De btw-vrijstelling voor het beroepsonderwijs |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jack Biskop (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat per 1 juli 2010 de btw-vrijstelling voor het beroepsonderwijs – middels een wijziging van artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 – is gewijzigd?
Ja.
Heeft u vernomen dat deze wijziging er toe heeft geleid dat er onduidelijkheid is ontstaan over de omzetbelastingverplichtingen van gastdocenten die worden ingehuurd door een erkende – van BTW vrijgestelde – onderwijsinstelling? Bent u bereid duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer en onder welke voorwaarden dergelijke gastdocenten belastingplichtig zijn voor de BTW?
Omdat de wijziging in de BTW-regelgeving per 1 juli 2010 uitsluitend betrekking heeft op het niet wettelijk erkende beroepsonderwijs is mij niet bekend dat die wijziging aanleiding is geweest voor onduidelijkheid over de omzetbelastingverplichtingen van zelfstandig werkende docenten/gastdocenten in het wettelijk erkende beroepsonderwijs.
Zelfstandig werkende docenten/gastdocenten kunnen met vrijstelling van BTW onderwijs verzorgen aan onderwijsinstellingen die wettelijk erkend onderwijs verzorgen, mits dat onderwijs is ontleend aan het onderwijs dat de onderwijsinstelling zelf verstrekt (de docent neemt als het ware een stukje onderwijs van de onderwijsinstelling over).1
Als geen sprake is van een dergelijke onderwijsinstelling dan kan de zelfstandig werkende docent/gastdocent zich aanmelden bij het RKBO (Register Kort Beroeps Onderwijs). Als is voldaan aan een bepaalde kwaliteitscode dan wordt de zelfstandig werkende docent/gastdocent ingeschreven in het register en geldt een vrijstelling van BTW voor al het door de docent verzorgde beroepsonderwijs. Voor de zelfstandig werkende docent/gastdocent geldt een lichtere audit dan voor de onderwijsinstelling die rechtstreeks voor eigen rekening en risico beroepsonderwijs verstrekt. Indien de docent daarnaast echter voor eigen rekening en risico overeenkomsten sluit voor het verstrekken van beroepsonderwijs en dus tevens optreedt als «onderwijsinstelling», kan voor inschrijving in het RKBO niet worden volstaan met een lichte audit maar dient, net als bij andere onderwijsinstellingen, een algemene audit plaats te vinden. Aldus wordt elke onderwijsinstelling die rechtstreeks beroepsonderwijs verstrekt gelijk behandeld en wordt ook in gevallen waarin een zelfstandig werkende docent (tevens) voor eigen rekening en risico beroepsonderwijs verstrekt, de kwaliteit van dat onderwijs gewaarborgd.
Deelt u de mening dat deze vrijstelling zo ruim mogelijk vastgesteld dient te worden, als mogelijk binnen de Europese regelgeving, omdat anders het beroepsonderwijs totaal ontmoedigd wordt om ervaren mensen en mensen die actief hun vak uitoefenen, als docent aan te trekken en te behouden?
Ja, bij de btw-vrijstelling voor het wettelijk erkende beroepsonderwijs en bij die voor het niet wettelijk erkende beroepsonderwijs wordt de binnen de Europese kaders bestaande ruimte reeds benut.
De uitbreiding van het Amerikaanse oliebedrijf NuStar op Sint Eustatius |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Amerikaanse oliebedrijf NuStar, dat nu op Sint Eustatius 58 tanks heeft staan (voor 13 miljoen vaten olie), zijn bedrijf met 25 tot 40 tanks wil uitbreiden?1
Ja. Daartoe heeft het bedrijf NuStar op 16 mei 2010 zijn uitbreidingsplannen in een document uiteengezet. Vervolgens heeft het bedrijf op 1 juli vorig jaar zijn plannen mondeling in Den Haag toegelicht. Ook is sprake van contacten tussen NuStar en het Netherlands Foreign Investment Agency van het ministerie van EL&I over de door het bedrijf voorgenomen investering op Sint Eustatius. Echter, het bedrijf heeft nog geen officieel verzoek tot uitbreiding ingediend bij het eilandbestuur van Sint Eustatius of de rijksoverheid.
Welke percentage van de oppervlakte van het eiland Sint Eustatius wordt nu ingenomen door NuStar? Hoeveel procent zal dat – bij benadering – na de uitbreiding zijn? Deelt u de angst dat Sint Eustatius steeds meer onderdeel wordt van NuStar, in plaats van andersom? Deelt u mijn opvatting dat we in de toekomst beter kunnen spreken van Sint NuStar?
NuStar bezit momenteel circa 10–15% van de oppervlakte van het eiland Sint Eustatius. Daarvan is circa 5% bebouwd met ruim 50 opslagtanks en bijbehorende gebouwen (pomphuizen, leidingstraten, werkplaatsen en kantoren). Met de voorgenomen uitbreiding van het aantal tanks zal nog eens circa 3–5% van het eiland worden bebouwd. Het beoogde terrein is reeds in eigendom van NuStar. Indien de uitbreiding van NuStar wordt gerealiseerd zoals thans door dit bedrijf beoogd, zal NuStar in totaal 8–10% van het eiland in gebruik nemen als op- en overslagterrein.
Bij het voorgaande moet worden bedacht dat het eilandbestuur van Sint Eustatius zelf bepaalt in welke richting het eiland zich (verder) dient te ontwikkelen. Daartoe heeft het in 2010 een strategische visie opgesteld, waarin ondermeer natuur, toerisme, werkgelegenheid en gezondheidszorg de nodige aandacht krijgen.
Betekent een eventuele uitbreiding van NuStar op Sint Eustatius ook een uitbreiding van de speciale fiscale zone?
De minister van Financiën is op grond van artikel 5.2 van de Douane- en accijnswet BES bevoegd, nadat het bestuur van het desbetreffende lichaam is gehoord, om handels- en dienstenentrepots in te stellen binnen het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Via hoofdstuk II, artikel VIII van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES zijn de oude, onder Nederlands-Antilliaanse wetgeving tot stand gekomen economische zones aangemerkt als handels- en dienstenentrepot. Voor zover de uitbreiding van NuStar plaats kan vinden binnen de huidige begrenzing van het op Sint Eustatius gesitueerde handels- en dienstenentrepot, is geen uitbreiding nodig van gebied waarop de fiscale bepalingen inzake het handels- en dienstenentrepot van toepassing zijn. Voor zover de door NuStar geplande uitbreiding niet binnen de huidige begrenzing van het handels- en dienstenentrepot kan worden gerealiseerd, zal aan de minister van Financiën moeten worden verzocht het huidige handels- en dienstenentrepot uit te breiden.
Hoeveel van de verwachtte 40 arbeidsplaatsen die zouden ontstaan bij de voorgenomen uitbreiding van NuStar op Sint Eustatius zullen ook werkelijk worden ingevuld door bewoners van Sint Eustatius?
Zoals hiervoor opgemerkt, heeft NuStar nog geen officieel verzoek tot uitbreiding bij de lokale overheid of de rijksoverheid ingediend. Zodra dit wel het geval is, zal dit verzoek moeten worden beoordeeld. Hierbij moeten het eilandbestuur en de rijksoverheid nauw samenwerken. Het eilandbestuur is eerstverantwoordelijk voor zaken als de economische ontwikkeling, het toerisme, de werkgelegenheid, de ruimtelijke ontwikkeling en de natuur op het eiland. De rijksoverheid ziet er vooral op toe dat een bedrijf als NuStar voldoet aan alle eisen op het gebied van milieu, externe veiligheid, scheepvaart, luchtvaart, etc. en dat het bedrijf alle benodigde vergunningen heeft of verkrijgt. Hierbij komt dat gezien de verantwoordelijkheid van het eilandbestuur voor de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Sint Eustatius, in de eerste plaats het eilandbestuur moet afwegen of de baten en de lasten van een eventuele uitbreiding tegen elkaar opwegen. Hierbij zullen werkgelegenheid en toerisme een belangrijke rol spelen.
Vooruitlopende op de komende gesprekken met NuStar is het op dit moment nog te vroeg voor prognoses voor de ontwikkeling van (indirecte) werkgelegenheid en de lokale invulling daarvan bij een eventuele uitbreiding. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het toerisme.
Wat betekenen de plannen voor uitbreiding van NuStar op Sint Eustatius voor het toerisme op het eiland? Hoeveel geld en werkgelegenheid zal het eiland mislopen omdat toeristen in de toekomst Sint NuStar zullen mijden?
Zie antwoord vraag 4.
Aan welke milieueisen moet een eventuele uitbreiding van de olieopslag door NuStar op Sint Eustatius voldoen?
Alvorens NuStar een aanvraag om vergunning kan indienen zal een Milieu Effect Rapportage (MER) moeten worden opgesteld; hierin zullen alle effecten op het milieu moeten worden beschreven. Ook zal er vooraf een Milieu Risico Analyse (MRA) moeten worden opgesteld om eventuele gevolgen voor het milieu te beoordelen. Daarnaast zal het bedrijf een Veiligheidsrapportage (VR) moeten opstellen om alle gevaren voor de omgeving in beeld te brengen. Op basis van de aanvraag zal een beschikking worden opgesteld, waarin voorschriften worden opgenomen die vergelijkbaar zijn met de normering in het Europees deel van Nederland. Tevens is voor Caribisch Nederland met de vaststelling van de Wet VROM BES het uitgangspunt Best Bestaande Technieken (BBT) van toepassing geworden. De voor de opslag van olie geldende Nederlandse richtlijn (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PGS 29) zal onverkort in de vergunning moeten worden opgenomen. Ook de voorschriften uit de EU-richtlijnen (IPPC-Reference Document on Best Available Techniques on Emissions from Storage, juli 2006) zullen – voor zover toepasbaar – worden opgenomen in de milieuvergunning.
Hoe zijn de bewoners betrokken bij de plannen voor uitbreiding van de olieopslag door NuStar op Sint Eustatius?
NuStar heeft begin november 2010 een «townhallmeeting» op Sint Eustatius gehouden, waar het bedrijf zijn uitbreidingsplannen aan de bevolking heeft toegelicht. De eilandbewoners zijn daarbij in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan het bestuur van Sint Eustatius en aan de directie van NuStar. Het ligt voor de hand dat wanneer NuStar een formeel verzoek tot uitbreiding heeft ingediend, de voors en tegens hiervan worden besproken met de bevolking. Hiertoe kan de eilandoverheid samen met de rijksoverheid een «townhallmeeting» organiseren.
In het kader van de eventueel te verlenen vergunningen bestaan voor bewoners uiteraard de gebruikelijke mogelijkheden voor bezwaar en beroep.
Bent u bereid een referendum te houden onder de bewoners van Sint Eustatius over eventuele uitbreiding van NuStar?
Zoals hierboven beschreven, vindt de besluitvorming over eventuele uitbreiding van NuStar primair plaats op eilandniveau. Het eilandbestuur van Sint Eustatius is vrij om een referendum over dit onderwerp te organiseren. De uitslag hiervan kan het bestuur vervolgens meenemen in de besluitvorming. Het ligt niet voor de hand dat de rijksoverheid een referendum over dit onderwerp organiseert binnen het openbaar lichaam.
Wat vindt u van de activiteiten van de Sint Eustatius Business Association, die met fiscale argumenten, zoals het ontbreken van winstbelasting en invoerrechten, Nederlandse bedrijven naar het eiland probeert te lokken? Welke soort bedrijven zouden zich op het eiland Sint Eustatius moeten vestigen?
