Broodmaaltijdvergoedingen in de intramurale AWBZ zorg |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op onderstaande e-mail van dhr. H., waaruit duidelijk wordt dat bij zorginstelling De Elsendonck in Boxmeer bewoners 57 euro per maand krijgen om twee broodmaaltijden per dag te kopen?1
Ik heb de zorginstelling Pantein, waar De Elsendonck in Boxmeer onderdeel van uitmaakt, om nadere informatie gevraagd ten behoeve van de beantwoording van uw vragen. Uit die informatie van de instelling blijkt dat er in de instelling drie vormen bij verstrekking van de broodmaaltijden voorkomen:
De instelling erkent dat het onderscheid tussen deze vormen heel helder gemaakt moet worden voor cliënten. In het contact dat is geweest met de instelling heb ik hierop aangedrongen.
Is het waar dat een zorginstelling zelf geen zorg meer draagt voor de verzorging van (brood)maaltijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Broodmaaltijden zijn onderdeel van de aanspraken AWBZ. Zorgaanbieders dienen de kosten van broodmaaltijden dus voor hun rekening te nemen bij alle cliënten. Zorgaanbieders verstrekken de broodmaaltijden doorgaans in natura. Van oudsher zijn er bewoners die liever zelf hun broodmaaltijd verzorgden. Aanbieders hebben op dit verzoek ingespeeld en kunnen in die gevallen een vergoeding voor de broodmaaltijd aan de cliënt verstrekken. Dit kan echter alleen als de cliënt hier mee instemt en als er daarmee sprake blijft van verantwoorde zorg. In alle andere gevallen is een broodmaaltijd in natura de regel.
Acht u het wenselijk dat mensen in een zorginstelling zelf moeten gaan shoppen voor hun eten? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de AWBZ? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 2 zijn broodmaaltijden onderdeel van de aanspraken AWBZ. De instelling is dus verantwoordelijk voor de verzorging van de broodmaaltijd. De zorginstelling Pantein stelt met het oog op de bevordering van de zelfredzaamheid in lokatie De Elsendonck cliënten in staat verantwoordelijk te blijven voor hun eigen broodmaaltijd. De cliënt kan op basis van vrijwilligheid zelf de benodigdheden voor de broodmaaltijd in de instellingswinkel gratis halen. Dit wordt gestimuleerd om meer contact te krijgen met medebewoners. Daarnaast kent Pantein het systeem dat een cliënt kan kiezen voor het zelf verzorgen van zijn broodmaaltijd. Hij krijgt daarvoor dan een restitutiebedrag.
Ik herken dat instellingen op verschillende manieren cliënten zo lang mogelijk zelfredzaam proberen te laten. Ik steun de instelling hierin. Dit moet echter wel op basis van vrijwilligheid gebeuren en er sprake blijft van verantwoorde zorg.
Keurt u het goed dat bewoners met hogere kosten geconfronteerd worden, omdat dit bedrag onvoldoende is om twee volwaardige broodmaaltijden te kunnen bekostigen? Zo neen, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo ja, waarom?
Voor de hoogte van de kosten van broodmaaltijden, die de zorgaanbieder kan vergoeden aan de cliënten die zelf hun broodmaaltijd verzorgen, geeft het LOC sinds 2009 een richtbedrag aan de instellingen en hun cliëntenraden. Zoals gezegd, mogen zorgaanbieders alleen afspraken maken met cliënten over een broodmaaltijdvergoeding indien die cliënt daarmee instemt en er sprake is van verantwoorde zorg. Ik verwacht dat zorgaanbieders op juiste wijze met bovenstaande omgaan en acht een onderzoek niet nodig. Ook cliëntenraden hebben hier een belangrijke rol om bij klachten het gesprek aan te gaan met de zorgaanbieder.
Vindt u het wenselijk dat mensen die niet in staat zijn zelfstandig boodschappen te doen aan hun lot worden overgelaten door de betreffende zorginstelling? Zo ja, bent u bereid deze wantoestanden in de betreffende zorginstelling te onderzoeken? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer informeren?
Zoals hiervoor aangegeven, betreft het afspraken tussen zorgaanbieder en cliënt. Als een zorgaanbieder en cliënt onder genoemde voorwaarden besluiten tot een vergoeding over te gaan, dan is het aan hen om hierover een goede afspraak te maken. Dit gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het zelf halen zonder te betalen wordt gestimuleerd door de instelling. De instelling geeft daarbij de nodige ondersteuning. De instelling erkent dat het verschil tussen beide systeem lastig is en erkent dat het de vrijwilligheid bij restitutie meer moet benadrukken. Ik acht een nader onderzoek niet nodig.
Is het wettelijk toegestaan dat winkels binnen zorginstellingen de artikelen niet voorzien van prijsstickers, waardoor bewoners misleid (kunnen) worden door de winkelondernemer? Kunt u dit toelichten?
Beide partijen dienen bij het sluiten van een koopcontract elkaar te informeren over de prijs. Ook een winkelier in een zorginstelling zal voor het sluiten van de koopovereenkomst zijn prijzen kenbaar moeten hebben gemaakt aan de kopende cliënten. Voor de cliënten die zonder te betalen zelf de spullen voor de broodmaaltijd in de instellingswinkel halen hoeven de artikelen niet geprijsd te zijn, want dan wordt er geen koopcontract gesloten.
Bent u bereid maatregelen te treffen, zodat bewoners in zorginstellingen voldoende voedingswaren binnenkrijgen, zonder dat dit een kwestie is van voldoende geld hebben? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo nee, waarom niet?
Het binnen krijgen van voldoende voedingswaren maakt onderdeel uit van verantwoorde zorg en is onderdeel van de aanspraken AWBZ.
Is u bekend of er andere zorginstellingen zijn die volgens dezelfde systematiek werken, en de broodmaaltijden afkopen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ik ben ervan op de hoogte dat ook andere zorgaanbieders op verzoek van de cliënt werken met een vergoeding van broodmaaltijden. Deze mogelijkheid moedig ik binnen de gestelde voorwaarden ook aan. Ik zie geen aanleiding om hier onderzoek naar te doen.
Wat is uw reactie op de vraag van dhr. H., waarin mantelzorgers/familie de kleding van bewoners wassen en drogen, terwijl hen door dezelfde zorginstelling was toegezegd dat zij deze handeling niet hoefden te verrichten, omdat personen die al op 31 december 2008 in de instelling verbleven geen was- en kleedgeld hoeven te betalen, en het wassen van de kleding voor rekening en verantwoording van de instelling komt? Blijft de instelling hier in gebreke? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De AWBZ-instelling betaalt het wassen van bedden en linnengoed. De bewoner betaalt het wassen van de kleren(onder- en bovengoed). Indien er sprake is van extra kosten door aandoening of ziekte betaalt de instellingen die kosten. Ik heb geen informatie voorhanden om in dit specifieke geval een oordeel te hebben.
Wapenhandel naar ontwikkelingslanden |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Armed robbery – How the poorly regulated arms trade is paralyzing development»?1
Ja.
Is het waar dat ongereguleerde wapenhandel ervoor zorgt dat gewapende conflicten blijven voortduren en dat financiële middelen niet worden ingezet voor sociale en economische ontwikkeling maar voor de aanschaf van wapens en dat corruptie wordt versterkt? Kunt u dit toelichten?
Illegale wapenhandel kan gewapende conflicten verergeren en de sociale en economische ontwikkeling van landen hinderen.
Is het waar dat, zoals blijkt uit data van de Wereldbank en OESO-DAC, ontwikkelingsgelden naar fragiele staten en conflictgebieden tussen 2009 en 2010 zijn toegenomen met 9 procent, maar dat tegelijkertijd de militaire uitgaven van die landen gemiddeld zijn gestegen met 15 procent? Kunt u dit toelichten?
Er is contact opgenomen met OESO-DAC. Vanuit deze organisatie kunnen de berekeningen die Oxfam in zijn onderzoek heeft uitgevoerd op basis van cijfers van OESO-DAC niet worden bevestigd.
Deelt u de mening dat voor coherentie van beleid en de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking het van belang is om in een wapenhandelsverdrag criteria op te nemen over de sociaal-economische ontwikkeling van landen? Deelt u de mening dat via regulering staten zich de vraag moeten stellen of een voorgestelde wapenexport ernstig afbreuk doet aan de duurzame ontwikkeling van het ontvangende land en de hoogte van de militaire uitgaven te beoordelen van het ontvangende land ten opzichte van de sociale uitgaven? Zo neen, waarom niet?
Mede vanuit het oogpunt van beleidscoherentie voor ontwikkelingssamenwerking past Nederland – evenals de overige EU-lidstaten – de toets aan het criterium voor sociaaleconomische ontwikkeling (criterium 8) uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toe op relevante exportaanvragen. Een dergelijk criterium past een toekomstig VN-wapenhandelsverdrag.
Is het waar dat de Nederlandse regering zich jarenlang zowel in EU als VN-verband actief heeft ingezet voor een dergelijk ontwikkelingscriterium? Zo ja, waarom ontbreekt dit in uw brief over voorbereidingen op ATT conferentie?2
Nederland spant zich in EU-verband in voor uniforme toepassing van criterium 8 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt, onder andere door middel van een seminar in Brussel en een voortrekkersrol in de discussie over criterium 8 bij de herziening van het EU Gemeenschappelijk Standpunt.
In VN-verband bepleit Nederland, met andere EU-partners, de opname van een ontwikkelingscriterium in het beoogde wapenhandelsverdrag (ATT). De Kamerbrief bevatte de Nederlandse inzet voor de diplomatieke conferentie over het ATT op hoofdlijnen.
Bent u bereid zich alsnog in te zetten voor het opnemen van het belang van een ontwikkelingscriterium in het wapenhandelsverdrag? Kunt u aangeven welke stappen Nederland hiervoor in de aanloop naar de VN Conferentie over het Wapenhandelsverdrag van 2 tot 27 juli 2012 kan nemen?
Zie antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg Wapenexport van 5 juli 2012 beantwoorden?
Ja.
De gemeente Nijmegen die camera’s inzet tegen bijstandsfraude. |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat de gemeente Nijmegen observatiecamera’s gaat richten op de voordeur van bijstandsgerechtigden zonder dat er een objectief vermoeden is van fraude? Zo ja, waarom?1 2
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de Wet werk en bijstand. Het is dan ook in de eerste plaats aan het College van Burgemeester en Wethouders en aan de gemeenteraad van Nijmegen om te bepalen welke onderzoeksmethoden zij voor een juiste uitvoering wenselijk achten. Voor een gedetailleerde uiteenzetting over de in uw vragen opgebrachte juridische aspecten rondom het heimelijk filmen van uitkeringsgerechtigden verwijs ik naar de antwoorden die de toenmalige Minister van Justitie, mede namens de toenmalige Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heeft gegeven op eerdere vragen over dit onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1089).
