De vraag wie de handhaving van de wietpas voor zijn rekening neemt |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Handhaving wietpas Limburg nog onduidelijk»?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ja.
Waarom bestaat anderhalve week voor de invoering van de wietpas nog onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid voor de handhaving daarvan? Welke afspraken heeft u gemaakt met de gemeenten, het Openbaar Ministerie, politie en ondernemers over de handhaving van de wietpas? Bent u bereid deze afspraken naar de Tweede Kamer toe te zenden? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van onduidelijkheid. Het aangescherpte coffeeshopbeleid brengt geen wijzigingen in de bestaande verantwoordelijkheden in de handhaving. De handhaving van de gedoogcriteria is primair een taak van de burgemeester. De burgemeester draagt zorg voor het realiseren van adequaat toezicht op de naleving van de gedoogcriteria. Het toezicht omvat het controleren of de gedoogcriteria, die zijn opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet, worden nageleefd. Hierbij kan worden gedacht aan controle van en inzage in de ledenlijst, naleving van handels- en verkoopquota etc., al dan niet in het kader van een integraal toezicht (samenwerking gemeenten, politie, belastingdienst etc.).
Als vermeld in de Aanwijzing Opiumwet is de coffeeshophouder gehouden, het op de naleving van de criteria uit te oefenen toezicht te dulden en daaraan medewerking te verlenen. Het toezicht kan worden uitgeoefend door de politie. De aanwezigheid van een coffeeshop wordt namelijk gedoogd, hetgeen wil zeggen dat geldende strafbepalingen (artikel 2 en 3 van de Opiumwet) niet worden gehandhaafd, zolang aan de gestelde gedoogcriteria wordt voldaan. Indien een coffeeshop zich begeeft buiten deze criteria, dan zal er sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld, hetgeen politieambtenaren in beginsel bevoegd maakt (uit hoofde van artikel 141 strafvordering) om opsporingshandelingen te verrichten, bijvoorbeeld ter controle van de gedoogcriteria als opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet. De strafrechtelijke handhaving komt pas aan de orde na de bestuurlijke handhaving.
Bij brief van 20 april 2012 zijn de coffeeshopgemeenten van Limburg, Noord-Brabant en Zeeland ter verheldering nog eens extra geïnformeerd over de handhaving.
Wanneer verschijnt het advies van het College bescherming persoonsgegevens over de privacyaspecten van de wietpas?
Op 18 april 2012 heeft het CBP hierover advies uitgebracht. Voor dit rapport en mijn reactie daarop wil ik graag verwijzen naar de brief van 27 april 2012, toegezonden aan de Tweede Kamer, betreffende het coffeeshopbeleid.
Bent u bereid invoering van de wereldvreemde wietpas op zijn minst uit te stellen tot er duidelijkheid bestaat over de handhaving en privacyaspecten? Zo nee, waarom niet?
Er is geen onduidelijkheid. Uitstel is dus niet noodzakelijk.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de invoering van de wietpas die gepland staat voor 1 mei 2012? Zo nee, waarom niet?
Ik wil graag naar de brief verwijzen die 27 april reeds naar de Tweede Kamer is toegezonden betreffende het coffeeshopbeleid waarin de antwoorden reeds zijn opgenomen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Somaliërs kunnen voorlopig blijven en krijgen schadevergoeding»?1
Ja.
Is het waar dat u de hoger beroepszaken van zestien Somalische afgewezen asielzoekers heeft stopgezet omdat uitzetting praktisch moeilijk realiseerbaar is? Kunt u nader toelichten waarom daarvan sprake is?
Vreemdelingen afkomstig uit Somalië die niet in aanmerking komen voor een asielvergunning kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, en dit wordt ook van hen verwacht. Voordat de verplichting wordt opgelegd om Nederland te verlaten wordt op zorgvuldige wijze getoetst of iemand bescherming behoeft en of iemand risico loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Vreemdelingen uit Mogadishu en overige delen van Zuid- en Centraal-Somalië zullen in veel gevallen in aanmerking komen voor bescherming.
Vreemdelingen afkomstig uit Zuid en Centraal-Somalië die niet in aanmerking komen voor bescherming, kunnen terugkeren via de internationale luchthaven van Mogadishu. Vanaf daar kan verder gereisd worden over land. Diverse luchtvaartmaatschappijen onderhouden vluchten op de luchthaven van Mogadishu, welke overigens buiten de stad Mogadishu ligt. Onlangs heeft zich Turkish Airlines daarbij gevoegd met een regelmatige verbinding en van deze mogelijkheden wordt ook in de praktijk gebruik gemaakt.
Terugkeer naar Noord-Somalië is eveneens mogelijk. Vanaf de luchthaven in Mogadishu kan worden doorgevlogen naar een luchthaven in Noord-Somalië. Door tussenkomst van de DT&V zijn al eerder enkele vreemdelingen op vrijwillige basis teruggekeerd naar Noord-Somalië, inclusief Puntland. Zoals gezegd is er een zeer regelmatige reizigersstroom en terugkeer is derhalve wel degelijk mogelijk.
Bij de voorbereiding van de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen die niet zelfstandig zijn vertrokken, heb ik geoordeeld dat het op dit moment niet mogelijk is om te komen tot een wijze van gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië die ik verantwoord acht. Daarom zijn de hoger beroepen ingetrokken.
Volgde niet al automatisch uit uw beleid dat de uitzettingen van Somaliërs amper realiseerbaar waren, aangezien de hoofdstad Mogadishu, waar het enige vliegveld is gelegen, een oorlogsgebied is en slechts enkele gedeelten van Somalië nog als enigszins veilig kunnen worden beschouwd? Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er? Op welke veilige wijze over land of via de lucht kan volgens u via Mogadishu het relatief veilige Zuid- en Centraal Somalië worden bereikt?
Zie antwoord vraag 2.
Kan uit uw intrekkingen van de hoger beroepszaken worden opgemaakt dat u de uitzettingen van alle Somaliërs opschort totdat de veiligheidssituatie in het land is verbeterd?
Neen. Die conclusie is onjuist. Zoals aangegeven verzet de algehele veiligheidssituatie zich niet tegen de terugkeer van vreemdelingen naar Noord-Somalië en de reden van het intrekken van de beroepen is dan ook niet hierin gelegen. De inzet blijft dan ook gericht op het zoeken naar verantwoorde mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië.
Welke gevolgen heeft dit voor de Somaliërs die momenteel in vreemdelingenbewaring zitten?
De vreemdelingenbewaring van Somaliërs die in vreemdelingenbewaring zaten met het oog op terugkeer naar Noord-Somalië, is opgeheven.
Op welke wijze wordt voor afgewezen Somalische asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden, in onderdak voorzien?
Vreemdelingen die kunnen terugkeren maar dat niet doen, krijgen geen door de Staat bekostigde opvang, behalve de gebruikelijke uitzonderingssituaties: alleenstaande minderjarige vreemdelingen, gezinnen met minderjarige kinderen. Indien zij niet zelfstandig terugkeren, hoewel dat wel mogelijk is, eventueel met ondersteuning van de overheid, bestaat in beginsel geen verplichting tot, noch ben ik bereid om in onderdak te voorzien.
Bent u bereid om in elk geval ten aanzien van de Somalische gezinnen met minderjarige kinderen ruimhartig te bezien of aan hen alsnog asiel verleend kan worden, met het oog op de nog immer slechte veiligheidssituatie in Somalië en de mogelijke worteling van de kinderen in Nederland?
In het staande beleid wordt rekening gehouden met de bijzonder precaire veiligheidssituatie in met name Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu. Dit beleid is nog recent gewijzigd aan de hand van de situatie aldaar. Ik houd dan ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder uiteraard ook zijn gezinssituatie valt.
De gebrekkige werking van de Code Goed Bestuur |
|
Jasper van Dijk |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Goed bestuur zwak in HBO»?1
Het artikel bevat een weergave van de meest in het oog springende bevindingen van de evaluatiecommissie branchecode governance hbo, ingesteld door de HBO-raad. Bij de beantwoording van de hiernavolgende vragen zal ik niet het artikel uit Scienceguide maar het rapport van de evaluatiecommissie van de HBO-Raad als uitgangspunt nemen.
Geeft de gebrekkige naleving van de branchecode goed bestuur u reden tot zorg?
De branchecode is een belangrijk instrument voor de hbo-sector om – bij wijze van zelfregulering – de principes van goed bestuur te implementeren. De gebrekkige naleving van de code is een teleurstellend gegeven. Niettemin vind ik het goed dat de HBO-raad deze kritische evaluatie heeft laten uitvoeren en maatregelen wil nemen.
Deelt u de mening dat het opmerkelijk is dat de branchecode niets te melden heeft over onderwijskwaliteit?
Ik ben van oordeel dat hier snel verandering in moet komen. Tegelijkertijd stel ik vast dat dit vermoedelijk te maken heeft met de wordingsgeschiedenis van de code. In de jaren waarin de code tot stand is gekomen – in navolging van de code Tabaksblat voor het beursgenoteerde bedrijfsleven – lag de nadruk op bestuurlijk handelen en het toezicht daarop in relatie tot bedrijfsprocessen en financieel-economische aangelegenheden. Het is zonneklaar dat gezien de recentelijk geconstateerde gebreken in de interne kwaliteitsborging in het hbo de code ook bepalingen moet bevatten over het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Ik onderschrijf de aanbeveling van de evaluatiecommissie in de code vast te leggen dat de raad van toezicht bij zijn werkzaamheden de kwaliteit van onderwijs en onderzoek centraal stelt.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Raden van Toezicht nauwelijks inzicht hebben in de «mogelijke risico's en ethische perikelen rond belangenverstrengeling en financiële deelnemingen»? Zouden hierover heldere normen moeten worden opgenomen?
Het gaat hier om een uitspraak van de commissievoorzitter tegenover Scienceguide, geen algemene bevinding van de commissie. Wat de evaluatiecommissie heeft geconstateerd is dat de portfolio van de hogescholen de afgelopen jaren verbreed is door hun actieve participatie in consortia met bedrijven en andere kennisinstellingen – door de evaluatiecommissie aangeduid met «verbindingen» – hetgeen volgens de commissie heel eigen vraagstukken van bestuur en toezicht oproept waarop de code niet is toegesneden (zie pagina 13 van het rapport).
Ik kan mij goed vinden in de aanbeveling van de evaluatiecommissie om in de branchecode vast te leggen dat hogescholen een statuut moeten hebben waarin is bepaald hoe de risico’s voortvloeiend uit dergelijke maatschappelijke «verbindingen» worden beheerd, en in de code het risicomanagement meer expliciet uit te werken en te beschrijven waar het risicomanagement en het interne toezicht zich in ieder geval op dienen te richten.
Hoe oordeelt u over het feit dat «18 van 38 hogescholen niet voldoen aan de governance afspraken die zij zelf hebben gemaakt»? Is dit voor u aanleiding tot maatregelen?
Zoals ik al in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven vind ik dat een teleurstellend gegeven.
Maatregelen van mijn kant zijn echter niet aan de orde. De branchecode Goed Bestuur is een code van de hbo sector zelf, meer precies: van de leden van de HBO-raad. Te treffen maatregelen zijn dus in eerste instantie een zaak van de hogescholen zelf, in het verband van de HBO-raad.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat toezichthouders «meewarig en blasé» reageren op de eisen van de branchecode?
Het is allereerst aan de HBO-raad om zijn leden op het hart te drukken dat de branchecode hun eigen code is, waaraan men zich heeft te houden.
Wanneer (een sterk verbeterde versie van) de branchecode goed bestuur voorligt, ben ik- in lijn met de aanbevelingen van de evaluatiecommissie – voornemens deze aan te wijzen in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het instellingsbestuur zal de naleving van deze code in zijn jaarverslag moeten verantwoorden volgens het principe «pas toe of leg uit». Net als voor de overige bepalingen in wet- en regelgeving geldt dat voor de openbare instellingen deze verplichting voortvloeit uit de wet- en regelgeving en voor de bijzondere instellingen het een bekostigingsvoorwaarde is. Uiteraard zal ik de Kamer daarover informeren.
