Eritrese belastingpraktijken |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Uri Rosenthal (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het beslist onwenselijk is dat Eritrese Nederlanders worden gechanteerd door het Eritrese consulaat om aan hun ongehoorde belastingverplichtingen te voldoen, omdat anders verdere dienstverlening wordt gestaakt?
Extraterritoriale belastingheffing aan eigen onderdanen en het onthouden van diensten of rechten bij uitblijven van betaling is niet strijdig met de Weense Conventies. Diplomatieke vertegenwoordigingen dienen zich echter wel te houden aan de wet- en regelgeving van de ontvangende staat. Het afdwingen van belastingbetaling door middel van afpersing en intimidatie is onacceptabel en strijdig met de Nederlandse wetgeving. Afpersing, intimidatie e.d. zijn misdrijven en als het vermoeden bestaat dat hiervan sprake is, wordt hiernaar onderzoek gedaan. Hiervoor is het van belang dat slachtoffers van strafbare feiten daarvan aangifte doen.
Deelt u de mening dat, gezien uw beantwoording, internationaalrechtelijk gezien onderdanen in den vreemde betere bescherming verdienen dan sommige landen ze op dit moment geven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om in internationaal verband het initiatief te nemen tot een discussie over de rechten en plichten van onderdanen in den vreemde, resulterend in een internationaal verdrag?
Het bestaande internationale en nationale juridisch kader is toereikend om te reageren op eventuele onrechtmatige of onwenselijke Eritrese praktijken.
Zo bevat artikel 41, eerste lid van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) de verplichting voor geprivilegieerden «de wetten en regelingen van de ontvangende staat te eerbiedigen». Als zij dat niet doen, kunnen zij hierop worden aangesproken. In het uiterste geval kan de ontvangende staat een diplomaat tot persona non grata verklaren, waarna deze diplomaat het land dient te verlaten.
Bent u bereid om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van strijdigheid met paragraaf 5 van de Veiligheidsraadresolutie 1907 (2009)? Zo nee, waarom niet?
In haar rapport van 13 juli jl. trekt de VN Monitoring Group on Somalia and Eritrea niet de conclusie dat het innen van de 2% «Development and Rehabilitation» inkomensbelasting onder de Eritrese diaspora strijdig is met het wapenembargo.
De groep geeft aan dat het innen van aanvullende bijdragen specifiek voor de Eritrese defensiebegroting mogelijk strijdig is met paragraaf 5 van de desbetreffende Veiligheidsraadsresolutie 1907. Zoals aangegeven in de antwoorden op de eerdere Kamervragen deel ik deze beoordeling. Nader onderzoek is op dit moment niet aan de orde. Indien blijkt dat de Eritrese ambassade zich hieraan schuldig maakt zullen stappen worden genomen. Daar kan ik niet op vooruitlopen.
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen door de in antwoord op vraag 7 genoemde EU-lidstaten en welke resultaten zij hebben opgeleverd? Lenen deze maatregelen zich voor toepassing in de Nederlandse rechtspraktijk?
Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben in 2011 de Eritrese overheid per note verbale opgedragen illegale activiteiten rond belastinginning stop te zetten. Zweden is in afwachting van justitieel onderzoek naar enkele aangiftes van afpersing. Afhankelijk van de uitkomst hiervan zullen vervolgmaatregelen worden bekeken. Frankrijk en Italië ondervinden geen problemen en nemen geen maatregelen. Canada heeft Eritrea te kennen gegeven zich het recht voor te behouden om de consul uit te zetten indien Eritrea zich niet strikt aan de nationale wet- en regelgeving houdt. Tevens is een politieonderzoek naar aanleiding van aangiftes gaande. Hierbij wil ik opmerken dat in Canada, anders dan in Nederland, gebruik werd gemaakt van formulieren waarop fondsenwerving voor de Eritrese defensiebegroting expliciet stond vermeld.
Gezien de afwezigheid van harde bewijzen is het moeilijk aan te geven of bovengenoemde maatregelen resultaten hebben opgeleverd.
Nederland heeft de Tijdelijk Zaakgelastigde ontboden en heeft Eritrea per note verbale duidelijk gemaakt dat het gebruik van afpersing en intimidatie bij belastinginning strijdig is met de Nederlandse wetgeving. Tevens is Eritrea gewezen op het huidige wapenembargo. Conform de toezegging in de eerdere Kamervragen heeft Nederland de kwestie in oktober jl. in EU-verband opgebracht. Hierbij is het belang benadrukt dat gelijke signalen worden afgegeven over onaanvaardbaarheid van afpersing rond belastingheffing en de mogelijke strijdigheid met het wapenembargo bij het innen van bijdragen voor de Eritrese defensiebegroting.
Bent u bereid om de politie te vragen om een onderzoek te starten naar vermeende gevallen van intimidatie, afpersing, bedreiging en dwang? Bent u bereid om slachtoffers, onder de garantie van anonimiteit, op te roepen om naar voren te treden en aangifte te doen?
Zoals reeds aangegeven in de antwoorden op eerdere vragen zijn politie en Openbaar Ministerie (OM) voor het vaststellen of misdrijven als afpersingen en soortgelijke delicten aan de orde zijn, in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Binnen de kaders van het recht op een eerlijk proces bestaan er mogelijkheden om onder voorwaarden de identiteit van een melder, aangever of getuigen af te schermen. Dit is onder andere geregeld in de «Handleiding opnemen (deels) anonieme aangifte/verklaring» van het OM. Op voorhand kan dan ook geen garantie worden gegeven dat slachtoffers anoniem aangifte kunnen doen.
De verhoogde vrijstelling van de erfbelasting voor mantelzorgers |
|
Ed Groot (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van de leden Recourt, Groot en Wolbert (allen PvdA) over de verhoogde vrijstelling van de erfbelasting voor mantelbezorgers?1
Ja, die herinner ik mij.
Herinnert u zich uw antwoord op de vragen 2 en 5 waarin u belooft te onderzoeken hoe de voorlichting aan mantelzorgers over erfbelasting en de vrijstelling verder zouden kunnen worden verbeterd? Zo ja, hebt u enig idee hoe lang dit onderzoek nog duurt? Kunt u toezeggen dat voor 2013 de informatievoorziening naar de mantelzorgers verbeterd zal zijn?
Ja, die mening deel ik. Ik ga ervan uit dat u doelt op het antwoord op vraag 4 van de betreffende set vragen. De informatievoorziening naar de mantelzorger is inmiddels verbeterd. De Sociale Verzekeringsbank heeft, als uitvoerder van het mantelzorgcompliment, de website met voorlichting aan mantelzorgers en hun zorgvragers aangepast en verwijst daarbij voor meer informatie over de voorwaarden door naar de website van de Belastingsdienst. Ook op de site van Mezzo is uitgebreide informatie geplaatst. Bovendien is, naar aanleiding van het overleg met Mezzo, de relatie tussen het mantelzorgcompliment en de erfbelasting opgenomen in de brief waarmee zorgvragers worden uitgenodigd een mantelzorgcompliment aan te vragen voor hun mantelzorger. Doel hiervan is om mantelzorgers bewust te maken van de mogelijkheid om – onder nadere voorwaarden – in aanmerking te komen voor een hogere vrijstelling voor de erfbelasting.
Deelt u de mening dat over het algemeen een mantelzorger niet snel het verband zal leggen tussen het ontvangen van een mantelzorgcompliment en de verhoogde vrijstelling van de erfbelasting? Zo ja, deelt u dan de mening dat in de informatievoorziening naar de mantelzorger dit verband duidelijk gemaakt moet worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u overwogen om in de brief die de SVB aan de zorgontvanger stuurt en waarin staat dat de zorgontvanger een mantelzorgcompliment mag uitdelen, nadere informatie op te nemen over de gevolgen van het accepteren of weigeren van het mantelzorgcompliment voor de erfbelasting en de vrijstelling daarvan voor de mantelzorger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom laat u die informatie dan toch niet opnemen in de brief van de SVB? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, dit is reeds gebeurd. Zie ook antwoord 2 en 3.
De SVB verstuurt maandelijks brieven naar zorgvragers die recht hebben op het geven van een mantelzorgcompliment. In deze brief is ook informatie opgenomen voor de mantelzorger over de gevolgen van het accepteren of weigeren van het mantelzorgcompliment voor de vrijstelling van de erfbelasting. Verder wordt er voor meer informatie doorverwezen naar de website van zowel de Belastingdienst als de SVB.
Als u niet heeft overwogen om nadere informatie over het verband tussen het mantelzorgcompliment en de erfbelasting op te (laten) nemen in de brief van de SVB, bent u bereid dat alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het geven van een mantelzorgcompliment als blijk van waardering voor de zorg die mantelzorgers verlenen, in eerste instantie niet bedoeld is voor het verkrijgen van vrijstelling van erfbelasting? Zo ja, deelt u dan de mening dat de genoemde vrijstelling voor erfbelasting voor mantelzorgers niet voor een belangrijk deel moet afhangen van het ontvangen van een mantelzorgcompliment en vindt u toepassing van de hardheidsclausule in de wet een gerechtvaardigde oplossing om dit te bewerkstelligen? Zo ja, op welke wijze gaat u hieraan gevolg geven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het geven van een mantelzorgcompliment in eerste instantie niet bedoeld is voor het verkrijgen van de verhoogde vrijstelling in de erfbelasting. Voor toepassing van deze vrijstelling moet men als elkaars partner aangemerkt zijn voor de erfbelasting. Als hoofdregel geldt dat bloedverwanten in de rechte lijn (ouders, kinderen, kleinkinderen) voor de erfbelasting niet elkaars partner kunnen zijn. Op deze hoofdregel bestaat één uitzondering: twee meerderjarige bloedverwanten in de eerste graad (een ouder en een kind) kunnen toch als elkaars partner worden aangemerkt indien zij gedurende 6 maanden voorafgaand aan het overlijden op hetzelfde adres zijn ingeschreven, een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting hebben, zij geen andere partner hebben én één van hen een mantelzorgcompliment heeft ontvangen in verband met in het jaar voorafgaand aan het overlijden aan de ander verleende zorg. Voor de uitzondering op het partnerbegrip voor deze mantelzorgers is wel vereist dat dit voor de Belastingdienst uitvoerbaar is. Daarom is in het amendement Sap de uitzondering gekoppeld aan het mantelzorgcompliment. Nu sprake is van een uitdrukkelijke keuze van de wetgever, heb ik geen ruimte om daarvan met toepassing van hardheidsclausule af te wijken.
Mogelijke capaciteitsheffing energieleveranciers |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra energieheffing dreigt»1 en het artikel «Energieheffing voor groene stroom «onzin»?2
Ja, deze artikelen zijn mij bekend.
Bent u het eens met de uitspraak van de bestuursvoorzitters van GDF Suez Nederland en EON Benelux dat de huidige «stroomprijzen laag zijn en waarschijnlijk laag zullen blijven door de subsidie op groene stroom»?