Op zich genomen, zijn degelijke activiteiten van de Sint Eustatius Business Association (STEBA), gericht op de verbetering van de sociaal-economische structuur van Sint Eustatius, zeer welkom – dit uiteraard mits ook STEBA daarbij blijft uitgaan van de voor Caribisch Nederland geldende wet- en regelgeving waaronder de fiscale regelgeving. Afgezien hiervan, is het allereerst aan het desbetreffende bedrijf zelf om een antwoord te geven op de vraag of het zich op Sint Eustatius wil vestigen. Daarbij zal dit bedrijf van de wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden van vestiging moeten uitgaan; hierbij kan worden gedacht aan eventuele van toepassing zijnde de vergunningverleningprocedures.
Wat betreft het acquisitiebeleid niet alleen van STEBA, maar vooral ook van het desbetreffende lokaal bestuur, is van belang, dat op dit moment in opdracht van het ministerie van EL&I en met instemming van het Bestuurscollege van Sint Eustatius een onderzoek wordt gedaan naar de (sociaal-) economische ontwikkelings-mogelijkheden van het eiland en naar de mogelijkheden het ondernemersklimaat op Sint Eustatius te verbeteren. Van het onderzoek maakt het schrijven van een plan van aanpak deel uit. Na afronding van het onderzoek uiterlijk in de eerste helft van april a.s. zullen de onderzoeksresultaten aan in de eerste plaats het bestuur van Sint Eustatius ter hand worden gesteld. Vervolgens staan deze resultaten het bestuur volledig ten dienste om het attractieve vestigingsklimaat van zijn eiland onder de aandacht van het bedrijfsleven in onder meer het Europese deel van Nederland te brengen.
Wat betekent de komst van alle bedrijven naar Sint Eustatius voor de leefbaarheid van het eiland? Deelt u de angst dat Sint Eustatius een Caribisch bedrijventerrein wordt?
Vooralsnog is NuStar het enige industriële complex op Sint Eustatius. Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat er zich andere grote bedrijven zullen vestigen op het eiland. Daarvoor is immers geen ruimte beschikbaar.
NuStar heeft laten weten bereid te zijn bij de uitbreiding zo veel mogelijk rekening te houden met natuur en landschap. Desondanks zal de uitbreiding een belangrijke stempel drukken op het karakter van Sint Eustatius. Aan de veiligheid van bewoners van Oranjestad worden geen concessies gedaan. De voor Nederland geldende veiligheidscontouren zullen derhalve ook voor NuStar gaan gelden. Compensatiemaatregelen zullen de leefbaarheid van de Statianen ten goede komen. De uitbreiding van NuStar zal leiden tot een flinke uitbreiding van bedrijfsterrein op Sint Eustatius. Echter, gezien de overige bestemmingen (wonen, natuurgebied, krater, toeristische kustzone) is de aanduiding «Caribisch bedrijventerrein» voor Sint Eustatius niet terecht.
De stijging van parkeertarieven met twintig procent |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Hoe classificeert u het feit dat parkeertarieven in twee van de drie grote steden met twintig procent zijn gestegen?1
Heeft u de motie-Dijksma, waarin u wordt verzocht in overleg te treden met lokale overheden en particuliere eigenaren van parkeergelegenheden teneinde afspraken te maken over eerlijk betalen en betaalgemak, al uitgevoerd?2 Zo niet, geeft de berichtgeving over de enorme stijging van de parkeertarieven dan aanleiding om dit op zeer korte termijn te doen?
Zijn er volgens u gronden denkbaar waarop deze stijgingen volgens u te rechtvaardigen zijn? Zo ja, welke? Zo niet, welke actie gaat u dan ondernemen om onrechtvaardige stijging van parkeertarieven te bestrijden?
Het bericht dat drie bestuurders van de Hogeschool Van Hall Larenstein kapitalen verdienen voor nog geen drie uurtjes werken per week |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 24 mille voor drie uurtjes werk»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het onacceptabel is dat bestuurders van hogescholen zo buitensporig worden beloond uit belastinggelden? Zo nee, waarom niet?
Wageningen UR bestaat uit drie zelfstandige organisaties: Wageningen Universiteit (WU), Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) en Hogeschool Van Hall-Larenstein (VHL). De Raden van Bestuur en de Raden van Toezicht van deze drie zelfstandige organisaties bestaan uit dezelfde personen. Wageningen UR vormt door deze personele unie een bestuurlijke entiteit. In het kader van het beloningsbeleid worden de drie zelfstandige organisatie als één organisatie beschouwd. Hiermee is sprake van bestuurlijke efficiency, omdat vanuit één en hetzelfde bestuur drie zelfstandige organisaties worden aangestuurd.
De bezoldiging van de leden van de Raad van Bestuur van Wageningen UR wordt toegerekend aan de drie genoemde rechtspersonen naar rato van de omzet. Dit staat los van de hoeveelheid tijd die de leden van de Raad van Bestuur aan de individuele instellingen besteden.
De wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) is nog niet in werking getreden en het voorstel ligt op dit moment ter behandeling in de Tweede Kamer. Vooruitlopend op de WNT heeft de toenmalige minister van LNV, in afstemming met de Minister van OCW, in 2010 afspraken met de Raad van Toezicht gemaakt over de hoogte en de afbouw van het salaris van de huidige bestuurders van Wageningen UR, en dus ook die van VHL. Het is immers de Raad van Toezicht die primair verantwoordelijkheid draagt voor de benoeming en beloning van de bestuurders van de instellingen.
Deze afspraken zijn aan uw Kamer medegedeeld door de toenmalige minister van LNV tijdens het vragenuur van 9 maart 2010, naar aanleiding van vragen van het lid Jasper van Dijk (SP).
In mijn brief van 28 januari 2011, in navolging van OCW, heb ik alle Raden van Toezicht van het Groen Onderwijs, waaronder die van Wageningen UR, op de hoogte gesteld van het besluit dat vanaf 2011 ook bij herbenoeming onderwijsbestuurders niet meer mogen verdienen dan € 223 666,- inclusief onkostenvergoeding en pensioenbijdrage.
Ik zal nu geen nadere stappen ondernemen omdat dit pas een rol gaat spelen bij een herbenoeming.
Is er hier sprake van een overschrijding van de beloningsnorm bij Hogeschool Van Hall Larenstein? Zo ja, bent u bereid stappen te nemen het overschreden bedrag inclusief rente terug te vorderen bij betreffende Hogeschool? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Raad van Toezicht van Hogeschool Van Hall Larenstein met het sanctioneren van deze buitensporige beloningen de hogeschool ernstige reputatieschade heeft toegebracht? Welke stappen is de staatssecretaris voornemens te nemen tegen deze Raad van Toezicht?
Nee, Zie mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3.
Als u vaststelt dat de overheid nu geen wettelijke mogelijkheden heeft om in te grijpen, deelt hij dan de mening dat de motie Beertema2 die op 14 december 2010 is aangenomen, met voorrang moet worden uitgevoerd om dit soort veel voorkomende praktijken eindelijk eens aan te pakken?
Met de nadere beleidsregels specifiek voor het onderwijs, neergelegd in de brieven van de minister en staatssecretaris van OCW en de minister van EL&I, kan ik, vooruitlopend op definitieve wetgeving, vanaf 2011 gebruik maken van mijn huidige bevoegdheden om zo nodig bij bovenmatige beloningen in te grijpen.
Wat de uitvoering van de motie Beertema betreft heeft de minister van OCW de Tweede Kamer bij brief van 1 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500 VIII, nr. 143) laten weten dat een reactie daarop wordt meegenomen in de beleidsreactie op het inspectierapport naar aanleiding van het landelijk onderzoek naar alternatieve afstudeertrajecten in het hoger onderwijs. Dat inspectierapport is in 2011 beschikbaar gekomen. Ik zie geen reden om daarop vooruit te lopen.
Kwetsbare ouderen |
|
Jetta Klijnsma (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Bejaarde prooien»?1
Ja.
Deelt u de mening dat financieel misbruik van kwetsbare ouderen een probleem is en, gezien de vergrijzing, een groeiend probleem? Zo ja, hoeveel mensen worden er naar schatting jaarlijks slachtoffer van financieel misbruik vergelijkbaar met de casus, zoals besproken in het bovenbedoelde artikel? Zo nee, waarom niet?
Kwetsbare ouderen lopen een verhoogd risico om slachtoffer te worden van financieel misbruik. Aangezien ik niet beschik over cijfers die aangeven om hoe veel ouderen het per jaar gaat kan ik niet bevestigen dat er sprake is van een toename van slachtofferschap in deze groep.
Hoe is de zorgplicht van notarissen ten aanzien van de bescherming van ouderen, die een testament willen wijzigen of met een machtigingsverzoek komen, geregeld?
De notaris heeft conform de Wet op het notarisambt de plicht om te controleren of er sprake is van wilsbekwaamheid op het moment dat iemand een testament opstelt of laat opstellen door de notaris. Daarbij is van belang dat een persoon in staat is om zijn vrije wil te uiten. Binnen redelijke grenzen kan de notaris daarbij onderzoeken of een persoon niet lijdt aan geestelijke stoornissen of wanen dan wel dat een persoon onder druk van derden handelt. Het protocol «Beoordeling wilsbekwaamheid vastgesteld» van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie helpt daarbij.
Is het waar dat rechters «zeer terughoudend [zijn] in het nietig verklaren van testamenten»? Zo ja, deelt u de mening dat ook daarom een notaris bij het opstellen van een testament bijzonder zorgvuldig te werk dient te gaan? Zo nee, waarom niet?
Een testament is een laatste wilsverklaring van iemand. Het past daarbij dat van overheidswege zeer terughoudend wordt opgetreden om deze wilsverklaring te vernietigen. Alleen indien blijkt dat de uitvoering van een testament in strijd is met de wet of de goede zeden ligt vernietiging voor de hand. Het spreekt voor zich dat een notaris bij het opstellen van een testament de daarbij de benodigde zorgvuldigheid in acht dient te nemen.
Kent u het Protocol «Beoordeling wilsbekwaamheid vastgesteld» dat is opgesteld door de beroepsgroep?
Ja.
Bent u van mening dat dit protocol voldoende is om wilsbekwaamheid bij ouderen vast te stellen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit dan tot het aantal bekende gevallen waarbij achteraf door de rechter of in een tuchtzaak is vastgesteld dat de notaris ten onrechte was uitgegaan van de wilsbekwaamheid van zijn cliënt? Zo nee, hoe zou dit protocol aangepast moeten worden?
Ik ben van oordeel dat het protocol voldoende houvast biedt voor een zorgvuldige behandeling door de notaris. Het protocol geeft aan welke redelijkerwijs te nemen stappen en overwegingen nodig zijn voor een zorgvuldig proces. Dat laat onverlet dat er zich in de praktijk gevallen voordoen waarin, ook als het protocol is gevolgd, achteraf wordt geconstateerd dat er geen sprake is van wilsbekwaamheid. Het signaleren van gebreken in de wilsbekwaamheid kan onder omstandigheden buitengewoon lastig zijn voor de notaris.
Wat vindt u van het in het artikel gestelde dat het protocol «meer bedoeld (lijkt) voor de bescherming van de notaris dan van de cliënt»?
Ik deel de stelling niet. Uiteraard is het ook voor de notaris van belang dat hij zorgvuldig handelt in verband met zijn beroepsaansprakelijkheid. Primair is het protocol bedoeld om de notaris te helpen een zo zorgvuldig mogelijke afweging te kunnen maken bij het opstellen van testamenten indien wordt getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van degene die een testament opstelt. Dat is zowel in het belang van de cliënt van de notaris, als van de erfgenamen en de notaris.
Deelt u de mening dat het genoemde protocol geen leidraad maar een voor de beroepsgroep voorgeschreven richtlijn zou moeten zijn? Zo ja, hoe gaat u dit uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het formaliseren van het protocol biedt op zich geen extra waarborg voor een zorgvuldige behandeling door de notaris. Het protocol biedt voor de notaris een leidraad voor het maken van een complexe afweging, die voor een deel buiten zijn beroepsmatige expertise kan liggen. De tuchtrechtelijke en civielrechtelijke consequenties bij niet zorgvuldig handelen door de notaris vormen een afdoende prikkel tot naleving van het protocol.
