Slachtoffers die hulp mislopen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom lopen 15 000 slachtoffers van een misdrijf psychische, juridische en praktische hulp mis?1
Voor de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 verwijs ik u naar de antwoorden 2, 3, 4 en 5 op de vragen van de leden Marcouch en Recourt, nummer 2011Z01085.
Welke fout zit er in het computersysteem, waardoor de doorverwijzing naar slachtofferhulp mis gaat?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd.
Waarom is de Tweede Kamer niet door u over deze fout geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u nemen om te verzekeren dat alle slachtoffers voortaan hulp krijg?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de slachtoffers die nu geen hulp hebben gekregen alsnog gebruik kunnen maken van de diensten van slachtofferhulp?
Zie antwoord vraag 1.
De website van de regionale toetsingscommissie euthanasie |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de website van de regionale toetsingscommissie euthanasie?1
Ja.
Wat is er de oorzaak van dat deze website sinds 2008 niet goed wordt bijgehouden, daar de meest recente oordelen uit dat jaar dateren?
Ik acht het van belang dat de geanonimiseerde oordelen van de commissies op de website beschikbaar zijn, omdat deze kunnen bijdragen aan de meldingsbereidheid van artsen en de transparantie en zorgvuldigheid van de uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Door het toegenomen aantal meldingen is de werkdruk bij het secretariaat van de regionale toetsingscommissies opgelopen. De prioriteit heeft om deze reden voornamelijk gelegen bij het zo spoedig mogelijk beoordelen van de meldingen. De formatieuitbreiding van de secretariaten is reeds in gang gezet, waardoor extra capaciteit is ontstaan. Tevens wordt de website op dit moment vernieuwd, waardoor deze op een snellere manier gevuld kan worden met de geanonimiseerde oordelen van de commissies. Dit zal er gezamenlijk toe leiden dat de geanonimiseerde oordelen van de commissies vanaf het voorjaar van 2011 weer op de website zullen worden geplaatst.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de transparantie en zorgvuldigheid van de uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, dat de ganonimiseerde oordelen van de regionale toetsingscommissie goed bijgehouden worden? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de website van de regionale toetsingscommissie weer goed bijgehouden wordt?
Zie antwoord vraag 2.
De bankiersverklaring |
|
Bruno Braakhuis (GL), Wouter Koolmees (D66) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bankierseed is gemiste kans»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie in het artikel dat de huidige bankierseed een wassen neus is?
De moreel-ethische verklaring is onderdeel van de Code Banken (principes 3.2.3 en 3.2.4). Deze code is wettelijk verankerd. Mede hierdoor is de moreel-ethische verklaring niet vrijblijvend. Bestuurders van banken dienen te verklaren dat ze hun beroep op een integere manier zullen uitoefenen. In aanvulling hierop dienen ze hierover verantwoording af te leggen in hun jaarverslag.
De voorrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken (hierna: de monitoring commissie) laat zien dat vrijwel alle bestuurders van banken de verklaring hebben ondertekend. Hiermee hebben zij verklaard dat zij naar eer en geweten aan hun (maatschappelijke) verplichtingen zullen voldoen. Dit is belangrijk. Het is van belang dat de banken laten zien dat ze de gewenste gedrag- en cultuurverandering kracht bijzetten en dat ze het gedachtegoed achter de moreel-ethische verklaring uitdragen binnen de hele organisatie. De monitoring commissie toetst de naleving van de Code Banken, ook op dit punt, en rapporteert hierover eind 2011. Ik houd dit in de gaten.
Heeft u kennisgenomen van de aanbevelingen 1.13, 1.14 en 1.15 in het rapport «Naar herstel van vertrouwen»2, waarin met betrekking tot de bankiersverklaring nadrukkelijk een rol voor De Nederlandsche Bank (DNB) wordt voorzien?
Ja.
Is het waar dat DNB ervan af heeft gezien een coördinerende rol op zich te nemen met betrekking tot deze verklaring? Wat zijn hiervoor de redenen?
De Code Banken betreft zelfregulering van banken zelf. Gelet hierop leek het opnemen van een koppeling van de moreel-ethische verklaring aan het toezicht van DNB (regulering) in de Code (zelfregulering) niet opportuun. Mede omdat de Code een (aanvullend) geheel vormt met wet- en regelgeving en het toezicht door DNB en de AFM dat daaruit voortvloeit.
Bent u van mening dat DNB een dergelijke rol alsnog op zich dient te nemen? Kunt u dit toelichten?
Evenals Uw Kamer vind ik de moreel-ethische verklaring van groot belang. Ik hoor bemoedigende geluiden uit de sector, zoals ondertekening van de moreel-ethische verklaring in het bijzijn van de raad van commissarissen om bij te dragen aan de inbedding van de verklaring binnen de gehele onderneming. Dit is positief. Het is van belang dat bankiers zich bewust zijn van de (maatschappelijke) verantwoordelijkheid die ze dragen. Iedere gelegenheid om dit bewustzijn te versterken moet worden aangegrepen. Mede gelet hierop zal ik met de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de NVB), DNB en de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) in overleg treden over een meer formele status van de moreel-ethische verklaring. Hierbij zal worden gekeken naar diverse opties, waaronder ook de mogelijkheid om de moreel-ethische verklaring te koppelen aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van banken door DNB3 alsmede de tijdens het Notaoverleg met de vaste Kamercommissie van Financiën van 7 maart 2011 naar voren gebrachte optie van een register. Ik zal Uw Kamer informeren over de uitkomst van dit overleg.
Bent u van mening dat de bankierseed onderdeel zou moeten uitmaken van een verklaring van geen bezwaar? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat de bankiers van DNB de verklaring zelf niet ondertekenen? Wat is hiervoor de reden?
De Code Banken is van toepassing op banken die beschikken over een bankvergunning verleend op grond van de Wet op het financieel toezicht en derhalve niet op DNB. De inhoud van de moreel-ethische verklaring is gericht op bankiers werkzaam bij deze instellingen. Zo dient een bankier te verklaren dat hij een zorgvuldige afweging zal maken tussen alle belangen die bij de bank betrokken zijn, te weten die van klanten, aandeelhouders, werknemers en de samenleving waarin de bank opereert, en dat hij in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen. Bestuurders van DNB zijn gebonden aan eigen (integriteits)regelingen.
Deelt u de mening dat de bankierseed serieus moet worden genomen en niet eenzelfde status verdient als het formuliertje voor de bijdrage aan de personeelsvereniging dat eveneens bij indiensttreding wordt ondertekend?
Ja.
Bent u bereid om hiertoe de noodzakelijke maatregelen te treffen?
Ja. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vragen 5, 6 en 11.
Wat is uw reactie op de Voorrapportage Implementatie Code Banken3 met betrekking tot de moreel-ethische verklaring?
De monitoring commissie signaleert in haar voorrapportage dat de moreel-ethische verklaring in vrijwel alle gevallen is ondertekend, maar dat er nog aandachtsgebieden zijn, zoals bijvoorbeeld het attenderen van nieuwe medewerkers op de inhoud van de principes van de verklaring. Uit de voorrapportage volgt verder dat een kleine 60% van de banken heeft aangegeven de verklaring te hebben doorvertaald naar principes die gelden als leidraad voor het handelen van de medewerkers van de banken. Ruim 25% van de banken is ten tijde van het onderzoek van de monitoring commissie voornemens dit nog in 2010 te gaan doen, aldus de monitoring commissie.
Hieruit volgt dat banken momenteel stappen in de goede richting zetten, maar dat er nog meer werk verricht moet worden. Een optimale naleving van de Code op alle onderdelen is noodzakelijk. Ik verwacht dan ook dat banken in hun jaarverslagen over boekjaar 2010 duidelijke resultaten laten zien.
Deelt u de mening van de commissie dat doorvertaling van de code in de organisatie zich goed leent voor het uitwisselen van best practices? Bent u bereidt deze uitwisseling te bevorderen wat betreft de bankierseed? Ziet u hier een rol voor DNB?
Ja, ik ben van mening dat de doorvertaling van de moreel-ethische verklaring uit de Code zich goed leent voor het uitwisselen van best practices. Ik zie hierin – mede gelet op het zelfregulerende karakter van de code en de verantwoordelijkheid die bij de sector ligt – met name een rol weggelegd voor de NVB. Ik zal dit meenemen in het overleg met de NVB, DNB en de AFM.
Het bericht dat de Friese politie agenten wil verhuren aan gemeenten |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de politie in Friesland agenten wil gaan verhuren aan gemeenten?1
Ja.
Vind het u ook ongewenst dat de politie vanwege vermeende financiële problemen zich gaat verhuren aan gemeenten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u deze ontwikkeling stopzetten?
Er is geen besluit dan wel voornemen van het korps Fryslân om agenten te verhuren aan gemeenten. Het korps heeft de mogelijkheden verkend om bovenformatief personeel te detacheren. Het verhuren van politieagenten aan gemeenten vind ik onwenselijk. De financiering van de politie is een verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid. De intensivering uit het regeerakkoord van € 300 miljoen oplopend tot € 370 miljoen in 2015, die dit Kabinet in het regeerakkoord heeft vastgelegd zorgt er voor dat de operationele sterkte bij de politie van 49 500 betaalbaar is en blijft. Er hoeven dan ook geen agenten uit de operationele sterkte om budgettaire redenen ontslagen te worden. Inmiddels heb ik op 24 maart een brief over de herijking van het budgetverdeelsysteem aan de Kamer gezonden, waarin staat hoe de intensivering wordt ingezet en hoe de betere verdeling van de politie over Nederland zijn beslag krijgt.
Deelt u de mening dat via de achterdeur nu een soort gemeentepolitie wordt gecreëerd? Vindt u ook dat dit de ontwikkeling van een nationale politie in de weg kan staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u voorkomen dat gemeenten een eigen politie gaan creëren?
Neen, ik ben niet van mening dat er via de achterdeur een soort gemeentepolitie wordt gecreëerd. Toezicht en handhaving door gemeenten zijn duidelijk onderscheiden van de taken van de politie. Gemeenten mogen en kunnen wel buitengewone opsporingsambtenaren aanstellen, maar zij mogen geen politiecapaciteit inhuren. De politie wordt uitsluitend bekostigd door de Rijksoverheid en aangestuurd op grond van de Politiewet. Er mag en zal geen (schijn van) nieuwe gemeentepolitie ontstaan. De huidige politiewet en het wetsontwerp nationale politie, laat hiervoor dan ook geen enkele ruimte.
Asielzoekers die te lang vast zitten op Schiphol |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Vluchtelingenwerk Nederland en de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR waaruit blijkt dat asielzoekers die aankomen op Schiphol gemiddeld twee maanden vastzitten, en dat dit de toegestane termijn van zes weken overschrijdt?
Ja, ik ben bekend met het rapport. De in de vraagstelling genoemde conclusie wordt echter in het rapport niet getrokken. Van een zeer klein aantal van de asielzoekers die aankomen op Schiphol duurt de asielprocedure langer dan zes weken. Ik verwijs hier naar het antwoord op vraag 2.
Welke actie hebt u ondernomen nadat dit bericht u bekend werd en hoe gaat u ervoor zorgen dat de termijn van zes weken in het vervolg niet wordt overschreden?
De IND spant zich in om zoveel mogelijk asielaanvragen binnen acht dagen af te handelen. Wanneer dit, ook gelet op de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid, niet mogelijk is, en er voldoende redenen voor zijn, kan de termijn langer zijn, in beginsel tot zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond, zal steeds een belangenafweging worden gemaakt omtrent het al dan niet voortzetten van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw 2000. De maatregel zal na het verstrijken van die zes weken in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen gelegen in de persoon van de vreemdeling of zijn gedragingen, anders indiceren. De ervaring leert dat dit laatste slechts sporadisch gebeurt. Hoe langer de maatregel van toepassing is, des te zwaarder wegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Het rapport van VWN en UNHCR geeft dan ook geen aanleiding voor nadere actie.
De vraag of de voortzetting van de maatregel rechtmatig is, kan steeds door de advocaat van de vreemdeling aan de rechter worden voorgelegd. Deze zal beslissen of de omstandigheden van het geval de duur van de detentie rechtvaardigen.