De huidige stroomprijzen op de groothandelsmarkt zijn regelmatig laag. Een belangrijke oorzaak van deze lage stroomprijzen is het groeiende aandeel wind en zonne-energie in de energiemix, met name in Duitsland. Een andere belangrijke factor is de achterblijvende vraag naar elektriciteit vanwege de huidige economische situatie, dit zorgt voor overcapaciteit en drukt derhalve de prijzen. Prijsvorming op de groothandelsmarkt vindt plaats op basis van marginale kosten. Windmolens en zonnepanelen kennen zeer lage marginale kosten. Zij vormen daarmee indien beschikbaar een goedkoper alternatief dan elektriciteit opgewekt uit conventionele bronnen. Gelet op de investeringskosten is duurzame elektriciteit echter per saldo nog niet zondermeer concurrerend. Behalve de marginale kosten moeten ook deze investeringskosten gedurende de levensduur terugverdiend worden. Op dit moment zorgen de verschillende subsidiemechanismen in EU-lidstaten ervoor dat steeds meer geïnvesteerd wordt in duurzame elektriciteit. De stimuleringsmethode die Duitsland daarbij hanteert zorgt ervoor dat de productie van duurzame elektriciteit volledig buiten de markt wordt gehouden. De innameplicht van de Duitse TSO’s (zonder programmaverantwoordelijkheid) tegen een wettelijk vastgesteld «feed-in tarief» zorgt er immers voor dat duurzame elektriciteit niet hoeft te concurreren met andere vormen van elektriciteit. Dit werkt marktverstorend en kan op momenten van lage vraag resulteren in niet alleen lage maar zelfs negatieve elektriciteitsprijzen. Dit fenomeen heeft zich in 2012 al diverse keren voorgedaan. Hoe de elektriciteitsprijzen zich in de toekomst ontwikkelen is moeilijk te voorspellen. Het lijkt echter waarschijnlijk dat er steeds meer momenten zullen voorkomen dat duurzame elektriciteit de prijs bepaalt en aangezien de marginale kosten daarvan nihil zijn, zouden op die momenten ook de groothandelsprijzen erg laag kunnen zijn.
Deelt u de zorg van de bestuursvoorzitters voor een toekomstig tekort aan elektriciteit als energiebedrijven geen voldoende buffercapaciteit aanhouden? Op welke termijn gaat dit probleem spelen?
Ik deel deze zorg niet. Er is momenteel ruim voldoende capaciteit beschikbaar en ook op middellange termijn voorzie ik geen capaciteitsprobleem op de Nederlandse stroommarkt. Energiebedrijven hebben de afgelopen jaren in Nederland veel geïnvesteerd in productiecapaciteit, onder meer door de aanleg van nieuwe gascentrales en kolencentrales. Nederland is daardoor minder afhankelijk geworden van de import van stroom uit het buitenland. Ook in de komende jaren wordt nog aanvullende capaciteit gerealiseerd. Per lidstaat bestaat er evenwel een specifieke situatie waar het gaat om leveringszekerheid. Zo is er in Duitsland als gevolg van de Energiewende sprake van een opgevoerde druk om de leveringszekerheid op korte en lange termijn te borgen. Ook in België bestaat er extra aandacht voor het waarborgen van de leveringszekerheid op korte termijn vanwege de (tijdelijke) uitval van twee kerncentrales.
Op dit moment is er in Noordwest Europa sprake van een sterk geïntegreerde markt. De Nederlandse markt is gekoppeld aan die in omliggende landen. Mijn inzet is daarom dat wij als lidstaten zoveel mogelijk gezamenlijk naar oplossingen zoeken voor de verschillende vraagstukken en wij de in Nederland beschikbare capaciteit ook kunnen inzetten ten behoeve van de vraag in omliggende landen. Dit is echter geen eenvoudige zaak. Het vraagt nauwe samenwerking met onze buurlanden en verdergaande marktkoppeling.
Daarnaast zullen investeringen in versterking van de Europese elektriciteitsnetten bijdragen aan de leveringszekerheid. Dit is één van de doelstellingen van het Europese infrastructuurpakket waarover momenteel in Brussel wordt onderhandeld. Tot slot speelt het vraagstuk van de transitie naar een CO2 arme energiehuishouding in Europa en de rol die conventionele centrales hierin spelen. Ook hier heeft het mijn sterke voorkeur dat wij als lidstaten gezamenlijk optrekken en als Europa inzetten op een CO2-doel na 2020 en gecoördineerde instrumenten gericht op de stimulering van duurzame energie. Daarbij moet duurzaam opgewekte energie zoveel mogelijk deel uitmaken van een reguliere markt. Een dergelijke EU brede aanpak draagt bij aan een helder investeringsklimaat voor marktpartijen in Europa.
Is de aanleg van extra buffercapaciteit nu, in de nabije toekomst of in de verre toekomst in Nederland en/of in Europa noodzakelijk om uitval van de elektriciteitsvoorziening te voorkomen? Bent u het eens met de suggestie dat energiebedrijven over «drie of vier jaar al moeten gaan nadenken over investeringen in nieuwe conventionele centrales om op tijd klaar te zijn»? Zijn nieuwe kolen- en/of gascentrales nodig om zogenaamde «black-outs» te voorkomen? Of is er sprake van ruim voldoende capaciteit, zoals Clingendael stelt?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het wenselijk een capaciteitsvergoeding in te voeren om zo te verzekeren dat er voldoende back-up van elektriciteitsproductie aanwezig is? Of is een dergelijke vergoeding niet nodig, zoals Clingendael stelt? Klopt het dat andere lidstaten met dezelfde gedachte spelen? Acht u Europese afstemming wenselijk, zeker omdat de elektriciteitsvoorziening in toenemende mate Europees geïntegreerd is?
Ik acht een capaciteitsvergoeding om te verzekeren dat er voldoende back-up capaciteit van elektriciteitsproductie aanwezig is in Nederland onnodig en niet wenselijk. Onnodig omdat Nederland beschikt over ruim voldoende capaciteit en er de komende jaren nog meer centrales beschikbaar komen. Ongewenst omdat de invoering van dit soort vergoedingen marktverstorend werkt en buitengewoon complex is. Het is inderdaad zo dat sommige lidstaten verschillende opties bezien om zowel op korte als op lange termijn de leveringszekerheid te borgen middels de inzet van capaciteitsmechanismen. Hoewel ik goed begrijp dat lidstaten er zorg voor moet dragen dat de leveringszekerheid goed op orde is, ben ik er voorstander van dit vraagstuk binnen Europa gemeenschappelijk op te pakken en te voorkomen dat de geïntegreerde elektriciteitsmarkt versnipperd raakt. Nationale maatregelen en subsidies om investeringen in productiecapaciteit te stimuleren of bestaande onrendabele capaciteit in de markt te houden dragen noch bij aan een efficiënte markt, noch aan de betaalbaarheid van de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding. Ik volg daarom de ontwikkelingen in andere EU-landen op de voet en ben in gesprek met de lidstaten om ons heen. In de discussie hierover trek ik samen op met de Europese Commissie die heeft gewezen op het belang van coördinatie binnen de EU bij het vinden van oplossingen voor dit capaciteitsvraagstuk. In november 2012 zal de Europese Commissie een Mededeling over de Interne Energiemarkt uitbrengen. Uit recent overleg in Brussel is gebleken dat daarin bijzondere aandacht zal uitgaan naar het onderwerp capaciteitsmechanismen. De Commissie is voornemens hierover consultaties te starten met de EU-lidstaten en alle belanghebbende partijen. Nederland heeft zijn steun uitgesproken voor dit initiatief.
Welke alternatieven zijn er voor het garanderen van voldoende capaciteit als achtervang voor de energievoorziening waarin het aandeel hernieuwbare energie groeit? Wat vindt u van de suggestie dat de landelijke netbeheerder, Tennet, zelf centrales moet gaan bouwen? Welke duurzame alternatieven kunnen nu of in de toekomst een rol spelen als buffercapaciteit?
De marktordening van de energiemarkt in Nederland is zo ingericht dat er een scheiding bestaat tussen enerzijds het netbeheer en anderzijds productie, levering en handel. De suggestie dat TenneT zelf centrales zou moeten gaan bouwen druist daar tegenin en vind ik onverstandig. De productie van elektriciteit is een marktactiviteit. Wel spelen de netbeheerders een belangrijke rol bij het verdelen van de beschikbare elektriciteit over de netten en het beheren van interconnectoren. Vanuit deze verantwoordelijkheid werkt TenneT tevens intensief samen met transmissiesysteembeheerders (TSO’s) uit andere landen. Daarnaast noem ik in dit verband nog artikel 9a in de Elektriciteitswet 1998 dat dient ter nadere borging van de leveringszekerheid. Deze bepaling biedt onder nader te bepalen voorwaarden, de mogelijkheid om de transmissiesysteembeheerder te verzoeken een bepaalde hoeveelheid capaciteit te contracteren op basis waarvan een investeringsprikkel ontstaat voor nieuwe productiecapaciteit. Deze zogenaamde «vangnet»- voorziening is overigens tot op heden nooit ingeroepen, en ook in de huidige situatie is er geen aanleiding dat te doen.
Er zijn verschillende mogelijkheden om de werking van de Europese markt te verbeteren waardoor er meer investeringsprikkels ontstaan voor de realisatie van zowel fluctuerende duurzame elektriciteit als flexibele thermische productiecapaciteit die ondermeer kan dienen als back-up. Van groot belang is daarbij de verdere integratie van de elektriciteitsmarkten, de versterking van interconnecties, de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende intraday-markten en de harmonisatie in EU-verband van balanceringsmarkten. Daarmee kan bewerkstelligd worden dat overcapaciteit en tekorten met elkaar kunnen worden uitgewisseld. Daarnaast kunnen ook investeringen in Europa in elektriciteitsopslag en de verdere flexibilisering van de vraag (zogenoemde demand-side response) bijdragen aan een grotere flexibiliteit van de Europese elektriciteitsmarkt waardoor de kans op capaciteitsproblemen in de toekomst wordt verkleind.
Tot slot, wat betreft de mogelijke rol van duurzame alternatieven, is het staand Nederlands beleid dat alle vormen van duurzame elektriciteitsproductie een rol kunnen spelen bij het zekerstellen van de toekomstige Nederlands elektriciteitsvoorziening. Voor duurzame elektriciteitsproductie geldt – net als voor conventionele elektriciteitsproductie in Nederland -programmaverantwoordelijkheid, hetgeen van groot belang is voor een level-playing field op de energiemarkt en een daadwerkelijke integratie van duurzame energie in de energiemarkt met de juiste waardering van flexibiliteit.
In welke mate is er nu al sprake van fluctuerend aanbod van hernieuwbare energiebronnen? Hoe gaat zich dat in de toekomst ontwikkelen? In welke mate zorgt verdere integratie van de Europese elektriciteitsvoorziening voor een bufferende werking?
Op de Noordwest Europese elektriciteitsmarkt is al in aanzienlijke mate sprake van een fluctuerend aanbod van hernieuwbare energiebronnen. Dit wordt op dit moment met name veroorzaakt door het groeiende aandeel wind -en zonne-energie in Duitsland. Dit fluctuerende aanbod zal in de toekomst alleen maar groter worden. Verdere integratie van de Europese elektriciteitsmarkt is een belangrijke voorwaarde om ook in de toekomst met dit fluctuerende aanbod om te kunnen gaan. Zoals ik aangaf in bovenstaande antwoorden zou het creëren van meer flexibiliteit daarbij centraal moeten staan.
In hoeverre zijn de uitspraken van deze bestuursvoorzitters een reactie op de invoering van de kolenbelasting?
