Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht dat inwoners van Loosdrecht zich door de komst van een asielzoekerscentrum (azc) voor alleenstaande mannelijke asielzoekers diep verdeeld voelen en als racisten worden weggezet?1
Heeft u begrip voor de terechte woede en veiligheidszorgen van inwoners, met name vrouwen en gezinnen, over de komst van 70 alleenstaande mannelijke vreemdelingen op een locatie waar kinderen spelen en langsfietsen? Zo ja, waaruit blijkt dat concreet, of laat u hen totaal aan hun lot over?
Klopt het dat bewoners pas enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd over het azc in het voormalige gemeentehuis, zonder veiligheidsplan en zonder enige inspraak?
Is dit de toekomstige blauwdruk van uw asielbeleid: de zelf veroorzaakte asielcrisis afwentelen op kleine Nederlandse dorpen als Loosdrecht omdat u weigert de instroom te stoppen?
Wat vindt u ervan dat in Loosdrecht op 18 maart 2026 geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, er dus geen democratisch mandaat ligt en onder leiding van een waarnemend VVD-burgemeester desondanks een azc wordt doorgedrukt tegen de wil van een groot deel van de inwoners?
Bent u bekend met de uitspraken van de waarnemend burgemeester, ter rechtvaardiging van zijn besluit, dat «er een crisis is» en dat «als we niet uitkijken, er weer mensen op het gras in Ter Apel of in sporthallen moeten slapen»?
Vindt u dat de belangen van alleenstaande mannelijke asielzoekers zwaarder wegen dan de veiligheid, rust en leefbaarheid van Nederlandse vrouwen, kinderen en gezinnen in Loosdrecht?
Bent u het eens met de stelling dat hieruit blijkt dat er sprake is van systematische benadeling van Nederlanders en bevoordeling van vreemdelingen?
Heeft u de beelden gezien van het politieoptreden tegen demonstrerende inwoners?
Bent u het eens met de stelling dat optreden tegen gewelddadige demonstranten noodzakelijk is, maar dat bruut politieoptreden tegen vreedzame, onschuldige inwoners met terechte zorgen niet bij onze rechtsstaat past? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u de dubbele maat waarbij honderden klimaatactivisten de A12 mogen blokkeren, door de politie worden begeleid en zonder enige straf wegkomen, terwijl demonstraties van bezorgde burgers in Loosdrecht worden neergeslagen en zij binnen enkele dagen worden veroordeeld?
Bent u bereid de burgemeester tot de orde te roepen wegens het disproportionele politiegeweld, zelf in te grijpen en een streep te zetten door het azc? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, doch ten minste ruim vóór de geplande komst van het azc?
Het bericht 'Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord' |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Israëlische marine die humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla voor de kust van het Griekse eiland Kreta heeft geënterd en opvarenden heeft ontvoerd?1
Bent u ermee bekend dat Nederlandse deelnemers zich aan boord bevonden van de geënterde schepen?
Welke maatregelen neemt u om hun veiligheid en die van de overige Nederlanders te garanderen?
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht is?
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Welke stappen heeft Nederland tot nu toe ondernomen, of is het bereid te nemen, om veilige en ongehinderde toegang van humanitaire hulp tot Gaza te bevorderen?
Hoe verhoudt het optreden tegen humanitaire schepen zich volgens u tot de verplichtingen van staten onder het internationaal recht?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van humanitaire hulp in strijd kan zijn met de verplichting om levensreddende hulp toe te laten tot een burgerbevolking in nood? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
Het bericht 'Minister Letschert trekt 154 miljoen uit voor het aantrekken van buitenlands talent' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Waarom geeft u 154 miljoen euro uit aan buitenlands talent, terwijl Nederlandse studenten worden verdrongen en nauwelijks nog aan een studie of kamer komen?1
Begrijpt u dat dit beleid neerkomt op het subsidiëren van buitenlandse studenten met Nederlands belastinggeld, ten koste van onze eigen jongeren? Zo ja, waarom drukt u dit beleid er alsnog doorheen?
