Kinderrechten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de TV-uitzendingen1 over kinderrechten in Nederland die de IKON deze zomer heeft uitgezonden, waarbij de laatste drie afleveringen (van 9, 16 en 23 augustus) over kinderen in Caribisch Nederland gingen? Herinnert u zich de aangenomen motie over de kinderrechten binnen het Koninkrijk?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de TV-uitzendingen en ja, ik herinner mij de motie over kinderrechten.
Heeft u contact met UNICEF (Nederland) over het onderzoek «Koninkrijkskinderen» dat zij verricht naar de situatie waarin de kinderen op deze eilanden opgroeien, en de uitdagingen die deze kinderen en hun ouders daarbij tegenkomen?
Er is ambtelijk contact met UNICEF (Nederland) over het onderzoek.
Erkent u de volledige verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van kinderrechten op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba conform het VN-Kinderrechtenverdrag? Zo ja, op welke wijze geeft u hier uitvoering aan? Bent u, conform de motie, met Curaçao, Sint Maarten en Aruba in overleg getreden om tot een gemeenschappelijke ontwikkeling en uitvoering van wetgeving en beleid, kennisuitwisseling, technische ondersteuning en kinderbescherming te komen? Zo ja, op welke wijze heeft u hier aan voldaan? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) ligt aan de basis van de missie van het jeugdbeleid in Caribisch Nederland, die samen met de jeugdorganisaties en bestuurders in Caribisch Nederland is vastgesteld. De missie voor de jeugdzorg in Caribisch Nederland luidt als volgt: «Elk kind moet gezond en veilig en met plezier kunnen opgroeien, zijn talenten kunnen ontwikkelen, goed voorbereid zijn op de toekomst en leren zelf ook een bijdrage te leveren aan de maatschappij».
Op basis van deze missie is, gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijksoverheid en de openbare lichamen voor een goed functionerend stelsel van preventieve voorzieningen, jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugdreclassering, wederom samen met verantwoordelijke partijen binnen de openbare lichamen van Bonaire, St. Eustatius en Saba, per eiland een plan gemaakt wat de eerste concrete uitvoeringsresultaten zouden moeten zijn. Dit plan betrof zowel preventie (een Centrum voor Jeugd en Gezin, verbetering jeugdgezondheidszorg, verbetering naschoolse opvang en vrijetijdsvoorzieningen) als jeugdzorgvoorzieningen en verbetering van de jeugdbescherming. Dit plan is vanaf 2009 uitgevoerd en de basisvoorzieningen zijn inmiddels gerealiseerd. De komende jaren vergt borging en kwaliteitsverbetering nog heel veel aandacht. Zo is recent op Bonaire, St. Eustatius en Saba een startconferentie gehouden over de aanpak van kindermishandeling. Vanuit de VWS-begroting is hiervoor structureel 3,5 mln. extra beschikbaar gesteld.
Zoals is vermeld in de brief van 23 januari 2012 (2011–2012, 33 000-IV, nr 55) is ieder land in het Koninkrijk zelf verantwoordelijk voor het beschermen van kinderrechten zoals dat is vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Met in inachtneming van deze eigen verantwoordelijkheid en gelet op de visie van Nederland op de samenwerking binnen het Koninkrijk ondersteunt de Nederlandse regering de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, binnen het Koninkrijk op het gebied van de kinderrechten onder meer door middel van de samenwerkingsprogramma’s. Het gaat dan bijvoorbeeld om leerplicht, het tegengaan van schooluitval, leerlingenzorg, actieve betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen, maar ook om armoedebestrijding, opvoedingsondersteuning, sport en verbetering van wijken. Daarnaast ondersteunt de Nederlandse Vertegenwoordiging in Aruba, Curaçao en Sint Maarten specifieke (kleine) subsidieaanvragen, onder meer op het gebied van kinderrechten.
Hoe verhoudt deze verantwoordelijkheid krachtens het VN-Kinderrechtenverdrag zich tot het onderscheid dat op veel punten wordt gemaakt – op basis van het Statuut en de WOLBES en het bestuurlijk akkoord – en dat direct invloed heeft op de toegang van kinderen en gezinnen tot basisvoorzieningen (zoals kinderbijslag)?
Voor Caribisch Nederland is gekozen voor maatwerk om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van de eilanden. Een belangrijk voorbeeld is de keuze voor de dollar in plaats van de euro. Ook bijvoorbeeld op het terrein van de zorg zijn specifieke oplossingen gekozen passend bij de lokale situatie. Discussies over gelijke behandeling worden vooral gevoerd in het kader van sociale voorzieningen zoals uitkeringen, kindertoeslag en huursubsidie. Het pakket aan regelgeving moet echter in zijn totaliteit worden beoordeeld. Zo is er gekozen voor een relatief simpel fiscaal stelsel met een hoge belastingvrije voet, een relatief lage vlaktax, maar dan ook geen compensaties via toeslagen en subsidies.
Is dit onderscheid in overeenstemming met de Nederlandse Grondwet (art. 1) en het VN-Kinderrechtenverdrag (art. 2)?
Artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (alle rechten gelden voor alle kinderen) en artikel 1 van de Grondwet regelt dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Voor Caribisch Nederland is er echter dikwijls geen sprake van gelijke behandeling omdat er geen sprake is van gelijke gevallen gezien de bijzondere omstandigheden op de eilanden en de regio waar zij zich bevinden. Ten aanzien van de eilanden is gekozen voor maatwerk, in veel gevallen op expliciet verzoek van de eilandbesturen zelf.
Op welke manier organiseert u – als coördinerend minister – de contacten tussen de vakministeries, om te waarborgen dat alle rechten van kinderen op de BES-eilanden worden gewaarborgd conform het VN Kinderrechtenverdrag?
Binnen de constructie waarvoor de wetgever heeft gekozen, is geen sprake van een coördinerende bewindspersoon. Sinds 10-10-10 zijn de individuele bewindspersonen ieder voor hun eigen beleidsterreinen in Caribisch Nederland verantwoordelijk. Net als zij dat zijn voor het Europese deel van ons land. De Nederlandse regering heeft het stokje overgenomen van de Nederlands-Antilliaanse regering en de Nederlandse ministeries dat van de Nederlands-Antilliaanse ministeries. In Den Haag beschikt ieder ministerie over een coördinator Caribisch Nederland. Deze heeft kennis van de eilanden en onderhoudt primair het contact met de vooruitgeschoven post van hun ministerie en met het eilandbestuur. De verschillende coördinatoren stemmen hun activiteiten bovendien in Den Haag af met de andere departementen. Hiertoe bestaat een interdepartementale werkgroep Caribisch Nederland en Koninkrijksrelaties. De minister van BZK heeft zich daarnaast richting de eilandbesturen bereid getoond voor hen coördinerend op te treden, in die zin dat zij gaarne bereid is de eilandbesturen te helpen bij het in contact komen met de juiste collega-bewindspersoon.
Ten aanzien van de zorg voor kinderen op Caribisch Nederland is Caribisch Nederland verantwoordelijk voor de preventieve zorg van de jeugd. De staatssecretaris van VWS draagt verantwoording voor de specialistische zorg.
Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en de openbare lichamen om te zorgen voor een goed functionerend stelsel van preventieve voorzieningen, jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Deelt u de eerste voorlopige conclusies die door verschillende deskundigen getrokken worden in de uitzendingen van Spraakmakende Zaken over kinderen op de BES-eilanden over de problemen waarmee zij geconfronteerd worden, zoals rond opvoeding, armoede, onderwijs, toekomstkansen en tienerzwangerschappen?
Mijn beeld is dat er de afgelopen jaren veel is verbeterd, maar dat er ook nog veel moet gebeuren. Zo zijn de afgelopen jaren Centra voor Jeugd en Gezin opgezet waar een brede opvoed- en opgroeiondersteuning wordt geboden. Daarnaast zijn de vrijetijdsvoorzieningen verbeterd, is de methodiek positief opvoeden (Triple P) geïntroduceerd, is jeugdzorg ontwikkeld (ambulante hulp, pleegzorg, tehuizen, kinder- en jeugdpsychiatrie) en is binnen het gedwongen kader de uitvoering van de gezinsvoogdij verbeterd en de voogdijraad verder geprofessionaliseerd3. Ook in de (jeugd)gezondheidszorg en het onderwijs is en wordt veel geïnvesteerd om de kwaliteit en de voorzieningen verder te verbeteren.
Bent u het eens met de constatering – zoals deze door deskundigen in Spraakmakende Zaken werd geuit – dat verschillende kinderrechten op de BES-eilanden niet gewaarborgd worden, zoals het recht op een adequate levensstandaard, het recht op ontwikkeling en ontplooiing, het recht op vrije- tijdsvoorziening, het recht op adequaat onderwijs en gezondheidszorg, het recht op bescherming tegen kindermishandeling en misbruik, etc., en wat gaat u hieraan doen?
Zoals ik eerder heb aangegeven is de missie voor het jeugdbeleid in Caribisch Nederland gebaseerd op het Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind. De daartoe ondernomen acties hebben aan de volbrenging van deze missie bijgedragen, maar ook in toekomst zullen acties nodig zijn.
Op welke manier onderhoudt u de komende periode contacten met zowel bewoners als gezagsdragers op Bonaire, Sint Eustatius en Saba over de situatie van kinderen aldaar?
De organisatie Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland onderhoudt regelmatig contact met de gezaghebbers op de drie eilanden. Via deze organisatie ontvang ik signalen over de voortgang van de verbeteringen op het gebied van de jeugd. Bewoners kunnen voor vragen over onder andere opvoed- en opgroeiondersteuning terecht bij de Centra voor Jeugd en Gezin.
Is de nu geschetste situatie van kinderen in Caribisch Nederland voor u aanleiding om uw beleid te veranderen? Zo ja, is de nu geschetste kinderrechtensituatie op Caribisch Nederland voor u aanleiding om concrete maatregelen te initiëren (vanuit verschillende ministeries), zoals op het gebied van armoedebestrijding, bescherming tegen en hulp bij kindermishandeling en geweld, vergroten van toekomstkansen voor kinderen, opvoedingsondersteuning en schoolse en naschoolse mogelijkheden?
Het structureel verbeteren van de positie van kinderen heeft mijn aandacht. De geschetste situatie is een bevestiging van de door mij ondernomen en voorgenomen acties.
Het Comité van de Verenigde Naties voor de monitoring van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind heeft in 2009 gewezen op de zorgelijke situatie van de kinderrechten in de toenmalige Nederlandse Antillen. Saba, Sint Eustatius en Bonaire hebben daarom al in 2008 met Nederland afgesproken om de jeugdaanpak tot één van de prioritaire thema’s te maken. In 2009 en 2010 zijn hiervoor extra middelen vrijgemaakt.
Samen met het lokale bestuur, de lokale instellingen en de Inspectie Jeugdzorg is er in de afgelopen jaren een behoorlijke verbetering aan voorzieningen gerealiseerd: het opzetten van een Centrum voor Jeugd en Gezin, de verbetering van vrije tijdsvoorzieningen voor jongeren vanaf 12 jaar, het ontwikkelen van jeugdzorg (ambulant, pleegzorg en residentiële zorg), verbeteren van de gezinsvoogdij en het versterken van de Voogdijraad. De acties op het gebied van de jeugdbescherming onderneem ik in nauwe samenspraak met de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie.
In navolging van de aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité, worden professionals opgeleid in een methodiek voor positief opvoeden (Triple P). Vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt dit najaar de Campagne voor Positief Opvoeden voor ouders georganiseerd.
De komende twee jaar richten we ons op de verbetering van de jeugdgezondheidszorg, het bieden van opvoedingsondersteuning aan ouders van tieners, het versterken van seksuele educatie, het begeleiden van tienermoeders, het bereiken van ouders in de buurten via buurtmoeders en een sluitende aanpak van kindermishandeling.
Deze doelstellingen worden door mij gemonitord via de subsidieafspraken.
In juni 2012 hebben er op Bonaire, Saba en St. Eustatius conferenties plaatsgevonden met alle ketenpartners over het onderwerp kindermishandeling. Deze conferenties waren het startschot om te komen tot een sluitende aanpak van kindermishandeling en het maken van werkafspraken, waarbij nadrukkelijk wordt gekeken naar de lokale behoeften en mogelijkheden van de eilanden.
Bent u bereid actie te ondernemen op basis van de aanbevelingen van het rapport «Koninkrijkskinderen» dat UNICEF begin 2013 uitbrengt, in samenwerking met verantwoordelijke ministeries en overheidsdiensten in Nederland en in Caribisch Nederland?
Ik kijk met belangstelling uit naar het verschijnen van het rapport van UNICEF. Ik wil nu nog niet vooruitlopen op de mogelijke inhoud van dit rapport, de aanbevelingen en de mogelijke actie die ik al dan niet in samenwerking met andere verantwoordelijke ministeries en overheidsdiensten zal nemen.
Neonazi's in Duitsland |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het verbod van drie rechts-extremistische «Kameradschaften»door de minister van Binnenlandse Zaken van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (NRW)?1
Ja.