Ik heb kennis genomen van de uitspraken van de bestuursvoorzitters zoals genoemd in de artikelen, daarin wordt echter geen verband gelegd met de invoering van de kolenbelasting. In hoeverre hier sprake is van een reactie is mij onbekend.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, zodat deze antwoorden gebruikt kunnen worden bij de begrotingsbehandeling?
Ja.
Een groot tekort aan stages in de zorg |
|
Renske Leijten , Manja Smits |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Marja van Bijsterveldt (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Groot tekort aan stages in zorg»?1
Het is goed om te constateren dat het aantal leerlingen dat instroomt in een zorgopleiding stijgt. Deze mensen hebben we hard nodig. Stages zijn een onmisbaar onderdeel in hun opleiding. Dat deze momentopname laat zien dat in sommige regio’s bij sommige opleidingen een tekort dreigt te ontstaan is dan ook zorgwekkend.
Op landelijk niveau laat de laatste barometer van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) van oktober 20122 zien dat er geen sprake is van een algeheel tekort aan stageplaatsen in de zorg. In de helft van de regio’s zijn er zelfs meer dan voldoende stageplaatsen. Ik acht dan ook de kans groot dat genoemde groep leerlingen nog voor januari een stageplaats vindt.
Met welke reden schrappen instellingen stageplekken, terwijl zij gefinancierd worden door het stagefonds? Is het budget van het stagefonds niet toereikend? Wilt u uw antwoord toelichten?
Over de gehele linie zien we dat zorginstellingen steeds meer stageplekken aanbieden. Het zou kunnen dat een individuele zorginstelling het aantal aangeboden stageplaatsen niet helemaal laat meegroeien met het stijgend aantal leerlingen. Met het stagefonds (jaarlijks € 99 miljoen) wordt beoogd zorginstellingen te stimuleren om meer en betere stageplaatsen aan te bieden. Het budget vanuit het stagefonds is niet bedoeld om geheel kostendekkend te zijn voor de begeleiding van de stagiaires, maar als prikkel voor de zorginstellingen. Overigens worden alleen gerealiseerde stageplaatsen gefinancierd. Uit de evaluatie van Anderson Elffers Felix (2011)3 blijkt dat het Stagefonds slaagt in haar doelstellingen. Daarnaast kunnen werkgevers in de zorg die stages aanbieden gebruik maken van de Wet vermindering afdracht loonbelasting (Wva). De afdrachtvermindering onderwijs beoogt werkgevers te ondersteunen in de kosten die gemaakt worden voor de begeleiding van studenten die een leerwerktraject of stage volgen in het kader van een erkende mbo-opleiding.
Met welke reden heeft het stagefonds niet voor meer stageplaatsen gezorgd, terwijl dit een van de doelstellingen is? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Uit bovengenoemde evaluatie van AEF blijkt dat het stagefonds tot een groei van het aantal gerealiseerde stageplaatsen heeft gezorgd.
Hoeveel stageplaatsen zijn inmiddels wegbezuinigd, en welke zorgsectoren betreft dit? Wilt u uw antwoord toelichten?
Navraag bij de directeur van «Zorg aan Zet» leert dat er geen stageplaatsen zijn wegbezuinigd in zijn regio. Ook zien we op landelijk niveau een stijging van het gerealiseerde aantal stageplaatsen.
Zijn er verschillen in tekorten aan stageplaatsen in de regio’s? Zo ja, welke? Hoe groot is het tekort aan stageplekken in de zorg per regio? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is als een student van de opleiding wordt verwijderd omdat er geen stageplek voorhanden is, ook nadat student, opleiding en kenniscentrum zich hiervoor hebben ingespannen? Wilt u uw antwoord toelichten?
De stage is een cruciaal element van een beroepsopleiding en is daarom een verplicht onderdeel van elke mbo-opleiding. Zonder het volgen van een stage kan een mbo-student niet afstuderen en daarom is het van groot belang dat er voldoende stages beschikbaar zijn. De instelling moet bij het inschrijven van een student nagaan of er een goede opleiding (met inbegrip van stage) geboden kan worden. Als een student wordt toegelaten tot een opleiding mag van de instelling verwacht worden dat de student wordt geholpen bij het vinden van een stageplek. Als het vanwege bijvoorbeeld arbeidsmarktomstandigheden onmogelijk blijk te zijn om een stageplek te vinden, dan moet de student worden gestimuleerd om voor een andere studie of een andere leerweg te kiezen. Gelukkig is hier in de betreffende regio geen sprake van. Dit is ook nadrukkelijk nagevraagd bij de directeur van «Zorg aan Zet». Hij heeft regelmatig contact met de onderwijsinstellingen en op basis daarvan gaf hij aan dat dit niet is voorgekomen. Daarnaast zullen de zorginstellingen en onderwijsinstellingen samen ervoor zorgen dat dit dreigende probleem zorgvuldig en voortvarend wordt opgepakt.
Zijn er inmiddels leerlingen verwijderd van een zorgopleiding omdat er geen stageplaatsen zijn? Hoe voorkomt u dat hierdoor in de toekomst een tekort ontstaat aan werknemers in de zorg, aangezien er de komende drie a vier jaar duizenden extra nodig zijn? Wilt u uw antwoord toelichten?
Er zijn geen signalen dat er stelselmatig studenten worden uitgeschreven vanwege een tekort aan stages. Als er een tekort aan stages is dan zal de student moeten worden gestimuleerd om voor een andere studie te kiezen. Met het arbeidsmarktbeleid, zoals toegelicht in de arbeidsmarktbrieven van vorig jaar, verhogen we de productiviteit en stimuleren we de werving en behoud van zorgpersoneel. Ook zetten wij in op versterking van zelfredzaamheid waarmee we de groei van de zorgvraag proberen af te remmen. Hiermee zetten we alles in werking om het dreigend tekort aan zorgpersoneel voor de komende drie á vier jaar af te wenden.
Is u bekend of er inmiddels leerlingen zijn gestopt met de opleiding wegens het tekort aan stageplaatsen? Zo ja, hoeveel leerlingen betreft dit? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Deze gegevens worden niet bijgehouden.
Hoeveel leerlingen denkt u in de zorg te kunnen aantrekken/behouden, indien de tekorten aan stageplaatsen niet worden opgelost? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zoals eerder toegelicht is er op landelijke niveau geen sprake van een tekort aan stageplaatsen. In de Arbeidsmarktprognoses van VOV-personeel in Zorg en Welzijn 2011–20155 kunt u de instroom van het aantal leerlingen in zorgopleidingen terugvinden.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van «Zorg aan zet», dat over enkele jaren Limburgse regio’s tekorten aan stageplekken krijgen? Welke maatregelen gaat u treffen om dit te voorkomen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Door het groeiend aantal leerlingen is het lastig om het aantal stageplekken even hard mee te laten groeien. De directeur van «Zorg aan Zet» voorziet dreigende tekorten aan stageplekken als er nu niet wordt ingegrepen. Hij heeft ons laten weten dat hij samen met alle onderwijsinstellingen en zorginstellingen in de regio dit probleem stevig zal aanpakken. Overigens heeft deze goede samenwerking juist geleid tot de eerder genoemde hogere instroom van leerlingen in zorgopleidingen. Hij is daarom overtuigd dat deze uitdaging ook goed zal worden opgepakt in dit samenwerkingsverband. Daarnaast is de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven samen met de kenniscentra een stage- en leerbanenoffensief begonnen om voor de 500 000 mbo-studenten voldoende stages en leerbanen te bieden, ondanks de crisis..
Bent u bereid op korte termijn maatregelen te treffen om alle tekorten aan stageplaatsen in de zorg op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Met het stagefonds en de ondersteuning aan regionale werkgeversverbanden zoals «Zorg aan Zet» zien we het aantal stageplekken jaarlijks stijgen. Op dit moment zien we dan ook geen noodzaak voor additionele maatregelen.
De onmogelijkheid van het aanvragen van een visum kort verblijf vanuit de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Nigeria |
|
Martijn van Dam (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen van 28 juli jl. over het aanvragen van een Nederlands visum vanuit een andere ambassade of vertegenwoordiging dan de Nederlandse?1
Is het waar dat mensen die vanuit Nigeria een visum voor kort verblijf in Nederland willen aanvragen, dat sinds 1 april jl. moeten doen via de Franse vertegenwoordiging in Nigeria, zoals is vermeld op de website van de Nederlandse ambassade van Nigeria?2 Wat is hiervan de reden?
Wat is de grondslag van deze afspraak tussen Nederland en Frankrijk? Is deze afspraak schriftelijk vastgelegd? Klopt het dat deze slechts in de Franse taal is vastgelegd en niet in het Nederlands is opgemaakt? Wat is hiervan de reden? Bent u bereid deze afspraak in het Nederlands openbaar te maken?
Waarom acht u het noodzakelijk dat Frankrijk deze aanvragen afhandelt voor mensen die naar Nederland willen reizen, terwijl Nederland zelf twee diplomatieke vertegenwoordigingen in Nigeria heeft? Hoe verhoudt zich dat tot uw antwoord op de eerdere vragen, dat Schengenlanden elkaar kunnen vertegenwoordigen in de behandeling van visa-aanvragen, indien Nederland ter plaatse zelf geen diplomatieke vertegenwoordiging heeft?
Is het waar dat, indien de visumaanvraag wordt afgewezen, de aanvrager (die naar Nederland wil reizen) daartegen moet procederen in Frankrijk, in de Franse taal en in het Franse recht? Deelt u de mening dat dit zeer merkwaardig is en van deze aanvragers niet mag worden gevraagd? Deelt u de mening dat dit, naast een praktische en bureaucratische belemmering, een enorme juridische belemmering vormt om tegen een afwijzing te procederen en toegang te krijgen tot een rechtsmiddel? Hoe verhoudt zich dit tot artikel 6 van het EVRM, dat bepaalt dat mensen recht hebben op een eerlijk proces?
Bent u bereid aan deze praktijken per direct een einde te maken?
Klopt het dat, indien een aanvrager van een visum zich wendt tot de Nederlandse ambassade in Nigeria of tot het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het indienen van bezwaar, hij te horen krijgt dat Nederland «niet bevoegd» is om te beslissen op de visumaanvragen en dat die bevoegdheid bij Frankrijk rust? Is het houdbaar dat Nederland zichzelf niet bevoegd acht om over Nederlandse visumaanvragen te beslissen? Worden de bezwaarschriften van deze aanvragers in het kader van de doorzendplicht, doorgestuurd naar de Franse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt uw antwoord op eerdere vragen dat ,na een afgewezen aanvraag, er een nieuwe, beter onderbouwde aanvraag kan worden gedaan, zich tot het gegeven, dat Nederlandse advocaten van de Franse autoriteiten geen toegang krijgen tot het onderliggende dossier en dus geen enkel inzicht hebben in wat de precieze reden van de afwijzing is geweest?
Snapt u de suggestie dat deze werkwijze en praktijken er feitelijk toe leiden dat mensen vanuit Nigeria niet meer voor kort verblijf naar Nederland kunnen komen of daarbij op z’n minst een enorme hindernis moeten nemen? Acht u dit aanvaardbaar? Kunt u dit weerleggen?
Kunt u een totaaloverzicht geven van de landen waarin Nederland niet zelf de eigen visumaanvragen behandelt, hoe het alternatief is geregeld en wat de redenen ervoor zijn?