Ook wanneer binnen zes weken is beslist op de asielaanvraag, kunnen asielzoekers langer dan zes weken in bewaring zitten op grond van artikel 6 Vw. De totale duur van de artikel 6 maatregel is namelijk niet alleen afhankelijk van de duur van de asielprocedure – inclusief de eventuele beroepsprocedure – maar ook van de duur van het daarop volgende vertrekproces. Op de duur van het vertrekproces is de medewerking van de asielzoeker en van de autoriteiten van het land van herkomst van invloed.
Deelt u de mening dat de Gesloten Opvang Centrum-procedure (GOC-procedure) waarbij asielzoekers in detentie op een beslissing van het Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moeten wachten geen ideale situatie is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u daaraan doen?
Ik meen dat er onder de betreffende omstandigheden goede gronden zijn om gebruik te maken van een gesloten procedure. Het gaat in deze gevallen om grensdetentie, met andere woorden om personen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Dat is de reden dat zij in detentie verblijven. Detentie in deze gevallen is ook in overeenstemming met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het beletten dat personen op onrechtmatige wijze het land binnenkomen erkent als gerechtvaardigde grond voor detentie. In de meeste gevallen wordt de asielaanvraag niet ingewilligd en leidt de asielaanvraag niet tot toelating tot Nederland. Als dat wel het geval is, wordt de detentie opgeheven.
Ik ben van mening dat de achtergrond van de grensdetentie, namelijk de toegangsweigering, zich niet voor alternatieven leent. Immers, elk alternatief zal een niet-gesloten setting betreffen en houdt dus het risico in van onttrekken aan toezicht, waarmee de vreemdeling zich toegang tot Nederland verschaft, hetgeen juist moet worden voorkomen. In voorkomende gevallen vindt overigens wel een weging plaats tussen grensbelang en het persoonlijk belang van de vreemdeling, namelijk in die gevallen waarin de vreemdeling stelt over alternatieve opvang te kunnen beschikken.
Bent u bereid in te zetten op alternatieven voor detentie zoals een dagelijkse meldplicht in een vrijheidsbeperkte locatie of anderszins? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven neemt u in overweging?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u voorts de mening dat het een ongelijke situatie is dat asielzoekers die via het land Nederland bereiken niet terecht kunnen komen in een GOC-procedure en via Schiphol wel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat de GOC-procedure kan worden afgeschaft?
Er is hier geen sprake van gelijke of vergelijkbare gevallen, maar van twee fundamenteel verschillende situaties die een verschillende benadering rechtvaardigen. Allereerst is er natuurlijk de Schengengrenscode. Die geeft mij als hoofdregel dat ik personen die niet voldoen aan de voorwaarden om het Schengengebied in te reizen, aan de buitengrens dien te weigeren. Het enkele indienen van een asielaanvraag, maakt op zichzelf niet reeds dat aan die toegangsvoorwaarden voorbij kan worden gegaan. Ik ben van mening dat mijn verantwoordelijkheid uit hoofde van de Schengengrenscode, naar mijzelf en naar mijn Schengenpartners, met zich meebrengt dat ik mij dien in te spannen om illegale immigratie tegen te gaan. Ik verwacht omgekeerd hetzelfde van mijn Schengenpartners. Daarbij komt dat de reële kans bestaat dat de desbetreffende vreemdelingen zich aan het toezicht zouden onttrekken wanneer hen feitelijk toegang zou worden verleend om een asielaanvraag in te dienen. Dit zou tot gevolg hebben dat het aantal illegale vreemdelingen in Nederland – en de Europese Unie – zou toenemen. In het geval van asielzoekers die Nederland via het land bereiken, betreft het vreemdelingen die reeds in het Schengengebied aanwezig zijn, waardoor de belangen anders liggen. Ik wijs er op dat ik als hoofdregel hanteer dat indien een onderzoek naar een asielaanvraag meer dan acht dagen vergt, of er aanwijzingen zijn dat de aanvraag mogelijk kansrijk is, de periode van grensdetentie in beginsel relatief kort duurt. Het zijn juist de vreemdelingen met een minder kansrijk asielrelaas die langere tijd aan de grens gedetineerd blijven. Ik ben dan ook van mening dat het onderscheid gerechtvaardigd is en dat er goede redenen bestaan de gesloten verlengde asielprocedure (GVA-procedure) te behouden. Het feitelijk toelaten van vreemdelingen die niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldoen, zou bovendien de (Schengen)grensbewaking teniet doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het eerstvolgende algemeen overleg over Vreemdelingenbewaring dat is gepland op 26 januari aanstaande?
Deze vragen zijn gesteld op 24 januari jongstleden, derhalve twee dagen voorafgaand aan het algemeen overleg van 26 januari jl. over vreemdelingenbewaring. Het is mij helaas niet gelukt om de beantwoording voorafgaand aan het algemeen overleg aan u toe te zenden.
Tijdens genoemd algemeen overleg heb ik een aantal toezeggingen gedaan. Op twee daarvan zou ik terugkomen bij de beantwoording van de onderhavige vragen. Het betreft enerzijds de cijfers inzake de GVA-procedure en anderzijds de relatie van vreemdelingendetentie tot mensenrechten.
Wat de cijfers over de GVA-procedure betreft wil ik graag het volgende opmerken.
Uit het onderzoek van Vluchtelingenwerk Nederland en de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR komt naar voren dat sprake is van een dalende trend van het aantal asielzoekers dat aan de grens gedetineerd wordt ten opzichte van het onderzoek uit 2007. Voorts is volgens het rapport zowel de gemiddelde als de langste duur van grensdetentie in 2009 ten opzichte van 2008 afgenomen.
Bovendien is het in dit kader van belang te vermelden dat zoals in de brief van 11 juni 20101 aan uw Kamer gemeld, een versoepeling van het beleid inzake grensdetentie heeft plaatsgevonden. Ten eerste bevat de Vreemdelingencirculaire nu een limitatieve opsomming van situaties waarin de vreemdeling naar de GVA-procedure kan worden verwezen, waar voorheen sprake was van een ruime formulering. Ten tweede is de maximumduur van grensdetentie voor gezinnen met minderjarige kinderen beperkt van maximaal vier weken naar maximaal veertien dagen gerekend vanaf het moment dat het gezin feitelijk verwijderbaar is geworden.
De uitvoering van de GVA-procedure wordt dit jaar nauwlettend gevolgd en de cijfers ervan geregistreerd. In de reeds eerder aangekondigde terugkeerbrief, die naar verwachting medio 2011 naar uw Kamer wordt gezonden, zullen uw Kamer enkele eerste cijfers over de GVA-procedure worden verstrekt die dan beschikbaar zijn. Later in 2011 zal uw Kamer vervolgens opnieuw over de laatste cijfers worden geïnformeerd, waarbij tevens zal worden ingegaan op de effectiviteit van de GVA-procedure.
Voorts heb ik toegezegd in te gaan op de relatie tussen vreemdelingenbewaring en relevante guidelines op het terrein van mensenrechten. In het rapport van Vluchtelingenwerk en UNHCR worden twee Guidelines genoemd waarmee het beleid naar de mening van die organisatie onvoldoende in overeenstemming zou zijn. Het gaat om de UNHCR Guidelines on Detention en om de Guidelines on accelerated procedures van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Gesteld wordt dat de GVA-procedure niet in overeenstemming is met de UNHCR Guidelines on Detention omdat deze detentieprocedure in onvoldoende mate wettelijk geregeld is, nu alle regels omtrent termijnen en gronden voor GVA bepaling in beleidsregels zijn neergelegd. Voorts wordt in het rapport genoemd dat de Guidelines stellen dat asielzoekers niet gedurende de gehele statusbepaling of voor onbepaalde tijd mogen worden vastgehouden.
Ik deel nadrukkelijk niet dat de procedure onvoldoende wettelijke basis heeft. Kern van de procedure is immers dat de vreemdelingen niet voldoen aan de voorwaarden om toegang tot Nederland te krijgen, en hen om die reden de toegang is geweigerd. De bevoegdheid om hen aansluitend te detineren is neergelegd in de Vreemdelingenwet, in artikel 6, eerste en tweede lid. Dat de praktische uitwerking in – voor een ieder kenbare en gepubliceerde – beleidsregels is neergelegd, maakt dat niet anders. Ik zie geen reden om hierover meer regels op te nemen, nu deze de duidelijkheid niet ten goede komen.
Zoals hiervoor ook aangegeven vindt de statusbepaling niet als hoofdregel plaats in detentie. Indien de procedure niet zeer snel kan worden afgerond is de hoofdregel dat de procedure verder in een minder restrictieve setting kan worden afgewacht.
Voorts wordt in het rapport gesteld dat de GVA-procedure in strijd zou zijn met Guidelines on accelerated procedures van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Deze Guidelines stellen dat bijzonder complexe zaken niet in een versnelde procedure afgedaan zouden moeten worden, hetgeen volgens Vluchtelingenwerk en UNHCR in beginsel zou moeten betekenen dat 1F- zaken niet in deze procedure behandeld zouden moeten worden, tenzij de zaak niet als complex kan worden beschouwd. Voorts veronderstelt dit volgens Vluchtelingenwerk en UNHCR dat er een inhoudelijk criterium moet zijn voor behandeling in een versnelde procedure, terwijl een dergelijk inhoudelijk criterium in Nederland niet bestaat. Ook deze zienswijze deel ik niet. In de Nederlandse systematiek worden alle zaken op eenzelfde wijze beoordeeld. Indien de zaak dat toelaat, hetgeen in de meerderheid van de gevallen zo zal zijn, kan de zaak in 8 dagen worden afgedaan. Lukt dat niet, dan wordt die termijn verlengd, tot (maximaal) een half jaar. Of met voldoende zorg naar een zaak is gekeken, staat mede ter beoordeling van de rechter. Indien deze van mening is dat de beslissing gezien de aard van de zaak met onvoldoende zorg is voorbereid, kan hij besluiten dat zij opnieuw moet worden genomen. Een extra criterium is dan ook niet noodzakelijk. Anders dan Vluchtelingenwerk ben ik van mening dat voortgezette detentie gerechtaardigd is ten aanzien van vreemdelingen van wie ik betrokkenheid bij (oorlogs)misdaden vermoed. Ik lees in de guidelines niet dat ik ook deze categorie vreemdelingen in de normale, open opvang dien op te nemen.
Ook zou de regelgeving in strijd zijn met deze guidelines omdat niet is uitgesloten dat personen behorend tot kwetsbare groepen in de GVA-procedure worden opgenomen. Tot slot stellen Vluchtelingenwerk en UNHCR van mening te zijn dat de gemiddelde duur van de GVA-procedure dusdanig lang is, dat er, hoewel de procedure korter is dan de normale procedure, geen sprake meer is van een versnelde procedure in de zin van de richtlijn, en detentie derhalve in veel gevallen niet opportuun is. Ook deze mening deel ik niet. Indien er voldoende belangen aanwezig zijn, kan de detentie langer voortduren. Uiteraard kan de vraag of dat inderdaad het geval is steeds aan de rechter worden voorgelegd, die dit naar de omstandigheden van het geval zal beoordelen.
Een havenclub die afwil van 'luxe' arbeidsvoorwaarden |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitlating van de directeur van Deltalinqs dat werknemers genoegen moeten nemen met kariger arbeidsvoorwaarden om geen werk te verliezen aan buitenlandse vaklui?1
Afgezien van de wettelijke basis, worden de arbeidsvoorwaarden in een sector afgesproken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, die daarbij rekening houden met hun concurrentiepositie. Deltalinqs is hierin geen partij. Deltalinqs behartigt de gezamenlijke belangen van de logistieke en industriële bedrijven in het Rotterdamse haven- en industriegebied. Deltalinqs is onder andere met de gemeente Rotterdam in gesprek over hoe meer Rotterdammers in het Havengebied aan de slag kunnen gaan.