Kan een wettelijke verankering van het protocol of delen daarvan bijdragen aan het voorkomen van genoemd misbruik? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit regelen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Een ontruimverbod van een kraakpand in Utrecht |
|
Linda Voortman (GL) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de rechterlijke uitspraak op 2 maart 2011 van de rechtbank Utrecht inzake het ontruimverbod wegens ontbrekende belangenafweging?
Ja. Overigens heeft de rechter niet geoordeeld dat sprake was van een ontbrekende belangenafweging. De rechter heeft geoordeeld dat uit het door politie en Openbaar Ministerie ingestelde onderzoek niet voldoende aannemelijk was geworden dat in dit geval sprake was van een redelijke verdenking van overtreding van artikel 138a Wetboek van Strafrecht.
Wat is uw reactie op deze rechterlijke uitspraak in relatie tot de Wet kraken en leegstand?
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtmatigheid van de voorgenomen ontruiming niet is komen vast te staan en heeft daarom de strafrechtelijke ontruiming verboden. Naar het oordeel van de rechtbank had de officier van justitie in de betreffende zaak geen deugdelijk onderzoek gedaan naar de vraag of de eigenaar van het pand toestemming had gegeven aan de krakers om het pand te bewonen. De rechtbank overweegt dat de krakers zouden hebben gesteld dat zij toestemming hadden van de eigenaar om het pand te gebruiken.
Na de uitspraak van de rechtbank is nogmaals navraag gedaan en is wederom gebleken dat de eigenaar van het pand – de gemeente Utrecht – geen toestemming heeft gegeven om het pand te bewonen. Ook de krakers zelf hebben naar aanleiding van een persbericht van de rechtbank weersproken dat ze toestemming van de gemeente Utrecht hadden om in het pand te wonen.
Om proceseconomische redenen zal de Staat geen hoger beroep instellen, maar zal opnieuw tot aankondiging van de ontruiming van het betreffende pand worden overgegaan.
Deelt u de mening dat er met deze rechterlijke uitspraak jurisprudentie is ontstaan die ontruiming van een kraakpand verbiedt bij leegstand? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Deelt u de mening dat met deze jurisprudentie de Wet kraken en leegstand juridisch gezien onhoudbaar is geworden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Beleggen van pensioenfondsen in bedrijven die wapens leveren aan Libië |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat een aantal grote pensioenfondsen belegt in bedrijven die wapens leveren aan Libie?1
De pensioenwetgeving schrijft voor dat pensioenfondsen op een prudente wijze dienen te beleggen. Voorts moeten de beleggingen plaatsvinden in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden. Dit impliceert dat een pensioenfonds ervoor kan kiezen om te investeren in bedrijven die militaire goederen produceren. Deze bedrijven krijgen, nu er een wapenembargo op Libië van kracht is, geen vergunningen meer voor leveranties aan Libië.
Dat het juridisch mogelijk is voor een pensioenfonds te kiezen voor bepaalde investeringen, wil overigens niet zeggen dat fondsen deze investeringen ook daadwerkelijk doen. De praktijk laat zien dat pensioenfondsen steeds meer bereid zijn om openheid van zaken te geven over de afwegingen die zij hebben gemaakt in het kader van hun MVO-beleid, en om hierover in dialoog te treden met hun stakeholders. Het is gebleken dat dit in de meeste gevallen leidt tot concrete aanpassingen van het investeringsbeleid.
Acht u het gewenst, nu Nederland de uitvoer en doorvoer van wapens naar Libie heeft stopgezet, dat pensioenfondsen beleggingen hebben in bedrijven die wapens lever(d)en? Zo ja, waarom; zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u bevorderen dat deze en andere pensioenfondsen stoppen met beleggen in bedrijven die wapens leveren aan niet democratische regimes? Zo nee, waarom niet?
Het exporteren van militaire goederen vanuit EU-landen is toegestaan, mits deze bedrijven hiervoor een vergunning hebben gekregen. Deze vergunning wordt verleend indien positief wordt getoetst aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, waarin onder andere een criterium is opgenomen dat betrekking heeft op mensenrechten. Ik zie dan ook geen aanleiding tot het maken van aparte regelgeving voor pensioenfondsen die beleggen in bedrijven die militaire goederen exporteren.
De Wet op de Omzetbelasting |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het wetsvoorstel dat ertoe strekte een drietal richtlijnen te implementeren in de Wet op de Omzetbelasting 1968?1 Deelt u de mening dat het voor het Nederlandse bedrijfsleven van groot belang is dat de afhandeling van internationale BTW zo goed mogelijk verloopt?
Ja; ja.
In hoeverre heeft u met het bedrijfsleven overleg over de ervaringen met voornoemd wetsvoorstel? Wat zijn de ervaringen? Is er een bepaald informatieloket dat ondernemers kunnen raadplegen?
Voorafgaand aan en in de eerste periode na invoering van het wetsvoorstel is met het bedrijfsleven overleg gepleegd over uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel. Daarbij zijn naast het nieuwe elektronische proces voor BTW-teruggaaf geen bijzondere aandachtspunten naar voren gekomen. Ook is in overleg met de ondernemingsorganisaties voorlichting gegeven aan het bedrijfsleven. Informatie over de onderhavige wetgeving kan bij de Belastingdienst worden verkregen via de reguliere kanalen, zoals de internetsite van de Belastingdienst en Belastingtelefoon voor ondernemers. Daarnaast kunnen individuele ondernemers met meer specifieke vragen zich wenden tot de regio-eenheid van de Belastingdienst waar zij onder vallen.
Waar het gaat om het nieuwe proces voor BTW-teruggaaf wordt, mede vanwege de in 2010 opgetreden opstartproblemen, regulier overleg gevoerd met de meest betrokken koepelorganisaties. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in de zevende halfjaarsrapportage Belastingdienstaangeboden door de staatssecretaris van Financiën d.d. 23 december 2010 (Kamerstukken II, 31 066, nr. 98).
Bent u ervan op de hoogte dat op grond van de Europese BTW-richtlijn lidstaten voor Business to Business (B2B) een verleggingsregeling kunnen opnemen in hun nationale wetgeving, waardoor deze diensten op grond van een uitzonderingsregel zijn belast in het land waar de afnemer is gevestigd? Kunt u aangeven hoe een ondernemer hiermee moet omgaan? Moet een ondernemer voor iedere EU-lidstaat waar hij diensten verricht onderzoeken hoe de dienst aldaar in de heffing wordt betrokken? Wordt hierover in het BTW-Comité overleg gevoerd?
Ingevolge de Europese BTW-richtlijn geldt voor grensoverschrijdende business to business (B2B) diensten als hoofdregel dat deze altijd belastbaar zijn in de lidstaat van de afnemer. Daarbij moet de BTW over die dienst steeds worden afgedragen door die afnemer. Het gaat hierbij derhalve om een verlegging van de belastingschuld naar de afnemer en niet om een verlegging van de plaats van dienst. Met de verlegging van de belastingschuld wordt bereikt dat de ondernemer die de dienst verricht zelf geen aangifte behoeft te doen in een lidstaat waar hij niet voor de BTW is geregistreerd.
Er zijn ook grensoverschrijdende B2B-diensten in de EU die niet onder bedoelde hoofdregel vallen. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld schilderwerk dat een Nederlandse ondernemer verricht aan een pand in een andere lidstaat. In dit geval is de dienst belast in de lidstaat waar dit pand staat.
De richtlijn laat in het geval van deze niet-hoofdregel diensten de keuze aan de lidstaat waar die dienst wordt verricht, of zij voor dergelijke diensten ook een verleggingsregeling wil toepassen waardoor de afnemer, indien gevestigd in die lidstaat, de belasting moet voldoen in plaats van de dienstverrichter. Sommige lidstaten, waaronder Nederland, hebben er daarom voor gekozen ook voor niet-hoofdregel diensten de verleggingsregeling toe te passen, andere niet.
Nederlandse ondernemers die niet-hoofdregel B2B-diensten verrichten in andere lidstaten moeten zich er van vergewissen of zij in die lidstaat zelf de BTW moeten voldoen dan wel dat hun afnemer daartoe gehouden is. De situatie kan zoals hiervoor aangegeven verschillen tussen de lidstaten, wat voortvloeit uit de huidige richtlijnbepalingen. Het BTW-Comité overlegt daarover niet omdat dit comité raadgevend is en zich in het bijzonder richt op de interpretatie van de bestaande communautaire BTW-regelgeving zoals vervat in de Europese BTW-richtlijn. De uitgangspunten die zijn vastgelegd in deze regelgeving en hun feitelijke gevolgen maken derhalve geen deel uit van de beraadslagingen in het BTW-Comité.
Bent u bekend met het feit dat – behalve het feit dat bovenstaande verleggingsregeling niet in iedere EU-lidstaat op dezelfde wijze wordt toegepast – ook op het gebied van de BTW-vrijstellingen verschillen tussen EU-lidstaten zitten? Kunt u aangeven hoe ondernemers hiermee omgaan, aangezien dit mede relevant is voor de listingsverplichting die geldt voor grensoverschrijdend dienstenverkeer binnen de EU?2 Wordt hierover in het BTW-Comité overleg gevoerd?
Ja, de BTW-richtlijn kent verplichte en optionele vrijstellingen. Dientengevolge kiest de ene lidstaat wel voor invoering van een optionele vrijstelling en de ander niet. De verplichte vrijstellingen – het merendeel – gelden in alle lidstaten. Daarnaast kent de richtlijn ook nog een lijst met handelingen die lidstaten in afwijking van de richtlijn na toetreding tot de EU mogen blijven belasten of vrijstellen.
Ondernemers die over de nationale grenzen handel drijven zullen zich doorgaans informeren of laten informeren over de (ondermeer fiscale) consequenties van hun handelen. Daar waar hun dienst onder de B2B-hoofdregel valt en de daarover verschuldigde BTW verlegd wordt naar de afnemer, is de ondernemer gehouden deze diensten per kwartaal te vermelden op de Opgaaf intracommunautaire prestaties (ICP). Vermelding kan achterwege blijven, als die dienst in het land van de afnemer is vrijgesteld.
Tijdens de parlementaire behandeling van het toenmalige wetsvoorstel is reeds verwoord dat de Nederlandse ondernemer die dergelijke diensten verricht, zich zal moeten vergewissen of bedoelde diensten in de lidstaat van de afnemer vallen onder een vrijstelling of een nultarief (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 907, nr. 7, blz. 22 en Eerste Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 907, C, onder 6).
Eén van de mogelijkheden om advies in te winnen is om bij het aannemen van de opdracht – naast de gegevens van de afnemer die hij doorgaans nodig zal hebben – bij de afnemer tevens te informeren welk BTW-regime in dat land van toepassing is op deze dienst. De afnemer is immers ook gebaat bij een juiste listing.
Het is evenwel mogelijk dat de desbetreffende ondernemer in uitzonderingsgevallen de hiervoor bedoelde zekerheid niet dan wel moeilijk kan verkrijgen. Wanneer de ondernemer naar het oordeel van de inspecteur in die situaties voldoende heeft geprobeerd die zekerheid te verkrijgen, is het in die gevallen toegestaan dat hij die dienst niet vermeldt in de lijst ICP wanneer die dienst bij verrichting in Nederland zou vallen onder een vrijstelling (dan wel onder een nultarief). Op dit punt mag van een zorgvuldig handelende ondernemer overigens worden verlangd dat hij bij de afnemer wel heeft geïnformeerd dat de dienst is vrijgesteld van BTW en op grond van welke bepaling dat zo is.