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Over identiteitsfraude door slecht bewaarde paspoortkopieën |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (CDA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Liesbeth Spies (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de praktijk dat zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) aan elk van hun opdrachtgevers een kopie van hun paspoort moeten verstrekken en dat de digitale kopieën permanent worden bewaard door de opdrachtgever?
Ja, het is mij bekend dat opdrachtgevers (administratieplichtige ondernemers) die een zzp'er om een Verklaring arbeidsrelatie- winst uit onderneming (VAR-wuo) en een identiteitsbewijs vragen, van beide een kopie in de administratie bewaren opdat zij daarmee op grond van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR een vrijwaring van mogelijke inhoudingsplicht voor de loonheffing en premies werknemersverzekeringen hebben. Overigens is dit niet anders dan de verplichting voor werkgevers om de identiteit van hun werknemers vast te stellen omwille van de heffing van loonbelasting. Het betreft een verplichting op grond van de Wet op de loonbelasting.
Hoe lang en waarom moeten kopieën van paspoorten worden bewaard door de opdrachtgever?
De opdrachtgever heeft een wettelijke plicht om de kopie gedurende zeven jaren te bewaren. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat op deze manier een potentieel gemakkelijke weg voor identiteitsfraude openstaat, welke, zoals blijkt uit onderzoek1, al regelmatig voorkomt? Zo nee, waarom niet?
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar brief van 16 maart jl.2 gewezen op het misbruik van kopieën van identiteitsbewijzen. Identiteitsfraude komt regelmatig voor, zo blijkt uit het door u aangehaald onderzoek waarin ruim vijf procent van de Nederlanders aangeeft ooit slachtoffer te zijn geweest van een vorm van identiteitsfraude. Op dit moment kan geen eenduidig beeld van identiteitsfraude worden verkregen. Er is ook geen informatie voorhanden in hoeverre opdrachtgevers van zzp’ers, al dan niet bewust, betrokken zijn bij mogelijke fraude met kopieën van identiteitsbewijzen. Om fraude met kopieën van identiteitsdocumenten te voorkomen en de regels te verduidelijken heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) richtsnoeren opgesteld voor het overnemen van persoonsgegevens en het kopiëren en scannen van identiteitsdocumenten. Een kopie maken van een paspoort, rijbewijs of identiteitskaart is -op enkele uitzonderingen na, bijvoorbeeld ten behoeve van wettelijke verplichtingen in arbeidsrelaties- niet toegestaan.
Welke minder fraudegevoelige alternatieven zijn mogelijk en wilt u in overweging nemen?
Mensen kunnen fraude met een kopie van hun paspoort of ander identiteitsbewijs verminderen door doel en datum op deze kopie te schrijven. Daarmee kan misbruik bij een andere organisatie of op een andere datum al worden voorkomen. Zzp’ers wordt aangeraden om dit te doen. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties start eind dit jaar een campagne om mensen op deze mogelijkheid te wijzen.
Bent u van plan, op grond van de fraudegevoeligheid van de huidige identificatiepraktijk, bij de invoering van de webmodule ten behoeve van de verstrekking van de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) de identificatie-eis te veranderen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, het doel en de achtergrond van de bewaarplicht van een identiteitsbewijs zoals beschreven in het antwoord op vraag 1, wijzigen niet door de invoering van de webmodule.
Het bericht dat 60.000 euro aan subsidiegeld voor de Antilliaanse belangenvereniging MAAPP is “verdwenen” |
|
Machiel de Graaf (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vrees voor fraude bij MAAPP»?1
Ja.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat een bedrag van 60 000 euro subsidiegeld in rook is opgegaan? Op welke wijze wordt toezicht gehouden op organisaties die dit soort subsidies ontvangen? Bent u bereid het toezicht te verbeteren nu weer blijkt dat dit tekortschiet?
De subsidie is verstrekt op basis van een projectvoorstel. Bij de subsidieverstrekking is, zoals gebruikelijk is, aangegeven dat na afloop van de subsidieperiode zowel inhoudelijk als financieel verantwoording moet worden afgelegd. Het niet juist of niet volledig besteden van middelen leidt altijd tot een beschikking tot terugvordering.
De onttrekkingen aan de rekening van MAAPP door de (oud) voorzitter hebben buiten het zicht van de rest van het bestuur plaats gevonden. Meer toezicht vanuit het Ministerie had dit niet kunnen voorkomen.
Kunt u garanderen dat het verdwenen bedrag tot op de laatste cent aan de Nederlandse belastingbetaler wordt terugbetaald? Zo neen, waarom niet?
Op basis van het te verantwoorden deel van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld. Het Ministerie zal de niet juist bestede middelen terugvorderen bij MAAPP. MAAPP heeft aangegeven een deurwaarder te zullen inschakelen om dit bedrag te verhalen.
Welke maatregelen worden er tegen genoemde vereniging en / of de frauderende perso(o)n(en) genomen? Is er inmiddels sprake van aangifte tegen en / of vervolging van de mogelijke dader(s)? Zo neen, waarom niet?
Het bestuur van MAAPP heeft aangegeven de voorzitter inmiddels te hebben geschorst en heeft ook aangifte gedaan. De politie stelt een onderzoek in.
Kunnen individuele medewerkers aangesproken worden op het terug te vorderen bedrag nu de organisatie al te kennen heeft gegeven niet voldoende geld in kas te hebben om het verschuldigde bedrag te kunnen terugbetalen? Zo neen, waarom niet? Kan tevens worden toegezegd dat de MAAPP in de toekomst nooit meer een cent subsidie zal ontvangen?
Het Ministerie en het MAAPP bestuur proberen de zaak zo snel mogelijk af te handelen. Het MAAPP bestuur verleent hierbij volledige medewerking. Mocht blijken dat de middelen niet volledig verhaald kunnen worden dan zullen nadere stappen overwogen worden.
Hoewel het huidige MAAPP bestuur niets te verwijten valt zijn er geen nieuwe subsidieverstrekkingen aan MAAPP voorzien.
DigiD-gegevens die terecht zijn gekomen bij een reclamebureau en mensen die geen DigiD-code hebben |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving rond het Reclamebureau Digi-D dat in het bezit zou zijn van duizenden DigiD-codes?1 Klopt het dat dit bureau duizenden inloggegevens bezit? Zo nee, wat zijn dan volgens u de feiten?
Ja. Het reclamebureau heeft het ministerie in het verleden aangegeven over veel inloggegevens van burgers te beschikken. Het reclamebureau heeft ook inloggegevens met daarin DigiD codes aan het ministerie verstrekt. Echter, niet de aantallen waarover het bureau thans spreekt. Het genoemde aantal kan ik derhalve bevestigen noch ontkennen.
De gegevens zijn door burgers per mail aan het bedrijf verstrekt, maar er zijn ook burgers die hebben getracht op de inlogpagina van het bedrijf in te loggen. Overigens heeft de website van het bedrijf overall beschouwd weinig overeenkomsten met de DigiD-website. Niettemin acht ik het denkbaar dat de wijze waarop het bedrijf de inlogpagina in 2010 – het jaar waarin het reclamebureau haar website actief is gaan gebruiken – heeft vormgegeven, tot verwarring bij burgers kan leiden.
Kunt u waarborgen dat de privacygegevens van de burgers die bij Digi-D terecht zijn gekomen beschermd zijn? Zo ja, hoe kunt u dit waarborgen? Zo nee, wat gaat u er aan doen? Kunt u de gegevens vorderen van de personen die hun gegevens onwetend aan de verkeerde instantie gestuurd hebben?
Nee. Als burgers – abusievelijk – hun inloggegevens hebben verstrekt aan reclamebureau Digi-d, dan kan ik niet waarborgen dat hun privé-gegevens beschermd zijn.
Het is voor mij niet mogelijk om bij het reclamebureau de gegevens te vorderen die burgers zelf – abusievelijk – aan het reclamebureau hebben verstrekt, en derhalve niet mogelijk om deze groep actief te benaderen.
Voor zover ik dat kan beoordelen lijkt het systeem van het bedrijf zodanig te zijn ingericht dat foutieve inlogpogingen van DigiD gebruikers en de bijhorende DigiD gegevens (persoonsgegevens) worden geregistreerd en opgeslagen. Uit privacywetgeving volgt onder meer dat persoonsgegevens slechts mogen worden bewaard als dit strikt noodzakelijk is voor de doelstelling van, in dit geval, het reclamebureau. Als per abuis (voor het reclamebureau onbekende) DigiD gegevens worden ingevoerd, zou volstaan moeten worden met het weigeren van de toegang tot de website. Ik zie de noodzaak en daarmee de juridische grond niet om per abuis ingevoerde DigiD accountnamen en wachtwoorden op te slaan. Ik zal het bureau daarom vragen haar systeem naar de toekomst toe zodanig in te richten dat de gegevens van mensen die geen klant van haar zijn niet meer worden opgeslagen, en zodoende risico’s voor burgers in de toekomst worden voorkomen. Ook zal ik vragen de gegevens die het bureau eerder al heeft opgeslagen, te vernietigen.
Voorts wordt langs de volgende lijnen gewerkt aan het voorkomen van verwarring:
Ik heb inmiddels alle op DigiD aangesloten instanties gevraagd hun communicatie en schrijfwijze van DigiD te controleren en zonodig aan te passen. Overigens wordt vanuit DigiD richting burgers altijd gecommuniceerd dat een DigiD privé is en dat DigiD nooit vraagt om gebruikersnaam en wachtwoord. Ook wordt benadrukt om deze nooit per mail dan wel per post toe te zenden.
De afgelopen jaren is contact geweest met het reclamebureau om een oplossing te vinden. Logius heeft het reclamebureau praktische suggesties gedaan in dezelfde lijn als het recente initiatief; namelijk het attenderen en bewust maken van burgers die op zoek zijn naar de authenticatievoorziening DigiD en zich per abuis op de website van het reclamebureau melden.
Tot mijn spijt heeft het reclamebureau toen te kennen gegeven deze suggesties niet over te nemen, en zich enkel te willen richten op overname van de bedrijfsnaam.
De praktische suggesties die mijn ministerie heeft gedaan, namelijk om op de site van het reclamebureau een waarschuwing en verwijzing te tonen, zouden naar mijn inschatting een groot positief effect hebben, omdat de burger bij de bron van zijn vergissing wordt doorverwezen. Mijn verwachting en hoop is dan ook, gelet op het recente initiatief van het bedrijf, dat de gedane suggesties alsnog worden overgenomen. Ik zal dit in mijn contact met het bedrijf aankaarten. Tevens zal ik het aanbod dat ik het bedrijf eerder deed, om vanuit het ministerie ondersteuning te bieden, bevestigen.
Dit voorstel staat nog steeds, mits er een gedegen onderbouwing wordt aangeleverd over de omvang van de onderneming Digi-d. Dat wil zeggen een verklaring van een (register)accountant waarin het volgende is opgenomen:
Deze verklaring is nodig om een relatie te kunnen leggen tussen de redelijke vergoeding en de kosten voor naamswijziging van de onderneming Digi-d. U zult begrijpen dat ik, zoals ook aan het reclamebureau is aangegeven, het aanwenden van publieke middelen wel moet kunnen verantwoorden. Herhaaldelijk is aan het reclamebureau gevraagd om een onderbouwing van de kosten die gepaard gaan met de naamswijziging. Tot op heden is deze niet in adequate vorm ontvangen. Ik zal daar naar aanleiding van de recente ontwikkelingen het reclamebureau nogmaals om vragen. Het is niet in het belang van burgers om deze situatie nog langer te laten voortbestaan.
