Het niet goed uitvoeren van onderzoek naar plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het onderzoek naar de doodsoorzaak van plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen, dat sinds januari 2011 is verplicht, niet of niet goed wordt uitgevoerd?12
Ja. Het bericht is echter niet juist. De NODO-procedure is nog niet ingevoerd; er is dus geen sprake van een verplichting.
Wat betekent het in de praktijk, wanneer een arts contact met de gemeentelijke lijkschouwer moet opnemen maar bij twijfel verder onderzoek nog niet kan worden verricht volgens de in de wet vastgelegde procedure? Betekent dit, dat de gemeentelijke lijkschouwer in alle gevallen dan ook zelf zal schouwen en nader onderzoek zal verrichten?
Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts sinds 1 januari 2010 vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven óf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer.
Kunt u zich voorstellen dat het op dit moment, zonder NODO-procedure (Nader Onderzoek Doodsoorzaak), voor lijkschouwers onduidelijk is welke taak zij moeten uitvoeren? Zo ja, vindt u dit gewenst?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is alleen het contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer vanaf 1 januari 2010 een nieuwe taak. De beslissing die de lijkschouwer neemt na dit contact blijft dezelfde als voorheen. Bovendien is hierover zowel door het Rijk als door de betrokken artsenorganisaties voorlichting verstrekt.
Bij de invoering van de NODO-procedure zal bezien worden op welke wijze de gemeentelijk lijkschouwers voldoende toegerust kunnen worden voor de beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding van de NODO-procedure? Waarom is de NODO-procedure nog niet in werking getreden, waarom is er kennelijk vertraging opgetreden en wie is daarvoor verantwoordelijk, welke concrete stappen moeten er nog gezet worden en wanneer kan de NODO-procedure wel in werking treden?
In april 2010 heeft de KNMG een advies opgeleverd over de inrichting van de NODO-procedure. Aan de hand daarvan is in september 2010 door een extern adviesbureau een berekening van de uitvoeringskosten gemaakt. Daaruit blijkt dat de inrichting van de NODO-procedure, op de door de KNMG geadviseerde wijze, zeer hoge kosten met zich brengt. Ook komen er signalen uit de medische sector dat deze inrichting niet breed gedragen wordt als optimale organisatie van de NODO-procedure en worden er vanuit de sector alternatieven aangereikt.
Daarom overweeg ik op welke andere wijze de NODO-procedure op effectieve en efficiënte wijze kan worden ingericht. Een goed alternatief zou kunnen zijn om aan te sluiten bij een project dat TNO samen met de Universiteit Twente uitvoert inzake de preventie van kindersterfte. Daartoe wordt de haalbaarheid onderzocht van het installeren van speciale teams die een multidisciplinaire evaluatie uitvoeren in alle gevallen van het overlijden van een kind. Deze werkwijze wordt in de Angelsaksische landen ook wel aangeduid met de term «Child Death Review». In Engeland wordt voorafgaand aan deze multidisciplinaire evaluatie een onderzoek uitgevoerd dat de «Rapid Response» wordt genoemd. Deze «Rapid Response» heeft als doel om in korte tijd onderzoek te doen naar de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. De NODO-procedure heeft dezelfde doelstelling. Daarom wordt nu bekeken of het instellen van dergelijke mobiele «Rapid Response» teams in het kader van de uitvoering van de NODO-procedure een goede en effectieve werkwijze is.
Ik acht het van belang dat de NODO-procedure op korte termijn kan worden ingevoerd en streef er dan ook naar hierover spoedig een beslissing te nemen, in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welk ministerie is verantwoordelijk voor de hele procedure rondom de NODO? Welke minister of staatssecretaris is hiervoor verantwoordelijk?
De NODO-procedure valt onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Betrokkenheid van de Minister van VWS is echter onontbeerlijk gezien haar deskundigheid van het medische veld.
Klopt het dat de vertraging in de uitwerking van de NODO-procedure veroorzaakt wordt door onenigheid tussen overheid en de KNMG over de financiering? Zo ja, kunt u de standpunten van beide partijen nauwkeurig weergeven?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijke gevolgen kan het nog niet in werking treden van de NODO-procedure concreet hebben voor ouders van overleden minderjarigen en voor zorgverleners? Welk signaal kan er uitgaan van een verplichte melding bij onverwacht overlijden van een minderjarige, wanneer niet-natuurlijke dood niet met zekerheid kan worden uitgesloten, terwijl de vervolgprocedure nog niet gereed is?
Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Alleen het verplichte contact tussen behandelend arts en gemeentelijk lijkschouwer is nieuw sinds 1 januari 2010, verder is de procedure niet anders dan voorheen. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer. Dat is een verbetering ten opzichte van de oude procedure, toen de arts nog geheel zelfstandig een verklaring van overlijden kon afgeven en gevallen van mogelijk niet-natuurlijk overlijden soms onopgemerkt konden blijven. Er is dan ook bewust gekozen om het verplichte contact al op 1 januari 2010 van kracht te laten worden. Als een niet-natuurlijke dood vervolgens ook door de gemeentelijk lijkschouwer niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld.
Klopt het dat, zonder de NODO-procedure, vaker dan nodig een door justitie gelast onderzoek volgt, en dat dit een extra belasting vormt voor ouders die niets valt te verwijten? Zo ja, wat is uw mening hierover, en per wanneer wordt dit opgelost? Hoeveel door justitie gelaste onderzoeken hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden en met welke uitkomst?
Het Openbaar Ministerie heeft geen cijfers over het aantal onderzoeken dat door de officier van justitie wordt gelast in gevallen waarin de gemeentelijk lijkschouwer geen verklaring van (natuurlijk) overlijden kan geven bij het onverklaard overlijden van minderjarigen. Als de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden na de schouw als «onverklaard» beoordeelt, zal hij, totdat de NODO-procedure (die niet onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie plaatsvindt) in werking is getreden, contact opnemen met de officier van justitie.
Als er een redelijk vermoeden bestaat dat sprake is van een strafbaar feit kan de officier van justitie een gerechtelijke sectie gelasten die erop is gericht vast te stellen of een strafbaar feit tot het overlijden heeft geleid.
Bent u van mening dat op dit moment, wanneer de NODO-procedure eindelijk in werking is getreden, voldoende waarborg bestaat om te voorkomen dat gevallen van verwaarlozing of mishandeling van minderjarigen onopgemerkt blijven? Zo ja, bent u derhalve van mening dat (huis)artsen en andere zorgverleners over voldoende kennis en ervaring beschikken om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling in alle gevallen te herkennen? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe is dit te rijmen met de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het rapport over jeugdzorg?
Met de verplichting voor de behandelend arts het overlijden van een minderjarige te melden bij de gemeentelijk lijkschouwer en zijn bevindingen te toetsen, het toerusten van gemeentelijk lijkschouwers op een goede beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen en het uitvoeren van de NODO-procedure zelf wordt de mogelijkheid om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling bij minderjarigen te herkennen mijn inziens voldoende gewaarborgd. Wat overigens geen garantie geeft voor het onopgemerkt blijven van genoemde gevallen in voorkomende situaties.
Zou het niet beschikbaar zijn van de NODO-procedure in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat behandelend arts en lijkschouwer eerder zullen overgaan tot het afgeven van een verklaring van natuurlijke dood, ook wanneer een niet-natuurlijke doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten? Zo nee waarom niet en hoe kunt u dit garanderen, gezien de huidige situatie? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Nee. Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer.
Als een natuurlijke dood vastgesteld wordt, wordt een verklaring van overlijden afgegeven. Als er geen twijfel bestaat aan de natuurlijke aard van het overlijden, maar de doodsoorzaak onbekend is, bestaat de mogelijkheid tot het verrichten van neutraal medisch onderzoek naar de doodsoorzaak (de zogenaamd klinische obductie) indien de betrokken arts en de ouders dat belangrijk vinden. Als een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens, bij het vermoeden van een strafbaar feit, een gerechtelijke sectie gelasten.
Door de invoering van de NODO-procedure zullen gevallen van onverklaard overlijden bij minderjarigen nader onderzocht worden en zal een beter onderscheid gemaakt kunnen worden tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Tot die tijd geldt de hierboven genoemde procedure.
Slachtoffers die hulp moeten ontberen vanwege een falend computersystemen bij de politie |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie zet slachtoffer van misdrijf in de kou»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat door een falend computersysteem bij de politie slachtofferhulp in ongeveer 15 000 gevallen geen melding krijgt om hulp te verlenen aan slachtoffers?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd. Het invullen van deze vraag wordt in de praktijk echter niet altijd gedaan.
Zijn er stappen ondernomen om de slachtoffers alsnog de nodige hulp te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is het bekend of slachtoffers hierdoor benadeeld zijn? Op welke manier en hoe hebben betrokken slachtoffers hierop gereageerd?
Om ervoor te zorgen dat de gegevens van slachtoffers zoveel mogelijk worden doorgestuurd naar Slachtofferhulp Nederland zijn politiebreed handleidingen en instructies verspreid waarmee korpsen kunnen zorgen voor juiste invoer in het systeem. In veel regio’s zijn daarnaast maatregelen genomen om alsnog de slachtoffergegevens integraal aan Slachtofferhulp Nederland door te geven. Niettemin is er een onbekende groep slachtoffers, alsook getuigen van strafbare feiten of verkeersongevallen, waarvan de gegevens niet door de politie aan Slachtofferhulp Nederland ter beschikking worden gesteld. Een deel van deze groep meldt zich overigens zelf al bij Slachtofferhulp Nederland.
Zijn inmiddels alle slachtoffers benaderd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat u de politietop aanspoort of heeft aangespoord om (nood-)maatregelen te treffen? Zo ja, op welke wijze zal de politietop de problemen in het computersysteem verhelpen en op welke termijn? Als er kosten verbonden zijn aan het herstellen van de fout, wie moet die dragen?
Om ervoor te zorgen dat slachtoffers voortaan consequent slachtofferhulp krijgen aangeboden is het nodig dat standaard de gegevens van slachtoffers naar Slachtofferhulp Nederland worden doorgestuurd. Om te bezien of het standaard automatisch doorsturen van slachtoffergegevens naar Slachtofferhulp Nederland juridisch mogelijk is, heb ik laten onderzoeken of de Wet politiegegevens hieraan in de weg staat. Uit deze juridische analyse blijkt dat de Wet politiegegevens geen belemmeringen kent voor automatische doorverwijzing van alle slachtoffers aan Slachtofferhulp Nederland. De gegevens mogen ook worden doorgestuurd wanneer niet aan het slachtoffer is gevraagd of zijn gegevens mogen worden doorgegeven. Ik heb daarom aan de politie gevraagd om op zo kort mogelijke termijn een dergelijke 100%-doorverwijzing in het systeem in te voeren. De politieagent hoeft dan niet meer zelf in het systeem gegevens over het doorverwijzen in te voeren. Slachtoffers die geen prijs stellen op slachtofferhulp kunnen dat bij het eerste contact met Slachtofferhulp Nederland aangeven. Overigens behoudt de politie de ruimte om in individuele gevallen, bijvoorbeeld in geval van anonieme aangifte, de afweging te maken om slachtoffergegevens niet automatisch naar Slachtofferhulp Nederland door te laten sturen.
