Het uithuwelijken van jonge meisjes en vrouwenrechten |
|
Marit Maij (PvdA), Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meisjes moeten jong worden uitgehuwelijkt om verkrachting te voorkomen»?1
Ja.
Bent u bereid uw Indiase ambtsgenoot te vragen de uithuwelijking van jonge meisjes zo veel als mogelijk tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
In mei 2012 heeft Nederland tijdens de Universal Periodic Review van India in de VN mensenrechtenraad de aanbeveling gedaan dat India alle wetsvoorstellen aanneemt die gericht zijn op «empowering women», inclusief de «Women’s reservation Bill and the amendments to Panchayati Raj Act».
Daarnaast staan de onderwerpen vrouwenrechten en de rechten van het kind op de agenda van de jaarlijkse EU-India mensenrechtendialoog. Tijdens dat overleg wordt in dialoog met de Indiase overheid gekeken hoe verbetering kan worden bereikt.
Bent u bereid er bij uw Indiase ambtsgenoot op aan te dringen de rechten van meisjes en vrouwen te beschermen en promoten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het uithuwelijken van jonge meisjes indruist tegen de doelstellingen van uw beleid gericht op het versterken van vrouwenrechten en de positie van vrouwen en meisjes in ontwikkelingslanden? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Dit is juist. Uitgangspunt van het beleid gericht op versterking van vrouwenrechten en de positie van vrouwen en meisjes is dat zij gelijke aanspraak kunnen maken op, en toegang hebben tot voorzieningen. Voor meisjes die op jonge leeftijd uitgehuwelijkt worden, wordt de weg naar voorzieningen, zoals onderwijs, afgesneden. Zij raken gevangen in een vicieuze cirkel van vroege en frequente zwangerschappen, hoge kindersterfte, chronische ondervoeding en het onvermogen om zich aan armoede te ontworstelen. Met onderzoek is aangetoond dat meisjes die (voortgezet) onderwijs hebben genoten later trouwen, minder kinderen krijgen en dat deze kinderen gezonder zijn.
Deelt u de constatering dat jong uitgehuwelijkte meisjes vaak korter naar school gaan en vaker jong zwanger worden met alle gezondheidsrisico’s van dien? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die constatering (zie ook het antwoord op vraag 4). In grote delen van Zuid-Azië en sub-Sahara Afrika wordt meer dan 40% van de huwelijken gesloten met een minderjarig meisje. Hoewel de ongelijkheid in onderwijsdeelname tussen meisjes en jongens het afgelopen decennium is afgenomen, schatten Unesco en Unicef dat van de ruim 115 miljoen 6–12 jarigen die niet naar school gaan, drie vijfde meisje is.
Uithuwelijking op jonge leeftijd en onthouding van onderwijs aan meisjes zijn maatschappelijke problemen die nauw samenhangen met armoede en genderongelijkheid. Onderwijs kan – als geen andere maatregelen – bijdragen aan de uitbanning van tradities die de onderdrukking en achterstelling van vrouwen van generatie op generatie in stand houden.
Bent u ook van oordeel dat het uithuwelijken van jonge meisjes zeer onwenselijk is? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen en/of gaat u nemen om uithuwelijking van jonge meisjes tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Uithuwelijking van minderjarige meisjes is in strijd met het Vrouwenverdrag en het Verdrag voor de Rechten van het Kind. Het verwezenlijken van het recht op vrije en goed geïnformeerde keuzes over zaken die seksualiteit en voortplanting betreffen is een doelstelling van mijn beleid. Ik voer dit uit door bijvoorbeeld seksuele voorlichting op scholen te steunen en samenwerking te zoeken met lokale organisaties om jongeren die niet naar school gaan te bereiken, bijvoorbeeld via radio, tv, internet of jongerenvertegenwoordigers. Ook steun ik de International Planned Parenthood Federation (IPPF) om jeugdvriendelijke dienstverlening te stimuleren. Verder bevorder ik dat jongerenvertegenwoordigers hun stem kunnen laten klinken op strategische internationale bijeenkomsten over dit onderwerp (zie ook mijn Kamerbrief Beleid voor Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten, inclusief hiv/aids van 7 mei 2012).
Vindt u het ook van groot belang dat meisjes ook in ontwikkelingslanden en landen als India, gehuwd en ongehuwd, zo lang en goed mogelijk onderwijs ontvangen? Zo ja, op welke wijze draagt u hieraan bij? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is van groot belang dat meisjes in ontwikkelingslanden hun achterstand op het gebied van onderwijs inhalen. Hoe armer meisjes zijn des te groter is het risico van vroege en/of gedwongen huwelijken. Er is vaak een direct verband tussen het wel of niet volgen van goed onderwijs enerzijds en de huwelijksleeftijd, vroege zwangerschappen, risicovolle bevallingen en onveilige abortussen anderzijds. Meisjes die beter zijn opgeleid hebben meer zeggenschap over hun eigen leven, vinden sneller werk en kunnen bewuster kiezen in zaken van huwelijk en zwangerschap.
In alle door Nederland gesteunde onderwijsprogramma’s wordt speciale aandacht besteed aan maatregelen ter bevordering van de deelname van meisjes en vrouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de mondiale programma’s van het Global Partnership for Education (GPE), het programma Education and Peacebuilding van UNICEF en ook in de Hoger Onderwijsprogramma’s NICHE (capaciteitsopbouw onderwijsinstellingen) en NFP (beurzen). Meer specifiek wordt samengewerkt met het Forum of African Women Educationalists (FAWE) en het UN Girls» Education Initiative (UNGEI).
Nederland heeft sinds 2003 geen bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met India meer. Nederland draagt echter via multilaterale instellingen bij aan programma’s op het gebied van onderwijs in India. Zo steunt Unicef programma’s op het gebied van onderwijs, vooral gericht op de meest kwetsbare, achtergestelde kinderen inclusief meisjes. De Wereldbank financiert in de zeven armste deelstaten van India programma’s ter verhoging van de levensstandaard en het bereik van de Millennium Ontwikkelingsdoelen, inclusief die voor onderwijs en gendergelijkheid.
Export elektronica naar China en Afrika |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Joop Atsma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afval illegaal «gedumpt» door overheid»?1
Ja, dat is mij bekend.
Is het waar dat een tiental gemeenten elektronische apparatuur vanuit het oogpunt van financieel voordeel buiten WeCycle om aan handelaren verkoopt? Zijn gemeenten verplicht al het elektronisch afval door WeCycle te laten verwerken?
Ja, dit is waar.
De producentenstichting Wecycle, die verantwoordelijk is voor het ophalen, sorteren en recyclen van elektronisch afval door gecertificeerde bedrijven, heeft onderzoek laten uitvoeren naar de mate waarin gemeenten hun afspraken met Wecycle nakomen. Deze afspraken houden in dat gemeenten alle elektronica-afval dat zij inzamelen, afgeven aan Wecycle, in ruil voor een kostendekkende vergoeding. Geconstateerd is door Wecycle dat 60 gemeenten een deel van het elektronica-afval met restwaarde verhandelt aan andere partijen, om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. Dit is, volgens Wecycle, in strijd met hun overeenkomst, wat een privaatrechterlijke zaak is.
Gemeenten zijn niet verplicht om met Wecycle een overeenkomst af te sluiten.
Zij mogen het ingezameld afval ook afgeven aan individuele inzamelaars en verwerkers die een vergunning hebben of op de lijst van inzamelaars (VIHB lijst) staan.
Klopt het dat deze stroom elektronisch afval door deze handelaren op illegale wijze wordt verwerkt op dubieuze sloopplaatsen in China en Afrika? Hoe groot is deze stroom afval? Is dit tien tot twintig procent van al het elektronisch afval?
Indien gemeenten zelf een deel van hun elektronisch afval verhandelen, is er geen zicht op wat er met dit afval gebeurt, omdat het niet geregistreerd wordt. Recent onderzoek van Wecycle (www.wecycle.nl/futureflows) stelt dat ongeveer 3% van het afgedankte afval in de illegale export terecht zou kunnen komen. Dit is veel lager dan de 10–20% die in het artikel wordt genoemd.
Jaarlijks worden in Europa honderden illegale afvaltransporten tegengehouden,
waarvan een deel betrekking heeft op elektronisch afval 2. Hoe groot de stroom illegaal afval is, is niet aan te geven. Het gaat immers om een illegale stroom die zich onttrekt aan het zicht.
Hoe komt het dat deze handelaren een vergunning krijgen voor het exporteren van dit afval?
De export van afvalstoffen is gereguleerd in de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Er wordt op grond van de EVOA geen toestemming verleend voor de export van afgedankte apparatuur die als afval is aan te merken, naar derde wereld landen.
Bij de export van tweedehands apparaten gaat het niet om afval, maar om hergebruik van een product. Dan is de EVOA niet van toepassing.
Is dit bericht, in combinatie met de berichten over illegaal afvaltransport naar China en Indonesië en de verontrustende conclusies van het recente rapport van de Algemene Rekenkamer over afvaltransport2, voor u voldoende reden om op korte termijn actie te ondernemen om illegaal transport van afval terug te dringen?
Mijn ministerie spant zich al jaren in om illegaal afvaltransport terug te dringen. De handhaving van de EVOA regelgeving is en blijft een belangrijke taak binnen het afvalveld.
De (voorloper van de) Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de afgelopen tien jaren een groot aantal acties en interventies uitgevoerd in de inzamel- en verwerkingsketen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten. De aanpak en resultaten staan beschreven in het rapport «Evaluatie en vooruitblik ketenproject elektrische en elektronische apparaten 2010 – VROM-Inspectie». Dit rapport geeft een compleet overzicht van alle activiteiten en de resultaten van de afgelopen jaren.
De inspanningen richtten zich op meerdere schakels in de keten, zoals milieustraten, kringloopwinkels, elektronica-winkels, handelaren, locaties waar containers worden geladen en exporteurs. Het evaluatierapport geeft aan «dat het Nederlandse aandeel in de hoeveelheid illegale geëxporteerde elektronica afval sinds 2008 afneemt. Aangezien de intensiteit van de handhaving in de havens in die jaren niet wezenlijk is veranderd, is dit een indicatie dat de handhavings-inspanningen gericht op het indammen van de stroom afgedankte elektronica uit Nederland vruchten beginnen af te werpen».
Elektronisch afval blijft ook de komende jaren een belangrijke prioriteit in het handhavingswerk van de ILT.
Deelt u de conclusie dat de export van afval op papier goed geregeld is, maar in de praktijk veel te wensen over laat? Wat gaat u doen met het rapport van de Algemene Rekenkamer waarin geconcludeerd wordt dat het zicht op de effecten van de handhavingsactiviteiten van de handhavingspartners beperkt is, het zicht op het functioneren van de gehele keten beperkt is en er een onverklaarbaar hoog sepotpercentage van EVOA-zaken optreedt?3
In zijn reactie op de aanbevelingen uit het rapport van de Algemene Rekenkamer, die in het betreffende Rekenkamer rapport is opgenomen, heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven op welke wijze hij het toezicht op het transport van afval verder verbetert. In het kort komt dat neer op een aantal activiteiten gericht op verbetering van de samenwerking en afstemming tussen verschillende betrokken instanties binnen en buiten Nederland door middel van verdere uitwisseling van informatie. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het risicogerichte toezicht steeds effectiever zal zijn.
Voor een compleet overzicht van deze activiteiten verwijs ik graag naar de reactie van mijn voorganger op het rapport en naar de binnenkort door u te ontvangen antwoorden op de feitelijke vragen die naar aanleiding van het rapport door uw kamer aan mij zijn gesteld.
De minister van Veiligheid en Justitie heeft in zijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer reeds aangegeven de zorg over het hoge sepotpercentage inzake EVOA te delen. Daarbij wijst hij op een lopend onderzoek van het OM naar de achtergrond hiervan en geeft aan dat de uitkomsten van dat onderzoek zullen worden gebruikt voor het verbeteren van de strafrechtelijke handhaving.
Beschouwt u het probleem van illegale export van afval als supranationaal probleem? Op welke manier zou u dit probleem kunnen aanpakken? Zouden daarvoor op internationaal niveau afspraken moeten worden gemaakt?