Hoe verhoudt de inzet van observatiecamera’s voor de opsporing van fraude door bijstandsgerechtigden zich tot de opsporing van strafbare feiten zoals opgenomen in artikel 126g van het wetboek van strafvordering?
Zie antwoord vraag 1.
Wie geeft uiteindelijk toestemming tot de inzet van observatiecamera’s? Is hiervoor toestemming nodig van de officier van justitie, zoals bij de opsporing bij misdrijven het geval is?3
Zie antwoord vraag 1.
Is er – net als in het Wetboek van Strafvordering – een maximale termijn verbonden aan de inzet van observatiecamera’s?4
Zie antwoord vraag 1.
Hoe concreet moeten de signalen, feiten en omstandigheden zijn om de inzet van observatiecamera’s te rechtvaardigen? Kunt u dit toelichten?
Bij de inzet van (camera-)observatie moet er sprake zijn van een redelijk vermoeden van fraude. Bovendien moeten er geen minder ingrijpende mogelijkheden dan heimelijke waarneming beschikbaar zijn om het vermoeden van fraude te onderzoeken. Dit vereist een beoordeling van alle omstandigheden van geval tot geval.
De Centrale Raad van Beroep heeft op 19 april 2005 een uitspraak gedaan (LNJ: AT4447) in een zaak die was gebaseerd op observaties die met behulp van een bij de woning van de bijstandscliënt verdekt opgestelde videocamera onafgebroken hadden plaatsgevonden over een periode van bijna vier weken. De Raad oordeelde dat de desbetreffende observaties een wettelijke grondslag vonden in de Algemene bijstandswet en in het onderhavige geval tevens beantwoordden aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Raad overwoog daarbij dat er een gegrond vermoeden van fraude bestond, dat de camera buiten de woning verdekt stond opgesteld, dat de observaties een bescheiden periode hadden bestreken, en dat door middel van de camera niet méér kon worden waargenomen dan een toevallige passant ook had kunnen waarnemen.
Kunt u aangeven hoe de inzet van camera’s om bijstandsfraude op te sporen zich verhoudt tot artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (recht op eerbiediging van privéleven)? Kunt u dit toelichten?
Het recht op eerbiediging van het privéleven zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM is geen absoluut recht. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat inbreuken op dit recht in bepaalde bij wet geregelde gevallen is toegestaan, onder andere ter voorkoming van stafbare feiten. Bij het bestrijden van uitkeringsfraude is hiervan sprake.
Op welke wijze wordt de privacy van bijstandsgerechtigden gewaarborgd als er geen objectief vermoeden van fraude bestaat en mensen wel 24 uur per dag, zeven dagen in de week in de gaten worden gehouden?
Als er geen vermoeden van fraude bestaat kan er ook geen sprake zijn van observatie, op welke wijze dan ook. Als er wel sprake is van een redelijk vermoeden van fraude dan biedt onder andere de Wet bescherming persoonsgegevens waarborgen voor de privacy van bijstandsgerechtigden die onderwerp van onderzoek zijn.
Kunt u een overzicht geven van de kosten en de baten van de inzet van observatiecamera’s om bijstandsfraude op te sporen in Nederland? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te doen?
De Wet werk en bijstand bevat geen verplichtingen voor gemeenten om de minister of staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover te rapporteren. Ik beschik derhalve niet over deze informatie en zie evenmin aanleiding om hier onderzoek naar te doen.
bijstandfraudeur
Hoe verhoudt de inzet van observatiecamera’s zich qua proportionaliteit en subsidiariteit tot andere instrumenten en methodes die gebruikt worden om fraude met bijstand op te sporen?
Zie antwoord vraag 5.
Vernieling van EU-projecten in de bezette Palestijnse gebieden. |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging tijdens een algemeen overleg op 5 april 2012 dat u een extra inspanning zult doen om de Kamer voortaan zorgvuldiger en vollediger over het Nederlandse beleid inzake Israël en de Palestijnen te informeren?1
Deze toezegging had betrekking op de totstandkoming van de Nederlandse positie over het Midden-Oosten vredesproces binnen de EU.
Klopt het dat uw antwoord op een schriftelijke vraag betreffende de destructie door Israël van EU-ontwikkelingsprojecten uitsluitend betrekking heeft op «lopende activiteiten», in plaats van een volledig overzicht te geven van schadegevallen in de periode 2001–2011, zoals werd verzocht?2 Zo ja, wilt u dit volledige overzicht voor deze periode alsnog geven, met vermelding van de specifieke informatie per geval waar in de betreffende vraag naar werd gevraagd?
In de antwoorden van de vragen over «de destructie door Israël van EU-ontwikkelingsprojecten» van 4 april jl. is een overzicht gegeven van de schade aan lopende projecten. Het is niet mogelijk om een volledig overzicht te geven van schade aan de afgeronde projecten om de volgende redenen:
Het schadebedrag in de EU-lijst is daarmee een ruwe schatting. Een overzicht anders dan het EU-overzicht, kan ik dan ook niet overleggen.
Heeft u kennisgenomen van de lijst met schadegevallen die EU-Commissaris Füle openbaar heeft gemaakt in reactie op vragen van Europarlementariër Davies (ALDE)?3 Is het waar dat de totale schade die Israël in de periode 2001–2011 aan ontwikkelingsprojecten heeft toegebracht die (mede) door Nederland zijn gefinancierd circa € 2,73 miljoen bedraagt? Zo ja, waarom heeft u deze schade niet in uw beantwoording vermeld? Welk bedrag correspondeert met de totale Nederlandse investering die door de destructie van de betreffende projecten teniet is gedaan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich uw antwoord over schade die Israël heeft toegebracht aan het bilaterale OS-project Land Development Programme, een lopend project dat wordt uitgevoerd op de Westelijke Jordaanoever en dat gericht is op het herstel en de ontwikkeling van landbouwgrond? Is dit project het enige (mede) door Nederlandse gefinancierde project dat op dit moment door Israëlische sloopbevelen (demolition orders) wordt bedreigd of dat is onderworpen aan een bouwstop? Zo nee, welke andere projecten worden door een sloopbevel bedreigd of zijn onderworpen aan een bouwstop?
Het Land Development Programme is het enige lopende project dat op dit moment te maken heeft met sloop of bouwstoporders.
Herinnert u zich uw mededeling dat in alle gevallen schade toegebracht aan lopende Nederlandse (ontwikkelings)activiteiten met de Israëlische autoriteiten is opgenomen en dat telkens om compensatie is gevraagd? Wilt u inzicht geven in de wijze waarop de Israëlische autoriteiten daarop gereageerd hebben en waarom zij tot dusver niet ingestemd hebben met compensatie?
De gesprekken tussen de Nederlandse Ambassadeur in Tel Aviv en de Nederlandse Vertegenwoordiger in Ramallah enerzijds en de Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT) hebben niet geleid tot compensatie. De dialoog hierover zal worden voortgezet, zowel bilateraal als in EU-verband.
Is het waar dat Nederland nog nooit compensatie heeft ontvangen van Israël voor destructie door Israël van ontwikkelingsprojecten in de bezette Palestijnse gebieden die (mede) door Nederland zijn gefinancierd?
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland, ook in gevallen waarbij de aanspraken van door Nederland (mede) gefinancierde ontwikkelingsprojecten aan een begunstigde partij zijn overgedragen, politieke en humanitaire belangen heeft om destructie door Israël van de betreffende projecten te voorkomen? Zo ja, op welke wijze oefent u druk uit op de Israëlische autoriteiten om in dergelijke gevallen destructie te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Nederland heeft belang bij voorkoming van destructie. Daarom zijn de OS-projecten ten behoeve van de Palestijnse bevolking in Area C tijdens het laatste bezoek aan de regio bij de Israëlische autoriteiten aan de orde gesteld. De kwestie heeft ook de aandacht van de EU. De EU heeft de Israëlische regering opgeroepen om gezamenlijk tot een constructief mechanisme te komen voor de uitvoering van projecten ten behoeve van de Palestijnse bevolking in area C. Dit is tevens verwoord in de Raadsconclusies van 14 mei jl.
Herinnert u zich de bovengemiddeld lange beantwoordingstermijn van de eerdere vragen over de destructie door Israël van door de EU gefinancierde ontwikkelingsprojecten? Wilt u zorg dragen voor beantwoording van deze vragen vóór aanvang van het zomerreces?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Politie ‘laks’ bij grote wietzaak Nederhorst’ |
|
Maarten Haverkamp (CDA), Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Politie laks bij grote wietzaak Nederhorst»?1
Ja.
Is het waar dat de politie geen prioriteit geeft aan het bestrijden van illegale wietkwekerijen in de Gooi en Vechtstreek? Zo ja, komt dit overeen met het landelijke beleid dat gericht is op aanscherping van het drugsbeleid?
Nee. Het korps Gooi en Vechtstreek heeft in december 2011 een hennepconvenant afgesloten met gemeenten, Openbaar Ministerie, woningcorporaties, Belastingdienst, UWV, SVB en netbeheerders.
Het korps heeft daarnaast gespecialiseerde henneprechercheurs en werkt in bovenregionaal verband nauw samen met politieregio’s Flevoland en Utrecht om de georganiseerde hennepcriminaliteit aan te pakken.
Ook heeft de regio samen met Flevoland een Regionaal Coördinatie Punt Hennep (RCP) dat ruimingen coördineert en ondersteunt het bij het opmaken van ontnemingsrapportages en beslagleggingen.
Is het waar dat de politie in de Gooi en Vechtstreek één keer per maand een wietruimdag houdt? Waarom geeft de politie aan dat, als iemand een strafbaar feit komt melden, er maar één keer per maand naar wordt gekeken?
Nee. De wietruimdagen worden in de regio Gooi en Vechtstreek ingepland afhankelijk van het aanbod aan meldingen. Ruimingen vinden waar mogelijk gepland plaats om, conform de landelijke afspraken, kosten te besparen. Verder vinden regelmatig ad hoc ruimingen plaats, omdat wietkwekerijen op heterdaad worden ontdekt en/of sprake is van gevaarzetting en/of uit informatie blijkt dat de kwekerij voor de geplande ruimdag zal worden geoogst.
In 2011 hebben in de regio Gooi en Vechtstreek 63 ruimingen plaatsgevonden. In 2012 hebben tot en met 6 juni j.l. 26 ruimingen plaatsgevonden. Het betrof veelal heterdaadruimingen.
Is de verdachte in onderhavige zaak reeds getraceerd dan wel aangehouden? Zo nee, waarom niet?
De verdachte is inmiddels in verband een andere zaak aangehouden. Hij is aangehouden voor een andere hennepzaak samen met twee andere verdachten. Het onderzoek loopt nog.
Hebt u naar aanleiding van deze zaak contact opgenomen met de politieregio Gooi en Vechtstreek?
Ja.
De OPTA-kritiek op netneutraliteit NL |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de presentatie van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) op de Roemeense conferentie «Net Neutrality and the Quest for Sustainable Internet» d.d. 5 juni?1
Ja.