Kent u ook de grootschalige politieactie die vanochtend is ingezet, waarbij meer dan 900 agenten in de gehele deelstaat (maar vooral in Aken, Dortmund en Hamm) 120 woningen en verenigingsgebouwen doorzoeken op verboden materialen, zoals wapens?
Ja.
Zijn dit verbod en deze acties een gevolg van de toename van de criminaliteit door extreem-rechts in NRW, waarbij het vorig jaar zou gaan om meer dan 3000 strafbare feiten?
De reden voor het verbod van de drie «Kameradschaften» was dat de activiteiten van deze neonazistische groeperingen ingingen tegen de Duitse democratische rechtsorde en de Duitse grondwet. Daarnaast werden de acties van de drie Kameradschaften steeds gewelddadiger. Rechts-extremisme is in NRW een relatief groot probleem met 1 517 gevallen van «Rechtsmotivierte» strafbare feiten in een half jaar. Deze acties en het verbod maken onderdeel uit van de aanpak van de minister van Binnenlandse Zaken in NRW, Jäger, om rechts-extremisme in NRW tegen te gaan.
Bent u bereid contact te zoeken met uw collega van NRW om te bezien of als gevolg van de doorzoekingen feiten boven water komen die zouden kunnen duiden op vertakkingen van deze neonazi organisaties naar Nederland dan wel van mogelijk in Nederland gepleegde of voorbereide strafbare feiten door extreem-rechts? Zo ja, zijn er reeds bestaande contacten met justitie in NRW of op het niveau van de Bondsrepubliek zodat er in samenwerking voor wordt gezorgd dat eventuele rechts-extremistische activiteiten zich niet vanuit Duitsland naar Nederland kunnen verspreiden? Zo ja, wat hebben die contacten aan informatie opgeleverd? Zo nee, wordt het dan niet hoog tijd deze contacten te leggen of te intensiveren?
Er is sprake van een goede en structurele samenwerking op het terrein van rechts-extremisme. Het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) werkt samen met het Bundeskriminalamt (BKA) en de Landeskriminalämter (LKA’s) waaronder LKA-NRW met als doel relaties en contacten tussen de Duitse en de Nederlandse rechts-extremistische «scene» te onderkennen en eventuele wetsovertredingen op te sporen. Ten aanzien van de acties van 24 augustus jl. is er uiteraard informatie uitgewisseld met het Bundeskriminalamt en de Landeskriminalämter, die echter geen aanleiding gaf voor vervolging. Mochten er in het verdere verloop van het onderzoek alsnog feiten boven tafel komen die verband houden met Nederland, dan zal hier actie op worden ondernomen.
Naast de voornoemde samenwerking op politiegebied, werkt de AIVD op dit terrein nauw samen met het Bundesamt für Verfassungsschutz. Zoals ook in het jaarverslag 2011 van de AIVD is vermeld, hebben ontwikkelingen in onder andere Duitsland in 2011 nauwelijks tot geen invloed gehad op het Nederlandse rechts-extremisme. Dit beeld is tot op heden onveranderd gebleven.
De kosten voor reizen van ambtenaren naar Saba, St. Eustatius en Bonaire |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel geld hebben de verschillende ministeries vanaf 1 januari 2010 uitgegeven aan reiskosten voor ambtenaren naar Saba, Statia en Bonaire?1 Kunt u dit overzicht voor 12 september naar de Tweede Kamer sturen?
Ik kan u geen overzicht van de totale reiskosten van alle departementen verschaffen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van elk afzonderlijk departement.
Voor wat betreft het ministerie van BZK is tussen 1 januari 2010 en 31 augustus 2012 een totaalbedrag van € 580 588,- uitgegeven aan reiskosten van ambtenaren naar Caribisch Nederland.
Is het waar dat Saba bezoek heeft gehad van ambtenaren voor de implementatie en controle van regels met betrekking tot tv-media, terwijl dit eiland helemaal geen tv-media heeft? Deelt u de opvatting dat ook heel veel andere reizen niet noodzakelijk zijn geweest, omdat de regels die ambtenaren zouden moeten implementeren en controleren niet voor deze eilanden van toepassing zijn?
Ja, dit is inderdaad het geval geweest bij de reis van het Commissariaat voor de Media. Alle eilanden van Caribisch Nederland zijn bezocht omdat de Rijksdienst Caribisch Nederland adviseerde het bezoek niet te beperken tot Bonaire. Er is uitleg gegeven over de nieuwe wetgeving en het toezicht. Bij de eilandbestuurders van Saba bestonden vragen over distributie en jurisdictie van televisie op het eiland. Inmiddels heeft de Minister van OCW afgesproken met het Commissariaat voor de Media hier zeer terughoudend mee om te gaan en andere manieren van communicatie te benutten. Ik deel daarmee niet de mening dat veel reizen niet noodzakelijk zijn geweest. Gezien de taken en verantwoordelijkheden die departementen hebben sinds 10 oktober 2010 is het nodig dat er af en toe door Rijksambtenaren naar Caribisch Nederland wordt gereisd.
Deelt u de opvatting dat overbodige reizen door ambtenaren vele miljoenen euros kosten en dat dit geld veel beter geïnvesteerd kan worden in de bewoners op de eilanden?
Ik deel de opvatting niet dat er vele miljoenen euro’s aan overbodige reizen worden gespendeerd. Het is ook niet zo dat de gemaakte reiskosten ten koste gaan van de middelen die beschikbaar zijn voor Caribisch Nederland.
Deelt u de opvatting dat onnodig gereis door ambtenaren ook het gevolg is van de staatsrechtelijke constructie dat deze eilanden grotendeels bestuurd worden vanuit ministeries, waar ambtenaren veel verstand hebben van regels, maar niet van lokaal bestuur?
Er is bij de toetreding van de eilanden van Caribisch Nederland tot het Nederlands staatsbestel een duidelijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden afgesproken. Dat houdt in dat Caribisch Nederland voor een belangrijk deel door de eilanden zelf bestuurd wordt. Waar het gaat om de Rijkstaken zijn de departementen zelf verantwoordelijk voor de uitvoering.
Deelt u de opvatting dat het veel beter zou zijn als op de eilanden enkele mensen aanwezig zouden zijn met veel ervaring in kleinschalig lokaal bestuur, die veel minder bezig zijn met het handhaven van regels en veel meer met het oplossen van praktische problemen?
Zie antwoord vraag 4.
Het ontslag van klokkenluider bij VU Medisch Centrum |
|
Ineke van Gent (GL), Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat longarts, hoogleraar Postmus, door het bestuur van VU Medisch Centrum is ontslagen, omdat hij de patiëntveiligheid in het ziekenhuis bij de Raad van Toezicht en de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan de kaak heeft gesteld?1
Nee, het bericht dat het afdelingshoofd longziekten van het VUmc, Prof.dr. P.E. Postmus, zou zijn ontslagen klopt niet. De raad van bestuur van het VUmc heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) er op 22 augustus 2012 telefonisch van op de hoogte gebracht dat de heer Postmus per direct op non-actief was gesteld omdat hij zich volgens de raad van bestuur niet aan bepaalde afspraken had gehouden. Het gaat hier om een arbeidsrechtelijke zaak waarvan de inhoud mij niet bekend is. In het kader van het lopende verscherpt toezicht zal de inspectie het toezicht op hoe het VUmc omgaat met interne en externe meldingen van zorgpersoneel en of daarbij wordt voldaan aan de geldende normen en wettelijke vereisten, intensiveren.
Hoe beoordeelt u dit ontslag? Wat vindt u ervan dat de Raad van Bestuur van VU Medisch Centrum dit ontslag probeert te verkopen als één van de eerste verbetermaatregelen? Voor wie is het ontslag van deze arts precies een verbetering, en deelt u de mening dat dit ontslag meer lijkt op een afrekening, gezien Postmus» eerdere terechte verzet tegen heimelijke video-opnames op de eerste hulp van tv-producent Eyeworks? Deelt u voorts de mening dat dit ontslag waarschijnlijk tot gevolg zal hebben dat andere vermoedelijke misstanden niet meer gemeld zullen worden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, is in de situatie van de heer Postmus geen sprake van ontslag. Ten aanzien van het door zorgprofessionals melden van (vermoedelijke) misstanden in de zorg bij de IGZ vind ik het essentieel dat dit in vrijheid moet kunnen gebeuren. Eén van de veertien maatregelen uit het IGZ-rapport van november 2011 over het VUmc vat dit standpunt goed samen (citaat): «Calamiteiten dienen onverwijld aan de inspectie te worden gemeld. De raad van bestuur dient de meldingsprocedure toe te passen in lijn met de wet, waarbij er in geval van een patstelling vrijheid is voor professionals, mits intern aangekaart, om zelfstandig bij de inspectie melding te doen van een (vermoedelijke) calamiteit.» De IGZ kijkt in het kader van het verscherpt toezicht ook naar het in praktijk brengen van deze maatregel.
Overigens hebben veel zorgaanbieders afspraken over hoe dient te worden omgegaan met interne en externe meldingen. Dergelijke afspraken of regelingen dragen er in principe aan bij dat zorgorganisaties zorgvuldig omgaan met een vermoeden van een onregelmatigheid of misstand. Echter, wanneer dergelijke regelingen of afspraken tot gevolg hebben dat medewerkers beperkt worden in hun meldingsvrijheid, of misstanden niet aan de raad van toezicht of de IGZ zouden mogen melden zonder dat het bestuur daarmee akkoord gaat, dan vind ik dat ongewenst. Het is belangrijk dat zorgaanbieders transparant zijn naar de toezichthouder. Het mag al helemaal niet gebeuren dat een medewerker wordt gestraft vanwege het informeren van de IGZ. Een veilige bedrijfscultuur waarbij het melden van misstanden door zorgpersoneel juist wordt bevorderd, dient door zorgverleners gezien te worden als een vast onderdeel van het leveren van kwalitatief goede en veilige zorg.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden er voor medici en verplegend personeel bestaan om vermoedelijke misstanden bespreekbaar te maken, welke procedures daarvoor gelden en welke bescherming medici en verpleegkundigen als klokkenluiders genieten?
Medici en verplegend personeel kunnen (vermoedelijke) misstanden altijd melden bij de IGZ, ook anoniem. Anonieme meldingen worden door de IGZ geregistreerd als signaal en zijn een belangrijke informatiebron voor de inspecteurs bij het toezicht op de kwaliteit van zorg. Bij (on)aangekondigde bezoeken aan instellingen houden zij rekening met deze signalen. Als de ernst van de melding daar aanleiding toe geeft, start de inspectie direct een onderzoek. Dit met bescherming van de eventueel betrokken klokkenluider(s).
De Brancheorganisaties Zorg (BoZ) hebben in 2010 een modelregeling klokkenluiden opgesteld. Deze regeling draagt eraan bij dat zorgorganisaties zorgvuldig omgaan met een vermoeden van een onregelmatigheid of misstand. In deze regeling wordt beschreven hoe er moet worden omgegaan met interne en externe meldingen. Dit initiatief is door de zorgsector zelf opgezet waardoor het op voldoende draagvlak kan rekenen van de zorginstellingen. Voldoende draagvlak is van essentieel belang om binnen zorginstellingen een open en veilige bedrijfscultuur te bewerkstelligen, waar het management open staat voor feedback van de werkvloer en medewerkers het gevoel hebben dat zij gehoord worden. Met een dergelijke bedrijfscultuur zullen mogelijke misstanden sneller worden opgelost, waardoor de zorginstelling goede zorg kan blijven verlenen. De leden van Actiz, GGZ Nederland, NFU, NVZ en VGN moeten op grond van hun lidmaatschap voldoen aan de Zorgbrede Governancecode en de modelregeling klokkenluiden die daar onderdeel van is. Deze brancheorganisaties beslaan een groot deel van de zorgaanbieders in Nederland.
Voorts start per 1 oktober 2012 het Adviespunt Klokkenluiders. Dit is een onafhankelijk advies- en verwijspunt voor klokkenluiders die werken bij de overheid of in de private sector. Het Adviespunt Klokkenluiders adviseert en ondersteunt klokkenluiders.
Vindt u de bescherming van klokkenluiders in de gezondheidszorg adequaat geregeld? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen neemt u zich voor om deze bescherming substantieel te verbeteren?
Zie mijn antwoord op vraag 3. In aanvulling hierop: tijdens het Algemeen Overleg over de IGZ van 28 februari dit jaar heb ik u toegezegd na te gaan hoe de IGZ omgaat met de bescherming van klokkenluiders. De manier waarop de IGZ omgaat met de meldingen van zorgpersoneel is onderdeel van het lopende dossieronderzoek bij de IGZ van mw. Sorgdrager. De wijze waarop zorgprofessionals die een klacht bij de IGZ indienen worden beschermd is onderdeel van het eveneens thans lopende onderzoek naar de IGZ door dhr. Van der Steenhoven. De resultaten van de onderzoeken worden dit najaar aan de Kamer gezonden.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar de gang van zaken van dit ontslag en de Kamer daarover te informeren?