Ja, illegale export betreft een supranationaal probleem. Daarom werkt de ILT ook samen met andere toezichthouders wat betreft de handhaving. Daarnaast onderhoudt de ILT contacten met de autoriteiten van de belangrijke bestemmingslanden in Azië en Afrika.
Verder beschik ik, vanuit de Europese regelgeving, over twee manieren om dit probleem aan te pakken.
Samen met stakeholders (gemeenten, producenten,verwerkers en detaillisten) bekijk ik de komende periode hoe de richtlijn zodanig geïmplementeerd kan worden dat de keten verder gesloten kan worden en (illegale) lekken verder teruggedrongen kunnen worden.
Ik verwacht dat over circa een half jaar de ontwerpregelgeving de vaststellingsprocedure in gaat, waarbij is voorzien in een voorhangprocedure voor het Parlement.
Insecten als eiwitbron voor varkens- en kippenvoer |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wageningen: insecten als eiwitbron in varkens- en kippenvoer»?1
Ja.
Kunt u aangeven met welk bedrag het onderzoek naar de toepasbaarheid van insecten in veevoer gesubsidieerd is? Zo nee, waarom niet?
Het bedrag waarmee dit onderzoek is gesubsidieerd bedraagt € 40 000.
Kunt u aangeven wat de overwegingen waren om een voedingstoepassing, die wettelijk verboden is, te subsidiëren vooruitlopend op mogelijke wetgeving die nog volledig onzeker is? Zo nee, waarom niet?
Voorafgaand aan een pleidooi bij de Europese Commissie voor versoepeling van de bestaande regelgeving om de toepassing van insecteneiwit in diervoeders mogelijk te maken, is het nodig om te weten of insecteneiwit voldoet aan de eiwitbehoefte van landbouwhuisdieren en of schaalvergroting van insectenkweek financieel haalbaar is.
Kunt u aangeven of er een ethisch afwegingskader gevormd is rond het verveelvoudigen van het aantal dieren dat gedood wordt ten behoeve de intensieve veehouderij? Zo nee, waarom niet en waarom meende u zonder een dergelijk ethisch afwegingskader dit onderzoek al te moeten financieren? Zo ja, kunt u dat delen met de Kamer?
In de Kamerstukken inzake de Wet dieren2 zijn alle relevante belangen beschreven die bij een ethische afweging moeten worden betrokken. Het onderzoek strekt er onder meer toe de economische en nutritionele haalbaarheid in beeld te brengen van het kweken van insecten ten behoeve van de productie van diervoedergrondstof. Nu de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, en deze dierhouderij voldoende toekomstperspectieven lijkt te hebben, zullen de vervolgstappen, waaronder het doorlopen van het ethisch afwegingskader, verder worden bezien.
Kunt u aangeven of er onderzoek is gedaan naar het maatschappelijk draagvlak voor het doden van miljarden extra dieren ten behoeve van de veehouderij? Zo nee, waarom niet en waarom meende u zonder inzicht in het maatschappelijk draagvlak dit onderzoek al te moeten financieren? Zo ja, kunt u dat delen met de Kamer?
Dergelijk onderzoek is niet gedaan. Er bestaat, in het licht van dreigende voedseltekorten in de toekomst, een algemene maatschappelijke wens en noodzaak te komen tot voldoende en duurzame voedselproductie. Ook voor dit aspect zullen de vervolgstappen nader worden bezien.
Kunt u aangeven hoe de inspanningen om te komen tot nieuwe dierlijke voedselbronnen zich verhouden tot het voornemen te komen tot een transitie naar een meer plantaardige productie en consumptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven hoeveel subsidie in 2011 en 2012 ten goede is gekomen aan de ontwikkeling van nieuw plantaardig voedsel en hoeveel aan die van nieuw dierlijk voedsel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de eerdere antwoorden dit jaar op uw Kamervragen over de subsidiëring van onderzoek naar het eten van insecten (vergaderjaar 2011–2012, nr. 1713).
Bent u bereid de wetgeving op het gebied van het gebruik van dierlijke eiwitten in veevoer aan te passen door bijvoorbeeld de positieflijst zoogdieren uit te breiden met een positieflijst voor andere diersoorten, zoals insecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, ik ben niet voornemens de positieflijst van dieren die gehouden mogen worden thans uit te breiden. Het is steeds de bedoeling geweest om met de positieflijst voor zoogdieren ervaring op te doen alvorens de positieflijst uit te breiden met andere dierklassen, zoals vogels.
Daarmee ontken ik niet de intrinsieke waarde van insecten, noch ontken ik het belang van een zorgvuldig houderijsysteem en doding die tegemoet komt aan de welzijnsbeleving van insecten. Het is aannemelijk dat de welzijnseisen van insecten op een lager niveau ligt dan die van zoogdieren, nog afgezien van het feit dat dit moeilijk meetbaar is.
Deelt u de mening van de Wageningse onderzoekers dat er in de Wet dieren, die op 1 januari a.s. in werking zal treden, rekening moet worden gehouden met de kweek van insecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een voorstel tot wijziging van de Wet dieren in te dienen en op welke termijn?
De Wet dieren voorziet – evenals de huidige Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) – in de mogelijkheid om dieren aan te wijzen die voor productie van die dieren afkomstige producten mogen worden gehouden. Een aantal insecten staat op dit moment al op de GWWD-lijst voor het houden van dieren voor productiedoeleinden. Deze lijst zal onder de Wet dieren worden gecontinueerd. Uitbreiding van de lijst kan aan de orde zijn indien het doorlopen van het ethisch afwegingskader dit rechtvaardigt. Daarvoor is geen wetswijziging nodig.
Baby Donna |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel over baby Donna en de op handen zijnde uitspraak van de Belgische rechter?1
Is een dergelijk drama, zoals rond baby Donna in 2005, op dit moment nog mogelijk in Nederland? Zo ja, welke beleidsregels zouden een dergelijke zaak tegenwoordig onmogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat dit drama voor baby Donna hopelijk vandaag tot een eind zal komen? Zal de uitspraak van de Belgische rechter consequenties hebben voor baby Donna, ervan uitgaande dat u op de hoogte bent van de uitspraak? Zo ja, welke?
Hoe vaak is er de afgelopen tien jaar gebruik gemaakt van het draagmoederschap? Hoe vaak heeft dat geleid tot problemen vergelijkbaar met het drama rond baby Donna? Hebt u inzicht in hoe draagmoederschap in andere Europese landen is geregeld? Zo ja, is de regelgeving wezenlijk anders met de regelgeving in Nederland?
Is er op Europees niveau de afgelopen jaren gesproken over draagmoederschap? Zo ja, wat is er besproken en afgesproken in Europees verband over draagmoederschap?
Als dit onderwerp niet op de Europese agenda heeft gestaan, bent u van mening dat dit, gezien het grensoverschrijdend karakter, op de Europese of internationale agenda geplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te bereiken?
Het onderwerp draagmoederschap heeft internationaal de aandacht. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 16 december 2011, beraadt de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht zich op de mogelijkheid en wenselijkheid van een mondiaal verdrag op het terrein van draagmoederschap. In dit kader heeft het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie in april 2012 het mandaat gekregen om informatie over de aard en omvang van internationaal draagmoederschap en de problemen die hieruit voortkomen te verzamelen.
De eventuele totstandkoming van een verdrag op het terrein van draagmoederschap zal veel tijd in beslag nemen. Ik acht het wenselijk en noodzakelijk om eerder maatregelen te treffen om de praktische knelpunten op het gebied van interlandelijk commercieel draagmoederschap zoveel mogelijk op te lossen. Voor de voorgestelde maatregelen verwijs ik u naar mijn brief van 16 december 2011.
Is (aanvullende) nationale of Europese regelgeving nodig om draagmoederschap beter te stroomlijnen en kinderhandel te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat moet er veranderen en hoe gaat dat ze beslag krijgen?
Zie antwoord vraag 6.
De toegang van de VS tot data in de cloud |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Was u reeds voor het gepubliceerde onderzoek naar de toegang van de Verenigde Staten (VS) tot gegevens van gebruikers wereldwijd die in de cloud worden bewaard op de hoogte van (een deel van) de uit het onderzoek gebleken feiten?1 Zo ja, welke rol hebt u in Nederland en de Europese Unie (EU) gespeeld om deze situatie te voorkomen of ongedaan te maken dan wel burgers, overheden en bedrijven in ons land van deze situatie op de hoogte te stellen? Zo nee, wat is uw reactie op deze feiten?
Het onderzoek «Cloud diensten in hoger onderwijs en onderzoek en de USA Patriot Act» van de Universiteit van Amsterdam bevat een analyse van de Amerikaanse wetgeving die de mogelijkheid biedt om gegevens te vorderen en het niveau van gegevensbescherming in de Verenigde Staten, alsook enkele conclusies die de onderzoekers trekken ten aanzien van het beschermingsniveau van gegevens die door de universiteit in het kader van onderwijs en onderzoek worden verzameld en met behulp van clouddiensten worden verwerkt. Deze analyse bevat geen wezenlijk nieuwe inzichten. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de antwoorden op eerdere Kamervragen over Amerikaanse wetgeving in relatie tot Europese persoonsgegevens (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nrs. 2318 en 2710, en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3514). In deze eerdere antwoorden is onderkend dat niet kan worden uitgesloten dat de Amerikaanse autoriteiten onder omstandigheden de beschikking kunnen krijgen over persoonsgegevens die worden verwerkt door bedrijven, indien het Amerikaanse recht aanknopingspunten biedt voor de toepassing van, bijvoorbeeld, strafvorderlijke bevoegdheden. Het onderzoek van de UvA beoogt de gevolgen hiervan voor de eigen organisatie in kaart te brengen. Ik acht het primair een zaak van eigen verantwoordelijkheid van degene die gegevens (doet) verwerken bij een bedrijf dat (ook) in de Verenigde Staten actief is om zich op de hoogte te stellen van de consequenties daarvan. Daarbij kan de «zienswijze» over cloud computing, die het College bescherming persoonsgegevens in september 2012 op haar website heeft gepubliceerd, behulpzaam zijn.
Zijn ook gegevens die van rechtswege beschermd of geheim zijn (bijvoorbeeld zaken welke geoctrooieerd zijn, medische gegevens, gegevens waarmee de veiligheid van ons land is gemoeid zoals informatie van overheden of overheidsdiensten) op deze wijze toegankelijk voor de VS?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven is het bekend dat de Amerikaanse overheid op grond van de nationale wetgeving over bevoegdheden beschikt die onder omstandigheden kunnen worden gebruikt om gegevens te vorderen, ook wanneer die gegevens worden verwerkt met behulp van clouddiensten. Een ieder die voor de verwerking van gegevens gebruik maakt van cloudddiensten bij aanbieders die (ook) in de Verenigde Staten actief zijn moet zich bewust zijn van de juridische consequenties daarvan. Dat geldt zeker ook wanneer die gegevens een bepaald beschermingsniveau genieten. Artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) legt de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de omstandigheden waaronder gegevens naar een derde land kunnen worden doorgegeven in de eerste plaaats bij de voor de verwerking verantwoordelijke. Ik ga ervan uit dat die instanties met het voorgaande bekend zijn, en zie geen aanleiding om hier ontradend op te treden.
Leidt deze situatie tot een overschrijding van de Nederlandse wet? Hebt u een idee van de mate waarin gegevens van Nederlandse burgers, overheden en bedrijven reeds in bezit zijn gekomen van de VS? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
Bedrijven die persoonsgegevens verwerken via clouddiensten van aanbieders die (ook) in de Verenigde Staten actief zijn, dienen erop bedacht te zijn dat in geval van vordering van gegeven, verstrekking daarvan dient te voldoen aan de eisen die de Wbp stelt aan de verstrekking van gegevens aan derde landen waar naar Europees recht geen passend niveau van gegevensbescherming bestaat. De Wbp biedt voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dergelijke landen een aantal mogelijke rechtvaardigingsgronden. Mij is uit berichten in de media bekend dat er een gering aantal gevallen is geweest waarin bedrijven zijn geconfronteerd met vorderingen van de Amerikaanse autoriteiten tot verstrekking van gegevens.
