Vrouwen in topfuncties bij universiteiten en hogescholen |
|
Keklik Yücel (PvdA), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Universiteit gedaagd voor discriminatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat in vergelijking met andere Europese landen Nederland erg laag scoort als het gaat om vrouwelijke hoogleraren?
Het kabinet is van mening dat excellentie in de wetenschap belangrijk is voor de groei van welvaart en het oplossen van maatschappelijke problemen in Nederland en Europa. Daarom is het streven erop gericht het volledige potentieel aan excellente onderzoekers, waaronder uiteraard ook vrouwen, te benutten. Een betere doorstroom van vrouwen in de universitaire wereld naar bijvoorbeeld de positie van hoogleraar is dan ook wenselijk en zou moeten worden bevorderd.
Hoe verklaart u het feit dat, ondanks dat er iets meer vrouwen afstuderen dan mannen, binnen universiteiten steeds minder vrouwen doorstromen naar hogere functies?
Meer vrouwen dan mannen studeren af, maar uit het aandeel vrouwen onder promovendi (44,7%) is al te zien dat zij minder snel voor een universitaire carrière kiezen dan mannen. Voor het lage percentage vrouwen in hoge posities in de universitaire wereld is niet één oorzaak aan te wijzen. In Nederland en in meer landen in Noordwest-Europa moet men zeker kijken naar de status van het hoogleraarsambt, de organisatie van en werkcultuur in universiteiten en onderzoeksinstellingen en de carrièrekansen voor vrouwen in de private sector. Onderzoeken naar de Nederlandse situatie hebben herhaaldelijk uitgewezen dat de cultuur van de organisatie een belangrijk element is in de afweging van vrouwen om wel of niet een verdere wetenschappelijke loopbaan te ambiëren.
Hoeveel gevallen zijn er bekend van vrouwen die niet kunnen doorstromen binnen universiteiten?
De Nederlandse universiteiten zijn autonoom. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikt niet over cijfers met betrekking tot vrouwen die niet kunnen doorstromen.
Welke maatregelen worden ingezet om het aantal vrouwelijke hoogleraren te verruimen?
Gezien de autonomie van de onderzoeksinstellingen in Nederland is het in eerste instantie aan de instellingen zelf om de positie van vrouwen in de wetenschap te verbeteren. Om de deelname van vrouwen in de wetenschap te stimuleren hebben de ministeries van OCW en van EZ en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een reeks aanvullende maatregelen genomen. Zo financieren OCW en EZ de Stichting Talent naar de Top, dat, vooral aan de hand van het gelijknamige Charter, genderdiversiteit aan de top van bedrijven, organisaties en instellingen stimuleert. NWO, KNAW, TNO en een grote meerderheid van de Nederlandse universiteiten hebben dit charter getekend. NWO voert het Aspasia-programma uit dat is gericht op de vertegenwoordiging van vrouwen in de hogere wetenschappelijke rangen. De Stichting Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) ontvangt voor de periode 2007–2014 subsidie van OCW om zich te professionaliseren en zich zo optimaal te kunnen richten op de bevordering van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen binnen de universitaire gemeenschap. Ook NWO ondersteunt dit netwerk financieel.
Naast bovenstaande maatregelen wil ik mij graag inzetten voor een betere doorstroom van vrouwen naar topfuncties binnen universiteiten en hogescholen. Ik ben graag bereid met deze instellingen overleg te voeren over het streefcijfer voor vrouwen in topfuncties. In algemene zin is 30% een goed streefcijfer, maar maatwerk is hierbij van belang.
Is er een stijging in het aantal vrouwelijke hoogleraren waar te nemen na de invoering van de verplichte «gender awareness training» voor bestuurders, universitair (hoofd)docenten en hoogleraren? Zo ja, wat is het verschil na de invoering? Zo niet, waarom heeft deze verplichting niets opgeleverd?
Er is geen verplichte «gender awareness training» voor bestuurders, universitair (hoofd)docenten en hoogleraren. Het aandeel vrouwen onder de hoogleraren neemt jaarlijks toe en is sinds 2001 verdubbeld: van 7,2% in 2001 tot 14,8% in 2012.
Deelt u de mening dat het streefcijfer van 30% vrouwen in topfuncties in 2016 ook zou moeten gelden voor universiteiten en hogescholen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn gaat u hierover in overleg met universiteiten en hogescholen? Zo niet, waarom zou het streefcijfer niet bij universiteiten en hogescholen ingevoerd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Zou de uitwerking van het streefcijfer 30% bij universiteiten en hogescholen meegenomen kunnen worden in de monitoring van vrouwen in topfuncties?
Zie antwoord vraag 5.
Welke cijfers zijn er bekend over vrouwen in topfuncties in alle onderwijssectoren?
Het percentage vrouwen in managementfuncties bedraagt in 2011 in het primair onderwijs 43,1%, in het voortgezet onderwijs 25,4% en in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie 34,3% (CAOP/Stamos).
Het percentage vrouwen in de bovenste 10% inkomensfuncties bedraagt in 2011 in het hoger beroepsonderwijs 34% en in het wetenschappelijk onderwijs 17% (CAOP/Kosmos).
De sterke stijging van het aantal failliete kinderdagverblijven in 2012 |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in 2012 zes maal zoveel kinderdagverblijven failliet zijn gegaan?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling dat de bezuinigingen in de kinderopvang de belangrijkste reden is voor de sluitingen?
Ik zie drie verschillende ontwikkelingen die bijdragen aan de stijging van het aantal sluitingen in de kinderopvangsector. De bezuinigingen zijn er daar één van, maar het aantal faillissementen is door meerdere oorzaken gestegen. Daarbij is de oorzaak van een faillissement in de regel een combinatie van factoren.
De stijging van het aantal faillissementen is ten eerste onderdeel van een algemene stijging van het aantal faillissementen. De crisis zorgt voor moeilijke tijden in de hele economie, ook in de kinderopvang. Daarnaast zijn ouders de afgelopen jaren meer gaan betalen voor de kinderopvang. Een gevolg daarvan is dat ouders opnieuw nadenken over het gebruik van opvang. Tot slot is in 2012 het aantal vestigingen in de dagopvang en buitenschoolse opvang gestegen. Dit leidt tot meer concurrentie tussen kinderopvanginstellingen in de sector.
Bent u voornemens te onderzoeken wat de redenen zijn voor de sterke stijging van het aantal faillissementen?
Hierboven heb ik drie ontwikkelingen geschetst die een belangrijke rol spelen in de stijging van het aantal faillissementen in de kinderopvang. Een verder onderzoek acht ik niet noodzakelijk.
Deelt u de zorgen over de werkgelegenheid in de kinderopvangsector? Zo ja, welke maatregelen kunt en wilt u nemen om de werkgelegenheid in de kinderopvangsector te stimuleren?
Ja. Een daling van het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, heeft onvermijdelijk ook gevolgen voor de werkgelegenheid. Tegelijkertijd zie ik dat er nog steeds nieuwe instellingen bijkomen in de dagopvang en buitenschoolse opvang. Hiermee wordt nieuwe werkgelegenheid gecreëerd in de kinderopvangsector. De werkgelegenheid in de kinderopvangsector hangt uiteindelijk af van het aantal kinderen dat gebruik maakt van opvang. Door te zorgen dat kinderopvang een toegankelijke voorziening blijft voor ouders, wordt ook de werkgelegenheid in de kinderopvangsector geborgd.
Wat is uw reactie op de stelling dat veel ouders hun kinderen van de kinderopvang halen, omdat de economische situatie hen daartoe dwingt?
Ouders met jonge kinderen hebben, zoals iedereen, te maken met de gevolgen van de economische situatie. Ouders zullen door de economische situatie opnieuw naar de kosten van kinderopvang kijken en mogelijk de combinatie arbeid en zorg anders invullen. Ook bij deze groep zullen sommigen hun baan kwijt zijn geraakt de afgelopen tijd. De economische situatie zal hierdoor zeker effect hebben op het gebruik van kinderopvang. In het tweede kwartaal van 2013 zal ik een analyse aan de Kamer sturen over het structurele dan wel incidentele karakter van de daling in het gebruik van kinderopvang. Hier zal ik ook aandacht besteden aan het effect van de economische situatie op het gebruik van opvang.
Deelt u de zorg over de mogelijkheden van ouders om met inzet van kinderopvang te kunnen blijven of gaan werken? Bent u het er mee eens dat de arbeidsparticipatie in Nederland niet mag lijden onder de bezuinigingen op de kinderopvang?
Ik vind het belangrijk dat ouders in staat zijn te blijven werken. Hiervoor is kwalitatief goede en financieel toegankelijke kinderopvang essentieel. Ouders zijn door de bezuinigingen de afgelopen jaren meer gaan betalen voor het gebruik van kinderopvang. De meest recente cijfers over de arbeidsparticipatie van vaders en moeders met jonge kinderen laten echter een stabiel beeld zien. Ik heb daarom op dit moment geen reden om aan te nemen dat ouders niet meer kunnen blijven of gaan werken.
Bij het doorvoeren van zulke grote bezuinigingen op de kinderopvang is het niet te voorkomen dat het effect zal hebben op de arbeidsparticipatie. De maatregelen van de afgelopen jaren zijn dusdanig vormgegeven dat het effect op de arbeidsparticipatie beperkt is. Eerder is berekend dat de totale bezuiniging in 2012 en 2013 gepaard gaat met een daling van de arbeidsparticipatie van 0,1%.
Bent u bereid de problematiek in de kinderopvangsector en de problemen voor ouders die wegens de economische situatie geen gebruik kunnen maken van kinderopvang, in te brengen in het overleg met de sociale partners over de sociale agenda?
Ik ben bereid kinderopvang in het reguliere overleg met de Stichting van de Arbeid te bespreken, indien daar van de kant van sociale partners behoefte aan bestaat.
De gevolgen van stopzetten (agrarische) financiering door Deutsche Bank |
|
Eddy van Hijum (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Deutsche Bank een strategiewijziging heeft aangekondigd?1
Ja.
Wat zijn volgens u de gevolgen van deze strategiewijziging voor de klanten die een aantal jaar geleden, veelal gedwongen, juist overgingen van ABN AMRO naar Deutsche bank?
Het zal betekenen dat een aantal ondernemers op zoek zal moeten gaan naar nieuwe financieringsmogelijkheden. Ik verwijs hierbij ook naar de antwoorden op de Kamervragen ingediend op 17 januari jl. door het lid Dijkgraaf (SGP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1531).
In hoeverre hebben er tussentijdse wijzigingen plaatsgevonden van de financieringsvoorwaarden voor klanten van Deutsche Bank ten opzichte van de voorwaarden die onder ABN AMRO golden?
Het is mogelijk dat Deutsche Bank op verschillende vlakken de voorwaarden voor enkele klanten in de afgelopen jaren heeft aangepast. In materiële zin zijn de financieringsvoorwaarden voor klanten van Deutsche Bank in principe dezelfde gebleven als die destijds met ABN Amro zijn afgesproken.
Wat zijn hierover destijds voor afspraken gemaakt als onderdeel van de EC-remedy? In hoeverre voldoet de handelwijze van Deutsche Bank aan de destijds gemaakt afspraken?
Verkoop van HBU (voorheen onderdeel van ABN Amro, nu onderdeel van Deutsche Bank) was, vanuit staatssteun- en mededingingsperspectief, een voorwaarde voor goedkeuring door de Europese Commissie van de fusie van ABN Amro met Fortis. Over eventuele wijzigingen van de financieringsvoorwaarden voor klanten zijn geen afspraken gemaakt als onderdeel van de EC-remedy.
Kunt u uitgesplitst naar sector aangeven hoeveel klachten er zijn binnengekomen via de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de financiële ombudsman of andere kanalen?
Er zijn bij de AFM enkele klachten binnengekomen over kredietverlening door Deutsche Bank en de gevolgen die dit heeft voor de klanten. Zoals gebruikelijk beoordeelt de AFM binnengekomen klachten, maar kan zij geen mededelingen doen of deze leiden tot een onderzoek. KiFiD, de financiële ombudsman, is een onpartijdig bemiddelaar. Deze kan bemiddelen wanneer een financiële dienstverlener een klacht van een consument heeft afgewezen. Bij de financiering van ondernemers zijn dergelijke klachten bij KiFiD niet aan de orde. Via andere kanalen heb ik vooralsnog geen klachten ontvangen over Deutsche Bank.
Wat vindt u ervan dat Deutsche Bank stopt met de financiering van agrarische omzet onder de 1 mln. euro?2
Vanuit het oogpunt van een divers aanbod van financiers van de agrarische markt is een groot aantal spelers altijd wenselijk. Het is echter aan een private onderneming zelf om, binnen de grenzen van de wet, te bepalen of zij actief wenst te blijven in een bepaalde sector. In dit geval betreft het een bedrijfseconomische beslissing van Deutsche Bank zelf.