Gezien mijn antwoorden op de vragen 1 en 2 is het instellen van een dergelijk onderzoek niet opportuun. Overigens heeft de raad van toezicht van het VUmc aangegeven een onderzoek te zullen instellen met als doel het eigen functioneren in relatie tot de problemen bij het VUmc te evalueren. Dit onderzoek zal door externen worden uitgevoerd, het is op het moment van schrijven nog niet bekend wie dit onderzoek gaat uitvoeren.
De gevolgen van het vernieuwde jobcoachprotocol |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van de heer B. aan het UWV over de gevolgen van het vernieuwde jobcoachprotocol? 1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het nieuwe protocol is afgesproken dat de begeleiding van cliënten in principe na 3 jaar wordt beëindigd, maar dat er voor mensen die niet zonder begeleiding kunnen een uitzondering wordt gemaakt?
Ja.
Kunt u aangeven welke criteria het UWV hanteert om te beoordelen of er terecht een beroep wordt gedaan op de uitzonderingsclausule?
De opgenomen uitzonderingsclausule ziet op een situatie waarbij de werknemer door omstandigheden, tijdelijk nog niet in staat is zonder begeleiding door een jobcoach de functie uit te oefenen.
Klopt het bericht dat het UWV in de praktijk een gemotiveerd beroep op de uitzonderingsclausule nauwelijks honoreert, en dat het gevolg hiervan is dat werkgevers niet meer bereid zijn om wajongeren, die op zich goed functioneren, een vast dienstverband te geven en worden ontslagen?
Het afwijzingspercentage voor de voorziening jobcoaching in de periode 1 juli 2011 – 1 juli 2012 is in vergelijking tot het afwijzingspercentage voor de periode 1 juli 2010 – 1 juli 2011 nauwelijks gewijzigd. Het beeld dat op grote schaal voorzieningen jobcoaching worden beëindigd door het nieuwe Protocol is niet terug te zien in de cijfers.
Van de 2 543 mensen die vanaf het laatste halfjaar van 2008 voor maximaal 6 of 7 periodes (= 3 tot 3,5 jaar) jobcoaching toegekend hebben gekregen heeft 81% (2 064 mensen) op 1 juli 2012 nog een lopend dienstverband. 19% (479 personen) is niet meer aan het werk.
Het beeld dat in de periode sinds de aanpassing van het Protocol mensen en masse ontslagen worden op het moment dat de maximale termijn voor de inzet van jobcoaching verstreken is wordt door deze cijfers niet bevestigd. Uit eerder onderzoek blijkt dat jonggehandicapten over het algemeen veelvuldig van baan wisselen, vooral omdat zij vaak op basis van tijdelijke contracten werkzaam zijn. Jonggehandicapten kennen een grotere mobiliteit op de arbeidsmarkt. Daarnaast speelt mee dat het moment van het vervallen van de voorziening jobcoach na drie opeenvolgende jaren vaak samenvalt met het moment waarop een werkgever moet beslissen of een reeks van tijdelijke aanstellingen wordt omgezet in een vast dienstverband.
Deelt u de mening dat dit een ongewenst effect is van het jobcoachprotocol, en dat de uitzonderingsclausule moet worden toegepast als er een gemotiveerd beroep op wordt gedaan voor mensen die niet zonder begeleiding kunnen? Zo ja, wilt u dan bewerkstelligen dat het UWV vaker gebruik gaat maken van deze uitzonderingsclausule? Zo neen, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat mensen die niet zonder begeleiding kunnen worden ontslagen?
Nee, zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u in dit verband van het voorstel van de heer B. om voor de groep werknemers die een langdurige begeleidingsbehoefte heeft een lump sum beschikbaar te stellen, gebaseerd op gemiddeld 7 tot 8 uur begeleiding per week, zodat persoonlijke ondersteuning mogelijk blijft?
Het doel van de jobcoach is dat mensen op termijn zelfstandig en zonder begeleiding bij een werkgever aan de slag kan. De heer B. geeft in zijn brief aan dat het hier een groep betreft met een permanente begeleidingsbehoefte. Daar de voorziening jobcoach enkel ingezet wordt voor tijdelijke ondersteuning, komt deze groep daarmee niet in aanmerking voor de voorziening jobcoach. Ik heb mij overigens voor de zomer ingezet om voor deze groep de mogelijkheid van permanente steun te bieden. Het wetsvoorstel Werken naar vermogen voorzag hierin.
Ambulances die nog steeds niet over de busbaan mogen rijden |
|
André Elissen (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 17 augustus 2012 van de minister van Infrastructuur en Milieu1 waarin aangegeven wordt dat een reactie op de motie-Elissen2 van 2 november 2011 zo spoedig mogelijk na het reces komt?
Ja.
Heeft u wel kennisgenomen van genoemde motie, waarin de regering wordt verzocht te bewerkstelligen dat ambulances in Nederland kunnen rijden en stilstaan waar de bestuurder dit noodzakelijk acht (dus ook op een busbaan) als dit bevorderlijk is voor bijvoorbeeld betere ambulancespreiding of comfortabeler vervoer van patiënten? Zo ja, waarom is deze motie dan nog niet uitgevoerd?
Ja. Tot mijn spijt heeft een reactie op de motie en de beantwoording van de vragen van lid Wiegman veel overleg gekost, waardoor vertraging in de afhandeling is opgetreden. Inmiddels is een reactie op de motie aan de Tweede Kamer gezonden.
Zie hiervoor de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu met (Kamerstuk II 33400-XII, nr.7). Hierin wordt ook beschreven dat voor uitvoering van de motie geen wijziging in de regelgeving nodig is.
Deelt u de mening dat uitvoering van de motie erg lang duurt en dat de regering weinig voortvarend is bij het uitvoeren van de voornoemde motie, die werd ondersteund door alle fracties in de Tweede Kamer behalve de VVD?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom het uitvoeren van de motie zo veel tijd kost? Op welke termijn en welke wijze denkt u de motie uit te voeren? Kunt u dit antwoord toelichten en onderbouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Het sluiten van dagbestedinglocaties in Drenthe als gevolg van de bezuinigingen op de vervoerkosten voor gehandicapten |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Herinnert u zich de Kamervragen die ik stelde naar aanleiding van de bezuinigingen op de vervoerkosten van gehandicapteninstellingen?1 Herinnert u zich ook dat u in uw antwoorden aangaf dat instellingen in overleg met de cliënten voor vervoer moeten zorgen?1
Ja, ik herinner mij dat.
Hoe rijmt u dit antwoord met het bericht dat de zorginstelling Noorderbrug heeft besloten in ieder geval de locaties Werklocatie Frederiksoord, Activiteitencentrum Meppel, Zorgboerderij Boyemaheerd en Werken Grootegast te sluiten, met als reden de bezuinigingen op de vervoerkosten?3
Mij is bekend dat de Noorderbrug al langer kijkt naar de organisatie van dagactiviteiten, reeds lange tijd voor de maatregel «Vervoerskosten». Zo is onder andere te lezen in hun jaardocument 2010 en 2011. Ook in het blad NB! jaargang 2011 (Noorderbrug) is te lezen dat er op 9 december 2010 een speciale themasessie getiteld «balanceren tussen kwaliteit en betaalbaarheid», is gewijd aan de noodzaak voor «een heroriëntatie op het gebied van dagactiviteiten».
Op pagina 28 van het jaardocument 2011 is ondermeer te lezen: «In 2011 zijn voorbereidingen getroffen voor het sluiten van niet rendabele activiteitencentra, waarbij principiële keuzes gemaakt zijn op weg naar de invoering van de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de Wet Werken naar Vermogen (WVnV). Een zinvolle dagbesteding kan veelal ook in samenwerking met bedrijven of welzijnsinstellingen vormgegeven worden en hoeft niet permanent in een activiteitencentrum plaats te vinden.» (einde citaat) Op pagina 42 van het jaarverslag is te lezen dat: «In 2012 zullen de resultaten van de reorganisatie van het primair proces en het sluiten van niet rendabele centra zichtbaar zijn.» (einde citaat).
Instellingen richten hun eigen organisatie in en kunnen dat autonoom en naar eigen doen inzicht doen.
Hebben de cliënten die gebruik maken van deze locaties nog enig recht van spreken, behalve dat ze tegen dit voorgenomen besluit van de Raad van Bestuur kunnen protesteren bij de cliëntenraad? Kan de cliëntenraad een voorgenomen besluit van de Raad van Bestuur terugdraaien, of kunnen ze alleen een negatief advies uitbrengen dat de Raad van Bestuur naast zich neer kan leggen? Hebben individuele cliënten in dergelijke situaties nog een andere manier om hun dagbesteding te behouden, of trekken ze waarschijnlijk toch aan het kortste eind? Wat is uw oordeel over de positie van de cliënt in dit geval?
De Noorderbrug hecht, zoals zij dat zelf formuleert in het jaarverslag 2011 «grote waarde aan medezeggenschap, omdat dit past bij de missie, visie en kern-waarden.» (einde citaat) Ik heb geen reden om te veronderstellen dat de Noorderbrug niet op een zorgvuldige manier omgaat met (de ook formeel geborgde positie van) haar cliënten en de cliëntenvertegenwoordigers.
Had u bij de afspraken in het Kunduz-akkoord niet kunnen voorzien dat dit het gevolg zou kunnen zijn? Had u dat idee ook nog niet na het algemeen overleg over de Toekomst van de AWBZ, vlak voor het zomerreces?4
Mijn verwachting was en is dat instellingen – op grond van onderliggende rapporten – eerst gaan kijken wat ze zelf kunnen verbeteren respectievelijk hoe ze de consequenties van de daling van inkomsten kunnen opvangen in hun bedrijfsvoering. Daarvoor is er ook ruimte. Geconstateerd is immers dat er grote verschillen zijn tussen instellingen in hun kostprijzen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Daarbij was ook de constatering dat de huidige regeling voor een instelling weinig reden was om doelmatig vervoer te organiseren, omdat ze de kosten nagenoeg geheel vergoed kregen. Een slag waarbij instellingen kritisch kijken naar de organisatie ligt voor de hand.
Vervolgens zullen er instellingen zijn die wel uitkomen met de vergoedingen (er zijn er die dit nu al kunnen) en zullen er instellingen die niet (direct) uitkomen. Dat laatste kan ook een bewuste keuze zijn van de instelling, bijvoorbeeld om geld die men op andere posten overhoudt, in te zetten voor vervoer. Ik ben nadrukkelijk niet verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering c.q. bevoegd op het terrein van de individuele instelling.
Wat bedoelde u precies toen u in genoemd overleg op dit onderdeel als antwoord op mijn vragen zei dat u de maatregel « met coulance» zou uitvoeren?4 Hoe gaat u deze coulance in dit concrete geval toepassen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat bedoelde u toen u in dit overleg tevens zei dat u schrijnende gevallen wilde voorkomen?4 Vallen de mensen in de bovengenoemde dagbestedingslocaties, die hun dagbesteding waar ze al jaren naar toe gaan verliezen, onder de kwalificatie «schrijnend geval»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich dat In het algemeen overleg over de Toekomst van de AWBZ ook de 150 miljoen euro aan bezuinigingen van de Kunduz-coalitie is behandeld, en dat u in reactie op mijn vragen heeft bevestigd dat de getroffen instellingen de bezuinigingen niet per se hoeven op te halen uit hun vervoerkosten? Kunt u laten nagaan hoe de instelling Noorderbrug met deze uitvoeringsruimte is omgegaan? Heeft u de mogelijkheid de korting op de vervoerkosten te beschouwen als een generieke korting laten weten aan alle zorginstellingen die met deze maatregel zijn geconfronteerd?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn u ook andere zorginstellingen bekend die hun cliënten hebben laten weten dat hun dagvoorziening zal verdwijnen, en dat ze op zoek moeten naar iets anders? Zo ja, welke instellingen zijn dat?
Nee, deze zijn mij thans niet bekend.
Zijn er bij u al signalen bekend over wachtlijsten voor voorzieningen die wel open kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 8.
De commissie-Alders inzake selectiviteit op Schiphol |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de commissie-Alders, die onder andere moet adviseren over de selectiviteitscriteria op Schiphol?1
Ja. Ik wil er daarbij overigens op wijzen dat deze commissie niet adviseert over nieuwe selectiviteitscriteria. In 2008 is een gezamenlijke visie over de selectieve ontwikkeling van Schiphol vastgelegd in het Aldersakkoord en daarna bevestigd in de Luchtvaartnota die in 2011 met de Kamer is besproken. De nu ingestelde commissie heeft de opdracht te toetsen hoe de gezamenlijke visie over de selectieve ontwikkeling van Schiphol in de praktijk wordt ingevuld. Verder zal de commissie bezien wat de implicaties zijn van deze gezamenlijke visie voor de investeringen in de mainport Schiphol in de komende jaren en wat de gevolgen zijn voor de tariefontwikkeling. Voor de geformuleerde opdracht aan de ingestelde commissie onder voorzitterschap van de heer Alders verwijs ik u naar de bijlage.
Waarom zit er slechts één luchtvaartmaatschappij – KLM – in deze commissie?