Wat is uw mening over netneutraliteit? Is deze de afgelopen maanden gewijzigd?
Mijn mening is niet gewijzigd. Ik blijf achter de Nederlandse regelgeving over netneutraliteit staan.
Hoe verhoudt uw mening over netneutraliteit zich tot suggesties van de OPTA dat de Nederlandse «Alleingang» niet proportioneel is en niet perse het welzijn en de keuze van Nederlandse consumenten maximeert?
Nederland heeft als eerste Europese land er voor gekozen netneutraliteit bij wet te borgen, waar Eurocommissaris Kroes vooralsnog lijkt te vertrouwen op marktwerking om het ongewenst blokkeren of vertragen van internetdiensten terug te dringen. Ik heb daar minder vertrouwen in omdat mijn inziens de prikkels in de markt verkeerd liggen. Dat onbeperkte toegang tot het gehele internet grote maatschappelijke en economische meerwaarde heeft, is voor de aanbieder van een internettoegangsdienst economisch niet relevant. Van een aanbieder van internettoegangsdiensten kan daarom niet worden verwacht dat hij uit eigen beweging diensten doorgeeft die zijn eigen verdienmodel beconcurreren. De situatie zoals die vorig jaar in Nederland optrad illustreert dit. De grootste mobiele aanbieders kondigden aan concurrerende diensten alleen nog toe te staan in duurdere abonnementen. Daarmee kwam de mogelijkheid voor consumenten om te «stemmen met hun voeten» onder druk te staan. Ik heb daarom onvoldoende vertrouwen dat marktwerking de grote belangen die op het spel staan borgt. En die belangen zijn te groot om daar een risico te lopen. In de eerste plaats denk ik aan vrijheid van meningsuiting: burgers mogen op internet in hun uitingsvrijheid en toegang tot informatie niet worden beperkt door keuzes van hun internetprovider. Ten tweede om keuzevrijheid: consumenten moeten zelf kunnen bepalen welke diensten ze gebruiken over hun internettoegang. Ten derde zorgt een open internet voor een platform waarover aanbieders van toepassingen en applicaties zonder belemmering hun diensten kunnen aanbieden, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van een aanbieder van internettoegang. De laagdrempeligheid om deze diensten te ontwikkelen en het (daardoor) grote aantal potentiële aanbieders zorgt ervoor dat elke klant een toepassing kan vinden die bij hem past.
Met artikel 7.4a Telecommunicatiewet is het beginsel van netneutraliteit daarom in de wet verankerd. Het artikel is geformuleerd als algemeen verbod, waarbij de proportionaliteit echter niet uit het oog wordt verloren; er zijn uitzonderingen op dit verbod voor de bij wet genoemde gevallen. In de uitzonderingen is aangeduid in welke situaties belemmering of vertraging van verkeer door de aanbieder geen bezwaar oplevert gezien de belangen die netneutraliteit beoogt te beschermen en de belangen van die uitzonderingen. Verder zij er in het kader van de proportionaliteit op gewezen dat de voorgestelde netneutraliteitsbepaling zich beperkt tot het bieden van internettoegang. Dit betekent dat de regeling er niet aan in de weg staat dat ondernemingen via het internet losse diensten aanbieden, zoals bijvoorbeeld een VOIP-onlydienst. Het aanbieden van een op een specifieke behoefte van de gebruiker gerichte dienst via internet blijft dus mogelijk.
Tevens blijft het mogelijk om managed services te bieden waarbij bandbreedte wordt gereserveerd voor IP gebaseerde diensten die via het eigen netwerk worden aangeboden, zoals IPTV.
Wat betekenen deze uitspraken precies voor de handhaving van netneutraliteit in Nederland?
OPTA is toezichthouder op de Telecommunicatiewet en dus ook op de bepalingen over netneutraliteit. OPTA heeft mij verzekerd deze bepalingen uiteraard te zullen handhaven en betreurt eventueel ontstane twijfels hierover.
De relatietherapie |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies om hulp voor relatieproblematiek niet meer onder te verzekeren geneeskundige GGZ (het basispakket) te laten vallen, zoals blijkt uit het adviesrapport «Geneeskundige GGZ», welke is uitgebracht door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ)?1
Wij zijn bekend met het recente advies van het CVZ over afbakening van het pakket voor de curatieve GGZ. Hierin stelt het CVZ onder andere dat de hulp voor werk- en relatieproblematiek niet valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit is in lijn met zijn eerdere adviezen. Wij volgen het oordeel van het CVZ, omdat hiermee wordt bijgedragen aan de houdbaarheid van het pakket voor geneeskundige GGZ, zoals in de reactie op het advies van 15 juni 2012 is aangegeven (Z 3119679).
Relatietherapie kan bijdragen aan het voorkomen van een (echt)scheiding. Relaties en relatievorming maken naar het oordeel van het kabinet deel uit van het privédomein van individuele burgers. Men moet terug kunnen vallen op (vergoeding van) geestelijke gezondheidszorg, als er sprake mocht zijn van een psychische stoornis die onder het verzekerd pakket valt.
Bent u het er mee eens dat scheiden in veel gevallen leidt tot toename van (problematische) schulden, zoals beweerd wordt in het artikel «Als scheiden te duur is, moet je creatief zijn»?
Ik deel uw standpunt dat een scheiding verstrekkende individuele gevolgen kan hebben en dat een toename van het aantal scheidingen een groter beslag legt op sociaal-maatschappelijke voorzieningen is evident. Vanuit mijn verantwoordelijkheid ben ik erop gericht gemeenten te ondersteunen om de negatieve gevolgen voor kinderen van spanningen in de relatie van ouders en (echt)scheiding zoveel mogelijk te beperken. Dit onderwerp is geagendeerd binnen het beleid rond kwaliteit in de zorg voor jeugd. Ik heb niet de indruk dat een landelijk onderzoek naar de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding in Nederland een toegevoegde waarde heeft als het gaat om het ondersteunen van de verantwoordelijkheid van gemeenten in deze.
Bent u het er mee eens dat een scheiding voor kinderen problematische gevolgen kan hebben?2
In mijn antwoorden op vragen van uw kamer met de brief van 3 april 2012 (102191–100369-J), constateer ik dat er een groeiend besef is dat spanningen tussen ouders en eventuele echtscheiding negatieve gevolgen kunnen hebben voor kinderen. Gevolgen die soms tot ver in de volwassenheid waarneembaar zijn. Het is belangrijk dat de gevolgen voor kinderen van spanningen in de relatie tussen hun ouders zoveel mogelijk beperkt worden. In mijn beleid is een van de drie speerpunten de volgende: we gunnen ieder kind dat als het volwassen is, een relatie kan hebben en onderhouden. Dat leert het als kind en kijkt het af van de omgeving en dus vaak in het gezin van zijn ouders. Maar anderzijds maken relaties en relatievorming deel uit van het privédomein van individuele burgers. De overheid moet zich hierbij terughoudend opstellen.
Met het agenderen van dit onderwerp binnen het beleid rond kwaliteit in de zorg voor jeugd, worden gemeenten gestimuleerd in het aanbieden van (preventief) hulpaanbod. Een toenemend aantal Centra voor Jeugd en Gezin besteedt hieraan al aandacht. De handreiking «Relatieondersteunend aanbod voor (aanstaande) ouders» voor gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin wordt eind augustus gepubliceerd.
Bent u van plan dit advies van het CVZ over te nemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de handreiking voor gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin (CJG's) die deze zomer gepubliceerd zal worden, waarin aandacht wordt besteed aan de gevolgen van relatieproblemen tussen ouders en de wijze waarop CJG's op dit terrein een rol kunnen spelen?3
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het er mee eens dat reductie van bewezen effectieve partner-relatiebehandeling zal leiden tot toename van het aantal scheidingen, gegeven dat deze behandelingen bij 70% van de echtparen een duidelijk positief effect heeft?4
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het er mee eens dat de gevolgen van een scheiding voor kinderen tot ver in de volwassenheid meetbaar kunnen zijn?5
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het er mee eens dat toename van het aantal scheidingen een extra druk betekent op de (sociale) woningmarkt, extra kosten meebrengt voor kinderopvang, juridische hulpverlening en jeugdzorg en dat de omvang hiervan nog onderzocht dient te worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid erop aan te dringen om de verspreiding en uitvoer van preventieve programma’s gericht op (echt)scheidingspreventie en relatieverbetering te ondersteunen, en gemeenten te stimuleren deze programma’s in te zetten binnen de lokale gemeenschap?6
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de (financiële) gevolgen van (echt)scheiding in Nederland, zodat betrouwbare Nederlandse data beschikbaar komen welke als basis kunnen dienen voor toekomstig beleid gericht op vermindering van de maatschappelijke kosten ten gevolge van (echt)scheiding?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg over het Pakketadvies op 21 juni?
Wij hebben u met de reactie op het advies van het CVZ over de afbakening van het pakket voor de curatieve GGZ van 15 juni 2012 en de schriftelijke antwoorden op vragen van uw kamer van 3 april 2012 geinformeerd over ons standpunt.
Het artikel ‘Grote schoonmaak binnen GVB-top’ |
|
Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het GVB-rapport niet openbaar gemaakt kan worden? Deelt u de mening dat dit rapport wel degelijk openbaar gemaakt dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Blijkens de brief van het College van BenW van Amsterdam aan de Amsterdamse gemeenteraad d.d. 14 juni jongstleden heeft het College geheimhouding als bedoeld in artikel 55 lid 1 van de Gemeentewet opgelegd ten aanzien van de inhoud van de rapportage. De fractievoorzitters van de partijen in de raad hebben de rapportage vertrouwelijk ter inzage voorgelegd gekregen. Aangezien het GVB een zelfstandige NV is, is het niet aan mij maar aan de RvC en de gemeente Amsterdam om de status van dit rapport te bepalen.
De plannen van Europese telco’s om de netneutraliteit te schaden |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Europese telecombedrijven (telco’s) een aparte tolweg voor internet willen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van een voorstel van ETNO (European Telecommunications Network Operators» Association) om een nieuwe verrekeningssystematiek te introduceren voor de vergoeding van dataverkeer dat wordt afgehandeld over netwerken.
Hoe staat u tegenover het voorstel van Europese Telco’s verenigd in ETNO (European Telecommunications Network Operators) om een A-internet en een B-internet op te zetten?
Het voorstel zoals gedaan door ETNO is pas recent ingediend en zeer globaal. Mij is niet bekend in hoeverre dit een puur ETNO (vereniging met name bestaande uit incumbents) gedreven voorstel is of dat er een bredere behoefte in de markt bestaat voor een dergelijk voorstel en in hoeverre het voorstel praktisch realiseerbaar is. Aldus geef ik op basis van beperkte informatie een eerste appreciatie.
De kern van het voorstel van ETNO lijkt dat zij een verrekeningssystematiek wil introduceren waarin aanbieders die internettoegang leveren aan eindgebruikers een vergoeding krijgen van aanbieders van diensten en toepassingen voor op hun (de aanbieders van internettoegang) netwerk afgeleverd dataverkeer.
