Digitale spionage van China en Rusland |
|
André Elissen (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Traveling Light in a Time of Digital Thievery»?1
Ja.
Is het in uw beleving waar dat reizigers met waardevolle informatie een groot risico lopen dat hun apparaten in China en Rusland gemanipuleerd worden zodat deze landen informatie kunnen bemachtigen? Zo ja, hoe groot is dit risico? Welke landen maken zich nog meer schuldig aan dit soort activiteiten?
Er is een reële kans dat waardevolle informatie op deze wijze gestolen wordt door buitenlandse inlichtingendiensten. Buitenlandse inlichtingendiensten beschikken over een breed scala aan middelen om aan informatie te komen. Zo worden bestanden gekopieerd van gegevensdragers (laptops, mobiele telefoons, pda’s enzovoorts); wordt telefoon- en dataverkeer afgeluisterd (vast en mobiel) en wordt gebruik gemaakt van camera’s of microfoons in bijvoorbeeld hotelkamers. De AIVD en MIVD hebben in dit kader verschillende brochures uitgebracht waarin wordt gewaarschuwd voor het risico op spionage bij reizen naar het buitenland en waarin wordt aangegeven wat reizigers zelf kunnen doen om het risico te verkleinen.2
In de jaarverslagen van de AIVD en MIVD wordt aangegeven dat het risico op spionage onverminderd aanwezig is, daarbij geldt dat met name het risico op digitale spionage toeneemt. Ook uit het Cyber Security Beeld Nederland (CSBN) van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) komt de dreiging van cyberspionage door statelijke actoren prominent naar voren.3 Het CSBN laat zien dat er sprake is van een toenemende dreiging van digitale spionage. Zowel overheden als private organisaties zijn regelmatig doelwit van digitale spionage geweest, ook in Nederland. Deze cyberaanvallen zijn gericht op het verkrijgen van vertrouwelijke informatie van economische of politieke waarde, of op direct geldelijk gewin.4
China, Rusland en Iran zijn in het meest recente jaarverslag van de AIVD genoemd als landen waarvan de buitenlandse inlichtingendiensten spionageactiviteiten ondernemen. Nadere informatie over landen die zich schuldig maken aan spionage kan ik niet verstrekken aangezien dat raakt aan het kennisniveau en de bronnen van de AIVD en de MIVD. Deze informatie is gerubriceerd en kan ik in het openbaar niet met u delen. U kunt er echter van uitgaan dat naast de genoemde landen ook andere landen heimelijke inlichtingenactiviteiten ondernemen in Nederland. De inlichtingendiensten doen hier onderzoek naar en treden op waar nodig.
Treft de Nederlandse overheid speciale maatregelen wanneer ambtenaren, diplomaten of politici naar China of Rusland afreizen om te voorkomen dat deze landen op digitale wijze spioneren? Geeft u het Nederlandse bedrijfsleven voorlichting over dit onderwerp of biedt u op andere wijze ondersteuning of bescherming? Zo nee, waarom niet?
De AIVD en MIVD doen in het kader van de wettelijke taak onderzoek naar ongewenste inlichtingenactiviteiten van vreemde mogendheden. Over dit onderzoek informeren de AIVD en MIVD overheidsinstanties die maatregelen kunnen nemen. Tevens informeren de AIVD en de MIVD, in specifieke gevallen, díe instanties die doelwit zijn van de heimelijke inlichtingenactiviteiten, dit kunnen zowel overheden als bedrijven zijn.
Het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging (NBV) bevordert als onderdeel van de AIVD de beveiliging van vertrouwelijke informatie van de overheid. De AIVD geeft advies over informatiebeveiliging, beoordeelt beveiligingsproducten en ondersteunt bij de implementatie ervan. Ook dit advies kan gericht zijn tot zowel overheden als bedrijven.
Daarnaast gelden voor de beveiliging van waardevolle overheidsinformatie de regels die zijn vastgelegd in het «Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie». In dit voorschrift zijn ook beschermingsmaatregelen tegen dreigingen van digitale spionage inbegrepen.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in het standaard opleidingsprogramma van diplomaten bewustwordingsactiviteiten op het gebied van integrale veiligheid, inclusief informatiebeveiliging en risico op spionage, opgenomen.
Toeleveranciers van de defensieorganisatie krijgen van de MIVD advies over informatiebeveiliging. Daarnaast worden aan defensieorderbedrijven eisen gesteld ten aanzien van informatiebeveiliging en worden cursussen voor beveiligingsfunctionarissen van deze bedrijven gegeven. Voor bedrijven die bijzonder interessant zijn voor buitenlandse inlichtingendiensten worden maatwerkbijeenkomsten georganiseerd om de bewustwording te vergroten.
In april 2010 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kwetsbaarheidsanalyse Spionage (KWAS) aangeboden aan de Tweede Kamer. Het kabinet heeft uw Kamer in zijn brief d.d. 22 februari 2011 op de hoogte gebracht van de aanpak naar aanleiding van dit onderzoeksrapport.5 Dat betreft onder andere voorlichting aan bedrijfsleven en overheden over de risico’s van spionage en de mogelijkheden om de weerbaarheid daartegen te vergroten. Daarvoor is de Handleiding Kwas ontwikkeld en wordt dit jaar een e-learning module beschikbaar gesteld.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de vice-president van beveiligingsbedrijf McAfee dat apparaten die door de Chinese overheid worden gecontroleerd nooit meer op het bedrijfsnetwerk aangesloten mogen worden? Worden apparaten van de Nederlandse overheid ook niet meer gebruikt wanneer deze aan de Chinese grens zijn gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat een risico dat apparaten die worden afgegeven aan derden, bijvoorbeeld bij grenscontroles, worden voorzien van middelen om heimelijk informatie weg te halen.
Organisaties en overheden zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van een risico-inschatting van het gebruik van dergelijke apparaten binnen het bedrijfsnetwerk en het implementeren van maatregelen die het weglekken van informatie kunnen voorkomen. De bovengenoemde Handleiding KWAS ondersteunt organisaties bij het maken van deze risico-inschatting.
Hoe beoordeelt u het hacken van telefoons, computers of andere communicatiemiddelen van Nederlandse staatsburgers door een vreemde mogendheid als China of Rusland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dergelijke inlichtingenactiviteiten kunnen de nationale veiligheid aanzienlijke schade toebrengen en de nationale belangen aantasten. Daarom vindt het kabinet dit soort activiteiten ontoelaatbaar. Constatering van dergelijke activiteiten leidt altijd tot het nemen van maatregelen.
Welke gevaren ziet u voor Nederland wanneer landen als China en Rusland (en eventueel ook andere landen) zich op grote schaal aan cyberspionage schuldig maken?
Informatie op economisch, technisch-wetenschappelijk, militair en politiek terrein kan als gevolg van spionage weglekken naar het buitenland. Deze spionage kan een dreiging tegen de staatsveiligheid en de nationale belangen van Nederland vormen. Het kan daarnaast leiden tot economische schade, het verlies van concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en de koppositie die Nederland in bepaalde sectoren bekleed.
Tientallen vaders die jaarlijks vals beschuldigd worden door ex'en van misbruik of mishandeling |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantijgingen vrouwen lastig aan te pakken»?1
Ja.
Hoe komt het dat een moeder die een onjuiste aangifte doet van misbruik of mishandeling zelden wordt vervolgd, terwijl het Openbaar Ministerie (OM) juist heeft gesteld altijd over te gaan tot vervolging bij een valse aangifte van een zedenmisdrijf ?2
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij meegedeeld dat de woordvoerder van het OM in Groningen heeft gezegd dat ernaar wordt gestreefd om bewust onjuist gedane zedenaangiftes – indien bewijsbaar – altijd te vervolgen. In veel gevallen liggen dergelijke aangiftes echter in een schemergebied tussen onjuiste en bewust onjuiste aangiftes. In die gevallen is het opsporingsonderzoek complex en arbeidsintensief. Het OM bekijkt dan of het onderzoek opportuun is en of er voldoende capaciteit beschikbaar is om het uit te voeren. Alleen het doen van een bewust onjuiste aangifte is strafbaar en vervolgbaar op grond van artikel 188 Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak dat jaarlijks tientallen bewust onjuiste aangiftes tegen vaders worden gedaan vanwege misbruik of mishandeling, en dat daarvoor zelden wordt vervolgd, kan ik niet bevestigen. Bij het OM zijn hiervan geen aantallen bekend.
Deelt u de mening dat de gevolgen van een valse aangifte groot zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze misstanden een halt toe te roepen?
Ja, ik verwijs naar de brief die de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 4 november 2011 aan uw Kamer heeft gestuurd in reactie op een brief van het Vaderkenniscentrum/Stichting Kind en Omgangsrecht (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 31 839, nr. 141). In punt 6 in die brief is de Staatssecretaris specifiek ingegaan op bewust onjuist gedane aangiftes en de manier waarop de politie en het OM daarmee omgaan. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Bent u voorts bereid om de gevolgen die een valse aangifte heeft op andere terreinen aan te pakken, zoals bijvoorbeeld in civiele procedures die zijn opgestart door de ex met betrekking tot de kinderen? Zo nee, waarom niet?
In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2010A026, Stcrt. 2010, nr. 19123) is bepaald dat het OM bij gebleken valsheid van een aangifte – als de zaak eerder in de publiciteit is geweest – een perspublicatie kan uitbrengen waarin duidelijk wordt gemaakt dat het een bewust onjuiste aangifte betrof. Deze publicatie dient ertoe het veiligheidsgevoel van de burgers te herstellen en een bijdrage te leveren aan het eerherstel van de ten onrechte beschuldigde. Het OM heeft mij meegedeeld dit onderdeel van de aanwijzing ruimhartig te zullen toepassen.
Als een civiele procedure over bijvoorbeeld het vaststellen van een omgangs- of zorgregeling nog loopt, kan betrokkene het gegeven van een bewust onjuist gedane aangifte zelf in de procedure naar voren brengen. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van een sepotbrief van het OM of de hiervoor genoemde perspublicatie. Als een omgangs- of zorgregeling al door de rechter is vastgesteld, en de aangifte is meegenomen bij zijn weging van de belangen van het kind, dan kan betrokkene een nieuwe gerechtelijke procedure starten om deze regeling opnieuw te laten vaststellen. Ook dan kan betrokkene een sepotbrief of perspublicatie inbrengen.
Het bericht 'Dwing OM tot hoger beroep' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Dwing OM tot hoger beroep»?1
Ja.
Deelt u de mening dat indien het Openbaar Ministerie (OM) echt denkt dat hoger beroep geen kans van slagen heeft, dat op zijn minst voor slachtoffers begrijpelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hoe beoordeelt u het pleidooi van het Burgercomité tegen Onrecht dat de openbaar aanklager moet kunnen worden gedwongen een vonnis aan te vechten, net zoals het nu mogelijk is om het OM te dwingen iemand te vervolgen?
Indien u het idee positief beoordeelt, zou dit volgens u dan alleen in geval van een vrijspraak moeten kunnen of ook in geval van een (veel) lager opgelegde straf dan verwacht had kunnen worden?
Bent u bereid om de mogelijkheden te onderzoeken en de Kamer daarover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kwijtmaken van het archief van het Nationale Cyber Security Centrum |
|
André Elissen (PVV), Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Govcert kan niet bij eigen archief hackincidenten»?1
Ja.
Hoe kijkt u tegen het feit aan dat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) niet meer bij de registraties van incidenten vóór 2009 kan komen? Past dit binnen het profiel van een lerende organisatie? Vindt u het belangrijk dat er (trend)onderzoek gedaan kan worden naar eerdere incidenten? Zegt deze manier van werken iets over de zorgvuldigheid van werken en/of de technische competenties van het NCSC en voorloper Govcert? Hoe worden kennis en kunde rond cyber security momenteel geborgd?
De registratie van incidenten van vóór 2009 is toegankelijk. Voor meer details per incident zijn echter wel extra handelingen nodig. Aangezien het reeds afgehandelde en in trendrapporten verwerkte zaken betreft, is dit mijns inziens aanvaardbaar.
Govcert.nl heeft tot 2012 jaarverslagen en trendrapporten uitgebracht, die mede gebaseerd zijn op de incidenten die sinds 2004 hebben plaatsgevonden. In die rapporten is gewaarschuwd voor bepaalde trends in kwetsbaarheden of risico’s.