Wanneer wordt eindelijk voldaan aan de vereisten rond de beloning van bestuurders? Hoeveel bestuurders verdienen nog altijd meer dan een minister?
Naar verwachting zijn zowel het Wetsvoorstel normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi-publieke sector (WNT) als de daaruit voortvloeiende ministeriële regeling vanaf 1 januari 2013 van kracht. Vooruitlopend hierop voeren de minister en ik ten aanzien van bovenmatige beloningen sinds geruime tijd actief beleid. Zoals wij ook op 9 februari 2012 in een brief aan het onderwijsveld hebben gemeld, vinden we een bezoldiging die meer bedraagt dan het toekomstig WNT-maximum te hoog; een verdere stijging van dit bedrag onacceptabel. Een betaling voortvloeiende uit een dergelijke stijging, wordt aangemerkt als ondoelmatig en zal worden teruggevorderd. Een kopie van de genoemde brief is u toegezonden op 10 februari 2012 (TK, 2011–2012, 27 923, nr. 135).
In de rapportage van publiek gefinancierde topinkomens conform de Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (Wopt) die op 23 december 2011 door de minister van BZK aan de Tweede Kamer is gestuurd (TK, 2011–2012, 30 111, nr. 135), zijn de overschrijdingen van de Wopt-norm in 2010 van de sector HBO opgenomen. Uit deze gegevens blijkt dat 5 bestuurders in de sector HBO de toekomstige WNT-norm hebben overschreden.
Wat voor sancties worden ingevoerd, opdat wordt voorkomen dat men kan zeggen dat «de code geen tanden heeft»?
De evaluatiecommissie beveelt de hogescholen aan om afspraken te maken over de status van de code en aan niet naleven een passend sanctieregiem te verbinden. Wanneer de branchecode bij algemene maatregel van bestuur wordt aangewezen, dient de instelling deze na te leven volgens het principe «pas toe of leg uit». Die toepassing van de code volgens dit principe valt dan onder het nalevingstoezicht van de Inspectie van het Onderwijs.
Op wat voor manier gaat u toezien op de verbeteringen van de code goed bestuur? Wordt de code wettelijk vastgelegd en aan de Kamer voorgelegd?
Ik verwacht dat de hogescholen in het verband van de HBO-raad een fors aantal verbeteringen zal aanbrengen in de huidige code. Zoals ik in antwoord op vraag 6 heb aangegeven, ben ik voornemens te zijner tijd een sterk verbeterde versie van de branche code goed bestuur voor de hbo sector aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur. Aanwijzing van de code sluit goed aan bij de maatregelen die ik heb opgenomen in het wetsvoorstel Wet versterking kwaliteitsborging hoger onderwijs, gericht op het beter functioneren van de «checks and balances» in het stelsel van hoger onderwijs en op versterking van het interne en externe toezicht op en borging van de onderwijskwaliteit. Mijn voornemen is om dit wetsvoorstel in de zomer aan te bieden aan uw Kamer.
Deelt u de mening dat het «governance-model» (goed bestuur) gebrekkig functioneert en dat u open moet staan voor fundamentele verbeteringen, aangezien het de kwaliteit van het onderwijs betreft?
Die mening deel ik in zoverre, dat ik met de evaluatiecommissie van oordeel ben dat de inhoud en naleving van de branchecode sterke verbetering behoeft. Waar we nu mee te doen hebben is een periodieke evaluatie van de branchecode die conform de afspraak binnen de brancheorganisatie is uitgevoerd. Hoewel de bevindingen van de evaluatiecommissie over de mate van naleving van de code teleurstellend zijn, stel ik ook vast dat de branche zelf in staat is gebleken de eigen code zeer kritisch tegen het licht te houden en in alle openheid te komen tot een navenant kritische zelfevaluatie. Ik heb bovendien begrepen dat de HBO-raad het voornemen heeft alle aanbevelingen nog voor de zomer te implementeren. Dat proces, wat ik positief waardeer, hoort ook bij het huidige «governance model». In het antwoord op de vorige vraag heb ik reeds gewezen op de maatregelen op het gebied van governance die ik met het wetsvoorstel Wet versterking kwaliteitsborging hoger onderwijs heb genomen.
Bent u bereid onderzoek te doen naar alternatieve bestuursmodellen?
Uit mijn antwoord op de vorige vraag blijkt dat ik in de evaluatie van de naleving van de branchecode van de hbo sector geen aanleiding zie om onderzoek te doen naar alternatieve bestuursmodellen.
Het bericht dat de wachtlijsten voor donororganen explosief zijn gestegen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wachtlijst donororganen explosief gestegen»?1
Ik heb kennis genomen van dit persbericht van de stichting 2 Miljoen Handtekeningen en ik heb geconstateerd dat het tendentieus is en onjuistheden bevat. Ik heb in de antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Dijkstra niet gezegd dat er «licht positieve resultaten waarneembaar zijn in de grafieken», waarmee ik zou hebben gedoeld op het aantal donaties. Ik heb geantwoord dat het aantal transplantaties in de afgelopen jaren licht is gestegen. Daarnaast stelt het persbericht dat een van de doelstellingen van het Masterplan Orgaandonatie 25 tot 50% meer donaties was ten opzichte van het gemiddelde van 2005–2007, ook hier ging het echter om transplantaties. Tenslotte stelt het persbericht dat ik ben vergeten te vermelden dat de lichte toename van het aantal donaties wordt veroorzaakt door donaties bij leven. Dat is onjuist, cijfers over donatie bij leven worden nooit meegenomen in de cijfers die betrekking hebben op postmortale orgaandonaties.
Is het waar dat het aantal transplantabele wachtenden dat op een wachtlijst staat om een orgaan te ontvangen met circa negentig tot honderd personen is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Het klopt dat het aantal patiënten op de wachtlijst momenteel 1405 bedraagt ten opzichte van 1288 patiënten in april 2011. Voor mijn oordeel over ontwikkelingen op de wachtlijst verwijs ik naar mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT).
Is het waar dat u de lijst van geregistreerde wachtenden die tijdelijk niet transplantabel zijn niet meeneemt in uw berekeningen over het aantal wachtenden, en dat de totale groep geregistreerde wachtenden daarmee uit ruim 3 200 personen bestaat?2 Zo ja, denkt u niet dat het zinvol is dit ook te vermelden, zodat er een compleet beeld ontstaat van de problematiek?
Die berekeningen worden niet door mij gemaakt, het beheer van de wachtlijst is een taak van de Nederlandse Transplantatie Stichting, een zelfstandig bestuursorgaan. Zij plaatsen die mensen op de wachtlijst die aan de hand van door de transplantatiecentra opgestelde objectieve criteria als transplantabel kunnen worden aangemerkt en dus ook daadwerkelijk getransplanteerd kunnen worden. Ik vind het weinig zinvol om patiënten als wachtenden aan te merken als zij dat feitelijk niet zijn omdat ze geen transplantatie kunnen ondergaan.
Kunt u onderbouwen of uw beredenering ten aanzien van hoornvliestransplantaties, dat het aantal wachtenden op een donororgaan geen goede graadmeter is voor het aantal transplantaties, omdat een persoon gemakkelijker op een wachtlijst wordt geplaatst als de mogelijkheden voor transplantatie toenemen, ook van toepassing is op nier-, long- en levertransplantaties?
In mijn antwoorden op de eerder genoemde Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT) heb ik proberen aan te geven dat er geen één op één relatie is tussen het aantal patiënten op de wachtlijst en het aantal transplantaties. Als dat zo zou zijn, zou het aantal patiënten op de wachtlijst moeten afnemen, het aantal transplantaties is in 2011 immers gestegen. De huidige toename op de wachtlijst moet dus een andere oorzaak hebben, die gelegen kan zijn in een toename van het aantal patiënten met orgaanfalen, maar ook in een versoepeling van de wachtlijstcriteria.
Wat is volgens u de reden dat het aantal transplantaties ondanks een lichte stijging nog steeds onder het aantal transplantaties uit 2007 ligt en de behaalde resultaten daarmee achterblijven bij de geformuleerde doelstellingen uit het Masterplan Orgaandonatie?
2007 Was een uitzonderlijk goed jaar, het is niet realistisch om dat jaar als uitgangspunt te nemen. Daarom ging de doelstelling van 25% meer transplantaties in 2013 uit het Masterplan ook uit van het gemiddelde van de jaren 2005–2007. Die doelstelling is nog niet gehaald, de stijging van het aantal percentages bedraagt momenteel 5,5%. De reden daarvoor is dat het aantal donaties niet is gestegen. Ik heb u in mijn brieven van 31 augustus 2011 (GMT/IB/3073386) en 21 december 2011 (GMT/IB 3095531) en de bijbehorende bijlagen aangegeven welke stappen ik ga nemen om het aantal transplantaties te laten toenemen.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de wachtlijsten terug te dringen en het aantal transplantaties te bevorderen? Bent u bereid hier een stappenplan met concrete doelstellingen en meetmomenten aan te verbinden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u op basis van de teleurstellende resultaten bereid het zwaarwegende advies uit het masterplan, het invoeren van een Actief Donor Registratiesysteem, te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. De redenen daarvoor heb ik u in mijn brief van 8 februari 2011 (GMT/IB 3036648) uiteengezet.
Het advies van het CVZ over psychische klachten |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht over het advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) dat therapie voor psychische klachten voor eigen rekening moet zijn?1
Ik vind het goed dat het CVZ een nadere invulling geeft aan de huidige aanspraken in de GGZ en daarbij ook gebruik maakt van het principe van stepped care. Het CVZ maakt in zijn advies onderscheid tussen psychische klachten en stoornissen. Psychische stoornissen vragen om geneeskundige GGZ, terwijl bij psychische klachten de huisarts het eerst aan zet is. Op basis van de Zvw valt de hulp op het gebied van psychische klachten niet onder de eerstelijns psychologische zorg en de specialistische geneeskundige GGZ. Zo wordt ondoelmatige zorg in de geneeskundige GGZ voorkomen.
Wat is de achtergrond van dit CVZ-advies; een bezuinigingsopdracht of is het een eigen initiatief?
Het is van belang dat de GGZ ook in de toekomst houdbaar blijft. Daarom moet onderscheid gemaakt worden tussen onbetwistbare curatieve GGZ en niet-noodzakelijke vormen van GGZ-zorg. Specifiek is aan het CVZ als pakketbeheerder gevraagd om een drietal oplossingsrichtingen in het advies te betrekken, namelijk:
Het GGZ advies deel 1 gaat in op het eerste punt. Het GGZ advies deel 2, dat aan het eind van dit jaar zal verschijnen, zal ingaan op de punten 2 en 3.
Welke «sterke aanwijzingen» zijn er die erop kunnen wijzen dat zorgverzekeraars nu meer vergoeden dan enkel de verzekerde zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het CVZ stelt in zijn recente advies dat het voor huisartsen van belang is om als poortwachter een onderscheid te maken tussen psychische klachten en (het vermoeden van) een psychische ziekte. Alleen in dit laatste geval kan een huisarts voor nadere diagnose en behandeling verwijzen naar eerstelijns psychologische zorg of tweedelijns specialistische GGZ.
Op basis van het interdepartementale beleidsonderzoek uit 2010 is bekend dat 30% van de patiënten met lichte problematiek tweedelijns specialistische zorg ontvangt.2 Bij de eerstelijns psycholoog krijgt 30% van de patiënten geen DSM-classificatie. Dit maakt het noodzakelijk om meer helderheid te scheppen over de reikwijdte van het basispakket. De eerste stap hiertoe is gezet door middel van het GGZ rapport deel 1. Het CVZ zal hier ook verder op ingaan in het voor eind 2012 geplande GGZ rapport deel 2.