Dit volgt uit het door ETNO genoemde principe van «sending party network pays»2 Dat betekent dat de partij die data verzendt, de partij die de data via zijn netwerk naar de eindgebruiker transporteert een afgiftetarief betaalt. Dit is vergelijkbaar met de gespreksafgiftetarieven zoals nu gebruikelijk bij telefonie. Als bij telefonie een abonnee van een bepaald netwerk naar de abonnee belt van een ander netwerk, betaalt de aanbieder van het netwerk waar het telefoontje vandaan komt een tarief aan de aanbieder van het andere netwerk voor het «bezorgen» van het telefoontje bij de abonnee van dat andere netwerk. Het voorstel lijkt dan ook een pleidooi te zijn voor de introductie van afgiftetarieven voor data(bits).
Ik zie aan het ETNO voorstel op het eerste gezicht een aantal punten die mij zorgen baren. Afgiftetarieven (en de onzekerheid over hun toekomstige hoogte) kunnen voor aanbieders van diensten en toepassingen een drempel vormen om hun diensten aan te blijven bieden en nieuwe diensten te ontwikkelen. Tevens levert een verrekeningssystematiek waarin kosten via afgiftetarieven in rekening worden gebracht naar verwachting economisch minder efficiënte uitkomsten dan tarieven die direct aan eigen eindgebruikers in rekening worden gebracht. Partijen die het verkeer naar hun bestemming, de eindgebruiker, willen zenden worden immers geconfronteerd met het feit dat ze geen alternatief hebben om bij de eindgebruiker te komen: zij moeten tot overeenstemming zien te komen met de aanbieder van het netwerk waaraan de eindgebruiker is aangesloten. De aanbieder van het netwerk heeft hier feitelijk een monopoliepositie. Ook hier past de vergelijking met telefonie waar de aanbieder van een bepaald netwerk de enige is die ervoor kan zorgen dat telefoongesprekken die komen van een ander netwerk bij zijn abonnees terecht kunnen komen. Vandaar dat deze tarieven bij telefonie door de OPTA worden gereguleerd. Ik zie dan ook een risico in het voorstel om een dergelijk verrekeningsmodel via ITU regels aan iedereen op te leggen.
Hoe is Nederland precies vertegenwoordigd in ITU-verband (International Telecommunication Union)? Wat zijn de Nederlandse mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de besluitvorming?
Het ministerie van EL&I neemt namens Nederland als lid van de ITU deel aan de Verdragsconferentie tot herziening van de «International Telecoms Regulations». Mijn ministerie zal het voorstel van ETNO binnen de EU verder bespreken om te bezien of een gezamenlijke kritische Europese inbreng mogelijk is.
Bent u bereid krachtig afstand te nemen van deze voorstellen en de netneutraliteit te verdedigen?
Op basis van mijn huidig beeld wat het voorstel van ETNO inhoudt, neem ik daar krachtig afstand van.
Nederlandse WAO’ers in Polen |
|
Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het traktaat tegen het dubbel heffen van belasting waardoor Nederlandse WAO’ers die zich in Polen vestigden geen belasting over hun uitkering hoefden te betalen in Polen?
Nederland heeft met Polen een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting1. Daarin is geregeld dat Nederland belasting mag heffen over een WAO-uitkering die wordt betaald aan een inwoner van Polen. Tevens is geregeld dat Polen deze inkomsten bij de belastingheffing in aanmerking mag nemen, maar vervolgens de Nederlandse belasting verrekent waardoor er geen sprake is van dubbele belasting. De verrekeningsmethode, zoals Polen die op grond van dit verdrag hanteert, is een gebruikelijke methode om dubbele belasting te voorkomen en in overeenstemming met de methoden die op grond van het OESO-modelbelastingverdrag worden aanbevolen.
Is het waar dat de Nederlandse Belastingdienst dit standpunt in 2010 heeft verlaten en Nederlandse WAO’ers in Polen nu alsnog de niet betaalde belasting moeten betalen?
Nee, zoals bij antwoord 1 is aangegeven, mag Nederland belasting heffen over de WAO-uitkering. Dat is ook wat de Belastingdienst steeds heeft uitgedragen. Uit signalen die mij hebben bereikt, lijkt het er echter op dat de Poolse belastingdienst recent inwoners van Polen heeft aangeschreven over hun Nederlandse inkomsten.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse WAO’ers die zich in Polen gingen vestigen verkeerd zijn ingelicht door te stellen dat zij geen dubbel belasting dienden te betalen over hun WAO uitkering? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 2 is vermeld, mag Nederland belasting heffen over de WAO-uitkering en verrekent Polen deze Nederlandse belasting met de in Polen verschuldigde belasting over het wereldinkomen. Uit de informatie die ik hierover heb ingewonnen, heb ik niet de indruk dat Polen zich daar niet aan houdt. Er is dus geen sprake van dubbele belasting.
De Belastingdienst is bevoegd voor zover het gaat om de Nederlandse belastingheffing. Hij is uiteraard niet bevoegd voor de belastingplicht die niet-ingezetenen in hun woonland hebben. Om die reden kan de Belastingdienst ook geen informatie verschaffen over de belastingstelsels van andere landen. Daarom zal de Belastingdienst ook nooit stellen dat iemand in zijn woonland geen belastingverplichtingen heeft. Of dat het geval is, is afhankelijk van het belastingstelsel van het woonland en van de individuele situatie van de belastingplichtige.
Aangezien er aanvankelijk bij de Poolse overheid onzekerheid bestond over de toepassing van het belastingverdrag op Nederlandse socialezekerheidsuitkeringen, heeft zij informatie ingewonnen bij het Nederlandse Ministerie van Financiën, dat vervolgens bij briefwisseling uitgebreid is ingegaan op de toepassing, zoals verwoord in antwoord 1. Ter bevestiging van die toepassing hebben Nederland en Polen in 2008 op basis van het overlegartikel in het verdrag een akkoord gesloten, dat ook werd gepubliceerd op de internetsite van de Nederlandse ambassade in Warschau bij de veelgestelde vragen. Daarin is informatie opgenomen over de Nederlandse belastingheffing van iemand die gepensioneerd is en woonachtig is in Polen, en hoe die Nederlandse belasting wordt verrekend met de Poolse belasting (met concrete voorbeelden). Verder is de Nationale Ombudsman in zijn column in De Telegraaf van 14 april 2012 (»Een prima ambtenaar») zeer te spreken over de voorlichting die de Nederlandse Belastingdienst geeft aan gepensioneerde inwoners van Polen met een Nederlands inkomen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om deze groep gedupeerde Nederlandse WAO’ers tegemoet te komen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor al is geantwoord, worden WAO’ers die in Polen wonen niet geconfronteerd met dubbele belasting over hun WAO-uitkering.
Het artikel ‘Leraren Frans klagen over examens’ |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Leraren Frans klagen over examens»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk mag zijn dat eindexamenkandidaten Frans en examenkandidaten in het algemeen gedupeerd worden, doordat zij een juist antwoord geven dat niet in het correctiemodel voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het niet mogelijk moet zijn dat eindexamenkandidaten gedupeerd worden door het geven van het juiste antwoord. Wanneer dit antwoord afwijkt van het correctiemodel kunnen docenten dit melden aan het College voor Examens. Deze kan dan zo nodig de correctievoorschriften aanpassen, of in het uiterste geval, een fout corrigeren middels de normering van het examen. De meldingen die het College voor Examens via LAKS ontvangt worden ook zo behandeld.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk moet kunnen zijn dat docenten hun baan riskeren als zij betere antwoorden van leerlingen, dan die in het correctiemodel staan, goedkeuren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u garanderen dat deze docenten niet ontslagen worden?
Docenten dienen zich bij de beoordeling van het centraal examen te houden aan de correctieregels die opgesteld zijn door het College voor Examens. Het College voor Examens heeft in de correctie- en normeringsprocedure waarborgen opgenomen die voorkomen dat een kandidaat door een fout in het examen wordt gedupeerd. Als docenten naar eigen inzicht tegen de regels in andere antwoorden goedkeuren, worden indirect andere kandidaten gedupeerd. Via de 2e correctie wordt afwijking van de correctievoorschriften zichtbaar en moet dit weer worden gecorrigeerd.
Het bevoegd gezag van de school ziet erop toe dat docenten zich aan de regels van de school houden, inclusief de regels die de school hanteert op grond van aanwijzingen en regels van overheidsorganen. Het is ook het bevoegd gezag dat maatregelen kan nemen indien een docent zich niet aan regels houdt. Ik treed daar niet in.
Bent u bekend met de reactie van het College van Examens, waarin wordt bevestigd dat er weliswaar meerdere docenten geklaagd hebben, maar dat het College de beoordeling niet wenst aan te pakken, ondanks het standpunt dat als uit een analyse blijkt dat de antwoorden op een examenvraag anders uitpakken dan verwacht hiermee rekening gehouden wordt? Wat is uw mening hierover?
Ik ben er bekend mee dat het College voor Examens de opmerkingen van docenten heeft gewogen. Bij de onderhavige vragen is vastgesteld dat van een fout in examen of correctievoorschrift geen sprake was. Desondanks gaat het College voor Examens ook achteraf na of er bij een op zichzelf correcte vraag onbedoelde effecten zijn waardoor kandidaten mogelijk op het verkeerde been worden gezet. Als uit de analyses blijkt dat bij een feitelijk correcte vraag toch bijvoorbeeld juist goede leerlingen weinig punten halen, kan achteraf worden geconcludeerd dat er niet voorziene effecten waren waarvoor leerlingen moeten worden gecompenseerd. Bij de onderhavige vragen bleek dat niet het geval.
Deelt u de mening dat het College van Examens als het ware zijn eigen vlees keurt en in die hoedanigheid onder meer de plicht heeft om eigen fouten te corrigeren? Zo nee waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat het College voor Examens de plicht heeft om eigen fouten te corrigeren en ben ervan overtuigd dat het waar nodig is ook gebeurt. Zo is dit jaar een twintigtal aanvullingen op het correctievoorschrift gepubliceerd, waarvan zes naar aanleiding van door leerlingen via het LAKS geconstateerde onvolkomenheden. Om dit aantal in perspectief te plaatsen: het College voor Examens stelt elk jaar meer dan 10 000 examenvragen op. Een aanvulling vindt dus plaats in 1 op de 500 vragen.
Bent u ervan op de hoogte dat er in 2009 via de Nationale Ombudsman reeds aandacht gevraagd is voor de mindere kwaliteit van de examens Frans? Hoe denkt u te gaan voorkomen dat de huidige controverse over het eindexamen Frans in de toekomst niet meer voorkomt?