Het NCSC/Govcert.nl werkt zorgvuldig en beschikt over de benodigde technische competenties. De incidenten zijn zorgvuldig afgehandeld. Daarnaast heeft Govcert.nl, mede op basis van via deze incidenten opgedane kennis, jaarverslagen gepubliceerd en trendrapporten uitgebracht. Verder worden jaarlijks vele ICT-beveiligingsadviezen met handelingsperspectief uitgebracht.
Hebben zich vóór 2009 incidenten voorgedaan waarbij SCADA-systemen werden gehackt of misbruikt door onbevoegden? Zo ja, waarom is er niet eerder actie ondernomen om iets te doen aan de kwetsbaarheden die bijvoorbeeld in EenVandaag werden getoond?2 Zo nee, waar baseert u dat op? Hoe weet u dat er geen SCADA-systemen werden gehackt of misbruikt door onbevoegden, aangezien het NCSC aangeeft niet over deze gegevens te beschikken?
Ja. ik ben mij al langer bewust van de kwetsbaarheid van SCADA-systemen en heb daarom hiervoor gewaarschuwd in publicaties zoals het Trendrapport Digitale Veiligheid 2010 en het Cyber Security Beeld Nederland.
Om de weerbaarheid van vitale sectoren te vergroten, zijn reeds maatregelen genomen. Er is geoefend en er zijn penetratietesten gedaan. Het verhogen van de weerbaarheid van de vitale sectoren is een van de actielijnen van de Nationale Cyber Security Strategie. Daarnaast heeft het NCSC naar aanleiding van de uitzending EenVandaag SCADA eigenaren extra gealerteerd over SCADA-beveiliging. Verder heeft het NCSC een checklist omtrent beveiliging van SCADA-systemen opgesteld om organisaties te helpen een juiste en bewuste keuze te maken voor een passend beveilingsniveau. Eigenaren van SCADA-systemen zijn zelf verantwoordelijk voor de beveiliging van hun SCADA-systemen.
Wat vindt u ervan dat Govcert/NCSC informatie die zij op basis van de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob) zou moeten verstrekken, niet verstrekt omdat de informatie op dusdanige wijze is opgeslagen dat deze niet meer eenvoudig geraadpleegd kan worden? Gaat u vanuit de eigen verantwoordelijkheid van de overheid ervoor zorgen dat deze gegevens zo snel mogelijk toegankelijk worden gemaakt? Zo ja, doet u dit om aan de ene kant te leren van incidenten en aan de andere kant om de indiener van het Wob-verzoek alsnog tegemoet te komen? Zo nee, waarom bent u niet bereid dit te doen?
Zoals ik bij antwoord 2 heb aangegeven, is de informatie toegankelijk. Voor meer gedetailleerde informatie zijn extra, arbeidsintensieve handelingen nodig.
Bij het Wob-verzoek waarnaar u verwijst, heeft verzoeker uitdrukkelijk ingestemd met de openbaarmaking van informatie vanaf 2009 alsook dat hij zijn bezwaar zou intrekken als hem informatie vanaf 2009 zou worden verstrekt. De desbetreffende informatie is openbaar gemaakt. Dat verzoeker thans om hem moverende redenen andere gedachten daarover heeft, betreur ik omdat het bestuursorgaan zich aan de gemaakte afspraak heeft gehouden.
Hoe beoordeelt u de situatie dat een onderdeel van de overheid dat goed met techniek zou moeten kunnen omgaan, niet meer over de eigen historische gegevens kan beschikken? Had Govcert in uw beleving met open standaarden moeten werken? Had Govcert in uw beleving met het overgaan naar een nieuwe database de historische gegevens moeten migreren? Zo nee, waarom is er geen gebruik gemaakt van open standaarden? Waarom zijn er geen gegevens gemigreerd of is er geen virtualisatie toegepast om de gegevens alsnog te kunnen gebruiken?
Zoals weergegeven in antwoord 2 beschikt het NCSC/Govcert.nl over de eigen historische gegevens in een database. Deze database is gebaseerd op open source software, open standaarden dus.
Migratie van gegevens is op grond van de Archiefwet verplicht wanneer de duurzaamheid van de gegevens niet langer gegarandeerd kan worden. Zoals ook wordt weergegeven in antwoord 7, is dat hier niet aan de orde. De gegevens zijn veilig gesteld. Uit doelmatigheidsoverwegingen is er voor gekozen om de oude gegevens niet te migreren en te virtualiseren.
Denkt u dat er een precedentwerking van deze zaak uitgaat en dat andere overheidsonderdelen nu ook gegevens op dusdanige wijze gaan opslaan dat deze niet meer gemakkelijk te delen zijn? Vindt u daarnaast dat de wijze van archiveren van Govcert vergelijkbaar is met het opslaan van de gegevens in een container om deze vervolgens af te laten zinken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie verder het antwoord op de vraag 2.
Vindt u dat er naar de letter én de geest van de Wob is gehandeld? Had Govcert en heeft het NCSC in uw beleving een verplichting dan wel een verantwoordelijkheid om de incidentengegevens van de periode voor 2009 toegankelijk te houden? Voldeed Govcert en voldoet het NSCS aan de archiefwet? Zo ja, waarom vindt u dat? Kunt u uitsluiten dat deze manier van obstructie, waaronder het slecht toegankelijk maken van gegevens en het eerdere bericht dat de gegevens zoek waren, strafbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om herhaling van dit soort situaties te voorkomen?
De Wob bevat regels voor de openbaarmaking van informatie over bestuurlijke aangelegenheden en niet over het beheer en de toegang tot overheidsarchieven. Die regels zijn opgenomen in de Archiefwet. De Erfgoedinspectie heeft als toezichthouder op de Archiefwet vastgesteld dat de incidentmeldingen van Govcert van de periode vóór 2009 zijn gearchiveerd in een database. Deze database wordt in een beveiligde beheersomgeving beheerd. De database is voldoende toegankelijk conform de archiefwettelijke eisen die zijn gesteld voor op termijn vernietigbare archieven.
Kunt u deze vragen vóór 15 maart 2012 beantwoorden zodat de antwoorden bij het algemeen overleg over cyber security en privacy kunnen worden betrokken?
Ja.
Het artikel 'Gemeente Haren verscheurde parkeerboetes |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Hero Brinkman (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Gemeente Haren verscheurde parkeerboetes van gezagsdragers»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen 12 jaren misbruik hebben gemaakt van deze onverkwikkelijke toestand en om hoeveel geld het in totaal zou gaan?
Navraag bij de gemeente Haren leert dat het ging om zeer incidentele gevallen. In het merendeel van de gevallen ging het om situaties waarbij sprake was van het bezit van een parkeerontheffing, waarvoor het verschuldigde bedrag was betaald. Verzuimd was echter bij het parkeren, de ontheffing achter de voorruit te plaatsen. De betreffende ambtenaar of politieke ambtsdrager legde dit nadien uit aan de handhavend ambtenaar die, op basis van deze argumenten, de boete doorhaalde (in 2012 is de hoogte van de boete € 51).
Een enkele keer is het ook voorgekomen dat met een andere auto werd gereden (en geparkeerd) dan waarvoor de ontheffing gold. Deze boete werd ook doorgehaald. In dit laatste geval is nadien alsnog het verschuldigde parkeergeld betaald.
Het doorhalen van de boete gebeurde derhalve op basis van argumenten, zij het dat formeel de bezwaarprocedure niet werd gevolgd. Dit is onjuist en daarom is deze praktijk inmiddels beëindigd.
Bent u bereid een onderzoek naar de integriteit van de Gemeente Haren bij het bureau Bing te initiëren?
Het gaat hier om een lokale aangelegenheid. Het is aan de gemeente hierover te beslissen. Het college van burgemeester en wethouders heeft in een tweetal brieven (gedateerd 7 februari 2012) uitleg gegeven aan fracties in de gemeenteraad over de handelwijze met betrekking tot het doorhalen van boetes in het bonnenboekje.
Daarbij heeft het college aangegeven dat zij zich zal beraden op het mogelijk aanscherpen van het integriteitsbeleid.
Deelt u de mening dat alle daders alsnog de betreffende boetes moeten betalen en, indien mogelijk, disciplinair of strafrechtelijk moeten worden gestraft?
Het gaat hier niet om een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. De boetes waren gebaseerd op de gemeentelijke belastingverordening. Hieruit voortvloeiende verantwoordelijkheden liggen bij het gemeentebestuur.
Is bij u bekend of er gemeenten zijn waar zich soortgelijke misstanden hebben voorgedaan? Zo ja welke gemeenten zijn dat en hoe is dit in die gemeenten afgehandeld?
Mij zijn geen signalen bekend vanuit andere gemeenten over een soortgelijke handelwijze als in de gemeente Haren heeft plaatsgevonden.
Problemen in het middelbaar beroepsonderwijs |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport van ROOD, jong in de SP: «Het MBO verdient beter»?1
De problemen die de SP signaleert sluiten deels aan bij conclusies van eerder onderzoek vanuit onder meer OCW, de JOB en de MBO Raad. Het mbo moet inderdaad beter: we hanteren niet voor niets de slogan «de basis op orde en de lat omhoog».
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat slechts 60% van de ondervraagde mbo-studenten aangeeft dat men genoeg leert om een vak goed uit te kunnen oefenen en 33% van hen aangeeft dat dit niet het geval is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om mbo-studenten beter voor te bereiden op het uitoefenen van hun vak?
Laat ik vooropstellen dat het SP-onderzoek niet representatief kan worden genoemd voor de mbo-populatie en vraagtekens kunnen worden gezet bij de deugdelijkheid van de onderzoeksmethodiek.
Desalniettemin ben ik het met de SP eens dat het mbo – onze hofleverancies van vakmensen – op onderdelen beter moet. Beroepsopleidingen zijn bedoeld om studenten in staat te stellen om zich met hart en handen zich te laten bekwamen in de beroepspraktijk zodat zij na afloop met een voldoende solide basis de arbeidsmarkt op kunnen of een vliegende start maken in het hbo. Daarom moet de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs zo hoog mogelijk zijn.
Het wetsvoorstel «Doelmatige leerwegen/modernisering bekostiging», aangeboden aan de Tweede Kamer, bevat de maatregelen die een antwoord vormen op de knelpunten die in het SP-onderzoek naar voren komen. De maatregelen omvatten het intensiveren/verkorten van onderwijsprogramma’s en (LOB)begeleiding van studenten, betere examens, professionalisering en verbetering besturing/bedrijfsvoering.
In hoeverre houdt u zicht op de manier van toetsen in het mbo, aangezien slechts 31,6% van de ondervraagde mbo-ers het idee heeft dat de manier van toetsen goed is? Is dit voor u aanleiding om de manier van toetsen in het mbo nader te bezien? Zo neen, waarom niet?
Zicht op de examens mbo (onder meer wat betreft examenresultaten en examenkwaliteit) en de diagnostische toetsing in het mbo houd ik op basis van:
Gericht zicht op de tevredenheid van deelnemers over de toetsing door instellingen houd ik op basis van:
Dit alles levert mij goed zicht op de toetsing en examinering in het mbo.
Uit het onderzoeksrapport van de SP blijkt dat 31,6% van de ondervraagde mbo’ers het idee heeft dat de manier van toetsen goed is.
Uit de JOB Monitor (met een grotere respons en een gestandaardiseerde methodiek) blijkt dat het merendeel van de mbo’ers, te weten 63% in 2010, een positief totaaloordeel over toetsing geeft.
Hierbij is overigens geen onderscheid gemaakt tussen voortgangstoetsing en afsluitende kwalificerende toetsing (= examinering).
De bevindingen van de inspectie leveren het beeld op van de examenkwaliteit in het mbo: in 2009 was bij 63% van de opleidingen sprake van voldoende examenkwaliteit. Het beeld van de examenkwaliteit 2010–2011 zal worden opgenomen in het Onderwijsverslag 2011 dat in mei 2012 wordt gepubliceerd.
Bovengenoemde percentages laten zien dat het beter moet. De basiskwaliteit moet op orde zijn en als dat bij examens niet het geval is, trek ik examenlicenties in bij instellingen voor de betreffende opleidingen (de zogenoemde «rode kaart»), na een waarschuwing vooraf (de zogenoemde «gele kaart»). Bovendien stimuleer ik de kwaliteitsverbetering en verdere standaardisering van examens mbo. Ik heb de instellingen onder meer gevraagd om, bij het realiseren van de ambities uit het Actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524, nr. 88), expliciet aandacht te besteden aan de examenkwaliteit. Dat verzoek is niet vrijblijvend. Met het vernieuwde Toezichtkader BVE 2012 zal de inspectie in 2012 nog intensiever toezicht uitoefenen op de kwaliteitsbewaking door instellingen. Tevens heb ik in de brief aan de Tweede Kamer over het onderwerp «Kwaliteit van het mbo-onderwijs» van 28 november 2011 (Kamerstuk 31 524, nr. 120) aangegeven dat ik zal investeren in de professionalisering van examenpersoneel.
