Reclames en patiënten werving van GGZ-instelling Indigo |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u uw antwoord op eerdere vragen, waarin u stelt mijn zorgen te delen over de reclame om patiënten te werven door de GGZ-instelling Indigo, als u tevens schrijft geen actie te ondernemen?1
Zoals ik in mijn andere antwoorden heb aangegeven, valt de handelwijze van de instelling binnen de regels van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). In tegenstelling tot wat de LVE schrijft, biedt de instelling geen hulp voor mensen die geen verwijsbrief hebben van de huisarts. Zodra men contact opneemt met Indigo worden zij door de medewerkers geïnformeerd over de mogelijkheden en de rol van de huisarts als verwijzer. Indien de huisarts vervolgens vermoedt dat deze persoon een stoornis heeft, verwijst hij naar een instelling, dat kan ook een andere instelling zijn. De zorgverlening die wordt verleend past binnen de aanspraak van de wet en de behandelwijze geschiedt conform richtlijnen en standaarden. Daarbij ga ik er vanuit dat indien de huisarts constateert dat er geen sprake is van een psychische stoornis, maar bijvoorbeeld alleen van klachten van somberheid en stress, de patiënt niet wordt doorverwezen naar de GGZ. Om die reden onderneem ik geen actie op dit moment, maar ik ben wel alert. Daarom vind ik het belangrijk dat de NZa deze casus wel gaat monitoren. Ik kom hier later nog op terug.
Wat bedoelt u met uw opmerking dat de handelwijze van de instelling «vooralsnog» binnen de regels van de Zorgverzekeringswet lijkt te vallen? Kan hieruit worden opgemaakt dat u voornemens bent de wet aan te scherpen, waardoor dergelijke reclame/misleiding niet meer voor kan komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn binnen de Zorgverzekeringswet geen beperkingen ten aanzien van reclame uitingen door zorgaanbieders. Buiten het feit dat ik – zoals ik reeds al aangaf – het niet nodig acht op dit moment maatregelen te nemen, zou de Zvw op dit punt niet aangepast kunnen worden.
In de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) is in artikel 39 geregeld dat «Zorgaanbieders ervoor zorgdragen dat de door of namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie terzake van een product of dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en niet misleidend is». Er mag dus reclame gemaakt worden, zolang dit niet misleidend is. De NZa houdt hier toezicht op, en heeft de wettelijke regels voor zorgaanbieders hierover nader toegelicht en verduidelijkt in het Richtsnoer Informatieverstrekking Zorgaanbieders.
Wat bedoelt u concreet als u de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vraagt er «aandacht aan te besteden»? Welke verandering gaat dit in de praktijk opleveren en op welke termijn? Vindt u dat de NZa op een gedegen en zorgvuldige manier reclame-uitingen van zorgaanbieders beoordeelt op hun misleiding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 2. Op de vraag of er een verandering zal gaan optreden als ik vraag aan de NZa er aandacht aan te besteden, kan ik op dit moment niet antwoorden. Dit is afhankelijk van de wijze waarop de NZa het een en ander wel of niet zal beoordelen.
Bent u het met de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE) eens dat mensen altijd eerst naar de huisarts zouden moeten gaan als zij klachten hebben, aangezien u de poortwachtersfunctie van de huisarts belangrijk vindt? Zo ja, waarom doet u dan niets (of laat u niets doen) aan de handelwijze van Indigo? Zo neen, waarom niet?
Zoals ik in mijn vorige antwoorden heb aangegeven, verwijst Indigo de patiënten eerst naar de huisarts voordat ze bij de Indigo in behandeling gaan. Dat is ook verplicht. De huisarts zal conform richtlijnen de patiënt wel of niet verwijzen naar de GGZ.
Vindt u het echt geen misleiding dat een (grote) instelling mensen werft voor zorg, door een «gratis eerste consult» aan te bieden en daarmee mensen de zorg in te lokken?
Zoals ik in de beantwoording van de vorige set Kamervragen heb aangegeven, biedt de instelling een gratis eerste consult aan om de patiënt de gelegenheid te bieden om bij zichzelf na te gaan of hij/ zij bereid is het behandeltraject bij de instelling aan te gaan. Ik heb al aangegeven dat dit integer kan zijn, maar ook de schijn van aanbodgestuurde vraag in zich draagt. Vandaar dat ik benadruk dat een verwijsbrief van de huisarts nodig is en de NZa vraag hieraan extra aandacht te besteden. Het is wettelijk niet verboden een gratis eerste consult aan te bieden. Zorgaanbieders hebben in beginsel het recht, uit altruïsme of anderszins, zorg te verlenen zonder dat hier een betaling tegenover staat, tenzij zij daarmee een contractuele verplichting jegens hun verzekeraar schenden.
Hoe gaat u voorkomen dat mensen naar de huisarts gaan, om achteraf een doorverwijzing te vragen om naar Indigo te gaan en hoe kunt u dan de poortwachtersfunctie van huisartsen garanderen?
Indigo zal, zoals zij ook aangeeft, patiënten vóóraf een verwijsbrief laat halen door de huisarts en dat de huisarts adequaat, en aan de hand van de richtlijnen die daarvoor gehanteerd worden, deze patiënt wel of niet doorstuurt naar een zorgaanbieder.
Hoeveel meer dochterondernemingen van Parnassia BavoGroep werft patiënten via reclames? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De andere zorgbedrijven die vanuit de Parnassia Groep aan de uitingen deelnamen zijn: Bavo Europoort, PsyQ, Brijder en Lucertis.
Grootschalige omkoping bij 380 sportwedstrijden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Europol: grootschalige omkoping bij 380 voetbalwedstrijden»?1
Ik verwijs u naar de brief over dit onderwerp, die ik op 8 februari 2013 aan uw Kamer heb verzonden.2 Elk gegeven dat van belang is voor het onderzoek naar matchfixing wordt hierbij vanzelfsprekend betrokken.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Europol, waarin gezegd wordt dat er voor het eerst harde bewijzen zijn verzameld van matchfixing? Zijn deze gegevens van Europol betrokken in het onderzoek dat u laat uitvoeren naar matchfixing? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Europol die aangeven dat criminelen € 8 miljoen aan winst hebben geboekt door matchfixing, en dat dit nog maar het topje van de ijsberg is? Wordt in het Nederlandse matchfixingonderzoek ook gekeken naar de winsten die in Nederland zijn geboekt door criminelen? Zo nee, waarom niet?
Ik wacht in dit verband eventuele toekomstige informatie van Europol af. In ons matchfixingsonderzoek wordt de vraag over winsten meegenomen.
Wat is uw reactie op de conclusies van Europol die aangeven dat ook Nederlanders handelen in matchfixingpraktijken? Zijn deze Nederlanders bekend in het onderzoek naar matchfixing en/of bij het Openbaar Ministerie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend hoeveel zaken die betrekking hebben op matchfixing momenteel strafrechtelijk worden onderzocht, waardoor zij niet deel kunnen uitmaken van het onderzoek dat u laat doen naar matchfixing? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
In Nederland loopt geen strafrechtelijk onderzoek naar matchfixing. Ik verwijs u verder naar voornoemde brief van 8 februari 2013 aan uw Kamer.
Kunt u aangeven of in Nederland arrestaties hebben plaatsgevonden van mensen die betrokken zijn bij matchfixing? Zo nee, wilt u deze gegevens betrekken in het onderzoek dat u momenteel laat uitvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u alle sporten in het onderzoek naar matchfixing of zijn er sporten die niet in het onderzoek worden meegenomen? Wilt u een overzicht sturen welke sporten wel en/of niet onderzocht worden op matchfixing? Zo nee, waarom niet?
De drie sporten die in ieder geval meegenomen worden in het onderzoek zijn voetbal, tennis en de draf- en rensport. Dit zal worden aangevuld met naar verwachting twee additionele sporten. Welke sporten dat zijn hangt mede af van de vraag op welke Nederlandse wedstrijden in het buitenland gegokt kan worden.
Hoe reageert u op de opmerking van de heer Van Rompuy dat het onderzoek dat u laat uitvoeren enkel kijkt naar het verleden, terwijl juist een strategie nodig is voor de toekomst? Bent u bereid een plan te maken hoe er met klokkenluiders zal worden omgegaan, teneinde hen te bewegen zich te melden? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Er is opdracht gegeven voor een breder onderzoek naar de aard en omvang van matchfixing in Nederland. Op basis van de resultaten zal worden bepaald of, en zo ja welke, verdere maatregelen noodzakelijk zijn voor een integrale aanpak van matchfixing. De behandeling van klokkenluiders maakt deel uit van het onderzoek en betreft vooral tuchtrechtelijke aspecten.
Premieshoppen op Cyprus |
|
Paul Ulenbelt (SP), Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending: «Premieshoppen op Cyprus»?1
In de uitzending van Nieuwsuur d.d. 4 februari 2013 wordt aandacht besteed aan Nederlandse vrachtwagenchauffers die voor een Nederlands bedrijf werken via een in Cyprus gevestigd uitzendbureau. Het gevolg van deze constructie is dat de werknemers onder het sociale verzekeringsstelsel van Cyprus vallen en dat de sociale premies in Cyprus worden afgedragen. Op deze wijze worden de arbeidskosten voor de inlener verlaagd waardoor zijn concurrentiepositie op de Nederlandse markt sterker wordt.
Is de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de hoogte van dit verschijnsel?
Ja.
Welke controles voert de SVB uit wanneer ingezetenen van Nederland sociale premies af wensen te gaan dragen in het buitenland?
Ingezetenen van Nederland kunnen niet kiezen waar zij sociale premies af dragen en waar zij sociaal verzekerd zijn. Naast de Nederlandse wetgeving wordt dit bepaald door de Europese coördinatieregels op het terrein van de sociale zekerheid en de bilaterale verdragen.
In Nederland woonachtige of werkende arbeidskrachten kunnen onder bepaalde voorwaarden sociaal verzekerd (en premieplichtig) zijn in het buitenland. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van internationale detachering of wanneer een arbeidskracht in twee of meer lidstaten werkt en hij minder dan 25% van zijn werkzaamheden in zijn woonland verricht.
Bij een aanvraag om een detacheringsverklaring of om de afgifte van een verklaring over de toepasselijke wetgeving als er in twee of meer landen wordt gewerkt, toetst de SVB of aan de wettelijke criteria hiervoor is voldaan. Bij twijfel wordt onder meer contact opgenomen met de werkgever en de werknemer en wordt gevraagd naar bewijsstukken zoals het arbeidscontract en werkroosters.
Heeft de SVB concrete gevallen waarin ingezetenen sociale premies af wensen te gaan dragen op Cyprus? Zo, ja, hoe gaat de SVB hier te werk en wat zijn de ervaringen wat betreft het uitwisselen van informatie met de bevoegde autoriteiten op Cyprus?
Ja. Tussen de EU-lidstaten is een procedure afgesproken hoe sociale zekerheidsorganen elkaar dienen te informeren indien de werknemer (of de werkgever) een verklaring over de toepasselijke wetgeving vraagt in het geval de werknemer gedetacheerd wordt in een ander land of werkzaamheden in meerdere lidstaten verricht.
De procedure in geval van detachering houdt in dat de werkgever in de detacherende staat, contact op neemt met het sociale zekerheidsorgaan van deze staat, indien mogelijk vóór de detachering. Dit orgaan toetst of aan de voorwaarden voor detachering is voldaan en geeft de gevraagde verklaring af. Vervolgens informeert dit orgaan de staat van de tewerkstelling.
De procedure in geval van werken in meerdere lidstaten houdt in dat de in Nederland woonachtige werknemer (of zijn Cypriotische werkgever) meldt dat er in meerdere lidstaten wordt gewerkt. Dit moet worden gemeld in de woonstaat van de werknemer, ook als hij van mening is dat niet de Nederlandse maar de buitenlandse wetgeving van toepassing is. De SVB onderzoekt vervolgens welke wetgeving van toepassing is op deze werknemer en neemt dan contact op met het orgaan waar de buitenlandse werkgever gevestigd is, in dit geval Cyprus. Als blijkt dat de Cypriotische wetgeving van toepassing is, geeft het Cypriotisch orgaan de verklaring toepasselijke wetgeving af. Als de Nederlandse wetgeving van toepassing is, geeft de SVB een verklaring af.