Zoals hiervoor aangegeven richt het BTW-Comité zich in het bijzonder op de interpretatie van de bestaande communautaire BTW-regelgeving zoals vervat in de Europese BTW-richtlijn. De vaststelling van het al dan niet van toepassing zijn van een vrijstelling in een bepaald land is echter geen interpretatievraag waarover in het BTW-Comité wordt vergaderd.
Bent u bekend met de jurisprudentie3 over de aftrek van voorbelasting in geval van zogeheten nummerverwerving, waaruit blijkt dat het terugvragen van BTW voor dergelijke verwervingen niet kan plaatsvinden op dezelfde BTW-aangifte als waarop dergelijke verwervingen worden aangegeven, en de onduidelijkheid in de literatuur over de vraag of dit ook geldt voor situaties waarin de vereenvoudigde ABC-regeling van toepassing is?4 Kunt u hierover duidelijkheid verschaffen?
Ja, die jurisprudentie en literatuur is mij bekend.
In de zaak Facet, zaaknummer C-536/08 en C-539/08, heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over het ontbreken van een onmiddellijk recht op aftrek voor de zogeheten nummerverwerving. Het gaat daarbij om de intracommunautaire verwerving van goederen onder het BTW-identificatienummer van een ondernemer in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de goederen aan die ondernemer worden afgeleverd. In die gevallen bestaat alleen op verzoek recht op teruggaaf van omzetbelasting die voldaan is over de nummerverwerving als de ondernemer aantoont dat omzetbelasting is geheven over de verwerving van de goederen in de lidstaat waar de goederen aan hem zijn afgeleverd. Dit is wettelijk geregeld artikel 30, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De Hoge Raad twijfelde eraan of in die gevallen toch een onmiddellijk via de aangifte te verwezenlijken recht op aftrek bestond en de wettelijke procedure van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 strijdig is met de Europese btw-richtlijn. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de Nederlandse teruggaafprocedure voor nummerverwervingen richtlijnconform is en dus geen onmiddellijk recht op aftrek bestaat voor nummerverwervingen. Die procedure is ook nodig in het kader van het voorkomen van fraude.
Hiermee heeft het Hof van Justitie echter nog geen uitspraak gedaan over het al dan niet bestaan van een onmiddellijk recht op aftrek voor de omzetbelasting die wordt voldaan over een intracommunautaire verwerving bij de toepassing van de vereenvoudigde ABC-levering. Wettelijk geldt daarvoor in artikel 30, tweede lid, van de Wet OB 1968 ook een aparte teruggaafprocedure. Daarbij moet de ondernemer aantonen dat hij de goederen heeft geleverd in de lidstaat van aankomst van de goederen. In de praktijk wordt wel soepel omgegaan met het vereiste van een apart teruggaafverzoek. Als voldaan is aan de materiële eis dat de ondernemer de goederen heeft geleverd in de lidstaat van aankomst van de goederen, wordt de omzetbelasting wel via de aangifte omzetbelasting als voorbelasting verrekend. Ik zal beoordelen in hoeverre het mogelijk is om voor deze gevallen te komen tot een wettelijke vereenvoudiging van deze teruggaafprocedure.
Bent u bekend met de onduidelijkheid die bestaat over de toepassing van de verleggingsregeling indien de ondernemer die de dienst verricht over een vaste inrichting beschikt in het land waar de dienst belast is?5 Kunt u aangeven hoe hiermee moet worden omgegaan in de praktijk?
Er is in het gememoreerde artikel uit november 2009 inderdaad gesproken over onduidelijkheden die naar boven zouden kunnen komen na invoering van de nieuwe regelgeving in de gevallen waarin de ondernemer die de dienst verricht, beschikt over een vaste inrichting in de lidstaat waar die dienst belast is. Uit het overleg met het bedrijfsleven en de Belastingdienst is overigens niet naar voren gekomen dat er in de praktijk veel problemen zijn gerezen wat betreft de vaststelling of een zodanige vaste inrichting al dan niet betrokken is bij een grensoverschrijdende B2B-dienst.
Naar aanleiding van de besprekingen in het BTW-Comité is er op dit punt overigens een richtsnoer afgegeven, dat, evenals een aantal andere richtsnoeren, inmiddels is verwerkt in de nieuwe Uitvoeringsverordening BTW. Deze uitvoeringsverordening, die rechtstreeks werkt, is tijdens de ECOFIN van 15 maart aanvaard, nadat daar eerder politieke overeenstemming over was bereikt.
In de artikelen 53 en 54 van genoemde uitvoeringsverordening is nader aangegeven hoe om te gaan met de vraag of een vaste inrichting in de lidstaat van de afnemer al dan niet betrokken is bij een grensoverschrijdende B2B-dienst.
De boktor |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Controle China op boktor is ondermaats»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verontrustend is dat China de kwekerijen niet twee jaar lang uitsluit van export na de vondst van een boktor, voorafgaand aan de export geen preventieve controles op de boktor worden uitgevoerd en bij de ontdekking van uitvlieggaten deze niet beschouwt als «besmetting»?
De import van boomkwekerijproducten uit China vormt al enige tijd reden tot zorg. Deze bezorgdheid vormde voor de Europese Commissie mede de aanleiding om in mei 2010 de importvoorschriften voor boomkwekerijproducten te verscherpen en een importverbod voor esdoorns (Acer sp.) uit China in te stellen.
Om te kunnen bepalen of China naar aanleiding van de aangescherpte maatregelen een verbetering heeft doorgevoerd van haar controlesysteem heeft de Food and Veterinary Office (FVO) in september 2010 een audit uitgevoerd in China. Bij dit bezoek bleek dat het exportcontroleprogramma van China nog steeds niet toereikend is. Met de Europese Commissie en andere lidstaten ben ik van mening dat dit een zorgwekkende situatie is.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om actie te ondernemen naar aanleiding van de conclusie van de food and Veterinary Office (FVO), de inspectiedienst van de Europese Commissie, dat China weliswaar maatregelen heeft genomen, maar dat die niet in lijn zijn met de Europese eisen?
De Europese Commissie heeft al voorafgaand aan het verscherpen van de importeisen duidelijke signalen afgegeven aan China en heeft China naar aanleiding van de conclusie van de FVO in 2010 opgeroepen te komen met een actieplan waarin wordt aangegeven hoe men tegemoet wil komen aan de geconstateerde tekortkomingen. Met andere lidstaten steun ik de Europese Commissie in deze aanpak.
Op welke wijze wordt het importverbod dat in mei 2010 is ingesteld gehandhaafd? Geldt importverbod alleen voor esdoorns of voor alle zeventien in de EU-beschikking genoemde waardplanten?
Het importverbod voor esdoorns is opgenomen in de invoeraangiftesystemen van de nVWA. De keuringsdiensten die de importinspecties op boomkwekerijproducten uitvoeren zijn hierop nauwlettend geïnstrueerd. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met de douane om importzendingen met een mogelijk risico te identificeren en te kunnen inspecteren. Tot dusver zijn daarbij overigens geen overtredingen van het importverbod geconstateerd. Het in mei 2010 ingestelde importverbod geldt alleen voor esdoorns. Voor de overige 16 waardplanten van de boktor zijn de importeisen in mei 2010 verscherpt en geldt dat bij import destructief bemonsterd moet worden, met een bemonsteringspercentage van 10% per partij, tot een maximum van 450 planten per partij.
Is het niet wenselijk om de conclusies van de FVO mee te wegen bij de beoordeling over het opheffen van het importverbod in april 2012?
Het importverbod voor esdoorns is ingesteld tot en met 30 april 2012. Te zijner tijd zal bezien moeten worden of de situatie in China dusdanig is verbeterd dat de maatregelen kunnen worden versoepeld en het importverbod kan worden opgeheven. Ik vertrouw erop dat de Europese Commissie ook het komende jaar bij China zal blijven aandringen op verbetering van de controles. De FVO zal in 2011 nogmaals een beoordeling van de situatie ter plekke uitvoeren.
De bevindingen daarbij kunnen inzicht geven in de uitwerking in de praktijk van eventueel door China doorgevoerde verbeteringen en daarmee waardevolle informatie opleveren voor de besluitvorming in EU-verband over de eventuele aanpassing van de importeisen in 2012.
Hoe ver staat het met de evaluatie van het fytosanitaire stelsel in EU-verband? Wat zijn de uitkomsten van de besprekingen over de definitie en reikwijdte van het ondernemersrisico?
Eind september 2010 heeft de Europese Commissie het evaluatierapport van het «Common Plant Health Regime» over de periode 1993–2009 gepresenteerd. Op basis van de conclusies en aanbevelingen in het evaluatierapport heeft de Europese Commissie vervolgens de mogelijke opties voor het toekomstige plantgezondheidsstelsel geïnventariseerd en besproken met lidstaten en stakeholders.
Momenteel voert de Europese Commissie een (economische) studie uit naar de effecten van een aantal voorgestelde opties. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie en de resultaten van de effectbeoordeling zal de Europese Commissie een plantgezondheidsstrategie en voorstellen voor nieuwe regelgeving opstellen. Dit moet in het eerste semester van 2012 afgerond worden.
De effectbeoordeling omvat onder meer een studie naar de financiële gevolgen voor de EU, lidstaten en ondernemers van fytosanitaire maatregelen en van het eventueel instellen van een fonds, waaruit ook de schade van individuele ondernemers als gevolg van officiële fytosanitaire maatregelen kan worden betaald. Mede op grond van de uitkomsten van de effectbeoordeling zal de discussie worden gevoerd over de reikwijdte van het ondernemersrisico, de voorwaarden waaronder eventueel financiële compensatie van schade zou kunnen plaatsvinden en de verdeling van verantwoordelijkheden en kosten daarbij tussen overheden (EU en lidstaten) en bedrijfsleven.
Het gebruik van het burgerservicenummer |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «CBP legt minister last onder dwangsom op wegens gebruik Burgerservicenummer (BSN): Gebruik BSN voor Rijkspas in strijd met de wet»?1
Ja.
Is het juist, dat het College bescherming persoonsgegevens na een onderzoek dat gestart is op 11 november 2009 tot de conclusie is gekomen, dat de minister van Infrastructuur en Milieu (I en M) BSN van zijn medewerkers niet mag gebruiken voor het aanmaken van hun toegangspas, de Rijkspas?
Ja, het College bescherming persoonsgegevens is tot die conclusie gekomen.
Zijn er nog andere ministeries die het BSN gebruiken bij het aanmaken van de Rijkspas?
Ja, naast het ministerie van Infrastructuur en Milieu gebruiken ook andere ministeries het BSN bij de uitgifte van de Rijkspas. Bij de aanvraag van Rijkspas wordt o.a. aan de hand van het BSN de rechtmatigheid en de uniciteit van de aanvrager getoetst,
Brengt het gebruik van het BSN bij het aanmaken van de Rijkspas reële risico’s mee voor de persoonlijke levenssfeer? Deelt u de indruk, dat het College bescherming persoonsgegevens zich verliest in juridische haarkloverijen in plaats van zich bezig te houden met reële problemen op het gebied van privacybescherming?
Nee, het gebruik van het BSN bij het aanmaken van de Rijkspas brengt geen reële risico’s mee voor de persoonlijke levenssfeer. In het aanvraagproces wordt alleen het BSN op het paspoort vergeleken met het BSN in de registratie in het ID-managementsysteem van het betreffende departement. Het BSN wordt niet overgenomen in het kaartmanagementsysteem van de Rijkspas, het BSN staat niet op of in de Rijkspas. Er worden evenmin gegevens uit verschillende bestanden gekoppeld m.b.v. het BSN. Het BSN wordt eenmalig gebruikt om een zo’n hoogst mogelijke zekerheid te hebben over de identiteit van de aanvrager van de Rijkspas.