Hoe krijgt u de basis op orde en de lat omhoog, nu blijkt dat 63,6% van de ondervraagden mbo-ers het gevoel heeft dat er vakken zijn waarbij niets geleerd wordt? In hoeverre is deze uitslag het gevolg van het competentiegericht onderwijs (tegenwoordig beroepsgerichte kwalificatiestructuur)?
In het onderzoek naar de naleving van onderwijstijd in het schooljaar 2009–2010 werd door de inspectie ook gekeken naar de verdeling van lesuren binnen de leerjaren en de zwaarte van het rooster. Het onderwijsprogramma werd door 20% van de studenten als onevenwichtig ervaren en door 40% als te licht. Mede naar aanleiding van deze gegevens heb ik aan de Tweede Kamer geschreven dat ik een flinke intensivering van het onderwijs nodig acht, zowel in kwantiteit (ophoging naar 1 000 klokuren per leerjaar en verhoging van de contacturen te verzorgen door de onderwijsinstelling) als in kwaliteit (intensivering van de (loopbaan)begeleiding van studenten vooral in het eerste leerjaar). Daarom is het van belang dat het wetsvoorstel hieromtrent snel aanvaard wordt.
Er zijn ook nu al maatregelen doorgevoerd om de mbo studenten kwalitatief beter onderwijs te geven. Een daarvan is het impulsprogramma LOB dat vanaf 2009 gestart is. Dit stimuleringsprogramma biedt een flinke impuls aan de loopbaanbegeleiding van studenten. Dit project wordt komende jaren nog voortgezet met extra impulsmiddelen gericht op de feitelijke implementatie van LOB-instrumenten in het onderwijsproces.
In de zomer 2012 verwacht ik de uitkomsten van de JOB-Monitor over de tevredenheid van studenten in het mbo. Deze resultaten zijn representatief voor de mbo-studenten en dan kunnen we zien of er verbeteringen zichtbaar zijn.
Tevens bevat het actieplan mbo maatregelen die een antwoord vormen op de knelpunten die in het SP-onderzoek naar voren komen. De maatregelen omvatten het intensiveren/verkorten van onderwijsprogramma’s en (LOB)begeleiding van studenten, betere examens, professionalisering en verbetering besturing/bedrijfsvoering.
Wat onderneemt u richting de regionale opleidingscentra (ROC’s), nu blijkt dat 60% van de ondervraagde mbo-ers aangeeft niet te weten dat de «vrijwillige» bijdrage niet verplicht kan worden gesteld? Deelt u de mening dat er haast is geboden bij het vinden van een oplossing, aangezien dit probleem al zeker tien jaar speelt?2
Het Servicedocument vrijwillige bijdrage en de latere JOB brochure over schoolkosten bieden duidelijke informatie over wat onder de vrijwillige bijdrage kan worden begrepen. Wat betreft de leermiddelen die studenten moeten aanschaffen bleek onduidelijkheid te blijven bestaan. Die onduidelijkheid betreft niet zozeer boeken, maar wel andere materialen die voor rekening van de studenten komen. Om hierin duidelijkheid te scheppen verschijnt in mei 2012 een nieuwe richtlijn.
De inspectie zal het onderwerp schoolkosten als vast element toevoegen aan de onderzoeken naar de Staat van de instelling. Jaarlijks wordt dat onderzoek bij een derde van de instellingen uitgevoerd. Daarnaast zal de inspectie op basis van signalen onderzoeken uitvoeren naar dit onderwerp. Het onderzoek bestaat uit analyse van documenten, gesprekken met studenten en met het opleidingsmanagement. Als blijkt dat opleidingen niet aan de wettelijke eis en de richtlijn voldoen wordt in een gesprek met het College van Bestuur nagegaan welke maatregelen zullen worden getroffen. Het beoordelingsresultaat wordt gemeld in het rapport van de Staat aan de instellingen. Zo nodig wordt vervolgtoezicht in de vorm van een hercontrole aangekondigd. Mocht na hercontrole blijken dat de situatie niet hersteld is, dan kunnen sancties worden getroffen.
Wat onderneemt u tegen de «ophokuren» in het mbo, waar leerlingen wel aanwezig moeten zijn, maar geen les krijgen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het met één jaar inkorten van de niveau 4-opleidingen onverantwoord is? Zo ja, hoe gaat u hierbij zorgvuldigheid betrachten?
Nee, die mening deel ik niet.
Op mijn verzoek heeft de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) een advies uitgebracht over welke opleidingen wel en welke niet verkort kunnen worden. Mijn reactie op dit advies hebt u inmiddels ontvangen.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is als een student van de opleiding wordt verwijderd omdat er geen stageplek voorhanden is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat onderneemt u indien dit toch gebeurt?
Het betreft hier een uitspraak van een student «uiterlijke verzorging» blijkens het SP-onderzoek. Volgens de SBB Barometer van maart 2012 is in de hele branche het aantal zzp’ers sterk toegenomen waardoor de vervangingsvraag zeer beperkt is. Daar komt bij dat het aantal ingeschreven studenten en gediplomeerden voor sommige beroepen, zoals schoonheidsspecialisten, sterk is gestegen waardoor knelpunten ontstaan op de arbeidsmarkt en de stagemarkt. Het kan dus zijn dat de mbo-instelling om die reden de student met klem adviseert een andere opleiding te kiezen. Helaas valt dat op basis van de beschikbare informatie niet te beoordelen.
Verder mag een mbo-instelling verwachten dat een student zich ervoor inspant een bpv-plaats te vinden. Ingeval de student er zelf niet in slaagt of zijn bestaande stageplaats wordt tussentijds beëindigd, is het de bedoeling
dat de mbo-instelling zich ook ervoor inspant om alsnog een passende bpv-plaats te vinden. Als er desondanks geen stageplaats is om de opleiding af te ronden, zal de student de opleiding moeten beëindigen.
Ten slotte geldt in zijn algemeenheid dat in de onderwijsovereenkomst de wederzijdse rechten en plichten worden geregeld. Het kan natuurlijk zijn dat de student bepaalde afspraken niet nakomt en dat dit op grond van de onderwijsovereenkomst een reden kan zijn voor de mbo-instelling om de onderwijsovereenkomst op te zeggen (mits het niet gaat om een leerplichtige student) en de inschrijving van de student te beëindigen.
Wat onderneemt u om ervoor te zorgen dat mbo-studenten trots zijn op hun opleiding, omdat ze er een vak leren?
In het gehele onderwijs streven we naar topkwaliteit en daarbij hoort ook een instelling van «wat matig is moet goed en wat goed is kan altijd een tandje beter». De inzet die aan de basis ligt van excellente prestaties van leerlingen en studenten, wordt van iedereen gevraagd: van leerlingen en van scholen, van leraren en van begeleiders. Dat is noodzakelijk voor een land dat draait op kennis en gedegen en slim vakmanschap.
De maatregelen uit mijn actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» zorgen voor een hogere kwaliteit van het onderwijs, waarop iedereen trots op kan zijn: docenten, toekomstige werkgevers en studenten zelf.
Een internationale aanpak van voetbalhooligans |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Van der Laan is voetbalhooligans zat» en het bericht «Ajax-fans aangehouden in Amsterdam»?1
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van Amsterdam dat er een internationale aanpak van voetbalhooligans moet komen? Zo ja, welke mogelijkheden om in internationaal verband op te treden bestaan er nu al en op welke terreinen schiet het bestaande beleid tegen hooligans tekort? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een internationale aanpak van voetbalhooligans. De lidstaten van de Europese Unie hebben de afgelopen jaren een aantal gecoördineerde maatregelen uitgewerkt voor het optreden van de politie bij internationale voetbalwedstrijden. De politiediensten van de lidstaten werken samen bij de handhaving van de openbare orde rond internationale voetbalwedstrijden.
Van belang hierbij is dat de lidstaten stelselmatig en snel informatie uitwisselen over individuele en groepen supporters/hooligans, hun verplaatsingen door of naar andere landen en de risico’s die er spelen ten aanzien van de openbare orde. In de lidstaten zijn er daarom nationale informatiepunten opgericht ten behoeve van de uitwisseling van informatie betreffende voetbalgeweld (EU-besluit (2002/348/JBZ).
Ook is het gebruikelijk dat politiemedewerkers (zgn. «spotters») met supportersgroepen meereizen naar internationale uitwedstrijden om de lokale autoriteiten in het kader van de gemaakte afspraken te ondersteunen met informatie en operationele ondersteuning. Het kan bijvoorbeeld gaan om het herkennen van personen met een stadionverbod. De Europese lidstaten hebben op dit punt met elkaar afgesproken dat binnen de EU-grenzen personen met een stadionverbod ook bij buitenlandse wedstrijden kunnen worden geweerd (EU-resolutie,17 november 2003).
Buiten de voetbalwedstrijden om vinden er internationale bijeenkomsten plaats waar deskundigen praktijkervaringen uitwisselen en aandachtspunten en «best practices» met elkaar delen. Deze ervaringen zijn vertaald in een Europees handboek dat als belangrijkste leidraad voor internationale voetbalwedstrijden dient. Het handboek bevat bepalingen met betrekking tot politiële samenwerking, minimaal te treffen veiligheidsmaatregelen, de communicatiestrategie van de politie met de media, de samenwerking met stewards (begeleiders van de supporters) en met de wedstrijdorganisatoren, het toegangsbeleid en de kaartverkoop.
Deelt u de mening van de burgemeester van Amsterdam dat internationale supporters niet meer op eigen gelegenheid naar het stadion zouden mogen gaan en dat er een internationale combiregeling zou moeten komen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Een internationale combiregeling zodat supporters niet meer op eigen gelegenheid naar het stadion kunnen komen, kent verschillende logistieke en praktische bezwaren. Zo zijn bij internationale wedstrijden de supporters in het algemeen veel minder geografisch geconcentreerd dan bij nationale wedstrijden, is de reisafstand langer, moet er vaak worden overgestapt, en is het tijdstip van aankomst minder precies af te stemmen op de start van de wedstrijd. Bovendien benutten veel supporters hun buitenlandse reis niet alleen om de wedstrijd te bekijken, maar ook om een bezoek te brengen aan de speelstad. In het verleden hebben er dan ook slechts enkele combiregelingen bij internationale wedstrijden plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld Ajax – Anderlecht (17-12-2009) en FC Twente – Werder Bremen (20-10-2010). Gezien deze bezwaren voor een internationale combiregeling zetten de verschillende ketenpartners in plaats daarvan in op een optimale informatie-uitwisseling en samenwerking om zo openbare orde risico’s zo vroeg mogelijk in te schatten en hiertegen adequate maatregelen te kunnen treffen.
Hoeveel inspanningen, uitgedrukt in geld en inzet van personeel, moeten Nederlandse gemeenten en andere overheden zich jaarlijks getroosten om bij internationale voetbalwedstrijden maatregelen tegen voetbalgeweld te nemen?
Voor het seizoen 2011/2012 tot 1 maart 2012 zijn er door de politie bij 22 Europese (club)voetbalwedstrijden 3 376 personen ingezet. Het gaat om gemiddeld 153 politiemedewerkers per wedstrijd. Er is bij de wedstrijden veel variatie in de inzet van de politie, van 42 tot 555 politiefunctionarissen. Voor de twee interlands van het Nederlands Elftal zijn er 233 politiemedewerkers ingezet.
Deelt u de mening dat in geval van internationale voetbalwedstrijden, het belang van de openbare orde verder gaat dan de gemeentegrens van de gemeente waar de wedstrijd plaatsvindt? In hoeverre acht u het uw verantwoordelijkheid om bij voetbalwedstrijden met publiek dat voor een deel van buiten Nederland komt, in te grijpen?
De handhaving van de openbare orde is en blijft een verantwoordelijkheid van de burgemeesters ingevolge artikel 172 van de Gemeentewet. Dit geldt ook bij internationale voetbalwedstrijden. Burgemeesters beschikken over een aantal bevoegdheden waarmee ze de openbare orde in hun eigen gemeente kunnen handhaven. Het is al praktijk in Nederland dat burgemeesters hun maatregelen op elkaar afstemmen en informatie uitwisselen. Via deze weg reiken de genomen maatregelen verder dan één gemeente. Daarnaast wordt bij internationale wedstrijden politie-informatie uitgewisseld (zie antwoord op vraag 2) tussen de landen van de spelende teams op basis waarvan preventieve maatregelen kunnen worden genomen. Ik zie dan ook geen verdere rol voor mijzelf weggelegd.