Hoe vaak worden dan zogenaamde verkeerde diagnoses gesteld, en waar blijkt dat uit? Wordt er inderdaad bij «een klacht» zorg geïndiceerd?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel mensen krijgen nu geestelijke gezondheidszorg voor aandoeningen die volgens de redenering van het CVZ niet behoren te worden vergoed? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, wanneer er enkel een theoretische scheiding gemaakt wordt tussen een klacht en een ziekte, de kans toeneemt dat er zwaardere diagnoses worden gesteld?
Beroepsbeoefenaren in de GGZ moeten zelf scherp toezien op adequate triage. Het kan niet zo zijn dat patiënten die niet voldoen aan de criteria voor een bepaalde stoornis toch een diagnose voor zo’n stoornis krijgen. Daarnaast is het een taak van zorgverzekeraars als inkoper van zorg om, op basis van formele en materiële controle, in te grijpen als er sprake is van onrechtmatig declareren. In dat geval is er namelijk sprake van een economisch delict. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft hierin ook een rol als toezichthouder. Ik onderschrijf het pleidooi van het CVZ om langs verschillende lijnen gepast zorggebruik te stimuleren.
Daarom zal ik met betrokken partijen mijn verwachtingen bespreken wat betreft het toezicht op het juist declareren inzake verzekerde aanspraken in de GGZ.
Deelt u de mening van het CVZ dat behandelaars op hun declaraties het soort diagnose moeten zetten, ook wanneer dit in tegenspraak is met privacybescherming en uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)?2
De wettelijke verplichting om diagnose-informatie op de declaratie te zetten bestaat al. Het CBb heeft in zijn uitspraak van 8 maart 2012 (LJN: BV8297, College van Beroep voor het bedrijfsleven, AWB 11/317, 11/358 en 11/372) geoordeeld dat de verplichting om diagnose-informatie op de declaratie te vermelden in de DBC-systematiek voor de GGZ niet onrechtmatig behoeft te zijn, mits daarbij uitzonderingsmogelijkheden zijn ingebouwd. Die uitzonderingsmogelijkheden kunnen bepaalde groepen gevallen dan wel bepaalde cliënten betreffen, al dan niet beperkt tot gevallen waarin cliënten daarom verzoeken. De NZa beziet momenteel hoe deze uitzonderingsmogelijkheid wordt vormgegeven.
Kunt u uitleggen waarom de vermeende medische onherkenbaarheid van GGZ DBC’s (Diagnose Behandeling Combinaties voor de geestelijke gezondheidszorg) de oorzaak zou zijn van fraude? Is uw oordeel dat de zorgverzekeraar moet beoordelen of zorg noodzakelijk is of een arts/poortwachter? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het zijn in de praktijk allereerst de professionals die, op basis van hun zorginhoudelijke kennis en kunde, bepalen in hoeverre er sprake is van een psychische stoornis en of dit vraagt om een behandeling of niet.
Die medische herkenbaarheid bij de declaratie is van belang voor de zorgverzekeraar, als inkoper van zorg. Hoe duidelijker dit staat vermeld, hoe minder discussie er kan ontstaan over de rechtmatigheid van een declaratie. Dit natuurlijk binnen de grenzen die het CBb in haar uitspraak heeft vastgesteld.
Daarnaast wordt voor 2013 de productstructuur zodanig aangepast, dat het onderscheid tussen al dan niet verzekerde zorg beter zichtbaar wordt. Dat betekent dat bij invoering van prestatiebekostiging er een kleuring in rode (onverzekerde) en groene (verzekerde) producten mogelijk wordt. Dit helpt zorgverzekeraars om, als zorginkoper, te sturen op het inkopen van de juiste zorg voor hun polishouders.
Een jager die een auto op de A15 raakt met een kogel |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jager raakt per ongeluk auto op snelweg»?1
Ja.
Is het waar dat geen proces-verbaal van het voorval is opgemaakt en dat ter plaatse is geconcludeerd dat de jager vrij uit ging? Zo ja, wie heeft dit geconcludeerd, op basis waarvan is dat geconcludeerd en is dat geen voorbarige conclusie? Zo nee, is de zaak nog in onderzoek en bij wie?
Door de politie is een opsporingsonderzoek ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt. Geweer en munitie zijn in beslag genomen en worden thans onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Het OM beslist op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken over eventuele vervolging.
Is de jachtakte van de jager inmiddels ingetrokken? Zo ja, per welke datum en tot welke datum? Zo nee, waarom niet?
De jager beschikte over een jachtakte die recent is verlengd. Het onderhavige incident kan leiden tot intrekking van de jachtakte. Ook dit wordt nog nader onderzocht.
Is het waar dat de politie een jachtopziener heeft geraadpleegd om te achterhalen welke jagers in het bezit waren van een dergelijk wapen? Zo ja, was die informatie niet bekend bij de politie of de korpschef die verantwoordelijk is voor het bijschrijven van jachtwapens op de jachtakte? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Nee, uit de berichtgeving blijkt dat de politie een jachtopziener geraadpleegd heeft om te achterhalen welke jagers in dat gebied actief waren. Dit was naar het oordeel van de politie de snelste manier om de mogelijke schutter te traceren.
Hoeveel jagers in Nederland zijn in het bezit van een kogelgeweer? Zo ja, kunt u dit specificeren naar kaliber en aangeven wat de reikwijdte van deze wapens is? Zo nee, bent u bereid om dit te inventariseren?
Er is geen centrale databank waarin de wapens van jagers zijn geregistreerd. Elk korps heeft zijn eigen registratiesysteem. Ik zie geen nut van of noodzaak tot een nadere specificatie. In de Flora- en faunawet en in het jachtbesluit is voorgeschreven met welke geweren uitvoering gegeven kan worden aan het bepaalde in deze wet cq dit besluit en aan welke eisen deze geweren dienen te voldoen. Kogelgeweren met getrokken loop mogen worden gebruikt bij de uitoefening van de jacht, beheer en schadebestrijding.
Weet u hoe groot de afstand was tussen de jager en de auto op het moment dat hij op de gans schoot en de kogel door de voorruit van de auto ging? Zo nee, waarom niet?
In het belang van het onderzoek kunnen daarover geen mededelingen worden gedaan.
Welk type kogel (bijvoorbeeld rond, spits, «hollow-point», «round-nose» ) werd gebruikt door de ganzenjager langs de A15 en uit welke materialen bestond deze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wordt in de munitie waarmee gejaagd wordt nog steeds gebruik gemaakt van lood, bijvoorbeeld als loodkern of als «lead-round-nose»? Zo nee, waarom niet?
Er is geen totaalverbod op loodhoudende munitie in Nederland en ik overweeg dat ook niet. Naast jagers gebruiken o.a. militairen, politie en sportschutters genoemde munitie. Zij zijn allemaal gehouden aan de wettelijke bepalingen die gelden ten aanzien van gebruik en soort munitie.
Is er andere munitie, die in Nederland gebruikt wordt, waarin lood worden toegepast? Zo ja, hoeveel lood komt hierdoor in het milieu terecht? Bent u bereid een totaalverbod in te stellen op het gebruik en de verkoop van loodhoudende munitie in Nederland? Zo nee, is er een totaalverbod in Nederland voor het gebruik en de verkoop en gebruik van munitie die lood bevat?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen dienen jagers te treffen om te voorkomen dat burgers ongewild doelwit worden van hun jachtactiviteiten? Vindt u de huidige voorzorgsmaatregelen en regels toereikend om de openbare veiligheid te waarborgen? Zo ja, waarom?
Jagers volgen een wettelijk verplichte opleiding die bijna een jaar duurt met theorie en praktijk. In deze opleiding wordt veel aandacht besteed aan de veiligheid en dit wordt tijdens een specifiek praktijkexamenonderdeel (Jachtpraktijk) ook getoetst. Uit het feit dat er zeer weinig incidenten gemeld worden met betrekking tot de veiligheid rond de jacht leid ik af dat voor die veiligheid over het algemeen goed zorg wordt gedragen en dat nieuwe maatregelen niet nodig zijn.
Deelt u de mening dat er sprake is van onzorgvuldig, onachtzaam en roekeloos handelen, wanneer in de nabijheid van openbare wegen in onoverzichtelijk terrein een kogelgeweer wordt afgevuurd met een reikwijdte die strekt tot aan die openbare weg of verder? Zo ja, bent u bereid om jagers en burgers hiertegen te beschermen door het jagen langs openbare wegen te verbieden? Op welke wijze en op welke termijn gaat u vorm geven aan een dergelijk verbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Is het waar dat de jager die in 2007 nabij de Bavelse berg bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde met een vergelijkbaar kaliber kogelgeweer (.222, 7 mm) op duiven schoot? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Uit tactisch onderzoek in genoemde zaak is gebleken dat verdachte een .222 Remington kogelgeweer heeft gebruikt. De verdachte beweerde op een duif te hebben gemikt, maar dat is niet vastgesteld.
Is het waar dat de jager die in 2007 bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde toen hij met een kogelgeweer op duiven schoot door de rechtbank in Den Bosch veroordeeld is voor dood door schuld, omdat hij met een vuurwapen met een bereik van 1 500 meter in de richting van een onoverzichtelijk en openbaar terrein schoot? Zo ja, bent u bereid om het gebruik van kogelgeweren in een straal van ten minste 1 500 meter rond openbare wegen te verbieden?
Op 6 april 2010 wees het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest in hoger beroep inzake het dodelijk schietincident op een jachtterrein bij Breda. De 73-jarige verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 337 dagen voorwaardelijk, voor dood door schuld. Het hof was van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen door te schieten met een vuurwapen met een groot bereik in de richting van een onoverzichtelijk terrein.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vragen 10 en 11. Vaak wordt er afschot gepleegd juist omwille van de (verkeers)veiligheid. Dit vindt daarom soms plaats nabij openbare wegen.
Is het waar dat er ook kogelgeweren door jagers gebruikt worden die veel grotere kalibers hebben? Zo ja, wat is het maximum kaliber dat in Nederland is toegestaan? Met welk doel wordt er gebruik gemaakt van groot kaliber?
Zie het antwoord op vraag 5. De Flora- en faunawet kent normering ten aanzien van het gebruik van jachtwapens, waaronder kogelgeweren. In deze normering is een minimum benoemd van energie-afgifte (om dierenleed te voorkomen), maar geen maximum.
Is het waar dat tijdens jacht op grote hoefdieren openbare wegen, paden en terreinen langdurig worden afgesloten voor het publiek in verband met de onveilige situatie die door de jacht ontstaat? Zo ja, bent u bereid de jacht in de nabijheid van deze wegen te verbieden? Bent u in geval dit onverhoopt niet gerealiseerd kan worden, bereid afsluiting van alle openbare wegen, paden en terreinen verplicht stellen wanneer er met groot kaliber wapens op dieren geschoten wordt?
In het kader van beheer en schadebestrijding, bijvoorbeeld als het gaat om de afschot van wilde zwijnen, kan voorgesteld worden dat de openbare veiligheid vergt dat terreinen tijdelijk worden afgesloten voor het publiek. Dat is een afweging die provincies en grondgebruikers moeten maken per individueel geval.
Is het waar dat de jager afkomstig was uit de omgeving en derhalve goed op de hoogte was van de aanwezigheid van de drukke A15? Zo ja, wat zegt dat volgens u over het vermogen van de persoon in kwestie om de gevolgen van zijn handelen te beoordelen?
Hierover kan ik geen mededelingen doen zolang de zaak in onderzoek is. Het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging.
