrijkste waterveiligheidsprogramma’s (HWBP2, Maaswerken en Ruimte voor de Rivier).
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot energiebesparing |
|
André Rouvoet (CU), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA), Emile Roemer (SP), Kees van der Staaij (SGP), Alexander Pechtold (D66), Femke Halsema (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet 2% energiebesparing per jaar tussen nu en 2020 wil?
Zoals in het regeerakkoord is aangegeven zijn de Europese doelen voor een duurzame energievoorziening leidend. Dit betekent 20% CO2-reductie en 14% duurzame energie in 2020. Energiebesparing is belangrijk voor het behalen van deze doelstelling, maar is geen doel op zich. Het stellen van een subdoel voor energiebesparing kan zelfs leiden tot inefficiëntie, wat betekent dat het voor consument, bedrijven en overheid tezamen duurder wordt om de doelstellingen ten aanzien van CO2-reductie en duurzame energie te realiseren. In 2007 heeft ECN berekend dat de 2% besparingsdoelstelling naast de doelstelling voor CO2-reductie leidt tot een stijging van de nationale kosten van ruim € 2,5 mld1. Het kabinet heeft daarom geen separate doelstelling voor energiebesparing.
Dit neemt niet weg dat dit kabinet energiebesparing belangrijk vindt, niet alleen voor verduurzaming van de energievoorziening, maar zeker ook voor de concurrentiekracht van het Nederlands bedrijfsleven en de koopkracht van de consument. Het kabinet heeft daarom als doel dat energiebesparing op een kosteneffectieve wijze wordt ingezet om de doelstellingen te bereiken. Daarom zal het energiebesparingsbeleid worden voortgezet en versterkt. De convenanten met industrie, landbouw, gebouwde omgeving en transport blijven gehandhaafd, terwijl daar bovenop een Green Deal afgesloten gaat worden.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren? Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd? Kunt u aangeven hoeveel het energiegebruik zou moeten dalen om deze besparingsdoelstelling te realiseren (in Petajoule primair)?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven, heeft dit kabinet geen separate doelstelling voor energiebesparing. Van nulmeting, tussendoelen, meetbare indicatoren en voortgangsrapportages zal dan ook geen sprake zijn. In het kader van de bestaande sectorakkoorden, waaronder de Meerjarenafspraken wordt de energie-efficiëntie van deelnemende partijen wel gemonitord en gerapporteerd aan uw Kamer.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren? Kunt u aangeven wat het energiegebruik (in Petajoule primair) in 2010 is? Kunt u aangeven welk percentage energiebesparing gerealiseerd wordt in 2010 ten opzichte van 2009?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015? Kunt u aangeven hoeveel het energiegebruik (in Petajoule primair) in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 jaarlijks zou moeten dalen om deze besparingsdoelstelling jaarlijks te realiseren?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken? Kunt u aangeven wat de in het regeerakkoord benoemde «green deal» inhoudt voor energiebesparing? Kunt u aangeven welke in de Tussenbalans Schoon en Zuinig benoemde maatregelen ten aanzien van energiebesparing u overweegt in te voeren? Kunt u aangeven welke lopende convenanten op vlak van energiebesparing u van plan bent tussen nu en 2015 te verlengen? Overweegt u om in plaats van convenanten op basis van vrijwillige participatie bindende maatregelen te nemen wanneer deze convenanten niet in de beoogde energiebesparing resulteren of om individuele bedrijven uit de convenanten te gooien mits ze niet aan de voorwaarden voldoen?
In februari 2011 zal ik uw Kamer per brief informeren over het plan van aanpak van de Green Deal. In deze brief zal ik ook ingaan op de relatie van de green deal met de bestaande convenanten.
Wanneer gaat het kabinet dit doen? Kunt u aangeven wanneer u met een uitwerking van de Green Deal op het vlak van energiebesparing komt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen? Kunt u aangeven wanneer en op welke manier u verantwoording zal afleggen over de voortgang gedurende deze kabinetsperiode wat betreft de doelstelling voor energiebesparing per 2020?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven, heeft dit kabinet geen separate doelstelling voor energiebesparing.
Het ten onrechte opslaan van kentekengegevens van burgers |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Klopt de strekking van het bericht «Opstelten wil gangen van automobilisten vastleggen»?1
Er wordt momenteel een wetsvoorstel voorbereid dat het mogelijk maakt om ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten gedurende een beperkte periode kentekengegevens te bewaren die zijn verkregen door gebruik van Automatic Number Plate Recognition (ANPR). In het aangehaalde artikel worden conclusies getrokken die ik niet deel. De belangen van enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de opsporing van strafbare feiten kunnen – mits voorzien wordt in een goede regeling – beiden worden gediend. Met goede waarborgen – bijvoorbeeld wat betreft het gebruik van gegevens – kan de persoonlijke levenssfeer voldoende worden beschermd. Dit hoeft niet ten koste te gaan van de effectiviteit van ANPR als opsporingsinstrument. Dergelijke waarborgen zullen bij de nieuwe regelgeving worden betrokken.
Wat is uw reactie op de constatering dat u te gemakkelijk omspringt met het opslaan van gegevens van onschuldige burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak worden er fouten gemaakt bij het opslaan van kentekengegevens? Wat zijn hier de consequenties van?
De kans op fouten bij de opslag is minimaal. In de praktijk komt het soms voor dat bij het omzetten van het kenteken op de foto een letter of cijfer in het kenteken door vervuiling van de kentekenplaat niet juist wordt weergegeven in tekst. In geval van een hit vindt daarom, voordat de politie tot actie overgaat, aan de hand van de gemaakte foto een visuele controle plaats op de juiste omzetting van het kenteken naar computerschrift. Indien deze omzetting onjuist is gebleken is geen sprake van een hit en gaat de politie niet tot actie over. De betreffende gegevensset wordt daarop verwijderd.
Wanneer gaat u de Kamer informeren over de details van uw voorstel? Kan de Kamer van u verwachten dat u haar informeert wat de feitelijke consequenties van uw voorstel zullen zijn, zoals het aantal kentekens dat wordt opgeslagen? Gebaseerd op de huidige situatie, wat is het te verwachten aantal hits en no-hits? Op welke trajecten gaan kentekens geregistreerd worden?
Het wetsvoorstel zal in januari 2011 in consultatie worden gegeven. Het streven is erop gericht het wetsvoorstel in maart of april 2011 ter advisering aan de Raad van State voor te leggen. Naar verwachting kan het wetsvoorstel voor de zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. De verschillende aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van het wetsvoorstel – zoals punten die in de gestelde vragen worden genoemd – zullen hierbij aan de orde komen.
Omdat de aantallen kentekens en de aantallen hits en no-hits fluctueren, afhankelijk van bijvoorbeeld tijdstip en locatie, zijn deze aantallen niet precies aan te geven. Bij behandeling van het wetsvoorstel zullen wij u verder informeren over verwachtingen omtrent het aantal hits en no-hits en over de trajecten waar al dan niet kentekens geregistreerd gaan worden.
Wat is uw reactie op de mogelijkheid van het lekken van een dergelijke databank?
De technische beveiliging van de databank voor passagegegevens zal voldoen aan de binnen de politie geldende eisen zoals deze ook gelden voor bijvoorbeeld het Geautomatiseerd Opsporingsregister (OPS) en het Herkenningsdienstsysteem (HKS). Daarnaast is toegang tot de gegevens geprotocolleerd en voorbehouden aan die medewerkers die hiervoor zijn geautoriseerd. Van elke toegang tot de gegevens zal worden gelogd welke gegevens zijn bevraagd, wat hiertoe de aanleiding was en door wie de bevraging is uitgevoerd. De politie neemt dus afdoende maatregelen om onbevoegd gebruik van opgeslagen gegevens te voorkomen.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde mogelijkheid dat deze databanken interessant kunnen zijn voor hackers, met name in het licht van de recent gebleken kwetsbaarheid van door de overheid opgeslagen gegevens zoals de casus WikiLeaks duidelijk heeft gemaakt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de eerdere kritiek van het College bescherming persoonsgegevens (Cpb) dat door het niet direct vernietigen van no-hits iedere automobilist die over een traject rijdt waar de politie automatische kentekenherkenning toepast als potentiële verdachte in de politiebestanden terecht komt en dat dit in strijd is met de wet en een onrechtmatige inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van de automobilist, alsook de conformering van het vorige kabinet aan de bevindingen van het Cbp?2
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de in het rapport van de commissie Brouwer-Korf, «Gewoon doen, beschermen van veiligheid en persoonlijke levenssfeer» genoemde criterium voor de afweging tussen veiligheid en privacy om het werken met persoonsgegevens tot het noodzakelijke minimum beperken?3
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de in het Regeerakkoord uitgesproken doelstelling om voorgenomen maatregelen inzake opslag, koppeling en verwerking van persoonsgegevens zoveel mogelijk te voorzien van een horizonbepaling en bij de voorbereiding nadrukkelijk te toetsen aan effectiviteit?4
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken betreffende de in het regeerakkoord aangekondigde meldplicht voor alle diensten van de informatiemaatschappij, waaronder de overheid, in geval van verlies, diefstal of misbruik van persoonsgegevens waarbij alle datalekken worden gemeld aan de nationale toezichthouder die boetes kan opleggen indien de meldplicht niet wordt nageleefd? Deelt u de mening dat deze meldplicht eerst uitgewerkt moet worden, voordat de overheid een nieuwe database met persoonsgegevens gaat inrichten?4
Ik streef ernaar om in het wetsvoorstel een meldplicht, als in het regeerakkoord aangekondigd, op te nemen. Ik ben niet van mening dat ontwerp en inrichting van nieuwe gegevensverzamelingen bij de overheid principieel zou moeten worden opgeschort tot de regeling van de meldplicht in de wet is opgenomen. Wanneer er een noodzaak tot een nieuwe gegevensverzameling bestaat, zal die moeten worden gestart. Ik breng daarbij in herinnering dat de geldende Wet bescherming persoonsgegevens reeds thans een beveiligingsverplichting bevat die zonodig met een dwangsom kan worden gehandhaafd. Ook kunnen dwingende eisen van Europees recht ten grondslag liggen aan de inrichting van een nieuwe gegevensverzameling voordat de meldplicht definitief is geregeld. Inrichting van nieuwe gegevensverzamelingen zal, met inachtneming van de uitgangspunten die het regeerakkoord daarover geeft, van geval tot geval moeten worden bezien.
Hoe verhoudt uw ambitie om het wetsvoorstel nog dit kalenderjaar in te dienen zich tot het feit dat de onderzoeksresultaten van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) over het meer en beter inzetten van technische toepassingen ten behoeve van opsporing dat in medio 2011 verwacht wordt? Deelt u de mening dat deze resultaten afgewacht moeten worden voordat u met een wetsvoorstel kunt komen?
