Het recht van grensarbeiders op een persoonsgebonden budget in Duitsland |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Margreeth Smilde (CDA), Linda Voortman (GL) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Nederlanders die in Duitsland wonen, maar in Nederland werkzaam zijn, niet in aanmerking komen voor een PGB of Pflegegeld?
Ja.
Kunt u aangeven welke rechten een Nederlander heeft ten aanzien van de AWBZ wanneer hij in het buitenland woont, maar in Nederland werkt en premie betaalt?
Een persoon die in het buitenland woont maar werkt in Nederland is, ongeacht zijn nationaliteit, verzekerd op grond van de AWBZ. Deze persoon heeft zowel aanspraak op gecontracteerde zorg (zorg in natura) als recht op vergoeding van de betaalde kosten indien hij buiten Nederland niet-gecontracteerde zorg inroept die met een AWBZ-verstrekking vergelijkbaar is. Indien voor de AWBZ-verstrekking een eigen bijdrage geldt wordt het bedrag daarvan afgetrokken van het bedrag dat gerestitueerd wordt.
Het PGB is geen wettelijke aanspraak en valt dus niet onder de vergoedingmogelijkheid. Het zorgkantoor kan alleen subsidie voor PGB’s verlenen voor verzekerden woonachtig in zijn regio. Nederlanders die in Duitsland wonen, wonen niet in een regio van een zorgkantoor en kunnen dus geen PGB krijgen.
Daarnaast bestaat ingevolge de Europese sociale zekerheidsverordening (Verordening (EEG) nr. 883/04) aanspraak op deze zorg («verdragsaanspraak») in natura. Voorwaarde daarbij is dat de ziektekostenverzekeringwetgeving van het woonland voorziet in AWBZ-achtige vormen van zorg. De kosten daarvan komen ten laste van Nederland. Als verdragsgerechtigde heeft men in het woonland aanspraak op verstrekkingen, maar niet op uitkeringen.
Duitsland kent naast zorg in natura ook het Pflegegeld. In het arrest Molenaar heeft het Hof geoordeeld dat het Duitse Pflegegeld dient te worden aangemerkt als «uitkering» in de zin van de verordening en niet als verstrekking. Dit komt door de kenmerken van het Pflegegeld. Deze kenmerken zijn: het gaat om een periodieke toelage, het gaat om een vast bedrag ongeacht gemaakte kosten, er hoeven niet eerst betalingsverplichtingen te zijn aangegaan met zorgverleners, noch hoeven er bewijsstukken voor gemaakte kosten te zijn overgelegd en er is een grote mate van vrijheid bij de besteding van het bedrag. Het gevolg van die uitspraak is dat Nederlandse verdragsgerechtigden die in Duitsland wonen geen recht hebben op het Pflegegeld (wel op de «Pflege» zorg in natura), terwijl de Duitse verdragsgerechtigden die in Nederland wonen wel Pflegegeld kunnen ontvangen en daarnaast in beginsel aanspraak hebben op zorg in natura.
Naar mijn mening is hier geen sprake van ongelijke behandeling, omdat er vanwege het wonen in een ander land geen sprake is van gelijke omstandigheden.
Door het wonen in een ander land dan het land waar men werkt is de Europese regelgeving en de daarop gebaseerde Hofjurisprudentie van toepassing.
Zijn rechten op AWBZ-zorg gelijk aan de rechten voor premiebetalende Nederlanders woonachtig in andere Europese lidstaten? Zo nee, deel u de dat er dan sprake is van ongelijke behandeling?
Zie antwoord vraag 2.
Als premiebetalende Nederlanders woonachtig in Duitsland van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) te horen krijgen dat zij niet in aanmerking komen voor een PGB of voor Pflegegeld, waarom staat er dan op de website van het CVZ: «Als de verzekerde langer dan zes weken in het buitenland verblijft en een zorgverlener contracteert die niet onder de Nederlandse fiscale en sociale wetgeving valt, past het zorgkantoor de hoogte van het PGB aan aan het prijsniveau van het land waar de verzekerde verblijft. Het CVZ heeft hiervoor aanvaardbaarheidspercentages ontwikkeld.»?1
Het citaat is onvolledig. De slotzin op de website van het CVZ:
«Verzekerden die permanent in het buitenland wonen, hebben geen recht op een PGB.» De in de vraag geciteerde tekst slaat op AWBZ-verzekerden die tijdelijk in het buitenland verblijven en nog steeds woonachtig zijn in Nederland. In die situaties is het verdragsrecht dus niet van toepassing.
Deelt u de mening dat het onjuist is wanneer er onderscheid wordt gemaakt tussen het vergoeden van zorg in natura en het PGB, omdat mensen wettelijk recht hebben op het maken van deze keuze?
Er is geen wettelijk recht op deze keuze. Het PGB wordt verleend in de vorm van subsidie.
Welke stappen bent u bereid te zetten om er voor te zorgen dat de Europese wetgeving wordt aangepast om een PGB voor premiebetalende Nederlanders woonachtig in Duitsland mogelijk te maken?
Dat mensen recht hebben op een PGB, noch op Pflegegeld heeft enerzijds te maken met het feit dat het in Nederland geen wettelijke aanspraak is en in Duitsland niet kan worden verstrekt vanwege het arrest Molenaar.
Het wettelijk regelen van het PGB is afgesproken in het Regeer- en Gedoogakkoord (zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 1). Bij het wettelijk gaan regelen van het PGB zal ik de onderhavige kwestie nader bezien. Zowel het wettelijk regelen van het PGB als vorm van verstrekking (een budget dat aan zorg moet worden besteed) als het wettelijk regelen van het PGB in de vorm van een uitkering (een budget waarover geen verantwoording moet worden afgelegd) heeft Europeesrechtelijke gevolgen voor verdragsgerechtigden die niet AWBZ-verzekerd zijn, zowel voor Nederlanders in het buitenland als buitenlanders in Nederland.
Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zal ik mij zonodig verstaan met de Europese Commissie. Vanzelfsprekend speelt hierbij het solide maken van het PGB een rol.
Welke stappen bent u bereid te zetten om er op korte termijn voor te zorgen dat de mensen die nu tussen wal en schip vallen zelf hun zorg kunnen regelen door middel van een PGB? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan met het CVZ en de betreffende Duitse uitvoeringsinstantie om snel tot een oplossing te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg Informele Gezondheidsraad (EU) op 3 maart 2011?
Ja.
De hoge ouderbijdrage voor het Leonardo-onderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe moet uw beantwoording van de eerdere vragen van het lid Elias1 worden beoordeeld in het licht van de ondershands meegezonden e-mail van woensdag 23 maart 2011?2
In genoemde e-mail van 23 maart 2011 reageert de inspectie van het onderwijs op een vraag over een verplichte ouderbijdrage voor Leonardo-activiteiten. De eerdere vragen van het lid Elias hadden betrekking op de hoogte van de ouderbijdrage voor deze activiteiten. In de beantwoording van die vragen heb ik erop gewezen dat ouders er vrijwillig voor kiezen om hun kinderen deel te laten nemen aan deze extra activiteiten en dat daarvan bekend is dat een (hoge) ouderbijdrage wordt gevraagd.
Het Leonardo-concept wordt ontwikkeld en bewaakt door de Leonardo-stichting. Het concept is bestemd voor kinderen met een hoog leervermogen en heeft ten doel die kinderen een uitdagende leeromgeving te bieden waarin zij zichzelf zonder belemmeringen en in hun eigen tempo kunnen ontwikkelen. Dit concept bestaat uit een programma met extra activiteiten, waarbij de genoemde leerlingen in afzonderlijke groepen het gehele lesprogramma doorlopen. Door de scholen wordt dit doorgaans aangeduid als een «Leonardo-afdeling» binnen een reguliere school. Voor een goed begrip wijs ik erop dat deze afdeling binnen de wetgeving en de overheidsbekostiging geen enkele status heeft. Voor deze extra activiteiten ontvangen de scholen dan ook geen aanvullende rijksbekostiging. Voor leerlingen is deelname aan deze extra activiteiten verplicht noch noodzakelijk. Zij kunnen immers altijd deelnemen aan het reguliere aanbod van de betrokken school. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, dient dit aanbod afgestemd te worden op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, zodat het ook passend moet zijn voor hoogbegaafde leerlingen.
De Leonardo-stichting merkt de ouderbijdrage met nadruk als vrijwillig aan, zoals ook op haar website gelezen kan worden in het antwoord op de (veelgestelde) vraag of Leonardo-afdelingen particulier zijn en of ouders hiervoor moeten betalen. Dit antwoord luidt als volgt:
«Leonardo-afdelingen zijn in feite onderdeel van een bestaande basisschool en zeker geen particuliere school, dus het bestuur ontvangt van de Rijksoverheid voor de Leonardo kinderen evenveel als voor de andere kinderen. Omdat het Leonardo-onderwijs duurder is (kleinere klassen, vakleerkrachten, speciale inrichting etc.) kunnen besturen ouders om een bijdrage vragen. Dit is echter te allen tijde een vrijwillige bijdrage, een bestuur kan kinderen nooit weigeren vanwege de financiële bijdrage door de ouders» (zie www.leonardostichting.nl).
Dit antwoord sluit aan bij artikel 40, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs waarin is bepaald is dat de toelating van een leerling niet afhankelijk mag worden gesteld van een financiële bijdrage. Wel kunnen ouders zich vastleggen op een bijdrage in een overeenkomst die voldoet aan de eisen die daaraan in genoemd artikel worden verbonden. De meeste scholen met het Leonardo-concept hebben een regeling waarmee de vrijwillige bijdrage afgestemd wordt op draagkracht van de ouders en/of een fonds waarop de ouders een beroep kunnen doen.
Mocht de school –bijvoorbeeld door ontoereikendheid van beschikbare fondsen en/of vrijwillige ouderbijdragen – de extra activiteiten niet kunnen financieren, dan zal de betrokken school daarvoor, in lijn met het voorgaande, zelf een oplossing moeten vinden. Bijvoorbeeld door het staken of verminderen van de extra activiteiten.
Kunt u alsnog aangeven wat u ervan vindt dat reguliere scholen Leonardo-onderwijs geven in zogenaamde Leonardo klassen (particulier onderwijs in regulier onderwijs)?
Zoals in het antwoord op vraag 1 al is uiteengezet, betreft het hier geen particulier onderwijs maar extra onderwijsactiviteiten die door een rijksbekostigde school wordt aangeboden. Deze activiteiten biedt een schoolbestuur aan uit eigen beweging en op basis van de inrichtingsvrijheid.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de onderwijsinspectie dat geen sprake kan zijn van particulier onderwijs en de ouderbijdrage dus niet kan worden gezien als verplicht?
Neen. Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat hier sprake is van oneigenlijke situatie? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?
Het aantal lang verblijvende, verwesterde Afhgaanse meisjes in Nederland, vergelijkbaar met Sahar Hbrahimgel |
|
Tofik Dibi (GL), Joël Voordewind (CU), Hans Spekman (PvdA), Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over het aantal lang verblijvende, verwesterde Afghaanse meisjes in Nederland, vergelijkbaar met Sahar Hbrahimgel?1
Ja.
Vindt u het verantwoord, nu nog specifiek gerapporteerd moet worden door de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie van schoolgaande meisjes in Afghanistan, om, gelet op de niet eenduidige signalen over die situatie, in de tussenliggende periode verwesterde schoolgaande meisjes uit te zetten naar Afghanistan? Kunt u dit toelichten?