Acht u de situatie in algemene zin onwenselijk? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om een einde te maken aan deze situatie?
De kern van de onderhavige problematiek is dat bedrijven als gevolg van de extraterritoriale werking van de wetgeving van een vreemd land geconfronteerd kunnen worden met conflicterende verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van persoonsgegevens. Ik acht dit een onwenselijke situatie. Dit probleem is bij de Europese Unie bekend, en het voorstel voor een Algemene verordening gegevensbescherming poogt daarvoor een oplossing aan te reiken. Dit voorstel is thans voorwerp van onderhandeling in Brussel. Ik heb uw Kamer in een Algemeen Overleg op 7 maart 2012 toegezegd haar uitgebreid te informeren over de stand van de onderhandelingen. Dat zal ook gebeuren ten aanzien van dit onderwerp. Ik heb mijn zorgen bovendien onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie. De Commissie heeft mij daarbij opnieuw bevestigd dat dit punt haar aandacht heeft.
Indien de situatie niet binnen afzienbare tijd verandert, meent u dat de Nederlandse overheid het gebruik van de cloud moet gaan ontraden aan personen, overheden en bedrijven welke niet willen dat informatie bekend wordt bij de VS of wilt u mogelijk zelfs nog verder gaan door het gebruik van clouddiensten geheel af te raden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u al in overleg getreden met uw Amerikaanse en Brusselse collega's over deze zaak? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderhoud nauwgezet te informeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u het Nationaal Cyber Security Centrum verzoeken te rapporteren over de juridische zaken, privacy- en veiligheidskwesties waarbij, bij het gebruik van clouddiensten in het algemeen en buitenlandse in het bijzonder, problemen kunnen ontstaan?
Ik acht dit geen taak voor het Nationaal Cyber Security Centrum.
Schutterijen die aanlopen tegen knelpunten in de wapenwet- en regelgeving |
|
Peter Oskam (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging1 dat u opnieuw zult kijken naar de Circulaire wapens en munitie 2005 (Cwm) om te bezien of schutterijen een eigen regelgeving zouden moeten krijgen?
Ja.
Is het waar dat aan deze toezegging gevolg is gegeven door middel van het project evaluatie en aanpassing van de Circulaire wapens en munitie 2005 (Cwm 2005)? Klopt het dat een aantal belanghebbende organisaties, waaronder diverse schutterijen, bij deze evaluatie zijn betrokken en dat zij knelpunten uit de praktijk naar voren mochten brengen?
De evaluatie van de Circulaire wapens en munitie 2005 (Cwm 2005) heeft plaatsgevonden voordat ik de betreffende toezegging deed.
In 2010 en 2011 is bezien of de schutterijen eigen regelgeving zouden moeten krijgen. Dit punt is onder andere meegenomen in de evaluatie van de Cwm. Bij deze evaluatie hebben verschillende partijen, waaronder de schutterijen, input geleverd over knelpunten in de Cwm 2005 en over verbeteringen. Tijdens en na de evaluatie hebben gesprekken met vertegenwoordigers van de schutterijen plaatsgevonden.
Is het waar dat hierop in ieder geval door de Oud Limburgse Schuttersfederatie (OLS) is gereageerd? Zo ja, kunt u duidelijk maken wat er met haar inbreng is gedaan?
Het klopt dat ook de Oud Limburgse Schuttersfederatie (OLS) input heeft geleverd. De Cwm 2005 is in januari 2012 vervangen door de Circulaire wapens en munitie 2012. Deze circulaire is vervolgens in oktober 2012 vervangen door de Circulaire Wapens en Munitie 2012 II (Cwm 2012 II). Daarbij is geen wijziging aangebracht ten aanzien van de positie van schutterijen.
Bent u ermee bekend dat de OLS in de praktijk nog steeds tegen problemen aanloopt, waaronder in ieder geval de onder de vragen 5 t/m 9 bedoelde problemen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 5 tot en met 9.
Bent u ermee bekend dat binnen het schutterijwezen het dragen van categorie III- (onklaar gemaakt) en IV-wapens tijdens exercitiewedstrijden en het oefenen hiervoor problematisch is, in die zin dat voor het meevoeren in optochten in artikel 31 van de Regeling wapens en munitie (Rwm) een vrijstelling verleend is, maar dat voor het dragen tijdens de exercitie en het oefenen buiten de optocht geen vrijstelling geldt?
Ja. Ik zal bezien of de wet- en regelgeving op dit punt aanpassing behoeft.
Bent u ermee bekend dat het steeds moeilijker is om historisch verantwoorde wapens te vinden die bij de uniformen van de schutterijen passen? Bent u ermee bekend dat er wel nabootsingen op de markt zijn, maar dat het voorhanden hebben daarvan valt onder artikel 2, eerste lid, cat. I sub 7 van de Wwm (voor be- of afdreiging geschikt), en is verboden in artikel 13 van de Wwm? Klopt het dat voor dit verbod nauwelijks ontheffingen worden verleend?
Ik ben daarmee bekend.
In het afgelopen jaar is 1 ontheffingsverzoek gedaan dat op categorie I, onder 7, Wwm wapens ziet. Dit verzoek is afgewezen.
Bent u ermee bekend dat er onduidelijkheden zijn over het sponsorschieten (waarbij personen die, omdat zij door sponsoring de schutterij mede mogelijk maken, onder toezicht en leiding van een buksmeester een aantal schoten met de schuttersbuksen mogen lossen op traditionele doelen), in die zin dat sponsorschieten ingevolge art. 2.2.5 Cwm mogelijk zou moeten zijn onder de noemer promotieactiviteiten, maar dat niet ieder politiekorps hier op dezelfde manier mee omgaat?
Ik ben bekend met de genoemde gebruiken. Naar aanleiding van deze vragen zal ik de introducéregeling in onderdeel B, 2.2.5. van de Cwm 2012 II bezien. Waar nodig zal dat tot aanpassing van de wet- en regelgeving leiden.
Bent u ermee bekend dat het bij schutterijen traditie is om kinderen onder de achttien jaar bekend te maken met het schuttersgebeuren, ook om jeugdleden te werven, om zo het voortbestaan van de schutterijen te verzekeren? Bent u ermee bekend dat deze kinderen onder directe leiding en toezicht van een buksmeester (wapenbeheerder) met een luchtdrukgeweer op traditionele wijze op de daarvoor aangewezen doelen schieten? Bent u ermee bekend dat volgens uw ministerie het schieten onder onmiddellijk toezicht en onder onmiddellijke leiding van een wapenbeheerder valt onder het begrip «overdragen», als bedoeld in artikel 1, sub 11 van de Wwm, maar dat de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA) daar anders over denkt en dat ook uit de toelichting op de Cwm anders blijkt? Bent u ermee bekend dat, mocht bovenvermelde handeling onder het begrip «overdragen» vallen, het voor schutterijen onmogelijk zou zijn om bedoelde traditie te handhaven en de jeugd te interesseren voor het historisch schieten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat de buksmeesters (verlofhouders) ingevolge de Cwm in bezit moeten zijn van een KNSAâ€licentie, en dat zij, om deze te krijgen, verplicht lid moeten worden van de KNSA? Bent u ermee bekend dat, mede doordat schutterijen zich actief bezighouden met de wapenveiligheid, en zij zelf controleren of de buksmeester in bezit is van een Verklaring Omtrent het Gedrag, ook zelf licenties zouden kunnen uitschrijven? Deelt u de conclusie dat de verplichting om lid te worden van de KNSA om die reden kan vervallen?
Ik ben ermee bekend dat buksmeesters op grond van de Cwm 2012 II in bezit moeten zijn van een licentie van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA), dat zij daartoe lid moeten worden van de KNSA en dat schutterijen zich actief bezighouden met wapenveiligheid. De daaraan in de vraag verbonden conclusies dat schutterijen ook zelf licenties zouden kunnen uitschrijven en dan geen lid hoeven te worden van de KNSA, deel ik niet.
Bent u bereid de hierboven genoemde knelpunten zodanig aan te pakken dat zij naar tevredenheid van het schutterijwezen kunnen worden opgelost? Zo nee, kunt u duidelijk maken op welke punten u niet tegemoet kunt komen aan bedoelde wensen en waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de voorgaande vragen.
Marokkaanse gevangenen naar eigen land |
|
Lilian Helder (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Marokkaanse gevangenen naar eigen land»?1
Ja.
Deelt u de mening dat ook in Nederland een (te) groot deel van de gevangenen de Marokkaanse nationaliteit heeft?
Het percentage gedetineerden met de Marokkaanse nationaliteit bedroeg in 2011 en 2012 (tot 30 september jl.) ca. 5% van de totale instroom. Van de groep gedetineerden met de Marokkaanse nationaliteit die in 2012 is ingestroomd heeft 36% eveneens de Nederlandse nationaliteit, beschikt 1% naast de Marokkaanse nationaliteit tevens over een andere nationaliteit en heeft 63% alleen de Marokkaanse nationaliteit. Voor de totale instroom gedetineerden geldt aldus dat 3,15% alleen over de Marokkaanse nationaliteit beschikt.
Deelt u de mening dat gevangeniskosten hoog zijn en dat hierop bezuinigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt een zogeheten Interdepartementaal Beleidsonderzoek bij DJI uitgevoerd waarin de mogelijkheden worden onderzocht voor een hogere efficiency, met name op het gebied van huisvesting en personeel.
Deelt u de mening dat het goedkoper is voor de Nederlandse staat als mensen met een andere nationaliteit hun straf in eigen land uitzitten, zodat de Nederlandse belastingbetaler hier niet voor op hoeft te draaien? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen geldt dat het overdragen van de tenuitvoerlegging van straffen van gedetineerden met een andere nationaliteit aan een ander land goedkoper is dan tenuitvoerlegging van de straf in Nederland. Voor zover mogelijk gebeurt dit ook, bijvoorbeeld in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) naar landen waarmee Nederland een zogenoemde WOTS-relatie heeft. De betrokken gedetineerde dient dan in te stemmen met de overdracht van de strafuitvoering naar het land van herkomst.
Naast de WOTS is op 1 november jl. de Wet Wederzijdse Erkenning en Tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke Sancties (WETS) in werking getreden. Op grond hiervan kunnen EU-onderdanen verplicht worden overgedragen aan hun land van herkomst.
Deelt u de mening dat gevangenen met de Marokkaanse nationaliteit verplicht zouden moeten worden hun straf in Marokko uit te zitten?
Veroordeelden behoren hun straf in beginsel uit te zitten in het land van veroordeling, ongeacht hun nationaliteit. Daarop zijn twee uitzonderingen gemaakt: binnen de Europese Unie geldt op steeds meer terreinen het principe van wederzijdse erkenning, waarbij de EU als één rechtsruimte wordt beschouwd. Sinds 1 november 2012 is dit ook van toepassing op het uitvoeren van gerechtelijke vonnissen: de veroordeelde dient, op grond van de hierboven genoemde WETS, zijn vonnis onverkort uit te zitten in het EU-land van herkomst. De tweede uitzondering betreft de vrijwillige overbrenging naar het land van herkomst ten behoeve van de resocialisatie, wanneer met dat land een WOTS-relatie bestaat. Een dergelijke overbrenging behoeft niet alleen de instemming van de betrokken gedetineerde, maar ook van het ontvangende land. Dat ontvangende land kan niet gedwongen worden tot overneming.
Nederland en Marokko hebben al een bilateraal WOTS-verdrag gesloten. Op basis daarvan is vrijwillige overbrenging mogelijk voor Marokkaanse gedetineerden die niet tevens de Nederlandse nationaliteit hebben en niet in Nederland geworteld zijn.
Vanuit het ministerie van Veiligheid en Justitie zal worden geïnformeerd of er in hoeverre er mogelijkheden zijn om een bilaterale (aanvullende) overeenkomst te sluiten tussen Nederland en Marokko.