Ik betreur dat het bedrijf tot nu toe slechts beperkt meewerkt aan het wegnemen van de gevolgen voor burgers.
handen zijn gevallen, wordt geadviseerd om een nieuwe DigiD-account aan te vragen. Ook burgers die melden dat zij hun gegevens bij het reclamebureau hebben achtergelaten wordt dit advies gegeven.
Wat zijn de gevolgen voor burgers als hun Digid, waarmee zij zich onder andere identificeren bij de belastingaangifte en de aanvraag van toeslagen, in verkeerde handen valt?
Als de inloggegevens voor DigiD in handen van derden terecht komen, dan kunnen die derden in plaats van de betrokken burger handelen in relatie tot de aangesloten overheidsorganisaties. Indien daar misbruik van is gemaakt, dan zal de burger bij de betreffende uitvoeringsorganisatie moeten verzoeken om correctie van de gegevens.
Betrokkene wordt uiteraard ook geadviseerd en geacht om een nieuwe DigiD-account (of nieuw wachtwoord) aan te vragen.
Bent u van mening dat deze gebeurtenis de betrouwbaarheid vermindert van de digitale diensten van DigiD? Zo ja, wat zijn die gevolgen en wat gaat u er aan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee. DigiD kan worden beschouwd als een veilig instrument. De regering stelt alles in het werk om dit zo te houden, bijvoorbeeld door de aangekondigde ICT-beveiligingsassesments DigiD. De omstandigheid dat burgers – abusievelijk – hun gegevens hebben verstrekt aan het reclamebureau Digi-d, doet aan de betrouwbaarheid van de diensten van DigiD niets af. Wel geeft het reden om burgers op te roepen om extra alert te zijn bij het gebruiken en verstrekken van hun inloggegevens en zich er met name van te vergewissen dat zij hun gegevens daadwerkelijk op de juiste website (van DigiD ipv Digi-d) invoeren.
Deelt u de mening dat burgers beter geïnformeerd zouden moeten worden over de gevolgen van misbruik van hun DigiD en wat zij zelf kunnen doen om dit te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
In diverse publiekscampagnes vanuit de overheid, maar ook vanuit de particuliere sector (denk aan het internetbankieren), wordt benadrukt dat het van groot belang is dat burgers zorgvuldig omgaan met hun inloggegevens. Daarbij past dat zij zich er met name van vergewissen dat zij hun gegevens daadwerkelijk op de juiste website invoeren.
Bent u op de hoogte van de berichtgeving dat zo’n 1,6 miljoen Nederlanders geen DigiD bezitten op dit moment?2 Kloppen deze gegevens en wat zijn de gevolgen voor toegang tot overheidsdienstverlening?
Ja. Op dit moment hebben ca. 9 milj. burgers een persoonlijke DigiD-account. Het is juist dat nog een groot aantal (volwassen) burgers niet beschikt over een DigiD-account. Deels gaat het om personen die nog geen aanleiding hebben gezien om een DigiD-account aan te vragen. En deels gaat het om categoriën van personen voor wie het bezwaarlijk of onmogelijk kan zijn om zelfstandig langs digitale weg met de overheid te communiceren.
Voor de overheidsdienstverlening heeft dit tot gevolg dat – nog – niet alle voordelen van digitale dienstverlening door alle burgers benut kunnen worden. Zij zullen – nog – gebruik moeten maken van de voorzieningen voor burgers zonder DigiD. Voor de overheid betekent dit dat – nog – niet de volledige efficientiewinst gehaald kan worden die met digitaal verkeer wordt beoogd.
Deelt u de mening dat het een taak van de overheid is om deze groep te stimuleren om een DigiD aan te vragen om te voorkomen dat ze buiten de boot gaan vallen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
De achterliggende vraag die hier bij hoort is hoever de overheid kan en wil gaan in het digitaliseren van haar dienstverlening. Het beleid van de regering is in toenemende mate er op gericht om het gebruik van digitale dienstverlening te stimuleren. Zowel uit oogpunt van dienstverlening, waar de meeste burgers ook om vragen, als uit het oogpunt van efficiëntie en kostenbeheersing. Daarbij is sprake van een zeker groeiproces. De overheid heeft echter ook de taak om ervoor te zorgen dat de minder digitaal vaardige burgers of burgers voor wie het vooralsnog bezwaarlijk is om langs digitale weg te communiceren, niet buiten de boot vallen. Voor die burgers zullen er alternatieve voorzieningen moeten blijven bestaan of zal anderszins ondersteuning geboden dienen te worden.
Overigens blijkt uit cijfers van het UWV dat inmiddels bijna 90% van de WW-gerechtigden een uitkering elektronisch aanvraagt. Verder gebruik van de mogelijkheid om de WW aanvraag elektronisch te doen en elektronisch te communiceren wordt gestimuleerd, onder meer door ondersteuningsmogelijkheid op het werkplein en een publiciteitscampagne. Voor de belastingdienst geldt dat inmiddels 95% van de aangiftes voor de inkomstenbelasting langs elektronische weg plaatsvindt.
Uiteraard hebben deze ontwikkelingen ook tot gevolg dat het gebruik van DigiD wordt gestimuleerd.
De overstapcampagne van Consuwijzer |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Maxime Verhagen (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne «Switchen van energiebedrijf? Gebruik de overstapcoach!» van ConsuWijzer?1
Ja.
Onderschrijft u dat kleinverbruikers gestimuleerd zouden moeten worden om bij de overstap naar een andere energieleverancier niet alleen prijs, maar ook de duurzaamheid van de geleverde energie te vergelijken? Zo ja, waarom is dit aspect niet rechtstreeks meegenomen in de campagne van ConsuWijzer? Bent u bereid in de campagne van ConsuWijzer met de titel «Switchen van energiebedrijf? Gebruik de overstapcoach!» de overstap naar duurzame energie te bevorderen? Zo nee, op grond van welke argumenten?
Graag stel ik voorop dat ConsuWijzer het informatieloket is van de onafhankelijke toezichthouders NMa, OPTA en de Consumentenautoriteit. Zij kunnen vanuit hun toezichtstaak via ConsuWijzer hun eigen campagnes opzetten en communicatie-uitingen doen. Dat vind ik een goede zaak en directe interventie van mij acht ik dan ook niet aan de orde.
Consuwijzer heeft onder meer als doelstelling om de consument van goede informatie te voorzien waarmee die actief kan zijn op de leveringsmarkt van energie. Hiervoor heeft Consuwijzer de «overstapcoach» geïntroduceerd omdat veel consumenten nog nooit zijn overgestapt ondanks de grote prijsvoordelen die daarmee te behalen zijn.
Het idee is om consumenten aan de hand mee te nemen in het overstappen door uitleg te geven over de energierekening, te helpen om een vergelijking tussen de aanbiedingen te maken, inzicht te geven in welke kosten aan een overstap verbonden zijn en hoe de overstap in zijn werk gaat.
Ik waardeer deze overstapcoach omdat het consumenten een praktisch stappenplan biedt om tot een overstap te komen waarmee veel te besparen valt. Bovendien houdt switchen de energiebedrijven scherp.
Voor het vergelijken tussen energieleveranciers van meer dan alleen de prijs wordt in de overstapcoach verwezen naar de Energiewijzer. Met behulp van de Energiewijzer, die ook onderdeel is van ConsuWijzer, kunnen consumenten energiebedrijven onderling vergelijken op zaken als dienstverlening, de aangeboden contractvormen maar ook of leveranciers groene stroom leveren. Ook dit vind ik een goede zaak. Consumenten bepalen zelf in welke mate duurzaamheid een rol speelt in het vergelijken van energiebedrijven. ConsuWijzer biedt hiertoe de mogelijkheid met de EnergieWijzer.
Onrechtmatigheden bij de verkiezingen op Curaçao |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Schotte koopt stemmers om»?1
Ja
Herinnert u zich eerdere vragen over soortgelijke geruchten over het kopen van stemmen tijdens de verkiezingen op Curaçao en Sint Maarten in augustus en september 2010?2
Ja
Deelt u de mening dat er door geruchten over het kopen van stemmen in ruil voor geld, laptops en Blackberry’s twijfels kunnen ontstaan over de rechtmatigheid van de verkiezingen en de uitslag daarvan? Bent u bezorgd over het verloop van de verkiezingen op Curaçao?
De verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de verkiezingen worden georganiseerd ligt bij het landsbestuur van Curacao, niet bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Op welke wijze wordt er momenteel toezicht gehouden op het rechtmatige verloop van verkiezingen op Aruba, Curaçao en Sint Maarten? Welke rol speelt het Koninkrijk wat dit betreft? Zijn er internationale waarnemers op de eilanden? Zo ja, wat is hun rol? Welke interne regels hanteren Aruba, Curaçao en Sint Maarten om de rechtmatigheid van verkiezingen te waarborgen?
Het kiesrecht in Aruba, Sint Maarten en Curaçao is geregeld in de kiesverordeningen en kiesreglementen van deze autonome landen binnen het Koninkrijk. Wat betreft het toezicht in Curaçao is in augustus door de toenmalige regering een hoofdstembureau geïnstalleerd, waarvan de samenstelling breed in de Curaçaose samenleving als evenwichtig werd ervaren. Volgens mediaberichten achtte dit hoofdstembureau aanvankelijk het betrekken van buitenlandse waarnemers niet noodzakelijk. Het onlangs geïnstalleerde interim-kabinet heeft recent besloten alsnog te proberen om buitenlandse waarnemers bij het verkiezingsproces te betrekken. Het Koninkrijk heeft in het toezicht op het verloop van verkiezingen geen rol. De landen zijn autonoom en zelf verantwoordelijk voor het waarborgen van de democratische rechtsorde en er voor zorg te dragen dat verkiezingen ordelijk en rechtmatig verlopen.
Herinnert u zich de aanbevelingen van de Commissie Rosenmöller met betrekking tot de partijfinanciering op Curaçao? In hoeverre zijn deze aanbevelingen overgenomen door de regering van Curaçao? In hoeverre is er werk gemaakt van het implementeren van deze aanbevelingen? Wat is momenteel de stand van zaken?
Ja. De aanbevelingen over partijfinanciering in Curaçao die zijn opgenomen in het rapport van de Commissie Rosenmöller zijn voor zover mij bekend niet door het vorige kabinet van Curaçao overgenomen. Wel heeft de vorige regering Transparency International verzocht om een onderzoek uit te voeren. Een onderdeel van dit assessment is partijfinanciering. De toenmalige regering van Curaçao heeft eerder in een brief gesteld dat de conclusies van het onderzoek als startpunt zal dienen voor «een traject van verbetering op alle noodzakelijke aspecten».
Welke rol ziet u voor het Koninkrijk om de rechtmatigheid van verkiezingen binnen het Koninkrijk te waarborgen? En welke rol ziet u voor het Koninkrijk om ervoor te zorgen dat de aanbevelingen van de Commissie Rosenmoller met betrekking tot partijfinanciering geïmplementeerd worden? Deelt u de mening dat het hier gaat om het waarborgen van deugdelijk bestuur en dat dit valt onder artikel 43 van het Statuut van het Koninkrijk? Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het Koninkrijk haar verantwoordelijkheden in dezen naar behoren vervult?