KLM heeft Schiphol als thuisbasis en als kern van haar netwerk van Europese en intercontinentale verbindingen. Ook is KLM met ca. 50 % van het aantal vliegbewegingen (en ca. 70% wat betreft KLM Groep en (Skyteam-) partners) en 71 % van het aantal passagiers verreweg de grootste luchtvaartmaatschappij op Schiphol. Het uitgebreide netwerk van KLM is in hoge mate bepalend voor de hubpositie van Schiphol. Veel buitenlandse passagiers gebruiken Schiphol als transferluchthaven. Door de transferpassagiers kan de KLM directe verbindingen onderhouden die anders economisch niet rendabel zouden zijn. Hierdoor is vanaf Schiphol een breed scala van bestemmingen over de gehele wereld beschikbaar. Vanwege de onderlinge afhankelijkheid van Schiphol en KLM is een optimale samenwerking tussen Schiphol en KLM vanuit een gezamenlijke visie daarom van groot belang. De samenstelling van de zogenaamde «Commissie shared vision» onder voorzitterschap van de heer Alders dient tegen die achtergrond te worden gezien. Het gaat hier om een tijdelijke commissie die al op korte termijn advies moet uitbrengen. Voor alle duidelijkheid wijs ik er op dat deze commissie los staat van de zogenaamde Alderstafel Schiphol waar sinds 2007 door regionale bestuurders, de luchtvaartpartijen en bewonersvertegenwoordigers wordt geadviseerd over de balans tussen de groei van de luchtvaart op Schiphol, de hinderbeperking en de kwaliteit van de leefomgeving.
Deelt u de mening dat het beeld kan ontstaan van een eenzijdig samengestelde commissie? Hoe kunnen op deze manier alle belangen op een goede manier meegewogen worden? Bij selectiviteit gaat het toch bij uitstek om het afwegen van belangen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 aangegeven, houdt de commissie zich niet bezig met de ontwikkeling van nieuwe selectiviteitscriteria, maar gaat het om toetsing hoe de gezamenlijke visie over selectiviteit in de praktijk wordt ingevuld en wat de implicaties van deze visie zijn voor de investeringen en tariefontwikkeling op Schiphol. Zoals in het antwoord op vraag 2 gemeld, heeft KLM als homecarrier en belangrijke pijler van de mainport een bijzondere positie. Ik wijs erop dat bij de uitwerking van de wijziging van de tariefregulering, over de hoofdlijnen waarvan ik de Kamer bij brief van 4 april 2012 heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 231, nr. 1), naast KLM ook andere luchtvaartmaatschappijen betrokken zijn. Onderdeel hierbij is verbetering van de consultatie van luchtvaartmaatschappijen en ook introductie van meerjarenafspraken over de luchthaventarieven waarbij ook de meerjarige investeringsplannen van Schiphol met alle luchtvaartmaatschappijen worden besproken.
Bent u bereid om de samenstelling van de commissie-Alders uit breiden met andere luchtvaartmaatschappijen?
In het licht van de antwoorden op de vragen 1 tot en met 3 vind ik het niet nodig om de samenstelling van de Commissie shared vision te wijzigen.
Deelt u de mening dat de instelling van deze commissie ingaat tegen de gedachte van de aangenomen motie-Graus c.s2, om ook andere luchtvaartmaatschappijen te betrekken bij de Alderstafel?
Nee, deze mening deel ik niet. Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven is de opdracht van de commissie een andere dan de opdracht die de Alderstafel Schiphol heeft. Over de aangenomen motie Graus c.s. heb ik u op 21 november 2011 (Kamerstuk 31 936, nr. 101) en op 8 mei 2012 (Kamerstuk 31 936, nr. 111) geïnformeerd. Zoals ik u heb aangegeven heeft de heer Alders naar aanleiding van de motie gesprekken gevoerd met de betrokken partijen, waarna ik op basis van de uitkomsten heb geconcludeerd dat een voldoende representatieve afvaardiging van de sectorpartijen aan de Alderstafels is ontstaan.
Deelt u de mening dat niet alleen KLM, maar ook andere luchtvaartmaatschappijen, zoals EasyJet, kunnen bijdragen aan de mainport en aan de economie en de werkgelegenheid in het algemeen?
Uiteraard dragen ook andere luchtvaartmaatschappijen bij aan de mainportpositie en economie. In de Luchtvaartnota wordt ingegaan op het belang van diverse soorten van luchtvaartmaatschappijen en luchtvervoer voor de economie, vestigingsplaatsfunctie en netwerkkwaliteit. Daarbij wordt wat dit betreft ook het belang erkend van zogenaamd «point-to-point» verkeer op (zakelijke) Europese bestemmingen, waaronder low-cost maatschappijen.
Is het waar dat bijvoorbeeld EasyJet niet alleen een prijsvechter is, maar relatief meer zakelijke reizigers (30%) heeft dan KLM, en op die manier bijdraagt aan de economie?
KLM als Easyjet vervoeren allebei zowel zakelijke reizigers als passagiers met andere reismotieven. Ik heb geen gegevens over de samenstelling van het vervoer van luchtvaartmaatschappijen. In 2011 maakten bijna 50 miljoen passagiers gebruik van de luchthaven Schiphol. De KLM Groep en partners vervoerden hiervan 35,4 miljoen passagiers en Easyjet 3,4 miljoen passagiers3. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Is het waar dat concurrentie op meer verbindingen gunstig is, omdat daardoor de tarieven omlaag gaan, waardoor Nederland (financieel gezien) beter bereikbaar is, wat goed is voor de netwerkkwaliteit en de economie?
In een open markt kan in het algemeen worden gesteld dat vergroting van het aantal aanbieders bijdraagt aan lagere prijzen. In de luchtvaart ligt dit echter vaak gecompliceerder. De internationale luchtvaartmarkt is (buiten de EU) nog steeds grotendeels gebaseerd op een stelsel van bilaterale verdragen of EU-verdragen met derde landen. Hierdoor zijn er onder andere beperkingen wat betreft vestigingsplaatsen en bestemmingen. Alleen een in Nederland gevestigde luchtvaartmaatschappij kan daarom vanaf Schiphol een netwerk op mondiale schaal onderhouden. Daarom moet concurrentie op meerdere niveaus worden bezien en moet onderscheid worden gemaakt tussen effecten op korte en langere termijn. Zo kan een aantasting van het «feeder» netwerk (bijvoorbeeld op een aantal Europese bestemmingen) van een intercontinentaal opererende alliantie er toe leiden dat ook intercontinentale verbindingen op een bepaalde «hub» moeten worden gereduceerd door teruglopend passagiersaanbod. Hierdoor kan een negatieve spiraal ontstaan, waardoor steeds meer verbindingen onrendabel worden en uitvallen, de hubpositie wordt ondermijnd en de netwerkkwaliteit en bijdrage aan de economie op termijn per saldo terugloopt.
Is het waar dat waar geen concurrentie is, zoals op de verbinding Amsterdam-Paramaribo (KLM-SLM), de tarieven absurd hoog zijn, wat slecht is voor de netwerkkwaliteit en de bereikbaarheid van Nederland? Kunt u uw bevoegdheden uit het Luchtvaartverdrag inzetten om deze tarieven te verlagen? Zo nee, waarom niet?
Waar geen concurrentie is kan misbruik van een machtspositie ontstaan. Mijn beleid is er dan ook op gericht om een optimale marktwerking te bevorderen. Wat betreft de verbinding Amsterdam-Paramaribo kan ik u melden dat Nederland in samenspraak met Suriname in 2004 het aantal luchtvaartmaatschappijen dat op deze route mag opereren, heeft uitgebreid van één naar drie maatschappijen per land, waardoor de concurrentiemogelijkheden aanzienlijk zijn verbeterd. Deze mate van liberalisatie is afdoende om de specifieke luchtvaartmarkt Suriname – Nederland in de komende jaren te dekken. Daarbij staat het luchtvaartmaatschappijen op grond van het luchtvaartverdrag tussen Suriname en Nederland vrij om zelf hun tarieven vast te stellen op basis van commerciële overwegingen. Mijn mogelijkheden om op basis van het Luchtvaartverdrag met Suriname in te grijpen, zijn daarbij beperkt tot gevallen waarin luchtvaartmaatschappijen extreem hoge of extreem lage tarieven zouden hanteren. Er zijn op dit moment geen indicaties dat dit het geval is.
Is het bewerkstelligen van een level playing field op Schiphol een beleidsdoel voor u? Op welke manier kunt u het grote verschil tussen het transfertarief en het OD-tarief (2 keer zo hoog) verkleinen?3
Handhaving van een concurrerend kostenniveau is een belangrijke beleidsdoelstelling, zoals is aangegeven in de Luchtvaartnota. Hetzelfde geldt voor handhaving en versterking van de kwaliteit van het netwerk van luchtverbindingen. Zoals aangegeven in mijn hierboven genoemde brief van 4 april 2012 (antwoord 3) is transfervervoer voor het netwerk op Schiphol vanwege de relatief beperkte thuismarkt een essentiële factor. Het volume van op Schiphol aankomende en vertrekkende passagiers is immers niet groot genoeg om een uitgebreid en frequent netwerk in stand te houden (42 % van het totale vervoer op Schiphol is transfer). Juist dit transfervervoer is zeer prijsgevoelig, omdat transferpassagiers gemakkelijk kunnen uitwijken naar andere overstapluchthavens. De genoemde brief meldt dat het kabinet voornemens is om vast te leggen dat Schiphol bij het vaststellen van de tariefstructuur en tarieven rekening moet houden met de mogelijke effecten op de netwerkkwaliteit en in het bijzonder met het belang van het transfervervoer daarbij. Gezien dit standpunt van het kabinet acht ik het niet opportuun om te streven naar vermindering van de differentiatie tussen OD- en transfertarieven. Daarbij wil ik ook nog opmerken dat de huidige differentiatie binnen de bestaande wettelijke kaders is toegestaan, hetgeen door diverse rechterlijke uitspraken is bevestigd. Verder wijs ik er op dat de tariefdifferentiatie primair de verantwoordelijkheid van Schiphol is. De overheid heeft hier geen directe invloed op. Tot slot merk ik op dat Schiphol ook niet uniek is wat betreft tariefdifferentiatie. Dit wordt ook op veel andere luchthavens toegepast.
Kunt u zich herinneren dat in 2007, vijf jaar geleden, al werd gesproken over de breed gedeelde wenselijkheid van meer selectiviteit op Schiphol? Waarom komt u dan nu pas met een selectiviteitscommissie? Waarom verloopt dit traject kennelijk zo traag?
Ja, dat kan ik mij herinneren. Het traject verloopt niet traag, omdat naar aanleiding van deze wens in 2008 in het convenant «behoud en versterking van de mainport functie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» afspraken zijn gemaakt tussen Schiphol en het Rijk over de selectieve ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In mijn antwoord op vraag 12 ga ik nader in op de uitvoering van de gemaakte afspraken. Verder wil ik nogmaals benadrukken dat de nu ingestelde «Commissie shared vision» los staat van de Alderstafels en een andere taak heeft.
Heeft u al vorderingen gemaakt met de «uitplaatsing» van luchtvaartmaatschappijen? Waarom verloopt dit proces zo mogelijk nog trager? Hebben zich al luchtvaartmaatschappijen vrijwillig gemeld om uitgeplaatst te worden naar Lelystad of Eindhoven?
Momenteel wordt gevolg gegeven aan de afspraken uit het aan de Alderstafel Schiphol gesloten convenant «behoud en versterking van de mainport functie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol». Om de selectieve ontwikkeling van Schiphol vorm te geven worden momenteel twee sporen in samenhang voorbereid: (1) het creëren van de noodzakelijke capaciteit en functies op luchthavens van nationale betekenis en (2) het vormgeven van stimuleringsmaatregelen voor ontwikkeling op de luchthavens van nationale betekenis en restrictief beleid voor Schiphol. Deze twee sporen worden voorbereid zodat – zodra het volumeplafond op Schiphol in zicht komt – het stimuleringsbeleid leidt tot de gewenste herverdeling van verkeer over de luchthavens. Hiertoe wordt nauwlettend de groei van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol gemonitord aangezien dit bepalend is voor de wijze en het tijdstip waarop er daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de gemaakte afspraken.
De heer Alders heeft regionale Tafels gevormd waarin met de regio’s Eindhoven en Lelystad wordt gesproken over het uitbreiden van capaciteit. In juni 2010 is een advies uitgebracht voor een gefaseerde capaciteitsuitbreiding van Eindhoven met 25 000 extra vliegtuigbewegingen tot 2020. Dit advies is door het kabinet overgenomen. De Kamer heeft vervolgens begin 2011 verzocht om een voortvarende uitvoering van het advies. De KLM Groep heeft inmiddels een deel van de Transavia operatie op Schiphol uitgeplaatst naar Eindhoven. De heer Alders heeft begin dit jaar zijn advies uitgebracht over de ontwikkeling van Lelystad. De kabinetsreactie op het Aldersadvies Lelystad Airport heb ik op dinsdag 11 september 2012 naar de Kamer gestuurd.
Hiernaast bent u in juni 2011 geïnformeerd over het andere belangrijke onderdeel van het selectiviteitsbeleid: het door Schiphol vorm te geven stimuleringsbeleid ter benutting van de schaarse capaciteit op Schiphol door verkeer dat bijdraagt aan de mainportontwikkeling.