Daarnaast zijn er personen die niet zelf rechtstreeks slachtoffer zijn maar wel voor slachtofferhulp in aanmerking komen (bv. omstanders). De politieagent dient dit expliciet in het systeem aan te geven. Ik heb daarom aan de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn en in alle korpsen.
Klopt het dat u hoge prioriteit stelt aan slachtofferhulp? Zo ja, waaraan kunnen wij deze hoge prioriteit herkennen? Welk beleid is daaraan gekoppeld?
Ik geef hoge prioriteit aan het versterken van de positie van slachtoffers in het strafproces en aan de hulp die slachtoffers daarbij nodig hebben. Samen met Slachtofferhulp Nederland werk ik daarom continu aan het verbeteren van de uitvoering van de slachtofferhulp en aan het leveren van maatwerk. Andere maatregelen ter versterking van de positie van slachtoffers zijn bijvoorbeeld de OM-aanwijzing over zelfverdedigers, die voorschrijft dat zelfverdedigers in de regel niet als verdachte worden aangehouden, het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb waarmee het spreekrecht wordt uitgebreid en het in het regeerakkoord aangekondigde wetsvoorstel om conservatoir beslag ten behoeve van slachtoffers mogelijk te maken.
Hoe komt het dat een aantal korpsen het probleem hebben gesignaleerd en eigenstandig het probleem hebben opgelost maar geen sprake was van een korpsbrede coördinatie en aanpak?
Politiebreed zijn handleidingen en instructies verspreid waarmee korpsen kunnen zorgen voor juiste invoer in het systeem. Een aantal korpsen heeft in de afwegingen rond inzet van capaciteit niet gekozen voor het intensiveren van de inzet op de doorverwijzing. Ik heb de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn, in alle korpsen.
'De Tbs-paradox' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De paradox van tbs»? Het gaat bijna altijd goed, maar het imago is slecht»?12 Hoe beoordeelt u de werking van het tbs-systeem? Wat vindt u van het imago van tbs? Vindt u het terecht dat tbs een tamelijk slecht imago heeft?
Ik heb kennis genomen van het artikel. Voor die veroordeelden die lijden aan een stoornis van de geestvermogens is de tbs-maatregel een belangrijk instrument binnen het sanctiearsenaal. Belangrijker dan de vraag naar het imago van de tbs acht ik de vraag hoe het tbs-stelsel verder kan worden verbeterd. Over de mogelijkheden daartoe zal ik uw Kamer op korte termijn een beleidsbrief doen toekomen.
Klopt de gang van zaken, zoals beschreven in het artikel? Hoe is het mogelijk dat de behandelaar ter zitting mondeling kwam toelichten dat het risico op recidive miniem was en derhalve onvoorwaardelijk ontslag voor een tbs’er adviseerde, maar dit niet mocht opschrijven omdat dit de directeur in conflict met u zou brengen?
Nee, dit klopt niet. Ten behoeve van het verlengen van een tbs-maatregel moet een advies afkomstig van het hoofd van de inrichting aan de rechter worden overlegd. Dit advies komt tot stand op basis van een bespreking van het hoofd van de inrichting met verschillende disciplines, waaronder de psychiatrie. Ter zitting kan het advies door de inrichting worden toegelicht. Alleen uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld zeer recente ontwikkelingen, kunnen een grond zijn om ter zitting een wijziging in het advies aan te brengen.
Hoe beoordeelt u het verwijt dat het intrekken van de verlofmachtiging in deze zaak een politieke beslissing is geweest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken mij niet in de beschreven gang van zaken. Er is geen sprake van het intrekken van een verlofmachtiging, maar van het niet verlenen van een machtiging tot onbegeleid verlof. In deze beslissing is de afweging of het verlenen van deze machtiging tot onbegeleid verlof de veiligheid van de samenleving in het geding brengt, leidend geweest.
Is het waar dat het aantal onbegeleide verloven met 70 procent is gedaald? Kunt u een overzicht geven met het aantal onbegeleide verloven over de afgelopen jaren, waarin ook de periode voor de tijdelijke commissie onderzoek tbs is meegenomen? Wat is uw reactie op het verwijt dat de andere kant is dat je mensen binnenhoudt die best al naar buiten hadden gekund?
Vanaf 2003 daalde het aantal nieuw gestarte onbegeleide verloven van ongeveer 290 naar een dieptepunt van ongeveer 110 in 2006. Sindsdien groeit het aantal nieuwe machtigingen voor onbegeleid verlof jaarlijks. In 2010 startten er ruim 210 nieuwe onbegeleide verloven. Het is niet uit te sluiten dat in sommige gevallen verlof later wordt verleend dan mogelijk zou zijn geweest. Ik meen dat ten deze de veiligheid van de maatschappij prevaleert.
Met betrekking tot het al dan niet onnodig binnenhouden van tbs-gestelden merk ik het volgende op. Met het verlofbeleid wordt beoogd dat de fpc’s niet langer dan noodzakelijk wachten met het indienen van de aanvraag voor de verschillende verlofmodaliteiten. Ook wil ik dat het moment van aanvragen tussen de verschillende fpc’s meer vergelijkbaar wordt. Op deze wijze kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk op passend niveau worden behandeld, volgens het adagium «zo laag als kan, zo hoog als moet». Dit heb ik nader toegelicht in de beleidsbrief die ik 17 februari jl. aan uw Kamer heb doen toekomen.
Wat is uw reactie op de opmerking van de psycholoog is dat de huidige lengte van een verlofaanvraag van 25 pagina’s wel overdreven is en verantwoord kan worden teruggedrongen?
Het aanvragen van verlof kent een vast format. De lengte van de verlofaanvragen is echter een aandachtspunt. Omdat er grote verschillen zijn in de wijze van opmaak en de lengte van de verlofaanvragen is er in mei 2010 een werkconferentie voor de FPC’s georganiseerd door de Directie Forensische Zorg in samenwerking met het AVt. Als vervolg hierop zal worden gekeken naar een efficiëntere wijze van invulling van het vaste format.
Deelt u de vrees dat door alle politieke druk het gebrek aan professionele autonomie en de angstcultuur in de tbs-sector veel goede psychiaters, psychotherapeuten en andere medewerkers het voor gezien houden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze denkt u dat te gaan voorkomen?
Uw vrees deel ik niet. Er is een tekort aan psychiaters in het algemeen en specifiek aan forensische psychiaters. Ik zie geen verband met de genoemde beweringen. Ook heb ik niet de indruk dat er een gebrek aan professionele autonomie of een angstcultuur is.
Is het wel eens voorgekomen dat medewerkers van penitentiaire inrichtingen en tbs-klinieken die hebben gesproken met journalisten, sancties opgelegd hebben gekregen? Zo ja, hoe vaak? Om welke sancties ging het in deze gevallen?
Als rijksambtenaren een disciplinaire maatregel opgelegd krijgen, geschiedt dat door de directeur van de betreffende inrichting, op basis van de daartoe geldende regels in het ARAR. Hiervan wordt geen centrale registratie gedaan.
Is het waar dat één van de in het artikel genoemde tbs’ers vanwege zijn medewerking aan dit artikel op dit moment in de separeercel zit? Zo nee, waarom dan wel? Zo ja, waarom is hier toe besloten?
Nee. Het hoofd van de inrichting is bevoegd vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, onder andere voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.Medewerking verlenen aan een artikel is geen grond om een patiënt in afzondering te plaatsen.
De berichten dat een Nederlands bedrijf dat gesteund wordt door de overheid betrokken is bij 'slavernij' |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een Nederlands bedrijf is betrokken bij «slavernij» in Argentinië?1
De beschuldiging in de media van betrokkenheid bij «slavernij» is een ernstige aanklacht tegen een Nederlands bedrijf, welke tot op heden niet is onderbouwd door een formele aanklacht. De berichten over «slavernij» kwamen juist op het moment dat het debat tussen de Argentijnse regering en de verenigde landbouworganisaties over interventies in de tarwe- en maïshandel een hoogtepunt bereikte. Aan het begin van dit verkiezingsjaar is de Argentijnse regering door de recente berichten in staat geweest de arbeidsomstandigheden als een nieuw thema te agenderen en in de betrekkingen op te voeren. De in de media gebruikte termen als «slavernij», «mensenhandel» en «concentratiekampen» zijn afkomstig van de Argentijnse krant Página/12. Ik beschik niet over informatie die erop wijst dat deze omstandigheden aan de orde zouden zijn bij dit bedrijf.
De berichten vormden evenwel aanleiding voor mijn ministerie om in gesprek te gaan met het bedrijf. Het bedrijf werpt de beschuldigingen verre van zich en onderbouwt deze ontkenning met uitgebreide documentatie2; hieruit komt naar voren dat het bedrijf de lokale wetgeving naleeft en procedures toepast om adequate arbeidsomstandigheden bij de rurale seizoensarbeid te bewerkstelligen. De wet regelt tot in detail de verschillende aspecten van seizoensarbeid. Het bedrijf geeft aan dat het betere arbeidsvoorwaarden hanteert dan in de sector gebruikelijk is. Wat betreft beschuldigingen over werkomstandigheden, zoals overtredingen van de Hygiëne Code, kan ik geen oordeel geven. Mocht er op dit punt een overtreding zijn begaan, dan zal die resulteren in een administratieve sanctie.
Wat is uw reactie op het bericht dat dit bedrijf zich hieraan schuldig maakt, terwijl het een «lening» kreeg van de overheid via de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die onderdeel is van de instrumenten waarmee de Nederlandse overheid Nederlandse bedrijven die in het buitenland zaken doen, ondersteunt?2
Voorwaarde voor het verstrekken van een lening door de FMO aan een bedrijf in een ontwikkelingsland is dat de klant van de FMO aan bepaalde sociale en milieucriteria voldoet, dan wel bereid is daaraan te voldoen. In dit geval heeft het Argentijnse dochterbedrijf dat de lening heeft ontvangen zich bereid verklaard aan deze sociale en milieucriteria te voldoen4. De FMO houdt toezicht op de uitvoering. De FMO heeft, naar aanleiding van de berichten in de pers, een nieuw onderzoek laten uitvoeren door een onafhankelijke consultant. Het rapport van dit onderzoek is naar verwachting medio maart 2011 beschikbaar.
Voor de volledigheid merk ik op dat de betreffende lening aan de Argentijnse dochteronderneming geen directe lening van de overheid betreft. De staat bezit 51 procent van de aandelen in de FMO. De FMO steunt bedrijven in ontwikkelingslanden door middel van leningen, participaties, garanties en andere investeringen.
Hoe strookt de betrokkenheid bij «slavernij» van dit bedrijf met de verwachting van de Nederlandse regering dat bedrijven de invloed die zij hebben op de bedrijfsvoering van henzelf en hun partners in de keten in het buitenland ruimhartig aanwenden om Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) zoveel mogelijk in de praktijk te brengen?