Deelt u, gelet op voorgaande vraag, de mening dat hier sprake is van een persoon die willens en wetens de openbare veiligheid in gevaar brengt? Zo ja, deelt u de mening dat dit moet leiden tot intrekking van de jachtakte? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de mening dat, waar de rechter in een soortgelijk voorval met dodelijke afloop heeft geoordeeld dat sprake is van dood door schuld, justitieel onderzoek nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u bevestigen dat de gans is geraakt? Zo ja, heeft de kogel het dier doorboord en dodelijk verwond of is het dier slechts gewond geraakt bij het incident en moet worden aangenomen dat het crepeert in de natuur? Om wat voor gans ging het eigenlijk?
Ja, de gans is dodelijk geraakt. Het betrof een grauwe gans.
Het feit dat in atoomschuilkelders maandelijks voor duizenden euro's eten wordt weggegooid |
|
Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Weet u dat door de beheerders van atoomschuilkelders maandelijks voor duizenden euro’s eten wordt weggegooid?
Het al dan niet bouwen en in standhouden van openbare schuilgelegenheden is een gemeentelijke aangelegenheid.
Het Rijk heeft gemeenten tot 1988 ondersteund bij het bouwen van openbare schuilgelegenheden door hiervoor op verzoek een financiële bijdrage te verlenen en tot 1990 door bij te dragen in de kosten van het onderhoud. In totaal zijn tot 1988 72 grotere openbare schuilgelegenheden ingericht.
Het is mij niet bekend dat gemeenten voedselvoorraden zouden aanleggen in openbare schuilgelegenheden en dat de beheerders hiervan maandelijks voor duizenden euro’s eten zouden weggooien. Navraag leert dat ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hiervan niet op de hoogte is.
Indien dit in een bepaalde gemeente toch het geval zou zijn, zie ik voor mijzelf geen rol weggelegd. Het betreft immers gemeentelijk beleid waarvoor verantwoording wordt afgelegd aan de gemeenteraad.
Is het waar dat dit de gangbare praktijk is in atoomschuilkelders in Nederland en kunt u precies vertellen bij hoeveel schuilkelders dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit voedsel, gezien de voedseltekorten bij de voedselbank, beter een week voor het verstrijken van de houdbaarheidsdatum aan de voedselbank gedoneerd kan worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit initiëren?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat opnieuw een proefvaart van de nieuwe Frisc-rubberboten compleet is mislukt |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Test nieuwe boot mariniers debacle»?1
Ja. Het bericht in De Telegraaf verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) van het type Support Craft Caribbean (SCC).
In hoeverre staat u nog steeds achter uw antwoord op eerdere vragen, waarin u de opmerkingen van een Britse marineofficier ontkracht, die stelde dat de vaartuigen «ondeugdelijk» en «levensgevaarlijk» zijn en dat zowel het ontwerp, de productie als de constructie volledig ontoereikend zijn voor militaire doeleinden?2
De antwoorden op de vragen van 4 november 2011 (vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel Handelingen, nr. 563) hebben betrekking op beproevingen met andere types van het snelle vaartuig, een demonstrator, een lichte civiele uitvoering van het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) en beproevingen van het FRISC-type Boarding Craft (BC). Naar aanleiding van deze beproevingen worden technische aanpassingen verricht om te voldoen aan de eisen van Defensie. Het antwoord op vraag 5 bevat een overzicht van deze aanpassingen.
Het bericht in De Telegraaf doet geen afbreuk aan mijn antwoorden op uw vragen van 4 november. Dit bericht verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig van het type Support Craft Caribbean (SCC). Het betreft een ander type FRISC met andere mogelijkheden tot manoeuvreren dan de demonstrator en de Boarding Craft (BC). Vanwege de verschillen tussen de FRISC’s wordt ieder type afzonderlijk beproefd. Eind 2012 wordt nog een type beproefd, de Raiding Craft (RC).
Kunt u nader toelichten wat er precies fout is gegaan tijdens deze (opnieuw) compleet mislukte proefvaart op de Noordzee? Hoe kan het dat de stoelen en het windscherm compleet afbreken tijdens het «dwarsgooien» bij hoge snelheid?
Het doel van de beproevingen in de Ierse Zee was vast te stellen of het FRISC van het type Support Craft Caribbean (SCC) voldoet aan de eisen van Defensie en welke veiligheidsvoorschriften, zoals limieten om te manoeuvreren, moeten worden toegepast. Het maken van een scherpe bocht bij de maximale snelheid van ongeveer 70 kilometer (km) per uur maakte deel uit van deze beproevingen. Bij deze extreme koersverandering op maximale snelheid is een stoel van het dek losgeraakt en zijn de bevestigingsrails aan het dek verbogen, is van twee stoelen de bekleding gescheurd en is een klein deel van het windscherm gebroken. Op grond van de beproeving worden technische aanpassingen gedaan (zie het overzicht in het antwoord op vraag 5) en worden de veiligheidsvoorschriften aangepast. Het vaartuig voldoet met deze aanpassingen aan de eisen van Defensie en kan veilig operationeel worden ingezet.
Hoe beoordeelt u het feit dat er nu al drie (bij ons bekende) testen zijn gedaan die compleet zijn mislukt, achtereenvolgens de test op Curaçao, waarbij de neus van het voertuig volledig is afgescheurd, de test nabij Den Helder waarbij de versterkte neus compleet werd afgescheurd en er vele problemen ontstonden met het drijflichaam van het vaartuig en nu de bovenstaande rampzalige proefvaart?
Het doel van de beproevingen is het vaststellen van de eigenschappen van het vaartuig, waaronder de veiligheidslimieten. Ook wordt vastgesteld of het vaartuig voldoet aan de eisen van Defensie. De doelstellingen zijn gehaald en de beproevingen zijn geslaagd. De knelpunten die tijdens de beproevingen zijn geconstateerd worden momenteel opgelost. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u specifieker aangeven welke verbeteringen nodig zijn om deze vaartuigen met de bijnaam «drijvende doodskisten» veilig en volledig operationeel te maken? Is de mogelijkheid aanwezig dat er fundamentele fouten in het ontwerp en de constructie van deze vaartuigen zitten en dat nieuwe verbeteringen ontoereikend zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
Uit de beproevingen met de snelle vaartuigen zijn geen fundamentele fouten in het ontwerp of de constructie gebleken. Op grond van de beproevingen worden aanpassingen gedaan om de veilige operationele inzet van het FRISC te waarborgen. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de belangrijkste aanpassingen.
Resultaten beproeving
Aanpassingen
Scheuren in de bevestiging van het voorste drijflichaam (type BC).
De bevestiging van het drijflichaam is verbeterd door onder meer een verzwaring van de constructie en het aanbrengen van een extra beschermende laag op de neus van het vaartuig.
Scheurtjes in het navigatieframe (type BC).
Het navigatieframe is opnieuw ontworpen en de constructie is verzwaard.
Onvoldoende oprichtend vermogen van het keerzaksysteem (type BC en SCC).
Het keerzaksysteem is aangepast en beschikt nu over voldoende oprichtend vermogen. In mei 2012 zal bij het derde SCC opnieuw een volledige test worden uitgevoerd.
Het losraken van de bevestiging van de stoelen aan het vaartuig (type SCC).
De boutverbindingen van de stoelen zullen worden voorzien van een verstevigingsplaat.
Afbreken van een klein deel van het windscherm (type SCC). Dit betreft geen structureel probleem,
Het windscherm wordt hersteld.
Speling in de lagers van de schroefas (type BC en SCC).
De lagers worden door de fabrikant aangepast. Bij twee vaartuigen is speling tijdelijk verholpen zodat deze operationeel inzetbaar zijn.
Luchtbelletjes in kunststof delen aan de onderzijde van drie vaartuigen (type BC).
Dit knelpunt wordt hersteld door de leverancier en bij de resterende vaartuigen worden tijdens de productie extra kwaliteitscontroles uitgevoerd.
Was de Frisc-boot bij deze test op de Noordzee al inzetgereed? Zo nee, in welke status bevond deze boot zich? Klopt het dat het vaartuig bij de eerdere mislukte test nabij Den Helder geen prototype was, zoals u eerder aangaf in antwoorden, maar dat deze boot de eerste in productie was en al werd geacht gereed te zijn voor operationele inzet?
Nee, het vaartuig van het type SCC dat in de Ierse Zee is gebruikt was nog eigendom van de leverancier. Met dit vaartuig zijn alleen beproevingen uitgevoerd en het is gebruikt voor opleidingen. De types waaraan wordt gerefereerd in mijn antwoorden op de vragen van 4 november 2011 waren eveneens eigendom van de leverancier. De operationele ingebruikneming van het eerste FRISC bij Defensie is voorzien na de zomer van 2012.
Is het waar dat Defensie Materieel Organisatie (DMO) en de Britse leverancier Marine Specialised Technology Ltd (MST) overeen zijn gekomen om bepaalde militaire specificaties te veranderen voor de vaartuigen om zodoende kosten te besparen, bijvoorbeeld het vervangen van de stoelen (military seats) door leisure seats en het vervangen van militaire navigatie- en communicatiesystemen door navigatie- en communicatiesystemen die doorgaans bij plezierboten worden gebruikt?
Nee. Defensie heeft haar eisen niet aangepast.
Is het ook waar dat civiele navigatie- en communicatiesystemen niet door de testfase zijn gekomen en geen interoperabiliteit hebben met andere militair/maritieme systemen van Defensie? Zo nee, waarom niet?
Nee, tijdens de beproeving is gebleken dat alle navigatie- en communicatiesystemen van de leverancier voldoen aan de eisen van Defensie. Ten behoeve van de interoperabiliteit met andere militaire systemen worden de vaartuigen door Defensie uitgerust met het NIMCIS (Nieuw Mariniers Communicatie en Informatie Systeem). Het NIMCIS op een FRISC is in een eerder stadium succesvol beproefd.
In hoeverre hebben de vervangende leisure seats een desastreus effect op de ruggen van mariniers als zij op een ruige zee in hun Frisc-boten zitten? Heeft het afbreken van de stoelen bij de laatste proefvaart te maken met de vervanging van de military seats door de leisure seats?
Nee, de oorzaak van het afbreken van de stoel is een onvoldoende sterke bevestiging van de stoel aan het vaartuig. Deze bevestiging wordt momenteel versterkt. Bij het bepalen van het type stoel is rekening gehouden met de belasting van de gebruiker, onder meer van de rug. Hierbij zijn vijf type stoelen beproefd, onder andere door het meten van trillingen. Defensie heeft gekozen voor de stoel die als beste uit de beproevingen is gekomen.
Kunt u aangeven hoeveel van de prototypen Frisc-vaartuigen met positief resultaat de testfase hebben afgelegd? Zijn alle essentiële functies van de vaartuigen in het testprogramma grondig en met positief resultaat getest? Klopt het dat Defensie vaartuigen in ontvangst heeft genomen zonder dat zij het testprogramma hebben afgerond?
Inmiddels zijn alle functionaliteiten met succes beproefd en zijn elf snelle vaartuigen van het type BC geaccepteerd. Defensie accepteert geen vaartuigen die niet zijn getest. In geval van knelpunten worden deze door de leverancier opgelost. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven welke verwervingscriteria Defensie heeft gehanteerd in 2008? Klopt het dat er toentertijd gekozen is voor de Britse leverancier MST in plaats van twee Nederlandse aanbieders TP Marine en Madera Ribs? Zo ja, waarom?
De verwervingscriteria die Defensie heeft gebruikt betreffen kostprijs, prestatie-eisen (zoals snelheid, gewicht, omvang, stabiliteit en flexibiliteit) en logistieke eisen (zoals de wijze waarop in het ontwerp rekening is gehouden met de instandhouding en met levertijden). Defensie heeft gekozen voor de vaartuigen van de Britse leverancier omdat deze als enige aan de criteria voldeden.
Tegen welke specifieke voorwaarden kan Defensie het contract met de leverancier opzeggen en de gemaakte kosten wegens wanprestatie terugvorderen?