Deelt u zijn mening dat tijdloon vervangen moet worden door stukloon? Zo ja waarom?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe kan het dat bedrijven uit Italië, Portugal en Polen er met megacontracten voor de aanleg van de tweede Maasvlakte vandoor gaan? Zijn de buitenlandse arbeiders die ingeschakeld worden goedkoper dan Nederlandse zoals de directeur beweert? Voor buitenlandse arbeiders gelden toch ook de Nederlandse cao’s? Worden door deze bedrijven cao’s ontdoken? Wilt u dat onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat Europese afspraken zoals in het European Social Charter uit 1961 en het Community Charter of te Fundamental Social Rights op Workers uit 1989 juist beoogden om welvaart en rechten van werknemers te versterken? Hoe verklaart u dat belangrijke Nederlandse bedrijven, die zijn verenigd in Deltalinqs, geen acht slaan op deze afspraken?
Ik deel de mening dat Europese afspraken beogen om welvaart en rechten van werknemers te versterken. In het artikel wordt door Deltalinqs overigens geen afstand genomen van deze afspraken.
Wat gaat u doen om een «race to the bottom», als het gaat om arbeidsvoorwaarden, te voorkomen? Wordt het geen tijd dat de overheid ook de naleving van cao’s door buitenlandse bedrijven en voor buitenlandse arbeiders gaat controleren? Waarom niet?
Voor iedereen die in dienst is van een in Nederland gevestigd bedrijf gelden dezelfde arbeidsvoorwaarden. Deze zijn te onderscheiden in de wettelijke arbeidsvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de bovenwettelijke afspraken die bij cao worden vastgelegd door cao-partijen. Werknemers dienen tenminste beloond te worden volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en de geldende cao. Stukloon kan daarbinnen onderdeel uitmaken van de beloningssystematiek. Dit is een keuze van cao-partijen.
Op de Maasvlakte zijn vijf grote opdrachtgevers actief. Het gaat daarbij om buitenlandse opdrachtgevers die werken met hoofdaannemers uit bijna alle Europese Lidstaten. Het is aan de bedrijven om hun hoofd- en onderaannemers te selecteren. De overheid speelt hierin geen rol. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden geldt dat werknemers van buitenlandse dienstverleners die tijdelijk in Nederland gedetacheerd zijn eveneens recht hebben op de Nederlandse wettelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. In aanvulling daarop hebben zij op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) recht op een «harde kern» van arbeidsvoorwaarden, voor zover die zijn opgenomen in de algemeen verbindend verklaarde cao in de betreffende sector: cao-loon (betaald door de dienstverlener), vakantiedagen, rusttijden, maximale werktijden, regels en voorwaarden voor uitzendwerk, veiligheidsmaatregelen en gelijke behandeling. Ook hierdoor wordt concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengegaan.
De Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de wettelijke arbeidsvoorwaarden (i.c. wettelijk minimum loon). Op basis van risicoanalyse en naar aanleiding van concrete meldingen controleert de Arbeidsinspectie jaarlijks ongeveer 12 000 werkgevers op arbeidsmarktfraude. Grote infrastructurele projecten hebben daarbij de bijzondere aandacht. Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de cao’s. Cao-partijen kunnen bij cao’s waarvan bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard, de Arbeidsinspectie verzoeken om een onderzoek bij een bedrijf in te stellen, indien er een gegrond vermoeden van overtreding bestaat en er een intentie is tot rechtsvordering. Voor meer informatie over de handhaving van cao’s verwijs ik naar de eerdere Kamerbrief over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544 en 32 123 XV, nr. 219).
Het bijdrukken van geld door de Ierse centrale bank |
|
|
|
|
|
|
|
Is het waar dat de Ierse centrale bank zelf geld bijdrukt?12 Zo ja, is dit geoorloofd? Zo nee, is dat wel mogelijk en welke sancties staan hier tegenover?
Zijn er andere eurolanden waar centrale banken geld bijdrukken? Welke regels zijn hierover afgesproken?
Kent u de zorgen van professor Tissen over de kosten van het bijdrukken van geld (onder andere inflatie) voor de bevolking? Wordt er überhaupt geld bijgedrukt in EMU-verband en wat zijn hiervan de gevolgen voor de inflatie?
Kunt u garanderen dat de ECB geen geld bijdrukt ?
Voor hoeveel geld heeft de ECB inmiddels obligaties opgekocht van zwakkere eurolanden? Kan de ECB hier onbeperkt mee doorgaan? In hoeverre gebeurt dit nog steeds gesteriliseerd? Legt de ECB hierover verantwoording af? Zo ja, aan wie?
'De Tbs-paradox' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De paradox van tbs»? Het gaat bijna altijd goed, maar het imago is slecht»?12 Hoe beoordeelt u de werking van het tbs-systeem? Wat vindt u van het imago van tbs? Vindt u het terecht dat tbs een tamelijk slecht imago heeft?
Ik heb kennis genomen van het artikel. Voor die veroordeelden die lijden aan een stoornis van de geestvermogens is de tbs-maatregel een belangrijk instrument binnen het sanctiearsenaal. Belangrijker dan de vraag naar het imago van de tbs acht ik de vraag hoe het tbs-stelsel verder kan worden verbeterd. Over de mogelijkheden daartoe zal ik uw Kamer op korte termijn een beleidsbrief doen toekomen.
Klopt de gang van zaken, zoals beschreven in het artikel? Hoe is het mogelijk dat de behandelaar ter zitting mondeling kwam toelichten dat het risico op recidive miniem was en derhalve onvoorwaardelijk ontslag voor een tbs’er adviseerde, maar dit niet mocht opschrijven omdat dit de directeur in conflict met u zou brengen?
Nee, dit klopt niet. Ten behoeve van het verlengen van een tbs-maatregel moet een advies afkomstig van het hoofd van de inrichting aan de rechter worden overlegd. Dit advies komt tot stand op basis van een bespreking van het hoofd van de inrichting met verschillende disciplines, waaronder de psychiatrie. Ter zitting kan het advies door de inrichting worden toegelicht. Alleen uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld zeer recente ontwikkelingen, kunnen een grond zijn om ter zitting een wijziging in het advies aan te brengen.
Hoe beoordeelt u het verwijt dat het intrekken van de verlofmachtiging in deze zaak een politieke beslissing is geweest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken mij niet in de beschreven gang van zaken. Er is geen sprake van het intrekken van een verlofmachtiging, maar van het niet verlenen van een machtiging tot onbegeleid verlof. In deze beslissing is de afweging of het verlenen van deze machtiging tot onbegeleid verlof de veiligheid van de samenleving in het geding brengt, leidend geweest.
Is het waar dat het aantal onbegeleide verloven met 70 procent is gedaald? Kunt u een overzicht geven met het aantal onbegeleide verloven over de afgelopen jaren, waarin ook de periode voor de tijdelijke commissie onderzoek tbs is meegenomen? Wat is uw reactie op het verwijt dat de andere kant is dat je mensen binnenhoudt die best al naar buiten hadden gekund?
Vanaf 2003 daalde het aantal nieuw gestarte onbegeleide verloven van ongeveer 290 naar een dieptepunt van ongeveer 110 in 2006. Sindsdien groeit het aantal nieuwe machtigingen voor onbegeleid verlof jaarlijks. In 2010 startten er ruim 210 nieuwe onbegeleide verloven. Het is niet uit te sluiten dat in sommige gevallen verlof later wordt verleend dan mogelijk zou zijn geweest. Ik meen dat ten deze de veiligheid van de maatschappij prevaleert.
Met betrekking tot het al dan niet onnodig binnenhouden van tbs-gestelden merk ik het volgende op. Met het verlofbeleid wordt beoogd dat de fpc’s niet langer dan noodzakelijk wachten met het indienen van de aanvraag voor de verschillende verlofmodaliteiten. Ook wil ik dat het moment van aanvragen tussen de verschillende fpc’s meer vergelijkbaar wordt. Op deze wijze kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk op passend niveau worden behandeld, volgens het adagium «zo laag als kan, zo hoog als moet». Dit heb ik nader toegelicht in de beleidsbrief die ik 17 februari jl. aan uw Kamer heb doen toekomen.
Wat is uw reactie op de opmerking van de psycholoog is dat de huidige lengte van een verlofaanvraag van 25 pagina’s wel overdreven is en verantwoord kan worden teruggedrongen?
Het aanvragen van verlof kent een vast format. De lengte van de verlofaanvragen is echter een aandachtspunt. Omdat er grote verschillen zijn in de wijze van opmaak en de lengte van de verlofaanvragen is er in mei 2010 een werkconferentie voor de FPC’s georganiseerd door de Directie Forensische Zorg in samenwerking met het AVt. Als vervolg hierop zal worden gekeken naar een efficiëntere wijze van invulling van het vaste format.
Deelt u de vrees dat door alle politieke druk het gebrek aan professionele autonomie en de angstcultuur in de tbs-sector veel goede psychiaters, psychotherapeuten en andere medewerkers het voor gezien houden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze denkt u dat te gaan voorkomen?
Uw vrees deel ik niet. Er is een tekort aan psychiaters in het algemeen en specifiek aan forensische psychiaters. Ik zie geen verband met de genoemde beweringen. Ook heb ik niet de indruk dat er een gebrek aan professionele autonomie of een angstcultuur is.
Is het wel eens voorgekomen dat medewerkers van penitentiaire inrichtingen en tbs-klinieken die hebben gesproken met journalisten, sancties opgelegd hebben gekregen? Zo ja, hoe vaak? Om welke sancties ging het in deze gevallen?
Als rijksambtenaren een disciplinaire maatregel opgelegd krijgen, geschiedt dat door de directeur van de betreffende inrichting, op basis van de daartoe geldende regels in het ARAR. Hiervan wordt geen centrale registratie gedaan.
Is het waar dat één van de in het artikel genoemde tbs’ers vanwege zijn medewerking aan dit artikel op dit moment in de separeercel zit? Zo nee, waarom dan wel? Zo ja, waarom is hier toe besloten?
Nee. Het hoofd van de inrichting is bevoegd vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, onder andere voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.Medewerking verlenen aan een artikel is geen grond om een patiënt in afzondering te plaatsen.
Het bericht dat de Verenigde Staten (VS) niet bereid waren Nederland te helpen bij het beperken van geluidsoverlast van AWACS |
|
Jasper van Dijk (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over de via Wikileaks naar buiten gebrachte berichten dat de VS geen hulp aan Nederland wilde bieden bij het beperken van de geluidsoverlast door AWACS-toestellen?1
Ja.
Hebben de VS tussen het moment dat de Board of Directors (BOD) van het AWACS-programma de opdracht gaven voor «re-engening / re-platforming of the AWACS-fleet» op 27 juni 2002 en het eerste ambtsbericht van april 2007 blijk gegeven van twijfels rond de haalbaarheid van het stiller maken van de AWACS-toestellen?
Zoals uiteengezet in de brief van heden van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk 2011–2000011311) mag van de zijde van het kabinet geen antwoord worden verwacht op vragen over de juistheid van de inhoud van de vermeende Amerikaanse ambtsberichten.
Zoals bekend maakt Nederland zich in internationaal verband reeds geruime tijd sterk voor structurele oplossingen van de geluidsproblematiek van de vliegbasis Geilenkirchen. Als een van de mogelijke oplossingen is de vervanging van de AWACS-motoren onderzocht. In juni 2007 verzochten de Navo-ministers van Defensie op initiatief van Nederland de Board of Directors van de NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Organisation (NAPMO) een uit 2004 stammende business case inzake de vervanging van de Navo AWACS-motoren opnieuw te bezien. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 15 oktober 2007 (Kamerstuk 31 200 X en 31 200 XI, nr. 16). Over de uitkomsten van de herziene business case is de Kamer geïnformeerd met de brief van 24 april 2008 (Kamerstuk 31 200 XI, nr. 109). Het bleek dat er vanuit financieel-economisch perspectief geen positieve business case was om de motoren van de AWACS-vliegtuigen te vervangen.