De ervaring is dat de informatieverstrekking door Cyprus aan de SVB soms langzaam verloopt. In dit verband heeft SZW in oktober vorig jaar op verzoek van de SVB contact gehad met het Cypriotische ministerie van Sociale Zaken om de gegevensverstrekking door het Cypriotische orgaan te verbeteren. Dit heeft er toe geleid dat Cyprus in een aantal concrete gevallen alsnog relevante informatie aan de SVB heeft verzonden.
Deelt u het standpunt dat sociale premies niet kunnen en mogen worden afgedragen in lidstaten waar de betreffende werknemer feitelijk geen arbeid verricht en zelfs nog nooit geweest is? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat standpunt deel ik niet. Ingevolge Europese regelgeving is een werknemer die in twee of meer landen werkt en minder dan 25% van zijn werkzaamheden verricht in het land waar hij woont, verzekerd in het land waar zijn werkgever is gevestigd. In de kern is dit een legale constructie die versnipperde uitkeringsrechten en hoge administratieve lasten voorkomt en zo bijdraagt aan het goed functioneren van de interne Europese markt. Het is echter niet de bedoeling dat deze regeling misbruikt wordt om te frauderen met premieafdracht. Daarom worden er ook bepaalde eisen gesteld voordat een bedrijf gebruik kan maken van deze regeling. Zo moet de werkgever wel echt gevestigd zijn in het land waar de premies worden afgedragen en mag het niet gaan om een schijnconstructie.
Heeft de u voldoende middelen om een bureau als AFMB uit Cyprus (genoemd in Nieuwsuur) dat zich bezig houdt met het rekruteren van Nederlandse werknemers die in de Nederlandse transportsector zouden moeten gaan werken onder Cypriotisch sociale zekerheidsrecht aan te pakken? Zo ja, welke zijn dat? Hoe vaak zijn die toegepast?
Voor het vaststellen van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving, dient de SVB onderzoek te verrichten naar de omvang van de verrichte werkzaamheden in Nederland en naar de vraag, of het bureau in Cyprus daadwerkelijk als werkgever kan worden beschouwd. Voor het onderzoek naar de vraag of minder dan 25% van de werkzaamheden in Nederland worden verricht, is de SVB aangewezen op informatie van de werkgever en de werknemer. De aanvrager van een verklaring toepasselijke wetgeving moet desgevraagd zijn aanvraag onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een werkrooster of een reiskalender. Als dit niet voldoende inzicht biedt, kan de SVB nadere informatie aan de werkgever of werknemer vragen aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of substantieel in Nederland wordt gewerkt.
Voor het onderzoek naar de werkgever in het uitzendende land of andere landen waarin gewerkt wordt, is de SVB aangewezen op het bevoegde sociale zekerheidsorgaan in dat land.
Bij het onderzoek of aan de criteria is voldaan heeft de SVB baat bij informatie die bij inspectiediensten (I-SZW, ILT) of ketenpartners (UWV, Belastingdienst, CVZ, gemeenten) en andere partijen (KIWA) aanwezig kan zijn. De Belastingdienst kan bijvoorbeeld reeds een beslissing hebben genomen over de fiscale zetel van een onderneming, hetgeen relevant kan zijn om te bepalen waar de werkgever feitelijk gevestigd is.
Uitzendbureaus die chauffeurs uitzenden in het beroepsgoederenvervoer dienen een aanwijzingsbeschikking aan te vragen bij Kiwa Register; welke toets vindt plaats alvorens instellingen in aanmerking komen voor een aanwijzingsbeschikking van het ministerie? Wat gaat u ondernemen als geen toets plaats vind?
Kiwa toetst of in het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat vermeld of de instelling die een aanwijzingsbeschikking aanvraagt, chauffeurs inhuurt dan wel uitzendt aan beroepsgoederenvervoerders. Het betreft dus een marginale toets die tot stand is gekomen na het vervallen van de certificering in de uitzendbranche.
Deelt u de mening dat er een overtreding van de eis van dienstbetrekking plaatsvindt indien er gebruik wordt gemaakt van bureaus als AFMB met als enige doel te kunnen concurreren op de premies en salarissen van chauffeurs? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, die mening deel ik niet. Aangezien aan het bureau AFMB een aanwijzingsbeschikking is verstrekt, is er geen sprake van overtreding van de eis van dienstbetrekking. Wel zal door ILT een verzoek worden ingediend bij de Cypriotische inspectiedienst om de werkwijze van twee Cypriotische transportondernemingen en één Cypriotisch uitzendbureau te onderzoeken. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u van oordeel dat inlenende werkgevers aansprakelijk gesteld moeten worden voor de premieafdrachten en loonbetalingen in Nederland, in gevallen waar op malafide wijze gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld de «Cyprus route»?
Op grond van de Invorderingswet 1990 kan een inlener aansprakelijk worden gesteld voor de schulden die de uitlener heeft in verband met niet afgedragen loonbelasting en sociale premies ter zake van uitlening. De vraag of er in gevallen dat gebruik gemaakt is van een zogenaamde schijnconstructie, aansprakelijkstelling zal plaatsvinden, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Dit hangt af van de individuele omstandigheden van het geval.
Het feit dat er in de praktijk gevallen zijn waarin op malafide wijze gebruik gemaakt wordt van bepaalde uitzendconstructies, maakt duidelijk dat het belangrijk is dat er een integrale aanpak van schijnconstructies komt. Uiterlijk 1 mei zal ik u informeren over een integrale aanpak voor het terugdringen van schijnconstructies. Daarbij zal ook uitgebreid ingegaan worden op problemen die zich voor doen, wat er momenteel gebeurt om deze aan te pakken en wat we nog meer kunnen doen.
Is er onderzoek ingesteld naar de feitelijke vestigingsvoorwaarden conform Verordening 1072/2009 van uitgevlagde Nederlandse ondernemingen op Cyprus? Zo ja, wat is het resultaat en zo nee, bent u daartoe bereid?
De werkwijze van twee Cypriotische transportondernemingen en één Cypriotisch uitzendbureau met transportactiviteiten in Nederland is enige tijd geleden informeel onder de aandacht gebracht van de zusterorganisatie van ILT op Cyprus. Deze organisatie zag op dat moment geen reden tot nader onderzoek en inspectie. Thans zal deze casuïstiek aan de hand van een formeel verzoek door de ILT worden aangekaart bij de Cypriotische Inspectiedienst. Met dit verzoek wordt Cyprus onder meer verzocht te onderzoeken of de bedrijven gevestigd zijn in Cyprus en geleid worden vanuit Cyprus.
Heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) ervaring met internationaal onderzoek met buitenlandse inspectiediensten ten aanzien van de controle op de feitelijke vestigingsvoorwaarden uit Verordening 1072/2009? Welke zijn de ervaringen? Met welke landen zijn er goede en met welke landen slechte ervaringen?
De uitvoering van Verordening 1072/2009 is voorbehouden aan de lidstaten. De inspectie heeft ervaring met internationaal onderzoek met buitenlandse inspectiediensten ten aanzien van de controle op de feitelijke vestigingsvoorwaarden uit Verordening 1072/2009. De ervaringen zijn tot nu toe beperkt en met sommige landen heeft de ILT nog weinig of geen ervaring. De samenwerking met België, het Verenigd Koninkrijk en Polen verloopt goed; de samenwerking met Duitsland is complexer door de diversiteit aan deelstaten.
Hoe verloopt in de praktijk de samenwerking in dit soort situaties tussen de inspecties? Komt het voor dat mensen die klachten indienen van de een naar de andere inspectie worden doorverwezen?
De Inspectie SZW en ILT hebben in 2012 een gezamenlijk project in de Transportsector opgezet. Er vinden gezamenlijke inspecties plaats waarbij wordt gecontroleerd op de naleving arbeidswetgeving, zoals illegale tewerkstelling en de Wet Wegvervoer Goederen. Er wordt geïnspecteerd op basis van een gezamenlijke risicoanalyse en op naar aanleiding van meldingen. Relevante meldingen die bij één van beide diensten binnenkomen worden gedeeld tussen Inspectie SZW en ILT.
Wetsvoorstel dat de pensioenen voor politieke ambtsdragers moderniseert |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het persbericht van uw ministerie van 21 september jl, waarin staat dat het kabinet akkoord gegaan is met een wetsvoorstel dat de pensioenen voor politieke ambtsdragers moderniseert, door de pensioenleeftijd te verhogen en te flexibiliseren en het mogelijk te maken om de pensioenen ook te verlagen in lijn met verlagingen bij het ABP?1
Ja.
Herinnert u zich dat in het persbericht een beoogde ingangsdatum van het wetsvoorstel van 1 januari 2013 staat?
Ja.
Om welke redenen is het wetsvoorstel nog niet ingediend?
De Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd heeft aanmerkelijke gevolgen voor de pensioenreglementen van de pensioenfondsen. De reglementen moeten worden aangepast aan een inbouw van de AOW op een flexibele leeftijd. Bovendien moet de flexibele wijziging van de pensioenrichtleeftijd in de reglementen worden verwerkt. De meeste pensioenfondsen hebben deze aanpassing nog niet afgerond.
De beoogde wijzigingen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zijn inhoudelijk gezien vergelijkbaar met aanpassingen in een ouderdomspensioenreglement. Daar komt nog bij dat het Appa-pensioen nog niet is afgestemd op een flexibele ingangsleeftijd – anders dan (bijvoorbeeld) het ABP-pensioen. Deze vaste ingangsleeftijd past niet meer bij de in de loop der jaren wijzigende leeftijd waarop het AOW-pensioen wordt uitgekeerd. De complexiteit van dergelijke aanpassingen van de Appa vraagt om zorgvuldige aanpak.
Wanneer is het wetsvoorstel aan de Raad van State gestuurd en wanneer heeft de Raad advies uitgebracht?
Het wetsvoorstel is op 9 oktober 2012 voor advies aan de Raad van State aangeboden. Op 13 december 2012 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies vastgesteld over het voorstel voor een Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. Dit advies is op 17 december 2012 aan het ministerie toegezonden.
Wilt u bevorderen dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer wordt gezonden en openbaar wordt gemaakt?
Ja, het wetsvoorstel ontvangt u omstreeks 1 maart 2013.
Taalproblemen in de zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Apothekers moeten taalbarrière slechten»1 en «Spraakverwarring in de spreekkamer» en «Zonder tolken verslechtert de zorg»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal dat ouderen met een migrantenachtergrond vaak de bijsluiter niet kunnen lezen, of de uitleg van de apotheker niet snappen?
Communicatie is belangrijk in de zorg, zowel bij het vaststellen van de diagnose, als bij de behandeling zelf en bij leefstijladvies. Mensen zijn er zelf primair verantwoordelijk voor dat ze in het Nederlands kunnen communiceren. Dat betekent dat zij zelf naar oplossingen zoeken als zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en daardoor de bijsluiter niet of niet goed kunnen lezen. Maar ook zorgverleners hebben op grond van de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) de verplichting om zich in te spannen om zo begrijpelijk mogelijk te communiceren. De apotheker kan relevante informatie daartoe ook op andere wijze verstrekken dan met een schriftelijke of mondelinge toelichting. Via beeldmateriaal kan bijvoorbeeld worden uitgelegd hoe een middel moet worden gebruikt. Dit is niet alleen in het belang van ouderen met een migrantenachtergrond, maar ook van mensen die laaggeletterd zijn. Voor apotheken is sinds 2009 hiervoor een nuttig instrument beschikbaar: de zogenoemde balieklapper.3
Deelt u de mening dat zorg, waaronder die van apothekers, voor iedereen toegankelijk moet zijn? Zo ja, deelt u voorts de mening dat die toegankelijkheid voor mensen met een taalbarrière op dit moment voldoende gegarandeerd is?