Bent u bereid om net als de Belgische minister van Justitie zo snel mogelijk een overeenkomst te sluiten met de Marokkaanse overheid, waardoor Marokkaanse gevangen hun straf in eigen land kunnen uitzitten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de (dubbele) nationaliteit van gevangenen te registreren? Zo nee, waarom niet?
Binnen het gevangeniswezen wordt de nationaliteit (ook de dubbele) van een gedetineerde standaard vastgelegd in het bronsysteem.
Het bericht dat illegaal afval dat door gemeenten wordt gedumpt |
|
Manon Fokke (PvdA) |
|
Joop Atsma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Afval illegaal «gedumpt» door overheid» en «Gadgetgekte is profijtelijk voor illegale handel Ghana»?1
Ja, die zijn mij bekend.
Is het waar dat grote hoeveelheden elektronische apparatuur «illegaal naar dubieuze sloopplaatsen in Afrika en China» verdwijnen? Zo ja, hoe kan dat en wat gaat u doen om dit tegen te gaan? Om welke hoeveelheden gaat het naar uw schatting? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Mij is niet bekend dat grote hoeveelheden elektronische apparatuur illegaal naar het buitenland worden verhandeld.
Indien gemeenten zelf een deel van hun elektronisch afval verhandelen, is er geen zicht op wat er met dit afval gebeurt, omdat het niet geregistreerd wordt. Recent onderzoek van producentenstichting Wecycle (www.wecycle.nl/futureflows) stelt dat ongeveer 3% van het afgedankte afval in de illegale export terecht zou kunnen komen. Dit is veel lager dan de in de Telegraaf genoemde 10–20%.
Mijn ministerie spant zich al jaren in om illegaal afvaltransport terug te dringen en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) onderhoudt contacten hierover met de autoriteiten van de belangrijke bestemmingslanden in Azië en Afrika.
Jaarlijks worden in Europa honderden illegale afvaltransporten tegengehouden2
waarvan een deel betrekking heeft op elektronica-afval. Hoe groot de stroom illegaal afval is, is niet aan te geven. Het gaat immers om een illegale stroom die zich onttrekt aan het zicht.
De (voorloper van de) ILT heeft de afgelopen tien jaren een groot aantal acties en interventies uitgevoerd in de inzamel- en verwerkingsketen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten. De aanpak en resultaten staan beschreven in het rapport «Evaluatie en vooruitblik ketenproject elektrische en elektronische apparaten 2010 – VROM-Inspectie». Dit rapport geeft een compleet overzicht van alle activiteiten en de resultaten van de afgelopen jaren.
De inspanningen richtten zich op meerdere schakels in de keten zoals milieustraten, kringloopwinkels, elektronica-winkels, handelaren, locaties waar containers worden geladen en exporteurs. Het evaluatierapport geeft aan «dat het Nederlandse aandeel in de hoeveelheid illegale geëxporteerde elektronica afval sinds 2008 afneemt. Aangezien de intensiteit van de handhaving in de havens in die jaren niet wezenlijk is veranderd, is dit een indicatie dat de handhavings-inspanningen gericht op het indammen van de stroom afgedankte elektronica uit Nederland vruchten beginnen af te werpen».
Ik beschik, vanuit de Europese regelgeving, over twee manieren om het probleem aan te pakken.
Samen met stakeholders (gemeenten, producenten,verwerkers en detaillisten) bekijk ik de komende periode hoe de richtlijn zodanig geïmplementeerd kan worden dat de keten verder gesloten kan worden en (illegale) lekken verder teruggedrongen kunnen worden.
Ik verwacht dat over circa een half jaar de ontwerpregelgeving de vaststellingsprocedure in gaat, waarbij is voorzien in een voorhangprocedure voor het Parlement.
Gaat er inderdaad afval, afkomstig van Nederlandse gemeenten, buiten de door de overheid erkende kanalen om, naar een illegaal circuit? Zo ja, kan dat strafbare feiten met zich meebrengen en welke zouden dat kunnen zijn? Waarom maken gemeenten gebruik van dat illegale circuit?
Gemeenten moeten hun afval afgeven aan inzamelaars die een vergunning hebben of op de lijst van inzamelaars (VIHB lijst) staan. Geven ze hun afval aan anderen af, dan is sprake van een illegale afgifte.
Bij apparatuur is niet zo zeer sprake van afgifte aan een illegaal circuit, maar van afgifte aan inzamelaars en verwerkers die geen onderdeel uitmaken van het Wecycle circuit (zie het antwoord op vraag 4).
Wat is de juridische status van het convenant over de inname en opslag van e-waste dat in 2011 door Wecycle en ICT~Milieu (namens de producenten en importeurs), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD) is afgesloten? Welke gemeenten komen dit convenant niet na en wat zijn de consequenties daarvan?
Hoeveel gemeenten hebben een contract met Wecycle voor het afnemen en verwerken van e-waste? Hoeveel gemeenten houden zich niet aan dat contract? Welke gevolgen kan het niet houden aan een dergelijk contract voor de desbetreffende gemeente hebben?
Wecycle heeft met 414 Nederlandse gemeenten een afgiftecontract afgesloten.
16% hiervan geven waardevol elektronica-afval met restwaarde af aan partijen buiten het Wecycle systeem, om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren.
Wecycle gaat binnenkort met deze gemeenten in gesprek. Indien zij zich niet aan het afgifteovereenkomst willen houden, zal Wecycle nadere stappen ondernemen.
Deelt u de mening dat, zelfs al zou het in formele zin niet strafbaar zijn, de overheid alleen al vanuit een voorbeeldfunctie geen medewerking zou moeten verlenen aan het verkopen van afval als dat tot gevolg heeft dan in andere landen kinderen onder gevaarlijke omstandigheden sloopwerkzaamheden moeten verrichten? Zo ja, hoe gaat u in overleg met de VNG een einde aan deze praktijken maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Ik wil de keten verder sluiten en meer zicht krijgen op de stromen, zodat bekend is waar deze blijven. Ik ga dat aanpakken bij de implementatie van de herziene Europese WEEE-richtlijn, die het afvalbeheer van elektr(on)ische apparatuur regelt. Nederland moet deze wijziging vóór 14 februari 2014 omzetten in nationale regelgeving.
Bij deze omzetting zal worden gekeken hoe de keten verder gesloten kan worden, zodat illegale lekken verder teruggedrongen kunnen worden. Ook een wijziging van de registratie, waardoor meer stromen in kaart worden gebracht, behoort tot de opties. Vanzelfsprekend ga ik, vóór dat er keuzes gemaakt worden, in overleg met de verschillende stakeholders, waaronder de VNG.
De tegemoetkoming van adoptiekosten |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief van 22 december 20111? Zo ja, klopt het dat de daarin genoemde tegemoetkoming in de adoptiekosten geldt voor de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013?
Ja. Het klopt dat de daarin genoemde tegemoetkoming in de adoptiekosten geldt voor de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013.
Bent u bereid om ook vanaf 1 januari 2013 de tegemoetkoming in de adoptiekosten te effectueren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden wordt deze tegemoetkoming voortgezet? Wat vindt u er bijvoorbeeld van om deze tegemoetkoming afhankelijk te stellen van het genoten inkomen?
In mijn brief van 4 oktober 20122 ben ik ingegaan op de toezegging die ik tijdens het overleg van 19 april 2012 met uw Kamer heb gedaan. In aanloop naar het overleg van 19 april 2012 heb ik bij brief van 13 maart 20123 aangegeven dat ik oog heb voor de kosten die interlandelijke adoptie met zich mee brengen. Echter, gezien de huidige economische situatie en de daarbij behorende bezuinigingsopdracht, vind ik het niet verantwoord om met een alternatief te komen voor adoptieouders voor de periode na 1 januari 2013.
De onveilige situaties als gevolg van de inzet van niet gekwalificeerde Poolse en Hongaarse chauffeurs bij transport van gevaarlijke stoffen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van ZEMBLA over het transport van gevaarlijke stoffen door niet- of onvoldoende gekwalificeerde chauffeurs uit Hongarije en Polen?1 Was u al bekend met dit verschijnsel? Zo ja, welke pogingen hebt u reeds ondernomen om deze gevaarlijke situatie te stoppen? Zo nee, welke middelen gaat u nu inzetten tegen deze ontoelaatbare en gevaarlijke ontwikkelingen?
Ja. Binnen de EU erkennen landen elkaars certificaten en vertrouwen ze op elkaars toezicht op de opleidingseisen. Toezicht op eventuele fraude ligt bij het land van herkomst. In Nederland controleert de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op de aanwezigheid van het ADR-certificaat bij zowel Nederlandse als buitenlandse chauffeurs. Signalen van fraude met certificaten had de ILT tot nu toe niet. Zodra de ILT dergelijke signalen ontvangt, zal zij deze direct doorgeven aan het land van herkomst.
Ik ben ook bereid deze kwestie bij de betrokken lidstaten en de Europese Commissie aan de orde te stellen. Als inderdaad sprake is van grootschalig misbruik van certificaten in bepaalde landen, is het waarschijnlijk dat meer landen hiermee worden geconfronteerd.
Wat vindt u ervan dat buitenlandse chauffeurs zogenaamd «gecertificeerd» zijn, terwijl deze chauffeurs de certificaten voor 70 euro in Polen kopen, zonder dat ze de opleiding die voor het certificaat nodig is, hebben gevolgd? Hoe gaat u de controle hierop aanscherpen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat chauffeurs over een certificaat kunnen beschikken bij het vervoer van gevaarlijke stoffen, zonder daarvoor de juiste opleiding te hebben gevolgd. Dit is in strijd met Europese regelgeving.
De aanwezigheid van een ADR-certificaat is één van de ongeveer twintig punten die door de Inspectie Leefomgeving en Transport worden gecontroleerd bij de controles op het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de afgelopen jaren bleek bij 3 000 controles per jaar slechts incidenteel een chauffeur geen certificaat te hebben.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Wat vindt u ervan dat in Nederland de inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) deze misstanden onderkennen, maar daar niet keihard tegen optreden? Wat zegt dat volgens u over de effectiviteit van de ILT?
De ILT treedt bij het constateren van overtredingen consequent op. Aan ieder type overtreding is een boetebedrag gekoppeld, dat wordt verhoogd als sprake is van herhaling. De boetebedragen variëren van enkele honderden euro’s tot meerdere duizenden euro’s per overtreding. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 ligt het toezicht op de opleiding van chauffeurs in land van herkomst en ben ik bereid dit punt onder Europese aandacht te brengen. Het beeld dat door inspecteurs van de ILT niet wordt opgetreden tegen geconstateerde overtredingen, herken ik evenwel niet.
Wat vindt u ervan dat ILT inspecteurs slechts 1% van alle transporten kunnen controleren?
De ILT doet jaarlijks 16 000 weginspecties, waarvan 3 000 specifiek gericht op gevaarlijke stoffen. Het toezicht van de ILT is selectief en gebaseerd op risicoanalyses, waardoor de pakkans van overtreders wordt vergroot.
Het controleren van transporten op de weg is één van de onderdelen van het toezicht van de ILT. De inspectie handhaaft de naleving van wet- en regelgeving daarnaast door middel van ruim 300 bedrijfsinspecties en het geven van voorlichting over wettelijke eisen. Ik ben van mening dat de ILT haar toezicht op deze wijze goed uitvoert.
Wat vindt u ervan,dat de ILT hoopt dat er een ramp met een LPG wagen ontstaat, zodat er eindelijk prioriteit kan worden gegeven aan de risico's bij transport van gevaarlijke stoffen?
Elke inspecteur met hart voor zijn werk heeft wel eens het gevoel dat zijn armen te kort zijn. De ILT laat haar aanpak echter niet door incidenten sturen maar baseert haar toezicht op risicoanalyses. De signalen uit de uitzending worden nader bezien op consequenties en waar mogelijk betrokken bij verdere controles. In algemene zin is er op dit moment geen aanleiding om de werkwijze van de inspectie te wijzigen.
Welke acties hebt u ondernomen na de ZEMBLA uitzending?
Zie het antwoord op vraag 5.
Zijn de genoemde bedrijven in de ZEMBLA uitzending uitzonderingen in de manier waarop ze met de regels en voorschriften omgaan? Hoe weet u dat zeker?