Ik ben ervan op de hoogte dat in 2009, nog voor de totstandkoming van het College voor Examens, via de Nationale Ombudsman aandacht is gevraagd voor veronderstelde onvolkomenheden in het examen Frans. De Nationale Ombudsman heeft aangegeven welke rechten en procedures zijns inziens zouden moeten gelden bij klachten over de inhoud van de centrale examinering. Het in 2009 ingestelde College voor Examens heeft bij de vaststelling van zijn procedures met de uitspraken van de Nationale Ombudsman rekening gehouden.
Ik meen dat - ondanks alle zorgvuldigheid - een controverse tussen het College en een individuele docente zoals nu over de eindexamens Frans havo en vwo ook in de toekomst nooit helemaal is te voorkomen. Het blijft mogelijk dat individuele docenten zich niet kunnen vinden in de expert-oordelen ten aanzien van de inhoud van de examens. Het College voor Examens heeft via de Examenlijn een voor docenten zeer toegankelijke procedure waarbij zij hun bezwaren en zorgen kenbaar kunnen maken. Elke vraag wordt zorgvuldig behandeld en beantwoord.
Zijn er bij u met betrekking tot dit examenjaar nog meer gevallen bekend die vergelijkbaar zijn met de discussie over het eindexamen Frans 2012? Zo ja, welke?
Voor zover nu bekend is dat dit jaar ook gebeurd bij het centraal examen economie vwo.
De waarschuwing van het Industrial Control System Cyber Emergency Response Team. |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie om de waarschuwing van het Industrial Control System Cyber Emergency Response Team?1
De waarschuwing van de Amerikaanse ICS-CERT acht ik waardevol. ICS-CERT brengt jaarlijks vele waarschuwingen en adviezen uit. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is bekend met deze producten en maakt ook gebruik van de informatie uit deze producten en verwerkt deze in haar publicaties.
In een door het NCSC uitgebrachte factsheet over de beveiliging van SCADA/ICS systemen is verwezen naar de informatie op de website van ICS-CERT.
Wordt er in Nederland gebruik gemaakt van de in de memo genoemde SCADA en ICS gerelateerde web- en softwareapplicaties van Siemens, bijvoorbeeld in de chemische-, olie- en gasindustrie, in de sectoren voedsel- en watervoorziening of andere sectoren, zoals de gezondheidszorg en defensie? Zo ja, op welke schaal en in welke sectoren?
Het is niet bekend of en in welke mate er in Nederland gebruik wordt gemaakt van de genoemde SCADA en ICS gerelateerde web- en software applicaties van Siemens.
In mijn brief van 19 maart jl.2 heb ik aangegeven dat het NCSC ten aanzien van de beveiliging van SCADA/ICS systemen adviseert en een factsheet en checklists heeft gepubliceerd en deze actief heeft verspreid binnen de overheid en de private vitale sectoren. In de factsheet wordt verwezen naar informatie op de website van ICS-CERT. Daarnaast wordt in de factsheet ingegaan op de veiligheidsrisico’s die het aansluiten van SCADA/ICS-systemen op het internet met zich meebrengt. Ook is in het door het NCSC gepubliceerde Raamwerk Beveiliging Webapplicaties hierover uitgebreid aandacht besteed. Deze publicaties gaan ook in op de problemen zoals benoemd in vraag 3.
De aansluiting bij het NCSC van de Information Sharing and Analysis Centres (ISACs) van diverse (vitale) private sectoren zal de advisering richting die sectoren en de kennisdeling versterken.
Zoals ik in mijn brief van 19 maart jl. aangaf zijn organisaties zelf primair verantwoordelijk voor de beveiliging van hun systemen, maar houdt de overheid, gezien het grote belang dat door de overheid aan bepaalde sectoren wordt toegekend, toezicht op bepaalde sectoren (onder andere de sector telecom en financiën). Met het oog hierop stelt de overheid naast de algemene wet- en regelgeving ook wet- en regelgeving op het sectorale niveau op. Deze sectorale wet- en regelgeving wordt opgesteld door de bij deze sectoren betrokken vakdepartementen. Hierbij behoren dan ook de sectorale toezichthouders.
Zijn de bedrijven en organisaties in Nederland, die deze kritieke systemen beheren, op de hoogte van de in de memo vermelde «cross-site scripting», «path traversal, XML Injection» en «buffer overflow» problemen in relatie tot de vermelde Siemens applicaties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben deze bedrijven de specifieke aanbevolen stappen ter beveiliging van de systemen en ter voorkoming van zowel manipulatie op afstand als manipulatie door derden van deze systemen al genomen? Zo nee, waarom niet? Wanneer verwacht u dat deze bedrijven en organisaties de maatregelen wel genomen hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Weet u of de bedrijven en organisaties, die deze kritieke systemen beheren, de meer algemene aanbevelingen in de memo hebben toegepast, waaronder de loskoppeling van deze systemen en software van het internet waar mogelijk, de scheiding van deze systemen en software van de interne bedrijfsnetwerken door middel van firewalls en het gebruik van VPNs (Virtual Private Networks) om veilige verbindingen met deze applicaties te garanderen? Zo nee, waarom niet? Wanneer denkt u dat de bedrijven en organisaties deze maatregelen wel genomen hebben?
Het NCSC is geen toezichthouder die beveiligingsarrangementen van organisaties opvraagt. Het NCSC heeft een advies en incident respons rol richting overheid en vitale sectoren.
Het verknipte en gevaarlijke advies extremistische islamitische organisaties invloed te geven op beleid |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Leers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Podium bieden verkleint risico’s radicale islam»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het advies van Forum om extremistische islamitische organisaties invloed uit te laten oefenen op beleid, totaal verknipt en zelfs gevaarlijk is? Zo nee, waarom niet?
De auteurs van de vergelijkende casestudy «Engaging with violent Islamic extremism» bevelen lokale beleidsmakers aan in gesprek te blijven met vertegenwoordigers van alle stromingen binnen de Islam, inclusief de orthodoxe stromingen. Daarbij wordt in het onderzoek wel een grens getrokken bij extremisten die het contact met autoriteiten misbruiken voor eigen gewin. De onderzoekers maken echter niet consequent onderscheid tussen orthodox gelovigen en extremisten of tussen de verschillende gradaties van contact en samenwerking die een lokale overheid kent in de relaties met non-gouvernementele organisaties. Het advies is daarmee niet helder. Mocht het advies van de onderzoekers zijn om extremistische organisaties invloed te laten uitoefenen op beleid, verzeker ik u dat ik dat advies niet overneem. Lokale beleidsmakers kunnen bij het Rijk terecht voor advies over extremistische organisaties.
Deelt u de zorg dat dit soort adviezen de voortgaande islamisering, en de daarmee gepaard gaande geweldsexplosies, zoals we nu ook in België weer zien, zal versnellen?
Nee.
Welke maatregelen bent u van plan te treffen om de subsidie aan Forum zo spoedig mogelijk te stoppen ten einde de ongehoorde verspilling van belastinggeld tegen te gaan?
Forum speelt een betekenisvolle rol rond thema's als maatschappelijke spanningen, onderwijs, arbeidsmarkt en het ontwikkelen van effectieve methoden en instrumenten. Het levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de realisatie van het kabinetsbeleid op het gebied van integratie. Beëindiging van de subsidie wordt daarom niet overwogen.
Bent u bereid alle islamitische organisaties in Nederland permanent te monitoren en bij aanwijzingen van gewelddadige plannen of oproepen, deze direct te sluiten, te verbieden en daar waar mogelijk de daders te denaturaliseren en uit te zetten?
Nee. De dreiging van extremistisch geweld gaat uit van enkele tientallen individuen. Gezien deze werkelijkheid zou het monitoren van alle islamitische organisaties disproportioneel zijn. Het zou bovendien onterecht de indruk wekken dat alle islamitische organisaties en daarmee alle moslims verdacht zijn.
Uiteraard vervult de AIVD zijn wettelijke taak om onderzoek te doen naar personen en organisaties die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde dan wel voor de veiligheid van de Staat. Als onderzoek van de AIVD concrete aanwijzingen oplevert voor terroristische plannen of activiteiten, dan kan de dienst anderen, zoals het Openbaar Ministerie of de Immigratie- en Naturalisatiedienst informeren. Het huidige juridische (contraterrorisme) instrumentarium biedt de mogelijkheid rechtspersonen te verbieden en individuen te vervolgen of uit te zetten.
De mogelijke executie van vijf Iraanse Ahwazi Arabieren |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iran must not execute five Arab minority prisoners»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat deze vijf mannen zonder vorm van eerlijk proces in detentie worden gehouden en hen mogelijk de doodstraf te wachten staat?
Iran heeft een intransparante rechtsgang. Dat maakt het vaak onmogelijk om de precieze toedracht en strafoplegging te achterhalen. In deze zaak is inmiddels bij vier van de vijf personen het doodvonnis voltrokken.
Bent u bereid om bilateraal en in EU-verband protest aan te tekenen tegen de gang van zaken omtrent de arrestatie en detentie van deze mannen en bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over uw inspanningen? Zo nee, waarom niet?
Mede in reactie op het door u aangehaalde bericht heb ik bij mijn EU collega’s een passende reactie op de zorgelijke situatie van de Ahwazi gemeenschap in het algemeen en deze zaak in het bijzonder bepleit. Als gevolg daarvan heeft EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton op 21 juni aan de Iraanse regering door middel van een verklaring haar verontwaardiging over deze executies kenbaar gemaakt en opgeroepen de rechten van etnische en religieuze minderheden te respecteren en de doodstraf af te schaffen.
Nederland dringt, bilateraal en in EU-verband, bij de Iraanse autoriteiten aan op afschaffing van de doodstraf.
Deelt u de mening dat deze zaak aanleiding moet zijn voor een intensiveren van de EU-inspanningen om het Iraanse regime onder druk te zetten vanwege de slechte mensenrechtensituatie in het land? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de aanscherping van EU-sancties te bepleiten indien de mensenrechtensituatie in Iran blijft verslechteren? Indien nee, waarom niet?
Ik heb eerder dit jaar in EU-verband gepleit voor aanvullende sancties vanwege de verslechterende mensenrechtensituatie in Iran. Dit betreft zowel een uitbreiding van de lijst met Iraanse mensenrechtenschenders, als een EU-exportverbod van internetmonitoringtechnologie naar Iran. Beide maatregelen zijn tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 maart jl. door de EU aangenomen.
Het artikel “Grote schoonmaak binnen GVB- top“ |
|
Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Grote schoonmaak binnen GVB- top«?1
Ja.
Is het waar dat er bij het Gemeentelijk vervoersbedrijf (GVB) stelselmatig onzorgvuldig is omgesprongen met overheidsgelden en er sprake was van belangenverstrengeling? Zo nee, waarom niet?
Het GVB is een zelfstandige NV waarvan alle aandelen in het bezit zijn van de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam heeft naar aanleiding van berichten in de pers over vermeende fraude om opheldering gevraagd bij het GVB. De Raad van Commissarissen (RvC) van GVB Holding NV heeft onafhankelijk accountantsonderzoek laten uitvoeren. Bepaalde conclusies daaruit zijn door de RvC naar buiten gebracht. Deze bevestigen niet dat er sprake was van fraude, wel zijn er «feiten vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne GVB regels» en «zijn er «doelredeneringen» gevolgd in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels». Verder blijkt dat er «structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van good governance. Dit betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid», aldus de RvC.