Bent u bereid om gemeenten die extra kosten moeten maken in verband met internationale voetbalwedstrijden daar financieel voor te compenseren? Zo ja, hoe en per wanneer gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De gemeenten zijn – net als bij nationale voetbalwedstrijden – zelf verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde. Daar vallen ook de eventuele extra kosten onder die in dat kader worden gemaakt.
De komst van een extremistische imam naar Nederland |
|
Mirjam Sterk (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Joram van Klaveren (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Leers |
|
|
|
|
Hoe moet het antwoord dat u de gewraakte, ook tot geweld oproepende, uitlatingen van de heer Al Haddad verwerpelijk vindt, nader worden geduid in juridische zin? Kwalificeert u deze uitlatingen als zijnde in strijd met de openbare orde, als bedoeld in de Vreemdelingenwet? Deelt u de mening dat deze uitspraken in omstandigheden ook een overtreding van de strafwet kunnen inhouden?1
De vaak geciteerde uitspraken vind ik verwerpelijk. Bij het beoordelen of mogelijk discriminatoire uitlatingen strafbaar zijn, is het noodzakelijk om exact te kunnen vaststellen welke uitlatingen wanneer, waar, en in welke context zijn gedaan. Die beoordeling van de strafbaarheid dient in een individueel geval in eerste instantie door het openbaar ministerie en uiteindelijk door de strafrechter te geschieden. Ik kan dan ook niet aangeven in hoeverre deze geïsoleerde citaten, waarvan ik in mijn beantwoording van eerdere schriftelijke vragen heb aangeven deze verwerpelijk te vinden, een overtreding van de strafwet kunnen inhouden.
De wet biedt mij niet de ruimte om zonder concrete aanwijzingen voor dreigende ernstige strafbare feiten iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen louter op basis van zijn uitspraken.
Ik had geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van de heer Haddad hier ook daadwerkelijk zou leiden tot een werkelijk en ernstig gevaar voor de openbare orde en veiligheid, ook gelet op zijn eerdere bezoeken aan Nederland in 2009 en 2010. Het feit dat zijn aanwezigheid in Nederland niet tot problemen in de sfeer van openbare orde heeft geleid, bevestigt mij in dat oordeel.
Kunt u nader toelichten waarom u ondanks uw bevestigende antwoord op de vraag of de uitlatingen verwerpelijk zijn, desondanks niet van mening bent dat er voldoende reden is de toegang van de heer Al Haddad tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke gronden heeft u aanleiding gezien om in eerdere, min of meer vergelijkbare gevallen, de toegang wel te weigeren?
Ik heb in deze zaak de bestaande nationale en internationale regelgeving toegepast. In vergelijkbare gevallen is, en zal, vergelijkbaar worden gehandeld.
Hebt u zich ervan gewist hoe Groot-Brittannië de uitspraken van de heer Al-Haddad kwalificeert? Zo ja, wat is daarop het antwoord?
Voor zover door mij valt na te gaan is betrokkene in het VK niet vervolgd voor zijn uitspraken.
Kunt u de Kamer nader informeren over het beleid om personen tegen wie bedenkingen bestaan om redenen van openbare orde en/of de nationale veiligheid al dan niet tot Nederland toegang te verschaffen? Hoe vindt de besluitvorming en afweging op dit punt precies plaats, mede tegen de achtergrond van de uitvoering van de motie-Van der Staaij2 en tegen de achtergrond van de doelstelling om de verspreiding van extremisme en radicalisme tegen te gaan?
Staand beleid is om personen die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid vormen de toegang tot Nederland te ontzeggen. Voor EU-onderdanen geldt, anders dan voor niet-EU-onderdanen, dat toegangsweigering op deze gronden alleen kan plaatsvinden indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ernstige strafbare feiten ophanden zijn.
Voor niet-EU-onderdanen geldt dat eenieder die aan de Schengenvoorwaarden voldoet, de grens mag passeren en – indien visumplichtig – een visum kan krijgen. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen in het geding zijn, biedt de Schengenregelgeving de ruimte om een visumaanvraag af te wijzen en/of toegang aan de grens te weigeren. Of sprake is van risico’s op het gebied van mogelijke openbare ordeverstoringen en welke consequenties daaraan worden verbonden, is een zaak waarbij elk geval op eigen merites wordt beoordeeld.
Op het moment dat een niet-EU-onderdaan een visum aanvraagt of toegang tot Nederland verzoekt aan de buitengrens, vindt een controle plaats van de beschikbare systemen zoals het opsporingsysteem (OPS) en het Schengen informatiesysteem (SIS). Als de vreemdeling daarin voorkomt zal dat in vrijwel alle gevallen een dwingende reden zijn een visum of toegang te weigeren. Uiteraard wordt bij de besluitvorming, indien nodig, informatie over de vreemdeling opgevraagd bij o.a. het openbaar ministerie, inlichtingendiensten, buitenlandse overheden en Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.
Het onderzoek van het Nibud naar de waskosten in zorginstellingen. |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouderen kunnen was niet meer betalen»?1
Ja, ik ken het bericht.
Hoe kan het dat bewoners van zorginstellingen minimaal 75 euro per maand moeten betalen voor het laten doen van hun was?
Het is niet zo dat alle bewoners van zorginstellingen minimaal 75 euro moeten betalen voor hun was.
Uit het onderzoek van Nibud blijkt dat bewoners vaak minder betalen dan de berekende richtlijn van het Nibud. Zorgaanbieders vragen voor intern wassen, zo blijkt uit het onderzoek, gemiddeld een bedrag van 10 à 50 euro.
Op basis van welke gegevens heeft de overheid berekend dat een maandelijkse bijdrage voor het wassen van kleding tussen de 20 euro en 35 euro moet liggen?
Deze bedragen zijn gebaseerd op het door Research voor Beleid uitgevoerde «Onderzoek Vrijwillige bewonersbijdrage» uit 2009. Dit onderzoeksrapport is destijds naar de Tweede Kamer gezonden.
Hoe kan het dat het Nibud op een wel vier keer zo hoog bedrag uitkomt dan de overheid?
Het Nibud heeft onderzocht wat de gemiddelde kosten voor wassen van kleding zijn voor cliënten die thuis wonen en voor cliënten die in een instelling verblijven. Daarnaast heeft het Nibud in kaart gebracht welk bedrag instellingen in rekening brengen bij de cliënt. Dit laatste bedrag is veelal lager dan de kosten en ligt meer in lijn met de bedragen uit het onderzoek uit 2009.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ouderen, die maandelijks 290 euro te besteden hebben, een dergelijk gigantisch hoog bedrag moeten betalen voor hun was?
Ouderen, ook met alleen AOW, hebben meer te besteden dan het door u genoemde minimumbedrag van 290 euro, namelijk ruim 420 euro. Ouderen hebben behalve het zak- en kleedgeld recht op de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen en een deel van de fiscale ouderenkorting. Daarnaast ontvangen zij de Wtcg-tegemoetkoming en de korting op de eigen bijdrage AWBZ.
Bovendien hoeft slechts een deel van deze groep daadwerkelijk 75 euro te betalen voor de was. Hiervoor heb ik aangegeven dat uit het onderzoek van Nibud blijkt dat de in rekening gebrachte kosten voor intern wassen thans tussen de 10 à 50 euro liggen.
Welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat zorginstellingen exorbitante eigen bijdragen voor het doen van de was gaan vragen?
Zorgaanbieder en cliëntenraad moeten samen beslissen hoe ze het wasproces vormgeven en welk bedrag wordt doorberekend aan de bewoners. Het onderzoek van het Nibud laat zien dat de keuzes die gemaakt worden rondom de vormgeving van het wasproces, doorwerken in de prijs voor cliënten. Er zijn mogelijkheden om de waskosten lager te houden en voor andere oplossingen te kiezen. Ik noem er een aantal die de sector al toepast: intern wassen is goedkoper dan uitbesteden, de cliënt kan gestimuleerd worden zelf te wassen, wassen als onderdeel van de dagbesteding, mantelzorgers en vrijwilligers kunnen de was verzorgen.
Het bericht dat "de controle op medicijngebruik van ouderen faalt" |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Controle medicijngebruik ouderen faalt»?1
Zoals het artikel al aangeeft, is het van belang dat oudere patiënten die meer dan 5 geneesmiddelen gebruiken voldoende gemonitord worden door arts en apotheker in hun geneesmiddelengebruik. Ik onderschrijf het belang hiervan. De reden dat slechts één derde van de apothekers hier kennelijk oog voor heeft, is mij niet bekend.
Wat is de reden dat maar eenderde van de apothekers oog heeft voor een jaarlijkse controle van de samenstelling en noodzakelijkheid van medicatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel zorgverzekeraars kopen momenteel medicatiechecks in bij apothekers, en hoeveel zorgverzekeraars doen dit niet? Bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Welke prestaties precies zijn gecontracteerd, tegen welke condities en door welke zorgverzekeraar, is mij nog niet bekend. Dit geldt dus ook voor de prestatie medicatiebeoordeling. Ik merk wel op dat het hier deels om concurrentiegevoelige informatie gaat die ik niet zonder meer naar buiten zou kunnen brengen als ik er wel over beschikte. Bekend is dat de grote zorgverzekeraars in de polisvoorwaarden de vergoeding van medicatiechecks hebben opgenomen. De Nederlandse Zorgautoriteit zal in april dit jaar een quickscan uitvoeren die meer informatie zal geven over de exacte contracteergraad en over welke prestaties zijn gecontracteerd. Eind 2012 verwacht ik een marktscan van de NZa die meer gegevens bevat en die uitsluitsel zal bieden: extra onderzoek is daarom niet nodig. Volledigheidshalve verwijs ik u naar de brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het AO Zorgverzekeringswet van 18 januari jl. waarbij is ingegaan op de eerste resultaten van de contractering na de introductie van vrije tarieven en nieuwe prestatiebeschrijvingen voor apotheekhoudenden.
Deelt u de mening dat een controle van de medicijnen een grote bijdrage levert aan de gezondheid van mensen, zo een controle eveneens kostenbesparend werkt en dat dit een logische taak is van de apotheker? Zo ja, bent u bereid bij mensen boven de 65 jaar en bij een gebruik van 5 of meer medicijnen, een jaarlijkse controle van de medicatiesamenstelling te vergoeden? Zo ja, wanneer gaat u deze instellen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een dergelijke controle een grote bijdrage kan leveren aan medicatieveiligheid. Een dergelijke controle zou per saldo kostenbesparend kunnen werken, tegelijkertijd kan het ook mogelijk zijn dat door controle er juist nieuwe geneesmiddelen worden toegevoegd. Het primaire doel in de medicatiecheck is gelegen in het beter monitoren van de patiënt, waardoor de medicatieveiligheid verbetert en mogelijk ziekenhuisopnames worden voorkomen.
Met het oog hierop heb ik reeds met ingang van 2011 de aanspraak op farmaceutische zorg losgekoppeld van de levering van een concreet geneesmiddel. Daardoor kan ook deze zorginhoudelijke inbreng vanuit de apotheker – in samen-spraak met de arts – apart worden geleverd en vergoed aan deze doelgroep. Met deze randvoorwaarde heb ik de apothekers en zorgverzekeraars in staat gesteld hierover nadere afspraken te maken.
Bent u ermee bekend dat zorgverzekeraars medicatie door postorderbedrijven laten bezorgen, waardoor er geen zicht meer is op de samenstelling voorgeschreven medicijnen? Bent u bereid uit te zoeken hoevaak dit gebeurt, en of het mogelijk is dat postorderbedrijven óók aan nazorg gaan doen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren?
Het is mij bekend dat sommige patiënten kiezen voor het afleveren van geneesmiddelen door landelijk werkende apotheken en dat sommige zorgverzekeraars contracten met hen zijn aangegaan. Dit zijn apotheken die aan alle vereisten van de Geneesmiddelenwet voldoen. Zij leveren de receptgeneesmiddelen aan de patiënten thuis af. De landelijk werkende apotheken zijn aan dezelfde voorwaarden gebonden als de reguliere apotheekhoudenden. Dit fenomeen is niet nieuw en de Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht op de uitoefening.
Vindt u het verantwoord dat ruim 60% van de (huis)artsen en 80% van de apothekers géén navraag doen naar medicatie die ouderen zélf kopen? Waarom wordt hier niet op gecontroleerd?