De Inspectie SZW en de ILT onderzoeken dit jaar bij 20 transportbedrijven of sprake is van overtredingen als onderbetaling, illegale tewerkstelling via constructies, misbruik van de cabotageregeling en het voeren van dubbele administraties. Het onderzoek loopt tot eind dit jaar. Ik zal met mijn collega van SZW overleggen op welke wijze de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd.
De ontvoering van de Nederlandse fotojournalist Jeroen Oerlemans |
|
Raymond Knops (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de arrestatie van twee Britse burgers in verband met mogelijke betrokkenheid bij de ontvoering van de Nederlandse fotojournalist Jeroen Oerlemans?1
Ja.
Is er contact geweest tussen de Nederlandse en de Britse overheden over deze arrestatie en eventuele vervolgstappen die hieruit voort kunnen vloeien?
De dienst Nationale Recherche heeft na de ontvoering de aangifte en een verklaring van de heer Oerlemans opgenomen en verder onderzoek verricht. Bij de ontvoering was ook een Brits slachtoffer betrokken. De Britse politie is daarom ook een opsporingsonderzoek gestart. In verband hiermee is er contact geweest tussen de Nederlandse en de Britse opsporingsdiensten, waarbij informatie is uitgewisseld en afstemming heeft plaatsgevonden over de te nemen vervolgstappen. In onderling overleg is besloten om de resultaten van het Nederlandse onderzoek ter beschikking te stellen aan de Engelse autoriteiten en de resultaten van het Britse onderzoek af te wachten omdat dit meer aanknopingspunten biedt. De heer Oerlemans is hiervan op de hoogte gesteld.
Wat kunt u zeggen over de betrokkenheid van het gearresteerde tweetal bij de ontvoering van Oerlemans?
Aangezien de aanhoudingen hebben plaatsgevonden op verzoek van de Britse autoriteiten en het onderzoek aldaar nog loopt kan ik hierover geen mededelingen doen.
Is er inmiddels meer duidelijkheid over de betrokkenheid van de Turkse geheime dienst bij de vrijlating?2 Was er een verzoek tot geheimhouding tot de volgende dag, 27 juli, 12:00 van de Turkse geheime dienst? Zo ja, waarom had dit verzoek de Nederlandse overheid niet bereikt? Zo ja, waarom sprak u dan toch op 26 juli in Nieuwsuur over de vrijlating van Oerlemans?
Neen. Een dergelijk verzoek heeft de Nederlandse overheid niet ontvangen.
Is er voor het interview in Nieuwsuur contact geweest tussen Oerlemans en de Nederlandse overheid, zodat de vrijlating met zekerheid kon worden vastgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welk moment? Wat was de inhoud van dit contact?
Op het moment van de Nieuwsuur-uitzending was betrokkene op Turks grondgebied en niet meer in handen van de gijzelhouders. De uitspraak over zijn vrijlating is gedaan op basis van de op dat moment beschikbare openbare en vertrouwelijke bronnen van onder meer de Nederlandse ambassade in Ankara, alsmede nationale en internationale contacten.
Heeft er inmiddels een evaluatie plaatsgevonden naar aanleiding van de gebeurtenissen rond de vrijlating van Oerlemans? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de belangrijkste lessen en tot welke wijziging van beleid leiden deze?
Er zijn meerdere momenten na de ontvoeringszaak geweest waarop de gang van zaken in deze ontvoeringszaak is besproken. Dit heeft niet geleid tot wijziging in het beleid.
Over strengere eisen aan het midden- en kleinbedrijf (MKB) bij het verstrekken van kredieten |
|
Ronald Plasterk (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom is het verlenen van kredieten aan het MKB nu riskanter dan kredietverlening aan het grootbedrijf (GB) dan vóór de kredietcrisis van 2008?1
De rente op kredieten wordt in de markt bepaald. Feit is dat het MKB, door de bank genomen en ongeacht de stand van de conjunctuur, een hogere rente betaalt dan het GB. Hiervoor is een aantal belangrijke oorzaken: de relatief hoge transactiekosten van kleine kredieten, de informatie asymmetrie (minder informatie beschikbaar) bij de financiering van kleine bedrijven, de grotere deskundigheid van grotere bedrijven op financieel gebied, de grotere kwetsbaarheid van MKB bedrijven voor de uitval van personeel en voor het wegvallen van klanten en de lagere solvabiliteit van het MKB in combinatie met een beperkte toegang tot extern eigen vermogen.
Structureel zijn de risicoverschillen tussen het MKB en het grootbedrijf (GB) als gevolg van de crisis niet toegenomen. Mogelijke verklaringen van het toenemende verschil zijn dat het risico van kredietverlening aan het MKB is toegenomen door de verslechterde economische vooruitzichten. Daar het MKB meer op de Nederlandse markt gericht is kan het verschil in ontwikkeling van de vraag op de binnenlandse markt en bij export, die zich beter ontwikkelt, een rol spelen.
Doordat het MKB sowieso al kwetsbaarder is voor vraagschommelingen kan dit de oploop van het renteverschil verklaren. Dit is op zich een reële ontwikkeling. Daarnaast is van belang dat de toezichtsregels banken stimuleren om risico’s op financieringen, en de verschillen daarin, sterker dan voorheen in de rente te verwerken. Indien dat in het verleden onvoldoende geschiedde, leidt dat tot een algehele stijging van de risico-opslag, dus ongeacht het type onderneming, en tot een relatief sterkere stijging van de oplag bij kredieten aan het MKB.
Overigens blijkt uit cijfers van DNB dat hoewel het renteverschil oploopt, het tarief voor MKB (leningen van maximaal € 1 mln.) in absolute zin lager is dan voor de crisis en lager is dan het Europese gemiddelde. Voor het MKB is het absolute niveau van de rente van belang, niet het renteverschil tussen grote en kleine leningen.
Van de borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) kan gebruik worden gemaakt als de onderneming een gezond toekomstperspectief heeft, maar onvoldoende zekerheden om voor krediet in aanmerking te komen. Voor het MKB speelt financiering op basis van zekerheden in het algemeen een grote rol. Het risico van de onderneming neemt door de borgstelling niet af, alleen de dekkingspositie voor de kredietverstrekker verbetert voor het moment dat niet langer aan de betalingsverplichtingen kan worden voldaan.
Wat is uw reactie op het bericht dat het MKB een hogere rente moet betalen dan het grootbedrijf (GB)?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u tevens reageren op het bericht de Rabobank constateert dat het totale kredietvolume van MKB-bedrijven het afgelopen kwartaal is gedaald?2
In mijn brief van 31 mei jl. heb ik u een aantal rapporten toegestuurd over de ontwikkeling van de kredietverlening. Diverse indicatoren wijzen op het achterblijven van de vraag in vergelijking met voorgaande perioden. Er is geconstateerd dat het niveau van kredietverlening in Nederland voor het bedrijfsleven als geheel, maar ook voor het grootste deel van het MKB, gemiddeld redelijk in stand is gebleven. Wel zijn leningen en rekening courant krediet van minder dan € 250 000 teruggelopen. Er is sprake van een dalende behoefte aan financiering en er is een oplopend percentage aan bedrijven dat in de monitor aangeeft de externe financiering niet te kunnen realiseren, met als belangrijkste reden een te hoog risicoprofiel in de ogen van banken. Het bericht van Rabobank lijkt te indiceren dat de hiervoor genoemde ontwikkelingen doorzetten.
Eind van dit jaar zal ik u een nieuwe financieringsmonitor aanbieden, welke verder licht zal werpen op de ontwikkelingen omtrent kredietverlening aan het bedrijfsleven.
In hoeverre is kredietverlening aan het MKB riskanter dan aan grote ondernemingen, gegeven het bestaan van garanties als de Borgstellingsregeling MKB?
Zie antwoord vraag 1.
Is het, volgens de banken, toegenomen risico om krediet te verstrekken aan het MKB reëel? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de zorgen van de president van de Nederlandse Bank (DNB) dat deze trend ongewenst is? Zo nee waarom niet?
In het Overzicht Financiële Stabiliteit van DNB wordt gesteld dat banken een prikkel kunnen hebben om de kredietvraag niet te accommoderen, om op die manier hun kapitaalratio te verbeteren. Wanneer de kredietvraag weer aantrekt, zou dit de economische groei kunnen remmen. Dat is ongewenst. Diverse indicatoren wijzen op dit moment echter op het achterblijven van de kredietvraag. Gezien de onzekere economische vooruitzichten is dat niet onlogisch.
Deelt u de mening dat het voornemen van de banken om de leencriteria aan het MKB flink te verscherpen op termijn funest is voor de innovatie en werkgelegenheid? Zo nee, waarom niet?
Aangescherpte leencriteria kunnen innovatiemogelijkheden remmen. Hierbij moet worden aangetekend dat de aangescherpte criteria deels een weergave zijn van de nieuwe economische realiteit: kredieten zullen minder makkelijk worden verstrekt dan in de periode voor 2008. Gegeven de risico’s die banken op deze «makkelijke» kredieten bleken te lopen tijdens de crisis is het economisch verstandig dat banken hier terughoudender in zijn geworden. Wel is het belangrijk ervoor te zorgen dat goede bedrijfsplannen nog steeds voldoende financiering krijgen. Uit diverse indicatoren blijkt gelukkig dat de kredietverlening aan het MKB tot nu toe gemiddeld redelijk op peil is gebleven en de rente lager ligt dan voor de crisis. Wel is het zo dat uit studies naar voren komt dat het MKB een minder breed palet aan financieringsopties heeft dan het grootbedrijf. Inmiddels is een groot aantal initiatieven in ontwikkeling of tot stand gekomen, die deze lacunes op de financieringsmarkt, met name voor het MKB, willen opvullen. Het financieringsinstrumentarium van mijn ministerie is daarnaast primair op het MKB gericht.
In hoeverre worden alternatieve manieren van financiering (Kredietunies, achtergestelde leningen voor het MKB (het Nederlandse MKB Fonds, NMF), crowdfunding, Nederlandse Participatie Exchange (NPEX) en Nationale Investeringsbank, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, investeringsfondsen van pensioenfondsen) toegepast dan wel overwogen als instrument om de kredietverlening aan het MKB te versterken?
Sinds het advies van de expertgroep bedrijfsfinanciering (Cie. De Swaan) worden alternatieve vormen van financiering actief onderzocht en gestimuleerd. Zo heb ik een startkrediet verstrekt voor het opzetten van enkele pilots met Kredietunies, bezie ik samen met mijn ambtgenoot van Financiën, de toezichthouders en initiatiefnemers op welke wijze Kredietunies kunnen worden ingepast in het huidige toezichtskader, heb ik ronde tafelgesprekken tussen crowdfundingplatforms en toezichthouders georganiseerd en zal ik binnenkort op dit gebied een onderzoek starten naar ontwikkelingen en samenwerkingsmogelijkheden, en is sinds 19 oktober de borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) opengesteld voor niet-banken. Daarnaast overleggen mijn medewerkers regelmatig met nieuwe initiatieven, waarvan een aantal in uw vraag genoemd, waarbij deze geïnformeerd worden over de ontwikkelingen ten aanzien van MKB financiering, bestaande stimuleringsmaatregelen en samenwerkingsmogelijkheden.
Hoeveel krediet is inmiddels verstrekt door het Innovatiefonds MKB+ sinds de start op 1 januari 2012?
Vanuit het InnovatiefondsMKB+ zijn sinds 1 januari vijf nieuwe investeringsfondsen gefinancierd met in totaal € 16 mln. en is € 24 mln. direct geïnvesteerd in innovatieve ondernemingen. Daar bovenop wordt verwacht dat dit jaar vanuit innovatieve ondernemingen ongeveer € 60 mln. aan financiering zal worden gevraagd, waarvan nu ongeveer € 40 mln. al in behandeling is bij het Agentschap NL.
Kunt u een overzicht geven van de verstrekte kredieten en projecten die worden ondersteund door het Innovatiefonds MKB+?
Ja, in onderstaande tabel staat een overzicht van de financieringen vanuit het InnovatiefondsMKB+ in 2012.