Ja, ik deel de mening dat de zorg in Nederland voor iedereen toegankelijk moet zijn. Er zijn verschillende manieren waarop zowel de cliënt als de zorgverlener hulp kunnen inschakelen als er sprake is van een taalbarrière.
Zo nemen ouderen vaak iemand uit hun netwerk van familieleden en mantelzorgers mee als zij gebruik maken van zorg. Dit betreft ook veel oudere migranten. Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) heeft samen met het Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten (NOOM) en Marokko Media een website ontwikkeld met meer informatie en hulpmiddelen voor dit netwerk van familie en mantelzorgers. Op www.zorgvoorjeouders.nl kunnen zij informatie vinden over de zorg in Nederland, de meeste voorkomende ziektes en informatie over het goed gebruik van medicijnen. Als oudere migranten bepaalde problematiek niet in aanwezigheid van familie willen bespreken kunnen zij zelf de tolkentelefoon inschakelen.
Deelt u bovendien de mening dat het belangrijk is dat artsen en apothekers goed met allochtone patiënten moeten kunnen communiceren, zeker gezien het feit dat migranten op leeftijd, in vergelijking met autochtone ouderen, vaker een gezondheidsachterstand hebben?
Zorgverleners moeten in staat zijn om zorg op maat te bieden, rekening houdend met de vaardigheden en achtergrond van de patiënt. Om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen de zorg krijgen die zij nodig hebben, is het van belang dat er professionele standaarden zijn die vanuit het cliëntperspectief zijn geschreven. Naar aanleiding van de motie van mevrouw Bruins Slot zal ik het Kwaliteitsinstituut vragen om informatie over kwaliteit van zorg ook toegankelijk te maken voor laaggeletterden. De in het antwoord op vraag 2 genoemde balieklapper vind ik een goed voorbeeld hiervan.
Wat is uw reactie op de stelling dat de kwaliteit van de zorg lijdt onder de bezuiniging op medische tolken, bijvoorbeeld doordat behandelingen vertraging oplopen door de taalbarrière?
Ik heb geen gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg aantoonbaar zou lijden doordat de inzet van tolken niet meer centraal wordt vergoed. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft ook geen meldingen ontvangen van incidenten die betrekking hadden op taalproblemen in de zorg.
Zoals ik heb aangegeven kunnen mensen er zelf voor kiezen om een professionele tolk in te schakelen of een familielid, mantelzorger of vrijwilliger mee te nemen als zij gebruik maken van zorg. Daarnaast zijn zorgverleners gehouden zich in te spannen om zo goed mogelijk met patiënten te communiceren vanuit hun verantwoordelijkheid voor goede informatie en het informed consent.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat huisartsen zonder tolk vaker doorverwijzen?
De zorgverlener moet goed kunnen inspelen op de verschillen tussen patiënten en moet de zorgverlening optimaal afstemmen op de individuele behoeften en mogelijkheden. Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven hebben zowel patiënten als zorgverleners een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede onderlinge communicatie. Mensen die minder goed onder woorden kunnen brengen welke klachten zij hebben worden soms eerder doorverwezen voor nader onderzoek. Ik vind het om die reden van belang dat de patiënt zich inspant om in het Nederlands te kunnen communiceren.
Kunt u aangeven hoeveel extra zorgkosten er jaarlijks gemaakt worden, doordat artsen eerder doorverwijzen of de behandeling vertraagd wordt, omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen indicatie van extra zorgkosten die gemaakt worden omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is en deze zelf geen informele of professionele tolk heeft ingeschakeld. Uit bijgevoegde kosten- en opbrengstenanalyse van tolkdiensten is, met kanttekeningen, op te maken dat op het moment dat tolken nog vergoed werden door de overheid, voor wat betreft huisartsen en ggz-instellingen de kosten voor het toenmalige gebruik van professionele tolken ongeveer € 7 miljoen bedroegen en de opbrengsten ongeveer € 3,5 miljoen. Overigens is in het rapport op enkele punten bedrijfsgevoelige informatie weggelakt.
Deelt u de mening, zeker gezien de uitspraak dat er jaarlijks meer zorgkosten gemaakt worden door sneller doorverwijzen, dat de inzet van tolken in de zorg juist zorgkosten kan besparen?
Ik deel de mening niet dat het collectief financieren van tolken leidt tot kostenbesparingen. Als in de zorg alleen gebruik gemaakt wordt van collectief vergoede, professionele tolken leidt dit (op basis van de kosten- en batenanalyse uit 2009) mogelijk zelfs tot een toename van zorgkosten. De inzet van tolken door mensen zelf is één van de mogelijkheden om zorgkosten te besparen. De patiënt en de zorgverlener kunnen samen ook zoeken naar andere oplossingen om een taalbarrière te overbruggen.
Wanneer kan de Kamer de resultaten van het onderzoek naar de problemen in de praktijk, na afschaffing van de tolkenvergoeding in de zorg, tegemoet zien?
Bij de behandeling van de begroting heb ik toegezegd om de huidige praktijk te onderzoeken met betrekking tot de vergoeding van tolken in de zorg en waar de problemen zitten ten aanzien van informed consent. Ik betrek hierbij ook zorgverzekeraars en de KNMG. Ik informeer u hierover door de voorjaarsnota 2013, dus uiterlijk in mei 2013.
De werking van het in-car alarmeringssysteem eCall, waarover bij hulpdiensten onduidelijkheid heerst |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brandweer vreest loze meldingen autoalarm», over het in-car alarmeringssysteem eCall, dat bij ongevallen automatisch de hulpdiensten waarschuwt en waarover bij hulpdiensten in Friesland onduidelijkheid heerst?1
Ja.
Zijn de hulpdiensten voldoende geïnformeerd en voorbereid op de invoering van het eCall-systeem? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om de hulpdiensten voor te bereiden op de invoering van het eCall-systeem?
Tot nu toe is er nog geen Europees voorstel tot verplichting van eCall. Ik verwacht een dergelijk voorstel overigens wel voor de zomer. Samen mijn collega van VenJ werk ik nu al (in het HeERO project) aan technische specificaties, ontwerp en organisatie van het toekomstige eCall systeem. De hulpdiensten worden hier actief bij betrokken. Op 6 december 2012 is een eerste informatiesessie voor de hoofden van de meldkamers geweest. Ik wil u overigens aangeven dat de verantwoordelijkheid voor het ontvangen en afhandelen van eCall noodoproepen («112-meldingen») bij mijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie berust.
Klopt het dat het eCall-systeem direct wordt gekoppeld aan de 112-alarmcentrale en dat er geen andere centrales (bijvoorbeeld de centrale van de autoproducent of de ANWB) als intermediair worden ingeschakeld?
Nederland hoeft hierin geen keuze te maken. Beide opties zijn mogelijk en zullen waarschijnlijk ook naast elkaar gebruikt gaan worden. Dit moet nog verder uitgewerkt worden. Opzet van het door Europa voorgestelde eCall systeem is dat er rechtstreeks contact is tussen het voertuig en de alarmcentrale. Er wordt echter niet voorgeschreven of dat direct via 112 of via een particuliere alarmcentrale gaat. In het HeERO-project gebruikt Nederland een directe koppeling met de 112-centrale.
Zal het aantal meldingen aan 112-alarmcentrales met de invoering van het eCall-systeem toenemen? Zo ja, zijn de 112-alarmcentrales voldoende toegerust voor een toename van het aantal meldingen?
Het eCall systeem is een toevoeging aan de bestaande mogelijkheden om de hulpdiensten te informeren door automatisch een melding te genereren als de auto een zwaar ongeval heeft gehad. Dit zijn bijvoorbeeld gevallen waarin de inzittenden zelf niet in staat zijn om 112 te bellen. Juist in deze gevallen kan het gebruik van eCall de aanrijtijden van hulpdiensten verkorten (gemiddeld ca. 4 minuten). Zelfs als eCall verplicht wordt zal het nog een aantal jaren duren voordat het hele wagenpark hiermee uitgerust zal zijn. Dit betekent dat in de eerste jaren de eCall meldingen nog beperkt zullen zijn en dat de ervaring zal leren of aanvullende maatregelen nodig zullen zijn.
Stuurt het eCall-systeem bij elk ongeval automatisch een melding naar de alarmcentrale dat er een ongeval heeft plaatsgevonden of maakt het eCall-systeem een onderscheid in de zwaarte van het ongeval?
Er is nog niet Europees vastgelegd aan welke eisen een systeem precies moet voldoen om «eCall systeem» te mogen heten. Deze eisen zullen (net als alle voertuigeisen) uiteindelijk worden vastgelegd in zogenaamde typegoedkeuringseisen. Onderdeel daarvan is dat er alleen een melding wordt gegenereerd als de auto een zwaar ongeval heeft gehad, waarbij bijvoorbeeld de airbag is geactiveerd of extreem hoge vertragingen worden gemeten. Dit om activering bij bijvoorbeeld parkeerschade e.d. te voorkomen.
De NMa opinie "Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie" |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de opinie van de Nationale Mededingingsautoriteit (NMa) «Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke mening over deze opinie?
Bij de koers voor de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), want daar gaat deze opinie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over, spelen veel belangen een rol. Binnen de huidige voorstellen voor het GLB wordt de positie van de primaire producent versterkt door producentenorganisaties in alle sectoren van de landbouw toe te staan. Het kabinet steunt dit voorstel van de Europese Commissie om op deze manier de marktmacht van primaire producenten te versterken. Deze producentenorganisaties dienen zich wel aan de mededingingsregels te houden. Hoe die regels er voor de agrarische sector precies uit gaan zien, is een punt dat in deze eindfase van de onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie met een goede betrokkenheid van u als nationaal parlement duidelijk moet worden. De Landbouwcommissie van het Europees Parlement heeft hier reeds stelling in genomen. Volgens mij moeten we een weg vinden die recht doet aan zowel de situatie van de primaire producent, als aan de rol die mededinging speelt bij onder meer vernieuwing en slagkracht van de agrarische sector.
Deelt u de mening dat de NMa in deze opinie een waardeoordeel geeft over Europarlementariërs en indirect over de leden van de Tweede Kamer door onder andere te stellen dat «Europarlementariërs de problemen in de Europese landbouw niet oplossen», «... zeggen ... nee tegen vernieuwingen» en «... oproep die we in Nederland ook nog wel eens horen», en dat zij meent de politiek te moeten beïnvloeden door onder andere te stellen: «... moeten we een geluid laten horen dat we deze weg niet op moeten»?
Nee.
Deelt u de mening dat de onafhankelijkheid van de NMa hiermee is aangetast? Zo ja, wat gaat u ondernemen om de onafhankelijkheid weer te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De NMa geeft aan wat in haar ogen en vanuit haar ervaring, als mededingingsautoriteit, nodig is bij de hervorming van het GLB. Dit strookt met de onafhankelijke positie van de NMa. Tegelijkertijd voert de Staatssecretaris van Economische Zaken de onderhandelingen over het GLB in Brussel. De NMa zal conform de uiteindelijk overeengekomen Europese kaders toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Vindt u dat een Chief Economist NMa of überhaupt een medewerker van de NMa dit soort zwaar politiek inhoudelijke opinies mag publiceren? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u ondernemen om dit in de toekomst te voorkomen én welke sanctie treft u richting de Chief Economist?
De NMa geeft vanuit haar economische expertise aan hoe zij aankijkt tegen de hervormingen in het GLB en de rol die mededinging daar in zou moeten nemen. Zoals ik in het vorige antwoord al heb verwoord, heeft de NMa een onafhankelijke positie die ruimte biedt om zulke opinies te verwoorden. Aan deze opinie van de NMa over de hervormingen van het GLB ligt een gezamenlijk statement ten grondslag van de hoofden van de Europese mededingingsautoriteiten dat op 21 december 2012 is gepubliceerd op de website van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie. Het standpunt van Nederland ten aanzien van de hervorming van het GLB is door het kabinet in samenspraak met de Tweede Kamer bepaald.