Waarom houdt u vast aan het bestaande Engelstalige onderwijsaanbod, terwijl dit de positie van het Nederlands als voertaal verder onder druk zet?
Vindt u het acceptabel dat instellingen zoals de Universiteit Maastricht inmiddels draaien op buitenlandse studenten en wanneer is voor u de grens bereikt?
Hoe denkt u grip te houden op internationale instroom, als u tegelijkertijd miljoenen uittrekt om die instroom juist verder aan te jagen?
Bent u bereid om harde grenzen te stellen aan het aantal buitenlandse studenten en het Nederlands weer de norm te maken in het hoger onderwijs, of blijft u kiezen voor internationalisering boven de Nederlandse belangen?
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
Caroline van der Plas (BBB), André Flach (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
De uitzonderlijk grote natuurbrand door een explosieve militaire oefening op de Veluwe |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws over de uitzonderlijk grote brand in een beschermd natuurgebied op de Veluwe dat wordt gebruikt als militair oefenterrein?1
Ja.
Klopt het dat de brand is ontstaan tijdens de oefening «Geweer- en mitrailleurvuur, kanon en werken met explosieven» op 29 april 2026 die op hetzelfde moment op dat terrein plaatsvond, zoals vermeld op de website van Defensie? Klopt het dat deze oefening plaatsvond terwijl in vrijwel geheel Nederland een verhoogd risico op natuurbranden gold?2
Op het moment van uitbreken van de brand gold natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. De brand is veroorzaakt bij het tot ontploffing brengen van explosieven. Het plan voor het springen van deze munitie was goedgekeurd volgens de juiste procedures, door de relevante autoriteiten van het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde).
Wat is uw reactie op deze brand en de verantwoordelijkheid van Defensie hierin?
Ik betreur de situatie zeer en ik spreek mijn waardering uit naar de samenwerkende nationale en internationale hulpverleners. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht, realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Toch zijn bij oefeningen branden ontstaan op en rond militaire terreinen die een impact hebben op de samenleving en waarvan de natuurschade nog duidelijk moet worden.
Hoeveel oppervlakte natuurgebied is door deze brand verloren gegaan? Kunt u specificeren welke natuurtypen en welke (beschermde) dier- en plantensoorten door de brand zijn getroffen of leefgebied hebben verloren?
Er is ongeveer 427 hectare afgebrand. Het getroffen gebied betreft een half open landschap met heideterreinen, vergraste heideterreinen en naaldbossen bestaande uit grove den. De heideterreinen die zijn afgebrand, zijn de terreinen waar de schade voor de natuur het grootst is. Met name de naaldbossen zijn vooral eenvormig en hebben daardoor een lagere natuurwaarde. De overige heideterreinen betreffen vooral vergraste en zogenaamde droge struikheide terreinen met een lagere natuurwaarde. Een klein deel van het getroffen gebied bestaat uit semi-vochtige heide. De vegetatie, waarvoor dit deel een hogere natuurwaarde heeft, is in deze tijd van het jaar nog nauwelijks aanwezig.
Schade aan de fauna in het totale gebied betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Er zijn observaties ten tijde van de brand waaruit blijkt dat grotere fauna voor het vuur konden wegkomen. Er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand.
In het verbrande deel nestelt sinds vier jaar een visarend met jaarlijks broedsucces. Het terrein rondom het nest is verbrand. Direct na de brand bleken beide oudervogels nog op het nest te zitten en vertonen op dit moment natuurlijk broedgedrag.
Welke gevolgen heeft deze brand voor de biodiversiteit en ecologische kwaliteit van het getroffen gebied op de korte en lange termijn?
Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele millimeters ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn veel vlinders en insecten waargenomen, evenals actieve rode bosmieren en er zijn op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen.