Het CBP is een onafhankelijke toezichthouder op de naleving van de wetgeving met betrekking tot het gebruik van persoonsgegevens. Het CBP kiest daarin zelfstandig haar acties en neemt daarin zelf haar eigen verantwoordelijkheid.
Deelt u de opvatting van het College bescherming persoonsgegevens, dat het gebruik van het BSN in de bedrijfsvoering binnen de rijksdienst niet rechtmatig is? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
Nee, ik deel die mening niet. Momenteel beraden mijn collega van Infrastructuur en Milieu en ik ons over passende middelen om het oordeel van het CBP in rechte aan te vechten.
Is het BSN bedoeld om communicatie en identificatie te vergemakkelijken? Zo ja, waarom gebruikt de overheid het dan niet vaker?
Ja, de overheid gebruikt in algemene zin het BSN als hulpmiddel bij de verwerking van persoonsgegevens, waaronder t.b.v. de verificatie. Het BSN vergemakkelijkt zeker de uitwisseling van persoonsgegevens in de praktijk en wordt dan ook, binnen de grenzen van de wet, waar mogelijk gebruikt.
Het BSN dient er onder andere toe de betrouwbaarheid en doelmatigheid van de administraties van de overheid te vergroten. Het gebruik van het BSN door overheidsorganen is, mits dit gebruik noodzakelijk en niet bovenmatig is, toegestaan in het kader van de uitoefening van haar taak. Steeds moet de afweging moeten worden gemaakt of hiervan sprake is en of van het BSN gebruik kan worden gemaakt.
Binnen de context van de Rijkspas ben ik van mening dat het zeer beperkte gebruik van het BSN bij de Rijkspas, teneinde een zo groot mogelijke zekerheid te verkrijgen dat de pas en de aanvrager bij elkaar horen, dan ook is toegestaan.
De JSF |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jasper van Dijk (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Nederlandse bedrijven lopen miljard mis door snijden in JSF»?1
Is het waar dat Nederlandse bedrijven mogelijk een miljard euro mislopen door het schrappen van het tweede-motorproject van de JSF? Zo nee, hoe kunt u dit scenario uitsluiten?
Wat vindt u van het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding System Design and Development (MOU-SDD) in 2002 werd gesuggereerd dat één miljard dollar aan orders te verwachten viel voor de F136 motor en waarin sindsdien veel geïnvesteerd is door Nederland, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de spin-off mogelijkheid ongedaan maakt door de ontwikkeling van de F136 motor te schrappen?2
Hoe oordeelt u over het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding Production Sustainment and Follow-on Development (MOU-PSFD) in 2006 contractueel werd overeengekomen dat partners in deze MOU-PSFD de keuzevrijheid hadden tussen – dan wel sprake zou zijn van productie van – de twee motortypes F135 en F136, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de ontwikkeling van de F136 motor schrapt? Is hier geen sprake van contractbreuk?3
Bij de totstandkoming van het PSFD-MoU zijn de betrokken landen ervan uitgegaan dat er voor de F-35 twee motoren zullen worden geproduceerd. De Amerikaanse regering kan gelet op de bepalingen van het MoU echter niet worden verhinderd de financiering van de verdere ontwikkeling van de F136-motor te stoppen. Wanneer de Verenigde Staten een dergelijk besluit zouden nemen is geen sprake van contractbreuk. Overigens zou de verdere ontwikkeling van de F136-motor volledig voor rekening komen van de Verenigde Staten, wat ook de afgelopen jaren het geval was.
Voor alle partijen die deelnemen aan een MoU geldt dat er kosten aan kunnen zijn verbonden als men zich zou terugtrekken. De procedures voor de verwerving van F-35 toestellen zijn vastgelegd in het PSFD-MoU. Indien een partnerland een contract voor de aanschaf van F-35 toestellen zou opzeggen dat door de Amerikaanse overheid ten behoeve van het partnerland is gesloten, zijn hieraan kosten verbonden. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan additionele kosten die ontstaan voor andere partnerlanden.
Heeft Nederland dezelfde vrijheid om overeenkomsten met de VS ongedaan te maken ten aanzien van de koop van de eerste testtoestellen of moet Nederland zich wel aan alle contracten houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft oud-minister Van Middelkoop anderhalf jaar geleden druk uitgeoefend op de Amerikaanse regering om het tweede-motorproject te laten doorgaan?
Nederland heeft de afgelopen jaren tijdens bilaterale contacten met de Verenigde Staten op zowel politiek als ambtelijk niveau het belang van de tweede motor voor het F-35 programma en voor de Nederlandse industriële participatie aan de orde gesteld. Het Pentagon is er niet van overtuigd dat de concurrentievoordelen van de tweede motor opwegen tegen de resterende ontwikkelingskosten voor de Amerikaanse overheid en acht het F136-programma mede in het licht van de in de Verenigde Staten benodigde bezuinigingen onnodig.
Is het waar dat president Obama en defensieminister Gates de tweede motor een «onnodige en extravagante uitgave» noemden? Wat is hierop uw reactie?
Zie antwoord vraag 6.
Wat voor gevolgen heeft de bezuiniging van 3,5 miljard dollar op defensie in de VS voor de Nederlandse deelname aan het JSF-project?
Het in vraag 8 genoemde bezuinigingsbedrag is bij Defensie niet bekend. Met de brief van 7 januari jl. en de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 van 17 maart jl. (Kamerstukken 26 488, nrs. 252 en 258) is de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die minister Gates heeft genomen met betrekking tot het F-35 programma.
Het Pentagon heeft in januari jl. besloten een extra bedrag van $ 4,6 miljard uit te trekken voor de ontwikkeling van de F-35 in de System Development and Demonstration (SDD-)fase. De vaste Nederlandse bijdrage aan de SDD-fase bedraagt zoals bekend $ 800 miljoen (lopende prijzen). De gevolgen van de op 6 januari jl. door het Pentagon aangekondigde vertraging en verschuiving van 134 toestellen uit de productieseries LRIP 5 tot en met LRIP 9 zijn nog niet bekend. In beginsel betekenen minder toestellen per productieserie, een hogere stuksprijs in de desbetreffende productieseries. Wat per saldo de gevolgen zullen zijn voor de stuksprijzen in de productieseries van de komende jaren, en daarmee voor prijzen van de mogelijk door Nederland aan te schaffen eerste productietoestellen, is nog niet duidelijk. De export van toestellen zoals naar Israël vanaf naar verwachting LRIP 7 heeft de komende jaren een positieve invloed op de ontwikkeling van de stuksprijs. Tot slot heeft het Pentagon gemeld de stijging in de kostenramingen van het afgelopen jaar onaanvaardbaar te vinden en er alles aan te zullen doen om die stijging terug te dringen.
De in januari jl. door het Pentagon genomen maatregelen hebben geen gevolgen voor de prijs van het tweede F-35 testtoestel uit de LRIP 4 productieserie, waarover de Kamer met de brief van 22 februari jl. is geïnformeerd.
Klopt het dat de vertragingen in de ontwikkelingsfase van de JSF kunnen leiden tot nieuwe prijsstijgingen van de stuksprijs van de JSF? Worden de kosten van het tweede testtoestel hierdoor verhoogd? Zo ja, met welk bedrag?4
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid af te zien van de aanschaf van de twee testtoestellen en te stoppen met deelname aan de ontwikkelingsfase van de JSF? Zo nee, hoe lang blijft de regering zichzelf vastketenen aan dit nodeloze project waar vrijwel niemand nog heil in ziet?
In het regeerakkoord is vastgelegd dat in 2011 een tweede F-35 testtoestel wordt aangeschaft ten behoeve van deelneming aan de operationele testfase. Binnenkort zal de Kamer hierover nader worden geïnformeerd.
De Kamer is reeds eerder geïnformeerd over de vertraging bij de productie van het eerste testtoestel. Zo is met de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 232) gemeld dat de productie van eerdere SDD- en LRIP-toestellen ruim een half jaar achterliep op de planning. Met de brief van 7 januari jl. is gemeld dat de achterstand de eerstkomende jaren niet kan worden ingelopen en dat de levering van het eerste Nederlandse testtoestel nu is voorzien voor augustus 2012.
Het bericht 'Uitzetting naar Irak verscheurt asielzoekersgezin' |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitzetting naar Irak verscheurt asielzoekersgezin»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht en het desbetreffende incident.
Welke reden was er voor de Iraakse autoriteiten om in tegenstelling tot de echtgenoot moeder Al Shewelly en haar dochters niet toe te laten? Bestaat er voldoende grond om te veronderstellen dat de gerezen belemmeringen in de toekomst kunnen worden weggenomen?
Indien een vreemdeling uit Nederland moet worden uitgezet, geldt als algemene regel dat de tot diens gezin behorende onrechtmatig verblijvende vreemdelingen, zoveel mogelijk tegelijkertijd worden uitgezet. Indien al dan niet door toedoen van (een van) de betrokken gezinsleden gezamenlijk vertrek niet mogelijk is, vindt gescheiden uitzetting plaats.
Voordat de uitzetting van het gezin plaatsvond, was toestemming gevraagd en verkregen van de Iraakse autoriteiten voor de toegang tot Irak van het gehele gezin.
Op basis van de informatie waarover ik thans beschik komt het beeld naar voren dat de eigen gedragingen en verklaringen van het gezin hebben bijgedragen aan het gegeven dat de gezinsleden bij de uitzetting gescheiden zijn geraakt. Van de Iraakse autoriteiten is vernomen dat de man van het gezin na aankomst in Irak heeft verklaard dat er geen sprake is van een familierechtelijke relatie.
Deze verklaring, die afwijkt van hetgeen in het kader van de Nederlandse vreemdelingrechtelijke procedures is aangegeven door het gezin, is in combinatie met het standpunt van de Iraakse autoriteiten dat de vrouw en kinderen niet over de Iraakse nationaliteit zouden beschikken, redengevend geweest voor de toegangsweigering.
De Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) is bezig om alsnog het vertrek van de overige gezinsleden naar Irak te realiseren. Hierbij is de DT&V mede afhankelijk van de medewerking van de vrouw van het gezin aan terugkeer naar Irak. Als terugkeer naar Irak niet mogelijk blijkt, zal ook worden gekeken naar mogelijke andere landen waar de toegang is gewaarborgd.
Komt het regelmatig voor dat niet alle gezinsleden bij aankomst in het land van bestemming worden toegelaten? In hoeverre is deze problematiek van tevoren te voorzien en te voorkomen?
Neen, dit betreft een zeer uitzonderlijke situatie. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 was voordat de uitzetting plaatsvond toestemming gevraagd en verkregen van de Iraakse autoriteiten voor de toegang tot Irak van het gehele gezin.
Volgend op het incident (op 7 februari jl.) heeft op 9 en 10 februari jl. een delegatie van de DT&V Bagdad bezocht en is met de Iraakse immigratiedienst op de luchthaven van Bagdad over het voorval gesproken. Om het scheiden van gezinnen in de toekomst te voorkomen is met de Iraakse immigratiedienst afgesproken dat voortaan bij twijfel aan de nationaliteit van een deel van het gezin, het gezin als geheel de toegang tot Irak geweigerd zal worden. Het hele gezin zal dan worden teruggeleid naar Nederland, waar nader onderzoek naar identiteit, nationaliteit en gezinsverband zal plaatsvinden.
Hoe is het belang van het gezinsleven in deze situatie meegewogen? Waarom is niet besloten ook de uitzetting van de vader voorlopig te annuleren?
Zoals vermeld zou het gezin in zijn geheel terugkeren naar Irak, maar is dit helaas niet verwezenlijkt. In tegenstelling tot de man werd, om genoemde redenen, aan de vrouw en kinderen op de luchthaven van Bagdad geen toestemming verleend om Irak daadwerkelijk in te reizen en dienden zij weer terug te keren naar Nederland. Daarbij weigerden de Iraakse autoriteiten toestemming te geven aan het weer doen uitreizen van de man, die zij zojuist tot Irak hadden toegelaten.