In het wetsvoorstel dat wordt voorbereid zal een onderbouwing worden opgenomen van het belang van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens voor de opsporing van strafbare feiten. Het WODC onderzoek zal naar ik verwacht aanvullende relevante informatie opleveren die bovendien kan worden betrokken bij de implementatie van de wettelijke regeling en het in de praktijk verder ontwikkelen van deze vorm van ANPR. Daarnaast zal het WODC naar verwachting aangrijpingspunten opleveren voor de beoordeling van de praktische toepassing van ANPR op basis van de nieuwe wettelijke voorziening.
Hoe verhouden uw plannen zich tot de studie van het Rathenau instituut, waarin geconcludeerd wordt «dat het toenemend gebruik van databases in onze gedigitaliseerde samenleving niet zonder risico’s is en dat we lessen moeten trekken uit de ervaringen die daarmee tot nu toe zijn opgedaan.»?5 Welke lessen trekt u uit de ervaringen die de Nederlandse overheid tot nu toe heeft met de opslag van gegevens in databases? Welke lessen trekt u uit de recente kwetsbaarheid van de bescherming van gegevens door de overheid, zoals deze is gebleken uit de casus WikiLeaks?
Ik deel de conclusie van het Rathenau instituut dat het gebruik van databanken niet zonder risico’s is. De lessen die het Rathenau instituut trekt voor een doordacht ontwerp van databanken, zoals adequate bescherming van de gegevens, inzage- en correctierechten voor burgers en helder omschreven verzameldoelen en doelbinding zijn grotendeels ook wettelijk vastgelegd in bijvoorbeeld de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de Wet politiegegevens. Ook bij het verzamelen en verwerken van kentekengegevens zullen deze wettelijke vereisten in acht worden genomen. Ik ben mij ervan bewust dat het verzamelen van veel informatie in databanken het risico van datalekken met zich mee brengt. Om datalekken tegen te gaan is in het regeerakkoord opgenomen dat het kabinet met een voorstel komt voor een meldplicht bij datalekken. Zie daaromtrent het antwoord op vraag 10.
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot het kindgebonden budget |
|
Emile Roemer (SP), Alexander Pechtold (D66), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA), Femke Halsema (GL), André Rouvoet (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet bezuinigt op het kindgebonden budget?1
Ja.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
De doelstellingen van het kabinetsbeleid zullen worden verwerkt in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting 2012.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de nominale effecten op de uitkeringen van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
In de begroting 2012 zal worden ingegaan op de inkomenseffecten die samenhangen met de maatregelen in het Regeerakkoord. Voor een nadere toelichting op de invoering van het woonlandbeginsel en de stopzetting van de export van het kindgebonden budget buiten de Europese Unie, verwijs ik u naar mijn brief van 22 december aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal betreffende de aanpak beperking export uitkeringen.
Wat zijn de budgettaire effecten van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
De budgettaire effecten van de bezuinigingen zijn als volgt (zie Financiële bijlage regeerakkoord, pagina 2 (in miljarden euro’s; + = besparing, – = intensivering):
Een nadere uitsplitsing van maatregel Woonlandbeginsel WIA, ANW, AKW/WKB en Niet exporteren kinderbijslag buiten EU volgt bij Begroting 2012.
Budgettaire effecten (€ mld)
2011
2012
2013
2014
2015
struc.
Maatregelen WKB
0,2
0,21
0,22
0,23
0,23
Woonlandbeginsel WIA, ANW, AKW/WKB
– 0,01
0,01
0,01
0,02
0,02
0,03
Niet exporteren kinderbijslag buiten EU
0,01
0,01
0,01
Vermogenstoets kindgebonden budget
0,02
0,02
0,02
0,02
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Het kabinet bereidt een wetswijziging in de Wet op het Kindgebonden Budget voor. Voor de maatregelen met betrekking tot de export van het Kindgebonden budget verwijs ik naar mijn eerder genoemde brief over dit onderwerp.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
In 2011. De wetgeving met betrekking tot de vermogenstoets dient in te gaan per 1 januari 2013. Voor de planning met betrekking tot de invoering van het woonlandbeginsel en stopzetting van de export verwijs ik naar mijn eerder genoemde brief over dit onderwerp.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Het kabinet legt jaarlijks verantwoording af over het beleid via het Jaarverslag op Verantwoordingsdag.
Bezuinigingen Leonardo-onderwijs Stichting Primair Openbaar Onderwijs de Liemers |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u ermee bekend dat het Leonardo-onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen in Zevenaar door een structurele tekort waarmee de Stichting Primair Onderwijs De Liemers geconfronteerd wordt, vanaf 2011 alleen kan worden voortgezet wanneer ouders een veel hogere bijdrage gaan betalen?
Het is mij bekend dat de Stichting PrimairOnderwijs De Liemers geen structureel tekort heeft rond het Leonardo-onderwijs, omdat deze stichting geen Leonardo-onderwijs aanbiedt.
Van de Stichting Primair Openbaar Onderwijs De Liemers is mij daarentegen wel bekend dat zij aangeeft een structureel financieringstekort te hebben voor het Leonardo-onderwijs.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat ouders een hoge eigen bijdrage moeten betalen voor Leonardo-onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen?
Dat ouders een hoge bijdrage «moeten» betalen voor onderwijs vind ik niet wenselijk. Maar ouders kiezen vrijwillig voor het Leonardo-onderwijs en daarvan is bekend dat er een ouderbijdrage wordt gevraagd.
Kunt u aangeven of u meer berichten hebben bereikt over bekostigingstekorten in het Leonardo-onderwijs?
Ja, er zijn meer geluiden dat scholen die Leonardo-onderwijs aanbieden moeite hebben om dit arrangement te financieren.
Bent u bereid te overwegen om eventueel een overbruggingsbudget uit het toegezegde budget van € 30 miljoen1 beschikbaar te stellen, in afwachting van het actieplan voor hoogbegaafde en excellente leerlingen dat u de Kamer voor 1 maart 2011 heeft toegezegd, voor die scholen die geconfronteerd worden met zodanige bekostigingsproblemen dat zij onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen niet langer kunnen bekostigen?
Ik heb uw verzoek overwogen, maar niet overgenomen. De reden daarvoor is de volgende. Het Leonardo-concept wordt vrij strikt geformuleerd door de Leonardo stichting. Scholen kiezen zelf voor het Leonardo-concept. Dat het concept een zware last drukt op het budget van de school, weet de school van te voren. Als de scholen de financiering dan moeilijk geregeld krijgen, is het niet aan de overheid om bij te springen. Scholen kunnen ook kiezen voor een minder kostbaar concept om hun hoogbegaafde leerlingen een passend aanbod te doen. Er zijn ook veel scholen die andere, minder kostbare arrangementen voor hun hoogbegaafde leerlingen organiseren.
Mijn plannen voor hoogbegaafden zal ik dit voorjaar in het actieplan presenteren. Ik loop daar nu niet op vooruit door beschikbare middelen al uit te geven.
Klopt het dat het kabinet investeert in binnenvaart om wegen en milieu te ontlasten?1
Ja.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
Het kabinet richt zich met haar investeringen in de binnenvaart op het toekomstvast realiseren van betrouwbare reistijden op goed gedimensioneerde vaarwegen en het creëren van de juiste randvoorwaarden ter verbetering van de veiligheid en duurzaamheid.
Als indicatoren worden gehanteerd: het percentage schepen dat binnen de normtijd een sluis passeert, het percentage van de tijd dat de vaarweg voldoet aan de zgn. CEMT-normen van die specifieke vaarweg, de emissies van schepen en het aantal significante ongevallen op vaarwegen.
Voor de vaarwegen wordt gemonitord op het percentage van de tijd dat de vaarweg voldoet aan de normen, in combinatie met voortgangsinformatie over MIRT-projecten voor onderhoud en aanleg. Dat zegt iets over de effectiviteit van verbeteringsmaatregelen aan de vaarwegen. Daarnaast wordt gemonitord op het aantal uitgevoerde inspecties en de naleving door schepen van regelgeving op het gebied van veiligheid en emissies.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Hiervoor verwijs ik naar het Jaarverslag (dat de Kamer in mei 2011 zal ontvangen) en de jaarlijkse veiligheidsbalans en het Meerjarenjarenplan van de Inspectie.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Voor de bereikbaarheid van vaarwegen worden jaarlijkse streefwaarden geformuleerd. In de begroting zijn die in artikel 34 van hoofdstuk XII en artikel 15 van het Infrafonds voor de jaren 2011 en 2012 te vinden. Aan de streefwaarden en de indicatoren voor de periode daarna wordt gewerkt. Verder zijn mijlpalen voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud (2016) en van MIRT-projecten in het MIRT-projectenboek 2011 vermeld. Voor de veiligheid op de binnenwateren zullen in de begroting 2012 streefwaarden worden ontwikkeld, mede op basis van het advies van het Comité Binnenvaartveiligheid.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Ik zal de komende jaren op verschillende manieren in de vaarweginfrastructuur investeren.
Ik zal het programma voor het wegwerken van achterstallig onderhoud onverkort uitvoeren. Dat is in 2016 klaar. In deze kabinetsperiode is er ca. € 1,5 miljard beschikbaar voor onderhoud aan vaarwegen. Daarnaast speel ik in op de verwachte groei in het goederenvervoer door capaciteitsknelpunten op achterlandverbindingen over het water aan te pakken. Tot 2020 is daarvoor circa € 3 miljard beschikbaar. Tevens investeer ik in de periode tot 2013 ca. € 100 miljoen in verkeersmanagement op de vaarwegen ten behoeve van het beter benutten van de vaarwegen. Tot slot zet ik de huidige kwaliteitsimpuls van binnenhavens voort.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
Voor de vaarwegen verwijs ik daarvoor naar het MIRT-projectenboek en de Infrafondsbegroting, waarin alle mijlpalen staan vermeld. Voor het overige verwijs ik naar de antwoorden op vraag 5 en 6.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Voor de vaarwegen zijn de budgetten in het Infrafonds beschikbaar, evenals de inzet van RWS/IVW-personeel voor inspecties, handhaving en incident-management. In internationaal verband (CCR/EU) wordt gewerkt aan vooruitstrevend bronbeleid aan motoren en technische regelgeving van schepen.
Kan worden toegelicht hoe de bezuiniging van 300 miljoen euro op de jeugdzorg zich verhoudt tot een verbetering van de effectiviteit?
Deze vraag ligt buiten het terrein van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en zal ik doorverwijzen naar mijn collega-ambtsgenoot.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Dat wordt in de begrotingscyclus meegenomen en derhalve in de verantwoordingen van IenM (hoofdstuk 12 en Infrastructuurfonds) verwerkt.
Particulieren die hun auto uitlenen en verliezen vanwege openstaande verkeersboetes van een ander |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wet Mulder dupeert auto-uitlener» en de tv-uitzending Meldpunt over dit onderwerp?1
Ja.