Curaçao is als autonoom land zelf verantwoordelijk voor het naleven van de democratische beginselen, waaronder het houden van deugdelijke verkiezingen. Van bemoeienis van het Koninkrijk is in beginsel geen sprake. Dit geldt ook voor uw vraag met betrekking tot de partijfinanciering. De Commissie Rosenmöller heeft een gemis aan transparantie in de Landsverordening partijfinanciering onderkend en opgemerkt dat dit kan leiden tot speculaties over de herkomst van de financiën van politieke partijen. Het rapport «Doe het Zelf» beveelt een aanpassing van de landsverordening aan. Het is aan de regering van Curaçao te beoordelen of zij een aanbeveling overneemt. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u van mening dat momenteel voldoende gewaarborgd is dat er binnen het gehele Koninkrijk rechtmatige verkiezingen plaatsvinden? Zo ja, kunt u dit, in het licht van de geruchten op Curaçao, nader toelichten? Zo niet, welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat rechtmatige verkiezingen binnen het Koninkrijk wel voldoende gewaarborgd zijn?
In dezelfde lijn als de antwoorden op vraag 3 en vraag 6 merk ik op dat de landen binnen het Koninkrijk zelf verantwoordelijk zijn voor het naleven van de democratische beginselen en dus ook voor de rechtmatigheid van verkiezingen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor dinsdag 9 oktober 2012 12:00 uur?
Ja.
De positie van minderheden in Egypte |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Uri Rosenthal (VVD), Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Egypt’s Copts to return to Sinai homes, says government»?1 Heeft u tevens kennisgenomen van de Amnesty-rapporten «Brutality unpunished and unchecked» en «Agents of repression»?2 Heeft u bovendien kennisgenomen van het artikel «Egypte laat christelijke kinderen vrij»?3
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat premier Qandil spreekt van een verhuizing uit vrije wil? Deelt u tevens de mening dat de Egyptische autoriteiten ernstige nalatigheid te verwijten is aangezien de gevluchte Koptische families niet of nauwelijks zijn beschermd en er geen serieus onderzoek is gepleegd naar de daders?
Hoe verhouden de uitspraken van de minister van Immigratie, Integratie en Asiel, namelijk dat Kopten de mogelijkheid hebben om zich elders in Egypte te vestigen4, zich tot de uitspraken van premier Qandil? Ziet de minister van Immigratie, Integratie en Asiel aanleiding om zijn uitlatingen aangaande de binnenlandse vluchtmogelijkheden te herzien?
Is het waar dat Koptische kinderen inmiddels zijn vrijgelaten vanwege hun leeftijd? Wat is er waar van berichten dat de ouders een verklaring hebben moeten ondertekenen dat de kinderen desondanks wel schuld bekennen? Is het waar dat onlangs een Koptische leraar is veroordeeld tot zes jaar cel voor het beledigen van Mohammed en de nieuwe president? Zo ja, heeft u tegen dit vonnis protest aangetekend en gevraagd om onmiddellijke vrijlating? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dat alsnog te doen?
Deelt u de mening dat de bevindingen van Amnesty International wederom aantonen dat het Egyptische regime zich nog altijd schuldig maakt aan structurele schendingen van de mensenrechten en dat de cultuur van straffeloosheid, onder meer bij schendingen door politie en het leger, nog altijd aan de orde van de dag is?
Hoe verhouden de verslagen van oneerlijke processen van burgers voor militaire rechtbanken, zoals de vervolging van demonstranten naar aanleiding van de protesten van mei jl. in Abbaseya, zich tot uw uitspraken aangaande de beëindiging van berechting van burgers door militaire rechtbanken die u op 13 januari 2012 deed?5
Hoe staat het met het justitieel onderzoek naar de Maspero-slachting? Bent u van mening dat er sprake is van een effectief en onafhankelijk onderzoek? Zo nee, welke initiatieven heeft u, al dan niet in samenwerking met uw Europese collega’s, genomen om een dergelijk onafhankelijk onderzoek te bewerkstelligen?
Deelt u de mening dat de bovengenoemde voorbeelden en de bevindingen van Amnesty International aantonen dat er geen enkele aanleiding is om af te zien van het wapenexportverbod conform de motie Voordewind?6 Zo nee, waarom niet?
Agressie tegen medewerkers van de NS door drugsrunners op Rotterdam CS |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van FNV Bondgenoten aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam met als onderwerp «Rotterdam Centraal»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de agressie en het geweld tegen personeel van de Nederlandse Spoorwegen door drugsrunners op Rotterdam Centraal? Zo ja, wat is de aard en de omvang daarvan? Zo nee, waarom niet en wilt u zich op de hoogte stellen?
Uit informatie van het korps Rotterdam-Rijnmond blijkt dat ten aanzien van het in de media genoemde incident geen aanwijzingen bestaan dat de persoon die in gevecht raakte met de NS-medewerkers een drugsrunner was. Het ging om een dronken jongen.
Op station Rotterdam CS is een klein aantal drugsrunners actief. Die personen zijn bekend bij de leden van het lokale toezichtmodel, waarin ook de NS is vertegenwoordigd, en worden aangepakt. Deze personen zijn opgenomen in de recent opgestarte drugsrunneraanpak van de Rotterdamse deelgemeente Centrum.
Wat gaat u doen om deze agressie en dit geweld te doen stoppen? Welke concrete middelen uit de aanpak van geweld tegen publieke dienstverleners worden gebruikt?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat Rotterdam en vooral Rotterdam Centraal de laatste jaren geen last hadden van drugsrunners en sinds kort weer wel? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse dat er verband is tussen enerzijds de invoering van de wietpas in de grensstreek en anderzijds de terugkeer van drugsrunners op Rotterdam Centraal? Zo ja, was daar met de invoering van de wietpas rekening mee gehouden en op welke wijze hebt u hierop geanticipeerd? Zo nee, gaat u dit nu wel meenemen in uw evaluatie van de wietpas?
Nee.
Kent u signalen uit andere steden en vooral treinstations van overlast van drugscriminelen? Zo ja, welke signalen zijn dit en is er verband tussen de datum van invoering van de wietpas in de grensstreek en de terugkeer van die overlast?
Nee.
Deelt u de mening van FNV Bondgenoten dat er een volwaardige politiepost op Rotterdam Centraal aanwezig moet zijn om de genoemde overlast adequaat en snel aan te kunnen pakken? Zo ja, bestaat er ruimte hiervoor binnen de toekomstige nationale politie? Zo nee, waarom niet?
Er is een politiepost van de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) bij station Rotterdam CS. Deze is gedurende de verbouwing van het station verplaatst naar de overzijde van het station. Het KLPD heeft mij meegedeeld dat het de bedoeling is dat de politiepost na de verbouwing van het station weer terugkomt in het station.
Het artikel: 'Drugrunners vechten met NS-personeel' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Drugrunners vechten met NS-personeel»?1
Ja.
Deelt u de mening van het personeel dat de daders van deze vechtpartij een permanent OV-verbod moeten krijgen en nooit meer in een trein of op een station mogen komen? Zo neen, waarom niet?
De Wet en het Besluit personenvervoer 2000 vormen het wettelijk kader voor de sociale veiligheid in het openbaar vervoer. De mogelijkheid bestaat om een reisverbod op te leggen voor het gehele openbaar vervoer. Overtreding van het reisverbod strafbaar geworden. Dit is geregeld in de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010. Onder een reisverbod wordt verstaan een verbod om gedurende een bepaalde periode gebruik te maken van één of meerdere vormen van openbaar vervoer op een bepaald traject. In de wet is niet bepaald voor welke overtredingen een reisverbod kan worden opgelegd. De vervoerder bepaalt dit zelf, daarbij rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel.
Momenteel wordt gewerkt aan een voorstel tot wetswijziging van de Wet personenvervoer 2000 ten behoeve van een verblijfsverbod op bijvoorbeeld een station. Het wetsvoorstel zal de mogelijkheid gaan bevatten dat de vervoerder een verblijfsverbod kan opleggen en het overtreden hiervan strafbaar is.
Deelt u de mening dat een permanente politiepost bij zal dragen aan de veiligheid op en rond het station Rotterdam CS? Zo neen, waarom niet?
Er is al een politiepost van de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) bij station Rotterdam CS. Deze is gedurende de verbouwing van het station verplaatst naar de overzijde van het station. Het KLPD heeft mij meegedeeld dat het de bedoeling is dat de politiepost na de verbouwing van het station weer terugkomt in het station.
Deelt u de mening dat medewerkers van de NS zich nimmer bedreigd dienen te voelen en derhalve zich met gepaste middelen moeten kunnen beschermen, bijvoorbeeld met een taser? Zo neen, waarom niet?
Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak, waaronder treinpersoneel, is onacceptabel. Ook NS vindt het van belang de veiligheid voor zowel haar reizigers als haar personeel te garanderen. Als het gaat om agressie tegen treinpersoneel hanteert NS een zero-tolerance beleid. Met onder andere de inzet van de service- en veiligheidsteams op 19 grote stations doet NS er alles aan om agressie terug te dringen en zoveel mogelijk te voorkomen.
Wat voor personeel een passend beschermingsmiddel is, staat ter beoordeling van de werkgever op grond van de wettelijke mogelijkheden. De hoofdconducteurs en de medewerkers service en veiligheid (S&V) zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in het Domein IV (OV). De medewerkers S&V zijn daarnaast bevoegd tot het dragen en gebruiken van handboeien en tot het verrichten van identiteitsfouillering en zij dragen naald-, slag- en steekwerende vesten. Voor het uitrusten van NS-personeel met een taser bestaat geen wettelijke basis.
Deelt u de mening dat deze situatie weer eens aantoont dat de strafrechtelijke grens van groepsaansprakelijkheid verruimd dient te worden, zodat de gehele groep aangepakt kan worden? Zo neen, waarom niet?
Het Wetboek van Strafrecht biedt voldoende mogelijkheden om in dit soort situaties tot het aanpakken van een of meerdere daders over te gaan.
Besmette zalm |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van alle voedingsmiddelen waar de met salmonella besmette zalm van de Harderwijkse leverancier Foppen in terecht gekomen is?1
De mogelijk besmette zalm is in Nederland in verschillende voedingsmiddelen en diverse supermarkten terecht gekomen. Een lijst hiervan is op de site van de NVWA gepubliceerd.
http://www.vwa.nl/actueel/waarschuwingen/waarschuwing/2026521/waarschuwing-voor-producten-met-salmonella-besmette-zalm
De mogelijk besmette zalm is ook in viswinkels, horecagroothandels en visverwerkende bedrijven terecht gekomen. Deze bedrijven zijn hierover geïnformeerd door hun leveranciers en hebben goed gehoor gegeven aan de recall.
Ook is er geleverd aan Europese lidstaten en Derde landen. Deze landen zijn via het RASFF (Rapid Alert System for Food and Feed) systeem en Infosan (International Food Safety Authorities Network) hiervan op de hoogte gesteld.
Hoe en hoe vaak wordt door de Nederlandse Voedsel- Warenautoriteit (NVWA) geïnspecteerd op salmonellabesmettingen bij zalm en andere visproducten die voor rauwe consumptie bedoeld zijn? Is de pakkans vergelijkbaar met andere voedselbesmettingen?