Zoals ik in mijn brief van 8 april 20112 heb meegedeeld heb ik naar aanleiding van het thematisch ambtsbericht Afghanistan besloten dat in individuele gevallen om klemmende redenen van humanitaire aard van verwesterde meisjes onder bepaalde omstandigheden niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan.
Erkent u dat uit uw antwoorden op de vragen blijkt dat het aantal zaken dat daadwerkelijk vergelijkbaar is met die van Sahar (waarbij dus in elk geval sprake is van een nog lopende asielprocedure en het betreffende minderjarige meisje langer dan 10 jaar in Nederland verblijft) veel minder is dan 400, aangezien er nu slechts 110 meisjes zijn die een procedure afwachten en u niet kunt aangeven hoeveel van hen al langer dan 10 jaar in Nederland verblijft? Kunt u dit toelichten?
In mijn brief van 8 april 2011 heb ik aangegeven dat aan de familie Hbrahimgel een verblijfsvergunning wordt verleend. Zoals ik in vorengenoemde brief heb weergegeven – onder de daarin genoemde voorbehouden – verwacht ik nu dat op grond van het nieuwe beleid enkele tientallen tot een honderdtal meisjes voor een verblijfsvergunning in aanmerking zal kunnen komen.
Erkent u dat genoemde aspecten van de zaak van Sahar, tezamen met de overige omstandigheden, te weten dat Sahar twee minderjarige broertjes heeft, dat zij geheel verwesterd is, dat haar familie twee legitieme eerdere asielprocedures heeft gevoerd, dat de kinderen buitengewoon goed geïntegreerd en geworteld in Nederland zijn, dat het lange verblijf mede het gevolg is van het overschrijden van beslistermijnen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en dat er medische aspecten spelen, betekenen dat dit op z’n minst een bijzondere zaak waarvan het aantal daadwerkelijk vergelijkbare zaken minimaal is? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om naast de beoordeling van het risico van de verwestering van Sahar en de slechte veiligheidssituatie in Afghanistan, de genoemde bijzondere omstandigheden mee te wegen in het totaal aan relevante aspecten dat van belang is voor het al dan niet toekennen van verblijf aan Sahar en haar familie? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u nader aangeven waarom er sinds het jaar 2000 geen Afghaanse vrouwen en meisjes meer zijn vertrokken naar Afghanistan, buiten de 200 die vrijwillig via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zijn vertrokken? In hoeverre spelen de slechte veiligheidssituatie in Afghanistan en het risico van verwestering daarbij een rol? Wat zijn de oorzaken dat er sinds 2007 vrijwel geen Afghaanse vrouwen en meisjes meer naar Afghanistan zijn vertrokken? Waarom verwacht u onder deze omstandigheden juist van Sahar en haar familie dat zij wel naar Afghanistan vertrekken?
Terugkeer is van vele factoren afhankelijk. Gelet hierop valt er in zijn algemeenheid niet te zeggen wat de reden is voor het verschil in vertrek tussen de periode voor en na 2007, noch voor het feit dat er in de genoemde periode geen onvrijwillige vertrekken hebben plaatsgevonden.
Zoals uit de genoemde vertrekcijfers naar voren komt, is het niet onmogelijk om terug te keren naar Afghanistan. Dit wordt dan ook van iedere uitgeprocedeerde vreemdeling met de Afghaanse nationaliteit verlangd.
Acht u het aangewezen om, mede gelet op deze minimale vertrekcijfers, na een zekere tijdsduur, zeker in het geval van reeds zeer lang verblijf en worteling in de Nederlandse samenleving, de belangen van minderjarige kinderen in individuele situaties daadwerkelijk voorop te stellen en hen verblijf toe te staan? Kunt u dit toelichten?
In mijn brief van 8 april 2011 ben ik naar aanleiding van het thematisch ambtsbericht ingegaan op de gevallen waarin een verblijfsvergunning zal kunnen worden verleend. Bij de beoordeling van een aanvraag om toelating worden de belangen van kinderen altijd meegewogen. De suggestie als zou dit niet het geval zijn, bestrijd ik. De vertrekcijfers vormen geen bijzondere omstandigheid die in het kader van mogelijke gebruikmaking van mijn discretionaire bevoegdheid worden meegewogen.
Kunt u tevens aangeven hoeveel van de 110 Afghaanse meisjes die op dit moment een toelatingsprocedure afwachten, deel uitmaken van een gezin waarvan de vader in de toelatingsprocedure artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen? Kunt u bevestigen dat dit deel van de Afghaanse meisjes niet bij het totaal aantal vergelijkbare zaken mag worden betrokken, aangezien die problematiek bij de familie van Sahar niet speelt?
Het is niet mogelijk om cijfers te geven, omdat asielzoekers en hun gezinsleden niet altijd gelijktijdig inreizen en meerderjarige kinderen binnen een gezin vaak een eigen dossiernummer krijgen, zijn niet altijd alle gezinsleden gekoppeld aan één dossiernummer. Hoewel uit INDIS, het informatiesysteem van de IND, kan worden herleid of er zich in de dossiers van de 110 meisjes ook mannelijke familieleden bevinden aan wie artikel 1F is tegengeworpen, kan uit INDIS niet worden herleid wat de precieze familierelatie van deze mannen met de meisjes. Veelal zullen dit vaders betreffen, maar het kunnen bijvoorbeeld ook broers zijn. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat er meer meisjes een vader of andere gezinsleden in Nederland hebben, aan wie 1F is tegengeworpen die echter een eigen dossier hebben.
Onvrede over het onderwijs bij de twee Amsterdamse ROC's |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben ook u berichten bereikt over de onvrede die er heerst bij de leerlingen van de twee Regionale Opleidingscentra (ROC) in Amsterdam te weten ROC Amsterdam en ASA Amsterdam?1
Op welke berichten u precies doelt, is mij niet bekend.
Naar aanleiding van uw eerdere signaal over langdurige lesuitval bij een Amsterdams roc heeft de inspectie navraag gedaan bij het ROC van Amsterdam. De inspectie heeft naar aanleiding van het signaal contact opgenomen met het ROC van Amsterdam. Daar bleek echter geen sprake van het in het signaal geconstateerde probleem. Daarna is de vraag voorgelegd aan Amarantis Onderwijsgroep (waar ROC ASA onder valt). Bij ROC ASA bleek op één locatie veel lesuitval te zijn geweest, maar er was geen sprake van uitval door ziekte van docenten gedurende anderhalf jaar in het hoofdvak. Reparatietrajecten zijn door ROC ASA ingezet en uitgevoerd. De door ROC ASA verstrekte informatie was duidelijk en vormde voor de inspectie geen aanleiding om naast het reguliere toezicht (o.a. een behoorlijk aantal lopende kwaliteitsonderzoeken) extra onderzoek te doen.
Van de Ombudslijn MBO ontvang ik maandelijks een rapportage over de klachten van studenten en ouders en de afhandeling daarvan door de instellingen. Bijna alle over beide Amsterdamse roc’s ingediende klachten zijn binnen de gestelde termijnen naar tevredenheid van de indieners afgehandeld.
Wat betreft het voortijdig schoolverlaten (VSV) laten beide roc’s helaas een matig resultaat zien. Bij het ROC van Amsterdam is het aantal vsv-ers in 2008–2009 gedaald met 23%. Bij ROC ASA is in diezelfde periode het aantal vsv-ers gedaald met 24%. De cijfers over de periode 2009–2010 laten een vermindering van de daling zien. Het ROC van Amsterdam kende een daling van 16% en ROC ASA kende een daling van 10%. Hierover zijn mijn ambtenaren uitvoerig in gesprek met de wethouder van Onderwijs van Amsterdam en de colleges van bestuur van beide roc’s.
Wat vindt u ervan dat de onvrede zich met name richt op de structurele lesuitval (Engels, Nederlands, hoofdvak), slechte stagebegeleiding en het nakomen van stageverplichtingen, zoals het opmaken van een stageovereenkomst en de gebrekkige begeleiding bij lessen en hoe wilt u deze ongewenste situatie stoppen? Wat gaat u hieraan doen?
Deze ervaringen zijn met name voor de betrokken studenten heel vervelend.
Deze studenten kunnen hun klachten bij de desbetreffende instelling in dienen.
Het is belangrijk dat studenten hun klachten bij hun eigen opleiding/instelling aan de orde stellen, zodat er wat aan gedaan kan worden. Als student en opleiding/instelling er écht niet uit komen kan de student zich wenden tot de Ombudslijn MBO. Een student kan zich ook met vragen en klachten wenden tot de Jongeren Organisatie in het Beroepsonderwijs (JOB) en/of de Inspectie van het Onderwijs.
De Inspectie van het Onderwijs behandelt geen individuele klachten, maar neemt de klachten die bij haar worden bekendgemaakt als signaal mee in het reguliere toezicht op de betreffende instelling. Naar aanleiding van ernstige signalen kán de Inspectie van het Onderwijs besluiten tot nader onderzoek.
Deelt u de mening dat leerlingen het recht hebben op goed onderwijs en dat het borgen van de kwaliteit van het onderwijs een verantwoordelijkheid is van de overheid? Zo ja, welke instrumenten heeft u in handen om de ROC’s aan de tand te voelen? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat studenten recht hebben op goed onderwijs. De verantwoordelijkheid voor het borgen van de kwaliteit van een opleiding ligt bij de onderwijsinstellingen. De instellingen leggen daarover verantwoording af in de jaarverslaggeving. De Inspectie van het Onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op de instellingen.
Bij geconstateerde onvoldoende onderwijs- en/of examenkwaliteit kan ik besluiten de onderwijs- respectievelijk de examenlicentie van de betrokken opleiding in te trekken als de opleiding niet voldoende is verbeterd binnen een termijn van een jaar. Door meteen een waarschuwing af te geven bij onvoldoende onderwijs- en of examenkwaliteit heb ik het vervolgtraject bij onvoldoende onderwijskwaliteit verkort van 2 naar 1 jaar. Bij niet-naleving van wet- en regelgeving kan ik bovendien bekostigingsmaatregelen nemen.
Bent u, met het oog op de aangenomen motie-Çelik/Elias2 waarin wordt gevraagd scholen een boete op te leggen indien lesuitval niet tijdig wordt opgelost, voornemens om die boete op te leggen, indien de klachten van de leerlingen blijken te kloppen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Als vanwege lesuitval te weinig onderwijstijd wordt gerealiseerd, kan ik een bekostigingsmaatregel opleggen. Daartoe dient de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek uit te voeren. De 850-urennorm maakt integraal deel uit van het Toezichtskader BVE van de Inspectie van het Onderwijs.
Bij het ROC van Amsterdam is destijds bij een aantal opleidingen geconstateerd dat de onderwijstijd onvoldoende is en daarvoor is een bekostigingsmaatregel opgelegd.
Heeft u regelmatig overleg met de G4 onderwijswethouders? Zo ja, in welke frequentie? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geregeld overleg met de G4 onderwijswethouders. Een precieze frequentie is lastig aan te geven. De G4 onderwijswethouders kom ik tegen in verschillende gremia, op meerdere momenten in het jaar over uiteenlopende onderwerpen.
Heeft u van de onderwijswethouder van Amsterdam eerder soortgelijke klachten gehoord? Zo ja, welke acties heeft u toen ondernomen?