Defensie kan in geval van wanprestatie het contract met de leverancier ontbinden. De knelpunten die bij de beproevingen zijn geconstateerd worden volgens het contract op kosten van de leverancier opgelost, zowel bij de geleverde als bij de nog te leveren vaartuigen.
Bent u bereid om dit project (tijdelijk) stil te leggen en een groot onderzoek te starten naar deze Frisc-boten voordat er verdere ongelukken gebeuren en de veiligheid van militairen in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Defensie stelt hoge eisen aan het materieel dat zij aanschaft met het oog op de operationele inzet hiervan, vaak onder extreme omstandigheden. Bij de beproevingen van de snelle vaartuigen staan de veiligheidslimieten en de intensieve opleiding van het personeel centraal. Ik zie geen aanleiding het project stil te leggen of een onderzoek te beginnen. De vaartuigen voldoen aan de eisen zoals Defensie die heeft gesteld.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Oud-topambtenaar wordt tijdelijk boegbeeld IGZ' |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-topambtenaar wordt tijdelijk boegbeeld IGZ»?1
Ja
Hoe strookt het bericht dat de heer Weck per 1 juli a.s. ad interim de functie van Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg gaat vervullen met uw eerdere mededeling dat de heer Van der Wal zou aanblijven tot er een opvolger bekend is?
De Inspecteur-generaal, de heer Van der Wal, bereikt deze zomer de pensioengerechtigde leeftijd. Aanvankelijk zou de heer Van der Wal op mijn verzoek aanblijven tot in zijn opvolging was voorzien. Daar ziet de IG van af.
Hoe verhoudt het aanstellen van deze interim-bestuurder zich tot het voornemen van het kabinet om een einde te maken aan het inhuren van dure experts van buitenaf?
ABDTOPConsult is een onderdeel van de Algemene Bestuursdienst van het ministerie van BZK. Het feit dat deze interim-positie op deze manier kan worden vervuld is juist volledig in lijn met de afspraken binnen de rijksdienst om externe inhuur terug te brengen en daarmee de kosten te verminderen. Zie ook het antwoord op vraag 6 van Kamerlid Leijten (SP) over de vervanging van de hoofdinspecteur van de IGZ (2012Z08585, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2406).
Komt het aantrekken van de zo broodnodige extra inspecteurs en de inzet van de Mystery Guest, zoals in het Gedoogakkoord afgesproken, in het geding, omdat nu een dure interimmer voor wie weet hoe lang moet worden betaald?
Nee, het aantrekken van extra inspecteurs en de inzet van de mystery guests komen niet in het geding door de inzet van de heer Weck. Zie ook het antwoord op vraag 6 van Kamerlid Leijten (SP) over de vervanging van de hoofdinspecteur van de IGZ (2012Z08585, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2406).
Het invoeren van een meldingsplicht voor buitenlandse vrachtwagenchaufeeurs om de naleving van de cabotageregels makkelijker te kunnen controleren |
|
Farshad Bashir (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over het voorstel van de brancheorganisatie in het wegtransport VERN om buitenlandse vrachtwagenchauffeurs te laten registreren als ze ritten in Nederland rijden?1
Met het voorstel beoogt de VERN de regels omtrent cabotage makkelijker controleerbaar te maken. De regels met betrekking tot cabotage zijn opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet wegvervoer goederen (WWG) ter implementatie van verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 (Voorstel van Wet, Kamerstukken II, 2011/2012, 33 184, nr. 2), dat nu ter goedkeuring bij de Tweede Kamer voorligt. In dit voorstel is ook de mogelijkheid tot sanctionering van overtreding van de regels opgenomen. Het is op dit moment nog niet mogelijk uitspraken te doen of een registratieplicht aan een goede controle van cabotageregels kan bijdragen. Zodra de regels omtrent cabotage in werking zijn getreden, voert de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een inventariserend onderzoek uit naar cabotagevervoer in Nederland en overtreding van de voorschriften op dit terrein. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt het handhavingsbeleid van de ILT ten aanzien van cabotage bepaald.
Met het onderzoek van de ILT wordt tevens invulling gegeven aan de motie van het lid De Jong van 23 november 2011, waarin de regering verzocht wordt binnen het huidige budget prioriteit te laten stellen in de handhaving op de cabotageregeling.
Deelt u de mening dat een registratie van buitenlandse vrachtwagenchauffeurs het makkelijker maakt om de cabotageregels te controleren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is buitenlandse chauffeurs te registeren door middel van een meldingsplicht? Zo ja, op welke termijn gaat u de Kamer informeren over de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Na afronding van het onderzoek van de ILT, genoemd in het antwoord op vraag 1, zal ik bezien of een onderzoek naar de mogelijkheden van een registratieplicht wenselijk is. De termijn waarop dit kan is afhankelijk van het in werking treden van de wijziging van de WWG (zie het antwoord op vraag 1).
Is het waar dat de Belgische staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, de heer Crombez, een groot voorstander is van de meldplicht?
In het Belgisch recht bestaat al een algemene meldingsplicht wanneer buitenlandse werknemers of zelfstandigen tijdelijk arbeidsprestaties komen leveren op het Belgisch grondgebied, de zogenaamde LIMOSA-melding. Ook een buitenlandse vervoersonderneming die in België een binnenlandse rit laat verrichten (cabotagerit) dient vanaf de eerste rit een melding te doen van de werknemer en alle gegevens betreffende de plaats en duur van de tewerkstelling van de betrokken werknemer. De meldplicht geldt voor cabotage, maar niet voor het internationaal transport van goederen. Op dit moment is een zaak hangende voor het Europese Hof van Justitie over de vraag of de LIMOSA-melding voor wat betreft zelfstandigen in overeenstemming is met het vrij verkeer van diensten.
Volgens de Belgische overheid kan een meldingsplicht een goed instrument zijn om de naleving van het Belgisch arbeidsrecht bij internationaal transport en cabotage te kunnen controleren, maar is dit niet het enige instrument dat mogelijk is. Zo kan volgens de Belgische overheid een koppeling van de tachograaf aan de GPS wellicht ook een doeltreffend controle-instrument worden. Over deze koppeling wordt in Europees verband nog gesproken.
Is het waar dat de Nederlandse belastingdienst miljoenen euro's per jaar misloopt door ontduiking van de EU-regels voor internationaal transport? Zo ja, in hoeverre is dit volgens u te ondervangen door het invoeren van een meldplicht voor buitenlandse chauffeurs?
Op dit moment is niet bekend in hoeverre er overtreding plaatsvindt van regels omtrent cabotage. Hierover ontstaat meer duidelijkheid, als de ILT het inventariserend onderzoek heeft uitgevoerd. Het is daarom niet te zeggen hoeveel de Nederlandse Belastingdienst aan inkomsten misloopt en in hoeverre een meldplicht van chauffeurs dit zou kunnen ondervangen.
De onbereikbaarheid van de minister president voor ondernemers |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het moment op 6 april 2011 dat u aan de op dat moment aldaar aanwezige ondernemers, en aan ondernemer Roel Bakker in het bijzonder, uw mobiele telefoonnummer gaf met de opmerking dat ondernemers u altijd konden bellen?
Ja.
Wat was het idee achter deze geste?
Bereikbaar zijn.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Belofte; Rutte: Bel me!»?1 Kunt u de inhoud van dit artikel bevestigen?
Ik heb ervan kennisgenomen.
Is het waar dat u uw telefoon meerdere malen niet heeft opgenomen toen de heer Bakker u probeerde te bellen?
Nee. Ik heb van dhr. Bakker vernomen dat hij wel een belpoging heeft gedaan, maar toen hij geen voicemail kreeg het nummer vervolgens heeft weggegooid. Wel heeft mijn ministerie een mail van dhr. Bakker ontvangen. Het probleem is direct inhoudelijk uitgezocht. Helaas is daarna verzuimd om dhr. Bakker hierover terug te bellen.
Is het waar dat ook uw ministerie, het ministerie van Algemene Zaken, onbereikbaar is voor ondernemers als de heer Bakker?
Nee. Ik kan u overigens melden dat ambtenaren van mijn ministerie inmiddels in contact zijn met dhr. Bakker.
Valt dit voorval aan te merken als opnieuw een gebroken belofte aan ondernemers?
Nee.
Wat gaat u doen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
Zie mijn antwoord op vraag 4 en 5.
Het bericht 'Tijdelijk verhuren strop huizenbezitters' |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tijdelijk verhuren strop huizenbezitters»?1
Ja
Bent u bekend met het fenomeen dat eigenaren in toenemende mate hun tweede, te koop staande woning verhuren zonder dat hiervoor de benodigde leegstandsvergunning is verleend? Zo ja, hoe vaak komt dit voor en wat is hiervan de oorzaak? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe groot het probleem van illegale verhuur van de tweede woning is en wat de oorzaak hiervan is en zo nee, waarom niet? Wat zijn de gevolgen van illegale verhuur voor de eigenaren van de woning?
Het staat een eigenaar wettelijk gezien vrij zijn tweede woning te verhuren zonder te gebruik te maken van de mogelijkheid die de Leegstandwet biedt voor tijdelijke verhuur met beperkte huurbescherming. Hiervoor is geen gemeentelijke vergunning vereist en dergelijke reguliere verhuur is geenszins illegaal. De huurder geniet in dat geval wel volledige huurbescherming.
Aangezien er geen registratie van deze reguliere verhuur van (voormalige) koopwoningen plaatsvindt, is mij niet bekend hoe vaak dit voorkomt en waarom eigenaren hiervoor kiezen.
Het kan wel zijn dat de eigenaar bij dergelijke verhuur in strijd handelt met het huurbeding uit de hypotheekakte. Zo’n beding dient ter bescherming van de hypotheekbank, om te voorkomen dat de opbrengst bij executoriale verkoop te laag is om de hypotheekschuld te kunnen voldoen. Woningen in verhuurde staat brengen doorgaans minder op dan woningen in onverhuurde staat. Daarom geven hypotheekbanken doorgaans slechts toestemming voor tijdelijke verhuur van te koop staande woningen indien de eigenaar een vergunning heeft voor tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet.
Uit navraag bij de Nederlandse Vereniging van Banken komen geen signalen naar voren dat eigenaren in toenemende mate hun woning verhuren zonder vergunning van de gemeente.
Waarom is het op basis van de Leegstandswet verlenen van een leegstandsvergunning door een gemeente van belang aangezien dit tijdrovend en in sommige gevallen zeer kostbaar kan zijn waarbij de legeskosten tot € 400 kunnen bedragen? Klopt het dat de gemeente zich moet inspannen om de voor de leegstandsvergunning noodzakelijke gegevens te achterhalen, terwijl die al bekend zijn bij de bank? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief d.d. 17 januari 2012 (II, 2011–2012, 27 926, nr. 178) en de debatten met de Tweede Kamer over deze brief heb ik reeds uitvoerig uiteengezet waarom ik belang hecht aan de gemeentelijke vergunning voor tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet. Ook in mijn antwoord d.d. 18 april jl. op de vragen van mw. De Boer inzake Nationale Programma Herbestemming (2012Z06109, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2276) ben ik ingegaan op de wenselijkheid van de vergunningplicht.
Bij deze gelegenheden heb ik toegelicht dat het schrappen van de vergunningsplicht niet in het belang is van eigenaren met een te koop staande woning, noch in het belang van de betrokken huurders. Alleen met een vergunning op grond van de Leegstandwet weet de eigenaar van te voren dat de huurder maar een heel beperkte huurbescherming heeft en dat de huurovereenkomst daadwerkelijk eindigt na het verstrijken van de termijn van de vergunning. Ook de huurder weet dankzij de vergunning waar hij aan toe is en hoelang zijn huurovereenkomst loopt. Daarnaast helpt de vergunningverlening bij tegengaan van de illegale praktijken van huisjesmelkers.