Klopt het gestelde dat een particulier die te goeder trouw een auto uitleent aan iemand die openstaande verkeersboetes heeft, het risico loopt dat die auto in beslag wordt genomen op grond van bepalingen in de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wet Mulder)? Zo ja, wat heeft de wetgever precies met deze bepaling beoogd? Zo nee, wat is dan niet waar aan wat daar wordt gesteld?
Ja, als een eigenaar zijn voertuig ter beschikking stelt aan een derde bij wie geen (volledig) verhaal vanwege openstaande verkeersboetes heeft kunnen plaatsvinden, loopt de eigenaar het risico dat zijn voertuig op grond van artikel 28b Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) buiten gebruik wordt gesteld. Naast het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden mag namelijk ook een soortgelijk voertuig buiten gebruik worden gesteld waarover degene aan wie de sanctie is opgelegd «vermag te beschikken». Het dwangmiddel buitengebruikstelling is bedoeld als pressiemiddel om te komen tot betaling. Onder «beschikken» moet volgens de wetsgeschiedenis worden verstaan «het ten gebruike onder zich hebben». Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat met deze regeling is beoogd te voorkomen dat de persoon die zich na oplegging van de sanctie heeft ontdaan van zijn voertuig bevoordeeld zou worden boven de persoon die nog steeds de beschikking heeft over hetzelfde voertuig (Kamerstukken II, 1987–1988, 20 329, nr. 3, p 49. Uit jurisprudentie en uitspraken van de Nationale ombudsman blijkt dat het begrip «vermag te beschikken» ruim dient te worden uitgelegd en zich bijvoorbeeld uitstrekt tot lease- en huurauto’s en geleende auto’s.
Hoever gaat de verantwoordelijkheid van iemand die zijn auto uitleent om na te gaan of degene aan wie hij de auto uitleent, verkeersboetes heeft openstaan?
Uitgangspunt van de Wahv is dat de kentekenhouder in beginsel verantwoordelijk is voor wat er met zijn voertuig gebeurt. Het buiten gebruik stellen van een geleende auto is wettelijk toegestaan op grond van artikel 28b Wahv. De wet stelt daarbij dus niet als voorwaarde dat het kenteken van de auto op naam staat van degene aan wie de sanctie is opgelegd. Uit jurisprudentie en rapporten van de Nationale ombudsman blijkt dat de toepassing van het dwangmiddel buitengebruikstelling voertuig, in het bijzonder de uitleg van het begrip «vermag te beschikken», als juist en behoorlijk wordt beoordeeld.
In de Wahv is er verder voor gekozen dat degene die de auto heeft uitgeleend deze terug kan krijgen tegen betaling van de openstaande boetes en de kosten van overbrenging en bewaring (artikel 29 Wahv). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de toenmalige Minister van Justitie op vragen over een vergelijkbare casus heeft geantwoord dat de vraag of degene die de auto leende tegenover de uitlener zorgvuldigheid in acht neemt en dergelijke gevolgkosten aan de uitlener vergoedt, buiten het kader van de Wahv valt (Kamerstukken I, 1996–1997, 23 689, nrs. 5 (p. 6 en 5a (p. 4)).
Heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wet Mulder bewust rekening gehouden met de gevolgen voor auto-uitleners, zoals die in de tv-uitzending aan de orde kwamen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, deelt u dan de mening dat de Wet Mulder of het uitvoering geven aan die wet aanpassing behoeft?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de volgende zinsnede uit artikel 28b Wet Mulder «een voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken» er niet toe zou mogen leiden dat degene die het desbetreffende voertuig te goeder trouw heeft uitgeleend, wordt geconfronteerd met de verdere gevolgen van het buitengebruik stellen van dat voertuig? Zo ja, op welke wijze gaat u bewerkstelligen dat de auto-uitlener niet op deze wijze wordt gedupeerd? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat, aangezien de officier van Justitie op grond van artikel 28b Wet Mulders kan bepalen een voertuig buiten gebruik te stellen of op grond van artikel 29 van die wet bevoegd is het voertuig naar een daartoe aangewezen plaats over te brengen, de officier bij het gebruik maken van die bepalingen zou moeten meewegen in welke mate de eigenaar van het voertuig aangerekend kan worden dat hij het voertuig heeft uitgeleend aan iemand die verkeersboetes heeft openstaan? Zo ja, op welke wijze gebeurt dat of zou dat moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Op grond van artikel 5 Besluit Administratieve handhaving verkeersvoorschriften ondersteunt het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) de officier van justitie bij het innen van deze administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten. In opdracht van de officier van justitie verstrekt het CJIB aan opsporingsambtenaren een opdracht tot het toepassen van het dwangmiddel buitengebruikstelling. Vervolgens kunnen opsporingsambtenaren op basis van de feiten en omstandigheden ter plaatse overgaan tot buitengebruikstelling van een voertuig. Of bij een uitgeleende auto daadwerkelijk sprake is van «vermag te beschikken» door degene aan wie de sanctie is opgelegd, is ter beoordeling van de opsporingsambtenaar. Alleen als de betrokkene of de kentekenhouder de buitengebruikstelling naderhand aanvecht (meestal in kort geding), beoordeelt ook het CJIB de feitelijke buitengebruikstelling. Daarbij vindt zo nodig overleg met het Openbaar Ministerie plaats. Alleen als vervolgens het vermoeden ontstaat dat de betrokkene niet over het voertuig vermocht te beschikken, kan worden besloten tot teruggave van het voertuig. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vermoeden dat het voertuig onder druk is uitgeleend aan de betrokkene (denk aan machtsmisbruik van een zwakbegaafde). Voordat het CJIB overgaat tot teruggave, overlegt het met de opsporingsambtenaar.
Deelt u de mening dat het voor de rechthebbende van een voertuig, niet zijnde de verkeerszondaar, onbillijk kan zijn om van die rechthebbende te verwachten dat hij zowel de kosten van overbrenging en bewaring als ook de openstaande boetes moet betalen alvorens hij zijn voertuig kan terugkrijgen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit veranderen? Zo nee, waarom niet? Is hierbij van belang dat de mogelijkheid van verhaal van de rechthebbende van een voertuig op de verkeerszondaar illusoir moet worden geacht omdat de bewaring nu juist is toegepast omdat de verkeerszondaar geen verhaal biedt?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
De veronderstelling dat buitengebruikstelling van een voertuig wordt toegepast omdat betrokkene geen verhaal biedt, is onjuist. Het zwaardere middel van buitengebruikstelling wordt ingezet als het CJIB in het executietraject daaraan voorafgaand (met inzet van een aanschrijving, aanmaningen, een deurwaarder en het dwangmiddel inname rijbewijs) niet is geslaagd in het verkrijgen van een betaling van de betrokkene, terwijl het daartoe nog wel mogelijkheden ziet. Als zondermeer is komen vast te staan dat een betrokkene geen verhaal biedt, bijvoorbeeld bij een faillissement, wordt een dwangmiddel niet toegepast.
Kan de wettelijk vastgelegde mogelijkheid dat een rechthebbende, niet zijnde de verkeerszondaar, zijn voertuig vanwege verkeersboetes van een ander verliest een inbreuk opleveren op het eigendomsrecht, zoals dat is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek dan wel in artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Zo ja, in hoeverre is die beperking gerechtvaardigd en welke jurisprudentie bestaat er op dit punt? Zo nee, welke conclusie verbindt u hieraan? Is bij de beantwoording van deze vraag van belang of het voertuig is uitgeleend in de uitoefening van een bedrijf (bijvoorbeeld een autoverhuurder) of als particulier? Is voorts bij de beantwoording van deze vraag van belang het geval dat het voertuig voor ommekomst van de bewaartermijn van vier weken is verkocht of vernietigd omdat dit voertuig onvoldoende verhaal biedt?
Volgens de Hoge Raad komt de buitengebruikstelling van een auto op grond van artikel 28b Wahv niet in strijd met eigendomsrecht van de verhuurder zoals beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, aangezien bij inzet van dit middel een «fair balance» bestaat tussen de met het dwangmiddel gediende doelen en de nadelige gevolgen voor de rechthebbende (HR 10 maart 2006, C05/007HR en NJB 2006, nr. 549, p. 758–760). Deze uitspraak is ook van toepassing op gevallen waarin het eigendomsrecht van de auto berust bij een particulier. Ik verbind hieraan de conclusie dat er geen aanleiding is tot een wetswijziging op dit vlak.
Het is op grond van de Wahv niet toegestaan om een buiten gebruik gesteld voertuig al binnen vier weken te verkopen of vernietigen (zie artikel 29 Wahv).
Deelt u de mening dat de dwangmiddelen buitengebruikstelling, overbrenging en inbewaringstelling van een voertuig, zoals bepaald in de artikelen 28b en 29 van de wet Mulder, niet effectief zijn in de zin van het alsnog innen van de boetes als niet de auto van de verkeerszondaar in beslag is genomen maar die van een derde die de auto heeft uitgeleend? Zo ja, welke conclusie trekt u daaruit? Zo nee, waarom niet?
Nee. In 2009 werden ruim 150 000 opdrachten aan de politie verstrekt tot het buiten gebruik stellen van een voertuig. In bijna 49 000 zaken (ruim 30%) werd alsnog betaald door degene aan wie de sanctie was opgelegd. Hieronder bevinden zich ook gevallen waarin een geleende auto buiten gebruik was gesteld. Van het precieze aantal van die gevallen wordt geen registratie bijgehouden.
Deelt u de mening dat het onredelijk is om van de particuliere eigenaar van een auto te verwachten dat hij de kosten voor het buitengebruikstelling, overbrenging en inbewaringstelling van een voertuig plus de boete van de overtreder op wiens naam de boetes staan terugvordert, aangezien die eigenaar geen partij is of was bij het opleggen van de boete? Zo ja, welke conclusie trekt u hier uit? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Het vrijlaten van een man die verdacht wordt van het mishandelen van een agente en een politiebrigadier |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jonge mishandelaar vrij»?1
Ja.
Klopt dit bericht? Zo nee, wat klopt er niet?
Op 20 november 2010 is een minderjarige verdachte aangehouden door de politie en vervolgens in verzekering gesteld in verband met het plegen van geweld jegens, onder andere, ambtenaren van politie. Op 24 november 2010 is de verdachte op vordering van de officier van justitie voorgeleid aan de rechter-commissaris en in voorlopige hechtenis genomen. Op 2 december 2010 heeft de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte bevolen, maar in de omstandigheden van dit geval aanleiding gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte – mede op grond van advies van de Raad voor de Kinderbescherming – onder stringente voorwaarden te schorsen met ingang van 3 december 2010. Deze voorwaarden houden onder meer in dat hij zich moet houden aan aanwijzingen van de Jeugdreclassering en dat hij door middel van elektronisch toezicht in zijn bewegingsvrijheid is beperkt. Indien de verdachte zich niet aan deze voorwaarden houdt, kan hij weer in voorlopige hechtenis worden genomen.