Waarom heeft de Nederlandse regering ook na april 2007 jegens de Tweede Kamer volgehouden dat stillere motoren een bijdrage zouden kunnen leveren aan de geluidsproblematiek, terwijl de VS volgens ambtsberichten aan de ambassadeur in Washington te kennen hadden gegeven daar grote terughoudendheid bij te zullen betrachten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat (zoals blijkt uit het ambtsbericht van februari 2008) de toenmalig minister van Milieu bij collega’s uit de Europese Unie lobbyde voor de inzet van een vluchtsimulator, terwijl haar collega van Defensie op dat moment nog twijfelde aan de haalbaarheid van dat voorstel?
De toenmalige minister van Milieu heeft in de EU bepleit de mogelijkheid te onderzoeken om geluidseisen te stellen aan de Navo AWACS-vliegtuigen. Hierover is de Kamer in april 2008 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 31 200 XI, nr. 109). Defensie heeft de Navo hierover geïnformeerd. In dezelfde brief is gemeld dat het investeren in een moderne vluchtsimulator op de vliegbasis Geilenkirchen één van de mogelijke maatregelen is die kan bijdragen aan het verminderen van de geluidsbelasting van Geilenkirchen en het beperken van het aantal vliegtuigbewegingen. Mede door inspanningen van Nederland heeft de Navo in juni 2008 besloten te investeren in een moderne vluchtsimulator (Kamerstuk 31 700 XI, nr. 66). Deze simulator is eind 2010 in gebruik genomen.
Heeft u, zoals toegezegd in uw brief van 18 juni 2010, de BOD op de hoogte gesteld van de strekking van de motie Jansen c.s.2 over het verzoek van het parlement aan de regering zo nodig de binnenvliegregeling te gebruiken en heeft u een reactie van de BOD ontvangen? Zo ja, hoe luidde die? Zo nee, bent u bereid daar alsnog om te vragen?
Conform de door de Kamer aangenomen motie heeft Nederland in de Board of Directors van de NAPMO gemeld dat het parlement de regering heeft verzocht per 1 januari 2012 desnoods de Navo-binnenvliegregeling te gebruiken om in 2012 een geluidsreductie van 35 procent te bereiken. De NAPMO BOD heeft daarvan kennis genomen.
Het bericht 'WOII moet weer centrale plek krijgen' |
|
Martin Bosma (PVV), Joram van Klaveren (PVV), Harm Beertema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «WOII moet weer centrale plek krijgen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de praktijken die in dit bericht worden beschrijven, namelijk dat Holocaust-lessen worden aangepast ten behoeve van moslims?
Ik heb er kennis van genomen dat «Holocaustonderwijs» op sommige scholen mét lessen over het Midden-Oosten wordt gegeven.
In welke mate gebeurt dit?
Er is geen landelijk overzicht van de precieze wijze waarop alle leraren hun lessen inrichten. In essentie is dit de professionele verantwoordelijkheid van leraren waar de overheid geen bemoeienis mee heeft. Een vorig jaar in opdracht van Elsevier uitgevoerde enquête onder 339 docenten in vmbo, havo en vwo geeft evenwel een indicatie van de mate waarin leraren kennelijk aanleiding zien hun onderwijs in te richten zoals in het artikel wordt beschreven. Uit deze enquête kwam naar voren dat één op de vijf ondervraagde geschiedenisdocenten in de vier grote steden «weleens heeft meegemaakt» dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake kon brengen, omdat vooral islamitische leerlingen er moeite mee zouden hebben2.
Uit de observatie dat één op de vijf geschiedenisleraren dit «weleens heeft meegemaakt» kan overigens niet geconcludeerd worden dat het structureel en in algemene zin in het Nederlandse onderwijs moeilijk of zelfs onmogelijk is om de Holocaust in het onderwijs te bespreken, laat staan dat geschiedenisdocenten het onderwerp niet behandelen. Voor verreweg de meeste leraren op de meeste scholen is het evident dat de verschrikkingen van de Holocaust in de klas, bijvoorbeeld in het geschiedenisonderwijs, ter sprake worden gebracht. Waar het door onaangepast gedrag van leerlingen wél tot problemen zou leiden, verdienen leraren en scholen alle maatschappelijke en politieke steun om álle leerlingen te onderwijzen over deze zware thematiek.
Deelt u de mening dat de Shoah, de moord op zes miljoen Joden, volstrekt uniek is in de geschiedenis en dat het onderwijs hierover dus niet dient te worden vermengd met andere gebeurtenissen?
De Shoah is volstrekt uniek in de geschiedenis, het is een cruciale zwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis. Van leraren geschiedenis mag verwacht worden dat zij zich bewust zijn van deze uniciteit en dat zij hiervan bij de uitwerking van hun lessen ook uitgaan. De manier waarop leraren hun onderwijs inrichten is hun eigen professionele verantwoordelijkheid, de overheid heeft hier geen bemoeienis mee.
Het bericht dat de onderzoeksraad snel meer veiligheidsmaatregelen op het spoor wil |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «onderzoeksraad acht maatregelen op spoor nodig»?1
Ja.
Deelt u de conclusies van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat er snel maatregelen nodig zijn om het spoor veiliger te maken? Zo nee, waarom niet?
Op de door de Onderzoeksraad voor Veiligheid aan mij gerichte aanbevelingen zal ik binnen de daarvoor vastgestelde termijn reageren. Zoals bekend bedraagt de reactie termijn voor bestuursorganen op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad zes maanden (Vide artikel 56 Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid).
Voorts ben ik van oordeel dat de staat van de veiligheid van het Nederlandse spoor goed is, (zie hiervoor ook het rapport Trendanalyse 2009, Trends in de veiligheid van het spoorwegsysteem in Nederland, Kamerstuk 29 893, nr.104).
Mijn beleid is het huidige hoge veiligheidsniveau duurzaam te bestendigen door te streven naar permanente verbetering van de veiligheid van het railvervoer. De STS-aanpak is een van de speerpunten. Dit is verwoord in de Derde Kadernota Rail Veiligheid die op 28 juni 2010 naar de Tweede Kamer is gezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 893, nr. 106).
Kunt u aangeven, gelet op het advies om snel maatregelen te nemen, op welke termijn u van plan bent dat te zullen doen? Om welke maatregelen gaat het dan?
In de onder 2 genoemde brief heb ik aangegeven dat absolute veiligheid niet bestaat en dat het niet realistisch is te verwachten dat er nooit incidenten of ongevallen zullen plaatsvinden. Van belang is veiligheidsrisico’s zo goed mogelijk in kaart te brengen en de juiste maatregelen te treffen om deze risico’s te beheersen.
In mijn recente brief van 14 januari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 29 893, nr. 118) heb ik een aantal maatregelen beschreven, die door de spoorsector worden genomen om te voorkomen dat treinen een rood sein passeren. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze brief.
Deelt u de conclusie dat de spoorbedrijven ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dat Prorail hierin dan het voortouw moet nemen?
Ik deel de conclusie dat de spoorbedrijven ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. In de brief van 28 juni 2010 van mijn ambtsvoorganger (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 893, nr.103 ) is aangegeven welke extra maatregelen naast de implementatie van ATB-Vv genomen worden om het aantal STS-passages en de daaraan verbonden risico’s terug te dringen. Mede naar aanleiding van het treinincident in Barendrecht op 24 september 2009 heeft de spoorbranche in aanvulling daarop een aantal verbetermaatregelen op het gebied van de railveiligheid genomen. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 14 januari 2011 (Kamerstuk 29 893, nr. 118). Op dit moment heeft ProRail als voorzitter van de Stuurgroep aanpak STS-problematiek hierin al het voortouw.
Kunt u deze vragen, gezien de urgentie van de aanbevelingen van het rapport, binnen vijf werkdagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de treintunnel Delft tientallen miljoenen duurder wordt |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u het bericht «Treintunnel Delft tientallen miljoenen duurder?1
Ja
Is het waar dat er nieuwe vertraging is bij de aanleg van de spoortunnel en dat de meerkosten 10 miljoen euro voor de gemeente Delft en 70 miljoen euro voor het Rijk bedragen?
Wat de kosten van de vertraging voor de gemeente zijn, is mij niet bekend.
Voor het rijk is sprake van extra kosten door enerzijds vertraging en anderzijds extra werkzaamheden. Dat er extra kosten zouden zijn was al bekend toen in 2008 de verantwoordelijkheid voor de spoortunnel door het ministerie werd overgenomen van de gemeente. Op basis van een externe audit hebben decentrale overheden toen aanvullend budget beschikbaar gesteld en is een risicoreservering op de Rijksbegroting opgenomen van 45 miljoen euro. Dat is u gemeld in juni 2008 (brief met kenmerk VENW/DGP-2008/5662).
Of de extra kosten groter zullen zijn dan de risicoreservering is nog niet bekend. Dit hangt mede af van het al dan niet optreden van risico's in de komende jaren. Samen met de betrokken partijen sturen wij op het zoveel mogelijk voorkomen van verdere kostenstijgingen.
Kunt u toelichten welke kabels en leidingen er precies zijn gevonden?
In de Phoenixstraat heeft een groot aantal netbeheerders in een zeer beperkte ruimte ter vervanging van bestaande kabels nieuwe kabels moeten leggen. De afstemming tussen deze 17 netbeheerders en de coördinatie van de uitvoering heeft substantieel tijd gekost. Bij het verleggen van kabels en leidingen, zijn ook weesleidingen2 aangetroffen, een «verlaten» waterleiding en oude kabels van de vroegere spoorlijn op maaiveld.
Kan uit het feit dat deze kabels en leidingen nu pas worden gevonden, worden afgeleid dat deze niet in het zogenaamde Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC)-systeem waren opgenomen? Zo nee, waarom zijn deze dan niet in een eerder stadium opgemerkt? Zo ja, wat is de reden voor het feit dat ze niet in het KLIC-systeem waren opgenomen en bij welke instantie of bedrijf ligt daarvoor de verantwoordelijkheid?
Het klopt dat niet alle kabels en leidingen bekend waren in KLIC. Pas met de komst van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) in juli 2010 is er een wettelijke regeling die informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en gravers (grondroerders) verplicht stelt. De inventarisaties die bij Spoorzone Delft zijn gedaan dateren van voor die tijd. Naast de niet bekende kabels en leidingen zijn er ook niet in gebruik zijnde kabels en leidingen, waarvan vaak ook de eigenaren onbekend zijn, die een probleem vormen. Met de WION is voortaan geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de liggingsgegevens van de «weesleidingen».
Kunt u toelichten wie verantwoordelijk is voor de verkeerde aannames wat betreft de grondwaterstand?
De uitvoering van het project Spoorzone Delft ligt in handen van de projectorganisatie Spoorzone Delft, een samenwerkingsverband tussen de Gemeente Delft en ProRail. De aannames voor en gegevens over de grondwaterstand in Delft zijn in 2007 door adviesbureaus aangeleverd in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de projectorganisatie. De aannames zijn tot stand gekomen op basis van alle op dat moment beschikbare informatie.
Door de projectorganisatie is nagegaan of de extra kosten verhaald kunnen worden op de adviesbureaus. Dat blijkt niet het geval.
Kan in ieder geval een deel van de kosten op de projectontwikkelaars en/ of eigenaren van de kabels verhaald worden? Waarom wel of niet?
Het verleggen van kabels en leidingen geschiedt door de eigenaren, die handelen op verzoek van de projectorganisatie. Hiervoor gelden landelijke procedures, die correct zijn toegepast bij de uitvoering. Er is geen mogelijkheid de kosten te verhalen.
Kunt u, gezien de nieuwe vertragingen, aangeven wanneer de tunnel nu in gebruik kan worden genomen?
In 2015 wordt de eerste tunnelbuis in gebruik genomen. Oplevering van een 4-sporig uitgegraven en 2-sporig ingerichte spoortunnel is gepland in 2017. De langere bouwtijd betekent helaas een langere periode ongemak voor de omgeving. Het heeft echter geen consequentie voor de treindienst, omdat het spoorviaduct langer in gebruik blijft.