In opdracht van Defensie is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de brand gestart met herstelmaatregelen. Het beheer is gericht op het tegengaan van vergrassing en herstel van de structuur van bodem en vegetatie. In de delen van het terrein waar de vergraste heide is afgebrand, is gestart om de regeneratie van gras te hinderen, zodat de hei kan uitlopen en de natuurwaarde in dit deel van het terrein zal profiteren. Tevens zijn stobben in het gebied gelegd om reptielen en insecten schuilgelegenheid te bieden. Een afgebrand deel van het terrein herbergt grote aantallen grauwe klauwwier. Het broedseizoen van deze trekvogel is nog niet begonnen. Om deze soort te helpen, zijn takkenhopen van grove den aangebracht, omdat de grauwe klauwier een voorkeur heeft om in omgewaaide grove dennen nesten te bouwen. Deze natuurbeheer maatregel heeft het RVB de afgelopen jaren ook als regulier beheer voor deze Natura2000 soort toegepast.
In de bossen wordt geen beheer uitgevoerd. Het is de verwachting dat de komende jaren de aangetaste bossen zullen verloofen. Het getroffen naaldbos zal versneld worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Bovenstaande betekent dat er schade is aan het terrein, maar dat op lange termijn de ecologische kwaliteit kan worden versterkt.
Welke risicoanalyses zijn voorafgaand aan deze oefening uitgevoerd met betrekking tot droogte, hitte en natuurbrandgevaar? Welke preventieve maatregelen zijn voorafgaand aan de oefening wel en niet getroffen?
Bij het uitbreken van de brand gold de door de veiligheidsregio afgekondigde natuurbrandrisico fase 2. Voor elke oefening worden risico-inventarisaties uitgevoerd. Hierin worden alle mogelijke aspecten meegenomen, waaronder zaken gerelateerd aan de omgeving zoals omgang met droogte. De preventieve maatregelen zoals vermeld in ons protocol zijn genomen, zoals de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit. Voor het Artillerieschietkamp gelden tevens afspraken over extra mitigerende maatregelen ten aanzien van brandbestrijding en risicobeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Beschikt Defensie over een specifiek droogteprotocol voor oefeningen met vuurwapens, explosieven of andere pyrotechnische middelen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid een dergelijk protocol alsnog op te stellen?
Ja. Het interne Defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden.
Welke criteria worden momenteel gehanteerd bij de beslissing om oefeningen met pyrotechnische middelen wel of niet door te laten gaan tijdens periodes van droogte of verhoogd natuurbrandrisico? Is er een verschil in criteria tussen oefeningen op beschermd en onbeschermd natuurgebied als het gaat om oefeningen met pyrotechnische middelen?
De veiligheidsregio kondigt de natuurbrandrisicofase af. Op basis van de actieve fase staat in het protocol welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er is geen onderscheid tussen soorten terreinen. Bij alle activiteiten, waaronder oefeningen, worden risico-inventarisaties gedaan. Hierin worden, zoals gezegd, zowel de activiteiten als de specifieke omgeving meegewogen. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteert Defensie een protocol dat beperkingen oplegt aan de toegestane activiteiten en verplichtingen oplegt voor aanvullende risicobeperkende maatregelen. Voor het Artillerieschietkamp houdt Defensie zich ook aan de extra mitigerende maatregelen uit het convenant met Defensie en de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Herinnert u zich dat, na de brand op de Ginkelse heide vorig jaar april, Defensie aankondigde dat oefeningen niet zouden worden stilgelegd, maar dat soldaten extra alert zouden worden gemaakt op bestaande procedures? Bent u van mening dat soldaten nu extra alert zijn gemaakt? Op welke wijze is dit gebeurd?3
Na de brand op de Ginkelse Heide in april vorig jaar is specifiek aandacht gevraagd voor het bestaande protocol, zowel in de operationele lijn naar commandanten van eenheden als naar terreinopzichters en veiligheidsfunctionarissen. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol nogmaals te bespreken.