Ik ben van opvatting dat er bij het voorschrijven en afleveren van medicatie een goed beeld moet zijn van het actuele medicatiegebruik van de patiënt zodat een goede afweging gemaakt kan worden. Ook het gebruik van zelfzorgmedicatie hoort daarbij. De beroepsgroepen zelf onderschrijven het belang daarvan zelf ook. Zij hebben in 2010 de richtlijn Medicatieoverdracht in de keten vastgesteld waarin deze lijn is vastgelegd. Deze richtlijn is zorgbreed door 16 partijen onderschreven en wordt nu geïmplementeerd.
Deelt u de mening dat de navraag naar zelfgekochte medicatie van groot belang is, doordat de combinatie van verschillende soorten medicatie zonder toezicht gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid van ouderen?
Ja.
De voortvarendheid waarmee de Belastingdienst huiseigenaren van dienst is bij het achterhalen van de hoogte van het inkomen van achteloze huurders |
|
Ed Groot (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Belastingdienst reeds een online webtool met handleiding heeft ontwikkeld en geactiveerd waarmee verhuurders kunnen inzien of een bewoner c.q. huishouden op een bepaald adres een verzamelinkomen heeft boven of onder de 43 000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze serviceverlening van de Belastingdienst een wettige basis ontbeert? Kunt u uw antwoord toelichten en daarnaast ook toelichten waarom deze webtool nu al reeds is gerealiseerd en geactiveerd?
Deze mening deel ik niet. De Staatssecretaris van Financiën heeft de Belastingdienst ontheven van de geheimhoudingsplicht, zodat het de Belastingdienst vooruitlopend op de inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging toegestaan is om de relevante inkomensverklaring te verstrekken aan verhuurders. De ontheffing is gebaseerd op artikel 67 lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De ontheffing heeft betrekking op de periode tot aan de verwachte datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel, 1 juli 2012. Verhuurders kunnen de inkomensafhankelijke huurverhoging voorstellen per 1 juli 2012 en dergelijke huurverhogingsvoorstellen moeten vóór 1 mei bij huurders worden ingediend. Verhuurders mogen de inkomensafhankelijke huurverhoging per 1 juli a.s. uiteindelijk niet doorvoeren als blijkt dat het wetsvoorstel niet is aangenomen door het parlement vóór 1 juli a.s.
Kunt u garanderen dat de inkomensgegevens die worden opgevraagd via de door de Belastingdienst omschreven werkwijze2, alleen kunnen worden opgevraagd en toegepast door een verhuurder die daadwerkelijk voornemens is om de eigen huurder een boven-inflatoire verhoging van de huur op te leggen, zoals in de voorliggende Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen) mogelijk zal worden gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Verhuurders/eigenaars kunnen alleen informatie verkrijgen die betrekking heeft op woningen waarvan zij verhuurder/eigenaar zijn. Dit wordt ook op adresniveau gecontroleerd.
Verhuurders mogen de informatie alleen maar voor dat doel opvragen. Dit is geregeld in het wetsvoorstel en een uitdrukkelijke voorwaarde bij de geldende ontheffing van de geheimhoudingsplicht. Verhuurders moeten vooraf akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden voor het aanvragen van inkomensverklaringen en in die gebruiksvoorwaarden is expliciet bedongen dat de verhuurder de gegevens alleen gebruikt voor het al dan niet voorstellen van een boveninflatoire huurverhoging.
Is het technisch mogelijk voor een verhuurder om via de webtool van de Belastingdienst inkomensgegevens te achterhalen van huurders die bij een andere verhuurder huren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de voorgenomen werkwijze van de Belastingdienst in strijd is met de privacywetgeving die in Nederland geldt omdat de Belastingdienst de deur openzet voor alle verhuurders in Nederland om op kinderlijke eenvoudige wijze inkomensgegevens van welke huurder en eventuele medebewoners te achterhalen?
Deze mening deel ik niet. De verstrekking van de inkomensverklaring is geregeld in de ontheffing geheimhoudingsplicht met de daarbij horende voorwaarden conform het wetsvoorstel. Daarnaast wordt alleen de noodzakelijke informatie verstrekt. De informatie beperkt zich namelijk tot het antwoord op de vraag of het huishoudinkomen al dan niet meer bedraagt dan € 43 000. Als het hoger is dan € 43 000 wordt tevens aangegeven op hoeveel personen dat huishoudinkomen betrekking heeft, zodat het voor de huurder die wordt geconfronteerd met de inkomensafhankelijke huurverhoging duidelijk is dat niet alleen zijn inkomen relevant is, maar ook het inkomen van de medebewoners.
De verklaring is niet herleidbaar tot het individuele inkomen van een natuurlijk persoon.
Kunt u aangeven wat u zelf allemaal onder potentieel misbruik van deze service en aangeleverde data vindt vallen? Kunt u dan ook omschrijven hoe het controlemechanisme eruit ziet dat u hanteert om het door u geschetste misbruik te voorkomen?
Elk ander gebruik dan voor het al dan niet doen van een boveninflatoir huurverhogingsvoorstel, is misbruik. Het wetsvoorstel Huurverhoging op grond van inkomen (33 129) geeft in artikel II onder E een regeling voor de bescherming van persoonsgegevens:
«In de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk IIIA. BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS
Artikel 19a
Gebruik van de informatie voor een ander doel is onrechtmatig. De Belastingdienst kan bij constatering daarvan optreden. De Belastingdienst en ook gedupeerde derden hebben de mogelijkheid om een procedure tegen de verhuurder aan te spannen, eventueel een kort geding.
Ook kan de toezichthouder, het College bescherming persoonsgegevens, worden ingelicht.
Tenslotte is er ook een strafsanctie: artikel 272 Wetboek van Strafrecht .
Gedupeerden kunnen dus ook aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. De FIOD is – naast de politie – bevoegd ter zake het opsporingsonderzoek te verrichten.
Kunt u aangeven hoe u erop toeziet dat de verhuurder de aangeleverde data vertrouwelijk behandelt? Kunt u aangeven welke handhavingsinstantie extra capaciteit zal gaan inzetten voor de naleving van de privacywaarborgen die u al dan niet heeft gesteld? Als er geen extra capaciteit voor handhaving wordt ingesteld, welke huidige handhavingstaken zullen dan minder worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de anonieme Tor-netwerk een speeltuin is voor pedoseksuelen en dat de politie en justitie het nakijken hebben |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het anonieme Tor-netwerk een speeltuin is voor pedoseksuelen en dat politie en Justitie het nakijken hebben?1
Ja.
Is het waar dat in Nederland honderden mensen door misbruik te maken te maken van anonieme netwerken vrijwel ongestoord kinderpornografisch materiaal kunnen produceren en verspreiden? Zo ja, wat kunt en gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, wat is hier dan niet waar aan?
Bekend is dat veel kinderpornografisch materiaal wordt verspreid via anonieme internetnetwerken zoals TOR. Uit (inter)nationale opsporingsonderzoeken blijkt dat in dergelijke netwerken met regelmaat communicatie aangetroffen wordt die naar de inhoud doet vermoeden afkomstig te zijn van Nederlandse gebruikers. Gezien de hiervoor genoemde anonimiteit, en omdat niet alle communicatie die via anonieme internetnetwerken wordt gevoerd structureel wordt gemonitord, zijn geen uitspraken te doen over het aantal (Nederlandse) gebruikers dat via dergelijke netwerken kinderpornografisch materiaal verspreidt of uitwisselt. Overigens is het TOR-netwerk uitsluitend een middel om te communiceren en data uit te wisselen; met behulp van TOR zelf worden geen kinderen misbruikt of misbruikmateriaal geproduceerd.
Is het waar dat dankzij het hackerscollectief Anonymous pedoseksuelen en pedofielen die misbruik maken van het Tor-netwerk zijn ontdekt en niet dankzij politie en Justitie? Zo ja, hoe kan dit? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Het is al langer bekend dat het TOR-netwerk wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, waaronder het verspreiden en uitwisselen van kinderpornografisch materiaal.
Is het waar dat pedoseksuelen wereldwijd honderdduizenden afbeeldingen en video’s van misbruikte kinderen via het anonieme Tor-netwerk verspreiden en bekijken? Zo ja, weet u om hoeveel pedofielen en pedoseksuelen het precies gaat? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Uitgaande van hetgeen internationaal bekend is omtrent het aantal personen dat aanwezig is in besloten of anonieme internetnetwerken (waaronder TOR) en het aantal kinderpornografische afbeeldingen dat wereldwijd bekend is (vele miljoenen), is aannemelijk dat via dergelijke anonieme netwerken tenminste honderdduizenden afbeeldingen en video’s zijn of worden verspreid.
Is het waar dat de Amsterdamse zedenverdachte M. met twee servers actief was op het Tor-netwerk? Zo ja, deelt u dan de mening dat ook hieruit blijkt hoe gevaarlijk misbruik van een dergelijk netwerk kan zijn?
In het onderzoek naar de Amsterdamse zedenzaak is gebleken dat de hoofdverdachte voor het verspreiden en uitwisselen van kinderpornografisch materiaal gebruik maakte van TOR. Niet gebleken is dat hij binnen dat netwerk zelf servers of websites met dergelijk materiaal beheerde.
Is het waar dat politie en Justitie al maanden op de hoogte zijn van deze schokkende informatie en dat de politie afgelopen zomer een aantal websites van het Tor-netwerk offline wist te halen nadat een rechter-commissaris daar bij hoge uitzondering toestemming voor heeft gegeven? Zo ja, waarom duurde dit zo lang? Zo nee, wat is dan niet waar?
Het ontbreken van identificerende informatie bij datacommunicatie via anonieme netwerken zoals TOR en het feit dat de uitwisseling van kinderpornografisch materiaal vaak in besloten, internationaal verband plaatsvindt, zijn vertragende factoren in de aanpak van criminele feiten die via dergelijke netwerken worden gepleegd. Bij die aanpak zijn opsporingsdiensten daarom veelal aangewezen op de inzet van meer tijdsintensieve of nieuwe, innovatieve opsporingsmethodieken.
Naar aanleiding van de bevindingen uit het onderzoek in de Amsterdamse zedenzaak en het door het KLPD verrichte onderzoek naar het netwerk van Robert M., heeft het Team High Tech Crime van het KLPD in de zomer van 2011 onder gezag van het Landelijk Parket een interventie gepleegd tegen een aantal websites binnen het TOR-netwerk waarop kinderpornografisch materiaal werd aangeboden. Daarbij is op bevel van de officier van justitie, na machtiging door de rechter-commissaris, de beveiliging van deze websites doorbroken.
Is het waar dat sindsdien bijna niets meer door politie en Justitie is ondernomen, anders dan het maken van plannen en het hebben van voornemens? Zo ja, waarom niet? Zo nee, wat hebben politie en Justitie dan wel concreet gedaan?
In de aanpak van kinderporno wordt voortdurend geïnvesteerd. In kinderporno-onderzoeken blijkt met regelmaat dat verdachten gebruik maken van anonieme internetnetwerken, zoals TOR. Op deze informatie wordt in die onderzoeken steeds adequaat geacteerd.
Waarom kan het georganiseerde hackerscollectief Anonymous bovengenoemde praktijken wel aan het licht brengen en politie en Justitie klaarblijkelijk niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de opsporingsdiensten onvoldoende middelen hebben om effectief op te treden tegen het misbruik van anonieme netwerken? Zo ja, wat gaat u hieraan veranderen? Zo nee, waarom niet?
Criminaliteit die via het internet plaatsvindt, is naar zijn aard doorgaans grensoverschrijdend van aard. De opsporing van dergelijke criminaliteit kent echter beperkingen in door landsgrenzen bepaalde rechtsmacht en is daarom in sterke mate afhankelijk van internationale samenwerking. In de noodzaak van die samenwerking zit vaak een vertragende factor, hetgeen aan de slagkracht van het optreden van opsporingsdiensten kan afdoen. Overigens bestaat met veel landen een goede samenwerkingsrelatie en biedt de Cybercrimeconventie van de Raad van Europa mogelijkheden om digitale sporen internationaal snel veilig te stellen. Desalniettemin blijft voortdurende aandacht voor de effectiviteit van internationale regelgeving van het grootste belang.
Deelt u de in de genoemde uitzending geponeerde mening dat politie en Justitie het nakijken hebben en dat we de strijd tegen kinderporno op het internet aan het verliezen zijn? Zo ja, welke maatregelen gaat u in dat verband treffen? Zo nee, waaruit blijkt, mede in het licht van het in de uitzending getoonde, het tegendeel?