De berichten dat een Nederlands bedrijf dat gesteund wordt door de overheid betrokken is bij 'slavernij' |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een Nederlands bedrijf is betrokken bij «slavernij» in Argentinië?1
De beschuldiging in de media van betrokkenheid bij «slavernij» is een ernstige aanklacht tegen een Nederlands bedrijf, welke tot op heden niet is onderbouwd door een formele aanklacht. De berichten over «slavernij» kwamen juist op het moment dat het debat tussen de Argentijnse regering en de verenigde landbouworganisaties over interventies in de tarwe- en maïshandel een hoogtepunt bereikte. Aan het begin van dit verkiezingsjaar is de Argentijnse regering door de recente berichten in staat geweest de arbeidsomstandigheden als een nieuw thema te agenderen en in de betrekkingen op te voeren. De in de media gebruikte termen als «slavernij», «mensenhandel» en «concentratiekampen» zijn afkomstig van de Argentijnse krant Página/12. Ik beschik niet over informatie die erop wijst dat deze omstandigheden aan de orde zouden zijn bij dit bedrijf.
De berichten vormden evenwel aanleiding voor mijn ministerie om in gesprek te gaan met het bedrijf. Het bedrijf werpt de beschuldigingen verre van zich en onderbouwt deze ontkenning met uitgebreide documentatie2; hieruit komt naar voren dat het bedrijf de lokale wetgeving naleeft en procedures toepast om adequate arbeidsomstandigheden bij de rurale seizoensarbeid te bewerkstelligen. De wet regelt tot in detail de verschillende aspecten van seizoensarbeid. Het bedrijf geeft aan dat het betere arbeidsvoorwaarden hanteert dan in de sector gebruikelijk is. Wat betreft beschuldigingen over werkomstandigheden, zoals overtredingen van de Hygiëne Code, kan ik geen oordeel geven. Mocht er op dit punt een overtreding zijn begaan, dan zal die resulteren in een administratieve sanctie.
Wat is uw reactie op het bericht dat dit bedrijf zich hieraan schuldig maakt, terwijl het een «lening» kreeg van de overheid via de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die onderdeel is van de instrumenten waarmee de Nederlandse overheid Nederlandse bedrijven die in het buitenland zaken doen, ondersteunt?2
Voorwaarde voor het verstrekken van een lening door de FMO aan een bedrijf in een ontwikkelingsland is dat de klant van de FMO aan bepaalde sociale en milieucriteria voldoet, dan wel bereid is daaraan te voldoen. In dit geval heeft het Argentijnse dochterbedrijf dat de lening heeft ontvangen zich bereid verklaard aan deze sociale en milieucriteria te voldoen4. De FMO houdt toezicht op de uitvoering. De FMO heeft, naar aanleiding van de berichten in de pers, een nieuw onderzoek laten uitvoeren door een onafhankelijke consultant. Het rapport van dit onderzoek is naar verwachting medio maart 2011 beschikbaar.
Voor de volledigheid merk ik op dat de betreffende lening aan de Argentijnse dochteronderneming geen directe lening van de overheid betreft. De staat bezit 51 procent van de aandelen in de FMO. De FMO steunt bedrijven in ontwikkelingslanden door middel van leningen, participaties, garanties en andere investeringen.
Hoe strookt de betrokkenheid bij «slavernij» van dit bedrijf met de verwachting van de Nederlandse regering dat bedrijven de invloed die zij hebben op de bedrijfsvoering van henzelf en hun partners in de keten in het buitenland ruimhartig aanwenden om Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) zoveel mogelijk in de praktijk te brengen?
Wat betreft betrokkenheid bij «slavernij» verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Met het Nederlandse moederbedrijf is gesproken over de manier waarop hun MVO-beleid is vormgegeven, ook richting de Argentijnse dochteronderneming. Het bedrijf heeft aangegeven geschrokken te zijn van de beschuldigingen en dat deze hard zijn aangekomen bij zowel het management als de werknemers. De directie heeft laten weten sociale verantwoordelijkheid, integriteit en goede zorg voor de werknemers van groot belang te achten, en dat het bedrijf hiertoe zorgvuldige procedures hanteert, zoals ook blijkt uit de documentatie. Een geformaliseerd MVO-beleid, opgesteld in overleg met de stakeholders, ontbreekt nog bij het Nederlandse moederbedrijf. De directie heeft aangekondigd dit op te stellen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de informatie en instrumenten die beschikbaar zijn bij o.a. MVO Nederland.
Heeft dit bedrijf in het kader van de ontvangen overheidssteun, of in het kader van andere overheidssteun, een MVO-verklaring ondertekent? Zo ja, welke gevolgen zal het schenden van de MVO-verklaring hebben?
Ja, het bedrijf heeft een MVO-verklaring ondertekend voor een project in Rusland uitgevoerd in 2001–2002 onder het toenmalige PSO-programma. Er is geen direct verband tussen de beschuldigingen in de media en de in 2001 ondertekende MVO-verklaring. Deze MVO-verklaring is niet van toepassing op de lening van de FMO aan het Argentijnse dochterbedrijf uit 2010. Het bedrijf heeft voor zover bekend geen andere MVO-verklaringen ondertekend.
Bent u bijvoorbeeld bereid om de steun in te trekken en reeds verleende steun terug te vragen?
Indien sprak is van grove schending van contractuele afspraken, dan kan de FMO zijn investering terug trekken. Dit is contractueel vastgelegd.
Bent u bereid om het bedrijf een stevige boete op te leggen, conform de strekking van de motie Gesthuizen,3 alsmede het standpunt van het voormalig Kabinet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u verder bereid om actiever toe te zien op de naleving van de MVO-verklaring door bedrijven die deze hebben ondertekend?
Nee, ik zie geen directe aanleiding om mijn beleid op dit punt te veranderen. Eind 2007 is door het onafhankelijke onderzoeksbureau Berenschot een evaluatieonderzoek gedaan naar MVO in het financieel buitenlandinstrumentarium. Uit het onderzoek komt naar voren dat het MVO-toetsingskader, dat bestaat uit de inspanningsverklaring ten aanzien van de OESO-richtlijnen en concrete toegangseisen op terrein van milieu en sociaal, voldoende waarborg vormt voor het MVO-niveau bij de aanvragers6.
Een reddingsplan voor de huizenmarkt |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tijd voor een reddingsplan huizenmarkt»?1
Ja.
Steunt u de oproep van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), om te komen tot een reddingsplan van de huizenmarkt?
De betrokkenheid van veel partijen bij de woningmarkt is een goede zaak. Eerder is met uw Kamer besproken dat er op korte termijn een ronde tafel zou zijn met de belangrijkste partijen op de woningmarkt in het kader van de Woonvisie, die op dit moment wordt opgesteld. Alle partijen zouden daarbij hun visie geven op de maatschappelijke opgaven in het woondomein én wat hun eigen actieve rol daarbij kan zijn. Dit levert een belangrijke bijdrage aan de Woonvisie van het kabinet. Op 9 februari is er op mijn initiatief een eerste gesprek met partijen geweest.
Bent u bereid om initiatief te nemen of te participeren in een dergelijk overleg met als doel alle belangengroepen tot overeenstemming te krijgen en een nationaal woningakkoord te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het eens met de stelling van de voorzitter van de NVM dat «de huidige overheidsfinanciering in de woningmarkt eigenlijk een auto is, die is afgereden»? Zo nee, waarom niet?
Uit het artikel waarnaar u verwijst, kan worden opgemaakt dat de heer Hukker hier doelt op de hypotheekrenteaftrek. Ik ben het niet met deze stelling eens. De hypotheekrenteaftrek is een belangrijke voorwaarde om het vertrouwen in de woning(bouw)markt te laten terugkeren. Zekerheid op dit punt is cruciaal voor het herstel uit de crisis.
Bent u het met de voorzitter van de NVM eens dat er te veel overheidssubsidies en belastingen zijn die een gezonde doorstroming op de woningmarkt belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Het is zaak dat de doorstroming op de woningmarkt wordt verbeterd. Om de doorstroming, die als gevolg van de economische crisis is teruggevallen, weer op gang te krijgen is het van belang het vertrouwen in de woning(bouw)markt te laten terugkeren. Daarvoor is de hypotheekrenteaftrek van groot belang. Tegelijkertijd neemt het kabinet verschillende stappen in het woningmarktbeleid om tot een vrijere woningmarkt te komen en de doorstroming structureel te bevorderen.
Herkent u het beeld dat de voorzitter van de NVM schetst dat veel mensen al meerdere jaren een hypotheek van twee ton euro hypotheek zonder betalingsproblemen kunnen afbetalen, maar dat door de nieuwe regels niet meer mogen lenen dan 190 000 euro? Wat is uw standpunt erover?
Het kabinet is eerder ingegaan op de aanpassing van de NHG-regels in antwoord op de vragen van de leden Monasch en Plasterk over het effect van de aanscherping van de Nationale Hypotheek Garantie op starters (TK 2010–2011, aanhangselnr. 1138) en op de vragen van het lid Ortega-Martijn over de positie van starters op de woningmarkt (TK 2010–2011, aanhangselnr. 745). Hetzelfde geldt voor de vragen over de aanpassing van het toetskader hypothecaire kredietverlening, waarbij verwezen kan worden naar de brieven d.d. 29 november 2011 van de Minister van Financiën aan uw Kamer (TK 2010–2011, 29 507, nr. 94) en aan de Nederlandse Vereniging van Banken (TK 2010–2011, bijlage bij 29 507, nr. 94). Overigens zijn in de voorstellen voor aanscherping van het toetskader uitzonderingen gemaakt voor het oversluiten van bestaande hypotheken.
Kent u het bericht «Antilliaanse gulden toch om te wisselen in Nederland?1
Ja.
Waarom wordt de mogelijkheid om de Antilliaanse gulden om te wisselen in Nederland beperkt tot een half jaar?
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van de vragen van de leden Ortega-Martijn en Slob van 15 november 2010,2 is de verhandelbaarheid van vreemde valuta op zichzelf geen taak van de overheid. In dit kader past mijn toezegging aan de Tweede Kamer om, gehoor gevend aan de motie Ortega-Martijn c.s.,3 een tijdelijke faciliteit voor de omwisseling van Nederlands-Antilliaanse guldens te creëren. De geboden termijn tot en met 30 juni 2011 is lang genoeg om reizigers die vorig jaar verrast werden door het besluit van GWK/Travelex om geen Antilliaanse guldens meer aan te kopen, ruimschoots in de gelegenheid te stellen hun overgebleven Antilliaanse guldens alsnog te verkopen. Van toekomstige reizigers naar het Caribische deel van het Koninkrijk mag worden verwacht dat zij inmiddels voldoende bekend zijn met de beperkte omwisselbaarheid van de Antilliaanse gulden.
Waarom is er niet voor gekozen deze voorziening te laten doorlopen tot in ieder geval na de zomerperiode zodat reizigers na de vakantie deze valuta nog om kunnen wisselen, nu op Curaçao en Sint Maarten de Antilliaanse gulden voorlopig nog wel een wettig betaalmiddel blijft?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de burgers in Nederland geïnformeerd over deze tijdelijke voorziening die op 18 januari 2011 is ingegaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze zullen de burgers komende tijd over deze voorziening en de beperkte duur ervan geïnformeerd worden?
DNB heeft, meteen nadat de voorbereidingen voor de tijdelijke voorzieningen rond waren, op 17 januari 2011 een persbericht doen uitgaan, dat door diverse media is opgepikt. Ook door de media in het Caribische deel van het Koninkrijk en – getuige onder meer het in vraag 1 aangehaalde bericht – door Radio Nederland Wereldomroep is aan het openstellen van de tijdelijke voorziening aandacht besteed. In de berichtgeving in de media is ook het tijdelijke karakter van de voorziening genoemd, evenals de datum waarop de tijdelijke voorziening eindigt. Verder worden op de website van GWK/Travelex sinds 18 januari de aan- en verkoopkoersen van Antilliaanse guldens weer vermeld.
Daar DNB blijkbaar in overleg is met het ABN Amro-kantoor op Schiphol zodat de Antilliaanse gulden daar eveneens kan worden omgewisseld, waarom wordt er niet voor gekozen om de omwisseling mogelijk te maken bij andere vestingen van de ABN-Amro bank in het land?