In hoeverre blijven er zo voldoende aanbieders voor agrarische financiering over? Wat is de mening van de Nederlandse Mededingings autoriteit (NMa), mede ook uit het oogpunt van de concurrentie?
Uit onderzoek van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) blijkt dat sprake is van een hoge concentratiegraad onder aanbieders van krediet aan het MKB. De terugtrekking van Deutsche Bank vermindert het aantal aanbieders voor agrarische financiering en leidt tot een verdere concentratie van deze markt. Vanuit het oogpunt van concurrentie zou een toename van het aantal aanbieders wenselijk zijn.
Welke activiteiten heeft Deutsche Bank de afgelopen jaren ondernomen om klanten aan zich te binden, juist ook binnen haar agrarische portefeuille? Wat zijn de gevolgen voor deze klanten van het gedwongen vertrek? In hoeverre is de AFM van mening dat hierbij juist wordt gehandeld door Deutsche Bank?
Voor zover mij bekend heeft Deutsche Bank geen bijzondere commerciële activiteiten ondernomen richting de agrarische sector. Voor de gevolgen voor klanten van een eventueel gedwongen vertrek verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 van de door het lid Dijkgraaf (SGP) ingestuurde vragen op 17 januari (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1531).
Het toezicht van de AFM is onder meer gericht op zorgvuldige behandeling van klanten. Kredietverlening aan zakelijke klanten, zoals u kunt lezen in het antwoord op vraag 6 van de door het lid Dijkgraaf (SGP) gestelde vragen, valt hier niet onder. Of in deze casus door Deutsche Bank is gehandeld conform de zorgplichteisen van de Wet op het financieel toezicht zou de AFM alleen op grond van een onderzoek kunnen vaststellen. Over mogelijke onderzoeken naar individuele instellingen kan de AFM echter geen mededelingen doen.
Bent u zich ervan bewust dat het gedwongen vertrek bij Deutsche Bank hoge kosten met zich mee kan brengen voor de klant? Bijvoorbeeld door het opleggen van boeterentes etc.? Bent u van plan hier wat aan te laten doen? Zo ja, wat? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 4 en 6 gesteld door het lid Dijkgraaf (SGP) in het eerste gedeelte van mijn brief.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat agrariërs zich op fatsoenlijke wijze kunnen blijven financieren? Bent u van plan activiteiten te ontplooien om agrarische ondernemers ook in staat te stellen om financiering te krijgen voor investeringen? Zo ja, welke?
Ja, het is van belang dat agrarisch ondernemers zich op een fatsoenlijke wijze kunnen financieren. De agrarische sector weet zelf het beste waar de knelpunten met betrekking tot financiering zitten. Zo heeft het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) in oktober 2012 een discussiestuk over alternatieve financiering in de primaire sector opgesteld. Hierin is een inventarisatie gemaakt van de knelpunten voor de primaire sector.
Door de overheid wordt al heel veel gedaan om agrarisch ondernemerschap te stimuleren. Zo wordt door de landbouwvrijstelling fiscaal gestimuleerd om agrarische bedrijven van de ene op de andere generatie over te dragen.
Daarnaast worden agrarische ondernemers in Nederland gestimuleerd in hun bedrijfsvoering en inkomen door:
De berichten dat Deutsche Bank geen leningen meer verstrekt aan bedrijven met een omzet van minder dan 1 miljoen euro |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Deutsche Bank zegt boer de wacht aan», «DB: wij steunen renderende boer» en «Alleen «grote» boeren lening Deutsche Bank», alle uit het blad Nieuwe Oogst, waarin duidelijk wordt dat de Deutsche Bank stopt met de financiering van veel van haar klanten met een omzet van minder dan één miljoen euro per jaar?1
Ja.
Is het u bekend dat veel (agrarische) MKB-bedrijven bestaande leningen die bij de Deutsche Bank (DB) aflopen niet meer kunnen verlengen en zij ook geen nieuwe leningen meer kunnen krijgen, waardoor deze bedrijven genoodzaakt zijn te zoeken naar (uitbreiding van) financiering bij andere banken?
Het is mij bekend dat er agrarische ondernemers zijn die op dit moment niet door Deutsche Bank geherfinancierd worden. Deutsche Bank heeft in december 2012 door middel van een persbericht aangegeven zich meer te willen focussen op bedrijven en organisaties die behoefte hebben aan handelsfinanciering, ondersteuning voor internationaal betalingsverkeer en ondersteuning bij andere hoogwaardige financiële vraagstukken. Het is mij niet bekend hoeveel (agrarische) MKB-bedrijven het betreft en hoeveel daarvan geen nieuwe financiering kunnen afsluiten bij Deutsche Bank en daardoor genoodzaakt zijn op zoek te gaan naar alternatieve vormen van financiering.
Is het u bekend dat voor bedrijven vaak geen andere mogelijkheid resteert dan het overbrengen van het gehele pakket aan financiering naar een nieuwe bank, wat meestal wordt veroorzaakt doordat alle zekerheden voor de financieringen zijn ondergebracht bij DB?
Zekerheden worden aan een financier verstrekt om de gevolgen van een eventueel faillissement van de lener te beperken voor de financier. Indien de lener zekerheden verschaft aan de financier wordt het risico voor de financier minder en daarmee de rente op de financiering lager. Het verstrekken van zekerheden is daarom zowel aantrekkelijk voor de onderneming (lagere rente) als voor de financier (lager risico).
Van de precieze inhoud van de private contracten tussen ondernemers en Deutsche Bank ben ik niet op de hoogte. Over het algemeen is in het financieringscontract opgenomen welke zekerheden moeten worden verschaft. Indien het contract ontbonden wordt, of ten einde loopt, zal ook de onderliggende verschafte zekerheid ten behoeve van de financier komen te vervallen. De zekerheid kan daarna opnieuw bij een andere kapitaalverschaffer worden ondergebracht.
Het kan voorkomen dat de verschafte zekerheid niet of nauwelijks splitsbaar is. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als het vastgoed van een onderneming dienst doet als zekerheid. Het is in dat geval praktisch vaak niet mogelijk om de zekerheid gedeeltelijk te laten vervallen indien er nog overgebleven financieringsverplichtingen lopen. Indien het onmogelijk is de zekerheden te splitsen hebben ondernemers eventueel de optie van het verschaffen van een tweede zekerheid aan de nieuwe kapitaalverschaffer. In sommige gevallen zal de ondernemer ook kunnen financieren zonder zekerheid.
Is het u bekend dat bedrijven hierdoor in de problemen kunnen komen als zij ook nog leningen hebben uitstaan bij DB waarvan de rentevastperiode nog niet is verlopen, aangezien zij die lening(en) bij DB middels een boete moeten afkopen? Erkent het kabinet dat dit voor veel bedrijven in de praktijk onmogelijk is, omdat de boete bij het voortijdig beëindigen van dergelijke leningen tienduizenden euro’s kan bedragen en vaak tot verhoging van de financiering leidt?
Het staat ondernemers en financiers, binnen de grenzen van de wet, vrij te bepalen hoe zij hun privaatrechtelijke contracten vormgeven. Het is gebruikelijk bij financiering op lange termijn om afspraken te maken over een boete indien de overeenkomst eerder dan afgesproken wordt beëindigd. Dit heeft veelal met de langetermijnplanning van de kapitaalverschaffer te maken. De kapitaalverschaffer heeft bij zijn planning rekening gehouden met de reeds afgesloten financieringscontracten. Het vroegtijdig beëindigen van financiering heeft derhalve direct invloed op de kapitaalpositie van een kapitaalverschaffer. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op de vragen 4, 7 en 8 van de Kamervragen van 5 februari jl. ingediend (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1533).
Ik beschik over onvoldoende informatie om een oordeel te vellen over de concrete problemen waar individuele bedrijven zich in bevinden. Over het algemeen valt wel te stellen dat het ook niet in het belang van Deutsche Bank is om een onderneming financieel in de problemen te brengen. Deutsche Bank zal in dat geval immers ook de terugbetaling door de onderneming van nog lopende leningen in gevaar brengen. Deutsche Bank zal dan ook, zoals zij aangaf in het contact dat ik met haar heb gehad, in gesprek treden met de klant om een passende oplossing te zoeken indien de strategiewijziging de klant in de problemen brengt. Ik verwijs hierbij ook naar de antwoorden op de Kamervragen van 5 februari jl. over hetzelfde onderwerp(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1533) als deze Kamervragen.
Is de informatie juist dat DB in gesprekken met financieel adviseurs heeft aangegeven niet automatisch zekerheden mee te willen geven aan bedrijven voor het sluiten van een nieuwe lening bij een andere bank? Wat vindt u hiervan, aangezien het zonder onderpand nog moeilijker, en meestal veel duurder, is voor dergelijke bedrijven om een lening af te sluiten bij een andere bank?
Indien een ondernemer nog bestaande financiering heeft bij een bank zal deze bank in de regel geen afstand doen van de onderliggende zekerheden ten behoeve van een andere financier. Zoals eerder aangegeven bij het antwoord op vraag 3, is het voor zowel de financier als de ondernemer voordelig om te financieren met zekerheden.
Welke (juridische) mogelijkheden ziet u – al dan niet via DNB of de AFM – om de in de voorgaande vragen geschetste problematiek op te lossen?
Uit de prudentiële taak van De Nederlandsche Bank (DNB) vloeit voort dat deze toezicht houdt op onder meer de strategische keuzes van onder toezicht staande instellingen, waaronder Deutsche Bank Nederland. Hierbij kijkt DNB als prudentieel toezichthouder of de strategie en het bedrijfsmodel van een onderneming een duurzaam verdienmodel waarborgen en daarmee de stabiliteit van de instelling blijft geborgd. Aspecten die worden betrokken in dit toezicht zijn onder meer het hebben van een onderscheidende en duurzame klantpropositie, de klantbenadering en de distributiestrategie.
De beoordeling van strategie en bedrijfsmodel kan er onder omstandigheden toe leiden dat financiële instellingen aanpassingen moeten doorvoeren. Als prudentieel toezichthouder is het uitgangspunt van het toezicht van DNB het waarborgen van een duurzaam verdienmodel van onder toezicht staande instellingen. Zolang er sprake is van het naleven van de wettelijke vereisten waarop DNB toezicht houdt op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de strategische keuzes van financiële instellingen een duurzaam verdienmodel waarborgen, staat het die instellingen in beginsel vrij om accentverschuivingen te maken in de strategie.
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft als taak gedragstoezicht te houden op de financiële markten waaronder de zorgvuldige behandeling van klanten. Daarbij kan worden opgemerkt dat kredietverlening aan zakelijke klanten niet onder het toezicht van de AFM valt, maar beleggingsdienstverlening aan zakelijke klanten wel aan zorgvuldigheideisen vanuit de Wft moet voldoen. De openbaar beschikbare informatie biedt geen basis om op dit moment te veronderstellen dat de wet zou zijn overtreden.
Ik deel de mening dat in de geschetste situatie ondernemers in een lastige positie kunnen komen te verkeren, waarbij zij obstakels ondervinden om te (blijven) voorzien in hun financieringsbehoefte. Zij kunnen klem komen te zitten tussen een bank die vanwege nog lopende financiering geen afstand kan nemen van zekerheden en een nieuwe financier die zekerheden eist. Zoals u kunt lezen in mijn antwoord op vraag 4, kunnen klanten van specifiek Deutsche Bank die problemen ondervinden van de strategische keuzes van Deutsche bank terecht bij Deutsche Bank om te zoeken naar een passende oplossing. Dit is ook wat ik verwacht van een sector die zich dienstbaar naar de klant opstelt.
Het ontslag van 175 mensen bij zorgverzekeraar Menzis |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over het verdwijnen van minimaal 175 banen bij zorgverzekeraar Menzis in Groningen?1
Ja.
Bent u bekend met de werkloosheidscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de eerste 3 kwartalen van 2012 waaruit blijkt dat de werkloosheid in Noord-Nederland, in het bijzonder in de regio Groningen, in vergelijking met andere landsdelen hoog is? Wat is daarover uw opvatting?
Het werkloosheidspercentage in Groningen is inderdaad hoger dan in de meeste andere provincies in Nederland. Deze ontwikkeling heeft de aandacht van het kabinet. Gemeenten en het UWV zorgen daarom voor maatwerk op lokaal niveau.
Deelt u de grote zorg dat, gezien de relatief hoge werkloosheid in de regio Groningen, de 175 medewerkers van Menzis moeilijk aan een andere baan zullen komen?2
De arbeidsmarkt heeft de constante aandacht van het kabinet. Het kabinet werkt niet alleen aan maatregelen die de transitie van werk naar werk soepeler laten verlopen, maar richt zich ook op een versterking van de Nederlandse economie, zodat juist banen gecreëerd worden. Daarmee vergroot het kabinet de werkzekerheid voor alle Nederlanders en vergroot het de kans op het vinden van een (nieuwe) baan.