De RvC heeft na toestemming van de aandeelhouder twee statutair directeuren uit hun functie ontheven. Het is aan de gemeente Amsterdam om desgewenst verdere stappen te zetten en daarover verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad van Amsterdam. Ik verwijs hiervoor naar de brief van het College van BenW van Amsterdam aan de Amsterdamse gemeenteraad d.d. 14 juni jongstleden. Bij het OM is tot nu toe geen aangifte gedaan van verdenking van strafbare handelingen bij het GVB.
Kunt u aangeven op welke schaal dit misbruik van overheidsgelden heeft plaatsgevonden bij het GVB? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de rijksrecherche moet worden ingeschakeld en dat de verantwoordelijken strafrechtelijk vervolgd dienen te worden en geen vertrekbonus dienen te ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het GVB is geen ambtelijke instelling. Stafrechtelijk onderzoek, indien daartoe aanleiding bestaat, zal door het OM worden ingesteld en door de politie worden uitgevoerd. Het is aan de RvC en de aandeelhouder om te bepalen of er vertrekbonussen gegeven moeten worden.
Deelt u de mening dat er strenger toezicht moet komen op de vergoedingen en salariëring binnen het openbaar bestuur? Zo nee, waarom niet?
Wanneer het gaat om vergoedingen en salariëring binnen het openbaar bestuur in zijn algemeenheid, kan verwezen worden naar de thans geldende Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Wopt). Bovendien ligt op dit moment het voorstel voor de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt) bij de Eerste Kamer, waarvan de regering een inwerkingtreding per 1 januari 2013 nastreeft. Het GVB, dat zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven een zelfstandige NV is, valt buiten de reikwijdte van de Wopt, respectievelijk het voorstel voor de Wnt.
Kunt u aangeven welke maatregelen u zult treffen om deze dubieuze praktijken in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is het op dit moment aan de RvC en de gemeente Amsterdam om desgewenst verdere stappen te zetten.
Het bericht dat de EU de deur open zet voor vele vreemdelingen |
|
Sietse Fritsma (PVV), Louis Bontes (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Knapen (CDA) , Leers |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat de EU allerlei akkoorden sluit die het voor bijvoorbeeld Marokkanen, Egyptenaren en Kaapverdiërs veel makkelijker (gaan) maken om de EU binnen te komen?1
De in het artikel genoemde mobiliteitspartnerschappen die de EU met derde landen overeenkomt, zijn politieke overeenkomsten met als uitgangspunt een alomvattende aanpak van migratievraagstukken. Er worden afspraken gemaakt over samenwerking binnen de vier pijlers van de Totaalaanpak van migratie en mobiliteit2, te weten de bestrijding van illegale immigratie, het faciliteren van legale migratie en mobiliteit, asiel en internationale bescherming en migratie en ontwikkeling. De partnerschappen zijn per land op maat gemaakt.
Visumfacilitatie- alsmede terug- en overnameovereenkomsten maken deel uit van toekomstige mobiliteitspartnerschappen. Met landen die niet aanmerking komen voor visumfacilitatie, zal geen mobiliteitspartnerschap worden aangegaan, maar kunnen afspraken over migratiesamenwerking worden gemaakt in de vorm van een Gemeenschappelijke agenda voor migratie en mobiliteit. Nederland zet zich ervoor in dat ook bij een dergelijke Gemeenschappelijke agenda gekoppeld wordt aan afspraken over terug- en overname.
Waarom doet Nederland mee met het afsluiten van dergelijke akkoorden?
EU-lidstaten participeren vrijwillig in mobiliteitspartnerschappen, deels afhankelijk van hun eigen prioriteiten, bijvoorbeeld met projecten op gebied van terugkeer en herintegratie, grensbewaking en documentveiligheid of door het openstellen van bepaalde sectoren van hun arbeidsmarkt voor arbeidsmigratie en/of door de positieve bijdrage van migratie aan de ontwikkeling van herkomstlanden te vergroten. Mobiliteitspartnerschappen zijn in het belang van Nederland omdat zij kunnen leiden tot betere regulering van migratiestromen, betere medewerking aan terug- en overname en betere inbedding van migratievraagstukken in de samenwerking van de EU met het betreffende land. Het besluit om deel te nemen aan specifieke partnerschappen hangt hiermee samen.
Nederland neemt deel aan de mobiliteitspartnerschappen met Armenië, Georgië en Kaapverdië. De Nederlandse bijdrage betreft projecten op het gebied van terugkeer en herintegratie en capaciteitsversterking van migratie autoriteiten. Ook is Nederland betrokken bij het overleg met Azerbeidzjan over een toekomstig mobiliteitspartnerschap. De voorgestelde Nederlandse bijdrage ligt eveneens op het vlak van versterking van migratiemanagement, waaronder terugkeer en herintegratie. Met Marokko en Tunesië is de EU in gesprek over een mobiliteitspartnerschap. Er is hierbij nog geen akkoord bereikt. Nederland heeft belangstelling voor het mobiliteitspartnerschap met Marokko. Ook hier gaat de Nederlandse interesse uit naar activiteiten die zich richten op capaciteitsversterking van migratie autoriteiten en terugkeer en herintegratie, alsmede migratie en ontwikkeling.
Deelt u de mening dat het absurd is om «vrij reizen» als ruilmiddel te gebruiken om hervormingen in de betreffende landen te bevorderen? Zo neen, waarom niet?
Visumfacilitatie is niet hetzelfde als visumvrij reizen. Nederland is zeer terughoudend als het gaat om visumliberalisatie. Bij visumfacilitatie gaat het juist om het reguleren van migratiestromen, waarbij het voor bepaalde bona fide groepen (zakenlieden, wetenschappers, studenten) gemakkelijker wordt gemaakt om een visum te verkrijgen. Tegelijkertijd worden afspraken gemaakt over het tegengaan van illegale immigratie en mensenhandel.
De stelling in het artikel dat de EU visumfacilitatie «uitruilt» tegen afspraken over hervormingen is te kort door de bocht. Immers, om voor visumfacilitatie in aanmerking te komen gelden heldere, van tevoren vastgelegde, voorwaarden (zie kabinetsbrief «EU-visumbeleid voor de naaste buren van de Unie» van 7 oktober 2011, Kamerstuk 21501-02-1096).
Acht u het in het belang van Nederland wanneer veel meer vreemdelingen makkelijker – en zelfs zonder visum – naar ons land kunnen reizen? Hoe verhoudt zich dit tot bijvoorbeeld het tegengaan van illegaliteit, criminaliteit, islamisering en de komst van kansarmen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te kiezen voor eigen grenzen en eigen immigratiebeleid en derhalve om te bevorderen dat Nederland uit de EU stapt? Zo neen, waarom niet?
Nee. Het kabinet is van mening dat het samen met Europese partners uitvoeren en vormgeven van een effectief Europees migratiebeleid, waar terugkeer deel van uitmaakt, voor Nederland meer voordelen zal opleveren dan terugtrekking uit de Europese Unie en het daarmee geïsoleerd uitvoeren van een nationaal beleid op het terrein van migratie en grensbewaking.
De mogelijke besmetting van patiënten in het ZBC Medisch Centrum Biltstraat (zelfstandig behandelcentrum) |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Patiënten mogelijk besmet met Hepatitis en HIV»?1
In het bericht in de Telegraaf van 12 juni 2012 wordt verwezen naar een ernstig incident uit 2007 waarbij een jonge vrouw na een plastisch chirurgische ingreep in het Medisch Centrum Biltstraat kwam te overlijden. Er zijn mij geen aanwijzingen bekend die erop wijzen dat dit incident zou kunnen samenhangen met de gebeurtenissen in Medisch Centrum Biltstraat in 2012.
Het is van belang voor de gezondheid van betrokkenen en om besmetting van derden te voorkomen dat een zogenaamde «lookback procedure« wordt gevolgd. Dat houdt in dat iedereen die behandeld is in de periode dat de sterilisatie niet op orde was, wordt opgeroepen om zich te laten onderzoeken op mogelijke besmettingen en indien nodig adequate behandeling krijgt. Het bepalen van de patiëntengroepen die mogelijk een risico hebben gelopen en dus opgeroepen worden, moet wel uiterst zorgvuldig gebeuren en dat kost tijd. Ik verwijs ook naar mijn brief over mogelijke besmetting in het behandelcentrum te Utrecht die ik op verzoek van uw Kamer op 2 juli 2012 heb gestuurd (briefkenmerk CZ- 3120341).
Bent u op de hoogte van het aantal patiënten dat mogelijk besmet is geraakt?
Neen. Er zijn 903 patiënten betrokken in de lookback procedure. Het onderzoek is nog niet afgerond.
Wordt ook het personeel gecontroleerd op mogelijke besmettingen?
Er zijn geen personeelsleden gecontroleerd. Bij patiënten zouden eventueel besmettingen plaatsgevonden kunnen hebben ten gevolge van onvoldoende gereinigde materialen die bij operaties wordt gebruikt. Medewerkers zijn niet aan deze besmettingsrisico’s blootgesteld.
Vindt u het verantwoord dat er nu pas patiënten worden opgeroepen, terwijl de mogelijke besmetting plaatsvond tussen januari en maart van dit jaar?
De mogelijke kans op besmetting is eind maart 2012 geconstateerd. Ik heb begrepen dat het tijdsverloop tussen dat moment en het moment waarop patiënten zijn opgeroepen geen nadelige gevolgen heeft voor het effect van een eventuele behandeling, mocht inderdaad blijken dat er besmetting heeft plaatsgevonden. Zorgvuldig handelen is in een dergelijke situatie van groot belang om ervoor te zorgen dat de juiste patiënten worden opgeroepen. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op vraag 1.
Tijdens de risicobeoordeling is rekening gehouden met de mogelijke risico's voor contacten van de patiënten. In deze casus is, zoals gebruikelijk in de infectieziektebestrijding, gewerkt volgens het «ring voor ring» principe. Dat houdt in dat in eerste instantie patiënten van Medisch Centrum Biltstraat die in de periode 1 januari t/m 28 maart 2012 een medische ingreep hebben ondergaan in aanmerking komen voor screening op hepatitis B, hepatitis C en HIV (eerste ring). Wanneer een patiënt besmet blijkt met de meldingsplichtige infectieziekten hepatitis B of hepatitis C, is de GGD verantwoordelijk voor de uitvoering van een contactonderzoek. De GGD neemt in dat geval contact op met de patiënt om te inventariseren welke personen in de naaste omgeving mogelijk een risico lopen of gelopen hebben (tweede ring). De GGD adviseert de patiënt en zijn naasten hoe besmetting van hen te voorkomen is. HIV is geen meldingsplichtige ziekte. De internist-infectioloog van het UMCU zal in dit geval met de patiënt bespreken hoe om te gaan met personen in de naaste omgeving
Is de Inspectie voor de Gezondheidszorg betrokken geweest bij het interne onderzoek dat het ZBC heeft uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft het RIVM gevraagd het proces van reinigen, desinfecteren en steriliseren nader te onderzoeken, toen bij een bezoek op 28 maart 2012 bleek dat dit proces tekortkomingen liet zien. Het RIVM heeft aan de IGZ gerapporteerd. Op basis van dat rapport heeft de IGZ het Medisch Centrum Biltstraat geadviseerd om met externe deskundigen de lookback procedure in gang te zetten. Op basis van het advies van het UMC Utrecht en de GGD Utrecht heeft het MCB de lookback uitgevoerd.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen, indien blijkt dat er daadwerkelijk mensen besmet zijn geraakt?