Bent u bereid dit soort explosieve oefeningen tijdelijk op te schorten zolang sprake is van aanhoudende droogte en verhoogd natuurbrandgevaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland zijn we terug naar natuurbrandrisico fase 1 waarin geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen, maar we gebruiken tot 18 mei geen lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen. In het geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, oefenmunitie en pyrotechnische, spring- en onstekingsmiddelen op oefenterreinen tijdelijk stilgelegd, totdat de eventuele aanpassingen aan het protocol helder zijn. Voor de grote schietterreinen ISK en ASK geldt dat een risico analyse moet uitwijzen wat ten tijde van een oefening de beperkende maatregelen zijn omdat op deze locaties een brandweerorganisatie aanwezig is.
Bent u bereid om dit soort explosieve militaire oefeningen met pyrotechnische middelen te verbieden in beschermd natuurgebied, zodat niet mogelijk nog meer beschermde natuur verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee, we zullen dergelijke oefeningen niet verbieden op onze schiet- en oefenterreinen. Oefeningen zijn essentieel voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving om deze situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Het Artillerieschietkamp is ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en nadrukkelijk ook -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie ook bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden.
Welke gezondheidsgevolgen kan deze grote brand hebben voor omwonenden, hulpverleners, dieren en de natuur, onder andere vanwege rook, fijnstof en mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen?
De veiligheidsregio maakt een inschatting van de eventuele gezondheidsgevolgen en kan, via een NL Alert, de omgeving bijvoorbeeld adviseren om ramen en deuren gesloten te houden. Dit om eventuele gezondheidsgevolgen voor omwonenden te beperken. Bij de natuurbrand op het terrein van het ASK is dit middel ook ingezet.
Leiden de uitbreidingsplannen van Defensie mogelijk tot extra gezondheids- en brandrisico’s voor Nederlanders en Nederlandse natuur?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s. De noodzakelijke uitbreidingsplannen van Defensie leiden daarom niet per definitie tot extra gezondheids- en brandrisico’s.
Op welke wijze gaat u zich inzetten voor herstel van de getroffen natuur? Welke concrete herstelmaatregelen worden overwogen of uitgevoerd?
Zie de beantwoording op vraag 5.
Worden militaire oefeningen in het getroffen gebied tijdelijk stilgelegd totdat op zijn minst de natuur voldoende is hersteld? Zo nee, waarom niet?
Direct na de brand zijn de geplande militaire activiteiten op het Artillerieschietkamp tijdelijk stilgelegd om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen de natuurbrand te bestrijden. Het bestaande protocol blijft gelden, waarbij Defensie rekening houdt met de herstellende natuur. Dit betekent onder andere dat het rustgebied voor fauna wordt gerespecteerd en dat beschermde habitattypen worden behouden.
Bent u bereid de bestaande procedures rond militaire oefeningen in natuurgebieden aan te scherpen om herhaling van dergelijke branden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
We gaan de uitzonderingsprocedures zoals benoemd in het huidige protocol voor oefeningen in droge periodes opnieuw bekijken. Er zijn momenteel uitzonderingen mogelijk op het verbod om gebruik te maken van bijvoorbeeld spring- en ontstekingsmiddelen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Aanvullend op het huidige protocol is besloten om het gebruik van lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen tot 18 mei 2026 niet toe te staan. We zijn in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om ons protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) heeft Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren.
De Kamer zal worden geïnformeerd over deze evaluatie en de eventuele aanpassingen van het veiligheidsbeleid.
Bent u het ermee eens dat dit soort risicovolle explosieve oefeningen in tijden van droogte in beschermd natuurgebied buiten de reikwijdte vallen van de geldende natuur- en milieuwetgeving en daarmee strijdig zijn met de door de Kamer aangenomen motie over opereren binnen de natuur- en milieuwetgeving (Kamerstuk 36 592, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving, ook als zij op een militair oefenterrein aan oefenen is.
Bent u bereid om in de toekomst zo veel mogelijk te kiezen voor ander militair oefenterrein dan natuur?