Het sluiten van bestaande en het openen van nieuwe gevangenissen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Teeven: extra gevangenis in Limburg»?1
Ja.
Hebt u tijdens een bezoek aan Limburg plannen ontvouwd over de bouw van een nieuwe gevangenis in die provincie? Zo ja, had u die plannen al eerder met de Tweede Kamer gedeeld? Zo nee, had de bekendmaking van uw plannen en de timing en locatie daarvan mogelijk te maken met aanstaande verkiezingen voor de Provinciale Staten?
Tijdens mijn bezoek aan Limburg heb ik aangekondigd dat de plannen van dit kabinet mogelijk leiden tot een toename van de behoefte aan detentiecapaciteit. Het effect van het kabinetsbeleid zal niet eerder dan volgend jaar zichtbaar worden2 en in 2013 en 2014 leiden tot toename van de behoefte aan detentiecapaciteit. Uw Kamer wordt hierover te zijner tijd uiteraard geïnformeerd.
Waaruit blijkt precies dat er vanwege het snelrecht meer celcapaciteit nodig is? Om hoeveel extra cellen gaat het hier?
In de praktijk is nog niet gebleken dat het toepassen van snelrecht tot een grotere behoefte aan detentiecapaciteit leidt. Het toepassen van snelrecht op zich leidt ook niet tot langere straffen. Wel is een opwaartse druk te verwachten op de vraag naar celcapaciteit als gevolg van andere maatregelen uit het Regeerakkoord.
Leidt het sneller berechten van verdachten ook tot meer of langere straffen? Zo ja, hoe werkt dit mechanisme precies? Zo nee, hoe kan er dan wel meer behoefte aan celcapaciteit ontstaan ten gevolge van het snelrecht?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel extra celcapaciteit is er naar uw schatting nodig ten gevolge van het afschaffen van taakstraffen en thuisdetentie? Kunt u dit antwoord vergezeld laten gaan van een degelijke cijfermatige onderbouwing?
Het intrekken van het wetsvoorstel thuisdetentie heeft geen directe invloed op de toename van detentiecapaciteit. Vorig jaar is de pilot elektronische detentie stopgezet in afwachting van de behandeling van dit wetsvoorstel. Dit heeft geleid tot een toename van de behoefte aan detentiecapaciteit met 140 cellen.
De consequenties van het wetsvoorstel taakstraffen zijn nog niet precies weer te geven. In plaats van het opleggen van een taakstraf heeft een rechter naast het opleggen van een gevangenisstraf ook de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf of geldboete op te leggen. De verwachting is in ieder geval wel dat dit wetsvoorstel leidt tot meer behoefte aan detentiecapaciteit.
Deelt u de mening dat het nog onzeker is dat er behoefte aan extra celcapaciteit is en het evenmin zeker is dat publiekprivate samenwerking daarbij een goede oplossing biedt? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat de bouw van een gevangenis in Limburg niet zeker is? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zal het effect van het kabinetsbeleid volgend jaar zichtbaar worden. Eind van dit jaar zal ik beslissen of en vooral waar er eventueel een gevangenis wordt gebouwd, waarbij vanuit het perspectief van werkgelegenheid Limburg een gerede mogelijkheid is. In mijn uiteindelijke afweging zal ik, als het als zo ver komt, ook andere aspecten laten meewegen, zoals de regionale behoefte aan detentiecapaciteit.
Mijn verwachting is dat er met behulp van publiek-private samenwerking op een kosteneffectieve manier een penitentiaire inrichting kan worden gerealiseerd. Alvorens hierover een besluit te nemen laat ik een onderzoek uitvoeren door het WODC naar de ervaringen met private gevangenissen in verschillende landen en de mogelijkheden voor Nederland.
Hoe verhoudt uw voorkeur om een nieuwe gevangenis in Limburg te bouwen zich tot de sluiting van gevangenissen elders in het land? Is het mogelijk dat gevangenissen die gesloten moeten worden open kunnen blijven als er extra celcapaciteit nodig blijkt te zijn?
Ik wil vasthouden aan de sluitingen van de in het Masterplan Gevangeniswezen 2009–2014 opgenomen penitentiaire inrichtingen. Om bedrijfseconomische redenen is het niet wenselijk om deze inrichtingen toch open te houden.
Hoe is de situatie ten aanzien de werkgelegenheid in regio’s waar sprake is van het sluiten van gevangenissen, in het bijzonder in de regio Den Helder?
Bij het opstellen van het Masterplan Gevangeniswezen 2009–2014 is zoveel mogelijk rekening gehouden met de negatieve consequenties van het sluiten van gevangenissen voor het personeel. Bij de uitwerking van het capaciteitsplan zijn de regio’s met een slechte arbeidsmarktsituatie zoveel mogelijk ontzien (met name Zuid-Oost en Noord-Oost Nederland), bijvoorbeeld door de sluiting van capaciteit op termijn te stellen of door het (tijdelijk) inzetten van meerpersoonscellen als eenpersoonscellen.
Ten behoeve van het Capaciteitsplan Justitiële Jeugdinrichtingen heb ik in samenwerking met het UWV een arbeidsmarktanalyse uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de arbeidsmarktkansen voor executief personeel (groepsleiders en behandelaars) en beveiligingspersoneel relatief gunstig zijn, en voor niet executief personeel (facilitair, administratief en financieel) relatief minder gunstig. Zoals ik reeds in mijn brief van 16 november3 heb toegelicht zal ik mij – los van de specifieke arbeidsmarktkansen voor bepaalde personeelgroepen – ten volle inspannen om boventallig JJI-personeel van werk naar werk te begeleiden.
Is het waar dat de (relatief nieuwe) Rijksinrichting voor Jongeren Doggershoek in Den Helder per 1 maart 2011 de deuren moet sluiten? Zo ja, hebt u recentelijk nog contact gehad met de Doggershoek over alternatieven voor deze gevangenis? Zo ja, wat is de uitkomst van dat contact? Zo nee, waarom niet?
Conform het Capaciteitsplan Justitiële Jeugdinrichtingen dat ik uw Kamer op 16 november 2010 heb toegestuurd en conform hetgeen besproken is in het Algemeen Overleg met uw Kamer op 9 december 2010, is De Doggershoek per 1 maart 2011 buiten gebruik gesteld als justitiële jeugdinrichting.
Zoals ik in het Algemeen Overleg van 9 december 2010 reeds heb gemeld, onderzoek ik de mogelijkheid om jongeren met een licht verstandelijke beperking te huisvesten in De Doggershoek, waarbij niet alleen (een deel van) het gebouw maar ook een deel van het personeel daarvoor ingezet zou kunnen worden. De gesprekken daartoe met Lijn 5, een zorginstelling voor genoemde doelgroep, vinden momenteel plaats. Ik heb in het Algemeen Overleg van 9 december toegezegd u uiterlijk in juni 2011 te informeren over de uitvoering van het Capaciteitsplan, inclusief de mogelijkheden voor alternatieve inzet van JJI-personeel en -locaties.
Hoe verhoudt zich uw mededeling in uw brief d.d. 16 november 2010 aan de Kamer (citaat: «Zeker voor de inrichtingen, zoals De Doggershoek, waarbij vooralsnog geen concreet zicht is op een alternatieve bestemming en waarbij de werkgelegenheid in de regio beperkt is, zal deze ingreep een hard gelag zijn. Ik zal me tot het uiterste inspannen voor een goed perspectief op werkgelegenheid voor de medewerkers van deze inrichtingen»)2 tot het aankondigen van de bouw van een nieuwe gevangenis in Limburg?
Zie antwoord vraag 9.
Afrekenbare en controleerbare doelstellingen ten aanzien van het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe aanwijzing: kip risico voor gezondheid»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de wetenschappelijke onderzoeksresultaten die in het artikel aangehaald worden over het verband tussen het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij en antibioticaresistentie bij bacteriën?
Zoals uit de onderzoeksresultaten van oktober 2010 blijkt, is er sprake van een mogelijk verband tussen de consumptie van kippenvlees en het vóórkomen van ESBL-producerende bacteriën bij mensen. In het NRC artikel wordt geschetst dat een deel van de ESBL-producerende bacteriën die bij de mens worden gevonden genetisch niet te onderscheiden is van ESBL- producerende bacteriën die bij kippen worden gevonden. Naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten is er in oktober 2010 een tweede deskundigenberaad bij het RIVM over ESBL-producerende bacteriën belegd. Dit deskundigenberaad was een vervolg op een deskundigenberaad dat heeft plaatsgevonden in maart 2010. De adviezen van de deskundigen luiden:
De Gezondheidsraad is ondertussen om advies gevraagd. De hoofdvraag van de adviesaanvraag is: «wat zijn de risico’s voor de volksgezondheid van het gebruik van antibiotica in de veehouderij». Het advies wordt in de zomer van 2011 verwacht. De Gezondheidsraad zal zich ook uitspreken over de wijze waarop resistente bacteriën worden overgedragen.
Ondertussen wordt er gewerkt aan reductie van het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Voor de maatregelen die worden genomen om het antibioticumgebruik te verminderen verwijs ik u naar de brief van staatssecretaris Bleker en mij van 8 december 20102.
Deelt u de conclusie van de heer Roel Coutinho in het artikel dat «het zeer waarschijnlijk is dat voedsel een belangrijke bron is van deze antibioticaresistente bacteriën»? Zo ja, wat voor conclusies verbindt u hieraan voor de aanpak van antibioticagebruik in de (pluim)veehouderij?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet 20% minder antibioticagebruik wil in de veehouderij in 2011 en 50% minder in 2013?
Ja dat klopt.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren? Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd? Kunt u aangeven hoe dit doel vertaald wordt naar specifiek de pluimveehouderij?
De reductiedoelstellingen zijn generiek geformuleerd over alle sectoren heen. Dat betekent dat alle specifieke sectoren deze doelstelling gewoon moeten halen.
Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt al enkele jaren jaarlijks gerapporteerd in MARAN3. Deze rapportage is wetenschappelijk onderbouwd en is in Europa de enige in haar soort. In MARAN worden twee soorten gegevens gepubliceerd:
De MARAN rapportages geven trends aan. Het richtpunt voor de doelstellingen is het gebruik in 2009. De reductie zal daar naar worden herleid.
Algemeen verbindend verklaren
Het transparant maken van het antibioticagebruik is een belangrijk onderdeel van het antibioticabeleid voor de veehouderij. Door afspraken over databases waarin dierenarts of veehouder de voorgeschreven/afgeleverde/gebruikte middelen bijhouden algemeen verbindend te verklaren wordt dit gebruik inzichtelijk gemaakt.
In onze brief van 8 december 2010 kondigden wij een wijziging aan van de Diergeneesmiddelenwet waarmee het vooruitlopend op de Wet dieren mogelijk wordt gemaakt om private afspraken over de centrale registratie van het antibioticagebruik algemeen verbindend te verklaren. Daarmee worden de veehouderijsectoren ondersteund bij de realisatie van een sectorbrede centrale registratie. Het desbetreffende wetsvoorstel is klaar en wordt op dit moment met relevante partijen besproken. Op basis daarvan zal het voorstel zo snel mogelijk aan uw Kamer worden gestuurd.
Vanaf het moment dat registratie van gebruik verplicht is, kan het gebruik van antibiotica in de veehouderij exact worden vastgesteld. Het is belangrijk dat er naast de MARAN-cijfers, die weliswaar wetenschappelijk onderbouwd zijn maar deels voortkomen uit een steekproef, ook getailleerde gegevens per sector bekend worden. Dan kan het een aan het ander aan elkaar gerelateerd worden. Om ervoor te zorgen dat er uitspraken gedaan kunnen worden over de voortgang van de reductie in het gebruik, is het van belang dat de oude manier van meten en het meten via de nieuwe, algemeen verbindend verklaarde databases een heel kalenderjaar parallel plaatsvindt. Door de metingen parallel te laten lopen is vergelijking mogelijk. Hierdoor kunnen vervolgens, met terugwerkende kracht, reductiedoelstellingen worden omgezet in concrete hoeveelheden.