Nee, daar zie ik op dit moment de noodzaak niet van in.
Het toezicht op pensioenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Onder verwijzing naar uw antwoord op eerdere vragen op het toezicht over pensioenen1, waarin u heeft aangegeven dat, wanneer een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden, werknemers een beroep kunnen doen op pensioenrechten en -aanspraken bij de uitvoerder en waarin u tevens opmerkt dat er in dat geval geen sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de pensioenuitvoerder ten opzichte van de uitvoerder, kunt u nader uitleggen wat dit betekent?
Dit betekent dat een werknemer recht heeft op een pensioenuitkering van de pensioenuitvoerder, ook al heeft de werkgever verzuimd om de werknemer aan te melden bij de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder kan de werkgever aansprakelijk stellen voor de geleden schade.
Waarop kunnen aanspraken die de desbetreffende werknemers op de pensioenuitvoerder hebben anders zijn gebaseerd dan op een civielrechtelijke verbintenis?
Het klopt dat de pensioenrechten en -aanspraken van de werknemer ten opzichte van de pensioenuitvoerder voortvloeien uit een civielrechtelijke verbintenis. De term «pensioenaanspraak» moet echter niet worden verward met (civielrechtelijke) aansprakelijkheid, waarbij sprake is van schuld of toerekenbaarheid.
Op welke gronden zijn de pensioenuitvoerders dan wel aansprakelijk voor het nakomen van de door de werkgever aan de niet aangemelde deelnemers gedane pensioentoezegging?
Ter bescherming van de niet aangemelde pensioenaanspraakgerechtigde stelt artikel 5 Pensioenwet (Pw) een aantal bepalingen van titel 17 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (Verzekering) buiten toepassing. Het gaat dan met name om bepalingen die de pensioenuitvoerder zouden beschermen indien die bepalingen niet buiten toepassing zouden zijn verklaard. Artikel 5 Pw beoogt dus te voorkomen dat een pensioenuitvoerder zich tegen een claim van een werknemer verweert (of kan verweren) met de stelling dat de werkgever (verzekeringnemer) zijn mededelingsplicht niet heeft nagekomen. Ook aan artikel 36 Pensioen- en spaarfondsenwet lag datzelfde uitgangspunt ten grondslag.
De niet aangemelde werknemer kan de pensioenuitvoerder direct aanspreken omdat hij rechtstreeks partij is geworden bij de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder. In die uitvoeringsovereenkomst bedingt de werkgever van de pensioenuitvoerder dat deze de pensioenovereenkomst uitvoert die de werkgever met de werknemer heeft gesloten. De uitvoeringsovereenkomst omvat dus een derdenbeding ten gunste van de werknemer, welk beding door de werknemer is aanvaard door het sluiten van de pensioenovereenkomst. 2
Op welke wijze zou een deelnemer dan wel zijn pensioenaanspraken en -rechten bij de pensioenuitvoerder en -rechten geldig moeten en kunnen maken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en op eerdere Kamervragen3, is de werknemer via een derdenbeding partij geworden bij de uitvoeringsovereenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder. De werknemer kan nakoming afdwingen door de pensioenuitvoerder.
Klopt de conclusie dat in de situatie waarin verhaal op de werkgever niet meer mogelijk is, omdat deze bijvoorbeeld niet meer bestaat, er sprake kan zijn van de verplichting voor een pensioenverzekeraar om uitkeringen te doen waarvoor nooit premie is ontvangen en ook nooit zal worden ontvangen, voor een risico waar de verzekeraar geen weet van had en ook redelijkerwijs geen weet van had moeten of kunnen hebben?
Ja, met dien verstande dat die conclusie niet alleen geldt voor verzekeraars, maar ook voor pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Het is juist de bedoeling dat de pensioenuitvoerder er zelf voor zorgt dat hij zorgvuldig onderzoek doet bij de werkgever of deze alle werknemers heeft aangemeld. Het risico ligt dus met opzet bij de pensioenuitvoerder.4
Zo ja, is dat dan niet ten principale strijdig met het karakter van een verzekering en de kernactiviteit van een verzekeraar, te weten het inschatten, afwegen en afdekken van risico’s? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het gaat hier naar mijn mening juist om inschatten, afwegen en afdekken van risico’s. Zoals De Nederlandsche Bank (DNB) ook in de vragen en antwoorden op de website heeft aangegeven, zullen pensioenuitvoerders moeten inschatten hoe groot het prudentiële risico is dat met artikel 5 Pw samenhangt en welke beheersingsmaatregelen daarvoor getroffen moeten worden.5 Een van de beheersingsmaatregelen zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de pensioenuitvoerder een accountantscontrole van de werkgever eist over de informatie die hij aanlevert. Verder kunnen verzekeraars voor de gevallen dat een werkgever failliet is eventueel een buffer aanleggen om de kosten, die met het niet aanmelden samenhangen, op te vangen.
Klopt de conclusie dat de pensioenverzekeraar in dergelijke gevallen gedwongen is een min of meer blanco cheque af te geven, daar de verzekeraar immers niet weet wat hij niet weet? (Met andere woorden: de verzekeraar weet niet hoeveel deelnemers met welke aanspraken er niet zijn aangemeld door de werkgever terwijl deze dat op basis van de uitvoeringsovereenkomst wel verplicht was te doen). Hoe beoordeelt DNB als toezichthouder van pensioenverzekeraars dit risico?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 kan een pensioenuitvoerder maatregelen nemen om het risico te beperken. Ook de beoordeling van het risico door DNB komt aan de orde in het antwoord op vraag 6.
Klopt de conclusie dat de positie van een pensioenverzekeraar in dezen principieel anders is dan die van een pensioenfonds, omdat een pensioenfonds kan afstempelen indien zich ineens niet bekende risico’s manifesteren en een pensioenverzekeraar niet? Is het waar dat daarom tijdens de parlementaire behandeling dit onderscheid wel nadrukkelijk is gemaakt?2
Nee. Als het gaat om aansprakelijkheid van pensioenuitvoerders in het geval een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden, is de positie van een pensioenverzekeraar niet principieel anders dan die van een pensioenfonds. Het klopt dat in de aangehaalde passage in de Kamerstukken is aangegeven dat pensioenfondsen meer mogelijkheden hebben om een premieachterstand in te halen of op te vangen. Deze passage heeft echter niet specifiek betrekking op de situatie dat een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden.
Zo ja, waarom wordt dit onderscheid dan ook niet gemaakt in het standpunt van DNB en in uw antwoord op de eerdere vragen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat het belang van de individuele deelnemer hier voorop dient te staan. Het is onwenselijk als het risico van een fout in het gegevensverkeer tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder afgewenteld wordt op individuele deelnemers. Gelet op het belang van de individuele deelnemer ligt het ook voor de hand dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen een pensioenfonds en een pensioenverzekeraar. Zoals in het standpunt van DNB en in mijn antwoorden op eerdere vragen is aangegeven, moet zoveel als mogelijk worden voorkomen dat de individuele deelnemer de dupe wordt van een fout in het gegevensverkeer.
Klopt de conclusie dat de door u in het antwoord op vraag 11 aangegeven gedachte van de pensioenwet dat zowel de pensioenwerkgever als de pensioenuitvoerder hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat er in het gegevensverkeer iets misgaat, in het amendement -De Vries3 was geborgd doordat de verzekeraar alleen dan niet aansprakelijk zou zijn indien de werkgever zijn verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet nakomt en de verzekeraar zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om de werkgever aan deze verplichting te laten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 9 heb aangegeven, gaat het er om dat voorkomen moet worden dat de individuele deelnemer de dupe wordt van een fout in het gegevensverkeer. Dit belang van de individuele deelnemer is naar mijn mening niet geborgd in het aangehaalde amendement De Vries.
Als door de huidige onzekerheid over deze wetgeving de situatie dreigt te ontstaan dat de verzekeraar zegt: u was niet aangemeld dus ga maar naar uw voormalig werkgever, terwijl de werkgever zegt: u was aangemeld dus claim maar bij de verzekeraar en e werknemer hierdoor straks niet weet waar hij aan toe is, kunt u dan ook bevestigen dat het voor de verzekerde ten allen tijde duidelijk zal zijn toe wie hij of zij zich moet wenden? Hoe gaat u dit regelen?
De werknemer kan in een dergelijk geval bij de pensioenuitvoerder een beroep doen op zijn pensioenrechten.8 De werknemer kan nakoming bij de pensioenuitvoerder afdwingen. Een uitzondering hierop is de situatie dat de werknemer toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat de pensioenuitvoerder niet geïnformeerd is (bijvoorbeeld fraude, misleiding).
Bent u bereid om bij de eerst mogelijke gelegenheid een wijziging van artikel 23 van de Pensioenwet voor te stellen conform de tekst van het amendement -De Vries zodat de Kamer zelf een oordeel kan uitspreken over de vraag of en in hoeverre pensioenverzekeraars aansprakelijk moeten zijn voor deelnemers en aanspraken of rechten die zij niet kennen en redelijkerwijs niet hadden kunnen kennen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met het oog op het belang van de individuele deelnemer, zoals toegelicht in het antwoord op de vragen 9 en 10, voel ik niets voor een wijziging van de Pw op dit punt.
De uitreiking van de huisjesmelkerprijs 2012 door ROOD |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Huisjesmelker wil wel cashen en verder niets»?1
Het is betreurenswaardig als verhuurders hun panden niet onderhouden,hun contractuele verplichtingen niet nakomen en zich ook overigens niet als een goed verhuurder gedragen. In hoeverre dit hier het geval is, kan ik niet beoordelen.
Gezien het feit dat de winnares van de Huisjesmelkerprijs haar woningen verwaarloost, servicekosten in rekening brengt voor niet geleverde diensten en huurders intimideert, welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke praktijken te voorkomen?