Bevreemdt het u dat Menzis onevenredig veel, 175 van 250, mensen in de regio Groningen wil ontslaan, terwijl de reorganisatie een digitalisering betreft en dat bekent dat er op elke plek in Nederland gewerkt kan worden?
Over de strategische beslissingen van een individueel bedrijf velt het kabinet geen oordeel. De ondernemingsraad en vakbonden behartigen de belangen van werknemers en kunnen in overleg treden met Menzis als zij vinden dat de werkgever onvoldoende oog heeft voor de belangen van zijn werknemers.
Heeft u de bereidheid om met de directie en Raad van Toezicht van Menzis in gesprek te gaan en een bijdrage te leveren aan een fatsoenlijke oplossing van de ontstane situatie? Zo nee, waarom niet?
Het vestigingsplaats- en personeelsbeleid van individuele bedrijven is een private overweging waar het kabinet niet in stapt. Vakbonden kunnen een werkgever aanspreken op het personeelsbeleid en lokale overheden kunnen in overleg treden met individuele bedrijven.
Het kabinet draagt zorg voor het brede arbeidsmarktbeleid en gemeenten en UWV pakken hierbij op lokaal niveau een grote rol. Op deze manieren zorgt de overheid voor een goed functionerende arbeidsmarkt en kiest daarmee de haar meest passende rol op dit vlak.
Bent u bereid andere actie te ondernemen richting Menzis, zodat zij alles in het werk stelt om medewerkers naar nieuw of ander werk te begeleiden?
Het is de verantwoordelijkheid van Menzis en vertegenwoordigers van de werknemers om te komen tot een sociaal plan. In deze situatie zijn zij inderdaad een sociaal plan overeengekomen. Op lokaal niveau hebben gemeenten en het UWV een regierol om werkzoekenden naar een nieuwe baan te begeleiden.
Op het gebied van de arbeidsmarkt kijkt het kabinet samen met de sociale partners naar mogelijkheden om enkele conjuncturele problemen en gevolgen van de aanhoudende economische crisis aan te pakken. Zo worden sectoren uitgenodigd maatregelen te nemen om arbeidsmarktknelpunten aan te pakken. Het kabinet bevordert de arbeidsmarktpositie van oudere uitkeringsgerechtigden door de introductie van mobiliteitsbonussen. Deze maken het aantrekkelijker voor werkgevers om oudere uitkeringsgerechtigden aan te nemen. Ook wordt het re-integratiebudget WW tijdelijk geherintroduceerd. Bovendien heeft het kabinet aandacht voor het voorkomen of beperken van werkloosheid bij jongeren door de regionale aanpak verder te ondersteunen. Het totaal aan extra inspanningen ten aanzien van oudere en jongere werklozen telt voor 2013 en 2014 op tot ruim 100 miljoen euro.
De sluiting van maatschappelijke organisaties door de regering van Soedan |
|
Désirée Bonis (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA), Marit Maij (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het statement van de EU Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Catherine Ashton van 8 januari 2013 waarin ze haar zorgen uit omtrent de recente sluiting van maatschappelijke organisaties in Soedan?1
Ja.
Deelt u de mening van de EU Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid dat de Soedanese regering de sluiting van de maatschappelijke organisaties moet terugdraaien en zich actief moet inzetten voor een open klimaat waarin deze organisaties onafhankelijk en vrij kunnen opereren? Zo ja, bent u voornemens de Soedanese regering hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Ja. De sluiting van de maatschappelijke organisatie zal op korte termijn gezamenlijk door de EU en een aantal in Sudan aanwezige EU-lidstaten, waaronder Nederland, bij de Sudanese autoriteiten worden aangekaart.
Deelt u de mening dat het sluiten en inperken van de vrijheid van maatschappelijke organisaties door de Soedanese regering een ernstige belemmering vormt voor het opstellen van de nieuwe grondwet die als doel heeft nationale eenheid en consensus te bevorderen? Zo ja, gaat u de Soedanese regering hierop aanspreken? Zo nee, waarom niet?
Ja. De boodschap van het belang van een inclusief en open constitutioneel proces maakt een vast onderdeel uit van de dialoog die Nederland samen met EU-partners voert met de Sudanese autoriteiten.
Deelt u de opvatting van de Soedanese Nationale Mensenrechten Commissie dat het onmogelijk maken van contact tussen de Commissie en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties een «flagrant violation of the interim- Constitution of 2005» is en «a further attack on the integrity of the Commission and its immunity»? Zo nee, waarom niet?2
Ja.
Bent u van mening dat er in Soedan nog steeds ongrondwettelijke veiligheidswetten van kracht zijn die civil society sterk inperken, namelijk de «national security law», de «public order law» en de «journalism and publication law»? Zo nee, waarom niet?
Ja. Deze betreffen de zogenaamde noodtoestand-wetten waarvan de nationale veiligheidsdiensten zich het voorrecht behouden deze zonder meer toe te passen.
Op welke wijze steunt u de maatschappelijke organisaties die zijn gesloten en mensenrechtenverdedigers in Soedan die bedreigd worden door de regering?
Nederland onderhoudt in samenwerking met o.a. de EU, nauw contact met de gesloten organisaties en beziet op welke wijze deze zo goed mogelijk kunnen worden bijgestaan. Daarnaast is Nederland nauw betrokken bij het netwerk van mensenrechtenverdedigers in Sudan. Nederland ondersteunt deze via zijn mensenrechtenprogramma, o.a. door inzet op capaciteitsversterking en het volgen en bijwonen van de verschillende rechtszaken, die tegen hen zijn aangespannen.
Bloedkolen uit Colombia |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bloedkolen uit Colombia»1 en het artikel «Die Türen stehen weit offen»2 in Der Freitag3?
Ja.
Is het waar dat kolencentrales op Nederlandse bodem samen 8,5 miljoen ton per jaar verbruiken en dat daarvan 2,3 miljoen ton uit Colombia komt? Klopt het dat Colombia meer dan 90% van haar steenkolenproductie exporteert en dat de Europese Unie de belangrijkste afnemer van Colombiaanse kolen is?
Nederland importeerde in 2011 7,4 miljoen ton steenkool, waarvan ongeveer 50% uit Colombia komt. Volgens de officiële cijfers van het Sistema de Información Minero Colombiano (SIMCO) produceerde Colombia in 2011 85,8 miljoen ton steenkool, waarvan het 81,2 miljoen ton exporteerde (94,7% van de totale productie). Colombia exporteerde 40,9 miljoen ton steenkool naar de Europese Unie, ofwel 50,3% van zijn totale export.
Is het waar dat bijna 100% van alle kolen in Colombia wordt gewonnen door vijf buitenlandse bedrijven (BHP Billiton, Anglo American, Xstrata, Glencore en Drummond)? Klopt het dat circa tweederde van alle steenkool gewonnen wordt door Europese multinationals? Klopt het dat deze bedrijven relatief weinig belasting (hoeven te) betalen aan Colombia?
De genoemde bedrijven wonnen in de belangrijkste Colombiaanse productiegebieden 86% van de totale steenkoolproductie (SIMCO). Aangezien de bedrijven in wisselende consortia werken die bovendien bestaan uit bedrijven uit verschillende landen, kan niet met nauwkeurigheid worden aangegeven welk deel van de Colombiaanse steenkool door Europese multinationals wordt gewonnen.
Buitenlandse investeerders in de Colombiaanse mijnbouwsector profiteren van een gunstig belastingregime: op de sector zijn enkele specifieke fiscale en douanevoordelen van toepassing.
Wat is uw reactie op de volgende beschreven misstanden bij de kolenwinning in Colombia:
Ik heb kennis genomen van bovenstaande misstanden die in de artikelen worden geschetst. Ik ben me ervan bewust dat zich rond de winning van Colombiaanse steenkool problemen hebben voorgedaan op het gebied van veiligheid, mensenrechten en arbeids- en vakbondsrechten. Ook nu staat de sector nog altijd voor grote uitdagingen op deze terreinen.
Primair ligt er op dit vlak een verantwoordelijkheid bij de Colombiaanse overheid om er voor te zorgen dat internationale verdragen, internationaal erkende normen en nationale wetgeving op de genoemde vlakken worden verankerd en gehandhaafd. Vermeende misstanden die niet in lijn zijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen kunnen gemeld worden bij het Colombiaanse Nationaal Contact Punt. Dit neemt niet weg dat bedrijven eveneens een verantwoordelijkheid dragen op basis van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Om die verantwoordelijkheid invulling te geven laten Nederlandse bedrijven die steenkool importeren uit Colombia periodieke audits uitvoeren, waarin ook sociale en milieuaspecten worden beoordeeld. In het kader van de steenkooldialoog worden tussen de deelnemende mijnbouwbedrijven, energiebedrijven, vakbonden en NGO’s verdere afspraken gemaakt om deze audits uit te voeren.
In het initiatief Better Coal werken de energiebedrijven aan Europese afspraken over een gezamenlijk audit-protocol. Indien de steenkooldialoog en Better Coal op afzienbare tijd werkbare afspraken gaan vastleggen en uitvoeren, zal dit de beste basis leggen voor toekomstige verbeteringen.
Deelt u de mening dat duurzame winning van steenkolen een prioritair thema zou moeten zijn in de relatie tussen Nederland en Colombia? Zo ja, hoe komt dit tot uiting in de activiteiten die de Nederlandse ambassade in Colombia ontplooit? Welke gevolgen zullen de bezuinigingen op de posten hebben voor inzet op deze thema’s als duurzaamheid?
De bevordering van duurzame handel tussen Colombia en Nederland is één van de Nederlandse prioriteiten m.b.t. Colombia. In het kader van de Nederlandse steenkooldialoog werken energiebedrijven, mijnbouwbedrijven en maatschappelijk middenveld aan het versterken van de ketenverantwoordelijkheid van de steenkool verwerkende bedrijven in Nederland. De ambassade ondersteunt de steenkooldialoog bij zijn activiteiten in Colombia en zet zich met middelen uit de Transitiefaciliteit in voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Nederland is momenteel voorzitter van de Voluntary Principles on Security and Human Rights, een dialoog over veiligheid en mensenrechten tussen overheden, bedrijven in de extractieve en energiesector en NGO’s. Nederland is voornemens ook het Colombiaanse Comité Minero-Energético (CME) te ondersteunen bij de implementatie van de Voluntary Principles bij bedrijven in de extractieve sector in Colombia.
Hoe beoordeelt u het voorstel van energiebedrijven om op geaggregeerde wijze bekend te maken uit welke mijnen zij steenkool betrekken, zonder dat zij informatie over de specifieke leveranciers van steenkolen vrijgeven? Moet, bij dergelijke misstanden, ethische overwegingen niet prevaleren boven bedrijfseconomische overwegingen?
Ik zie het begrip «due diligence» als belangrijkste uitgangspunt voor de invulling van ketenverantwoordelijkheid door bedrijven. Dat wil zeggen dat bedrijven mogelijke risico’s op schendingen van milieu of mensenrechten in de keten in kaart brengen en beleid voeren om deze risico’s te voorkomen of te verminderen. De energiebedrijven hebben hier invulling aan gegeven door samen te werken in de steenkooldialoog en Better Coal. Binnen deze initiatieven wordt gewerkt aan gezamenlijke afspraken om genoemde risico’s te voorkomen of te verminderen. Hierdoor vergroten zij hun invloed in de keten om veranderingen te bewerkstelligen.
De energiebedrijven hebben op geaggregeerd niveau bekend gemaakt uit welke mijnen zij inkopen. Zij sluiten daarbij individueel niet uit dat zij bij mijnen inkopen die ter discussie staan en accepteren daarmee de daaruit voortvloeiende individuele ketenverantwoordelijkheid. Deze transparantie volstaat in dit stadium als basis voor verdere stappen. Wanneer de eerdergenoemde afspraken die de energiebedrijven onderling hebben gemaakt om risico’s van schendingen van milieu en mensenrechten te voorkomen dan wel te verminderen niet worden ingevuld zoals redelijkerwijs van verantwoorde bedrijven mag worden verwacht, zouden de energiebedrijven individueel bekend moeten maken bij welke mijnen zij inkopen. Zij moeten dan individueel kunnen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid.
Nuon heeft een lijst gepubliceerd van de belangrijkste landen die steenkool leveren aan de Nederlandse markt, inclusief een lijst van de mijnen die het meest exporteren naar de Nederlandse markt. Deze stappen laten zien dat de energiebedrijven zich bewust zijn van hun ketenverantwoordelijkheid.