De NMa zal conform de Europese kaders van het GLB, zoals die na de hervorming zullen gelden, toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Het bericht dat er nauwelijks controle is op het rookverbod in de horeca |
|
Pia Dijkstra (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nauwelijks controle op rookverbod»?1
De strekking van het bericht laat ik voor rekening van de Telegraaf.
Is het waar dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2012 slechts 3000 gerichte rookcontroles uitvoerde, terwijl het rookverbod in ruim 60.000 horecagelegenheden geldt? Zo ja, deelt u de mening dat dit te weinig controles zijn om het rookverbod effectief te handhaven?
De gehele horecasector bestaat uit ongeveer 43.000 horecagelegenheden. Daarnaast is er de paracommerciële sector van verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen die een buffet of kantine in eigen beheer hebben.
Uitsluitend binnen de cafésector en de discotheekbranche wordt het rookverbod slecht nageleefd. Het betreft een segment van ongeveer 10.000 horeca-inrichtingen. Binnen dit segment hebben in 2012 3154 gerichte inspecties plaatsgevonden. Binnen de huidige mogelijkheden van de NVWA is het toezicht zo optimaal mogelijk vormgegeven.
Klopt het dat de NVWA in sommige delen van Nederland geen controles uitvoert? Zo ja, kunt u aangeven in welke delen van Nederland er wel en in welke delen er niet wordt gecontroleerd, en bent u bereid de controles gelijkmatiger over het land te verdelen?
Dit klopt niet, in principe wordt een verantwoorde spreiding nagestreefd.
Uiteraard wordt in dunbevolkte gebieden minder gecontroleerd. Daarbij is ook een adequate ondersteuning van de politie bij gerichte acties een punt van betekenis.
In bijgaand2 overzicht uit 2012 staan de controlebezoeken per gemeente weergegeven.3
Klopt het dat de NVWA in sommige horecagelegenheden meerdere controles uitvoert, terwijl andere zaken nooit worden gecontroleerd? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Het kan zeker voorkomen dat sommige horecagelegenheden frequenter worden gecontroleerd dan andere omdat ze als notoire overtreder te boek staan. Het kan ook zijn dat door toeval andere gelegenheden nooit gecontroleerd zijn, of omdat er nooit klachten over zijn gemeld.
Sinds het najaar van 2012 gaat de NVWA vaker over op integrale gemeentelijk controle om alle bij elkaar gelegen horecagelegenheden binnen een kort tijdsbestek te kunnen controleren.
Hoeveel inspecteurs stelt de NVWA beschikbaar voor het handhaven van het rookverbod?
Zeven horecateams zijn naast het toezicht op de voedselveiligheid tevens belast met het toezicht op de rookvrije horeca. De formatie van het aantal inspecteurs bedraagt 144,7.
In hoeveel gevallen hebben controles in 2012 geleid tot maatregelen, zoals waarschuwingen en boetes? Kunt u het totaal aantal van de maatregelen uitsplitsen naar waarschuwingen, eerste overtredingen (600 euro), tweede overtredingen (1200 euro), derde overtredingen (2400 euro) en vierde overtredingen (4500 euro)?
Het aantal schriftelijke waarschuwingen bedroeg 352. Voor een eerste overtreding zijn 1 394 boetes opgelegd (114 nog van € 300 en 1 280 van € 600), voor een tweede overtreding 181 (30 nog van € 600 en 151 van € 1200), voor een derde overtreding 84 (13 nog van € 1 200 en 71 van € 2400) en voor een vierde overtreding 62 (3 nog van € 2 400 en 59 van € 4 500).
Klopt het dat de NVWA naast de rookcontroles nog 13.000 andere inspecties heeft uitgevoerd naar onder meer brandveiligheid en hygiëne, en dat bij een deel van die controles ook gekeken is of er asbakken op tafel staan?2 Kunt u aangeven om hoeveel extra «asbakcontroles» het gaat? In hoeveel gevallen hebben deze controles geleid tot maatregelen?
Naast de gerichte rookcontroles hebben er nog 14.074 voedselveiligheidinspecties binnen de horeca plaatsgevonden, waarbij het roken eveneens een aandachtspunt is.
Voor wat betreft het rookverbod hebben deze controles geleid tot het opmaken van 200 schriftelijke waarschuwingen en 485 boeterapporten.
Hoeveel gerichte rookcontroles bent u voornemens uit te voeren in 2013?
Voor 2013 staan 4000 gerichte rookcontroles gepland.
Bent u bereid het aantal rookinspecties structureel te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik onderzoek op dit moment de mogelijkheden om de handhavingscapaciteit te vergroten. De ontwikkeling van de benodigde capaciteit is mede afhankelijk van de stand van de naleving.
De handhaving van het rookverbod in de horeca |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nauwelijks controle op rookverbod»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vorig jaar 3000 rookcontroles heeft uitgevoerd, terwijl het rookverbod in 60.000 horecagelegenheden geldt?
Vorig jaar zijn 3154 rookcontroles uitgevoerd gericht op cafés en discotheken.
De gehele horecasector bestaat uit ongeveer 43.000 horecagelegenheden. Daarnaast is er de paracommerciële sector van verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen die een buffet of kantine in eigen beheer hebben.
Naast de gerichte rookcontroles hebben 14.074 voedselveiligheidinspecties binnen de horeca plaatsgevonden, waarbij het roken eveneens een aandachtspunt is.
Vindt u een rookcontrole in 5% van de horecagelegenheden voldoende voor adequaat toezicht? Zo ja, waarom? Zo nee, bij welk percentage is dat volgens u wel het geval?
Uitsluitend binnen de cafésector en de discotheekbranche wordt het rookverbod slecht nageleefd. Het betreft een segment van ongeveer 10.000 horeca-inrichtingen. Alleen binnen dit segment hebben in 2012 de 3154 gerichte inspecties plaatsgevonden. Binnen de huidige mogelijkheden van de NVWA is het toezicht zo optimaal mogelijk vormgegeven.
Klopt de stellingname van een in het artikel opgevoerde anonieme ex-inspecteur van de NVWA dat er regio’s zijn waar helemaal niet gecontroleerd wordt? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Deze stellingname neem ik niet voor mijn rekening. Uiteraard wordt in dun bevolkte gebieden minder gecontroleerd. Ook moet de ondersteuning van de politie bij de geplande acties toereikend zijn.
Kunt u een overzicht geven van het aantal controles per plaats in Nederland over het jaar 2012?
Bij de antwoorden op de vragen van de leden Dijkstra en Schouw (D66) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1481) heb ik een overzicht van het aantal controles per plaats over het jaar 2012 gevoegd.
Deelt u de mening dat het feit dat er slechts gering gecontroleerd wordt op de naleving van het rookverbod in de horeca geen verband houdt met de vormgeving van het rookverbod in de horeca? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mijns inziens is er geen sprake van een geringe controle-inspanning.
De gevolgen voor patiënten van het niet afsluiten van een contract tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam en zorgverzekeraar Achmea voor 2013 geen contract hebben afgesloten, omdat het eindbod van Achmea volgens het ziekenhuis te laag zou zijn?1 Wat is uw mening daarover?
De contractonderhandelingen zijn naar mijn informatie (nog) niet definitief afgerond. Ik heb er geen mening over anders dan dat dit een mogelijke uitkomst kan zijn in het decentrale sturingsmodel waarvoor we in ons gezondheidszorgstelsel hebben gekozen.
Welke gevolgen heeft dit voor patiënten die nu worden behandeld in het Slotervaartziekenhuis? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten van wie de behandeling doorloopt na 1 april 2013? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten die vanaf 1 april 2013 onder behandeling komen in het Slotervaartziekenhuis? Deelt u de mening dat het niet afsluiten van dit contract vooral vervelende gevolgen heeft voor patiënten? Hoe zou dit voorkomen kunnen worden?
Zorginhoudelijk voorzie ik geen problemen, noch voor de patiënten die al onder behandeling zijn bij het Slotervaartziekenhuis noch voor de patiënten die na 1 april met de behandeling wilden starten. Voor de laatste categorie is het afhankelijk van de polis; natura of restitutie. Voor natura verzekerden is het inderdaad vervelend dat hun polis dan niet alles meer vergoedt. Ik ga ervan uit dat Achmea betrokkenen hier tijdig voor waarschuwt zodat ze voor een ander ziekenhuis kunnen kiezen. Een andere mogelijkheid voor deze verzekerden kan zijn over te stappen naar een verzekeraar die wel een contract met het Slotervaartziekenhuis heeft (zie het antwoord op vraag2.
Dit kan voorkomen worden door de contractering af te ronden voordat verzekerden hun polis bij een verzekeraar afsluiten (conform het wetsvoorstel Verticale integratie dat sinds september 2012 in uw kamer ligt.
Deelt u de mening dat het niet goed is dat pas tijdens het nieuwe verzekeringsjaar opeens blijkt dat er geen contract wordt afgesloten tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis, zodat verzekerden ook niet meer van verzekeraar kunnen wisselen? Deelt u voorts de mening dat dit voorkomen zou kunnen worden door te garanderen dat contracten tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders voor half december worden afgesloten, zodat voor verzekerden duidelijk is waarop zij bij hun verzekeraar kunnen rekenen? Is dit mogelijk? Zo ja, wat kunt u doen om dit te bereiken?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat verzekerden, op het moment dat zij hun zorgverzekeraar kiezen, duidelijkheid hebben over welke zorgaanbieders de verzekeraar gecontracteerd heeft. Zoals gezegd ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer voor aanpassing van artikel 13 van de Zvw (Kamerstukken II 2011/12, 33 362 nrs. 1–3). Eén van de voorgestelde wijzigingen is dat zorgverzekeraars uiterlijk zes weken voor het einde van het jaar aangeven welke zorgaanbieders voor het nieuwe jaar gecontracteerd zijn (of welke niet). Gaat een verzekerde in het nieuwe verzekeringsjaar naar een aanbieder waarvan hij op bovengenoemde datum niet heeft kunnen weten dat er met die aanbieder geen contract zou zijn, dan heeft hij recht op de volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten. Als dit wetsvoorstel dit jaar wordt aangenomen en het wordt 1 januari 2014 van kracht, dan kan het zijn werking hebben voor de polissen voor het jaar 2015.
Welke mate van vrijheid hebben verzekeraars om wijzigingen aan te brengen in de in het voorafgaande jaar wel gecontracteerde zorg of in de betalingswijze door verzekerden (zoals het dwingen tot automatische incasso door zorgverzekeraar Menzis), gedurende het verzekeringsjaar? Deelt u de mening dat die vrijheid er alleen zou behoren te zijn als de verzekerde nog kan kiezen voor een andere verzekeraar?
Voor de laatste deelvraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Op de vraag welke mate van vrijheid verzekeraars hebben om wijzigingen aan te brengen in de polisvoorwaarden is mijn antwoord dat die vrijheid zover gaat als de wet toelaat. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan een schadeverzekering worden opgezegd als de verzekeraar de polis ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde wijzigt. Dat geldt ook voor zorgverzekeringen (behalve als de poliswijziging het directe gevolg is van een overheidswijziging in het te verzekeren pakket). Het is echter niet aan mij om te oordelen wanneer sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Kunt u een aantal behandelingen noemen waarvoor geldt dat patiënten van het Slotervaartziekenhuis niet het hele bedrag vergoed zullen krijgen, omdat het gemiddeld gecontracteerde tarief voor die behandeling lager is?
Afgaande op de door het Slotervaartziekenhuis bekend gemaakte tarieven voor 2013 en de door Achmea bekend gemaakte vergoedingen voor 2013, zal dat vrijwel voor elke behandeling het geval zijn.
Is het voor patiënten mogelijk om de vordering over te dragen aan het Slotervaartziekenhuis? Is het vervolgens mogelijk dat het Slotervaartziekenhuis de rekeningen alsnog indient bij Achmea voor een hoger, zogenaamd passantentarief? Is de zorgverzekeraar verplicht het passantentarief te betalen? Hoe veel hoger ligt het passantentarief? Is deze gang van zaken dermate voor de hand liggend dat rekening gehouden moet worden met overschrijdingen?