De verkoopcijfers van FIDIN laten over 2010 een afname zien van de verkoop van antibiotica van 12%. Omdat in MARAN is aangetoond dat de verkoopcijfers en de resultaten van de wetenschappelijke steekproef in grote lijnen overeenkomen mogen wij concluderen dat er in 2010 een daadwerkelijke vermindering in gebruik heeft plaatsgevonden.
In de brief die de staatssecretaris van EL&I en ik op 8 december 2010 gezamenlijk stuurden geven wij ook een aantal effect- en prestatie-indicatoren aan die eveneens een indicatie geven over de voortgang van het proces. Het gaat hier onder meer om:
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren? Welke hoeveelheid antibioticagebruik hanteert u als referentiewaarde om de vermindering in 2011 en 2013 aan te relateren? Kunt u aangeven hoe deze referentiewaarde vertaald wordt naar de pluimveehouderij?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is het tussendoel voor deze doelstelling in 2012? Kunt u aangeven of het terugdringen van het gebruik van antibiotica met 20% in 2011 op schema ligt in de veehouderij en specifiek de pluimveehouderij?
Zie antwoord vraag 5.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om deze doelstellingen te bereiken? Wanneer gaat het kabinet deze maatregelen nemen?
Ik wil wederom verwijzen naar de brief die ik op 8 december 2010 gezamenlijk stuurde met de staatssecretaris van EL&I. De veehouderijsectoren moeten de doelstellingen bereiken en de overheid zal de aanpak vanuit de sectoren versterken met een aantal maatregelen. Dit zijn onder andere:
Mochten de tussentijdse reductieresultaten die de veehouderijsectoren behalen tegenvallen dan kan dit aanleiding geven het beleid aan te scherpen. Ook het advies van de Gezondheidsraad, waaraan ik veel waarde hecht en dat ik in de zomer van 2011 verwacht, kan tot aanpassingen leiden.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelstellingen te bereiken? Overweegt u om met wetgeving te komen indien de tussendoelstellingen niet gehaald worden? Kunt u aangeven hoeveel capaciteit er in de vorm van fte er bij de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) beschikbaar is voor de handhaving van regelgeving ten aanzien van antibiotica?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u in EU-verband actief aandacht gevraagd voor de problematiek in verband met het vraagstuk rondom antibioticagebruik in de Nederlandse (pluim)veehouderij en de relatie tot resistente bacteriën? Bent u van plan dit in de toekomst te doen?
Nederland is betrokken bij de ontwikkeling van een Europese aanpak. De Europese commissie is voornemens in november haar vijf jarenstrategie te presenteren voor de aanpak van antibioticaresistentie in zowel de humane gezondheidszorg als de veterinaire zorg. Daarnaast is er een gesprek geweest tussen staatssecretaris Bleker en commissaris Dalli waar het onderwerp aan de orde is gekomen.
Bent u bekend met vergelijkbare beleidsplannen uit andere Europese landen met als doel het terugdringen van het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij? Zo ja, kunt u aangeven welke indicatoren gebruikt worden om het beleid te evalueren?
In veel Europese landen heeft het terugdringen van antibiotica in de veehouderij nauwelijks prioriteit. De resistentievorming in de gezondheidszorg is daar een veel groter probleem dan de resistentieproblematiek in de veehouderij. Desondanks zijn er ook landen waar resistentie nog weinig aandacht krijgt terwijl resistentie er veelvuldig voorkomt. Samen met de Scandinavische landen loopt Nederland voorop bij pogingen om antimicrobiële resistentie in de praktijk te verminderen. Zover bekend zijn er geen andere landen die soortgelijke doelstellingen als Nederland hebben geformuleerd.
Voor gezamenlijke doelstellingen is nu dan ook geen draagvlak binnen de EU. Wel is er draagvlak om gezamenlijk het gebruik van antibiotica in kaart te brengen en te monitoren op antibioticaresistentie bij mensen, bij dieren en op voedsel. Nederland heeft ambtelijk aangedrongen op concrete, in EU-verband, te stellen doelen met betrekking tot vermindering van de problematiek.
Wat betreft het antibioticagebruik in de humane sector doet Nederland het ten opzichte van andere Europese landen goed. Op dit gebied heeft Nederland in Europa dan ook al jaren een stimulerende rol.
Kunt u de Kamer een overzicht geven van de gekwantificeerde doelstellingen ten aanzien van het terugdringen van gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij die andere lidstaten hanteren?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op vergelijkbare doelstellingen als in Nederland ten aanzien van het terugdringen van het gebruik van antibiotica, met het oog op het behouden van een gelijk speelveld voor de Nederlandse (pluim)veehouderij? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen u op dit punt genomen hebt, of gaat nemen?
Zie antwoord vraag 11.
De onderdrukking van de Papoea's |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de verklaring van de kerken op Papoea over de onderdrukking van de inheemse bevolking?1
Ik heb hier met zorg kennis van genomen.
Deelt u de mening dat Papoea op dit moment een annexatieproces ondergaat, waarbij het leefgebied van de Papoea's ernstig wordt bedreigd en geschaad? Zo nee, waarom niet?
De provincies Papoea en West-Papoea maken sinds 1969 onlosmakelijk deel uit van Indonesië. Er is dus geen sprake van annexatie.
De implementatie van de speciale autonomiewet voor Papoea uit 2001, bedoeld als kader voor de politieke, sociale en economische ontwikkeling van de regio, verloopt minder voorspoedig dan waarop gehoopt was. Mede hierdoor blijft de sociaal-economische ontwikkeling in de provincies Papoea en West-Papoea achter bij die van andere provincies. Het gebrek aan capaciteit op lokaal overheids- en institutioneel niveau is hieraan mede debet.
De door de eigen bevolking gekozen volksvertegenwoordiging in Papoea lijkt niet bij machte om de situatie wezenlijk te verbeteren. De Indonesische autoriteiten zijn zich bewust van deze problematiek en werken momenteel, in overleg met de autoriteiten in Papoea, aan de oprichting van een nieuwe eenheid die tot doel heeft de ontwikkeling van Papoea te versnellen. Deze eenheid zal ressorteren onder de vice-president. Het is belangrijk dat duidelijker wordt hoe dit initiatief zich verhoudt tot de speciale autonomiewet. Nederland volgt met grote interesse hoe dit verder wordt vormgegeven.
Hoe beoordeelt u de aanklacht dat Indonesië een bewuste politiek voert waarin de mensenrechten van de Papoea's met voeten worden getreden?
De mensenrechtenschendingen op Papoea blijven een punt van zorg. Het inwinnen van betrouwbare informatie is moeilijk. In veel gevallen is de toedracht van mogelijke mensenrechtenschendingen moeilijk vast te stellen. Ik vind het belangrijk dat bij vermoeden van mensenrechtenschendingen objectief onderzoek wordt gedaan en dat de daders worden vervolgd en bestraft. De mensenrechtensituatie in Papoea vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog met Indonesië. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u ingaan op de migratiepolitiek van Indonesië en de gevolgen die deze politiek heeft voor zowel de Papoea's als de flora en fauna in dit gebied?
De actieve financiële ondersteuning van de transmigratie in Indonesië door de Indonesische autoriteiten is sinds 2000 bijna volledig gestopt. Dit weerhoudt mensen uit andere delen van Indonesië er niet van om zich te vestigen in het relatief dun bevolkte Papoea. De gebieden waarin migranten zich officieel mogen vestigen, bevinden zich buiten de beschermde en productiebosgebieden. De provincie Papoea heeft recentelijk een ruimtelijk ordeningsplan aangeboden aan het Ministerie van Bosbouw. De inzet van het plan is om in Papoea de bescherming van bos- en veengebieden in hoge mate te garanderen.
Bent u bereid de Indonesische autoriteiten op te roepen tot het onmiddellijk stoppen met de schending van de mensenrechten van de Papoea's? Bent u daarnaast bereid te pleiten voor een duurzame ontwikkeling van Papoea waarbij wordt gezocht naar een dialoog tussen de regering en de Papoea's?
De situatie van de mensenrechten in Papoea, alsmede die in andere delen in Indonesië, vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog tussen Nederland en Indonesië. De mensenrechtensituatie in Papoea is tevens besproken tijdens de EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die plaatsvond op 9 maart jl. Nederland tracht via praktische samenwerking met Indonesië projecten te realiseren die de situatie in Papoea in gunstige zin beïnvloeden. Zo draagt Nederland bijvoorbeeld bij aan versterking van de lokale bestuurlijke capaciteit in Papoea.
De Indonesische denktank LIPI heeft in zijn road map for Papua (2009) voorstellen gedaan voor een dialoog tussen vertegenwoordigers van de Papoea-bevolking en de Indonesische autoriteiten. In contacten met de Indonesische autoriteiten moedigt Nederland deze ontwikkeling aan.
De arrestatie van leiders van de Iraanse oppositie |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft het Iraanse regime de oppositieleiders Moussavi en Karoubi gearresteerd?
Het is mij niet bekend of Moussavi en Karoubi gearresteerd zijn. Hoewel persbureau Reuters melding maakt van de arrestatie van oppositieleiders Moussavi en Karoubi en zich daarbij baseert op de website van Moussavi, hebben de Iraanse autoriteiten dit bericht tot op heden niet bevestigd, zelfs niet in antwoord op een demarche door het EU-voorzitterschap in Teheran.
Zo ja, weet u ook waarom? Klopt het dat zij ervan worden beschuldigd «contra-revolutionairen» te zijn die «hoogverraad» plegen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid het voortouw te nemen om te komen tot een veroordeling van deze arrestaties door de Europese Unie en mogelijk de Verenigde Naties? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de stappen die u hiertoe onderneemt?
Op 2 maart 2011 heeft in opdracht van Hoge Vertegenwoordiger Ashton een demarche plaatsgevonden door de Hongaarse ambassadeur in zijn positie als lokale EU-voorzitter bij het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken over de vermeende arrestatie van de twee oppositieleiders. De Iraanse autoriteiten hebben geweigerd het bericht te bevestigen of andere feitelijke informatie over hun situatie te verstrekken. Hoge Vertegenwoordiger Ashton gaf op 4 maart een verklaring uit waarin zij haar zorg uitspreekt over de situatie van de twee oppositieleiders. Ashton roept de Iraanse autoriteiten op hun bewegingsvrijheid te garanderen en veroordeelt de onderdrukking van de Iraanse oppositie.
In de VN-Mensenrechtenraad is bespreking van een Iran-resolutie geagendeerd. In die resolutie zal expliciet worden verwezen naar het recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
De berichten over de vermeende arrestatie van de beide oppositieleiders worden door de Nederlandse regering op de voet gevolgd. Nederland zal daar waar mogelijk de Iraanse autoriteiten aanspreken op deze kwestie.
Welke mogelijkheden ziet u om de druk op het Iraanse regime te vergroten zodat zij politieke tegenstanders niet oppakt en in de gevangenis zet? Bent u bereid deze mogelijkheden maximaal in te zetten, zodat er alles aan gedaan kan worden om het lot van de oppositieleiders te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Dreigende bezuinigingen op alle vormen van gesubsidieerde arbeid bij musea en andere culturele instellingen |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Muzee Scheveningen voorziet sluiting als extra geld uitblijft»?1
Ja.