Ik wil graag van de energiebedrijven horen hoe zij de voortgang van de steenkooldialoog en hun deelname aan het Better Coal initiatief zien. Om die reden nodig ik hun CEO’s uit voor een gesprek. Tijdens dit gesprek zal de verdere ambitie op het vlak van transparantie ook aan bod komen.
Wat is de stand van zaken van de kolendialoog? Wat is uw reactie op de constatering in het eerstgenoemde artikel dat «tweeënhalf jaar later er nog niets concreets uit deze gesprekken is voortgekomen en de import van de bloedkolen gewoon verder gaat»?
De dialoog loopt nog. Op dit moment heeft de steenkooldialoog de volgende resultaten geboekt:
Hoe beoordeelt u de initiatieven op het gebied van transparantie die binnen de steenkolendialoog zijn genomen en waarover de Kamer eerder werd geïnformeerd? Deelt u de mening dat op het gebied van transparantie de afgelopen jaren onvoldoende vooruitgang is geboekt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Zo ja, bent u bereid zich in te zetten voor volledige transparantie van Europese en Nederlandse energiebedrijven? Hoe zult u dit bevorderen? Welke afspraken zijn hierover gemaakt in het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Colombia?
Zelfregulering op basis van dialoog zoals beschreven in de antwoorden op de vragen 6,8 en 7 heeft mijn voorkeur. In het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Colombia en Peru zijn afspraken gemaakt over handel en duurzaamheid. Als zodanig bevat het vrijhandelsakkoord geen afspraken over transparantie van energiebedrijven over hun productieketen.
Het bericht dat België Europese bijstandsfraudeurs uitzet |
|
Roland van Vliet (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «België zet bijstandsfraudeurs uit»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Kunt u naar aanleiding van dit bericht aangeven hoeveel EU-onderdanen gedurende de afgelopen vijf jaar uit Nederland zijn verwijderd wegens geconstateerde bijstandsfraude en/of het niet voldoen aan het inkomensvereiste? Zo nee, waarom niet?
In 2012 is gestart met een aangescherpt beleid ten aanzien van EU-burgers die niet voldoende middelen hebben om te voorkomen dat zij een beroep doen op het sociale bijstandsstelsel. Het gaat hierbij zowel om overlastgevende EU-burgers als om EU-burgers die een onredelijk beroep op de bijstand doen. De IND heeft in 2012 tot en met oktober in totaal 70 keer het verblijfsrecht van EU burgers op deze gronden beëindigd. Indien het verblijf wordt beëindigd, dient de EU-burger Nederland te verlaten. Ten aanzien van EU-burgers die niet vrijwillig terugkeren en de vertrektermijn is verlopen en geen rechtelijke procedures (meer) lopen, is gedwongen terugkeer aan de orde. In 2012 is dit tot en met oktober in 10 gevallen gebeurd.2
Kunt u tevens aangeven welke nationaliteiten de betreffende uitgezette EU-onderdanen hebben? Zo nee, waarom niet?
Het betrof EU-burgers met de Griekse, Italiaanse, Poolse, Roemeense en Tsjechische nationaliteit.
Hoeveel EU- onderdanen ontvangen momenteel in Nederland een bijstandsuitkering? Hoe is dit te rijmen met het inkomensvereiste en daardoor geen beroep mogen doen op de openbare kas?
Volgens informatie van het CBS ontvingen ultimo 31 december 2011 in totaal 4260 personen jonger dan 65 jaar, die een andere EU-nationaliteit hebben dan de Nederlandse, een bijstandsuitkering.
Bij personen ouder dan 65 jaar met een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) betreft het een aantal van 1150.3
Ten aanzien van de vraag hoe dit te rijmen is met het inkomensvereiste en het daardoor geen beroep mogen doen op de openbare kas geldt het volgende. EU-burgers die rechtmatig in Nederland wonen behoren tot de kring van rechthebbenden van de Wet werk en bijstand (WWB). Het enkel beschikken over een rechtmatig verblijfsrecht alhier is niet voldoende, men moet ook ingezetene van Nederland zijn. Tevens geldt dat gedurende de eerste drie maanden van verblijf (de zogenaamde vrije termijn) een EU-burger géén recht op bijstand heeft. EU-burgers die als werkzoekenden naar Nederland zijn gekomen, hebben geen recht op bijstand zolang zij niet in Nederland hebben gewerkt. Ook niet wanneer zij langer dan drie maanden in Nederland verblijven.
Indien EU-burgers langer dan drie maanden rechtmatig in Nederland willen verblijven, dienen zij te voldoen aan de voorwaarden van artikel 7 van de richtlijn 2004/38. Hierbij geldt onder meer dat zij moeten voldoen aan het middelenvereiste. Dit betekent dat zij dienen te beschikken over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij een beroep doen op het sociale bijstandsstelsel. Op grond van artikel 14, derde lid, van deze richtlijn leidt een beroep op de bijstand, indien de EU-burger hier langer verblijft dan drie maanden, echter niet automatisch tot verblijfsbeëindiging.
Of na een beroep op bijstand door een EU-burger tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan, hangt af van een individuele belangenafweging. Indien de gemeente twijfelt of het ontvangen van de bijstand gevolgen heeft voor het verblijfsrecht en dit voorlegt aan de IND, dan toetst de IND het verblijfsrecht. De IND hanteert hierbij een glijdende schaal, waarbij geldt dat hoe korter de EU-burger hier rechtmatig verblijf heeft gehad en naarmate het beroep op de bijstand voortduurt, hoe groter de kans dat het verblijfsrecht kan worden beëindigd.
Indien het beroep op de bijstand leidt tot verblijfsbeëindiging, dient de EU-burger Nederland te verlaten. Bij voorkeur zelfstandig, desnoods gedwongen.
Wat doet u om er zorg voor te dragen dat EU-onderdanen en andere vreemdelingen die aan een inkomensvereiste moeten voldoen nimmer een bijstandsuitkering kunnen ontvangen?
Zoals in antwoord op vraag vier is aangegeven, is het beëindigen van het verblijfrecht als gevolg van een beroep op bijstand geen automatisme, maar vergt het een individuele belangenafweging, waarbij aan de bepalingen van de richtlijn zoals verwerkt in het Vreemdelingenbesluit wordt getoetst. Indien daartoe aanleiding bestaat wordt aan artikel 8 EVRM getoetst. Het is belangrijk dat zo snel en effectief mogelijk de eventuele gevolgen van het beroep op bijstand voor het verblijfsrecht door de IND kunnen worden vastgesteld. De IND heeft vorig jaar bij wijze van experiment samen met de gemeente Vaals afspraken gemaakt met betrekking tot versnellen van informatie-uitwisseling. Inmiddels is de IND ook met de gemeente Rotterdam in contact om het proces van bijstandsverlening en de gevolgen daarvan voor het verblijfsrecht verder te stroomlijnen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in het Algemeen Overleg Arbeidsmigratie van 17 januari 2013 toegezegd om de Kamer voor de zomer te informeren over de resultaten van de experimenten. Deze aanpak past binnen het kabinetsbeleid om een aanzuigende werking van ons sociale zekerheidsstelsel te voorkomen.
De illegale import van qat in Nederland |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weer aanhouding na vondst qat»1, waaruit blijkt dat de illegale import van qat plaatsvindt vanuit Engeland door middel van veerboten?
Ja.
Heeft u enig idee van de omvang van deze illegale import? Hoeveel geld is daarbij betrokken?
Het rapport «Qatgebruik onder Somaliërs in Nederland» van het Trimbosinstituut uit december 2011, dat mede ten grondslag heeft gelegen aan de besluitvorming rond de strafbaarstelling van qat, bevat de meeste cijfers die ik heb over de omvang van de (toen nog legale) handel in en het gebruik van qat en de daarmee gemoeid zijnde geldstromen. Sinds qat op 5 januari 2013 in de Opiumwet werd opgenomen beschik ik niet over cijfers over de omvang en marktwaarde van illegale importen.
Is het waar dat er geen speciale controles worden gehouden op qat? Gebeurt dit wel bij ten aanzien van andere drugs? Zijn er drugshonden die aanslaan op deze drug?
De Douane controleert het EU-buitengrensoverschrijdend goederenverkeer. Dit zijn integrale controles die zich niet richten op een specifiek goed maar op alle illegale invoer, en dus ook op qat. De controles zijn risicogestuurd. Dit betekent onder andere dat afhankelijk van de herkomst van passagiers of goederen de intensiteit van de controle wordt aangepast en dat meer specifiek op bepaalde goederen wordt gelet. Bij de controles wordt gebruik gemaakt van alle beschikbare controlemiddelen, zoals containerscanners en scanners voor handbagage. De Douane beziet nog om speurhonden te trainen op het ruiken van qat.
Welke maatregelen heeft Nederland wel genomen ten aanzien van deze illegale import van qat en kunt u al iets zeggen over het succes daarvan?
Binnen de opsporingsdiensten is sinds 5 januari 2013 extra aandacht gegeven aan de strafbaarstelling van het bezit van qat, onder andere door bekendmakingen van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise. De inbeslagnames waarover nu in de media wordt bericht zijn eerste indicaties dat deze bewustwording succesvol is en dat het de opsporingsdiensten lukt om transporten van qat te onderscheppen.
Heeft u overleg gevoerd met uw Britse collega die verantwoordelijk is voor het drugsbeleid? Welke maatregelen nemen de Engelse autoriteiten om de illegale export van qat tegen te gaan? Hoe beoordeelt u deze inspanningen?
Er is ten aanzien van dit onderwerp op ambtelijk niveau contact geweest met de Britse autoriteiten. De Britse douaneautoreiten delen informatie met buitenlandse diensten over qattransporten, zodat deze hierop kunnen acteren.
Heeft u met uw Britse collega een verbod op de legale import van qat in Engeland besproken? Wat is zijn standpunt ten aanzien van deze drug?
Hierover is op ambtelijk niveau verschillende malen contact geweest. Gebleken is dat het Verenigd Koninkrijk niet voornemens is qat op de lijst van verboden middelen te plaatsen.
Ministers die meer verdienen dan het ministersalaris |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat ministers niet meer kunnen verdienen dan een ministersalaris?
In de heden aan de Kamer gezonden brief (Kamerstuk II 30 111, nr. 58) heeft het kabinet de inkomensoverzichten over 2011 en 2012 openbaar gemaakt.
Waarom gaat u ervan uit dat ministers «fictief» allemaal aan de norm van grootverdieners voldoen?1
Zie antwoord vraag 1.
Waarom staan ministers die meer krijgen dan de norm niet op de lijst van grootverdieners in de (semi-)publieke sector?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom maakt u onderscheid tussen ministers en Commissarissen van de Koningin, die nagenoeg dezelfde arbeidsvoorwaarden hebben, maar bij overschrijding van de norm wel op de lijst van grootverdieners komen?
Sommige Commissarissen van de Koningin hebben in hun provincie afgesproken de dienstauto (deels) privé te gebruiken. In die gevallen rapporteert de Wopt-lijst de fiscale bijtelling hiervoor. Die is in de 2011 Wopt-rapportage correct vermeld.
Bent u bereid de totale inkomens, vergoedingen en inkomensregelingen van de verschillende ministers alsnog openbaar te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Kent u het bericht dat de Palestijnse Autoriteit overweegt om Israël aan te klagen bij het Internationaal Strafhof voor de detentie van kinderen?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre u het reëel acht dat deze zaak daadwerkelijk in behandeling zal worden genomen?
Het is aan de aanklager en de rechters van het Internationaal Strafhof te oordelen over behandeling van een zaak. Er zijn op dit moment geen indicaties dat van Palestijnse zijde concrete stappen worden gezet om Israël hierover aan te klagen.
Klopt de aanname in het artikel dat het aantal Palestijnse kinderen in detentie is toegenomen? Kloppen de genoemde cijfers? Zo ja, wat zijn de oorzaken van deze toename? Zo nee, kunt u dan de juiste cijfer geven?
Volgens het rapport dat in het artikel wordt aangehaald is het aantal arrestaties van Palestijnse kinderen gestegen van 700 in 2011 naar 900 in 2012. De Internationale NGO Defence for Children spreekt over een aantal van 600 arrestaties van Palestijnse kinderen door de Israëlische autoriteiten in 2012.
Het precieze cijfer is niet te achterhalen, aangezien de Israel Prison Service en de Israel Defense Force (IDF) geen gegevens openbaar maken van het aantal kinderen dat is gearresteerd, ondervraagd en vervolgens niet in hechtenis is genomen.
Wel zijn er cijfers bekend van het aantal gedetineerde Palestijnse kinderen in Israëlische gevangenissen. Uit data van de Israel Prison Service blijkt dat na een geleidelijke afname in de periode 2008–2011 het aantal Palestijnse kinderen in hechtenis in 2012 weer is toegenomen. In 2011 zaten 113 kinderen tussen de 16–18 jaar en 19 kinderen onder de 16 jaar in detentie. In 2012 zaten er 170 kinderen tussen de 16–18 jaar en 23 kinderen onder de 16 jaar in detentie. In totaal 132 Palestijnse kinderen in 2011 en 193 Palestijnse kinderen in 2012.