Er bestaan goede wettelijke mogelijkheden voor huurders om hun recht te halen. Huurders kunnen bij een geschil met hun verhuurder over de huurprijs, de geleverde diensten of de servicekosten een procedure starten bij de huurcommissie. De huurcommissie kan zich een oordeel vormen over de onderhoudstoestand en ook of overeengekomen diensten wel zijn geleverd. Is het onderhoud slecht, dan kan de huurcommissie besluiten tot een huurprijsverlaging. Zijn de diensten onvoldoende geleverd, dan kan de huurcommissie besluiten dat alleen de geleverde diensten hoeven te worden betaald. De verhuurder moet hiervoor namelijk jaarlijks een eindafrekening verzorgen richting huurder. Ook kan een huurder naar de kantonrechter om een goede nakoming van de huurovereenkomst te eisen. Uit het artikel waar naar wordt verwezen valt niet op te maken of de huurders, waarvan in ieder geval één er zes jaar blijkt te wonen, ooit gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een procedure bij de huurcommissie te starten.
Er zijn overigens ook gemeenten die huurders ondersteunen, de huurteams in Amsterdam zijn hier een voorbeeld van.
Mocht er sprake zijn van fysieke intimidatie, dan kan de huurder aangifte doen bij de politie.
Bent u bereid om een vergunningsplicht voor verhuurders in te voeren die het mogelijk maakt om de vergunning in te trekken bij slecht onderhoud, onrechtmatige verhuur, onrechtmatige servicekosten en intimidatie? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid een algemeen vergunningstelsel voor verhuurders in te voeren. Alle genoemde overtredingen kunnen worden aangepakt op basis van bestaande wet- en regelgeving. Een vergunningstelsel voor alle verhuurders leidt tot bureaucratie en hoge administratieve lasten.
Wel onderzoek ik op dit moment de mogelijkheden voor nieuwe maatregelen die ernstige vormen van huisjesmelkerij moeten kunnen aanpakken. In mijn brief van 20 maart 2012 heb ik u hierover geïnformeerd.
Overigens merk ik op dat de nieuwe maatregelen zich richten op ernstige vormen van huisjesmelkerij, waaraan de inzet van andere juridische middelen is vooraf gegaan (zoals bijvoorbeeld aanschrijving door de gemeente, het opleggen van een last onder dwangsom, etc.). Dit lijkt op basis van het persbericht in het onderhavige geval niet van toepassing.
Wanneer kunnen we het beloofde nieuwe wetsvoorstel inzake de aanpak van huisjesmelkers tegemoet zien?
De voorstellen worden uitgewerkt in overleg met de gemeente Rotterdam. Ook zullen andere gemeenten worden geconsulteerd. Gezien de verregaande aard van de voorstellen luistert de uitwerking nauw, en dat vergt tijd. Naar verwachting kunnen de voorstellen in de loop van het voorjaar van 2013 aan de Kamer worden aangeboden.
Hoe verhouden uw antwoorden op de vragen over het dreigend woningtekort in Metropoolregio Amsterdam van 24 april jl. zich tot de toezegging van de toenmalige minister van BZK bij de presentatie van het Actieplan studentenhuisvesting dat de genoemde 16 000 woningen bovenop de ambities vanuit de grote steden gerealiseerd zouden worden? Is hier sprake geweest van onjuiste informatieverstrekking?2 3 4
In de brief van 17 november 2011 over de ondertekening van het landelijk actieplan studentenhuisvesting (TK, 2011–2012, 33 104, nr. 1) is aangegeven dat de leden van Kences (de brancheorganisatie voor studentenhuisvesting) in het actieplan studentenhuisvesting de realisatie van 16 000 extra studenteneenheden hebben toegezegd. Tevens is in deze brief aangegeven dat in de grote steden studentenhuisvesting al een plek heeft gekregen in de collegeakkoorden en er samengewerkt wordt om tot realisatie van meer studentenhuisvesting te komen. In de antwoorden aan uw Kamer van 24 april jl. over het woningtekort in de metropool Amsterdam is dit herhaald en is aangegeven dat ook andere partijen buiten Kences studenteneenheden in Amsterdam realiseren om zo de gemeentelijke doelstelling van 9000 eenheden te behalen. Naar mijn overtuiging is hier dan ook geen sprake van onjuiste informatieverstrekking.
Het bericht Dubbel verdriet om verlies Danique |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dubbel verdriet om verlies Danique» en het bericht «Danique blijkt nergens recht op te hebben»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit verhaal schrijnend is?
Het moet zonder meer een vreselijke ervaring zijn om te bevallen van een doodgeboren kindje of van een kindje dat kort na de geboorte overlijdt. Dat ouders dit als een groot verdriet ervaren, kan ik mij goed voorstellen.
Waarom gelden er verschillende rechten voor ouders die hun kind verliezen na een verschillende zwangerschapsduur? Wat is het verschil tussen het verliezen van een kind na een zwangerschap van 22 weken, 25 weken of 40 weken?
De duur van de zwangerschap is van belang met betrekking tot de plicht tot begraven of cremeren zoals deze in de Wet op de lijkbezorging is geregeld. Als de zwangerschap voor het overlijden meer dan 24 weken heeft geduurd geldt zonder meer de plicht tot begraven of cremeren. Maar die plicht is er niet als een kindje na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken ter wereld is gekomen en vervolgens minder dan 24 uur heeft geleefd.
Wanneer binnen 24 weken van de zwangerschap een kind levenloos ter wereld komt, is de Wet op de lijkbezorging niet van toepassing. Er bestaat dan de keuze om zelf te beschikken over het lichaam van het doodgeboren kindje of om het kindje bij het ziekenhuis achter te laten. Met een doktersverklaring in de zin van artikel 11a van de Wet op de lijkbezorging kan het kindje worden begraven op een begraafplaats of worden gecremeerd.
Of de kosten van de uitvaart ook in dergelijke gevallen moeten worden vergoed, is een zaak tussen de verzekeraar en de ouders. Het hangt onder meer af van de polis die de verzekerden hebben gesloten. Het staat verzekeraars daarbij natuurlijk vrij om, in die gevallen dat er geen sprake is van een recht op vergoeding van uitvaartkosten, zelf een coulanceregeling te hanteren. Een uitvaartverzekeraar heeft inmiddels aangegeven haar leden, de verzekerden, te willen voorleggen of de toepassing van haar beleid ten aanzien van de grens van 24 weken als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen moet worden aangepast.
Op grond van een interne richtlijn verstrekt UWV pas een zwangerschaps- en bevallingsuitkering bij de grens van 24 weken zwangerschap. Heeft de werkneemster in de eerste 24 weken een miskraam of abortus dan heeft zij geen recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is in deze situatie dus niet van toepassing. Dat neemt niet weg dat een voortijdige bevalling – en daarmee een beëindiging van de zwangerschap – een fysieke en emotionele gebeurtenis is, die zich slecht kan verhouden tot het verrichten van werk. Gelet op de fysieke en mentale gevolgen die een voortijdige bevalling kan hebben op de werkende is dit een situatie die valt in de sfeer van ziekte. Bij ongeschiktheid tot werken ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling, geldt op grond van het Burgerlijk Wetboek in principe de loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever. Indien een werkneemster, voorafgaand aan dan wel volgend op het zwangerschaps- en bevallingsverlof, ziek wordt als gevolg van zwangerschap of bevalling, valt zij onder de bescherming van het vangnet van de Ziektewet. In dat geval bestaat recht op ziekengeld.
Daarnaast kent de Wet arbeid en zorg het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof ingeval van zeer bijzondere persoonlijke en bepaalde onbetaalde wettelijke verplichtingen die niet in iemands vrije tijd kunnen worden verricht zoals de aangifte van een geboorte van een kind en de aangifte van overlijden. Dit verlof geldt voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd en wordt voor 100% doorbetaald door de werkgever.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat er een situatie kan ontstaan waarbij ouders wel grafrechten en vergunningen dienen te betalen, terwijl er geen rechten worden toegekend op het gebied van vergoeding van begrafeniskosten en het ontvangen van verlof? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de reden dat ouders onder druk worden gezet om voor de 24 weken van de zwangerschap een beslissing te nemen, als het gaat om het vroegtijdig afbreken van de zwangerschap?
Ik kan niet beoordelen of er sprake is geweest van druk om de zwangerschap af te breken. Wel is het zo dat de wettelijke grens waarop een zwangerschap mag worden afgebroken op 24 weken is gesteld. Tot die tijd hebben ouders de tijd om te besluiten een zwangerschap vroegtijdig af te breken. Voor die beslissing is in de wet een minimale beraadtermijn van 5 dagen geregeld, ook na een 20 weken echo. Overigens kan na 24 weken wel een zwangerschap om medische redenen worden afgebroken, mits wordt voldaan aan de daarvoor geldende criteria.
Waarom krijgen ouders niet meer tijd om na te denken, de zwangerschap verder uit te dragen en te beslissen wat voor hen een goed moment van afscheid is, zodat ze zich daar beter op kunnen voorbereiden? Deelt u de mening dat het beter zou zijn als deze tijd er wel zou zijn?
Het staat ouders vrij om zoveel tijd te nemen als zij wensen voor hun afweging om een zwangerschap al dan niet af te breken. De Wet afbreking zwangerschap geeft echter 24 weken als grens waarop een zwangerschap nog mag worden afgebroken. Ik acht het niet wenselijk deze grens te verhogen. Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, is een zwangerschapsafbreking na die termijn mogelijk onder het daarvoor geldende regime.
Wat gaat u doen om de zorg voor ouders en het kind rondom de 20 weken echo te verbeteren, zodat kinderen een waardig afscheid kunnen krijgen en hun ouders de tijd krijgen om dit alles lichamelijk en psychisch een plekje te kunnen geven?
De vraag draagt de suggestie in zich dat de zorg rondom de 20 weken echo verbetering behoeft en dat het afbreken van een zwangerschap na de 20 weken echo een waardig afscheid van het kind niet mogelijk maakt. Beide suggesties kan ik niet onderschrijven. Wel ben ik van mening dat het verwerken van een dergelijk verdriet altijd veel tijd en energie van ouders zal vergen. Een termijn daarvoor is niet te geven.
Deelt u de mening dat de rol van de arts dienstbaar zou moeten zijn ten opzichte van de rol van de ouders? Zo ja, op welke manier kan deze rol beter ingevuld worden?
De arts die uiteindelijk een eventuele afbreking van de zwangerschap uitvoert, dient zich ervan te verzekeren dat er sprake is van een weloverwogen beslissing en dat de betrokkenen hiertoe volledig geïnformeerd zijn. Het al of niet afbreken van de zwangerschap is uiteindelijk dus een beslissing van de ouders. Ik heb geen aanwijzing dat artsen hun rol beter zouden moeten invullen.
Deelt u de mening dat dit bericht laat zien dat de abortusgrens hopeloos achterhaald is, en de abortusgrens niet in het belang van het kind en van de ouders is? Zo ja, bent u bereid de 20 weken echo buiten de werking en sfeer van de abortuswetgeving te halen?
De 20 weken echo staat los van de abortuswetgeving. Ik zie op dit moment dan ook geen aanleiding om de abortusgrens te verhogen dan wel te verlagen.