Ja, het is mogelijk dat patiënten hun vordering op de verzekeraar overdragen aan het ziekenhuis en het ziekenhuis kan de rekening indienen op basis van het passantentarief. De verzekeraar kan echter niet meer vergoeden dan waar de verzekerde recht op heeft. Een verzekerde met een restitutiepolis heeft – conform artikel 2.2 van het Besluit zorgverzekering – recht op een marktconforme vergoeding van de behandeling die hij heeft ondergaan en een naturaverzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, heeft in veel gevallen recht op een lager bedrag dan dat. Welk bedrag dat is, is afhankelijk van de polis. Vaak is het een bepaald percentage van de marktconforme restitutievergoeding. In het geliberaliseerde segment stellen ziekenhuizen de passantentarieven ieder voor zich in vrijheid vast. In het geval van het Slotervaartziekenhuis liggen de passantentarieven een factor 2 à 3 hoger dan de marktconforme vergoeding van Achmea. Gezien de hierboven genoemde wettelijke beperking aan de vergoeding ga ik er niet van uit dat als gevolg van het niet tot stand komen van het contract tussen het Slotervaartziekenhuis en Achmea overschrijdingen gaan ontstaan.
De financiële positie van Landstede MBO |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u het oordeel van het bestuur van Landstede MBO dat het goed komt met haar financiële positie en haar niet hetzelfde kan overkomen als Amarantis ondanks haar erkenning een half jaar geleden dat ze teveel hooi op de vork had genomen?1
Ongeacht de parallellen die te trekken zijn tussen de onderwijsinstellingen Landstede en Amarantis is de problematiek niet dezelfde, evenmin als de mogelijke ontwikkelingen en uitkomsten daarvan. Om die reden is het niet mogelijk reeds nu vooruit te lopen op die uitkomsten.
Deelt u de mening van het bestuur dat het een logische consequentie is dat een goede aansluiting op de beroepspraktijk zo’n mbo-instelling dwingt om het onderwijs te geven in zoveel gebouwen dat dit financiële problemen met zich meebrengt?
Ik deel de mening van het bestuur niet. In de praktijk zijn er vele andere besturen die het beroepsonderwijs budgettair sluitend weten aan te bieden.
Mbo-instellingen ontvangen een lumpsum en hebben de verantwoordelijkheid hun onderwijs en de daarbij behorende kosten te realiseren binnen de beschikbare middelen. Dat geldt ook voor de huisvesting. De huisvestingsportefeuille moet zo ingericht worden dat die vanuit de daarvoor beschikbare middelen gefinancierd kan worden.
Hoe beoordeelt u de opvatting van de opleiding Vormgeving en entertainment dat de kwaliteitsproblemen die de inspectie signaleert neerkomen op «wat druktemakerij»?
Deze opmerking wordt in het artikel van Trouw niet nader onderbouwd. Mogelijk wordt gedoeld op de inspectieonderzoeken bij de opleidingen Mediavormgever en AV-productie die in 2011 en eind 2012 hebben plaatsgevonden. Bij deze onderzoeken is geconstateerd dat het percentage gediplomeerde studenten van deze opleidingen beduidend lager is dan de landelijke norm, bij de opleiding AV-productie ligt dat percentage zelfs veel lager. In deze onderzoeken heeft de Inspectie ook vastgesteld dat de begeleiding (in het artikel in Trouw aangeduid als coaching) en het gebruik van de beschikbare leertijd onvoldoende waren. Daarnaast heeft de Inspectie in het onderzoek Staat van de instelling (2012) bij de opleidingen in de steekproef verscheidene tekortkomingen vastgesteld, waaronder bij drie van de vijf opleidingen een niet effectieve coaching. Het gaat hierbij om een aspect van onderwijskwaliteit. Ook op andere terreinen zijn in dit onderzoek belangrijke tekortkomingen geconstateerd, waaronder de examenkwaliteit. Naar aanleiding van deze bevindingen vindt op dit moment door de Inspectie nader onderzoek plaats. Op het punt van kwaliteit staat Landstede derhalve onder verscherpt toezicht van de Inspectie. Ik wil deze constateringen niet afdoen met de term «druktemakerij».
Acht u het opportuun om gerichte stappen te zetten teneinde te voorkomen dat Landstede MBO hetzelfde gaat overkomen als Amarantis? Zo ja, wat zullen deze stappen behelzen? Zo neen, waarom niet?
Landstede staat onder aangepast financieel toezicht wegens verhoogd risico. Dat betekent dat de Inspectie in overleg met het ministerie van OCW de ontwikkelingen bij Landstede nauwgezet in de gaten blijft houden en periodiek overleg blijft voeren met het College van Bestuur van Landstede.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, is de situatie van Landstede en Amarantis niet hetzelfde. Wel hebben beide instellingen zowel een kwalitatieve als een financiële problematiek. De Inspectie voert eind februari het eerstvolgende overleg met het College van Bestuur van Landstede. Uit dit overleg moeten afspraken voortkomen over verbetermaatregelen die het bestuur zal moeten treffen, met betrekking tot zowel de kwaliteit als de financiën en organisatie.
Het bericht dat de provincie Fryslân 50 km aan wandelpaden over boerenland schrapt |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Friesland dwars met boerenpaden» en «Kust- en eilandwandelen» waaruit blijkt dat de subsidie van de provincie Friesland om historische boerenpaden op te nemen in het project Waddenwandelen vervallen is?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de provincie Friesland om geen aanvragen in het kader van de regeling Boerenlandpad te honoreren en de gevolgen hiervan voor het netwerk van historische boerenpaden?
Deelt u de mening dat het een gemiste kans is als er een netwerk van eeuwenoude wandelpaden gerealiseerd is van Den Helder tot Borkum en dat door één dwarse provincie niet alle mogelijke historische paden in dit netwerk opgenomen zijn?
Wat vindt u van dit besluit gelet op de motie Jacobi en Van Gent c.s.2 over subsidievoorwaarden en het bevorderen van ommetjes en (historische) paden en wat komt er terecht van de extra impuls voor de openstelling van boerenland?
Hoe beoordeelt u het besluit van de provincie geen subsidie voor boerenpaden toe te kennen gelet op het feit dat sinds 2007 het voormalige Rijksbudget voor ommetjes en boerenlandpaden (2,4 miljoen) onderdeel uitmaakt van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)? Is dit de bedoeling geweest bij het verschuiven van de afhandeling van aanvragen van het Wandelnet naar de provincies in 2012?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als de aanvragers per provincie met verschillende regimes, subsidiebedragen en aanvraagprocedures te maken krijgen en dat het niet de bedoeling kan zijn dat er per provincie verschillende regelingen ontstaan, zoals nu uit het project Waddenwandelen blijkt?
Is het waar dat in het ILG een prestatie van 1000 kilometer boerenlandpad in 2013 afgesproken is met de provincies? Is deze prestatieafspraak behaald?
Het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea en dus mogelijk medicijnen contant moeten afrekenen?1
Het staat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vrij om wel of geen contract met elkaar af te sluiten. Het is van belang dat een zorgverzekeraar voldoende zorg contracteert om aan zijn zorgplicht te kunnen voldoen. Achmea heeft aangegeven met 1976 van de 1981 apotheken in Nederland een contract te hebben gesloten.
Verder heeft Achmea aangegeven dat de informatie uit het bericht feitelijk onjuist is. Bij de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente lopen de overeenkomsten door in 2013.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is wanneer patiënten contant moeten afrekenen wanneer zij bij hun eigen apotheek terecht willen?
Nee, die mening deel ik niet. Het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder. Dit kan voor verzekerden ertoe leiden dat zij contant af moeten rekenen en de declaratie in moeten dienen bij hun zorgverzekeraar. De vergoeding die zij ontvangen van hun zorgverzekeraar is afhankelijk van de polisvoorwaarden. Ingeval van een restitutiepolis heeft de verzekerde recht op een marktconforme vergoeding, ingeval van een naturapolis bepaalt de zorgverzekeraar de hoogte van de vergoeding (via art. 13 Zvw).
Daarbij geldt dat indien het niet contracteren van een apotheek kan worden beschouwd als een polisverslechtering de verzekeringnemer een opzegrecht heeft. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als Achmea eind 2012, toen de polissen voor 2013 werden gesloten, de indruk heeft gewekt dat de betreffende apotheek wel gecontracteerd zou worden.
Het is echter niet aan mij om te oordelen of hier sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Is het waar dat verschillende Achmeaverzekerden in Enschede nu al niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Om hoeveel patiënten gaat het? Hoever moeten deze patiënten reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Patiënten kunnen in principe nog steeds terecht bij hun «eigen» apotheek, alleen de vergoeding die zij ontvangen kan wijzigen ten opzichte van de situatie waarin er wel een contract was afgesloten tussen de apotheek en de zorgverzekeraar. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 2. Zorgverzekeraars hebben verder een zorgplicht. Voor verzekerden met een polis waarbij de zorgverzekeraar zorgaanbieders heeft gecontracteerd (doorgaans de naturapolis) moet de zorgverzekeraar zorg op een «redelijke afstand» van de woonplaats van de verzekerde aanbieden en «tijdig» leveren. In het veld worden zogenaamde streefnormen met betrekking tot de tijdigheid gehanteerd. Zo mag de toegangstijd tot de apotheek voor consumenten maximaal 1 werkdag bedragen. Wat een redelijke afstand is, verschilt per zorgsoort en is niet in normen of regelgeving vastgelegd. De NZa houdt toezicht op het naleven van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
Achmea heeft aangegeven dat drie apotheken in Enschede hun overeenkomst met Achmea hebben opgezegd. Achmea heeft een contract met 14 van de 17 apotheken in Enschede en heeft haar verzekerden per brief geïnformeerd over de mogelijke alternatieven. De brief is verzonden aan in totaal 2155 verzekeringsnemers die woonachtig zijn binnen postcodegebieden rondom de niet gecontracteerde apotheken. Niet alleen de verzekerden maar ook de omliggende apotheken en de huisartsen in de omgeving zijn per brief geïnformeerd door Achmea. De alternatieve apotheken die Achmea heeft gecontracteerd zijn allemaal gelegen binnen een acceptabele reisafstand en er worden tevens alternatieve distributievormen aangeboden, zoals een bezorgservice. Daarnaast is een groep verzekerden gebeld door Achmea om eventuele vragen te beantwoorden en ondersteuning te bieden bij het overstappen naar een alternatieve apotheek.
Verder heeft Achmea een coulanceperiode ingesteld. Bij declaratie door de verzekerde van een factuur met betrekking tot vóór 1 april a.s. verstrekte medicijnen, wordt 100% van het marktconforme tarief vergoed door Achmea. Bovendien heeft Achmea met de apotheken afgesproken dat in een bijzondere situatie, bijvoorbeeld een hoog bedrag op de factuur, een apotheek na overleg eventueel rechtreeks bij Achmea kan declareren, zodat de verzekerde een dergelijk hoog bedrag niet eerst zelf hoeft voor te schieten.
Hoeveel Achmeaverzekerden kunnen in de toekomst niet meer terecht bij hun eigen apotheek? Hoever moeten Achmeaverzekerden uit Hengelo, Borne en Hof van Twente straks reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 1 heeft Achmea mij gemeld met de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente een contract te hebben. Verder verwijs ik u graag naar mijn reactie op vraag 3 waarin ik heb toegelicht dat het niet tot stand komen van een contract in principe geen knelpunt hoeft te zijn zolang de zorgverzekeraar zijn zorgplicht naleeft en zijn verzekerden tijdig en voldoende informeert over de consequenties. De NZa houdt hier toezicht op.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer mensen gedwongen moeten wisselen van apotheek? Deelt u voorts de mening dat gedwongen wisselen van apotheker problemen kan opleveren, bijvoorbeeld bij ouderen of chronisch zieken die hun vertrouwde apotheek veelvuldig bezoeken, waardoor hun medicijngebruik bekend is bij de apotheker? Deelt u tevens de mening dat de veiligheid van medicijngebruik hierdoor achteruit gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het wisselen van apotheek kan voor sommige mensen vervelend zijn. Ik ga er echter vanuit dat zorgverzekeraars apotheken contracteren die goede kwaliteit van zorg leveren en zich dus op de hoogte stellen van het meest actuele geneesmiddelengebruik van de patiënt. Dit is vastgelegd in de beroepsnormen van apothekers en «de Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten» verplicht hiertoe. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u er aan doen om te zorgen dat patiënten die verzekerd zijn bij Achmea bij alle apotheken blijvend terecht kunnen, zonder contant te moeten afrekenen of een eigen bijdrage te moeten betalen?