Wat betreft betrokkenheid bij «slavernij» verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Met het Nederlandse moederbedrijf is gesproken over de manier waarop hun MVO-beleid is vormgegeven, ook richting de Argentijnse dochteronderneming. Het bedrijf heeft aangegeven geschrokken te zijn van de beschuldigingen en dat deze hard zijn aangekomen bij zowel het management als de werknemers. De directie heeft laten weten sociale verantwoordelijkheid, integriteit en goede zorg voor de werknemers van groot belang te achten, en dat het bedrijf hiertoe zorgvuldige procedures hanteert, zoals ook blijkt uit de documentatie. Een geformaliseerd MVO-beleid, opgesteld in overleg met de stakeholders, ontbreekt nog bij het Nederlandse moederbedrijf. De directie heeft aangekondigd dit op te stellen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de informatie en instrumenten die beschikbaar zijn bij o.a. MVO Nederland.
Heeft dit bedrijf in het kader van de ontvangen overheidssteun, of in het kader van andere overheidssteun, een MVO-verklaring ondertekent? Zo ja, welke gevolgen zal het schenden van de MVO-verklaring hebben?
Ja, het bedrijf heeft een MVO-verklaring ondertekend voor een project in Rusland uitgevoerd in 2001–2002 onder het toenmalige PSO-programma. Er is geen direct verband tussen de beschuldigingen in de media en de in 2001 ondertekende MVO-verklaring. Deze MVO-verklaring is niet van toepassing op de lening van de FMO aan het Argentijnse dochterbedrijf uit 2010. Het bedrijf heeft voor zover bekend geen andere MVO-verklaringen ondertekend.
Bent u bijvoorbeeld bereid om de steun in te trekken en reeds verleende steun terug te vragen?
Indien sprak is van grove schending van contractuele afspraken, dan kan de FMO zijn investering terug trekken. Dit is contractueel vastgelegd.
Bent u bereid om het bedrijf een stevige boete op te leggen, conform de strekking van de motie Gesthuizen,3 alsmede het standpunt van het voormalig Kabinet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u verder bereid om actiever toe te zien op de naleving van de MVO-verklaring door bedrijven die deze hebben ondertekend?
Nee, ik zie geen directe aanleiding om mijn beleid op dit punt te veranderen. Eind 2007 is door het onafhankelijke onderzoeksbureau Berenschot een evaluatieonderzoek gedaan naar MVO in het financieel buitenlandinstrumentarium. Uit het onderzoek komt naar voren dat het MVO-toetsingskader, dat bestaat uit de inspanningsverklaring ten aanzien van de OESO-richtlijnen en concrete toegangseisen op terrein van milieu en sociaal, voldoende waarborg vormt voor het MVO-niveau bij de aanvragers6.
Het bericht 'nederlandse bedrijfsleven raakt verder achterop met R&D' |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CBS-bericht «Nederlandse bedrijfsleven raakt verder achterop met R&D»?1
Ja.
Deelt u de mening dat onderzoek één van de basisgrondstoffen van innovatie is?
Ja, onderzoek is een belangrijke basisfactor voor innovatie, naast bijvoorbeeld menselijk kapitaal en ondernemerschap.
Heeft u nog altijd de ambitie om tot de top 5 van kenniseconomieën te horen?
Ja, die ambitie is in het Regeerakkoord ook expliciet genoemd. De ambitie heeft betrekking op de prestaties van de gehele kenniseconomie. R&D is hiervoor een belangrijke factor, maar zeker niet de enige. Menselijk kapitaal is een andere bepalende factor voor de prestaties van de kenniseconomie.
Wat is uw analyse van het feit dat Nederland qua private kennisinvesteringen niet in de top 5 staat, maar binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op plaats 16, achter Tsjechië, maar net nog voor Hongarije?
Dat de private R&D-uitgaven in Nederland relatief laag zijn in vergelijking met het buitenland is niet nieuw. De Nederlandse sectorstructuur (relatief veel diensten en relatief weinig hightech in de industrie) vormt hiervan de belangrijkste oorzaak. Daarnaast is een hoofdoorzaak dat de R&D-uitgaven van buitenlandse bedrijven in Nederland laqer zijn dan op grond van de openheid van de Nederlandse economie zou mogen worden verwacht. Nederlandse bedrijven doen veel onderzoek in het buitenland, maar Nederland trekt relatief veel minder R&D van buitenlandse bedrijven aan.2
Hoort Nederland volgens u thuis op plaats 16?
Nee, de Nederlandse ambitie ligt hoger. Met het nieuwe bedrijfslevenbeleid en de integrale aanpak op topsectoren zet het kabinet alle zeilen bij om de zaak in beweging te krijgen. Dat het bedrijfsleven commitment toont aan de aanpak stemt positief. Maar we moeten tegelijkertijd de blik niet vernauwen tot investeringen in R&D; dat is te beperkt om de diversiteit van het innovatieproces recht te doen en de innovatiekracht van Nederland af te meten. Investeringen zijn input. Uiteindelijk gaat het om de outputprestaties. Nederland is een van de meest welvarende landen ter wereld en scoort hoog op bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking en de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur. Ook de wetenschappelijke prestaties zijn van wereldklasse en de technologische output gemeten aan de hand van aantallen octrooien is hoog. In het Innovation Union Scoreboard 2010 van de Europese Commissie is Nederland op een brede index voor innovatie (met 24 achterliggende indicatoren) gestegen naar een achtste positie in de EU27. Er is dus geen reden tot pessimisme.
Wat zou de Nederlandse ambitie moeten zijn in percentage bruto binnenlands product (BBP) voor private kennisinvesteringen?
Het kabinet bepaalt de Nederlandse ambitie voor de R&D-uitgaven (publiek en privaat) in het kader van het Nationaal Hervormingsprogramma, als nationale invulling van de Europese doelstelling voor R&D (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-30, nr. 248). Het Nationaal Hervormingsprogramma zal in april 2011 aan de Europese Commissie worden gezonden en vooraf met de Tweede Kamer worden besproken.
Welke plaats in een rangorde van OESO-landen heeft u qua private kennisinvesteringen voor ogen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke plannen gaat u inzetten om het Nederlandse bedrijfsleven grotere kennisinvesteringen te laten doen?
Hiervoor verwijs ik u naar de hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid, beschreven in de brief «Naar de top». Die brief is op 4 februari 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Hoe denkt u dat u door het verdelen van minder specifieke innovatiemiddelen, gezien de huidige bezuinigingen, over meer terreinen, gezien de plannen met de economische topgebieden, een vergroting bereikt van de private onderzoeksinvesteringen?
Zie antwoord vraag 8.
Het rapport 'Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet' |
|
Arjan El Fassed (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen in het rapport «Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet» van de Campagne tegen Wapenhandel»?1
Ja.
Klopt het dat ongeveer 98 procent van de aangemelde doorvoer zonder controle door mag, omdat de oorsprong of bestemming van de strategische goederen een EU of NAVO-land is?
Nee. Er is in beginsel controle op alle doorvoer van militaire goederen, tenzij het om verplaatsingen van het eigen materieel van de NAVO-partners gaat. Voor handelstransacties via Nederlands grondgebied geldt altijd een vergunningplicht of een meldplicht. Een meldplicht is van toepassing als er sprake is van een doorvoer van of naar een bondgenoot, te weten andere EU-lidstaten, NAVO-partners of Zwitserland, Australië, Nieuw-Zeeland of Japan, en een vergunningplicht is van toepassing in alle andere gevallen. Doorvoer naar bondgenoten wordt vervolgens doorgelaten als er geen aanwijzingen zijn dat de goederen naar een andere bestemming worden verscheept, en bij doorvoer vanuit bondgenoten wordt gekeken of de betreffende bondgenoot een uitvoervergunning heeft afgegeven voor de bestemming van de goederen. Als dat laatste het geval is, toetst Nederland die doorvoertransactie niet nog eens zelf, maar wordt de toetsing door de betreffende bondgenoot gerespecteerd. Wel is het zo dat in de praktijk de overgrote meerderheid van de doorvoertransacties onder een uitvoervergunning van een bondgenoot plaatsvindt en dat dus meer dan 90% van de doorvoer van militaire goederen niet aan een eigen Nederlandse toetsing wordt onderworpen.
Is het waar dat in de periode die beschreven wordt in het rapport, niet een keer een ad hoc vergunningsplicht is opgelegd? Zo nee, in welke geval, met welke type strategische goederen en voor welke bestemming en oorsprong was dat het geval?
Ja. De mogelijkheid om de ad hoc vergunningplicht op te leggen is bij het introduceren van de standaardvergunningplicht voor zendingen van niet-bondgenoten naar niet-bondgenoten in 2008 verbreed, om bij een doorvoerzending die afkomstig is van een bondgenoot in te kunnen grijpen als de exportcontrole van die bondgenoot ontlopen lijkt te worden. Dat kan het geval zijn als bij doorvoer blijkt dat er geen door de bondgenoot afgegeven uitvoervergunning getoond kan worden of als de bestemming van het uitgaande vervoersmiddel niet te rijmen is met de bestemming op zo’n uitvoervergunning. Dat heeft zich in de in het rapport beschreven periode niet voorgedaan.
Klopt het dat op 4 november 2008, in de Rotterdamse haven, een vracht van 20 000 Tjechische automatische geweren zijn aangemeld met bestemming Sri Lanka?
Ja.
Acht u de kans groot dat Nederland voor een zelfde vracht in dezelfde periode een exportvergunning zou hebben verleend? Kunt u dit toelichten?
Ik acht de kans niet groot, maar dit concrete geval heeft Nederland niet getoetst. Nederland was in die periode buitengewoon terughoudend in het toekennen van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka. Er was geen sprake van een wapenembargo. Derhalve werd elke aanvraag op eigen merites getoetst, onder andere met inachtneming van de eindgebruiker en het eindgebruik.
Waarom is gezien de situatie die wordt geschetst in uw antwoord op eerdere Kamervragen2 niet overwogen om contact op te nemen met de Tjechische autoriteiten of een ad hoc vergunningsplicht op te leggen, gezien de ernst van de interne situatie en het risico op schendingen van mensenrechten?
Bij doorvoerzendingen uit een andere EU-lidstaat, NAVO-partner of vergelijkbare bondgenoot, moet het bewijs worden geleverd dat de bondgenoot een vergunning heeft afgegeven. Als dat het geval is, wordt die uitvoervergunning gerespecteerd.
Indien de vergunning ontbreekt, of het vermoeden bestaat dat er een omleidingsrisico is en dat de goederen niet bij de vermelde eindgebruiker zullen terechtkomen, dan zal de Douane een melding doorgeven aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en zal aldaar in overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken besloten worden of een consultatie met de verschepende bondgenoot en/of een ad hoc vergunningplicht geboden is.
Is er in 2008, 2009 of 2010 contact geweest met de Tjechische autoriteiten over de doorvoer van wapens naar Sri Lanka? Zo ja, heeft u de Tjechische autoriteiten ofwel bilateraal ofwel in Europees verband aangesproken over deze doorvoer van wapens naar Sri Lanka?
Nee. Na 4 november 2008 heeft er ook geen doorvoer van militaire goederen vanuit Tsjechië naar Sri Lanka meer plaatsgevonden.