De rechtbank heeft in een naar aanleiding van deze zaak uitgebracht persbericht laten weten dat de rechtbank, anders dan bij een meerderjarige verdachte, wettelijk verplicht is bij een beslissing over de voorlopige hechtenis de schorsingsmogelijkheden te bekijken. Bij de beslissing of een minderjarige naar huis mag spelen diverse aspecten een rol, waaronder de aard van het feit of de feiten, de reden van het voorarrest, het strafblad van de verdachte en zijn of haar leeftijd. Ook heeft de rechtbank in het persbericht aangegeven het van belang te achten of er een goed plan is gemaakt waarin de begeleiding en controle van de verdachte is gewaarborgd.
Kunt u de Kamer een feitenrelaas doen toekomen van deze zaak?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de betrokken politieambtenaren na het genoemde incident aan het werk gebleven of is/was er sprake van ziekteverzuim?
Bij één betrokken politieambtenaar is sprake geweest van één week ziekteverzuim. Na reïntegratie werkt deze ambtenaar thans weer volledig.
Hoe verhoudt het vrijlaten van deze jongen zich tot de Eenduidige Landelijke afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak voor politie en Openbaar Ministerie?
In de Eenduidige Landelijke afspraken is de afspraak gemaakt dat hoge prioriteit wordt gegeven aan de vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. Dat houdt onder andere in dat in dergelijke gevallen indien mogelijk voorlopige hechtenis wordt gevorderd. In de onderhavige zaak is conform deze landelijke afspraken de voorlopige hechtenis ook gevorderd en heeft de verdachte in voorlopige hechtenis verbleven, tot de rechtbank aanleiding zag de voorlopige hechtenis van verdachte onder stringente voorwaarden te schorsen.
Zijn in deze zaak de ouders onderworpen aan verhoor? Zijn ze aangesproken op hun verantwoordelijkheid en wat is daar het resultaat van?
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek was er geen aanleiding (één van) de ouders van de verdachte te horen. Er is met één van de ouders gesproken over de aanhouding van de zoon.
De toegenomen sociale ongelijkheid in de woonsituatie |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Naar een open samenleving» van Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)?1
Ja.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat de sociale ongelijkheid met betrekking tot de woonsituatie is toegenomen?
Het aandeel eigen woningbezit is bij de huidige generatie groter dan bij de vorige generatie. Het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking stijgt nog steeds en deze ontwikkeling is gunstig voor het inkomen van potentiële kopers.
In het genoemde onderzoek wordt gesteld dat het verschil in woonsituatie tussen laag- en hoogopgeleiden – uitgedrukt in eigendomssituatie en aantal kamers – in de periode 1992–2003 is toegenomen. Het verschil in het eigen woningbezit tussen hoger- en lager opgeleiden was in 1992 volgens het rapport 7 procent; in 2003 is dat verschil opgelopen naar 19 procent. Uit het rapport blijkt dat deze toename vooral is veroorzaakt door een stijging van het eigen woningbezit onder hoogopgeleiden; er is nauwelijks sprake van een daling van het eigen woningbezit onder lageropgeleiden. Volgens hetzelfde onderzoek bewoonde overigens in 2003 de meerderheid van de lager opgeleiden een koopwoning.
Wat zijn volgens u de oorzaken van deze toename?
Het eigenwoningbezit is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Er kwamen meer koopwoningen beschikbaar en de hoger opgeleiden hebben relatief meer gekocht. Lagere inkomensgroepen en lager opgeleiden is in het overheidsbeleid steeds meer de kans geboden om te kopen, bijvoorbeeld door de verkoop van woningen bij corporaties.
Vindt u de toename van de sociale ongelijkheid met betrekking tot de woonsituatie een zorgelijke ontwikkeling?
Ik zou het een zorgelijke ontwikkeling vinden als laagopgeleiden geen kwalitatief goede woning kunnen bemachtigen, maar hiervan is op dit moment geen sprake.
Bent u voornemens de grotere sociale ongelijkheid aan te pakken? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het kabinet zet zich in om het overstappen van huur naar koop, voor wie dat wenst, beter mogelijk te maken. Woningcorporaties kunnen bijvoorbeeld hierin een rol vervullen door sociale-huurwoningen aan zittende bewoners te verkopen.
Gevolgen van de in te stellen inkomensgrens voor toewijzing van sociale huurwoningen |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Liever salaris inleveren dan HUURGRENS overschrijden»?1
Ja.
Bent u bekend met het signaal dat veel huurders overwegen om onder de inkomensgrens te blijven om te kunnen doorstromen naar een andere sociale huurwoning?
Nee, ik heb geen signalen dat het om veel huurders gaat.
Zijn er bij u signalen bekend dat mensen overwegen om in 2011 minder te gaan werken om onder deze inkomensgrens te blijven en acht u dit wenselijk?
Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn die signalen niet bekend, anders dan uit onderhavig bericht. Of iemand wil kiezen voor een lager salaris is uiteraard helemaal een eigen keuze maar ik zou het niet adviseren.
Vindt u het acceptabel dat mensen die al tien jaar op een wachtlijst staan voor een ruimere sociale huurwoning door de nieuwe regel nu niet meer in aanmerking komen om door te stromen naar een ruimere sociale huurwoning?
Vooropgesteld: de keerzijde van de medaille is dat de slaagkansen voor huishoudens met een inkomen onder de € 33 614,- gewaarborgd blijven of verbeteren. Dat is in de huidige economische situatie van groot belang. Daarbij hoeven de slaagkansen van huishoudens met een inkomen boven de € 33 614,- niet in alle gevallen af te nemen. Gelet op de 10 % marge in de toewijzingsmogelijkheden, de mogelijkheid van het (wellicht met korting) kopen van een corporatiewoning en ook de mogelijkheden in de commerciële huursector acht ik zo’n stap niet verstandig.
Corporaties hebben 10 % ruimte om aan huishoudens toe te wijzen met een inkomen boven de € 33 614,-2. Van corporaties mag worden verwacht dat ze die 10% ruimte optimaal benutten. De corporatie kan daarbij bijvoorbeeld regelen dat huishoudens met een lange wachttijd of inschrijvingsduur voorgaan.
Zoals ook in de brief van 31 augustus jl. (TK 29 453, nr. 167) is aangegeven verhuist slechts een beperkt deel van de huishoudens met een hoger inkomen naar de sociale huursector. Iets meer dan een derde van de huishoudens tussen de € 33 000 en € 38 000,- is binnen of naar de sociale huursector verhuisd. Dat past macro ook binnen de 10 % ruimte die er voor corporaties is om inkomens met een inkomen van boven de € 33 614,- te huisvesten.
Deelt u de mening dat minder werken en het niet meer doorstromen van de wachtlijst onwenselijke effecten zijn van de in te stellen inkomensgrens voor toewijzing van een sociale huurwoning?
Dat minder werken en niet meer doorstromen neveneffecten zijn van de regeling deel ik niet. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven is het iemands eigen afweging om minder te gaan werken. Zoals bij het antwoord op vraag 4 is aangegeven staan er nog de nodige mogelijkheden open voor huishoudens met een inkomen boven de € 33 614,-.
Op welke manier bent u van plan om de onrust die er op dit moment onder de huurders heerst weg te nemen?
Ik bespeur kritiek en onrust bij de belangenorganisaties van huurders en woningcorporaties. Van onrust bij huurders heb ik nog niet veel gezien. Er is door mijn Ministerie herhaaldelijk aangegeven wat de betekenis van de staatssteunregels is en ook is praktische informatie ontwikkeld. Zie onder meer `Praktische informatie over staatssteun voor woningcorporaties per 1 januari 2011.3 Ik zal daarnaast aanvullende vragen (en antwoorden) die in de afgelopen weken naar voren zijn gekomen en die in de komende periode naar voren zullen komen eveneens beschikbaar stellen op de website van het Ministerie.
Ik vind verder dat een belangrijke rol is weggelegd voor corporaties en gemeenten. In de eerste plaats om feitelijke informatie te verstrekken. Herhaaldelijke beweringen dat 650 000 huishoudens tussen de wal en het schip zullen vallen als gevolg van de regeling – hetgeen ik onder verwijzing naar genoemde de brief van 31 augustus jl. bestrijd – zorgen immers voor onnodige onrust.
Daarnaast moeten corporaties en gemeenten concreet invulling geven aan de regeling door beleid te ontwikkelen hoe invulling wordt gegeven aan de 10% ruimte die de regeling biedt om hogere inkomens te huisvesten in de sociale huurwoningen. Verder hebben corporaties mogelijkheden om woningen al dan niet met korting te verkopen of woningen te huur aan te bieden voor een huurprijs boven de liberalisatiegrens.
Kunt u met de cijfers uit de gemeente Purmerend aantonen dat er voldoende betaalbaar aanbod is van woningen voor mensen met een inkomen tussen 33 000 en 43 000 euro?
Volgens gegevens van Woningnet4 – de organisatie die sociale huurwoningen aanbiedt – is de gemiddelde wachttijd van een eengezinswoning in Purmerend 18 jaar. Uit het jaarboek 2010 van de Samenwerkende woningcorporaties Zaanstreek Waterland (SZW) blijkt verder dat het aantal reacties per woning in Purmerend 124 bedraagt5 en de gemiddelde inschrijfduur van een starter 8,1 jaar. Deze cijfers laten zien dat de slaagkans bij dergelijke woningen voor woningzoekenden die aangewezen zijn op de sociale huursector in Purmerend reeds nu zeer klein is. Dat heeft met de staatssteunregeling niets van doen.
De huursector in Purmerend bestaat maar voor maar 12% uit woningen met een huur boven de € 511,- / € 548,-6 . Het betekent dat er onvoldoende aanbod is zowel voor huishoudens onder als boven de € 33 000,-. De kansen op de woningmarkt voor huishoudens boven de € 33 000,- zijn echter groter omdat hun financiële mogelijkheden groter zijn. Corporaties zouden voor deze groep bijvoorbeeld kunnen werken aan een gericht aanbod van woningen boven de € 652,-. De voorraad in Purmerend biedt vaak de ruimte om na mutatie een huur boven de liberalisatiegrens te vragen. Ook kunnen corporaties de woningen gericht te koop aanbieden al dan niet met korting. Dit onderstreept het belang van een gericht beleid voor de huisvesting van zowel lagere als hogere inkomensgroepen inclusief de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de 10 % ruimte die de regeling biedt om hogere inkomensgroepen te huisvesten. Maar wat in deze situatie ook duidelijk is, is dat de slaagkans van huishoudens met een inkomen onder de € 33 614,- onder druk staat en ondersteuning verdient.