Het aanbod van kinderpornografisch materiaal dat via het internet wordt verspreid, overstijgt de opsporingscapaciteit die wereldwijd beschikbaar is om deze vorm van criminaliteit te bestrijden. Zoals bekend wordt in Nederland de capaciteit bij de politie en bij het OM in 2012 flink uitgebreid. Daarnaast moeten in de aanpak strategische en tactische keuzes worden gemaakt. Sinds februari 2012 is een landelijke strategische en tactische stuurploeg onder leiding van het OM van start gegaan. Belangrijk in de aansturing is dat de aanpak zich meer richt op de producenten van kinderpornografisch materiaal en verspreiders daarvan en relatief minder op downloaders .
Deelt u de menig dat het onverteerbaar is dat het Openbaar Ministerie (OM) moet constateren dat het om ingewikkelde materie gaat waar nog geen pasklare oplossing voor is, terwijl al jaren bekend is dat anonieme netwerken misbruikt worden door pedoseksuelen en andere criminelen? Zo ja, was u van die constatering op de hoogte? Deelt u ook de mening dat u als verantwoordelijk bewindspersoon meer had moeten doen om dit aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die meningen deel ik niet. Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 2 en 7.
Deelt u de mening dat voor de aanpak van bovengenoemde praktijken specifieke expertise nodig is? Zo ja, waar is die expertise te vinden en hoe gaat u die aanwenden en welke middelen stelt u daarvoor ter beschikking? Zo nee, hoe denkt u dan dit probleem op te kunnen lossen?
De voortschrijdende ontwikkelingen in communicatie- en digitale technieken en het criminele misbruik daarvan, vereisen bijzondere kennis. Binnen de opsporing en het Openbaar Ministerie is blijvende aandacht voor het opbouwen en onderhouden van de benodigde expertise en ervaring. Vooral de taakuitvoering in het kader van de nationale aanpak van kinderpornografie en kindersekstoerisme vereist meer specialistische kennis. Er komt in totaal 150 fte voor deze taakuitvoering beschikbaar. In de werving van deze 150 fte wordt bijzondere aandacht besteed aan de specialistische expertise. Daarnaast komen er 60 fte in totaal voor het team hightechcrime van de politie voor de bestrijding van cybercrime breed bij.
Voor wat betreft bepaalde, meer bijzondere specialismen, heb ik uw kamer ter gelegenheid van de beantwoording van de Kamervragen omtrent de inhuur van externe expertise bij de opsporing, reeds bericht (Vergaderjaar 2011-2012, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 332). Ik verwijs naar de antwoorden op die vragen.
Deelt u de opvatting dat de anonimiteit van een netwerk, zoals het Tor-netwerk, ook voor positieve doeleinden kan worden gebruikt en essentieel is voor het waarborgen van de anonimiteit en veiligheid van bepaalde personen, zoals bijvoorbeeld journalisten en activisten die binnen totalitaire regimes anoniem informatie kunnen delen en verspreiden? Zo ja, bent u dan ook van mening dat de bestrijding van kinderporno op anonieme netwerken niet ten koste mag gaan van de doelstelling en werking van dergelijke netwerken? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen reden tot strafrechtelijk ingrijpen wanneer het Tor-netwerk wordt gebruikt voor legale doeleinden.
Het bericht dat de islamitische schaamtecultuur medebepalend is voor de strafmaat |
|
Lilian Helder (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schoolbestuur krijgt werkstraf voor fraude»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat de islamitische schaamtecultuur nooit medebepalend dient te zijn voor de strafmaat?
In zijn algemeenheid houdt de strafrechter bij de strafoplegging rekening met het wettelijke strafmaximum, de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit (waaronder de gevolgen daarvan voor de samenleving in het algemeen en het slachtoffer in bijzonder), de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, en de persoon van de dader. De eis van de officier van justitie en eventuele gedragskundige rapportages spelen ook een belangrijke rol. Verder kan de rechter bij de strafoplegging rekening houden met bijzondere omstandigheden, zoals gezichtsverlies of media-aandacht. Het gaat hier om bijzondere omstandigheden waarvan moet worden aangetoond dat zij zich voordoen en relevant zijn in het specifieke geval dat aan de rechter is voorgelegd, en niet om iets dat in zijn algemeenheid wordt aangenomen voor bepaalde categorieën verdachten of voor verdachten die horen tot een bepaalde (religieuze) groep. Ik acht dit een juist en rechtvaardig beoordelingskader.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat deze absurde redenatie navolging zal kennen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat het niet hoeven opstaan voor rechters op basis van de islam, de oproep van een hoogleraar om Nederlandse rechters shariales te laten volgen en het gegeven dat de islamitische schaamtecultuur medebepalend is voor de strafmaat, wijst op de voortgaande islamisering van de rechtsspraak? Zo nee, hoe duidt u deze voorbeelden dan?
Wat betreft het mee laten wegen van de «islamitische schaamtecultuur» verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3. Het weigeren om op te staan voor de rechter om redenen die verband houden met godsdienstige overtuigingen is voor zover mij bekend in één uniek geval (een advocaat) voorgekomen. De hoogleraar die de oproep heeft gedaan om rechters shariales te laten volgen maakt geen deel uit van de rechtspraak. Dit soort incidenten zijn mijns inziens uitsluitend illustratief voor de opvatting van de betrokkene maar vormen geen basis. Voor de veronderstelling dat sprake zou zijn van islamisering van de rechtspraak.
Traumahelikopters |
|
Maarten Haverkamp (CDA), Margreeth Smilde (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Traumahelikopter heeft geen meerwaarde»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat de traumahelikopter geen bewezen meerwaarde heeft boven het reguliere ambulancevervoer?
Daar denk ik anders over, die conclusie kan naar mijn idee niet worden getrokken. Het betreft een onderzoek naar de effectiviteit van de traumahelikopter op basis van een relatief oude en beperkte onderzoekspopulatie. Er zijn geen data van de andere Mobiele Medische Teams (MMT) in Nederland betrokken bij het onderzoek. Ook zijn er nog wel andere opmerkingen te maken bij het onderzoek. Daarom kan naar mijn mening op basis van dit onderzoek geen algemene conclusie worden getrokken over de meerwaarde van de inzet van een traumahelikopter.
Is in de afweging van deze onderzoekers meegenomen dat de traumahelikopters over het algemeen slachtoffers van zware ongevallen met ernstig letsel vervoeren?
Traumahelikopters vervoeren in het algemeen het mobiel medisch team, dat bestaat uit een medisch specialist en een gespecialiseerd verpleegkundige, naar de plek van het ongeval om ter plekke snel medisch noodzakelijke handelingen te kunnen verrichten. Het vervoer van de patiënt naar de spoedeisende hulpafdeling van het ziekenhuis gebeurt in de meeste gevallen door een ambulance. In bijzondere omstandigheden wordt de patiënt vervoerd per helikopter. Het betreft inderdaad vooral zware medische aandoeningen.
Welke argumenten liggen aan de beslissing ten grondslag om van ambulance op te schalen naar traumahelikopter, en gebeurt dit in het hele land op dezelfde wijze?
De inzet van de MMT is een aanvulling op ambulancezorg. De traumahelikopter wordt ingezet wanneer er een grote kans bestaat dat er bepaalde handelingen moeten worden verricht waar het ambulancepersoneel niet toe bevoegd is. Uit de literatuur blijkt dat de helikopter vooral wordt ingezet bij patiënten met een neurotrauma, instabiele thorax en buikletsels, brandwonden en amputaties. De meldkamers ambulancezorg beslissen over de noodzaak voor het inzetten van de traumahelikopter. Soms besluit men meteen al tot inzet op basis van de ernst van de melding, soms op verzoek van het ambulancepersoneel ter plaatse. Die inzet gebeurde tot voor kort nog niet op basis van landelijke inzetcriteria. Deze zijn inmiddels ontwikkeld in samenwerking tussen Ambulancezorg Nederland en het Landelijk Netwerk Acute Zorg (de koepel waar de traumacentra onder vallen). Deze inzetcriteria vormen de basis voor de beslissing in alle meldkamers ambulancezorg.
Deelt u de conclusie dat de afstand tot het ziekenhuis geen rol speelt in de keuze voor de traumahelikopter? Verandert de mogelijke meerwaarde van deze faciliteit als afstanden tot een Spoedeisende Hulp in de toekomst wellicht toch groter worden?
In het algemeen geldt voor de inzet van de traumahelikopter een medisch inhoudelijke afweging, zoals in antwoord 4 is aangegeven. In bijzondere omstandigheden kan de bereikbaarheid en daarmee de afstand tot het ziekenhuis een rol spelen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het vervoer van patiënten vanaf de wadden eilanden. Als de bereikbaarheid van een spoedeisende hulp in de toekomst verandert, moet goed nagedacht worden hoe dat regionaal opgelost kan worden. Dat zou kunnen door een extra ambulance in te zetten, zoals in Walcheren en Dokkum is gebeurd. Het vervoeren van patiënten per ambulancehelikopter (niet zijnde een traumahelikopter) in dunbevolkte gebieden zou ook een mogelijkheid kunnen zijn. Maar dergelijke nieuwe faciliteiten moeten altijd in de context van een specifieke regio worden beoordeeld, in overleg met partners in het regionaal overleg acute zorg (ROAZ) en met de zorgverzekeraar.
Is het nodig hindernissen weg te nemen om de meerwaarde van traumahelikopters te verhogen? Zo ja, welke hindernissen kunnen worden weggenomen?
De meerwaarde van de traumahelikopter zou moeten blijken uit het gegeven dat de patiënt met acuut trauma op of nabij de locatie waar hij of zij zich bevindt, wordt geholpen door een medisch specialist die (voorbehouden) handelingen kan verrichten die ambulancepersoneel niet kan uitvoeren. Er zijn mij geen hindernissen bekend die hierbij in de weg staan.
Een andere meerwaarde van de traumahelikopter is de snelheid waarmee een medisch specialist met (voorbehouden) handelingen op of nabij de locatie van een patiënt met acuut trauma beschikbaar is. Noch de exploitant van de traumahelikopters, noch de MMT’s geven aan dat zij tegen hindernissen aanlopen die deze snelheid beperken.
Het bericht ‘Menzis doet aangifte tegen Jansen Steur’ |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangifte van zorgverzekeraar Menzis tegen een voormalig neuroloog van het ziekenhuis in Enschede en/of het ziekenhuis zelf?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat, wanneer een verzekeraar kennis heeft van onterecht voorgeschreven medicijnen, hij moreel verplicht is de kosten die gedragen worden door de gemeenschap, terug te vorderen?
Het onterecht voorschrijven van medicijnen is een strafbaar feit waarbij de belangen van patiënten in het geding zijn. Zowel de IGZ (toezicht op kwaliteit en veiligheid van de zorg) als het OM (strafrechtelijke handhaving) kunnen dan handhavend optreden. Een zorgverzekeraar kan zich voegen als benadeelde partij in het strafproces en een vordering tot schadevergoeding indienen of een vordering tot schadevergoeding indienen bij de civiele rechter. In algemene zin sta ik positief tegenover het terugvorderen van kosten voor onterecht verleende zorg. Het al dan niet zelf starten van een procedure vergt in elke individuele zaak een afweging van de zorgverzekeraar waarbij aspecten als de de kosten van het starten van een procedure, het vergaren van bewijs en de kans van slagen een rol spelen.
Hoe vaak hebben de Nederlandse zorgverzekeraars in de afgelopen 5 jaren de kosten van onterecht gedeclareerde zorg teruggevorderd bij de instelling en/of de zorgverlener?
Ik beschik niet over deze gegevens.
Wanneer is de laatste Exelon voorgeschreven aan een patiënt van deze neuroloog, onder behandeling in het ziekenhuis in Enschede, terwijl hij/zij daarvoor geen indicatie had en niet leed aan de ziekte van Alzheimer?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat de kosten van het geneesmiddel wel worden teruggevorderd, maar de kosten van de behandeling niet, terwijl het toch evident is dat de gemeenschap betaald heeft voor een volstrekt waardeloze en schadelijke behandeling? Bent u bereid er bij deze en andere verzekeraars op aan te dringen dat ook de kosten van de behandeling teruggevorderd worden?
Zie antwoord vraag 2.
Indien er overduidelijke aanwijzingen zijn dat Exelon op onjuiste gronden is voorgeschreven, zou er dan actie ondernomen moeten worden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)? Zo ja, dient die actie dan ondernomen te worden door de verzekeraar of zelfstandig door de IGZ?