Naam fonds
Doelgroep van het investeringsfonds
5square Seed Fund I B.V.
Technologische, innovatieve of creatieve ondernemingen jonger dan vijf jaar. Focus op de sectoren: informatietechnologie, financiële dienstverlening, educatie, IT-portals, social media en entertainment.
Zeeuws Investeringsfonds B.V.
Er is geen specifieke sectorfocus, maar geografisch ligt de primaire focus op de regio Scheldemonde (Zeeland, Brabant, Zuid-Holland en Vlaanderen) met specifiek aandacht voor Zeeland.
Enabling Technology Fund BV i.o.
Vroege fase ondernemingen in de sectoren: mobiel, cloud/SaaS, convergentie en nieuwe media.
TIIN TechFund 3 BV
Vroege fase technologiebedrijven met als focus ICT (incl. nano/micro systeem technologie), medische technologie en innovatieve maakindustrie.
Holland Venture Zorg Innovaties I BV
Innovatieve MKB-ondernemingen die nog in de beginfase van ontwikkeling verkeren, actief zijn binnen de zorgsector (innovatieve behandelmethoden, – hulpmiddelen en -processen) en een aanzienlijke groeipotentie kennen.
Naam onderneming
Naam innovatieproject
Omschrijving innovatieproject
Aeon Astron Europe BV
Artificial biocornea
Biotech bedrijf dat nieuwe innovatieve producten ontwikkelt op het gebied van weefselregeneratie. Het gaat nu vooral om producten op het gebied van oogheelkunde, zoals een kunstmatig hoornvlies (biocornea) en een biolens.
Xenikos B.V.
T-Guard, resetting the immune system
Biotech bedrijf dat een experimenteel medicijn ontwikkelt gebaseerd op de werking van antilichamen. Het medicijn kan het immuunsysteem van patiënten «resetten» door snel en efficiënt ongewenste T-cellen te vernietigen.
To-BBB Technologies BV
Brain-targeted anti-inflammatory therapy for Multiple Sclerosis
To-BBB ontwikkelt innovatieve drug delivery technologie voor hersenaandoeningen.
Mapper Lithography Holding B.V.
Development of the Matrix 1.1: Imaging
Mapper ontwikkelt een volgende generatie lithografiemachine op basis van parallelle elektronenbundels voor het produceren van halfgeleiders zonder hulp van een masker.
AM- Pharma Holding B.V. verh.
Verhoging
AM-Pharma is een biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op de preklinische en klinische ontwikkeling van alkalische fosfatase voor de behandeling van ernstige aandoeningen waarbij ontsteking een belangrijke rol speelt.
Fysicon Groep B.V.
QynetiQ CompaQt
Fysicon ontwikkelt hard- en software voor medische apparatuur. QynetiQ is een hemodynamisch meetsysteem.
AlcmAir
A step beyond healing limits «VitaQ"
Het medische technologie bedrijf AlcmAir Partners ontwikkelt de VitaQ, een nieuwe generatie anesthesie en beademingsapparatuur. Deze ontwikkeling geeft de arts veel meer controle (zuurstofverbruik patiënt en onbloedige hartfunctiemeting) over de interacties tijdens operaties en op de intensive care afdeling, waardoor de patiënt veel nauwkeuriger beademd of onder narcose gebracht kan worden.
NDF Special Light Products Bv
Color conversion by remote phosphor
NDF ontwikkelt een backlicht voor LED beeldschermen voor mission-critial applicaties.
Innoluce B.V.
Engineering pilot voor de laserprintermarkt
Innoluce ontwikkelt MEMS voor toepassing in laserprinters.
OLED technologies and Solutions B.V.
The development of advanced materials: Making an Organic Light Emitting Diode Stack
OLED ontwikkelt een innovatief productieproces om met inktjetprinten OLED beeldschermen te maken.
Simax
LED Stepper
Simax levert een compleet pakket van ontwikkelings- en ondersteuningsdiensten aan gebruikers van machines voor het produceren van halfgeleiders en helpt klanten hun lithografische productie-uitrusting te optimaliseren.
NEO BV
Satsignals
NEO levert informatie op basis van satelliet- en luchtfoto's en ontwikkeld software voor het geautomatiseerd detecteren van wijzigingen.
Femtogrid Energy Solutions B.V.
Femtogrid Solar System
Femtogrid ontwikkelt energie-efficiënte beheersystemen.
ORCA Therapeutics
CLinical Development an effective oncolytic andenovirus
ORCA Therapeutics BV is een biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op de ontwikkeling van nieuwe anti-kanker behandelingen met oncolytische replicatiecompetente middelen.
Vijf ondernemingen
Informatie is binnenkort publiceerbaar.
Op welke manier kan het Innovatiefonds MKB+ volgens u worden omgevormd tot een Nationale Investeringsbank, zoals bedoeld in het verkiezingsprogramma van de PvdA?
Een besluit hiertoe is aan een volgend kabinet. Ik zal me beperken tot de technische mogelijkheden. Het oprichten van een nieuwe institutie is vanzelfsprekend mogelijk, maar zal wel tijd kosten om dit te implementeren. Wanneer gehecht wordt aan een snellere oplossing kan dit gevonden worden in het aanpassen van het bestaande instrumentarium. Het bestaande instrumentarium omvat reeds een garantieregeling (Groeifaciliteit), die hetzelfde doel heeft als de garantieregeling Bijzondere Financiering, op basis waarvan de NIB destijds risicokapitaal in de vorm van achtergestelde leningen verstrekte. Daarnaast is het Innovatiefonds MKB+ beschikbaar. Dit fonds richt zich nu op risicokapitaal voor innovatieve bedrijven. Het toevoegen van risicokapitaal voor niet innovatieve bedrijven is in technische zin mogelijk.
Kunt u een overzicht geven van alle bestaande instrumenten en alle instrumenten die worden overwogen of voorbereid?
In de benuttingsrapportage die ik halfjaarlijks de Tweede Kamer aanbied3 zijn de EL&I bedrijfsfinancieringsinstrumenten opgenomen. Dit zijn: Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), Groeifaciliteit, SEED-faciliteit, Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Microkredieten. Verder zijn opgenomen de instrumenten die aan bedrijfsfinanciering verwant zijn: de Exportkredietverzekering (EKV) en de Innovatiekredieten. De rapportage bevat ook de benutting van de Garantstelling Landbouw en de Garantstelling Landbouw Plus.
Daarnaast is dit jaar Finance for International Business opengesteld voor Nederlandse mkb-ondernemingen met een Nederlandse vennootschap, die willen investeren in China, India, Vietnam, Colombia of Zuid-Afrika. Naar verwachting zal voor eind dit jaar de aangepaste Garantieregeling Scheepsnieuwbouw worden gepubliceerd. De introductie van het Fund-of-Fund als onderdeel van het Innovatiefonds MKB+ is voorzien voor eind van het jaar.
Op dit moment liggen de Garantstelling Zeevisserij en de Garantstelling Aquacultuur bij de Europese Commissie. Beide regelingen doorlopen een staatssteunprocedure. Ik ben voornemens deze regelingen na goedkeuring van de Europese Commissie open te stellen.
Welke rol kan de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) spelen om het MKB het benodigde krediet te verschaffen?
Ik zie geen rol voor BNG weggelegd bij het direct verlenen van kredieten aan MKB bedrijven. De kerntaak van BNG is het verstrekken van lange termijnkredietverlening tegen lage tarieven aan decentrale overheden en aan door deze overheden gegarandeerde instellingen in de semipublieke sector. Deze taak is zo afgesproken tussen de bank en haar aandeelhouders en is ook statutair vastgelegd. Ik acht het onverstandig en onwenselijk als BNG buiten het terrein van haar kerncompetenties zou treden. Kredietverlening aan het MKB past niet in het bedrijfsmodel van de bank, dat gebaseerd is op zeer kredietwaardige klanten en mede daardoor op een hoge credit rating van BNG. Dit model vertaalt zich in lage inkooptarieven die de bank doorgeeft aan de decentrale overheden en woningcorporaties in Nederland. De BNG beschikt ook niet over de organisatie om kredieten aan grote aantallen MKB bedrijven te verstrekken.
Welke rol kunnen pensioenfondsen spelen? Op welke manier kunnen zij bewogen worden om meer in Nederland te investeren? Kunt u de sociale partners daarop aanspreken?
De primaire verantwoordelijkheid van pensioenfondsen is een optimaal rendement op hun beleggingen. Binnen die randvoorwaarde bekijken pensioenfondsen of en waar ze in Nederland kunnen investeren. Getuige hun recente betrokkenheid bij de aanleg van de N33 zien pensioenfondsen hiervoor nieuwe mogelijkheden.
Bent u van plan, gelet op de uitspraak van de bankpresident dat het MKB weinig alternatieven heeft voor bancaire kredietverlening, de alternatieve vormen van financiering actief in het beleid uit te dragen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak van de bankpresident bevestigt het advies van de expertgroep bedrijfsfinanciering (Cie. De Swaan) uit 2011. Op basis van dit advies ben ik in 2011 gestart met het actief stimuleren van nieuwe vormen van kredietverlening. Zie het antwoord op vraag 8 voor een beschrijving van op dit gebied reeds ontplooide activiteiten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 5 november 2012?
Middels toezending van deze antwoorden heb ik aan deze wens van u voldaan.
Campylobacterbesmettingen in slachthuizen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Risico op Campylobacter verschilt per slachthuis»?1
Ja
Acht u het acceptabel dat de werkwijze in slachthuizen kennelijk niet zodanig volgens vaststaande normen is, dat deze verschillen zich kunnen voordoen? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze en termijn bent u bereid hieraan een einde te maken, bijvoorbeeld via verplichte ISO normering?
Campylobacter is een zeer moeilijk te bestrijden bacterie. Voor slachthuizen gelden HACCP eisen. Hieronder valt het uitvoeren van een gevarenanalyse, het instellen van beheersmaatregelen en het benoemen van kritische controlepunten. De producent voert deze analyse uit en zal ten aanzien van de kritische punten in het slachtproces extra goed moet opletten. Om HACCP goed toe te passen moet eerst duidelijk zijn waar in het slachtproces deze kritische punten voor de Campylobacter besmetting van kippenvlees liggen. Vervolgens moet worden bepaald hoe besmetting op deze punten te voorkomen is. Voor Campylobacter is dit nog onvoldoende bekend. Het tussen VWS en de sector afgesloten Convenant Campylobacter heeft tot doel hier meer inzicht in te krijgen. Op basis hiervan zullen slachthuizen gerichter maatregelen kunnen treffen om Campylobacter besmetting te voorkomen.
Hoe verklaart u de aangetroffen misstanden in relatie tot de kabinetstoezeggingen uit 1997 om de besmetting structureel terug te dringen?2
Er is hier geen sprake van misstanden. Campylobacter is zoals gezegd een zeer moeilijk te bestrijden bacterie. Uit de resultaten van het Convenant blijkt dat pluimveevlees afkomstig uit Nederlandse slachthuizen over het algemeen minder met Campylobacter is besmet dan pluimveevlees afkomstig uit slachthuizen buiten Nederland. Ik wil u hier ook verwijzen naar mijn antwoord op de vraag 5 van uw fractiegenoot mevrouw Hazekamp (2012Z17383) van 14 maart van dit jaar. De resultaten van het Convenant zullen bijdragen aan een verdere verbetering van de huidige situatie.
Deelt u de mening dat 15 jaar een onacceptabel lange termijn is om een regeringsbelofte op het gebied van een ernstig volksgezondheidsprobleem in te lossen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u de aanwezigheid van pathogenen in kippenvlees volledig verbieden?
Ik wil u verwijzen naar mijn antwoorden op de vragen 2,3,4 en 9 van uw fractiegenoot mevrouw Hazekamp (2012Z17383) van 14 maart van dit jaar.
Kunt u aangeven hoeveel geregistreerde ziektegevallen van besmetting met pathogenen geregistreerd zijn in 2011 en 2012 , die te herleiden zijn tot slachtproducten en kunt dit uitsplitsen naar de verschillende pathogenen? Acht u dit een representatieve weergave? Zo nee, waarom niet?