Hoe beoordeelt u «denials» voor exportvergunningen aan Suriname maar het gebrek aan beperkingen op doorvoer via Nederland naar Suriname? Kunt u dit toelichten?
In Nederland ligt het omleidingsrisico ten grondslag aan alle afgewezen exportvergunningen voor Suriname. De afgewezen aanvragen gaan immers altijd om de uitvoer van losse vuurwapens naar particulieren of naar wapenhandelaren in Suriname, waarbij Nederland kijkt naar de «bekendheid en goede naam» van de schietvereniging waar de betreffende ontvanger lid van is, of naar de «bekendheid en goede naam» van de betreffende handelaar. Als daar onduidelijkheid over bestaat, dan acht Nederland het omleidingsrisico te groot. Overigens komt het regelmatig voor dat informatie over de schietvereniging en/of de handelaar wel voldoet aan de Nederlandse eisen. Dan wordt er een vergunning afgeven, nadat een bewijs is ontvangen dat de Surinaamse autoriteiten geen bezwaar hebben tegen de invoer van het betreffende wapen.
In het geval van doorvoer naar Suriname geldt, zoals in alle doorvoergevallen, dat Nederland erop vertrouwt dat bondgenoten een volledige toetsing uitvoeren. Nederland wenst deze toetsing niet over te doen. Hierbij wordt benadrukt dat het omleidingsrisico een toetsingsgrond is voor al onze bondgenoten. Is het land van herkomst geen bondgenoot, dan geldt een Nederlandse vergunningplicht en toetst Nederland zelf.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen een «denial» voor wapendoorvoer naar Ecuador van Servië en het gebrek aan beperkingen voor Tjechische doorvoer naar Ecuador? Kunt u dit toelichten?
Servië is geen bondgenoot van Nederland en heeft zich – ondanks het Servische alignment met Gemeenschappelijk Standpunt – niet gecommitteerd aan de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Derhalve is bij doorvoer van militaire goederen vanuit Servië door Nederland sprake van een vergunningplicht van de Nederlandse autoriteiten. Als EU-lidstaat is Tsjechië juridisch gebonden aan de onvoorwaardelijke toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (in december 2008 aangenomen en voorheen een EU Gedragscode).
Het gebrek aan orgaandonoren |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Nederlanders kapen Belgische organen weg»?1
Ja.
Klopt het bericht dat België zesentwintig donoren per miljoen inwoners telt? Hoeveel donoren per miljoen inwoners zijn er in Nederland beschikbaar? Wat gaat het kabinet doen om het aantal beschikbare donoren te laten toenemen?
Volgens berekeningen gemaakt aan de hand van de voorlopige cijfers van Eurotransplant en de meest recente bevolkingsaantallen heeft België ongeveer vierentwintig donoren per miljoen inwoners (10,8 miljoen inwoners en 263 donoren) en heeft Nederland ongeveer dertien donoren per miljoen inwoners (16.6 miljoen inwoners en 216 donoren). In de stand van zakenbrief die ik u onlangs toezond heb ik u aangegeven wat ik doe om het aantal beschikbare donoren te laten toenemen.
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Gesprek kan tekort aan orgaandonoren verminderen»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat het «verbeteren» van de gesprekken met nabestaanden kan leiden tot het verminderen van het tekort aan organen?
Ik geloof ook dat het verbeteren van de gesprekken met nabestaanden kan leiden tot het verminderen van het tekort aan orgaandonoren. Zoals ik in de bijlage bij de stand van zakenbrief die ik u onlangs toestuurde aangaf, wordt in Nederland momenteel op meerdere manieren onderzocht op welke wijze deze gesprekken beter kunnen worden gevoerd.
Wat is de rol van de functionaris als bedoelt in artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie? Zijn er inmiddels in alle ziekenhuizen protocollen en functionarissen? Zo ja, hoe functioneert dit in de praktijk?
De rol van de in artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie bedoelde functionaris staat in de artikelen 18, eerste lid en 20 van die wet beschreven. Hij of zij controleert bij een potentiële donor het donorregister, voert het donatiegesprek met de naasten als er geen positieve wilsverklaring in het register wordt gevonden, informeert de naasten over de uitnameprocedure als er een positieve wilsbeschikking in het register staat en meldt een donor aan bij het orgaancentrum, de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). Het modelprotocol orgaan- en weefseldonatie van de NTS dient in de regel als basis voor het locale protocol orgaan -en weefseldonatie. Het probleem zit hem mijns inziens niet zozeer in het opstellen en invoeren van protocollen en het aanwijzen van functionarissen, dat is in het overgrote deel van de ziekenhuizen geregeld. Het voeren van een goed donatiegesprek borg je echter niet door daarvoor in een protocol een functionaris aan te wijzen, dat doe je door ervoor te zorgen dat die functionarissen getraind zijn in dat soort gesprekken. Daar valt zoals gezegd nog winst te behalen.
Klopt het dat artsen tijdens hun opleiding nauwelijks worden getraind in gesprekken over orgaandonatie? Bent u van mening dat artsen tijdens hun opleiding hier wel in getraind zouden moeten worden? Zo ja, op welke wijze gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Het is gedeeltelijk waar dat artsen tijdens hun opleiding nauwelijks worden getraind in gesprekken over orgaandonatie, het curriculum is zo overvol dat daarvoor simpelweg geen ruimte is. Veel ziekenhuizen vangen dit wel op door deze training aan arts-assistenten te geven die in dat ziekenhuis worden opgeleid. Ik verwacht zelf meer van het gericht trainen van professionals op de Intensive Care die het meest met orgaandonatie in aanraking komen. Mijn voorganger heeft in 2007 subsidie gegeven voor het project Communicatie rond Donatie van de NTS. In het kader van dit project is al aan veel ziekenhuizen de mogelijkheid geboden om hun personeel te trainen. Binnenkort verschijnen resultaten van het onderzoek dat naar aanleiding van dit project is gedaan. Het project laat hoopgevende resultaten zien op het vlak van het verhogen van het toestemmingspercentage door nabestaanden. Zoals aangegeven in de stand van zakenbrief zal ik samen met de NTS bekijken of en hoe de succesvolle aanpak uit het project breed kan worden geïmplementeerd.
Fraude met voorlopige teruggaaf |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het tegengaan van fraude met Voorlopige Teruggaaf (VT) tot de beleidsprioriteiten van de Belastingdienst hoort in 2011?1
Ja. Ook in 2010 was dit het geval.
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren verschillende gevallen van grote fraude met VT’s aan het licht zijn gekomen in combinatie met identiteitsfraude?2 En dat hierbij vaak gebruik werd gemaakt van mensen in een kwetsbare positie zoals buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering, dat wil zeggen mensen van wie zeer moeilijk terugvordering plaatsvindt bij geconstateerde fraude? Hoe groot is het bedrag van geconstateerde fraude met de voorlopige teruggave geweest in 2007, 2008, 2009 en 2010?
In de afgelopen jaren zijn enkele fraudegevallen behandeld door de strafrechter waarbij o.a. sprake was van fraude met VT’s in combinatie met identiteitsfraude. Deze vorm van fraude is één van de verschijningsvormen van hetgeen nu aangeduid wordt met de term «systeemfraude». Hieronder wordt verstaan elke poging tot het laten uitbetalen door de Belastingdienst van een bedrag dat is gebaseerd op gefingeerde gegevens. Wanneer na verloop van tijd de definitieve aanspraak wordt vastgesteld blijkt dat de «rechthebbende» niet of moeilijk in staat is het te veel of ten onrechte betaalde terug te betalen of dat de voorlopige betaling is uitbetaald aan iemand die heeft gemanipuleerd met de fiscale identiteitgegevens van de aanvrager. Systeemfraude in combinatie met ID-fraude – dan «profiteert» een ander dan de aanvrager – komt aanzienlijk minder vaak voor dan systeemfraude waarbij geen ID-fraude wordt gepleegd en waarin de aanvrager zelf – in ieder geval voor een aanzienlijk deel – «profiteert».
Het is juist dat deze fraude vaak voorkomt bij mensen die in een kwetsbare positie zitten of geen ervaring hebben met het fenomeen voorlopige teruggave in die zin dat aan hen niet duidelijk wordt gemaakt dat na verloop van tijd moet worden «afgerekend». In veel gevallen blijkt dan ook nog dat de aanvragers «provisie» hebben betaald aan degenen die namens hen de aanvraag hebben ingediend. Terugvordering van de ten onrechte betaalde voorlopige teruggaaf is in deze gevallen inderdaad moeilijk.
Het fenomeen «systeemfraude» is in de afgelopen jaren toegenomen en daarom heeft de Belastingdienst in 2009 de inzet op het voorkomen en bestrijden ervan geïntensiveerd en geconcentreerd. Om die reden zijn vanaf medio 20093 gegevens apart bijgehouden over de omvang van deze fraude. Gegevens over eerdere jaren zijn niet beschikbaar. Bovendien zijn alleen de gegevens beschikbaar over de gehele periode, uitsplitsing over 2009 en 2010 is niet mogelijk. Dit levert het volgende beeld op.
Het aantal signalen van systeemfraude dat tot nu toe in dat kader is onderzocht bedraagt 29 000. Ruim 16 000 signalen zijn op dit moment in onderzoek. Het bedrag aan teruggaven dat op deze totaal 45 000 gevallen betrekking heeft, is ca. € 135 miljoen. Het beleid om de controle «aan de poort» te versterken heeft ertoe geleid dat uitbetaling van een totaalbedrag ter grootte van ca. € 90 miljoen is «tegengehouden». Ca. € 45 miljoen is ten onrechte wel uitbetaald. Zoals hiervoor aangegeven, worden ten onrechte uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Dit vindt plaats in het reguliere invorderingsproces waarover extracomptabel geen bestuurlijke informatie wordt bijgehouden. Het genoemde bedrag van € 45 miljoen is dus een maximum bedrag. Het uiteindelijke «schadebedrag» (ten onrechte uitgekeerde teruggaven die niet kunnen worden ingevorderd) zal lager zijn.
Omdat ik wil weten in hoeverre de aanpak van deze fraude succesvol is heb ik de Belastingdienst opgedragen de invordering van deze fraudeposten apart te monitoren, zodat in beeld kan worden gebracht hoe groot het uiteindelijke schadebedrag is.
Indien iemand een VT invult met bijvoorbeeld een nieuwe claim tot aftrek van hypotheekrente, is het dan mogelijk om te controleren of die persoon ook daadwerkelijk een hypotheekschuld heeft of is de omvangrijke automatisering van de Belastingdienst daartoe nog niet in staat?
Het is wel mogelijk om vooraf te controleren of er sprake is van een hypotheekschuld, maar dit is geen geautomatiseerde controle. Het inbouwen van een dergelijke controle vereist een ingrijpende aanpassing van de systemen van de Belastingdienst en ook een ingrijpende wijziging in de aanlevering van gegevens door geldverstrekkers.
Heeft de Belastingdienst een mechanisme waarbij vooral grote persoonsgebonden aftrekposten zoals giften, buitengewone uitgaven en studiekosten ook vooraf getoetst worden of worden zij slechts achteraf gecontroleerd?