Het voorkomen van pathogene micro-organismen, waaronder Salmonella, in (rauw) te consumeren producten is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de producent. Deze dient in het kader van Verordening EG 852/2004 zelf een risicoanalyse uit te voeren en op basis daarvan een beheersprogramma en verificatieprocedure vast te stellen. Tijdens de reguliere inspecties die de NVWA uitvoert wordt gecontroleerd of het bedrijf hieraan voldoende invulling geeft.
Daarnaast voert de NVWA zelf onderzoek uit. Voor onderzoek van kant-en-klare voedingsmiddelen die bedoeld zijn om direct te worden geconsumeerd, waaronder gerookte zalm en andere visproducten, richt de NVWA zich primair op relevante pathogenen die zijn opgenomen in de geldende wetgeving (zoals Verordening (EG) 2073/2005). Van 2011 tot op heden werden in het kader van monitoringsprojecten in totaal ruim 2000 monsters visproducten onderzocht door de NVWA. Alle op Salmonella onderzochte monsters waren daarbij negatief.
De pakkans is vergelijkbaar met andere voedselbesmettingen.
Ziet u in deze situatie reden om actiever in te zetten op de bewustwording van consumenten ten aanzien van de veilige bereiding van zalm?
In het algemeen kan worden gesteld dat alle rauw te consumeren voedingsmiddelen een risico met zich meebrengen. Direct, door consumptie van deze rauwe producten en indirect als gevolg van kruisbesmetting. Ondanks alle maatregelen in de keten kunnen er soms toch nog onveilige voedingsmiddelen op de markt komen. Het is van belang dat de consument zich daar van bewust is. Het Voedingscentrum Nederland (VCN, gefinancierd door het Ministerie van VWS en EL&I) communiceert hierover richting de consument.
Hierbij wordt met name aandacht besteed aan de het veilig kopen, koken en bewaren door de consument van voedingsmiddelen. Daarbij is speciale aandacht voor de zogenaamde risicogroepen (Young, Older (ouder dan2, Pregnant and Immuno compromised YOPI’s)
Welke kansen biedt bijvoorbeeld een bacteriesticker om salmonella besmettingen en andere risico’s actief voor de consument via de verpakking zichtbaar te maken? Zou dat voor deze vorm van salmonella een uitkomst kunnen bieden?
Een bacteriesticker om te waarschuwen voor deze vorm van Salmonella biedt geen uitkomst. De Salmonella besmetting op zalm betreft een incident. Salmonella wordt vrijwel nooit op zalm aangetroffen. Waarschuwing met een bacteriesticker is dan ook niet proportioneel. De focus zal zich vooral richten op de communicatie via het VCN (zie vraag3.
Was deze zalm al besmet toen deze uit Griekenland naar Nederland getransporteerd werd en is de lading in Griekenland geïnspecteerd?
Het is bevestigd dat de besmette zalm afkomstig uit Griekenland al besmet was voor aflevering in Nederland. Op levensmiddelen die in Griekenland worden geproduceerd wordt door de Griekse Voedsel- en Warenautoriteit toezicht gehouden. Hierbij wordt uiteraard niet elke geproduceerde partij door hen gecontroleerd.
Is er sprake van structurele samenwerking tussen de NVWA en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) met de European Food Safety Authority (EFSA) en de voedselautoriteiten van andere EU-lidstaten op het vlak van wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidsrisico’s van voedsel, zoals de mogelijke risico’s op kanker als gevolg van Round-up resistente genmaïs, of het onderzoeken van besmettingen van vis en andere verse producten zoals deze salmonella besmetting?
Ja. Het RIVM is een van de zo genoemde «artikel 36 instituten»4 in Nederland. In dit kader is er sprake van een regelmatige uitwisseling van wetenschappelijke kennis met de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Daarnaast nemen wetenschappers uit het RIVM zitting in verschillende panels en werkgroepen van de EFSA.
De NVWA levert op structurele basis informatie over monitoring en surveillance van voedselveiligheidsthema’s (zoals bijvoorbeeld zoönosen) aan de EFSA. Tenslotte heeft het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering (BuRO) van de NVWA een bijzondere band met EFSA als zijnde haar nationale gelijke.
Wordt in iedere lidstaat op dezelfde manier omgesprongen met de vraag of voedsel veilig is of verschillen de gezondheidsnormen en de onderzoeksmethoden, gelet op de grote hoeveelheid grensoverschrijdende handel?
De regelgeving op het terrein van voedselveiligheid is Europees. In de lidstaten worden dezelfde normen en geharmoniseerde onderzoeksmethoden gehanteerd. Dit is vanwege de open Europese grenzen voor voedingsmiddelen ook noodzakelijk. De NVWA ziet toe op de naleving van deze regels in Nederland. Het Voedsel- en veterinair bureau (FVO) van de Europese Commissie ziet toe op de naleving in alle lidstaten.
Het artikel “wie weet hoe hard je waar mag rijden” |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «wie weet hoe hard je waar mag rijden»?1
Ja.
Deelt u de mening van de VerkeersInformatieDienst dat op verschillende plaatsen in Nederland de snelheidsborden op de snelwegen niet de juiste, of op onduidelijke wijze snelheden aangeven? Zo nee, waarom niet?
In verband met de invoering van 130 km/h zijn er door Rijkswaterstaat voor
1 september circa 2 500 borden geplaatst. Vanaf 1 september kunnen weggebruikers met vragen en opmerkingen terecht bij het gratis nummer van Rijkswaterstaat (0800–8002). Rijkswaterstaat heeft de afgelopen weken mede op basis van de reactie van weggebruikers een inspectie uitgevoerd naar de plaatsing van de borden. Deze inspectie heeft geleid tot verbeteringen op circa 100 locaties. Het betreft situaties waarin de borden niet geheel conform het bebordingsplan zijn geplaatst danwel onduidelijk bleken voor de weggebruiker. Bijvoorbeeld een bord dat niet zichtbaar was door begroeiing of het ontbreken van een bord aan één zijde van de weg. Nieuwe meldingen worden door Rijkswaterstaat bekeken waarna de bebording eventueel wordt aangepast.
De bebording van de spitsstroken wordt ook verbeterd. Medio 2013 verwacht ik dat alle rotatiepanelen naast de spitsstroken zijn aangepast zodat de huidige bebording verwijderd kan worden.
Op hoeveel plaatsen en op welke locaties klopt de bewegwijzering op dit moment niet of is de bewegwijzering verwarrend voor de automobilist?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid gas te geven in de verduidelijking van de maximumsnelheden op de snelwegen en zo ja, kunt u toezeggen dat deze klus binnen twee maanden is geklaard? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om de ten onrechte opgelegde verkeersboetes door verkeerde bewegwijzering teniet te doen?
Vanuit het KLPD is de instructie dat iedere controleur voorafgaand aan elke handhavingsactie bekijkt of de bebording op het betreffende wegvak in orde is. Op het moment dat de bebording onjuist of onduidelijk is, wordt dit direct aan Rijkswaterstaat gemeld, die vervolgens de bebording aanpast. In zijn algemeenheid geldt dat als iemand meent ten onrechte bekeurd te zijn, hij bezwaar kan aantekenen bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie zal de zaak beoordelen en beslissen over de rechtmatigheid van de opgelegde sanctie.
Het artikel “Autoriteiten Servië verbieden Gay Pride en tegendemonstratie” |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Autoriteiten Servië verbieden Gay Pride en tegendemonstratie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de breed gedragen weigering van de Servische autoriteiten om mee te werken aan organisatie en beveiliging van de Gay Pride?
Ik betreur dat de Pride Parade van zaterdag 6 oktober in Belgrado is afgelast. De Servische autoriteiten besloten hiertoe in verband met de veiligheid van de deelnemers. Servië moet meer doen om de rechten van seksuele minderheden te beschermen. Ik beschouw de afgelasting van de Pride Parade als een gemiste kans.
Is er sinds de eerdere vragen over dit onderwerp2 vooruitgang geboekt op het gebied van de mensenrechtenbescherming van seksuele minderheden in Servië?
De maatschappelijke acceptatie van seksuele minderheden is laag en er bestaat onder de bevolking van Servië weinig steun voor de Gay Pride, die door velen als provocatief wordt ervaren. De Europese Commissie publiceerde op 10 oktober 2012 haar voortgangsrapport over Servië, waarin zij constateert dat de nieuwe Servische regering tot dusverre geen initiatieven heeft genomen om de maatschappelijke acceptatie van de LGBT-gemeenschap te bevorderen. Zoals ik diezelfde dag in het Algemeen Overleg met uw Kamer over de Raad Buitenlandse Zaken heb aangegeven, deel ik de zorgen van Kamerleden over de LGBT-rechten in (onder andere) Servië.
Zult u er wederom bij uw Servische collega’s op aandringen dat (seksuele) minderheden worden beschermd?
Ja. In het afgelopen jaar (sinds de afgelasting van de Gay Pride in 2011) heb ik net als vorig jaar Servische bewindspersonen hierop aangesproken.
Deelt u de mening dat er geen verdere stappen genomen moeten worden in het toetredingsproces van Servië tot de Europese Unie zonder duidelijke vooruitgang op het gebied van mensenrechtenbescherming voor (seksuele) minderheden?
Het waarborgen van de rechten van minderheden, waaronder seksuele minderheden, vormt een integraal onderdeel van de politieke Kopenhagen-criteria van de Europese Unie. Nederland heeft daags na de aankondiging van de Servische autoriteiten dat de Gay Pride geen doorgang zou vinden, hierover in EU-kader zijn teleurstelling geuit. Ik zie er in de Raad van Ministers van de Europese Unie op toe dat de bescherming en bevordering van de rechten van minderheden worden meegewogen in de besluitvorming over verdere stappen van Servië in het EU-toetredingsproces.
Welke rol gaat het wederom verbieden van de Gay Pride in Servië voor u spelen in het nemen van verdere stappen in het toetredingsproces?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Grieken krijgen circuit’ |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Grieken krijgen circuit»?1 Is dit bericht waar?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Het Griekse ministerie van Ontwikkeling en Concurrentie heeft het project «Formule 1 circuit» via de zgn. fast-trackprocedure geselecteerd en opgenomen in een breder wetsvoorstel dat afgelopen week ter goedkeuring naar het parlement is gestuurd. De fast-track procedure is in 2010 ingesteld om de procedures voor grote investeringen succesvoller te laten verlopen, door de Griekse bureaucratische processen te versnellen. Voor zover bekend gaat het hierbij om een grotendeels door de private sector gefinancierd project, waar de publieke sector deels aan bijdraagt.
Zo ja, deelt u dan de mening dat het schandalig is dat ondanks de economische malaise waarin de Griekse overheid verkeert en de miljarden die ze krijgt van noordelijke lidstaten, ze blijkbaar wel 30 miljoen euro spendeert aan een racecircuit?
Neen.
Het is aan de Griekse overheid om haar prioriteiten op het gebied van investeringen vast te stellen binnen de randvoorwaarden die zijn opgesteld in het kader van het leningenprogramma van EFSF en IMF. De Trojka, van Europese Commissie, ECB en IMF, houdt toezicht op de implementatie van de voorwaarden die zijn opgesteld en rapporteert daarover aan de Eurogroep en de IMF Board.
Bent u bereid om de Grieken hierover te kapittelen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Griekenland geen (Nederlandse) cent meer aan leningen/garanties dient te ontvangen en met de snelheid van een Formule 1 wagen de eurozone dient te verlaten?
Het Nederlandse standpunt over het leningenprogramma aan Griekenland, zoals dat de Tweede Kamer bekend is, is ongewijzigd.