Wanneer de IGZ op de hoogte raakt van het voorschrijven van een geneesmiddel op onjuiste gronden dan ligt het op de weg van de IGZ om daar onderzoek naar te doen en zo nodig op te treden. Het onderzoek van de IGZ zal zijn gericht op het opheffen van een eventuele misstand in de gezondheidszorg.
Wat betreft de acties die de zorgverzekeraar kan treffen verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 2 en 5.
Het bericht 'JSF duurder door uitstel aankopen VS' |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Arjan El Fassed (GL), Wassila Hachchi (D66) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het ANP-bericht «JSF duurder door uitstel aankopen VS» van 14 februari 2012?
Ja.
Wanneer en door wie bent u geïnformeerd over het besluit van het Pentagon de geplande levering van 179 Joint Strike Fighters (JSF)'s in de komende 5 jaar te vertragen om kosten te besparen?
Op 26 januari jl. heeft de directeur van de Defensie Materieel Organisatie (DMO) een brief ontvangen van de Amerikaanse onderminister van Defensie Kendall, zijn gesprekspartner in het Pentagon. Hierin is aangekondigd dat de Verenigde Staten in de komende vijf jaar in totaal 179 toestellen minder zullen bestellen dan de eerder voorziene 420 stuks. De totale Amerikaanse bestelhoeveelheid blijft onveranderd 2443 toestellen. In de brief van 2 februari jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 281) is dit Amerikaanse besluit aan de Kamer gemeld. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Op welke wijze bent u geïnformeerd over het besluit van het Pentagon de geplande levering van 179 JSF's in de komende 5 jaar te vertragen om kosten te besparen?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft de informatievoorziening binnen het Joint Strike Fighter program office (JPO) plaatsgevonden over het besluit van het Pentagon de geplande levering van 179 JSF's in de komende 5 jaar te vertragen om kosten te besparen?
Het Joint Strike Fighter Program Office (JPO) is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en toekomstige doorontwikkeling van de F-35, de contractsluiting, de lopende productie van de F-35 toestellen en de voorbereiding van de instandhouding. Andere onderdelen van het Pentagon zijn verantwoordelijk voor de behoeftestelling en de verwervingsplannen voor de Amerikaanse strijdkrachten. Het JPO stelt dan ook niet de Amerikaanse bestelreeks vast en bovendien is het JPO niet eindverantwoordelijk voor de informatievoorziening over de bestelreeks. Niettemin heeft JPO-directeur vice-admiraal Venlet op 26 januari jl. de Nederlandse vertegenwoordiging bij het JPO geïnformeerd over de inhoud en de achtergronden van de Amerikaanse maatregelen.
Een aanpassing van de bestelreeks is een interne aangelegenheid van elk partnerland. Jaarlijks geven de partnerlanden hun geplande bestelreeksen door aan het JPO dat deze vervolgens verwerkt in de zogenoemde Annex A bij het Memorandum of Understanding over de productie, instandhouding en doorontwikkeling (PSFD). Naast deze reguliere informatievoorziening heeft het Pentagon de partnerlanden bilateraal per brief op de hoogte gesteld van het uitstel van de productie van 179 toestellen. De Annex A wordt jaarlijks als bijlage opgenomen in de jaarrapportage van het project Vervanging F-16.
Is de verbetering van informatievoorziening in lijn met de afspraken die u heeft gemaakt met Admiraal Venlet bij het recente bezoek aan de VS en waar u naar verwijst uw brief van 2 februari 2012?1 Op welke concrete punten is de verbetering in de informatievoorziening merkbaar?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 heeft het JPO geen rol in de aanpassing van de Amerikaanse bestelreeks en is het JPO niet eindverantwoordelijk voor de informatievoorziening daarover aan partnerlanden. Niettemin heeft JPO-directeur vice-admiraal Venlet de Amerikaanse maatregelen toegelicht tegenover de Nederlandse vertegenwoordiging bij het JPO.
In mijn gesprek met vice-admiraal Venlet tijdens mijn bezoek aan de Verenigde Staten in de week van 9 januari jl. heb ik gewezen op het belang van de tijdige verstrekking van informatie. Ik stel vast dat vervolgens de informatievoorziening door het Pentagon en het JPO over de Amerikaanse voornemens goed is verlopen.
Kunt u aangeven op welke wijze u de belofte aan de Tweede Kamer, gedaan tijdens het algemeen overleg Vervanging F16 op 8 februari jl., om zo transparant mogelijk te zijn over alle ontwikkelingen bent nagekomen?
Ik streef altijd naar een goede informatievoorziening aan de Kamer. Elk jaar ontvangt de Kamer een uitvoerige jaarrapportage. Indien daar aanleiding toe is, informeer ik de Kamer ook tussentijds over de ontwikkelingen in het JSF-programma. De brief van 2 februari jl. over onder andere de Amerikaanse verwervingsplannen is hiervan een voorbeeld. In die brief heb ik uiteengezet dat ik bij het JPO de informatievoorziening aan de partners aan de orde heb gesteld, juist met als doel mij in staat te stellen de Kamer eerder van relevante ontwikkelingen op de hoogte te brengen.
Het in vraag 1 genoemde ANP-bericht gaat in op mogelijke gevolgen van het Amerikaanse besluit om de productie van 179 toestellen enkele jaren uit te stellen. Dit besluit heeft geen gevolgen voor de prijs van de twee reeds door Nederland bestelde toestellen. Het totale effect voor Nederland, met als uitgangspunt de huidige geplande bestelreeks, waarbij de eerste productietoestellen zouden worden geleverd in 2019, is op dit moment nog niet bekend. Begin april ontvangt Defensie nieuwe financiële informatie over de F-35. Zoals bekend heeft deze informatie een relatie met het Selected Acquistion Report aan het Amerikaanse Congres. Op grond van deze nieuwe informatie zal Defensie de financiële gevolgen inzichtelijk maken. De Kamer wordt hierover uiterlijk 1 juni a.s. geïnformeerd met de jaarrapportage van het project Vervanging F-16.
Het Haarlems Dagblad |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Martijn van Dam (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kranten voeren actie tegen Telegraaf Groep»?1
Ja.
Is het u bekend of er plannen bestaan waardoor het Haarlems Dagblad en de Gooi- en Eemlander zouden kunnen verdwijnen?
Eind 2011 heeft de Telegraaf Media Groep (TMG) haar plannen gepresenteerd die in het teken staan van een aanscherping van haar ondernemingsstrategie. Over de uitwerking daarvan zijn sindsdien meerdere publicaties geweest in de kranten. Daarbij is er een verband gelegd tussen plannen van de TMG en de vermoedelijke opheffing van een aantal titels van HDC Media. Ik begrijp dat dit tot de nodige zorgen heeft geleid. Een dag na het door uw Kamer aangehaalde artikel hebben de TMG en HDC Media een persbericht uitgebracht waarin zij benadrukken dat er geen plan voorligt om titels van HDC Media op te heffen. Ook is er geen plan om De Telegraaf te regionaliseren in het verspreidingsgebied van HDC Media, aldus het persbericht. Wel doet men onderzoek naar de mogelijkheden van intensievere interne samenwerking.
Deelt u de mening dat het eeuwig zonde zou zijn als de oudste nog verschijnende krant ter wereld, het Haarlems Dagblad (immers voortkomend uit de Opregte Haarlemsche Courant die terug te voeren valt op eerste publicaties in 1656), zou verdwijnen? Kunt u zich voorstellen dat zo’n belangrijk stuk van ons cultureel erfgoed verloren zou gaan door commerciële overwegingen binnen een groot concern als de Telegraaf Groep?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat niet alleen het cultureel erfgoed, maar ook de lokale identiteit, de belangrijke rol van de lokale of regionale krant in de plaatselijke samenleving en het grote belang van een eigen krant voor de lokale democratie op het spel staan? Deelt u de mening dat die waarden van grote betekenis zijn en in een beslissing over het voortbestaan van de kranten zwaar zouden moeten wegen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er wettelijke mogelijkheden om het verdwijnen van deze kranten te kunnen voorkomen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Telegraaf Groep om het voortbestaan van het Haarlems Dagblad en de Gooi- en Eemlander alsmede andere lokale kranten met een nadrukkelijke lokale aanwezigheid te bepleiten?
De perssector is op de eerste plaats natuurlijk en nadrukkelijk zelf verantwoordelijk voor het oplossen van problemen die in haar markt ontstaan. Het betreft immers een private sector die gericht is op ondernemen met een winstoogmerk. De overheid voert dan ook een zeer terughoudend beleid ten aanzien van de perssector. Gezien mijn antwoord op de eerdere vragen zie ik daarnaast ook geen aanleiding om bij de TMG het behoud van de door u aangehaalde krantentitels te bepleiten.
De behandeling van bezwaarschriften door de Belastingdienst |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht waarin staat dat de Belastingdienst overweegt bezwaarschriften tegen belastingaanslagen ongezien goed te keuren?1
Ja.
Is het bericht waar?
Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 14 februari 2012 is aangegeven is in een intern memo van de Belastingdienst inderdaad voorgesteld om bezwaren ongezien goed te keuren. Dit voorstel is niet overgenomen.
Hoeveel bezwaarschriften liggen er op dit moment te wachten op behandeling? Is er een specifieke reden voor het grote aantal bezwaarschriften op dit moment?
Het grote aantal bezwaarschriften wordt veroorzaakt door de campagne Tijdige Aangifte, het in relatief korte tijd ambtshalve opleggen van aanslagen Inkomensheffing over meerdere jaren (2008, 2009 en 2010) en door het verscherpte boetebeleid. Deze maatregelen hebben geleid tot een toename van het aantal bezwaren. De voorraad bezwaarschriften Inkomensheffing naar de stand van 16 februari jongstleden bedraagt 61 000.
Wat is de normale behandelcapaciteit van de Belastingdienst?
De normale behandelcapaciteit fluctueert en is afhankelijk van het aanbod aan bezwaarschriften. In 2011 zijn ruim 820 fte ingezet op de behandeling van alle bezwaarschriften.
De behandeltijd per soort bezwaar is onder meer afhankelijk van de doelgroep (particulier of ondernemer) en de aard van het bezwaar. Bezwaren tegen een correctie vergen meestal veel tijd, aanvullingen op een aangifte zijn in korte tijd af te doen. De samenstelling van de voorraad en het werkaanbod bepalen de benodigde capaciteit. Uitgangspunt hierbij is een zodanige capaciteitsinzet, dat het aantal bezwaarschriften niet oploopt tot boven de reguliere voorraad.
Binnen hoeveel tijd kunnen deze bezwaarschriften worden afgehandeld?
Het is de bedoeling om de tijdelijke piek in de voorraad bezwaarschriften per 1 september aanstaande te hebben weggewerkt.
Heeft de Belastingdienst doorgaans voldoende capaciteit om binnenkomende bezwaarschriften tijdig te behandelen? In welke mate wordt de capaciteit aangetast door de bezuinigingen die de Belastingdienst zijn opgelegd?
De Belastingdienst is in staat om de reguliere stroom bezwaarschriften af te doen. Zoals bij elke piekbelasting die niet binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen wordt – door interne herprioritering en herverdeling tussen de kantoren onderling – tijdelijk extra capaciteit vrijgemaakt om het proces van bezwaarbehandeling in goede banen te leiden.
De bezuinigingen die aan de Belastingdienst zijn opgelegd worden ingevuld via de sporen vereenvoudiging van wet- en regelgeving en efficiencymaatregelen. Uitgangspunt hierbij is dat de invulling niet ten koste gaat van de dienstverlening van de Belastingdienst en van de rechtshandhaving, waar de bezwaarbehandeling onderdeel van uitmaakt.
De lijnen waarlangs ik de bezuinigingen de komende tijd vorm wil geven heb ik uw Kamer gemeld in de brief van 3 februari jongstleden en in het daaropvolgende Algemeen Overleg Belastingdienst van 9 februari.
Hoe garandeert u dat mensen tijdig een antwoord krijgen op hun bezwaren?
Zie de maatregelen die zijn opgenomen in het antwoord op vraag 3, 5 en 6.
Odfjell |
|
Michiel Holtackers (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u geschrokken van het feit dat bij Odfjell bij jaarlijkse Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO)-controles gezamenlijk 64 overtredingen zijn geconstateerd?
Het betreft een overzicht van overtredingen over een periode van meerdere jaren en overtredingen van allerlei aard. Ik ben blij dat de inspectiediensten de overtredingen vaststellen. Dat geeft aan dat ze er bovenop zitten.