Ik deel niet de opvatting dat het aanvragen van een vergunning tijdrovend is; het is zelfs zo dat de vergunning van rechtswege wordt verleend indien de gemeente niet binnen acht weken op de aanvraag heeft beslist.
Evenmin deel ik de mening dat de gemeente zich moet inspannen om de voor de leegstandsvergunning noodzakelijke gegevens te achterhalen, terwijl die al bekend zijn bij de bank. De aanvrager van de vergunning levert de voor de vergunning benodigde gegevens deels zelf aan, terwijl informatie over het leegstaan van de woning in de gemeentelijke basisadministratie beschikbaar is.
Wel zal ik, zoals toegezegd in de hiervoor genoemde brief, de Leegstandwet zodanig wijzigen dat de eis vervalt dat de gemeente een maximale huurprijs in de vergunning moet vermelden, indien de woning niet tegen een geliberaliseerde huurprijs kan worden verhuurd. Dit vergemakkelijkt de procedure voor de vergunning die daardoor ook sneller kan worden verleend.
Gemeenten hebben de bevoegdheid om voor het afgeven van een vergunning voor tijdelijke verhuur leges te vragen. Over het algemeen zal de leges voor een leegstandvergunning aanmerkelijk lager liggen dan de in de vragen genoemde € 400. Ik ben dan ook niet van mening het verkrijgen van een vergunning zeer kostbaar is.
Maatregelen naar aanleiding van het gebleken graaigedrag van COA-directeur Albayrak |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Bent u, nu de feiten over het te hoge salaris van mevrouw Albayrak en de door haar verstrekte onjuiste informatie hierover onomstotelijk vast zijn komen te staan, bereid om over te gaan tot onmiddellijke en volledige terugvordering van het te veel aan haar uitbetaalde salaris, één en ander conform uw toezegging gedaan tijdens het algemeen overleg over het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 12 oktober 2011?1 Zo neen, waarom niet?2
Bent u tevens voornemens om aangifte te doen van fraude tegen mevrouw Albayrak, onder meer omdat zij privé gebruik van haar dure dienstauto probeerde te verdoezelen middels het met terugwerkende kracht veranderen van afspraken in haar agenda? Zo neen, waarom niet?
Kwaliteitsproblemen in verpleeghuizen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat ongeschoolde medewerkers medicijnen zouden uitdelen in verpleeghuizen?1
Uit het in september 2010 uitgebrachte rapport over de medicatieveiligheid binnen de langdurige zorg, heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) geconstateerd dat er binnen de langdurige zorg over de hele linie hoog tot zeer hoog risico werd gelopen. Uw Kamer is na het verschijnen van dit rapport over deze uitkomsten geïnformeerd2. De IGZ heeft na een jaar een vervolgrapport uitgebracht en geconstateerd dat de zorginstellingen veel in gang hebben gezet om de medicatieveiligheid te verhogen. In een jaar tijd hebben de zorginstellingen een enorme verbeterslag gemaakt. Ook over deze verbetering is uw Kamer geïnformeerd3. Na de uitkomst van het IGZ rapport in 2010, hebben de betrokken veldpartijen met elkaar de veilige principes ontwikkeld, waarin ieders rol en verantwoordelijkheid rondom medicatieveiligheid wordt beschreven. Deze principes worden ingezet om een structurele verbetering rondom medicatieveiligheid door te voeren. Binnen deze kaders dient de zorg te worden uitgevoerd.
Was u daarvan op de hoogte? Was de Inspectie ervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar wat de beroepsvereniging Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) stelt, namelijk dat er amper nog verpleegkundigen op HBO- niveau in verpleeghuizen werken?
Kijkend naar de cijfers over het aantal HBO verpleegkundigen in de verpleging, verzorging en thuiszorg, kan over de afgelopen jaren een stijgende lijn worden geconstateerd. Ik benadruk dat dat een gunstige ontwikkeling is. Tegelijk is een groot deel van de zorg in verpleeghuizen het domein van andere professionals met name ziekenverzorgenden, die 24 uur per dag rond de cliënten aanwezig zijn. Waar het uiteindelijk om gaat, is de kwaliteit van zorg. Die moet goed zijn evenals de tevredenheid van de cliënten en medewerkers.
Wat vindt u van het verhaal van de medewerker die in dezelfde krant vertelt dat de bewoners in het verpleeghuis in het westen van Nederland geen activiteiten krijgen aangeboden? Is dat eigenlijk verplicht? Moet dat alleen groepsgewijs of ook individueel als mensen niet aan groepsactiviteiten kunnen meedoen?
Ik lees in het betreffend artikel niet dat bewoners in een verpleeghuis in het westen van Nederland geen activiteiten krijgen aangeboden. Als medewerkers signalen geven in de krant die zorgelijk zijn vraag ik de krant, indien nodig, altijd om het signaal bij de IGZ te melden.
Het aanbieden van activiteiten/dagbesteding is een integraal onderdeel van de zorgzwaartepakketten. De zorgkantoren contracteren de zorginstellingen en hebben primair de plicht om goede kwaliteit van zorg in te kopen. Daarbij hebben de zorgkantoren de mogelijkheid om te controleren of de activiteiten die geleverd worden voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Voor de levering van dagbesteding is de zorginstelling zelf verantwoordelijk. Activiteiten/dagbesteding kunnen in groepsverband of individueel worden aangeboden. Dit is afhankelijk van de behoefte van en de gemaakte afspraken met de cliënt.
Denkt u dat de Beginselenwet Zorg iets zal veranderen aan deze wantoestanden of is er in dergelijke verpleeghuizen iets anders aan de hand, bijvoorbeeld gebrek aan goede leidinggevende capaciteit?
Mensen die in een zorginstelling wonen, moeten het recht hebben om hun leven zoveel mogelijk te kunnen inrichten zoals ze dat zelf willen. Om dat te bereiken, geeft de Beginselenwet Zorg de cliënt een stem. De relatie tussen de cliënt en de zorgaanbieder kan er één zijn van grote afstand en grote afhankelijkheid, waardoor cliënten al gauw concessies doen. Het wetsvoorstel biedt cliënten een steun in de rug, als zij bijvoorbeeld willen aankaarten dat zij vaker willen douchen of willen zorgen dat de afspraken over douchen worden nageleefd. Cliënten staan daarmee sterker ten opzichte van de zorgaanbieder. Zorgmedewerkers op hun beurt staan met het wetsvoorstel sterker binnen hun organisatie. Dit wetsvoorstel steunt verzorgenden om het gesprek met hun leidinggevenden aan te gaan als zij geen tijd hebben om de door of namens de zorgaanbieder met de cliënt gemaakte afspraken over bijvoorbeeld douchen na te komen. Ook bij de door u vermelde managementproblemen is het dus een goed instrument.
Heeft u er kennis van genomen dat in bet artikel wederom melding wordt gemaakt van incontinentiemateriaal dat niet verwisseld zou mogen worden? Kan een bewoner straks zonder bij te hoeven betalen via de Beginselenwet Zorg afdwingen zo vaak verschoond te willen worden als menselijkerwijs gezien gewenst is (dus vaker dan 2 keer per etmaal bijvoorbeeld)?
In de tweede nota van wijziging van het voorstel Beginselenwet AWBZ-zorg (Kamerstukken II, 33 109, nr. 8), zoals uw Kamer die op 18 april 2012 heeft ontvangen, wordt gesteld dat incontinentiemateriaal tijdig verwisseld moet worden. Met «tijdig» wordt bedoeld, tijdig voor de individuele cliënt in zijn specifieke situatie. Als het verwisselen van incontinentiemateriaal vaker dan 2 keer per etmaal gewenst is, dan zou dit dus vaker dan 2 keer per etmaal moeten gebeuren.
Hoe kan het gebeuren dat medicatiefouten zo weinig worden gemeld? Is dat ook een gevolg van gebrek aan kennis?
De melding moet geborgd zijn in het systeem van zorgverlening. Daarbinnen dienen medicatiefouten gemeld te worden in de eigen zorgorganisatie. Hiervoor zijn de zogenaamde MIC (Melding Incident Cliënt) commissies ingesteld. Dit is een verantwoordelijkheid van de zorginstelling. De IGZ toetst bij een bezoek of de zorginstelling een dergelijke commissie heeft. En controleert hierbij ook de meldingen en de acties die hierop genomen zijn.
Het reddingsplan van de scholen van het Amarantis schoolbestuur |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid de Kamer het volledige «reddingsplan» rond de scholen van onderwijskoepel Amarantis te sturen? Zo neen, waarom mag de Kamer niet beschikken over informatie rond publiek bekostigde scholen?1
Het volledig «reddingsplan» van de Amarantis Groep deel ik niet met de Tweede Kamer, want het is er nog niet. De heer Wintels is op dit moment bezig om met alle direct betrokken partijen een oplossing te zoeken voor de situatie bij Amarantis. Een aantal betrokken partijen heeft aangegeven financieel een bijdrage te willen leveren. Het proces van de verdere uitwerking van het reddingsplan is delicaat en wil ik niet verstoren.
Deelt u de mening dat de 250 banen die mogelijk verdwijnen bij Amarantis, zo min mogelijk uit onderwijzend personeel moeten bestaan en zo veel mogelijk uit management? Zo neen, waarom worden fouten van het management afgewenteld op onderwijzers die geen blaam treft?
Op basis van de reddingsplannen zal het interim-bestuur van Amarantis bezien waar de ontslagen moeten vallen. 50 medewerkers hebben inmiddels een andere baan gevonden. Dit betreft onderwijsgevend personeel. Bij de overige 200 medewerkers gaat het om onderwijsondersteunend personeel, waaronder 35 tot 40 leidinggevenden. De helft van deze 200 medewerkers heeft inmiddels ook een andere baan gevonden. Deze informatie is afkomstig van het interim-bestuur van Amarantis.
Waarom heeft u zich de afgelopen weken compleet afzijdig gehouden rond de kwestie Amarantis, terwijl de financiële problemen enorm zijn en betrekking hebben op 30 000 leerlingen en vele scholen? U bent toch eindverantwoordelijk voor het onderwijs?
Dit is niet juist. Ik ben natuurlijk betrokken vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het onderwijsbestel en zal, zoals eerder toegezegd, de continuïteit voor de 30 000 leerlingen waarborgen. Daartoe heb ik een continuïteitsgarantie toegezegd.
Hoe wordt de «redding» van de scholen van Amarantis gefinancierd? Waar komt de 10 miljoen euro vandaan die uw ministerie bijdraagt als continuïteitsgarantie?2
OCW dekt de continuïteitsgarantie binnen haar eigen begroting. Bij Voorjaarsnota zal ik u daarover nader informeren.
Waarom heeft u de Kamer niet vooraf geïnformeerd over deze 10 miljoen euro aan Amarantis?
Zodra de inzet van de diverse partijen bekend was, heb ik de Tweede Kamer direct geïnformeerd over de continuïteitsgarantie die ik overweeg te bieden. De dekking hiervan zal plaatsvinden binnen de begroting van OCW. Daarover zal ik u bij Voorjaarsnota informeren.
Waarom heeft u niet eerder ingegrepen bij Amarantis, terwijl de problemen al zo lang bekend waren? Erkent u dat het toezicht heeft gefaald?
Deze loopt vooruit op het onafhankelijke onderzoek. Het lijkt mij verstandig dat uw vragen aan de orde komen in dat onderzoek. Ik zal u binnen twee weken informeren over de opzet ervan.
Ontvangt de Kamer zo snel mogelijk (uiterlijk binnen een maand) een voorstel voor een onderzoekscommissie die onderzoek gaat doen naar het ontstaan van de wantoestanden bij Amarantis? Zo neen, op welke manier gaat u uw toezegging waarmaken, zoals gedaan in het debat naar aanleiding van het verslag van het algemeen overleg Voortgezet onderwijs op 29 maart en in het algemeen overleg Middelbaar beroepsonderwijs van 11 april?