De rechtsmacht over militairen die koopvaardijschepen tegen piraten beschermen |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het Enrica Lexie-incident. Rechtsmacht over Militaire Vessel Protection Detachments (VPD's)»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat ook Nederlandse militairen die koopvaardijschepen tegen piraten beschermen en daarbij geweld toepassen, daarvoor door een andere staat strafrechtelijk vervolgd kunnen worden? Zo ja, onder welke voorwaarden en omstandigheden is dat mogelijk? Zo nee, waarin verschilt de positie van Nederlandse militairen dan van die van de in het artikel genoemde Italiaanse militairen?
Allereerst hecht ik er aan op te merken dat een zelfstandig militair beveiligingsteam ter bescherming van individuele zeetransporten, een zogenaamd Vessel Protection Detachment (VPD), piraten op volle zee dient af te schrikken. Het gebruik van geweld door een VPD is, conform de geweldsinstructie, beperkt tot zelfverdediging en is pas aan de orde als deze afschrikking onvoldoende effect heeft. Dit is tot dusver één keer gebeurd.
De uitoefening van rechtsmacht op zee berust op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: het VN-Zeerechtverdrag) dat de zee in verschillende zones verdeelt. In het algemeen geldt dat hoe dichter een zone bij de kust ligt, des te meer rechtsmacht een kuststaat in die zone kan uitoefenen.
De mogelijkheden voor een vreemde staat om op volle zee strafrechtelijke rechtsmacht uit te oefenen over schepen met een andere vlag zijn zeer beperkt. Nederlandse vaartuigen die onder de vlag van het Koninkrijk varen zijn steeds onderworpen aan de strafrechtelijke rechtsmacht van Nederland. Wanneer op volle zee vanaf een onder Koninkrijksvlag varend schip geweld wordt gebruikt tegen een schip varend onder een andere vlag, kan dit (ook) een strafbaar feit opleveren volgens het nationale recht van de desbetreffende staat. Die staat kan vervolgens handhavend optreden wanneer het Nederlandse schip een haven van het land in kwestie binnenvaart. In een dergelijk geval, waarbij beide landen rechtsmacht kunnen uitoefenen, is sprake van concurrerende rechtsmacht.
In de Exclusieve Economische Zone (EEZ), de aansluitende zone en de territoriale zee kan de kuststaat geen strafrechtelijke rechtsmacht uitoefenen over VPD’s, behalve in bepaalde specifieke, in het VN-Zeerechtverdrag gedefinieerde gevallen. In de territoriale zee betreft dit strafbare feiten gepleegd tijdens de passage door de territoriale zee indien:
Een kuststaat heeft tot slot rechtsmacht over schepen in zijn haven(s). Indien een kuststaat op basis van bovenstaande in havens of territoriale zee rechtsmacht wil uitoefenen over de leden van een VPD dat geweld heeft gebruikt tegen een schip dat voer onder de vlag van de kuststaat, is er sprake van concurrerende rechtsmacht tussen Nederland en die staat. In het geval van concurrerende rechtsmacht zal de regering zich tot het uiterste inspannen om de Nederlandse rechtsmacht te laten voorgaan.
Wie heeft de rechtsmacht over Nederlandse militairen die aanwezig zijn op Nederlandse koopvaardijschepen? Kunt u daarbij ingaan op de rechtsmacht in territoriale wateren van een kuststaat, de exclusieve economische en de aangrenzende zones van een kuststaat en de rechtsmacht buiten die wateren op volle zee?
Zie antwoord vraag 2.
Kan er onduidelijkheid bestaan over bovengenoemde rechtsmacht? Zo ja, waaruit kan die onduidelijkheid bestaan en kan die onduidelijkheid worden weggenomen door een «Status of Forces Agreement» (SOFA) te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 is geschetst, biedt het VN-Zeerechtverdrag duidelijkheid over de Nederlandse rechtsmacht over Nederlandse vaartuigen varend onder Koninkrijksvlag. De in dit verdrag opgenomen regels zijn algemeen aanvaard en er is geen aanleiding deze aan te passen door middel van het sluiten van Status of Forces Agreements.
Is het waar dat er bij Vessel Protection Detachments de genoemde SOFA’s meestal ontbreken? Zo ja, waarom ontbreken die meestal? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het naar aanleiding van het incident met de Italiaanse militairen verstandig dat Nederlandse militairen die buiten de territoriale wateren betrokken raken bij een incident dat mogelijk een strafbaar feit oplevert voor de kuststaat, de territoriale wateren van die kuststaat niet binnenvaren? Zo ja, waarom en hoe gaat u bewerkstelligen dat dit niet gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ja. In een dergelijk geval zal de kapitein van het schip worden verzocht niet de territoriale zee van de desbetreffende kuststaat in te varen.
Deelt u de mening dat Nederland zelf zijn eigen militairen zou moeten vervolgen en desnoods berechten indien die militairen buiten Nederland op zee een mogelijk strafbaar feit plegen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de opvatting van andere landen waar Nederlandse militairen in de buurt zijn om piraterij te bestrijden? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse strafwet is van toepassing op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Voor militairen geldt bovendien dat Nederland altijd rechtsmacht heeft indien een militair (al dan niet in het buitenland) strafbare feiten pleegt. Het Openbaar Ministerie in Arnhem toetst eventueel geweldsgebruik door Nederlandse militairen achteraf en kan naar aanleiding daarvan besluiten strafvervolging in te stellen. Van strafrechtelijke immuniteit is geen sprake.
Kunt een beeld schetsen over de strafrechtelijke immuniteit van Nederlandse militairen die op zee buiten Nederland actief zijn in de bestrijding van piraterij?
Zie antwoord vraag 7.
Kan er onduidelijkheid bestaan over deze strafrechtelijke immuniteit? Zo ja, waaruit kan die bestaan en hoe denkt u dit op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Verontrustende cijfers over gehoorschade |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verontrustende cijfers over gehoorschade bij jongeren?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat steeds meer jonge mensen in Nederland door onwetendheid gehoorschade dreigen op te lopen?
Gehoorschade opgelopen door te harde muziek bij jongeren is een gezondheids- en maatschappelijk probleem dat in principe voorkomen had kunnen worden. Jongeren moeten er bewust van zijn dat ze bij het luisteren naar harde muziek het risico op gehoorschade lopen. De Nationale Hoorstichting heeft zich, mede met financiering van het ministerie van VWS, de afgelopen jaren ingezet op het informeren, bewustmaken en het veranderen van risicogedrag van jongeren. Uit het recente onderzoek van de Nationale Hoorstichting blijkt dat het van belang blijft om informatie over het risico op gehoorschade door lawaai te verstrekken.
Welke pogingen heeft u tot dusver ondernomen om onnodige gehoorschade te voorkomen of te beperken?
Zie mijn antwoord op vraag 3 en 6 van de leden Voordewind (ChristenUnie) en Bruins Slot (CDA) over gehoorschade bij de jeugd (vraagnummer 2012Z16721).
Weet u wat de meest effectieve interventiemethode is om mensen bewust te maken van de risico’s die zij lopen in discotheken en muziekevenementen?
Tot nu toe heeft de Nationale Hoorstichting, mede met financiering van het ministerie van VWS, vooral ingezet op informatieverstrekking en bewustmaking van de gevaren van mogelijke gehoorschade door te harde muziek aan kinderen en jongeren. Hiervoor is onder andere lesmateriaal voor scholen ontwikkeld, zijn folders gemaakt en laagdrempelige hoortesten ontwikkeld. Ook wordt voorlichting gegeven op muziekfestivals. Daarnaast werkt de muzieksector via het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector samen met de Nationale Hoorstichting aan het voorkomen van gehoorschade bij de bezoekers van discotheken, clubs en festivals. Eind december wordt de effectiviteit van het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector geëvalueerd.
Heeft u deze ingezet om ouders en kinderen voor te lichten over de gehoorschade door discotheken en muziekevenementen? Zo ja, wat zijn de resultaten en zo nee, waarom niet?
Ja. Van het werkmagazine «OORzaken» zijn bijvoorbeeld al ruim 60 000 exemplaren afgenomen door ruim 1 000 basisscholen. Op deze manier worden kinderen bereikt voordat de risicogedragingen (persoonlijke geluidsdragers, discotheekbezoek) ontstaan. Daarnaast zijn er verschillende websites voor kinderen en jongeren over voorkombare gehoorschade. Uit een onlangs gehouden enquête blijkt er wel een kloof te zitten tussen «geïnformeerd zijn» en «iets doen».
Deelt u de mening dat het een groot probleem is dat mensen zich nog steeds niet bewust zijn van het gegeven dat veel discotheken en evenementen het aantal decibels schadelijk hoog laten oplopen, zoals uit dit onderzoek blijkt?
Uit het onderzoek van de Nationale Hoorstichting blijkt dat een groot gedeelte van het uitgaanspubliek zich niet bewust is van de risico’s van te harde muziek en geen gehoorbeschermers draagt. Het is van belang dat het uitgaanspubliek zich bewust is van de risico’s en maatregelen neemt om gezondheids- en maatschappelijke problemen te voorkomen.
Wat vindt u ervan dat de meeste mensen de overheid een toeziende en corrigerende taak toedichten in deze kwestie?
Ik zie het voorkomen van gehoorschade door te harde muziek bij de bezoekers van muzieklocaties vooral als een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de muzieksector zelf. De muzieksector is samen met de Nationale Hoorstichting al bezig met de preventie van gehoorschade door te harde muziek bij bezoekers van muzieklocaties. Dit gebeurt onder andere via het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieklocaties. Het keurmerk en het convenant worden in december 2012 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wil ik samen met de sector kijken of nadere actie nodig en gewenst is.
Het bericht “OM Breda laat tonnen van wiettelers liggen” |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «OM Breda laat tonnen van wiettelers liggen»?1
Ja.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie (OM) in Breda grote sommen geld laat schieten die van henneptelers zou kunnen worden afgepakt en in ruil daarvoor iets hogere werkstraffen worden opgelegd?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vragen 2 en 3 van de leden Recourt en Kuiken (vraagnummer 2012Z16727, ingezonden 4 oktober 2012).
Is het waar dat rammelende processen-verbaal en een toevloed van zaken het OM dwingen om het plukken van de winsten van illegale hennepdealers maar te laten zitten?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vragen 4,5 en 7 van de leden Recourt en Kuiken (vraagnummer 2012Z16727, ingezonden 4 oktober 2012).
Nu zelfs de criminelen verbaasd zijn dat ze er slechts met een taakstrafje afkomen, deelt u nu de mening dat de taakstraf veel te slap is en afgeschaft dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een taakstraf niet altijd een geschikte sanctie is. Ik vind bovendien dat voor bepaalde types delicten een taakstraf in het geheel niet moet worden opgelegd. Hierbij valt te denken aan plegers van ernstige zeden- en geweldsdelicten en aan recidivisten. Daarom is begin 2012 wetgeving in werking getreden waarmee een taakstraf bij dergelijke delicten wordt uitgesloten.
Deelt u de mening dat het OM hiermee een slecht voorbeeld geeft waaruit men kan concluderen dat misdaad toch loont? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u per direct nemen om ervoor te zorgen dat geen werkstraffen meer worden opgelegd en criminelen tot op het bot geplukt worden?
Zie antwoord vraag 4.