Hoeveel mensen binnen de gesubsidieerde arbeid zijn werkzaam binnen musea, theaters en andere culturele instellingen? Kunt u dit onderscheiden naar aantallen mensen die werken binnen een ID-baan en binnen de sociale werkvoorziening?
Het kabinet beschikt niet over informatie hoeveel mensen op basis van gesubsidieerde arbeid werkzaam zijn binnen musea, theaters en andere culturele instellingen. De beschikbare cijfers over gesubsidieerde arbeid zijn niet uitgesplitst naar sectoren.
Wat zijn de consequenties van het wegvallen van de gesubsidieerde arbeid binnen culturele instellingen, in het bijzonder voor de openingstijden en de beveiliging van musea?
Bij de invoering van de WWB (2004) is de nadruk gelegd op het stimuleren van regulier werk. Gemeenten beschikken over een participatiebudget, op basis waarvan zij zelf keuzes kunnen maken voor welke cliënten zij welke instrumenten inzetten (maatwerk).
Sinds 2004 werken gemeenten aan de afbouw van gesubsidieerde arbeid (WIW en ID-banen) met als inzet om de betreffende personen zo veel mogelijk op een reguliere baan te plaatsen. Uit cijfers van het CBS blijkt dat het aantal WIW en ID-banen sindsdien sterk is afgenomen (van ruim 40 000 in 2004 tot minder dan 10 000 in 2010). Het kabinet heeft gemeenten bij de afbouw van de WIW en ID-banen ondersteund, onder meer via een tijdelijke stimuleringsregeling voor het regulier maken van 10 000 ID-banen.
De wijze van afbouw van WIW en ID-banen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan instellingen waar de betreffende personen werkzaam zijn, om tijdig te anticiperen op maatregelen die gemeenten hebben getroffen of zullen treffen.
Bestaat de kans dat musea, zoals het Muzee in Scheveningen, theaters en andere culturele instellingen gesloten worden na wegvallen van de gesubsidieerde arbeid?
Zie antwoord vraag 3.
Grievende uitspraken over homo's door leraren te Kampen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ophef om visie op homo's Kamper leraren»?1
Ja.
Is het waar dat enkele docenten van het Ichthus college in Kampen van mening zijn dat homoseksualiteit een psychische aandoening is? Zo ja, deelt u die mening? Zo nee, deelt u dan de mening dat het bijzonder onacceptabel is dat docenten een dergelijke mening menen te moeten delen met leerlingen?
Uit informatie van de Inspectie van het Onderwijs, is mij gebleken dat bij het Ichtus College in Kampen in 6 vwo een debat heeft plaatsgevonden aan de hand van diverse stellingen, waaronder de stelling dat homoseksualiteit een psychische aandoening betreft. Er is dus geen sprake van een mening van een docent of van de school, zo blijkt uit informatie van de Inspectie van het Onderwijs. Er is daarom geen enkele aanleiding voor verder onderzoek of het treffen van maatregelen.
Was u al eerder op de hoogte van het feit dat op deze school, of eventueel andere scholen, docenten dergelijke meningen uitdragen? Zo ja, welke stappen heeft u daartegen ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunnen leerlingen of andere docenten op deze school, of een andere school, waar intolerantie bestaat ten opzichte van homoseksualiteit daar toch voor uitkomen? Zo nee, wat is uw mening daarover, hoe vergaat het homo’s op een dergelijke school en wat gaat u doen om homoseksuelen op dergelijke scholen te helpen?
In antwoord op Kamervragen van het Lid Dijkstra (D66) d.d. 20 januari 2011 (TK 2010–2011, Aanhangsel 1132) heb ik mij uitgesproken over het belang van een veilig schoolklimaat en van voorlichting op scholen. Daartoe behoort ook de manier waarop over homoseksualiteit wordt gesproken. Het is echter aan de scholen zelf om te beslissen op welke wijze zij invulling geven aan het veiligheidsbeleid op hun school. In de voortgangsrapportage Homo-emancipatiebeleid 2008–2010 (TK 2009–2010, 27 017, nr. 72), die ik op 24 juni jl. naar uw Kamer heb gestuurd, heb ik u een aantal maatregelen gemeld die zijn ingezet om scholen te ondersteunen bij het bespreekbaar maken van homoseksualiteit, zodat homoseksuele leerlingen en leraren, als ze dat wensen, uit de kast kunnen komen omdat zij zich veilig voelen op hun school. Ik noem er twee. De eerste is de steun aan de Hetero- en Homo Onderwijsalliantie, dat is een samenwerkingsverband van de Algemene onderwijsbond, CNV Onderwijs, CBOO (Landelijk Openbaar Onderwijs) en Edu Divers. Deze alliantie heeft initiatieven genomen om activiteiten op scholen te organiseren gericht op zowel onderwijs-ondersteunende organisaties en schoolbesturen als ook op pabo’s en lerarenopleidingen met het doel de sociale acceptatie van homoseksuelen in het onderwijs te verbeteren. De tweede maatregel betreft de Gay- and Straight Scholen Alliantie van het COC. Deze alliantie van homo- en heteroleerlingen maakt samen met hun docenten homoseksualiteit bespreekbaar op hun school. In de Nationale Gay- and Straight Scholen Alliantie week, die is gehouden van 21 tot 25 maart 2011, zijn scholen opgeroepen om een petitie te tekenen, waarin leraren en leerlingen beloven het woord «homo» niet als scheldwoord te zullen gebruiken en dat zij zullen opkomen voor homoseksuelen die gepest worden. Het kabinet zal op deze maatregelen voortbouwen en deze verder intensiveren. In mijn brief van 8 april jl. heb ik u hierover nader geïnformeerd.
Deelt u de mening dat bovenstaande uitingen nogmaals benadrukken dat voorlichting over homoseksualiteit, bijvoorbeeld door het COC2, op scholen van groot belang is? Zo ja, hoe gaat u deze voorlichting bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan om deze zaak verder te laten uitzoeken en alle benodigde stappen te ondernemen om te voorkomen dat docenten dergelijke uitspraken doen? Zo ja, hoe gaat u dat doen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 2 en 3.
Welke middelen staan u formeel dan wel informeel ter beschikking om deze docenten aan te pakken of aan te laten pakken? Hoe gaat u van deze middelen gebruik maken?
Zie antwoord vraag 6.
Welke middelen heeft de werkgever van deze docenten om tegen hen op te treden? Weet u of de school van die middelen gebruik maakt?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat docenten die menen te moeten vertellen dat homoseksualiteit een psychische aandoening is, niet geschikt zijn voor hun vak en mogelijk zelfs strafbaar zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook vermeld in het antwoord op vragen 2 en 3, is uit informatie van de Inspectie van het Onderwijs gebleken dat het ging om één van de stellingen in een debat en niet om de mening van een docent of van een school. Naar aanleiding hiervan zijn geen aangiften bij het Openbaar Ministerie bekend. Er is evenmin aanleiding voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek.
Is er aangifte wegens discriminatie gedaan tegen deze docenten? Zo nee, overweegt het Openbaar Ministerie om ambtshalve vervolging in te stellen, bijvoorbeeld op grond van belediging van een groep mensen?
Zie antwoord vraag 9.
De Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld in het kader van Ruimte voor de Rivier |
|
Ad Koppejan (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van het bestuur van de Agrarische Belangenvereniging Veessen-Wapenveld aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van 17 februari 2011?
Bent u ermee bekend dat de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld vele huiskavels en percelen doorsnijdt? Deelt u de mening dat om de verkaveling goed te kunnen herstellen een wettelijke verkaveling noodzakelijk is? Bent u hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Waarom dient de natuur, die verloren gaat als gevolg van de aanleg van de hoogwatergeul, gecompenseerd te worden met de aanleg van vier keer zoveel «nieuwe natuur» in de vorm van een «landschapszone» van 75 tot 80 hectare? Is er werkelijk een noodzaak om zoveel meer goede landbouwgrond op te offeren voor natuurcompensatie?
Waarom is hier gekozen voor de aanleg van zogenaamde «nieuwe natuur» en niet voor agrarisch natuurbeheer? Waarom wordt ervoor gekozen om het beheer van de landschapszone over te dragen aan Staatsbosbeheer terwijl de boeren gezamenlijk hebben aangeboden om zelf het beheer uit te voeren? Kunnen de boeren gezamenlijk het natuurbeheer niet veel kostenefficiënter uitvoeren met als bijkomend voordeel dat het karakteristieke agrarisch cultuurlandschap meer intact gelaten kan worden?
Past het voornemen om de natuur die verloren gaat als gevolg van de aanleg van de Hoogwatergeul te compenseren met de aanleg van vier keer zoveel «nieuwe natuur» wel binnen de letter en de geest van het regeerakkoord?
Is het waar dat wanneer iemand een beroep doet op de «Schaderegeling Ruimte voor de Rivier», onroerend goed alleen op termijn nog aan de overheid verkocht kan worden omdat deze schaderegeling niet op derden overdraagbaar is? Waarom is de regeling zo vormgegeven dat de overheid uiteindelijk alle gronden in handen krijgt en wat is hiervan het effect op de grondmobiliteit in het gebied?
Hoe geeft u uitvoering aan de in december 2006 door de Eerste Kamer aangenomen motie-Eigeman Kamerstukken I 2006/2007, 3 080, E waarin onder andere wordt gevraagd om in het project Veessen–Wapenveld recht te doen aan de landbouwkundige waarden van het gebied?
De inzet van schoolbussen als antwoord op krimp |
|
Niels van den Berge (GL), Ineke van Gent (GL) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u een beeld van het aantal (basis)scholen dat werkt met schoolbussen voor leerlingen die van verder weg komen en wiens ouders niet de mogelijkheid hebben voor eigen vervoer te zorgen? Zo nee, bent u bereid die informatie te achterhalen?
Nee. Het leerlingvervoer is een verantwoordelijkheid van de gemeente. Hierbij wordt aan ouders een vergoeding toegekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, dan wel wordt door de gemeente het vervoer georganiseerd (taxibusjes). De gemeente moet hiertoe een regeling treffen. In deze regeling wordt in het algemeen een afstandscriterium opgenomen en kan een drempelbedrag ten laste van de ouders worden gebracht.
Daarnaast zijn er initiatieven van schoolbesturen en ouders om kinderen die verder weg van de school wonen te halen en te brengen. Ik zie geen aanleiding om inzicht te krijgen over de omvang van dergelijk schoolvervoer.
Heeft u een beeld waar de kosten van het laten rijden van een schoolbus terecht komen; bij ouders, schoolbesturen en/of gemeenten?
Ik heb daarvan geen beeld. Het is de verantwoordelijkheid van enerzijds de gemeente en anderzijds schoolbesturen en/of ouders om afspraken te maken over de kosten van dit vervoer.
Is bij u bekend hoe groot de behoefte is aan schoolbussen in krimpregio’s en in hoeverre in die behoefte voorzien wordt? Zo nee, bent u bereid dat te laten onderzoeken?
Het is mij niet bekend hoe groot deze behoefte is. In krimpregio’s kunnen bij de sluiting van een school op regionaal niveau afspraken worden gemaakt over het eventuele schoolvervoer. Ik zie geen reden om daarvan op landelijk niveau een beeld te hebben omdat het vervoer van leerlingen niet onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW ressorteert.
Ziet u in de toekomst een grotere rol weggelegd voor de inzet van schoolbussen in krimpgebieden waar dorpsscholen verdwijnen en kinderen in toenemende mate aangewezen zullen zijn op «verzamelscholen»? Zo ja, waar zouden de kosten voor de inzet van schoolbussen volgens u terecht moeten komen?
Het ligt voor de hand dat bij sluiting van scholen in krimpgebieden het vervoer van leerlingen over een grotere afstand een belangrijke rol gaat spelen. De kosten voor dit vervoer zullen voor rekening komen van de gemeente, het schoolbestuur en/of de ouders.