Klopt het dat de Luchtruimvisie is september aan de Kamer zal worden gezonden, zoals is opgenomen in uw brief d.d. 27 juni 20124?
Ja, ik heb de Luchtruimvisie op maandag 10 september 2012 naar de Kamer gestuurd.
Financiering van Nigeriaanse veiligheidstroepen door Shell |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Shell betaalt Nigeriaanse veiligheidstroepen», waarin staat dat Shell jaarlijks tientallen miljoenen euro’s aan de Nigeriaanse politie en het leger geeft ondanks berichten dat Nigeriaanse veiligheidstroepen geregeld betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen?1
Gaat u Shell aanspreken op het bericht dat het bedrijf veiligheidstroepen financiert die geregeld betrokken zijn bij vermeende mensenrechtenschendingen? Indien ja, wanneer en op welke wijze? Indien nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onverantwoord en onacceptabel is dat Shell in Nigeria veiligheidstroepen financiert die waarschijnlijk meermaals betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen? Indien nee, waarom niet? 2
De Shell Petroleum Development Company is operator van een joint venture met staatsbedrijf NNPC en een tweetal andere oliemaatschappijen. Met 55% heeft de Nigerian National Petroleum Company (NNPC) het grootste belang in de joint venture. Om de infrastructuur van olievelden te beschermen, zet de Nigeriaanse federale overheid veiligheidstroepen in. Oliemaatschappijen dienen aan de Nigeriaanse overheid dagvergoedingen te betalen voor de bescherming van deze faciliteiten. SPDC is verplicht om aan de Nigeriaanse overheid te rapporteren over veiligheidsdreigingen.
De Nederlandse regering en ook Shell onderschrijven de VP’s. De VP’s geven aan hoe de interactie tussen bedrijven en publieke- en private veiligheidsdiensten er uit zou moeten zien, waarbij in ogenschouw wordt genomen dat de lokale overheden primair zelf verantwoordelijk zijn voor het bevorderen en respecteren van de mensenrechten («duty to protect» in de UN Guidelines for Business and Human Rights). SPDC geeft aan dat zij in de interacties met de Nigeriaanse veiligheidstroepen de VP’s toepast, onder meer ook door het geven van trainingen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Dringt u er bij de Nigeriaanse regering op aan, vanuit uw rol als actief deelnemer aan en huidige voorzitter van de «Voluntary Principles on Security and Human Rights», om zich te houden aan deze principes en er zorg voor te dragen dat de Nigeriaanse veiligheidstroepen die gefinancierd worden door Shell mensenrechten beschermen in plaats van schenden? Indien ja, op welke wijze en wat zijn de resultaten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de financiering door Shell van Nigeriaanse veiligheidstroepen in strijd is met de vrijwillige principes voor veiligheid en mensenrechten in de olie, gas en mijnbouwindustrie, die zowel door u als Shell zijn onderschreven, wanneer deze veiligheidstroepen geregeld betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen? Indien ja, welke consequenties heeft dit voor uw deelname aan en voorzitterschap van de «Voluntary Principles on Security and Human Rights»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt er op onafhankelijke en transparante wijze bijgehouden of Shell zich in Nigeria aan de «Voluntary Principles on Security and Human Rights» houdt? Zo ja, wat zijn de resultaten? Indien nee, waarom niet?
Het slopen van sloppenwijken voor de Olympische Spelen in Rio de Janeiro |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Sloppen willen niet wijken voor Spelen Rio»?1
Ja.
Is het waar dat er zo’n 8000 mensen uit hun huis gezet zijn om plaats te maken voor bouwprojecten voor grote toernooien? Deelt u de mening dat de belangen en rechten van deze mensen niet voor het een groot sporttoernooi opzij gezet mogen worden? Bent u bereid deze kwestie in internationaal verband aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
De Braziliaanse autoriteiten melden dat in voorkomende gevallen mensen gevraagd kan worden te verhuizen voor grote infrastructurele projecten van grote sportevenementen, maar een exact aantal valt niet te achterhalen. Hen wordt woonruimte aangeboden. Er zijn afspraken gemaakt voor de bouw van meer dan tienduizend woningen in zes wijken en favelas van Rio de Janeiro. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding om deze kwestie in internationaal verband aan de orde te stellen.
Herinnert u zich de motie Van Dekken/Dijkstra2 en de motie Timmermans/Pechtold3 waarin het kabinet wordt opgeroepen in Europees verband te komen tot een gedragscode voor Non-Gouvernementele Organisaties (NGO’s) in het algemeen en sportkoepels en sportbonden in het bijzonder? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze motie? Deelt u de mening dat er niet alleen op het organiserend land, maar ook op de sportkoepels een verantwoordelijkheid en zorgplicht rust? Zo nee, waarom niet?
Deze kwestie is aan de orde gesteld in diverse gremia in de EU. Zoals ik op
11 november 2011 aan de Kamer rapporteerde is een nieuwe expertgroep opgericht voor het uitwerken van dit vraagstuk. De groep zal eind 2012 een aantal aanbevelingen doen aan de lidstaten en de Europese Commissie. De aanbevelingen zullen uiterlijk eind 2012 in EU-verband besproken worden. Uw Kamer wordt daarna over de uitkomsten geïnformeerd.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de sportkoepel FIFA, die miljarden op de bank heeft staan, forse winst maakte in Zuid-Afrika en daarna het straatarme land weer berooid achter liet, ook de arme bevolking in Brazilië in 2016 in de steek laat? Deelt u de mening dat er niet alleen een verantwoordelijkheid en zorgplicht rust op het organiserende land, maar dat er ook een verantwoordelijkheid ligt bij de sportkoepels als de FIFA en het IOC? Bent u bereid deze kwestie in internationaal verband aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
De financiële jaarverslagen van de FIFA zijn opgemaakt volgens de strengste internationale accountancy standaards en geven uitputtend inzicht in de geldstromen bij de FIFA. Opbrengsten vanuit de WK-eindronde worden onder meer gebruikt om het voetbal in grote delen van de wereld te ondersteunen. De meerderheid van de aangesloten bonden kan alleen met deze hulp functioneren. Daarnaast worden veel projecten gefinancierd in het werelddeel van de WK eindronde. Zo is een aantal projecten in de sociale sector gesteund, maar ook zijn er kunstgrasvelden aangelegd in Afrika. Daarnaast wil de FIFA een zodanige reserve hebben dat zij een mislukte inkomstencyclus kan overleven. Zowel FIFA als IOC dringt er bij elke organisator op aan een eindtoernooi vooral een langdurig positief effect te laten hebben. Het gaat te ver om de FIFA en IOC verantwoordelijk te maken voor de politieke keuzes die landen maken bij het realiseren van de infrastructuur, die nodig is voor een mega-sportevenement.
Het gebrek aan regels bij het opzetten van een filefuik bij autoachtervolgingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Geen strafrechtelijke vervolging voor creëren file A2»?1 en «Korpchefs: voorlopig geen filefuik»?2
Ja.
Is het waar dat politieambtenaren die moeten besluiten over het creëren van een filefuik niet kunnen terugvallen op regelgeving of beleid op dit punt? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit onverantwoord is en hoe gaat u ervoor zorgen dat deze regelgeving of dit beleid er wel komt? Zo nee, wat klopt er niet aan dit bericht?
Enkele regiokorpsen hebben formeel beleid opgesteld met betrekking tot achtervolgingen en het creëren van files. Om te komen tot landelijk beleid op dit punt heeft de politie een werkgroep samengesteld met de opdracht een richtinggevend kader op te stellen voor achtervolgingen en geforceerde stops. Ik deel de wens dat dit kader snel ontwikkeld moet worden. De politie heeft mij toegezegd dat binnen drie maanden een concept zal zijn afgerond. Naast een landelijk richtinggevend kader zal ook bezien worden of aanvullende opleidingen op dit terrein nodig zijn. In afwachting hiervan zal terughoudendheid worden betracht met het creëren van een filefuik ter aanhouding van een verdachte.
Hoe vaak worden filefuiken jaarlijks toegepast? Acht u het mogelijk dat vanwege het feit dat er voorlopig geen filefuiken zullen zijn dat verdachten kunnen ontkomen? Zo ja, hoe snel kunt u voor het de benodigde regels en beleid zorgen?
Zogenaamde filefuiken worden niet als zodanig geregistreerd en cijfers over de aantallen zijn dan ook niet voorhanden.
De politie beschikt over een voldoende ruim repertoire aan mogelijkheden om verdachten aan te houden, en zal vanzelfsprekend in voorkomende gevallen daarvan gebruik blijven maken. Zie verder ook mijn antwoord op de vragen 2 en 4.
Ontbreekt het op het gebied van politieachtervolgingen, roadblocks en aanverwante middelen aan nog meer regelgeving of beleid? Zo ja, welke lacunes zijn er nog en hoe gaat u die opvullen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van het Openbaar Ministerie dat het creëren van een file een te groot risico voor de burgers in de file heeft opgeleverd? Zo ja, kan dit gevolgen hebben voor de civiele aansprakelijkheid ten aanzien van de nabestaanden van de slachtoffers? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft geoordeeld dat de vorming van een file op de A2 een te groot risico heeft opgeleverd voor de weggebruikers die zich in die file bevonden. Onder de gegeven omstandigheden was naar het oordeel van het OM niet voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en hadden de risico’s voor de verkeersveiligheid zwaarder moeten wegen dan het belang van de aanhouding van de verdachte. Het is evenwel niet aan mij om te treden in de eventuele civiele aansprakelijkheid. Dat zal in eerste instantie worden beoordeeld door het regiokorps Utrecht.
Acht u het mogelijk dat nu de individuele agent(en) niet strafrechtelijk aansprakelijk zijn, er wel sprake kan zijn van strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon waar zij voor werken? Zo ja, welke rechtspersoon betreft dit? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (het in gevaar brengen van verkeer) is gericht tot natuurlijk personen. Vervolging van een rechtspersoon wegens dit artikel acht ik daarom, met het OM, niet mogelijk. Daarnaast geldt dat de door een politiekorps verrichte handelingen moeten worden gezien als exclusieve overheidstaak. In de jurisprudentie is bepaald dat handelingen die worden verricht door een overheidsorgaan en die als exclusieve overheidstaak moeten worden gezien, niet met succes strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.
Is er sprake van dat op grond van een artikel 12 Wetboek van Strafvordering procedure alsnog strafrechtelijke vervolging plaats kan of gaat vinden? Zo ja, kunt u dan met beantwoording van voorliggende vragen wachten tot het moment dat er definitief zekerheid bestaat over de vervolging?
Artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering biedt aan rechtstreeks belanghebbenden de mogelijkheid om het Gerechtshof te verzoeken het OM te bevelen alsnog te vervolgen, als eerder een sepotbeslissing werd genomen. Zulks kan geschieden binnen de wettelijke termijn van drie maanden, nadat de rechtstreeks belanghebbenden kennis hebben genomen van de sepotbeslissing. Er is mij niet bekend of een verzoek bij het Hof is ingediend.
De uitspraken van de Amerikaanse president Obama over eventueel militair ingrijpen in Syrië |
|
Raymond Knops (CDA), Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amerikaanse president Obama over eventueel militair ingrijpen in Syrië, op het moment dat het regime overgaat tot het gebruik van onconventionele wapens?1
Deelt u de mening dat gebruik en verspreiding van deze wapens een groot risico voor de gehele regio met zich meebrengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de woorden van president Obama te ondersteunen?
Deelt u de bezorgdheid over de positie van christenen in Syrië? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wordt binnen het huidige beleid ten aanzien van Syrië met deze specifieke bevolkingsgroep rekening gehouden?
Bent u bereid het Turkse pleidooi om een bufferzone langs de Syrische grens in te stellen te ondersteunen? Zo nee, op welke manier zullen de Syrische vluchtelingen volgens u moeten worden opgevangen?
Vertraging bij de verbreding van de N35 tussen Zwolle en Wijthmen |
|
Eddy van Hijum (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de verbreding van de N35 tussen Zwolle en Wijthmen een vertraging oploopt van elf maanden?1
Ja.
Wat is de oorzaak van deze vertraging en wat gaat u er aan doen om deze tot een minimum te beperken? Wat is uw ambitie ten aanzien van de oplevering, die in oorspronkelijke planning in 2014 zou plaatsvinden?
In 2011 is besloten om de kostenraming verder uit te werken. Uit de nieuwe kostenraming bleek dat het budget niet toereikend was. Door het toepassen van versoberingen en extra budget van de Provincie Overijssel, Zwolle en het Rijk is het budget en de kostenraming weer in evenwicht. Het proces om budget en kostenraming met elkaar in overeenstemming te brengen, heeft mede door de economische situatie enige tijd in beslag genomen, vervolgens moest overgestapt worden op de nieuwe methodiek voor geluidsonderzoek als gevolg van de 1 juli 2012 in werking getreden gewijzigde geluidwetgeving. Deze beide oorzaken leiden tot een vertraging van ongeveer 1 jaar ten opzichte van de planning zoals die was vermeld in het MIRT- projectenboek 2012. Mijn ambitie is nu om het project in 2015 op te leveren.