Vanwege de aard van de persoonsgebonden aftrekposten is het niet mogelijk deze anders dan marginaal vooraf te toetsen nadat een verzoek om een voorlopige teruggaaf is ingediend. Extra controles vooraf leiden ertoe dat het langer gaat duren voordat een teruggaaf wordt toegekend.
Is de belastingdienst in staat om middels de polisadministratie een goede schatting te maken of het opgegeven bedrag aan geschatte loonbelasting ongeveer klopt? En kan zij dat bijvoorbeeld halverwege het jaar de VT-uitbetaling stopzetten als er een grote discrepantie is tussen de bij de VT opgegeven loonbelasting en de afgedragen loonbelasting?
Bij het beoordelen van een verzoek tot voorlopige teruggaaf geldt als uitgangspunt het daarin aangegeven loon. Bij substantiële afwijkingen wordt de aanvraag niet zonder meer gehonoreerd, maar vindt nader onderzoek plaats. Dan fungeert de informatie uit de polisadministratie als contra-informatie. Dit is een controle die niet automatisch plaatsvindt.
Welke maatregelen heeft u genomen en welke maatregelen gaat u nemen om VT-fraude, al dan niet in combinatie met identiteitsfraude te voorkomen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen, zoals de groepen genoemd in vraag 2, beter beschermd worden?
De in vraag 2 bedoelde «kwetsbare groepen» zijn in veel gevallen niet alleen als «slachtoffer» aan te merken, maar ook als dader. Zij werken eraan mee dat met hun gegevens ten onrechte aanvragen voor een teruggaaf worden ingediend. In veel gevallen zal er bij de «slachtoffers» ook sprake zijn van in ieder geval een vermoeden dat deze werkwijze niet correct kan zijn. Aanvragen uit dergelijke groepen worden waar mogelijk extra goed beoordeeld voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Daarnaast probeert de Belastingdienst in contact te komen met organisaties die ervaring hebben met buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering met de bedoeling dat die organisaties deze groepen ervoor waarschuwen niet in zee te gaan met belastingadviseurs die een snelle uitbetaling van de fiscus «aanbieden».
Er zijn, zoals hiervoor al opgemerkt, al veel concrete maatregelen ingevoerd om systeemfraude «aan de poort» te onderkennen waardoor veel pogingen tot het doen van onterechte aanvragen worden ontdekt en uitbetaling wordt voorkomen. Vanwege het strategische karakter van deze maatregelen is het niet opportuun om ze concreet te noemen.
Ten onrechte uitbetaalde bedragen worden altijd teruggevorderd en als er sprake is van een vorm van georganiseerde criminaliteit wordt de FIOD ingeschakeld die ter zake proces-verbaal opmaakt. Het openbaar ministerie vervolgt de daders. Diverse verdachten zijn in de afgelopen maanden veroordeeld in sommige gevallen tot forse gevangenisstraffen.
Binnen de Belastingdienst wordt deze fraude in samenhang met soortgelijke fraude bij andere middelen en toeslagen geconcentreerd aangepakt. In totaal zijn ongeveer 150 medewerkers bezig met deze taak.
De Belastingdienst werkt ook samen met Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude. Dit meldpunt neemt contact op met de Belastingdienst na een melding van ID-fraude – waarbij de identiteitsgegevens van een andere persoon worden gebruikt zonder dat die ander daarvan op de hoogte is – die mogelijk ook betrekking heeft op belastingen of toeslagen.
Ik heb de Belastingdienst opgedragen de aanpak van deze fraude hoog op de agenda te houden en nog meer in te zetten op het voorkomen ervan via controle aan de poort. Ik ben me ervan bewust dat dit kan leiden tot aanpassingen in de systemen en processen, hetgeen kosten met zich mee brengt en ook het niveau van dienstverlening negatief kan beïnvloeden. Naar mijn overtuiging is dit alleszins gerechtvaardigd wanneer daarmee deze brutale fraude kan worden ingedamd.
Ik beraad mij op dit ogenblik nog op het nemen van aanvullende maatregelen, mogelijk ook in de wetgeving. Daarbij staat bij mij voorop dat goedwillende burgers – het overgrote deel van de belastingplichtigen – hier zo weinig mogelijk van moeten merken. Ondanks dat uitgangspunt zal dat toch niet helemaal uitgesloten kunnen worden.
Over enkele weken zal ik u een brief doen toekomen waarin ik meer gedetailleerd zal ingaan op de genomen en te nemen maatregelen.
Het bericht dat Nederlanders Belgische organen wegkapen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel Nederlanders het afgelopen jaar in België een Belgisch orgaan getransplanteerd hebben gekregen?
Eurotransplant registreert geen nationaliteit, maar registreert uit welk land donoren en ontvangers afkomstig zijn. De cijfers die Eurotransplant over 2010 beschikbaar heeft, zijn voorlopige cijfers, de mogelijkheid bestaat dus dat die nog veranderen.
In 2010 zijn 28 in Nederland woonachtige patiënten in Belgische centra getransplanteerd. 4 Keer werd een hart getransplanteerd, 12 keer een lever, 2 keer een nier in combinatie met een lever, 2 keer een long, 7 keer een nier en 1 keer een nier in combinatie met een pancreas.
Daartegenover staat dat in 2010 2 uit Nederland afkomstige personen in België donor zijn geworden, zij hebben 6 organen afgestaan. Er zijn geen uit België afkomstige personen in Nederland donor geworden.
Kunt u aangeven om welke organen het hierbij ging?
Zie antwoord vraag 1.
Wat was de reden dat deze Nederlandse patiënten in België deze organen getransplanteerd hebben gekregen?
In de Europese Unie kunnen patiënten op basis van vrij verkeersjurisprudentie medische zorg in een andere lidstaat gebruiken. De reden waarom deze uit Nederland afkomstige patiënten een orgaan getransplanteerd hebben gekregen in België is dat zij ervoor hebben gekozen om in België te worden behandeld. De keuze kan zijn ingegeven door het grotere aanbod aan organen in België, maar kan ook een geografische achtergrond hebben. Inwoners van de grensstreken richten zich vaak op voorzieningen die dichtbij zijn, ook wanneer die voorzieningen zich over de grens bevinden.
Waren deze organen ten tijde van de transplantatie niet in Nederland beschikbaar?
Dat is mij niet bekend, deze patiënten stonden in België op een wachtlijst. Of zij in Nederland, wanneer zij daar op een wachtlijst hadden gestaan, op hetzelfde moment getransplanteerd hadden kunnen worden hangt af van vele omstandigheden zoals de mate van urgentie, de plek op de wachtlijst en het specifieke aanbod van organen in Nederland op dat moment. Je kunt immers niet elk orgaan bij iedereen transplanteren, er moet wel sprake zijn van een match.
Stonden deze Nederlandse patiënten ook op een Nederlandse wachtlijst?
Nee, binnen Eurotransplant kun je maar in één land op de wachtlijst staan. Sta je in België op de wachtlijst, dan kun je niet ook in Nederland op de wachtlijst staan.
Daarnaast wil ik nogmaals aangeven dat de nationaliteit van de patiënten op de wachtlijst bij Eurotransplant niet bekend is, alleen waar de betreffende patiënt woont. Het zou dus ook nog zo kunnen zijn dat het in Nederland woonachtige Belgen betreft die in België op een wachtlijst stonden.
Hoeveel van de behandelde Nederlandse patiënten gebruikten ook andere Belgische zorg omdat zij in de grensstreek woonachtig zijn?
Van de 28 transplantaties die in 2010 bij uit Nederland afkomstige patiënten werden uitgevoerd zijn 17 transplantaties uitgevoerd bij personen die woonachtig zijn in de grensstreek met België en werden 11 transplantaties uitgevoerd bij personen die niet in de grensstreek wonen. Onder de grensstreek met België wordt verstaan: Zeeuws Vlaanderen, Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Noord-Brabant en Limburg onder de denkbeeldige lijn Roosendaal, Tilburg, Eindhoven en Weert. Volgens het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) zijn de lasten van grensoverschrijdende zorg in de afgelopen 5 kwartalen met 39,4 procent gestegen. Verzekerden kiezen, mede door de werelddekking van de Zvw, dus steeds vaker voor behandelingen in het buitenland. Inwoners van de grensstreken richten zich op medische voorzieningen in de buurt.
Kunt u aangeven of deze patiënten door Eurotransplant als Nederlanders of Belgen worden gerekend?
Eurtransplant «rekent» niet in nationaliteiten. De patiënten worden gerekend als patiënten van een Belgisch centrum op de Belgische wachtlijst.
Kunt u aangeven of er ook Belgische patiënten waren die op dat moment wachtten op een van deze beschikbare organen?
Het is wel aannemelijk dat er ook Belgisch patiënten waren die wachtten op een orgaantransplantatie. Of zij langer hebben moeten wachten en ook in aanmerking zouden zijn gekomen voor dat specifieke orgaan in plaats van een uit Nederland afkomstige patiënt hangt af van de mate van urgentie en de match tussen donor en ontvanger. De uit Nederland afkomstige ontvanger in het Belgische centrum was volgens allocatieregels van Eurotransplant op dat moment de meest geschikte patiënt in België voor het beschikbare orgaan.
Moeten Belgische patiënten langer wachten op een beschikbaar orgaan omdat Nederlandse patiënten in België een Belgisch orgaan hebben ontvangen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is uw reactie op de stelling van professor Vanhaecke dat door een aanpassing van de Nederlandse wet het aantal Nederlandse donoren meer in overeenstemming kan worden gebracht met het aantal Belgische donoren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de eerder door het lid Dijkstra gestelde vragen over het bericht dat het ADR-systeem leidt tot meer orgaandonoren (2010Z19392).
Was Nederland in het afgelopen jaar een nettodonateur van organen aan Eurotransplant? Zo ja, welke organen werden «geëxporteerd» en welke «geïmporteerd»?
Binnen Eurotransplant wordt er gestreefd naar een redelijk evenwicht tussen de deelnemende landen. In 2010 werden er door Nederland evenveel organen geïmporteerd als geëxporteerd.
Voert u gesprekken met Eurotransplant over het aantal Nederlanders dat organen uit het buitenland ontvangt en het aantal Nederlandse organen dat naar het buitenland wordt «geëxporteerd»? Zo ja, wat is de inhoud van deze gesprekken?
Eurotransplant verricht zijn werkzaamheden voor Nederland in opdracht van de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). De NTS is een zelfstandig bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de toewijzing van organen. Mijn invloed op en verantwoordelijkheid voor de NTS in haar hoedanigheid als ZBO beperkt zich tot het door de NTS gehanteerde systeem voor de toewijzing van organen. Wanneer zou blijken dat het door NTS gehanteerde systeem voor orgaanuitwisseling met andere landen niet goed zou functioneren zou dat voor mij reden zijn om daarover met NTS en Eurotransplant in overleg te treden. Daarvan is, zoals ook blijkt uit het antwoord op vraag 11, geen sprake.