De consequenties van de bezuinigingen op Ruimte om de Stad (RODS) |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke Ruimte om de Stad (RODS) projecten onder de in de motie van Gerven1 genoemde voorwaarden vallen wat betreft afspraken met inwoners en mogelijke dalingen in de huizenprijzen? Hoe gaat u met deze projecten om? Bent u bereid over specifiek deze projecten in overleg te treden met de betrokken steden?
De ombuigingen die in het Regeerakkoord zijn opgenomen, betreffen onder andere Recreatie om de Stad (RodS). Zoals in het Regeerakkoord vermeld staat en eerder per brief (32500 XIII, nr. 66) aan de Kamer is gecommuniceerd, zijn er geen Rijksmiddelen voor RodS meer beschikbaar. Ten aanzien van de uitfinanciering van lopende verplichtingen ben ik in overleg met de provincies en ik verwacht met hen hierover tot overeenstemming te komen. Het beëindigen van de rijksinspanning voor realisatie van de RodS-gebieden wordt nader uitgewerkt in het te sluiten bestuursakkoord Rijk-Provincies. Indien de provincies dit aandragen, zal recreatie ook aan de orde komen in het bestuurlijk overleg over de herijking van de EHS.
Verder zal ik, indien door de provincies gewenst, de Taskforce Multifunctionele Landbouw meegeven te bekijken hoe deze specifieke gebieden beter voor recreatie kunnen worden ontsloten. Deze Taskforce kan overheden en ondernemers faciliteren bij de realisatie van gemeenschappelijke doelen, zoals recreatieve voorzieningen, in het landelijk gebied.
Kunt u een overzicht geven van de RODS projecten die stilgezet worden in verband met de in de nota van wijziging voorgestelde bezuinigingen, waarbij per geval wordt aangegeven wat de oorspronkelijk geraamde investering en de voorziene grondverwerving was, welk aandeel van de oorspronkelijk geraamde investeringen en grondverwerving reeds gerealiseerd zijn en welke van deze projecten reeds participatietrajecten doorlopen hebben of vastgelegd zijn in een bestemmingsplan waarover een inspraakprocedure gevolgd is?
Sinds de invoering van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) in 2007 stuurt het Rijk niet meer op individuele projecten. De gegevens die u van mij vraagt zijn allen op projectniveau en heb ik dan ook niet beschikbaar. Voor informatie over de individuele projecten kunt u zich wenden tot de betreffende provincies.
Kunt u aangeven bij hoeveel RODS projecten er wel al grondaankopen hebben plaatsgevonden, maar er geen sprake is geweest van wijzigingen in bestemmingsplannen?
Zie antwoord vraag 2.
Ondervinden de lagere overheden die bij RODS projecten betrokken zijn financiële consequenties als gevolg van de bezuiniging op de middelen in 2011? Zo ja, hoe? Zo ja, kunt u aangeven om welke bedragen het gaat?
Conform het regeerakkoord zijn met de Nota van Wijzigingen de budgetten voor het verwerving, inrichting en beheer van RodS van de Rijksbegroting geschrapt. Voor 2011 betreft dit een bedrag van € 40 mln. Ten aanzien van de uitfinanciering van lopende verplichtingen met betrekking tot verwerving en inrichting ben ik in overleg met de provincies.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de gevolgen van de bezuinigingen op de RODS projecten op de effectindicatoren gerelateerd aan beleidsartikel 2 van de begroting van Infrastructuur en Milieu 20112, die gericht zijn op het realiseren van recreatievoorzieningen rondom de steden (de mogelijkheden om te wandelen en fietsen binnen 5 kilometer van de woning en de beschikbaarheid van openbaar groen binnen 500 meter van nieuwbouwwoningen)?
In het kader van de actualisatie en decentralisatie van het ruimtelijk beleid zal worden beoordeeld over welke rijksdoelen in het beleidsartikel 2 van de rijksbegroting wordt gerapporteerd.
Aan de rapportage ligt de informatie van het Planbureau voor de Leefomgeving ten grondslag ten aanzien van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen, zoals de recreatievoorzieningen om de steden. Deze informatie zal de Kamer worden toegestuurd.
Device fingerprinting (i.e. 'instrumentgebruik vingerafdrukken') |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het fenomeen «device fingerprinting»?1
Ik ben bekend met de fenomenen «device fingerprinting» en «behavioural advertising». Internetten kan tot gevolg hebben dat bedrijven dit internetgebruik waarnemen, gegevens verzamelen, daar conclusies aan verbinden en vervolgens gebruik maken van die informatie. Zo lang bedrijven hierbij handelen in overeenstemming met de wet, acht ik dit niet onwenselijk. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Bent u op de hoogte van de extreme wens van internetbedrijven om het internetgedrag van internetgebruikers te bestuderen, ondermeer door ook de karakteristieken van de door hen gebruikte apparatuur te analyseren teneinde gericht advertenties op hen los te kunnen laten?2 Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Nederlandse burger wettelijk gezien voldoende beschermd tegen dit soort praktijken? Wordt er door het Goverment Computer Emergency Respons Team (GOVCERT) van de Nederlandse overheid en het College Bescherming Persoonsgegevens onderzoek gedaan naar dit soort praktijken en de gevolgen ervan voor de privacy? Zo nee, bent u bereid dit te initiëren?
Ik ben van mening dat de Nederlandse burger wettelijk gezien voldoende beschermd is tegen bedrijven die gericht adverteren tijdens internetgebruik. Daarbij is het volgende van belang.
Bij device fingerprinting is sprake van het waarnemen en verzamelen van gegevens van de hardware en software van het soort apparatuur, zoals een computer of mobiele telefoon, waarmee gebruik wordt gemaakt van internet. Een bedrijf kan de door middel van device fingerprinting verzamelde gegevens gebruiken om op het moment dat het betreffende apparaat verbonden is met internet en bepaalde websites bezoekt, gerichte advertenties op het scherm te laten verschijnen.
Als hierbij sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in beginsel van toepassing en heeft de Nederlandse burger de rechten die uit deze wet voortvloeien. In artikel 4, tweede lid, Wbp is vastgelegd dat deze wet ook van toepassing is op partijen die geen vestiging hebben in de Europese Unie, voor zover zij gebruik maken van infrastructuur die zich in Nederland bevindt, tenzij die infrastructuur slechts worden gebruikt voor de doorvoer van persoonsgegevens. Voor relevante ontwikkelingen in Europees verband verwijs ik naar de brief aan uw Kamer van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 21 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 22 112, nr. 1116).
Aangezien device fingerprinting geengevolgen heeft voor de veiligheid van het internetgebruik of de internetgebruiker, bestaat er voor GOVCERT.NL vanuit zijn taakopdracht geen aanleiding onderzoek te verrichten naar dit verschijnsel.
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) is een onafhankelijke toezichthouder en doet in beginsel geen uitspraken over lopende of toekomstige onderzoeken. Wel heeft het CBP mij meegedeeld dat het onderwerp «profiling» (het maken van profielen) hoog op zijn agenda staat.
Kan de Nederlandse burger ergens terecht met klachten wanneer dit soort praktijken vanuit het buitenland in Nederland worden verricht? Zijn of worden hier internationale afspraken over gemaakt c.q. beperkingen aan gesteld?
Ja, als sprake is van gegevensverwerking en de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking in Nederland gevestigd is, kan een betrokkene zich wenden tot het CBP. Als de verantwoordelijke in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd, is de wetgeving van die andere lidstaat van toepassing. De betrokkene kan zich tot het CBP wenden met het verzoek om zijn klacht door te geleiden naar de relevante toezichthouder in de andere lidstaat.
Op dit moment bestaan op internationaal vlak richtsnoeren van de samenwerkende Europese toezichthouders op privacywetgeving. Deze toezichthouders hebben een opinie over behavioural advertising vastgesteld op 22 juni 2010 (Opinie 2/2010 van de Artikel 29-Werkgroep, www.ec.europa.eu). Deze gaat over de toepasselijkheid van de EU privacyrichtlijn (95/46/EG) en de wijze waarop de toezichthouders deze zullen toepassen. Verder heeft de verantwoordelijke Eurocommissaris aangegeven bij de herziening van de EU privacyrichtlijn aandacht te willen besteden aan profiling en behavioural advertising.
Denkt u na over online «do not track me» (i.e. volg mij niet) voorzieningen, gelijk aan de «ik wil niet gebeld worden» initiatieven, in het kader van direct marketing campagnes of webtoepassingen die veel verder gaan dan het gebruik van cookies? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Nee, gezien mijn toelichting op het fenomeen device fingerprinting in het antwoord op vraag 3 en gezien het feit dat het hierbij gaat om een activiteit die alle landsgrenzen overschrijdt, acht ik een met het «ik wil niet gebeld worden»-initiatief vergelijkbaar register van «opt out»-verklaringen onwerkbaar.
Vindt u dat bedrijven die het gedrag van internetgebruikers monitoren en hun apparatuur fingerprinten, die gebruikers daarvan op de hoogte dienen te brengen? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
Als sprake is van het verwerken van persoonsgegevens en de Wbp van toepassing is, geldt dat in die wet is geregeld dat de betrokkene (vooraf) geïnformeerd dient te worden over (het doel van) de gegevensverwerking (artikel 33 en 34). Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 4 en de eerdergenoemde brief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid een analyse te maken van de risico’s en kansen van deze technologie, en deze aan de Kamer te doen toekomen?
Nee, gezien de voorgaande antwoorden zie ik daar geen aanleiding toe.
Moordenaars die vrijuit gaan door geldgebrek |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Justitie laat tientallen moordenaars lopen»?1
Ja.
Is het waar dat moordenaars uit handen van politie en justitie blijven om financiële redenen?
Ik onderschrijf het belang van de aanpak van Cold Cases, vanwege de impact op de nabestaanden en de onrust in de samenleving. Ik vind dat deze «oude» ernstige delicten steeds betrokken moeten worden bij de prioriteitstelling van het Openbaar Ministerie en de politie. Daarom is het van belang dat regelmatig bezien wordt of er nieuwe opsporingsindicaties zijn in deze zaken, zodat verantwoord prioriteiten gesteld kunnen worden tegen de achtergrond van de beperkte opsporingscapaciteit.
Ook ben ik voornemens om de vervolgingsverjaring voor misdrijven waarop een maximum gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en ernstige zedenmisdrijven gepleegd tegen kinderen af te schaffen. Een daartoe strekkend wetsvoorstel heb ik deze week ter consultatie aan de adviesorganen aangeboden.
Herkent en erkent u het in het bericht geschetst probleem dat door geldgebrek korpsen geen volwaardige Cold-case teams op kunnen zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de geciteerde officier van justitie dat politie en justitie een plicht naar de nabestaanden hebben om een moord op te lossen en dat alleen daarom al de Cold-case teams meer slagkracht moet krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er op dit moment slechts twee coldcaseteams zijn? Zo nee, hoeveel zijn het er dan en waar zijn die coldcaseteams werkzaam?