Op 1 april 2010 heb ik, mede naar aanleiding van diverse klachten over de Amsterdamse roc’s, die mij onder andere via dhr. Marcouch bereikten, de Ombudslijn MBO ingesteld. In mei/juni van dit jaar zal ik de Ombudslijn MBO evalueren en daarna de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van deze evaluatie. Daarnaast heb ik de twaalf concrete klachten, die naar aanleiding van het signaal van dhr. Marcouch mij uiteindelijk zijn toegestuurd, aan de Inspectie van het Onderwijs voorgelegd.
Verdubbeling van het aantal megastallen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat het aantal megastallen sinds 2005 meer dan verdubbeld is?1
Op het bericht van Milieudefensie van 21 januari jl. heb ik reeds gereageerd in mijn brief van 11 februari over de maatschappelijke dialoog megastallen (Kamerstuk 28 973, nr. 44). Op de definitiekwestie rondom megastallen ben ik in mijn brief van 28 maart jl. in de beantwoording op het Schriftelijk Overleg verder ingegaan (Kamerstuk 28 973, nr. 46).
Bent u bereid een onderzoek te doen (bijvoorbeeld in de vorm van een quick-scan) om te achterhalen welke aspecten van Nederlands dan wel Europees beleid deze trend naar schaalvergroting en megastallen bevorderen, bijvoorbeeld subsidies die eerder bij grote dan bij kleine boeren terecht komen?
Schaalvergroting is een autonome ontwikkeling die al decennia aan de gang is. Het aantal bedrijven en locaties vermindert maar het aantal dieren blijft ongeveer gelijk in Nederland. Gevolg is dat de bedrijven gemiddeld groter worden.
Ik wil u erop wijzen dat het LEI kort geleden het rapport «Schaalvergroting in de land- en tuinbouw» (van der Meulen et al, 2011) heeft uitgebracht. In dit rapport wordt uitgebreid ingegaan op diverse aspecten die van invloed zijn op schaalvergroting.
Bent u bereid in uw eigen beleid en in Europa in te zetten op een beleid dat voldoende gericht is op kleine en middelgrote boeren en waar grote boeren en megastallen in ieder geval niet bevoordeeld worden ten opzichte van kleine boeren?
In de voorbereiding op de kabinetsvisie zal ik bekijken óf er op rijksniveau gestuurd moet worden op grootschalige (intensieve) veehouderij. Is de conclusie dat dit noodzakelijk is, dan zal ik aangeven op welke manier ik deze sturing voor mij zie. Hierbij neem ik nadrukkelijk de resultaten van de maatschappelijke dialoog mee.
Klopt het dat de weidegang terugloopt? Vindt u dit een wenselijke ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u hieraan doen en hoeveel meer weidegang kunnen we met uw beleidsinzet in 2012 verwachten?
Volgens de meest recente cijfers van het CBS neemt het aantal koeien met weidegang licht af. In 2009 kreeg 76% van de koeien weidegang ten opzichte van 79% in 2008. Ik vind dit geen wenselijke ontwikkeling.
Voor een groot deel wordt het tegengaan van deze ontwikkeling al door de markt opgepakt. Diverse zuivelondernemingen hebben weidegang als speerpunt benoemd en geven voor weidemelk een extra premie. Ook Stichting Weidegang stimuleert ondernemers om hun koeien weidegang te geven.
De aanbevelingen van de onderzoekscommissie Goldstone |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het «Appèl voor internationale gerechtigheid voor alle slachtoffers van gewapend geweld tijdens de Gaza Oorlog», ondertekend door zeventien hoogleraren en deskundigen op gebied van internationaal recht?1
Ja.
Deelt u de conclusie van deze ondertekenaars dat beide partijen in de Gaza-oorlog, dat wil zeggen Israël en de de facto Hamas regering in Gaza, nog altijd geen onderzoek hebben verricht dat voldoet aan internationaal aanvaarde normen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, grondigheid, doelmatigheid en tijdigheid? Zo niet, waarom niet?
Deze conclusie deel ik wat betreft de inspanningen van de de facto autoriteiten in Gaza. Israël en de Palestijnse Autoriteit verrichten naar het oordeel van de regering wel degelijk onderzoeken. Zij is in dit oordeel bevestigd door de gewijzigde inzichten van de heer Goldstone zelf, zoals neergelegd in zijn ingezonden stuk in de Washington Post van 1 april 2011. De onderzoeken van Israël en de Palestijnse Autoriteit zijn nog niet afgerond. De regering hecht eraan niet op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. Ik verwijs tevens naar de antwoorden op de vragen van de leden Voordewind c.s. naar aanleiding van het artikel van de heer Goldstone (ref brief DAM-404/11 d.d.19. mei 2011).
Deelt u de mening dat het uitblijven van een dergelijk onderzoek geen recht doet aan de slachtoffers aan beide zijden van het conflict en de rol van het internationaal recht ondergraaft?
Ja. Ik volg daarin de opvatting van de heer Goldstone, waar deze het uitblijven van onderzoek door de de facto autoriteiten in Gaza aan de kaak stelt.
Deelt u de mening dat het internationaal recht de grondslag moet vormen voor een rechtvaardige en duurzame vrede en garanties kan bieden voor een veilig en menswaardig bestaan voor zowel Israëlische als Palestijnse burgers, en dat niet het recht van de sterkste maar de kracht van het (internationale) recht de weg naar rechtvaardige vrede kan effenen?
Een duurzame vrede zal, in de visie van de Nederlandse regering, gegrondvest moeten zijn op een akkoord dat door beide partijen is uitonderhandeld, met inachtneming van het internationaal recht.
Bent u het eens met de ondertekenaars van het appèl, dat het moment gekomen is dat de internationale gemeenschap zich uitdrukkelijk en onomwonden dient uit te spreken voor een opvolging van het Goldstone-rapport op internationaal niveau? Zo neen, waarom niet en wanneer en onder welke voorwaarden zou dat moment volgens u dan wel aan de orde zijn?
Nederland hecht zeer aan uitvoering van onafhankelijke onderzoeken door de betrokken partijen naar mogelijke schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten ten tijde van het gewapende conflict in Gaza. Nederland heeft dat ook altijd bepleit in EU- en VN-kader zowel als in gesprekken met Israël en de Palestijnse Autoriteit.
Nederland heeft daarnaast steeds kenbaar gemaakt geen voorstander te zijn van instelling van internationale opvolgingsmechanismes, omdat de eerste verantwoordelijkheid voor het doen van onderzoek naar internationale misdrijven en het vervolgen van verdachten bij betrokken partijen ligt. Naar het oordeel van de regering dient het internationaal overleg over de opvolging van het Goldstone-rapport gericht te zijn op de uitvoering en afronding van de nationale onderzoeken, gevolgd door afronding van de discussie, in het belang van het Midden-Oosten vredesproces. Dit is in VN- en in EU-kader steeds uitgedragen en hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd in de rapportage over de Nederlandse inzet in de VN-Mensenrechtenraad.
Deze inspanningen zal de regering voortzetten. Zoals toegezegd tijdens het mondelinge vragenuur van 5 april 2011 zal de regering – bij de eerstvolgende gelegenheid – de herziening van de behandeling van het rapport-Goldstone in zijn totaal aankaarten, zowel in EU- als in VN-verband, in het licht van de gewijzigde opvattingen van de heer Goldstone.
Bent u bereid om zich in Europees verband voortvarend en actief in te zetten ten behoeve van een internationale opvolging van het Goldstone-rapport? Zo ja, welke stappen denkt u te ondernemen en op welke wijze rapporteert u hierover aan de Tweede Kamer? Zo neen, waarom niet en hoe denkt u dan dat Nederland kan bijdragen aan het recht doen aan de slachtoffers aan beide zijden van de Gaza oorlog?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht van het Koprsbeheerdersberaad (KBB) 'ICT Politie Volledig Vernieuwen' |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad om de computersystemen van de Nederlandse politie volledig te vernieuwen?
Ja, het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad betreft overigens niet de vernieuwing van de ICT-systemen voor agenten en rechercheurs, zoals de Basisvoorzieningen Handhaving en Opsporing, maar de onderliggende ICT-infrastructuur en de bijbehorende ICT-organisatie.
Bent u bekend met (ondermeer) het onderzoek van Het Expertise Centrum (HEC), waarin wordt geconcludeerd dat «de politieorganisatie niet meer in control is over de ICT en dat de kwaliteit van de infrastructuur evenals de ICT-organisatie niet volwassen genoeg is om de huidige situatie nog aan te kunnen»?
Ja.
Bent u tevens bekend met de voorstellen van het Korpsbeheerdersberaad om tot een nieuwe ICT-organisatie en infrastructuur te komen, het zogenoemde Datacenter Politie Nederland? En onderschrijft u de voorstellen van het Korpsbeheerdersberaad?
Ja, ik ben bekend met het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad om tot een Datacenter Politie Nederland te komen. Het voorstel behelst de vernieuwing van de ICT-infrastructuur («de auto») en de bijbehorende ICT-organisatie die noodzakelijk is voor beheer en exploitatie («de garage»).
Het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad voor een tweesporenaanpak lijkt, gelet op het onderzoek van het HEC, verstandig. Het is goed dat het Korpsbeheerdersberaad zich na alle kritiek over de ICT-huishouding en -organisatie heeft gebogen over de strategie voor de komende jaren.
Zoals in het onlangs aan uw Kamer aangeboden Uitvoeringsprogramma nationale politie is aangekondigd, gaat de verantwoordelijkheid voor het gehele ICT-dossier per 1 mei over van de korps-beheerders naar mij. Ik zal mijn verantwoordelijkheid invullen in goede afstemming met de korpsbeheerders gezien hun formele verantwoordelijkheden in het bestaande politiebestel.
Ik wil mij daarom grondig vergewissen van de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad. Daarbij wil ik ook gebruik maken van het onderzoek van mijn Audit Dienst in het kader van de overdracht van de vts Politie Nederland en van de uitkomsten van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, dat in juni wordt afgerond. Vanwege de omvang en complexiteit van de vervanging van de ICT-infrastructuur en ICT-organisatie én de samenhang met de vervanging van de basisvoorzieningen kies ik voor zorgvuldigheid boven snelheid. In de tussentijd moet de continuïteit van de basisvoorzieningen en andere systemen te allen tijde zijn gewaarborgd.
Deelt u de mening dat het Korpsbeheerdersberaad in feite stelt dat er niet alleen een nieuwe auto moet worden aangeschaft maar ook een nieuwe garage? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent ook u opgelucht dat er nu eindelijk klare taal wordt gesproken over de ICT-voorzieningen van de politie, namelijk dat de problemen simpelweg niet meer zijn te repareren?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de consequenties voor de dagelijkse politiepraktijk, nu wordt voorgesteld om het nieuwe datacenter de komende drie jaar stapsgewijs op te bouwen?
De uitvoering van het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad, oftewel de eventuele opbouw van het Datacenter Politie Nederland in de komende drie jaar, mag geen (negatieve) consequenties hebben voor de dagelijkse praktijk. Integendeel, het Datacenter moet er aan bijdragen dat de politie kan rekenen op een stabielere ICT-infrastructuur met minder kans op de uitval van systemen en verlies van gegevens. Na de opbouw van het Datacenter wordt van het voorstel dus een adequatere ICT-dienstverlening voor de Nationale Politie verwacht.
Ziet u mogelijkheden om dit proces sneller te laten verlopen zonder afbreuk te doen aan kwaliteit en gebruikersgemak?
Het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad moet eerst nader worden uitgewerkt. Pas dan kan worden beoordeeld of versnelling mogelijk is.