Noch de NTS, noch Eurotransplant is een officieel adviesorgaan van mijn departement. De NTS maakt wel deel uit van de Coördinatiegroep Orgaandonatie en heeft in dat verband in 2008 geadviseerd om het ADR-systeem in te voeren. Mijn standpunt ten aanzien van invoering van het ADR-systeem gaf ik u reeds in stand van zakenbrief die ik u onlangs toezond en in de antwoorden op eerdere vragen van het lid Dijkstra over het bericht dat het ADR-systeem leidt tot meer orgaandonoren (2010Z19392).
Heeft Eurotransplant u geadviseerd over hoe er meer Nederlandse organen beschikbaar zouden kunnen komen? Zo ja, hoe luidde dit advies?
Zie antwoord vraag 12.
Gouden handdrukken bij InHolland |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Top van InHolland weg met zak geld»? Kloppen de genoemde feiten?1
Het klopt dat Inholland mij op de hoogte heeft gesteld van de regelingen die zijn getroffen met de in het Telegraafartikel genoemde personen. Ik heb de zogenaamde vaststellingsovereenkomsten op 19 januari 2011 ontvangen. Uit deze vaststellingsovereenkomst, waarmee de arbeidsovereenkomst met beide personen op 1 maart 2011 zijn ontbonden, blijkt dat deze personen tot 1 januari en 6 januari 2011 gebruik mochten maken van een leaseauto. Ik merk op dat de arbeidsovereenkomst op dat moment nog gewoon van kracht was. Ook de bedragen die als eenmalige schadeloosstelling in het artikel worden genoemd in verband met het beëindigen van het dienstverband van de betrokkenen zijn juist. Beide bedragen blijven binnen de grenzen die ik hanteer om de doelmatigheid van dergelijke vergoedingen in relatie tot de rijksbijdrage te toetsen. Tot aan het in werking treden van de Wet normering uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WNT) vergelijk ik vergoedingen als hier aan de orde met de uitkomst van de zogenaamde kantonrechtersformule.
Was u op de hoogte van de jongste gouden handdrukken bij InHolland? Zo ja, wanneer?
Naar aanleiding van een publicatie over de ontslagregeling in de arbeidsovereenkomsten op de website van Inholland heb ik op 3 november 2010 de Raad van Toezicht (RvT) verzocht mij de arbeidsovereenkomsten van de betrokkenen en een gespecificeerde opgave van hun brutosalaris over 2009 te verstrekken.
In januari 2011 werd duidelijk dat de arbeidsovereenkomst met beiden zou worden beëindigd. Daarop heb ik de RvT verzocht mij de vaststellingsovereenkomsten en een opgave van de bezoldiging 2010 te verstrekken. Zoals ook in het antwoord op de vorige vraag gemeld heb ik deze informatie op 19 januari 2011 ontvangen. Eerder was ik niet op de hoogte van de inhoud van die overeenkomsten.
Wat heeft u ondernomen om te voorkomen dat op deze wijze gehandeld zou worden?
De RvT benoemt, schorst en ontslaat de leden van het CvB en houdt toezicht op het doen en laten van het CvB. Ik heb in het voortraject geen formele rol. Achteraf bezie ik op basis van mijn huidige bevoegdheden in individuele gevallen of er sprake is van buitensporige beloningen c.q. bovenmatige ontslagvergoedingen en ondoelmatige besteding van overheidsmiddelen.
In voorkomende gevallen ga ik dan tot terugvordering over. Zoals in het antwoord op de eerste vraag is uiteengezet, blijven de vergoedingen waarvan hier sprake is binnen de getrokken grenzen.
Bent u bereid InHolland om te bezien of het geld teruggevorderd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Aangezien er in deze gevallen geen sprake is van bovenmatige ontslagvergoedingen, zie ik geen aanleiding om tot terugvordering over te gaan.
De geplande helihaven Coolen nabij het Natura 2000 gebied Het Leudal |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat in de onlangs in Limburg aangenomen luchthavenverordening voorzien wordt in een helihaven (Coolen) in de directe nabijheid van het Natura 2000 gebied Het Leudal?1
Ja.
Deelt u de mening dat natuur en recreatiewaarden, als ook de leefbaarheid van de omliggende dorpen, hiermee onder druk komen te staan?
De betreffende luchthavenverordening is een verantwoordelijk van de provincie Limburg. Provinciale Staten hebben de verordening vastgesteld op 17 december 2010.
Is er een passende beoordeling in de zin van de Natuurbeschermingswet uitgevoerd in het kader van de genoemde luchthavenverordening? Zo nee, gaat u dat alsnog doen? Kunt u aangeven welke procedure daarvoor doorlopen dient te worden en hoe belanghebbenden en omwonenden daarbij betrokken zullen worden?
Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg zijn bevoegd gezag voor de beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet. Zij hebben bij de besluitvorming over de luchthavenverordening ook de effecten op de beschermde gebieden in het kader van deze wet meegewogen. Specifiek ten behoeve van de eventuele natuureffecten van de helihaven Coolen is een afzonderlijk onderzoek uitgevoerd. Hieruit is de conclusie getrokken dat Natuurbeschermingswetgeving (dus zowel Natuurbeschermingswet als Flora en faunawet) geen beletsel vormt voor de onderhavige activiteit. Aangezien significante effecten worden uitgesloten, is geen passende beoordeling aan de orde. Voor de onderhavige activiteit is derhalve geen vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet en geen ontheffing in het kader van de Flora en faunawet vereist.
Deelt u de mening dat er geen sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, die de helihaven Coolen legitimeren, daar het slechts een kleine markt betreft, Gedeputeerde Staten (GS) hebben gesteld dat deze locatie uit oogpunt van de bedrijfsvoering van de aanvrager niet noodzakelijk is, en er al een aantal andere helihavens in de regio aanwezig is?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat geen sprake is van bestaande rechten, die tot deze voorziening in de luchthavenverordening nopen, omdat er tot nu toe geen vergunning of ontheffing was voor een helihaven?
Zie antwoord vraag 3.
De behandeling van klokkenluiders |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Advocaat vraagt soepeler regime voor klokkenluider WikiLeaks»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in het artikel omschreven gevangenisregime voor Bradley Manning als inhumaan moet worden beschouwd? Zo nee, waarom niet?
Met het detentieregime van de heer Manning ben ik niet bekend. Het betreft een Amerikaanse strafzaak tegen een verdachte met de Amerikaanse nationaliteit. De VS is partij bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (BuPo-verdrag) en bij het Verdrag tegen Marteling. De implementatie van deze VN-mensenrechtenverdragen door de VS wordt in VN-kader getoetst. De speciale VN-rapporteur inzake marteling, Juan Mendez, heeft met de Amerikaanse autoriteiten contact over deze zaak.
Bent u, gelet op het feit dat de VS worden beschouwd als een bondgenoot van Nederland, bereid de regering van de VS aan te spreken op dit inhumane gevangenisregime en te vragen om overplaatsing en betere behandeling van de heer Manning, mede gelet op het feit dat veel van de zaken waarvan hij verdacht wordt ook betrekking hebben op de samenwerking tussen de VS en Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de berichtgeving over de wijze waarop de VS haar gevangenen behandelen, bereid uitlevering van Nederlandse onderdanen aan de VS geheel op te schorten? Zo nee, waarom niet?
De uitleveringspraktijk met de VS geeft daartoe geen aanleiding. Nederlandse onderdanen kunnen worden uitgeleverd onder de voorwaarde dat zij hun gevangenisstraf in Nederland mogen ondergaan en dat een Nederlandse rechter die straf mag aanpassen.
Bent u bereid te garanderen dat de heer Gonggrijp, die in de belangstelling van de VS staat wegens mogelijke betrokkenheid bij WikiLeaks, onder geen enkele voorwaarde door Nederland zal worden uitgeleverd aan de VS? Zo nee, waarom niet?
Van een uitleveringsverzoek van de VS inzake de heer Gonggrijp is geen sprake. In het geval de heer Gonggrijp op enig moment in de VS als verdachte wordt aangemerkt en de VS ter fine van zijn strafvervolging om uitlevering vragen, dan zal aan de hand van dat verzoek een zorgvuldige beoordeling plaatsvinden.
Deelt u de mening dat de privacy van Nederlandse burgers gewaarborgd dient te worden en dat Nederlandse autoriteiten op geen enkele wijze medewerking zouden moeten verlenen bij het doorgeven van internetgegevens aan buitenlandse mogendheden, van burgers die in Nederland niet van strafbare feiten verdacht worden? Zo nee, waarom niet?
Als buitenlandse autoriteiten gegevens nodig hebben die zich in Nederland bevinden, kunnen zij daar met een rechtshulpverzoek om verzoeken. Uit dat rechtshulpverzoek dient te blijken naar welke strafbare feiten onderzoek wordt gedaan. Aan de hand van het verzoek worden de buitenlandse strafrechtelijk belangen afgewogen tegen de privacybelangen van de betrokken burger(s). Evenals de beoordeling van een uitleveringsverzoek wordt dit zorgvuldig en met de daarbij behorende waarborgen getoetst.
Het bizarre idee banen exclusief beschikbaar te stellen voor niet-westerse allochtonen |
|
Hero Brinkman (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «PvdA: geef migrant topbaan stadhuis»?1
Ja, ik ken het artikel dat overigens dateert van 7 januari 2010 en niet van 2011.
Deelt u de visie dat het exclusief beschikbaar stellen van hogere functies in het ambtelijk apparaat voor niet-westerse allochtonen volslagen idioot is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar de beantwoording van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, mede namens de minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op de vragen die de PVV een jaar geleden over ditzelfde artikel gesteld heeft (kenmerk 20100007662).
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om de mogelijke uitvoering van dit onzalige idee van de Amsterdamse collegepartijen PvdA en GroenLinks tegen te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit voornemen zich tot het regeerakkoord, waarin helder wordt gesteld dat er een einde wordt gemaakt aan het diversiteits/voorkeursbeleid o.a. op basis van etniciteit?
Zie antwoord vraag 2.
Speculatie met voedsel |
|
Ewout Irrgang (SP), Bruno Braakhuis (GL) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het artikel «Unilever: speculanten jagen voedselprijzen op»?1
Bent u het eens met de uitspraken van Unileverbaas Paul Polman dat speculanten een stoorzender zijn op de voedselmarkt? Bent u bereid zijn oproep, om speculanten om hun posities openbaar te maken, binnen de Europese Commissie kracht bij te zetten?
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van onderzoek van de Universiteit Utrecht in opdracht van Triodos Bank2 waar onder meer uit blijkt dat sinds 2004 de prijsontwikkeling op in ieder geval de markt voor koffie in toenemende mate door speculatie wordt bepaald?
Deelt u de mening dat speculaties op de voedselmarkt die prijsopdrijvende effecten hebben vanuit ethisch perspectief ronduit onwenselijk zijn?
Bent u bereid om institutionele beleggers, waaronder banken en pensioenfondsen, aan te spreken op hun verantwoordelijkheden en hen op te roepen niet te speculeren met voedsel?
Bent u ook bereid om, eventueel in EU verband, aanvullende maatregelen te nemen om hedgefunds en andere speculanten te weerhouden van voedselspeculatie?