Zie antwoord op vraag 3 van het lid Van Raak (vraagnummer 2010Z18596, ingezonden 6 december 2010).
Hoeveel coldcases hebben deze bestaande teams de afgelopen vijf jaar opgelost? Vindt u dit aantal hoopgevend of teleurstellend?
Er bestaat geen landelijk overzicht van het aantal zaken dat is opgelost of rijp is voor extra onderzoek. Uit informatie van de korpsen blijkt echter wel dat het loont om Cold Cases periodiek tegen het licht te houden en te bezien of er met de nieuwe mogelijkheden op gebied van techniek en regelgeving nieuwe opsporingsindicaties te vinden zijn. In 2009 is een landelijke Cold Case expertgroep opgericht met vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en politie, waarin veel informatie en expertise wordt uitgewisseld.
Zie ook het antwoord op vraag 2 van het lid Van Raak.
Hoeveel zaken zijn rijp voor extra en verbeterd onderzoek, zoals de geciteerde teamleider van het Cold-case team van de politie Rotterdam-Rijnmond het noemt?
Zie antwoord vraag 6.
Zou u animal cops willen inzetten om deze onopgeloste moorden op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Animalcops doen onderzoek naar strafbare feiten die op dieren gericht zijn. Andere zaken die zich tijdens deze onderzoeken openbaren worden meegenomen. Animalcops zullen echter niet structureel ingezet worden voor onderzoek naar onopgeloste moorden.
Hoeveel animal cops zouden nodig zijn om de nog op de plankliggende coldcases extra en verbeterd (te) onderzoek(en)?
Zie antwoord vraag 8.
De jahadwebsite Ansar Al Mujahideen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «jihadwebsite in de lucht gehouden door Nederlandse moslimextremisten»?1
Ja.
Is het waar dat Nederlandse moslimextremisten de website niet alleen vullen met Engelse – en Nederlandse haatteksten maar hiervoor ook de computerservers in Amsterdam gebruiken?
Is het waar dat de Nederlandse moslimextremisten achter Al Ansar eerder de drijvende krachten waren achter de verdwenen Nederlandse extremistische website Thabaat?
Is het waar dat de Nederlandse moslimextremisten achter Al Ansar vroeger nauwe banden hadden met de Hofstadgroep?
Is het waar dat de website niet alleen wordt gefaciliteerd door Nederlanders maar ook wordt gefinancierd vanuit Nederland?
Is het waar dat inlichtingendiensten in teksten van de drie laatste uitgaven van het jihadmagazine «Inspire» aanwijzingen zien dat Nederlanders medeverantwoordelijk zijn voor de samenstelling van «Inspire»?
Ik beschik niet over aanwijzingen dat Nederlanders medeverantwoordelijk zouden zijn voor de samenstelling van «Inspire».
Is het waar dat op de jihadwebsite reclame wordt gemaakt voor een nieuwe Nederlandse jihadwebsite «discoverjihaad.wordpress.com» alwaar de gewapende strijd wordt verheerlijkt?
Is het waar dat er op 1 december jl. een bericht is verschenen waarin Westerse moslims worden opgeroepen zich te wapenen met kalashnikovs, handgranaten en dragunovs, en met (ondermeer) de tekst: «De nieuwe generatie van jihaad is dorstig, wij willen bloed drinken. De beste verdediging is om de eerste te zijn die aanvalt»?
Deelt u de mening dat dit, indien de berichtgeving waar is, volstrekt onacceptabel is?
Zowel de website Ansar Al Mujahideen als de website discoverjihaad.wordpress.com zijn korte tijd actief geweest. Dat is thans niet meer het geval.
Bent u bereid per direct actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Wanneer? Bent u bereid de Kamer hierover tot in detail te informeren (al dan niet op vertrouwelijke basis)?
Zie antwoord vraag 9.
De DBC-financiering in de geestelijke gezondheidszorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aan u gerichte brief van verschillende verenigingen voor psychologen, psychotherapeuten en psychiaters, waarin zij hun teleurstelling uitspreken over het uitblijven van een oplossing voor hun declaratieproblemen? Kunt u zich deze onvrede voorstellen en wat is hierop uw antwoord?1
Ik heb middels een brief aan de NVVP, NVvP en NIP2 gereageerd op hun bezwaar tegen het besluit van de NZa om geen nadere regel vast te stellen voor het prestatievoorschot in de curatieve GGZ. Graag verwijs ik u naar mijn brief, waarvan u ook een afschrift ontvangt (CZ-U-3042626).
Waarom wordt in de regeling van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) geen uitvoering gegeven aan de motie-Van Gerven2? Wilt u de NZa opdragen een regeling te treffen die wel in lijn is met genoemde motie? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn brief aan de NVVP. Alle zorgverzekeraars committeren zich bestuurlijk aan het voorstel om het onderhanden werk van vrijgevestigde ggz-aanbieders permanent te financieren. Van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heb ik bovendien begrepen dat hun voorstel financieel aantrekkelijker is voor vrijgevestigde ggz-aanbieders, dan dat de regeling van de NZa zou zijn geweest. Mijns inziens is deze decentrale oplossing in lijn met de Motie Van Gerven, namelijk het oplossen van eventuele liquiditeitsproblemen bij aanbieders. Ik acht het dan ook niet nodig om de NZa op te dragen alsnog een landelijke regel vast te stellen.
Kent u de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB), waarin de verplichting voor ggz-behandelaars om diagnose-informatie te vermelden op declaraties en te verstrekken aan zorgverzekeraars ongedaan is gemaakt? Wat is uw reactie op het oordeel van het CBB dat er zwaarwegende bezwaren zijn met betrekking tot de medische privacy van de patiënt en het noodzakelijke beroepsgeheim van de behandelaar?3
Ja. Bij brief van 11 oktober 2010 heb ik u bericht over de gevolgen van de uitspraak van het CBb van 2 augustus 2010. Zoals ik destijds heb aangegeven, heeft het CBb het belang dat verzekeraars hebben bij het beschikbaar hebben van diagnose-informatie bij de uitvoering van hun controle- en inkooptaak onderschreven. Ook heeft het CBb geoordeeld dat de NZa onvoldoende de noodzaak heeft aangetoond dat deze diagnose-informatie bij verzekeraars onder ogen komt van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet onder medisch tuchtrecht vallen. De NZa zal derhalve opnieuw een besluit dienen te nemen. Op 8 november jl. heeft de NZa alle betrokken partijen geconsulteerd over mogelijke oplossingsrichtingen. In januari 2011 is een hoorzitting gepland, waarna de NZa zo spoedig mogelijk een besluit zal nemen.
Is het waar dat de NZa als reactie op dit vonnis heeft besloten dat de posities van de DBC-prestatiecode die de diagnose bevatten mogen worden vervangen door nullen?
Het CBb heeft bij eerdergenoemd vonnis de voorlopige voorziening getroffen dat de verplichting voor vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten om de diagnose-informatie en de lekenomschrijving op declaraties te vermelden en aan zorgverzekeraars en cliënten te verstrekken, wordt geschorst tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit op bezwaar door de NZa. Meteen na deze uitspraak heeft de NZa deze voorlopige voorziening via haar website algemeen bekend gemaakt.
Is het waar dat de posities van de DBC-prestatiecode die de tarieven weerspiegelen wel verplicht moeten worden ingevuld? Zo ja, is dit niet in strijd met het vonnis van het CBB, aangezien aan de hand van de specifieke tarieven de diagnoses alsnog achterhaald kunnen worden? Wilt u uw antwoord toelichten?
De DBC-prestatiecode is een 12-cijferige code, die is opgebouwd uit 4 x 3 cijfers, te weten: zorgtype (3 cijfers), diagnosecode (3 cijfers), productgroep verblijf (3 cijfers) en productgroep behandeling (3 cijfers). Op basis van de voorlopige voorziening van het CBb hoeven de vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten de diagnosecode en de code m.b.t. de productgroep «behandeling» niet in te vullen.
Ik constateer dat het, ondanks de voorlopige voorziening van het CBb, mogelijk is om op basis van de in rekening gebrachte tarieven de diagnose te achterhalen. Daarmee wordt het belang onderstreept dat de NZa zo snel mogelijk de door het CBb gevraagde onderbouwing van de noodzaak dat de diagnose-informatie bij verzekeraars onder ogen komt van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet onder het medisch tuchtrecht vallen, levert.
Vindt u het aanvaardbaar dat vertrouwelijke medische informatie over burgers als gevolg van de DBC-systematiek onder ogen kan komen van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt, en die niet tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe garandeert u de medische privacy?
Zoals ik heb toegelicht bij vraag 3 bereidt de NZa momenteel in afstemming met veldpartijen een zorgvuldig afgewogen besluit voor. In dit besluit moet de NZa in opdracht van het CBb hetzij de noodzaak aantonen dat de diagnose-informatie bij verzekeraars onder ogen komt van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet onder het medisch tuchtrecht vallen, hetzij de kring van personen bij verzekeraars die deze diagnose-informatie ontvangen beperken met het oog op de bescherming van de medische persoonsgegevens. De NZa is hierbij gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP).
Wat weegt voor u zwaarder: het gemak van de zorgverzekeraar of de privacy van patiënten? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 6. In aanvulling hierop merk ik op dat het belang van de verzekeraar bij controle ook in het belang van de verzekerde is, omdat de zorgverzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening wordt gebracht rechtmatig in rekening wordt gebracht.
Wat weegt voor u zwaarder: het gemak van de zorgverzekeraar of de medische ethiek van gegarandeerde vertrouwelijkheid tussen behandelaar en patiënt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 6.
Aan welke instanties worden door het DIS (DCB informatiesysteem) DBC-gegevens aangeleverd, bijvoorbeeld voor statistisch onderzoek? Hoeveel personen die niet vallen onder het medisch beroepsgeheim dan wel medisch tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn, hebben inzage in deze gegevens?
Door het DIS wordt aan twee soorten afnemers gegevens verstrekt: publieke afnemers (NZa, VWS, CBS, CVZ en DBC-Onderhoud) en private afnemers. De private afnemers zijn in eerste instantie zorgaanbieders die rapportages op basis van hun eigen gegevens ontvangen. Verzoeken van andere private partijen om DIS gegevens worden voorgelegd aan de eigenaren van die gegevens, namelijk de individuele zorgaanbieders of door zorgaanbieders gemachtigde brancheorganisaties (zoals bijvoorbeeld de NVZ of GGZ Nederland).
Aangezien de DIS-gegevens gepseudonimiseerd zijn (zie ook vraag 10) is er geen sprake van identificeerbare persoonsgegevens. Het medisch beroepsgeheim en medisch tuchtrecht zijn dan ook niet van toepassing op deze gegevens.
Is het waar dat deze DBC-gegevens niet onomkeerbaar zijn geanonimiseerd, maar omkeerbaar zijn gecodeerd? Wilt u uw antwoord toelichten?