Het is niet mijn verantwoordelijkheid om op te treden in de contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Zolang Achmea zijn verzekerden goed en tijdig informeert en zijn zorgplicht nakomt is er voor mij geen reden om stappen te ondernemen.
Vindt u niet ten principale dat de keuzevrijheid van patiënten om hun apotheek naar keuze te kunnen kiezen in het geding is bij een dergelijk financieel conflict tussen een verzekeraar en een apotheker? Zo neen, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Zorgverzekeraars hebben de verantwoordelijkheid gekregen om de zorg toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief op niveau te houden in het belang van zijn verzekerden. Hiertoe sluiten zorgverzekeraars contracten met zorgaanbieders en het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt. De verzekerde kan jaarlijks de verzekeraar kiezen die het beste bij hem past. De ene verzekeraar zal selectiever contracteren, de andere wat ruimer. Ingeval van een naturapolis dienen verzekerden er rekening mee te houden dat zij alleen recht hebben op een volledige vergoeding van zorg indien zij naar een door de verzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder gaan. Een verzekerde kan echter altijd naar de zorgaanbieder van eigen keuze gaan, maar indien er geen contract is afgesloten zal hij of een restitutiepolis moeten hebben of mogelijk een deel van de kosten zelf moeten betalen.
De positie van forensische accountants bij onderzoek naar fraude |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Maak advocaat leidend bij fraude»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, aangezien forensische accountants sinds kort ook onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, het de intentie van de wetgever is geweest dat in geval deze accountants bij een onderzoek in een onderneming op frauduleuze transacties uit het verleden stuiten, die inderdaad gemeld dienen te worden? Zo ja, welke sancties staan er op het niet melden van dergelijke transacties? Zo nee, waarom niet?
Melding van een dergelijke transactie kan verplicht zijn voor zover de accountant van die transactie heeft kennisgenomen ten behoeve van zijn dienstverlening aan een cliënt en die transactie een handeling of samenstel van handelingen betreft van of ten behoeve van die cliënt. In geval van overtreding van de meldingsplicht zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties en maatregelen mogelijk. Het Bureau Financieel Toezicht kan als toezichthouder een boete of een dwangsom opleggen. Verder is het onterecht niet melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar met hechtenis van ten hoogste zes maanden (in geval van opzet: twee jaren), een taakstraf of geldboete van maximaal 19.500 euro. Het maximum van de geldboete is hoger bij veroordeling van een rechtspersoon en indien de betrokken transacties een waarde vertegenwoordigen van meer dan 4875 euro.
Deelt u de mening dat als een forensisch accountant opeens op verdachte zaken uit het verleden stuit waarbij er sprake is van gegevens waarvan de melding wettelijk verplicht is, het melden van die gegevens ook beoogd is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het uitgangspunt, zoals dat blijkt uit de zinsneden dat «het te laat is om de forensisch accountant te weerhouden van zijn meldplicht», een in ieder geval naar de intentie van de wet verkeerd uitgangspunt is? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op beide vragen is ja. Per 1 januari 2013 is de WWFT op een aantal punten inhoudelijk gewijzigd. Eén van de wijzigingen betrof de werkzaamheden van de forensische accountancy. Forensische accountancyopdrachten, ongeacht of deze samenhangen met het samenstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening, vallen onder de WWFT. Het uitgangspunt van de wet is dat ongebruikelijke transacties die onder de meldplicht vallen dienen te worden gemeld. Het niet naleven van die meldplicht kan bestuursrechtelijk of strafrechtelijk worden gesanctioneerd.
Klopt het in het bericht gestelde dat als een advocaat de leidende persoon in een forensisch onderzoek is, dat de door die advocaat ingeschakelde forensisch accountant geen meldplicht zou hebben? Zo ja, hoe kant een leidende rol van een advocaat in deze worden afgebakend? Zo ja, deelt u de mening dat daarmee op een niet door de wetgever beoogde manier aan die meldplicht wordt ontkomen en dat dit niet in het belang is van fraudebestrijding bij ondernemingen? Zo ja, wat gaat u doen om de forensisch accountant die onder leiding van een advocaat onderzoek doet toch aan zijn meldplicht te houden? Zo nee, waarom niet en wilt u de relevante beroepsgroepen dan uitdrukkelijk op hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de meldplicht wijzen?
Of de forensisch accountant een meldplicht heeft hangt af van de rol die de advocaat vervult die opdrachtgever is van de forensisch accountant. Indien de advocaat werkzaamheden verricht waarop voor hemzelf het verschoningsrecht van toepassing is, dan mag de forensisch accountant zich op het afgeleide verschoningsrecht beroepen en geldt geen meldplicht. Dit doet zich voor bij werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van de WWFT: de bepaling van rechtspositie van de cliënt, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Blijkens de wetsgeschiedenis dient dit restrictief te worden uitgelegd2. Voorkomen dient te worden dat door het enkel inschakelen van een advocaat het toezicht en de meldplicht illusoir worden gemaakt (misbruik afgeleid verschoningsrecht). In ieder concreet geval dient dan ook te worden toegelicht wat de rol en functie is van de advocaat. Als de advocaat werkzaamheden verricht waarop het verschoningsrecht niet van toepassing is, bijvoorbeeld als mediator of curator, dan kan de forensisch accountant geen beroep doen op het afgeleid verschoningsrecht en geldt de meldplicht onverkort.
Bestaan er beroepsgroepen die wel onder de Wwft en daaruit voortvloeiende meldplicht vallen, maar waarbij dat niet opgaat als zij hun beroep uitoefenen onder de regie of leiding van een beroepsbeoefenaar waarvoor een verschoningsrecht geldt? Zo ja, welke beroepsgroepen betreft dit? Zo ja, ziet u dit als een probleem en hoe gaat u dit oplossen?
Het in antwoord op vraag 4 ten aanzien van forensische accountants gestelde geldt ook voor alle andere beroepsgroepen die onder de Wwft vallen, zoals autohandelaren en belastingadviseurs. Met inachtneming van de in antwoord 4 gemaakte kanttekening over de restrictieve uitleg die misbruik van het afgeleid verschoningsrecht moet voorkomen zie ik dat niet als een probleem.
Het bericht: “Rechter kent wet niet goed“ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechter kent wet niet goed»?1
Ja.
Klopt het dat er in Nederland onnodig veel mensenhandelaren op vrije voeten komen omdat rechters de wet niet voldoende kennen?
Uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat het aantal vrijspraken in mensenhandelzaken relatief hoog is. Om onnodige vrijspraken in mensenhandelzaken te voorkomen is specialisatie en opbouw van expertise binnen de gerechten nodig. In antwoord op schriftelijke vragen van het lid Van der Steur van 28 december 20122 informeerde ik uw Kamer reeds over de nodige afspraken die in dit kader binnen het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) zijn gemaakt. Sinds 1 januari 2013 is per gerecht de behandeling van mensenhandelzaken geconcentreerd bij een klein aantal rechters en juridisch medewerkers met expertise op dit gebied. Mensenhandelzaken die worden aangebracht door het Landelijk Parket worden afgedaan bij vier speciaal daartoe aangewezen gerechten. Daarmee is gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel om te specialiseren binnen de rechterlijke macht.
Hoe verhoudt dit zich tot hetgeen in het regeerakkoord staat, namelijk dat mensenhandel harder bestreden zal worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, waarin zij aangeeft dat zij in haar laatste onderzoek heeft laten zien dat er vrijspraken zijn geweest als gevolg van een gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de uitspraak van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dat het heel lastig is om een mensenhandelaar op te sporen? Deelt u de mening dat het dan erg onbevredigend is dat een dergelijke crimineel vervolgens wordt vrijgelaten door gebrek aan kennis bij rechters? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat voorkomen moet worden dat dergelijke criminelen vrijkomen door een gebrek aan kennis bij rechters. Juist om die reden is ingezet op specialisatie en expertiseopbouw binnen de Rechtspraak.
Welke maatregelen gaat u nemen om er per direct voor te zorgen dat rechters geen mensenhandelaren meer vrij laten wegens gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel, maar in plaats daarvan de onlangs verhoogde straffen opleggen?
Zie antwoord vraag 2.
Het rapport Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart» van Panteia en Significance?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat studenten gemiddeld € 1355 meer kwijt zijn aan reiskosten bij afschaffing van de ov-kaart zonder aanpassing van het reisgedrag en € 1053 na aanpassing van het reisgedrag? Welke kans ziet u om studenten effectief te compenseren voor de extra kosten bij afschaffing van de ov-kaart?
Het is goed dat de openbaar vervoerbedrijven een eerste aanzet hebben gedaan in het inzichtelijk maken van de kosten als gevolg van de voorgenomen besparing op de reisvoorziening. De berekeningen in het rapport van Panteia en Significance zijn echter gebaseerd op de aanname dat de huidige reisvoorziening wordt afgeschaft en er geen andere voorziening voor in de plaats komt. Dit terwijl het nadrukkelijke streven van het kabinet is om wél een alternatief vervoersarrangement voor studenten vorm te geven. De (financiële) effecten voor studenten zullen dan aanmerkelijk kleiner zijn.
Welke vorm het arrangement precies krijgt en welke effecten zich zullen voordoen, is nog onbekend. De openbaar vervoerbedrijven hebben hierop ook invloed aangezien het nieuwe vervoersarrangement in samenwerking en onderhandeling met de vervoerbedrijven zal worden vormgegeven.
Niettemin zal de gemiddelde student vanaf 1 januari 2016 met hogere reiskosten te maken krijgen. Dat is een gevolg van de bewuste keuze van het kabinet om te besparen op de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud en reizen teneinde de vrijkomende middelen te investeren in de kwaliteit van onderwijs.
Ondersteunt u de conclusie dat de student na afschaffing van de ov-studentenkaart 45% minder met het ov gaat reizen dan hij nu gratis reist? Acht u dit een wenselijk scenario?
Dit percentage zal naar verwachting lager uitvallen wanneer een alternatief vervoersarrangement is vorm gegeven.
Hoeveel reizen studenten maken met het openbaar vervoer is uiteindelijk hun eigen afweging. Op dit moment kunnen studenten doordeweeks danwel in het weekend vrij reizen met de reisvoorziening die door de overheid wordt bekostigd. Dat betekent dat overheidsmiddelen deels niet doelmatig worden besteed. Ongeveer 30% van het totaal aantal gereisde kilometers wordt gemaakt met een niet-onderwijsgerelateerd doel.
Ondersteunt u de conclusie dat naar schatting 50.000 studenten ervoor zullen kiezen op zichzelf te gaan wonen als gevolg van de afschaffing van de ov-studentenkaart? Denkt u dat er betaalbare woonruimte voor deze studenten beschikbaar is?
Ik ondersteun de conclusie niet. In het onderzoek wordt als uitgangspunt genomen dat de reisvoorziening wordt afgeschaft terwijl de invloed van een alternatief vervoersarrangement niet in het onderzoek is meegenomen (zie ook mijn antwoord op vraag 2. Veel is afhankelijk van de uiteindelijke vorm van het nieuwe vervoersarrangement.
De landelijke monitor studentenhuisvesting die door Kences samen met het ministerie van BZK in 2012 is ontwikkeld, volgt de vraag-/aanbodverhouding per stad. Deze monitor is te vinden op www.wonenalsstudent.nl.