Welke maatregelen of acties vallen er van het kabinet te verwachten om de prijsstijging van 59% voor vlees, eieren en melk voor vooral inwoners van ontwikkelingslanden te stoppen?
Bent u het eens met wat de heer Polman stelt, namelijk dat de landbouwsubsidies in de EU ten koste gaan van ontwikkelingslanden? Onder verwijzing naar het antwoord op eerdere Kamervragen waarin u stelt dat het kabinet ook in EU-kader aandacht vraagt voor de transparantie van de landbouwmarkten en onderzoekt, samen met de internationale partners, hoe de marktwerking kan worden verbeterd, is er inmiddels door het kabinet in Nederland onderzoek verricht?3 Wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek? Zijn er inmiddels maatregelen genomen en wat is het effect daarvan?
Het Europees Arrestatie Bevel en overlevering van een Nederlander aan Polen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kent u de zaak van de heer D., die overgeleverd dreigt te worden aan Polen?1
Ja.
Welke mogelijkheden hebben Nederlanders om zich in Nederland te verdedigen tegen beschuldigingen uit andere EU-lidstaten? In hoeverre wordt door de Nederlandse rechter getoetst of het verzoek een Nederlander over te leveren al dan niet terecht is gedaan, bijvoorbeeld of er een begin is van bewijs en of het niet gaat om verjaarde feiten?
Iemand die wordt beschuldigd van een strafbaar feit zal zijn verdediging moeten voeren tegenover de autoriteiten die de beschuldiging uiten of die daartoe zijn aangewezen. Dat geldt ook wanneer in een andere EU-lidstaat tegen een Nederlander een beschuldiging wordt geuit. Een Nederlander die in het buitenland wordt verdacht van een strafbaar feit kan ook vanuit Nederland contact opnemen met de buitenlandse justitiële autoriteiten om te bezien hoe zijn zaak wordt afgehandeld.
Bij een EAB bepaalt de uitvaardigende autoriteit of er voldoende bewijs is om een EAB uit te vaardigen. Een overleveringsprocedure is geen strafproces en daarom ziet de toetsing door de overleveringsrechter niet op het bewijs. Wel wordt in sommige gevallen bezien of de feiten verjaard zijn. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak van de heer Disselkoen blijkt, dat de kwestie van de verjaring uitvoerig is behandeld en dat de overlevering gedeeltelijk is geweigerd op grond van de verjaring.
Waarom kunnen medische redenen geen rol spelen in overleveringszaken? Deelt u de mening dat wel degelijk gekeken moet kunnen worden naar de gezondheidstoestand bij de beoordeling van de vraag of iemand overgeleverd kan worden?
Bij de parlementaire behandeling van de Overleveringswet is aan de orde geweest welke rol medische omstandigheden van betrokkene een rol kunnen spelen bij de overlevering. Ik verwijs naar Kamerstukken II, 2002–2003, 29 042, nr. 3, blz. 26 en 27. Kort samengevat houdt de wettelijke regeling in, dat bij de uitvoering van een beslissing tot overlevering, de zogeheten feitelijke overlevering, de overlevering kan worden uitgesteld om gezondheidsredenen van de opgeëiste persoon. Ingevolge de wet is dat uitstel beperkt tot de situatie waarin het gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene niet verantwoord is om te reizen.
Is het de rechter op grond van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel toegestaan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren indien dit bevel is uitgevaardigd in strijd met het evenredigheidsbeginsel? Zo nee, bent u bereid zich hier in Europees verband voor in te spannen dat dit wel wordt toegestaan? Zo ja, mogen daarbij ook de omstandigheden van het geval worden betrokken, zoals de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (bijvoorbeeld gezondheid, gezinssituatie, leeftijd) en de omstandigheid dat de verzoekende autoriteit andere wegen openstaan om haar doel te bereiken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kaderbesluit en dus de Overleveringswet bevatten geen grond op basis waarvan de overlevering wegens het ontbreken van de evenredigheid kan worden geweigerd. Uit het antwoord op de kamervragen van het lid Van der Steur (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1259), waarnaar ik verwijs, blijkt dat er tussen Nederlandse en Poolse justitiële autoriteiten overleg is gevoerd over de toepassing van het EAB.
De gezinssituatie en leeftijd van de opgeëiste persoon zijn omstandigheden die vóór de invoering van het EAB werden bezien bij de beoordeling van de vraag of de uitlevering niet van bijzondere hardheid was voor betrokkene. Echter, over de toepassing van de zogeheten hardheidsclausule is tijdens de onderhandelingen over het EAB uitvoerig gesproken met als uitkomst dat deze weigeringsgrond niet kan worden toegepast.
Deelt u, gelet op voorbeelden uit het verleden, de zorgen over de omstandigheden in Polen met betrekking tot de detentieomstandigheden, de medische zorg in detentie, de mogelijk lange duur van het voorarrest, de beschikbaarheid van tolken en toegang tot advocaten? Bent u bereid uw zorgen hieromtrent over te brengen aan uw Poolse ambtgenoot? Zo nee, waarom niet?
Het Poolse recht kent de vrijlating op borgtocht en de schorsing van de voorlopige hechtenis. Beide vormen van (voorlopige) vrijlating zijn door de Poolse justitiële autoriteiten ook ten aanzien van de heer Disselkoen toegepast.
De procedurele rechten van verdachten, waarop vragenstelster doelt, staan op de agenda van de Europese Unie. In 2009 kwam het kaderbesluit betreffende toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis tot stand dat in 2012 moet zijn ingevoerd. Die regeling bevat de mogelijkheid om de voorlopige hechtenis in de ene lidstaat te schorsen en het toezicht op de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de EU lidstaat waar hij woont. Verder noem ik de richtlijn over tolken en vertaling en de lopende onderhandelingen over het recht op informatie. In de tweede helft van dit jaar komt de commissie naar verwachting met een richtlijn over rechtsbijstand. Hieruit blijkt dat versterking van de rechten van de verdachte Uniebreed en dus ook door Polen wordt gedragen. Ik zie tegen die achtergrond geen aanleiding om naast het overleg dat met Poolse justitiële autoriten wordt gevoerd over de toepassing van het EAB, overleg te voeren met mijn Poolse ambtgenoot.
Wat houdt de toezegging door de Poolse autoriteiten dat zij de heer D. voldoende zorg kunnen bieden1 precies in?
In het kader van de voorbereiding van de feitelijke overlevering van de heer Disselkoen heeft het parket Amsterdam, in verband met de medische klachten van betrokkene, bij de Poolse justitiële autoriteiten navraag gedaan over de mogelijkheid van medische verzorging na de overlevering. Dit is onder de gegeven omstandigheden een gebruikelijke gang van zaken. De Poolse autoriteiten hebben laten weten dat hij tijdens zijn detentie recht heeft op medische bijstand, waarbij zo nodig ook artsen van buiten de penitentiaire inrichting kunnen worden betrokken.
Kunt u zich de zorgen van de heer D. over de mogelijk zeer lange duur van het voorarrest in Polen voorstellen, ook gelet op bekende voorbeelden uit het verleden? Wat is de gemiddelde duur van het voorarrest in Polen?
Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam blijkt, dat de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting in het verleden al is begonnen in aanwezigheid van de heer Disselkoen, maar vervolgens is geschorst. Daarna hebben de Poolse autoriteiten zijn zaak opnieuw op de zitting gebracht, waarbij betrokkene niet is verschenen. Dat was de reden voor de uitvaardiging van het EAB. Hieruit mag worden afgeleid, dat na overlevering van betrokkene zijn proces zal worden voortgezet en dat er niet eerst nog onderzoek moet plaatsvinden. Uit het EAB blijkt dat hij in Polen kan verzoeken de voorlopige hechtenis te schorsen. Gegevens over de gemiddelde duur van voorarrest in Polen zijn niet beschikbaar.
Welke garanties heeft de Nederlandse overheid geëist ten aanzien van de duur van het voorarrest? Welke overige voorwaarden en waarborgen zijn er door Nederland van Polen geëist, bijvoorbeeld ten aanzien van detentieomstandigheden en zorgvuldigheid van het strafproces?
Geen. Wel is aandacht gevraagd voor de gezondheidstoestand van betrokkene, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 6.
Op welke wijze gaat u toezien op een eerlijk strafproces in Polen? Welke ondersteuning vanuit Nederland kan deze meneer verwachten?
Ik moet ervan uitgaan dat een strafproces in een EU-lidstaat eerlijk verloopt. Wat betreft ondersteuning van Nederlandse zijde, kan de Nederlandse ambassade betrokkene, mits hij dat wenst, consulaire bijstand verlenen.
Zijn alternatieven voor overlevering verkend tussen Nederland en Polen voor dit concrete geval, zoals de mogelijkheid van videoverhoor, of de afspraak dat betrokkene niet in voorarrest wordt geplaatst en wel beschikbaar zal zijn voor verhoor en strafproces? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te bespreken met de Poolse autoriteiten?
Neen. Het is aan de justitiële autoriteiten die de strafzaak behandelen om te bepalen op welke wijze zij een persoon voor de rechter brengen. Uit de antwoorden op de voorgaande vragen blijkt dat de zaak van de heer Disselkoen al een lange voorgeschiedenis heeft. Betrokkene had, nadat hij niet voldeed aan de afspraak om terug te keren naar Polen, ook zelf contact op kunnen nemen met de Poolse autoriteiten om te bezien of er alternatieve mogelijkheden waren om zijn zaak tot een einde te brengen.
Bent u bereid er voor te zorgen dat de overlevering wordt uitgesteld, in ieder geval tot deze Kamervragen zijn beantwoord? Zo nee, waarom niet?
Betrokkene heeft zich zoals bekend helaas niet gemeld met het oog op zijn overlevering. Hij zal worden aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van de overleveringsbeslissing en vervolgens worden overgeleverd.
Het bericht 'Verdachten terreur krijgen vergoeding' |
|
André Elissen (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Verdachten terreur krijgen vergoeding»?1
Ja.
Welke overwegingen hebben ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie (OM) schadevergoeding heeft betaald aan negen van de twaalf Somaliërs die op kerstavond zijn aangehouden naar aanleiding van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheids Dienst (AIVD)?
Op 24 december 2010 zijn 12 personen als verdachte aangehouden. Uit het op de aanhouding volgende onderzoek door de Nationale Recherche, onder leiding van het Landelijk Parket, volgde dat aanvankelijk 9, maar inmiddels alle aangehouden personen geen enkele betrokkenheid hadden bij het plannen van een terroristische aanslag op 24 of 25 december. In eerste instantie is aan 9 personen, die overigens ook niet werden genoemd in het ambtsbericht van de AIVD, een schadevergoeding betaald. Ten aanzien van de overige drie aangehouden personen is recentelijk besloten dat zij niet langer verdachte kunnen worden aangemerkt. Aan wordt eveneens een schadevergoeding uitgekeerd.
Het betalen van een schadevergoeding aan personen van wie achteraf gezien blijkt dat zij onschuldig zijn aan de gerezen verdenking, is niet meer dan redelijk en volgt uit de jurisprudentie. De schade die de Staat aan de 12 personen heeft vergoed en nog zal vergoeden is gebaseerd op normbedragen in combinatie met de persoonlijke omstandigheden en heeft betrekking op de aanhouding, de dagen die in detentie zijn doorgebracht, en de kosten van rechtsbijstand.