Kunt u de details geven van elke geconstateerde overtreding zoals genoemd onder vraag drie en vijf van de eerder gestelde vragen d.d. 26 januari 2012 (aard van de overtreding, tijdstip van de overtreding, gevaar dat er uit voortvloeide)?1
In onderstaande tabel treft u de details aan.
Aard van de overtreding
Tijdstip overtreding
Voortvloeiend gevaar
Overtreding omgevingsvergunning m.b.t. hydranten
December 2005
Repressieve beheersing risico’s
Overtreding omgevingsvergunning: zeecontainers aanwezig die onvergund zijn
December 2005
Onvoldoende zicht op veiligheid van opslag
Ontbreken van onderhoudsprogramma voor onderhoud aan preventieve en repressieve incidentenbestrijdingsmiddelen
Juni 2007
Gebrekkig onderhoud
Onderhoud veiligheidskleppen niet opgenomen in onderhoud- en beheerssysteem
Juni 2007
Onvoldoende borging van jaarlijks onderhoud
Veiligheidsmanagementsysteem is slecht geïmplementeerd
Juni 2007
Onvoldoende borging dat alle maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen zijn getroffen
Overtreding omgevingsvergunning: aantasting integriteit van tankputdijken
Juni 2007
Gevaar dat tankputdijk faalt
Onderhoudsprogramma van koel- en blussystemen is onvoldoende om de integriteit van deze systemen te garanderen
Juni 2007
Gebrekkig onderhoud
Vergunningvoorschrift over live-test koel- en blussystemen is strijdig met algemene bepaling
Juni 2007
Goede werking koel- en blussystemen is niet gegarandeerd
Overtreding vergunningvoorschrift: bediening van blus-, schuim- en sproei-installaties dient buiten hittestralingscontour geplaatst te zijn
Juni 2007
Goede werking blus-, schuim- en sproei-installaties is niet gegarandeerd
Overtreding vergunningvoorschrift: fireproofing van kolom C1101 unit 5 is op diverse plaatsen gescheurd
Juni 2007
Onvoldoende borging dat alle maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen zijn getroffen
Preventief onderhoud wordt onvoldoende gepland, uitgevoerd en geëvalueerd
Augustus 2008
Onvoldoende borging dat alle maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen zijn getroffen
Overtreding vergunningvoorschrift over inspectie drukventielen
Augustus 2008
Onvoldoende borging dat alle maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen zijn getroffen
Overtreding vergunningvoorschrift: gasdetectiesysteem bij RCC is niet volgens milieuvergunning op percentage van onderste explosiegrens afgesteld
Augustus 2008
Onvoldoende borging dat tijdig kan worden opgetreden bij ontsnappen gas bij RCC
Overtreding vergunningvoorschrift over gasdetectie bij RCC inzake keuze van ijkgas
Augustus 2008
Risico dat explosiegevaarmeters niet te allen tijde de aanwezigheid van bepaalde concentraties van andersoortig dan apolair brandbaar gas of damp detecteren
MRA is onvolledig en onjuist
November 2011
Onvoldoende duidelijk of alle maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen
Ontbreken van gedocumenteerde inspectie- en onderhoudsmethodiek en een systematisch onderhouds- en inspectieprogramma m.b.t. tankputdijken
November 2011
Gebrekkig onderhoud kan tot gevaarlijke situatie leiden
Overtreding vergunningvoorschrift: een aantal leidingen is niet voorzien van eindcaps dan wel blindflenzen
November 2011
Gevaar van lekkage
Overtreding vergunningvoorschrift: een aantal IBC’s met gevaarlijke stoffen wordt niet overeenkomstig de vergunning opgeslagen
November 2011
Niet alle maatregelen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu zijn genomen
Ontbreken van gedocumenteerde inspectie- en onderhoudsmethodiek t.a.v. tankseals
November 2011
Gevaar van ongewenste dampvorming
Kunt u de details geven van elke melding of geconstateerd lek van gevaarlijke stoffen bij Odfjell, inclusief de datum, de vrijgekomen stof en de hoeveelheid (bijvoorbeeld 17/12/2009, fosforzuur, 10 ton)?
In de bijlagen treft u twee overzichten aan van de meldingen die vanaf 1 januari 2009 zijn binnengekomen bij de DCMR-meldkamer.2
Daarnaast zijn er meldingen van Odfjell zelf gekomen met betrekking tot druppellekkage aan ketelwagons die binnen komen. De hoeveelheden kunnen niet worden aangegeven, omdat het druppels per minuut betreffen. Het gaat om minimale hoeveelheden.
Kunt u de BRZO-rapportages van 2009, 2010 en 2011 over Odfjell aan de Kamer doen toekomen? Op hoeveel van de relevante elementen in het Veiligheidsbeheerssysteem scoorde het bedrijf slecht in die jaren?
Het is aan het betrokken bevoegd gezag om de rapporten openbaar te maken met in achtneming van de voor openbaarmaking geldende regels.
De inspectie in september 2009 leverde geen slechte score op geïnspecteerde elementen.
Tijdens de inspectie in maart 2010 is op twee relevante elementen slecht gescoord.
Tijdens de inspectie november 2010 is geen slechte score geconstateerd op de geïnspecteerde elementen.
Tijdens de inspectie in 2011 is bij Odfjell op vier relevante VBS elementen slecht gescoord.
Veelal is naast de aangegeven slechte scores in dermate frequentie op matig gescoord dat frequent handhaving is ingezet.
Waarom is het bedrijf niet opgenomen in de selectie van gevaarlijke bedrijven in de Quickscan BRZO-bedrijven, die u op 30 juni 2011 heeft gepubliceerd?
De selectie van gevaarlijke bedrijven in de Quickscan BRZO is tot stand gekomen op basis van de beoordeling van vijf elementen van het Veiligheidsbeheerssysteem (VBS) tijdens BRZO-inspecties in 2009 en 2010. Bij de firma Odfjell is door het bevoegd gezag in die periode van die vijf onderdelen alleen het onderdeel «Beheersing van de uitvoering» als «Slecht» beoordeeld. Odfjell is daardoor inde eerste fase van het onderzoek wel geselecteerd. De tweede fase van de Quickscan BRZOwas gericht opbedrijven die voor minimaal 2 elementen als «Slecht» beoordeeld zijn. De gepubliceerde lijst van bedrijven heeft alleen betrekking op de bedrijven die in de tweede fase zijn geselecteerd.
Wat is de inspectiefrequentie per jaar geweest bij Odfjell van zowel de BRZO-controles en van DCMR-bezoeken, sinds het bedrijf in 2008 is geclassificeerd als achterblijver?
Er heeft zeer regelmatig contact plaatsgevonden tussen de DCMR en het bedrijf. BRZO-inspecties, gezamenlijk met andere overheden, hebben jaarlijks plaatsgevonden. In 2010 is tweemaal een inspectie gehouden.
Reguliere controlebezoeken hebben vaker plaatsgevonden, sinds het vierde kwartaal van 2011 bijna wekelijks.
De inspecties van Inspectie SZW vanaf 2008 tot 2012 hebben plaats gevonden in augustus 2008, september 2009, maart 2010, november 2010, oktober 2011 en december 2011. Dat komt neer op een frequentie van ongeveer eens per anderhalf jaar. Bij de meeste van deze inspecties is het bedrijf per inspectie meerdere dagen bezocht.
Indien bij een inspectie van een bedrijf herhaaldelijk overtredingen en tekortkomingen gevonden worden en er, ondanks jarenlange classificatie als achterblijver, nog steeds geen veilige situatie is, is het dan mogelijk dat de toezichthoudende instanties aansprakelijk kunnen worden gesteld bij een groot ongeluk dat rechtstreeks voortvloeit uit deze tekortkomingen en overtredingen?
Ja, dat kan.
Klopt het dat inspecteurs het terrein van Odfjell niet durfden te betreden vier maanden geleden?2
Op basis van een onderzoek dat door een bedrijf in opdracht van DCMR is uitgevoerd voordat de periodieke inspectie plaatsvond, bestond het vermoeden dat er ongecontroleerde benzeenemissies op het terrein aanwezig waren. Voorafgaand aan de inspectie is door de inspectieleider van DCMR aan Odfjell gevraagd of er veilig op het terrein geïnspecteerd kon worden. Dit werd door Odfjell bevestigd, echter niet gestaafd met meetresultaten.
Inspecties bestaan uit meerdere onderdelen, variërend van een fysieke controle van een installatie of relevant onderdeel tot onderzoek van documentatie en het houden van interviews. De Inspectie SZW voert als intern beleid dat medewerkers in beginsel zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen hun werkzaamheden moeten kunnen uitvoeren. Aangezien Odfjell niet het juiste zicht kon geven op mogelijk aanwezige concentraties gevaarlijke stoffen op eventueel te inspecteren installatie-onderdelen, is op één inspectiedag besloten de inspectie te beperken tot een documentcontrole en het houden van interviews.
Hoe lang hebben inspecteurs het terrein van het bedrijf niet betreden en welke maatregelen zijn genomen naar aanleiding van de weigering van inspecteurs om het bedrijf te betreden?
De inspecteurs van de Inspectie SZW hebben één dag geen fysieke controles uitgevoerd.
Beide inspecteurs van DCMR en Veiligheidsregio hebben op 5 oktober 2011 wel het terrein betreden.
DCMR geeft aan dat in oktober en november 2011 diverse inspecties hebben plaatsgevonden bij Odfjell in het kader van het BRZO.
Kunt u garanderen dat er bij Odfjell op dit moment op een zodanige wijze gewerkt wordt dat er geen gevaar optreedt voor werknemers, inspecteurs en mensen die in de buurt van Odfjell werken of wonen?
Die garantie is niet te geven. Er is altijd sprake van enig risico.
Wat zijn de mogelijkheden om de kosten van toezicht en handhaving te verhalen op het bedrijf Odfjell? Deelt u de mening dat kostenverhaal wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
In Nederland kunnen nalevingscontroles in beginsel niet verhaald worden. Daarvoor is een wetswijziging nodig.
Kunt u de vragen voor 5 maart beantwoorden in verband met het AO op 6 maart over deze materie?
Ik doe mijn uiterste best om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Seksueel misbruik in orthodox-protestantse kring |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgen over seksueel misbruik in orthodox-protestantse kring»?1
Ja.
Is het waar dat hulpverleners in de zogenaamde bijbelgordel veel signalen ontvangen over jongeren in orthodox-protestantse gezinnen die mogelijk seksueel misbruikt zijn of worden misbruikt? Zo ja, betreft dit signalen met betrekking tot strafbare feiten die nog niet verjaard zijn? Zo ja, ziet u een rol voor het Openbaar Ministerie om dit nader te laten onderzoeken? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Movisie heeft in de periode van augustus tot en met november 2011 een verkennend onderzoek verricht naar huiselijk geweld in de orthodox-protestantse kring. Zij hebben daarvoor 19 respondenten gesproken waaronder hulpverleners. Een aantal van deze hulpverleners gaf aan signalen te krijgen van jongeren over seksueel misbruik binnen het gezin. Aangezien dit niet het onderwerp van het onderzoek was, heeft Movisie niet nader onderzocht of dit signalen betreft met betrekking tot strafbare feiten die nog niet zijn verjaard noch of daarvan door de jongeren aangifte is gedaan. Indien aangifte wordt gedaan, zal het OM onderzoeken of er sprake is van strafbare feiten en of vervolging mogelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de volgende uitspraak van een jongerenwerker: «Ik dacht dat het één op de vier was die seksueel misbruik meemaakt, maar ik heb nu de indruk dat één op de vier geen incest meemaakt.»?
Ik constateer dat deze individuele uitspraak niet nader is onderzocht door Movisie, waardoor het niet mogelijk is hieraan conclusies te verbinden.
Deelt u de mening van Movisie dat er onderzoek gedaan moet worden naar seksueel misbruik binnen orthodox-protestantse gezinnen omdat exacte cijfers omtrent eventueel seksueel misbruik ontbreken? Zo ja, bent u bereid een dergelijk onderzoek in te stellen? Zo nee, waarom niet?
We moeten constateren dat seksueel misbruik een ernstige vorm van geweld is die helaas in verschillende kringen voorkomt en bestreden moet worden. Daarom heb ik uw Kamer in de brief van 16 januari (Kamerstukken II, 2011/12, 33 000-VI, nr. 76) een multidisciplinair onderzoek toegezegd naar onderliggende oorzaken van seksueel misbruik en andere vormen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dit biedt inzichten om deze problematiek in diverse situaties, zoals die in orthodox-protestantse gezinnen, te bestrijden en te voorkomen.