Ondersteunt u de conclusie dat het aanbod van openbaar vervoer zal dalen met gemiddeld tussen de 12,5% (bus, tram, metro) en 10,4% (trein)? Vindt u dit een wenselijk scenario?
Studenten vormen een substantieel deel van openbaar vervoerreizigers (oplopend tot 25 à 40% in de spits). Daar is deel van het openbaar vervoersysteem op gebouwd en ook de businesscases van de verschillende vervoerders. Echter, zoals ook in de antwoorden op de vragen 2 en 3 is aangegeven, zullen de effecten op het openbaar vervoer lager uitvallen dan vermeld in het rapport omdat er wordt voorzien in een alternatief vervoersarrangement voor studenten. Daarnaast zijn in het onderzoeksrapport niet alle effecten meegewogen. Zoals een mogelijk minder grote druk van studenten op de ochtendspits. Wanneer minder materieel in de spits ingezet hoeft te worden of er meer ruimte voor andere betalende reizigers ontstaat, kan dat een positief effect hebben op het openbaar vervoer en leiden tot het beter benutten van de beschikbare capaciteit. Bij de vormgeving van het nieuwe vervoersarrangement zullen daarom zowel positieve als negatieve effecten worden meegewogen.
Zoals ik ook in mijn hoofdlijnenbrief Studiefinanciering van 18 januari 2013 heb aangegeven, zal ik bij de voorbereiding van het vormgeven van het nieuwe vervoersarrangement samenwerken met onder meer de minister van Infrastructuur en Milieu, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de decentrale overheden.
Ondersteunt u de conclusie dat de afschaffing van de ov-jaarkaart zal leiden tot extra milieuschade en files als gevolg van een toename van het autogebruik? Acht de u dit wenselijk?
Ik ondersteun de conclusie niet. De in het rapport genoemde effecten zijn om bovengenoemde redenen erg voorbarig. In het rapport wordt bovendien alleen gespeculeerd over mogelijke negatieve effecten van veranderingen rond de reisvoorziening. Daartegenover kunnen ook de positieve effecten worden geplaatst. Bijvoorbeeld kunnen studenten voor de korte afstanden ervoor kiezen de fiets te nemen in plaats van een bus. Dat is goed voor gezondheid en milieu.
Hoe verhoudt de afschaffing van de ov-studentenkaart zich tot het actieplan «Groei op het spoor»?
Met de uitvoering van het Actieplan «Groei op het spoor» is er naar gestreefd om de trein aantrekkelijker te maken voor steeds meer mensen, door drempels weg te nemen. Over de voortgang wordt uw Kamer regelmatig door de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu geïnformeerd. De huidige studentenreisvoorziening maakt geen deel uit van de maatregelen uit het Actieplan.
Voor studenten streeft het kabinet naar een aantrekkelijk alternatief vervoersarrangement, zodat de trein een goede manier blijft om in de studieperiode te reizen. Daarnaast kan groei op het spoor op verschillende manieren worden gerealiseerd. Dat studenten waarschijnlijk minder kilometers over het spoor zullen afleggen, betekent niet dat er per saldo geen groei mogelijk is. Het is denkbaar dat de lege plaatsen van studenten snel worden opgevuld door andere betalende reizigers die bijvoorbeeld op dit moment drukke treinen mijden. Middelen die nu worden gereserveerd voor investeringen in materieel kunnen dan anders worden besteed, bijvoorbeeld aan veiligheid en comfort, wat uiteindelijk zou kunnen resulteren in groei op het spoor.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de hoofdlijnenbrief studiefinanciering voorzien voor 13 februari 2013?
Bij dezen.
Vervolgingen en veroordelingen wegens majesteitsschennis |
|
Gerard Schouw (D66), Alexander Pechtold (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Majesteitsschennis is springlevend»?1
De stelling in het artikel dat er in het afgelopen decennium sprake is van een toename van het aantal vervolgingen wegens majesteitsschennis wordt niet ondersteund door de cijfers die ik van het Openbaar Ministerie (OM) heb ontvangen. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.
Herinnert u zich de mondelinge vragen over het politieoptreden op 1 februari 2013 waarbij iemand wegens het uiten van kritische teksten over de monarchie weggestuurd is?2
Ja.
Hoeveel burgers zijn vanaf 2000, gespecificeerd per jaar, veroordeeld voor majesteitsschennis? Op grond van welke wetsartikelen zijn zij veroordeeld?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal personen dat volgens cijfers van het OM in eerste aanleg is veroordeeld voor het overtreden van artikel 111 (belediging Koning), artikel 112 (belediging echtgenoot Koning etc.) en artikel 113 (verspreiden etc. van beledigend geschrift/afbeelding) van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012.
111
1
2
1
1
1
1
2
1
1
1
112
1
1
1
113/1
113/2
1
Hoeveel zaken heeft het Openbaar Ministerie (OM) sinds 2000, gespecificeerd per jaar, ingeschreven in verband met ondermijning van de koninklijke waardigheid? Op grond van welke wetsartikelen stelde het OM vervolging in?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zaken dat het OM inschreef op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. De toename van de instroom in het jaar 2002 kan worden verklaard uit de aanhoudingen die zijn verricht op de dagen rond het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima.
111
3
3
5
1
5
2
1
2
1
1
112
2
3
1
113/1
1
21
1
1
113/2
1
Het onderstaande overzicht betreft het aantal zaken waarin het OM een verdachte dagvaardde op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. Daarnaast legde het OM in 2012 in één zaak een OM-strafbeschikking op voor overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.
111
2
1
1
2
2
1
2
1
1
112
2
1
113/1
113/2
1
Waarom is het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het einde van de jaren negentig toegenomen?
Uit cijfers van het OM blijkt dat in 1998 één persoon werd gedagvaard op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht en in 1999 vier personen op grond van dit artikel en een op grond van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze cijfers en de cijfers over de periode 2000–2012 deel ik uw conclusie dat er sprake is van een toename van het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het eind van de jaren negentig niet.
Deelt u de mening dat belediging van het Staatshoofd niet zwaarder bestraft behoeft te worden dan belediging van gewone burgers of bevolkingsgroepen, maar dat het Staatshoofd naar de rechter kan wanneer hij zich belasterd voelt, vergelijkbaar met de situatie in België en Groot-Brittannië? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht wordt opzettelijke belediging van de Koning gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. Het gaat hier om een bijzondere strafbaarstelling in vergelijking tot de misdrijven die in artikelen 261 en verder van het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld. In die artikelen worden verschillende vormen van belediging onderscheiden, zoals smaad, laster en eenvoudige belediging, en met straffen bedreigd die naar de mate van de ernst van het delict variëren. In dat kader bevat artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht strafverhogingen voor vormen van belediging die onder meer het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening betreffen. De strafwetgever heeft voor het misdrijf van artikel 111 geen aanleiding gezien om onderscheidingen aan te brengen in de vormen van strafbare belediging. Gelet op de personen tegen wie dat misdrijf wordt gepleegd, draagt blijkens de wetsgeschiedenis elke belediging een zodanig ernstig karakter dat de onderscheidingen van de artikelen 261 en verder wat betreft de strafsancties en kwalificaties buiten aanmerking blijven3. Ik zie thans geen aanleiding om van deze overwegingen afstand te nemen.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging zwaarder wegen dan de artikelen betreffende majesteitsschennis? Zo nee, waarom niet?
De strafbaarstellingen van belediging kunnen indruisen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van betoging. De vraag wanneer een beperking op deze rechten kan worden gerechtvaardigd, moet naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld.
Deelt u de mening dat het OM geen prioriteit moet geven aan majesteitsschennis en de relevante artikelen als dode letter dient te beschouwen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u het OM hiertoe opdracht geven?
De handhaving van strafbaarstellingen van belediging en majesteitsschennis heeft geen prioriteit.
Bent u bereid een wetsvoorstel voor te bereiden om belediging van burgers en leden van het Koninklijk Huis gelijk te bestraffen en bij de Kamer in te dienen, waarbij de artikelen 111,112,113 en 114, tweede lid, Wetboek van Strafrecht alsook de artikelen 118,119,121 en 122, tweede lid, Wetboek van Strafrecht BES worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?
Om de redenen zoals verwoord in antwoord op de vragen 6 en 7 luidt het antwoord op deze vraag ontkennend.
De uitspraken over de fusies van ziekenhuizen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met de heer Don, lid van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), en met de ingezonden brief van de heer Abeln en anderen1 2 die hierop een reactie is?
Ja.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de heer Don in het interview suggereert dat de NMa strenger kijkt naar fusies dan naar samenwerking tussen ziekenhuizen («Het is minder helder voor de klant, en daarom potentieel schadelijker»)? Bent u het ermee eens dat deze suggestie ongelukkig is en dat er geen reden is om nuttige vormen van samenwerking tussen ziekenhuizen strenger te beoordelen dan fusies?
Ik heb van het artikel kennis genomen. Ik ben het met u eens dat nuttige vormen van samenwerking doorgang moeten hebben. Het gaat dan om vormen van samenwerking die goed zijn voor de patiënt. Het toezicht van de NMa is erop gericht om kartels tegen te gaan. Hiervan is sprake als bijvoorbeeld prijs- of marktverdelingsafspraken worden gemaakt en nieuwe toetreders worden tegengewerkt. Deze vormen van samenwerking zijn niet goed voor de patiënt en daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop streng toezicht houdt.
In mijn brief (Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk II 29 247, nr.168) van vorig jaar zomer heb ik aangegeven dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking in de vorm van uitruil van functies of van concentratie van functies tussen ziekenhuizen dient van de verzekeraar uit te gaan. Hij koopt immers in in het belang van de patiënt, zo schreef ik vorig jaar.
Deelt u de mening dat het interview met de heer Don de indruk wekt dat de NMa liever heeft dat ziekenhuizen fuseren in plaats van samen te werken?
Ik begrijp van de NMa dat dat niet de indruk is die zij wil wekken. In het interview benadrukt de heer Don dat veel samenwerkingsverbanden geen probleem zijn. Ik weet van de NMa dat zij zeker geen goede samenwerking wil blokkeren en ook niet wil sturen richting ziekenhuisfusies in plaats van samenwerking.
Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, vind ik dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking en fusies die leiden tot een significante beperking van de mededinging zijn niet in het belang van de patiënt. Daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop scherp toezicht houdt.
Herkent u zich in de kritiek van ziekenhuisdirecteuren dat de opstelling van de NMa bij fusies, respectievelijk samenwerking tussen ziekenhuizen, een vlucht stimuleert naar de «veilige weg» van de fusie? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze perverse fusieprikkels kunnen worden weggenomen, zodat ziekenhuizen niet onnodig fuseren omdat dit nu kennelijk de makkelijkste weg?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, herken ik mij daar niet in. Wel vind ik, zoals ik u tijdens de begrotingsbehandeling heb gemeld, dat een accentverschuiving ten opzichte van de huidige praktijk nodig is, als we willen dat er meer wordt samengewerkt en dat de ketensamenwerking van de grond gaat komen. Ik kondigde toen aan hiertoe voorstellen aan de Kamer te zullen zenden. Deze voorstellen zullen naar mijn mening ertoe moeten bijdragen dat onnodig fuseren wordt tegengegaan.
Is het waar dat het niet (meer) mogelijk is om samenwerkingsovereenkomsten voor goedkeuring aan te melden bij de NMa, maar dat het wel mogelijk is aan de NMa een informele zienswijze te vragen over plannen tot samenwerking? Klopt het dat de NMa ook richtsnoeren over samenwerking in de zorg heeft gepubliceerd, maar deze algemeen en theoretisch van aard zijn?
Het klopt dat de NMa samenwerkingsovereenkomsten niet vooraf goed kan keuren. Wel is het voor ziekenhuizen mogelijk om een informele zienswijze te vragen. De afgelopen drie jaar is er geen informele zienswijze afgegeven door de NMa, wel is er regelmatig informeel contact met ziekenhuizen geweest over wat wel en niet mag. De NMa kan niet op eigen initiatief informele zienswijzen geven, omdat dat niet mogelijk is zonder inzicht in een concrete casus. Wel heeft de NMa mij laten weten altijd open te staan voor aanvragen voor informele zienswijzen of anderszins informele contacten met betrekking tot samenwerking tussen ziekenhuizen.