Deelt u de mening dat het onderzoek van de Algemene Rekenkamer wellicht niet meer zal worden gebruikt om de toekomst erop te baseren, maar dat gedegen onderzoek naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestede gelden aan de huidige ICT-voorzieningen cruciaal blijft? Zo nee, waarom niet?
Ik zal bij het verder uitwerken van het voorstel van het Korpsbeheerdersberaad beslist gebruik maken van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer.
Kunt u aangeven wat de financiële consequenties zijn van voornoemde voorstellen van het Korpsbeheerdersberaad? Zo nee, waarom niet? Wanneer dan wel?
Ik kan de financiële consequenties van het voorstel van het Kbb nu nog niet aangeven, omdat het plan van aanpak nog niet is uitgewerkt. Ik zal uw Kamer direct na de zomer informeren over mijn plan van aanpak en de financiële uitwerking ervan en de daaruit voortvloeiende budgettaire consequenties.
De mogelijkheden voor het verbieden van een boomkorvisserij in Natura 2000-gebieden |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het boek «Het Dilemma van de Noordzee: intensief gebruik en het grootste natuurgebied van Nederland» en specifiek het hoofdstuk «Omploegen van Natura 2000-gebieden op de Noordzee is toegestaan»?
Ja.
Deelt u de analyse dat er voldoende wetenschappelijke bewijs is waaruit blijkt dat de boomkorvisserij de beschermde habitats – met name de permanent overstroomde zandbanken (H1110B) en de daarin levende organismen – van de vier zeevogelsoorten aantast en dat er daarmee een voldoende reden is om boomkorvisserij in de Natura 2000 gebieden op de Noordzee per direct te verbieden?
Al enige tientallen jaren wordt er onderzoek gedaan naar de effecten van de boomkorvisserij met wekkerkettingen (hierna: de boomkorvisserij) op de zee (bodem) en de daarin levende organismen. Hieruit blijkt dat deze vorm van visserij effecten heeft op de bodem en de daarin levende mariene organismen inclusief de schelpdieren. Fluctuaties in voedselbeschikbaarheid kunnen worden veroorzaakt door een combinatie van menselijk gebruik en bijvoorbeeld klimaatverandering, vervuiling, eutrofiering, concurrentie tussen schelpdiersoorten onderling of een nog onbegrepen natuurlijke populatiedynamiek.
Een verbod op de boomkorvisserij in de Natura 2000-gebieden zou alleen te rechtvaardigen zijn indien de negatieve effecten van die visserij niet kunnen worden ondervangen door maatregelen. De vraag of mitigatie mogelijk is en in welke vorm dat dient plaats te vinden, zal worden beantwoord in de passende beoordeling boomkorvisserij. Deze is nodig om een aanvraag voor een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 in te kunnen dienen. Zie in dit verband ook het antwoord op de samengevoegde vragen 3 en 7 hieronder.
Klopt het dat uw voorganger handhavingsverzoeken heeft afgewezen omdat zij niet bevoegd zou zijn geweest om tegen buitenlandse vissers op te treden?
Zie het antwoord onder vraag 7.
Bent u niet op grond van artikel 9 van de Basisverordening Visserij – onderdeel van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid – bevoegd niet-discriminerende maatregelen te nemen binnen de 12-mijls-zone om «het effect van visserij op de instandhouding van mariene ecosystemen tot een minimum te beperken»?
De hoofdregel is dat visserij beperkende maatregelen op Europees niveau worden vastgesteld. De Europese Commissie neemt het initiatief tot het doen van voorstellen. De verordening (Verordening (EG) nr. 2371/2002) voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten nationale niet-discriminerende maatregelen treffen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden, en om het effect van visserij op de instandhouding van natuurgebieden tot een minimum te beperken, binnen de 12-mijlszone. Dit onder voorwaarde dat er geen instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn vastgesteld door de Gemeenschap en de maatregelen verenigbaar zijn met de doelstellingen van de Basisverordening.
Wanneer de nationale maatregelen mogelijke gevolgen hebben voor buitenlandse vaartuigen, dient een notificatieprocedure te worden doorlopen. In het kader van deze notificatieprocedure kan de Europese Commissie de nationale maatregel bevestigen, intrekken of wijzigen. Deze wordt dientengevolge van toepassing op buitenlandse vaartuigen. Wanneer de maatregelen alleen van toepassing zijn op Nederlandse vaartuigen, is geen notificatieprocedure vereist.
Betekent dit niet dat u een dergelijke maatregel kunt nemen voor alle zware boomkorvissers in de territoriale zee liggende gebieden – de Voordelta en de Noordzeekustzone 2?
Ja, ik kan dergelijke maatregelen treffen indien die voldoen aan de onder vraag 4 gegeven Europeesrechtelijke randvoorwaarden en indien daartoe een ecologische noodzaak is.
Is het niet zo dat Nederland op grond van de gemeenschapstrouw (artikel 4, derde lid Verdrag betreffende de Europese Unie) zelfs de plicht heeft, om op grond van de Habitatrichtlijn visserijmaatregelen te nemen, aangezien in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid de natuurbeschermingsverplichtingen van de Habitatrichtlijn niet uitputtend geregeld zijn?
Binnen de kaders zoals geschetst in de antwoorden op vragen 4 en 5 ben ik mede op grond van het beginsel van gemeenschaptrouw gehouden visserijmaatregelen te treffen om aan de verplichtingen van het Gemeenschapsrecht, i,.c. de Habitatrichtlijn en Gemeenschappelijk Visserijbeleid, te voldoen. Om aan deze plicht invulling te geven, worden de nodige stappen gezet. Zie hiervoor de antwoorden op vragen 3 en 7, en met name de onderdelen die betrekking hebben op de NB-vergunningplicht en de passende beoordeling boomkorvisserij.
Kunnen we van u handhaving verwachten nu ook uit een recent openbaar gemaakte brief van de Europese Commissie van 23 juli 2010 blijkt dat nationale maatregelen mogelijk zijn?
De toenmalige minister van LNV heeft in 2009 inderdaad afwijzend beslist op toen ingediende verzoeken tot handhaving van de Natuurbeschermingswet 1998. Zij heeft deze verzoeken afgewezen mede gelet op de onmogelijkheid om handhavend op te treden tegen buitenlandse vissers. Wel optreden tegen Nederlandse vissers en niet tegen buitenlandse vaartuigen is in strijd met het beginsel van level playing field. De beslissing om niet handhavend op te treden is momenteel onderwerp van geschil in een beroepsprocedure bij de Raad van State. Om die reden ga ik daar hier niet verder op in.
In de bedoelde brief van de Europese Commissie heeft de EC aangegeven dat het mogelijk is om onder bepaalde omstandigheden de vergunningplicht van de Natuurbeschermingswet 1998 op te leggen aan buitenlandse vaartuigen. Dit is een beleidswijziging van de EC die in een eerder geval (Voordelta, 2008) nog heeft aangegeven een vergunningplicht voor buitenlandse vaartuigen in de 12 mijlszone niet te accepteren. Een van de bijkomende voorwaarden is notificatie van visserijbeperkende maatregelen onder Verordening 2371/2002 aan de EC.
Om te komen tot een vergunning voor Nederlandse en buitenlandse vaartuigen zijn Imares en HWE bezig om ten spoedigste een zgn. passende beoordeling op te zetten voor de boomkorvisserij. Het doel van deze passende beoordeling is om te dienen als ecologische onderbouwing voor een vergunningaanvraag die naar alle waarschijnlijkheid in mei aanstaande door het bedrijfsleven zal worden ingediend.
Ik zal daarop een besluit nemen dat gebaseerd is op de inhoud van de passende beoordeling en op de vraag of het aangeboden maatregelenpakket voldoende is om de negatieve effecten van de boomkorvisserij weg te nemen.
Ik meen dat met deze gang van zaken de afronding van een vergunningprocedure onder de Natuurbeschermingswet 1998 nabij is en dat dan handhaving kan plaatsvinden t.o.v. Nederlandse en buitenlandse vaartuigen.
De bouw van megastallen |
|
Rik Grashoff (GL), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
In uw brief (Kamerstuk 28 286, nr. 494) stelt u dat u de motie Grashoff en Van Veldhoven (Kamerstuk 28 286, nr. 488) onder de aandacht zal brengen van provincies en gemeenten.; hebt u dit intussen gedaan? Zo ja, op welke wijze? Kunt u een afschrift aan de Kamer sturen van eventuele brieven die u hierover aan gemeenten en/of provincies hebt geschreven? Zo nee, bent u bereid dit dan zo spoedig mogelijk te doen?
Op vrijdag 25 maart heb ik een brief verzonden naar het College van Gedeputeerde Staten van alle twaalf provincies en het bestuur voor de Verening van Nederlandse Gemeenten (VNG). De betreffende brieven vindt u in de bijlage.1
Klopt het dat sommige gemeenten zich op het standpunt stellen dat bovengenoemde motie voor gemeenten niet uitvoerbaar is, omdat de motie een economische omvang als criterium stelt, daar waar een verzoek tot wijziging van een bestemmingsplan op ruimtelijke gronden dient te worden beoordeeld. Deelt u de mening dat de grootte aanduiding van 300 NGE de facto verwijst naar een ruimtelijke norm, gezien het feit dat voor de verschillende diersoorten er een betrekkelijk eenduidige omrekenfactor is van aantal dieren x minimale oppervlakte per dier?
Bent u bereid om gemeenten en provincies hier zo spoedig mogelijk actief op te wijzen en de te hanteren omrekenfactoren voor koeien, varkens en pluimvee in een (aanvullende) brief aan provincies en gemeenten mede te delen?
Kunt u bevestigen dat provincies en gemeenten hiermee een bruikbaar en voldoende handvat hebben om tot de gewenste tijdelijke stop op de bouw van megastallen te komen?
Zo nee, welke aanvullende initiatieven denkt u te nemen, in het licht van de uitgesproken bereidheid tegemoet te willen komen aan de wens van de Tweede Kamer om «tijdens de maatschappelijke dialoog megastallen mogelijk ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan» (Kamerstuk 28 286, nr. 494)?
Kunt u deze vragen voor 1 april 2011 beantwoorden?
Ik heb de beantwoording van uw vragen met spoed ter hand genomen.
Windmolens |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners Bramelt strijden tegen de komst van windmolens»?1
Deelt u de mening dat het op het zijn minst vreemd te noemen is dat bewoners van de desbetreffende wijk in de media moeten vernemen dat de gemeente van plan is om drie grote windmolens te gaan bouwen? Zo ja, wilt u er bij de gemeente Deventer op aandringen dat zij in overleg gaan met de inwoners van Bramelt en de inwoners wijzen op de bezwaarprocedures die zij kunnen benutten?
Kunt u een overzicht geven van alle subsidie(s) die voor deze windmolens worden verstrekt en van welke begroting(en) deze subsidie(s) komen?
Een integratieklas in de regio Rotterdam |
|
Manja Smits , Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scholen weigeren Deborah»1, waarin de zoektocht van ouders van kinderen met een verstandelijke beperking in de regio Rotterdam naar een school die een integratieklas mogelijk wil maken wordt beschreven?
Ja, ik ben op de hoogte van dit artikel en de zoektocht van deze ouders.
Sprak u begin februari de hoop uit dat er binnen niet al te lange tijd een school binnen het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs in de regio Rotterdam bereid is om een integratieklas te organiseren?2 Wat is de stand van zaken?