Het betreft hier een commerciële afweging van ABN-Amro waar de overheid verder buiten staat. Op verzoek van de Tweede Kamer is een tijdelijke voorziening getroffen om het wisselen van Antilliaanse guldens mogelijk te maken en het is verder aan de banken om daarop al dan niet aan te sluiten. Daarbij speelt ook geen rol of de Staat aandeelhouder is in een bepaalde instelling.
Hoe kan het dat de Antilliaanse gulden vanaf 1 februari 2011 geen wettig betaalmiddel meer op de BES-eilanden is, maar dat tot op vandaag DNB nog werkt aan een regeling voor de omwisseling voor op de eilanden zelf? Wanneer kunnen we die regeling verwachten?
Mogelijk is hier sprake van een misverstand. De regeling die het mogelijk maakt om op de BES-eilanden na afloop van de duale periode (de periode waarin zowel met Antilliaanse guldens als dollars kan worden betaald) nog gedurende een aantal maanden Antilliaanse guldens om te wisselen, staat al in de vorig jaar tot stand gekomen Wet geldstelsel BES. Ook de periode waarvoor de omwisselmogelijkheid geldt, is reeds vorig jaar vastgesteld (koninklijk besluit van 15 december 2010; Stb. 832). Door DNB moesten echter nog de kantoren worden aangewezen, waar inwoners van de BES-eilanden voor de omwisseling van hun Antilliaanse guldens terecht kunnen. Het daartoe strekkende besluit is inmiddels op 18 januari 2011 door DNB vastgesteld en op 26 januari gepubliceerd (Besluit aanwijzing kantoren en nadere regels voor verwisseling van Nederlands-Antilliaanse guldens BES; Stcrt. 2011, 1178). In het besluit zijn de kantoren van de Belastingdienst Caribisch Nederland aangewezen, waarmee gewaarborgd is dat er op alle BES-eilanden een omwisselpunt is.
Het niet goed uitvoeren van onderzoek naar plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het onderzoek naar de doodsoorzaak van plotseling, onverwacht en onverklaarbaar overlijden van minderjarigen, dat sinds januari 2011 is verplicht, niet of niet goed wordt uitgevoerd?12
Ja. Het bericht is echter niet juist. De NODO-procedure is nog niet ingevoerd; er is dus geen sprake van een verplichting.
Wat betekent het in de praktijk, wanneer een arts contact met de gemeentelijke lijkschouwer moet opnemen maar bij twijfel verder onderzoek nog niet kan worden verricht volgens de in de wet vastgelegde procedure? Betekent dit, dat de gemeentelijke lijkschouwer in alle gevallen dan ook zelf zal schouwen en nader onderzoek zal verrichten?
Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts sinds 1 januari 2010 vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven óf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer.
Kunt u zich voorstellen dat het op dit moment, zonder NODO-procedure (Nader Onderzoek Doodsoorzaak), voor lijkschouwers onduidelijk is welke taak zij moeten uitvoeren? Zo ja, vindt u dit gewenst?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is alleen het contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer vanaf 1 januari 2010 een nieuwe taak. De beslissing die de lijkschouwer neemt na dit contact blijft dezelfde als voorheen. Bovendien is hierover zowel door het Rijk als door de betrokken artsenorganisaties voorlichting verstrekt.
Bij de invoering van de NODO-procedure zal bezien worden op welke wijze de gemeentelijk lijkschouwers voldoende toegerust kunnen worden voor de beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding van de NODO-procedure? Waarom is de NODO-procedure nog niet in werking getreden, waarom is er kennelijk vertraging opgetreden en wie is daarvoor verantwoordelijk, welke concrete stappen moeten er nog gezet worden en wanneer kan de NODO-procedure wel in werking treden?
In april 2010 heeft de KNMG een advies opgeleverd over de inrichting van de NODO-procedure. Aan de hand daarvan is in september 2010 door een extern adviesbureau een berekening van de uitvoeringskosten gemaakt. Daaruit blijkt dat de inrichting van de NODO-procedure, op de door de KNMG geadviseerde wijze, zeer hoge kosten met zich brengt. Ook komen er signalen uit de medische sector dat deze inrichting niet breed gedragen wordt als optimale organisatie van de NODO-procedure en worden er vanuit de sector alternatieven aangereikt.
Daarom overweeg ik op welke andere wijze de NODO-procedure op effectieve en efficiënte wijze kan worden ingericht. Een goed alternatief zou kunnen zijn om aan te sluiten bij een project dat TNO samen met de Universiteit Twente uitvoert inzake de preventie van kindersterfte. Daartoe wordt de haalbaarheid onderzocht van het installeren van speciale teams die een multidisciplinaire evaluatie uitvoeren in alle gevallen van het overlijden van een kind. Deze werkwijze wordt in de Angelsaksische landen ook wel aangeduid met de term «Child Death Review». In Engeland wordt voorafgaand aan deze multidisciplinaire evaluatie een onderzoek uitgevoerd dat de «Rapid Response» wordt genoemd. Deze «Rapid Response» heeft als doel om in korte tijd onderzoek te doen naar de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. De NODO-procedure heeft dezelfde doelstelling. Daarom wordt nu bekeken of het instellen van dergelijke mobiele «Rapid Response» teams in het kader van de uitvoering van de NODO-procedure een goede en effectieve werkwijze is.
Ik acht het van belang dat de NODO-procedure op korte termijn kan worden ingevoerd en streef er dan ook naar hierover spoedig een beslissing te nemen, in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welk ministerie is verantwoordelijk voor de hele procedure rondom de NODO? Welke minister of staatssecretaris is hiervoor verantwoordelijk?
De NODO-procedure valt onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Betrokkenheid van de Minister van VWS is echter onontbeerlijk gezien haar deskundigheid van het medische veld.
Klopt het dat de vertraging in de uitwerking van de NODO-procedure veroorzaakt wordt door onenigheid tussen overheid en de KNMG over de financiering? Zo ja, kunt u de standpunten van beide partijen nauwkeurig weergeven?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijke gevolgen kan het nog niet in werking treden van de NODO-procedure concreet hebben voor ouders van overleden minderjarigen en voor zorgverleners? Welk signaal kan er uitgaan van een verplichte melding bij onverwacht overlijden van een minderjarige, wanneer niet-natuurlijke dood niet met zekerheid kan worden uitgesloten, terwijl de vervolgprocedure nog niet gereed is?
Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Alleen het verplichte contact tussen behandelend arts en gemeentelijk lijkschouwer is nieuw sinds 1 januari 2010, verder is de procedure niet anders dan voorheen. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer. Dat is een verbetering ten opzichte van de oude procedure, toen de arts nog geheel zelfstandig een verklaring van overlijden kon afgeven en gevallen van mogelijk niet-natuurlijk overlijden soms onopgemerkt konden blijven. Er is dan ook bewust gekozen om het verplichte contact al op 1 januari 2010 van kracht te laten worden. Als een niet-natuurlijke dood vervolgens ook door de gemeentelijk lijkschouwer niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld.
Klopt het dat, zonder de NODO-procedure, vaker dan nodig een door justitie gelast onderzoek volgt, en dat dit een extra belasting vormt voor ouders die niets valt te verwijten? Zo ja, wat is uw mening hierover, en per wanneer wordt dit opgelost? Hoeveel door justitie gelaste onderzoeken hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden en met welke uitkomst?
Het Openbaar Ministerie heeft geen cijfers over het aantal onderzoeken dat door de officier van justitie wordt gelast in gevallen waarin de gemeentelijk lijkschouwer geen verklaring van (natuurlijk) overlijden kan geven bij het onverklaard overlijden van minderjarigen. Als de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden na de schouw als «onverklaard» beoordeelt, zal hij, totdat de NODO-procedure (die niet onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie plaatsvindt) in werking is getreden, contact opnemen met de officier van justitie.
Als er een redelijk vermoeden bestaat dat sprake is van een strafbaar feit kan de officier van justitie een gerechtelijke sectie gelasten die erop is gericht vast te stellen of een strafbaar feit tot het overlijden heeft geleid.
Bent u van mening dat op dit moment, wanneer de NODO-procedure eindelijk in werking is getreden, voldoende waarborg bestaat om te voorkomen dat gevallen van verwaarlozing of mishandeling van minderjarigen onopgemerkt blijven? Zo ja, bent u derhalve van mening dat (huis)artsen en andere zorgverleners over voldoende kennis en ervaring beschikken om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling in alle gevallen te herkennen? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe is dit te rijmen met de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het rapport over jeugdzorg?
Met de verplichting voor de behandelend arts het overlijden van een minderjarige te melden bij de gemeentelijk lijkschouwer en zijn bevindingen te toetsen, het toerusten van gemeentelijk lijkschouwers op een goede beslissing wel of geen NODO-team in te schakelen en het uitvoeren van de NODO-procedure zelf wordt de mogelijkheid om een niet-natuurlijke dood ten gevolge van verwaarlozing of mishandeling bij minderjarigen te herkennen mijn inziens voldoende gewaarborgd. Wat overigens geen garantie geeft voor het onopgemerkt blijven van genoemde gevallen in voorkomende situaties.
Zou het niet beschikbaar zijn van de NODO-procedure in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat behandelend arts en lijkschouwer eerder zullen overgaan tot het afgeven van een verklaring van natuurlijke dood, ook wanneer een niet-natuurlijke doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten? Zo nee waarom niet en hoe kunt u dit garanderen, gezien de huidige situatie? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Nee. Nu de NODO-procedure nog niet in werking is getreden is de procedure bij het overlijden van een minderjarige zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2. Met het verplichte contact worden de bevindingen van de behandelend arts bij iedere overleden minderjarige getoetst in een gesprek met de lijkschouwer.
Als een natuurlijke dood vastgesteld wordt, wordt een verklaring van overlijden afgegeven. Als er geen twijfel bestaat aan de natuurlijke aard van het overlijden, maar de doodsoorzaak onbekend is, bestaat de mogelijkheid tot het verrichten van neutraal medisch onderzoek naar de doodsoorzaak (de zogenaamd klinische obductie) indien de betrokken arts en de ouders dat belangrijk vinden. Als een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten kan worden, wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens, bij het vermoeden van een strafbaar feit, een gerechtelijke sectie gelasten.
Door de invoering van de NODO-procedure zullen gevallen van onverklaard overlijden bij minderjarigen nader onderzocht worden en zal een beter onderscheid gemaakt kunnen worden tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Tot die tijd geldt de hierboven genoemde procedure.
De toegenomen naleving van leeftijdsgrenzen voor games en films |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de leeftijdsgrenzen op games en films steeds beter worden gehandhaafd door bioscopen, speelgoedzaken en bibliotheken?1
Ja.
Deelt u de mening dat een dergelijk handhavingsniveau nimmer bereikt had kunnen worden met een strafrechtelijk verbod op gewelddadig beeldmateriaal? Zo nee, waarom niet?
De verbeterde naleving van de leeftijdsgrenzen van de Kijkwijzer voor films en PEGI voor games is tot stand gekomen dankzij een breed scala aan maatregelen die door de private en publieke partijen zijn overeengekomen. Zaken als de introductie van e-learning voor het winkelpersoneel over de betekenis van de (leeftijds)pictogrammen en communicatie over de wettelijke plicht tot naleving, zijn kracht bijgezet door controle op de naleving te intensiveren via de inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren. Een eventueel strafrechtelijk verbod op extreem gewelddadig beeldmateriaal staat los van de preventieve inspanningen om de naleving te verbeteren en zou alleen de verspreiding van een specifieke categorie beeldmateriaal voorkomen hebben.
Deelt u de mening dat de entertainmentbranche er blijkbaar steeds beter in slaagt om mogelijk gewelddadig beeldmateriaal uit handen te houden van te jonge spelers? Zo ja, welke voorlopige conclusies verbindt u hieraan voor de wenselijkheid om een verbod op gewelddadige games te introduceren?
Ik constateer dat de audiovisuele branche er steeds beter in slaagt jongeren te beschermen tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal en zich daarmee aan haar bij wet opgelegde verplichting houdt. Een pluim verdienen vooral de bioscopen, bibliotheken en speelgoedzaken met nalevingspercentages die inmiddels (ruim) boven de vijftig procent zitten. De slechte naleving door onder meer gameshops (28,6%, TNS-Nipo 2010) blijf ik zorgwekkend vinden, maar is voor mij thans geen aanleiding de invoering van een verbod op extreem gewelddadige games te overwegen.