Hebben de betreffende advocaten in de media telkens aangegeven dat hun cliënten onterecht zijn aangehouden? Is de aanhouding rechtmatig geweest? Betrof het verdachten? Is de schadevergoeding terecht betaald? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennis genomen van een aantal uitspraken van de advocaten van de Somaliërs in de media. Zie ook het antwoord op de vragen 2, 4 en 5. Optreden dat ten tijde van de aanhouding op grond van de toen kenbare feiten en omstandigheden rechtmatig was, kan achteraf na nader onderzoek toch als onrechtmatig worden aangemerkt. Voor deze schade is de Staat aansprakelijk. Dit is de reden voor het betalen van een schadevergoeding. Deze is in dit geval derhalve terecht betaald en daarmee is in een voor alle partijen aanvaarbare oplossing voorzien.
Wat betekent het betalen van een schadevergoeding aan de betreffende personen voor de toekomstige ambtsberichten van de AIVD? Hoe wordt daarmee omgegaan door het OM? Gaat het OM naar aanleiding van een ambtsbericht nu voortaan toch eerst kijken of er aan het wettelijk criterium van verdachte is voldaan? Zo ja, deelt u de mening dat de AIVD niet tot taak heeft om een strafdossier aan te leggen, maar om dreiging te onderkennen en aanslagen te voorkomen en dat dit daarom een ongewenst effect is? Zo nee, waarom niet?
Het betalen van een schadevergoeding heeft geen gevolgen voor het verstrekken van ambtsberichten door de AIVD aan het OM of de wijze waarop het OM met die ambtsberichten omgaat. De AIVD, het OM en de politie hebben ieder hun eigen bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden.
De AIVD heeft onder andere tot taak tijdig dreigingen en risico’s voor de nationale veiligheid te onderkennen. Het OM zorgt er in samenwerking met opsporingsinstanties voor dat strafbare feiten worden opgespoord en vervolgd. Ook in het onderhavige geval hebben alle organisaties zich aan hun eigen taken en verantwoordelijkheden gehouden en samengewerkt conform de geldende procedures. Op het moment dat de AIVD de aanslagdreiging voldoende ernstig vond, is een ambtsbericht aan het OM uitgebracht. Het OM heeft een eigen afweging gemaakt naar aanleiding van dit ambtsbericht, en heeft besloten in dit geval een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. De afloop van deze zaak geeft geen aanleiding om in de toekomst deze werkwijze te wijzigen.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit ongewenste effect weg te nemen?
Het is van groot belang om bij de mogelijke dreiging van aanslagen snel en doeltreffend op te treden. Daarbij bestaat het risico dat dwangmiddelen worden toegepast tegen personen die – naar later blijkt – niets met de dreiging te maken hebben. Dat deze personen recht hebben op een schadevergoeding acht ik geen ongewenst effect, maar vind ik redelijk.
De dreigende vernieling van graftombes in Iran |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «graftombes Esther en Mordechai onder vuur»?1
Ja.
Is het waar dat deze bij het joodse purimfeest belangrijke tombes de pelgrimsstatus is ontnomen door de Iraanse autoriteiten?
Nee. De tombes zijn geregistreerd als cultureel erfgoed bij de Iraanse Cultural Heritage and Tourism Organization. Het beheer over de tombe ligt bij joods management. Naar verluidt hebben Basiji-studenten zich in december bij de tombe verzameld en gedreigd vernielingen aan te richten. Volgens hen behoort de tombe geen pelgrimsstatus te hebben en dient het management over de tombe onder de verantwoordelijkheid van de Iraanse regering te vallen. Als reactie op de intimidatie heeft het joodse management zelf de aanduiding «pelgrimsplaats» verwijderd.
Is het ook waar dat daarmee de Iraanse overheid deze tombes niet langer wenst te beschermen tegen vandalen?
Hierover is niets bekend.
Wilt u er bij de Iraanse autoriteiten op aandringen dat deze de tombes wél beschermt tegen radicale islamieten die aankondigen de tombes te zullen vernielen? Zo nee, waarom niet?
Nederland wijst de Iraanse autoriteiten op het belang van het waarborgen van de veiligheid en de mensenrechten van religieuze minderheden. Daartoe behoort ook de bescherming van heilige plaatsen. Het streven is om tijdens de Raad van Buitenlandse Zaken van 21 februari a.s. raadsconclusies aan te nemen over de vraag wat de EU concreet kan doen om de positie van religieuze minderheden beter te beschermen en hun vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te bevorderen.
Het bericht dat scholen nog steeds formeel homoseksuele leraren weigeren |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuwe identiteitsprofiel van de reformatorische scholenkoepel VGS inzake de aanstelling van homoseksuele leraren?
Het nieuwe identiteitsprofiel van de VGS dient ter vervanging van de omstreden identiteitsverklaringen die op een aantal reformatorische scholen werden gebruikt. De VGS heeft daarmee, mede op mijn verzoek, gehoor gegeven aan de kritiek vanuit de Tweede Kamer op deze verklaringen, waarin van personeel werd gevraagd «ongehuwd samenwonen en de homoseksuele levenswijze af te wijzen».1
Na mijn aantreden heb ik, in navolging van mijn ambtsvoorganger, VGS verzocht deze omstreden verklaringen te bespreken met de Commissie Gelijke Behandeling. VGS heeft dit vervolgens gedaan en in samenspraak met haar achterban dit nieuwe identiteitsprofiel ontwikkeld. Op 7 februari 2011 heeft een delegatie van VGS mij dit profiel in een persoonlijk gesprek nader toegelicht. Daarbij werd duidelijk dat VGS zich ten volle bewust is van de begrenzing in de wet, namelijk dat bijzondere scholen de vrijheid hebben om eisen te stellen voor zover die eisen, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van hun grondslag, maar dat die eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksualiteit, inclusief het hebben van een homoseksuele relatie. VGS acht het van groot belang dat de reformatorische scholen bij het hanteren van het nieuwe identiteitsprofiel binnen de grenzen van de wet blijven. VGS zal dit nog eens expliciet onder de aandacht brengen van de scholen die bij VGS zijn aangesloten.
Heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die volgens de Europese Commissie verantwoordelijk is voor de uitvoer en het beheer van ESF-subsidies in Nederland1, gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij het toekennen van ESF-subsidies aan TNT2 eisen te stellen binnen het kader van artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1083/20063 zodat de subsidie niet kan worden ingezet om echte banen te verdringen met «pulpbanen»? Zo ja, welke eisen zijn dit en op welke wijze heeft TNT zich daar volgens u aan gehouden? Zo nee, waarom zijn dergelijke eisen niet gesteld terwijl ten tijde van het toekennen van de subsidies die bedoeld zijn om mensen binnen te halen een massa-ontslag dreigde? Kunt u een overzicht geven van toegekende subsidies sinds 2000?
Nee, er zijn geen nadere eisen gesteld aan projectaanvragen inzake verdringing. Dit is in lijn met het beginsel om bij Europese regels zo weinig mogelijk aanvullende nationale regels toe te voegen (geen «gold plating»). Een toets op verdringing zou overigens wenselijk noch uitvoerbaar zijn. De reden waarom een bedrijf medewerkers wil aannemen, is niet aan de overheid ter beoordeling. Het aannemen van medewerkers kan zijn oorzaak vinden in groei, herstructurering of anderszins. Het betreft een zaak waar al naar gelang de situatie, bedrijfsleiding, ondernemingsraad en vakbonden afspraken over maken.
Verder merk ik op dat niet een bedrijf zelf, maar een O&O-fonds voor een branche of bedrijf aanvrager is van ESF subsidie. Een van de voorwaarden voor de erkenning van een O&O-fonds als aanvragers voor ESF betreft een bipartiet bestuur. Zowel de werkgever als de vakbonden zijn vertegenwoordigd in het bestuur van het O&O-fonds dat verantwoordelijk is voor de ESF aanvraag, dit geldt ook voor de aanvraag ten behoeve van TNT.
De Subsidieregeling ESF 2007–2013 regelt onder welke voorwaarden een subsidie kan worden aangevraagd voor een project dat tot doel heeft de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing te vergroten van personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Bij de desbetreffende subsidieverlening wordt de aanvraag beoordeeld op basis van de bepalingen uit de ESF-subsidieregeling. Deze hebben betrekking op het doel en de doelgroep, de subsidiabele activiteiten, projectduur en algemene bepalingen inzake de aanvraag (zoals projectbeschrijving, begroting). De ESF-subsidieregeling kent, en zoals eerder genoemd is dat ook logisch, geen weigeringsgrond om een aanvraag tot verlening van subsidie te weigeren vanwege een verdringingseffect. Een algemeen overzicht van toegekende subsidies sinds 2000 is beschikbaar op de website van het Agentschap SZW (www.agentschapszw.nl). Tevens verwijs ik naar het overzicht in de beantwoording van uw vragen van 20 september 2010, TK 2010–2011, Aanhangsel, nr. 186.
Kunt u, in tegenstelling tot de Europese Commissie, uitsluiten dat er sprake van verdringing is van echte banen van TNT’ers bij de inzet van ESF-gelden bij TNT? Zoals een subsidie die er specifiek op is gericht om 55+’ers binnen te halen terwijl de gemiddelde leeftijd van de door het massa-ontslag bedreigde TNT’ers rond de 55 ligt? Wilt u dit toelichten?
Zoals aangegeven bij het antwoord op de eerste vraag worden verzoeken van O&O-fondsen voor een ESF-subsidie niet getoetst op verdringingsaspecten.
Een filmpje waarin Eupol trainers Afghaanse politiemensen aan het trainen zijn |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het filmpje op internet, waarin te zien is hoe Eupol trainers aan toekomstige Afghaanse politiemensen leren hoe zij een origami waterbommetje kunnen maken?1
Ja.
Is dit filmpje op waarheid gebaseerd? Zo ja, wat is de meerwaarde dat Afghaanse politiemensen les krijgen in het vouwen van papieren waterbommetjes?
Een essentieel onderdeel van de zogeheten «Train the trainer» cursus is dat na voltooiing van de cursus de Afghaanse deelnemers in staat zijn op heldere en gerichte wijze instructies te geven. Het filmpje toont een oefening waarin de deelnemers zelf ervaren dat door gerichte aanwijzingen een taak sneller uitgevoerd kan worden dan wanneer instructies ontbreken. Het vouwen van papieren waterbommetjes was niet het doel van de instructie.
Kunt u uitsluiten dat bij een toekomstige missie in Afghanistan, het Nederlandse leger of de Nederlandse politiemensen les gaan geven in het vouwen van papieren waterbommetjes? Zo nee, bent u dan bereid de trainingsmissie te vervangen door het zenden van het boekje «Origami» naar de provincie Kunduz?
Het doel van de oefening was om de Afghaanse deelnemers de meerwaarde van gerichte aanwijzingen te laten ervaren. Het gebruik van origami was in deze slechts onderdeel van het instructie materiaal.