Nee. Militaire oefenterreinen worden zo ingericht en beheerd dat militairen veilig en natuurgetrouw kunnen oefenen. Dat is het primaire doel van de terreinen. Daarnaast wordt op de terreinen veel inzet gepleegd om de natuurwaarden te optimaliseren, waardoor op meerdere terreinen een positieve dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierover is de Kamer in 2023 geïnformeerd.4
Veel Defensieterreinen liggen vanwege de benodigde ruimte en inrichting in of naast natuurgebieden. Defensie en natuur gaan over het algemeen goed samen, zoals onder andere blijkt uit het rapport dat naar uw Kamer is verzonden in juni 2023. Het is ook om die reden dat ik het betreur dat branden zijn ontstaan op onze terreinen waardoor natuurschade is opgetreden. Ik heb er alle vertrouwen in dat door de genomen herstelmaatregelen de natuur zal herstellen en mogelijk zal verbeteren.
Bent u het eens dat provincies, als medeverantwoordelijken voor natuurbescherming en -herstel, bij extreme droogte zouden moeten kunnen ingrijpen op explosieve militaire oefeningen in en bij natuur?
Het convenant brandveiligheidsplan van het Artillerieschietkamp is in gezamenlijkheid met de Veiligheidsregio en de betreffende gemeenten opgesteld.
Kunt u deze vragen, gezien de aanhoudende droogte en de vooralsnog continuerende oefeningen van Defensie, één voor één spoedig beantwoorden?
Ja.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
De weigering van een gerichte aanpak van sektes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Twentse burgemeesters zich teleurgesteld voelen over het uitblijven van een gerichte aanpak van sektes?1
Welke concrete vragen, signalen en hulpvragen hebben deze burgemeesters bij u neergelegd en waarom hebben deze niet geleid tot aanvullende maatregelen?
Hoeveel meldingen en signalen van mogelijke sektarische misstanden zijn de afgelopen vijf jaar landelijk geregistreerd? Is er sprake van een stijgende trend?
Deelt u de zorgen van deze burgemeesters dat gemeenten onvoldoende handelingsperspectief hebben bij vermoedens van psychische dwang, manipulatie en uitbuiting binnen sektes?
Bent u zich ervan bewust dat er bredere maatschappelijke onrust bestaat over dit fenomeen en het ervaren gebrek aan beleid en aanpak? Hoe weegt u deze signalen?
In hoeverre biedt het huidige juridische kader voldoende mogelijkheden om tegen dit soort praktijken op te treden? Hoe vaak is daar succesvol gebruik van gemaakt?
In hoeverre is het wetsvoorstel inzake strafbaarstelling van psychisch geweld mede bedoeld om misstanden binnen sektes aan te pakken?
Wanneer wordt dit wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden?
Welke zorg en ondersteuning wordt momenteel aan slachtoffers van sektes geboden? Acht u deze voldoende, mede gelet op de signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen?
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van de oproep van deze burgemeesters en eerdere verzoeken vanuit de Kamer, aanvullend onderzoek te doen naar de aard en omvang van sektarische problematiek in Nederland, de effectiviteit van huidige instrumenten en de vraag welke aanvullende maatregelen nodig zijn?
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Barbara Kathmann (PvdA), Henk Vermeer (BBB) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
De snel verslechterende situatie in het oosten van Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente signalen vanuit het maatschappelijk middenveld dat de situatie in het oosten van Congo in hoog tempo verslechtert, onder meer door het massaal terugtrekken van donoren als gevolg van sancties en afnemende financiering?1 Hoe beoordeelt u de acute humanitaire en economische gevolgen hiervan?
Deelt u de zorg dat de bevolking in het oosten van Congo zich in de steek gelaten voelt door zowel hun nationale overheid als de internationale gemeenschap? Welke concrete stappen zet Nederland om de bevolking in het oosten van Congo te ondersteunen?
Hoe beoordeelt u berichten dat de economie in delen van het oosten van Congo vrijwel tot stilstand komt en dat lokale organisaties en maatschappelijke initiatieven op omvallen staan? Wat betekent dit voor de stabiliteit in de regio op korte en middellange termijn?
Kunt u ingaan op signalen dat het gezondheidssysteem in het oosten van Congo dreigt te bezwijken, onder meer door belemmerde import van medische goederen en het wegvallen van leveringen van essentiële medicijnen en vaccins vanuit Kinshasa? In hoeverre acht u deze berichten betrouwbaar en wat is de Nederlandse inzet om verdere instorting te voorkomen?