Het is onduidelijk wat de oorzaken zijn van de recente toename van het aantal Palestijnse kinderen in detentie.
Kent u het Britse rapport over de behandeling van Palestijnse kinderen, waarover The Guardian juni 2012 berichtte?2 Hoe beoordeelt u de conclusies uit dit rapport?
De Conventies van Genève en het VN Verdrag voor de Rechten van het Kind zijn leidend voor een beoordeling van de bevindingen in het Britse rapport. Israël is als verdragspartij bij mensenrechtenverdragen, waaronder het VN verdrag inzake de Rechten van het Kind, en de Conventies van Genève gehouden de verplichtingen uit deze verdragen na te komen.
Kunt u aangeven of de conclusies uit dit rapport hebben geleid tot wijzigingen in het beleid van Israël ten aanzien van de behandeling van Palestijnse kinderen in detentie?
Naar aanleiding van een verzoek aan het Israëlische Hooggerechtshof is op 28 november 2012 een wetswijziging aangekondigd die de tijd dat minderjarige Palestijnen in voorarrest mogen worden gehouden reduceert. De wijziging treedt op 2 april 2013 in werking en bepaalt dat minderjarigen onder de 14 jaar maximaal 24 uur in voorarrest mogen worden gehouden en minderjarigen tussen de 14 en 18 jaar maximaal 48 uur. Het aantal uren mag worden verdubbeld als dit nodig is voor ondervragingen. Of deze beleidswijziging valt terug te brengen op dit rapport, valt niet vast te stellen.
Deelt u de conclusie dat Palestijnse kinderen niet altijd volgens internationaal recht worden behandeld? Zo nee, waar zitten dan de juridische fouten in het rapport?
Ja. Zie antwoord op vraag 4.
Zo ja, deelt u de mening dat de internationale gemeenschap het bestaan van een dergelijke situatie niet mag accepteren? Welke stappen zet Nederland bilateraal en internationaal ten aanzien van Israël om deze situatie te veranderen?
De behandeling van Palestijnse kinderen door Israël is een bron van zorg. De Nederlandse regering hecht aan de strikte naleving van de toepasselijke internationaalrechtelijke bepalingen. Dat wordt in multilaterale fora en in contacten met Israël uitgedragen. Wel toont de bovengenoemde wetswijziging aan dat Israël het probleem onderkent en tracht de praktijk meer in lijn te brengen met genoemde verdragen.
Deelt u de mening dat hier ook een verantwoordelijkheid bij de Palestijnse Autoriteit ligt, om te voorkomen dat kinderen onderdeel worden van het conflict met Israël? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zet u zich in om dit te voorkomen?
Iedere overheid heeft de verantwoordelijkheid te voorkomen dat kinderen deel worden van conflict, zo ook de Palestijnse Autoriteit.
Het in het rapport geschetste probleem is een van de vele neveneffecten van het Palestijns-Israëlisch conflict. Dat is ook precies de reden dat ik zoveel belang hecht aan spoedige hervatting van het vredesproces.
Het bericht Komt de JSF er en gaat de 'koningin?’ |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Komt de JSF er en gaat de koningin»?1 Waarin de doorgaans goed geïnformeerde journalist Paul Jansen op basis van signalen uit zijn netwerk in de Haagse politiek vooruit blikt op het jaar 2013?
Ja.
Is de suggestie in het artikel waar dat het kabinet overweegt om de Europese 3%-eis los te laten? Hoe verhoudt dit voornemen zich tot uitspraken van vice-premier Asscher die op 29 december 2012 in de Telegraaf nog hamerde op het belang van strikte begrotingsdiscipline? Kunt u concreet aangeven of het kabinet een overschrijding van de 3%-grens voor 2013 en/of 2014 aanvaardbaar vindt?
In het Regeerakkoord en de begrotingsregels is afgesproken dat de Europese begrotingsafspraken leidend zijn. Het kabinet houdt zich aan de afspraken van het Stabiliteits- en Groeipact.
Is de bewering in het artikel juist dat er tijdens de formatie reeds afspraken zijn gemaakt over mogelijke aanvullende maatregelen in het kader van tekortreductie, in het bijzonder een nullijn in de zorg en het niet-indexeren van belastingschijven?
De bewering in het artikel is onjuist, dergelijke afspraken zijn niet gemaakt tijdens de formatie.
Is er tijdens de formatie een reservelijst opgesteld van lastenverzwaringen en bezuinigingen die doorgevoerd worden als het kabinet besluit tot extra maatregelen om het begrotingstekort terug te dringen? Zo ja, waarom is het bestaan van een dergelijke afspraak tot op heden steeds ontkend? Bent u bereid om deze lijst openbaar te maken?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er bij de formatie nog andere afspraken gemaakt die niet in het regeerakkoord staan vermeld, maar die wel in een side-letter of op een andere manier zijn vastgelegd? Zo ja, bent u bereid om deze afspraken openbaar te maken?
Er zijn geen aanvullende afspraken gemaakt.
VN-pleidooi voor internationaal onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Noord-Korea |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep van VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Navi Pillay, om te komen tot een internationaal onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Noord-Korea? Hoe beoordeelt u dit pleidooi?1
Ja. Het merendeel van de VN-lidstaten en de organisatie zelf roepen de Noord-Koreaanse autoriteiten al vele jaren op tot meer en substantiële samenwerking op het vlak van mensenrechten. De oproep van VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Navi Pillay, is een reactie op de onverminderd ernstige mensenrechtensituatie in Noord-Korea en het uitblijven van samenwerking van Noord-Korea via VN-mechanismen.
Hoe waardeert u de stelling van de Hoge Commissaris dat de mensenrechtensituatie in Noord-Korea «een van de ergste, maar minst begrepen en gerapporteerde mensenrechtensituaties in de wereld is»? Wat is hiervoor volgens u de verklaring?
De Nederlandse regering is bezorgd over de systematiek en ernst van de mensenrechtenschendingen van het Noord-Koreaanse regime. De burgerlijk-politieke rechten van de Noord-Koreanen worden op geen enkele wijze gerespecteerd en ook de economische, sociale en culturele rechten worden geschonden. Samenwerking van Noord-Korea via VN-mechanismen, zoals de Speciaal Rapporteur (SR), blijft uit en de mensenrechtenproblematiek en het bestaan van strafkampen wordt ontkend door het Noord-Koreaanse regime. Dit maakt het aangaan van een betekenisvolle dialoog en het doen van onderzoek naar de mensenrechtenschendingen en de omvang hiervan in Noord-Korea uiterst lastig.
Hoe kan deze mensenrechtensituatie in uw ogen hogere prioriteit op de agenda van de internationale gemeenschap krijgen? Wilt u zich daarvoor sterk maken?
Nederland zal in relevante internationale fora aandacht blijven vragen voor de mensenrechtensituatie in Noord-Korea en VN-resoluties blijven indienen in EU-verband samen met Japan. De 67e Algemene Vergadering van de VN heeft in december 2012 wederom een landenresolutie over de mensenrechtensituatie in Noord-Korea aangenomen. Het is bijzonder dat deze resolutie bij consensus werd aangenomen.
In 2014 zal Nederland zich weer actief inzetten voor de doorlichting van de binnenlandse prestaties op het gebied van de mensenrechten in Noord-Korea tijdens de Universal Periodic Review (UPR), hetgeen bijdraagt aan de permanente aandacht voor het respect voor de rechten van de mens in Noord-Korea. Om meer informatie te krijgen over de mensenrechtensituatie in Noord-Korea zal Nederland tevens het pleidooi voor een internationaal onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Noord-Korea in de relevante internationale gremia steunen zoals de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de VN-mensenrechtenraad.
Is de inschatting van de Hoge Commissaris juist dat er meer dan 200.000 politieke gevangenen in kampen worden vastgehouden, waar marteling, verkrachting en executies aan de orde van de dag zijn?
Het aantal van meer dan 200.000 politieke gevangenen is een realistische schatting die gebaseerd is op gedetailleerde getuigenverklaringen van voormalige gevangenen en kampbewakers.
Welke status heeft de oproep van deze VN-Hoge Commissaris? Welk besluitvormingstraject is hieraan verbonden en welke termijnen?
De Hoge Commissaris doet dit soort oproepen op eigen gezag. Hieraan zijn geen besluitvormingstrajecten of termijnen verbonden.
Bent u bereid om dit pleidooi voor een internationaal onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Noord-Korea actief te ondersteunen in de relevante gremia? Op welke wijze wilt u dit doen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Bent u tevens bereid om te bevorderen dat bij dit onderzoek de precaire positie van religieuze minderheden in Noord-Korea – waaronder veel christenen – wordt betrokken (geloofsvrijheid), alsmede hun specifieke positie in de kampen?
De mensenrechtensituatie in Noord-Korea is dusdanig slecht dat een dergelijk onderzoek volgens Nederland aandacht zou moeten besteden aan de volle breedte van mensenrechtenschendingen. Het ontbreken van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging maakt daarvan onderdeel uit. Nederland onderzoekt op dit moment in het kader van de pilot godsdienstvrijheid, op welke wijze, binnen de zeer beperkte mogelijkheden die de Noord-Koreaanse context biedt, aandacht kan worden besteed aan de situatie in het land ten aanzien van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Het te laat uitbetalen van Werkloosheidswetuitkering ((WW)-uitkeringen) in december 2012 |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat een deel van de WW-uitkeringen van december 2012 pas in januari 2013 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is uitgekeerd? Zo ja, hoeveel uitkeringsgerechtigden hebben hun WW-uitkering te laat ontvangen?1
Het is juist dat een deel van de WW-uitkeringen van december 2012 begin januari 2013 is uitbetaald. Het gaat hierbij om de WW-uitkeringen over de periode van 3 tot en met 30 december 2012. Het betreft bijna 59.000 WW-uitkeringen. Het is echter niet zo dat uitbetaling te laat heeft plaatsgevonden.2
De WW is een uitkering die per vier weken wordt betaald. Aan het einde van elke week eindigt voor een deel van de totale populatie van mensen met een WW-uitkering een vierwekelijkse periode. Wettelijk is vastgelegd dat de betaling achteraf plaatsvindt (art. 33, eerste lid, WW). UWV betaalt de WW-uitkering op de eerst mogelijke gelegenheid na afloop van een vierwekelijkse periode. Zo zijn de WW-uitkeringen over de vierwekelijkse periode die eindigt op zondag 23 december 2012 betaalbaar gesteld op maandag 24 december 2012.
Gedurende de laatste dagen van elk jaar zijn, zoals gebruikelijk bij organisaties die financiële administraties voeren, alle bij UWV-systemen gesloten. UWV benut deze periode om de systemen aan te passen aan het voor het nieuwe jaar geldende regime. Het gaat daarbij om het doorvoeren van wijzigingen in wettelijke bepalingen en aanpassingen in de sfeer van inhoudingen, zoals belastingen en premies. Hoewel UWV deze sluitingsperiode zo kort mogelijk houdt, de laatste WW-betalingen hebben immers nog op 24 december 2012 plaatsgehad, betekent dit echter dat op de laatste dagen van het jaar geen betalingen kunnen plaatsvinden.
De WW-uitkeringen over de vierwekelijkse periode van 3 tot en met 30 december 2012 zouden aanvankelijk worden uitbetaald op 2 januari 2013, het eerstmogelijke betaalmoment. Door omstandigheden (zie antwoord op vraag 2) is de uitbetaling één dag vertraagd. Uitbetaling heeft uiteindelijk op 3 januari 2013 plaatsgevonden, zodat de klanten op 4 januari 2013 hun geld hebben ontvangen.
Wat is de reden voor het te laat uitbetalen van deze uitkeringen?
Per 1 januari 2013 zijn veel wijzigingen doorgevoerd in het WW-systeem. Het gaat om ondersteuning voor wetswijzigingen, maar ook om aanpassingen in de inhoudingensfeer. De combinatie van de invoering van nieuwe wetgeving en mutaties in het belastingregime heeft ertoe geleid dat in een aantal hele specifieke gevallen de uitkering niet kon worden vastgesteld. Deze verstoring had tot gevolg dat geen enkele WW-betaling gedaan kon worden. Zodra dit aan het licht kwam, heeft UWV hierover een bericht op hun website geplaatst om zo WW-gerechtigden erop te wijzen dat het geld later op de rekening zou staan. Na aanpassingen in de programmatuur zijn de uitkeringen op 3 januari 2013 door UWV betaald. De klant ontving het geld hiermee op 4 januari.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat het te laat uitbetalen van WW-uitkeringen in de toekomst niet meer gebeurt?