Ja. Zie ook vraag 6.
Erkent u dat dit onderzoek grondig en onafhankelijk moet zijn, aangezien ook de rol van uw eigen ministerie wordt onderzocht? Kan de Kamer wijzigingsvoorstellen doen voor leden van de onderzoekscommissie indien twijfels bestaan over de onafhankelijkheid? Krijgt de Kamer inspraak aangaande de onderzoeksvragen?
Ja. Ik onderken dat dit onderzoek grondig en onafhankelijk moet zijn. De leden van de onderzoekscommissie dienen zo onafhankelijk mogelijk te kunnen kijken naar de thematiek. Ik zal u hierover schriftelijk informeren binnen twee weken. Zie ook vraag 6.
Wat is uw reactie op het artikel «Scholen willen niet opdraaien voor reddingsplan Amarantis»?3
Ik heb kennis genomen van het artikel en begrijp heel goed dat sommige bestuurders emotioneel reageren, zodra hen wordt gevraagd financieel bij te dragen aan het oplossen van de problematiek van één school. Ze wensen niet op te draaien voor fouten die elders zijn gemaakt.
Hoe oordeelt u over de bezwaren van de scholen tegen de «solidariteitsbijdrage» van 5 miljoen euro?
Het solidariteitsverzoek heeft weerstand opgeleverd, vooral aan de zijde van de VO-Raad. Ik verwacht op korte termijn uitsluitsel hierover.
Deelt u de mening van de voorzitter van ROC Midden Nederland dat de concurrentie tussen verschillende ROC’s slecht is voor de onderwijskwaliteit? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid onderzoek te doen naar een onderwijsmodel waarbij deze concurrentie wordt uitgebannen?
In het kader van het Actieplan «Focus op Vakmanschap» is een beleidsagenda voor het mbo opgesteld op het punt van macrodoelmatigheid. Mantra daarin is niet «elkaar beconcurreren», maar een samenhangend regionaal en landelijk aanbod van opleidingen. Hieruit vloeit ook nieuwe wetgeving voort die thans wordt voorbereid.
Deelt u de mening dat publiek geld naar het onderwijs moet gaan en niet naar marketing en reclame? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat hieraan grote bedragen worden uitgegeven?
In het kader van horizontale en verticale verantwoording moet het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling kunnen verantwoorden dat publieke middelen aan marketing en reclame worden besteed. Anders gezegd: het bevoegd gezag moet kunnen uitleggen dat deze middelen ten goede komen aan kwalitatief goed onderwijs en het plaatsen van leerlingen en studenten in opleidingen die perspectief bieden voor vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Voor het mbo geldt bovendien de Notitie Helderheid (Kamerstuk 24 248, nr. 72).
Deelt u de mening dat het opsplitsen van Amarantis in vijf kleinere scholengroepen een primeur is voor het Nederlandse onderwijs? Wat leert u van deze ontwikkeling richting schaalverkleining?
In het kader van een goede ordening van het onderwijsaanbod hebben zich eerder splitsingen voorgedaan in de vo-sector. In die zin is Amarantis geen primeur. Splitsingen zijn overigens niet per definitie te prefereren: schaalgrootte is namelijk niet één op één gecorreleerd aan onderwijskwaliteit. De recent ingestelde Commissie Fusietoets ziet toe op een goede toetsing van voorgenomen fusies in het onderwijs.
Het feit dat de arbeidsparticipatie van 'pardonners' zwaar tegenvalt |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat gebleken is dat de arbeidsparticipatie van pardonners slechts 40% bedraagt?1
Zie antwoord 2
Erkent u dat het vorige kabinet met het uitgangspunt van een arbeidsparticipatie van 60% de plank volledig heeft misgeslagen en een te rooskleurig beeld heeft geschetst van de (te verwachten) gevolgen van de pardonregeling?
De mate van arbeidsparticipatie van pardonners is achtergebleven bij de verwachtingen uitgesproken in 2008. Pardonners blijken net als vluchtelingen en andere migranten van de 1e generatie, moeilijker aan werk te komen dan autochtone Nederlanders.
Het is van belang dat pardonners hun positie weten te verbeteren. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Een deel van deze groep heeft ondersteuning nodig. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de gemeenten. Ook de werkgevers kunnen een belangrijke rol spelen. Zo zijn in de zorg en in de techniek in de komende jaren veel mensen nodig.
Wat betekent het gegeven van genoemde lage arbeidsparticipatie voor de totale kosten van uitkeringen en andere sociale voorzieningen als huurtoeslag voor de groep pardonners? Hoe verhoudt dit kostenoverzicht zich tot eerder verstrekte overzichten?
Een lagere arbeidsparticipatie van de groep pardonners betekent logischerwijs hogere kosten van uitkeringen en andere sociale voorzieningen voor deze groep. Overigens geldt dat het gebruik van de conjunctuurafhankelijke uitkeringsregelingen vanwege de economische crisis over de gehele linie hoger is dan op het moment dat deze raming is opgesteld. Een kostenoverzicht voor de specifieke groep pardonners is echter niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat er nooit meer een pardonregeling mag komen? Zo neen, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de brief die ik op 17 april jl. aan uw Kamer heb gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 018, nr. 58).
Het forensisch psychiatrisch centrum De Oostvaarderskliniek |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de angstcultuur in De Oostvaarderskliniek in Almere ?1
Ja.
Is het waar dat er een gebrekkig alarmsysteem is in De Oostvaarderskliniek? Zo ja, hoe lang al? Is ooit overwogen om deze te vervangen? Zijn er andere tbs-instellingen, justitiële jeugdinrichtingen en penitentiaire inrichtingen met een gebrekkig alarmsysteem?
Er is geen sprake van een gebrekkig alarmsysteem in FPC De Oostvaarderskliniek. Het betreft een gecertificeerd systeem dat betrouwbaar is. Vorig jaar hebben zich enkele storingen voorgedaan, die zijn verholpen. Er zijn mij op dit moment geen tbs-inrichtingen met een gebrekkig alarmsysteem bekend.
Hoe moet worden voorkomen dat personeelsleden uit angst voor de reactie van de directie problemen die op de afdelingen spelen niet melden?
In verschillende lagen van de forensisch psychiatrische centra (FPC’s) zijn mechanismen ingebouwd om een open communicatie te faciliteren. Zo hebben klinieken een vertrouwenspersoon voor medewerkers en bespreken collega’s en leidinggevenden tijdens intervisie en supervisie onder andere onregelmatigheden of fouten. Tevens vindt regelmatig overleg plaats tussen de ondernemingsraad en de bestuurders over dit soort aangelegenheden.
Is het denkbaar dat een kliniek conform het protocol handelt bij incidenten, maar dat het geen garantie is voor de positie van het personeel?
De FPC’s hebben een systeem voor het registeren van incidenten. Na de melding worden de incidenten geëvalueerd ter lering en ter voorkoming van toekomstige incidenten. In de evaluatie worden altijd de specifieke omstandigheden van het incident betrokken. Het handelen van het personeel, zoals de vraag of de relevante protocollen zijn gevolgd, maakt daar deel van uit. De evaluatie van de specifieke omstandigheden is bepalend voor verdere afhandeling en beoordeling van het incident.
Hoe beoordeelt u het verwijt dat gebrek aan transparantie kenmerkend is voor de hele sector? Welke gevolgen kunnen kleven aan het slecht of niet oppakken van een melding van incidenten?
Het niet melden van incidenten doet afbreuk aan de inspanningen gericht op verdere verbeteringen binnen de FPC’s. Door middel van doorlichtingen controleert de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) onder andere hoe de FPC’s presteren op het aspect interne communicatie. Uit het overall beeld van deze doorlichtingen ontstaat geen beeld van een kenmerkend probleem voor de gehele sector. Waar de ISt wel aanbevelingen deed gericht op de interne communicatie, zijn die door de betreffende FPC’s opgepakt.
Wist u dat cliënten incidenten niet durven te melden? Zo nee, bent u bereid onderzoek te doen onder cliënten en personeelsleden om te kijken of er een probleem is en hoe groot dat probleem is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie zal dan het beste dat onderzoek kunnen verrichten, zodat zowel patiënten als personeelsleden zich vrij voelen om mee te werken aan dat onderzoek?
Tbs-gestelden in een FPC hebben de mogelijkheid om meldingen van diverse aard te doen bij de maandcommissaris. Deze persoon is lid van de commissie van toezicht en dus onafhankelijk ten opzichte van de directie. Voor het personeel zijn diverse mogelijkheden beschikbaar om werkgerelateerde zaken te bespreken met collega’s of leidinggevenden, zoals hierboven ook is aangegeven bij antwoord 3. Bovendien heeft recent een medewerkerstevredenheidsonderzoek in FPC de Oostvaarderskliniek plaatsgevonden en heeft de Arbeidsinspectie in 2011 een toezichtbezoek uitgevoerd. Hieruit is niet gebleken van problemen rond de communicatie van incidenten. Ik zie geen aanleiding voor nader onderzoek naar het melden van incidenten.
Duidelijke, eenduidige en vindbare informatie over tekortschietende behandelaren |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichtgeving door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over wanpraktijken van een psychotherapeut en de uitspraak van de tuchtrechter in de zaak P. van Steijn?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de heer Van Steijn nog steeds ingeschreven staat als gezondheidspsycholoog in het BIG-register (Beroepen Individuele Gezondheidszorg), terwijl hij uit het BIG-register is gehaald op last van de tuchtrechter in verband met zijn andere inschrijving als psychotherapeut?
Ja.
Bent u tevens op de hoogte dat bij de registratie van de heer Van Steijn als gezondheidspsycholoog nergens vermeld staat dat hij als psychotherapeut uit het register gehaald is vanwege wanpraktijken en het tuchtbevel dat hierop volgde?
Ja. Op de lijst met bevoegdheidsbeperkingen op www.bigregister.nl is vermeld dat de heer P. van Steijn per 11 april 2012 is doorgehaald in het register van psychotherapeuten. De doorhaling wordt ook gepubliceerd in een dagblad en in de Staatscourant.
Op 17 augustus 2011 heeft de IGZ de heer Van Steijn een bevel gegeven om zijn praktijken te sluiten en zijn werkzaamheden als psychotherapeut en gezondheidszorgpsycholoog neer te leggen. Dit bevel is openbaar gemaakt op www.igz.nl.
Indien een persoon is ingeschreven in meerdere registers (meerdere beroepen mag uitoefenen) en die persoon de bevoegdheid moet verliezen om al die beroepen uit te oefenen, dan moet het tuchtcollege voor de gezondheidszorg in de uitspraak uitdrukkelijk per beroep een bevoegdheidsbeperkende maatregel opleggen. De klacht die destijds door een patiënt is ingediend bij het tuchtcollege voor de gezondheidszorg had blijkbaar alleen betrekking op de beroepsuitoefening als psychotherapeut.
Deelt u de mening dat deze cruciale informatie wel zichtbaar zou moeten zijn voor patiënten? Zo ja, wat gaat u eraan doen om deze informatie beschikbaar te maken voor het BIG-register? Zo nee, wat zijn uw beweegredenen om deze informatie niet inzichtelijk te maken voor patiënten? Wat is in uw ogen dan het doel van het BIG- register voor patiënten?
Ik deel die mening. De Wet van 7 november 2011, houdende wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg onder andere in verband met de opneming van de mogelijkheid tot taakherschikking (Stb. 2011, 568) regelt dat per 1 juli 2012 bevoegdheidsbeperkende bevelen die de IGZ oplegt worden aangetekend in het BIG-register.