Hoe beoordeelt u de sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld (SGBV) en de aanhoudende mensenrechtenschendingen in de regio, mede in het licht van berichten dat communicatie hierover actief wordt onderdrukt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor bescherming van burgers en het documenteren en adresseren van deze schendingen?
Klopt het dat Nederland inzet op een afbouw van activiteiten in de Grote Meren regio in Afrika? Zo ja, hoe verhoudt deze strategie zich tot de snel verslechterende situatie ter plaatse en bent u bereid deze inzet te heroverwegen en te bezien welke rol Nederland nu en in de toekomst kan en moet spelen in het oosten van Congo?
Kunt u toezeggen, overwegende dat ondanks een eerdere Kamerbrief over de breed gesteunde motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 32) die verzoekt tot continuering van het Grote Meren Programma er nog altijd geen duidelijkheid is over de wijze waarop deze continuering met Nederlands ontwikkelingsgeld in deze regio wordt vormgegeven, om succesvolle programma’s binnen het Grote Meren Programma te continueren en zo snel mogelijk met een brief te komen over de exacte uitvoering van de motie-Bamenga c.s.?
Hoe kijkt u naar het bericht dat er een akkoord gesloten zou zijn tussen de rebellen en de Congoleze overheid over het leveren van humanitaire hulp?2 Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in de regio?
De Dag van de Geleidehond. |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dag van de geleidehond? Zo ja, deelt u de mening dat meer bekendheid voor hulphonden, zowel voor geleidehonden als andere hulphonden die helpen met bijvoorbeeld PTSS, belangrijk is?
In welke mate herkent u de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken regelmatig geweerd worden, terwijl toegang wettelijk verplicht is?
In welke mate herkent u de signalen dat er sprake is van nep-hulphonden, waarbij honden voor veel geld verkocht worden die niet in staat zijn om hun baasje te helpen op de benodigde manier?
Denkt u dat een kwaliteitskeurmerk en een daaraan verbonden hulpdierenpaspoort voor deze beide problemen een oplossing kan zijn? Zo ja, op welke manier kan dat vormgegeven worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat de gemiddelde wachttijd voor een hulphond inmiddels is opgelopen tot anderhalf tot twee jaar? Deelt u de mening dat deze wachttijd drastisch omlaag zou moeten?
Ziet u mogelijkheden om met een voorlichtingscampagne over de hulphond meer mensen te enthousiasmeren om een geleidehond op te leiden?
In welke mate herkent u de signalen dat er onduidelijkheid bestaat voor mensen met een visuele beperking of zij een hulphond vergoed kunnen krijgen bij de zorgverzekeraar of de gemeente?
Bent u bereid om in gesprek gaan met zorgverzekeraar en gemeenten om ervoor te zorgen dat de regels over vergoeding van hulphonden duidelijker uitgelegd worden?
Het bericht 'Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open»?1
Hoe reflecteert u op het bericht dat onze Zuiderburen de stap willen nemen om ondernemers zelf te laten bepalen wanneer zij open willen?
Bent u het, net als de Belgische Minister Simonet, ermee eens dat ondernemers zelf capabel genoeg zijn om te bepalen wanneer zij wel of niet open gaan? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de gevolgen van het Belgische besluit voor de Nederlandse ondernemers in de grensregio die hun winkel op zondag gesloten of deels gesloten moeten houden?
Wat is de voortgang van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en wanneer in het voorjaar van 2026 wordt deze, conform de aangenomen motie-Kisteman (Kamerstuk 26 419, nr. 113), met de Kamer gedeeld?
Wordt er tegelijk met het delen van de evaluatie van de Winkeltijdenwet een wetsvoorstel aan de Kamer voorgelegd indien de evaluatie daar voldoende aanknopingspunten toe biedt, zoals in dezelfde aangenomen motie-Kisteman om is verzocht? Zo nee, waarom niet?
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.