In het aanpassingsproces van uitkeringssystemen is ruim voorzien in garanties dat de uitkeringsvaststelling niet in gevaar komt. Aanpassingen worden grondig getest op functionaliteit en op mogelijke situaties die zich voor kunnen doen. Hierbij blijft altijd de mogelijkheid bestaan, dat een bepaalde uitzonderlijke situatie niet wordt voorzien in de test. Helaas was daarvan in dit geval sprake. Naar aanleiding van deze situatie heeft UWV het testprotocol aangepast. Door deze aanpassing wordt voorkomen dat systeemaanpassingen worden gereleased en dat de bewuste fout pas in productie blijkt.
Is het waar dat de nieuwe tarieven van de inkomstenbelasting worden gerekend over deze te laat uitbetaalde uitkeringen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gemeld, is het niet zo dat de betreffende WW-uitkeringen te laat zijn uitbetaald. Compensatie is daarom niet aan de orde.
Welk regime op een betaling van toepassing is, wordt bepaald door het (fiscale) genietingsmoment van de uitkering (art 13a Wet op de Loonbelasting). Een uitkering wordt genoten op het moment dat deze betaalbaar, verrekend, rentedragend of vorderbaar en inbaar wordt. Dit is in dit geval het betaalmoment van de WW-uitkering. Vindt het betaalmoment in 2013 plaats, dan is wettelijk het regime van 2013 van toepassing. Dit geldt dus ook voor een in 2013 betaalbaar gestelde WW-uitkering waarin een aantal weken van 2012 is opgenomen.
Overigens gaan mensen er als gevolg van de wijzigingen in het fiscale regime in 2013 niet per definitie op achteruitgaan.
Bent u bereid deze groep uitkeringsgerechtigden te compenseren zodat zij, als gevolg van een fout van het UWV, niet minder te besteden hebben deze maand?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Meer gedwongen opnames” |
|
Vera Bergkamp (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht «Meer gedwongen opnames»?1
Het signaal dat het aantal onvrijwillige opnemingen in de periode 2002 tot 2009 is toegenomen en dat diverse factoren hierbij een rol spelen, is mij bekend. Ik ben mij ervan bewust dat een gedwongen opname erg ingrijpend is voor patiënten en een diepe impact heeft.
Is het waar dat in de periode 2002 t/m 2009 het aantal verplichte opnames in de geestelijke gezondheidszorg met een kwart is toegenomen, van 64 naar 80 op 100.000 inwoners? Kunt u aangeven hoe de stand van zaken is vanaf 2009? Is er sprake van een verdere stijging?
De betreffende gegevens worden geregistreerd door rechtbanken en gemeenten. Dwangopnames vloeien voort uit3 rechterlijke machtigingen,4 justitiemaatregelen5 inbewaringstellingen.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ontvangt een afschrift van bovengenoemde registratie. Uit navraag bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) blijkt dat in de periode 2002 t/m 2009 het aantal gedwongen opnames (Rechterlijke Machtigingen (RM) en Inbewaringstellingen (IBS)) in de geestelijke gezondheidszorg is toegenomen. Het betreft een stijging van 64% voor het aantal RM’en en een stijging van 20% voor het aantal IBS’en.
Het aantal gedwongen opnames blijft in de jaren 2010, 2011 en 2012 min of meer gelijk aan het aantal gedwongen opnames in 2009. Zowel wat betreft de IBS’en als wat betreft het aantal RM-beschikkingen is er in 2012 sprake van een daling van ongeveer 1 procent ten opzichte van 2009.
Als vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, hoe verklaart u dat dan en welke maatregelen bent u van plan te nemen om het aantal verplichte opnames te voorkomen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven is er in 2012 geen sprake van een stijging van het aantal gedwongen opnames. Desalniettemin heeft het voorkomen van dwangopnamen mijn aandacht en is onderdeel van het ingezette ggz beleid met betrekking tot het terugdringen van dwangtoepassingen in de GGZ conform de afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord GGZ 2013–2014. Met de komst van de nieuwe Wet verplichte ggz krijgen de ggz-instellingen de mogelijkheid om vooraf aan het behandeltraject te beoordelen of een patiënt wel gedwongen opgenomen moet worden. Het voorkomen van verplichte zorg staat voorop, verplichte zorg is alleen ultimum remedium. Ook wordt het mogelijk gemaakt verplichte zorg ambulant te verlenen.
Kunt u aangeven of er regionale verschillen zijn en wat hiervoor de verklaring is?
Op grond van de gegevens zoals bekend bij de IGZ, blijkt het absolute aantal verplichte opnames in het (rand)stedelijke gebied hoger dan het absolute aantal verplichte opnames in de andere gebieden (noordoost en zuidoost Nederland). Voor een mogelijke verklaring voor deze regionale verschillen verwijs ik naar de verklaringen zoals weergegeven in het overzichtsartikel van Mulder en collegae (2013) waar de Spits zich op baseert: opname capaciteit GGZ, preventieve hulpverlening en/of de samenstelling van de bevolking.
Wat betekent de stijging van de verplichte opnames voor de extramuralisering van ZZP3 en ZZP4 (Zorgzwaartepakketten) voor deze groep? Wat betekent de stijging voor de toename van de kosten?
Ik wil bij het uitwerken van het extramuraliseren van ZZP’s niet zozeer kijken naar de ZZP-nummers, maar naar cliënten en hun beperkingen en naar hun mogelijkheden om meer zelfstandig te wonen. Uitgangspunt is zorg op maat. Als er toch sprake is van een gedwongen opname in een instelling, omdat dat voor de cliënt of zijn omgeving onvermijdelijk is, dan is het in een dergelijk geval niet juist om te spreken over extramuralisering en moet opname in een instelling mogelijk blijven. De gedwongen opnames maken onderdeel uit van de zorg die via de Zvw en AWBZ wordt bekostigd.
Kunt u een toelichting geven over de eigenschappen van deze groep (opleiding, leeftijd, etc.)?
Op grond van de gegevens zoals bekend bij de IGZ, blijken de meeste verplichte opnames in de leeftijdsgroep 19–65 jaar voor te komen. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Wat betekent deze stijging voor het streven van het kabinet om meer ambulante zorg te bieden, in plaats van verplichte opnames, en kosten te besparen?
Door goede ambulante zorg kunnen naar verwachting gedwongen opnames voorkomen worden, omdat ambulante teams de cliënt in hun thuissituatie volgen en daardoor eerder kunnen signaleren indien de situatie van de cliënt verslechtert. In dat geval kan binnen het team worden opgeschaald in zorg, zo nodig wordt een cliënt meerdere malen per dag thuis bezocht. Door deze intensieve zorg en begeleiding proberen de teams zoveel mogelijk te voorkomen dat een cliënt opgenomen moet worden, alleen als het echt niet anders kan. Indien toch (gedwongen) opname nodig is, dan zo kort mogelijk.
Het bericht dat de Nederlandse regering bezwaar heeft aangetekend tegen de herintreding van Bolivia in het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen uit 1961? |
|
Harry van Bommel (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Nederlandse regering bezwaar heeft aangetekend tegen de herintreding van Bolivia in het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen uit 1961?1
Nee, de Nederlandse regering heeft geen bezwaar aangetekend tegen de hernieuwde toetreding van Bolivia tot het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het protocol van 1972, zoals ook uitdrukkelijk in de tekst van het bezwaar is aangegeven. Het bezwaar heeft dan ook geen gevolgen voor de werking van het VN Drugsverdrag tussen Nederland en Bolivia.
Indien ja, wat beoogt de regering met dit bezwaar? Wil de Nederlandse regering dat Bolivia geen deel gaat uitmaken van het belangrijkste verdrag inzake verdovende middelen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het te verklaren dat de Nederlandse regering geen bezwaar heeft aangetekend tegen het door Bolivia ingediende amendement op artikel 49 van genoemd Verdrag, waarmee hetzelfde doel werd beoogd als de herintreding met een voorbehoud? Is het juridisch onder alle omstandigheden onaanvaardbaar dat een lidstaat een verdrag opzegt en herintreedt met een voorbehoud? Zijn er voorbeelden waar deze procedure door andere lidstaten is gevolgd? Zo ja, welke landen hebben dit eerder gedaan?
In maart 2009 stelde Bolivia een wijziging van artikel 49 van het VN Drugsverdrag voor. Overeenkomstig de bepalingen van het verdrag treedt een dergelijk wijzigingsvoorstel voor alle verdragspartijen onmiddellijk in werking, indien het door geen van die verdragspartijen binnen een termijn van achttien maanden is verworpen. Het wijzigingsvoorstel is vervolgens ruim binnen die termijn door verschillende landen verworpen, waardoor het beoogde effect, onmiddellijke inwerkingtreding, niet meer kon worden bereikt. Vervolgens heeft Bolivia het Verdrag per 1 januari 2012 opgezegd en aansluitend aangekondigd opnieuw partij te worden met een voorbehoud met betrekking tot het traditioneel gebruik van cocabladeren. De depositaris van het verdrag heeft alle partijen bij het verdrag daarvan op de hoogte gesteld en daarbij aangegeven dat partijen, gelet op het feit dat Bolivia een voorbehoud maakt dat niet is voorzien in het verdrag, bezwaar kunnen maken (art. 50, lid 3). Deze mededeling heeft geleid tot bezwaren van de volgende EU lidstaten: het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Zweden, Finland, Portugal en Ierland. Daarnaast is nog bezwaar gemaakt door de Verenigde Staten, Canada, Japan, Israël, de Russische Federatie en Mexico.
Het door de Nederlandse regering aangetekende bezwaar is ingegeven door zorgen omtrent de integriteit van het verdrag en de juiste toepassing van het verdragenrecht in het algemeen.
Het Nederlandse bezwaar richt zich daarbij uitdrukkelijk tegen de door Bolivia gevolgde procedure van opzegging, gevolgd door hertoetreding maar dan met een voorbehoud. Die procedure is internationaalrechtelijk omstreden en onwenselijk, omdat hierdoor de bestaande internationale regels met betrekking tot binding aan verdragen en voorbehouden worden uitgehold en de stabiliteit van verdragsrelaties wordt ondermijnd. Nederland maakt in voorkomende gevallen steeds bezwaar tegen een dergelijke handelwijze.
Geen van de partijen bij het verdrag heeft eerder op een dergelijke wijze gehandeld. Iets soortgelijks heeft zich wel bij andere verdragen voorgedaan. Zo heeft bijvoorbeeld Guyana in 1999 het Facultatief Protocol behorend bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de Verenigde Naties opgezegd om aansluitend opnieuw partij te worden met een voorbehoud ten aanzien van het klachtrecht van terdoodveroordeelden. Nederland heeft toen evenzo, net als de EU lidstaten Duitsland, Frankrijk, Finland, Polen, Spanje en Zweden, mede vanwege die handelwijze bezwaar gemaakt. In dat geval richtte het Nederlandse bezwaar zich uitdrukkelijk ook tegen de inhoud van het Guyaanse voorbehoud.
Erkent de regering het culturele belang van het cocablad in Bolivia en respecteert ze de status van het traditioneel gebruik van coca zoals in de Boliviaanse grondwet is vastgesteld? Zo ja, staat het aangetekende bezwaar niet haaks op deze stellingname? Zo niet, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het Nederlandse bezwaar spreekt geen oordeel uit over het traditionele gebruik van het cocablad in Bolivia en de status van dit gebruik onder nationaal recht.
Erkent de Nederlandse regering dat de verdragsverplichtingen wat betreft het cocablad en het uitbannen van het traditionele gebruik van het kauwen van coca achterhaald zijn en in tegenspraak zijn met de ook door Nederland ondertekende VN Verklaring over de rechten van inheemse volkeren van 2007? Welke andere optie stelt Nederland voor aan Bolivia om dit juridische conflict tussen de Boliviaanse grondwet en inheemse rechten enerzijds en het verbod op het kauwen van coca in het verdrag uit 1961 anderzijds op te lossen? Is de Nederlandse regering zich bewust van het feit dat het aangetekende bezwaar zich in wezen keert tegen de Nederlandse praktijk van voorbehouden in drugsverdragen als het verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psycho-trope stoffen van 1988?
Zie het antwoord op vraag 4.
De regering van Bolivia is verantwoordelijk voor de naleving van haar internationale verplichtingen.
Wat in de vragen de «Nederlandse praktijk van voorbehouden in drugsverdragen» wordt genoemd, houdt niet meer in dan één voorbehoud bij het VN-verdrag van 1988 dat bovendien geheel in overeenstemming met de regels van dat verdrag is gemaakt.