Bent u bereid de voorbereiding van wetgeving die voorziet in een strafrechtelijk verbod op de openbaarmaking of verspreiding van extreem gewelddadige games, zoals in het vooruitzicht gesteld door uw ambtsvoorganger2, per onmiddellijke ingang te staken, nu blijkt dat de branche een substantiële vooruitgang heeft geboekt in de naleving van de gestelde leeftijdsgrenzen? Zo nee, waarom niet?
De toenmalige Minister van Justitie heeft ter uitvoering van de motie Van der Staaij c.s. de mogelijkheid en wenselijkheid van een strafrechtelijk verbod op de verspreiding van extreem gewelddadig beeldmateriaal verkend en de consequenties ervan voor de naleving, handhaving en effectiviteit in ogenschouw genomen. Bij brief van 28 juni 2010 heeft hij uw Kamer laten weten dat een dergelijk verbod juridisch mogelijk is en vanuit een oogpunt van bescherming van jongeren tegen schadelijke invloeden wenselijk kan zijn, mits dit verbod beperkt blijft tot een kleine categorie extreem gewelddadige games. Echter, vanwege de beperkte effectiviteit in termen van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid gaf hij er de voorkeur aan eerst de al ingeslagen weg te vervolgen om in samenwerking met de audiovisuele branches de naleving aan het einde van de distributieketen te verbeteren (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 684, nr. 279). Er zijn daarna geen voorbereidingen getroffen voor wetgeving die een verbod op extreem gewelddadige games mogelijk moet maken.
Vindt u een dergelijk verbod überhaupt wenselijk?
Ik constateer dat het beleid van verbetering en intensivering van de naleving van de leeftijdsgrenzen zijn vruchten afwerpt. Het lijkt mij verstandiger daarop in te zetten.
Deelt u de mening dat alle inspanningen erop gericht moeten zijn op het vangen van échte in plaats van virtuele boeven? Zo nee, waarom niet?
De geloofwaardigheid van de rechtsstaat is erbij gebaat, wanneer alle wet- en regelgeving serieus wordt genomen. Weliswaar worden vanuit capaciteitsoverwegingen prioriteiten gesteld in de opsporing en vervolging, maar dit ontslaat de overheid niet van de plicht om ook toe te zien op naleving van wetten die in sommiger ogen wellicht van geringer belang zijn. De bescherming van jongeren tegen voor hen schadelijk te achten beeldmateriaal is in diverse internationale overeenkomsten vastgelegd en bovendien in nationale wetgeving waaronder artikel 240a Sr verankerd. Ten slotte is de confrontatie op jonge leeftijd met gewelddadig beeldmateriaal geïdentificeerd als een risicofactor voor agressief gedrag. Dit betekent niet dat iedere jongere die geweldsbeelden ziet, zich agressief zal gaan gedragen, maar dat de kans daarop wel groter wordt. Ook vanuit preventieve overwegingen is het derhalve van belang dat deze bescherming door de overheid wordt geboden.
Slachtoffers die hulp moeten ontberen vanwege een falend computersystemen bij de politie |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie zet slachtoffer van misdrijf in de kou»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat door een falend computersysteem bij de politie slachtofferhulp in ongeveer 15 000 gevallen geen melding krijgt om hulp te verlenen aan slachtoffers?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd. Het invullen van deze vraag wordt in de praktijk echter niet altijd gedaan.
Zijn er stappen ondernomen om de slachtoffers alsnog de nodige hulp te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is het bekend of slachtoffers hierdoor benadeeld zijn? Op welke manier en hoe hebben betrokken slachtoffers hierop gereageerd?
Om ervoor te zorgen dat de gegevens van slachtoffers zoveel mogelijk worden doorgestuurd naar Slachtofferhulp Nederland zijn politiebreed handleidingen en instructies verspreid waarmee korpsen kunnen zorgen voor juiste invoer in het systeem. In veel regio’s zijn daarnaast maatregelen genomen om alsnog de slachtoffergegevens integraal aan Slachtofferhulp Nederland door te geven. Niettemin is er een onbekende groep slachtoffers, alsook getuigen van strafbare feiten of verkeersongevallen, waarvan de gegevens niet door de politie aan Slachtofferhulp Nederland ter beschikking worden gesteld. Een deel van deze groep meldt zich overigens zelf al bij Slachtofferhulp Nederland.
Zijn inmiddels alle slachtoffers benaderd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat u de politietop aanspoort of heeft aangespoord om (nood-)maatregelen te treffen? Zo ja, op welke wijze zal de politietop de problemen in het computersysteem verhelpen en op welke termijn? Als er kosten verbonden zijn aan het herstellen van de fout, wie moet die dragen?
Om ervoor te zorgen dat slachtoffers voortaan consequent slachtofferhulp krijgen aangeboden is het nodig dat standaard de gegevens van slachtoffers naar Slachtofferhulp Nederland worden doorgestuurd. Om te bezien of het standaard automatisch doorsturen van slachtoffergegevens naar Slachtofferhulp Nederland juridisch mogelijk is, heb ik laten onderzoeken of de Wet politiegegevens hieraan in de weg staat. Uit deze juridische analyse blijkt dat de Wet politiegegevens geen belemmeringen kent voor automatische doorverwijzing van alle slachtoffers aan Slachtofferhulp Nederland. De gegevens mogen ook worden doorgestuurd wanneer niet aan het slachtoffer is gevraagd of zijn gegevens mogen worden doorgegeven. Ik heb daarom aan de politie gevraagd om op zo kort mogelijke termijn een dergelijke 100%-doorverwijzing in het systeem in te voeren. De politieagent hoeft dan niet meer zelf in het systeem gegevens over het doorverwijzen in te voeren. Slachtoffers die geen prijs stellen op slachtofferhulp kunnen dat bij het eerste contact met Slachtofferhulp Nederland aangeven. Overigens behoudt de politie de ruimte om in individuele gevallen, bijvoorbeeld in geval van anonieme aangifte, de afweging te maken om slachtoffergegevens niet automatisch naar Slachtofferhulp Nederland door te laten sturen.
Daarnaast zijn er personen die niet zelf rechtstreeks slachtoffer zijn maar wel voor slachtofferhulp in aanmerking komen (bv. omstanders). De politieagent dient dit expliciet in het systeem aan te geven. Ik heb daarom aan de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn en in alle korpsen.
Klopt het dat u hoge prioriteit stelt aan slachtofferhulp? Zo ja, waaraan kunnen wij deze hoge prioriteit herkennen? Welk beleid is daaraan gekoppeld?
Ik geef hoge prioriteit aan het versterken van de positie van slachtoffers in het strafproces en aan de hulp die slachtoffers daarbij nodig hebben. Samen met Slachtofferhulp Nederland werk ik daarom continu aan het verbeteren van de uitvoering van de slachtofferhulp en aan het leveren van maatwerk. Andere maatregelen ter versterking van de positie van slachtoffers zijn bijvoorbeeld de OM-aanwijzing over zelfverdedigers, die voorschrijft dat zelfverdedigers in de regel niet als verdachte worden aangehouden, het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb waarmee het spreekrecht wordt uitgebreid en het in het regeerakkoord aangekondigde wetsvoorstel om conservatoir beslag ten behoeve van slachtoffers mogelijk te maken.
Hoe komt het dat een aantal korpsen het probleem hebben gesignaleerd en eigenstandig het probleem hebben opgelost maar geen sprake was van een korpsbrede coördinatie en aanpak?
Politiebreed zijn handleidingen en instructies verspreid waarmee korpsen kunnen zorgen voor juiste invoer in het systeem. Een aantal korpsen heeft in de afwegingen rond inzet van capaciteit niet gekozen voor het intensiveren van de inzet op de doorverwijzing. Ik heb de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn, in alle korpsen.
Het rapport 'Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet' |
|
Arjan El Fassed (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen in het rapport «Vrij Verkeer: Nederlandse wapendoorvoer onder de Algemene Douanewet» van de Campagne tegen Wapenhandel»?1
Ja.
Klopt het dat ongeveer 98 procent van de aangemelde doorvoer zonder controle door mag, omdat de oorsprong of bestemming van de strategische goederen een EU of NAVO-land is?
Nee. Er is in beginsel controle op alle doorvoer van militaire goederen, tenzij het om verplaatsingen van het eigen materieel van de NAVO-partners gaat. Voor handelstransacties via Nederlands grondgebied geldt altijd een vergunningplicht of een meldplicht. Een meldplicht is van toepassing als er sprake is van een doorvoer van of naar een bondgenoot, te weten andere EU-lidstaten, NAVO-partners of Zwitserland, Australië, Nieuw-Zeeland of Japan, en een vergunningplicht is van toepassing in alle andere gevallen. Doorvoer naar bondgenoten wordt vervolgens doorgelaten als er geen aanwijzingen zijn dat de goederen naar een andere bestemming worden verscheept, en bij doorvoer vanuit bondgenoten wordt gekeken of de betreffende bondgenoot een uitvoervergunning heeft afgegeven voor de bestemming van de goederen. Als dat laatste het geval is, toetst Nederland die doorvoertransactie niet nog eens zelf, maar wordt de toetsing door de betreffende bondgenoot gerespecteerd. Wel is het zo dat in de praktijk de overgrote meerderheid van de doorvoertransacties onder een uitvoervergunning van een bondgenoot plaatsvindt en dat dus meer dan 90% van de doorvoer van militaire goederen niet aan een eigen Nederlandse toetsing wordt onderworpen.
Is het waar dat in de periode die beschreven wordt in het rapport, niet een keer een ad hoc vergunningsplicht is opgelegd? Zo nee, in welke geval, met welke type strategische goederen en voor welke bestemming en oorsprong was dat het geval?
Ja. De mogelijkheid om de ad hoc vergunningplicht op te leggen is bij het introduceren van de standaardvergunningplicht voor zendingen van niet-bondgenoten naar niet-bondgenoten in 2008 verbreed, om bij een doorvoerzending die afkomstig is van een bondgenoot in te kunnen grijpen als de exportcontrole van die bondgenoot ontlopen lijkt te worden. Dat kan het geval zijn als bij doorvoer blijkt dat er geen door de bondgenoot afgegeven uitvoervergunning getoond kan worden of als de bestemming van het uitgaande vervoersmiddel niet te rijmen is met de bestemming op zo’n uitvoervergunning. Dat heeft zich in de in het rapport beschreven periode niet voorgedaan.
Klopt het dat op 4 november 2008, in de Rotterdamse haven, een vracht van 20 000 Tjechische automatische geweren zijn aangemeld met bestemming Sri Lanka?
Ja.
Acht u de kans groot dat Nederland voor een zelfde vracht in dezelfde periode een exportvergunning zou hebben verleend? Kunt u dit toelichten?
Ik acht de kans niet groot, maar dit concrete geval heeft Nederland niet getoetst. Nederland was in die periode buitengewoon terughoudend in het toekennen van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka. Er was geen sprake van een wapenembargo. Derhalve werd elke aanvraag op eigen merites getoetst, onder andere met inachtneming van de eindgebruiker en het eindgebruik.
Waarom is gezien de situatie die wordt geschetst in uw antwoord op eerdere Kamervragen2 niet overwogen om contact op te nemen met de Tjechische autoriteiten of een ad hoc vergunningsplicht op te leggen, gezien de ernst van de interne situatie en het risico op schendingen van mensenrechten?
Bij doorvoerzendingen uit een andere EU-lidstaat, NAVO-partner of vergelijkbare bondgenoot, moet het bewijs worden geleverd dat de bondgenoot een vergunning heeft afgegeven. Als dat het geval is, wordt die uitvoervergunning gerespecteerd.
Indien de vergunning ontbreekt, of het vermoeden bestaat dat er een omleidingsrisico is en dat de goederen niet bij de vermelde eindgebruiker zullen terechtkomen, dan zal de Douane een melding doorgeven aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en zal aldaar in overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken besloten worden of een consultatie met de verschepende bondgenoot en/of een ad hoc vergunningplicht geboden is.