Naast informele zienswijzen geeft de NMa voorlichting in de vorm van onder meer richtsnoeren en brochures. Zo geven de Richtsnoeren voor de zorgsector (2010) door middel van beschrijvingen en voorbeelden inzicht in de beoordelingscriteria die worden gehanteerd bij de handhaving van het kartelverbod in de zorgsector.
Deelt u de zorgen van de heer Don waar hij de vraag stelt «worden de ziekenhuizen niet te groot, zijn ze nog wel bestuurbaar?», maar dat dit niet onder de toets van de NMa valt?
Zoals ik in antwoorden op schriftelijke vragen van mevrouw Klever (PVV) al aangaf is schaalgrootte een afgeleide van de vraag welke (soorten) zorg een ziekenhuis wil en kan leveren. Het antwoord op die vraag dient bij uitstek in de fusie-effectrapportage gegeven te worden door de besturen van ziekenhuizen die het voornemen hebben te fuseren. In het wetsontwerp aangaande de zorgspecifieke fusietoets dat bij uw kamer ter behandeling voorligt zal de verplichting tot het opstellen van een fusie effectrapportage worden verankerd. Ook is het betrekken van de relevante stakeholders een onderdeel van de fusie-effectrapportage. Zorgbestuurders worden langs deze weg gedwongen de stakeholders zorgvuldig te betrekken en hierop te reageren. Op deze manier wordt door bestuur en stakeholders gezamenlijk beoordeeld of inderdaad sprake is van «onnodige» schaalvergroting.
Een vuurwerkverbod tijdens het broedseizoen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter naar aanleiding van het afsteken van vuurwerk tijdens het broedseizoen?1 Wat vindt u ervan dat de gemeente Weesp een vergunning had afgegeven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, terwijl het verstoren van broedende vogels en hun jongen verboden is volgens de Flora- en faunawet?
Het aangehaalde persbericht refereert aan de uitspraak van de Rechtbank van Amsterdam van 18 december 2012. Deze uitspraak gaat niet over een vergunning van de gemeente Weesp, maar over de afwijzing van een handhavingsverzoek door de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken. Anders dan het bericht vermeld, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat het afsteken van vuurwerk in Weesp in 2011 in strijd zou zijn geweest met de verboden van de Flora- en faunawet. De rechtbank vernietigt de beslissing van Dienst Regelingen omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank besluit vervolgens om de rechtsgevolgen van de beslissing in stand te laten, omdat de Stichting flora en faunabescherming Weesp onvoldoende had aangetoond dat met het afsteken van het vuurwerk in strijd zou zijn gehandeld met de verboden van Flora- en faunawet.
Kunt u uiteenzetten hoeveel gemeentes de afgelopen 5 jaar toestemming hebben gegeven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, Bevrijdingsdag of een ander evenement in het broedseizoen? Zo nee, waarom niet?
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om een ontbrandingstoestemming voor een individueel vuurwerkevenement te verlenen. Centrale registratie van afgegeven toestemmingen vindt plaats via het Landelijk Meld- en Informatiepunt. Hieruit blijkt dat de afgelopen 5 jaar tijdens Koninginnedag en Bevrijdingsdag respectievelijk 318 en 58 toestemmingen zijn afgegeven voor het ontbranden van professioneel vuurwerk.
Hoe verklaart u dat gemeenten toestemming geven voor het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag en/of Bevrijdingsdag, gelet op het feit dat een groot gedeelte van de beschermde inheemse vogels op dat moment bezig is met het broedproces en er dan geen verstorende werkzaamheden of activiteiten mogen plaatsvinden, terwijl vuurwerk een zeer verstorende werking heeft op vogels?2 Deelt u de indruk dat er onvoldoende kennis is over de bepaling in de Flora- en faunawet die een verstorende activiteit, zoals het afsteken van vuurwerk, in het broedseizoen verbiedt?
De Flora- en faunawet verbiedt het opzettelijk verstoren van vogels. Daarvan is ook sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben. Organisatoren en gemeenten moeten daar rekening mee houden als zij tijdens Koninginnedag of Bevrijdingsdag vuurwerk willen (laten) afsteken. Zij zullen tijdens de voorbereiding onderzoek moeten doen naar de geschiktheid van de locatie van afsteken in relatie tot enerzijds de vogels die in de omgeving hun nest of broedplaats hebben, en anderzijds de omvang en duur van het vuurwerk dat ze willen afsteken. Leidt het vuurwerk tot onaanvaardbare verstorende effecten voor de aanwezige vogels, dan zal een geschiktere locatie gezocht moeten worden.
Deelt u de mening dat vanwege het grote risico dat broedvogels verstoord worden door vuurwerk, gemeenten uit voorzorg geen vergunning zouden moeten afgeven voor het afsteken van vuurwerk bij evenementen tijdens het broedseizoen? Zo neen, hoe verhoudt uw mening zich ten opzichte van het voorzorgsprincipe en het «nee, tenzij» principe dat ten grondslag ligt aan de Flora- en faunawet?
Ik deel uw mening niet. De bescherming van vogels wordt geborgd door de verboden van de Flora- en faunawet. De risico’s die het afsteken van vuurwerk vormen voor vogels, verschillen van geval tot geval. Die situatie leent zich niet voor het instellen van een landelijk vuurwerkverbod ter bescherming van vogels tijdens het broedseizoen, maar vraagt om maatwerk. Het verbod om vogels opzettelijk te verstoren in combinatie met de beoordelingsruimte van een organisator bij de keuze van de locatie, vormt daarbij de invulling van het «nee, tenzij»-principe.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om een landelijk verbod in te stellen op het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag, Bevrijdingsdag en andere evenementen tijdens het broedseizoen? Bent u bereid gemeentes in ieder geval alvast op te roepen het afsteken van vuurwerk op Koninginnedag en Bevrijdingsdag en andere evenement tijdens het broedseizoen uit voorzorg niet toe te staan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De juisheid van de berichten dat Deutsche Bank een toezegging doet aan boeren die met hun hele financiering naar een andere bank gaan. |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht LTO: Deutsche Bank doet toezegging1 en het persbericht van LTO, «Deutsche Bank maakt ruimte voor overstap naar andere bank»?2
Ja.
Is het u bekend dat er over de toezegging van Deutsche Bank (DB) waar in deze berichten melding van wordt gemaakt, nog veel onduidelijkheid heerst?
Het is mij bekend dat er onduidelijkheid is ontstaan over hoe Deutsche Bank omgaat met klanten die een leningdeel moeten herfinancieren en al dan niet willen overstappen naar een andere bank. Ik vind het van belang dat deze onduidelijkheid wordt weggenomen en ik heb hierover contact opgenomen met Deutsche Bank en Deutsche Bank heeft mij het volgende aangegeven.
Deutsche Bank heeft in december 2012 door middel van een persbericht een aanscherping van haar strategische focus aangekondigd waarin zij te kennen heeft gegeven zich meer te willen richten op «bedrijven en organisaties die behoefte hebben aan handelsfinanciering, ondersteuning bij internationaal betalingsverkeer en hoogwaardige financiële vraagstukken». In dit persbericht is de precieze inhoud van de strategie nog niet bekend gemaakt. Deutsche Bank heeft aangegeven hierbij te streven haar klanten binnenkort, in april 2013, nader te informeren over haar aangescherpte strategie.
Ten aanzien van de reeds ontstane onduidelijkheid bij klanten ten aanzien van hun financiering heeft Deutsche Bank aangegeven altijd samen met de klant op zoek te gaan naar een passende oplossing, indien de klant als gevolg van de strategische focus wordt geraakt. Een passende oplossing zal afhangen van onder andere het totaalpakket aan diensten dat wordt afgenomen, de bedrijfseconomische positie van de onderneming en de aard van de gestelde zekerheden. Eventuele oplossingsrichtingen die voor dergelijke situaties gangbaar zijn betreffen onder andere het eenmalig verlengen van de financiering van één van de leningdelen, het aanpassen van de gevraagde zekerheden of een vorm van ondersteuning bij overstap naar een andere partij, waarbij ook kan worden gekeken naar de boeteclausule.
Kunt u bij DB navragen of de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken klopt, aangezien van medewerkers van de bank vernomen wordt dat DB toch te allen tijde boetes zal heffen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat u ervan vindt dat bedrijven die bij een andere bank een lening kunnen ontvangen met een gering rentevoordeel ten opzichte van hun leningenpakket bij DB, bij het overzetten van de leningen alsnog met een grote boete van enkele tienduizenden euro’s, ineens te betalen, geconfronteerd kunnen worden, terwijl de baten van dat rentevoordeel pas over de looptijd van de nieuwe lening genoten zullen worden? Deelt u de mening dat dergelijke bedrijven hierdoor alsnog vastzitten aan hun lening bij DB, terwijl ze nooit bewust hebben gekozen voor een lening bij DB?
Ik zal bij de beantwoording van deze vragen eerst ingaan op herfinanciering van leningdelen en de rol van boeteclausules hierbij. Vervolgens op de specifieke situatie bij Deutsche Bank.
Bij financieringscontracten gelden vaak boeteclausules bij vervroegde aflossing of overstap naar een andere financier. Dit komt omdat financiers zelf ook operationele en financieringskosten moeten maken, voordat zij een klant van langlopende financiering kunnen verschaffen. Indien klanten altijd zonder boetes zouden kunnen overstappen, zou dat strategisch gedrag bij hen kunnen uitlokken. Zij zouden bijvoorbeeld als de rente daalt telkens naar een andere financier kunnen overstappen. Dit veroorzaakt echter instabiliteit en zou de financiers met grote lasten opzadelen. Om deze reden zijn er boeteclausules in dergelijke financieringscontracten opgenomen.
Deutsche Bank heeft een strategische keuze gemaakt zich in de toekomst niet meer op een bepaalde groep klanten te richten. Bestaande klanten blijven hierbij echter gebonden aan het financieringsaanbod dat deze ondernemers destijds geaccepteerd hebben. Onderdeel van dit aanbod is dat tussentijdse opzegging van de financiering tot een boete zal leiden. Er kan zich hierbij een situatie voordoen waarbij Deutsche Bank de ondernemer niet meer wil herfinancieren en dat de betreffende ondernemer bij een andere financier een lagere rente kan bedingen dan de klant voorheen bij Deutsche Bank betaalde. Zoals eerder aangegeven zal Deutsche Bank in gesprek gaan met de desbetreffende klanten en gezamenlijk met de klant op zoek gaan naar een passende oplossing.
De strategiewijziging van Deutsche Bank is een zelfstandige bedrijfseconomische beslissing, het is niet aan mij om rechtstreeks in te grijpen in de strategische beslissing van een individuele bank. Wel vind ik het niet meer dan vanzelfsprekend dat Deutsche Bank samen met haar klanten op zoek gaat naar een passende oplossing. Ik verwacht van alle banken dat zij altijd het belang van de klant centraal stellen.
Kunt u bij DB navragen hoe omgegaan wordt met de boeteclausules, als er verschillende leningdelen zijn, waarbij voor het ene leningdeel een hogere rente betaald moet worden bij een andere bank, terwijl voor het andere leningdeel een lagere rente betaald moet worden bij een andere bank?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de toezegging van het boetevrij vertrekken ook geldt voor bedrijven die een renteswap hebben? Kunnen die bedrijven ook boetevrij weg bij DB?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er aan de onzekerheid over het leningenbeleid van DB snel een einde moet komen? Kunt u er bij DB op aandringen dat de bank het gewijzigde leningenbeleid van de bank, inclusief de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken, zwart op wit zet, zodat voor alle bedrijven met leningen bij DB duidelijk is waar zij aan toe zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat alle bedrijven alsnog boetevrij moeten kunnen vertrekken bij DB, omdat DB tussentijds de voorwaarden heeft gewijzigd?
Zie antwoord vraag 4.