Op 2 februari 2011 heb ik de heer Cohen in een persoonlijke brief antwoord gegeven op zijn vragen omtrent het opzetten van een zogenoemde integratieklas voor leerlingen met een verstandelijke beperking in de regio Rotterdam. Op 8 februari 2011 heb ik een afschrift van mijn brief aan de heer Cohen gestuurd naar de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Eveneens heb ik op 20 januari 2011 de Kamervragen van het lid Smits over deze kwestie beantwoord.
Tot op heden heeft er binnen het Rotterdamse samenwerkingsverband «Koers VO» nog geen school aangegeven een integratieklas te willen opzetten. Ik waardeer het dat «Koers VO» nog altijd bemiddelt in het vinden van mogelijkheden voor een integratieklas bij één van de scholen binnen hun samenwerkingsverband.
De scholen wilden hun eigen invulling geven aan een integratieklas in de regio Rotterdam; zijn er al afspraken gemaakt over deze invulling? Welke invulling willen de scholen geven aan een integratieklas?
Op dit moment zijn er nog geen concrete afspraken gemaakt over het opzetten van een integratieklas binnen het Rotterdamse samenwerkingsverband «Koers VO». Scholen die eventueel een integratieklas willen opzetten hebben de vrijheid om te zoeken naar een concept dat past binnen de mogelijkheden en de identiteit van de school. Daarbij geldt nog steeds dat een integratieklas alleen tot stand kan komen wanneer een schoolbestuur daar zelf voor kiest en er volledig achter staat. Daarnaast hebben scholen tijd nodig om een eventuele integratieklas op te zetten. Noch het samenwerkingsverband, noch ikzelf kunnen een school verplichten om een integratieklas op te zetten.
Welke inzet heeft het samenwerkingsverband «Koers VO» teneinde van een integratieklas tot stand te brengen ?
Het samenwerkingsverband «Koers VO» staat nog altijd welwillend tegenover het opzetten van een integratieklas voor leerlingen met een verstandelijke beperking bij één van de scholen binnen het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft een onderwijsconsulent ingezet om de mogelijkheden hiertoe te verkennen. Het samenwerkingsverband kan echter geen scholen dwingen om een integratieklas op te zetten.
Nu u in uw antwoord op Kamervragen van het lid Smits aangeeft de ontwikkelingen te zullen volgen,3 en in genoemde brief de hoop uitspreekt binnenkort te kunnen melden dat er in de regio Rotterdam een integratieklas gaat starten, welke inspanningen heeft u de afgelopen maanden geleverd om de integratieklas dichterbij te brengen?
De afgelopen maanden heeft mijn ministerie contact onderhouden met het samenwerkingsverband Koers VO en de heer Cohen. Daarbij heb ik beide partijen aangespoord tot het zoeken van oplossingen.
Wanneer zal de integratieklas in de regio Rotterdam van start gaan?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zijn mij geen concrete afspraken bekend over de start van een integratieklas in de regio Rotterdam. Ik sta positief tegenover onderwijsvormen waarbij maatwerk wordt geboden aan leerlingen en zal daarom de ontwikkelingen omtrent het opzetten van een eventuele integratieklas in de regio Rotterdam blijven volgen.
De Hedwigepolder |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Opnieuw gesteggel over Hedwigepolder»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de door voormalig-minister Nijpels gecreëerde hetze rondom de Hedwigepolder niet zal bijdragen aan het op een rustige wijze zoeken naar alternatieven die de ontpoldering kunnen afwenden? Zo nee, waarom niet?
De opvatting van voormalig-minister Nijpels heeft de voorbereiding van het kabinetsbesluit niet verstoord. Ik verwijs naar mijn brief van 17 juni jl.
Deelt u de mening dat de waarschuwing van voormalig-minister Nijpels aan Deltares, waarin hij oproept om geen alternatief aan te dragen voor het onder water zetten van de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen, een actie is om zijn eigen beschadigde imago te redden en dat de politiek deze mening dient te prullemanderen? Zo nee, waarom niet?
Een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming staat bij mij voorop. Ik ga niet in op een beoordeling van uitspraken van voormalige bewindspersonen.
Kunt u garanderen dat u tot het uiterste zal gaan om alternatieven te vinden om de Hedwigepolder, geheel conform het regeerakkoord, niet onder water te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Slechte controle op leeftijdsgrenzen bij alcoholverstrekking en de falende campagnes om naleving te verbeteren |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het nalevingsonderzoek van de Universiteit Twente naar de effectiviteit van leeftijdscontrole in supermarkten?1
Ja.
Wat vindt u van de uitkomst dat jongeren onder de 16 jaar vrijwel altijd slagen in het aankopen van alcohol en dat het gemiddeld zo’n 12 minuten kost?
Deze uitkomst is zorgwekkend.
Wat vindt u van de conclusie dat verschillende campagnes van de laatste jaren voor naleving van leeftijdgrenzen geen enkel effect hebben gehad op de beschikbaarheid van alcohol? Op welke manier leveren uw ministerie en de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit (nVWA) een bijdrage aan de campagne «Soms moet je nee verkopen», zowel in inspanningen als in geld? Bent u bereid deze steun te herzien, aangezien het een ineffectieve campagne betreft?
De conclusie dat de verschillende campagnes van verstrekkers «geen enkel effect»hebben gehad op de beschikbaarheid van alcohol laat ik voor rekening van de Universiteit van Twente. Het CBL geeft in reactie op dit onderzoek aan dat de campagnes wel een positief effect hebben gehad. Er is sprake van een stijging van het nalevingspercentage van 25% naar 32%. Dit percentage vind ik overigens veel te laag.
Het Ministerie van VWS heeft bijgedragen aan de CBL-campagne om tot 20 jaar legitimatie te vragen via personele inzet in de vorm van communicatieadvies door de alcoholvoorlichtingsdeskundigen van het Trimbos-instituut. Deze bijdrage was eenmalig.
Bent u bereid de afzwakking van de 3-strikes-out-maatregel in de nieuwe Drank- en horecawet te herzien, nu blijkt dat naleving van leeftijdgrenzen al jarenlang niet of nauwelijks verbetert? Deelt u de mening dat de ondernemer geacht wordt de wet goed na te leven? Zo ja, hoe wilt u dit effectief afdwingen?
Daartoe ben ik niet bereid. Ik ben van mening dat ondernemers altijd worden geacht de wet goed na te leven. Daarom is in de nieuwe Drank- en Horecawet het voorstel opgenomen het toezicht over te dragen aan gemeenten. Daardoor komen er meer toezichthouders en kunnen gemeenten voortaan zelf de prioriteiten bepalen en de beschikbare handhavingscapaciteit inzetten op die plaatsen waar veel jongeren komen en waar de leeftijdsgrenzen vaak worden overtreden. Op lokaal niveau kan vervolgens worden besloten de 3-strikes-out maatregel van toepassing te verklaren.
Is de handhavingcapaciteit voldoende om de 3-strikes-outmaatregel effectief te maken, gezien het beperkte aantal controles per jaar op dit moment? Bent u het er mee eens dat de termijn van 3-strikes-out binnen één jaar te kort is en dat een termijn van 3-strikes-out in drie jaar realistischer is?
Zie het antwoord op vraag 4. Mijns inziens is de termijn van 1 jaar voldoende om de «three strikes out» maatregel straks effectief in te kunnen zetten. Indien er sprake is van een situatie waarbij binnen enkele maanden een herhaalde overtreding van artikel 20 van de Drank- en Horecawet wordt geconstateerd, lijkt het mij dat er snel sprake zal zijn van een nieuwe controle. In dergelijke gevallen is een termijn van een jaar ruim voldoende. Voor dergelijke gevallen is de nieuwe maatregel ook bedoeld.
Hoe beoordeelt u de aanzienlijke verschillen tussen naleving bij leeftijdscontrole op afstand en naleving bij traditionele leeftijdscontrole bij verkoop, waarbij de naleving ook enkele jaren na het invoeren van de campagne om legitimatie tot 20 jaar te vragen, ongeveer 24% bij de eerste aankooppoging bedraagt?
Deze verschillen zijn significant. Zoals eerder aangegeven ondersteun ik het feit dat winkeliers effectieve controlesystemen inzetten om de leeftijdscontrole te verbeteren. Het is echter geen taak van de overheid een specifiek systeem of enkele specifieke systemen aan te bevelen.
Kan naar uw mening het gebruik van effectieve controlesystemen het toekomstige gemeentelijke toezicht op de naleving vergemakkelijken?
Ik ben van mening dat het inzetten van effectieve controlesystemen een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de leeftijdsgrenzencontrole. De toepassing van dergelijke systemen zou kunnen leiden tot meer efficiëntie van het lokale toezicht, omdat de handhavingscapaciteit dan meer gericht kan worden ingezet op ondernemingen die geen gebruik maken van dergelijke systemen.
Welk nalevingspercentage bij alcoholverstrekking aan jongeren horen verkopers volgens u na te streven? Bent u het eens met de constatering dat statistisch gezien een nalevingsgraad van tenminste 90% nagestreefd moet worden, om de praktische manier waarop jongeren met slagingskansen omgaan bij de aankoop van alcohol tegen te gaan?
Verkopers zijn gehouden de controle op de leeftijdsgrenzen ten tijde van het verstrekken van alcoholhoudende drank zo goed mogelijk uit te voeren. In die gevallen dat dit niet gebeurt, moet er worden opgetreden.
Uit het onderzoek van de Universiteit van Twente komt naar voren dat de onderzoekers van mening zijn dat een nalevingspercentage van 90% redelijke zekerheid biedt om de aankoop van alcoholhoudende drank door jongeren tegen te gaan. Deze constatering laat ik voor rekening van de Universiteit van Twente. Wel ben ik van mening dat het huidige nalevingspercentage van 32% volstrekt onvoldoende is.
Bent u bereid er bij het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) op aan te dringen een meer sluitend systeem van leeftijdscontrole op afstand actief te promoten bij zijn leden, ook gezien de positieve ervaringen van ondernemers die al gebruik maken van het systeem?
Op korte termijn komt er overleg met het betrokken bedrijfsleven om te bevorderen dat de geldende leeftijdsgrenzen beter worden nageleefd.
Wat is uw reactie op het recente onderzoek van Intomart/GfK dat zes op de tien Nederlanders vindt dat de leeftijdgrens voor alcoholverkoop moet worden verhoogd naar 18 jaar?2 Hoe beoordeelt u het draagvlak in de samenleving, de wetenschap en bij gemeenten voor de verhoging van de leeftijdgrens?
De resultaten van het onderzoek van Intomart/GfK neem ik voor kennisgeving aan. Ik deel het gevoel van urgentie dat de praktijk moet verbeteren. Ik ben van mening dat dit vooral kan worden bereikt door in te zetten op goede voorlichting, duidelijke normstelling en een strikte naleving van de geldende leeftijdsgrenzen. De maatregelen van het kabinet zijn gericht op betere handhaving van de regels, in plaats van de leeftijdsgrenzen steeds hoger te stellen, zonder te investeren in de handhaving.
Blijft u de wens van veel gemeenten negeren om de leeftijdgrens te verhogen, die een leeftijdgrensverhoging willen ten behoeve van de volksgezondheid, maar ook de veiligheid op straat? Bent u bereid om specifieke gemeenten die de leeftijd willen ophogen tot 18 jaar hiertoe in staat te stellen, zoals de gemeenten Utrecht, Rotterdam, Den Haag en gemeenten in West-Friesland?
Zie antwoord vraag 10.