Hoe beoordeelt u de rol van ( IGZ ) in deze casus? Is het waar dat er al ernstige klachten waren in 2008 en dat de IGZ pas op 17 aan augustus 2011 aan beroepsbeoefenaar Van Steijn het bevel heeft gegeven zijn praktijken te sluiten en zijn werkzaamheden als psychotherapeut en gezondheidspsycholoog neer te leggen? Bent u van mening dat de IGZ in dit geval accuraat heeft gehandeld? Op welke datum is de klacht bij de tuchtcommissie ingediend tegen gezondheidspsycholoog Van Steijn? Bent u van mening dat de IGZ op dit punt accuraat gehandeld heeft?
Op 20 april jongstleden is de tuchtklacht van de IGZ jegens Van Steijn, voor zijn nog resterende BIG-titel, ingediend bij het Tuchtcollege. Met betrekking tot de rol van de IGZ in deze casus heb ik u in mijn brief van 16 april, met mijn reactie over de psychotherapeut Pieter van Steijn uit de uitzending van de Vijfde Dag2, aangegeven dat ik mevrouw Sorgdrager heb gevraagd om bij haar dossieronderzoek in ieder geval de zogenaamde 25 complexe zaken te betrekken. Het dossier Van Steijn is één van deze 25 zaken. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af. Die resultaten verwacht ik na de zomer.
Hoe beoordeelt u het feit dat er door twee organisaties, het CIBG (een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van VWS, die gegevens verzamelt en verwerkt) en de IGZ, vallende onder uw ministeriële verantwoordelijkheid en voor patiënten duidelijk herkenbaar als overheidsinstantie, over dezelfde zaken geen eenduidige informatie verstrekt wordt? Deelt u de mening dat het handhaven van de inschrijving van beroepsbeoefenaar Van Steijn als gezondheidspsycholoog in het BIG-register de beroepsbeoefenaar ten onrechte de schijn van deskundigheid en veiligheid met zich mee brengt? Wat gaat u eraan doen om de informatieverstrekking door het CIBG en de IGZ, onder uw verantwoordelijkheid, goed te laten gebeuren om dit soort misverstanden, die verregaande gevolgen kunnen hebben, te voorkomen?
Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 3 en 4.
Waar kunnen patiënten inzien welke praktijken er op bevel van de IGZ gesloten zijn en welke artsen en hulpverleners het bevel hebben gekregen hun werkzaamheden te staken? Hoe wordt deze informatie gekoppeld aan het BIG-register?
Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat informatie over het handelen van een behandelaar en medicus toegankelijk, duidelijk en eenduidig vermeld moet worden op uw overheidswebsites, in het belang van patiëntveiligheid? Zo ja, welke verbetermogelijkheden ziet u hierin?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 4.
Wilt u de beantwoording van deze specifieke vragen meenemen in de brief die de Kamer heeft gevraag als reactie op genoemde uitzending?
De door u gevraagde brief met een reactie op het item over de psychotherapeut Pieter van Steijn uit de uitzending van De Vijfde dag op 5 april 20122 heeft u al ontvangen op 16 april.
Het bericht 'Krakers blij in gemeentepand' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Krakers blij in gemeentepand»?1
Ik ben op de hoogte van het bericht.
Uit de recent ontvangen informatie van de gemeente Amsterdam daterend van eind 2011 die mij ter beschikking staat, blijkt dat er door de stadsdelen gekozen is om in 3 van de 6 gevallen aangifte te doen.
Het is aan de eigenaar om te bepalen wat deze met zijn pand doet, mits het gebruik geen overlast geeft of de openbare orde verstoort. Het is daarom ook aan de eigenaar om te beslissen of deze aangifte wil doen of niet. Indien de eigenaar vindt dat de krakers eruit moeten dan is het zaak aangifte te doen. Indien de eigenaar kan instemmen met bewoning met het oog op leegstandsbeheer, dan is ook dat diens recht.
De verantwoordelijkheid voor het beheer van vastgoed is in Amsterdam verdeeld tussen de centrale stad en de diverse stadsdelen. Voor de panden die eigendom zijn van de stadsdelen van Amsterdam is het zodoende de verantwoordelijkheid van deze stadsdelen om de keuze te maken of zij wel of geen aangifte doen. Zij leggen daarover verantwoording af aan de stadsdeelraden en niet aan de centrale
Is het waar dat de gemeente Amsterdam niet in alle gevallen van een gekraakt pand aangifte heeft gedaan bij de politie? Zo ja, waarom niet? Deelt u de mening dat deze gemeente daarmee een door de volksvertegenwoordiging aangenomen wet, namelijk de Wet kraken en leegstand, niet serieus neemt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer gaat u een einde maken aan deze ongehoorzaamheid?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u kennisgenomen van de opvatting van de burgemeester van Amsterdam Van der Laan dat de diensten en stadsdelen, die eigenaar zijn van de gekraakte panden, zelf maar aangifte moeten doen? Wat vindt u van een door de koning benoemde bestuurder die zo gemakkelijk bezig is met het afschuiven van verantwoordelijkheid? Deelt u de mening dat er van een burgemeester meer ambitie mag worden verwacht om wetten na te leven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat alsnog per direct aangifte wordt gedaan bij de politie door de burgemeester dan wel de gemeentelijke diensten of stadsdelen?
Zie antwoord vraag 1.
Antiterrorisme controles op Utrecht Centraal Station |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de antwoorden van de burgemeester van Utrecht van 21 maart 2012 op vragen gesteld door gemeenteraadsleden over een grootschalige controle door het Korps Landelijke politiediensten (KLPD) die op 15 maart 2012 op Utrecht Centraal Station (CS) heeft plaatsgevonden?
Ja.
Onder wiens gezag vond deze oefening plaats? Wie draagt de politieke verantwoordelijkheid?
Het betrof hier geen oefening, maar een actie middels de spottermethodiek uitgevoerd door de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Er was hier sprake van een preventieve controle gericht op handhaving en opsporing. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie / de Officier van Justitie. De politieke verantwoordelijkheid van het KLPD ligt bij de minister van Veiligheid en Justitie als de beheerder van het korps.
Is het waar dat de spottersmethodiek gericht is op het aanleren van competenties door het scannen van groepen mensen om zo, uiteraard alleen in relatie tot de openbare orde en het handhaven van de rechtsorde, afwijkend gedrag te herkennen? Zo ja, wat wordt op een groot station als Utrecht CS als afwijkend en wat als normaal gedrag beschouwd? Zo nee, wat behelst die methodiek dan wel?
De spotteracties zijn gericht op het herkennen van gedragingen of uiterlijke kenmerken bij personen of groepen van personen die afwijken van het gedrag van de gemiddelde reiziger/passant waardoor mogelijk op voorhand een ordeverstoring of ander crimineel gedrag kan worden herkend danwel kan worden voorkomen. De spotteracties zijn tevens gericht op het scherp houden van de aangeleerde competenties.
Wat als normaal of afwijkend gedrag kan worden beschouwd is afhankelijk van een aantal factoren. Het gedrag dient te worden geplaatst binnen de juiste context, ofwel het algemene beeld wat men krijgt als er wordt geobserveerd op een bepaalde plaats, het tijdstip en de heersende cultuur. Globaal kan voor een station het volgende onderscheid worden gemaakt:
Als normaal gedrag wordt beschouwd:
Als afwijkend gedrag kan worden beschouwd:
Middels het stellen van vragen (klantvriendelijke bejegening) komt de politiemedewerker meer te weten over de persoon en zijn/haar intenties.
Was er een concrete aanleiding in de zin van een (verhoogde) terroristische dreiging om deze controle te houden? Zo nee, werd die controle dan louter vanwege het oefenen in het kader van de spottersopleiding gehouden?
Nee, er was geen aanleiding in de zin van een (verhoogde) terroristische dreiging. De controle werd gehouden in het kader van een landelijke actiedag van het KLPD aangaande toezicht en handhaving op de verkeersstromen. Hierbij werd onder andere gebruik gemaakt van de spottermethode.
Hoe vaak zijn deze controles in het verleden gehouden en op welke locaties? Hoe vaak gaan in de nabije toekomst dergelijke controles plaatsvinden?
In 2010 is op Amsterdam CS een grote actie gehouden, waarbij alle landelijke media aanwezig waren, op Rotterdam CS in november 2011 en op Utrecht CS in maart 2012. Periodiek zullen grote en kleine acties op de verkeersstromen blijven plaatsvinden. De aantallen, tijd en locatie zijn van tevoren niet bekend.
Zijn er particuliere organisaties bij dergelijke oefeningen betrokken? Zo ja, welke?
Er zijn geen particuliere bedrijven bij dergelijke acties betrokken.
In hoeverre draagt het houden van dergelijke controles zonder directe operationele aanleiding daadwerkelijk bij tot een verbetering van het veiligheidsgevoel op die locaties? Acht u het mogelijk dat het publiek door de aanwezigheid van controleurs eerder met onbegrip of zelfs met gevoelens van onveiligheid reageert?
Ik acht het mogelijk dat individuele personen de acties met onbegrip of met gevoelens van onveiligheid ervaren. Het is echter ook algemeen bekend dat de burgers meer «blauw» op straat wensen om de veiligheid te vergroten. In het kader hiervan kan worden gesteld dat de acties in uniform in openbare ruimtes een positieve uitstraling hebben in de richting van het publiek. Afwijkend gedrag wordt vaak door omstanders als onveilig ervaren. Het door de politie aandacht geven aan afwijkend gedrag kan bijdragen dat het veiligheidsgevoel kracht verliest.
Worden burgers geïnformeerd over het feit dat ze geconfronteerd worden of zijn geweest vanwege een oefening? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
De burgers worden op voorhand niet geïnformeerd dat zij worden geconfronteerd met een actie. Indien burgers tijdens de actie vragen hebben, worden zij doorverwezen naar de aanwezige begeleiders van de Politieacademie die meteen uitleg geven.
In hoeverre is er sprake van een klantvriendelijke bejegening tijdens deze controles? Bent u bekend met hoe het publiek deze controles ervaart? Zo ja, wat is u bekend hierover? Zo nee, bent u bereid om bij dergelijke controles de ervaringen van het publiek te peilen?
De klantvriendelijke bejegening houdt in dat een persoon of groep personen die zich afwijkend gedraagt voor zijn omgeving, niet wordt benaderd als een mogelijke verdachte conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Na het geconstateerde afwijkende gedrag zal de persoon of groep worden bevraagd op zijn of hun gedrag en reden van aanwezigheid in het station. Het komt regelmatig voor dat men zich niet bewust is van het getoonde gedrag en dit meteen staakt danwel dat er een plausibele reden is waarom dit gedrag wordt getoond. De Politieacademie doet onderzoek naar de ervaringen van burgers met dergelijke controles. Daarom volgen zij na gehouden acties de reacties op de sociale media. De reacties zijn over het algemeen positief. De aanwezigheid van politiemensen in het station wordt ervaren als een gevoel van veiligheid.
Waaruit bestaat de opsporingsmethode «Search, Detect, React»? Is het nut en de noodzaak van die methode bewezen? Is de proportionaliteit tussen middel en doel gewaarborgd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet? Wilt u nut en noodzaak alsnog in kaart laten brengen?
«Search, Detect, React» is de methodiek waarop de spotteracties zijn gebaseerd. De bestanddelen zijn bij de beantwoording van de voorgaande vragen reeds benoemd. Het nut en de noodzaak van de spotteracties zijn tijdens eerdere acties bewezen. De proportionaliteit tussen middel en doel is gewaarborgd. Het betreft proactief handelen, waarbij de inzet is om vragen te stellen en de zintuigen in te zetten. Dit alles binnen de wettelijke context. Geweldsmiddelen worden niet ingezet. Het enige middel dat de politiemedewerker inzet is zijn/haar mond en gezond verstand. Er worden vragen gesteld en de aanwezigheid en doelstelling worden kenbaar gemaakt aan de burger. Tot aanhouding van de burger wordt pas overgegaan als het gesprek concrete aanwijzingen oplevert dat sprake is van (verdenking van) een strafbaar feit.