De DBC-gegevens worden dubbel gepseudonimiseerd voordat ze worden opgeslagen in het DIS. Het DIS heeft zelf niet de beschikking over de broncode die het pseudonimisatieproces uitvoert, alleen de ZorgTTP (Zorg Trusted Third Party) beschikt daarover. De ZorgTTP kan inderdaad de pseudonimisatie omkeren. De ZorgTTP staat onder toezicht van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). In opdracht van VWS wordt jaarlijks een audit uitgevoerd bij de ZorgTTP, waarbij getoetst wordt aan de voorwaarden van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP).
Is het waar dat deze DBC-gegevens kunnen worden herleid tot de therapeut, de cijfers van de postcode van de patiënt en diens geboortejaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit aanvaardbaar en wilt u uw antwoord toelichten?
Als de zorgaanbieder een individuele therapeut is, zijn de DIS-gegevens herleidbaar tot deze therapeut. Als de zorgaanbieder een instelling is, zijn de gegevens echter niet herleidbaar tot de individuele therapeut. In het DIS worden de cijfers van de postcode (de wijkcode) en het geboortejaar opgenomen. Ik vind dat aanvaardbaar. Deze registratie voldoet aan de wet en regelgeving van de WBP en sluit aan bij de door het CBP gestelde eisen. Ik wil daarbij ook benadrukken dat slechts een beperkt aantal gebruikers een bestand krijgt met de DIS-gegevens van een individuele aanbieder: dat zijn de NZa, CBS, DBC Onderhoud, CVZ en VWS en mogelijk ook de brancheorganisaties en het CVZ. Andere partijen krijgen geen toegang tot deze gegevens van individuele aanbieders, waardoor indirecte herleidbaarheid voor een belangrijk deel wordt uitgesloten.
Kunt u uitsluiten dat elektronisch opgeslagen patiëntengegevens, versleuteld of niet, worden ontvreemd dan wel door een fout op straat belanden? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het is natuurlijk nooit helemaal uit te sluiten dat gegevens in handen van ongeautoriseerde personen komen. Wel zijn zoveel mogelijk voorzorgen genomen om te voorkomen dat dit gebeurt. Door de dubbele pseudonimisering zitten er geen tot personen te herleiden gegevens in het DIS (zie ook mijn antwoorden op vraag 10 en 11. Met de brancheorganisaties (zie vraag 9) is afgesproken dat afnemers van DIS-gegevens zich dienen te houden aan de geldende wet- en regelgeving in het algemeen, en aan de privacywetgeving in het bijzonder. Databestanden uit DIS worden altijd via aangetekende verzending en beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik verstrekt. Pas na ontvangstbevestiging geeft DIS het wachtwoord. Hiermee is het risico op ontvreemding of zoekraken van gegevens tot een absoluut minimum beperkt.
Verslavingsgevaar op scholen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «School drugsvrij»1, «Opstelten: drugskind aanpakken»2 en «Schandpaal afgewezen»3?4
Ja.
Deelt u de mening dat uw voorstel een vorm van «naming-and-shaming» is? Zo nee, hoe zou u het dan willen noemen? Zo ja, deelt u de mening dat «naming and shaming» een statusverhogend en daarmee contraproductief effect zou kunnen hebben? Zo nee, waarom niet?
Wat ik duidelijk heb willen maken is dat een cultuur op scholen waarin drugsgebruik door leerlingen wordt genegeerd of toegedekt een averechts effect heeft. Zoals de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tijdens het vragenuur op 30 november 2010 in uw Kamer heeft betoogd is het belangrijk dat scholen bij geconstateerd drugsgebruik de betrokken ouders inlichten. Bij de constatering van drugshandel moet dit gemeld worden aan de politie. Schoolbesturen zullen daar opnieuw nadrukkelijk op gewezen worden. Scholen kunnen en moeten in dergelijke gevallen ook zelf maatregelen nemen, en de problemen met het gebruik van of de handel in drugs met leerlingen aanpassen. Op welke manier een school dat doet en of het daarbij behulpzaam is om leerlingen die drugs hebben gebruikt of verhandeld binnen de school bekend te maken, hangt af van de situatie op de betreffende school en moet dan ook aan de scholen zelf worden overgelaten. Daarbij dient het risico op contraproductieve effecten, zoals het afschrikken van zorgmijdende leerlingen met problematisch gebruik of een mogelijk statusverhogend effect, te worden afgewogen tegen de nuttige effecten van het op gang brengen van gesprekken tussen leerlingen, ouders en school waarin problemen concreet worden benoemd.
Heeft u uw voornemens voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegeven? Zo ja, wat was zijn opvatting ten aanzien van uw voornemens? Zo nee, gaat u dit alsnog doen?
De wijze waarop scholen het gesprek met hun leerlingen over drugs voeren is niet iets dat van Rijkswege in beleid of wetgeving geregeld wordt, maar is aan de scholen zelf. Het spreekt voor zich dat zij daarbij in lijn met de privacywetgeving dienen te handelen. Ik zie geen reden om hierover iets ter advisering voor te leggen aan het College bescherming persoonsgegevens.
Deelt u de mening van de VO-raad dat het een brug te ver gaat om leerlingen met naam en toenaam bekend te maken en dat het niet aan de school is om een leerling publiekelijk aan de schandpaal te nagelen, omdat dat niet past bij de opvoedkundige taak van de school? Zo ja, waarom hebt u dan toch het idee opgevat om de namen van leerlingen die drugs gebruiken bekend te maken bij ouders, leraren en medescholieren? Zo nee, op welke punten bent u het dan oneens met de VO-raad en waarom?
Mij is geen formeel standpunt van de VO-raad hierover bekend. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 moet de afweging of het behulpzaam is om leerlingen die drugs verhandelen of gebruiken binnen de school bekend te maken door de scholen zelf gemaakt worden. Het zou niet goed zijn aan scholen voor te schrijven dat zij dit altijd moeten doen, noch om voor te schijven dat ze dit nooit moeten doen.
Deelt u de mening dat jongeren, ook daar waar het om bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft, kwetsbaarder zijn dan volwassenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat het geen pas geeft dat de wetgever die borg moet staan voor die persoonlijke levenssfeer, daar inbreuk op maakt?
Ik deel deze mening, en de wetgever staat ook borg voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van jongeren.
Bent u bekend met de rapporten die uitwijzen dat alcohol een nog grotere invloed op de schoolgaande jeugd kan hebben dan drugs? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens hiertegen maatregelen te gaan treffen en welke?
De recent verschenen HBSC studie5 bevestigt het beeld dat de schoolgaande jeugd veel meer alcohol dan cannabis gebruikt. Bovendien komt binnen de groep reguliere gebruikers van alcohol het bingedrinken (het drinken van vijf of meer alcoholische drankjes bij één gelegenheid) veel vaker voor dan zwaar gebruik van cannabis binnen de groep reguliere cannabisgebruikers. De kwantitatieve gezondheidsschade veroorzaakt door alcohol is als gevolg daarvan groter dan de gezondheidsschade ten gevolge van cannabis. Preventieve maatregelen als het schoolprogramma De Gezonde School en Genotmiddelen en het Partnerschap Vroegsignalering Alcohol besteden daarom reeds veel aandacht aan het gebruik van alcohol door scholieren. Zie ook het antwoord op vraag 11.
Bent u voornemens ook minderjarigen onder de 16 jaar die alcohol gebruiken met naam en toenaam bekend te laten maken? Zo nee, wat is het verschil in deze met het gebruik van drugs?
Ik heb mijn uitspraken gedaan in het kader van drugsgebruik op scholen, omdat ik meen dat dit op het moment extra aandacht behoeft. Het uitgangspunt dat wangedrag door leerlingen op school niet alleen moet worden gemeld aan ouders en politie, maar dat leerlingen hier ook door de school op worden aangesproken, heeft bredere geldigheid. Met de in mijn antwoord op vraag 2 gemaakte kanttekening geldt dat ook voor het publiekelijk aanspreken van leerlingen.
Zijn er nog meer illegale activiteiten die jongeren ondernemen waarbij u de naam en toenaam van de betrokken jongere bekend wilt maken? Zo, welke activiteiten betreffen dit?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het feit dat belangrijkste reden voor schooluitval het gebruik van genotsmiddelen is? Zo ja, waarom zit er dan in het merendeel van de zorgadviesteams op scholen geen preventiemedewerker en medewerker verslavingszorg genotsmiddelen?
Uit een recent rapport van het ROA6 blijkt dat voor 1,5% van de voortijdig schoolverlaters een verslavingsprobleem de belangrijkste reden was om te stoppen met de opleiding. Van de voortijdig schoolverlaters gaf 5% aan dat een verslavingsprobleem één van de redenen was om te stoppen. Het gebruik van genotmiddelen is daarmee niet de belangrijkste reden voor schooluitval.
Uit ander onderzoek7 blijkt alcohol- en cannabisgebruik wel nadrukkelijk samen te hangen met spijbelen, een geringe schoolmotivatie en verminderde schoolprestaties. De causaliteit van deze verbanden is lastig vast te stellen.
Problematisch middelengebruik door schoolgaande jeugd is vooral op het MBO een probleem. Op het MBO zit daarom in 71% van de Zorg- en Adviesteams (ZAT’s) een medewerker van de verslavingszorg8. Voor het VO is structurele deelname van de verslavingszorg in het ZAT niet per se noodzakelijk. Volstaan kan worden met een goede samenwerking, zodat de verslavingszorg snel kan worden ingeschakeld bij problemen. Dit is geborgd doordat in bijna alle ZAT’s in het VO (96%) een preventiemedewerker van de jeugdgezondheidszorg deelneemt.
Deelt u de zorgen van de ouders over drugsgebruik door jongeren op scholen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders worden geholpen bij het weerbaar maken van hun kinderen tegen de verleidingen van genotsmiddelen zoals drugs? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ouders worden preventief ondersteund via het schoolprogramma de Gezonde School en Genotmiddelen. Zij krijgen informatie hoe ze bij de opvoeding aandacht kunnen besteden aan roken, alcohol en drugs en leren dit ook toe te passen. Ook kunnen ouders met vragen over het opvoeden en opgroeien van hun kinderen terecht bij de Centra voor Jeugd en Gezin. Dit jaar nog zal iedere gemeente hiervoor een laagdrempelig en toegankelijk front office hebben.
Welke ambitie heeft u om dit probleem zo snel en effectief mogelijk tegen te gaan?
Voor de beantwoording van deze vraag wil ik verwijzen naar de landelijke nota gezondheidsbeleid. Deze zal in het voorjaar van 2011 aan uw Kamer worden gestuurd.
Het internetfilter tegen kinderpornografie |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat u heeft overwogen om kinderpornografie op internet te blokkeren door middel van Deep Packet Inspection (DPI)?1 Overweegt u nog steeds DPI op dit of een ander gebied in te zetten? Kunt u dat toelichten?