De ondertiteling bij uitzending gemist |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de ondertiteling op uitzending gemist vaak ontbreekt?1
De stelling dat de ondertiteling op Uitzending Gemist vaak ontbreekt, verdient enige nuancering.
Van de uitzendingen van Nederland 1 en 2 die via «Uitzending Gemist» (UG) van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) beschikbaar komen is ongeveer 80% voorzien van geschreven ondertitels. Het percentage van Nederland 3-programma’s dat via UG wordt aangeboden ligt beduidend lager. Dit komt omdat veel kinderprogramma’s op Nederland 3 worden uitgezonden. Kinderprogramma’s bestemd voor kinderen tot 8 jaar worden niet ondertiteld.
Zijn er programma’s die, wanneer ze «live» uitgezonden worden, wel ondertiteld zijn maar via uitzending gemist niet worden ondertiteld? Zo ja, om hoeveel programma’s gaat het en wat is de reden dat de ondertitels niet via uitzending gemist worden doorgegeven?
Van de «live» uitgezonden Nederlandse programma’s zijn de Journaals en De Wereld Draait Door op Uitzending Gemist met ondertiteling beschikbaar.
De ondertiteling van overige live-programma’s kan soms van onvoldoende kwaliteit zijn om via UG beschikbaar te stellen. Reden is dat bij live-programma’s tijdens de uitzending fouten in de ondertiteling ontstaan die niet gecorrigeerd kunnen worden. Bovendien loopt bij live programma’s de ondertiteling niet altijd synchroon met het gesproken woord en is de kans op technische storingen groter, waardoor de ondertiteling bij sommige gedeeltes kan ontbreken. Correctie daarvan kost veel extra capaciteit die niet beschikbaar is en ten koste zou gaan van de wettelijke verplichte ondertiteling (95%) van Nederland 1, 2 en 3. Daarom heeft de NPO ervoor gekozen om deze correcties te beperken tot alle Journaals en De Wereld Draait Door.
Welke initiatieven zijn er om programma’s die «normaal» worden uitgezonden en programma’s die via uitzending gemist worden aangeboden zo goed mogelijk toegankelijk te maken voor doven en slechthorenden?
Op dit moment ondertitelt de NPO via pagina 888 van Teletekst ruim 95% van de Nederlandstalige programma’s op Nederland 1, 2 en 3. Hiermee voldoet de Publieke Omroep aan de wettelijke verplichting om uiterlijk in 2011 95% van de Nederlandse programma’s te ondertitelen. Bovendien wordt een aantal Journaals dagelijks ten behoeve van dove en slechthorende kijkers mede ondersteund door gebarentolken.
Van het aanbod van de programma’s op Uitzending Gemist wordt, zoals aangegeven bij antwoord 1, het grootste deel ondertiteld, hiervoor geldt overigens geen wettelijke verplichting.
Welk percentage van de uitzendingen wordt op dit moment ondertiteld en hoe beoordeelt u dit percentage? Is dat in uw ogen voldoende dan wel onvoldoende? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie de antwoorden bij de bovenstaande vragen 1, 2 en 3.
De doorstroming van hbo-studenten naar de master |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat studenten op de Universiteit van Amsterdam die, na een hbo-bachelor, een verplicht schakeljaar volgen voor een master, een zogenaamde pre-masters, ingeschreven moeten worden als contractstudent?
Het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) heeft mij erop geattendeerd dat er twee universiteiten zijn die verhoogde tarieven voor de pre-masters willen vragen met ingang van het studiejaar 2012–2013, namelijk Universiteit van Amsterdam (UvA) en Vrije Universiteit Amsterdam (VUA).
Geldt dit ook voor andere onderwijsinstellingen?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Is het waar dat het collegegeld voor studenten voor deze pre-masters kan oplopen tot € 9000?
Ja, Universiteit van Amsterdam en Vrije Universiteit van Amsterdam zijn van plan voor het studiejaar 2012–2013 bedragen te vragen variërend van de hoogte van het wettelijk collegegeld tot € 100 – € 200 per studiepunt. De kosten voor een pre-master kunnen daardoor oplopen tot € 12 000.
Wat is de reden dat het collegegeld voor deze pre-masters verhoogd wordt?
De universiteiten vinden dat sommige doorstroomprogramma’s substantiële kosten met zich meebrengen die gecompenseerd moeten worden en kiezen ervoor dit te doen door de tarieven voor pre-masters te verhogen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 6.
Wat betekent dit voor de doorstroom van studenten van het hbo naar de master?
De voornemens om het collegegeld voor de pre-masters te verhogen hebben betrekking op het studiejaar 2012–2013. Er zijn nu dus nog geen effecten bekend.
Deelt u de mening dat studenten met een hbo bachelordiploma niet om financiële redenen belemmerd mogen worden om een universitaire master te gaan volgen en dat dit daarom een onwenselijke situatie is?
In het algemeen vind ik dat universiteiten geen financiële belemmeringen voor studenten moeten opwerpen voor de doorstroom van een hbo-bachelor naar een wo-master. Dit is conform de bestuurlijke afspraak die in 2007 is gemaakt om voor doorstromers een instellingscollegegeld gelijk aan het wettelijk collegegeld te vragen.
Maar ik vind ook dat er grenzen zijn aan de lengte van schakelprogramma’s die tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld worden aangeboden. Ik heb hierover bestuurlijk overleg gevoerd met VSNU. VSNU heeft aangegeven dat er grofweg drie groepen doorstroomprogramma’s zijn:
Alleen voor de derde groep is het gerechtvaardigd om een hogere bijdrage te vragen, omdat deze trajecten veel inspanningen van de instellingen vergen.
Dit is in overeenstemming met de toezegging van mijn voorganger dat een student die een bacheloropleiding heeft afgerond het recht heeft om voor een laag collegegeld een master te behalen – en indien nodig – ook een schakelprogramma voorafgaand aan de master tegen wettelijk collegegeld te volgen. Hierbij werd onder schakelprogramma een opleiding van beperkte duur verstaan, dat wil zeggen een half jaar, of bij hoge uitzondering een jaar (Eerste Kamer, 2009–2010, 32 123 VIII, E).
Kunt u aangeven welke stappen u gaat ondernemen om te voorkomen dat studenten met deze hoge kosten geconfronteerd worden?
Ik verwijs naar het hiervoor genoemde bestuurlijk overleg met universiteiten.
Daarnaast heb ik vorige maand aan de studentenorganisaties gevraagd mij vóór de zomer ervan op de hoogte stellen als er nog andere gevallen zijn dan deze laatste groep waaraan een zeer hoog collegegeld wordt gevraagd. Het ISO heeft mij hierover onlangs informatie gestuurd waaruit blijkt dat VUA en UvA overwegen m.i.v. 2012 hoger collegegeld te vragen. Ik zal contact opnemen met de betrokken instellingen en mij laten informeren over hun voornemens en ze wijzen op de met VSNU afgesproken gedragslijn in dezen.
Kunt u toezeggen zo spoedig mogelijk actie te ondernemen zodat studenten ruim voor komend studiejaar niet worden ontmoedigd om door te stromen naar een mastersopleiding?
Zie het antwoord op vraag 7.
Illegale handel in antibiotica |
|
Khadija Arib (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de aanhouding van twee mannen uit Groningen en Overijssel voor grootschalige illegale handel in antibiotica?1
Wat zijn de gevolgen van deze illegale handel voor de volksgezondheid en voor de diergezondheid?
De exacte gevolgen van illegale handel in antibiotica voor de volksgezondheid en de diergezondheid zijn op voorhand niet bekend. Het is een gegeven dat het gebruik van antibiotica kan leiden tot resistentievorming van bacteriën. Bij illegale handel bestaat het risico van onoordeelkundig gebruik. Daarbij zou er ook sprake kunnen zijn van kwalitatief afwijkende producten. Dat kan het ontstaan van resistentie versterken hetgeen een risico is voor de volksgezondheid. Om deze risico’s te beperken, is het gebruik van antibiotica gereglementeerd. Bovendien is mijn beleid erop gericht het gebruik van antibiotica te beperken. Het gebruik van illegale antibiotica doorkruist dit beleid en dient ook daarom te worden bestreden.
Zoals toegezegd in mijn brief van 8 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 863, nr. 65), zal de nVWA intensiever controleren bij dierenartsen en veehouders op de naleving van de diergeneesmiddelenregelgeving.
Wat is uw oordeel over het feit dat de illegale handel op deze grote schaal plaats kan vinden en wat gaat u er aan doen om deze handel te stoppen?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u zich inspannen om de reikwijdte van de illegale handel en de gevolgen voor de volks- en diergezondheid tot op de bodem uit te zoeken? Zo ja, hoe? Wanneer kunt u de Kamer daarover berichten?
De nVWA houdt toezicht op de naleving van diergeneesmiddelenregelgeving. In dit kader onderzoekt de nVWA ook de illegale handel in illegale diergeneesmiddelen.
Zoals toegezegd in mijn brief van 8 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 863, nr. 65), zal de nVWA intensiever controleren bij dierenartsen en veehouders op de naleving van de diergeneesmiddelenregelgeving.
Is er een toename van illegale handel zichtbaar, en hoe staat deze in verband met de afname van 12% van het antibioticagebruik in de officiële cijfers? Zo ja, is er een verband tussen de toename in illegale handel en het voornemen van het kabinet het antibioticagebruik in 2013 gehalveerd te willen hebben?
De omvang van de illegale handel in niet-geregistreerde diergeneesmiddelen is niet bekend. Mijn beleid is erop gericht om een verantwoord gebruik van antibiotica te stimuleren.
Het is moeilijk illegale handel volledig tegen te gaan door controles of de intensivering van controles. Dat onderstreept de noodzaak van een mentaliteitsverandering en de noodzaak om te komen tot een duurzame veehouderij die gericht is op een effectieve preventie van dierziektes.
Klopt het dat in Nederland in tegenstelling tot bijvoorbeeld een land als Denemarken, de economische belangen voorop staan in de afweging over het gebruik van antibiotica in de diergezondheidszorg? Zo ja, waarom? Zo nee, waar blijkt dat uit ?
In Denemarken is het voorschrijven van diergeneesmiddelen door de dierenartsen en de verkoop ontkoppeld. In reactie op het rapport Berenschot (Kamerstukken II 2009–2010, 29 683, nr. 42) is aangegeven dat er aan deze ontkoppeling in de Nederlandse situatie ook forse nadelen kleven. Daarom is primair ingezet op terugdringing van het antibioticumgebruik door de sector. Met de sector zijn afspraken gemaakt om in 2011 tot een vermindering van het antibioticumgebruik van 20% te komen en in 2013 tot een vermindering van 50%. Ik ga ervan uit dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Mocht dat echter niet het geval zijn, dan zal ik vergaande maatregelen treffen om de dierenarts- en apothekersfunctie te ontkoppelen. De voorbereidingen hiervoor zet ik thans in gang.
Bent u van mening dat het loskoppelen van voorschrijven en verkoop bij dierenartsen duidelijk invloed lijkt te hebben op de hoeveelheid voorschriften? Waarom wordt het advies van bureau Berenschot niet overgenomen? Waarom wordt in Nederland geen systeem zoals in Denemarken toegepast, waarbij de dierenarts gecontroleerd voorschrijft en er een stevige overheidscontrole is?
Zie antwoord vraag 6.
Kan een overzicht gegeven worden van de rapporten van de Gezondheidsraad en andere instanties, die op het gevaar van antibioticagebruik in de diergezondheidszorg hebben gewezen, en kan daarbij worden aangegeven wat er concreet met (de aanbevelingen in) het rapport is gebeurd?