Is de regering zich ervan bewust dat het bezwaar tegen herintreding van Bolivia met een voorbehoud ook de juridische speelruimte zou kunnen inperken ten aanzien van het Nederlandse beleid inzake coffeeshops? Beoogt de regering met het bezwaar tegen de Boliviaanse herintreding, een juridische drempel op te werpen tegen mogelijk toekomstig gebruik van deze procedure door andere landen – inclusief Nederland zelf – om een legale regulering van de cannabismarkt mogelijk te maken?
Het standpunt van de regering op het gebied van de regulering van cannabis is genoegzaam bekend. Dit standpunt is onlangs nogmaals door de minister van VenJ eenduidig verwoord tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Justitie van 13 december 2012 en het daarop volgende VAO van 17 januari 2013.
Is de Nederlandse regering bereid het ingediende bezwaar tegen herintreding van Bolivia in te trekken? Indien neen, waarom niet?
Het in relatie tot Bolivia gemaakte bezwaar past binnen het verdragenrecht. Het bezwaar spreekt geen oordeel uit over het traditionele gebruik van het cocablad in Bolivia en de status van dit gebruik onder nationaal recht en heeft geen gevolgen voor de toetreding van Bolivia tot het verdrag. Gelet op de inhoud en strekking ervan is er geen aanleiding het gemaakte bezwaar in te trekken.
eHealth diensten en btw-heffing |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat zorginstelling Ksyos een naheffing van 600.000 euro over de afgelopen zes jaar heeft gekregen van de belastingdienst omdat de belastingdienst van mening is dat Ksyos btw-plichtig is? 1
De vragen betreffen een individuele aangelegenheid. Daarover kunnen in verband met de fiscale geheimhoudingsplicht geen mededelingen worden gedaan. In het antwoord op vraag 4 ga ik echter nader in op het toepassen van de btw-wetgeving ten aanzien van eHealth in het algemeen en de zogenoemde teledermatologie in het bijzonder.
Is het waar dat Ksyos diensten levert die voldoen aan de definitie van eHealth in de engere zin van NEN 8 028 en het College voor Zorgverzekeringen (CVZ)? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Ksyos formeel voldoet aan alle eisen die de norm NEN 8028 (Kwaliteitseisen telemedicine) voorschrijft. Voor wat betreft het CVZ is de zorg die in dit voorbeeld geleverd wordt een andere aanbiedingsvorm van te verzekeren zorg. Daarbij gaat het CVZ ervan uit dat de zorg blijft voldoen aan gestelde voorwaarden.
Kunt u toelichten op grond waarvan de activiteiten van Ksyos als btw-plichtig worden aangemerkt? Wat zijn de criteria op grond waarvan dat besluit is genomen?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen dat: «btw-heffing achterwege kan blijven met betrekking tot leveringen en diensten ter zake waarvan in de btw-wetgeving een vrijstelling is opgenomen. Zo is de gezondheidskundige verzorging van de mens door artsen vrijgesteld van btw-heffing.»? Deelt u de mening dat de diensten die Ksyos levert onder de definitie «gezondheidskundige zorg van mens door artsen is» vallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is Ksyos dan toch btw-plichtig?2
Zoals is aangegeven in de antwoorden, genoemd in deze vraag (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011/2012, nr. 105), kent de btw-wetgeving als uitgangspunt dat prestaties van ondernemers belast zijn met btw. Daarbij moeten de prestaties van iedere te onderscheiden ondernemer afzonderlijk in aanmerking worden genomen. Btw-heffing kan achterwege blijven met betrekking tot leveringen en diensten ter zake waarvan in de btw-wetgeving een vrijstelling is opgenomen. Zo is onder meer vrijgesteld van btw-heffing de gezondheidskundige verzorging van de mens door artsen, het verzorgen en verplegen van personen opgenomen in ziekenhuizen e.d. en andere diensten van ziekenhuizen.
Bij eHealth, ook wel genoemd telegeneeskunde of telemedicine, is er sprake van gebruik van informatie- en communicatietechnologieën om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of verbeteren3. eHealth is een containerbegrip dat veel verschillende vormen van toepassing kent. De gebruikte techniek, de betrokken personen of organisaties en het betreffende zorgdomein kunnen per toepassing verschillen4. De informatie- en communicatietechnologie wordt op verschillende medische terreinen toegepast, waaronder de dermatologie (teledermatologie). Die technologie stelt de huisarts in staat langs elektronische weg advies in te winnen van een dermatoloog. Daarbij ontvangt de dermatoloog via elektronische weg de patiënteninformatie en de foto’s van de huisarts. De patiënt hoeft dan niet zelf het ziekenhuis te bezoeken. De dermatoloog bekijkt de elektronische informatie en verstuurt – eveneens langs elektronische weg – zijn bevindingen, conclusies en adviezen vervolgens naar de betrokken huisarts. Die kan op zijn beurt de patiënt zelf behandelen of alsnog verwijzen naar een specialist.
Uit deze beknopte beschrijving van een bepaalde vorm van eHealth, de teledermatologie, blijkt dat daarbij verschillende ondernemers zijn betrokken. In de eerste plaats zijn dat de huisartsen en specialisten. Daarnaast is er vaak sprake van een afzonderlijk te onderkennen ondernemer die zorg draagt voor de informatie- en communicatietechnologie. Vanuit btw-perspectief gezien, zal met betrekking tot elk van die ondernemers afzonderlijk moeten worden vastgesteld wat de btw-consequenties zijn van ieders eigen prestatie(s).
In de hiervoor beschreven situatie zijn de diensten van de huisarts en de specialist vrijgesteld van btw-heffing. Het gaat hier om prestaties die zijn te kwalificeren als de gezondheidskundige verzorging van de mens en worden verricht door beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. (Zie in dit verband ook onderdeel 3 van het besluit van 28 december 2012, nr. BLKB/2012/1868M, Stcrt. 28 december 2012, nr. 26812).
Het zorg dragen voor de informatie- en communicatietechnologie, zoals software, hardware, cursussen om huisartsen en medisch specialisten te leren omgaan met deze technologie, assistentie bij problemen met die technologie enz., is een handeling die niet is aan te merken als de gezondheidskundige verzorging van de mens. Het feit dat er tussen die handelingen en de gezondheidskundige verzorging van de mens door huisartsen en specialisten een bepaalde relatie bestaat, brengt niet mee dat het zorg dragen voor deze informatie- en communicatietechnologie als zodanig kan worden aangemerkt als gezondheidskundige verzorging van de mens.
Het is mij bekend dat de ondernemers die de diensten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie verlenen overeenkomsten sluiten met zorgverzekeraars, medisch specialisten en huisartsen en daarbij overeenkomen tevens de honoraria van de betrokken specialisten en/of huisartsen bij de zorgverzekeraar te zullen declareren en door te betalen aan de betrokken medici. Of in die gevallen de medische handelingen van die medici kunnen worden toegerekend aan de ondernemer die zorg draagt voor de informatie- en communicatietechnologie wordt op dit moment nog onderzocht door de ministeries van VWS en Financiën. Ik zal u over de uitkomsten van dat onderzoek te zijner tijd nader informeren.
Zijn er meer projecten die zorgen voor betere zorg die worden belemmerd door btw-heffing? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op de vraag of er (meer) projecten voor betere zorg zijn die een belemmering ondervinden als gevolg van de toepassing van de btw-wetgeving moet ik het antwoord schuldig blijven. Daarover zijn geen nadere gegevens bekend. Wel kan in algemene zin worden opgemerkt dat btw-heffing in de zorgsector aan de orde kan komen als in een zorgketen differentiatie van werkzaamheden plaatsvindt en niet elk van de daarbij te onderscheiden partijen een handeling verricht die op zichzelf beoordeeld is aan te merken als een medische prestatie.
Welke actie gaat u ondernemen in dit geval, en in andere vergelijkbare situaties?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht "Achterhoek is spoorproblemen spuugzat" |
|
Duco Hoogland (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Achterhoek is spoorproblemen spuugzat»?1
Ja.
In hoeverre is er in uw ogen sprake van problemen in de samenloop van vervoerders op de lijn Arnhem-Winterswijk?
Samenloop van verschillende treindiensten op het spoorwegnet komt op een beperkt aantal plaatsen in Nederland voor. Op basis van de informatie die ik tot op heden heb ontvangen van de verantwoordelijke decentrale overheden, de vervoerders en ProRail over de recente problemen heb ik niet de indruk gekregen dat de problemen die zich na 9 december 2012 hebben voorgedaan veroorzaakt zijn door de samenloop tussen de vervoerders op het gedeelte Arnhem–Doetinchem. De oorzaak van de problemen in de Achterhoek was met name gelegen in gewenningsproblemen met het nieuwe materieel en de omstandigheid dat op een enkelsporig baanvak een verstoring in de exploitatie of een storing aan de infrastructuur meer gevolgen heeft dan op een dubbelsporig baanvak.
Kunt u in procenten aangeven welke punctualiteit de treinen van de verschillende vervoerders op het traject de afgelopen maand behaald hebben?
In de periode van 20 december 2012 tot en met 20 januari 2013 was de punctualiteit (3-minutennorm) van de treindienst
Bent u bereid in gesprek te gaan met de provincie en gemeenten in de regio om de problemen te bespreken en indien mogelijk op te lossen?
De verantwoordelijkheid voor de exploitatie van de treindiensten in de Achterhoek is al in 1999 gedecentraliseerd. De verantwoordelijkheid van het ministerie van
Infrastructuur en Milieu betreft in principe alleen de spoorweginfrastructuur.
De direct bij de exploitatie van deze lijn betrokken partijen (vervoerders, regionale overheden en ProRail) zijn met elkaar in gesprek en werken samen aan maatregelen om tot een goed product voor de reiziger te komen. Zij monitoren daarbij ook de punctualiteit van deze lijn en onderzoeken de noodzaak en mogelijkheden om met enkele gerichte maatregelen de robuustheid van het baanvak te verbeteren.
Indien de verantwoordelijke overheden of de vervoerders behoefte hebben aan een overleg over de spoorweginfrastructuur, ben ik uiteraard bereid om met hen te overleggen over de problemen die zij ervaren.
Het bericht dat de Belgische Clinica Aesthetica via Groupon reclame maakt voor cosmetische chrirurgie |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Belgische Clinica Aesthetica reclame maakt voor cosmetische chirurgie via Groupon?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het bericht dat een Belgische kliniek in Nederland reclame maakt voor cosmetische ingrepen?
Sinds 2011 is het in België verboden om reclame te maken voor cosmetische chirurgie. Het maken van reclame voor cosmetische ingrepen is in Nederland niet bij wet verboden. De sector heeft zelf normen gesteld met betrekking tot publiciteit. Deze staan in de door de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) opgestelde «Leidraad plastische chirurgie en esthetische behandelingen in particuliere klinieken» (hierna «Leidraad»)). Hierin staat onder andere dat publiciteit op welke wijze dan ook juridisch duidelijk, eerlijk, waarheidsgetrouw en maatschappelijk verantwoord moet zijn. De IGZ hanteert deze Leidraad als veldnorm in het kader van haar toezicht op naleving van de Wet BIG en de Kwaliteitswet Zorginstellingen.
De cosmetische ingrepen zullen bij de kliniek in België plaatsvinden. Hierop is dan ook de Belgische wet- en regelgeving wat betreft de kwaliteit van de geleverde zorg van toepassing. Dit geldt ook voor cosmetische ingrepen die in België worden uitgevoerd op Nederlandse klanten. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de Belgische wet- en regelgeving onvoldoende waarborgen biedt.
Deelt u de mening dat een cosmetische ingreep een onomkeerbare medische handeling is en dus nooit een impulsaankoop mag worden? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik aangekondigd dat ik de risico’s in de cosmetische sector beter in kaart wil brengen. In de cosmetische sector gaat het om veel soorten ingrepen, zoals borstimplantaten, fillers en laseren. Ik maak mij zorgen om de vlucht die de cosmetische sector neemt in relatie tot de wettelijke waarborgen en de informatievoorziening. In het voorjaar zal ik de Kamer informeren over mijn voorstellen voor maatregelen om de risico’s in de cosmetische sector tegen te gaan. Naast de informatieplicht die artsen in ieder geval hebben, overweeg ik hierbij ook de nodige acties om de bewustwording bij het publiek te vergroten bij de keuze voor een cosmetische ingrepen.
Een cosmetische ingreep is een ingrijpende behandeling met de nodige risico’s. Iedereen die een cosmetische ingreep wil ondergaan moet zich dus goed kunnen informeren, zodat duidelijk is waar de behandeling uit bestaat en welke risico’s eraan verbonden zijn. De Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) stelt eisen aan het juist en volledig informeren van cliënten. De hierboven genoemde Leidraad stelt ook eisen aan de voorlichting van cliënten, bijvoorbeeld over de bedenktijd. Uiteindelijk heeft een cliënt bij het besluit voor een behandeling een eigen verantwoordelijkheid voor het afwegen van deze risico’s.