Kunt u aangeven of u nog steeds de ambitie heeft om de N35 op te waarderen tot een 100 km doorstroomweg (Mobiliteitsaanpak, 2008)? Kunt een actuele planning geven van de marsroute die met de regio is afgesproken om deze ambitie te realiseren?
Met het vaststellen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Mobiliteitsaanpak (2008) vervallen.
De fasering van de aanpak van de N35 past bij de Marsroute uit 2009, waarin de regio haar visie op de opwaardering van de N35 tot stroomweg heeft verwoord. De fasering past ook bij de afspraak tussen rijk en regio om de N35 stapsgewijs per tracédeel te bezien. Voor alle deeltrajecten heb ik afspraken met de regio gemaakt, waarvoor ik u graag verwijs naar het MIRT – projectenboek 2013.
Bent u bereid om met de regio tot afspraken te komen over een decentralisatie van het beheer van de rijksweg N35, met bijbehorende afkoopsom, zodat de regio de regie ten aanzien van de opwaardering, beheer en onderhoud zelf ter hand kan nemen?
De N35 maakt onderdeel uit van nationale hoofdwegennet en het heeft mijn voorkeur alle wegen die onderdeel uitmaken van dit hoofdwegennet in eigendom, beheer en onderhoud van het rijk te houden.
De voorgenomen steunoperaties door de ECB |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ECB wil bij crisislanden rentelimiet instellen»?1
De berichtgeving waarnaar u in uw Kamervragen verwijst, is mij bekend.
In hoeverre is het waar dat de Europese Centrale Bank (ECB) van plan is om bij het volgende rentebesluit op 6 september a.s. (of op een ander moment in de nabije toekomst) een renteplafond in te stellen?
De ECB heeft geen renteplafond ingesteld.
In hoeverre is een dergelijke handelwijze nog in overeenstemming met het mandaat van de ECB? Hoe verhoudt zich dit tot haar inflatiedoelstelling?
Zoals ik eerder antwoordde heeft de ECB op 6 september geen renteplafond ingesteld.
Ik benadruk verder dat de ECB onafhankelijk is in de uitvoering van de monetaire taak en dienovereenkomstig spreek ik mij niet uit over het beleid van de ECB ten aanzien van de opkoop van staatsobligaties. Ik heb het volste vertrouwen dat de ECB de juiste keuzes zal maken ten behoeve van de primaire taak van handhaving van prijsstabiliteit in de Eurozone. De ECB loopt, net als andere centrale banken, altijd enig risico. Het is aan de ECB om binnen haar mandaat die risico's te wegen.
Wat zijn de gevolgen voor de balans van de ECB (en de risico's voor de belastingbetaler) van eventueel onbeperkt ingrijpen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt een dergelijke activiteit zich tot het verbod op monetaire financiering zoals dat duidelijk in het Verdrag staat?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de mening van de Nederlandsche Bank (DNB) over deze mogelijke handelwijze van de ECB, mede tegen de achtergrond van de zeer kritische uitlatingen van de Bundesbank over dit onderwerp?
De ECB-raad bestaat uit de ECB-directie en de presidenten van de nationale centrale banken van de landen die deelnemen aan de muntunie. Besluiten worden aangenomen met meerderheid van stemmen. Deze presidenten zitten daar echter qualitate qua (dwz uit hoofde van zijn/haar positie als president van de nationale centrale bank) en handelen vanuit het belang van de Eurozone als geheel. De president van DNB vertegenwoordigt in de ECB-raad dus niet Nederland of DNB.
De president van DNB heeft zich niet uitgelaten over zijn standpunt omtrent de mogelijke handelswijze van de ECB. Bovendien is het vanwege de onafhankelijkheid van de ECB in het algemeen en de Raad van Bestuur in het bijzonder niet gepast om over binnen de ECB lopende beleidsdiscussie uitspraken te doen.
Wat zijn de mogelijkheden van DNB om zich tegen deze activiteiten van de ECB te verzetten, temeer nu dit echt duidelijk in strijd lijkt met het mandaat van de ECB?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening – uitgaande van de onafhankelijkheid van de centrale bank – dat deze handelwijze van de ECB niettemin mogelijk leidt tot een enorm moreel risico in de zin dat landen geen prikkel meer hebben? Bent u van plan om hier wat aan te doen? Zo ja, wat? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat een risico dat het opkopen van overheidsobligaties de prikkel om te hervormen vermindert. Daarom heeft de ECB bekendgemaakt dat het belangrijke stappen zet om eventueel moreel risico zoveel mogelijk te beperken. Op 6 september kondigde de ECB aan dat het alleen overheidsobligaties op zal kopen van landen die ofwel een volledig programma ofwel een «enhanced precautionary credit line» van het ESM/EFSF hebben. De betrokkenheid met het IMF zal actief gezocht worden voor het opstellen van de conditionaliteit en de monitoring van de betreffende programmalanden. Daarnaast zal de ECB stoppen met opkopen indien het land niet aan de programmavereisten voldoet en worden alleen kortlopende overheidsobligaties opgekocht, met een looptijd van maximaal drie jaar. De betreffende landen zullen hierdoor snel moeten herfinancieren, wat een extra prikkel geeft om voor die tijd orde op zaken te stellen.
De kritiek van de Nationale Ombudsman op benoemingsprocedure van de vice-president van de Raad van State |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie Recourt c.s. waarin de regering gevraagd wordt om in de procedure voor de benoeming van de vice-president van de Raad van State de Staten-Generaal een rol te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat u, gezien uw reactie op de genoemde motie in uw brief van 21 augustus 2012, er blijk van geeft die aangenomen motie niet uit te zullen voeren? Zo ja, wat beweegt u precies tot het weigeren van het uitvoeren van de wil van de meerderheid van de Kamer? Zo nee, hoe zou uw reactie op die motie dan anders gelezen moeten worden?2
De regering heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de uitoefening van haar taken en dient daartoe een eigen afweging te maken. In de brief van 21 augustus jl. zijn de conclusies van die afweging weergegeven. In het staatsrecht is de benoeming van ambtsdragers een bestuursbevoegdheid. Op nationaal niveau berust die bevoegdheid bij de regering. De uitoefening ervan is aan de normale parlementaire controle onderworpen. In de Grondwet is in drie gevallen op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt en heeft de Tweede Kamer een rol in de benoemingsprocedure. In twee gevallen bestaat die rol in een voordrachtsrecht (de leden van de Hoge Raad en de leden van de Algemene Rekenkamer) en in één geval vindt de benoeming door de Tweede Kamer zelf plaats (de Nationale ombudsman en zijn substituten). In al deze gevallen is er een bijzondere reden geweest om van de hoofdregel af te wijken. Vergelijkbare argumenten zijn niet aan de orde bij de benoeming van leden van de Raad van State. Dat was ook de uitdrukkelijke conclusie van de grondwetgever bij de totstandkoming van de Grondwet van 1983.3 Het toekennen van een wettelijke rol aan de Tweede Kamer in de benoemingsprocedure, bijvoorbeeld in de vorm van een voordrachtsrecht, is daarom slechts mogelijk als de Grondwet in deze zin wordt gewijzigd. Bij de behandeling van het wetsvoorstel herstructurering Raad van State is dit eveneens geconcludeerd.4 Dit betekent dat een gewone meerderheid in de Tweede Kamer hiervoor niet voldoende is.
Deelt u de mening dat uw bezwaren tegen de motie Recourt c.s. door u weg te nemen zijn, indien u wel een positieve houding ten aanzien van de rol van de Staten-Generaal bij de benoeming van de vice-president van de Raad van State en de wil van de meerderheid van de Kamer zou innemen? Zo ja, gaat u die positieve houding alsnog innemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een regering, ook al is die weliswaar niet verplicht een motie uit te voeren, door een motie niet uit te willen voeren de wil van de meerderheid van de Kamer negeert en daarmee blijk geeft van een weinig democratische houding? Zo ja, deelt u de mening dat dat ook voor het negeren van de motie Recourt c.s. geldt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Indien bij uw voornemen blijft om de motie Recourt c.s. niet in wetgeving om te doen zetten, bent u dan bereid om ambtelijke ondersteuning toe te zeggen bij het voorbereiden van een initiatiefwetsvoorstel ter zake?
Als ons een verzoek bereikt om wetstechnische bijstand bij het formuleren van een voorstel voor (Grond)wetswijziging, dan zal de gevraagde bijstand uiteraard worden verleend in overeenstemming met aanwijzing 298 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
Deelt u de mening van de Nationale Ombudsman dat bij de recente benoeming van de vice-president van de Raad van State er «onvoldoende transparantie» was «doordat er een spanning bestond tussen de formele procedure zoals die voor de buitenwereld zichtbaar was en dat wat zich achter de schermen voltrokken heeft»? Zo ja, wilt u ingaan op de spanning en de informele kant van de procedure? En zo ja, wat gaat u concreet verbeteren om in de toekomst deze spanning onmogelijk te maken? Zo nee, kunt u dan precies aangeven waarom die transparantie er wel voldoende zou zijn geweest en waarom de genoemde spanning niet bestond?
In de brief van 16 januari 2012 van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal5 is uiteengezet hoe de procedure van de benoeming van de vice-president van de Raad van State is verlopen vanaf de kabinetsformatie van het kabinet Rutte-Verhagen. Voor een uiteenzetting van de procedure verwijs ik kortheidshalve naar die brief. De Nationale ombudsman concludeert dat er bij de benoeming sprake is geweest van een spanning tussen de formele procedure zoals die voor de buitenwereld zichtbaar was en dat wat er achter de schermen zichtbaar was. Wij delen die conclusie niet. Naar ons oordeel is een transparante procedure gevolgd bij de benoeming van de vice-president van de Raad van State. De brief van 16 januari 2012 onderstreept het transparante karakter van de gevolgde procedure door aan te geven welke stappen in de procedure zijn gevolgd. Wat uiteraard wel achter de schermen heeft plaatsgevonden is de beoordeling van de brieven aan de hand van het openbaar gemaakte profiel, de gesprekken met de geselecteerde kandidaten en de beoordeling van die gesprekken (opnieuw langs de lat van het profiel). Deze zaken behoren ook achter de schermen plaats te vinden ter bescherming van de privacy van betrokkenen. De uiteindelijk benoemde kandidaat voldeed het beste aan het profiel. Wij merken daarbij op dat de Nationale ombudsman in zijn rapport stelt dat de competentie van de benoemde kandidaat geen reden geeft tot twijfel.
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie in zijn brief aan de Nationale ombudsman van 16 januari 2012 – waar u een afschrift van heeft ontvangen – heeft aangegeven is het bij de vervulling van de functie van vice-president van de Raad van State, waarvan in het onderhavige geval al geruime tijd duidelijk was dat die vacant zou worden per 1 februari 2012, onvermijdelijk dat er speculaties in de media en daarbuiten zijn ontstaan. Die speculaties hebben er kennelijk – ten onrechte – toe geleid dat er een beeld is ontstaan dat de procedure niet transparant is verlopen. Het enkele feit dat er wordt gespeculeerd doet aan de transparantie van de gevolgde procedure niets af.
Deelt u de mening van de Nationale Ombudsman dat er weliswaar wellicht geen afspraken zijn gemaakt «aan de tafel van de (in)formateur […] over de vervulling van deze vacature» maar dat er wel sprake lijkt te zijn geweest «van onderling afgestemde feitelijke gedragingen»? Zo ja, wat gaat u hieraan concreet verbeteren? Zo nee, kunt u dan precies aangeven waarom er geen sprake is geweest van de onderling afgestemde feitelijke gedragingen?
Bij een benoeming als die van vice-president van de Raad van State is het van belang dat de meest geschikte kandidaat wordt benoemd. Bekwaamheid en geschiktheid zijn bepalend bij de benoeming van personen op functies binnen het openbaar bestuur. Uiteindelijk is een beperkt aantal mensen in staat deze functie te vervullen. Aan degenen die in aanmerking willen komen voor een dergelijke functie worden hoge eisen gesteld. Het is derhalve niet verwonderlijk dat iemand met een zeer ruime staat van dienst binnen de publieke sector is benoemd tot vice-president. Uit het gegeven dat voorafgaande aan de benoeming speculaties plaatsvonden kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
Het netto vermogen van windmolens |
|
René Leegte (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht op de website Climategate.nl van 20 augustus jl.: «Netto vermogen van windmolens véél lager dan aangenomen»?1
Ja
Is het waar dat de effectieve capaciteit van wind door inpassingseffecten niet 23% maar minder dan 8% is?
Wanneer windmolens het hele jaar continu op vol vermogen zouden produceren dan zou er sprake zijn van 365 x 24 = 8.760 vollasturen. Een windmolen met een vermogen van drie megawatt (MW) zou in die fictieve situatie 3 x 8.760 = 26.280 megawattuur (MWh) elektriciteit per jaar produceren. Het is echter een gegeven dat windmolens op land gemiddeld gesproken 2.200 vollasturen per jaar draaien. Dit volgt uit het feit dat het niet het hele jaar door zo hard waait dat windmolens op vol vermogen elektriciteit produceren. In de praktijk produceert een dergelijke windmolen op land gemiddeld dus 3 x 2.200 = 6.600 MWh. Derhalve is de gemiddelde effectieve capaciteit ruim 25% (6.600/26.280).