In de loop der jaren zijn in ons land meerdere rapporten verschenen over de (eventuele) gevolgen van antibioticumgebruik in de veehouderij. Ik noem de belangrijkste. In 1998 adviseerde de Gezondheidsraad over het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar. De aanbevelingen van toen (verbod enkele specifieke antibiotica, stoppen met toepassen als groeibevorderaar en surveillance van resistentie op EU-niveau) zijn in de EU alle opgevolgd. In 2009 verscheen het rapport «veegelateerde MRSA» van een consortium van onderzoeksinstellingen. Daarin stonden veel aanbevelingen voor nader onderzoek en aanpassingen in diermanagement. Veel van die aanbevelingen zijn meegenomen bij de uitwerking van de plannen van aanpak in het kader van het convenant antibioticumresistentie veehouderij. In 2011 volgde het RIVM-rapport «risk profile on antimicrobial resistance» met inbreng van meerdere andere onderzoeksinstellingen. Daarin worden aanbevelingen gedaan op het gebied van monitoring en risicoschatting.
Bent u bereid deze vragen vóór het algemeen overleg Diergezondheid van 13 april 2011 te beantwoorden?
Het algemeen overleg Diergezondheid is verplaatst naar 26 mei 2011. Ik stuur u deze antwoorden voor 26 mei 2011.
Het bericht 'Schaf verbod op betalen eicel af' |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schaf verbod op betalen eicel af»?1
Ja.
Vindt u het onwenselijk het verbod op betalen voor eicellen af te schaffen?
Ja.
Het «betalen» voor het doneren van eicellen verdraagt zich niet met artikel 21 van het Verdrag inzake de bescherming van de mens met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde (VRMB) van de Raad van Europa (RvE). Genoemd artikel bepaalt: «Het menselijk lichaam en zijn bestanddelen, als zodanig, mogen niet dienen tot verkrijging van financieel voordeel». In de toelichting bij het VRMB is dienaangaande opgenomen dat vergoeding van onkosten of verlies aan inkomen wel is toegestaan. Ik maak onderscheid tussen het geven van een dergelijke vergoeding en het «betalen». Spanje is (net als Nederland) lidstaat van de RvE. Ik ga er vanuit dat het in het bericht genoemde bedrag van € 900 dat donoren van eicellen in dat land kennelijk «krijgen» voor de donatie, zich verdraagt met artikel 21 van het VRMB en de toelichting daarbij.
Bent u op de hoogte van het feit dat steeds meer onvruchtbare stellen naar het buitenland uitwijken wegens een groot gebrek aan eicellen in Nederland?
Ja.
Uit een Nederlands abstract2 voor de bijeenkomst van de «European Society of Human Reproduction and Embryology» die in 2010 in Rome plaatshad, leid ik in ieder geval af dat het aantal patiënten dat voor een behandeling met eiceldonatie naar het buitenland ging, in de periode 2005–2008 (149) ruim drie keer zo hoog was als in de periode 2000–2004 (45). Deze aantallen betreffen alleen de gevallen waarbij medewerking van Nederlandse gynaecologen aan de orde was. Dit betekent dat de feitelijke aantallen ongetwijfeld groter zullen zijn geweest. Desalniettemin gaat het om relatief kleine aantallen vergeleken met het aantal procedures voor in-vitrofertilisatie dat jaarlijks in Nederland start (in 2008 bedroeg dat aantal ongeveer 9 0003.
Een eventueel tekort aan bij vruchtbaarheidsbehandelingen te gebruiken eicellen is overigens niet een automatisch gevolg van (verboden die zijn opgenomen in) de Nederlandse regelgeving. De Embryowet staat immers toe dat vrouwen eicellen beschikbaar kunnen stellen voor de ingevolge die wet toegestane doeleinden, in casu de zwangerschap van een ander of wetenschappelijk onderzoek. Bij die eicellen kan het zowel gaan om eicellen die zijn overgebleven van hun eigen vruchtbaarheidsbehandeling als om eicellen die met het oog op donatie ten behoeve van de vruchtbaarheidsbehandeling van een ander na een hormoonbehandeling speciaal moeten worden afgenomen.
Vindt u het wenselijk dat vrouwen steeds vaker naar het buitenland gaan voor een vruchtbaarheidbehandeling waarbij gebruik wordt gemaakt van eiceldonatie en daarvoor in toenemende mate een vergoeding krijgen van hun verzekering? Zo nee, welke middelen staan u ter beschikking om daar wat aan te doen?
De vruchtbaarheidsbehandeling met eiceldonatie is ook in Nederland beschikbaar en zij behoort onder voorwaarden ook tot de te verzekeren zorg. Het is aan vrouwen zelf om de behandelaar te kiezen bij wie zij zo’n behandeling ook daadwerkelijk kunnen ondergaan. Daarbij kan een vrouw kiezen voor behandeling bij zorgaanbieders in Nederland of in het buitenland. De Zorgverzekeringswet (Zvw) biedt de mogelijkheid zorgpolissen (restititutiepolissen) aan te bieden met een volledig vrije keuze of zorgpolissen uitgaande van gecontracteerde zorg. Maar ook ingeval een zorgverzekeraar slechts gecontracteerde zorg aanbiedt, heeft de verzekerde op grond van de Zvw toch de mogelijkheid om naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder te gaan. De zorgverzekeraar zal in die situaties in de zorgpolis moeten hebben bepaald welk deel van de kosten niet wordt vergoed. Op grond van Europese jurisprudentie (Hof van Justitie, 13 mei 2003, C-385/99 inzake Müller-Fauré/Van Riet) mag de vergoeding niet zodanig laag zijn dat feitelijk een hinderpaal ontstaat voor het inroepen van hulp bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Daarmee zou immers een niet gerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van diensten kunnen ontstaan. Ik heb geen middelen om dit tegen te gaan. De vraag of ik de ontwikkeling wenselijk acht is dan in wezen niet meer aan de orde.
Wat is uw reactie op de uitspraak: «Nieuwe vruchtbaarheidstechnieken komen in Nederland pas zeer laat ter beschikking van patiënten», waardoor we altijd achter de feiten aan lopen?
Ik ben van mening dat de aangehaalde uitspraak een te negatief beeld geeft van de mogelijkheden die er in Nederland in het algemeen zijn om nieuwe vruchtbaarheidstechnieken toe te passen. De Embryowet respectievelijk de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) maken immers mogelijk dat binnen kaders van die regelgeving klinisch onderzoek op het gebied van (nieuwe) vruchtbaarheidstechnieken wordt uitgevoerd.
Ik vind het van groot belang dat in Nederland nieuwe technieken zorgvuldig worden geïntroduceerd met het oog op de belangen van de betrokken vrouwen en vooral ook de (gezondheid van) toekomstige kinderen.
Deelt u de mening dat er in Nederland een onafhankelijke instantie moet komen, zodat in een vroeg stadium gefundeerd advies beschikbaar komt, analoog aan de Britse Human Fertility and Embryology Authority? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er in Nederland niet een onafhankelijke instantie analoog aan de Britse Human Fertility and Embryology Authority (HFEA) moet komen. We hebben met de Gezondheidsraad al een orgaan dat – desgevraagd of uit eigener beweging – onafhankelijk een gefundeerd advies ook over fundamentele ontwikkelingen op het gebied van vruchtbaarheidsproblematiek kan uitbrengen. Wanneer het gaat om relatief beperkte bijstellingen van handelwijzen zoals die in de praktijk bij vruchtbaarheidsbehandelingen worden gehanteerd, zal veelal volstaan kunnen worden met het door de beroepsgroepen wijzigen van hun protocollen en reglementen.
De Nederlandse situatie lijkt mij daarmee ten minste net zo werkbaar als die in het Verenigd Koninkrijk. Ik merk in dit verband nog op dat in het Verenigd Koninkrijk plannen bestaan om de taken van de HFEA over te dragen aan andere organen.
Vastgoed |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Vastgoed is schikkingen zat, elke grote vastgoedfraude voor de rechter»?1
Ja.
Ziet u dat er door de schikkingen in grote vastgoedzaken onduidelijkheid blijft bestaan in de vastgoedmarkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voormalig verdachte?
Ik constateer dat partijen op de vastgoedmarkt zich afvragen hoe zij bij hun streven naar het bevorderen van de integriteit in de sector dienen om te gaan met (rechts)personen die een transactie zijn aangegaan met het Openbaar Ministerie (OM). Marktpartijen moeten zelf beslissen met wie zij zaken willen doen en met wie niet. Het enkele feit dat een partij door het OM een transactie krijgt aangeboden, geeft aan dat er volgens het OM sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit. Om de beslissing of er al dan niet zaken gedaan dient te worden met een partij verder te vergemakkelijken, hebben marktpartijen een aantal mogelijkheden. Niet alleen kunnen zij vanzelfsprekend aan de betreffende partij navraag doen over de precieze inhoud van de schikking. Ook kunnen zij een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor rechtspersonen verlangen. Een transactie met het OM staat geregistreerd in de justitiële documentatie en wordt bij de afweging of een VOG afgegeven betrokken.
Bent u bereidt om instructie te geven dat het Openbaar Ministerie bij vervolging van fraudes niet zomaar schikt zonder publieke schuldbekentenis of het anders voor de rechter brengt?
Het Openbaar Ministerie gaat over tot een transactieaanbod als het de verdachte schuldig acht aan het strafbare feit en meent dat de zaak bewijsbaar is. Op grond van artikel 74 Wetboek van Strafrecht kan het Openbaar Ministerie de verdachte voorwaarden stellen ter voorkoming van strafvervolging. In aanvulling hierop is in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties bepaald aan welke eisen deze transacties moeten voldoen. Het is aan de verdachte om al dan niet met het transactieaanbod in te stemmen. De schuldbekentenis is noch voor het transactieaanbod door het Openbaar Ministerie noch voor de strafoplegging door de rechter een vereiste. Als de verdachte niet instemt met het transactieaanbod wordt de zaak altijd aan de rechter voorgelegd.
Kunt u bevorderen dat de Nederlandsche Bank en Autoriteit Financiële Marktenkenbaar maken of bedrijven wel of geen zaken mogen doen met schikker?
Het is niet aan de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten om voor te schrijven met welke natuurlijke of rechtspersonen de onder toezicht gestelden2 zaken kunnen doen. Onder toezicht gestelden hebben een eigen, wettelijke, verantwoordelijkheid voor een integere bedrijfsvoering ter beheersing van integriteitrisico’s. Dit houdt onder meer in dat zij moeten weten met wie zij zaken doen en wie hun klanten zijn.
Overigens dient een onder toezicht gestelde die betrokken is bij een transactie met het OM dat onverwijld aan de toezichthouder te melden. De toezichthouder kan vervolgens de afweging maken of een dergelijke schikking zou kunnen leiden tot een heroverweging van iemands betrouwbaarheid en/of deskundigheid. Dat bepaalt of de persoon nog langer actief kan of mag zijn in de sector.
Van belang in dit verband is tevens, dat DNB onlangs de «Beleidsregel met betrekking tot integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten» heeft gepubliceerd. Daarin wordt aangegeven wat van financiële partijen wordt verwacht in verband met de bestrijding van integriteitrisico’s die voortvloeien uit vastgoedtransacties. Zoals aangeven is het de verantwoordelijkheid van de sector om -met behulp van de beleidsregel- adequate maatregelen tegen vastgoedfraude te nemen.