In het bericht waaraan in de vraag wordt gerefereerd, wordt ten onrechte gesuggereerd dat ik de inzet van DPI overweeg. Tijdens het Algemeen Overleg kinderporno met uw Kamer op 2 december 2010 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, die mij in dat overleg heeft vervangen, naar aanleiding van de vraag van een van de leden van uw kamer hoe ik aankijk tegen het gebruik van DPI voor de opsporing van kinderporno, geantwoord dat deze technologie wordt onderzocht en dat ik daar in mijn eerstvolgende voortgangsbrief (planning: medio februari 2011) op terug zal komen. Ik heb er derhalve geen inhoudelijk standpunt over ingenomen. In deze brief zal ik – voor zover relevant – ook ingaan op de effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van deze technologie.
Deelt u de mening dat het permanent aftappen en inhoudelijk controleren op kinderporno van al het internetgebruik van alle Nederlanders niet effectief, niet doelmatig en niet proportioneel is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het beter is het budget voor het filteren van internet aan te wenden om de capaciteit uit te breiden van politie, Openbaar Ministerie en/of het Meldpunt Kinderporno, zodat kindermisbruik sneller en effectiever kan worden opgespoord, gestopt en vervolgd?
De in de vraag gelegde relatie tussen het budget voor het filteren en blokkeren van websites en het budget voor de opsporing en vervolging van kinderporno is er niet. Het eerste is privaat geld, het tweede publiek geld.
Verplichte winterbanden voor professioneel personenvervoer |
|
Jacques Monasch (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Busjes nog op zomerbanden»?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat de meeste scholieren- en gehandicaptenbusjes en bel- en regiotaxi’s in het Noorden geen winterbanden hebben, ondanks het feit dat er begin dit jaar in Drenthe een ernstig ongeluk is gebeurd met een schoolbusje dat geen winterbanden had?
Ik vind het jammer dat niet alle taxi’s en taxibusjes voor speciaal vervoer (contractvervoer) winterbanden hebben. Mede naar aanleiding van het ongeval bij Erica heeft voormalig minister Eurlings het gebruik van winterbanden nog eens sterk aangeraden. In de handboeken «professioneel aanbesteden» van contractvervoer is deze aanbeveling opgenomen als een belangrijk veiligheidsaspect. Dit is onder de aandacht van opdrachtgevers en opdrachtnemers gebracht. Maar opdrachtgevers – vaak gemeenten – en opdrachtnemers zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan.
Is het waar dat de vervoerder zelf mag invullen wat onder de eis «veilig» wordt verstaan en dat het de verantwoordelijkheid van vervoersbedrijven zelf is om winterbanden te gebruiken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom willen de opdrachtgevers niet het hele wagenpark in Noord-Nederland van winterbanden voorzien? Wordt het wagenpark in de rest van Nederland wel door opdrachtgevers voorzien van winterbanden? Zo nee, waarom niet?
Opdrachtgevers zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van een bestek voor aanbesteding. Zij kunnen daarin de eis of wens van winterbanden opnemen. Er is daarbij geen onderscheid tussen Noord-Nederland en de rest van het land. Mij is niet bekend welke opdrachtgevers wel, en welke niet winterbanden voorschrijven. Overigens kunnen vervoersbedrijven ook eigener beweging winterbanden gebruiken.
Deelt u de mening dat zowel de verkeersveiligheid als de veiligheid van de passagiers enorm worden verbeterd als alle professionele vervoerders winterbanden zouden gebruiken in barre winterse tijden?
Inderdaad is het een voordeel voor de verkeersveiligheid en de veiligheid van passagiers als een voertuig in winterse omstandigheden voorzien is van winterbanden: er kan beter gebruik worden gemaakt van de beschikbare wrijving tussen band en wegdek ten behoeve van sturen, remmen en aandrijving. Anderzijds mogen daar geen wonderen van worden verwacht. Als er ijs, ijzel of sneeuw op de weg ligt is de beschikbare wrijving tot maximaal een vijfde of zelfs een tiende van de «normale» schone situatie gereduceerd en de remweg is toch vele malen langer dan normaal. De winterband kan dan dat kleine beetje wrijving optimaal benutten.
Deelt u de mening dat winterbanden voor de kleine, professionele personenvervoer verplicht moeten worden gesteld in deze tijd van het jaar, omdat blijkt dat gemeenten in hun contracten met de vervoerders niet om winterbanden vragen?
Nee. Mijn beleid is om winterbanden niet verplicht te stellen, maar de eigen verantwoordelijkheid van weggebruikers en opdrachtgevers van professioneel personenvervoer voorop te stellen en hen sterk aan te raden winterbanden te (laten) gebruiken.
Het besluit van de provincie tot aanleg van de Oostvaarderswold ondanks het voornemen in het regeerakkoord deze te schrappen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Welke lijn gaat u volgen nu de provincie Flevoland heeft besloten om het inpassingsbesluit van de Oostvaarderswold definitief te maken?1 Bent u bereid om de Oostvaarderswold nu toch te laten aanleggen?
Ik houd vast aan uitvoering van het beleidsvoornemen uit het regeerakkoord om de Robuuste Verbindingszone in het Oostvaarderswold niet aan te leggen.
Per brief heb ik de provincies gemeld dat in het licht van het regeerakkoord nu een ingrijpende wijziging aan de orde is, waaronder de beëindiging van de investering in Robuuste Verbindingszones.
Wat is uw reactie op het feit dat dit besluit unaniem is genomen?
Het Provinciaal Inpassingsplan Oostvaarderswold is door Provinciale Staten Flevoland met algemene stemmen aangenomen. Ik neem dit voor kennisgeving aan.
Wat is uw reactie op boeren die zich gedupeerd voelen omdat de overheid terugkomt op gemaakte afspraken omtrent het Oostvaarderswold? Wilt u in uw antwoord ook een reactie inbouwen op het bij de provincie gehouden betoog van prof. mr. drs. Van Ravels (ADK advocaten)?
Ik heb de provincie Flevoland op 1 december per brief er nogmaals van op de hoogte gesteld dat alle juridische verplichtingen voor verwerving van gronden die de provincie is aangegaan na 20 oktober 2010 niet meer voor vergoeding door het Rijk in aanmerking komen.
Het betoog van prof. mr. drs. Van Ravels is vertrouwelijk uitgesproken in een niet openbare provinciale commissie. De belangrijkste conclusies zijn openbaar en ik heb die voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de juridische onderbouwing van de positie van de overheid tegenover gedupeerde boeren indien deze zullen gaan procederen tegen het terugkomen op afspraken in het Oostvaarderswold?
Zie antwoord vraag 3.
Verwacht u een eventueel juridisch conflict met de provincie Flevoland te kunnen winnen? Zo ja, hoe dan en wat is de juridische onderbouwing? Zo nee, waarom gaat u dan door op deze lijn?
In het kader van het nieuwe bestuursakkoord Rijk-provincies verwacht ik met de provincie Flevoland en de andere provincies overeenstemming te bereiken ten aanzien van de afhandeling van de lopende verplichtingen onder de thans geldende ILG-bestuursovereenkomst, en de aanpassing van de in die overeenkomst opgenomen afspraken overeenkomstig de voorziene ombuigingen in het regeerakkoord.
Welke gevolgen verwacht u voor de economische activiteit, de werkgelegenheid en het toerisme voor Flevoland indien de Oostvaarderswold niet door gaat? Wat is uw reactie op het warme betoog van de Kamer van Koophandel over de aanleg van het Oostvaarderswold?
In het regeerakkoord worden duidelijke keuzes gemaakt, onder meer om niet langer de Robuuste Verbindingszone in het Oostvaarderswold te realiseren. Ik vertrouw erop dat de provincie Flevoland, in samenspraak met de betrokken partijen, een duidelijke visie op dit gebied zal ontwikkelen, waarin de economische belangen van de regio worden meegenomen.
Een zaak waarin een tot het christendom bekeerde familie geen asiel wordt verleend |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Kent u de verblijfsprocedure van de familie A.?1
Ja.
Waarom is aan deze familie geen asiel toegekend, ondanks de bekering tot het christendom en het daarbij bestaande risico op vervolging in het land van herkomst Iran?
Betrokkenen hebben in totaal twee asielaanvragen ingediend, te weten op
20 oktober 2001 en op 13 januari 2009. De eerste asielaanvragen zijn afgewezen vanwege het afleggen van ongeloofwaardige verklaringen. Deze afwijzingen zijn in rechte komen vast te staan.
Bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2007/15) van 13 juli 2007 inzake het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Iran, zijn Iraanse vreemdelingen die in Nederland tot het christendom zijn bekeerd, aangewezen als groep die bijzondere aandacht vergt. Dit betekent dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 in aanmerking kunnen komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn én dat zij daarnaast al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.
Ter onderbouwing van de tweede asielaanvraag heeft de vader van het gezin aangevoerd dat hij zich in 2007 in Nederland heeft bekeerd tot het christendom en om die reden gevaar loopt bij terugkeer naar Iran. Er wordt niet getwijfeld aan de bekering van de vader van het gezin. Echter, deze bekering, noch een christelijke geloofsovertuiging is voldoende grond voor toelating. Er moet conform het desbetreffende beleid ook nog worden gekeken naar het individuele asielrelaas. Ten aanzien van de betrokken familie geldt echter dat van problemen, die niet met hun bekering verband houden, niet is gebleken, althans dat dergelijke problemen niet aannemelijk zijn geworden. Het asielrelaas, voor zover het niet ziet op de bekering, is immers ongeloofwaardig bevonden. Hieruit volgt dat het gezin op grond van het in WBV 2007/15 neergelegde beleid geen aanspraak kan maken op verlening van een verblijfsvergunning asiel. Dit oordeel is bevestigd door de rechtbank die het beroep van betrokkenen ongegrond heeft verklaard.
Hoe verhoudt zich deze beslissing tot het algemene beleid inzake in Nederland tot het christendom bekeerde Iraanse asielzoekers?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt deze beslissing zich tot de aangenomen motie Voordewind c.s. (Kamerstuk 32 500 VI, nr. 58)?
Ten aanzien van de aangenomen motie Voordewind c.s. verwijs ik naar mijn brief van hedenaan de Tweede Kamer, waarin ik het beleid ten aanzien van Iraanse christenen toelicht. Zoals ik in deze brief vermeld, zie ik het verzoek om in Nederland tot het christendom bekeerde Iraanse moslims onder dezelfde voorwaarden toe te laten als Iraanse christenasielzoekers, als ondersteuning van het vigerende beleid. Ik zie dan ook geen aanleiding om deze zaak in heroverweging te nemen.
Bent u, gezien deze aangenomen motie, bereid in overweging te nemen dit gezin een verblijfsvergunning toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.