Is er in 2008, 2009 of 2010 contact geweest met de Tjechische autoriteiten over de doorvoer van wapens naar Sri Lanka? Zo ja, heeft u de Tjechische autoriteiten ofwel bilateraal ofwel in Europees verband aangesproken over deze doorvoer van wapens naar Sri Lanka?
Nee. Na 4 november 2008 heeft er ook geen doorvoer van militaire goederen vanuit Tsjechië naar Sri Lanka meer plaatsgevonden.
Hoe beoordeelt u «denials» voor exportvergunningen aan Suriname maar het gebrek aan beperkingen op doorvoer via Nederland naar Suriname? Kunt u dit toelichten?
In Nederland ligt het omleidingsrisico ten grondslag aan alle afgewezen exportvergunningen voor Suriname. De afgewezen aanvragen gaan immers altijd om de uitvoer van losse vuurwapens naar particulieren of naar wapenhandelaren in Suriname, waarbij Nederland kijkt naar de «bekendheid en goede naam» van de schietvereniging waar de betreffende ontvanger lid van is, of naar de «bekendheid en goede naam» van de betreffende handelaar. Als daar onduidelijkheid over bestaat, dan acht Nederland het omleidingsrisico te groot. Overigens komt het regelmatig voor dat informatie over de schietvereniging en/of de handelaar wel voldoet aan de Nederlandse eisen. Dan wordt er een vergunning afgeven, nadat een bewijs is ontvangen dat de Surinaamse autoriteiten geen bezwaar hebben tegen de invoer van het betreffende wapen.
In het geval van doorvoer naar Suriname geldt, zoals in alle doorvoergevallen, dat Nederland erop vertrouwt dat bondgenoten een volledige toetsing uitvoeren. Nederland wenst deze toetsing niet over te doen. Hierbij wordt benadrukt dat het omleidingsrisico een toetsingsgrond is voor al onze bondgenoten. Is het land van herkomst geen bondgenoot, dan geldt een Nederlandse vergunningplicht en toetst Nederland zelf.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen een «denial» voor wapendoorvoer naar Ecuador van Servië en het gebrek aan beperkingen voor Tjechische doorvoer naar Ecuador? Kunt u dit toelichten?
Servië is geen bondgenoot van Nederland en heeft zich – ondanks het Servische alignment met Gemeenschappelijk Standpunt – niet gecommitteerd aan de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Derhalve is bij doorvoer van militaire goederen vanuit Servië door Nederland sprake van een vergunningplicht van de Nederlandse autoriteiten. Als EU-lidstaat is Tsjechië juridisch gebonden aan de onvoorwaardelijke toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (in december 2008 aangenomen en voorheen een EU Gedragscode).
Fraude met voorlopige teruggaaf |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het tegengaan van fraude met Voorlopige Teruggaaf (VT) tot de beleidsprioriteiten van de Belastingdienst hoort in 2011?1
Ja. Ook in 2010 was dit het geval.
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren verschillende gevallen van grote fraude met VT’s aan het licht zijn gekomen in combinatie met identiteitsfraude?2 En dat hierbij vaak gebruik werd gemaakt van mensen in een kwetsbare positie zoals buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering, dat wil zeggen mensen van wie zeer moeilijk terugvordering plaatsvindt bij geconstateerde fraude? Hoe groot is het bedrag van geconstateerde fraude met de voorlopige teruggave geweest in 2007, 2008, 2009 en 2010?
In de afgelopen jaren zijn enkele fraudegevallen behandeld door de strafrechter waarbij o.a. sprake was van fraude met VT’s in combinatie met identiteitsfraude. Deze vorm van fraude is één van de verschijningsvormen van hetgeen nu aangeduid wordt met de term «systeemfraude». Hieronder wordt verstaan elke poging tot het laten uitbetalen door de Belastingdienst van een bedrag dat is gebaseerd op gefingeerde gegevens. Wanneer na verloop van tijd de definitieve aanspraak wordt vastgesteld blijkt dat de «rechthebbende» niet of moeilijk in staat is het te veel of ten onrechte betaalde terug te betalen of dat de voorlopige betaling is uitbetaald aan iemand die heeft gemanipuleerd met de fiscale identiteitgegevens van de aanvrager. Systeemfraude in combinatie met ID-fraude – dan «profiteert» een ander dan de aanvrager – komt aanzienlijk minder vaak voor dan systeemfraude waarbij geen ID-fraude wordt gepleegd en waarin de aanvrager zelf – in ieder geval voor een aanzienlijk deel – «profiteert».
Het is juist dat deze fraude vaak voorkomt bij mensen die in een kwetsbare positie zitten of geen ervaring hebben met het fenomeen voorlopige teruggave in die zin dat aan hen niet duidelijk wordt gemaakt dat na verloop van tijd moet worden «afgerekend». In veel gevallen blijkt dan ook nog dat de aanvragers «provisie» hebben betaald aan degenen die namens hen de aanvraag hebben ingediend. Terugvordering van de ten onrechte betaalde voorlopige teruggaaf is in deze gevallen inderdaad moeilijk.
Het fenomeen «systeemfraude» is in de afgelopen jaren toegenomen en daarom heeft de Belastingdienst in 2009 de inzet op het voorkomen en bestrijden ervan geïntensiveerd en geconcentreerd. Om die reden zijn vanaf medio 20093 gegevens apart bijgehouden over de omvang van deze fraude. Gegevens over eerdere jaren zijn niet beschikbaar. Bovendien zijn alleen de gegevens beschikbaar over de gehele periode, uitsplitsing over 2009 en 2010 is niet mogelijk. Dit levert het volgende beeld op.
Het aantal signalen van systeemfraude dat tot nu toe in dat kader is onderzocht bedraagt 29 000. Ruim 16 000 signalen zijn op dit moment in onderzoek. Het bedrag aan teruggaven dat op deze totaal 45 000 gevallen betrekking heeft, is ca. € 135 miljoen. Het beleid om de controle «aan de poort» te versterken heeft ertoe geleid dat uitbetaling van een totaalbedrag ter grootte van ca. € 90 miljoen is «tegengehouden». Ca. € 45 miljoen is ten onrechte wel uitbetaald. Zoals hiervoor aangegeven, worden ten onrechte uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Dit vindt plaats in het reguliere invorderingsproces waarover extracomptabel geen bestuurlijke informatie wordt bijgehouden. Het genoemde bedrag van € 45 miljoen is dus een maximum bedrag. Het uiteindelijke «schadebedrag» (ten onrechte uitgekeerde teruggaven die niet kunnen worden ingevorderd) zal lager zijn.
Omdat ik wil weten in hoeverre de aanpak van deze fraude succesvol is heb ik de Belastingdienst opgedragen de invordering van deze fraudeposten apart te monitoren, zodat in beeld kan worden gebracht hoe groot het uiteindelijke schadebedrag is.
Indien iemand een VT invult met bijvoorbeeld een nieuwe claim tot aftrek van hypotheekrente, is het dan mogelijk om te controleren of die persoon ook daadwerkelijk een hypotheekschuld heeft of is de omvangrijke automatisering van de Belastingdienst daartoe nog niet in staat?
Het is wel mogelijk om vooraf te controleren of er sprake is van een hypotheekschuld, maar dit is geen geautomatiseerde controle. Het inbouwen van een dergelijke controle vereist een ingrijpende aanpassing van de systemen van de Belastingdienst en ook een ingrijpende wijziging in de aanlevering van gegevens door geldverstrekkers.
Heeft de Belastingdienst een mechanisme waarbij vooral grote persoonsgebonden aftrekposten zoals giften, buitengewone uitgaven en studiekosten ook vooraf getoetst worden of worden zij slechts achteraf gecontroleerd?
Vanwege de aard van de persoonsgebonden aftrekposten is het niet mogelijk deze anders dan marginaal vooraf te toetsen nadat een verzoek om een voorlopige teruggaaf is ingediend. Extra controles vooraf leiden ertoe dat het langer gaat duren voordat een teruggaaf wordt toegekend.
Is de belastingdienst in staat om middels de polisadministratie een goede schatting te maken of het opgegeven bedrag aan geschatte loonbelasting ongeveer klopt? En kan zij dat bijvoorbeeld halverwege het jaar de VT-uitbetaling stopzetten als er een grote discrepantie is tussen de bij de VT opgegeven loonbelasting en de afgedragen loonbelasting?
Bij het beoordelen van een verzoek tot voorlopige teruggaaf geldt als uitgangspunt het daarin aangegeven loon. Bij substantiële afwijkingen wordt de aanvraag niet zonder meer gehonoreerd, maar vindt nader onderzoek plaats. Dan fungeert de informatie uit de polisadministratie als contra-informatie. Dit is een controle die niet automatisch plaatsvindt.
Welke maatregelen heeft u genomen en welke maatregelen gaat u nemen om VT-fraude, al dan niet in combinatie met identiteitsfraude te voorkomen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen, zoals de groepen genoemd in vraag 2, beter beschermd worden?
De in vraag 2 bedoelde «kwetsbare groepen» zijn in veel gevallen niet alleen als «slachtoffer» aan te merken, maar ook als dader. Zij werken eraan mee dat met hun gegevens ten onrechte aanvragen voor een teruggaaf worden ingediend. In veel gevallen zal er bij de «slachtoffers» ook sprake zijn van in ieder geval een vermoeden dat deze werkwijze niet correct kan zijn. Aanvragen uit dergelijke groepen worden waar mogelijk extra goed beoordeeld voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Daarnaast probeert de Belastingdienst in contact te komen met organisaties die ervaring hebben met buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering met de bedoeling dat die organisaties deze groepen ervoor waarschuwen niet in zee te gaan met belastingadviseurs die een snelle uitbetaling van de fiscus «aanbieden».
Er zijn, zoals hiervoor al opgemerkt, al veel concrete maatregelen ingevoerd om systeemfraude «aan de poort» te onderkennen waardoor veel pogingen tot het doen van onterechte aanvragen worden ontdekt en uitbetaling wordt voorkomen. Vanwege het strategische karakter van deze maatregelen is het niet opportuun om ze concreet te noemen.
Ten onrechte uitbetaalde bedragen worden altijd teruggevorderd en als er sprake is van een vorm van georganiseerde criminaliteit wordt de FIOD ingeschakeld die ter zake proces-verbaal opmaakt. Het openbaar ministerie vervolgt de daders. Diverse verdachten zijn in de afgelopen maanden veroordeeld in sommige gevallen tot forse gevangenisstraffen.
Binnen de Belastingdienst wordt deze fraude in samenhang met soortgelijke fraude bij andere middelen en toeslagen geconcentreerd aangepakt. In totaal zijn ongeveer 150 medewerkers bezig met deze taak.
De Belastingdienst werkt ook samen met Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude. Dit meldpunt neemt contact op met de Belastingdienst na een melding van ID-fraude – waarbij de identiteitsgegevens van een andere persoon worden gebruikt zonder dat die ander daarvan op de hoogte is – die mogelijk ook betrekking heeft op belastingen of toeslagen.
Ik heb de Belastingdienst opgedragen de aanpak van deze fraude hoog op de agenda te houden en nog meer in te zetten op het voorkomen ervan via controle aan de poort. Ik ben me ervan bewust dat dit kan leiden tot aanpassingen in de systemen en processen, hetgeen kosten met zich mee brengt en ook het niveau van dienstverlening negatief kan beïnvloeden. Naar mijn overtuiging is dit alleszins gerechtvaardigd wanneer daarmee deze brutale fraude kan worden ingedamd.
Ik beraad mij op dit ogenblik nog op het nemen van aanvullende maatregelen, mogelijk ook in de wetgeving. Daarbij staat bij mij voorop dat goedwillende burgers – het overgrote deel van de belastingplichtigen – hier zo weinig mogelijk van moeten merken. Ondanks dat uitgangspunt zal dat toch niet helemaal uitgesloten kunnen worden.
Over enkele weken zal ik u een brief doen toekomen waarin ik meer gedetailleerd zal ingaan op de genomen en te nemen maatregelen.