Bent u bereid om te bevorderen dat alle schikkingen met naam en alle details openbaar gemaakt worden, zodat de markt ook nog een eigen afweging kan maken?
Het Openbaar Ministerie brengt bij hoge transacties en bijzondere transacties een persbericht uit. Dit is bepaald in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties. In het persbericht worden bepaalde details openbaar gemaakt. Dit zijn in elk geval de naam van de verdachte met wie is getransigeerd en de strafbare feiten waarop de transactie ziet. In de onderhavige vastgoedzaak zijn transacties middels persberichten openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking dient het algemeen belang. Het persbericht biedt compensatie voor het feit dat er door de transactie geen openbare behandeling ter terechtzitting meer plaatsvindt en evenmin sprake is van een openbare rechterlijke uitspraak waarvan een generaal preventieve werking uitgaat.
In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat marktpartijen een VOG kunnen verlangen of navraag kunnen doen over de precieze inhoud van de schikking bij de betrokken partij zelf.
Gelet hierop zie ik geen reden te bevorderen dat meer details van transacties openbaar worden gemaakt dan nu het geval is bij hoge of bijzondere transacties. Evenmin zie ik aanleiding te bevorderen dat wordt overgegaan tot openbaarmaking van (details van) transacties die niet vallen onder de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties.
Worden bij openbare aanbestedingen door overheden schikkers uitgesloten?
Op grond van het toepasselijke Europese aanbestedingsrecht voor overheden vormt een onherroepelijke rechterlijke veroordeling een uitsluitinggrond. Indien er getransigeerd wordt, is naar huidig recht uitsluiting bij de aanbestedingsprocedure dus niet mogelijk. Na de fase van aanbesteding en gunning volgt de contractuele fase. Op dit moment wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om gewenst integer gedrag onderdeel te maken van de overeenkomst nadat gegund is.
Het salaris van ICCO-voorzitter Marnius Verweij |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Speelt ICCO-topman Marinus Verweij met vuur»?1
Ja.
Klopt het dat topman Marinus Verweij van subsidieslurper ICCO jaarlijks bijna 10 000 euro meer verdient dan zijn voorganger?
Ja. Volgens de uitkomsten van het onderzoek naar directiesalarissen dat op
29 oktober 2010 in een Kamerbrief is aangeboden aan de Tweede Kamer, bedroeg het salaris van de directievoorzitter van ICCO op dat moment Eur 114 991,– . Op 1 november 2010 is de heer Verweij aangetreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van ICCO. De heer Verweij heeft in de laatste twee maanden van 2010 een bruto salaris van ICCO ontvangen van Eur 21 162,55. Wanneer dat geëxtrapoleerd wordt naar een jaarsalaris, zou dit Eur 126 975,– bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de DG-norm voor 2010.
De kwalificatie «subsidieslurper» is een substantief dat ik mij in dit verband overigens niet eigen maak.
Hoe waardeert u deze aanzienlijke salarisverhoging?
Met het instellen van de zogenoemde DG-norm is beoogd in redelijkheid een grens te stellen aan salarissen in de OS-sector.
De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het salaris ligt, mits deze de DG-norm niet overschrijdt, bij de subsidieontvanger. Hoe wijs het is om in een tijd van noodzakelijke bezuinigingen en een kritisch maatschappelijk klimaat een dergelijke verhoging toe te passen, is weer een andere vraag.
Deelt u de mening dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van ICCO – Doekle Terpstra – beter niet akkoord had kunnen gaan met deze salarisverhoging, zeker nu de subsidie voor ICCO naar beneden is bijgesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Milieuzones |
|
Dion Graus (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat milieuzones slecht toegankelijk zijn voor voertuigen van ondernemers binnen de milieuzone en van voertuigen van de kermis- en circusbranche en dat dit slecht is voor de economie?
Nee, deze mening deel ik niet. Een milieuzone is één van de maatregelen die gemeenten kunnen nemen binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen. In Nederland zijn momenteel 12 gemeenten met een milieuzone voor vrachtverkeer. De Europese Commissie heeft normen gesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL is een programma waarmee wordt aangetoond dat Nederland de Europese luchtkwaliteitsnormen op tijd gaat halen. In het -met alle overheden tezamen- opgestelde programma zijn alle geplande ruimtelijke projecten opgenomen en alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het NSL heeft ervoor gezorgd dat Nederland van het «bouwslot» afgekomen is en geeft daarmee juist een impuls aan de economie.
Voor het beperkte aantal ondernemers met één of meer vrachtauto’s in het bezit (die niet aan de eisen voldoen) dat gevestigd is binnen de milieuzone geldt dat gemeenten zorgvuldig omgaan met een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule. Hiermee kan een langdurige ontheffing worden verkregen. Een beroep hierop slaagt als de desbetreffende ondernemer failliet dreigt te gaan door de milieuzone-eisen of als de ondernemer een onevenredig grote investering zou moeten doen. Het uitgangspunt is dat ondernemers niet failliet mogen gaan door de eisen van een milieuzone. Tot op heden hebben mij geen signalen bereikt van gemeenten of bedrijfsleven dat er daadwerkelijk ondernemers failliet zijn gegaan als gevolg van de milieuzone. Daarnaast is er de mogelijkheid dat als een ondernemer overgaat tot de aanschaf van een schoner voertuig, dat in dat geval een ontheffing kan worden verkregen voor het oude voertuig tot het moment van levering van het nieuwe voertuig.
Kermisvoertuigen zijn in het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering aangemerkt als bijzonder voertuig. Dit betekent dat deze voertuigen vanwege hun langere levensduur toegang tot de milieuzone hebben tot ze de leeftijd van 13 jaar hebben bereikt. Voor gewone vrachtwagens wordt uitgegaan van een levensduur van 8 jaar. In de helft van de milieuzonesteden ligt het kermisterrein binnen de milieuzone, in de andere helft van de steden niet. Uit tellingen van de Belastingdienst van begin 2011 blijkt dat er ongeveer 900 kermis- en circusvoertuigen in Nederland ouder zijn dan 13 jaar. Deze voertuigen moeten een dagontheffing aanvragen als zij de milieuzone in willen rijden. Staat een voertuig stil gedurende de kermis, dan hoeft voor die dagen geen ontheffing te worden aangevraagd. Dit betekent in de praktijk dat er meestal 2 maal een ontheffing à 25 euro per dag dient te worden aangevraagd voor de dag van opbouw en de dag van afbouw. Naast de mogelijkheid van een dagontheffing (maximaal 12 keer per jaar per gemeente) bestaat er voor de voertuigen ouder dan 13 jaar een mogelijkheid om een beroep te doen op de gemeentelijke hardheidsclausule. Gegeven de hierboven beschreven ontheffingensystematiek, de beperkte omvang van het kermiswagenpark en de relatief lage kosten van de ontheffing voor de ondernemer, leidt het regime wat mij betreft niet tot een significante verslechtering van de economische situatie
Bent u bekend met het feit dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met het aanvragen van een ontheffing en dat zij bovendien worden overspoeld met administratieve en financiële lasten?
Ik ben niet van mening dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met aanvragen van een ontheffing of dat zij overspoeld worden met administratieve en financiële lasten. Het aanvragen van een dagontheffing gaat via een zeer eenvoudige digitale aanvraagprocedure. De dagontheffing is 30 uur geldig. De controle gebeurt digitaal op basis van het kenteken. Er hoeft dus geen bewijs van betaling of een ontheffing in de vrachtwagen aanwezig te zijn. Sommige gemeenten hebben de faciliteit dat de ontheffing voor de milieuzone tegelijk met een standplaats- of evenementenvergunning aangevraagd kan worden. Dit scheelt dan in de administratieve lasten van de ondernemer.
Zo ja, wilt u de mogelijkheid bekijken om uw weigering om de kermis- en circusbranche een ontheffing te verlenen te herzien, om zo de kermis- en circusbranche tegemoet te treden in een vermindering van regels en kosten?
Zie het antwoord op vraag 2; ondernemers wordt – mits zij aan de criteria voldoen – geen (lokale) ontheffing geweigerd. Gedurende de afgelopen jaren zijn vrachtauto’s een stuk schoner geworden. Vrachtauto’s van 13 jaar en ouder zijn relatief erg vervuilend, dus verlenging van de termijn van 13 jaar of het verlenen van volledige vrijstelling aan de kermisvoertuigen zou het effect van de milieuzone ondergraven. Bovendien leidt verlenging tot een onevenredige bevoordeling ten opzichte van eigenaren van gewone vrachtauto’s, waaraan wel strengere roetfilter- en leeftijdseisen worden gesteld.
Bent u op de hoogte van het feit dat het voertuigenpark in de kermis- en circusbranche een levensduur heeft welke ligt tussen de 30 en 40 jaar? Zo ja, vindt u de nu geldende criteria, waarbij auto’s ouder dan dertien jaar extra worden belast, dan niet bijdragen aan de financiële doodsteek voor de kermis- en circusbranche?
Ik ben ervan op de hoogte dat voertuigen in de kermis- en circusbranche over het algemeen minder kilometers maken en langer gebruikt worden dan andere vrachtauto’s. Voor «gewone» vrachtauto’s gaat het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering uit van een gemiddelde levensduur van 8 jaar. In het convenant wordt dus al tegemoet gekomen aan de langere levensduur van kermis- en circuswagens door deze als «bijzonder voertuig» te bestempelen totdat ze 13 jaar oud zijn. Dit houdt in dat deze voertuigen tot die tijd toegang hebben tot de milieuzones. Voor ondernemers die door de milieuzone-eisen een onevenredig grote investering zouden moeten doen, is een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule mogelijk. Bovendien worden vrachtauto’s ouder dan 13 jaar niet extra belast, maar hebben zij – zoals aangegeven – juist langer toegang tot de milieuzone dan een gemiddelde vrachtwagen.
Bent u bekend met het feit dat fijnstofoverschrijdingen vooral te wijten zijn aan het weer en dat schommelingen daarbij niet te beïnvloeden zijn door verkeersmaatregelen? Zo nee, kunt u een overzicht geven van elke milieuzone, maar ook van elk omliggend gebied rondom de milieuzone, in Nederland met daarbij het percentage fijnstof vóór en na de invoering van de milieuzone?
Het is mij bekend dat de weersomstandigheden een belangrijke rol spelen voor wat betreft het optreden van relatief hoge of lage concentraties van luchtverontreiniging. Echter, voor het halen van de Europese normen gaat het primair om het omlaag brengen van de jaargemiddelde concentraties. Dit kan slechts bereikt worden door de emissies (onder andere van het verkeer) structureel te verminderen. Milieuzones hebben effect op de uitstoot van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof. Een recente studie (oktober 2010) van bureau Goudappel Coffeng (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 31 305, nr. 188) laat dit zien.
Op NSL-knelpuntlocaties waar de maximale gemiddelde jaarlijkse stikstofdioxide (NO2)-concentratie (40 µg/m³) dreigt te worden overschreden, kan – afhankelijk van het aantal vrachtautobewegingen – het hebben van een milieuzone vanaf 2013 leiden tot een afname van de concentratie NO2 met 0,3 μg/m³. Daarmee levert de milieuzone een bijdrage aan het oplossen van resterende NO2-knelpunten. Voor de fijnstof (PM10)-concentratie wordt op NSL-knelpuntlocaties een reductie van 0,15 tot 0,25 μg/m³ bereikt. De verwachte effecten voor 2013 en 2015 zijn vergelijkbaar.