Voor wat betreft de inpassingseffecten van windenergie in het elektriciteits-systeem heb ik in reactie op eerdere Kamervragen2 aangegeven dat de continu veranderende vraag naar elektriciteit en het wisselende aanbod van windenergie noodzaken tot het voortdurend in balans houden van de vraag en het aanbod. Dat geschiedt door het op- en afregelen van draaiende centrales. Het nadelige effect van windstroompieken op de efficiency van het gehele Nederlandse stroomproductiepark en daarmee op de CO2-reductie is ten hoogste 2 tot 3 procent. In de praktijk is dit effect kleiner, omdat dit maximale effect pas bereikt wordt bij een aanmerkelijk hoger windaandeel dan de huidige capaciteit van ca. 2.000 MW opgesteld vermogen.
Is het waar dat u wat betreft het rendement van windenergie rekent met de bruto geleverde energie, te weten een windcapaciteit van circa 23% van het nominale vermogen?
De aanduiding rendement van windenergie is niet geheel op zijn plaats. Bij elektriciteitsproductie wordt onder rendement verstaan de hoeveelheid primaire brandstof die nodig is om een eenheid elektriciteit te produceren. Bij de productie van elektriciteit uit windenergie wordt geen brandstof ingezet, dus is er ook geen sprake van een bepaald elektrisch (omzettings)rendement. Zoals hierboven aangegeven, wordt er van uit gegaan, dat – afhankelijk van de specifiek gekozen locatie – windmolens op land gemiddeld 2.200 vollasturen per jaar draaien. Voor de bijdrage van windenergie aan het aandeel duurzame energie reken ik met de daadwerkelijke productie van de opgestelde windmolens in Nederland.
Hoe hoog is in uw berekeningen de netto effectieve brandstofbesparing door toepassing van windmolens? Acht u het nodig uw berekeningen aan te passen?
In mijn antwoord op eerdere Kamervragen3 heb ik aangegeven dat daarvoor de rekenmethode wordt gebruikt die is vastgelegd in het zogenaamde Protocol Monitoring Duurzame energie4. Op basis van dat Protocol wordt het vermeden verbruik van fossiele brandstoffen door windenergie en daarmee de vermeden CO2 per eenheid hernieuwbare elektriciteit uitgerekend door een vergelijking te maken met het gemiddelde rendement van alle Nederlandse elektriciteitscentrales.
Daarbij wordt geen rekening gehouden met nadelige effecten van windstroompieken op de efficiency van het gehele Nederlandse stroomproductiepark, omdat deze effecten, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1, beperkt is.
Het Protocol wordt periodiek geëvalueerd en kan worden gewijzigd indien daar aanleiding voor is. Mocht in de toekomst blijken dat de invloed van substitutie-effecten op de cijfers toeneemt, dan kan het protocol op dat vlak worden aangepast. Het huidige protocol is volledig in lijn met de Europese Richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (2009/28/EG).
Bent u van plan om grondig onderzoek te doen naar de inpassingsverliezen van wind en dit onderzoek uit te laten voeren door een objectieve en deskundige instelling?
Het bericht op Cimategate.nl refereert aan een recent rapport van de heer le Pair5. In dit rapport wordt op basis CBS-statistieken geconcludeerd dat de inpassingseffecten van windenergie dermate groot zouden zijn dat er nauwelijks fossiele energie wordt bespaard door windenergie. Ik heb de berekeningen waarop de heer le Pair zijn conclusies baseert onder meer aan de deskundigen van het CBS voorgelegd en zij geven aan dat er op onjuiste wijze gebruik wordt gemaakt van gegevens uit de CBS-statistiek «Productiemiddelen elektriciteit», zoals gepubliceerd op Statline. De conclusie van het rapport wordt niet voldoende onderbouwd en ook schieten de in het rapport opgenomen denkstappen en aannames op diverse punten tekort, aldus het CBS.
Zo gaat de heer le Pair uit van de veronderstelling dat het verschil tussen het door hem uit de CBS-statistieken afgeleide rendement en het ontwerprendement van met name zogenaamde STEG-eenheden volledig is toe te schrijven aan de inpassing van windenergie in het elektriciteitssysteem. Bij de constatering van de heer le Pair dat de elektrische rendementen ver achterblijven bij de ontwerprendementen (op pagina 17 van zijn rapport) wordt echter niet in ogenschouw genomen, dat veel STEGS ook nuttige warmte produceren. De verlaging van het totale rendement van de STEGS in de beschouwde periode is mede beïnvloed door substantieel andere verhouding tussen de geproduceerde elektriciteit en de door deze eenheden geproduceerde warmte.
Daarnaast en misschien nog wel belangrijker is dat het elektriciteitssysteem dermate ingewikkeld is en het aantal factoren dat bepalend is voor de overall efficiency dermate groot, dat de door de heer le Pair gehanteerde methodiek een zeer grove versimpeling van de complexe werkelijkheid inhoudt.
Zo was er in de door de heer le Pair beschouwde periode sprake van:
Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een wijziging van de brandstofmix in de beschouwde periode. Daarnaast hebben de genoemde ontwikkelingen een belangrijke invloed op de rendementen van de STEGS. Deze factoren zijn niet meegenomen in de analyse van de heer le Pair.
Verder baseert de heer le Pair zijn analyse op jaargemiddelde CBS-cijfers. De elektriciteitsmarkt is echter dermate complex dat zou moeten worden uit gegaan van een dynamische analyse. In een dergelijke analyse dient de brandstofmix op kwartier of uurbasis te worden aangepast aan het op dat moment verwachte vraagprofiel6. Verder zou daarbij ook rekening dienen te worden gehouden met de niet-beschikbaarheid van centrales als gevolg van gepland onderhoud en/of niet-geplande storingen en de interconnectie met het buitenland. Deze factoren komen niet terug in de CBS-statistieken en daarmee zijn deze door de heer le Pair gebruikte statistieken feitelijk ongeschikt om uitspraken te doen over de besparingen van fossiele brandstof als gevolg van de inzet van windenergie.
De door de heer le Pair gehanteerde methodologie lijkt verder wat éénzijdig gericht op de beperkingen van windenergie door op pagina 23 van zijn rapport alle energie die nodig zou zijn voor de productie, aanleg en aansluiting van windturbines in mindering te brengen op de effectiviteit van windmolens, terwijl hij deze benadering niet hanteert voor fossiele eenheden. Voor de bouw en aansluiting van deze fossiele centrales en voor de energie die nodig is voor de winning en transport van de daarin verstookte brandstoffen is immers ook energie nodig.
Er zijn al eerder studies7 gedaan door onafhankelijke instituten naar de inpassing van windenergie in het Nederlandse elektriciteitsnet. Deze studies richtten zich vooral op de toekomst, uitgaande van scenario’s met veel meer windenergie dan nu. Uit deze studies kwam naar voren dat ook in deze scenario’s windenergie nog steeds veel fossiele energie bespaart en dat de inpassingseffecten niet zo groot zijn als de heer le Pair suggereert. De heer le Pair betrekt genoemde onderzoeken niet in zijn analyse.
In het licht van bovengenoemde observaties acht ik de uitkomsten van de door de heer le Pair gepresenteerde analyse onvoldoende aanleiding om een nieuw onderzoek naar de inpassingsverliezen van duurzame energie te doen.
Het rapport meldpunt Donnerhuren |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport meldpunt Donnerhuren?1
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1 en 2 van
het lid Monasch (PvdA) over exploderende huren in Amsterdam door de Donnerpunten (kenmerk 2012Z15244).
Vindt u een stijging van twintig procent in één jaar van de gemiddelde prijs van een sociale huurwoning van 474 euro naar 568 euro acceptabel?
Voor de vraag of een dergelijke stijging acceptabel is, is een aantal aspecten van belang.
De maximale huurprijs van een woning kan worden bepaald aan de hand van het WWS. Gezien het streven naar meer marktconforme huurprijzen en een groter woningaanbod voor de middeninkomens acht ik het acceptabel indien verhuurders bij nieuwe huurovereenkomsten overgaan tot huurharmonisatie en hogere huurprijzen toepassen, voorzover zij daarbij rekening houden met het WWS. Ook de afgelopen jaren heeft huurharmonisatie geleid tot hogere huren bij nieuwe huurovereenkomsten.
Voor lopende huurovereenkomsten is naast het WWS de maximering van de jaarlijkse huurverhoging van belang. Dit huurverhogingspercentage is sinds enkele jaren gelijk aan inflatie; per 1 juli 2012 bedraagt dit maximale percentage 2,3%.
Ik merk verder op, dat verder bepalend is of dergelijke huurprijzen en/of huurstijgingen passen in de prestatieafspraken die verhuurders met gemeenten hebben gemaakt. Medepalend is tevens of die huurprijzen passen in het huurprijsbeleid dat verhuurders met hun huurdersorganisaties hebben besproken op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder.
Hoe verhoudt uw toezegging dat de extra woningwaarderingsstelselpunten in schaarstegebieden geen zittende huurders zouden treffen zich tot het feit dat huurders die bij renovatie gedwongen worden te verhuizen wel degelijk te maken krijgen met huurstijging door «Donnerpunten»?
Zoals de nota van toelichting bij de betrokken algemene maatregel van bestuur aangeeft, kunnen de huurprijzen van lopende huurovereenkomsten niet worden verhoogd op grond van de toekenning van de maximaal 25 extra WWS-punten, maar alleen op grond van artikel 7:248 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij gaat het om een huurverhoging op grond van een contractuele indexering of op grond van de gebruikelijke jaarlijkse maximale huurverhoging. Hierbij is dus geen sprake van een toezegging inzake huurders die moeten verhuizen als gevolg van een renovatie. Ik hecht eraan, dat deze huurders de vrijheid hebben om een aangeboden nieuwe woning te aanvaarden met een hogere huurprijs, of om op zoek te gaan naar een goedkoper alternatief, zoals een kleinere woning of een woning op een andere locatie. Deze keuzevrijheid van de huurders houdt tegelijkertijd in dat zij de vrijheid hebben een bepaalde huurquote aanvaarden.
Deelt u de mening dat de «Donnerpunten» moeten komen te vervallen nu blijkt dat de huren te hoog worden, de doorstroom stagneert en er geen nieuwe betaalbare woningen bijkomen? Zo nee, waarom niet?
De maatregel inzake de maximaal 25 extra WWS-punten is redelijk recent ingevoerd, namelijk per 1 oktober 2011. Nu al conclusies trekken over de effecten van deze maatregel acht ik niet mogelijk. De mening dat deze maatregel moet komen te vervallen, deel ik dan ook niet.
Vindt u het acceptabel dat de huurquote van huurders die (noodgedwongen) hebben moeten verhuizen uitkomt op gemiddeld 42%? Zo nee, wat vindt u wel een acceptabele huur- en woonquote voor mensen met lage- en (lage) middeninkomens?1
Zie antwoord vraag 3.
Nieuwe vertraging voor de Fyra verbinding Breda – Antwerpen |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Start Fyradienst Breda-Antwerpen opnieuw vertraagd»?1
Ja.
Klopt het bericht dat het de NS niet gaat lukken om de Fyraverbinding tussen Breda en Antwerpen vóór 1 januari 2013 te laten starten?
NS Hispeed heeft mij laten weten dat zij klaar is om op zeer korte termijn een Fyraverbinding tussen Breda en Antwerpen te starten, maar zij kan dit niet doen zonder NMBS. Tenzij er op zeer korte termijn aan Belgische zijde een overeenkomst wordt bereikt over de financiering, kan de Fyraverbinding tussen Breda en Antwerpen niet starten vóór februari 2013. Normaliter staat er in de spoorsector vier maanden voor om een dergelijke, nieuwe internationale verbinding tot stand te brengen. Echter, zodra er een overeenkomst is bereikt aan Belgische zijde over de financiering, zal HSA er alles aan doen om samen met haar partners, ProRail, NMBS en Infrabel, de verbinding nog voor februari 2013 tot stand te brengen.
Waardoor is deze nieuwe vertraging veroorzaakt?
Tot op heden is er nog geen Fyraverbinding Antwerpen – Breda afgesproken tussen de vervoerders. Om (naast de Fyra Amsterdam – Brussel en de stoptreinverbinding Antwerpen – Roosendaal) in 2013 een directe snelle treinverbinding tussen Noord-Brabant en Antwerpen te behouden zijn in het verleden verschillende alternatieven onderzocht, waaronder een intercityverbinding tussen Roosendaal en Antwerpen en een HSL-verbinding tussen Breda en Antwerpen. In overleg tussen mijn ministerie en NS is gekozen om de voordelen van de intercityverbinding (laag tarief, geen reserveringsplicht) en de HSL-verbinding (snelheid en comfort) te combineren en een toeslagvrije en reserveringsvrije HSL-verbinding als voorkeursoptie te hanteren. Na overleg tussen IenM en NS is hierdoor gekozen voor de HSL verbinding Breda – Antwerpen. Hierover moet nu wel nog overeenstemming bereikt worden met Belgische partijen.