De incidentie en ziektelast van 14 darminfecties worden jaarlijks door het RIVM gerapporteerd3.
In deze rapportage wordt de totale ziektelast opgesplitst naar verschillende bronnen (voedsel, milieu, direct contact met dieren, direct contact tussen mensen en reizen). Deze opsplitsing wordt niet toegepast op de geregistreerde gevallen maar op een schatting van het werkelijk aantal ziektegevallen, waarvan de geregistreerde gevallen slechts een klein deel zijn. Van de 1,99 miljoen ziektegevallen door deze 14 darminfecties in 2010 werden er naar schatting 725 000 door voedsel overgedragen. Daarbinnen werden 217 000 gevallen toegeschreven aan vlees van runderen, schapen, varkens en kippen. Een uitsplitsing naar pathogenen is ook in de betreffende rapportage gegeven. De belangrijkste ziekteverwekkers die via genoemde soorten vlees worden overgedragen zijn Clostridium perfringens (97 000 gevallen), Staphylococcus aureus (61 000 gevallen) en Campylobacter spp. (28 000 gevallen). Ziektegevallen door Campylobacter zijn over het algemeen ernstiger. Er zijn nog geen rapportages over 2011 en 2012.
Kunt u aangeven bij welke vleesproducten de kans op besmetting het grootst is, met een exacte uitsplitsing naar de verschillende pathogenen en de verschillende productsoorten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw beantwoording?
De kans op Campylobacter besmetting is het grootst bij rauw kippenvlees zoals uit onderstaande tabel blijkt.
Levensmiddel
Locatie
Cam
pylo
bacter
Salmonella
E. coli O157
STEC
Lis
teria
Vers vlees
slachthuis/
uitsnijderij
Kip
34,4%
Vers vlees
import (diep
gevroren)
kip
0,7%
6,6%
Vers vlees
retail
kip
22,8%
3,4%
Vers vlees
retail
kalkoen
9,7%
1,9%
Vers vlees
retail
varken
0,3%
1,4%
Vers vlees
retail
rund
0,2%
0,2%
0,3%
Vers vlees
retail
kalf
0,9%
0,0%
0,0%
Vers vlees
retail
lam
2,2%
0,0%
0,0%
gehakt/bereiding
retail
kip
4,3%
3,3%
gehakt/bereiding
retail
rund
0,7%
0,2%
3,5%
gehakt/bereiding
retail
varken
1,9%
rauw te consumeren vleesbereidingen
retail
rund
0,6%
0,0%
3,0%
vleesproducten
retail
geferm. worst
0,9%
0,0%
vleesproducten
retail
vleeswaar
0,0%
0,0%
0,0%
vleesproducten
retail
pate
1,3%
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van pathogenen in voedsel, dat aan consumenten wordt aangeboden, onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u zorgen dat aangeboden slachtproducten 100% vrij zijn van pathogenen?
Voedsel moet veilig zijn. De producent is daarvoor verantwoordelijk. Het geheel pathogeen vrij krijgen van alle voedingsmiddelen is, zonder gebruik te maken van decontaminerende methoden, een onhaalbaar doel en ook niet nodig. Lage gehaltes pathogenen zullen veelal niet tot ziekte leiden en spelen wellicht een positieve rol bij de opbouw van weerstand.
Bent u bereid strengere sancties op te leggen voor slachthuizen, die langdurig en stelselmatig de volksgezondheid in gevaar brengen via het hanteren van een werkwijze die de aanwezigheid van pathogenen bevordert of in elk geval niet uitsluit? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Tegen bedrijven die de volksgezondheid in gevaar brengen wordt door de NVWA handhavend opgetreden. Indien deze overtreding langdurig en stelselmatig is zal proportioneel zwaarder worden ingegrepen.
Kunt u aangeven waarom het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet openbaar maakt welke slachterijen een duidelijk verhoogd risico voor de volksgezondheid vormen en acht u het acceptabel dat slachterijen, die een duidelijk verhoogd risico vormen, daarmee gewoon door kunnen gaan en niet bekend worden of gestraft? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke termijn en wijze gaat u deze risico’s wegnemen?
Het RIVM beschikt niet over deze gegevens. De gegevens over Campylobacter besmettingen van pluimveevlees worden verzameld door alle Nederlandse slachterijen onder coördinatie van de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (Nepluvi). Nepluvi rapporteert zelfstandig over de bevindingen4. In het convenant tussen VWS en Nepluvi is afgesproken dat alle resultaten door Nepluvi geanonimiseerd inzichtelijk worden gemaakt voor betrokken vleeskuikenslachterijen en VWS. Het RIVM heeft deze geanonimiseerde gegevens aan een nadere analyse onderworpen, en kan dus geen individuele bedrijven identificeren. Ik wil u verder ook verwijzen naar mijn antwoord op de tweede vraag.
Een intensieve mediacampagne via de Stichting Ether Reclame (STER) gericht tegen Nederlanders die kritisch staan tegenover de massa-immigratie en de islam. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «SIRE-campagne over tolerantie»1 en «SIRE houdt ons een spiegel voor»?2
Ja.
Heeft u in het bericht »SIRE-campagne over tolerantie» kennisgenomen van de meningen welke volgens SIRE «intolerant» zouden zijn, namelijk kritisch staan tegenover toestroom van asielzoekers, hoofddoekjes en bouw van moskeeën?
Ja.
Is het de taak van de STER en de publieke omroep Nederlanders die kritisch staan tegenover een middeleeuwse woestijnideologie weg te zetten als «intolerant»?
Het is de wettelijke taak van de STER om voor de landelijke publieke omroep media-aanbod te verzorgen dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden. Het staat in beginsel een ieder vrij om als derde zijn reclameboodschap voor uitzending aan te bieden aan de STER. Daarvoor is geen overheidsstimulans nodig.
Wel verplicht de Mediawet de STER tot aansluiting bij de Reclame Code Commissie. Reclameboodschappen die via de STER worden uitgezonden, dienen dan ook te voldoen aan de regels die gehanteerd worden door deze Commissie. Indien iemand van mening is dat de reclameboodschappen daar niet aan voldoen, dan kan hij of zij zich wenden tot deze instantie.
Acht u het in het kader van de Mediawet (in het bijzonder artikel 2.1, lid 2 b die regelt dat de publieke omroep «op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;») juist als er «equal time» ontstaat tussen islamfans en islamcritici in de zendtijd van de publieke omroep? Zo ja, bent u bereid via uw vertegenwoordigers in het bestuur van de STER te stimuleren dat de STER beide zijden in staat stelt spotjes uit te zenden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het raadzaam STER-zendtijd af te staan aan een politiek-correcte club als SIRE met in hun Raad van Toezicht de D66»er Paul Schnabel en Astrid Joosten van de socialistische VARA, en waarvan de directeur politieke uitspraken doet waarin hij stelt dat de vorige coalitie verantwoordelijk is voor het verminderen van tolerantie?
Acht u het geloofwaardig van de tolerante reclame-bobo’s dat zij Jorgen Rayman als tolerante beschermheer van hun tolerante reclame-actie hebben ingehuurd, een linkse grappenmaker die in 2008 partij was in het tolerante politieke proces tegen Geert Wilders in een tolerante poging hem het zwijgen op te leggen?
Het bericht “Woning oudere steeds vaker overvallen” |
|
Fleur Agema (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woning oudere steeds vaker overvallen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de zwakste groep in de samenleving, de ouderen, juist extra beschermd zou moeten worden door politie en Openbaar Ministerie (OM)? Zo nee, waarom niet?
De kans om in het algemeen slachtoffer te worden van een misdrijf is voor ouderen veel lager dan voor anderen. Dat vergt geen specifiek op ouderen gericht opsporingsbeleid. In de opsporing moeten alle criminelen die misdrijven plegen met een hoge impact op het slachtoffer en diens omgeving met prioriteit worden aangepakt. Het OM houdt in haar strafeis of bij het opleggen van een strafbeschikking rekening met de bijzondere omstandigheden van het slachtoffer. Dit zal ook het geval zijn als er sprake is van een ouder, kwetsbaarder slachtoffer. Op grond van de Richtlijn voor strafvordering overvallen op woningen en bedrijven geldt voor kwetsbare slachtoffers een verzwaringsgrond op basis van maatwerk. Ook rechters houden bij de straftoemeting rekening met de kwetsbaarheid van het slachtoffer. In verschillende landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor gewelds- en zedendelicten is de kwetsbaarheid van het slachtoffer als strafbeïnvloedende factor expliciet benoemd. Hoewel geen wettelijke strafverhogingsgrond, zal de rechter met die factor rekening houden en de strafverzwarende omstandigheid in voorkomende gevallen ook in de motivering van de oplegging van straf tot uitdrukking brengen.
Waarom is het aantal overvallen op ouderen toegenomen, terwijl het aantal overvallen over de hele linie juist terugloopt? Wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven is de kans om in het algemeen slachtoffer te worden van een misdrijf voor ouderen veel lager dan voor anderen. De kwetsbaarheid van ouderen zit dan ook niet zozeer in de kans op slachtofferschap, maar in de impact indien zij slachtoffer worden. Juist vanwege die grote impact is de aanpak van overvallen een landelijke prioriteit voor politie en Openbaar Ministerie. Daarnaast tref ik samen met relevante partijen preventieve maatregelen die zich in het bijzonder richten op kwetsbare groepen, zoals ouderen, maar ook ondernemers in risicogebieden. In het antwoord op vraag 5 ga ik in op concrete preventieve maatregelen die ik neem om woningovervallen op senioren tegen te gaan.
In de Taskforce Overvallen werken verschillende publieke en private partijen met succes samen om het aantal overvallen in Nederland terug te dringen.
Deelt u de mening dat de politie en het OM er alles aan moeten doen om gewelddadige berovers van ouderen op te sporen en keihard te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid alles op alles te zetten om ouderen in eigen hun eigen woning en op straat zoveel mogelijk te beschermen tegen overvallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de concrete preventieve maatregelen die u gaat nemen?
Binnen de brede aanpak van overvallen tref ik specifieke maatregelen om woningovervallen op senioren terug te dringen. Voor senioren organiseer ik samen met ouderenbonden en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) door het hele land bijeenkomsten waar voorlichting over preventie van woningovervallen, woninginbraken en babbeltrucs wordt gegeven. Tijdens deze bijeenkomsten worden ook kierstandhouders uitgereikt. Op een aantal plaatsen (Rotterdam, Den Haag, Amsterdam) worden acties uitgevoerd waarbij in de woningen van bewoners die zijn overvallen een video-deurspion wordt bevestigd, met een harde schijf waarop de videobeelden worden bewaard. Tijdens de Week van de Veiligheid is ook het Verbond van Verzekeraars bij deze initiatieven aangehaakt. Slachtoffers van woningovervallen worden voorts (door Slachtofferhulp Nederland en door veiligheidscoördinatoren in veel gemeenten) gewezen op de subsidieregeling overvallen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Daarmee kunnen zij (evt. op basis van een scan van de woning door een expert) preventieve maatregelen treffen.
Criminaliteit tegen ouderen kan slechts worden teruggedrongen als alle betrokken partijen zich daarvoor inzetten. Ook van huiseigenaren, verhuurders en bewoners zelf verwacht ik daarin een bijdrage. Voor gemeenten en woningbouwcorporaties heb ik een Toolkit Voorlichting Veilig Wonen laten ontwikkelen. Veel gemeenten en particuliere organisaties hebben deze Toolkit inmiddels bij het CCV opgevraagd. Ik zal een en ander bij de woningbouwcorporaties onder de aandacht blijven brengen. Daarnaast wijs ik gemeenten op de mogelijkheden om samen met politie en andere relevante partners het toezicht in risicogebieden te verbeteren via het regiemodel «Slim Samen Toezien», dat ik heb ontwikkeld en via de website van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten aan hen beschikbaar heb gesteld.
Het bericht “Nederland is onvoldoende voorbereid op nieuwe uitbraak dier op mens overdraagbare ziektes |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Wat geld(t) in de zorg?» (One Health VvAA trendonderzoek onder zorgaanbieders over een duurzame en gezamenlijke aanpak van de gezondheidszorg voor mens, dier en milieu)?1 2
Ja.