Deelt u de mening dat dergelijke kortingsacties voor cosmetische ingrepen zoals op Groupon het gevaar met zich meebrengen dat cosmetische chirurgie een impulsaankoop wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is de beperkte geldigheid van dergelijke kortingsacties volgens u een probleem? Hebben mensen naar uw oordeel in zo’n geval voldoende tijd om een weloverwogen besluit te nemen over een cosmetische ingreep? Kunt u uw antwoorden toelichten?
De beperkte geldigheid van een bij een kortingsactie verkregen kortingsbon staat los van de eisen die aan klinieken worden gesteld in de Leidraad en op basis van de WGBO met betrekking tot goed informeren van cliënten, de «cooling off» periode en bedenktijd voor de cliënt.
Overigens gelden in het geval van verkoop op afstand, zoals verkoop via het internet, de bepalingen uit Boek 7 titel 9a van het Burgerlijk Wetboek. Hierin is onder meer geregeld dat consumenten een bedenktermijn van zeven werkdagen hebben wanneer zij een overeenkomst op afstand sluiten, zoals de koop van deze kortingsbon. De consument kan binnen deze termijn zonder opgaaf van reden de overeenkomst opzeggen. De handelaar, in dit geval Groupon, dient het door hem ontvangen bedrag dan terug te storten.
Vormen mensen met een lager inkomen naar uw oordeel een risicogroep omdat zij wellicht meer gevoelig zijn voor kortingsacties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Iedereen moet op basis van goede informatie over de risico’s een afweging kunnen maken voor een cosmetische ingreep. Hierbij maakt het wat mij betreft niet uit of de groep gevoelig is voor kortingsacties. In Nederland is de kliniek verplicht op basis van de Leidraad en de WGBO iedereen voor een ingreep goed te informeren.
Vormen jongeren tussen de 16 en 18 jaar naar uw oordeel een risicogroep omdat zij wellicht meer gevoelig zijn voor kortingsacties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik ook in antwoord op vragen van het lid Arib (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 223) van 5 oktober 2012 heb aangegeven, is in de eerder genoemde Leidraad nadrukkelijk vastgelegd dat er geen cosmetische ingrepen uitgevoerd mogen worden bij patiënten jonger dan 18 jaar, met uitzondering van flapoorcorrecties. De IGZ hanteert deze Leidraad als veldnorm in het kader van haar toezicht op naleving van de Wet BIG en de Kwaliteitswet Zorginstellingen.
Ik onderzoek momenteel de cosmetische sector om eventueel maatregelen te kunnen nemen tegen risico’s die aan cosmetische ingrepen zijn verbonden. Ik betrek de leeftijdsgrens hierbij.
Blijft u ook na dit bericht van mening dat jongeren tussen de 16 en 18 jaar zelfstandig mogen beslissen over een cosmetische ingreep? Zo ja, waarom? Zo nee, wanneer kan een ophoging van die leeftijdsgrens worden verwacht?2
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat er een reclameverbod voor cosmetische en plastische chirurgie zou moeten worden ingevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan een dergelijk verbod worden verwacht?
Voor volwassenen is het in principe een eigen keuze of zij ingaan op een dergelijke kortingsactie. Zij hebben zelf een grote eigen verantwoordelijkheid om op basis van goede informatie het risico van een cosmetische ingreep af te wegen. In het lopende onderzoek naar de cosmetische sector zal ik de vraag meenemen of het verbieden van dit soort acties kan bijdragen aan het maken van de juiste afweging.
over de beroepsbeperkende afspraken door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op basis van welke wet of regeling kan en mag de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beroepsbeperkende afspraken maken?
Sinds september 2010 geldt het beleid dat de IGZ geen privaatrechtelijke, beroepsbeperkende afspraken meer mag maken, maar gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden om publiekrechtelijke maatregelen te treffen, indien zij beroepsbeperking nodig acht. Hierover heeft mijn voorganger u per brief op 21 september 20101 geïnformeerd.
Onder welke voorwaarden zijn beroepsbeperkende afspraken geldig en juridisch afdwingbaar door beide partijen? Is in de casus-Jansen Steur aan deze voorwaarden voldaan? Wie kan precies wat afdwingen op basis van gemaakte afspraken?
In het verleden heeft de IGZ volgens het toen geldende beleid privaatrechtelijke, beroepsbeperkende afspraken gemaakt. Met betrekking tot die bestaande afspraken, is de vraag of sprake is van een verklaring van de beroepsbeoefenaar of van een wederkerige overeenkomst c.q. afspraak. Dat laatste houdt in dat tegenover de verplichtingen/voorwaarden voor de beroepsbeoefenaar ook voorwaarden voor de IGZ staan (zoals het niet toepassen van handhavingsmaatregelen zolang de beroepsbeoefenaar zich aan zijn verplichtingen/ voorwaarden houdt). De heer Jansen Steur heeft zijn inschrijving in het BIG-register in oktober 2009 laten doorhalen en een bevestiging van de doorhaling aan de IGZ gestuurd. Een dergelijke bevestiging van doorhaling (uitschrijving) op eigen verzoek betrekt de IGZ bij de afweging of inzet van publiekrechtelijke handhavingsmaatregelen noodzakelijk is.
Indien beroepsbeperkende afspraken gemaakt zijn die inhouden dat de arts een tijd zijn beroep niet meer uitoefent, betekent dat dan dat een klacht van een patiënt, een nabestaande of een ziekenhuis tegen die arts niet meer in behandeling genomen wordt? Wordt de klagende partij dan op de hoogte gesteld van de genomen beperkende maatregel?
Wanneer een melding nieuwe feiten toevoegt kan dat voor de IGZ aanleiding zijn om verderstrekkende maatregelen te nemen, zoals het starten van een tuchtzaak. Wanneer bijvoorbeeld een disfunctionerende beroepsbeoefenaar van de IGZ een bevel heeft gekregen om te stoppen en de IGZ daarna, gedurende de looptijd van het bevel, meldingen ontvangt van patiënten, nabestaande een ziekenhuis of anderen, dan neemt de IGZ deze meldingen altijd in behandeling. Wanneer de meldingen naar oordeel van de IGZ mogelijk strafbare feiten bevatten, stelt zij het Openbaar Ministerie (OM) op de hoogte.
Melders krijgen na afronding van het inspectieonderzoek bericht over de conclusies en maatregelen. Beroepsbeperkende maatregelen, zoals aanwijzing en bevel, maakt de IGZ altijd openbaar via haar website.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van alle beroepsbeperkende afspraken die sinds 2000 door de IGZ gemaakt zijn met Big-geregistreerden (Beroepen Individuele Gezondheidszorg)?
De in het verleden gemaakte beroepsbeperkende afspraken zijn niet centraal geregistreerd. Bevoegdheidsbeperkende maatregelen worden sinds juli 2012, met uitzondering van waarschuwingen opgelegd door het tuchtcollege, openbaar gemaakt op de website van het BIG-register. Maatregelen opgelegd door de IGZ, zoals een bevel of aanwijzing, maakt de IGZ openbaar op haar website (zie ook het antwoord op vraag 3).
Weet u zeker dat voorgaande lijst compleet is en of het mogelijk is dat er afspraken gemaakt zijn die niet goed geadministreerd zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of de IGZ weet waar alle personen die een beroepsbeperkende afspraak hebben (die afspraken zijn immers niet publiek) zich bevinden en of zij zich aan de afspraken houden?
De IGZ is niet op de hoogte van de verblijfplaats van in Nederland geregistreerde beroepsbeoefenaren en is voor informatie daarover afhankelijk van de beroepsbeoefenaar, werkgevers of melders.
Is het waar dat naar aanleiding van de zaak-Jansen Steur prof. Legemaate het rapport «Verantwoordelijkheid nemen voor kwaliteit» schreef, waarin op 12 mei 2009 geconcludeerd werd: «Op basis van het voorafgaande ligt het voor de hand twee categorieën beroepsbeperkende afspraken te onderscheiden: Aangenomen moet worden beroepsbeperkende afspraken uit de eerste categorie zich niet verdragen met de overwegingen die ten grondslag liggen aan de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Als de IGZ wil bereiken dat een beroepsbeoefenaar niet meer praktiseert, dient de koninklijke weg te worden gevolgd: een procedure bij het tuchtcollege of het College van Medisch Toezicht»?
Ja, dat klopt.
Hoe beoordeelt u het feit dat anderhalf jaar na dit rapport, na deze aanbeveling, die voortkomt uit de casus-Jansen Steur, de IGZ alsnog een beroepsbeperkende afspraak maakte met Jansen Steur, die in de eerste categorie viel, die dus niet verhoudt tot de correspondentie van de Hoge Raad en waar prof. Legemaate adviseert de koninklijke weg te volgen?
Ik verwijs u naar paragraaf 4 van de begeleidende brief.
Is het waar dat feiten voor de tuchtrechter na 10 jaar verjaard zijn en dat dus na de effectieve op non-actiefstelling van Jansen Steur in december 2003 alle zaken die betrekking hebben op zijn handelen in Nederland, voor de tuchtrechter op 1 januari 2014 verjaard zullen zijn?
De bevoegdheid tot indiening van een tuchtklacht vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Het is dus niet zo dat alle zaken die betrekking hebben op het handelen van de heer Jansen Steur in Nederland op 1 januari 2014 zullen verjaren. Tot 2009 was de heer Jansen Steur ingeschreven in het BIG register.
Indien Jansen Steur zich op 1 januari 2014 bij het Big-register meldt en zich wil laten inschrijven als bijvoorbeeld basisarts, kan hij dan geweigerd worden of kan hij zich dan gewoon opnieuw laten registreren en handelingen die voorbehouden zijn aan artsen rechtmatig in Nederland verrichten?
Zie mijn antwoord op vraag 9. Ik verwijs u voorts naar paragraaf 4 van de begeleidende brief.
Is het waar dat, indien nu een tuchtrechtelijke actie ondernomen wordt tegen Jansen Steur, een mogelijke straf voor feiten die hij begaan heeft tijdens zijn inschrijving in het Big-register een levenslang verbod op herinschrijving in het Big-register is (conform artikel 47 en 48 van de Wet Big)?
Dat klopt. Bij een niet meer BIG-geregistreerde, disfunctionerende beroepsbeoefenaar als de heer Jansen Steur zou de enige mogelijk zijn om bij de tuchtrechter ontzegging van het recht op herinschrijving in het BIG register te vorderen.
Wilt u eraan meewerken dat een klacht van een patiënt of nabestaande van Jansen Steur met spoed behandeld wordt in het tuchtrecht en deelt u de mening dat er alsnog een tuchtrechtelijke zaak zou moeten komen?
De IGZ kan de tuchtrechter verzoeken een tuchtzaak met spoed te behandelen indien de IGZ van oordeel is dat behandeling van de zaak door het tuchtcollege geen uitstel gedoogt zonder groot nadeel voor het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg. De IGZ kan een dergelijk verzoek ook doen als zij niet zelf de tuchtklacht heeft ingediend. Klagers die menen dat een spoedbehandeling noodzakelijk is, kunnen hun verzoek richten tot de IGZ.
Het is ondoenlijk om het beleid dat tot 2010 is gevoerd met terugwerkende kracht opnieuw te bezien voor alle desbetreffende beroepsbeoefenaren, op het eventueel aanspannen van een tuchtrechtzaak.
Bent u bereid in het wetsvoorstel tot wijziging van het tuchtrecht een artikel op te nemen onder welke voorwaarden «transacties» tot het afzien van tuchtrecht gesloten zouden mogen worden (analoog aan de mededingingswetgeving), zodat in de toekomst duidelijkheid hierover is?
Ik verwijs u naar paragraaf 4.3 en 4.4 van de begeleidende brief.
Deelt u de mening dat in het onafhankelijk onderzoek naar de publicaties van Jansen Steur en het medicijnonderzoek ook precies moet worden onderzocht in welke gevallen patiënten experimentele medicijnen slikten zonder dat hiervoor toestemming was gegeven? Bent u bereid met de KNAW en het Medisch Spectrum Twente te onderzoeken of dit het geval was?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 8 van de Kamervragen 2013Z00362.
Indien blijkt dat Jansen Steur patiënten niet om toestemming vroeg, vindt u het dan ook van belang te onderzoeken of de betrokken medicijnfabrikanten op de hoogte hiervan waren of hadden kunnen zijn? Wat vindt u van de suggestie van mevrouw Verbeet (Nederlandse Patiënten- en Cliëntenfederatie) dat fabrikanten transparant moeten zijn over wat voor onderzoek ze moeten doen, wie dat doen en hoeveel hiervoor betaald moet wordt? Welke rol ziet u voor uzelf hierin weggelegd?
Deze vraag heb ik uitgezet bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).