Dit is ook besproken tijdens het bestuurlijke overleg van 19 september jl. waar directeuren van mijn ministerie, NS, NS Hispeed, de gedeputeerde van provincie Noord-Brabant en de wethouders van gemeente Breda en gemeente Roosendaal aan deelnamen. NMBS is bereid om mee te werken aan een verbinding Antwerpen – Breda, maar pas nadat aan Belgische zijde overeenstemming is bereikt over financiering van de verlieslatende exploitatie. Zolang die financiering niet rond is, zal de startdatum van de Fyraverbinding Antwerpen – Breda naar een later tijdstip in 2013 blijven verschuiven.
Kunt u aangeven waarom het nog niet is gelukt overleg te voeren met uw Belgische collega minister Magnette?2
Begin dit jaar heb ik een tweetal brieven gestuurd aan mijn Belgische collega minister Magnette. Toen een schriftelijk antwoord uitbleef, heb ik gepoogd telefonisch overleg te plegen, hetgeen ook niet is gelukt. Uiteindelijk heb ik minister-president Rutte gevraagd om contact op te nemen met zijn ambtsgenoot Di Rupo en hem te verzoeken om dit dossier onder de aandacht te brengen bij minister Magnette. Minister-president Rutte heeft dit verzoek gedaan bij premier Di Rupo, waarna ik uiteindelijk in augustus voor de derde maal een brief heb geschreven aan minister Magnette over dit dossier. Op 19 september jl. heb ik voor het eerst antwoord gekregen van minister Magnette, waarin hij aangeeft dat hij graag bereid is om op korte termijn in overleg met mij te treden. Dit overleg is inmiddels ingepland.
Welke concrete acties hebben u en de minister-president de afgelopen maanden ondernomen om voortgang te krijgen in dit dossier? Gaat u aanvullende actie ondernemen om dit dossier vlot te trekken?
Zie mijn beantwoording van vraag 4.
Wanneer is het gesprek tussen de minister-president en premier Di Rupo over dit onderwerp gepland? Waarom is dit gesprek niet eerder tot stand gekomen? Welke knelpunten met betrekking tot de HSL zullen in dit gesprek besproken worden?
Zie mijn beantwoording van vraag 4.
Welke consequenties heeft de vertraging op de verbinding Breda-Antwerpen voor het in stand houden van de Beneluxtrein?
NMBS en NS Hispeed zijn voornemens om de Beneluxtrein vanaf december 2012 te vervangen door de Fyra Amsterdam – Brussel die over de HSL gaat rijden. Dit betekent dat er een periode zal ontstaan van minimaal twee maanden waarin de reizigers uit Noord-Brabant naar België dienen te reizen via Rotterdam met de Fyra / Thalys of via Roosendaal met de stoptrein. Door het vervallen van de Beneluxtrein is het mogelijk om een tweede intercityverbinding tussen Zeeland en Amsterdam te rijden. Tevens krijgt Zeeland vanaf de nieuwe dienstregeling hierdoor een rechtstreekse verbinding met Schiphol.
Kunt u aangeven wat de financiële gevolgen van deze nieuwe vertraging zijn?
Van een vertraging is geen sprake. Er zijn daarmee ook geen financiële gevolgen. Zie ook mijn beantwoording van vraag 3.
Kunt u aangeven op welke termijn u verwacht dat de Fyra zal gaan rijden tussen Breda en Antwerpen? Verwacht u nog verdere vertraging?
NMBS en NS Hispeed hebben mij gemeld dat de Fyraverbinding tussen Breda en Antwerpen zal kunnen starten vier maanden nadat er een overeenkomst is tussen de vervoerders. De start van deze verbinding is uiteindelijk mede afhankelijk van de medewerking van de Belgische overheid. U kent de moeizame voortgang in het verleden op dit dossier, waardoor ik geen verwachting uitspreek over de startdatum van de verbinding Breda – Antwerpen.
Advocaten die geadviseerd worden hoe zij om dienen te gaan met de nieuwe verscherpte regels voor gezinsmigratie |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Leers |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het instituut voor multiculturele vraagstukken FORUM voornemens is een cursus te geven waarin advocaten geadviseerd wordt hoe zij om dienen te gaan met de nieuwe verscherpte regels voor gezinsmigratie?
Ja.
Wat vindt u van dit voornemen?
Als kennisinstituut verspreidt FORUM onder andere actuele kennis over het migratierecht. FORUM organiseert een aantal cursussen per jaar om erkend te (blijven) worden door de Nederlandse Orde van Advocaten. Deze cursussen worden aangeboden vanuit de programmalijn «Immigratie en Burgerschap» van FORUM en worden gefinancierd uit eigen bijdragen van de deelnemers. De programmalijn «Immigratie en Burgerschap» wordt direct noch indirect door mij gesubsidieerd.
Bent u van mening dat het geven van een dergelijke cursus, die advocaten bijbrengt hoe zich te verweren tegen nieuwe wetgeving, past bij de doelstellingen van FORUM? Is dit toegestaan binnen de voorwaarden die aan de subsidie voor FORUM worden gesteld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hiertegen doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit soort activiteiten in ieder geval niet uit de aan FORUM verstrekte subsidie mag komen, maar uit eigen middelen of eigen bijdragen van de deelnemers moet worden betaald? Is dat ook het geval bij deze cursus? Bent u, indien dat nodig is, bereid hiervoor de subsidievoorwaarden aan te passen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat FORUM financiering probeert te vinden met bijeenkomsten die gericht zijn op het tegenwerken van kabinetsbeleid?
FORUM heeft mij bevestigd dat de cursus wordt aangeboden met het oog op kennisoverdracht en het geven van feitelijke informatie. FORUM heeft zich gedistantieerd van de wat ongelukkige aankondiging van voormelde cursus op linkedIn-pagina’s van derden.
De aanpak van koperdiefstal |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Koperdief op spoor is vaak ongrijpbaar»1 en herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Slob over koperdiefstal?2
Ja.
Is het waar dat er bij slechts 5% van de koperdiefstallen aanhoudingen plaatsvinden?
In de eerste helft van 2012 zijn 13 verdachten van koperdiefstal (vooral op het spoor) aangehouden. De pakkans is daarmee gestegen van bijna 4,5% in 2011 naar iets meer dan 5% in de eerste helft van 2012.
Deelt u de mening dat een dergelijk laag percentage aanhoudingen geen afschrikwekkend effect heeft op (potentiële) koperdieven?
Sinds de start van Actie Koperslag op 30 juni 2011 werken politie en Openbaar Ministerie nauw samen met onder andere ProRail en TenneT om koperdiefstal op het spoor en in de elektriciteitssector tegen te gaan. Veel maatregelen zijn gericht op het vergroten van de pakkans. Zo zijn risicolocaties en -tijdstippen in kaart gebracht, wordt de alertheid onder burgers en bedrijven vergroot, worden pilots uitgevoerd met synthetisch DNA en treedt per 1 januari 2013 de legitimatieplicht bij contante betaling van koper en koperlegeringen in werking. Deze maatregelen tezamen moeten de potentiële koperdief ontmoedigen en de pakkans vergroten. In de afname van het aantal koperdiefstallen in de eerste helft van 2012 is dit effect reeds merkbaar. Zoals gemeld in de brief3 aan uw Kamer over de voortgang van Actie Koperslag is sinds september 2011 het aantal koperdiefstallen van (zeer) kritische wissels dat risico op botsingen van treinen met zich meebrengt, vergaand gereduceerd (zie bijlage4. In het percentage aanhoudingen komt dit echter nog onvoldoende tot uitdrukking. Het beeld wordt beïnvloed door het sterk verbeterde aangifteproces: het oplossingspercentage daalt namelijk wanneer het aantal aanhoudingen niet met minstens eenzelfde percentage is gestegen als het toegenomen aantal aangiftes. Overigens zijn ook over het vergroten van de pakkans in het kader van Actie Koperslag afspraken gemaakt.
Hoeveel aanhoudingen leiden uiteindelijk tot een veroordeling?
Van de 21 zaken met betrekking tot koperdiefstal die sinds januari 2011 bij het Openbaar Ministerie ingeschreven zijn, zijn er 18 gedagvaard voor de rechter. Eén zaak is gevoegd bij een andere zaak en twee zijn geseponeerd. Van de achttien zaken die zijn gedagvaard, staan er nog zes open, hetzij omdat ze nog op zitting moeten komen, hetzij omdat ze aangehouden zijn. De overige twaalf zaken hebben tot een veroordelend vonnis geleid.
Kunt u inzicht geven in het proces van aanmelden van koperdiefstal bij het Korps landelijke politiediensten (KLPD)? Klopt het dat de melding van koperdiefstal te vaak niet juist wordt geregistreerd door het KLPD? Kunt u aangeven welk percentage van de meldingen in juli 2012 door het KLPD onjuist zijn geboekt?
ProRail en TenneT doen digitaal aangifte van koperdiefstal. Hierover zijn sluitende afspraken gemaakt tussen deze twee partijen en het KLPD. Omdat de routing van het aangifteproces niet aansluit bij een landelijke coördinatiebehoefte, wordt hierin voorzien door maatwerkafspraken over de informatie die in de aangifte wordt opgenomen, waaronder de vermelding van een specifieke code. Door deze code zijn aangiftes van koperdiefstal in het registratiesysteem van de politie zichtbaar. Er wordt door het KLPD dus niet onjuist geregistreerd. Wel komt het voor dat er een verschil in cijfers is tussen ProRail en de politie. Dit komt doordat het KLPD in de maandelijkse overzichten alleen de aangiftes vermeldt van de strafbare feiten die in die specifieke maand gepleegd zijn. Het feitelijke moment van aangifte loopt hiermee niet altijd synchroon. ProRail telt de aangiftes in de maand dat de aangifte feitelijk gedaan is. Daarnaast neemt het KLPD in het overzicht alleen de koperdiefstallen op die binnen de reikwijdte van Actie Koperslag vallen; dat zijn koperdiefstallen uit de spoorse infrastructuur en het hoofdelektriciteitsnet waar gevaarzetting uit voort kan komen. In de overzichten van ProRail zijn ook de andere diefstallen opgenomen, zoals de diefstal van bliksemafleiders van een gebouw.
Welk gevolg heeft het onjuist registreren van koperdiefstal door de politie voor de opsporingskans van koperdiefstal? Is het mogelijk dat er sprake is van nog meer koperdiefstallen dan nu bekend vanwege deze foutieve registratie?
Zie antwoord vraag 5.
Welke acties gaat u ondernemen om de registratie te verbeteren en het aantal aanhoudingen aanzienlijk te laten toenemen? Op welke termijn verwacht u hiervan effect?
De politie werkt in het kader van Actie Koperslag met maatwerkafspraken voor ProRail en TenneT over het doen van aangifte. Daarnaast zijn in het convenant meerdere actiepunten opgenomen voor alle convenantspartners gezamenlijk om het aantal diefstallen van koper aan de infrastructuur terug te dringen. De helft van de maatregelen is gericht op het vergroten van de pakkans van koperdieven (vergroten alertheid van burgers en bedrijven, verbeteren van het aangifteproces, vergroten van de pakkans op risicolocaties, inzet van SDNA en invoering van de legitimatieplicht). Op dit moment blijkt uit de aangiftecijfers dat sprake is van een neerwaartse trend in het aantal koperdiefstallen, terwijl tegelijkertijd de aangiftebereidheid is toegenomen.
Kunt u aangeven hoeveel vertragingsminuten er waren op het spoor als gevolg van koperdiefstal in de eerste zes maanden van 2012? Heeft de forse stijging in de eerste drie maanden van 2012 zich ook in het tweede kwartaal voortgezet?
Het aantal vertragingsminuten in het tweede kwartaal van 2012 als gevolg van koperdiefstal bedroeg volgens opgave van ProRail 12 105 minuten, ten opzichte van 8 514 minuten in het eerste kwartaal. Het totaal aantal vertragingsminuten in de eerste zes maanden van 2012 komt op 20 619 (bijna 350 uur tegenover 297 uur over heel 2011). De toename van het aantal vertragingsminuten in 2012 is veroorzaakt door een vijftal incidenten waarbij detectiekabels zijn weggeknipt. In voorgaande jaren werden deze kabels zelden gestolen. De diefstal van deze kabels leidt ertoe dat er sneller vervolgstoringen ontstaan (bijvoorbeeld bij overwegen), waardoor er uit veiligheidsoverwegingen niet of slechts langzaam gereden mag worden. Hierdoor ontstaan meer dan in andere situaties vertragingen op het spoor.
Herinnert u zich uw toezegging dat de Kamer in juni 2012 een volledig overzicht zal ontvangen van de stand van zaken rond de uitvoering van het convenant uit juni 2011 over de aanpak van koperdiefstal? Kunt deze stand van zaken met de beantwoording van voorliggende vragen naar de Kamer sturen?
Ja, het overzicht over de voortgang in de uitvoering van Actie Koperslag is op 3 oktober 2012 naar uw Kamer verstuurd.3