Is het waar dat «Nederland onvoldoende voorbereid is op een nieuwe uitbraak van van dier op mens overdraagbare ziektes»? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, hoe gaat u voor voldoende voorbereiding zorgen?
Reeds voor de Q-koorts uitbraak vanaf 2007 is een omvangrijk project uitgevoerd door een consortium van onderzoeksinstellingen onder leiding van het RIVM dat een blauwdruk heeft gemaakt voor signalering van nieuwe risico’s en de blinde vlekken in de surveillance van nieuwe bedreigingen in kaart heeft gebracht. Het resultaat van dit project, het zogenoemde EmZoo-rapport is, met de reactie van de toenmalige Minister van LNV, op 6 oktober 2010 (TK 29 683, nr. 60) aangeboden aan uw Kamer.
Daarna heeft de Commissie van Dijk, naar aanleiding van de Q-koorts uitbraak aanbevelingen gedaan ten aanzien van het risicomanagement. De uitwerking daarvan hebben wij uw Kamer op 18 mei 2011 (TK 28 286, nr. 505) doen toekomen.
Daarmee is in Nederland een nieuwe gezamenlijke humaan veterinaire structuur ingericht voor de risico-analyse van (nieuwe) besmettelijke ziekten die overdraagbaar zijn van mens op dier. Deze nieuwe structuur is een samenwerking van professionals uit het veterinaire en het medische domein.
Hoe beoordeelt u het dat, ondanks het feit dat alle nieuwe infecties van de afgelopen 25 jaar afkomstig zijn van dieren, de kennis van humane artsen beperkt is bij het herkennen, reageren en behandelen van ziekten die zijn overgedragen door dieren? Op welke wijze gaat u deze tekortkoming oplossen?
In het rapport wordt nergens melding gemaakt van beperkte kennis van humane artsen bij het herkennen, reageren en behandelen van ziekten die zijn overgedragen door dieren. Uit de antwoorden van de eerste- en tweedelijns zorgaanbieders kan wel geconcludeerd worden dat zij slechts beperkt geconfronteerd worden met zoönosen, meer dan de helft van de huisartsen is zelfs niet eenmalig met een zoönose geconfronteerd tegen slechts zo’n 20% bij dierenartsen. Dit doet vanzelfsprekend niets af aan het belang dat wij ook hechten aan kennis over zoönosen. De afgelopen jaren is er een groot aantal bijeenkomsten en congressen georganiseerd juist over dit onderwerp. Voor zoönosen is het OneHealth portal opgericht en is er een vademecum zoönosen, een praktische gids over de melding, signalering en bestrijding van zoönosen in de humane en veterinaire gezondheidszorg, opgesteld.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat 81 procent van de dierenartsen de samenwerking met humane artsen onvoldoende vindt?
Eén van de lessen naar aanleiding van de Q-koorts is dat samenwerking op de werkvloer tussen veterinairen en medici heel nuttig is. De afgelopen jaren zijn er tal van activiteiten ontplooid door overheden en instellingen in het veterinaire en medische domein om de veterinairen en medici bewust te maken van nut en noodzaak om beter samen te werken c.q. beter met elkaar te communiceren.
De nieuwe gezamenlijke humaan veterinaire structuur voor de risico-analyse van (nieuwe) besmettelijke ziekten die overdraagbaar zijn van mens op dier, gaat overigens uit van meldingen van artsen én dierenartsen aan hun reguliere partners, die vervolgens deze signalen gezamenlijk beoordelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat 76 procent van de dierenartsen het oneens is met de stelling dat de kans dat in Nederland zoönose uitbreekt beperkt is? Wat is uw mening over deze stelling?
Ik deel de opvatting van de meerderheid van de geënquêteerde dierenartsen dat de kans op een uitbraak van een nieuwe zoönose in Nederland reëel is.
Op welke manier en met welke methodes acht u het mogelijk om meer samenwerking te bewerkstelligen tussen dierenartsen en humane artsen als het gaat om de relatie gezondheidszorg voor mens, dier en milieu?
De activiteiten genoemd bij vraag 4 bestaan uit het organiseren van conferenties, studiedagen, aandacht in vakbladen. Dit zijn geëigende methoden om aandacht te vragen van de professionals voor noodzakelijke samenwerking. Naast de samenwerking tussen de beide betrokken Ministeries, de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen NVWA, GGD, RIVM en GD en de samenwerking tussen de humane en veterinaire onderzoeksinstituten komt er ook bij de medische en veterinaire opleidingen meer aandacht voor de aspecten van de veterinaire volksgezondheid.
Ten aanzien van het standpunt over «One Health» zie onder meer de brief aan uw Kamer van 6 oktober 2010 (TK 29 683, nr. 60) en die van 18 mei 2011 (TK 28 286, nr. 505).
Hoe staat u tegenover de «One Health» benadering? Op welke wijze is het mogelijk om samenwerking tussen humane artsen en dierenartsen te stimuleren? Welke verbeteringen en veranderingen zijn er nodig voor een gezamenlijke aanpak van de gezondheidszorg voor mens, dier en milieu?
Zie antwoord vraag 6.
Het uitzetten van vreemdelingen naar Guinee |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Leers |
|
|
|
|
Is het waar dat de aangifte wegens corruptie van advocaat de heer mr. F.L.M. van Haren tegen de Dienst Terugkeer & Vertrek niet in behandeling is genomen, omdat slechts tot vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen van (voormalige) bewindspersonen kan worden overgegaan indien daartoe opdracht is gegeven bij Koninklijk Besluit of bij besluit van de Tweede Kamer?
Het Openbaar Ministerie heeft mij op 6 juli jl. per brief laten weten de aangifte niet in behandeling te nemen. Daarbij heeft het Arrondissementsparket Den Haag overwogen dat, voor zover de aangifte strafrechtelijk van aard is, strafvervolging van een (voormalige) bewindspersoon alleen mogelijk is op grond van een Koninklijk Besluit dan wel een besluit van de Tweede Kamer en dus niet tot de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie behoort. Voor zover de aangifte bestuursrechtelijk van aard is, behoort deze eveneens niet tot de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie.
Is het waar dat naar aanleiding van de aangifte geen onderzoek is gestart door het Openbaar Ministerie, omdat het een zaak van bestuursrechtelijke en niet van strafrechtelijke aard betreft?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak tijdens het mondelinge vragenuur van 9 oktober jl, waarin u letterlijk stelt dat de genoemde zaak is onderzocht?
In het mondeling vragenuur heb ik gemeld dat de zaak door het Openbaar Ministerie is onderzocht. De conclusie van dit onderzoek was dat de aangifte niet in behandeling werd genomen, zoals ik uw Kamer in het vragenuur meldde. Inhoudelijke conclusies zijn er derhalve door het Openbaar Ministerie niet getrokken.
Daarnaast heb ik u in het mondelinge vragenuur aangegeven dat ik de genoemde individuele zaak zal bekijken.
Bent u bereid om deze vragen voor 30 oktober 2012 te beantwoorden?
Door bovenstaande beantwoording heb ik voldaan aan uw verzoek.
De aanvallen vanuit Syrië op Turkije |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkije zinkt weg in Syrische moeras»?1
Kunt u bevestigen dat de gebruikte munitie bij de dodelijke aanval vanuit Syrië op Turkije van NAVO-makelij was? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Kunt u bevestigen dat het Syrische leger vrijwel uitsluitend Russisch oorlogsmateriaal gebruikt? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Bent u ervan overtuigd dat de dodelijke aanval vanuit Syrië op Turkije afkomstig was van het Syrische regime? Indien ja, waarop is deze overtuiging precies gebaseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u ervan overtuigd dat alle andere aanvallen vanuit Syrië op Turkije, zowel vóór als na het dodelijke incident, afkomstig waren van het Syrische regime? Indien ja, waarop is deze overtuiging precies gebaseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de opvatting dat het van het allergrootste belang is dat er geen enkele onduidelijkheid bestaat over de afkomst van de aanvallen vanuit Syrië op Turkije voordat er een verdergaande militaire reactie op volgt, bijvoorbeeld in NAVO-verband? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met de uitlating van Bassam Imadi, lid van de Syrische Nationale Raad, dat de Turkse reactie op de aanvallen vanuit Syrië heeft geleid tot een «de-facto buffer zone»?2 Kunt u bevestigen dat er de facto een bufferzone is ontstaan aan de Turks-Syrische grens? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Indien ja, acht u het creëren van een bufferzone door Turkije als een gevaarlijke, escalerende ontwikkeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Diplomatieke betrekkingen met Iran |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Canada sluit ambassade in Iran en zet Iraanse diplomaten uit»?1
Ja.
Hoe kwalificeert u Canada’s besluit om Iran aan te merken als staatssponsor van terreur en grootste bedreiger van de wereldvrede op basis van de volgende feiten:
De zorgen van Canada over diverse aspecten van het Iraans buitenlands beleid, worden door het kabinet gedeeld.
Deelt u de mening dat het diplomatieke spoor met betrekking tot Iran een doodlopend spoor is gebleken en het nu meer dan ooit noodzakelijk is Iran te isoleren, daar zij het gewelddadige Syrische regime steunt, zelfs in VN-verband antisemitische toespraken houdt en haar nucleaire activiteiten ondanks alle diplomatieke druk een exorbitante vlucht hebben genomen?
Nederland maakt zich zorgen over Irans nucleaire programma, de mensenrechtensituatie en de negatieve rol van het land in de regio. Zo heb ik tijdens de AVVN in New York nog de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Salehi aangesproken op de steun die het land verleent aan het regime van Assad in Syrië en Hezbollah.
Het kabinet acht het belangrijk om een communicatiekanaal met de Iraanse regering open te houden. Via diplomatie en sancties oefent Nederland, bilateraal en als lid van de EU, maximale druk uit op het Iraanse regime om het beleid op bovenstaande gebieden te wijzigen. Het is nu niet het moment om te speculeren over andere opties, noch deze uit te sluiten. Diplomatieke betrekkingen stellen ons daarenboven in staat om de belangen van Nederlanders in Iran te behartigen.
Bent u bereid in navolging van Canada de diplomatieke betrekkingen met Iran op te schorten en hier ook in EU-verband voor te pleiten? Zo nee, hoe kunt u dit rijmen met uw pleidooi in de EU om Hezbollah, de proxy van Iran, als terroristische groepering aan te merken als u Iran zelf niet als staatssponsor van terreur beschouwt en daar naar handelt?
Zie antwoord vraag 3.
Mocht u onverhoopt niet bereid zijn tot het opschorten van de diplomatieke betrekkingen met Iran, bent u dan wel bereid de diplomatieke betrekkingen met Iran tot een absoluut minimum te reduceren? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3 en 4.
Wilt u deze vragen voor 23 oktober 2012 12.00 uur beantwoorden?
Ja.
Meldingen van misstanden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn de binnengekomen meldingen van een vermoeden van een misstand beoordeeld op strafwaardige handelingen volgens het protocol van het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS), zoals dat is toegezegd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in oktober 2007 in antwoord op eerdere vragen van het lid Van Raak (SP) aan hem over de klokkenluidersregelingen bij de verschillende overheden (Ingezonden 18 september 2007)?1
Beoordeling heeft plaatsgevonden in lijn met het protocol van BIOS. Het protocol van BIOS is een richtlijn. Het ministerie van Buitenlandse Zaken hanteert een eigen onderzoeksprotocol dat daarvan is afgeleid. De procedure van het onderzoeksprotocol van BZ voorziet bij alle meldingen van integriteitschendingen in de beoordeling of er sprake is van strafwaardige handelingen.
Onderzoeken van Buitenlandse Zaken in dit kader, gebaseerd op het eigen protocol, zijn tot op heden in bezwaar- en beroepsprocedures altijd als zorgvuldig en proportioneel aangemerkt.
Zo nee, hoe heeft u dan de feiten vastgesteld die leiden tot de conclusie dat de inhoud van de door u genoemde meldingen geen aanleiding gaf tot het bestempelen van het vermoeden van een misstand?
Zie antwoord op vraag 1.